Twee zalmen die regtop en afgewend staan

Page 1

'TWEE ZALMEN DIE REGTOP EN AFGEWEND STAAN'

R.J.P. VAN DER ZALM

'TWEE ZALMEN DIE REGTOP EN AFGEWEND STAAN' HET ADELLIJK GESLACHT VAN BRAKELL (ca. 1200 - ca. 1900)

R.J.P. VAN DER ZALM



1

R.J.P. VAN DER ZALM

‘TWEE ZALMEN DIE REGTOP EN AFGEWEND STAAN’

HET ADELLIJK GESLACHT VAN BRAKELL (ca. 1200 – ca. 1900)

LANDGRAAF 2015


2

‘Zijn wij niet allen reizigers in de tijd.’

VOORWOORD

L.S.

Vanzelfsprekend moet ik beginnen met een verklaring voor de titel van dit boek. Vanaf de dertiende eeuw voerden de Heren van Altena als wapen twee afgewende rode zalmen in goud. Een van hun nakomelingen, Steesken van Brakell, brak dit wapen door de kleuren te wijzigen en negen spitsvoetige herkruiste kruisjes toe te voegen. In de zestiende eeuw besloot mijn stamoudgrootvader Ott Jans (van Brakell) of diens zoon Ghijsbert Otten (van Brakell) de kruisjes te vervangen door een kroontje. De hoofdmoot van mijn verhaal bestaat uit de lotgevallen van de Bommelerwaardse tak van het geslacht Van Brakell waartoe mijn voorouders in rechte mannelijke lijn behoren (hoofdstuk I t/m VI en X). Maar ook de Brabantse, Dordrechtse, Utrechtse en Betuwse tak passeren de revue. Verder belicht ik uitvoerig de historische omstandigheden waarin deze mensen leefden. Al lezende zult U snel tot de conclusie komen dat een oud-leraar geschiedenis aan het woord is. Dus een wetenschappelijk verantwoord relaas, maar doorspekt met anekdotes en wetenswaardigheden. Ik wil immers vermijden, dat U al na enkele bladzijden dit boek terzijde legt en opbergt in Uw boekenkast, waar het gedoemd is in de vergetelheid te raken. Daarom geen bespiegelingen omtrent de religieuze achtergronden bij het verzet van Willem van Oranje tegen de Spaanse overheersers, en geen diepgravende uiteenzetting over de oorzaken en gevolgen van de Franse revolutie. Wel de grote lijnen en voor de rest ‘petite histoire’, met vooral aandacht voor het dagelijks lief en (soms veel) leed van mijn voorouders. Mijn dank gaat uit naar mijn vrouw Marlou en mijn dochter Ingrid voor hun steun en hun begrip voor mijn vaak letterlijke en nog vaker figuurlijke afwezigheid. Ik dank ook de medewerkers van bibliotheken en archieven (in het bijzonder het Streekarchief Bommelerwaard in Zaltbommel en het Gelders Archief in Arnhem) die mij met raad en daad terzijde stonden.

René van der Zalm


3

VOORWOORD 2 INHOUD 3 I HET LAND VAN OORSPRONG §1 §2 §3 §4

Karel de Grote en zijn opvolgers 5 De eerste Heer van Brakel 5 De Heren van Altena 7 De heraldiek 9

II DE HEREN VAN BRAKEL (ca. 1200 – ca. 1400) § 1 Inleiding 13 § 2 Kasteel Brakel 14 § 3 De Heren van Brakel I 15 § 4 De Heren van Brakel II 17 § 5 De Limburgse Successieoorlog (1283-1288) 18 § 6 De Heren van Brakel III 19 § 7 De Zwarte Dood en ander onheil 24 § 8 De Heren van Brakel IV 26 § 9 Loevestein, ‘een slot van eeuwen her’ 27 § 10 De Heekerens en de Bronkhorsten. Dertig jaar burgeroorlog (1349-1379) 28 § 11 De Heren van Brakel V 29 III ‘DEN LAGEREN ADEL’ (ca. 1300 – ca. 1500). DE BOMMELERWAARDSE EN DE BRABANTSE TAK VAN HET GESLACHT VAN BRAKELL §1 §2 §3 §4 §5

Inleiding 36 Heren in de Bommelerwaard I 36 Heren in de Bommelerwaard II 50 Heren in de Bommelerwaard III 56 Heren in Brabant 57

IV ‘VERGEZELD BOVEN VAN EEN ZILVEREN KROON’. EEN BREUK IN EEN FAMILIEWAPEN (ca. 1500 – ca. 1600) § 1 ‘Le dyable de Gueldres’ 80 § 2 Otto Jans (van Brakell) 83 § 3 Ghijsbert Otten (van Brakell) 84 V JAN GHIJSBERTS (VAN BRAKELL). ‘DE NESTOR ONDER DE SCHEPENEN VAN ZUILICHEM’ (ca. 1553 - 1628) §1 §2 §3 §4 §5

De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) 89 Jan Ghijsberts (van Brakell) I 91 ‘Hyer mocht men sien alle dage, ja alle ure, een groot gescrey’ 92 De Reformatie 96 Jan Ghijsberts (van Brakell) II 100

VI DE GEBOORTE VAN EEN FAMILIENAAM § 1 ‘Joffrou’ Gertruyt van Brakell 105 § 2 Pastoor Reyner Joosten. ‘Een zaeken van zeer quaden exempell’ 106 § 3 ‘Salmwerdt’ Cornelis Rey(n)ers 109


4

VII HEREN IN HOLLAND (ca. 1300 – ca. 1500). DE DORDRECHTSE TAK VAN HET GESLACHT VAN BRAKELL §1 §2 §3 §4

Heren in Holland I Eerste deel 115 De Sint Elisabethsvloed (1421) 123 Heren in Holland I Tweede deel 124 Heren in Holland II 128

VIII HEREN IN HET STICHT (ca. 1450 – ca. 1675). DE UTRECHTSE TAK VAN HET GESLACHT VAN BRAKELL § 1 Inleiding 141 § 2 Heren in het Sticht I 141 § 3 Heren in het Sticht II 147 IX HEREN IN DE BETUWE (ca. 1500 – ca. 1900). DE BETUWSE TAK VAN HET GESLACHT VAN BRAKELL § 1 Inleiding 158 § 2 Heren in de Betuwe I 158 § 3 Heren in de Betuwe II 161 § 4 Intermezzo. Nederland in de jaren 1672-1789 171 § 5 Heren in de Betuwe III Eerste deel 174 § 6 Intermezzo. Nederland in de jaren 1789-1914 189 § 7 Heren in de Betuwe III Tweede deel 192 § 8 ‘Zacht ruste hun stof!’ 201 HOOFDSTUK X STAMREEKS EN STAMBOOM Stamreeks 225 Stamboom (tot ca. 1900) 227 BRONNEN EN LITERATUUR 245 REGISTER VAN PERSONEN 271


5

HOOFDSTUK I HET LAND VAN OORSPRONG

§ 1 Karel de Grote en zijn opvolgers

Karel de Grote (742-814), zoon van Pepijn de Jongere en Bertrada van Laon, heerste over een rijk dat zich uitstrekte van Midden-Italië tot Denemarken en van de Atlantische Oceaan tot de Elbe. Om dit imperium efficiënt te kunnen besturen, verdeelden de Frankische heersers het in gouwen, geleid door graven die gecontroleerd werden door zendgraven. Een van die gouwen was Teisterbant, de huidige Tieler- en Bommelerwaard, het Land van Heusden en het Land van Altena. Karel overleed in 814 in Aken en werd opgevolgd door zijn zoon Lodewijk de Vrome (778-840). Uit diens eerste huwelijk werden drie zonen geboren, Lotharius I, Lodewijk de Duitser en Pepijn, tussen wie het rijk in 817 verdeeld werd. Na het overlijden van zijn vrouw, sloot Lodewijk de Vrome in 819 een tweede huwelijk met Judith van Welf. Zij schonk haar echtgenoot nog een vierde zoon, Karel de Kale. Judith eiste voor haar zoon ook een deel van het rijk. Het gevolg was een burgeroorlog tussen Lodewijk de Vrome en Karel de Kale aan de ene kant en de andere drie zonen aan de andere kant. In 838 overleed Pepijn en in 840 Lodewijk de Vrome. Pas in 843 werd het Verdrag van Verdun gesloten, waarbij het eens zo machtige Frankische rijk werd opgedeeld onder de drie nog in leven zijnde broers. Karel de Kale kreeg West-Francië (het land ten westen van de Maas en de Schelde, het tegenwoordige Frankrijk en Vlaanderen), en Lodewijk de Duitser Oost-Francië (het land ten oosten van de Rijn, het tegenwoordige Duitsland); Lotharius I moest tevreden zijn met de keizertitel en Midden-Francië, een lang en smal gebied tussen Denemarken en Midden-Italië en daarom moeilijk te verdedigen. ‘Weinig meer dan de twee steden Aken en Rome en een lange, smalle weg om van de ene stad naar de andere te wandelen.’ (1) Lotharius stierf in 855 en een van zijn drie zonen, Lotharius II, kreeg het naar hem genoemde Lotharingen, waartoe ook de Nederlanden (m.u.v. Vlaanderen) behoorden. Hij overleed in 869, waarop zijn beide ooms Karel de Kale en Lodewijk de Duitser in Meerssen (L) de erfenis onder elkaar verdeelden. In 880 verwierf de koning van Oost-Francië ook de rest van Lotharingen en kwam het hele vorstendom en daarmee ook de Nederlanden bij het Duitse rijk. Vanaf 959 raakte Lotharingen verdeeld in Opper-Lotharingen (ongeveer het tegenwoordige Lotharingen in Frankrijk) en Neder-Lotharingen (waaronder het huidige Nederland). In de eeuwen daarna viel dit laatste gebied uiteen in verschillende graafschappen en hertogdommen, waaronder Brabant, Limburg, Holland en Gelre. In de twee laatstgenoemde vorstendommen moeten we de oorsprong van het geslacht Van Brakell zoeken. Een onbekende Van Altena is de stamvader en zijn eerste met naam bekende nakomeling heette Steesken van Brakell. Hij was Heer van Brakel, een dorp in het westen van de Bommelerwaard in de huidige provincie Gelderland. § 2 De eerste Heer van Brakel

Volgens de negentiende eeuwse historicus en genealoog baron W.A. van Spaen kwam tegen het einde van de twaalfde eeuw kasteel Brakel, eigendom van de Heren van Altena, in het bezit van een jongere zoon uit dit geslacht. ‘Uit de Heeren van Altena zijn zeker de geslachten van Brakel en Giessen gesprooten, die de goederen van dien naam tot hun erfdeel ontvangen hebben: de wapens met verandering van coleuren, toonen zulks duidelijk aan.’ (2) Zijn naam is niet bekend. Hij ging zich naar zijn slot Van Brakell noemen en brak (= veranderde) het voorouderlijk wapen. De bekende heraldicus J.B. Rietstap zegt hierover: ‘want daar Altena twee afgewende roode zalmen in goud voerde, was het reeds eene breuk dat Brakel die zalmen zilver in rood had’. (3) Bovendien voegde hij negen spitsvoetige her-


6

kruiste kruisjes aan het wapen toe. W. van Dam van Brakel beweert dat ‘de familien Van Brakel en Giessen ten tijde der croissades (= kruistochten) door de pausen met gekruiste kruissen in haar wapens vereerd zijn geworden’. (4) Nu kan men natuurlijk stellen dat de boeken van Van Spaen en Rietstap hopeloos verouderd zijn, maar niet iedereen denkt daar zo over. Prof.dr.W.Jappe Alberts, een van de auteurs van het standaardwerk over de geschiedenis van Gelderland, zegt hierover: ‘Van Spaen’s werk moge thans deels als verouderd gelden, het staat echter wel vast, dat hij - zijn Voorrede tot de beide eerste delen getuigt daarvan voorzichtig en critisch te werk gegaan is. Ook daarom heeft zijn werk voor het hedendaagse historisch onderzoek nog belang. De auteur verkreeg voor zijn arbeid de beschikking over vele particuliere archivalia; hij spreekt uitdrukkelijk over zijn verzamelingen. Onder deze archivalia zijn er, die sindsdien verloren gegaan zijn of (…) uit het oog geraakt zijn’. (5) A.H.Hoeben zegt in zijn boek over de Brabantse heraldiek dat ‘persoonlijke ervaringen mij hebben geleerd dat Rietstap in het algemeen nauwkeurig te werk is gegaan’. (6) Mr.dr.K.Korteweg spreekt in zijn proefschrift van ‘de critische Van Spaen’ en ‘Van Spaen, die, bij de groote omzichtigheid, waarmede hij bij de schifting van Dichtung und Wahrheit in oude overleveringen te werk pleegt te gaan, (…)’. (7) Ir.C.Sigmond schrijft in de Nederlandsche Leeuw dat ‘een genealogie van een 14e/15e-eeuws geslacht niet gemaakt kan worden zonder gebruik te maken van bepaalde gegevens uit secundaire bronnen, simpelweg omdat sommige van de primaire bronnen thans niet langer voorhanden zijn’. (8) In 1948 verscheen een artikel in hetzelfde tijdschrift van mr.Elisabeth Prins, waarin zij een overzicht geeft van alle archieven in Nederland die in de jaren 1940-45 verloren zijn gegaan. (9) Dr.Antheun Janse schrijft in zijn boek Ridderschap in Holland. Portret van een adellijke elite in de late Middeleeuwen dat ‘meer dan door namen de band met het voorgeslacht in stand gehouden werd via heraldische tekens. (…) Zowel het toepassen van breuken als het verlaten ervan vormen indicaties van de betekenis van het heraldisch wapen als verwijzing naar de verticale band met het voorgeslacht’. (10) In Heren van Stand. Van Wassenaer 1200-2000. Achthonderd jaar Nederlandse adelsgeschiedenis lezen we: ‘De band met de gemeenschappelijke voorvader wordt aangegeven door de kern van diens wapen (de afgewende zalmen) over te nemen, de eigen positie wordt uitgedrukt door het familiewapen te breken, door aanpassing van de kleuren, of toevoeging van stukken’. (11) Ook nakomelingen van Steesken (Eustachius) van Brakell, waaronder Otto Jans (van Brakell) of diens zoon Ghijsbert Otten (van Brakell), hebben het wapen van hun stamvader gebroken. Antheun Janse (12) en de heraldicus drs.J.A. de Boo (13) beweren dat tot in de dertiende eeuw heraldische figuren door leenmannen van hun leenheer werden overgenomen zonder dat er van verwantschap sprake was. A.H.Hoeben daarentegen zegt ‘dat er geen enkel bewijs is dat deze figuren bewust zijn ontleend aan het wapen van de leenheer (…)’. (14) In een verdrag gesloten in 1212 tussen Dirk (III) van Altena en Jan van Heusden wordt ‘Cesarius de Brakel’ samen met anderen als getuigen en ‘homines (= vazallen/leenmannen)’ van de eerstgenoemde vermeld. (15) Cesarius wordt niet genoemd bij de familieleden van Dirk, te weten Walter of Wouter (broer), Hendrik (oom van vaderszijde) en Boudewijn en Dirk (neven), maar dat wil niet zeggen dat hij geen (verre) bloedverwant was. (16) Cesarius was mogelijk de vader van Steesken, zij hadden immers dezelfde ‘achternaam’; ook het jaar waarin zij voor het eerst genoemd worden (Cesarius in 1212, Steesken in 1241), pleit voor een vaderzoonrelatie. Ook in andere bronnen is niets te vinden over de door Van Spaen veronderstelde verwantschap tussen de geslachten Van Brakell en Van Altena. Hier staat echter tegenover dat ‘nieuwe geslachten die in de bronnen verschijnen, vaak als zijtakken van oude worden geïdentificeerd, ook al verruilden zij de naam van de hoofdtak (Van Altena) in veel gevallen voor een nieuwe naam die ontleend was aan de burcht (Van Brakell) of het goed dat zij in handen hadden’. (17) In bovengenoemd verdrag wordt Cesarius van Brakell leenman van de Heren van Altena genoemd, maar niet bekend is wat hij van hen in leen hield. Kasteel Brakel kan het niet geweest zijn, want dit was (tot 1321) allodium (= eigendom) waarvoor geen leenhulde verschuldigd was. A.H.Hoeben schrijft in zijn artikel over het geslacht Van Ghoor dat ‘een allodium in het algemeen wijst op een erfelijk, eigen goed, in bezit van of verkregen


7

door een vooraanstaande familie. Allodia werden in de middeleeuwen gelijkelijk over de erfgenamen verdeeld en dit kan betekenen dat (Brakel) onderdeel is geweest van een uitgebreider allodium van de heren van Altena (…)’. (18) Brakel en omgeving behoorden immers tot het laatste kwart van de dertiende eeuw tot het Land van Altena. De rivier tussen de Waal en de Maas (de Afgedamde Maas), nu de grens tussen de Bommelerwaard en het Land van Altena, ontstond volgens dr.K.N.Korteweg, mr.H. Hardenberg en H.Voogd namelijk pas in de dertiende eeuw. (19) Korteweg baseert zich hierbij op een verklaring ‘in het jaar 1357 afgelegd door Nicolaas Macer van Almkerk in een geschil, dat aan de Parijsche universiteit was gerezen tusschen de natio Anglicana en de natio Picardorum over de grenzen der ressorten van beide naties’. Hij verklaarde toen ‘dat de Nieuwe Maas, d.w.z. de rivier van Hedikhuizen naar Woudrichem, ongeveer tachtig jaar tevoren was ontstaan, na de afdamming van de Oude Maas’. (20) Steesken behoorde noch tot de leenmannen noch tot de dienstmannen (ministeriales) van de Heren van Altena. In een akte van 26 juni 1241 wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen ‘Nicolaus dictus de Ema et Henricus filius suus, ministeriales nostri (van Dirk van Altena)’ en de ‘nobiles viri (= edelen)’ waaronder ‘dominus Justacius de Brakel’. (21) In het archief van de familie Van Dam van Brakel wordt Steesken van Brakell neef en voogd van Dirk, Heer van Altena, genoemd. (22) In een artikel in de Nederlandsche Leeuw van J.W.Zondervan staat over het begrip neef in de middeleeuwen het volgende: ‘Uit de vele voorbeelden die ik heb nagetrokken - voor zover zulks goed mogelijk is - bleek mij steeds weer dat met neve en nicht in de late middeleeuwen altijd bloedverwantschappen worden aangeduid van de tweede tot en met de vierde graad volgens het toen geldende canonieke (kerkelijke) recht. Ter verduidelijking: het betreft volle neven en nichten tot en met achterachterneven en -nichten. (…) Deze graden van verwantschap speelden vanaf ca. 1215 een duidelijke rol in het dagelijks leven’. (23)

§ 3 De Heren van Altena

In het begin van de dertiende eeuw was een zekere Dirk (III) Heer van Altena. Dirk overleed in 1242 kinderloos en werd opgevolgd door zijn zuster Margaretha, gehuwd met Willem, Heer van Horne. (24) Wie op de hoogte is van de vaderlandse geschiedenis, moet wel eens gehoord hebben van de graaf van Ho(o)rne. Deze werd in 1568 samen met de graaf van Egmond, vanwege hun vermeende rol in de Beeldenstorm van 1566, op bevel van Alva op de Grote Markt in Brussel onthoofd. Op 18 februari 1577 gaf Philips II, koning van Spanje en Heer der Nederlanden, het Land van Altena in leen aan Herman, graaf van Nieuwenaar en Meurs, zwager van de graaf van Ho(o)rne. Diens weduwe verkocht de ‘heerlicheyt ende thuys van Althenae’ (25) op 2 oktober 1590 aan de Staten van Holland. De eerste Heer van Altena, vermeld in een oorkonde uit 1143, heette Dirk (I). (26) In zijn Geschiedenis van Bladel en Netersel naar de archieven van Postel’s abdij beweert T.I.Welvaarts dat Bertha, Vrouwe van Blaarthem (tegenwoordig een buitenwijk van Eindhoven), de moeder was van Dirk (I) van Altena. (27) Er zijn hiervoor meerdere aanwijzingen. Dirk (I) ‘bezat blijkens een gift aan de abdij Averbode in 1152 ook goederen in Brabant. Bovendien komt hij temidden van edelen uit deze streek, zoals Gerard van Boxtel, Herbert van Hese en Hendrik van Breda, voor in de oorkonde van Postel uit 1173, die weliswaar onecht is, maar waarvan de inhoud juist kan zijn, temeer, omdat de namen van verschillende personen, ook in andere oorkonden van die tijd voorkomen. Daar komt nog bij, dat ook Dirk (II) van Altena bezittingen in deze omgeving had, zoals te Reusel en Lage Mierde’. (28) De oorkonde van Postel is een afschrift van de oorspronkelijke oorkonde uit 1173 die zoekgeraakt is. De tekst hiervan staat in het Oorkondenboek van Noord-Brabant. (29) In deze akte wordt ‘Berta de Blartheim’ vermeld. Waarschijnlijk was Bertha ‘een telg van een van de lokale Texandrische elites, die door het wegvallen van centraal gezag gedurende de elfde en twaalfde eeuw allerlei bezittingen wisten te verwerven’. (30)


8

Het volgende is meer dan een aanwijzing. ‘Ik Wilhelmus, heer van Altena en van Hoorn (= Willem, zoon van de al eerder genoemde Willem van Horne en Margaretha van Altena), begeer dat bekend en duidelijk wordt, dat ik de verdeling van mijn erfenis en goederen met toestemming van mijn beide zoons Willem en Dirk tussen hen zo heb geregeld, te weten dat Willem mijn eerstgeboren zoon het kasteel van Hoorne met zijn toebehoren en alle goederen in Blaarthem met inbegrip van de goederen van Blaarthem, die ten zuiden daarvan mijn erkend bezit zijn, zal verkrijgen en in erfelijk recht bezitten. Aan Dirk mijn later geboren zoon heb ik het kasteel in Altena met zijn toebehoren en alle goederen van Blaarthem afgescheiden, die ten noorden daarvan mijn erkend bezit zijn.’ (31) B.W.Braams zegt in zijn proefschrift ‘dat als vaststaand kan worden aangenomen dat de eerste Van Altena’s de belangrijkste tak waren van het geslacht Van Uitwijk. (…) De Van Uitwijks kunnen tot de hoge Teisterbantse adel worden gerekend, ze waren onder meer verwant aan adellijke families in Brabant, wellicht juister: in Texandrië’. De eerste Van Uitwijk die in de bronnen genoemd wordt, was Hubertus de Utwic. Deze was in 1108 getuige voor de bisschop van Utrecht. Volgens Braams zijn de Van Uitwijks en de Van Altena’s mogelijk afstammelingen van ‘graaf Wichardus, die omstreeks 1130 de grafelijke macht zou hebben uitgeoefend in geheel Vrote en de Woudrichemmerwaard (samen het Land van Altena) en een groot deel van de Bommelerwaard’. Zowel de Van Altena’s als de Van Uitwijks voerden het wapen met de twee afgewende zalmen. (32) Zie de volgende paragraaf. J.P.C.A. Hendriks veronderstelt dat de Van Altena’s nakomelingen waren van een mannelijke telg uit het geslacht Van Uitwijk en een vrouwelijke afstammeling uit het geslacht Van Emmikhoven, een familie die al in de Karolingische tijd in het Land van Altena woonde. (33) Ook de Heren van Emmikhoven hadden de twee afgewende zalmen in hun wapen. Hieronder vindt U de opeenvolgende Heren van Altena. De jaartallen in dit overzicht zijn meestal geen regeringsjaren of jaren van geboorte of overlijden, maar jaren waarin de betreffende personen voor het eerst en/of voor het laatst in oorkonden worden genoemd. Een voorbeeld hiervan zijn de jaren 1143 en 1172, waarin Dirk (I) van Altena vermeld wordt in oorkonden van de bisschop van Utrecht. (34) Bertha van Blaarthem geboren rond 1100 Dirk (I) van Altena 1143-1172 Dirk (II) van Altena 1172-1189 Boudewijn van Altena 1189-1200 Dirk (III) van Altena 1200-1242 Margaretha van Altena x Willem van Horne 1189-1242 Willem (I) van Altena en Horne 1212-1264 / \ Dirk (IV) van Altena – Willem van Horne 1264-1268 1264

Van Dirk (II) en Boudewijn van Altena is bekend, dat zij tot een groep edelen behoorden die Floris III, graaf van Holland, vergezelden tijdens de Derde Kruistocht (1189-1192). (35) Het is niet ondenkbaar dat Dirk (II) tijdens die kruistocht sneuvelde, omdat hij na 1189 niet meer in oorkonden voorkomt. Dirk (III) van Altena nam naar alle waarschijnlijkheid deel aan de Vijfde Kruistocht (1217-1221). (36)


9

§ 4 De heraldiek Zowel de Heren van Altena als de Heren van Brakel voerden dus het wapen met de twee zalmen ‘die regtop en afgewend staan, met den rug een weinig gekromd’. (37) Op een zegel van Dirk (III) van Altena uit 1212 staat zijn wapen. Het omschrift luidt: ‘Sigillu …Tehoderici de Hottena …(zegel van Dirk van Altena)’. (38) Een ander zegel is bevestigd aan een oorkonde uit 1224 en laat eveneens de twee zalmen zien, met het omschrift: ‘Sigillum Theo … e. Altena (zegel van Dirk van Altena)’. (39) In het wapen van de Heren van Brakel vinden we de twee zalmen vergezeld van negen spitsvoetige herkruiste kruisjes. Ook in de eeuwen daarna werden de zalmen door mijn voorouders als heraldisch symbool gebruikt. Ghijsbert Otten (van Brakell) en zijn zoon Jan Ghijsberts (van Brakell), schepenen in de Hoge Bank van Zuilichem, zegelden in de zestiende en zeventiende eeuw akten met hun wapen, twee zalmen vergezeld boven van een kroontje. Het wapen van de schrijver is afgeleid van dat van zijn stamoudvader Ghijsbert Otten (van Brakell), en toont in blauw twee afgewende gouden zalmen, vergezeld boven van een zilveren kroon van drie bladeren met drie robijnen. (40) Opvallend is dat het hier gaat om personen met hetzelfde wapen, maar met een verschillende familienaam. Hierover vond ik in een artikel van M.S.F.Kemp in Spiegel Historiael een belangrijke opmerking: ‘Het wapen (…) werd gevoerd door tal van mensen met en zonder verschillende achternaam; zij lijken allen met elkaar in verband te brengen. In feite is vergelijkend zegelonderzoek een zeer belangrijk hulpmiddel bij de beoefening van middeleeuwse genealogie: het bevestigt de regel dat een wapen betrouwbaarder is dan een achternaam.’ (41) Jhr.dr.Th. van Rheineck Leyssius zegt ‘dat in den regel het middeleeuwsche zegel, mits men de mogelijkheid van verandering door bezitsverkrijging niet uit het oog verliest, een veiliger leidster is, dan de naam’. (42) N.B. In 1996 vond een onderzoek plaats naar de ouderdom van familiewapens, geregistreerd bij het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag. Daarbij bleek dat slechts 8% van alle wapens dateren van vóór 1600, waaronder het wapen Van der Zalm. (43) De twee afgewende zalmen vinden we in meer oude wapens terug, o.m. in dat van de graven, later hertogen van Bar, de graven van Montbéliard, de graven van Salm in de Ardennen en in de Vogezen (met negen spitsvoetige herkruiste kruisjes) en verder o.m. in dat van de geslachten Van Uitwijk (‘twee ruggelingsche zalmen, zwart op goud’), Van Giessen (‘goud op zwart’), Van Rijswijk (‘zilver op rood’), Van Emmikhoven (‘goud op blauw’) en De Borchgrave d’Altena (‘zwart op zilver’). (44) De heraldiek of wapenkunde ontstond rond 1150 in Frankrijk. ‘Er is veel gefilosofeerd over de twee stellingen: de heraldiek is ontstaan uit de noodzaak van herkenbaarheid in het strijdgewoel, tijdens of vlak na de Kruistochten, dan wel de steeds meer geaccepteerde gedachte dat de heraldiek zijn opbloei te danken heeft aan de opkomst van toernooien, waarmee de adel zich als overbrugging tot aan de feitelijke veldslagen en mede als middel tot wapenoefening bezig hield.’ (45) De oplossing voor het probleem van de herkenbaarheid was het schild, dat versierd kon worden met een uniek motief c.q. wapen dat al van grote afstand zichtbaar was. Omdat dit motief van generatie op generatie werd doorgegeven, gaf het niet alleen iemands identiteit maar ook zijn afkomst aan. (46) Vanaf ongeveer 1300 nam het aantal wapens snel toe. Edelen, die oorkonden lieten opstellen of als getuigen in oorkonden optraden, zetten hun handtekening in de vorm van een zegel. Abten en bisschoppen volgden spoedig. Ook de burgerij in de steden, te weten hun vertegenwoordigers in het stadsbestuur, de schepenen, gingen bij rechtshandelingen gebruik maken van een zegel. Aanvankelijk was dit vaak een gemeenschappelijk zegel, d.w.z. het zegel van de stad. Maar met de groei van handel en nijverheid nam ook het aantal rechtshandelingen toe, met name op het gebied van de vrijwillige rechtspraak (denk hierbij aan bijvoorbeeld koop en verkoop). Sindsdien werd het hoe langer hoe meer een


10

gewoonte voor deze handelingen niet meer de hele schepenbank bijeen te roepen. Het opstellen en bekrachtigen van akten werd voortaan overgelaten aan enkele schepenen, meestal twee. Dezen gingen hiervoor een persoonlijk zegel gebruiken. Behalve schepenen gingen uiteraard ook anderen met een publieke functie hun akten van een zegel voorzien, zoals schouten, heemraden en notarissen. Een paar laatste opmerkingen over het familiewapen. ‘Het ligt voor de hand dat wapens in zegels persoonsgebonden waren. Dat betekent dat de gebruikers praktisch altijd het wapen van het geslacht waartoe zij behoorden, in het zegelveld lieten graveren. Soms voegde de zegelaar een additioneel element toe, (…).’ (47) De zalmen in het wapen van Ghijsbert Otten (van Brakell) en Jan Ghijsberts (van Brakell) stammen van hun voorouders, de Heren van Altena en van Brakel. Maar waar komt het kroontje vandaan? Een rangkroon, verbonden aan een adellijke titel, kan het niet zijn, want deze werd pas in de negentiende eeuw door koning Willem I ingevoerd. Van een ‘voormoeder’ of andere voorouder uit lang vervlogen tijden? Of gewoon ijdelheid? Volgens de heraldicus R.J.P.M.Vroomen is het kroontje als helmteken uniek in de Nederlandse heraldiek. (48) De zalm was in het verleden een van de favoriete mystieke symbolen van de Ieren en genoot een heilige status. De zalm gold als een koninklijk embleem en was heraldisch nauw verbonden met de O’ Neills, middeleeuwse koningen van Ulster. (49) ‘Het woord zalm = salme (oudgermaans)’ betekent volgens E.Weggeman Guldemont in de heraldiek ‘heils- of lichtvermeerdering. Lachs (hetzelfde) bestaat uit li-acs = ontstaan van licht. Twee zalmen = tuo salme = vermeerder heil of doe heil aangroeien, de plicht van een geestelijk wetgever’. (50)

NOTEN

1)J. de Rek, Van Hunebed tot Hanzestad, Baarn z.j., blz. 137. 2)W.A. baron Van Spaen La Lecq, Oordeelkundige inleiding tot de Historie van Gelderland, deel III, Utrecht 1804, blz. 214 en 262. 3)J.B.Rietstap, Wapenboek van den Nederlandschen adel met genealogische en heraldische aanteekeningen, eerste deel, Groningen 1883, blz. 47. Zie voor het breken van wapens ook H.J.J.Vermeulen, Een heel domme fout van de klerken van de graaf van Holland?, Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 12 en 13. 4)W. van Dam van Brakel, Familiewapens gevraagd, De Navorscher, jaargang 7 (1857), blz. 203. 5)Dr.W.Jappe Alberts, Geschiedenis van Gelderland van de vroegste tijden tot het einde der middeleeuwen, ’s-Gravenhage 1966, blz. 257. Zie ook dr.J.C.Kort, Gefantaseerde genealogieën. En een verzonnen oorkonde over Drunen, De Brabantse Leeuw, jaargang 52 (2003), nr. 3, blz. 131. 6)A.H.Hoeben, Brabantse heraldiek in historisch perspectief, Helmond 1991, blz. 11. 7)Mr.dr.K.N.Korteweg, De heerlijkheid Altena en de veer- en vischrechten op het boveneinde der Merwede, diss., Purmerend 1937, blz. 1. 8)Ir.C.Sigmond, De geslachten Van Slingeland(t) in Dordrecht en het baljuwschap Zuid-Holland in de 14e en 15e eeuw, De Nederlandsche Leeuw, jaargang CXVIII (2001), blz. 523. 9)Mr.Elisabeth C.M.Prins, Verliezen van archieven 1940-1945, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXV (1948), blz. 209 t/m 213. 10)Dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland. Portret van een adellijke elite in de late Middeleeuwen, Hilversum 2001, blz. 252 en 262. 11)Dr.H.M.Brokken (eindred.), Heren van Stand. Van Wassenaer 1200-2000. Achthonderd jaar Nederlandse adelsgeschiedenis, Zoetermeer 2001, blz. 12. 12)Dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland, blz. 255 en 256. 13)Drs.J.A. de Boo, Heraldiek, Bussum 1967, blz. 11 en 15. 14)A.H.Hoeben, Brabantse heraldiek in historisch perspectief, blz. 45 en 74. 15)Nationaal Archief, Heren van Altena 1212-1646, nr. 27. 16)Mr.L.Ph.C. van den Bergh, Oorkondenboek van Holland en Zeeland. Eerste afdeeling. Tot het einde van het Hollandsche Huis, eerste deel, Amsterdam/‘s-Gravenhage 1866, nr. 228. 17)Dr.Thimo de Nijs en drs.Eelco Beukers (red.), Geschiedenis van Holland, deel I, tot 1572, Hilversum 2002, blz. 83. 18)A.H.Hoeben, Vraagtekens en hypothesen rond de oudste generaties van het geslacht Van Ghoor in de huidige provincie Limburg, De Nederlandsche Leeuw, jaargang CV (1988), blz. 303.


11

19)Mr.dr.K.N.Korteweg, Rechtsbronnen van Woudrichem en het Land van Altena, Werken der vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het oud-vaderlandsche recht, derde reeks, nr 14, Utrecht 1948, blz. 50, mr.H.Hardenberg, De stichting van het slot Loevestein, Bijdragen en Mededeelingen der Vereeniging Gelre, jaargang XXXVII (1934), blz. 192 en 193, en H.Voogd, Geschiedkundige bijdragen uit het Land van Heusden en Altena, Brabants Heem, jaargang X (1958), blz. 106 t/m 112. Zie ook prof.mr.O.Moorman van Kappen, mr.Jan Korf en mr.O.W.A.baron van Verschuer, Tieler-en Bommelerwaarden 13271977. Grepen uit de geschiedenis van 650 jaar waterstaatszorg in Tielerwaard en Bommelerwaard, Tiel/Zaltbommel 1977, blz. 12, en drs.J.P.C.A.Hendriks, Archeologie en bewoningsgeschiedenis van het Land van Heusden en Altena, Almkerk 1990, blz. 23 en de kaart op blz. 24. 20)Mr.dr.K.N.Korteweg, Rechtsbronnen van Woudrichem en het Land van Altena, blz. 50. 21)Mr.L.Ph.C. van den Bergh, Oorkondenboek van Holland en Zeeland. Eerste afdeeling, eerste deel, nr. 381. 22)Gelders Archief, Archief van de familie Van Dam van Brakel (1307-1379), 1381-1959, nr. 7. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell, 1432-1903, nr. 13, Genealogische aanteekeningen van het geslacht van Brakell, door Diederik Louis van Brakell (1842), blz. 1, en T.Klaversma, De heren van Horne, Altena, Weert en Kortessem (1345-1433). In: Weert in woord en beeld: jaarboek voor Weert 4 (1989), blz. 55. 23)J.W.Zondervan, De vrouwen van Randerode en van Zandenburg (Veere), De Nederlandsche Leeuw, jaargang CX (1993), blz. 478 en 479. 24)Europaïsche Stammtafeln. Stammtafeln zur Geschichte der Europaïschen Staaten. Neue Folge, Herausgegeben von Detlev Schwennicke, Marburg 1980, Band VI, Tafel 63. 25)Mr.dr.K.N.Korteweg, Rechtsbronnen van Woudrichem en het Land van Altena, nr. 413 en 420. 26)A.C.F.Koch, Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, I: Eind van de 7 e eeuw tot 1222, ’s-Gravenhage 1970, nr. 121. 27)Th.Ign.Welvaarts, Geschiedenis van Bladel en Netersel naar de archieven van Postel’s abdij, Eindhoven 1890, blz. 15. 28)Drs.T.Klaversma, De Heren van Cranendonk en Eindhoven ±1200-1460, Eindhoven 1969, blz. 11. Zie ook C.R.Hermans, Analytische opgave der gedrukte charters, diploma’s, handvesten, plakaten, keuren, ordonnantiën, reglementen en andere staatsstukken, betrekkelijk de provincie Noord-Braband, van het Jaar 704 tot en met het Jaar 1648, ’s-Hertogenbosch 1844, blz. 20. 29)Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312, Deel I, de Meierij van ’s-Hertogenbosch, bewerkt door dr.H.P.H.Camps, ’s-Gravenhage 1979, nr. 69. 30)Nico Arts e.a., De kastelen Blaarthem en Gagelbosch bij Eindhoven. Archeologisch en historisch onderzoek in Eindhoven, deel 1, Eindhoven 1996, blz. 20 en 21. 31)Drs.T.Klaversma, De Heren van Cranendonk en Eindhoven, blz. 11. Voor de oorspronkelijke tekst zie P.C.Bockenberg, Annotationes de nobilibus familiis Neerlandicis, ongedateerd, manuscript nr. 1646, folio 165, Universiteitsbibliotheek Utrecht. 32)Dr.B.W.Braams, Weyden en zeyden in het broek: Middeleeuwse ontginning en exploitatie van de kommen in het Land van Heusden en Altena, diss., Wageningen 1995, blz. 50, 52, 53 en 55. Zie ook dr.J.C.Kort, De heren van Altena tot 1242, De Brabantse Leeuw, jaargang 55 (2006), nr. 3, blz. 151 t/m 154. 33)Drs.J.P.C.A.Hendriks, Archeologie en bewoningsgeschiedenis van het Land van Heusden en Altena, blz. 124 en 125. 34)S.Muller Fzn., A.C.Bouman, K.Heeringa en F.Ketner, Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301, Utrecht/’s-Gravenhage 1920-1959, deel I, nr. 383 en 473. Zie ook A.C.F. Koch, Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, I, nr. 121. 35)Drs.T.Klaversma, De geslachten van Altena en Horne tot ca. 1300, Publications de la société historique et archéologique dans le Limbourg, jaargang CXIV (1978), blz. 14. Zie ook dr.J.C.Kort, De heren van Altena tot 1242, blz. 138. 36)Dr.J.A.Mol, Vechten of verplegen? Ontstaan en begintijd van het huis en de balije Utrecht. In: Crux et Arma. Kruistochten, ridderorden en Duitse Orde, Bilzen 1997, blz. 203. 37)J.B.Rietstap, Handboek der wapenkunde, Tweede Uitgaaf, Amsterdam 1875, blz. 200. 38)Corpus sigillorum neerlandicorum. De Nederlandse zegels tot 1300 afgebeeld en beschreven in opdracht en onder toezicht van de Nederlandse Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, ’s-Gravenhage 1937-1940, nr. 652. 39)Corpus sigillorum neerlandicorum, nr. 654. 40)R.J.P. van der Zalm, Van zegel tot familiewapen, Ons Erfgoed, jaargang 7, nr. 1, januari/februari 1999, blz. 35. Dit artikel is in beknopte vorm ook verschenen in het Heraldisch Tijdschrift, periodiek van de afdeling heraldiek van de Nederlandse Genealogische Vereniging, jaargang 4, nr. 4, oktober/november/december 1998, blz. 73 en 75. Een beschrijving van het wapen is gepubliceerd in Gens Nostra, jaargang 53, nr. 12 (december 1998), blz. 727, en in het Heraldisch Tijdschrift, jaargang 5, nr. 1, januari/februari/maart 1999, blz. 11. 41)M.S.F.Kemp, Genealogisch onderzoek vóór 1600. Relaas van een methode toegepast en ontwikkeld op het Kromme Rijngebied, Spiegel Historiael, jaargang 21 (1986), nr. 11, blz. 496. 42)Jhr.dr.Th. van Rheineck Leyssius, Middeleeuwsche Geslachtsnamen, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LVI (1938), blz. 439. 43)Mr.E. van Driesum, Een oud familiewapen, kans 1 op 3?, Ons Erfgoed, jaargang 4, nr. 6, november/december 1996, blz. 239 en 240. 44)L.P. de Boer, Het geslacht Burggraeff, De Navorscher, jaargang 60 (1911), blz. 460. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell, 1432-1903, nr. 9, Genealogie der edelen Van Braeckel, blz. 7, en mr.E.J.Wolleswinkel, Uit de collecties van de Hoge Raad van Adel. Het wapenboek van de Haagse schilder Willem Flessiers uit 1652, De Nederlandsche Leeuw, jaargang CXXIV (2007), blz. 167. Voor een afbeelding van het wapen Van Uitwijk zie F.H.J. van Aesch en B. de Keijzer, Het wapenboekje van Willem Jacobsz. Glasschilder in Den Haag, uit 1565, en een parenteel van zijn nazaten uitgewerkt tot circa 1700, Rotterdam 2006, nr. 71. 45)A.H.Hoeben, Op zoek naar een familiewapen, Ons Erfgoed, jaargang 5, nr. 1, januari/februari 1997, blz. 20 en 21, en nr. 2, maart/april 1997, blz. 65.


12

46)Stephen Slater, Heraldiek. De geschiedenis en de hedendaagse toepassingen van de wapenkunde, Utrecht 2003, blz. 9. 47)A.H.Hoeben, Op zoek naar een familiewapen, Ons Erfgoed, jaargang 5, nr. 1, blz. 20 en 21, en nr. 2, blz. 65. 48)R.J.P. van der Zalm, Van zegel tot familiewapen, blz. 35. 49)Stephan Slater, Heraldiek, blz. 192 en 193. 50)E.Weggeman Guldemont, Iets omtrent ons heidensch voorgeslacht, De Navorscher, jaargang 78 (1929), blz. 176.


13

HOOFDSTUK II DE HEREN VAN BRAKEL (ca. 1200 – ca. 1400)

Ja, de pracht van Gelders dreven, van de heuv’len en het dal, Z’ is met pen noch stift te malen, wie, die haar beschrijven zal! Z’ is verruk’lijk met die beekjes, kabb’lend bij het eenzaam pad, Dat zich kronkelt langs den oever van het kristalhelder nat; Met die burchten, trotsch weêrspieglend hunne tinnen in den stroom, Half verscholen in de schaduw van een eeuwenouden boom; Met die zware woudpartijen, met die fiere beukenlaan, Waarvoor ieder, ook de vreemd’ling, in bewond’ring stil blijft staan. (1)

§ 1 Inleiding

De twaalfde, dertiende en veertiende eeuw waren in Europa de eeuwen van de Kruistochten, het ontstaan van de eerste nationale staten (Frankrijk en Engeland), het begin van de Honderdjarige Oorlog tussen de Engelsen en de Fransen (met in hun gelederen o.m. Jeanne d’Arc), het herstel van de handel en de opkomst van de steden. In de Nederlanden wisten de graven en hertogen zich aan het gezag van de Duitse keizer en de koning van Frankrijk te ontworstelen. Zij probeerden hun zelfstandig geworden vorstendommen naar alle kanten uit te breiden en kwamen daardoor in conflict met niet alleen hun vroegere opperheren, maar ook met elkaar. In dit en ook in het volgende hoofdstuk zult U daar voorbeelden van aantreffen. In menige ‘burenruzie’ speelden de Van Brakell’s een (meestal bescheiden) rol. N.B. Hieronder en in de hoofdstukken III, VII, VIII en IX vindt U een schematisch overzicht van alle leden van het geslacht Van Brakell die in die hoofdstukken vermeld worden. Voor een volledig overzicht zie hoofdstuk X. I. Steesken (Eustachius) van Brakell. Huwde Sophia van Broeckhuijsen. 1)Steesken (de Oude). Zie II.1. 2)Gijsbert. Zie hoofdstuk III, par. 4. 3)Godschalk. Zie hoofdstuk VII. 4)Sophia. 5)Bertha. Huwde 1)Zweder van Zuylen genaamd van Beverweerd 2)Gijsbrecht van Ruwiel. 6)Dirk. 7)Emond. II.1. Steesken (de Oude). Huwde Bertha Uten Goye. 1)Steesken (de Jonge). Zie III.1. 2)Johan. Zie hoofdstuk III, par. 2. 3)Dirk.


14

4)Alardus (van Vauderic). III.1. Steesken (de Jonge). Huwde N.N. 1)Steesken. Zie IV.1. 2)Mechteld. Huwde Frederick Uten Ham. 3)Jan. 4)Gijsbert. 5)Dirk. 6)Elisabeth. Huwde Hugo van Loenersloot. IV.1. Steesken. Huwde Catharina van Polanen. 1)Adriana. Huwde Johan van Broeckhuysen van Waardenburg.

§ 2 Kasteel Brakel Volgens de overlevering begon de geschiedenis van kasteel Brakel in de tweede helft van de negende eeuw. Boudewijn II, Heer van Heusden (toen in het Land van Altena), zou in 860 op een strategische plek tussen de Waal en de huidige Afgedamde Maas een versterking gebouwd hebben. Hij hoopte op deze wijze zijn gebied beter tegen de Noormannen te kunnen beschermen die in 839 zijn burcht OudHeusden verwoest hadden. (2) Slot Brakel zou in 1009 door de Noormannen verwoest zijn. Archeologische sporen van dit kasteel zijn echter nooit gevonden. Steesken (Eustachius) van Brakell was de eerste Van Brakell die in een kasteel woonde, want archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat zijn burcht al in het midden van de dertiende eeuw bestond. Dit kasteel werd in 1321 door blikseminslag getroffen en brandde af. In 1407 was de herbouw voltooid, maar nog in hetzelfde jaar werd het gebouw opnieuw verwoest, nu door troepen van graaf Willem VI van Holland. De familie Van Broeckhuysen van Waardenburg herbouwde het kasteel in 1507 (3) tot ‘een vierkante waterburcht, bestaande uit een rechthoekig woongebouw met twee ronde hoektorens, die met drie weermuren een binnenplaats omsloot. In de noordmuur, tegenover het woongebouw, bevond zich de ingang. Naast deze ingang lag een donjon. Ten noorden van de burcht bevond zich de vierkante voorburcht, omgeven door een gracht. Oorspronkelijk was de voorburcht een door weermuren omsloten plein met een poortgebouw (het Spijker, zie blz. 15) aan de noordzijde en een ronde toren op de noordwesthoek’. (4) In Van der Aa’s Aardrijkskundig Woordenboek staat nog over de burcht ‘dat het in het jaar 1618, nog eene redelijke fraaije gedaante had en met eenen stevigen vierkante toren prijkte, voorzien van een vierkant wolvendak, en met een nog wat kleiner spits gekapt torentje, nevens de groote voorpoort, ter zijde gehecht aan eenen ruimen ringmuur, waar binnen twee trapgevels, de stalling en het bouwhuis gezien werden’. (5) Van dit alles is helaas niet veel meer over. Opnieuw Van der Aa: ‘Van dit huis bestaan nog bouwvallen van eenen ouden toren, omringd door de oude gracht, die met de daarbij staande pijnbomen een schilderachtig gezigt opleveren’. (6) Wilhelmus van Dam van Brakel (1779-1858), die vele jaren in het Spijker woonde, wijdde in 1820 een gedicht aan de ruïne. De eerste regels luiden: Hier bij deez’ grijzen muur, de trots der voorgeslachten, Hier zit ik eenzaam neêr verzonken in gedachten, En peins, hoe op dez’ aard de tijd met reuzenkrachten, kasteel en stulp vergruist. Hier dartelde eens vreugd in ruime ridderzalen; Hier klonk het rondgezang, bij ’t schuimen der bocalen;


15

Thans is het ledig, woest, en waar mijn ogen dwalen, zie ik niets dan hoopen puin. (7) In 1439 kwam kasteel Brakel door het huwelijk van Adriana van Brakell met Johan van Broeckhuysen van Waardenburg in handen van een ander adellijk geslacht. In 1583 werd de familie Van Aeswijn de nieuwe eigenaar, in 1669 gevolgd door de familie Van Mathenesse en in 1670 door de familie Pieck. Deze verkocht het aan dominee Wilhelmus Wilhelmius, die in 1768 het nieuwe huis Brakel (Huis Rodichem, nu het gemeentehuis van Brakel) liet bouwen. Sinds 1837 zijn de ruïne van het oude slot, het nieuwe huis en het Spijker in bezit van de familie Van Dam van Brakel. Wilhelmus van Dam, Heer van Brakel, Rodichem, Monnikenland, Noord- en Zuid Linschoten, Snelrewaard en Gansoijen, burgemeester van Brakel en dijkgraaf van het polderdistrict Bommelerwaard beneden de Meidijk, werd in 1779 in Rotterdam geboren. Ten tijde van de economische opleving onder koning Willem I ontwikkelde hij zich tot een succesvol zakenman. Hij had een uitgesproken gevoel voor cultuur en natuur en vertrouwde zijn gevoelens veelvuldig toe aan het papier. Het gedicht hierboven en zijn Histories-Romantische tijdkortingen over de geschiedenis van het kasteel en dorp Brakel zijn hier voorbeelden van. Hij liet het Spijker in middeleeuwse stijl restaureren en inrichten als oudheidkamer. Hij overleed in 1858. (8) Het Spijker heeft waarschijnlijk als poortgebouw gediend voor het er achter gelegen kasteel waarvan het in de veertiende eeuw gescheiden werd. De naam Spijker is afgeleid van het Latijnse woord spicarium (spica = korenaar) en duidt op een voorraadschuur, een opslagplaats van graan. De Spijkers (ze werden ook elders, met name in Oost-Nederland, gebouwd) werden ‘zodanig versterkt dat ze ook als toevluchtsoord in roerige tijden gebruikt konden worden’. (9) In de late middeleeuwen ondergingen de Spijkers een sociale stijging, omdat de hertogen van Gelre, adel en stedelijke patricïers ze als buitenhuis gingen gebruiken. (10) In 1318 werd het Spijker in Brakel afgescheiden van het kasteel en werd eigendom van Steesken van Brakell, een familielid van de Heer van Brakel. Rond 1600 kwam het gebouw in handen van Joost van Giessen, een kleinzoon van Joost van Brakell. Zie hoofdstuk III, par. 2. (11) Ook nu nog dient het Spijker in Brakel als woning.

§ 3 De Heren van Brakel I

De Heren van Brakel waren in goeden doen. De meeste van hun bezittingen waren echter geen eigendom, maar leengoed. Dit behoeft nadere toelichting. Het leenstelsel of feodalisme - dit begrip zult U in dit boek nog vaak tegenkomen - ontstond in de vroege middeleeuwen. De vorsten en hoge edelen (hertogen, graven, enz.) bezaten toen vaak honderden domeinen (= landgoederen). Zij hadden daarom trouwe en goed bewapende volgelingen nodig om hun bezit te helpen beschermen. Om die reden gaven zij een deel van hun domeinen in leen aan lagere edelen, die de opbrengst mochten houden, maar natuurlijk wel een tegenprestatie moesten leveren. Leenheer en leenman sloten een verdrag, waarin de verplichtingen die zij tegenover elkaar hadden, werden vastgelegd. Zo moest de leenheer de leenman land (en later ook rechten en ambten) en bescherming geven. De leenman moest zijn leenheer trouw zijn, hem raad geven en hem met zijn gewapende mannen in oorlogstijd bijstaan. Als de leenheer of leenman stierf, eindigde het verdrag. Met een nieuwe leenman, meestal de oudste zoon van de overledene, werd dan een nieuw verdrag gesloten. Sommige leenmannen hadden zoveel domeinen in leen, dat zij er een deel van zelf in leen konden geven aan achterleenmannen. Zo werden deze leenmannen tegelijkertijd leenheer. In latere tijden werd de overname van een leen door een van de kinderen een automatisme en gingen de leenmannen hun leen als hun eigendom beschouwen. Terug naar de bezittingen van de Heren van Brakel. Allereerst de burcht zelf. Deze hadden zij aanvankelijk niet in leen, maar in eigendom. In een akte van 1321 is sprake van de allodiale burcht Brakel (= bezit waarvoor men geen leenhulde schuldig was). (12) In de leenaktenboeken van het Kwartier van Nijmegen staat een beschrijving van de burcht en van de goederen en rechten die erbij hoorden: ‘Dat huys to Brakel met sijnen voorborchten als die gelegen sijn binnen der vorster graften, met hagen ende bongerden, voort die weerden (= stukken grond), die met den oversten eynde boven dat dorp van Brakel gelegen sijn ende met den nedersten eynde tegen dat gemael van Brakel, voort eenen weert, die


16

met den oversten eynde streckt an dat gericht van Zulinchem ende met den nedersten eynde tegen den Papenthiende, voort die weerdt, die geheiten sijn Beddenweerde ende Snaecksaert, ende den weerdt tuschen der Slusen, streckende ter Monicklant to, (…); voort alle de vischerie (= alle vis in rivieren, beken en sloten was eigendom van de heer) tegen dat dorp van Brakel, streckende van der vischerien geheiten Boningen tot den Vlieworp van Vuren, voort dat gemael (= alle dorpelingen waren verplicht tegen betaling hun graan te laten malen in de molen van de heer) van allen den dorp van Brakel met sijnen tobehoren, voort die schouwe (= het toezicht op en de inspectie van de waterstaatswerken, zoals dijken en sloten) van allen den dorp van Brakel, gelegen tuschen den gericht van Zulinchem an der Monclant, tot Zutphenschen rechte’. (13) Verder bezaten zij goederen die zich uitstrekten van het Monnikenland (gebied tussen Brakel en kasteel Loevestein) tot in de omgeving van Zuilichem. Ook buiten dit gebied hadden de Heren van Brakel goederen en rechten. Zo bezat ‘dominus Eustatius dictus Steseken de Brakel, miles’ op 13 december 1308 goederen op de Donk (onder Den Dungen, in de buurt van Den Bosch), ‘die eertijds van de heer van Batenburg waren, (…)’. (14) Steesken wordt in deze akte poorter van ’s-Hertogenbosch genoemd. ‘Het is bekend dat er een vloeiende sociale overgang moet hebben bestaan tussen stadspatriciaat en ridderschap, zodat menig schildboortig geslacht naast zijn stenen huis op het platteland ook een huis in de naburige stad bezat en zelfs burger of buitenpoorter van die stad was.’ (15) N.B. ‘Enkele families vallen echter in het bijzonder op door de hoeveelheid grond die zij (in het begin van de vijftiende eeuw) in pand namen: Van Acquoy (106 morgen), Van Brakel (100 morgen). (…) De leden van deze families hadden blijkbaar de financiële mogelijkheden om vele honderden, soms zelfs duizenden guldens te investeren in de pandneming van grond.’ (16) Zo was Johan (III) van Brakell in 1434 een van de 22 adellijke pandhouders van het klooster Mariënweerd (in Beesd, ten zuiden van Culemborg). Uiteraard hebben Johan en zijn standgenoten ‘hun pandgoederen niet eigenhandig uitgebaat, want dat zou bepaald niet stroken met een ridderlijke levenswijze’. Ze ‘hebben hun pandgoed als een investering beschouwd die zij middels verpachting of door het werk van loonarbeiders rendabel poogden te maken’. (17) Vervolgens hun rechten in het Monnikenland zelf. Uit een oorkonde van 1 oktober 1264 blijkt dat Steesken van Brakell de helft van de tienden van 27 hoeven in Rodengoije van de graaf van Gelre in leen had. Dit leverde hem een tiende van de oogst en van het pas geboren vee in dit gebied op. Een hoeve was een stuk grond. In dezelfde akte staat echter ook dat Steesken dit leen aan de graaf moest teruggeven, die het vervolgens aan Willem (I) van Altena en Horne schonk. Deze gaf ‘de tiende van Rodengoje met het laage gerecht (= de lagere rechtsmacht), onder voorbehouding van het hooge gerecht voor den graaf van Gelre, als mede de tiende van Scalcwijk, neyens nog eenige andere goederen, (…) aan den abt en convent van Villers (Villers-la-Ville, in de buurt van Brussel)’ in leen. (18) Dit lijkt op het eerste gezicht een behoorlijke aderlating voor de Heren van Brakel. Maar dat viel wel mee. Het land was nauwelijks bewoond en bestond grotendeels uit drassig weiland en bracht dus niet veel op. Maar de monniken van het klooster van Villers waren Cisterciënsers en die stonden in heel West-Europa bekend ‘als de grote bedijkers en ontbossers. Zij hebben als gevolg van hun ideaal (het opzoeken van de woestenij), de ligging van hun kloosters en de aard van de door hen ontvangen schenkingen (vaak woeste gronden), veel ontgonnen’. (19) Zij polderden het ‘moeras’ in en maakten er vruchtbare grond van. ‘De nieuwe polder ontving naar hen den naam Monnikenland. Bovendien kreeg de Nieuwe Maas een meer geregelden loop, en dus scheepvaart, visscherij en tolinkomsten te Woudrichem – alles ten voordeele van den heer van Altena.’ (20) In 1333 werd het leen teruggegeven aan de Heren van Altena en Horne. Dat ook Steesken van het ‘monnikenwerk’ profiteerde is wel zeker, ook al blijkt dat niet uit de oorkonden van die tijd. Maar in een leenakte van 9 mei 1382 staat dat Steesken van Brakell het dagelijks gerecht (= de lagere rechtsmacht) van Brakel en het Monnikenland in bezit had. (21)


17

Steesken was niet alleen Heer van Brakel, maar ook Heer van Langerak (aan de Lek). Dit gebied was in de familie gekomen door het huwelijk van Steesken (de Oude) met Bertha Uten Goye. Op 20 maart 1343 gaf Jan van Arkel, bisschop van Utrecht, ’har Staesken van Brakel den ionghen (…) Langherake aen beyden siden van der Lecke, mit horen gherichten, mit tienden, mit visscherijen, mit vere, mit mannen ende mit hoeren toebehoerte’ in leen en bovendien de ‘gerichte ende mannen van Jaersvelt (aan de Lek)’. (22) De belening met Langerak werd door de opvolgende bisschoppen regelmatig herhaald voor Steesken en zijn nakomelingen, respectievelijk op 24 januari 1368, 13 januari 1373, 31 mei 1381, 16 mei 1396, 25 oktober 1410, 25 september 1442 en 28 oktober 1475. (23) Brakel en Langerak waren lage heerlijkheden, ook wel ambachtsheerlijkheden genoemd. Een heerlijkheid was het recht om de rechtspraak in een bepaald gebied uit te oefenen. Het was dus geen gebied, maar een recht dat van kracht was binnen een nauw omschreven gebied. Een ambachtsheer, zoals Steesken van Brakell, was iemand aan wie het recht in leen gegeven werd om het ambt van schout uit te oefenen. Vaak werd het ambt van schout verpacht en kreeg de heer een derde deel van de boeten die opgelegd werden. De heer mocht alleen recht spreken in minder ernstige delicten, de lage of dagelijkse rechtspraak. De hoge rechtspraak (over o.m. halsmisdrijven) was voorbehouden aan de baljuw van het district waarin de lage heerlijkheid was gelegen. (24) Zie verder par. 8. Behalve de rechtsmacht bracht het bezit van een heerlijkheid een aantal andere rechten met zich mee, zoals het recht op tienden, het jacht- en visrecht, het veer- en tolrecht en het maalrecht. Al deze rechten leverden inkomsten op. Welke rechten met een heerlijkheid in leen werden gegeven, verschilde van geval tot geval. Op grond van deze rechten was de heer niet alleen een vertegenwoordiger van het overheidsgezag in zijn dorp: het overheidsgezag was in zijn bezit. Hieraan ontleende hij macht en aanzien. (25) Tenslotte de heerlijkheid Hagestein (in de buurt van Vianen), een erfenis van een tante van moederszijde, Margaretha van Teilingen. Helaas werd Hagestein een twistappel tussen de graven van Holland en de Heren van Arkel. Op 21 oktober 1379 moest Steesken deze heerlijkheid afstaan aan de Heer van Vianen. Uiteindelijk (23 juni 1402) kwam het in handen van de bisschop van Utrecht. (26) De Heren van Brakel waren zelf ook leenheer. Zo hield Jan van Langerak een huis en hofstede in Langestein met 29 morgen land en Johan van Brakell (van de Dordrechtse tak van het geslacht Van Brakell) vijf morgen land in Langerak ‘mit eenre hoefstede ende uterdijc’ in leen van ‘heer Staesken van Brakel’, Heer van Langerak. (27) Dr.Antheun Janse maakt in zijn boek Ridderschap in Holland een onderscheid tussen lage, modale en hoge adel. Steesken van Brakell en zijn opvolgers behoorden tot de modale adel op grond van de in genoemd boek vermelde criteria (tussen haakjes de verwijzing naar de bladzijden in ‘Twee zalmen die regtop en afgewend staan’): 1. Behorend tot de ridderschap (blz. 18); 2. Het bezit van een heerlijkheid (blz. 15 t/m 17); 3. De omvang van het grondbezit (blz. 15 t/m 17); 4. Het optreden in de omgeving van de vorst door bijvoorbeeld het ambt van baljuw (blz. 26). (28) § 4 De Heren van Brakel II De rest van dit hoofdstuk wijden we aan de lotgevallen van de ‘Staesen’ (= Steesken en zijn gelijknamige opvolgers), verweven met de geschiedenis van de Bommelerwaard en soms verre omstreken. Een opmerking vooraf. Steesken van Brakell wordt in dit boek nergens vermeld met achter zijn naam I, II, III, enz. De verklaring hiervoor is dat in de oorkonden meestal niet duidelijk is welke Steesken bedoeld wordt, met uitzondering van de tweede (of derde) Steesken en diens zoon. Zij worden in de bronnen de Oude en de Jonge genoemd. Het aantal Heren van Brakel met de voornaam Steesken is niet bekend. Het waren er waarschijnlijk vier of vijf.


18

Steesken wordt beschouwd als de stamvader van het geslacht Van Brakell. Weliswaar worden in de bronnen al eerder Heren van Brakel genoemd, maar er zijn geen bewijzen dat zij voorvaderen van Steesken waren. In een artikel van A.Schimmelpenninck van der Oije wordt (maar zonder bronvermelding) Dirk van Brakell (vermeld in 1164 en 1182) de eerste Heer van Brakel genoemd. (29) De naam Eustachius (Steesken) van Brakell duikt voor het eerst in de akten op in 1241. Op 26 juni van dat jaar wordt hij ‘dominus Justacius de Brakel’ (30) genoemd behorende tot de ‘nobiles viri (= edellieden)’. Dominus (= heer) was ‘na ongeveer 1240 een titel die verbonden was met het bezit van de ridderwaardigheid’. (31) Steesken moet in 1241 meerderjarig zijn geweest, d.w.z. in die tijd vijftien jaar of ouder. Hij werd dus in of voor 1226 geboren. Op 5 november 1247 trad ‘Eustacius de Brakele, militibus (afgeleid van miles = ridder)’ op als getuige voor de Utrechtse domdeken en werd hij opnieuw ‘nobilis vir’ genoemd. (32) De riddertitel ‘werd alleen verleend aan degenen die zich een adellijke levenswijze konden veroorloven en bovendien in materiële zin voldoende toegerust waren om de ridderlijke idealen, waartoe de titel opwekte, te kunnen verwezenlijken’. (33) N.B. Er bestaat een bekend misverstand over leeftijden in de middeleeuwen. Velen menen dat de mensen in die tijd niet oud werden en dat iemand van 62 jaar op zijn laatste benen liep. De historisch geograaf J.Buisman schrijft hierover in zijn Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen: ‘In de loop van de 12e en 13e eeuw verbetert de voedselsituatie, waardoor de gemiddelde levensverwachting van 30 à 40 jaar opklimt naar 50 à 60 jaar. Dit mag ons niet op het verkeerde been zetten, alsof een middeleeuwer van 40 of 50 jaar een bejaarde grijsaard is. Onder gemiddelde levensverwachting verstaan we het aantal jaren dat een pasgeboren kind (gemiddeld) voor de boeg heeft. Dit aantal wordt sterk gedrukt door de hoge zuigelingensterfte: als van de pasgeborenen de helft sterft in het eerste levensjaar en de andere helft tachtig jaar wordt, dan is de gemiddelde levensverwachting 40 jaar. (…) Contemporaine teksten en tekeningen tonen aan, dat men in de hoge en late middeleeuwen iemand van 40 jaar beschouwt als in de kracht van zijn leven en boven 50 of 60 als bejaard. De middeleeuwer die de eerste kinderjaren gezond te boven is gekomen, kan heel goed 60 of 70, zelfs 80 jaar en ouder worden’. (34) § 5 De Limburgse Successieoorlog (1283-1288) We kijken nu even naar de politieke situatie in die tijd. De twaalfde eeuw was voor het Gelders gebied een belangrijke periode. In die tijd zien we de opkomst van de graven van Gelre, de leenheren van de Heren van Brakel. ‘Aan het begin van die eeuw bezat het Gelders gravengeslacht buiten het oorspronkelijk stamgebied nauwelijks meer dan een deel van het oude Teisterbant, een deel van het Land van Maas en Waal, alsmede enkele allodiale gebieden aan de Midden-Maas. Aan het einde van de eeuw hadden zij het noordwestelijk deel van het latere Zutphense kwartier (Gelre ging in de vijftiende eeuw officieel uit vier kwartieren bestaan; de Bommelerwaard behoorde vanaf die tijd tot het Kwartier van Nijmegen) en de Veluwe verworven, zodat zich langzamerhand het latere graafschap Gelre en Zutphen begon af te tekenen. In het begin van de twaalfde eeuw telden de Gelderse heren nauwelijks mee als het ging om politieke aangelegenheden in de Noordelijke Nederlanden en in het Rijnland. Aan het einde van de eeuw waren zij tot machthebbers geworden, waarmee rekening gehouden werd en die als concurrenten beschouwd en eventueel bestreden werden.’ (35) De Bommelerwaard werd in die tijd een frontgebied waar de bisschoppen van Utrecht (die namens de Duitse keizer het Sticht Utrecht, d.w.z. de huidige provincies Utrecht, Overijssel en Drenthe, bestuurden), de graven van Gelre en van Holland, en de hertogen van Brabant probeerden hun invloedssferen ten koste van elkaar uit te breiden. Tegen het einde van de dertiende eeuw raakte Gelre betrokken bij de zgn. Limburgse Successieoorlog. Het hertogdom Limburg, gelegen ten zuiden van het tegenwoordige Zuid-Limburg, was een nietig vorstendommetje waardoorheen de belangrijke handelsweg Brugge-Antwerpen-Luik-Keulen liep. Van deze weg hadden vooral Brabantse steden profijt. Geen wonder dat hertog Jan I van Brabant een begerige blik wierp op het gebied, toen daar de hertogelijke familie uitstierf. Maar Jan kreeg een concur-


19

rent, graaf Reinoud I van Gelre. Deze was getrouwd met Irmgarde, dochter van de hertog van Limburg. Het gevolg was een oorlog waaraan ook de aartsbisschop van Keulen ging meedoen, bevreesd voor een te grote macht van de hertogen van Brabant. De oorlog eindigde in 1288 met de slag bij Woeringen (aan de Rijn). Jan won en Limburg werd bij Brabant gevoegd. ‘Het gevecht duurde van zes uuren des morgens tot drie uuren na den middag. Ik vind aangetekent’, aldus Johan Hendrik van Heurn in 1776, ‘dat van den vyand (tegenstanders van hertog Jan) omtrent elfhonderd ridders, en veele aanzienlyke heeren, zonder het gemeen te rekenen, bleven, behalven zulken, die naderhand aan hunne bekomene wonden stierven. Omtrent vier duizend paarden werden van wederzyde gevelt.’ (36) Tijdens dit conflict vonden ook in de Bommelerwaard en omgeving verschillende krijgsverrichtingen plaats. Zo werd de toenmaals nog Brabantse stad Tiel door de Geldersen in brand gestoken. Ook bij Driel werd gevochten. Zaltbommel werd door de hertog van Brabant belegerd en ingenomen. Omstreeks 1316 ontstond onenigheid tussen Reinoud I en zijn oudste zoon. Zoon Reinoud vond dat vader niet meer in staat was het graafschap te besturen, omdat hij ‘zedert den slagh van Woeringen om zyne hoofdwonde, God beeter ‘t, in zyne herssenen was gekrenkt’. (37) Zoonlief vond het daarom beter dat vader plaats maakte voor een ander, voor Reinoud dus. Edelen en steden kozen partij en vlogen elkaar vervolgens in de haren. In 1318 viel Reinoud I in handen van zijn zoon en werd in kasteel Montfoort gevangen gezet. In 1326 overleed hij en zijn zoon kon zich eindelijk Reinoud II graaf van Gelre en Zutphen noemen. § 6 De Heren van Brakel III

Tijdens de in de vorige paragraaf behandelde turbulente jaren zien we een aantal keren Steesken genoemd. Op 15 juli 1318 beloofde graaf Reinoud II geen ‘zoen (= vrede)’ met zijn vijanden te zullen sluiten buiten medeweten van o.a. Johan de Cock, Gerard van Weerdenburg en ‘Eustacius van Brakel’. (38) Op 3 september 1318 deed graaf Willem III van Holland een arbitrale uitspraak in het geschil tussen Reinoud I en diens zoon ‘na rade man (= edelen), dienstmanne ende scheepene van den steeden der graefschape van Ghelren’. (39) In Woudrichem (in het Land van Altena) werd de oorkonde door alle betrokkenen gezegeld, waaronder ‘Stetskens van Brakel’. Het conflict had ook juridische en financiële consequenties. Waar gehakt wordt vallen immers spaanders! In 1320 werd een schaderegeling voor de slachtoffers van de oorlogshandelingen vastgesteld, waarbij ook de Heren van Brakel betrokken waren. ‘1320 Jan. 22. toit Utrecht des diinsdaghes na S.Agnieten dach (…). Jan van Heynnegouwe, heer van Byamond (= Jan van Beaumont, broer van Willem III, graaf van Holland en Zeeland), en Heynric van Vlaendren, graaf van Loyden (= burggraaf van Leiden), doen uitspraak tusschen (…) Reynoud (graaf van Gelre) en die van Lienden eenerzijds en Walraven van Benthem, Janne van der Noerdeloes, Gherarde van Waerdenborch en Stesekiin van Brakel anderzijds en bepalen dat (…) 5° aan een aantal personen zoengeld zal worden uitgekeerd (…). Heer Harparen van Ercle, Walraven van Benthem, Jan van der Noerdeloes, Stasekiin van Brakel en de hunnen, die te Driele waren, moeten betalen voor Jan Berewiinszoon 200 pond en voor ouden Jan Pannen 60 pond; Staesekiin van Brakel en Heynric van Rossen aan een knaap te Rossen voor verlies van handen en voeten 50 pond; (…) 6° Walraven van Benthem, Jan van der Noerderloos, Gheraerd van Waerdenborch en Stasekiin van Brakel het graafschap Ghelre 3000 pond moeten betalen vóór 13 Febr. a.s. te Dordrecht voor hun misdrijven te Zoelen.’ (40) Op ‘donresdaghes na Paeschen’ (31 maart) 1323 schold de Hollandse graaf Willem III o.m. ‘Stacekeyn van Brakele’en ‘Jan van Brakele’ het zoengeld van 3000 pond kwijt, omdat ‘die te Suoelen an dat vechtelijc niet en waren’ (zij niet betrokken waren bij een vechtpartij in Zoelen) en hij verzocht


20

daarom ‘Reynoud onsen neven van Ghelre’, aan wie dat bedrag was toegezegd, hun dat kwijt te schelden. (41) De eerste (of de tweede) Steesken van Brakell overleed na 1268 en trouwde volgens A.Schimmelpenninck van der Oije met Sophia van Broeckhuijsen. (42) Van Steesken en Sophia zijn zeven kinderen bekend: 1)Steesken (de Oude). 2)Gijsbert. Hij huwde een mij onbekende dame en overleed voor 3 november 1319. (43) Zie verder hoofdstuk III, par. 4. 3)Godschalk. De naam van zijn echtgenote is niet bekend. Godschalk was de stamvader van de Dordrechtse tak van het geslacht Van Brakell. Zie verder hoofdstuk VII, par. 1. 4)Sophia. Zij was abdis van het klooster Leeuwenhorst (gesticht in 1260/1262) te Noordwijkerhout en wordt in die hoedanigheid vermeld op 11 april 1287. ‘Verkooren in ’t jaar 1287. Dese heeft het middelkoor getimmert; en is by A.Mattheus meede voor de tweede abdisse bekendt.’ (44) 5)Bertha. Zij huwde Zweder van Zuylen genaamd van Beverweerd. Op 9 maart 1299 schonken ‘Suederus de Sulen, miles, qui alio nomine vocor de Beverwarde et domina Berta, uxor sua’ vijftig Tournooise ponden aan het Benedictinessenklooster in De Bilt, waaruit zij jaarlijks een uitkering zouden ontvangen en waaruit na hun dood memoriediensten zouden worden gehouden. (45) Zweder, maarschalk van de bisschop van Utrecht, sneuvelde op 4 maart 1304 bij Zierikzee tegen de Vlamingen waarna Bertha een tweede huwelijk sloot met Gijsbrecht van Ruwiel. Bertha en Gijsbrecht kregen een dochter, Mechteld, die eerst met Otto van IJsselstein huwde (overleden voor 1 maart 1353) en daarna (voor 7 augustus 1354) met Zweder van Vianen. Anna van Buren, de eerste echtgenote van Willem van Oranje, was een nakomelinge van Mechteld en Zweder. De bovengenoemde Zweder van Zuylen en zijn eerste echtgenote Hillegonda van de Velde waren de oudst bekende bewoners van kasteel Beverweerd. Het van oorsprong 13e eeuwse kasteel ligt op een eilandje direct aan de Kromme Rijn in de gemeente Bunnik en werd in 1536 door de Staten van Utrecht erkend als ridderhofstad. In 1563 erfde Philips Willem, de zoon van Willem van Oranje en Anna van Buren, Beverweerd. Het kasteel bleef tot 1782 eigendom van de Oranje-Nassau’s. Daarna had het kasteel meerdere eigenaars waaronder de familie Van Heeckeren van Enghuizen. (46) 6)Dirk (zie hieronder). Op 5 september 1309 deed Guy van Avesnes, bisschop van Utrecht, uitspraak in een geschil tussen Dirk van Brakell, diens broer en zuster enerzijds en Jan van Zuylen en zijn broer anderzijds, over de verdeling van de nagelaten goederen van Zweder van Zuylen genaamd van Beverweerd, de echtgenoot van Bertha van Brakell. Een deel van die goederen werd Emond van Brakell toegewezen. Dirk van Brakell was waarschijnlijk een broer van Bertha. (47) N.B. Baron W.A. van Spaen vermeldt in zijn Oordeelkundige Inleiding tot de Historie van Gelderland Dirk van Brakell die in 1262 ‘zegelde met Walram, hertog van Limburg, en het gewoone wapen der twee zalmen voerde’. Op 21 maart 1242 en op 13 mei 1245 wordt ridder Dirk van Brakell getuige genoemd voor Gerard Heer van Wassenberg (bij Roermond). (48) Een broer van de eerste (of tweede) Steesken van Brakell? 7)Emond. (49) Op 5 september 1309 ontving hij een deel van de nalatenschap (‘die anderhalve hove lands in Romboudsmere en die hove in Kattenbroec’) van Zweder van Zuylen genaamd van Beverweerd, de echtgenoot van Bertha van Brakell, een zus van Emond. Hierdoor werd Emond leenman van de bisschop van Utrecht. (50) Op 29 augustus 1313 was hij een van de ‘borghen’ bij een ‘zoene’ opgelegd door Guy van Avesnes, bisschop van Utrecht. Een zekere Lambrechts Coninx was gedood door Alphaer van Wulven die door de bisschop bestraft werd met een boete van 150 pond (100 pond voor


21

de nabestaanden en maar liefst 50 pond voor de bisschop). Bovendien moest Alphaer honderd ‘zielemissen’ laten lezen in de ‘closteren tuisken Node ende Bodegraven’. (51) Op 21 januari 1316 was Emond getuige bij een overeenkomst tussen Ghisebrecht, Heer van IJsselstein, en diens zoon Arnoud, en Ghisebrecht van den Bosche. De Heer van IJsselstein verklaarde Ghisebrecht van den Bosche 900 pond schuldig te zijn, te betalen uit de opbrengst van het voogdijschap over diens nicht Lysebet, de toekomstige echtgenote van Hartbaren, een zoon van Ghisebrecht van IJsselstein. (52) Op 5 januari 1358 ontving ‘dominus Emont de Brakel’ van het kapittel van St.Jan te Utrecht twee morgen land in de parochie van Zeist in erfpacht; op 5 september 1387 gebeurde hetzelfde. (53) Ik veronderstel dat hier een gelijknamige (klein)zoon bedoeld is. In 1382 wordt een dochter van Emond vermeld. ‘Joncfrouwe Mechtelt die Daems wijf was van Lochorst Emonts dochter van Brakel’ die in het bezit was van ’27 morghen lants, gheleghen opt Moervelt’ te Zeist, en ‘een hoeve lants, gheleghen op Seysteroever’. (54) De tweede (of derde) Steesken (de Oude) overleed in of voor 1346 (55) en trouwde met Bertha Uten Goye, dochter van Giselbertus Uten Goye, Heer van Goye, Hagestein en Langerak, en Margaretha van Teilingen. Zij overleed voor 1316. (56) Maar in een akte van 6 april 1326 worden Steesken en Bertha (‘Eustatius genoemd Stesken de Brakel en zijn vrouw Bertha’) vermeld. Zij verkochten op die dag een stuk grond in Esch aan een zekere Gossuinus Steenwech. (57) Hier is dus sprake van een andere Steesken of een tweede echtgenote met dezelfde voornaam. Ronald Blancke beweert dat Steesken (de Jonge), de zoon van Steesken (de Oude), gehuwd was met Bertha van Neynsel. (58) Op 4 mei 1333 erfde Bertha Uten Goye (postuum) grond in de heerlijkheid Hagestein van haar tante jonkvrouw Willem van Teilingen. (59) Op 15 juni 1342 vermaakte een andere tante Kerstine van Teilingen, abdis van het klooster Leeuwenhorst, 1 pond voor het houden van jaargetijden voor haar overleden nicht. (60) Van Steesken en Bertha Uten Goye zijn drie of vier kinderen bekend: 1)Steesken (de Jonge). (61) 2)Johan (I). Zie verder hoofdstuk III, par. 2. 3)Dirk. In een akte van 27 januari 1355 wordt ‘Theodericus’ als zoon van wijlen ridder ‘Eustatius de Brakel’ vermeld. (62) De naam van zijn echtgenote is niet bekend. Hij overleed voor 17 november 1408. Op 20 januari 1367 wordt ‘Theodericus de Brakel’ schepen in de Hoge Bank van Zuilichem genoemd. (63) Van hem zijn drie kinderen bekend: Willem, Aerde en Berta. Zie verder Stamboom Van Brakell. 4)Alardus. Op 11 mei 1363 ‘droeg Alardus van Vauderic, zoon van wijlen heer Eustacius van Brakel (en van Bertha of van een onbekende moeder) zijn recht van naasting op de hoeve St.Oedenrode ter Heze over aan Johannes van der Ziwinde’, die het goed gekocht had van Arnoldus Rover, ridder. (64) Op 29 maart 1338 werd een conflict bijgelegd tussen Hubert Schenk van Culemborg en Otto van Asperen over de rechtsmacht van ’t Waal, Honswijk en Tull. In de oorkonde wordt gesproken van ‘beneden der kerken tote Tulle middewaert, dair dat huys dat Diddericks van Brakel leyt (…)’. Deze Dirk was waarschijnlijk de zoon van Steesken van Brakell en Bertha Uten Goye. Tull behoorde voor 1338 toe aan Margriet Uten Goye, een nicht van Bertha. (65) De eerste Heren van Goye waren in de elfde eeuw graaf van Lek-en-IJssel, Opgooi en de stad Utrecht (namens het Duitse rijk) en behoorden tot de hoge adel in het Sticht. ‘Het was de ligging van hun heerlijkheden binnen of aan de rand van het Sticht Utrecht die hen belette een werkelijk zelfstandige rol te spelen en zich tot landsheren op te werken. Vermoedelijk uit frustratie over zijn onmacht kwam graaf Willem van Goye in 1122 in opstand tegen het rijksgezag (de Duitse keizer), hetgeen hem op verlies van zijn positie kwam te staan.’ (66) Pas sinds 1284 noemden de nakomelingen van graaf Willem zich Uten Goye. Margaretha, de oudste zus van Bertha Uten Goye, trouwde met ridder Goossen van Rossum, (67) de


22

zoon van ridder Gerard van Rossum, richter en dijkgraaf in de Bommelerwaard. Margaretha van Teilingen was een dochter van Dirk van Teilingen. Deze Dirk was een zoon van Willem van Teilingen, de broer van Dirk van Brederode. Een van diens nazaten, Hendrik van Brederode, behoorde aan de vooravond van de Tachtigjarige Oorlog tot de zgn. Liga van hoge edelen (zie verder hoofdstuk V, par. 1). Het huis Ten Goye lag in de huidige gemeente Houten (U) en wordt voor het eerst in 1259 vermeld. De reden dat het kasteel pas zo laat in de bronnen opduikt is dat het een allodiaal goed betrof waarvan de overdracht - zeker in de oudste tijden - vaak mondeling gebeurde. In maart 1333 droeg Gijsbrecht Uten Goye zijn huis op aan graaf Willem III van Holland, die hem er meteen mee beleende. Het slot werd in de eeuwen daarna tijdens oorlogen enkele malen ernstig beschadigd en weer opgebouwd. Op de lijst van door de Utrechtse Staten als riddermatig erkende huizen, opgesteld in de jaren 1536-1539 (zie hoofdstuk VIII, par. 2), ontbreekt Ten Goye, waarschijnlijk omdat het kasteel toen al niet meer dan een ruïne was. Op een kaart uit 1640 staat het kasteelterrein (ca. 140 x 90 meter) als boomgaard ingetekend. (68) De derde (of vierde) Steesken (de Jonge) werd geboren voor 1316 en overleed in of voor 1380. Hij trouwde met een mij onbekende dame. Van Steesken en zijn echtgenote zijn zes kinderen bekend: 1)Steesken. Zie verder par. 11. 2)Mechteld. Zij huwde in 1400 Frederick Uten Ham, maarschalk van Utrecht. Een maarschalk (of baljuw) was een regionale bestuursambtenaar met grote militaire en justitiële macht. De Uten Hams waren rijk, niet alleen doordat ze nogal wat land verpachtten (ruim 300 morgen), met vele tienden waren beleend en schoutfuncties uitoefenden, maar ook door een geslaagde huwelijkspolitiek. Mechteld van Brakell bracht als bruidsschat behalve land een groot bedrag aan geld mee. Kasteel Den Ham (gemeente Vleuten) wordt voor het eerst vermeld in 1325. In dat jaar droeg Frederick Uten Ham ‘in rechten eyghen zyn stienhuys ende zeven morghen lands, daer dat stienhuys op staet, legghende in ’t ambocht van Vleuten in ‘t ’s proists gherecht van Oudemonster’ aan de graaf van Holland op. In de jaren zestig van de 15e eeuw kregen de Uten Hams het aan de stok met de kapittels van Oudmunster en St.Marie, omdat zij zich schuldig maakten aan o.m. afpersing en machtsmisbruik waarvan ook de bewoners van de stad Utrecht het slachtoffer werden. Tijdens de Stichtse oorlog (1481-1483) werd kasteel Den Ham geplunderd en in brand gestoken. Frederick Uten Ham werd in Utrecht gevangen gezet en kort daarna onthoofd. In 1536 werd Den Ham door de Staten van Utrecht erkend als ridderhofstad. Pas tegen het einde van de zeventiende eeuw raakten de Uten Hams hun kasteel kwijt. Hendrik van der Borch kocht in 1687 het slot van Margaretha Uten Ham. Hierna was Den Ham eigendom van o.a. de families Hacfort en Rooyaards. Van het kasteel is alleen nog de toren over. (69) In Het Bosch’ Protocol van de schepenbank van ’s-Hertogenbosch worden in 1380 nog de volgende ‘kinderen van wijlen Steesken, zoon van wijlen Heer Stees van Brakel, ridder,’ genoemd: 3)Jan. In 1400 (of 1401) betaalde ‘Jan Steskens soen’1 gulden ‘ossengeld’; in 1434 moest hij van ambtman Franck Pieck zes Franse schilden in de schatkist van de hertog van Gelre storten. (70) 4)Gijsbert. ‘Gijsbert van Brakel Steeskenssoen’ wordt bovendien op 3 en 4 mei 1398 en op 15 oktober 1402 in akten van de Hoge Bank van Tuil vermeld. (71) 5)Dirk. In 1434 moest ook ‘Dirc van Brakell Steeskens soen’ zes Franse schilden schatting ophoesten. (72) 6)Elisabeth. Zij huwde ‘Huge van Loenresloet’. (73) In 1379 kreeg Hugo het kasteel, dat later de naam Snaafburg (gemeente Maarssen) zou krijgen, met ‘20 mergen lants tot Maersen’ in leen van de bisschop van Utrecht. Na het overlijden van Hugo in juni 1419 werd zijn zoon Steesken (genoemd naar zijn grootvader van moederszijde) ermee beleend. Van 1577 tot 1801 was het kasteel in handen van de familie Van Zuylen van Nijevelt. In 1801 werd Snaafburg ‘een schoone, groote hofstede, bestaande in een vervalle heerenhuysinge met tuin, boomgaard, singels. Item een boerenwoninge, drie schuuren en


23

twee bergen en verder betimmering, benevens een boomgaard, met omtrent veertig morgen lands’ in een openbare veiling verkocht. Omstreeks 1860 werd het vervallen gebouw afgebroken. (74) Met al deze huwelijken wordt het tijd voor een stevige portie romantiek. Ik put hiervoor, zoals al eerder, uit de Histories-Romantische tijdkortingen van Wilhelmus van Dam van Brakel. (75)

De prior van St.Peters Poel. Het was in den zomer van het jaar 1314 dat Staeske Heer van Brakel, ridder van de Goude Spoor zich met zijne echtgenoote en dochter, naar den burcht van Arkel begaven, om den edelen en dapperen Jan, Heer van Arkel en Gorinchem te begroeten, als deze van het steekspel, te Keulen gehouden, was wedergekeerd alwaar hij veel lof behaald en groote eer genoten had. Onder de aanzienlijke stoet van edelen, ridders en knapen uit Gelderland, Holland en het Sticht van Utrecht, deed zich een edelknaap, door mannelijk schoon opmerken, hij scheen zachtheid van gemoed, zonderling met waardigheid te paren; en het kon dus niet missen of de bevallige achttienjarige jonkvrouwe Sophia van Brakel, nicht en doopdochter van den Leeuwenhorster abdis, liet hare oogen met welgevallen op dezen jongeling rusten, maar een ongekend gevoel deed haar die spoedig nederslaan, om niet weder dan ter sluiks, en met een blos op de wangen naar hem op te zien, en van zijne zijde was de indruk welke het bekoorlijke meisje op hem gemaakt had niet minder levendig, en één oogenblik had voor het leven over deze twee harten beslist. Eene wederzijdsche schroom, zooals elke ontluikende zuivere liefde veroorzaakt, verhinderde op dien dag iedere toenadering. Maar toch was de knaap niet in gebreken gebleven om zijn hof aan den Heer van Brakel te maken, hem over onverschillige dingen te onderhouden, en als terloops van een verplichte tocht naar het huis Stapelen, bij Heer Willem van Boxtel, te gewagen. Hij slaagde zoo goed in zijn oogmerk, dat Heer Staeske hem dan ook uitnoodigde om in het derwaarts trekken, zijn slot niet onbezocht te laten. Het zal onnoodig zijn te vermelden, hoe dat bezoek al spoedig plaats had; bij de terugreis herhaald, en weder herhaald werd, hoe er al ras sprake was van liefde en wederliefde, waarop een huwelijksaanzoek volgde, en hoe ten laatste met wederzijdsche goedkeuring, ja, onder heuglijke vooruitzichten tot een echtverbintenis besloten en overeengekomen werd. Maar wanneer menschelijke ondernemingen in de aanvang zoo bijzonder voorspoedig gaan, is veelal het einde treurig, en zoo was het helaas met dit jeugdige paar daar twee jaren later de pest, die allerwege woedde ook hier haar slachtoffer zocht, en deze frissche maagdelijke bloem, mededoogenloos uit de liefdearmen rukte van ouderen en hartevriend. Van dat oogenblik was onze minnaar die wij Peter noemen, als radeloos, en schier wanhopig; eerst na lang mijmeren kwam hij tot een besluit. Hij zoude het blanke harnas, met een wit onderkleed, de purperen wapenrok met een zwarte mantel, de gevederde helm met een witten hoed verwisselen. Hij zeide alzoo de wapenen en de waereld vaarwel, werd ernstig en vroom en begaf zich tot den geestelijken stand, wordende Praemonstratenser monnik, van de orde of naar de regel van den heiligen Augustinus. Doch verlangende het stoffelijk overschot zijner onvergetelijke, dat in den gewijden grond en grafkelder van het aanzienlijk geslacht, op het choor der kerk te Brakel was gerust, zooveel mogelijk nabij te blijven, verwierf hij verlof, om zijn meeste dagen aldaar door te brengen en kreeg van de geestelijken vergunning ter inwoning op de Spijker. Heer Dirk van Brakel en zijn opvolgers, hadden wel het eigendom van de oude poortkamer, doch minder geschikt ter bewoning van zulke aanzienlijke lieden hadden zij met den Heer van Brakel en de geestelijken aldaar een schikking gemaakt, bij welke de laatste de inwoning bekwamen, en zoo word de eigenlijke poort weggebroken en met vier cellen verwisseld die tegenwoordig nog bestaan, van welke de St.Pieter cel nu aan broeder Peter werd afgestaan. Hier wijdde hij een gedeelte van zijner tijd aan de studie der godgeleerdheid, waarin hij een nieuweling was, maar ook aan de kunsten en wetenschappen, en bijzonder aan de bouwkunde welke zijne lieflingsoefening uitmaakte. De bedroefde ouderen van zijn voor immer verloren geliefde, welke hij


24

dagelijks bezocht, droegen aan hem het ontwerpen van een plan en bestek op, tot stichting en opbouw van een klooster voor mannen, en wat later had men aan de edele Vrouwe van Brakel Catharina van Polanen het prachtige Peterspoel nabij Zaltboemel (alwaar thans nog de kloosterwiel het aandenken bewaard) te danken, in hetwelk Peter tot prior werd aangesteld (zie ook Arend van Slichtenhorst, XIV. Boeken van de Geldersse geschiedenissen, VIII.Boek, blz. 178). Hij eindigde hier echter zijn leven of geestelijke loopbaan niet, deszelfs kunde en vroomheid brachten hem hooger, zijnde hij in het jaar na de geboorte van onzen Heer 1355 tot zeventiende abt van de Lieve Vrouwe abdij te Middelburg aangesteld geworden. Steeds getrouw aan zijne spreuk of devies, tod vigiles oculi, welke woorden in gulden letter alsnog op den wand van de cel in de Spijker te lezen staan, terwijl het zinnenbeeld, de pronkende pauw, met zijn honderd oogen tusschen twee draken op den ouden lederen leuningstoel wordt terug gevonden. Heeft zijn Heer en Zaligmaker in wien hij geloofde en op wien hij steeds vertrouwde, hem dan ook wakende gevonden, als hij zijnen aardschen werkkring voleind hebbende in A° 1358 in goeden ouderdom ontsliep.

§ 7 De Zwarte Dood en ander onheil

We keren terug naar de harde werkelijkheid. En dat was en is nog steeds voor ons land de dreiging van het water. ‘Nooit heeft de bewogen geschiedenis van het lage waterland zoveel overstromingen gekend als in de 12e en 13e eeuw. De kronieken tellen er vijfendertig. In 1163 was de kracht van de vloed zo sterk dat in de kuststreken geen woning bleef staan, alle huizen en hooibergen werden door het watergeweld meegesleept, hele gouwen stonden blank.’ (76) ‘In hetzelfde jaar (1170) rond het feest van Allerheiligen stak er een zeer harde wind op, die door een enorme overstroming is gevolgd, zozeer dat de zee tot de muren van de stad Utrecht opstroomde en weer afvloeide, en de alleen in de zee voorkomende vis die ze bollek (= wijting) noemen is gevangen bij de muren van deze stad. Ook in Kennemerland was die overstroming onverwachts zó woest dat het vee verdronk en vrouwen en mannen ternauwernood op de balken van hun huizen het vege lijf en dat van hun kleine kinderen konden redden.’ (77) In 1314 en 1315 vonden ook in de Bommelerwaard overstromingen plaats. (78) In 1342 ‘op Jacobsdagh waren de stroomen Maes, Wael en Rhijn soo hoogh gesteygerd, dat na ’t scheuren der dijken de Over- en Neder-Betouw met Thielerweerd blank stonden, ende alleen Thiel met de vlecken Drumpt en Wadenoyen boven het water uitkeeken’. (79) Begin 1409 en in 1413 was het weer raak. (80) Helaas een voorproefje van wat U verder nog te wachten staat! En dan waren er nog de stadsbranden, aardbevingen, pestepidemieën en talloze andere beproevingen. Enkele voorbeelden. In 1131 brandde een groot deel van Utrecht af, waaronder de domkerk. ‘In 1253 schijnt de schade iets minder groot te zijn geweest: de helft van de kerk van Sint-Salvator (= Oudmunster; de Van Brakell’s hadden van het kapittel van deze kerk rechten in erfpacht), vanaf het oosten tot de plek waar de relieken lagen, ging in vlammen op, terwijl ook een deel van het westwerk verloren ging.’ (81) In de veertiende en vijftiende eeuw vonden stadsbranden plaats in Dordrecht (1332, 1338 en 1457), Gorinchem (1388), ’s-Hertogenbosch (in 1419 drie maal) en Tiel (1420), steden in de buurt van de Bommelerwaard. In 1319 werd Zaltbommel door de Heren Van Buren en Van Arkel ‘overweldighd, ende na voorgaende plonderinge verbrand ende vernield’. (82) ‘In denselven jaer (20 mei 1382) was een aertbevinghe in allen landen, also verre als wij vernemen conden, die alte wonderlick was. Want in veel steeden ende dorpen beveden die huysen sonderlinghe zeer ende ander huysen, die ter naester want stonden (in de buurt), en beefden niet.’ (83) In de winter van 1407/08 duurde de vorst ‘omtrent x of xi weken lanc’ en aanhangers van de graaf van Holland ‘togen’ tijdens die langdurige vorstperiode over de bevroren rivieren ‘in den lande van Gelre, vengen ende sloegen dair menichwerve ende haelden rove, so te Brakel, so te Beesde, so anderswair in Tielrewairt ende in Bomelrewert, ende quamen telken ongescaet weder binnen horen sloten (= kastelen)’. (84) In 1316 was er hongersnood. ‘Zó groot was echter de gruwel en zó groot de nood in de huidige strijd om het bestaan, dat de


25

arme, als hij stierf van de honger en men hem in de straten zag liggen, in de ogen van verschillende mensen niet meer waard was dan een dolle hond. Men zegt ook, en het schijnt waar te zijn, dat de mensen van een zekere plaats in deze tijd zózeer door gebrek aan voedsel werden geplaagd, dat zij kikkers uit de moerassen haalden en hondenvlees aten. Bovendien, wat nog erger is, het ware gerucht doet de ronde dat zekere armen naar weggeworpen dode dieren gingen en daar als honden rauw vlees met hun tanden afrukten en verslonden.’ (85) Tenslotte de Zwarte Dood, de pestepidemie uit de jaren 1347-1351, ‘het dieptepunt in een ellendige eeuw’. (86) Men schat dat deze ziekte in Europa het leven kostte aan 20 tot 25 miljoen mensen. In de Lage Landen was het aantal slachtoffers relatief gering. Er wordt verondersteld dat er enige samenhang was ‘tussen het weer en het optreden van de pest; de overbrengers (vlooien) gedijden het best bij circa 20 graden en een grote vochtigheid; (…). Bij streng winterweer doofde de builenpest uit, (…)’. Ook het feit dat de mensen in bepaalde streken beter gevoed waren en meer eiwitten kregen, zoals vlees en vis, zou een rol gespeeld hebben. (87) Tegenwoordig vermoedt men, mede dankzij DNA-onderzoek, dat de builenpest geen pestziekte was maar een besmetting met een virus dat massieve bloedingen veroorzaakte. Medici nemen aan dat de voor pest gehouden middeleeuwse epidemie vermoedelijk tot de in Afrika zo berucht geworden Ebola-Marburg ziektegroep gerekend moet worden. Kenmerken van deze ziekte zijn extreme huidbloedingen en niet te stelpen bloedingen uit mond en neus. De zgn. builenpest is na de middeleeuwen geleidelijk verdwenen, omdat volgens patholoog J.W.Koten in de bevolking van Europa DNA-eigenschappen werden opgebouwd die de dragers ervan een grotere weerstand tegen deze ziekte gaven. De bewoners van Afrika daarentegen zijn minder belaagd door ‘de pest die geen pest was’, hebben deze weerstand niet, aldus Koten, en zijn daardoor kwetsbaarder voor het Ebolavirus dan de Europeanen. (88) Maar het was niet alles kommer en kwel. ‘In ’t jaer ons Heren 1383 twee daghen in mey kwam tot Shertogenbossche Gijsbrecht die Koc ende Geertruud sijn wijf, wonende tot Brakel, ende brachten Hughe Stanssen haren zone, welk Stanssen vastelavont lest voorleden viel in enen water en verdrank, en was gezonken te gronde meer dan een groot uur. En toen men dat kind zocht ende uit den water kreeg, toen was ’t koud ende stijf ende al verzwert ende verstorven. Ende vader ende moeder hadden groten rouwe. Ende die moeder werd peinzende op die mirakel die Ons Zoete Vrouwe tot Shertogenbossche doet. Ende vader ende moeder beloofden haar bedevaart tot Onser Zoeter Vrouwe t‘ Shertogenbossche, opdat zij vertroost mochten worden met haren doden kind. Zij wouden ze verzoeken met haren offerande. Ende toen zij die bedevaart beloofd hadden, toen werd dat kind te hand levende, ende vader ende moeder werden zeer verblijd. Ende zij zijn gekomen op den voorschreven dag met Stanssen haren kinde ende met haren geburen tot Shertogenbossch voor dat beeld Mariën. Ende zij hebben hare beevaart en de offerande gedaan gelijk als zij beloofd hadden, ende dat hebben zij wél bewaarheid.’ (89) In 1326 vond in het graafschap Holland een mirakel plaats waaraan een antisemitisch luchtje hing. In dat jaar ‘is een jood in Henegouwen onder valse voorwendsels christen geworden. Graaf Willem van Holland en Henegouwen werd de peetvader van deze jood en had hem lief als een aangenomen zoon. Deze man kroop op een nacht uit zijn bed, ging de kerk van een klooster binnen en doorstak met een lans het beeld van de heilige maagd Maria. Hij verdween onopgemerkt en zette zich aan zijn vaste bezigheden. En zie, uit de wond begon terstond bloed te vloeien, en vele mensen die aan allerlei ziekten leden, zijn daardoor weer genezen. En zie, de heilige maagd Maria verscheen aan een bejaarde handwerksman in een nachtelijke verschijning. Zij bleef aandringen dat hij de hiervóór vermelde smaad moest wreken en de ongelovige christen tot een tweegevecht moest uitdagen, hetgeen ook gebeurd is. De man versloeg met de hulp van de heilige Maria de jood in een tweegevecht. Deze heeft zijn schuld openlijk beleden’. ‘Doe nam hem die baelju ende dede hem slepen an een galghe. Daer dede hij hem hanghen mitten voeten opwaerts tusschen twe honden die hem verscoerden (= verscheurden).’ (90)


26

§ 8 De Heren van Brakel IV

In 1321 vond een belangrijke gebeurtenis plaats in de geschiedenis van de Heren van Brakel. Op 8 augustus van dat jaar droegen ‘Eustacius de Brakel ende Steeskinus, sijn soon’ (91) hun burcht op aan Reinoud, de zoon van de graaf van Gelre. Van opdracht was sprake wanneer iemand allodiale bezittingen (dus bezittingen die zijn eigendom waren) opdroeg aan iemand die machtiger was, onder beding ze als leen terug te krijgen. Dit had behalve het recht op bescherming ook voordelen op het gebied van het erfrecht. ‘Lenen vererfden in principe op de oudste zoon, terwijl voor eigen goed volledige gelijkberechtiging van alle kinderen gold. Bovendien konden lenen in principe niet gedeeld worden. Vrijwillige feodalisering (het brengen onder leenverband) ging dus een versnippering van het goederenbezit tegen en daarmee een verarming van het geslacht.’ (92) De leenman moest voortaan zijn burcht voor de graaf openhouden. Dit hield in dat in tijden van gevaar de Heren van Brakel hun kasteel voor de graven van Gelre moesten ontruimen, die er dan hun eigen garnizoen konden legeren. (93) Op 1 juli 1344 trad ‘Staeskinus de Brakel armiger (= schildknaap)’ op als getuige voor de Heer van Altena, Gerard van Horne. (94) Dit was niet de eerste keer dat een Van Brakell voor een Van Altena getuigde. Op 27 maart 1265 en op 2 mei 1268 deed ‘Eustachio de Brakele’ dit voor Dirk IV, Heer van Altena. (95) Dr.J.M.A.Coenen zegt in zijn artikel Tussen regeren en reageren. Vorst en adel in het dertiende-eeuwse Holland dat ‘uit het oorkondenmateriaal blijkt dat verwantschapsbanden bij de samenstelling van getuigenlijsten en bij het optreden als medezegelaar van oorkonden een aanzienlijke rol hebben gespeeld, een verschijnsel dat in de onderhavige periode (dertiende eeuw) niet alleen tot de grafelijke oorkonden beperkt blijft’. (96) Opnieuw een argument voor mijn bewering dat de Van Brakell’s verwant waren aan de Van Altena’s. Steesken van Brakell bezat niet alleen goederen en rechten, maar bekleedde ook een aantal openbare functies, waaronder die van baljuw en rentmeester. In een oorkonde van 1 september 1349 staat: ‘Willem V van Horne, Heer van Altena, en zijn gewezen voogd Diederik van Horne, Heer van Perwez en Cranenburch, geven decharge aan (hun neve) Staesken van Brakel als baljuw en rentmeester van het Land van Altena en Monnikenland’. (97) De baljuw was (in het graafschap Holland en Zeeland) een ambtenaar die namens de landsheer in een district o.m. de rechtsmacht uitoefende. Hij was voorzitter (maar niet rechter) van de ‘hoge vierschaar (= rechtbank)’, opsporingsambtenaar, openbaar aanklager en uitvoerder van vonnissen. Hij was belast met het hoge gerecht, in tegenstelling tot de schout of richter die in een ambacht (= deel van het rechtsgebied van de baljuw) het lage of dagelijkse gerecht uitoefende. De schout was dan ook ondergeschikt aan de baljuw. (98) Een baljuw moest in zijn ambtsgebied minstens vijftig morgen land bezitten. Bovendien diende hij tot de ‘goede schiltboertige mannen (= ridders/knapen)’ te behoren. (99) Intussen hadden de ‘burgermeesteren ende scepenen van Scoenhoven’ aan ‘alle luden’ bekend gemaakt dat de bisschop van Utrecht in 1336 ‘op ons vrouwe dach nativitatis (8 september)’, en opnieuw in 1387, dat hij met o.m. ‘Staeskin van Brakele’ overeengekomen was een ‘nywes dycreght’ vast te stellen voor het land ‘tusschen den nywen damme op de Ysele ende de poorten van Scoenhoven (= Lopikerwaard)’, waar ‘Jan van Montfoirde’ in naam van de bisschop ‘die scouwe op houd’. Afgesproken werd o.m. dat Jan ‘die heemraden kiesen sal’. (100) Hier duikt voor het eerst het begrip heemraad op. Het wordt nu tijd het een en ander te vertellen over de zorg voor de waterstaat in de Bommelerwaard. ‘We kunnen ons nauwelijks een voorstelling maken van het vroeg middeleeuwse rivierengebied zonder dijken. Dit rivierengebied zou beschreven kunnen worden als een vlechtwerk van geulen en takken met een begroeiing van struikgewas en moerasbos. Langs de stroomgeulen lagen een soort natuurlijke dijken, de oeverwallen. Overstromingen overschreden die oeverwallen soms met vele kilometers, waardoor een enorm gebied onder water kwam te staan. In de 12e eeuw werd het regime van de grote


27

rivieren onregelmatiger als gevolg van ontginningen in het stroomgebied. Vanaf die tijd werden extreme waterstanden steeds gebruikelijker.’ (101) De organisatie van de waterhuishouding was vóór de veertiende eeuw in handen van de buurschappen. Deze bestonden uit eigenaren of gebruikers van de grond in en rond de dorpen. ‘Gezien de omvang van de problemen moest steeds meer interlokaal worden samengewerkt. Dit bleek op den duur niet voldoende, mede omdat waterstaatswerken stroomopwaarts vaak stroomafwaarts problemen opleverden. (…) Er moest daarom een overkoepelende organisatie komen.’ (102) In 1327 werd hiermee een begin gemaakt door graaf Reinoud II van Gelre. Op 8 december van dat jaar stuurde hij aan de bewoners van de Bommelerwaard een dijkbrief: ‘Wi Reynout, greven van Gelren doen kont allen den ghenen die desen bryf solen sien of horen lesen, (…) gheven onsen gueden luden van Zautbommel ende van Bomelrewert die daer in nu sijn ofte namaels wesen solen gheerft een dijcrecht alse hier na bescreven steet van ons ende van onsen nacomelinghen, hem ende haren erven ofte nacomelinghen, erflic ende ewelic te hebben ende te behauden’. (103) Er kwam een regionaal dijkbestuur, de hoge dijkstoel, bestaande uit een dijkgraaf en zes heemraden. Zij dienden aan een aantal voorwaarden te voldoen om benoemd of gekozen te kunnen worden. Zo moest elke potentiële dijkgraaf 30 morgen land en elke potentiële heemraad 20 morgen land hebben, gelegen in de Bommelerwaard en binnen het te schouwen (= inspecteren) gebied. Een Gelderse morgen was 0,87 hectare. Ieder jaar op 22 februari werden de zgn. dijkkeuren vastgesteld, de regels voor het onderhoud van de dijken. De controle op het onderhoud - al dan niet in samenwerking met de particuliere dijkstoelen, zoals die van Brakel - vond viermaal per jaar plaats. Daartoe waren de dijken verdeeld in dijkvakken of hoefslagen, waarvan de lengte samenhing met die van de percelen in het te beschermen gebied. Per dijkvak werden lijsten aangelegd van onderhoudsplichtigen en van de stukken grond waarop deze verplichting berustte. Deze lijsten noemde men de dijkcedullen. (104) Het leek mij aardig er nog bij te vermelden, dat wanneer bij de derde jaarlijkse schouw geconstateerd werd dat de onderhoudsplichtige zijn plicht verzaakt had, ‘dijkgraaf en heemraden hun toevlucht mochten nemen tot het dwangmiddel van het inrijden in de naastbijzijnde herberg, waar zij zolang gingen zitten drinken en eten totdat het aardwerk aan het betrokken dijkvak verricht en in orde was, zulks op kosten van de nalatige onderhoudsplichtige’. (105) Elk jaar op 6 december traden de dijkgraaf en drie heemraden af. De graaf van Gelre benoemde een nieuwe dijkgraaf (of herbenoemde de oude). Deze wees dan samen met de drie overgebleven heemraden drie nieuwe aan. Een stelsel van periodieke coöptatie en dus van vriendjespolitiek. Dit laatste gold uiteraard ook voor de particuliere dijkstoelen. Geen wonder dat vele Van Brakell’s heemraad waren, waaronder de stamhouders van het geslacht Van der Zalm Ghijsbert Otten (van Brakell), Jan Ghijsberts (van Brakell), Cornelis Jan Ghijsberts (Salms), Jan Cornelissen Salm(s) en Arien Jansen Salm(s). Het is ook mogelijk dat, gezien de verkiesbaarheidseisen, niet veel mensen voor het ambt in aanmerking kwamen en derhalve de keuze erg beperkt was. N.B. Over vocht gesproken. ‘De middeleeuwse dorst is enorm en wordt wel als an oceanic thurst aangeduid. Dit is een gevolg van de combinatie van zwaar lichamelijk werk, sterk gezouten voedsel (spek, vlees, boter, etc.) en veelvuldig warm, droog weer. Het gebruik van wijn (en bier) is zelden minder dan één en meestal meer dan twee liter per persoon per dag, oud en jong inbegrepen. (…) Dronkenschap komt door het ontbreken van sterke drank weinig voor en dat veel middeleeuwers voortdurend in een heel lichte roes verkeren, stoort niemand.’ (106) § 9 Loevestein, ‘een slot van eeuwen her’

Vanwege zijn strategische ligging was de Bommelerwaard bezaaid met kastelen. (107) Om aan al die burchten aandacht te besteden, ook al waren de bewoners vrienden en soms familieleden van de Van Brakell’s, gaat me te ver. Ik maak één uitzondering: slot Loevestein, op een steenworp van Brakel. U weet wel, het kasteel van waaruit Hugo de Groot in een boekenkist ontsnapte.


28

Aan de rand van het Monnikenland - in de tweede helft van de dertiende eeuw drooggelegd door Cisterciënsermonniken - werd tussen 1361 en 1368 een burcht gebouwd door Dirk Loef van Horne, Heer van Altena, die ook zijn naam aan het kasteel gaf: Loevestein betekent stenen huis van Loef. Hij bouwde dit kasteel om zijn (onrechtmatige) aanspraken op het Monnikenland kracht bij te zetten. Loevestein kwam nog in de veertiende eeuw in handen van de graven van Holland, die het kasteel gebruikten als een militair steunpunt tegen Gelderse invallen. (108) Ghijsbert van Haeften van Rhenoij, een zwager van Johan (V) van Brakell, was Heer van Loevestein. Tijdens de Republiek (1588-1795) werd het een staatsgevangenis om daarna een schakel te worden in de Hollandse waterlinie. Tussen 1925 en 1986 werd Loevestein gerestaureerd. Het is nu een museum waarin ook feesten gegeven kunnen worden. Op 3 augustus 1783 trad Evert van der Salm in Loevestein in het huwelijk met Maria Bosveld. Een voor mijn familie historische plek, zo dicht bij de geboortegrond van onze voorvaderen.

Waar Maas en Waal te zamen spoelt En Gorkum rijst van ver, Daar heft zich op den linker zoom En spiegelt in den breeden stroom Een slot van eeuwen her. Hendrik Tollens (109) § 10 De Heekerens en de Bronkhorsten. Dertig jaar burgeroorlog (1349-1379)

Kort voor het midden van de veertiende eeuw braken in enkele Noordnederlandse gewesten conflicten uit tussen verschillende partijen, die elkaar met wapengeweld de politieke macht betwistten: de Hoeken en Kabeljauwen in Holland, de Lokhorsten en Lichtenbergers in Utrecht, de Heekerens en Bronkhorsten in Gelre en wat later de Schieringers en Vetkopers in Friesland. De aanleiding tot de oorlog in Gelre was het overlijden van de inmiddels hertog geworden Reinoud II in 1343. Tussen diens beide zonen brak in 1349 de strijd uit over de opvolging. De Bronkhorsten, genoemd naar hun leider Gijsbert van Bronkhorst, steunden de jongste van de twee, Eduard. De tegenpartij, de Heekerens, werd geleid door iemand uit de gelijknamige adellijke familie, een zekere Frederik van den Eze. Deze verdedigde de belangen van de oudste zoon, Reinoud III. Steden en adel sloten zich bij een der partijen aan, waarbij de keuze niet alleen bepaald werd door eigenbelang maar ook door onderlinge rivaliteit. In 1361 werd Reinoud, tijdens een veldslag bij Tiel, door zijn broer gevangen genomen en opgesloten in slot Nijenbeek waar hij ‘sijn leeven als een doodeeter versleet. (…) Wanneer hy na tien iaeren, effen voor sijns broeders en zijn overlijden, wierd los gelaeten, dat men de deur, daer hy eerst was ingegaen, wegen zyne zwaerlyvigheyd had moeten uitleggen’. (110) Eduard dwong zijn broer het bestuur aan hem over te dragen en spoedig werd hij door heel Gelre erkend als hertog. Het conflict leek voorbij. Maar toen ging de hertog van Brabant zich er mee bemoeien. Diens vrouw Johanna was een zus van Maria, de echtgenote van de opgesloten Reinoud. De vijandelijkheden begonnen met de verovering van Zaltbommel door de Brabanders in 1363 en de herovering door hertog Eduard kort daarna. Sindsdien sleepte een met wisselende krijgskansen en met weinig concreet resultaat gevoerde grensoorlog zich voort tot deze in 1368 afgesloten werd met een vrede, die de status quo bevestigde en daarmee de zaak niet oploste. In 1371 sneuvelde hertog Eduard tijdens de slag bij Baesweiler tussen (opnieuw) Brabant en Gelre. Vermoeid door ‘het yverigh kampen en draeven’ ging hij op een steen zitten en nam zijn helm af ‘om in de groote warmte eenige koelte te scheppen’. Toen werd hij ‘door zijn eygen dienaer ionkheer Herman Bier van Heze verraedelyker wijze met een yseren bout op zijn bloot hoofd is verwond geworden, ende na twee dagen op den 24. van de oogstmaend aen de quetzuyr gestorven’. Herman wilde wraak omdat de hertog diens ‘in fraeyheyd uitmuytende (= in schoonheid uitmuntende) vrouw tot zyne wille kreegh’. (111) Reinoud keerde terug op zijn troon, maar niet voor lang. In hetzelfde jaar overleed hij


29

op 38 jarige leeftijd ‘met een gespannen en overlaeden lichaem’ (112) en zonder een zoon na te laten. Opnieuw ruzie om de opvolging, dit keer tussen Machteld van Gelre en Willem van Gulik, een zoon van Maria van Gelre. Beide dames waren halfzusters van de overleden hertog. Natuurlijk waren de Heekerens en Bronkhorsten weer van de partij. Even zag het er naar uit dat Machteld, inmiddels getrouwd met graaf Jan van Blois, de overwinning zou behalen. Toen Willem echter hulp kreeg van de Duitse keizer, werden de rollen omgedraaid. In 1379 legde Machteld het moede hoofd in de schoot en erkende Willem als hertog van Gelre. (113) Tijdens dit conflict werd op 6 januari 1377 een verbond gesloten, de zgn. Landvrede, tussen enerzijds Machteld en haar echtgenoot en anderzijds de adel van de Overbetuwe, de Nederbetuwe, de Tieler- en Bommelerwaard, de Veluwe en een aantal steden, waaronder Tiel en Zaltbommel. Enkele honderden edelen staan in de oorkonde vermeld, waaronder ‘Steesken van Brakel’ en ‘Jan en Dirc van Brakel’. Er werd onder andere overeengekomen, dat men elkaar zou ‘helpen ende bistaen in goeden trouwen’. De heren ‘zwooren met opgesteekene vingeren de aengetoogene verzoeninge te zullen houden en doen houden van volkoemen waerde’. (114) ‘Door Willems inhuldinge waeren evenwel de onlusten in Gelderland niet gestild. Te Thiel waren de burgers soo tegen den anderen gebeeten, dat sy op Paesdagh aen een raekten, ende een grooten moord aenstelden, welke den inwoonderen zoo heughde, dat er lange iaeren daer na noch kallinge viel (= gesproken werd) van den quaeden Paesdagh.’ (115)

§ 11 De Heren van Brakel V

De laatste Steesken trouwde met Catharina van Polanen, (116) dochter van Dirk van Polanen, Heer van Asperen, en Elburg van Arkel, Vrouwe van Asperen, Wadenburg en Lingenstein. De laatste Van Polanen, Johanna (een achternicht van Catharina), (117) huwde met Engelbrecht I, graaf van NassauDillenburg, waardoor haar bezittingen in handen kwamen van de (Oranje-)Nassau’s. Engelbrecht was de betovergrootvader van Willem van Oranje. Op 26 augustus 1392 werd ‘Staasken van Brakel, ridder’ beleend met vier morgen land in Lakerveld en tien morgen land in Outena in het Land van Vianen. (118) In 1402 ontving en ‘tuchtigt’ hij ‘sijn wijff’ het ‘huys tot Brakell’. (119) Hij overleed voor 16 juni 1410, want op die datum ging het leen in Outena over op zijn dochter Adriana, in 1405 gehuwd met Johan Broeckhuysen van Waardenburg. (120). Op 13 oktober 1410 werd Adriana beleend met de grond in Lakerveld (121). Dertien dagen daarna werd zij leenvolger van haar vader in Langerak. (122) In 1429 worden in een tweetal beleningen in Asperen ‘(een halve voorste kamp in Asperen in de Vijfhoeven en een viertel land in Asperen in Koenenhoeve) de erven heer Staaske van Brakel’ vermeld. (123) Van Steesken en Catharina is maar één kind bekend, Adriana. In 1420 werd ‘Adryan van Brakel, Jans wijff van Broeckhuysen van Werdenburg’, beleend met ‘den huyss tot Brakel ende allen anderen guederen ende thyenden (…)’ als erfgenaam van ‘heren Steesken van Brakell wilner (= wijlen) hoeren vader’. (124) Adriana bezat ook grond in Haaften waarvoor zij in 1434 door Franck Pieck namens de hertog van Gelre werd aangeslagen voor 2 Franse schilden vermogensbelasting. (125) Zij overleed in of na 1442. (126) N.B. Johan of Jan van Broeckhuysen van Waardenburg, ‘her Willems oudste soen van Broechusen, was seer groet ende vet ende was die sevende heer van Werdenberch, (…). Dese voirs. Johan van Werdenberch had te wive joffrou Ariaen, heer Steeskens oudste erfdochter van Brakel, ende had dairmede die borch ende heerlicheit tot Brakel ende Willigen bi Scoenhoven, (= Langerak) (…)’. (127)


30

‘Op Sint Hubertus (3 november) 1444 raakte hertog Arnold van Gelre met een groot leger uit Gelre in het hertogdom Gulik slaags met de hertog van Berg en de Gulikers. In dat conflict leden de Geldersen een smadelijke nederlaag. Sommige Geldersen die strijdvaardig en krijgslustig standhielden in de strijd, sneuvelden of werden krijgsgevangen gemaakt. Alleen Jan van Vuren, die stoutmoedig en voorbeeldig had gestreden, kon door een toeval vrij (en niet als krijgsgevangene) het strijdtoneel verlaten. De ridderschap van de Bommelerwaard raadde de hertog aan om te vluchten, om te voorkomen dat hij krijgsgevangen zou worden gemaakt. Op dit advies vluchtte de hertog smadelijk met een groot deel van zijn manschappen. Tijdens deze strijd zijn heer Willem van Egmond, tevens heer van Mechelen en IJsselstein en broer van de hertog van Gelre, heer Jan van Broekhuizen, heer Hendrik van Meer en heer Evert van Wilp tot ridder geslagen. Krijgshaftig hielden zij stand in de strijd, stegen zelfs van hun paarden, vochten strijdvaardig door met achterlating van hun paard en werden krijgsgevangen gemaakt.’ (128) Door het huwelijk van Adriana ging de heerlijkheid Brakel in 1439 over op het geslacht Van Broeckhuysen van Waardenburg. In 1525 overleed de laatste mannelijke Van Broeckhuysen, Staes. (129) Zijn dochter Josina trouwde met Reyner van Aeswijn die daarmee de nieuwe Heer van Brakel werd. (130) Deze Reyner en diens gelijknamige zoon zullen we in de hoofdstukken IV, V en VI nog een paar keer tegenkomen.

NOTEN

1)H.M.Werner, Geldersche Kasteelen. Historische, oudheidkundige en genealogische studiën, Zutphen 1906, deel I, blz. 1 en 2. 2)H.M.Werner, Geldersche Kasteelen, blz. 87. Zie ook Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen. Van ’t begin af vervolghd tot aen de afzweeringh des Konincx van Spanien; waer van ’t eerste Deel verhandeld de Land-beschrijvingh, Arnhem 1654, V.Boek, blz. 61. 3)A.G.Schulte (red.), Ruïnes in Nederland, Zwolle 1997, blz. 138. Zie ook drs.Marjan Witteveen-Jansen, Kastelen en vestingwerken in de Bommelerwaard, Zaltbommel 2004, blz. 26 t/m 28, en F.M.Eliëns en J.Harenberg, Middeleeuwse kastelen van Gelderland, Rijswijk 1984, blz. 224 en 227. 4)F.M.Eliëns en J.Harenberg, Middeleeuwse kastelen van Gelderland, blz. 227. 5)A.J. van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, Gorinchem 1836-1851, deel 2, blz. 670. Zie ook mr.C.P. E.Robidé van der Aa, Oud-Nederland in de uit vroegere dagen, overgeblevene burgen en kasteelen, Nijmegen 1841, nr. 28. 6)A.J. van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, deel 14, blz. 683. 7)Gelders Archief, Archief van de familie van Dam van Brakel (1307-1379), 1381-1959, nr. 99, W. van Dam van Brakel, Histories-Romantische tijdkortingen. 8)F.M.Eliëns en J.Harenberg, Middeleeuwse kastelen van Gelderland, blz. 224 en 225. Zie ook J.C.Bierens de Haan en J.R. Jas, Geldersche Kasteelen. Tot defensie en eene plaissante wooninge, Zwolle 2000, blz. 63 t/m 65 en 162, Johan van Vossen, Flitsende geschiedenis van Huis Brakel, Brakel 1993, blz. 7, en Jorien Jas, e.a. (red.), Kastelen in Gelderland, Utrecht 2013, blz. 506 t/m 508. 9)A. de With, Een beknopte bewoningsgeschiedenis van het Spijker, Tussen de Voorn en Loevestein, jaargang 30, nr. 87 (december 1994), blz. 7. Zie ook drs.Marjan Witteveen-Jansen, Kastelen en vestingwerken in de Bommelerwaard, blz. 15 en 29 t/m 31. 10)H.L.Janssen, J.M.M.Kylstra-Wielinga, B.Olde Meierink (red.), 1000 jaar kastelen in Nederland. Functie en vorm door de eeuwen heen, Utrecht 1996, blz. 99. 11)A. de With, Een beknopte bewoningsgeschiedenis van het Spijker, blz. 7. Zie ook Jorien Jas, e.a. (red.), Kastelen in Gelderland, blz. 517 en 518. 12)P.N. van Doorninck en dr.J.S. van Veen, Acten betreffende Gelre en Zutphen 1107-1415 naar de drie handschriften: A dat Alste Register en I Oldste Register te Arnhem, zomede B. no 22 te Dusseldorp, Haarlem 1908, blz. 290. 13)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen 1326-1811, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, 1377-1423, nr. 1A ‘Wilhelmi et etiam Renoldi ducum Fratrum’, folio 100 recto. 14)Brabants Historisch Informatie Centrum, Archief van het Tertiarissenconvent van Sint-Catharina te Heusden, (1308) 1316 -1588 (1598), nr. 248. Zie ook Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312, Deel I, de Meierij van ’s-Hertogenbosch, nr. 770. 15)Jkvr.dr.J.M. van Winter, Aristocratisering in middeleeuws Nederland. In: J.Aalbers en M.Prak (red.), De bloem der natie. Adel en patriciaat in de Noordelijke Nederlanden, Meppel/Amsterdam 1987, blz. 30. 16)Dr.B.J.P. van Bavel, Transitie en continuïteit. De bezitsverhoudingen en de plattelandseconomie in het westelijke gedeelte van het Gelderse rivierengebied, ca. 1300 - ca. 1570, Hilversum 1999, blz. 230.


31

17)B.J.P. van Bavel, Goederenverwerving en goederenbeheer van de abdij Mariënweerd (1129-1592), Hilversum 1993, blz. 507. 18)Mr.P.Bondam, Charterboek der hertogen van Gelderland en graaven van Zutphen, Utrecht 1783, Deel I, Afdeling III, nr. 131, 1 oktober 1264. Zie ook mr.L.A.J.W. baron Sloet, Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen tot op den slag van Woeringen, 5 juni 1288, ‘s-Gravenhage 1872-1876, nr. 877, en dr.P.G.F.Vermast, De Heeren van Goye, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXVI (1949), blz. 344 en 345. 19)J.C.H.Blom, E.Lamberts (red.), Geschiedenis van de Nederlanden, Rijswijk 1994, blz. 38. Zie ook Paulina de Nijs en Hans Kroeze (red.), De middeleeuwse kloostergeschiedenis van de Nederlanden, Zwolle 2008, deel I, blz. 22 t/m 24, 108 en 109, en W.J.Hofdijk, Merkwaardige Kasteelen in Nederland door Van Lennep en Hofdijk, III, Leiden 1884, blz. 102. 20)H.M.Werner, Geldersche Kasteelen, blz. 87 en 88. Zie ook W.J.Hofdijk, Merkwaardige Kasteelen in Nederland, III, blz. 102. 21)Dr.J.C.Kort, Leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666. Lenen buiten het land van Ameide, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 423. 22)Het Utrechts Archief, Financiële instellingen van de landsheer en van de Staten van Utrecht en daarop volgende gewestelijke besturen, 1529-1811, nr. 84-3. Zie ook dr.A.J.Maris, Repertorium op de Stichtse Leenprotocollen uit het landsheerlijke tijdvak. I. De Nederstichtse leenacten (1394-1581), ’s-Gravenhage 1956, nr. 203 en 247, dr.P.G.F.Vermast, De Heeren van Goye, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXVI (1949), blz. 432, dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, 12921666, V. De lenen ten noorden van de Lek, Ons Voorgeslacht, jaargang 41 (1986), blz. 273, en C.Hoek, Repertorium op de lenen van de bisschop van Utrecht in de provincie Zuid-Holland, 1298-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 44 (1989), blz. 296. 23)Dr.P.G.F.Vermast, De Heeren van Goye, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXVII (1950), blz. 176. Zie ook C.Hoek, Repertorium op de lenen van de bisschop van Utrecht in de provincie Zuid-Holland, blz. 296 en 297. 24)Dr.H.F.K. van Nierop, Van ridders tot regenten. De Hollandse adel in de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw, Hollandse Historische Reeks I, ’s-Gravenhage 1984, blz. 119. Zie ook O.Moorman van Kappen e.a., Tieler- en Bommelerwaarden 1327-1977, blz. 20 en 32. 25)Dr.H.F.K. van Nierop, Van ridders tot regenten, blz. 119, 122 en 123. Zie voor het begrip heerlijkheid ook C.E.G. ten Houte de Lange M.A. en mr.dr.V.A.M. van der Burg, Heerlijkheden in Nederland. Welke namen van heerlijkheden worden nog gevoerd sinds 1848?, Hilversum 2008, blz. 13 t/m 36. 26)Frans van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, van Zeeland en Heeren van Vriesland, Tweede Deel, Leiden 1754, blz. 544 en 545, dr.J.C.Kort, Repertorium op de Cuykse lenen in Holland, het Sticht en Gelre, 1129-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 44 (1989), blz. 261 en 262, en dr.P.G.F.Vermast, De Heeren van Goye, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXVI (1949), blz. 429. 27)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, register nr. 1 (register BB Blois ca. 1348 - ca. 1380), los blaadje bij folio 175, en C.Hoek en dr.J.C.Kort, Aanvullingen op gepubliceerde repertoria van leenkamers, die binnen het graafschap Holland hebben gefunctioneerd, Ons Voorgeslacht, jaargang 44 (1989), blz. 404. 28)Dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland, blz. 102. 29)A.Schimmelpenninck van der Oije, Genealogische Aanteekeningen op oude geslachten, Geldersche Volksalmanak voor het jaar 1899, Arnhem 1899, blz. 3, 4 en 10. 30)Dr.J.G.Kruisheer, Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, deel II 1222-1256, Assen/Maastricht 1986, nr. 609. Zie ook mr.L.Ph.C. van den Bergh, Register van Hollandsche en Zeeuwsche oorkonden, die in de charterboeken van Van Mieris en Kluit ontbreken, tweede afdeeling, Amsterdam 1861, nr. 207, en mr.L.Ph.C van den Bergh, Oorkondenboek van Holland en Zeeland. Eerste afdeeling, eerste deel, nr. 381. 31)Dr.D.E.H. de Boer, dr.E.H.P.Cordfunke en drs.H.Sarfatij (red.), Wi Florens. De Hollandse graaf Floris V in de samenleving van de 13e eeuw, Utrecht 1996, blz. 159. Zie ook Th.A.A.M. van Amstel, De Heren van Amstel 1105-1378. Hun opkomst in het Nedersticht van Utrecht in de twaalfde en dertiende eeuw en hun vestiging in het hertogdom Brabant na 1296, Hilversum 1999, blz. 60. 32)S.Muller Fzn en A.C.Bouman, K.Heeringa en F.Ketner, Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301, Utrecht/’s-Gravenhage 1920-1959, deel II, nr. 1143. Zie ook mr.L.Ph.C. van den Bergh, Oorkondenboek van Holland en Zeeland. Eerste afdeeling. Tot het einde van het Hollandsche Huis, tweede deel, Amsterdam-’s-Gravenhage, 1873, nr. 134 en 166. 33)Dr.Thimo de Nijs en drs.Eelco Beukers (red.), Geschiedenis van Holland, deel I, tot 1572, blz. 84. 34)Drs.J.Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 3: 1450-1575, Franeker 1998, blz. 32. 35)Dr.W.Jappe Alberts, Geschiedenis van Gelderland van de vroegste tijden tot het einde der middeleeuwen, blz. 48. 36)Dr.R.R.Post, Handboek tot de staatkundige geschiedenis der Nederlanden, deel I, De Middeleeuwen, ’s-Gravenhage 1959, blz. 101 t/m 103, en Johan Hendrik van Heurn, Historie der Stad en Meyerye van ’s-Hertogenbosch, alsmede van de voornaamste daaden der Hertogen van Brabant. Eerste Deel. Beginnende van de vroegste tyden af tot het jaar 1555, Utrecht 1776, blz. 148 en 149. 37)Arend van Slichtenhorst, IV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen. VI.Boek, blz. 114. Zie ook De Tielse kroniek. Een geschiedenis van de Lage Landen van de Volksverhuizingen tot het midden van de vijftiende eeuw, met een vervolg over de jaren 1552-1566, ingeleid en vertaald door Jan Kuys e.a., Amsterdam 1983, Boek VI, par. 448. 38)I.A.Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland door onuitgegevene oorkonden opgehelderd en bevestigd, Eerste Deel, De toestand van Gelderland in de eerste helft der veertiende eeuw, 1286-1343, Arnhem 1830, nr. 177. 39)I.A.Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, Eerste Deel, nr. 178. 40)Dr.J.W.Berkelbach van der Sprenkel, Regesten van oorkonden betreffende de bisschoppen van Utrecht uit de jaren 13011340, Werken van het Historisch Genootschap te Utrecht, 3e serie, no. 66, Utrecht 1937, nr. 424 en 436. Zie ook Nationaal Archief, Graven van Holland 1189-1581 (ca. 1650), nr. 620 (Groot register Gelre EL.30 van akten van graaf Willem III, lopend over 1319-1334), folio 1 recto t/m 3 recto, dr.S.W.A. Drossaers, Het archief van de Nassause Domeinraad, Tweede Deel, Het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581: Stukken betreffende de rechten en goederen van Anna van


32 Buren, Regestenlijst van oorkonden I (c. 1166-1459), ’s-Gravenhage 1955, nr. 65, en Frans van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, Tweede Deel, blz. 206, 207, 220 t/m 222 en 225. 41)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 289 (Groot register Zuidholland EL.24: akten uit 13171336), folio 24 recto. Zie ook Frans van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, Tweede Deel, blz. 277, en W. A. van Spaen, Oordeelkundige inleiding tot de historie van Gelderland, deel I, blz. 385. 42)A.Schimmelpenninck van der Oije, Genealogische Aantekeningen op oude geslachten, blz. 10. 43)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 620 (Groot register Gelre EL.30 van akten van graaf Willem III, lopend over 1319-1334), folio 6 recto, en nr. 707 (Register EL.43 van akten van belening door hertog Willem V, lopend over 1351-1356, inzake Gelre), folio 87 t/m 92. Zie ook dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de graaf van Holland in Gelre 1279-1646, Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 780, P.N. van Doorninck, Leenacten betreffende Geldersche goederen, 1313-1334. Uit het grafelijkheidsregister van Holland genaamd: Ghelre E.L. 30, berustende in het Rijksarchief te ’s-Gravenhage, Bijdragen en Mededeelingen der Vereeniging Gelre, jaargang III (1900), blz. 267 en 269, Gelders Archief, L.F. van Gent, Register op de leenactenboeken van in Holland gelegen leenkamers betreffende leengoederen, gelegen in Gelderland, z.p. z.j., blz. 42, en jhr.dr.W.A.Beelaerts van Blokland, De oudste lijst van Hollandsche leenmannen in Gelderland, Bijdragen en Mededeelingen der Vereeniging Gelre, jaargang XXIX (1926), blz. 159. 44)Matthaeus Brouërius van Nidek en Isaak Le Long, Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Outheden en Gezigten, Tweede Deel, Dordrecht 1731, blz. 154, Nationaal Archief, Regesten van het Archief der Voormalige Abdij Leeuwenhorst te Noordwijkerhout, nr. 21, mr.L.Ph.C. van den Bergh, Oorkondenboek van Holland en Zeeland. Eerste afdeeling. Tot het einde van het Hollandsche Huis, tweede deel, nr. 604, en mr.L.Ph.C. van den Bergh, Register van Hollandsche en Zeeuwsche oorkonden, die in de charterboeken van Van Mieris en Kluit ontbreken. Eerste afdeeling. Tot het uitsterven van het Hollandsche Huis, Amsterdam 1861, blz. 104. Zie ook drs.Geertruida de Moor, Het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst (1261-1574) en de families Van der Does en Van den Woude, De Nederlandsche Leeuw, jaargang CII (1985), blz. 107, Hugo Franciscus van Heussen, Oudheden en Gestichten van Rhynland, Leiden 1719, blz. 634, en Gelders Archief, Familie Van Brakell, 14321903, nr. 8, Genealogie van de familie Van Brakell ter hand gesteld door Willem Anne baron van Spaen van Bellevue in 1806, blz. 2. 45)Het Utrechts Archief, Archief Rooms-katholiek (rk) vrouwenklooster van Benedictinessen te De Bilt 1219-1797, nr. 37. 46)B. de Keijzer, Van Langerak-Van Zuylen. Mededelingen over twee middeleeuwse geslachten, De Nederlandsche Leeuw, jaargang CXI (1994), blz. 368, 370 en 372, en dr.C.Dekker, Het Kromme Rijngebied in de Middeleeuwen. Een institutioneelgeografische studie, Zutphen 1983, blz. 349. Zie ook mr.G.J.J. van Wimersma Greidanus, Van Zu(y)len, fouten, feiten en fantasieën, De Nederlandsche Leeuw, jaargang CI (1984), blz. 109, drs.B.Olde Meierink e.a., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, Utrecht 1995, blz. 132 en 133, dr.S.W.A.Drossaers, Het archief van de Nassause Domeinraad, Tweede Deel, Het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581, Regestenlijst van oorkonden I, nr. 241 en 267. 47)Het Utrechts Archief, Bisschoppen van Utrecht 1025-1578, nr. 207, verzameling losse blaadjes perkament. Zie ook dr.P. W.A.Immink en dr.A.J.Maris, Registrum Guidonis. Het zogenaamde register van Guy van Avesnes Vorst-Bisschop van Utrecht (1301-1317). Met aansluitende stukken tot 1320, Utrecht 1969, nr. 249, B. de Keijzer, Van Langerak-Van Zuylen, blz. 370, en dr.P.G.F.Vermast, De Heeren van Goye, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXVI (1949), blz. 365 en 366. 48)Gemeentearchief Roermond, Res Gestae II, nr. 260 en 269, en W.A.baron Van Spaen Lalecq, Oordeelkundige inleiding tot de Historie van Gelderland, deel III, blz. 262. 49)Dr.P.W.A.Immink en dr.A.J.Maris, Registrum Guidonis. Het zogenaamde register van Guy van Avesnes Vorst-Bisschop van Utrecht (1301-1317). Met aansluitende stukken tot 1320, Utrecht 1969, nr. 249. 50)Dr.P.W.A.Immink en dr.A.J.Maris, Registrum Guidonis, nr. 249. Zie ook mr.S.Muller Fz. Catalogus van het archief der bisschoppen van Utrecht, Utrecht 1906, nr. 206. 51)Dr.P.W.A.Immink en dr.A.J.Maris, Registrum Guidonis, nr. 91. 52)Dr.S.W.A.Drossaers, Het Archief van de Nassause Domeinraad, Tweede Deel, Het Archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581: Stukken betreffende de rechten en goederen van Anna van Buren, Regestenlijst van Oorkonden I (c. 11661459), nr. 56. 53)Ph.J.C.G. van Hinsbergen, Bronnen voor de geschiedenis van Zeist, Deel I, Aflevering II (1339-1400), Assen 1957, blz. 53, 99 en 100. 54)Ph.J.C.G. van Hinsbergen, Bronnen voor de geschiedenis van Zeist, Deel I, Aflevering II, blz. 96. 55)Brabants Historisch Informatie Centrum, Illustre Lieve Vrouwe Broederschap in ’s-Hertogenbosch, (1291) 1318-1993 (1998), nr. 116, Rekening 1329-1399, folio 14 recto. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell, 1432-1903, nr. 13, blz. 1. 56)Dr.P.G.F.Vermast, De Heeren van Goye, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXVI (1949), blz. 362, 370 en 428, en jaargang LXVII (1950), blz. 176, 245 en 246. Zie ook Europaïsche Stammtafeln, Band VIII, Tafel 39. 57)Brabants Historisch Informatie Centrum, Archief van de familie Van Lanschot 1294-1900 (1982), nr. 1478 en regest nr. 4. 58)Ronald Blancke, Genealogie Blancke Bogaert. Van Brakel, Hoofddorp 2002. 59)Dr.P.G.F.Vermast, De Heeren van Goye, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXVI (1949), blz. 362 en 368. 60)Ibidem. Zie ook Nationaal Archief, Regesten van het Archief der Voormalige Abdij Leeuwenhorst te Noordwijkerhout, nr. 150. 61)Dr.P.G.F.Vermast, De Heeren van Goye, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXVI (1949), blz. 370, en jaargang LXVII (1950), blz. 176. 62)Brabants Historisch Informatie Centrum, Archief van de familie Van Lanschot 1294-1900 (1982), nr. 1486 en regest nr. 13. Zie ook Brabants Historisch Informatie Centrum, Den Bosch Bouwloods Sint Jan, nr. 37. 63)Gelders Archief, Diverse Charters 1291-1816, nr. 8. 64)Stadsarchief ‘s-Hertogenbosch, Het archief van de Tafel van de H.Geest van ’s-Hertogenbosch, 1277-1811, regest nr. 522 en 523. 65)Dr.C.Dekker, Het Kromme Rijngebied in de middeleeuwen, blz. 384, 497 en 498.


33

66)Jkvr.dr.J.M. van Winter, Adel, ministerialiteit en ridderschap 11de - 14de eeuw. In: Algemene Geschiedenis der Nederlanden, Bussum 1982, deel 2, blz. 128. Zie ook jkvr.dr.J.M. van Winter, Aristocratisering in middeleeuws Nederland, blz. 22. 67)Dr.P.G.F.Vermast, De Heeren van Goye, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXVI (1949), blz. 368, en jaargang LXVII (1950), blz. 245 en 246. Zie ook mr.A.P. van Schilfgaarde, Het adellijk geslacht Van Rossem, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXX (1953), blz. 135 en 136. 68)Drs.B.Olde Meierink e.a., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, blz. 203 en 204. Zie ook De Tielse kroniek, Boek VI, par. 443 en 546. 69)Drs.B.Olde Meierink e.a., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, blz. 226 t/m 228. Zie ook ir.J.D.M.Bardet, Kastelenboek provincie Utrecht, Bussum 1975, blz. 98 en 99. 70)F.Beelaerts van Blokland, Edellieden vermeld in de oudste protocollen der ’s-Hertogenbosche schepenbank, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXXI (1913), blz. 227. Zie ook Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, graven van Zutphen 963-1543, nr. 685, Rekening van (de ambtman) Franck Pyeck en Gerit de bastaard van Ackoy als schatmeesters van ontvangst van schatting in de Tieler- en Bommelerwaarden (inclusief Heerewaarden, Beesd en Rhenoy), en van uitgaven, 1434. Verder af te korten als Schildschatting door Franck Pieck in de Tieler- en Bommelerwaard (1434), folio 12 recto (Brakel), Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 620, Rekeningen van (de ambtman) heer Jan van Rossum van ontvangsten en van uitgaven, 1399-1402, 15-06-1400 – 15-06-1401, folio 5 recto, en G.Berkelmans, Vrouwen van stand. Het predikaat ‘joffrouw’ in de laatmiddeleeuwse archivalia van de stad ’s-Hertogenbosch en haar Meierij, Noordbrabants Historisch Jaarboek, jaargang 13 (1996), blz. 64. 71)F.Beelaerts van Blokland, Edellieden vermeld in de oudste protocollen der ’s-Hertogenbosche schepenbank, blz. 227, en Gelders Archief, Klooster Zennewijnen of Mariënschoot te Zennewijnen, nr. 112, blz. 156, en nr. 113, blz. 157. 72)F.Beelaerts van Blokland, Edellieden vermeld in de oudste protocollen der ’s Hertogenbosche schepenbank, blz. 227. Zie ook Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 625, Rekeningen van (de ambtman) Wouter van Overrijn van ontvangsten als voren, en van uitgaven, 14-7-1409 – 13-7-1410. (Op folio 9 B staat vermeld dat ‘Dyrc van Brakel’18 gulden ossengeld moest betalen), Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 685, Schildschatting door Frans Pieck in de Tieler- en Bommelerwaard, folio 12 recto en verso, en 13 recto en verso (Brakel), en Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Schepenbank van ’s-Hertogenbosch, 1366-1811, Het Bosch’ Protocol, nr. 1227, folio 252 verso. 73)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1182, folio 119 recto, en F.Beelaerts van Blokland, Edellieden vermeld in de oudste protocollen der ’s-Hertogenbosche schepenbank, blz. 227. Zie ook G.Berkelmans, Vrouwen van stand, blz. 64. 74)Drs.B.Olde Meierink, Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, blz. 414 en 415, en dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Loenersloot, 1361-1698 (1744), z.p. z.j., nr. 101. 75)Gelders Archief, Archief van de familie van Dam van Brakel, nr. 99, Histories-Romantische tijdkortingen, Eerste Hoofdstuk, De prior van St.Peters Poel. 76)J. de Rek, Van Hunebed tot Hanzestad, blz. 280. 77)Willem Procurator, Kroniek. Editie en vertaling van het Chronicon van Wilhelmus Procurator door Marijke GumbertHepp met medewerking van J.P.Gumbert, Hilversum 2001, blz. 53 en 55. Zie ook dr.Antheun Janse e.a., Johan Huyssen van Kattendijke-kroniek. Die historie of die cronicke van Hollant, van Zeelant ende van Vrieslant ende van den Stichte van Utrecht, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Kleine Serie nr. 102, Den Haag 2005, blz. 234. 78)Dr.M.K.E.Gottschalk, Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland, Assen 1971, deel 1, de periode vóór 1400, blz. 284. 79)Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, VII.Boek, blz. 129. 80)Drs.J.Buisman, Bar en boos. Zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen, Baarn 1984, blz. 23 en 24. Zie ook De Tielse kroniek, Boek VI, par. 724. 81)Dr.Bram van den Hoven van Genderen, De Heren van de Kerk. De kanunniken van Oudmunster te Utrecht in de late middeleeuwen, Zutphen 1997, blz. 42. 82)Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, VI.Boek, blz. 114, en De Tielse kroniek, Boek VI, par. 449, 658, 748, 752, 753 en 763. 83)Dr.Antheun Janse e.a., Johan Huyssen van Kattendijke-kroniek, blz. 388. Zie ook De Tielse kroniek, Boek VI, par. 636. 84)Johannes de Beke, Croniken van den Stichte van Utrecht ende van Hollant, uitgegeven door dr.H.Bruch, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 180, ’s-Gravenhage 1982, blz. 282. Zie ook dr.Antheun Janse e.a., Johan Huyssen van Kattendijke-kroniek, blz. 429. 85)Willem Procurator, Kroniek, blz. 251. Zie ook dr.Antheun Janse e.a., Johan Huyssen van Kattendijke-kroniek, blz. 332 en 333. 86)Drs.J.Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 2: 1300-1450, Franeker 1996, blz. 177. 87)Drs.J.Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 2, blz. 177 t/m 179. 88)J.W.Koten, De pest die geen pest was, Ons Erfgoed, jaargang 13, nr. 5, september 2005, blz. 212 en 213. 89)J.H.G.J. van Heeswijk, Een mirakel in Brakel, Tussen de Voorn en Loevestein, jaargang 9 (juni 1973), blz. 9. 90)De Tielse kroniek, Boek VI, par. 469 en 470, en dr.Antheun Janse e.a., Johan Huyssen van Kattendijkekroniek, blz. 337. 91)P.N. van Doorninck en dr.J.S. van Veen, Acten betreffende Gelre en Zutphen 1107-1415, blz. 290. Zie ook Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, (12 e eeuw - 1811), Kwartier van Nijmegen, nr. 278, Nationaal Archief, Inventaris van het archief van de Familie Van Matenesse en van de Heerlijkheid Matenesse, 1251-1917, nr. 891, en jkvr.dr.J.M. van Winter, Ministerialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen, diss., Groningen 1962, blz. 150. 92)Dr.H.M.Brokken (eindred.), Heren van Stand, blz. 11. 93)Jkvr.dr.J.M. van Winter, Ministerialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen, blz. 202 en 203. 94)Dr.P.L.Muller, Regesta Hannonensia. Lijst van oorkonden betreffende Holland en Zeeland uit het tijdvak der regeering van het Henegouwsche Huis 1299-1345 die in het Charterboek van Van Mieris ontbreken, ‘s-Gravenhage 1881, blz. 293. Zie ook dr.K.N.Korteweg, Rechtsbronnen van Woudrichem en het Land van Altena, nr. 99.


34

95)S.Muller Fzn, A.C.Bouman, K.Heeringa en F.Ketner, Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301, deel III, nr. 1656 en deel IV, nr. 1734. 96)Dr.J.M.A.Coenen, Tussen regeren en reageren. Vorst en adel in het dertiende-eeuwse Holland. In: J.Aalbers en M.Prak (red.), De bloem der natie. Adel en patriciaat in de Noordelijke Nederlanden, blz. 38 en 39. 97)Mr.dr.K.N.Korteweg, Rechtsbronnen van Woudrichem en het Land van Altena, nr. 103. Zie ook T.Klaversma, De heren van Horne, Altena, Weert en Kortessem (1345-1433), blz. 55. 98)J.Ph. de Monté ver Loren en J.E.Spruit, Hoofdlijnen uit de ontwikkeling der rechterlijke organisatie in de Noordelijke Nederlanden tot de Bataafse omwenteling, Deventer 1972, blz. 132. Voor de overige taken van de baljuw of ambtman zie J.H.G.J. van Heeswijk, De ambtmannie of het ambtmanschap, Tussen de Voorn en Loevestein, jaargang 4 (1968), nr. 3, blz. 240 t/m 243, en Coen O.A.Schimmelpenninck van der Oije e.a. (red.), Adel en ridderschap in Gelderland. Tien eeuwen geschiedenis, Zwolle 2013, blz. 44 . 99)Mr.W. de Vries, Bijdragen tot de geschiedenis van het rechterlijk bestel in Gelderland. I. Rechtsgebieden gelegen in het Kwartier van Nijmegen, Arnhem 1965, blz. 65 en 66. 100)Het Utrechts Archief, Archief Heerlijkheid Montfoort 1282-1649, akte nr. 282, folio 60 verso en 61 recto. Zie ook akte nr. 99 (deze akte heeft dezelfde inhoud als nr. 282, folio 60 verso en 61 recto), en dr.J.W.Berkelbach van der Sprenkel, Regesten van oorkonden betreffende de bisschoppen van Utrecht uit de jaren 1301-1340, nr. 1191. Zie ook Frans van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, Tweede Deel, blz. 584. 101)Drs.J.Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 2, blz. 167 en 168. 102)F.Nieuwenhof (eindredactie) e.a., Over dijkcedullen en rotmeesters. Een genealogische handreiking voor het Gelders rivierengebied, Kesteren 1996, blz. 5 en 10. 103)Gelders Archief, Charterverzameling 1226-1792, nr. 133, en Mr.O. Moorman van Kappen, mr.J.Korf en mr.O.W.A. baron van Verschuer, Tieler- en Bommelerwaarden 1327-1977, blz. 184. 104)F.Nieuwenhof, Over dijkcedullen en rotmeesters, blz. 14. 105)O.Moorman van Kappen e.a., Tieler- en Bommelerwaarden 1327-1977, blz. 46. 106)Drs.J.Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 3, blz. 36. 107)Drs.Marjan Witteveen-Jansen, Kastelen en vestingwerken in de Bommelerwaard, blz. 20 t/m 65. 108)A.M.G.Caminada-Voorham, Loevestein een fort aan de grens van Holland, Zutphen 1989, blz. 9. Zie ook drs.Marjan Witteveen-Jansen, Kastelen en vestingwerken in de Bommelerwaard, blz. 42 t/m 47, F.M.Eliëns en J.Harenberg, Middeleeuwse kastelen van Gelderland, blz. 218 t/m 222, en L.Bekx en C.Alberts, Een opmerkelijke tekst, Tussen de Voorn en Loevestein, jaargang 21, nr. 56 (september 1985), blz. 48 en 49. 109)H.M.Werner, Geldersche Kasteelen, blz. 79. 110)Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, VII.Boek, blz. 142. Zie ook De Tielse kroniek, Boek VI, par. 567. 111)Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, VII.Boek, blz. 148. Zie ook De Tielse kroniek, Boek VI, par. 593, en P.H.Witkamp, Geschiedenis der Zeventien Nederlanden, Tweede Deel, Laatste gedeelte, Arnhem/Nijmegen 1882, blz. 443. 112)Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, VII.Boek, blz. 148. 113)Dr.W.Jappe Alberts, Geschiedenis van Gelderland van de vroegste tijden tot het einde der middeleeuwen, blz. 74 t/m 80. 114)I.A.Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, Derde Deel, Willem I en Reinald IV, hertogen van Gelre uit het Huis van Gulik, Arnhem 1839, nr. 31 (zie ook nr. 29), en Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, VIII.Boek, blz. 159 t/m 161. 115)Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, VIII.Boek, blz. 161. Zie ook dr.E.J.Th.A.M.A. Smit en H.J.Kers, De Geschiedenis van Tiel, Tiel 2001, blz. 39. 116)H.G.A.Obreen, De geschiedenis van het geslacht Van Wassenaer, Leiden 1903, blz. 191. Zie ook dr.P.G.F.Vermast, De Heeren van Goye, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXVII (1950), blz. 226, dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland, blz. 439, en Gelders Archief, Familie Van Brakell, 1432-1903, nr. 8, blz. 5. 117)H.G.A.Obreen, De geschiedenis van het geslacht Van Wassenaer, blz. 181 t/m 195. 118)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666. VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 26 en 305. 119)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, 1377-1423, nr. 1A, folio 100 recto. 120)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666. VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 305, en Nationaal Archief, Archief van de Familie Van Matenesse, CXIII. 121)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666. VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 26. 122)C.Hoek, Repertorium op de lenen van de bisschop van Utrecht in de provincie Zuid-Holland, Ons Voorgeslacht, jaargang 44 (1989), blz. 296. 123)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Asperen 1333-1803, Ons Voorgeslacht, jaargang 52 (1997), blz. 562 en 563. 124)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, 1377-1423, nr. 1A, folio 234 recto. Zie ook Nationaal Archief, Archief van de Familie Van Matenesse, nr. 499 en CXIV, en dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666. 1. Lenen buiten het Land van Ameide, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 423. 125)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 685, Schildschatting door Franck Pieck in de Tieler- en Bommelerwaard (1434), folio 24 verso (Haaften). 126)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, 1423-1464, nr. 2B ‘Arnoldus’ folio 38 recto, en Nationaal Archief, Archief van de Familie Van Matenesse, nr. 499. 127)P.N. van Doorninck, Geldersche Kronieken, Eerste aflevering, Arnhem 1904, IV, blz. 55.


35

128)De Tielse kroniek, Boek VI, par. 866. 129)J.Verzijl, Genealogie Van Broeckhuysen, de Maasgouw, Tijdschrift voor Limburgse geschiedenis en oudheidkunde, jaargang 78 (1959), deel LXXIII, blz. 24. 130)F.M.EliĂŤns en J.Harenberg, Middeleeuwse kastelen van Gelderland, blz. 86.


36

HOOFDSTUK III ‘DEN LAGEREN ADEL’ (ca. 1300 – ca. 1500). DE BOMMELERWAARDSE EN DE BRABANTSE TAK VAN HET GESLACHT VAN BRAKELL

§ 1 Inleiding

Omstreeks 1400 was de tijd van de feodale versnippering voorbij. Overal vormden zich grotere staten onder machtige vorsten. Daar in de Nederlanden in die tijd alle inheemse vorstenhuizen uitstierven, behalve dat van Gelre, probeerden de Duitse keizers en de Franse en Engelse koningen, door huwelijken en beleningen, er vaste voet te krijgen. Het waren echter de hertogen van Bourgondië die, vanuit hun machtsbasis in Zuid-Oost-Frankrijk, erin slaagden geleidelijk hun invloed over de Lage Landen uit te breiden. Via een huwelijk met Margaretha van Vlaanderen verwierf Philips de Stoute Vlaanderen, Brabant en Limburg. Zijn kleinzoon Philips de Goede dwong Jacoba van Beieren afstand te doen van Holland, Zeeland en Henegouwen. Hierna volgden Namen, Luxemburg en Utrecht, waar zijn zoon David bisschop werd. Tijdens Karel de Stoute werd het prinsbisdom Luik ingelijfd. Gelre kon de dans ontspringen, omdat Karel in 1477 tijdens een veldslag bij Nancy sneuvelde. Hij werd opgevolgd door zijn dochter Maria. Haar echtgenoot, Maximiliaan van Oostenrijk, slaagde er met veel moeite in het Bourgondische rijk van de ondergang te redden. Met hem werden de Nederlanden een deel van het Habsburgse rijk. We verlaten de machtigen der aarde en gaan naar ‘onze’ landjonkers in de Bommelerwaard. Een opmerking vooraf. Tijdens de late middeleeuwen verlieten vele Van Brakell’s de Bommelerwaard en vestigden zich in Zuid-Holland, Utrecht, Noord-Brabant en andere delen van Gelderland. Hun lotgevallen worden besproken in par. 5 van dit hoofdstuk (Heren in Brabant) en in de hoofdstukken VII (Heren in Holland), VIII (Heren in het Sticht) en IX (Heren in de Betuwe).

§ 2 Heren in de Bommelerwaard I

I. Johan (I). Zoon van Steesken (de Oude) en Bertha Uten Goye. Zie hoofdstuk II, par. 6. Huwde Margriet van Zuylen. 1)Dirk (I). Zie II.1. 2)Johan Johansz. Zie par. 3. 3)Catharina. Huwde Johan van Rossum. 4)Nicolaas. 5)Mechteld. Huwde Goossen van Varick. II.1. Dirk (I). Huwde Elisabeth van Wieldrecht. 1)Johan (II). Zie III.1. 2)Gherijt (Gerrit). Zie par. 5. 3)Steesken. Zie par. 5. 4)Jacob. Zie par. 5. 5)Willem. Zie par. 5. III.1. Johan (II). Huwde 1)Johanna van Bloemenstein 2)Jutte van Ghestel. Uit het eerste huwelijk: 1)Dirk (II). Zie IV.1. 2)Elisabeth. Huwde Aernt van Herlaer. 3)Johan (III). Zie IV.2.


37

4)Adriana. Huwde Willem van Isendoorn. IV.1. Dirk (II). Huwde Johanna van Hemert. 1)Johan (V). Zie V.2. 2)Ghijsbert. Huwde Adriana N. 3)Eustachia. 4)Agnes. Huwde Jan Heym. IV.2. Johan (III). Huwde Sophia van Beynhem. 1)Johan (IV). Zie V.1. V.1. Johan (IV). Huwde Catharina van Leefdael. 1)Cornelis. Zie hoofdstuk IX. 2)Johan. Huwde Evert Versteeg. 3)Sweder. 4)Anna. V.2. Johan (V). Huwde 1)Catharina van Giessen 2)Lijsbeth van Haeften van Renoij. Uit het eerste huwelijk: 1)Mabilia. 2)Jan. 3)Johanna. Huwde Geryt Bax. Uit het tweede huwelijk: 1)Otto. 2)Joost. Zie VI.1. VI.1. Joost. Huwde Agnes van Riebeeck. 1)Maria. Huwde 1)Joachim van Giessen 2)Adriaen de Cock van Delwijnen. Johan (I) van Brakell. Johan was een zoon van de tweede (of derde) Steesken van Brakell en Bertha Uten Goye. In een akte uit 1369 staat immers ‘heren Johan van Brakel’ vermeld als broer van Steesken van Brakell de Jonge. Er is sprake van een verdeling van de erfenis (‘in rechter broeder sceydmaghe’). ‘Op Sinte Gregoriusdach’ in dat jaar ontving Johan de ‘tyende (= tienden) tot Deil’, ‘twe hoeven lands’ in Malsen en ‘enen weert die gheleghen is inden gherichte van Brakel ende gheheten is Keddenweert’. Verder wordt ‘Gheryt die bastert van Brakel’ als vazal en getuige genoemd. (1) In een akte van 11 september 1381 wordt Johan Johansz., de zoon van Johan (I), een neef van Steesken van Brakell genoemd. (2) Johan van Brakell was een man van aanzien. Hij was ridder en wordt dan ook in akten, in tegenstelling tot de meeste van zijn familieleden, Heer Johan genoemd. (3) Op 1 november 1368 was Johan getuige bij de vaststelling van de huwelijksvoorwaarden tussen hertog Eduard van Gelre en Catharina, de oudste dochter van hertog Albrecht van Beieren. In de akte die hiervan gemaakt werd heet hij ‘heren Johanne van Braeckel’. (4) Op 25 november 1377 ontving ‘Heer Jan (van Brakell) een hofstede (= boerderij) met 3 morgen land in Brakel’ van de graaf van Holland in leen. (5)


38

Johan trouwde met Margriet van Zuylen, een telg uit een bekend adellijk geslacht in het Sticht Utrecht. (6) Van Johan en Margriet zijn vijf kinderen bekend: 1)Dirk (I). Zie hieronder. 2)Johan Johansz. Zie par. 3. 3)Catharina. Zij overleed in of na 1435. Op 26 januari 1396 werd zij beleend met de helft van een hoeve land in Hagestein. In 1413 kreeg zij van de abdis van Thorn levenslang het vruchtgebruik van het goed de Tedingsweerd in Avezaath. Catharina huwde voor 1413 Johan van Rossum, zoon van Goossen van Rossum. Johan staat vermeld als ridder en was o.m. schepen in de Hoge Bank van Driel. Hij overleed voor 1424. (7) 4)Nicolaas. Op 23 februari 1410 was hij in het bezit van een hofstede in Vuren. (8) 5)Mechteld. Zij huwde in 1370 Goossen van Varick. (9) ‘Op Sint Matthijs (25 februari) 1366 bestormde Gozewijn van Varik ’s nachts de stad Zaltbommel, nam deze in en versterkte haar met behulp van zijn medestanders. Toen Eduard (hertog van Gelre) dit vernam, kwam hij met een leger, belegerde de stad en nam haar in. Verscheidene Brabanders werden door hertog Eduard onthoofd; (…).’ Gozewijn (tegenstander van Eduard) evenwel ‘had zich by nacht stillekens wegh gepackt’. (10) Dirk (I) van Brakell. Dirk wordt vijf keer in een akte vermeld: 1)In de naamlijst van schatplichtigen te Brakel van 1369 worden genoemd: ‘Steesken van Brakel, here van Langerake, her Jan van Brakel (Johan I), Deric van Brakel, Jan van Brakel (Johan II) en Steesken van Brakel’. (11) 2)Op 5 december 1375 kreeg Dirk van Willem Dukinc, voogd van de kinderen van Herman van Uitwijk, drie morgen land in Zandwijk (bij Tiel) als ‘vri ghift’. (12) 3)In een oorkonde van 6 januari 1377, opgesteld naar aanleiding van het sluiten van de Landvrede tussen Jan van Blois en zijn gemalin Machteld van Gelre enerzijds, en anderzijds de adel van de Over- en Nederbetuwe, de Tieler- en Bommelerwaard (waaronder ‘Dirc van Brakel’), de Veluwe en een aantal steden, o.a. Tiel en Zaltbommel. (13) Zie hoofdstuk II, par. 10. 4)’Derich van Brakel (…) beleent (in 1379) met een huys ende hofstat, met eene visscheryen, gelegen inden gerichte van Tuyle, in een stat, geheiten den Essche, ende een hofstat mit 2 mergen lands, inden selven gerichte gelegen, (…).’ (14) 5)In een akte van 1391 werd Dirk van Brakell medegedeeld dat zijn schulden aan de hertog van Gelre voldaan ‘syn van onsen thienden van Snaetsertswert’. (15) Uit de rekeningen van de tollen te Dordrecht en Heusden blijkt dat Dirk zich met handel bezig hield, eigenlijk een activiteit een edelman onwaardig. In 1380 passeerde hij de tol van Dordrecht met ‘3 zac schenenhoede (= zonnehoeden)’ waarvoor hij 8 penningen tol moest betalen. (16) In 1391 betaalde hij in Heusden 3 schellingen voor ‘24 pond wol, 2 mouder rogge’ en in hetzelfde jaar ‘3 schellingen voor 50 pond wol’. (17) De historici zijn het niet met elkaar eens over de middelen van bestaan waarmee een edelman zich mocht inlaten. Prof.dr.J.M. van Winter zegt ‘dat verval van waardigheid niet intrad als iemand in de stad ging leven en met handel zijn geld verdiende’. (18) Paul de Win daarentegen beweert dat een edelman ‘herkenbaar is aan een eigen levenswijze, waar vooral handenarbeid en handel niet mochten voorkomen’. (19) Prof.dr.H.F.K. van Nierop deelt deze laatste mening. ‘Om hun adellijke status te behouden moesten de edelen zich onthouden van handwerk en nering, maar leven van land, tienden en heerlijke rechten of opbrengsten van een eervol ambt.’ (20)


39

Met Dirk kan ook de zoon van Steesken van Brakell en Bertha Uten Goye, een oom van Dirk (I) bedoeld zijn. Dit geldt ook voor ‘Theodericus de Brakel’ die op 20 januari 1367 schepen in de Hoge Bank van Zuilichem genoemd wordt. (21) Dirk trouwde met Elisabeth van Wieldrecht (Wieldrecht was een heerlijkheid in de buurt van Dordrecht). (22) Van Dirk en zijn echtgenote zijn vijf kinderen bekend: 1)Johan (II). Zie blz. 40. 2)Gherijt (Gerard of Gerrit). Zie par. 5. 3)Steesken. Zie par. 5. 4)Jacob. Zie par. 5. 5)Willem. Zie par. 5. Dirk overleed in of voor 1400, want in de rekening van tollenaar Alaert die Zwarte (13 juli 1400 - 2 april 1401) worden de ‘erfgenamen Dircks van Brakel’ verzocht 1 schild te betalen ‘van tienden op snazaerts weerde’. (23) In het nu volgende verhaal, Het Gastmaal van Wilhelmus van Dam van Brakel over de geschiedenis van het geslacht Van Brakell en het gelijknamige dorp, worden Johan (I), Dirk (I) en Johan Johansz. genoemd. Het is alom bekend, dat er vanouds her nog geen feest hetzij van godsdienstigen, hetzij van staatkundigen aard plaats grijpt, dat niet door een overvloed van spijzen en dranken verzeld gaat; en zoo zal men dan ook wel aannemen dat den derden augustus op het klokkenfeest te Brakel slempenstijd was, en die plechtigheid niet zonder feestmaal ten einde liep, maar dat de geestelijke en waereldlijke kelders dien dag veel te lijden hadden. Op het huis te Brakel was een prachtig middagmaal gereedgemaakt, werwaards zich de aanzienlijke genoodigden na het gebruiken van eenige verfrisschingen op de Spijker hadden heen begeven, en waarbij nu ook Dirk en Johan van Brakel, broeders en zonen van wijlen Heer Johan, bloedverwanten van moederszijde van Heer Staeske en Johan van Broekhuizen tegenwoordig waren. De eerstgenoemde was toen eigenaar van de Spijker. De groote zaal, welker hoog verwulf veel vervig beschildert en rijk verguld was, had drie diepgeboogde kruisramen op welker glazen, onder anderen de beeltenissen en geslachtwapens van Reinald II hertoge van Gelre en van deszelfs gemalinne Alionora van Engeland, met het jaartal 1339 gezien werden, die in fraaie kleuren geschildert een zacht en twijfelachtig licht, over de aanwezenden versprijden. Daar tegen over was de groote en ruime schouw, van de fijnste zandsteen, bekleed met het zeldzaamst verheven beeldwerk. De groote deuren aan de eene zijde waren fraai bewerkt en met kunstig en opmerkelijk blank sluitwerk voorzien, het buffet daartegen over was rijk met zilveren en kristallen vazen gevuld, en de zaal voorts van rondom met glad gewreven eikenhout bekleed. Aan het verwulf hingen aan bronze ketenen, twee lampen van hartshoorn. De feestdisch was tot het maal aangerigt, het fijn damast tafelkleed lag uitgespreid, het zilver, de messen en lepels voor iederen gast nedergelegd, de stevige zitten van glad eikenhout waren uitgesneden en met hooge fluweele kussens belegd, en nu plaatste de hofmeester de aanwezigen naar rang en staat, derwaarts begeleid door de schildknapen van den gastheer. De afwisselende, zeer onderscheidene, doch altijd prachtige kleederdragt der gasten, leverde een bont, doch voortreffelijk schouwspel op. De zilveren schenkkannen werden met Spaansche, Rhijnsche en Fransche wijnen gevuld en in de bekers, en drinkhorens van zilver of venetiaansch glas geledigd. Men vong aan met het gebruik van eenvoudig doch sterk gekruide vleeschspijzen, met peterselie, visch en groenten, daarna volgde groote schotels bevragt met een geheel ree, forsche stukken hartenvleesch, en andere krachtige spijzen, verzeld door kleinere, voorzien met suikerwerk, vergulde taarten, Leuvensche koeken, honig, kruitkoeken, schapenkaas en compote. En eindelijk werd het fijnere suikergebak, de speciën en confituren opgedragen, verzeld van hypocras, kruienwijn en mavelsie,


40

onder welker gebruik de gezellige vroolijkheid en scherts eerst volgden en regt begonnen. Het was toen met vollen nadruk dat men zeggen kon: Nu dartelde de vreugd in ruime ridderzalen Nu klonk het rondgezang bij het schuimen der pokalen. Ook had de Heer van Brakel niet verzuimd om door luitmelodij, harp, en andere snarenspelen de vreugde en vroolijkheid nog te verhoogen. De dorpsgeestelijken hadden op de Spijker mede een luisterlijk maal opgedischt, waarvan vele gebruikmaakten, ja iedere ingezeten had zich beijverd om vrienden en vreemden dien dag na vermogen te onthalen, zoodat alles naar wensch afliep en allen in opgeruimde stemming huiswaards keerden. (24) Johan (II) van Brakell. Johan wordt voor het eerst vermeld in 1378. In dat jaar werd hij beleend met huis en hof te Brakel: ‘Beleeninghe Jan van Braekel met huijs, hoff en cingelen, gelegen tot Braeckel (…) Ao 1378’. (25) Op de ‘woensdagh van St.Lambertsdach’ in 1396 wordt hij voor het eerst ridder genoemd: ‘Coop ende opdrachtsbrieff Heer Jans van Braeckel, ridder, van de helfte van 8 morghen landts’. (26) In 1397 werd kasteel Loevestein belegerd door Willem van Oostervant (vanaf 1404 Willem VI, graaf van Holland en Zeeland). ‘De bezettelingen (waaronder Johan II van Brakell) weigerden echter het kasteel aan den graaf over te geven, die er hierop het beleg voor sloeg. Het van alle zijden ingesloten hebbende, voerde hy een menigte stormtuig aan, beukte de buitenwallen op vreeselyke wijze en liet door zijn blijden een menigte zware steenen in het slot werpen, waardoor op verscheidene plaatsen groote bressen ontstonden. (…). Een steen, geschoten door de Dordtenaars, die in graaf Willems leger streden, viel op een hooizolder, die instortte op een vertrek, waar Otto van Driel en eenige gewonde soldaten by het vuur zaten. Het hooi raakte in brand, en het vuur, zich verder verspreidende, vernielde de buitengebouwen tot den grond toe. Van de hierdoor ontstane verwarring maakten ’s graven wapenknechten gebruik om de schans te bestormen en te vermeesteren, waarop de bezettelingen in het slot zelf vluchtten, en er hun verdediging voortzetten; doch zoo geweldig en onophoudelijk werden zy beschoten, dat zy, na een storm van vier-en-twintig uren, zich aan ’s hertogen genade opgaven.’ (27) Op 20 april viel de vesting en werd de bezetting, waaronder ‘heren Jan van Brakel’, gevangen genomen. ‘Op voorspraak van den graaf van Oostervant, die persoonlijk bij zijnen vader borg voor hen moet zijn gebleven, zullen zij op zekere voorwaarden (waaronder een losgeld van achtduizend Hollandse schilden) hunne vrijheid hebben herkregen.’ (28) In een leenakte van 1402 wordt hij opnieuw ridder genoemd. Hij kreeg toen ‘die halve groete tiende tot Brakell met allen heuren to behoren (…) ende eyn stucke tienden to Gameren’. (29) In een akte ‘in den jairen ons Heren MCCCC ende drie (1403)’ staat ‘here Johan van Brakell’ samen met Dirk van Lienden en Hendrik van Middachten vermeld als ‘riddere’. (30) In 1404 maakten enkele edelen waaronder ‘heren Jan van Brakel’ hun opwachting bij de hertog van Gelre in diens onderkomen in ‘Rosendael’ en logeerden daar van ‘sonnedagh na Sunte Bonefacius dach’ tot ‘des dinsdagh daer na’. Tijdens hun verblijf werd voor een bedrag van 6 gulden ‘verteert’. (31) ‘Op Sunte Philips ende Jacops avont’ in 1417 staat hij (als eerste Van Brakell) vermeld als schepen in de Hoge Bank van Zuilichem. (32) In de genealogische aantekeningen van W. van Dam van Brakel en in de XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen van Arend van Slichtenhorst staat dat ‘Ian van Brakel’ in 1418 ‘diende onder den


41

Gelderschen oversten Rossem’. (33) In de zojuist genoemde leenakte van 1402 is sprake van Jan van Rossum. Misschien dat deze het leen aan Johan overdroeg als tegenprestatie voor bewezen (militaire) diensten. Johan trouwde twee maal. Zijn eerste echtgenote heette Johanna van Bloemenstein: ‘Johan van Brakell heeft (in 1402) Johanna van Blomensteyn syn wijff getuchticht’ met ‘de halve groete thiende tot Brakell’. (34) Om een misverstand te voorkomen, Johan was geen huistiran die zijn vrouw regelmatig een pak slaag gaf. Tuchtigen hield in dat een echtgenoot een voorziening trof voor het levensonderhoud van zijn vrouw in geval zij weduwe zou worden, de zgn. lijftocht. Johanna was een dochter van ridder Zweder (II) van Bloemenstein en Z. van Rossum (dochter van Gozewijn van Rossum) en een kleindochter van ridder Jan van Bloemenstein en Haze van Raaphorst. Zij werd geboren voor 7 december 1382. (35) In 1314 getuigde Zweder (I) van Bloemenstein voor Elisabeth van den Wale. Bij die gelegenheid zegelde hij ‘met de drie zuilen, geplaatst 2:1 (…)’. Aldus maakte Zweder van Bloemenstein zich kenbaar als een ‘lid van een jongere linie van de heren van Culemborg of van de heren van Vianen’. (36) Zijn achterkleindochter Johanna voerde het wapen Van Vianen. Jan van Bloemenstein was in 1351 in dienst van de graaf van Holland als meesterridder (= hoofd van de organisatie die belast was met de dagelijkse verzorging van het gezin van de graaf) en van 1351 tot 1353 en in 1354 en 1355 als baljuw van Kennemerland. (37) N.B. ‘Het ambt van baljuw,’ aldus dr.J.Coenen, ‘was over het algemeen nauw gelieerd met enkele adellijke geslachten, die op grond van hun macht en aanzien ook anderszins in staat zijn binnen de grafelijkheid een belangrijke rol te spelen’. (38) In de strijd tussen de Hoeken en Kabeljauwen koos Jan van Bloemenstein in 1350 partij voor de Kabeljauwen tegen de Hoeksgezinde Albrecht van Beieren, ruwaard (= plaatsvervanger van de geesteszieke graaf Willem V) van Holland. Albrecht wilde daarom ‘Heere Jan’ als baljuw vervangen door Reinoud van Brederode (zie noot nr. 39). Jan zwoer bloedig wraak. Hij sloot een verbond met andere ontevreden edelen (oktober 1358) en samen (op 7 oktober) ‘laghe si te Castrichem in den dunen om den heer van Brederode ende sinen sone doot te slane. (…) Ende als si (Reinoud en zijn begeleiders) quamen te Castrichem opt sant, braken die cabbeljaus uut hoer laghe ende runneden tot Reynoude, die hierof ghene hoede en droech. Ende als hi sach, dat si hem meenden, runnede hi mitten sinen te Castrichem in die kerke. Mer die cabbeljaus bereden iii van den aftersten, di si dootsloeghen. Die lude van den dorpe quamen te ontsette Reynoude ende die mit hem in die kerke waren, sodat daer niet meer of en quam optie tijt. Doe dat gheschiet was, een deel der cabbeljaus die dit ghedaen hadden, reden op heren Wouters huus van Heemskerke ende een deel reden binnen Delf. Daerna omtrent sunte Martensdach in den winter bereet die hertoghe Aelbrecht heren Wouters huus van Heemskerke, omdat hi dese ondadighe lude op sijn huus onthouden hadde’. Na een beleg van elf weken gaf Wouter ‘sijn huus op in des hertoghen handen ende voer in Zeelant te (ghisele) des hertoghen seggen daerof te houden’. (39) Zie ook hoofdstuk VII, par. 1. Kasteel Bloemenstein (‘mit eenre viertel lants, dair dat steenhuys op staat, ende mit eenre hoeve lants naast den huyse’), voor het eerst genoemd in 1330, lag ten zuiden van Schalkwijk en ten oosten van Tull op de noordelijke oever van de Lek. Het vormde samen met de hofstede van die naam, een kapel (gesticht door Jan van Bloemenstein) en enkele huizen het gehucht Bloemenstein. De heerlijkheid was een leengoed van de Heer van Culemborg. In 1390 werd Bloemenstein ingenomen door Otto XIII van Arkel die de burcht tot op de grond liet afbreken. (40) Johanna van Bloemenstein staat vermeld in een leenakte die betrekking heeft op een ‘hoeve lants in den gerichte van Schalcwijc’. (41)


42

Johanna overleed in 1402, want in een leenakte uit dat jaar wordt Johan echtgenoot genoemd van wijlen Johanna. (42) Van Johan en Johanna zijn twee zonen en twee dochters bekend: 1)Dirk (II). ‘Derich van Brakell heren Johansz. ontfanct (in 1418) die grote thiende tot Brakell.’ (43) Zie blz. 43. 2)Elisabeth. Zij overleed na 1 november 1435 en huwde in of voor 1424 Aernt van Herlaer. ‘Arnt van Haerler (…) Lijsbethe van Brakell sijne huysfrouwe.’ Op 1 november 1435 ontving Aernt van de Heer van Vianen ‘dat huys mit den gericht tot Zulichem’ in leen. In de leenbrief wordt ‘joffrouwe Lijsbet van Brakel’ de ‘rechten wijtaftigen (= wettige) beddegenoit’ van Aernt genoemd. (44) 3)Johan (III). ‘Johan van Brakel heeft ontvangen (in 1402) die halve tiende van Deyl (…) beheltlick (= behoudens) onsse rechten ende van (wijlen) Johanna wijff heren Johans van Brakel ende van Elisabet hoere dochter Johans suster.’ (45) Zie blz. 47. 4)Adriana. In 1418 ‘droech Derich van Brakell die thiende tot Ghameren op mijne genedigen here’ die er vervolgens ‘Adriaen van Brakel des voirs. Derichs suster’ mee beleende. (46) Zij wordt in 1424, 1429 en 1437 ‘echte wijff’ genoemd van Willem van Isendoorn, zoon van Wolter van Isendoorn en Hadewich van Montfoort. (47) ‘Daags na Sint Andries, namelijk op Sint Eligius (1 december) 1417, is jonkheer Willem van Arkel op zijn vaderlijk erfgoed te Gorinchem met vele edelen, onder wie jonkheer Otto van Buren, en vele soldaten jammerlijk omgebracht door vrouwe Jacoba (van Beieren), erfdochter van Holland, door de Utrechtenaren en heer Hubrecht van Culemborg en hun medestanders. Heer Willem van IJzendoorn, ridder, en vele bewapende metgezellen werden er gevangen genomen. Heer Willem heeft die laatsten overigens later volledig schadeloos gesteld. Otto van Vuren en Otto van Haaften werden daar tot ridder geslagen. De misdadige overwinnaars hielden in Gorinchem zeer wreed huis en spaarden kerk noch kerkhof noch heiligdom.’ (48) In 1452 staat Adriana vermeld als non in een klooster te Rhenen (waarschijnlijk het St.Agnietenklooster). Zie ook blz. 48. Misschien dat Adriana na het overlijden van haar man zich in een klooster heeft teruggetrokken, iets wat in die tijd niet ongebruikelijk was. Baron Van Keppel vermeldt in een artikel over het klooster Isendoorn te Zutphen dat Willem van Isendoorn in 1436 gehuwd was met Adriana van Brakell (volgens J.D.Wagner vond dit huwelijk in of voor 1431 plaats, zie noot 47) en in 1473 met Adriana de Cock van Neerynen (volgens J.D.Wagner in 1431, zie noot 47). (49) De tweede echtgenote van Johan (II) heette Jutte van Ghestel. In 1406 kreeg ‘Jutten van Gestell heren Johans gerechte wijff van Brakel die halve groete tiende van Brakell’ in vruchtgebruik. (50) Zij was een dochter van Johannes van Ghestel. Het geslacht Van Gestel had al in 1228 bezittingen in het tegenwoordige Moergestel. (51) Van dit echtpaar zijn geen kinderen bekend. ‘Heren Jan van Brakel ende vrou Jutten sinen wive’ worden voor de laatste keer vermeld in een akte van 26 augustus 1417. Op die dag verklaarde ‘dominus Johannes de Brakel, miles (= heer Johan van Brakel, ridder)’ in zijn woning ‘gelegen achter de kerk van Brakel’ (het Spijker?) tegenover notaris Theodericus de Mosa Johannis uit ‘s-Hertogenbosch dat hij de laatste wil van zijn overleden echtgenote Jutte wilde uitvoeren. Op haar sterfbed had zij aan haar man te kennen gegeven dat de helft van haar goederen in het Land van Herpen moest worden geschonken aan de Kerk en enkele gestichten. Aan o.m. de Predikheren, de Minderbroeders en de deken en het kapittel van Sint Jan in ’s-Hertogenbosch werd gevraagd heilige missen te lezen voor de zielenrust van de dierbare overledene, haar echtgenoot Johan, haar reeds overleden broer Jan van Ghestel en diens tweede echtgenote Gertrudis. Tot de getuigen behoorden o.m. Herbaren van Brakell/Riede en Dirk (II), ‘primogenitus domini Johannis (= eerstgeborene van heer Johan)’, die in deze akte schildknaap wordt genoemd. De bewoners van de Bossche gestichten mochten ook een duit in het zakje doen; zij moesten voortaan voor elke maaltijd vijf maal het Onze Vader bidden. Over de armen in het dorp Brakel werd met geen woord gerept. Voor hen geen gratis maaltijden en zij moesten, aan de hemelpoort gekomen, het paradijs maar op een andere manier zien binnen te komen. (52)


43

N.B. In 1402 gaf de hoogschout van ’s-Hertogenbosch ‘twe ghesellen uten lande van Hoesden (= Heusden) die mi verbodinghe (= berichten) doen sullen van Jan van Brakel ende van Gheriken den Gruter met horen ghesellen die viande gheworden sijn der stat van den Bossch diese mi hebben gheloeft te brengen op een stat binnen minen ambacht (= rechtsgebied) hen gegeven II nobel maken VI hollantse gulden’. (53) Deze mededeling staat waarschijnlijk in verband met de ‘eeuwigdurende’ vijandschap tussen Gelre en Brabant in de 14e, 15e en 16e eeuw en die zich o.m. uitte in plundertochten over en weer. Die vijandschap ‘vond voor een belangrijk deel haar oorsprong in de tegenstelling van beider economische belangen, zowel in het noordelijke rivierengebied als in het zuiden, dáár waar de door Brabant beheerste handelsweg tussen Brugge en Keulen Gelders gebied kruiste’. (54) Dirk (II) van Brakell. De vader van Dirk, Johan (II), was ridder, zijn zoon staat echter (in 1405) als ‘knape (= schildknaap) van Holland’ vermeld. In dat jaar werden de kastelen Hagestein (een tijdlang eigendom van de Heren van Brakel) en Everstein, na een langdurig beleg, ingenomen tijdens de oorlog tussen de graven van Holland en het geslacht Van Arkel. ‘Het was by deze belegeringen, dat voor ’t eerst hier te lande de nieuwe wijze van aanvallen werd in ’t werk gesteld, door namelyk blokhuizen op te richten, loopgraven en omwallingen te maken, en geschut te gebruiken; terwijl verder - wat mede iets ongewoons was - het beleg gedurende den winter werd voortgezet. Toen nu de grachten hard bevroren, en hierdoor de bestorming en beklimming gemakkelyk gemaakt waren, gingen de sloten één voor één over, en werden tot den grond toe vernield.’ (55) Bij de ‘ridders en knapen van Holland’ die de graaf van Holland opriep voor de ‘heervaart op Hagestein en Everstein, 21 april 1405’, bevond zich o.m. ‘heer Dirck van Brakel’. (56) Een knape of schildknaap was iemand die bezig was met de opleiding tot ridder of die opleiding voltooid had, maar de titel van ridder nog niet verworven had. Edelen m.u.v. de hoge adel waren niet verplicht ridder te worden. Sommigen bleven tot aan hun dood schildknaap. Later werd knape evenals ridder een titel. Vanaf het einde van de 13e eeuw ontstond er een duidelijke relatie tussen het al dan niet verwerven van de riddertitel en de sociale positie en het vermogen van een edelman. ‘Knapen behoorden bijna per definitie tot de lagere regionen van de ridderschap. (…) Ondanks het feit dat knapen zowel de riddertitel als (uitzicht op) een aanzienlijk vermogen moesten ontberen, maakten zij wel degelijk deel uit van de ridderschap in brede zin.’ (57) In 1420 raakte Dirk van Brakell betrokken bij het conflict tussen Jacoba van Beieren, gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen, en haar oom hertog Jan van Beieren. Dirk werd in de zomer van 1420 door hertog Jan ontboden aan de belegering van Leiden deel te nemen, want de stad had zich aan de zijde van zijn nicht geschaard: ‘Item Vastraet die bastaert van Ghiessen bij mijne heren bevelen gesent aen Aernt van Ghiessen, Dirc van Brakel, en Jan die Burchgrave bij minen here (= leger) mit horen vrienden te doen comen’. Dirk kwam dus niet alleen; in de rekening van de tresorier van Holland Boudijn van Zwieten van 29 mei tot 8 oktober 1420 staat vermeld: ‘Item noch betailt Dirc van Brakel voir 8 gesellen, dat sii die tijt voirss. upten voirss. huse bi hem gelegen hadden’. (58) N.B. In september 1407 liet de graaf van Holland 73 ridders en knapen met 157 lansen, in totaal ongeveer 400 man, naar Ravestein komen. Voor de hertog van Gelre was het niet duidelijk of dit tegen Gelre of tegen de Heren van Arkel bedoeld was. Hij stuurde daarom voor alle zekerheid extra bewaking naar Brakel. (59) Tijdens de Arkelse oorlog moesten ridders en knapen, stedelingen en boeren ‘in militaire dienst’. Als er gevochten moest worden, werden de ridders persoonlijk ‘uitgenodigd’ door hun leenheer, de boeren kregen een oproep via de baljuwen en schouten. Ze werkten tijdens veldtochten en belegeringen als gravers, zorgden voor het transport van materiaal en bedienden de belegeringswerktuigen. De stedelingen werden opgeroepen door middel van ‘heervaart’. Elke stad en elk ambacht was verplicht een aantal mannen (Dordrecht 400 à 600) te leveren in leeftijd variërend van 20 tot 60 jaar voor een periode van zes weken. De stadslegers bestonden grotendeels uit boogschutters en piekeniers. Ook voor de ridders en knapen gold de leeftijdsgrens van 20-60 jaar. Ook zij waren verplicht zes weken in dienst te komen samen met een aantal gewapenden afhankelijk van hun macht en rijkdom. Zo werd Herbaren (II) van Brakel/Riede tijdens de Arkelse oorlog vergezeld door ‘4 gewapenden’ (zie hoofdstuk VII,


44

par. 4). Ridder, knape en gewapenden vormden samen een ‘lans’. (60) Met Dirk gaan we naar ‘den lageren adel’, zij het heel geleidelijk. ‘Velen, die tot den stand van ridders en knechten (= knapen of schildknapen) behoorden, misten elke mogelijkheid tot het voeren van een ridderlijken staat, en leefden als boeren. Naast de lieden van ridderlijke allure kende men dan ook al vroeg onder de ridders en knechten mensen, die, levend op lager niveau, deswege tot den lageren adel werden gerekend. (…) De stand der ridders en knechten viel dientengevolge uiteen in leden van de ridderschap en niet meer tot den adel gerekende geërfden (Ott Jans van Brakell en zijn nakomelingen, zie hoofdstuk IV). Met deze laatsten zijn bij het verdwijnen van de middeleeuwse onvrijheid vervolgens de nakomelingen van de eenmaal onvrije lieden versmolten.’ (61) Geschiedenisleraar J. de Rek zegt in zijn boek Van Hunebed tot Hanzestad het volgende over de verarming van een deel van de adel in de late middeleeuwen: ‘Veel edelen maakten moeilijke tijden door. Zij wilden in luxe voor niemand onderdoen en behoefden ook altijd geld. Verkochten dus aan de boeren het ene recht na het andere en slachtten aldus de kip met de gouden eieren. Zij ontvingen graag de pacht in baar geld in plaats van in producten. Maar doordat steeds meer geld in omloop kwam, daalde de geldswaarde geregeld, en de landheer kon voor de pachtsommen steeds minder kopen. Hij kon er echter niet aan denken de pacht navenant te verhogen, want die was eens en voorgoed afgesproken en ook met de geringste verhoging zou hij zijn ridderwoord breken.’ Daar kwam nog bij dat dochters aan een bruidsschat geholpen moesten worden en de jongere zoons recht hadden op een deel van de nalatenschap van hun ouders. Was er geen geld, dan moest het grondbezit verdeeld worden. ‘Menig edelman moest naar andere bronnen omzien. Hij trouwde een rijke burgerdochter in de stad en verguldde met haar erfenis zijn blazoen (zoals Godschalk van Brakell die in Dordrecht trouwde met Geertruid Minnebodezoon). Was hij zo verstandig bij zijn schoonvader in de zaak te gaan, dan haalde hij soms zijn schaapjes weer op ’t droge. Anderen wisten een baantje aan het hof van de landsheer te bemachtigen, of een baljuwschap, en konden zich dan weer redden. Maar voor menigeen schoot er niets anders over, dan zijn roestige harnas van de hand te doen en met zijn laatste schellingen de heerplicht af te kopen. Hij betrok een boerderij(tje), ploegde zelf zijn land en haalde zijn hooi binnen en was al blij als hij op zijn houten bord genoeg te eten had.’ (62) In 1406 ontving Johan van Brakell als ‘mombar Derchs sijns soons de tiende tot Gameren’ (een erfenis van diens moeder) (63) en in 1418 kreeg ‘Derich van Brakell heren Johansz. die grote thiende tot Brakell’ in leen. (64) In 1434 werd hij als grondbezitter in Brakel door Franck Pieck t.b.v. de hertog van Gelre aangeslagen voor 6 Franse schilden vermogensbelasting. (65) Op 12 mei 1442 wordt ‘Derick van Braeckel Heer Johans soen als lid van het verbond tusschen ridderschap en steden des fürstendoms Gelre en graefschaps Zutphen’ vermeld. (66) Zie blz. 54. Dirk was, evenals zijn vader, schepen in de Hoge Bank van Zuilichem. Na hem zouden nog meer Van Brakell’s van dit college deel uitmaken, waaronder drie stamhouders, en daarom zal ik er wat meer aandacht aan besteden. Mijn familiewapen is immers afkomstig van een lid van deze rechtbank. Op 27 maart 1335 werden door graaf Reinoud II van Gelre twee Hoge Banken opgericht, namelijk in Driel voor het oosten en in Zuilichem (vlakbij Brakel) voor het westen van de Bommelerwaard. Hieronder vindt U uit de oorkonde van dat jaar de belangrijkste passages: ‘Voert allet lant van Bomelrewert sal een heemstede (= rechtbank) hebben te Zulichem, daer si dinghen (= recht spreken) soelen hoer lijc mit acht scepenen, die wi hem setten soelen. (…) Voert so wille wi, dat ellic van desen scepenen gheguedt (in het bezit) sal sin tot sestien morghen lands toe. (…) Ende iaerlix so sal men in elker heemstede vier scepenen ontsetten ende vier weder kiesen, (…). Oec mer so eest vorwarde, (…) dat die, die dagelix gherichter, diet neder gerichte hebben, (…). Ghegeeven tot Nymegen, dies manendaghes na onser Vrowen dagh Annunciatio int iaer ons Heren dusent drie hondert vijf ende dertich.’ (67) Onder de Hoge Bank van Zuilichem ressorteerden de dorpen Aalst, Brakel, Bruchem, Delwijnen, Gameren, Kerkwijk, Nieuwaal, Zuilichem en het Monnikenland. De Hoge Bank van Zuilichem was een


45

zogenaamd ‘Hoog Gericht’ dat wil zeggen dat deze rechtbank de middelbare rechtsmacht had. De hogere rechtsmacht over o.m. halsmisdrijven werd door de schepenbank van Zaltbommel uitgeoefend. De lagere rechtsmacht was in handen van dorpsrechtbanken. De Hoge Bank van Zuilichem was samengesteld uit een richter (als plaatsvervanger van de ambtman), acht gerichtslieden (schepenen) en een secretaris. ‘En dezen houden hunne vergadering gemeenlijk te Bommel (= Zaltbommel).’ De richter trad als ‘rechtsvorderaar’ op d.w.z. hij maakte een zaak aanhangig waarna het gerecht het vonnis vaststelde. De richter had daarbij geen stem. Tegen dit vonnis kon men in beroep gaan bij het Hof van Gelre en Zutphen te Arnhem. (68) Een schepen mocht dus slechts één jaar in functie blijven (maar kon na een onderbreking van een jaar herkozen worden) en moest aan bepaalde voorwaarden voldoen. Men moest eigenaar zijn van minstens zestien morgen (= ruim vijf hectare) land en ‘rechtvaardig, eerlijk, bescheiden en voorbeeldig zijn’. (69) Niet zelden fraai klinkende theorie! Dirk trouwde met Johanna van Hemert, dochter van Ghijsbert, Heer van Nederhemert, en Steeskina van Brakell. (70) In een leenakte van 1436 wordt Johanna ‘Derchs wijff van Brakel’ genoemd en wordt zij ‘getuchticht’ met de ‘groote thiende tot Brakel’. (71) Van Dirk en Johanna zijn vier (en misschien zes) kinderen bekend: 1)Johan (V). Zie blz. 48. 2)Ghijsbert. (72) In 1454 (of 1455) kreeg ‘Ghijsbert van Brakell’ een boete van 2 Rijnse gulden voor het plegen van ‘onrechte aenvanck (= onrechtmatige inbezitneming)’. Helaas vermeldt de bron niet om welke rechten of goederen het ging. (73) In 1470 ontving hij ‘twaelff morgen lants in die Beefijnge’ in Brakel. (74) Ghijsbert overleed na 3 april 1487 (75) en huwde ‘jonckfrouw’ Adriana N. (76) 3)Eustachia (Staes). Zij was abdis van het klooster Leeuwenhorst. Zie blz. 47. 4)Agnes. Zij overleed tussen 4 mei 1481 en 20 april 1487. Agnes huwde Jan Heym, Heer van Maurick en lid van het stadsbestuur van ‘s-Hertogenbosch. Hij werd geboren in 1447 en overleed in 1509. Zoon van Goossen van Heym. Kasteel Maurick in Vught was van 1464 tot 1680 in bezit van de adellijke familie Heym. Hier woonden o.a. Goossen, Aert, Jan en Maria Heym. (77) 5)Dirk. In het Vassalorum van het Huis Brakel, folio 33 recto (Gelders Archief, Archief van de familie van Dam van Brakel, nr. 863) staat dat Dirk van Brakel Dirksz. in 1514 grond in Brakel bezat. Een zoon of kleinzoon van Dirk (II) van Brakell? 6)Sweder (?). N.B. In 1524 wordt ‘Zweder van Brakell’ weduwnaar genoemd van ‘joffrou Clara’, dochter van Johan Wijnandsz. van Arnhem en ‘Alyt syn huysfrouw’ (Aleida van Bemmel, Vrouwe van Kernhem). Clara werd geboren in 1504, huwde in 1522 Sweder van Brakell en overleed in hetzelfde jaar in Ede. (78) In 1515 wordt ‘Jorda Hack’ weduwe genoemd van Zweder van Brakell en leenvolger van Bertold Hack van grond in Wageningen (waar haar zoon Sweder richter, schepen en burgemeester was); op 20 augustus 1531 wordt ‘Jorden Hacken’ opnieuw vermeld als weduwe van Sweder van Brakell. (79) Is hier sprake van vader en zoon Sweder? Het is niet duidelijk wie de ouders resp. grootouders van deze twee zijn. Een zoon resp. kleinzoon van Dirk (II) of van Johan (III). Zie verder hoofdstuk IX, par. 2. In een artikel in de Geldersche Volks-Almanak uit 1843 (De Nederbetuwe in 1538, blz. 25) wordt melding gemaakt van een conflict tussen Otto van Wijhe en Berend van Wees in augustus-december 1538. Tijdens de rechtszaak trad ‘joffer Jorden van Brakel’ als getuige op voor genoemde Otto. In een akte van 21 mei 1437 staat over Dirk en zijn echtgenote het volgende: ‘Dirc van Brakel heer Janssoen, als momber van joncfrou Jan, zijne vrouw, dochter van Ghijsbert van Hemert en joncfrou


46

Steesken, doet afstand van al het goed, dat haar aanbesterven mag in de heerlijkheid Hemert, ten behoeve van Jan, Steesken en Peter van Hemert, gebroeders en kinderen van Ghijsbert, Heer tot Hemert en Steeskens, zijn wijff, (…)’. (80) In 1468 worden Jan, Peter en Steesken van Hemert in het Riddercedul van Gelre vermeld als drie van de ‘ritter en knegten (= schildknapen) der landen van Gelre in dat ampt van Bommelre en Tielerweerd’. (81) Omdat we de term momber nog vaker zullen tegenkomen, even iets over de betekenis ervan. Vroeger was een vrouw handelingsonbekwaam. Zij kon dus geen rechtshandelingen, zoals koop en verkoop, verrichten. In haar plaats deed dat een momber of voogd die samen met haar zegelde of voor haar tekende. Een getrouwde vrouw koos hiervoor haar man. Was zij weduwe of ongehuwd, dan stelde zij meestal een bloedverwant aan. Dirk wordt in vele akten als schepen van de Hoge Bank van Zuilichem vermeld. Hij bekleedde deze functie, zij het met verplichte onderbrekingen, van 1418 tot 1447. In een akte van 9 november 1441 kreeg Dirk als schepen te maken met een familiekwestie: ‘Peter van Hemert belooft te betalen aan Jan van Hemert, zijn broeder, een half jaar na den dood van Ghijsbert Heer tot Hemert hun vader, 50 gouden overl. Rijns gl. en 50 jaar lang elk jaar 50 van dezelfde guldens zoomede hetzelfde te betalen na den dood van joncfrou Steesken, zijne moeder, ten overstaan van Dirijc van Brakel heer Jansz en Ghijsbert van Ghiessen, Schepenen te Zuilichem.’ (82) En dan nu de affaire Driel, waarin Dirk als schepen een belangrijke rol speelde. Een ruzie tussen enkele dorpen in de Bommelerwaard, die uitgroeide tot een complete Gelderse burgeroorlog. Driel had in de zomer van 1446 veel last van overvloedige regenval. Om overstromingen te voorkomen, staken de dorpelingen de binnendijk door met alle gevolgen van dien voor de lager gelegen dorpen Bruchem en Kerkwijk. De inwoners schakelden de ambtman Franck Pieck in die na vergeefse bemiddeling de Drielenaren voor de Hoge Bank van Zuilichem daagde. Op alle mogelijke manieren werden Dirk en zijn collega’s onder druk gezet. ‘Diderick van Brakel, welken sy mede zonder vrucht aen de ooren liepen, ende hem twee ossen beloofden te schenken’ bij een voor hen gunstige uitspraak. Vergeefse moeite, want het vonnis luidde dat zij ‘den hals en alle hunne goederen verbeurd hadden’. (83) De bewoners van Driel weigerden zich bij dit oordeel neer te leggen; zij gingen tot gewelddadigheden over en riepen, toen hertog Arnold tegenmaatregelen nam, de hulp van Nijmegen in. Deze stad was immers de hoofdstad van het Kwartier van Nijmegen, waartoe Driel behoorde. Toen Nijmegen tot actie overging, greep de hertog in en bestrafte de Drielenaren. Nijmegen wendde zich daarop tot de hoofdsteden van de andere drie kwartieren en de ridderschap en zo werd in een mum van tijd het hele gewest erbij betrokken. ‘Welhaast verkeerde het geheele hertogdom in de grootste verwarring. Alle ontevredenen sloten zich bij Nijmegen en Driel aan, niet slechts eenige burgers en landlieden, maar ook vele magtige edelen, en onder hen zelfs Willem van Egmond, ’s hertogs broeder.’ (84) De zaak nam zelfs Westeuropese dimensies aan, toen Nijmegen besprekingen ging voeren met Philips de Goede, hertog van Bourgondië, die graag in troebel water wilde vissen. Deze Bourgondische belangstelling bracht alle partijen tot inkeer. Op 4 juli 1449 werd een akkoord bereikt, waarbij o.m. afgesproken werd dat ‘alle misdaden voortvloeiend uit de Drielse geschillen niet verder vervolgd zouden worden, behoudens het betalen van sommige boeten ten behoeve van den hertog’. De bewoners van Driel kregen als pleister op de wonde van de hertog het recht ‘een iaerlijxe markt te houden acht daegen voor en na Marien boodschap, als mede een weekmarkt op all woensdaegen’. (85) N.B. Ook de vrome middeleeuwer maakte zich wel eens schuldig aan godslastering, een gebeurtenis waarvan Dirk van Brakell getuige was. ‘Anno 1442. Een hopman tot Worinchem genaemt Brien van


47

Wyborch verliesende int spelen, leyde eenen gecruysten penningh op de tafel doen ’t yder man sach. Seyde, hy wolde Godt int herte steecken, ende steeckende in den penningh liepen daer drie droppelen bloets uit. Ic Sweder van Cuylenburch tuyge, dat myn huysvrouwen man (= leenman) dit gesien heeft, geheten Dirc van Braeckel, dat een schiltboortich man (= edelman) was.’ (86) Tenslotte iets meer over Eustachia, de dochter van Dirk en Johanna. Zij werd geboren rond 1443. In 1450/51 werd Eustachia novice in het klooster Leeuwenhorst. Haar vader betaalde voor haar een intreegeld van 37 pond en 8 stuivers en schonk het klooster bovendien een gouden schaal. (87) Leeuwenhorst was een abdij van de orde van de Cisterciënsers en tussen 1261 en 1574 gelegen nabij Noordwijkerhout. Deze abdij werd ‘grotendeels bewoond door dochters van de lokale adel’. (88) ‘Vooral de kloosters van de zgn. oude orden, de Benedictijnen, Norbertijnen en Cisterciënsers, zouden in het bijzonder de adel aantrekken. Mensen uit de lagere sociale klassen van de middeleeuwse samenleving, stedelingen en boeren, kwamen meer terecht bij de orden der Franciscanen, Dominicanen en de semi-religieuze beweging der begijnen.’ (89) In 1481 werd ‘Staes van Brakel Dirckxdr.’ priorin en in 1484 de negentiende abdis van Leeuwenhorst. Zij ‘heeft 9 jaaren die waardigheit bekleedt’. (90) In 1488 kreeg de abdij bezoek van Hendrik van der Heyden, abt van het Duitse klooster Camp bij Keulen. Deze was belast met het toezicht op de Cisterciënzerkloosters. Jan van Egmond, de stadhouder van Holland, had zich bij hem beklaagd over het gebrek aan discipline in Leeuwenhorst. Dat dit niet ten onrechte was, blijkt o.m. uit het dreigement van de abt, ‘dat wie van de zusters het waagde vogels, honden of andere huisdieren mee te nemen naar het koorgebed, in het volgende kapittel zou worden gegeseld’. (91) Eustachia overleed op 6 juli 1493. In zijn al eerder genoemde boek Van Hunebed tot Hanzestad geeft J. de Rek een impressie van het dagelijks leven in een middeleeuws nonnenklooster: ‘De zusters behoefden weinig te kennen en hadden nog minder te doen. Als ze konden lezen en zingen (liefst met een hoge neusstem) waren ze al geleerd genoeg. Soms kenden ze wat Latijn maar anders zongen ze de getijden maar op de dreun aan mee. Ze haakten kraagjes en borduurden wat voor hun vriendinnen. Vaak kwamen die vriendinnen op bezoek, bleven wekenlang als betalende logé’s in het klooster en ergens staat het verhaal van de gast die twaalf honden meebracht, die altijd om haar heen liepen, zelfs in de kerk en dat was allemaal niet altijd even bevorderlijk voor de discipline. (…) En als er minnestrelen kwamen en zwervende fluitspelers dan was het de hele week zingen en dansen, maar ’t gebeurde wel dat na het vertrek der spelers ook een nonnetje verdwenen bleek en nog jarenlang baden haar zusters voor het behoud van de verdoolde ziel. Met heimwee in ’t hart’. (92) Eustachia was niet de enige Van Brakell die het tot abdis van Leeuwenhorst wist te brengen. In 1287 wordt Sophia van Brakell (een dochter van de eerste of tweede Eustachius van Brakell) als zodanig vermeld. (93) N.B. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd in 1574 besloten het klooster Leeuwenhorst op te heffen. Sommige nonnen traden toen in het huwelijk. Een van hen was Geertruida van Brakell, dochter van Staas van Brakell en Margaretha de Wael van Vronesteyn, die in 1567 ingetreden was. Zij trouwde met Philips van Assendelft. (94) Zie verder hoofdstuk VIII, par. 2. Een laatste opmerking over Dirk. Hij gebruikte vanzelfsprekend een zegel met zijn wapen. Op 21 mei 1437 en op 26 augustus 1438 (95) als voogd van zijn vrouw met een gedeeld schild: a)(in rood) twee afgewende (zilveren) zalmen met negen (gouden) spitsvoetige herkruiste kruisjes (Van Brakell); b)(in zilver) drie (zwarte) zuilen (Van Bloemenstein/Van Vianen, het wapen van zijn moeder). (96) Johan (III) van Brakell. Johan was een zoon van Johan (II) van Brakell en Johanna van Bloemenstein. Op 12 mei 1442 staat hij vermeld op een lijst van personen die tot het verbond van 1441 tegen hertog Arnold van Gelre toetraden. (97) Omstreeks 1430 kreeg de hertog ruzie met de ridderschap en steden die hem o.m. financieel wanbeheer verweten. Op 31 mei 1441 sloten zij een verbond tegen de hertog om hem te dwingen controle op zijn bestuur te aanvaarden. Pas in 1449 ging hertog Arnold hier (gedeeltelijk) mee akkoord. In 1452 ontving Johan van de hertog van Gelre ‘eyn bouwinge lants gele-


48

gen inden mersch (= De Marsch bij Rhenen) geheyten den Elsweert (in Lienden)’ in leen. In deze leenakte is tevens sprake van ‘joffr. Adriaen van Brakel syne zuster tot Ryene (Rhenen) int susterhuys’ die van haar broer een donatie kreeg van tien gulden ‘jaerlix hoer leven lanck’. (98) Op 13 mei 1456 was Johan, ‘geërfde van Lienden’, betrokken bij een overeenkomst tussen de dorpen van de Nederbetuwe waarbij afspraken werden gemaakt over ‘het vegen, ruimen, graven, schoonhouden en schouwen van de Linge’. (99) Op 7 maart 1464 werd hij beleend met huis Karmestein in Lienden. (100) Johan was ook leenheer. Op 7 november 1448 verklaarden Olifier van Berchusen en zijn echtgenote Lijsbeth van Beynhem dat zij ‘de tienden in den Mersche, in den Elsweert en in het kerspel Ryenen’ van Johan van Brakell in leen hielden. (101) Tussen 1466 en 1472 worden hij en zijn zoon Johan enkele malen inwoner van Lienden genoemd. (102) In 1468 wordt ‘Jan van Brakel’ vermeld in het Riddercedul van Gelre als een van ‘die ritter en knegten der landen van Gelre, te Lienden in het ampt Neder-betouwe’. (103) Hij overleed tussen 7 maart 1462 en 24 augustus 1472 en huwde in of voor 1440 Sophia van Beynhem (‘Fie Johans dochter van Beynem echte wyff Johans van Brakel’). (104) Van Johan en Sophia is één kind bekend: 1)Johan (IV). Johan (IV) van Brakell. Op 24 augustus 1472 ontving hij huis Karmestein in leen. (105) In 1491 staat hij vermeld als richter in De Marsch bij Rhenen. (106) Hij overleed in 1497 en huwde met Catharina van Leefdael, dochter van Lodewijk van Leefdael en Elisabeth van Vlienburg (of Vlyenborch). (107) Zij overleed op of voor 15 november 1520. Lodewijk van Leefdael, Heer van Laer, was schout in De Marsch, tollenaar te Rhenen en muntmeester. Op 4 januari 1474 werd muntmeester ‘Lodewijk van Levendael’ vrijgesproken van valsemunterij. (108) Van Johan en Catharina zijn vier kinderen bekend: 1)Cornelis. Zie verder hoofdstuk IX, par. 3. 2)Johan. (109) Hij overleed in of voor 1529 en huwde Evert Versteeg. (110). In vroeger tijden kreeg een meisje soms een jongensnaam wanneer er geen kleinzoon was die naar de grootvader genoemd kon worden. In de Genealogische aanteekeningen van mr.Diedrik Louis baron van Brakell tot den Brakell staat dat Johan na het overlijden van Evert trouwde met Gijsberta Ruisch. Dit echtpaar zou vier kinderen gehad hebben die allen jong gestorven zijn: Jan, Bart, Gerrit en Catharina. (111) 3)Sweder. (112) In 1472 verpandde hertog Arnold van Gelre zijn vorstendom aan Karel de Stoute, hertog van Bourgondië. De beide vorsten spraken af dat zodra Arnold zijn schuld had ingelost, hij tien jaar lang in Gelre een bede mocht heffen van vijftigduizend goudguldens ‘onder beyde vorsten gelijkelijken te verdeelen. Tot dese beede zouden alle ende een yegelijk moeten geeven, uitgenoomen o.a. Ian en Zweer van Brakel; alle welke (om hun onvermoeyde diensten aen Arnald beweesen) van dese tieniaerige bede, ende van alle leed, zoo sy in dese oorlogen het vorstendom moghten hebben aengedaen, en andere breuken wierden vrygekend, (…)’. (113) Voor die ‘onvermoeyde diensten’ moest Sweder wel een prijs betalen. In 1477 liet hij (samen met Gijsbert van Isendoorn) in een brief aan de hertogin van Gelre weten dat ‘hoer guet affgeschat ind gevangen geweest, dat sy begeren weder te hebben’. (114) Op 28 december 1472 werden ‘Johannes et Zwederus de Brakel fratres (= broers)’ genoemd. (115) Van 1481 tot 1485 en in 1487 staat Sweder vermeld als burgemeester van Tiel. (116) Mogelijk was Sweder een zoon van Dirk (II) van Brakell. 4)Anna. Zij werd geboren voor 14 januari 1498 en overleed in of na 1540. Op de eerstgenoemde datum schonk ‘Lodewick van Leefdaell’ een erfrente aan het St.Agnietenklooster te Rhenen en Anna van Brakell ‘myne dochter dochter’, vanwege haar intrede aldaar. (117) Johan (V) van Brakell. Johan was een zoon van Dirk van Brakell en Johanna van Hemert. In 1459 werd op 13 april een oorkonde opgesteld, vrijwel identiek aan die van Dirk van Brakell, zoon van Johan Johansz. van Brakell, waarmee Johan de trotse bezitter werd van de tienden van 171 morgen land in Brakel en omgeving. (118) Verder was Johan beleend met ‘die halve grote thiende tot Brakel mit haren toebehoren gelijc Derick van Brakel sijns vaders to halden placht’. (119)


49

Johan was evenals zijn vader en grootvader schepen in de Hoge Bank van Zuilichem. In een akte van 12 mei 1474 staat: ‘Johan van Brakel Derycs zoon en Helmich Derixs zoon, schepenen in Suylichem, (…)’. (120) Ook in 1475 en 1478 wordt hij als zodanig genoemd. In 1478 werd tussen Brakel en Poederoijen een overeenkomst gesloten, waarbij afgesproken werd samen een nieuwe dijk aan te leggen. Als vertegenwoordigers van Brakel traden op Arnt van Broeckhuijsen, Heer van Brakel en dijkgraaf, de zes heemraden en ‘Jan van Brakel Dircxen’. Overeengekomen werd onder andere dat de kosten van aanleg en onderhoud van de dijk, waardoor Poederoijen ‘zijn’ water op de Maas kon lozen, ‘mergen mergentaels gelijck’ zouden worden omgeslagen, d.w.z. dat voor elke morgen grond een gelijk bedrag opgebracht moest worden. (121) Johan trouwde twee maal. Zijn eerste huwelijk sloot hij met Catharina van Giessen, dochter van Gijsbert Heer van Giessen en Catharina van Vuren. Op 7 mei 1484 gaf hij ‘syn echte huysfrou’ de ‘halve groete thyende to Braeckell’ in vruchtgebruik. (122) Van Johan en Catharina zijn drie kinderen bekend: 1)Mabilia. Zij was van 1485/86 tot aan haar overlijden op 22 juni 1530 zuster in het klooster Leeuwenhorst. In 1529/30 staat zij als kosteres vermeld. (123) Zij liet het klooster een bedrag na van 26 pond waarmee gedurende een half jaar de zieken verzorgd konden worden. (124) 2)Jan. ‘Heer Johan van Brakel’ was kanunnik van de Hofkapel (St.Maria op het Hof) in ’s-Gravenhage. Op 20 januari 1482 werd ‘Mr.Johan van Brakel, kanunnik der kapel in den Haghe’, benoemd tot procurator (= administrateur; deze had het beheer over de aardse bezittingen van een klooster) van de abdij Leeuwenhorst. (125). Hij overleed op 1 september 1501 en liet een bedrag van 26 pond, 13 stuivers en 4 duiten na aan het klooster Leeuwenhorst. (126) Een ander cisterciënzerklooster, Mariënhaven in Warmond, kreeg van ‘meester Jan van Brakel canonick in der capelle inden Haghe XX Rijnsche gulden’. Als dank werd op 1 september 1501 voor de erflater memorie gedaan (= gebeden). (127) In de Genealogie der edelen Van Braeckel vond ik nog het volgende over Jan: ‘Jan van Brakel canonick in onser liever Vrouwe capelle, staande op ’t Hoff in den Hage, wert vermelt wegens de voorn. canonicken in seeker differens datter was anno 1500, over ’t recht van de jacht in de capittel duynen, tusschen d’voorn. canonicken ende d’edelen van Hollandt, van gelijken (?) in de St.Jacobs ofte grootte kerk van den Hage, alwaar in ’t choor aan de zuidzijde het tweede glas, uitgeschildert staan de veertien canonicken met haere wapenen, onder de selve ook den voorn. Jan van Braeckel; ’t glas gedateert anno 1542, ende was gemelte glas 1668 noch in vollen wesen’. (128) 3)Johanna. ‘Joffr. Johanna van Brakel’ huwde Geryt Bax. Beiden overleden voor 23 oktober 1509. (129) Geryt was de leenvolger van zijn schoonvader van ‘die thiende tot Brakel gelegen inden lande van Gelre’. In 1509 ging het leen over op Dirck, de zoon van Geryt en Johanna. In 1515 werd Otto van Brakell de nieuwe leenman. (130) Zie blz. 50. Catharina bracht als bruidsschat de volgende leengoederen mee: ‘een hoeve lants geheiten die vijffgeerden in den gericht van Brakell gelegen; item noch eyn hoeve lants inden selve gericht gelegen int luysvelt’. In 1492 ontving hij ‘twee hoeven lants gelegen op Brakel, die een hoeve geheiten die Korte Vyffgarden, (…) die andere hoeve geheiten die hoeve int Luisfelt’. (131) W. van Dam van Brakel vermeldt Johan nog als ‘leenman van den huize Brakel’ (1463); bovendien hield hij de ‘tienden te Deyl van Hr. Steesken van Brakel’. (132) Uit een oorkonde van 5 november 1494 blijkt dat Johan na het overlijden van Catharina in of na 1484 met Lijsbeth (Elisabeth) van Haeften van Renoij trouwde. (133) Zij was een dochter van Otto van Haeften van Renoij, Heer van Wayenstein, en Jutta Pieck, Vrouwe van Gameren. Lijsbeth was weduwe van Hendrik van Malsen met wie zij in 1476 getrouwd was. (134) Zij zegelde bij die gelegenheid ‘met drie palen van vair van Van Haaften’. (135) Van Johan en Lijsbeth zijn twee kinderen bekend:


50

1)Otto. Zie hieronder. 2)Joost. Zie hieronder. Otto van Brakell. Otto wordt voor het eerst vermeld in een akte van 5 november 1494. Hij ontving toen in ‘ewelicken’ erfpacht van het kapittel van Oudmunster te Utrecht de tienden van 171 morgen en vijf hont land en een morgen land gelegen in de ‘Vijffgeerden’ te Brakel. (136) De pachtsom bedroeg vier zilveren marken per jaar en moest op ‘Sinte Petersdach ad Cathedram (= Sint Petrus in de winter, 22 februari)’ te Utrecht betaald worden. In deze akte noemt Otto zijn ouders bij naam: ‘Johan van Brakel mijnen lieven vader en Joncfrou Lijsbeth van Haeften ende van Rhenoij mijn lieve moeder’. Johan wordt tevens de voogd van Otto genoemd en zegelde voor hem, dus was Otto op dat moment minderjarig. In 1515 ontving ‘Ott van Brakel Jansz’ een ‘hoeve lants gelegen int Luysfelt’ (137) en ‘noch die halve grote thyende to Brakel’. (138) In hetzelfde jaar staat hij vermeld als heemraad. In de betreffende akte staat Otto ten overstaan van ‘Staes van Broeckhuijsen mijnen leenheere drie morgen land af die Claes Janssen bruijcken sall’. (139) Otto ‘zeliger gedachten’ overleed voor of in 1523. (140) N.B. In 1524 vielen soldaten die door de stad ’s-Hertogenbosch gehuurd waren de Bommelerwaard binnen, ‘plunderden te vuur en te zwaard het vermaarde dorp Brakel en legden het in de as’. (141) Op 22 april 1523 nam zijn broer Joost de tienden over van ruim 171 morgen land in Brakel, eigendom van het kapittel van Oudmunster. (142) Op 28 juli 1527 ontving Joost van Giessen ‘twee hoeven lants gelegen in Boemelrewert in de gericht van Brakel’, waaronder de hoeve ‘int Luysfelt’, (143) en op 21 augustus 1529 ging ‘de halve groete thiende to Brakell’ naar ‘marshalck Marten van Rossem heer tot Puderoyen’. (144) Joost van Brakell. (145) In 1523 wordt Joost de ‘erff(genaam) sijns broeders Oth’ genoemd. (146) Op 6 februari 1533 ontving hij ‘eyne hoeve lants holdende XII morgen gelegen to Brakell in Boemelrewert int Luysfelt (…) van syne vader Johan van Brakell aenbestorven’. (147) Hij wordt op 2 april 1531 en op 10 mei 1548 vermeld als schepen in de Hoge Bank van Zuilichem. (148) In 1527 vond ten overstaan van de Hoge Bank van Zuilichem het transport plaats van de goederen die Joost geërfd had van ‘Joest van Haeften syne oem’. (149) Diezelfde ‘Joost van Haeften van Reynoye’ wordt op 5 mei 1520 vermeld als leenman van de hertog van Gelre. (150) Joost van Brakell huwde met Agnes van Riebeeck, dochter van Johan van Riebeeck. Hun dochter Maria (overleden in 1569) trouwde eerst met Joachim van Giessen en na diens overlijden met Adriaan de Cocq van Delwijnen. Joost van Giessen, haar zoon, gehuwd met Anna van Malbergen, was ambtman (= baljuw) van de Tieler- en Bommelerwaard als opvolger van zijn stiefvader, en van 1602 tot 1620 afgevaardigde van Gelderland in de Staten-Generaal. (151) § 3 Heren in de Bommelerwaard II

I. Johan Johansz. Zoon van Johan (I) van Brakell en Margriet van Zuylen. Zie blz. 51. Huwde Alverade van Voorn. 1)Dirk. 2)Steesken. Zie II.1. 3)Willem. Zie II.2. II.1. Steesken. Huwde Otta van Rossum. 1)Goossen. Zie III.1. 2)Dirk. Zie III.2. 3)Steeskina. Huwde Gijsbert van Hemert. 4)Johan (de Oude). Zie III.3.


51

5)Johan (de Jonge). II.2. Willem. Huwde N.N. 1)Staas. Zie hoofdstuk VIII. 2)Alverade. 3)Elisabeth. 4)Helwig. 5)Gerard. III.1. Goossen. Huwde Agnes Spaens. 1)Adriaan. Zie IV.1. III.2. Dirk. Huwde Margaretha N. 1)Otte. Huwde Gozewijn van den Steenhuis. III.3. Johan (de Oude). Huwde Gerritke van Dynther. 1)Henrica. 2)Otto. 3)Johan (?). Zie IV.2. IV.1. Adriaan. Huwde Mechteld van (der) Marck. 1)Staas. 2)Agnes. 3)Merten. 4)Adriaan. Huwde Gertruijt van Tuijll. IV.2. Johan. Huwde Agnes N. 1)Ott.

Johan Johansz. van Brakell. Johan Johansz. was een zoon van Johan (I) van Brakell en Margriet van Zuylen. Op 5 september 1380 ontvingen ‘Johan van Brakel heren Johanssoon ende zine nacomelinghe’ van het kapittel van Oudmunster in erfpacht de tienden van ‘hondert en eenendeseventich merghen en vijf hont lande’ gelegen in Brakel. De pachtsom bedroeg jaarlijks ‘vier marc zulver’. In de overeenkomst werd Johan er op gewezen dat hij dat bedrag ten allen tijde diende te betalen ook al was er sprake van ‘reghen, haghel, blix of ander wedernoot, dijkscoeringhe, ghebroken sluzen, roof, brant’ en ook bij ‘oorloghe tusschen den hertoghe van Ghelre en den ghestichte van Utrecht’. (152) Deze tienden waren al vanaf het midden van de twaalfde eeuw in het bezit van bovengenoemd kapittel. N.B. Een kapittel is een stichting, die in het bezit is gesteld van een vermogen, bedoeld om een aantal geestelijken, kanunniken genaamd, een inkomen (prebende) te verschaffen, zodat zij in staat zijn hun dagtaak aan te wenden voor het gemeenschappelijk verrichten van werkzaamheden, minimaal het uitoefenen van liturgische handelingen. Aan het hoofd staat meestal een deken. De oudere en grotere kapittels kennen ook een proost voor het beheer van het vermogen. Kanunniken zijn geen kloosterlingen. Zij hebben niet zoals monniken een gemeenschappelijke woning en evenmin leggen zij de geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid af. (153) Op 11 september 1381 wordt Johan neef van ‘Staasken van Brakel, heer van Langerak, ridder’ genoemd. (154) Op 10 februari 1389 was hij getuige bij een leenovereenkomst waarbij ‘Ghisebrecht,


52

heer van Vyanen en van den Goye het huis ten Goye met gerecht en heerlijkheid overdroeg aan heer Zweder van Vyanen’. (155) Op 26 januari 1396 ontving ‘Jan van Brakel heer Jansz.’ van de Heer van Vianen 8 morgen land in Hagestein. (156) Hij huwde Alverade van Voorn, dochter van Zweder van Voorn. (157) Op 13 januari 1396 werd Alverade van Voorn beleend met een halve hoeve in Lexmond. (158) In de rekening van de ambtman Arnt van Lyenen wordt ‘her Johan van Brakel’ een van ‘myns heren vriende (= aanverwanten)’ genoemd. (159) In 1414 ontving ‘heren Jan van Brakel’ van de hertog van Gelre 44 gulden aan ‘loen’. (160) Van hem en Alverade zijn drie kinderen bekend: 1)Dirk. Zie blz. 53. 2)Steesken. In 1402 en in 1404/05 wordt hij vermeld als ‘Steesken van Brakel Jansz.’. (161) Zie verder blz. 53. 3)Willem. Op 11 augustus 1405 wordt Alverade van Voorn de toekomstige leenvolger genoemd van Gerard van Killestein. Killestein staat in dat jaar omschreven als een ‘stenen huis met huizing en hofstede’ in Lexmond. Op 1 maart 1420 ging het leen over op Willem van Brakell. Blijkbaar was zijn moeder op die datum al overleden. (162) Op 8 maart 1428 was hij als een van de ‘manne’ van de Heer van Vianen getuige bij een leenovereenkomst waarbij Franck Pieck het ‘gericht tot Gameren’ ontving. (163) Willem had ook bezittingen in Beesd, waarvoor hij in 1434 4½ schilden schatting moest betalen. (164) Op 1 november 1435 was hij getuige bij de leenovereenkomst tussen de Heer van Vianen en Arnt van Herlaer, de echtgenoot van Elisabeth van Brakell. (165) Willem wordt op 10 november 1442 dijkgraaf van Vianen genoemd. (166) Tot 10 mei 1443 had hij grond in leen in Lakerveld bij Lexmond. (167) Willem overleed in 1466. (168) Van hem en zijn onbekende echtgenote zijn vijf kinderen bekend: 1)Staas. Hij was een van de stamvaders van de Utrechtse tak van het geslacht Van Brakell. Zie verder hoofdstuk VIII. 2)Alverade. Zij overleed in 1471. (169) 3)Elisabeth. (170) 4)Helwig. Zowel Helwig als haar zussen Alverade en Elisabeth waren kloosterzuster. (171) 5)Gerard. Op 30 oktober 1476 wordt zij de zus van Staas genoemd die op zijn beurt op dezelfde dag en op 20 februari 1494 als een zoon van Willem wordt vermeld. (172) N.B. In 1407 besloot de hertog van Gelre zich te mengen in wat bekend staat als de Arkelse oorlog (zie blz. 43). Op 22 september liet hij de graaf van Holland weten dat hij zich als diens vijand beschouwde. Er werd te Zaltbommel een leger verzameld waarmee hertog Reinoud (IV) naar de Hollandse stad Gorinchem optrok. De graaf van Holland Willem VI riep hierop zijn vazallen en de steden op met hun manschappen naar Woudrichem te komen voor een tegenaanval. Het kwam echter niet tot een gewapend treffen. Er dreigde moeilijkheden voor de hertog van Gelre met Brabant en Kleef en daarom werd op zijn verzoek in oktober een bestand gesloten. Beide partijen gingen echter door met het versterken van hun militaire posities. In de jaren daarna werden over en weer gevangenen gemaakt die vaak tegen belofte van losgeld werden vrijgelaten, beloftes die niet altijd gehouden werden. Zo werd ‘Steesken van Brakel’ in Leerdam gevangen gehouden en voor hem werd een losgeld van ‘hondert ende lxxx nobel’ gevraagd, ‘die noch onbetaelt sijn’. (173) Soms was de kleine man de dupe van het in gebreke blijven van de hoge heren. ‘Jan Neve van Braekel wert ghevangen tot Lederdam, ende coft hem voir xxxviii nobel (losgeld), die heer Jan van Braekel gheloefden op enen dach, ende eer die dach quam, soe waert Braekel verbernt (= in brand gestoken), also dat Jan Neve nyet betalen en conde (…).’ ‘Her Jan’ loste daarop een gedeelte van de schuld af en voor de rest werd een familielid ‘Gheryt Claes soen van Braekel, woenende op die tijt tot Dordrecht, thans woenende tot Braekel’, aansprakelijk gesteld. (174) Gevangenen moesten ook ‘stockgelt’ betalen, een soort vergoeding voor kost en inwoning. Willem van Brakell was een tijdlang ‘gevangen tot Ghiesen’. Hij was hiervoor aan de ‘stock-


53

meester’ 3½ nobel verschuldigd. Betaling bleef echter achterwege; in de desbetreffende akte is sprake van het ‘gebreck (= in gebreke blijven)’ van Willem. ‘Dirich bastart’ moest vijf nobel neertellen. Ook ‘Jan Steeskijnss van Brakel’ bracht een tijdlang in krijgsgevangenschap door. ‘Steesken Steeskens soen van Braekel’ zat in Andel ‘xiiii dagen inden stock (= gevangenis)’. (175) Dirk van Brakell. Dirk was een zoon van Johan Johansz. van Brakell en Alverade van Voorn. Op 23 maart 1433 ontving ‘Dirc van Brakel heer Johans soen’ als erfgenaam van Johan Johansz. van het kapittel van Oudmunster ‘in enen eweliken erfpachte en huerwere van den eerbaren heer deken ende capittel der kercken tot oudemunster Utrecht van my en van mijn erfgename als op mijn oudste soen off op mijn oudste dochter waer dat ic ghenen soen en hadde off opten naesten erfnaeme ende so voirt van erven tot erven op enen erfnaem ongescheyden te bliven die tyenden tot Brakel (…) in gelegen sin hondert ende een ende seventich morgen ende vyf hont lant’. De akte eindigde met ‘so hebbe ic Dirc van Brakel voirss mynen segel aen desen brief gehangen in ourconde alle deser punten en vorwarden voorscreven (…) int jaer ons heeren dusent vierhondert drye en dertich opten drie en twintichsten dach in maerte’. (176) Van een echtgenote en kinderen is niets bekend. N.B. Het is zeer goed mogelijk dat met deze Dirk niet een zoon van Johan Johansz. bedoeld wordt waarvan verder niets bekend is - maar diens neef Dirk (II), de zoon van Johan van Brakell en Johanna van Bloemenstein. Steesken van Brakell. Steesken was een zoon van Johan Johansz. van Brakell en Alverade van Voorn. ‘Steesken van Brakel Jansz.’ was in het bezit van grond en ‘de halve vischerie in den gerichte van Zulichem’, met ‘1/6 vant veer tot Zulichem met sijnen toebehoren’. In 1402 ontving hij ‘eyn huys ende eyne hoefstat mit XIV morgen lants in den gerichte van Brakel ende eyne stat geheiten die papentiende; vort VI morgen lants in den voirss. gerichte gelegen up dat hout, twe morgen lands (…) gelegen up den vijffgherden ende XI morgen lants’ eveneens in Brakel. (177) Op 28 april 1428 staat hij als schepen in de Hoge Bank van Zuilichem vermeld. (178) In de rekeningen van de ambtman Franck Pieck wordt hij enkele malen samen met zijn zoon Goossen genoemd. (179) Hij huwde Otta van Rossum, dochter van Johan van Rossum en Catharina van Brakell. (180) Van Steesken zijn zes kinderen bekend waarvan vijf bij zijn echtgenote: 1)Goossen. Zie blz. 54. 2)Dirk. Zie blz. 55. 3)Steeskina. (181) Zij huwde ridder Gijsbert van Hemert, Heer van Nederhemert. Hij werd rond 1390 geboren en overleed in 1456. Gijsbert was een zoon van Johan van Hemert en Johanna van Herlaer. (182) 4)Johan de Oude (vernoemd naar zijn grootvader van vaderszijde). (183) ‘Jan van Brakell Steeskenszoon’ bezat in 1433 vier morgen land in Brakel (184) en werd dan ook door Franck Pieck in diens schildschatting van 1434 aangeslagen voor zes Franse schilden. (185) Op 19 juli 1435 ontving hij van de hertog van Gelre ‘een hofstede met huizing en timmering op vier morgen land in Zuilichem’ in leen. (186) Johan was in 1430, 1441, 1442, 1445 en 1446 schepen in de Hoge Bank van Zuilichem. (187) In 1460 kreeg ‘Jan van Brakel die olde Steeskens soen’ het burgerrecht in Tiel. (188) ‘Heren Jan van Brakel’ huwde voor 8 december 1437 ‘joncfrou’ Gerritke van Dynther, ‘wittich dochter wilen’ Aernt van Dynther en Kathelyn van Amstel. Johan en Gerritke bezaten renten uit de hoeve Loeffen in Bakel (N-Br), afkomstig van Gerit van Amstel, de grootvader van Gerritke. (189) Van Johan en Gerritke zijn twee (of drie) kinderen bekend: 1)Henrica. Op 9 februari 1463 wordt ‘domicella Henrica’ in het testament van ‘Johannes de Brakel’ en ‘domicella Gerarda de Dynter ejus legitima uxore’ hun natuurlijke en wettige dochter genoemd. Zij huwde Mediecijnen (?). (190) 2)Otto. (191) In het Bosch’ Protocol wordt in de jaren 1448-1450 Otto enkele malen een zoon van Jan van Brakell genoemd, zonder vermelding van de Oude of de Jonge. Otto kan dus ook een zoon van Johan (de Jonge) zijn. 3)Johan (?).


54

5)Johan de Jonge (vernoemd naar zijn grootvader van moederszijde). In 1434 moest ‘Jan van Brakell Steeskenszoon die Jonxte’ zes Franse schilden aan Franck Pieck overmaken. (192) In 1470 staat in Brakel ‘Johan van Braeckell heer Janszoon’ vermeld en wordt deze de echtgenoot genoemd van ‘joncfrou’ Agnes. (193) Waarchijnlijk was hij een zoon van Johan Steeskenszoon de Oude. Zie verder hoofdstuk IV, par. 2. 6)Dirk ‘die Bastaert’. Dirk was een natuurlijke of onwettige zoon van Steesken van Brakell. (194) Op 4 september 1439 verwierf hij drie morgen land in Zuilichem (195) waar hij in 1443 (196) en in 1451 (197) eveneens als grondbezitter genoteerd staat. ‘Dirc die bastaard Steeskens soen’ werd in 1434 door Franck Pieck aangeslagen voor een bedrag van vier en halve Franse schilden. (198) N.B. In de toren van de Nederlands Hervormde Kerk in Brakel hangt een klok met het volgende randschrift: ‘Maria is mijn naem Staeske van Braeckel Jans soen dede mi maken int jaer ons Heeren MCCCCXXII (=1422)’. (199) Goossen van Brakell. Goossen was een zoon van Steesken van Brakell en Otta van Rossum. (200) Hij staat op 17 oktober 1431 en op 19 mei 1435 vermeld als schepen in de Hoge Bank van Zuilichem. (201) Op 24 september 1438 gebruikte hij het zegel Van Brakell: ‘2 afgewende zalmen vergezeld van 9 herkruiste kruisjes, kromme snavel tussen een antieke vlucht’. (202) Op 8 april 1442 ‘onderschreef’ Goossen het verbond gesloten op 31 mei 1441 tussen de ridderschap, de vier kwartieren van Gelre en hertog Arnold. Diens onderdanen vonden het ‘hooghnoodigh den hertogh in desen van sijn schuldigen plicht te vermaenen’. Men vond dat hij te veel geld vroeg, af moest blijven van de rechten en vrijheden van de steden en de veiligheid op de Gelderse wegen verwaarloosde. (203) In 1468 wordt ‘Gosen van Brakel’ vermeld in het Riddercedul van Gelre als een van de ‘ritter en knegten der landen van Gelre, te Rossen (= Rossum) in het ampt van Bommelre en Tielerweerd’. (204) Hij bezat in 1420, evenals zijn vader Steesken, grond, de ‘halve vischerie en 1/6 vant veer tot Zulichem met sijnen toebehoren in de gerichte van Zulichem’. (205) Verder had hij tot 1440 een stuk land in de Papentiend in Brakel (206) en in hetzelfde dorp tot 1441 zes morgen land ‘opt hout’ en ‘2 mergen op die vijff gheerden’ in leen. (207) Franck Pieck legde hem daarom in 1434 een aanslag op van zes Franse schilden vermogensbelasting. (208) Op 5 mei 1445 kreeg hij goederen ‘in den gerecht van Driel’ van het kapittel van Oudmunster in pacht. (209) In 1468 werd hij beleend met een ‘halve mergen lants, gelegen inden gericht van Brakel int Luysfelt (= Liesveld)’ en ‘eyn huyss ende hofstat mit tobehoren mit veertien morgen lants’ in Brakel. (210) In 1470 moest ‘Goessen van Braeckel’ een schatting van vier schilden betalen voor bezittingen in Tiel. (211) In 1448 werden o.a. Goossen van Brakell en Otto van Asperen van Vuren door de Gelderse ridder Evert van Wilp voor het veemgerecht van Bredevoort gedaagd. Een vrij- of veemgerecht was een rechtbank die onafhankelijk van het landsheerlijk gezag in het openbaar of in het geheim vonnissen uitsprak en uitvoerde over personen wier aanzien, rijkdom of invloed hen vrijwaarden tegen het ingrijpen van de gewone rechtbanken. Er werd recht gesproken door rechters die de titel van vrijgraaf voerden en wier bevoegdheid zich uitstrekten over het hele Duitse Rijk. Twee jaren later vroeg Evert van Wilp de schout van het Land van Zutphen de genoemde heren conform de uitspraak van het veemgerecht te verzoeken een verschuldigde som aan Wilp te betalen of zich anders in Zutphen in gijzeling te begeven tot de betaling verricht zou zijn. Daar betaling uitbleef verklaarden de vrijgraven Steven van der Loe en Arent van de Dernhorst dat de nalatigen eerloos en trouweloos waren geworden, nu zij niet aan hun verplichtingen hadden voldaan. (212) Goossen overleed voor 15 oktober 1473 (213) en huwde in of voor 1443 Agnes Spaens (214). Van dit echtpaar is één kind bekend: 1)Adriaan. Zie blz. 55. N.B. Een Salomonsoordeel? ‘Gerrit Heer tot Culenborch leyde (ca. 1450) twee man gedinge (= bracht twee mannen voor het gerecht), een tot Culenborch, en een tot Ewyck. Tot Ewyck wort een vonnisse gebracht int gespannen gericht, of een maghet, die haer maeghdom genomen was van een lopende ge-


55

sel, ende sy dair twee kinderen by had, of die goede gesel oock sculdich waer die kynder beyde te houden, ende op te voeden. Het wert gewesen van neen. Sy solde een holden.’ (215) Dirk van Brakell. Dirk was een zoon van Steesken van Brakell en Otta van Rossum. Op 12 mei 1442 trad hij toe tot het verbond van 31 mei 1441 tegen hertog Arnold van Gelre. (216) Op 9 maart 1460 ontving hij een ‘hofstede met toren, zaal en het goed’ (huis Den Brakel) in Rijswijk (Nederbetuwe) in leen. (217) Tussen 1456 en 1472 wordt hij een aantal malen als inwoner van het dorp Rijswijk vermeld. (218) Dirk had (in 1464) ook bezittingen in Rumpt, misschien een erfenis van ‘joffr Lysbet van Brakell’ die in 1434 drie schilden schatting betaalde. (219) In 1468 wordt ‘Dirck van Brakel’ genoemd in het Riddercedul van Gelre als een van ‘die ritter en knegten der landen van Gelre, te Rijswijck in het ampt Neder-betouwe’. (220) In 1469 (of 1470) ontvingen hij en Rutger van Randwick van het gericht van Tiel 28 rijnse gulden ‘van dat se tachters waren (= nog te goed hadden) van seven somers ende winters’. (221) Op 14 mei 1469 was ‘Theodericus de Brakel, secretarius’ van hertog Adolf van Gelre, getuige bij de vaststelling van de uiterste wilsbeschikking van Catharina van Bourbon, hertogin van Gelre. (222) Op 15 november 1474 was hij ‘waardijn der munt’ en van 1477 tot 1480 muntmeester in het hertogdom Gelre. (223). Een waardijn had de controle op de muntslag. Op 10 september 1480 was ‘meister Deric van Brakel’, een van de ‘vriende der stat Nymeghen’ aanwezig bij besprekingen in de Duitse stad Emmerich tussen de hertog van Gelre en Maximiliaan van Oostenrijk. (224) Hij overleed voor 21 januari 1490 (225) en huwde Margaretha wier achternaam niet bekend is. (226) Van haar en Dirk is één kind bekend: 1)Otte. (227) Zij huwde Gozewijn van den Steenhuis, overleden in of voor 1484. (228) Op 21 januari 1490 erfde zij van haar vader de ‘hofstede met toren, zaal en het goed’ in Rijswijk. (229) N.B. In 1471 deed de hertog van Bourgondië Karel de Stoute een poging te bemiddelen in een ruzie tussen hertog Arnold van Gelre en diens zoon Adolf. Hij nodigde Adolf uit voor besprekingen aan het Bourgondische hof. Al gauw bleek dat de Bourgondiër meer op had met de vader dan met de zoon die bevreesd was voor de zelfstandigheid van Gelre en zich daarom tegen Bourgondië keerde. ‘Adolf, uit de verdubbeling der wachten argwaan opvattende en voor zijne veiligheid beducht, onkenbaar onder de monnikspij van een Franciscaner en alleen door éénen dienaar vergezeld (namelijk zijn secretaris Dirk van Brakell), de stad Atrecht, waar zich toen het Bourgondische hoofdleger bevond, heimelijk verliet, om naar Gelderland terug te ijlen.’ (230) Adolf werd echter gevangengenomen, zag Gelre nooit meer terug, en sneuvelde in 1477 tijdens een veldslag bij Kortrijk tegen de Franse koning Lodewijk XI. In 1474 ‘op sente Victorisdach’ besloot Catharina van Gelre, zus van hertog Adolf en diens plaatsvervangster, een bedrag van driehonderd Rijnse guldens toe te kennen aan ‘Derick van Braeckel secretaris uns lieven gemeynden brueder’. Dirk was samen met zijn broodheer ‘bynen der stat van Brugge gevencklick (= gevangen) gehalden geweest aver twee jair lanck durende, (…)’. Hij vroeg daarom de hertogin ‘synen schade’ te vergoeden. Catharina vond dit niet meer dan vanzelfsprekend daar Dirk ‘menigen trouwe dienst (…) onsen lieven brueder eyn lange tyt van jaren gedaen ende bewyst heeft, ind ons nu oick dagelicx in onser cancelerien doende is (…)’. (231) Adriaan van Brakell. Adriaan was een zoon van Goossen van Brakell en Agnes Spaens. (232) Adriaan was in 1468 en 1469 ambtman van de Nederbetuwe. (233) In 1471, 1472 en 1473 was hij burgemeester van Tiel, in 1477 schepen en in 1478 in dezelfde stad ‘judex’ (= richter). (234) Op 12 mei 1442 wordt hij vermeld op een lijst van personen die tot het verbond van 31 mei 1441 tegen hertog Arnold van Gelre toetraden. (235) Zie blz. 54. In 1434 moest hij als bezitter van grond in Brakel zes Franse schilden aan de rentmeester van de hertog van Gelre betalen. (236) In 1442 ‘op sencte Nicolaes dach’ kreeg hij van de Heer van Brakel ‘eyn hoeve lants gelegen in den gerichte van Braeckell in die lange Beefijnge’ in leen. Getuige was zijn vader ‘Goessen van Braeckell’ een van de ‘manne mijns genedigen herenn vann Gelrhe’. (237) In 1457 bezat hij grond in de Papentiend in Brakel. (238) In 1464 werd hij in Brakel aangeslagen voor een bedrag van vier schilden. (239) Op 15 oktober 1473 erfde hij van zijn vader grond, ‘de halve vischerie en 1/6 vant veer tot Zulichem met sijnen toebehoren in de gerichte van Zulichem’. (240) Op 21 januari 1490 ontving hij van zijn nicht Otte van Brakell de


56

helft van de ‘hofstede met toren, zaal en het goed’ in Rijswijk (Nederbetuwe). (241) ‘Ariaen Goessenss van Brakel obiit (= overleed) in slach buyten Tiel’ voor 26 juni 1501 (242) en huwde in 1473 ‘op Sinte Victorisdach’ Mechteld van (der) Marck. (243) Van Adriaan en Mechteld zijn vier kinderen bekend: 1)Staas. Hij overleed in of voor 1543 en huwde Anthonia van Rossem, dochter van Otto van Rossem, Heer van Soelen, en Petronella van Steenhuys. (244) Op 26 juni 1501 kreeg hij de helft van de ‘hofstede met toren, zaal en het goed’ in Rijswijk in leen. (245) In 1525 en 1528 staat ‘Stees van Braeckel’ vermeld als schepen van Tiel. (246). Zijn zoon Lodewijk werd een van de stamvaders van de Betuwse tak van het geslacht Van Brakell. Zie verder hoofdstuk IX, par. 5. 2)Agnes. In 1529 wordt ‘joncffr. Agnes van Braeckell’ genoemd in een akte samen met ‘Staes van Braeckell’, ‘Adriaen van Brakell’ en ‘Goesens van Braeckell zaliger’. Zij overleed in of na 1549. (247) 3)Merten. In 1549 beloofden de schepenen van Tiel hem ‘bynnen jaers nae dode jouffr. Agnes van Brakell’ een zeker bedrag uit te betalen. Op 19 november 1557 staat hij vermeld als koper van een jaartijns uit een ‘kamp’ land in Soelen. (248) 4)Adriaan. ‘Adriaen van Braeckell’ was burgemeester van Tiel in 1556, en schepen in genoemde stad in 1528, 1535, 1536, 1540, 1541, 1543, en van 1548 tot 1557. (249) In 1533 kreeg hij het burgerrecht in Tiel. (250) Op 31 maart 1552 wordt ‘jouffrouw Gertruijt van Tuijll’ ‘sijn huysfrou’ genoemd. (251) N.B. Op 30 mei 1459 besloten de burgers van Tiel geen partij te kiezen in het conflict tussen Johan van Brakell en Rutger van den Boetzelaar met als inzet het kasteel Asperen. Op die dag lieten schout, burgemeesters en schepenen de inwoners van Tiel weten dat ‘Jan van Brakel mit sinen toestenderen (= helpers, medeplichtigen) ende stalbruederen vyant is heren Rutgers van den Boetzelar, ritter, soe seecht onse voirscreven richter alle den gesellen hoir geleye (= bescherming, vrijgeleide) op. Item dat voirtain nyemant tot Tiel noch tot Zandwick die voirscreven gesellen en huysen noch hoven en sal (= herbergen), t eten noch drincken geven noch verkopen, (…) ende wye hiertegen dede, die sal ontburgert wesen ende nummer borgeren weder gewerden (…)’. Dit laatste gold ook voor ‘yemant van onsen burgern off ingesetenen, die ruytten (= plunderen), roeffden ende scedichden (= schade aanrichten) op yemant mit desen stalbruederen, (…)’. Om Jan van Brakell en zijn helpers in de toekomst buiten de deur te houden, kregen ‘4 wekers’ opdracht ‘snachts te waken’. (252) Schout, schepenen en burgemeesters hadden dus als taak te waken over het wel en wee van de bewoners van Tiel. Daartoe werden regels (keuren) vastgesteld. Enkele voorbeelden. (253) ‘(…) dat nyemant geen slyck noch vulnis optes anders straet dragen (…)’ op straffe van een boete van 1 pond. (1487) ‘(…) dat eyn yder, die mitter pestelentie offte Gaetz (= Gods) gaeve besmet is, sall eynen goeden stroywysch, die men sien macht uyter den vensteren hangen zullen ende 1 witte royken (= stokje) in hoir hant dragen ind uyt sancte Mertens kerck blyven sall, dan int gasthuys te kercken ter myssen gaen sullen.’ (1518) ‘(…) die opter mueren (= stadsmuur) omme hoir loin waecken, slapende befindt, sal men die selve vry moegen nemen ende setten se mit hande ende byde hoir voit in der stat stocke (= gevangenis) ende gefenckenschap ende water ende broet t eten geven (…).’ (1519) § 4 Heren in de Bommelerwaard III

I.Gijsbert. Zoon van Steesken van Brakell en Sophia van Broeckhuijsen. Zie hoofdstuk II, par. 6.


57

Huwde N.N. 1)Steesken. Zie II.1. 2)Johan. II.1. Steesken. Huwde N.N. Gijsbert van Brakell. Gijsbert was een zoon van Steesken (Eustachius) van Brakell en Sophia van Broeckhuijsen. Hij had van de graaf van Holland ‘XVI morghen lants’ in Brakel in leen. (254) Hij overleed voor 3 november 1319. (255) Hij huwde een mij onbekende dame. Van haar en Gijsbert zijn twee kinderen bekend: 1)Steesken. Zie hieronder. 2)Johan. ‘Int jaer MCCCXXVI des Vridaghes na sinte Claesdach (12 december 1326)’ ontving ‘Johan, Eustatius broeder van Brakel’ van de graaf van Holland ‘tualef (= 12) morghen lants legghende in den rechte van Brakel in den stede (= hoeve, een stuk land), die hiet Boninghe’. (256) Steesken van Brakell. Steesken was een zoon van Gijsbert van Brakell. Op 3 november 1319 ‘des Saterdages na alre Goetsheylighen dach’ werd ‘Staskiin Ghisebrechts soene van Brakel’ de leenvolger van zijn vader. Hij ontving op die dag uit handen van de graaf van Holland zestien morgen land in Brakel ‘als Ghisebrecht, siin vader, te houden plach van den Grave’. (257) Op 26 april 1333 ‘des Manendaghes na sinte Marcusdach’ en in 1346 werd hij door de graaf van Holland bovendien beleend met ‘eene woninghe ende een stucke lants te Brakel in ene hoeve, die Vijf Ghaerden heten’. (258) Op 8 oktober 1358 wordt ‘Staeskiin van Brakel’ genoemd in de rekeningen van de graven van Holland, waarin hij verzocht werd ‘voer miin here (= graaf van Holland) ten Berghe (= Geertruidenberg)’ te verschijnen. (259) Steesken overleed in of na 1358. N.B. Iets van alle tijden: ‘Tot teeken dat Heer Otto (van Arkel) geen overspeelder dulden wilden, is ’t gebeurd dat in dit jaar binnen Gorinchem woonde een rijk poorter, Henrik Kannemaker, brandende van onkuysheyd. Desen betrapten de straten en stegen der stadt, bespiedende over al schoone maagden, en jonge weduwen, sommigen van dien beloofd hy trouw, mits sy dat een jaar helende, bedroogh, en beslieper alsoo vijf of ses, en wierden bevrucht, elk hem houdende voor man, wierd sijn boosdaad openbaar. Eenige daagden hem voor den geestelijken rechter des Proosts van Aernem, doe te Gorinchem zijnde, yeder om voor te gaan in de trouw. Hy in plaatz van verantwoordingh, spot daar mee, en bekend rondelijk al die vrouwen getrouwt te hebben. Den rechter hem vragende, wie d’eerste trouw had, antwoord die woont hier te Gorinchem, niet en gingh al lachende ter kerken uyt. Heer Otto de klachten hier van hoorende, t’saam’ toornigh, en medelijdig, doet de poorten van Gorinchem sluyten, en swoer hem te doen onthoofden. Henrik schuyld op ’t kerkhof, en in de kerk by de Roomse, een toevlucht der misdaders. Otto seggende, hy had tegen Godt en ’t recht der heyliger Kerke gedaan, was oversulks diens beschermingh niet waardig, wilde hem met gewelt van daar nemen, en dooden. Maar by raad van sommige, omcingelde men de kerk, en ’s anderen daaghs stolpten sy hem in ’t midden van de kerk, by des H.Kruys autaar, op eenen grooten zark, onder een groote verwerverskuyp. Hy siende geen uytkomst, bad om genade, gingh in ’s Heeren gevangenis, kreegh acht dagen tijd om sich tot Godt te bereyden, wierd doe openbaarlijk onthoofd, en op ’t kerkhof begraven, diendende tot een spiegel voor andere, om sich van quaad te wachten.’ (260)

§ 5 Heren in Brabant

I.1. Dirk (I). Huwde Elisabeth van Wieldrecht. 1)Johan. Zie par. 2. 2)Gheryt (I). Zie II.1.


58

3)Steesken. Zie II.2. 4)Jacob. Zie II.3. 5)Willem (I). Zie II.4. II.1. Gheryt (I). Huwde N.N. 1)Elisabeth (Betken). II.2. Steesken. Huwde Catharina van Asperen van Vuren. 1)Nicolaas. Zie III.1. 2)Steesken. Huwde N. van Bloemendaal. 3)Gudela. Huwde 1)Willem van Druten 2)Hendrik Roever van Buren. 4)Johan. II.3. Jacob. Huwde 1)Margriet N. 1)Henric. 2)Margriet. 3)Willem. Huwde Margriet N. 4)Jacob. 5)Aert (Appel). 6)Peter. 7)Aleydis. Huwde Henric die Brouwer. 8)Beel. Huwde Henric van Beeck. 9)Beatrijs. 10)Luutgart. Huwde Herman Mijchiels. Jacob huwde 2)Elisabeth Gerytsdr. Buckinck. 1)Gheryde. Huwde Godevaert van Riel. 2)Luutgart. 3)Beatrijs. Huwde Jan Weders. II.4. Willem (I). Huwde Margriet N. 1)Jan. 2)Gheryt. 3)Beel. Huwde Aert Pauwels Brouwers. 4)Jacob. 5)Willem. 6)Jacoba. Huwde Nicolaas Stert. 7)Ida. 8)Luytgart. 9)Heilwych. 10)Kathelyn. 11)Baten. Huwde Peter Jan Vervijns. III.1. Nicolaas. Huwde Kathelijn van Erpe. 1)Eustaesken. 2)Willem (II). Zie IV.1. 3)Gheryt (II). Zie IV.2. 4)Gheerlinck. Zie IV.3.


59

IV.1. Willem (II). Huwde Lijsbet van den Ekker. IV.2. Gheryt (II). Huwde N.N. IV.3. Gheerlinck. Huwde Kathelijn Boxhoerens (van Boxhorn). 1)Kathelijn. Huwde Robbrecht van Grieken. Inleiding. ‘Didderic van Brakel’ was in 1360 en in 1392 in het bezit van ‘1 huys 1 schure ende 1 hove lants van omtrent XII buenre die Oude Schouwe van Berkel (…) in die prochie van Oesterwijc’. In 1446 (of 1448) werd Gheryt (II), de achterkleinzoon van Dirk, leenvolger van ‘Claes sijns vaders’ die op zijn beurt het genoemde leen had overgenomen van diens vader Steesken, de leenvolger van Dirk van Brakell. (261) In 1387/88 ontving de schout van Oisterwijk 1 gulden van ‘Didderecs goede van Brakel in Udenhout die in den lande van Ghelre woent’. (262) Op 21 oktober 1391 en 16 maart 1393 wordt ‘Diederic van Braeckel’ als grondbezitter in de parochies Tilburg en Oisterwijk te Udenhout vermeld. (263) Zeer waarschijnlijk is deze Dirk identiek met Dirk (I) van Brakell gehuwd met Elisabeth van Wieldrecht. Zie par. 2. Op 4 oktober 1433 worden de kinderen van wijlen Jacob van Brakell erfgenamen genoemd van hun nicht Elisabeth (Betken), dochter van Gheryt (I) van Brakell. (264) Op 30 november van hetzelfde jaar staat wijlen Gheryt van Brakell, vader van wijlen Elisabeth (Betken) als oom van Willem, zoon van Willem (I) van Brakell vermeld. (265) Ik neem aan dat deze Gheryt de zoon is van de hierboven genoemde Dirk (I) van Brakell. Hij overleed in of kort voor 1433. Jacob en Willem (I) waren dus broers van Gheryt (I) en daarmee kinderen van Dirk (I) van Brakell. Gheryt (I) van Brakell. Gheryt (Gerrit of Gerard) was een zoon van Dirk van Brakell en Elisabeth van Wieldrecht. Op 7 december 1379 ontving ‘Gherijt van Brakel Dircssoen’ van de graaf van Holland, bij overdracht door Willem van Raamsdonk, het ambacht Raamsdonk met veer en visserij in de Donge; ‘Gerard van Brakel Dirksz.’ wordt in dit verband ook nog vermeld op 28 april en 15 december 1392 en bovendien op 30 juni 1394 toen hij 18 morgen land in Raamsdonk in leen ontving. (266) Hij overleed in of voor 1433. (267) Gheryt had een dochter Elisabeth of Betken (genoemd naar haar grootmoeder) bij een onbekende echtgenote. Elisabeth overleed op of voor 30 november 1433. (268) Steesken van Brakell. Steesken was een zoon van Dirk van Brakell en Elisabeth van Wieldrecht. (269) Hij was de leenvolger van zijn vader van de Oude Schouwe van Berkel. In 1399 ontving ‘den scoutheit van Oesterwijc VI mud roggen die quamen van Staeskens goet van Brakel elcke mudde III gulden, (…)’. (270) Hij bezat in Brakel een ‘hoffstat mit hoeren tymmeringe (= gebouw)’. (271). Steesken overleed in of voor 1401 en huwde Catharina van Asperen van Vuren. (272) Van hem en Catharina zijn vier kinderen bekend: 1)Nicolaas. Zie blz. 62. 2)Steesken. (273) Hij staat op 1 april 1404 vermeld als schoonzoon van Steven van Bloemendaal. (274) Op 27 november 1415 ‘des woensdags nae sunte Cecilien dach’ oorkonden Steesken van Brakell en Ghijsbert van Ghiessen, schepenen te Zuilichem, dat Ghijsbert van Ghissen, bastaardzoon, aan Jan van Brakell heeft verkocht en overgedragen 11 erftijnsen, bestaande uit hoenders, gewassen en geldbedragen, gaande uit even zovele hofsteden onder Brakel. (275) Op 28 april 1428 wordt hij opnieuw schepen in de Hoge Bank van Zuilichem genoemd. (276) In 1434 moest ‘Steeske van Brakell Steeskenszoon’ als grondbezitter in Brakel zes Franse schilden belasting aan de hertog van Gelre betalen. (277)


60

N.B. Met de in 1415 en 1428 genoemde schepen in de Hoge Bank van Zuilichem Steesken van Brakell kan ook de gelijknamige zoon van Johan Johansz. van Brakell en Alverade van Voorn bedoeld zijn. Zie blz. 53. 3)Gudela. (278) Zij werd geboren ca. 1385 en huwde in 1412 ridder Willem van Druten, zoon van Hendrik van Druten. (279) In 1420 ‘heeft Willem van Drueten Gudelt van Drueten syn echte wyff getuchticht andat huyss tot Lewen’. (280) Op 1 juli 1451 wordt ‘Guedel von Braekel’ vermeld als weduwe van Hendrik Roever van Buren. (281) 4)Johan. Vermeld in 1434. Hij overleed in 1467 en huwde Johanna van IJzendoorn. Zij overleed voor 1477. (282) N.B. In Het Bosch’ Protocol (nr. 1197, folio 187 recto) wordt in 1425 Willem zoon van ‘Eustaes (= Steesken) van Brakel’ vermeld. Jacob van Brakell. Jacob was een zoon van Dirk van Brakell en Elisabeth van Wieldrecht. In 1369 werd ‘Jacop van Brakel’ in Brakel door de hertog van Gelre aangeslagen voor een bedrag van twee pond. (283) Op 4 oktober 1433 worden zijn kinderen erfgenamen genoemd van hun nicht ‘Elisabet Gherijts van Brakel’ (dochter van Gheryt van Brakell, zoon van Dirk van Brakell en Elisabeth van Wieldrecht). (284) Jacob was schepen van Oisterwijk in 1410 en van 1421 tot 1430. (285) Jacob bezat een hofstad en hof in Oisterwijk, genaamd het Keizerrijk, en goederen in Hilvarenbeek. (286) Hij overleed tussen 15 oktober 1430 en 15 maart 1433. (287) Jacob huwde Margriet N. Zij overleed voor 10 maart 1426. (288) Daarna trouwde hij met Elisabeth Gherytsdr. Buckinck, dochter van Gheryt Godevaerts Buckinck en Kathelijn Henric van der Voert. (289) Op 3 april 1426 erfde ‘Elisabet Jacobs wijf van Brakel’ van haar ouders een stuk land in Oisterwijk ‘op de Hupperingen’ en een ‘erfpacht van 20 lopen (= 3.3 hectare) rogge’. (290) Zij overleed na 4 oktober 1433. (291) Van Jacob en Margriet zijn tien kinderen bekend: 1)Henric. Op 15 oktober 1430 verkocht Henric Jacobs van Brakell aan zijn broer Willem Jacobs ‘alle goederen die hem verstorven zijn van zijn moeder Margriet en die hem van zijn vader Jacob versterven mogen’. (292) 2)Margriet. Op 15 oktober 1430 en op 15 maart 1433 wordt zij een dochter van Jacob van Brakell ‘van de eerste bedde’ genoemd. (293) 3)Willem. Op 1 juli 1422, 13 februari 1426, 6 juli 1429, 25 april, 5, 6 juni, 15 oktober en 20 november 1430, op 11 mei, 3 augustus en 4 oktober 1433, 2 augustus 1442, op 16 november 1448 (‘Wilhelmus de Brakel pro Jacobo patre suo’) en op 3 februari 1448 wordt hij een zoon van Jacob van Brakell genoemd. (294) Hij overleed voor 9 april 1453 en huwde Margriet N. Zij overleed na 19 maart 1459. (295) 4)Jacob. Op 30 januari en 26 april 1419 en op 15 oktober 1430 wordt hij een zoon van Jacob van Brakell genoemd. (296) 5)Aert (Appel). Op 2 juli 1423 en 15 oktober 1430 staat ‘Aert genaamd Appel Jacobs zoon van Brakel’ vermeld. (297) 6)Peter. Hij wordt samen met zijn ouders, broers en zusters genoemd op 15 oktober 1430. (298) 7)Aleydis. Zij wordt op 15 oktober 1430 en 4 oktober 1433 samen met haar echtgenoot Henric die Brouwer als een dochter van Jacob van Brakell vermeld. (299) 8)Beel. Op 8 september 1423 werden ’16 schillingen betaald bij het kraambed van zijn (Jacob) dochter Beelkina’. Op 15 oktober 1430 en 4 oktober 1433 staat zij genoteerd als echtgenote van Henric van


61

Beke (of Beeck). Op 20 november 1430 wordt Henric van Beke zwager genoemd van ‘Willem Jacobs van Brakel’. Beel overleed na 8 november 1471 en Henric op of voor 25 februari 1463. (300) 9)Beatrijs. Op 15 oktober 1430 en 4 oktober 1433 wordt ‘Baet’ een dochter van Jacob van Brakell uit diens eerste huwelijk genoemd. (301) 10)Luutgart. Op 15 oktober 1430 staat ‘Luutgardis’ samen met haar echtgenoot Herman Mijchiels als dochter van Jacob van Brakell uit diens eerste huwelijk vermeld. Op 8 april 1431 wordt ‘Luutgaert Jacobs van Brakel’ de zus van Jacob Jacobs van Brakell genoemd en haar man op 21 december 1429 de zwager van Jacob, de broer van Luutgart. (302) Van Jacob en Elisabeth zijn drie kinderen bekend: 1)Geryde. Op 24 september 1455 wordt Geryde, echtgenote van Godevaert van Riel, een dochter van wijlen Jacob van Brakell en Elisabeth Gerytsdr. Buckinck genoemd. (303) 2)Luutgart. Op 15 maart 1433 wordt ‘Luutgaert’ een (half)zus genoemd van Margriet, dochter van Jacob van Brakell ‘van de eerste bedde’. (304) 3)Beatrijs. In een akte van 10 juni 1446 heet ‘Beatrys’ echtgenote van wijlen Jan Weders en dochter van wijlen Jacob van Brakell en diens tweede vrouw Elisabeth Gerytsdr. Buckinck. (305) Willem (I) van Brakell. Willem was een zoon van Dirk van Brakell en Elisabeth van Wieldrecht. Op 30 november 1433 verwierf zijn zoon Willem alle goederen hem verstorven van zijn oom Gheryt van Brakell (zoon van Dirk van Brakell en Elisabeth van Wieldrecht) en diens dochter ‘Elisabet Gherijts van Brakel’, in het markgraafschap van Antwerpen en in het land van Breda. (306) Willem overleed in of voor 1433. (307) Hij huwde Margriet N. (308) Zij overleed op of na 29 januari 1470. (309) Van Willem en Margriet zijn elf kinderen bekend: 1)Jan. Op een onbekende dag in 1433 ‘verklaarden schepenen in Oisterwijk dat Jan Willems van Brakel een wettige zoon is van wijlen Willem van Brakel, die te Oisterwijk bij ’s-Hertogenbosch woonde en wettige zoon was van vrouwe (= Elisabeth van Wieldrecht) als schepenen verstaan hebben’. (310) Op 3 augustus 1433 deden Elisabeth weduwe van Jacob van Brakell en haar man Reijner Bijts, Jan Gheryt Buckinck, Jan Willems van Brakell en diens neef Willem Jacobs van Brakell als voogden van de onmondige kinderen van Elisabeth en Jacob van Brakell afstand van een hofstad en hof in Oisterwijk, genaamd het Keizerrijk. (311) 2)Gherijt. In een akte van 7 januari 1419 heet hij ‘Gherijt Willems zoen van Brakel’. (312) 3)Beel. Op 20 maart 1420 wordt Beel Willems van Brakell een zus genoemd van Jacob Willems van Brakell en Aert Pauwels Brouwers de ‘man van Beel’. (313) 4)Jacob. Op 13 november 1419 kocht ‘Jacob van Brakel Willems zoen’ een stuk land in Oisterwijk bij de Nedervonder. (314) Ook op 13 juni 1421, 29 juni en 25 juli 1422, 6 juli 1423 en 28 januari 1429 staat hij als de zoon van Willem van Brakell vermeld. (315) 5)Willem. Hij wordt op 30 november 1433 een zoon van Willem van Brakell genoemd. (316) Zie hierboven. 6)Jacoba. Op 30 januari 1449 ontving Margriet, weduwe van Willem van Brakell, de erfpacht van 1 mud rogge gaande uit de molen ter Kreiten en uit een huis en tuin in Oisterwijk ten behoeve van haar en van haar kinderen Heilwych, Kathelyne, Jacoba, Ida en Luytgart. (317) Jacoba trouwde met Nicolaas Stert. Beiden overleden voor 15 januari 1461. (318)


62

7)Ida. (319) 8)Luytgart. (320) 9)Heilwych. Zij huwde eerst met Willem de Becker (of Beckers) en na diens overlijden (?) met Ghijsbrecht Huysmans. (321) 10)Kathelyn. Zij trouwde met Henrick Appels. (322) 11)Baten. Op 29 juni 1422 wordt zij de echtgenote genoemd van Peter Vervijns die op zijn beurt vermeld staat als de zwager van Jacob Willems van Brakell. (323) N.B. Over de talrijke nakomelingen van Jacob en Willem van Brakell zal t.z.t. een aparte studie verschijnen. Nicolaas van Brakell. Nicolaas was een zoon van Steesken van Brakell en Catharina van Asperen van Vuren. (324) In 1401 nam hij na het overlijden van zijn vader de ‘hoffstat met hoeren tymmeringe inden gericht van Braeckel’ over. (325) In 1408 wordt ‘armiger (= schildknaap) Claes van Brakel’ eigenaar genoemd van een ‘woning of slotje op die Bocht (later kasteel Dommelrode)’ in Sint Oedenrode. Na hem kwam (1458) ‘huis, hofstad, hof en aangelag die Boecht groot 2 mudzaad (= 4 hectare) bouwland en 6 koeweyden by Roeyerbroeck; en 5 bunder beemd in Lyemde’ in handen van zijn zoon ‘Willem Claes van Brakel’. (326) In het Leenboeck Huys Braeckel staat vermeld dat ‘Claes van Braeckell’ van de Heer van Brakel ‘guet inn Brabanth’ in leen had. (327) Nicolaas overleed in of voor 1446 of 1447 (328) en huwde voor 1419 Kathelijn van Erpe, dochter van ridder Geerlinck van Erpe, en Kathelijn van Stakenborch van Rode, en weduwe van Rogier van Geldrop, Heer van Geldrop. (329) Van hen zijn vier kinderen bekend: 1) Eustaesken (‘domicella Eustacia’). Zij staat in 1440 en 1448 vermeld als non in het klooster van Binderen te Helmond (‘waar edele afkomst een vereiste voor toelating was’). (330) 2)Willem (II). In 1440 heet hij ‘Willem van Brakel Claeszn.’. Op 16 maart 1460 wordt hij de zoon van ‘joffr. Kathelijn van Brakel’ genoemd en op 5 april in hetzelfde jaar de broer van Gheryt. (331) In de cijnsregisters van de Heerlijkheid Helmond (Sint Oedenrode) staat hij vermeld als ‘Wil(lem) filius Niclaus de Brakel’. (332) Op 26 mei 1463 erkenden hij en zijn echtgenote Lijsbet van den Ekker voor de schepenbank van ’s-Hertogenbosch dat zij goederen bezaten in Schijndel ‘in Dlutteleynde in Die Schoetsche Hoeve’. (333) In Het Bosch’ Protocol lezen we dat Willem in de jaren 1465-1467 naar Jeruzalem wilde reizen om daar het H.Graf te bezoeken. (334) Een door de schepenbank opgelegde boetedoening voor begane misdaden of een uiting van vroomheid waarmee hij tevens hoopte zijn straf in het vagevuur te bekorten? Op 30 juli 1468 wordt Willem vermeld als stadhouder van de kwartierschout van Peelland Peter van Erpe ‘tot dat die selve Peeter vuyter orloge van Vrancrijx comen sal sijn’. (335) Dit was de oorlog tussen de Franse koning Lodewijk XI en de hertog van Bourgondië Karel de Stoute, tevens hertog van Brabant. Oorlog werd ook dichterbij huis gevoerd. In 1512 viel een Gelderse legermacht van 1500 voetknechten en 400 ruiters Brabant binnen en plunderde en verbrandde talloze dorpen, waaronder Sint Oedenrode. (336) N.B. In Het Bosch’ Protocol (nr. 1236, folio 53 verso) wordt in 1466 ‘Claes’ natuurlijke zoon van ‘Willem Claess van Brakel’ en Aleyt Jan Koecx vermeld. 3)Gheryt (II). (337) Hij was schout van het kwartier Peelland in het hertogdom Brabant (338) en wordt als zodanig vermeld in o.a. 1447, 1451, 1458, 1459 en 1464. (339) De kwartier- of laagschout bestuurde in naam van de hertog van Brabant de plaatsen die geen hoge heerlijkheid waren, waaronder Sint


63

Oedenrode. Hij benoemde o.m. schepenen en burgemeesters. De schout was voorzitter van de schepenbank, maar werd praktisch altijd vervangen door zijn stadhouder of een president-schepen. Op diverse terreinen had hij het recht in te grijpen of maatregelen te nemen. Naar boven toe was zijn macht echter beperkt door het zgn. ‘Hoogofficie’ van de hoogschout van ’s-Hertogenbosch, die met de schepenen van die stad ook verantwoordelijk was voor de hoge rechtspraak (criminele zaken) en voor het handhaven van het hertogelijk gezag in de hele Meierij. Verder waren de hoogschout en de kwartierschouten verantwoordelijk voor de mobilisatie en uitvoering van militaire expedities. (340) In 1447 erfde hij van zijn vader Nicolaas de ‘hofstat’ in Brakel. (341) Op 7 juni 1450 bekende ‘Gerit van Brakel Klaas zoon’ ‘1000 Rijnsche gulden’ schuldig te zijn aan Dirk van Bronkhorst, Heer van Batenburg en Anholt en beloofde hij terugbetaling op ‘s. Agnetendag eerstkomende’. (342) Op 24 maart 1451 wordt ‘Gheerde van Brakel’ een van de ‘geburen van Rode’ (inwoner van Sint Oedenrode) genoemd. (343) Op 11 oktober 1452 droeg Jan van Erp de hoeve Caudenberch in Sint Oedenrode over aan ‘Gerit Claess van Brakel’. (344) In 1464 droeg Gerrit ‘drie campen, haldende 16 mergen, gelegen in Grote Claes hoeven’ in Herwijnen (Gld) over aan Jacob van Drakenborch. (345) Hij overleed voor 2 april 1467. (346) Gheryt huwde een dame waarvan alleen de voornaam bekend is, Katherina. (347) Van dit echtpaar zijn geen kinderen bekend. In de rekening van de hoogschout van stad en Meierij van ’s-Hertogenbosch (1451-1452) vond ik de volgende tekst over Gerrit van Brakell: ‘Van Gerit van Brakel die hem (= zich) misgrepen hadde mids dien dat hij jonge bercksken uyt gepluct ende getogen hadde opten zande inder gemeinten van Rode (= Sint Oedenrode) ende Schijndel ende dair af die gebuer (= buren) den selven Gerit ten Bosch (= ’sHertogenbosch) beclaeghden ende in deden comen ten Bosch (…)’. En hoewel hij om ‘genade voer recht’ smeekte, kreeg hij ‘vanden scepenen vanden Bosch dair af’ een boete van ‘XVI peteren (= petersgulden)’. (348) Had de kwartierschout van Peelland - toch een man met een voorbeeldfunctie zich aan een dergelijk onnozel delict schuldig gemaakt of wordt hier een ondeugende zoon of neef bedoeld? 4)Gheerlinck. ‘Geerlinck Claess van Brakel’ huwde Kathelijn Boxhoerens (van Boxhorn). (349) In 1470 wordt hij de uitvoerder van het testament van zijn broer Willem genoemd. (350) In 1468 staat Gheerlinck als de broer van de inmiddels overleden Gheryt vermeld. (351) Van Gheerlinck en Kathelijn is één kind bekend: 1)Kathelijn. Zij huwde Robbrecht van Grieken. Dit echtpaar woonde in Loeven (= Leuven). (352) Op 3 maart 1495 verklaarde ‘Katlijne Boxhoerens weduwe Gheerlycx wijlen van Brakel (…) dat ick van mynen genadigen heere ertshertoge Ph. s (= Philips de Schone) als hertoge van Brabant als tochtersse ende Kathlijne van Brakel mijn dochter als erfwijf (…) een vol leen te wetene een huys een schuer ende een hoeve lants van omtrent tweelff boenderen die oude schouwe van Berckel vier mannen van leene dair af ick deen ben ende XXX s. goets gelts gelegen te Berckel inde prochie van Oisterwijck (…) te leene ontfangen hebbe opten XX- dach van octobri XXXX C XCII (= 1492) jair lestleden (…) metten segele van saliger gedachten Gheerlycken van Brakel mynen man (…)’. (353) Op 10 juni 1517 verpachtte Robbrecht van Grieken ‘een hoeve met toebehoren hem toebehorende in par. Otw (= Oisterwijk) ter stede tot Berckel’ aan Ghijsbrecht Zegers. De voorwaarden logen er niet om. Er moest elk jaar geld of in natura betaald worden aan ‘de heren vanden capittel inder stadt vanden Bosch’, ‘den goydshuyse van Tongerloe’, ‘den heer van Venloen’, de ‘gezworenen van Haren’ en uiteraard aan Robbrecht zelf. Verder mocht Ghijsbrecht van de hele veestapel maar ‘3 verkens en een rundeken’ voor zichzelf ‘voeden’, ‘geen hout afhouwen zonder consent van Robbrecht’, en ‘het huis houden in goede reparatie van wenden en op de huysinge te decken allen jaer 6 vymmen stroes en den decker oeperen op sijnen cost en de decker de kost geven (…)’. Daar stond wel tegenover dat ‘Telken Ghijsbrechts huysvrouw van Robbrecht of zijn huysvrouw eenen nachtdoeck zal hebben’. (354) Hieronder volgen een aantal Brabantse Van Brakell’s waarvan niet bekend is in hoeverre zij familie van elkaar waren.


64

In de jaren 1423, 1430 en 1433 wordt in de akten van de schepenbank van Oisterwijk enkele malen Lambrecht van Brakell vermeld. Hij was een zwager van Willem van Osse, meer is niet over hem te vinden. (355) In dezelfde akten vinden we in de jaren 1420, 1422, 1424, 1426 en 1433 Claus van Brakell, overleden voor 21 februari 1509. (356) Op 29 mei 1477 wordt ‘Mercelis van Brakele’ vorster van Sint Oedenrode genoemd. (357) Een vorster was belast met de handhaving van de openbare orde en het dagvaarden van mensen voor het schepengerecht. Op 2 april 1541 is sprake van ‘een commissie van den schoutet van Maeslant op Aert van Brakel’. (358) Op 23 juli 1557 wordt in een akte uit het archief van de schepenbank Oirschot en Best Christina dochter van wijlen ‘Aert van Braeckel’ genoemd. (359) In andere akten uit hetzelfde archief worden ‘Jan Huigen van Braeckel’ (22 maart 1610) en ‘Geraert van Braeckel’ (3 december 1562) vermeld. (360) Op 15 september 1611 worden ‘joncker Lodewijck van Brakel’ en ‘joffrouw Catharina’ genoemd in een akte van notaris Adrianus Brouwers uit Helmond (zie blz. 165). (361) ‘Cornelis van Braekel’ was van ca. 1656 tot ca. 1678 schout van Reusel en ontvanger van konvooien en licenten in het kwartier van Kempenland. Zijn dochter Anna Leonora, woonachtig in Reusel, was gehuwd met Hendrik van Winteroij, drossaard en secretaris van Deurne van 1666 tot 1681. (362) N.B. Mr.W. de Vries oppert in zijn artikel Van Brakel(l) (van Braeckel)-de Ba(e)rs in de Nederlandsche Leeuw dat het echtpaar Van Winteroij-Van Brakell familie was van Willem Frederik, zoon van Johan van Brakell tot Kermesteyn en diens tweede echtgenote Maria Louise van Liere (zie hoofdstuk IX, par. 3). Willem Frederik (‘uit de Ridderschap van Gelderlant’) was op 2 november 1690 getuige bij de doop van Anna Emilia van Winteroij. Bovendien, aldus De Vries, zijn twee kinderen van Hendrik van Winteroij en Anna Leonora van Brakell, Theodora en Maria Louise, vernoemd naar Dorothea, de eerste echtgenote van Johan, en Maria Louise van Liere. (363) Op 10 september 1714 verscheen Anna Leonora van Brakell ‘wed: wijlen de Heer Hendrik van Winteroij’ voor notaris Hendrik van Rijp te Helmond. Zij verklaarde dat ‘haer Heer vader ontfanger was tot Reusel’ en dat hij ‘den eersten ontfanger aldaer van gereformeerde religie nae de reductie van Stadt en Meijerije van S: Bosch (1629) is geweest’ en dat het ‘Nagtmael (H.Avondmaal) des Heeren altijt tot Hapert wierd geselibereert’. Zij had de kerkelijke autoriteiten van Hapert en Bladel gevraagd of haar ‘ouders van hoogen ouderdom sijnde’ ‘voornamentlijck in de winterdage’ de dienst in laatstgenoemd dorp mochten bijwonen daar ‘het welcke legt tusschen Reusel en Hapert’ en zij ‘op de rustdagh niet wel twee uren veer conden rijsen de wijlen Reussel van Hapert ontrent de twee uren is afgelegen’. De ‘ledematen van christelijcke gereformeerde religie’ van beide dorpen hadden besloten dit alleen bij hoge uitzondering toe te staan en Anna Leonora daarna ‘meenighmael’ verzocht hen ‘een onpartijdige verclaring’ ten overstaan van een notaris te geven waarin stond dat zij en haar ouders zich aan deze regeling hadden gehouden en zich ook in de toekomst zouden houden. Hetgeen bij dezen gebeurde. (364) In december 1656 werd Cornelis van Brakell naar Den Haag ontboden waar hij voor de Raad van State verantwoording moest afleggen voor de door hem ontvangen konvooien en licenten. Bovendien zou samen met zijn collega’s van het Peellandkwartier onderhandeld moeten worden over de hoogte van de verponding (= belasting op onroerend goed) en konvooi- en licentgelden (zie hieronder) daar ‘alle ingesetenen der meijerije sonder verlichtinge, noch al te beclagelijck blijven belast ende onderdruckt (…)’. Onderweg werd hij ziek en daarom moest zijn verschijnen voor de Raad uitgesteld worden. Eind januari 1657 bleek bij een bezoek aan Cornelis in zijn onderkomen in de hofstad dat ook zijn echtgenote bedlegerig was. Kort daarop liet hij de Raad van State weten dat ‘door het onverwacht kynderbedde sijnder huijsvrouwe van een doode vrucht, haere vermeerderinghe van sieckte ende haer doot daerop gevolght ende oock door vermeerderinge van zijn indispositie (= ziekte)’ hij voorlopig niet in staat was naar het Binnenhof te komen. De heren moesten daarom maar zonder hem beginnen. (365) Op 19 februari 1666 ontving de Raad van State een ‘missive’ van Cornelis van Brakell, ontvanger van de konvooien en licenten te Reusel, waarin hij zich beklaagde dat op 24 januari jl. ‘eenige voleurs (= dieven) voorgeven in dienst vanden bisschop van Münster te sijn, sijn huijs gespolieert (= geplunderd) ende sijne meubelen, goederen ende bestialen (= vee) weggenomen ende vercocht hadden, jae oock


65

eenige van sijne boecken, registers ende papieren aen stucken geschuert’. Hij verzocht de Raad het dorpsbestuur van Reusel te vragen de door hem geleden schade te vergoeden. Op 1 april kregen de schepenen opdracht de schade te taxeren en ‘over de ingesetenen (!) omme te slaen’. (366) N.B. Konvooien en licenten waren belastingen die betaald moesten worden om te mogen handelen op neutraal of vijandelijk gebied. In alle markt- en havenplaatsen bevonden zich licentkantoren, waar vervoerders verplicht aangifte moesten doen van de kwaliteit, omvang en bestemming van hun lading. Deze mocht niet worden gelost voor de bij de inklaring gemaakte vrachtbrief door de licentmeester was gecontroleerd. Overtreding werd bestraft met verbeurdverklaring van handelswaar en transportmiddelen plus een boete. (367) Op 12 november 1668 liet de hoogschout van ’s-Hertogenbosch Willem Raesfelt de Raad van State weten dat hij van Cornelis van Brakell vernomen had dat ‘seeckeren Nicolaes Brisaert door Hendrick van Winteroij des suppliants schoonsoon dootgeschoten’ was. Vijf dagen later vermeldde het rapport van de Raad van State ‘dat den voors. Winteroij is in actuelen militairen dienst van desen staet ende dat den voors. Brisart geen onderdaen is geweest van den selven, maer geduyrende de Munstersche invasie sich heeft laten emploijeren als een hooft van eenige gecomplotteerde vagebonden tot naedeel van de goede ingesetenen van desen landen ende dat mitsdien de kennisse ende judicature van de voors. sake specteert ende behoort tot ende aen den militairen rechter’. (368) Had Hendrik van Winteroij wraak willen nemen voor de plundering van het huis van zijn schoonvader? Ter verduidelijking. Tijdens de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667; zie hoofdstuk IX, par. 4) viel de bisschop van Münster, die van de Engelse koning Karel II geld had gekregen, Gelderland binnen. De Republiek deed een beroep op bondgenoot Lodewijk XIV van Frankrijk. Deze stuurde zesduizend soldaten om de bisschop weer uit het land te jagen. De Fransen gedroegen zich zeer ongedisciplineerd en natuurlijk betaalde de plattelandsbevolking de rekening. De boeren werden ‘seer qualijck getracteert’ en ‘de boerinnen al te wel’. (369) Op 16 juni 1671 presenteerden de gedeputeerden van de christelijke synode van Gelderland en de afgevaardigden van de classis van ’s-Hertogenbosch, Peel- en Kempenland, een onderzoeksrapport betreffende ‘de groote ende exorbitante stouticheden van de pausgezinden in de meijerije van ’s-Hertogenbosch gepleegt werdende. (…) Dat daer tegens met alle vigeur ende ernst behoort te worden voorsien ende bij provisie ende voor eerst door de middelen bij haer Ho: Mo: albereijts inder selver placcaten geprescribeert (…)’. De plaatselijke autoriteiten, waaronder de ‘heer van Braeckel’ werden dringend verzocht ‘haer Ho: Mo: placcaten in alle obdientie volgens haeren eedt te executie te brengen (…)’. (370)

NOTEN

1)Gelders Archief, Archief van de Huizen Waardenburg en Neerijnen 1288-1970, nr. 596. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 4 en 5, en Gelders Archief, L.F. van Gent, Register op de leenactenboeken van in Holland gelegen leenkamers betreffende leengoederen, gelegen in Gelderland, z.p. z.j., blz. 42 (nr. 80). 2)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de graaf van Holland in Gelre 1279-1646, Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 780. Zie ook Nationaal Archief, Inventaris van het archief van de Familie Van Matenesse en van de heerlijkheid Matenesse, 1251-1917, nr. 893, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 4 en 5. 3)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de graaf van Holland in Gelre 1279-1646, blz. 780 en 781. Zie ook dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen. VII. De lenen in het land van Hagestein, Ons Voorgeslacht, jaargang 41 (1986), blz. 376, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 4 en 5. 4)Regionaal Archief Nijmegen, Oorkonden Nonnenklooster Maria Magdalena Nijmegen 1250-1562, nr. 3673, en I.A.Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, Tweede Deel, Reinald III en Eduard, Hertogen van Gelre, Arnhem 1833, nr. 162. Voor het zegel van Johan (I) van Brakel, bevestigd aan de oorkonde van 1 november 1368, zie Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 380/17 en 437/9. Zie ook P.Nijhoff, Inventaris van het oud archief der gemeente Nijmegen, Arnhem 1864, blz. 16. Voor een uitgebreid overzicht van de politieke achtergronden van dit huwelijk zie


66 M.J. van Gent, ‘Van alder scult over vijftich of tsestich jair alt ende alder’. Een vijftiende-eeuws Gelders schuldregister in het Hollandse archief. Uit diverse bronnen gelicht. Opstellen aangeboden aan Hans Smit ter gelegenheid van zijn vijfenzestigste verjaardag. In: TijdING, Den Haag 2007, blz. 92 t/m 106. 5)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de graaf van Holland in Gelre 1279-1646, Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 781. 6)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 4. 7)Gelders Archief, Archief van de familie De Cock van Opijnen, nr. 61, dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen. VII. De lenen in het land van Hagestein, Ons Voorgeslacht, jaargang 41 (1986), blz. 376, mr.A.P. van Schilfgaarde, Het adellijk geslacht Van Rossem, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXX (1953), blz. 137 en 138, H.Kronenburg, Rossem (van), De Nederlandsche Leeuw, jaargang LII (1934), blz. 31, Ridderlijke Duitsche Orde (RDO)-Balije van Utrecht, Oud Archief over de periode 1200-1811 (OA), nr. 2913.0.1, en Gelders Archief, Duitsche Orde, 1200-1811, Commanderijen Dieren, Doesburg en Tiel, nr. 2913. Zie ook Ph.J.C.G. van Hinsbergen, Inventaris van het archief van de Ridderlijke Duitsche Orde Balije van Utrecht: 1200-1811, Utrecht 1955-1982, nr. 2913. 8)Dr.J.C.Kort, De leenkamers van de Heren van Egmond. De lenen van de hofstede IJsselstein, 1310-1656, Ons Voorgeslacht, jaargang 38 (1983), blz. 530. 9)Mr.J.B.Ridder van der Schueren, De geslachten Van Assendelft en Van Varick, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XVIII (1900), blz. 206. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 5. 10)De Tielse kroniek, Boek VI, par. 581, en Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, VII. Boek, blz. 145. 11)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 705, Kohier van de omslag, tevens rekening, van de proost van Zutphen heer Henric van Steynbergen als (overste) rentmeester van het land van Gelre van ontvangst van schatting in het Overkwartier en in het Kwartier van Nijmegen, en van uitgaven, 1369, folio 58 recto en verso (Brakel). 12)Gelders Archief, Heerlijkheid Nederhemert 1, 1217-1893, nr. 17. Zie ook dr.K.N.Korteweg, Rechtsbronnen van Woudrichem en het Land van Altena, nr. 152. 13)I.A.Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, Derde Deel, nr. 31. 14)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 1A, folio 16 verso. 15)P.N. van Doorninck, Acten betreffende Gelre en Zutphen 1376-1392 uit het staatsarchief te Dusseldorp, Register B no. 23 naar het oorspronkelijke handschrift, Haarlem 1900, blz. 294 en 295. 16)Dr.J.F.Niermeijer, Bronnen voor de economische geschiedenis van het Beneden-Maasgebied. Eerste Deel: 1104-1399, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 127, ’s-Gravenhage 1968, blz. 415. 17)Dr.J.F.Niermeijer, Bronnen voor de economische geschiedenis van het Beneden-Maasgebied. Eerste Deel: 1104-1399, blz. 664 en 668. 18)Jkvr.dr.J.M. van Winter, Adel en aristocratie in de Middeleeuwen, Tijdschrift voor Geschiedenis, jaargang 93 (1980), nr. 3, blz. 374. 19)P. de Win, De adel in het hertogdom Brabant van de vijftiende eeuw. Een terreinverkenning, Tijdschrift voor Geschiedenis, jaargang 93 (1980), nr. 3, blz. 408. 20)Dr.H.F.K. van Nierop, “Het Quaede Regiment”. De Hollandse edelen als ambachtsheren, 1490-1650, Tijdschrift voor Geschiedenis, jaargang 93 (1980), nr. 3, blz. 434 en 435. 21)Gelders Archief, Diverse Charters, nr. 8. 22)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen, gehouden van Willem van Duvenvoorde of van de hofstede Oosterhout, 1325-1645 (1654), Ons Voorgeslacht, jaargang 60 (2006), nr. 44. Op 30 juni 1394 wordt een zoon uit dit huwelijk, Gerard van Brakel, zoon genoemd van Elisabeth, zuster van Willem van Wieldrecht. 23)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 749, Rekening van de tollenaar Alaert die Zwarte van ontvangsten van oude en nieuwe tol te Zaltbommel, van de tol te Driel, van andere ontvangsten (als rentmeester) in Beesd, Rhenoy, Acquoy, de Bommeler- en Tielerwaarden, van het huis Ammerzoden en in Heerewaarden, en van uitgaven, 13-7-1400 – 2-4-1401, folio 22 verso. 24)Gelders Archief, Archief van de familie van Dam van Brakel, nr. 99, W. van Dam van Brakel, Histories-Romantiese tijdkortingen, Derde Hoofdstuk, Het Gastmaal. 25)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 11, Register van Seghelen en Brieven ghehoorende tot het huijs, hoff en cinghelen met het ghoet en de landerijen tot Braeckel in de ampt van Bommelerweerdt gheleghen, 1378-1845, geen folionummering, 1378. 26)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 11, 1396. 27)W.J.Hofdijk, Merkwaardige Kasteelen in Nederland door Van Lennep en Hofdijk, III, blz. 105 en 106. Zie ook dr.Antheun Janse, e.a., Johan Huyssen van Kattendijke-kroniek, blz. 407 en 408, Antonius Matthaeus, Veteris aevi analecta seu vetera monumenta hactenus nondum visa, deel III, ’s-Gravenhage 1738, blz. 306 en 307, en Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, Dordrecht 1677, blz. 754 28)Jhr.mr.W.A.Beelaerts van Blokland, Een Geldersch edelman in Hollandschen dienst en het beleg van Loevestein in 1397, Bijdragen en Mededeelingen der Vereeniging Gelre, jaargang XV (1912), blz. 523, en Antheun Janse, Grenzen aan de macht. De Friese oorlog van de graven van Holland omstreeks 1400, Den Haag 1993, blz. 350. 29)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 1A, folio 99 recto. 30)P.N. van Doorninck, Acten betreffende Gelre en Zutphen 1400-1404 uit het staatsarchief te Dusseldorp, Register B no. 25 naar het oorspronkelijke handschrift, Haarlem 1901, blz. 71. 31)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 622, Rekening van de ambtman Aernt heer van Leyenborch van ontvangsten, en van uitgaven, 4-4-1404 – 10-4-1405, folio 8 recto. 32)Gelders Archief, Archief van de familie van Dam van Brakel, nr. 1211, Tijnsboeken Huis Brakel, folio 59 verso. 33)Gelders Archief, Archief van de familie van Dam van Brakel, nr. 7, en Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, VIII.Boek, blz. 188.


67

34)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 1A, folio 105 verso. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 5. 35)Noord-Hollands Archief, Abdij van Egmond, 1140-1574, nr. 12, folio 54 recto, nr. 543, 575, en regest nr. 188, 325 en 490. Zie ook dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen. VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 41 (1986), blz. 507, dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de abdij Egmond, 12 e eeuw-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 53 (1998), blz. 199, 209 en 210, en dr.P.A.Meilink, Het archief van de abdij van Egmond, Tweede Stuk, Regestenlijst, 889-1436, ’s-Gravenhage 1951, nr. 188, 325 en 490. 36)Dr.J.C.Kort, Het oudste leenregister van Culemborg, Bijdragen en Mededelingen van Gelre, jaargang 75 (1984), blz. 40. Zie ook mr.G.J.J. van Wimersma Greidanus, Van Zu(y)len, fouten, feiten en fantasieën, blz. 111, dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Culemborg 1251-1648, Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 57, en W.A. baron Van Spaen La Lecq, Oordeelkundige inleiding tot de Historie van Gelderland, deel III, blz. 239. 37)Dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland, blz. 358 en 389. Zie ook dr.P.A.Meilink, Het archief van de abdij van Egmond, Tweede Stuk, Regestenlijst, 889-1436, nr. 346, dr.H.M.Brokken, Het ontstaan van de Hoekse en Kabeljauwse twisten, Zutphen 1982, blz. 533, en Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 747. 38)Dr.J.M.A.Coenen, Tussen regeren en reageren. Vorst en adel in het dertiende-eeuwse Holland, blz. 49. 39)Dr.H.Bruch, Johannes de Beke, Croniken van den Stichte van Utrecht ende van Hollant, blz. 207. Zie ook dr.Antheun Janse e.a., Johan Huyssen van Kattendijke-kroniek, blz. 371, Jan Wagenaar, Vaderlandsche Historie, vervattende de geschiedenissen der nu Verenigde Nederlanden, inzonderheid die van Holland, van de vroegste tijden af, Derde Deel, Amsterdam 1750, blz. 280 en 295 t/m 297, Antonius Matthaeus, Veteris aevi analecta seu vetera monumenta hactenus nondum visa, deel V, ’s-Gravenhage 1738, blz. 571 en 572, Matthaeus Brouërius van Nidek, Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Outheden, Eerste Deel, Amsterdam 1727, blz. 193, en (samen met Isaak Le Long) Tweede Deel, blz. 7 en 8, Brabants Historisch Informatie Centrum, Archief van de familie De Jonge van Zwijnsbergen, 1760-1960, nr. 1, W.J.C. van Hasselt, Genealogie en aantekeningen familie en kasteel Bloemenstein, Amsterdam 1854, blz. 8 t/m 10, Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 747, Corien Glaudemans, Om die wrake wille. Eigenrichting, veten en verzoening in laat-middeleeuws Holland en Zeeland, diss., Hilversum 2004, blz. 52 en 53, en Ronald de Graaf, Oorlog om Holland 1000-1375, Hilversum 2004, blz. 328 en 329. N.B. In 1355 werd Jan van Bloemenstein als baljuw vervangen door Gijsbrecht van Nijenrode. Pas in 1358 nam Reinoud van Brederode deze functie over. 40)Drs.B.Olde Meierink e.a., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, blz. 541, Jorien Jas e.a. (red.), Kastelen in Gelderland, blz. 202, en Matthaeus Brouërius van Nidek en Isaak Le Long, Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden en Gezigten, Zesde deel, Dordrecht 1771, blz. 34. Zie ook dr.C.Dekker, Het Kromme Rijngebied in de middeleeuwen, blz. 353 en 354, W.J.C.van Hasselt, Genealogie en aantekeningen familie en kasteel Bloemenstein, blz. 2 t/m 4, C.Dekker, De Vikarie van Bloemestein, Tussen Rijn en Lek. Tijdschrift voor de geschiedenis van het gebied tussen Kromme Rijn en Lek, jaargang 13 (1979), nr. 3, blz. 5 en 7, P.S.A. de Wit, Woontorens in zuidoost Utrecht, Tussen Rijn en Lek, jaargang 22 (1988), nr. 1, blz. 30, en Roland Blijdenstijn, Tastbare Tijd. Cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht, Amsterdam 2005, kaart op blz. 210 en 211. 41)Dr.A.J.Maris, Repertorium op de Stichtse Leenprotocollen uit het landsheerlijk tijdvak. I. De Nederstichtse leenacten (1394-1581), nr. 349 en 349a. 42)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 1A, folio 72 recto. 43)Ibidem, folio 191 verso. 44)Gelders Archief, Heerlijkheid Zuilichem, 1353-1825, nr. 11 en 19, dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen. I. Lenen buiten het Land van Ameide, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 433, Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, 1423-1464, nr. 2B, folio 19 verso, en J.Kuys, Dagelijkse heerlijkheden in de Bommeler- en Tielerwaard tot omstreeks het midden van de zeventiende eeuw, Bijdragen en Mededelingen Gelre, jaargang LXX (1978/79), blz. 27 en 28. 45)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 1A, folio 72 recto. 46)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 1A, folio 191 verso. 47)Gelders Archief, Huis Vornholz 1281-1917, nr. 1147, W.A.Beelaerts van Blokland, De Afstamming van het Geslacht van Isendoorn, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXVII (1909), blz. 14 en 15. Zie ook J.D.Wagner, De afstamming van het geslacht van Isendoorn, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXVII (1909), blz. 84, Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 2B, folio 20 verso, folio 28 recto, folio 208 recto en folio 211 verso, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 6. 48)De Tielse kroniek, Boek VI, par. 747. 49)J.R.baron Van Keppel, De stichtster van het klooster Isendoorn te Zutphen, Bijdragen en Mededeelingen der Vereeniging Gelre, jaargang XXXI (1928), blz. 63. 50)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1202, folio 13 recto, nr. 1215, folio 172 recto, en nr. 1239, folio 104 recto en folio 282 recto, en Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 1A, folio 151 recto. 51)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1211, folio 277 recto, en Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312, Deel I, De Meierij van ’s-Hertogenbosch, nr. 143, 144 en 147, en G.Berkelmans, Vrouwen van stand, blz. 64. 52)Brabants Historisch Informatie Centrum, Collectie Van de Mortel, 1358-1925, nr. 124. Zie ook Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, A. van den Bichelaer, Het notariaat in stad en meierij van ’s-Hertogenbosch tijdens de late middeleeuwen (13061531). Een prosopografisch, diplomatisch en rechtshistorisch onderzoek, z.p. z.j., Bijlage II, Regesten van notariële akten, nr. 272.22 (blz. 681 en 682), G.C.A.Juten, Van Brakel-Van Gestel, Taxandria. Tijdschrift voor Noordbrabantsche geschiedenis en volkskunde, jaargang 49 (1942), blz. 114 en 115, Jan Mosmans, De middeleeuwsche notarissen te ’s-Hertogenbosch (van 1326 tot ±1550), ’s-Hertogenbosch 1922, blz. 53, G.Berkelmans, Vrouwen van stand, blz. 64, en ds.E. van Alphen, Uit het verleden van Brakel, Tussen de Voorn en Loevestein, jaargang 11 (maart 1975), blz. 25 en 26.


68

N.B. In 2006 besloten de erfgenamen van de heer Van de Mortel dat het naar hem genoemde archief pas in 2050 (weer) geraadpleegd kan worden. 53)Brabants Historisch Informatiecentrum, Henk Beijers Archiefcollectie, Microfiches van archivalia in het Algemeen Rijksarchief Brussel over Noord-Brabant, Rekeningen van de hoogschout van stad en Meierij van ’s-Hertogenbosch, nr. 2818, juni 1402-maart 1403, nr. 44-1-2-5. 54)Drs.P.Th.J.Kuijer, ’s-Hertogenbosch Stad in het hertogdom Brabant ca. 1185-1629, Zwolle 2000, blz. 93. 55)W.J.Hofdijk, Merkwaardige Kasteelen, I, Leiden 1883, blz. 108. Zie ook Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, VIII.Boek, blz. 202, en dr.Antheun Janse e.a., Johan Huyssen van Kattendijke-kroniek, blz. 420 t/m 424. 56)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 629 (Register van stukken inzake de vete van Arkel, 1405-1412), folio 1 verso, en W. van Gouthoeven, D’oude chronijcke ende historien van Holland (met West-Vriesland) van Zeeland ende van Utrecht. Beginnende vanden jare onses Heeren 449 tot die teghenwoordigh jaer 1620, Dordrecht 1620, eerste deel, blz. 421. Zie ook dr.M.J.Waale, De Arkelse oorlog, 1401-1412. Een politieke, krijgskundige en economische analyse, diss., Hilversum 1990, blz. 245. 57)Dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland, blz. 87 t/m 89. Zie ook Mario Damen en Antheun Janse, Adel in meervoud. Methodologische beschouwingen over comparatief adelsonderzoek in de Bourgondische Nederlanden, Bijdragen en Mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, deel 123 (2008), nr. 4, blz. 525 en 526. 58)Mr.Johan Meerman, Verhaal van het beleg en de verovering van Leyden door hertog Jan van Beijeren in 1420, Verhandelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leyden, Eerste deel, Leiden 1806, blz. 109, 110, 338, 339 en 366, en Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 1274 (rekening van tresorier Boudijn van Zwieten, 29 mei tot 8 oktober 1420). Zie ook Antonius Matthaeus, Veteris aevi analecta seu vetera monumenta hactenus nondum visa, deel III, blz. 383. 59)Dr.M.J.Waale, De Arkelse oorlog, 1401-1412, blz. 123. Zie ook dr.Antheun Janse e.a., Johan Huyssen van Kattendijkekroniek, blz. 427 en 428. 60)Dr.M.J.Waale, De Arkelse oorlog, 1401-1412, blz. 161 t/m 164 en 166. Zie ook Ronald de Graaf, Oorlog om Holland 1000-1375, blz. 36 t/m 38 en 40 t/m 45, en Antheun Janse, Grenzen aan de macht. De Friese oorlog van de graven van Holland omstreeks 1400, blz. 402. 61)Mr.W. de Vries, Bijdragen tot de geschiedenis van het rechterlijk bestel in Gelderland. I. Rechtsgebieden gelegen in het Kwartier van Nijmegen, blz. 146 en 147. 62)J. de Rek, Van Hunebed tot Hanzestad, blz. 299 en 300. Zie ook prof.dr.W.P. Blockmans, drs.G.Pieters, prof. dr.W.Prevenier en drs.R.W.M. van Schaïk, Tussen crisis en welvaart: sociale veranderingen 1300-1500, Algemene Geschiedenis der Nederlanden, Bussum 1980, deel 4, blz. 62. 63)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, 1377-1423, nr. 1A, folio 149 recto. 64)Ibidem, folio 191 verso. 65)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 685, Schildschatting door Franck Pieck in de Tieler- en Bommelerwaard (1434), folio 12 recto (Brakel). 66)Regionaal Archief Nijmegen, Oorkonden Nonnenklooster Maria Magdalena Nijmegen 1250-1562, nr. 3683, en W. van Loon, Groot Gelders Placaet-Boeck, Appendix, Nijmegen 1703, kolom 190. 67)Regionaal Archief Rivierenland, Archieven van de stad Zaltbommel (1293) 1327-1815, nr. 3020/1141, folio 35 verso, en I.A.Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, Eerste Deel, nr. 302. 68)J.H.G.J. van Heeswijk, Iets over de rechterlijke indeling van de Bommelerwaard, Tussen de Voorn en Loevestein, jaargang 6 (1970), nr. 1, blz. 22 en 24, O.Moorman van Kappen e.a., Tieler- en Bommelerwaarden 1327-1977, blz. 23, en W.A. Bachiene, Vaderlandsche Geographie of nieuwe tegenwoordige staat en hedendaagsche historie der Nederlanden. Eerste deel. Eerste stuk, Amsterdam 1791, blz. 322. 69)Mr.B.H.D.Hermesdorf, Rechtsspiegel. Een rechtshistorische terugblik in de Lage Landen van het herfsttij, Nijmegen 1980, blz. 137. 70)Gelders Archief, Heerlijkheid Nederhemert 1, 1217-1893, nr. 123 en 124, mr.E.J.Th. van der Hoop, Kwartieren Isendoorn-Stommel, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XLII (1924), blz. 177 en 178. Zie ook Genealogisch Tijdschrift voor midden- en west-Noord-Brabant en de Bommelerwaard, jaargang 20 (1996), blz. 59, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 6. 71)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 2B, folio 32 verso. 72)H. van Bavel, Regestenboek van het archief van de abdij van Berne, deel II (1400-1500), Heeswijk 1990, nr. 760 en 897. 73)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 643, Rekeningen van de ambtlieden Johan van Vyanen, ridder, en Willem van Holthuysen, van ontvangsten in de Bommeler- en Tielerwaarden, en van uitgaven, 17-7-1454 – 2-6-1455, folio 13 recto. 74)Gelders Archief, Archief van de familie Van Dam van Brakel, nr. 849, Leenboeck Huys Braeckel, folio 6 verso. Zie ook Gelders Archief, Archief van de familie Van Dam van Brakel, nr. 863, Vassalorum van het Huis Brakel, nr. 46. 75)H. van Bavel, Regestenboek Abdij van Berne, deel II, nr. 924. 76)Gelders Archief, Archief van de familie van Dam van Brakel, nr. 849, Leenboeck Huys Braeckel, folio 11 recto. 77)A.H.Schuttelaars, Heren van de Raad. Bestuurlijke elite van ’s-Hertogenbosch in de stedelijke samenleving 1500-1580, Nijmegen 1998, blz. 465, nr. 98, H. van Bavel, Regestenboek Abdij van Berne, deel II, nr. 897 en 924, en G.Berkelmans, Vrouwen van stand, blz. 67. 78)Het Utrechts Archief, Verzameling losse aanwinsten, 1200-1999, gemeentelijke archiefdienst Utrecht (gau), nr. 1054 en 1055, en Genealogie van Zacharias van Arnhem. In: Abraham Ferwerda, Adelyk en aanzienelyk wapenboek van de Zeven Provinciën: waar by gevoegt zyn een groot aantal genealogien van voorname adelyke en aanzienelyke familien: uit veele oude stukken in deeze order gebragt, Leeuwarden 1740-1743.


69

79)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Doorwerth, (1330) 1377-1743 (1758), z.p. z.j., nr. 48 en dr.S.W.A. Drossaers, Het Archief van de Nassause Domeinraad, Tweede Deel, Het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581: Stukken betreffende de rechten en goederen van Anna van Buren, Regestenlijst van oorkonden II (1460-1580), nr. 1621. 80)Gelders Archief, Heerlijkheid Nederhemert 1, 1217-1893, nr. 123. 81)Gelders Archief, Archief van de familie Van der Capellen, 1324-1875, nr. 278, Riddercedul van Gelre van 1468. 82)Gelders Archief, Heerlijkheid Nederhemert 1, 1217-1893, nr. 138 en 147. 83)Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse Geschiedenissen, IX.Boek, blz. 240 en 241. Zie ook De Tielse kroniek, Boek VI, par. 870 en 871. 84)P.H.Witkamp, Geschiedenis der Zeventien Nederlanden, Tweede Deel, Laatste gedeelte, blz. 461. 85)Dr.W.Jappe Alberts, De Staten van Gelre en Zutphen tot 1459, diss., Groningen 1950, blz. 212, en Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse Geschiedenissen, IX.Boek, blz. 243. Zie voor de Drielse affaire ook O.Moorman van Kappen e.a., Tieler- en Bommelerwaarden 1327-1977, blz. 74 t/m 77. 86)Antonius Matthaeus, Veteris aevi analecta seu vetera monumenta hactenus nondum visa, Deel III, blz. 649. 87)Dr.G. de Moor, Verborgen en geborgen. Het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in de Noordwijkse regio (12611574), diss., Hilversum 1994, blz. 94, 273 en 578. 88)Dr.G. de Moor, Verborgen en geborgen. Het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in de Noordwijkse regio (12611574), blz. 20. Zie ook dr.R.R.Post, Kerkelijke verhoudingen in Nederland vóór de Reformatie van ±1500 tot ±1580, Utrecht/Antwerpen 1954, blz. 153, Matthaeus Brouërius van Nidek, Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Outheden, Tweede Deel, blz. 158 en 159, dr.R.C.H.Römer, Geschiedkundig overzigt van de kloosters en abdijen in de voormalige graafschappen van Holland en Zeeland, Eerste afdeeling, Leiden 1854, blz. 294 en 295, en dr.R.R.Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de middeleeuwen, Utrecht/Antwerpen 1957, deel I, blz. 153. 89)E.Koch, Vrouwenkloosters en adel in Gelre en Zutphen (1250-1550), Spiegel Historiael, jaargang 21 (1986), nr. 7/8, blz. 339. Zie ook dr.E.M.F.Koch, De kloosterpoort als sluitpost? Adellijke vrouwen langs Maas en Rijn tussen huwelijk en convent, 1200-1600, diss., Leeuwarden/Mechelen 1994, blz. 62 t/m 70. 90)Nationaal Archief, Abdij van Leeuwenhorst 1200-1571, nr. 88 t/m 96, Nationaal Archief, Regesten van het Archief der Voormalige Abdij Leeuwenhorst te Noordwijkerhout, nr. 568, 571, 572, 587, 610, 621 en 623, en Matthaeus Brouërius van Nidek, Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Outheden, Tweede Deel, blz. 156. 91)Nationaal Archief, Regesten Leeuwenhorst, nr. 601 en 605, en dr.G. de Moor, Verborgen en geborgen. Het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in de Noordwijkse regio (1261-1574), blz. 29, 71 en 84. Zie ook dr.R.R.Post, Kerkelijke verhoudingen in Nederland vóór de Reformatie van ±1500 tot ±1580, blz. 286 t/m 289, en dr.R.C.H. Römer, Geschiedkundig overzigt van de kloosters en abdijen in de voormalige graafschappen van Holland en Zeeland, Eerste afdeeling, blz. 300 en 301. 92)J. de Rek, Van Hunebed tot Hanzestad, blz. 320 en 321. Zie ook dr.R.R.Post, Kerkelijke verhoudingen in Nederland vóór de Reformatie van ±1500 tot ±1580, blz. 230 t/m 238 en 284 t/m 289, en dr.E.M.F.Koch, De kloosterpoort als sluitpost? Adellijke vrouwen langs Maas en Rijn tussen huwelijk en convent, 1200-1600, blz. 78 t/m 93. 93)Matthaeus Brouërius van Nidek, Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Outheden, Tweede Deel, blz. 154, en Nationaal Archief, Regesten Leeuwenhorst, nr. 21. Zie ook drs.Geertruida de Moor, Het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst (1261-1574) en de families Van der Does en Van den Woude, De Nederlandsche Leeuw, jaargang CII (1985), blz. 107. 94)Drs.Geertruida de Moor, Wie stamt af van een Leeuwenhorster non?, Ons Voorgeslacht, jaargang 48 (1993), blz. 416. 95)Gelders Archief, Heerlijkheid Nederhemert 1, 1217-1893, nr. 123 en 129. 96)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 6. 97)Regionaal Archief Nijmegen, Oorkonden Nonnenklooster Maria Magdalena Nijmegen 1250-1562, nr. 3683, en W. van Loon, Groot Gelders Placaet-Boeck, deel II, Appendix, kolom 190 en 191. Zie ook blz. 54 (Goossen van Brakel). 98)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 2B, folio 88 recto. 99)I.A.Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, Vierde Deel, Arnold van Egmond, hertog van Gelre, Arnhem 1847, nr. 307. 100)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4774, folio 93 recto, en nr. 4775, folio 200 recto. ‘Jan van Brakell her Jans soen’ bezat ook grond in Herwijnen in de Tielerwaard, waarvoor hij aan Franck Pieck zes Franse schilden moest betalen, waarbij de ‘scatmeyster’ noteerde dat dit bedrag ‘in Bethu (= Betuwe)’ betaald was. Zie Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 685, Schildschatting door Franck Pieck in de Tieler- en Bommelerwaard (1434), folio 9 verso en 36 recto (Herwijnen). 101)Gelders Archief, Oud Archief Arnhem 1255-1851, regest nr. 880. 102)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 680, Kohier van de omslag der pondschatting in de Neder-Betuwe en de Over-Betuwe, gedaan op last van de landrentmeester Gijsbert van Randwijck en de schatmeester Aelbert van Bemmel, 1466, folio 14 recto, nr. 681, Rekening van de overste rentmeester Gijsbert van Randwijck, de ambtman van Neder-Betuwe Aelbert van Bemmel en van Rutger van Randwijck van ontvangst van schattingen in Neder- en Over-Betuwe, en van uitgaven, 1466/67, folio 35 recto, nr. 684, Rekening van de ambtman Aelbert van Bemmel als schatmeester van ontvangst van de in 1470 toegestane schatting in Neder-Betuwe en Tiel, en van uitgaven, 1470-(1472), folio 20 recto. 103)Gelders Archief, Archief van de familie Van der Capellen, nr. 278, Riddercedul van Gelre van 1468. 104)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4774, folio 93 recto, en nr. 4775, folio 200 recto, Het Utrechts Archief, Archief Rooms-katholiek (RK) St.Agnietenklooster te Rhenen, nr. 31, Cartularium van de akten betreffende de goederen van het St.Agnietenklooster te Rhenen, 1360-1540, samengesteld door de non Anna van Brakel, 1540, met aanvullingen t/m 1544, folio 58 recto en 59 recto, 20-12-1447, dr.J.C.Kort, Leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666, I. Lenen buiten het land van Ameide, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 428, Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 2B, folio 83 verso, en J.Anspach, De voormalige heerschap Ochten in de Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 36 (1886), blz. 73.


70

105)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4775, folio 200 recto. 106)Johan van de Water, Groot Placcaatboek, Tweede deel, Utrecht 1729, blz. 96 en 97. Voor de volledige titel zie Bronnen en Literatuur. 107)Dr.J.C.Kort (m.m.v. drs.R.C.Hol), Wassenaer de oudste. Het archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde in Hollands archiefperspectief. Inventaris van het archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, Hilversum 2002, blz. 88, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen. Namen en stamdeelen van de sedert 1587 verschenen edelen, Den Haag 1899, wapen nr. 15. Zie ook J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in de Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 542, F.H.M.Ouwerling, Genealogie der familie van Leefdael, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXV (1907), blz. 259, G. ’t Hart, Inventaris van het oud-archief der gemeente ’sGravenhage, Tweede Deel, Inventaris en Lijst van plattegronden en prenten. Regestenlijst 1313-1574 – Index, ’s-Gravenhage 1957, regest nr. 104 en 109, Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1996, nr. 1979 t/m 1981 en CXCII, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 8, en nr. 13, blz. 2. 108)Dr.D.Th.Enklaar, Het landsheerlijk bestuur in het Sticht Utrecht aan deze zijde van den IJsel gedurende de regeering van bisschop David van Bourgondië 1456-1496, diss., Utrecht 1922, blz. 124, 188, 198 en 200. 109)Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1996, nr. 1984 en CXCIV. Zie ook dr.J.C.Kort, Wassenaer de oudste, blz. 88. 110)Ibidem. 111)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 3. 112)Jkvr.dr.J.M. van Winter, Ministerialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen, tabel C, nr. 10. 113)Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, IX.Boek, blz. 267. 114)G. van Hasselt’s Roozendaal als de prachtigste bezitting van de Geldersche graven en hertogen en derzelver hofhouding aldaar, Arnhem 1808, blz. 379. Voor het zegel van Sweder van Brakel, bevestigd aan een brief van 26 november 1473, zie Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, Charterverzameling 1226-1792, nr. 2272/2. 115)I.A.Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, Vierde Deel, nr. 532. 116)Regionaal Archief Rivierenland, Buerspraeckboeck vann Tyell 1458-1542, folio 38 recto (1481), folio 40 verso (1482), folio 41 verso (1483), folio 44 recto (1484), folio 46 recto (1485) en folio 46 verso (1487). Zie ook dr.J.S. van Veen, Rechtsbronnen der stad Tiel, Den Haag 1901, 1481 t/m 1485 en 1487. 117)Het Utrechts Archief, Archief St.Agnietenklooster te Rhenen, 1369-1771, nr. 31, folio 134 verso, en nr. 149. 118)Het Utrechts Archief, Kapittel van Oudmunster te Utrecht 1179-1811 (1829), nr. 805-4 en 805-5, 13 april 1459. 119)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, 1473(-1486), nr. 4D ‘Eerste Leenboeck vanden landen van Gelre ende van Zutphen, Caroli ducis Bourgondië’, folio 22 recto. Zie ook Gelders Archief, Archief van de familie Van Dam van Brakel, nr. 849, Leenboeck Huys Braeckel, folio 15 recto en verso, folio 16 recto, folio 17 verso en 18 recto. 120)Gelders Archief, Heerlijkheid Zuilichem, nr. 25. Zie ook Gelders Archief, Archief van de familie van Dam van Brakel, nr. 1211, Tijnsboeken Huis Brakel, folio 51 recto, en Gelders Archief, Heerlijkheid Nederhemert 1, 1217-1893, nr. 217. 121)Regionaal Archief Rivierenland, Archieven van het Ambtsbestuur van Bommel en de Bommelerwaard en van de dijkstoelen in de Bommelerwaard 1580-1837 (1842), nr. 744, Contract tussen Brakel en Poederoyen, wegens het leggen van een dwarsdijk, 1478. 122)Gelders Archief, Leenkamer Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 6 E ‘Renoy’; Kwartier van Nijmegen, 1481-1489, folio 18 recto. 123)Dr.G. de Moor, Verborgen en geborgen. Het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in de Noordwijkse regio (12611574), blz. 569, 577 en 579. Zie ook Hugo Franciscus van Heussen, Oudheden en gestichten van Rhynland, blz. 633, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 8. 124)Dr.G. de Moor, Verborgen en geborgen. Het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in de Noordwijkse regio (12611574), blz. 614. 125)A.H.Martens van Sevenhoven, Inventaris van het archief van het Kapittel van St.Maria op het Hof te ’s-Gravenhage, 1276-1571, ’s-Gravenhage 1914 (lijst van kanunniken), H.F. van Heussen en H. van Rijn, Oudheden en Gestichten van Delft en Delfland mitsgaders van ’s-Gravenhage, Leiden 1720, blz. 363, en Nationaal Archief, Regesten Leeuwenhorst, nr. 572 en 574. 126)Dr.G. de Moor, Verborgen en geborgen. Het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in de Noordwijkse regio (12611574), blz. 609. 127)Regionaal Archief Leiden, Archieven van de kloosters (1310) 1393-1572 (1655), nr. 1243, Necrologium van het klooster Mariënhaven, folio 41 verso. Zie ook dr.G. de Moor, Verborgen en geborgen. Het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in de Noordwijkse regio (1261-1574), blz. 609. 128)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 9, blz. 32 en 33. Zie voor zijn wapen L.J.Boogmans, De glazen der Grootte- of St.Jacobskerk. In: Jaarboek Geschiedkundige Vereniging Die Haghe (1903), blz. 136. Opvallend is dat de twee zalmen in een veld van ‘sinopel (= zwart)’ i.p.v. rood staan. Is hier sprake van een breuk van het wapen Van Brakell of heeft de glazenier zich vergist? 129)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank in de Eninge van Oisterwijk, 1418-1811, inventarisnr. 213, Algemeen Protocol 11 januari 1509 - 7 januari 1510, los blad bij folio 44 recto. 130)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 9F ‘Primus liber feodorum Caroli de Egmont’, 1492-1513, folio 91 recto, en Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 213, los blad bij folio 44 recto. 131)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 6E, folio 20 recto, en Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 9F, folio 15 recto. 132)Gelders Archief, Archief van de familie van Dam van Brakel, nr. 7. 133)Het Utrechts Archief, Kapittel van Oudmunster, nr. 805-6, 5 november 1494.


71

134)Gelders Archief, Archief van de familie De Cock van Opijnen 1348-1666, nr. 44. 135)J.Anspach, De voormalige heerschap Malsen en het geslacht van Malsen, Leerdam 1894, blz. 50 en 51. 136)Het Utrechts Archief, Kapittel van Oudmunster, nr. 805-6, 5 november 1494. 137)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, 10f ‘dat nu leenboeck, secundus Caroli de Egmonde’, 1513-1518, folio 10 recto. 138)Ibidem. 139)Gelders Archief, Archief van de familie Van Dam van Brakel, nr. 849, Leenboeck Huys Braeckel, folio 46 recto. 140)Gelders Archief, Archief van de familie Van Dam van Brakel, nr. 849, Leenboeck Huys Braeckel, folio 46 verso en 47 recto. 141)Mr.J.A.M.Hoekx, drs.G.Hopstaken, drs.A.M. van Lith-Droogleever Fortuijn en dr.J.G.M. Sanders, Kroniek van Molius. Een zestiende-eeuwse Bossche priester over de geschiedenis van zijn stad, ’s-Hertogenbosch 2003, blz. 235. Zie ook dr.Leo Adriaenssen, Staatsvormend geweld. Overleven aan de frontlinies in de meierij van Den Bosch, 1572-1629, diss., Tilburg 2007, blz. 49. 142)Het Utrechts Archief, Kapittel van Oudmunster, nr. 805-7, 22 april 1523. 143)Gelders Archief, Leenkamer Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 12, ‘Quartus liber ducis Caroli de Egmond’, 1518-1537, folio 54 recto. 144)Gelders Archief, Leenkamer Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 13, ‘Ultimus liber ducis Caroli de Egmondt’, 1527-1538, folio 130 recto. 145)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 13, folio 129 verso. 146)Gelders Archief, Archief van de familie Van Dam van Brakel, nr. 849, Leenboeck Huys Braeckel, folio 46 recto en verso, en 47 recto. 147)Gelders Archief, Leenkamer Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 13, folio 129 verso. 148)Gelders Archief, Heerlijkheid Zuilichem, nr. 41, en Gelders Archief, Archief van de familie van Dam van Brakel, nr. 1211, Tijnsboeken Huis Brakel, folio 101 verso en 102 recto. 149)Het Utrechts Archief, Verzameling losse aanwinsten (gau), nr. 390. 150)Nationaal Archief, Archief Mackay van Ophemert 1370-1968 (1994), nr. 1171, folio 7 recto. 151)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 40, Z. van Doorn, Riebeeck, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXXXIV (1967), blz. 173, J.H.G.J. van Heeswijk, De ambtmannie of het ambtmanschap, Tussen de Voorn en Loevestein, jaargang 5 (1969), nr. 3, blz. 60 en 61, Regionaal Archief Rivierenland, Hoge Bank van Zuilichem, nr. 3, folio 46 recto, A.J.Stasse, Van Malborch-Van Haeften, De Nederlandsche Leeuw, jaargang CXX (2003), blz. 61, dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Altena, 1232-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 191, Peter van Eeten, Nog eens het geslacht Van Giessen, Genealogisch Tijdschrift voor midden- en westNoord-Brabant en de Bommelerwaard, jaargang 11 (1987), blz. 285 t/m 289, Nationaal Archief, Archief Mackay van Ophemert, nr. 912 en 995, Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), civiele procesdossiers 15431811, nr. 5009, proces nr. 10, Gelders Archief, Gelderse Landdagsrecessen 1581-1798, Landdag 10-17 augustus 1591 te Arnhem, nr. 099, Landdag 8-19 februari 1592 te Nijmegen, nr. 001, Ordinaris Landdag 19-27 april 1609 te Nijmegen, nr. 001 en 079, Gelders Archief, Diverse charters, nr. 1916, dr.N.Japikse, Resolutiën der Staten-Generaal van 1576 tot 1609, Achtste deel 1593-1595, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 57, ’s-Gravenhage 1925, blz. 155 en 367, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 9 en 10. 152)Het Utrechts Archief, Kapittel van Oudmunster, nr. 1762-1 en 1762-2, 5 september 1380. 153)Drs.A.S.M.Siebelt, Geestelijken, verbonden aan de St.Maartenskerk te Zaltbommel, Tussen de Voorn en Loevestein, jaargang XXIII (1987), nr. 1, blz. 1. 154)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de graaf van Holland in Gelre 1279-1646, Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 780. 155)Dr.S.W.A.Drossaers, Het Archief van de Nassause Domeinraad, Tweede Deel, Het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581: Stukken betreffende de rechten en goederen van Anna van Buren, Regestenlijst van oorkonden I (c. 11661459), nr. 446. 156)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666, VII. De lenen in het land van Hagestein, Ons Voorgeslacht, jaargang 41 (1986), blz. 376. 157)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 294. 158)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 293 en 294. 159)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 624, Rekening van (de ambtman) Arnt van Lyenen van ontvangsten, en van uitgaven, 28-9-1407 – 5-10-1408, folio 2 recto. 160)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 630, Rekeningen van (de ambtman) Jan van Meerten van ontvangsten en van uitgaven, 13-7-1414 – 13-7-1415, folio 13 recto. 161)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 622, Rekening van de ambtman Aernt heer van Leyenborch van ontvangsten, en van uitgaven, 04-04-1404 – 10-04-1405, folio 4 recto, en Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 1A, folio 71 verso. 162)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 272. 163)Jhr.mr.W.A.Beelaerts van Blokland, De heerlijkheid Gameren, Bijdragen en Mededeelingen der Vereeniging Gelre, jaargang XXVIII (1925), blz. 57. 164)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 685, Schildschatting door Franck Pieck in de Tieler- en Bommelerwaard (1434), folio 34 verso (Beesd). Zie ook Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr 2B, folio 86 verso.


72

165)Gelders Archief, Heerlijkheid Zuilichem, nr. 11. Zie ook J.Kuys, Dagelijkse heerlijkheden in de Bommeler- en Tielerwaard tot omstreeks het midden van de zeventiende eeuw, blz. 28. 166)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, 1292-1666, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 41 (1986), blz. 764. 167)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, 1292-1666, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 41 (1986), blz. 745. 168)Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht. Deel 27 (1901), blz. 175. 169)Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht. Deel 27, blz. 153 en 175. 170)Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht. Deel 27, blz. 175. 171)Ibidem. 172)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de Hagesteinse lenen van de hofstede Culemborg, 1358-1640, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 129, en dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 272. 173)Jhr.mr.A.M.C. van Asch van Wijck, Ongedagteekende oorkonden uit het laatst der 14 e en het begin der 15e eeuw, meer bepaaldelijk behoorende tot het tijdvak der regering van Reinald, hertog van Gelre. In: Codex Diplomaticus Neerlandicus. Verzameling van oorkonden, betrekkelijk de vaderlandsche geschiedenis. Tweede serie. Derde deel. Eerste afdeeling, Utrecht 1855, blz. 468. 174)Jhr.mr.A.M.C. van Asch van Wijck, Ongedagteekende oorkonden uit het laatst der 14 e en het begin der 15e eeuw, In: Codex Diplomaticus Neerlandicus. Tweede serie. Derde deel. Eerste afdeeling, blz. 400. 175)Jhr.mr.A.M.C. van Asch van Wijck, Nadere oorkonden uit het archief van Buren. In: Codex Diplomaticus Neerlandicus. Tweede serie. Derde deel. Eerste afdeeling, Utrecht 1855, blz. 112. 176)Het Utrechts Archief, Kapittel van Oudmunster, nr. 805-2 en 805-3, 23 maart 1433. 177)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 1A, folio 99 recto en folio 232 verso, en Genealogisch Tijdschrift voor Midden- en West-Noord-Brabant en de Bommelerwaard, jaargang 15 (1991), Gerrit van Genderen, Kwartierstaat van Genderen-Groeneveld, blz. 159. 178)Gelders Archief, Heerlijkheid Zuilichem, nr. 9. 179)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 635 en 640, Rekening van (de ambtman) Franck Pieck van ontvangsten, en van uitgaven, 13-7-1423 – 13-7-1424, folio 3 verso, en 13-7-1438 – 13-7-1439, folio 1 recto. 180)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 1A, folio 232 verso, en Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer-Duvenvoorde 1226-1996, CXCV en nr. 1985. Zie ook mr.A.P. van Schilfgaarde, Het adellijk geslacht Van Rossem, blz. 137 en 138. 181)Genealogisch Tijdschrift voor Midden- en West-Noord-Brabant en de Bommelerwaard, jaargang 15 (1991), Kwartierstaat Van Genderen-Groeneveld, blz. 158 en jaargang 20 (1996), blz. 59. Zie ook hoofdstuk IV, noot nr. 8. 182)Ibidem. Zie ook Gelders Archief, Heerlijkheid Nederhemert 1, 1217-1893, nr. 123 en 138. 183)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1209, folio 358 verso, nr. 1212, folio 22 recto, nr. 1227, folio 240 verso, nr. 1228, folio 338 recto, en nr. 1229, folio 298 verso, Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Schepenbank Helmond, 1396-1810, nr. 3801-1308. Zie ook dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666, I. Lenen buiten het land van Ameide, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 434. 184)Gelders Archief, L.F. van Gent, Register op de leenactenboeken van in Holland gelegen leenkamers betreffende leengoederen, gelegen in Gelderland, z.p. z.j., blz. 41 (nr. 77). 185)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 685, Schildschatting door Franck Pieck in de Tieler- en Bommelerwaard (1434), folio 12 recto (Brakel). 186)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666, I. Lenen buiten het land van Ameide, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 434. 187)Gelders Archief, Huis Ammerzoden 1362-1857, nr. 19, folio 252 recto, en Gelders Archief, Heerlijkheid Zuilichem, nr. 13, 15 en 18. 188)Regionaal Archief Rivierenland, Collectie handschriften Stadsarchief Tiel 1350-heden, nr. 84, deel 91, folio 7 recto. Zie ook deel 91, folio 11 verso. 189)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1209, folio 358 verso, nr. 1212, folio 22 recto, nr. 1229, folio 298 verso, en nr. 1232, folio 36 verso, Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Schepenbank Helmond, 1396-1810, nr. 3796-398, Jan Timmers, Leenregisters van de Commanderij Gemert 1387-1785, Gemert, oktober 2003, blz. 5, drs.Mechelien H.M.Spiering, Spierinc(x) in Brabant, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XCVI (1979), blz. 6, en A.F.N. van Asten, Voorzaten van Jan van Amstel, scheepskapitein, De Brabantse Leeuw, jaargang 23, nr. 1 en 2 (jan/febr. 1974), blz. 3 en 4. Zie ook dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666, I. Lenen buiten het land van Ameide, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 434, en A.Matthaeus, Veteris aevi analecta seu vetera monumenta hactenus nondum visa, deel II, ’sGravenhage 1738, blz. 323 en 324. 190)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1251, folio 413 recto, en A.Matthaeus, Veteris aevi analecta seu vetera monumenta hactenus nondum visa, deel II, blz. 323 en 324. 191)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1219, folio 269 recto, en nr. 1220, folio 343 verso. 192)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 685, Schildschatting door Franck Pieck in de Tieler- en Bommelerwaard (1434), folio 12 recto (Brakel). 193)Gelders Archief, Archief van de familie Van Dam van Brakel, nr. 849, Leenboeck Huys Braeckel, folio 6 verso, Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, 1465-1470, nr. 3C ‘Liber feudorum de anno LXV ducis Adolphi’, folio 41 verso, en Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1239, folio 246 recto. Zie ook Gelders Archief, Archief van de familie Van Dam van Brakel, nr. 863, Vassalorum van het Huis Brakel, nr. 38 en 39. 194)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 2B, folio 39 recto, en Gelders Archief, Heerlijkheid Zuilichem, nr. 12 en 13.


73

195)Gelders Archief, Heerlijkheid Zuilichem, nr. 12. 196)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 2B, folio 39 recto. 197)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666, I. Lenen buiten het Land van Ameide, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 435. 198)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 685, Schildschatting door Franck Pieck in de Tieler- en Bommelerwaard (1434), folio 14 recto (Zuilichem). 199)W. van Dam van Brakel, Opschriften van kerkklokken, De Navorscher, jaargang 4 (1854), blz. LXXXIV. 200)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 1A, folio 232 verso. 201)Gelders Archief, Heerlijkheid Nederhemert 1, 1217-1893, nr. 116, en Gelders Archief, Heerlijkheid Zuilichem, nr. 10. 202)Regionaal Archief Rivierenland, Bronnen en Indexen, nr. 54, en ds.E. van Alphen, Zegels en wapens van de Bommelerwaard, Deventer 1970, blz. 14. 203)Regionaal Archief Nijmegen, Oorkonden Nonnenklooster Maria Magdalena Nijmegen 1250-1562, nr. 3682, en Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, IX.Boek, blz. 234. Zie ook P.Nijhoff, Inventaris van het oud archief der gemeente Nijmegen, blz. 39, en dr.E.J.Th.A.M.A.Smit en H.J.Kers, De Geschiedenis van Tiel, blz. 50. 204)Gelders Archief, Archief van de familie Van der Capellen, nr. 278, Riddercedul van Gelre van 1468. 205)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 1A, folio 232 verso. 206)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666. I. Lenen buiten het Land van Ameide, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 423. Zie ook L.F. van Gent, Register op de leenactenboeken van in Holland gelegen leenkamers betreffende leengoederen, gelegen in Gelderland, blz. 41 (nr. 77). 207)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 2B, folio 37 recto. 208)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 685, Schildschatting door Franck Pieck in de Tieler- en Bommelerwaard (1434), folio 12 recto (Brakel). 209)Het Utrechts Archief, Kapittel van Oudmunster, nr. 1820. 210)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 3C, folio 31 verso en 32 recto. 211)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 683, Kohier van de omslag der schatting van Neder-Betuwe, gedaan (door Aelbert van Bemmel en Reiner van Wye als schatmeesters met assistentie van de schrijver Gerardus Rogman), 1470, folio 45 recto. 212)J.Kossmann-Putto, Het heimelijk gerecht. Het Westfaalse veemgerecht en de Noordelijke Nederlanden in de late middeleeuwen, Hilversum 1993, blz. 53, 54, 187 en 188. 213)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 4D, folio 23 verso. 214)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 2B, folio 39 recto. 215)Antonius Matthaeus, Veteris aevi analecta seu vetera monumenta hactenus nondum visa, deel III, blz. 650. 216)Regionaal Archief Nijmegen, Oorkonden Nonnenklooster Maria Magdalena Nijmegen 1250-1562, nr. 3683. 217)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4774, folio 88 recto en 98 recto, en nr. 4775, folio 86 recto. 218)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 680, Kohier van de omslag der pondschatting in de Neder-Betuwe en de Over-Betuwe, gedaan op last van de landrentmeester Gijsbert van Randwijck en de schatmeester Aelbert van Bemmel, 1466, folio 6 verso; nr. 681, Rekening van de overste rentmeester Gijsbert van Randwijck, de ambtman van Neder-Betuwe Aelbert van Bemmel en van Rutger van Randwijck van ontvangst van schattingen in Neder- en Over-Betuwe, en van uitgaven, 1466/67, folio 4 verso; nr. 683, Kohier van de omslag der schatting van Neder-Betuwe, gedaan (door Aelbert van Bemmel en Reiner van Wye als schatmeesters met assistentie van de schrijver Gerardus Rogman), 1470, folio 36 recto; nr. 684, Rekening van de ambtman Aelbert van Bemmel als schatmeester van ontvangst van de in 1470 toegestane schatting in Neder-Betuwe en Tiel, en van uitgaven, 1470-(1472), folio 36 verso, en I.A.Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland , Vierde Deel, nr. 307. 219)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 685, Schildschatting door Franck Pieck in de Tieler- en Bommelerwaard (1434), folio 33 recto en 37 verso (Rumpt), en nr. 707, Register van restanten in steden en ambten van de Veluwe, het land van Zutphen en het kwartier van Nijmegen, in Grave, het land van Cuijk en in de Duffel, (voor 1434; na 1464?), folio 25 verso. Zie ook Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 2B, folio 49 recto. 220)Gelders Archief, Archief van de familie Van der Capellen, nr. 278, Riddercedul van Gelre van 1468. 221)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 612, Rekeningen van de ambtman van Neder-Betuwe, tevens richter van Tiel, Aelbert van Bemmel van ontvangsten, en van uitgaven. Als ambtman 13-5-1469 – 13-7-1470, folio 9 verso. 222)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, XIV libri, liber I, folio 111 verso en 112 recto, liber II, folio 14 recto en verso. Zie ook liber I, folio 33 recto en verso (17-9-1464), folio 67 recto (1467), en folio 88 verso (geen datum), I.A.Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, Vierde Deel, nr. 477 (zie ook blz. CXXII), en Gelders Archief, Oud Archief Arnhem, regest nr. 1008. In deze akte van 7 februari 1465 wordt ‘Theodericus van Brakell’ secretaris van hertog Adolf genoemd. 223)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, XIV libri, liber I, folio 120 verso, P.O. van der Chijs, De munten der voormalige graven en hertogen van Gelderland, van de vroegste tijden tot aan de Pacificatie van Gend, Haarlem 1852, blz. 278, en Munten Catalogus Nijmegen. Hertogdom Gelre 1339-1581. 224)A.G. van Dalen, Van Bourgondië tot Oostenrijk. Gelre van 1477 tot 1483, naar de briefwisseling van Oswald, Heer van den Bergh, Bijdragen en Mededeelingen der Vereeniging Gelre, jaargang LIX (1960), bijlage LXVIII, blz. 123. 225)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4775, folio 86 recto. 226)Ibidem. 227)Ibidem. 228)Ibidem, en Regionaal Historisch Centrum Zuidoost Utrecht, Ewoud- en Elisabethgasthuis te Wijk bij Duurstede 13771930, nr. 179. 229)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4775, folio 86 recto.


74

230)I.A.Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, Vierde Deel, blz. CXXII. 231)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, XIV libri, liber I, folio 111 verso en 112 recto, en liber II, folio 14 recto en verso. 232)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 4D, folio 24 recto. Zie ook Brabants Historisch Informatie Centrum, Illustre Lieve Vrouwe Broederschap in ’s-Hertogenbosch, nr. 120, Rekening 14691478, folio 46 verso. 233)J.A.E.Kuys, De ambtman in het kwartier van Nijmegen, ca. 1250-1543, Nijmegen 1987, blz. 345. 234)Regionaal Archief Rivierenland, Buerspraeckboeck vann Tyell 1458-1542, folio 22 recto en verso (1471), folio 23 recto (1472), folio 24 recto (1473), folio 31 verso (1477) en folio 33 verso (1478). Zie ook dr.J.S. van Veen, Rechtsbronnen der stad Tiel, 1471 t/m 1473, 1477 en 1478, mr.E.D.Rink, Bijvoegsels en bijlagen tot de beschrijving der stad Tiel, Tiel 1836, blz. 1, 2 en 25, en mr.E.D. Rink, Vervolg van bijvoegsels en bijlagen tot de beschrijving der stad Tiel, Tiel 1847, blz. 72 en 73. Zie voor het bestuur van de stad Tiel dr.E.J.Th.A.M.A.Smit en H.J.Kers, De Geschiedenis van Tiel, blz. 48 t/m 50. 235)Regionaal Archief Nijmegen, Oorkonden Nonnenklooster Maria Magdalena Nijmegen 1250-1562, nr. 3683, en W. van Loon, Groot Gelders Placaet-Boeck, deel II, Appendix, kolom 190 en 191. 236)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 685, Schildschatting door Franck Pieck in de Tieler- en Bommelerwaard (1434), folio 12 recto (Brakel). 237)Gelders Archief, Archief van de familie Van Dam Van Brakel, nr. 849, Leenboeck Huys Braeckel, folio 1 verso en 2 recto. Zie ook Gelders Archief, Archief van de familie Van Dam van Brakel, nr. 863, Vassalorum van het Huis Brakel, nr. 16. 238)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666, I. Lenen buiten het land van Ameide, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 423, en L.F. van Gent, Register op de leenactenboeken van in Holland gelegen leenkamers betreffende leengoederen, gelegen in Gelderland, blz. 42 (nr. 84). 239)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 707, Register van restanten in steden en ambten van de Veluwe, het land van Zutphen en het Kwartier van Nijmegen, in Grave, het land van Cuijck en in de Duffel, (voor 1434; na 1464?), folio 21 recto. 240)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 4D, folio 24 recto. 241)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4775, folio 86 recto. 242)Ibidem, en Brabants Historisch Informatie Centrum, Illustre Lieve Vrouwe Broederschap in ’s-Hertogenbosch, nr. 123, Rekening 1495-1501, folio 342 verso. 243)Regionaal Archief Rivierenland, Collectie handschriften Stadsarchief Tiel 1350-heden, nr. 796. Zie ook Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 4D, folio 24 verso, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 9. 244)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 296, folio 5 recto, Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4775, folio 86 recto, en mr.A.P. van Schilfgaarde, Het adellijk geslacht Van Rossem, blz. 144. 245)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4775, folio 86 recto, 246)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 294, folio 15 recto en verso, folio 19 verso, folio 22 verso en folio 29 verso, en nr. 295, folio 11 verso en folio 13 recto. Zie ook dr.J.S. van Veen, Rechtsbronnen der stad Tiel, 1525, en mr.A.P van Schilfgaarde, Het adellijk geslacht Van Rossem, blz. 144. 247)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 295, folio 34 verso, en nr. 298, folio 12 recto. 248)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 298, folio 12 recto, en Regionaal Archief Rivierenland, Oud archief Tiel, 1352-1812, nr. 507, folio 21 recto. 249)Regionaal Archief Rivierenland, Extracten uit het schepensignaat betreffende de verkiezing van de raad en zijn leden, gewaarmerkt door de secretaris Stoir (16e eeuw) 1540-1556, geen folionummering, 1540, 1549, 1554 en 1556, en Oud-Archief Tiel 1352-1812, nr. 1852, Schepenvonnis betreffende het toestaan van een uitweg over het land ‘de Ridderweyde’ (9 augustus 1550), Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 295, folio 13 recto, nr. 296, folio 1 recto, nr. 298, folio 29 recto, folio 92 recto, folio 107 verso, folio 115 verso, folio 141 recto en folio 172 verso, nr. 299, folio 1 recto (‘omslag’), folio 42 recto en folio 82 recto, Gelders Archief, Familie Van Tuyll van Bulckestein 1344-1664, nr. 62, en Ridderlijke Duitsche Orde (RDO)-Balije van Utrecht, Oud Archief over de periode 1200-1811 (OA), nr. 2921.0.0.1. Zie ook dr.J.S. van Veen, Rechtsbronnen der stad Tiel, 1535 en 1536, mr.E.D.Rink, Beschrijving der stad Tiel, blz. 312, mr.E.D.Rink, Vervolg van bijvoegsels en bijlagen tot de beschrijving der stad Tiel, blz. 94 en 95. 250)Regionaal Archief Rivierenland, Stadsarchief Tiel, Collectie handschriften, nr. 84, deel 91, folio 81 recto. 251)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 298, folio 115 verso. 252)Regionaal Archief Rivierenland, Buerspraeckboeck vann Tyell 1458-1542, folio 4 verso en 5 recto (1459) en Kalendarium van Tiel, Historische werkgroep Tiel van de Vereniging Oudheidkamer voor Tiel en omstreken, III-19. 253)Dr.J.S. van Veen, Rechtsbronnen der stad Tiel, 1487, 1518 en 1519. 254)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 620 (Groot register Gelre EL.30 van akten van graaf Willem III, lopend over 1319-1334), folio 6 recto, en nr. 707 (Register EL.43 van akten van belening door hertog Willem V, lopend over 1351-1356, inzake Gelre), folio 87 t/m 92, jhr.dr.W.A.Beelaerts van Blokland, De oudste lijst van Hollandsche leenmannen in Gelderland, blz. 159, dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de graaf van Holland in Gelre 1279-1646, Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 780, en P.N. van Doorninck, Leenacten betreffende Geldersche goederen, 1313-1334. Uit het grafelijkheidsregister van Holland genaamd: Ghelre E.L.30, berustende in het Rijksarchief te ’s-Gravenhage, blz. 267. 255)Ibidem.


75

256)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 620, folio 9 verso, en nr. 707, folio 87 t/m 92, jhr.dr. W.A.Beelaerts van Blokland, De oudste lijst van Hollandsche leenmannen in Gelderland, blz. 160, dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de graaf van Holland in Gelre 1279-1646, Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 780, en L.F. van Gent, Register op de leenactenboeken van in Holland gelegen leenkamers betreffende leengoederen, gelegen in Gelderland, blz. 42 (nr. 80). 257)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 620, folio 6 recto, en nr. 707, folio 87 t/m 92, jhr.dr. W.A.Beelaerts van Blokland, De oudste lijst van Hollandsche leenmannen in Gelderland, blz. 159, dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de graaf van Holland in Gelre 1279-1646, blz. 780, P.N. van Doorninck, Leenacten betreffende Geldersche goederen, 1313-1334, blz. 267, en L.F. van Gent, Register op de leenactenboeken van in Holland gelegen leenkamers betreffende leengoederen, gelegen in Gelderland, blz. 42 (nr. 79). 258)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 620, folio 12 recto, en nr. 707, folio 87 t/m 92, jhr.dr. W.A.Beelaerts van Blokland, De oudste lijst van Hollandsche leenmannen in Gelderland, blz. 161, dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de graaf van Holland in Gelre 1279-1646, Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 780 en 781, P.N. van Doorninck, Leenacten betreffende Geldersche goederen, 1313-1334, blz. 269, en L.F. van Gent, Register op de leenactenboeken van in Holland gelegen leenkamers betreffende leengoederen, gelegen in Gelderland, blz. 42 (nr. 81). 259)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 1219, folio 28 recto. 260)Abraham Kemps Leven der Doorluchtige Heeren van Arkel, Ende Jaar-Beschrijving der Stad Gorinchem, Heerlijkheyd, ende Lande van Arkel, onder desselfs Heeren, ook onder de Graven van Holland, tot den Jare 1500, Gorinchem 1656, blz. 96. 261)Brabants Historisch Informatie Centrum, Microfiches van archivalia in Algemeen Rijksarchief Brussel over Noord-Brabant, inventarisnr. 4, Leenboek van Brabant, Limburg en de Landen van Overmaze, zgn. ‘Spechtboek’, aangelegd 1374, bijgehouden tot ca. 1460, folio 204 verso, inventarisnr. 2, Leenboek van Brabant, Limburg en de Landen van Overmaze, zgn. ‘Stootboek’, aangelegd ca. 1350, bijgehouden tot ca. 1370, met enige nog latere aantekeningen tot ca. 1380, folio 48 verso, en inventarisnr. 11, Leenboek van Brabant, zgn. ‘Edaboek’, aangelegd ca. 1460, bijgehouden tot ca. 1465, folio 63 verso. Zie ook Brabants Historisch Informatiecentrum, Collectie Schaduwarchieven, inventarisnr. 274, folio 48 verso, inventarisnr. 275, blz. 54 (Stootboek), inventarisnr. 276, folio 204 verso (Spechtboek), en inventarisnr. 278, folio 392 recto (Eda Boeck). 262)Brabants Historisch Informatie Centrum, Henk Beijers Archiefcollectie, Microfiches van archivalia in ARA Brussel over Noord-Brabant, Gecombineerde rekening van hoogschout stad en Meierij ’s-Hertogenbosch, laagschout van ’s-Hertogenbosch en de kwartierschouten van Kempenland, Peelland, Oisterwijk en Maasland, nr. 2784, augustus 1387-januari 1388, nr. 008-1-1-10. 263)Regionaal Archief Tilburg, Oorkonden uit Midden-Brabant voor 1418 - periode 1375-1399, verzameld en bewerkt door Wim de Bakker, Tongerlo, Charters 968 (21-10-1391) en Tongerlo afschriften (16-3-1393). 264)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, 1418-1811, inventarisnr. 148, Protocol van transporten, erven, erfcijnsen, obligaties en erfdelingen (waarin sedert de 16e eeuw mede enige testamenten en sedert de 17e eeuw (“allerhande akten”) jaarprotocol lopende (tenzij anders vermeld) van gezworen Maandag to gezworen Maandag, 1433-1434, folio 26 recto. 265)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 148, folio 30 verso. 266)Nationaal Archief, Archief Mackay van Ophemert, nr. 1555, en dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen, gehouden van Willem van Duvenvoorde of van de hofstede Oosterhout, 1325-1645 (1654), Ons Voorgeslacht, jaargang 60 (2006), nr. 44. Zie ook dr.J.C.Kort, Het archief van de graven van Holland 889-1581. I. Inleiding, ’s-Gravenhage 1981, blz. 108 en 109, C.R.Hermans, Analytische opgave der gedrukte charters, diploma’s, handvesten, plakaten, keuren, ordonnantiën, reglementen en andere staatsstukken, betrekkelijk de provincie Noord-Braband, van het Jaar 704 tot en met het Jaar 1648, blz. 135, dr.J.C. Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in de Grote Zuidhollandse Waard (1276-1650), Ons Voorgeslacht, jaargang 51 (1996), blz. 305 en 306, en Frans van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, Derde Deel, Leiden 1754, blz. 359. 267)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 148, folio 26 recto en 30 verso. 268)Ibidem. 269)Luud de Brouwer en Wim de Bakker, Cijnsboek Abdij van Tongerlo 1362-1374, z.p. 2001, nr. 22, Luud de Brouwer en Wim de Bakker, Cijnsboek Abdij van Tongerlo 1385 (1375?) tot 1405, z.p. 2001, nr. 47, Luud de Brouwer, Cijnzen van Tongerlo te Udenhout in 1430 (-1435?), z.p. 2001, nr. 19, Luud de Brouwer en Wim de Bakker, Cijnzen van Tongerlo te Udenhout in 1435-1445, z.p. 2001, nr. 21, en Henk Beijers, Jonker Marcus van Gerwen 1565-1645. Kasteelheer te Sint Oedenrode en de laatste ‘Spaanse’ kwartierschout van Peelland tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Notities vanuit het Kwartiersarchief van Peelland, deel 1, Vught 2005, blz. 44. 270)Brabants Historisch Informatie Centrum, Henk Beijers Archiefcollectie, Microfiches van archivalia in ARA Brussel over Noord-Brabant, Gecombineerde rekening van de hoogschout van stad en Meierij van ’s-Hertogenbosch, de laagschout van ’sHertogenbosch en de kwartierschouten van Kempenland, Peelland, Oisterwijk en Maasland, nr. 2808, 8 juli 1399-4 maart 1400, nr. 34-1-1-3. 271)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 1A, folio 70 verso. 272)Ibidem, en Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1996, CXC. 273)J.N.A.Groenendijk, Het geslacht Van Brakel in de Bommelerwaard, Nederbetuwe en Zuid-Holland, blz. 14. Zie ook noot nr. 256 en hoofdstuk II, noot nr. 43. 274)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 281. 275)Nationaal Archief, Archief Mackay van Ophemert, nr. 1278. 276)Gelders Archief, Heerlijkheid Zuilichem, nr. 83. 277)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 685, Schildschatting door Franck Pieck in de Tieler- en Bommelerwaard (1434), folio 12 recto (Brakel). 278)Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1996, nr. 1976 en CXC, en Van Druten, De Navorscher, jaargang 51 (1901), blz. 86.


76

279)Ibidem. Zie ook Het Utrechts Archief, Familie des Tombe 1485-1948, nr. 275. 280)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 1A, folio 233 verso. 281)Rien van den Brand en Stefan Frankewitz, Inventaris archief kasteel Haag (Geldern), Venray 2008, nr. 1256. Zie ook Paul van Dinteren, Het Schenkengoed in Druten, Tweestromenland. Kontaktblad van de Historische Vereniging voor het Land van Maas en Waal en Rijk van Nijmegen, 1966, nr. 29, blz. 12. 282)Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1996, nr. 1977, 1978 en CXCI. 283)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 705, Kohier van de omslag, tevens rekening, van de proost van Zutphen heer Henric van Steynbergen als (overste) rentmeester van het land van Gelre van ontvangst van schatting in het Overkwartier en in het Kwartier van Nijmegen, en van uitgaven, 1369, folio 58 verso (Brakel). 284)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 148, folio 26 recto. 285)Regionaal Archief Tilburg, Archief van de Tafel van de Heilige Geest van Oisterwijk, 1302-1810, inventarisnr. 1, Cartularium van vaste eigendommen en renten van de Tafel van de H.Geest aangelegd ca. 1530 te Oisterwijk, lopende over de jaren 1302-1526, folio 21 verso, folio 37 verso, folio 66 recto, folio 216 recto en folio 145 recto, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 143, Algemeen Protocol, 3 augustus 1418-1421, folio 71 recto, na folio 90 los blad recto, folio 93 recto en folio 112 recto, inventarisnr. 144, Algemeen Protocol, 1422-1423, folio 63 verso, en inventarisnr. 147, Algemeen Protocol, 14301431, folio 1 recto. 286)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 143, folio 33 recto en folio 48 recto, en inventarisnr. 148, folio 22 verso. 287)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 147, folio 1 recto en 46 verso, en inventarisnr. 148, folio 11 recto. 288)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 145, Algemeen Protocol, 1421-1426, folio 11 recto, Archief van de Tafel van de Heilige Geest van Oisterwijk, inventarisnr. 1, folio 97 recto, en Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 147, folio 46 verso. 289)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 145, folio 11 recto en folio 15 verso, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 146, Algemeen Protocol, 1429-1430, folio 16 verso, Archief van de Tafel van de Heilige Geest van Oisterwijk, inventarisnr. 1, folio 97 recto. 290)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 145, folio 15 verso, en inventarisnr. 146, folio 16 verso. 291)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 148, folio 25 verso. 292)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 147, folio 46 verso. 293)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 147, folio 46 verso, en inventarisnr. 148, folio 11 recto. Zie ook inventarisnr. 148, folio 26 recto. 294)Brabants Historisch Informatie Centrum, Klooster Sophiae Domus in Vught, (1303) 1465-1641 (1653), nr. 120 en 121, Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 144, na folio 9 verso los blad recto, en inventarisnr. 145, folio 6 recto, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 146, folio 26 recto, inventarisnr. 147, folio 22 verso, folio 30 verso, folio 31 recto en folio 46 recto, en inventarisnr. 148, folio 13 verso, folio 22 verso en folio 26 recto, W. de Bakker, Hertogelijk cijnsregister 1448 (Hertogelijk cijnsboek van 1448 en 1449 in de cijnskring Oisterwijk), Oisterwijk 1996, folio 43 recto, en Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1212, folio 69 verso, nr. 1213, folio 310 recto, en nr. 1218, folio 73 recto. 295)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1223, folio 63 verso, en nr. 1229, folio 268 verso. 296)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 143, folio 14 recto, en Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 147, folio 46 verso. Zie ook Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1222, folio 204 verso, en nr. 1224, folio 117 verso (Jacob broer van Beatrijs). 297)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 144, folio 98 verso, en Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 147, folio 46 verso. 298)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 147, folio 46 verso. 299)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 147, folio 46 verso, en inventarisnr. 148, folio 26 recto. 300)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 144, folio 63 verso, inventarisnr. 147, folio 46 recto en verso, inventarisnr. 148, folio 26 recto, en Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1232, folio 374 verso, en nr. 1241, folio 16 verso. 301)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 147, folio 46 verso, en inventarisnr. 148, folio 26 recto. 302)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 147, folio 46 verso en folio 50 recto. Zie ook inventarisnr. 148, folio 26 recto, en Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1217, folio 256 verso. 303)Regionaal Archief Tilburg, Archief van de Tafel van de Heilige Geest van Oisterwijk, inventarisnr. 1, folio 98 verso. 304)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 148, folio 11 recto. 305)Regionaal Archief Tilburg, Archief van de Tafel van de Heilige Geest van Oisterwijk, inventarisnr. 1, folio 98 recto. Zie ook Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1222, folio 204 verso, en nr. 1224, folio 117 verso (Beatrijs zus van Jacob). 306)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 148, folio 30 verso. 307)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 148, na folio 4 verso los blad recto. 308)Stadsarchief ‘s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1219, folio 150 verso. 309)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1239, folio 399 recto. 310)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 148, na folio 4 verso los blad recto. 311)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 148, folio 22 verso. 312)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 143, na folio 74 verso los blad verso.


77

313)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 143, folio 45 recto. 314)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 143, folio 33 verso. 315)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 143, folio 98 verso, inventarisnr. 144, folio 36 verso, folio 41 verso en folio 85 verso, en inventarisnr. 146, folio 1 recto. 316)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 148, folio 30 verso. 317)Stadsarchief ‘s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1219, folio 150 verso. 318)Stadsarchief ‘s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1231, folio 179 verso, en nr. 1232, folio 40 verso. 319)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1219, folio 150 verso. 320)Ibidem. Zie ook Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1231, folio 179 verso, en nr. 1232, folio 40 verso. 321)Ibidem, Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 202, Algemeen Protocol 10 januari 1497-3 januari 1498, folio 11 recto en folio 29 verso, inventarisnr. 205, Algemeen Protocol 12 oktober 1500-10 januari 1502, folio 16 recto, inventarisnr. 208, Algemeen Protocol 9 januari 1504-7 januari 1505, folio 7 verso, en inventarisnr. 209, Algemeen Protocol 20 januari 1505-12 januari 1506, folio 15 recto en folio 36 verso. 322)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1219, folio 150 verso, nr. 1231, folio 179 verso, en nr. 1232, folio 40 verso, Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 206, Algemeen Protocol 12 oktober 150010 januari 1502, folio 12 recto en folio 44 verso, en inventarisnr. 211, Algemeen Protocol 15 januari 1507-10 januari 1508, folio 31 verso, en inventarisnr. 219, Algemeen Protocol 8 januari 1515-7 januari 1516, folio 9 recto. 323)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 144, folio 36 verso. Zie ook folio 85 verso. 324)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1197, folio 174 recto, nr. 1198, folio 38 verso, nr. 1200, folio 294 verso en 331 recto, nr. 1201, folio 167 verso, nr. 1204, folio 289 verso, nr. 1209, folio 360 verso, nr. 1210, folio 335 recto, nr. 1215, folio 309 verso, nr. 1247, folio 256 verso, Brabants Historisch Informatie Centrum, Microfiches van archivalia in ARA Brussel over Noord-Brabant, inventarisnr. 4, zgn. ‘Spechtboek’, folio 204 verso, Luud de Brouwer en Wim de Bakker, Cijnzen van Tongerlo in 1445-1452, z.p. 2001, nr. 37, Luud de Brouwer en Wim de Bakker, Cijnsboek Abdij van Tongerlo 1501-1513, z.p. 2001, nr. 37, Wim de Bakker, Cijnzen van Tongerlo te Udenhout in 1513-1525, z.p. 2001, nr. 29, en Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 1A, folio 70 verso. Zie ook Henk Beijers, Jonker Marcus van Gerwen, blz. 44, en J.N.A. Groenendijk, Het geslacht Van Brakel in de Bommelerwaard, Nederbetuwe en Zuid-Holland, blz. 17. 325)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 1A, folio 70 verso, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 6. 326)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1204, folio 49 recto, nr. 1224, folio 248 recto, en nr. 1229, folio 218 recto, Henk Beijers, Jonker Marcus van Gerwen, blz. 45 en 48, en W.Heesters en dr.C.S.M.Rademaker, Geschiedenis van Sint-Oedenrode, Tilburg 1972, blz. 103 en 104. 327)Gelders Archief, Archief van de familie Van Dam van Brakel, nr. 849, Leenboeck Huys Braeckel, folio 20 verso. Zie ook nr. 863, Vassalorum van het Huis Brakel, folio 21. 328)Brabants Historisch Informatiecentrum, Microfiches van archivalia in ARA Brussel over Noord-Brabant, inventarisnr. 11, zgn. ‘Edaboek’, folio 63 verso, en Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 2B, folio 43 recto. 329)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1197, folio 175 recto, nr. 1199, folio 370 verso, nr. 1200, folio 194 recto, nr. 1202, folio 360 verso, nr. 1217, folio 437 verso, nr. 1218, folio 409 verso, nr. 1219, folio 44 verso, nr. 1221, folio 306 verso en 243 verso, nr. 1222, folio 115 verso, nr. 1224, folio 110 recto, en Henk Beijers, Jonker Marcus van Gerwen, blz. 44 en 45. 330)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1211, folio 43 recto, en nr. 1219, folio 22 verso, Henk Beijers, Jonker Marcus van Gerwen, blz. 44, en G.Berkelmans, Vrouwen van stand, blz. 57 en 74. 331)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1228, folio 83 verso en 335 recto, nr. 1230, folio 217 verso, en L.F. van Gent, Register op de leenactenboeken van in Holland gelegen leenkamers betreffende leengoederen, gelegen in Gelderland, blz. 41 (nr. 78). Zie ook Het Bosch’ Protocol, nr. 1226, folio 406 recto, nr. 1227, folio 196 verso, nr. 1229, folio 181 verso, nr. 1230, folio 211 verso en 217 recto, nr. 1231, folio 233 verso, nr. 1236, folio 123 verso, 124 verso en 128 recto, nr. 1237, folio 94 verso, en nr. 1247, folio 127 recto en 260 recto. 332)Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Cijnsregisters Heerlijkheid Helmond 1381-1847, 288-144, blz. 3, folio 58 verso, nr.82, 288-211, blz. 9, folio 58 verso, nr. 84, en 288-202, blz. 6, folio 3 recto, nr. 18. 333)Brabants Historisch Informatie Centrum, Illustre Lieve Vrouwe Broederschap in ’s-Hertogenbosch, nr. 19, folio 126 verso en 127 recto, en regest nr. 414. 334)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1235, folio 100 recto, 107 verso, 189 verso, 198 verso en 230 verso, en nr. 1236, folio 128 recto en 255 verso. 335)Brabants Historisch Informatie Centrum, Henk Beijers Archiefcollectie, Microfiches van archivalia in ARA Brussel over Noord-Brabant, Overige delen Rekenkamers, inventarisnr. 20782, Rekeningen van de audiencier van Brabant als ontvanger van het zegelrecht, 24 oktober 1467-16 januari 1477 (nieuwe stijl), nr. 7528. 336)Mr.J.D.W.Pape, De levensgeschiedenis van Maarten van Rossem, voornamelijk met betrekking tot de tegenwoordige provincie Noord-Braband, ’s-Hertogenbosch 1841, blz. 17. 337)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1217, folio 438 recto, nr. 1218, folio 409 verso, nr. 1219, folio 44 verso en 49 recto, nr. 1223, folio 237 recto, nr. 1226, folio 406 recto, nr. 1227, folio 196 verso, nr. 1229, folio 181 verso, nr. 1231, folio 56 recto, nr. 1247, folio 127 recto, Brabants Historisch Informatie Centrum, Microfiches van archivalia in ARA Brussel over Noord-Brabant, inventarisnr. 4, zgn. ‘Spechtboek’, folio 204 verso, inventarisnr. 11, zgn. ‘Edaboek’, folio 63 verso, Luud de Boer en Wim de Bakker, Cijnsboek Abdij van Tongerlo 1463-1477, z.p. 2001, nr. 15, Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 2B, folio 43 recto, en I.A.Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, Vierde Deel, nr. 266. Zie voor het wapen van Gerrit van Brakel (twee afge-


78

wende zalmen) Brabants Historisch Informatie Centrum, Zegels, nr. 5, en jhr.mr.A.F.O. van Sasse van IJsselt, Het hertogshuis en de hoeve de Stroobol onder St.Oedenrode (met eene afbeelding), Taxandria, jaargang 8 (1931), blz. 199. 338)Brabants Historisch Informatie Centrum, Leengoederen hoeve (d’aude) Stroetbolle, hoeve Vogelsanck en het hertogshuis te St.-Oedenrode (1356) 1454-1775 (1943), nr. 5 en regest nr. 6 t/m 9. Zie ook jhr.mr.A.F.O. van Sasse van IJsselt, Het hertogshuis en de hoeve de Stroobol onder St.Oedenrode, blz. 199 en 200, en Henk Beijers, Jonker Marcus van Gerwen, blz. 17 (Henk Beijers vermeldt ‘Gherit van Brakel’ als kwartierschout in de jaren 1455-1466). 339)Brabants Historisch Informatie Centrum, Leengoederen hoeve (d’aude) Stroetbolle, hoeve Vogelsanck en het hertogshuis te St.-Oedenrode (1356) 1454-1775 (1943), nr. 5 en regest nr. 6 t/m 9, en Brabants Historisch Informatie Centrum, Henk Beijers Archiefcollectie, Microfiches van archivalia in ARA Brussel over Noord-Brabant, Overige delen Rekenkamers, inventarisnr. 20781, Rekeningen van de audiencier van Brabant als ontvanger van het zegelrecht, 23 mei 1442-15 juni 1467, folio 2 recto, nr. 0762. 340)W.Heesters en dr.C.S.M.Rademaker, Geschiedenis van Sint-Oedenrode, blz. 62 en 63, en dr.Leo Adriaenssen, Staatsvormend geweld, blz. 45. 341)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 2B, folio 43 recto. 342)I.A.Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, Vierde Deel, nr. 266. Zie ook Gelders Archief, Huis Batenburg, 1669-1810, regest nr. 12 (22 januari 1450). 343)Brabants Historisch Informatie Centrum, Henk Beijers Archiefcollectie, Microfiches van archivalia in ARA Brussel over Noord-Brabant, Raad en Leenhof van Brabant in Brussel, inventarisnr. 527, Vonnissen 1450-30 oktober 1454, folio 99 recto. In Sint Oedenrode werden ‘de Dagvaarden of Samenkomsten van het Kwartier van Peelland gehouden’ (Isaak Tirion, Hedendaagsche historie, of tegenwoordige staat van alle volkeren; XIIe deel; Vervolgende de Beschryving der Vereenigde Nederlanden, en vervattende byzonderlyk die der Generaliteits Landen, Staats Brabant, Staats Land van Overmaaze, Staats Vlaanderen en Staats Opper-Gelderland met den Staat der Bezetting in de Barriere-Plaatsen enz., Amsterdam 1741, blz. 129) en daarom is het meer dan waarschijnlijk dat de kwartierschout van Peelland Gerrit van Brakel in die plaats woonde. Zie voor een uitgebreid overzicht van het bestuur van het Kwartier Peelland bovengenoemd boek, blz. 165 t/m 172. 344)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1223, folio 237 recto. 345)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 191. N.B. De originele akte ontbreekt in leenboek nr. 2B. 346)Brabants Historisch Informatie Centrum, Henk Beijers Archiefcollectie, Microfiches van archivalia in ARA Brussel over Noord-Brabant, Schoutsrekeningen in de delen in de Rekenkamers, inventarisnr. 13028, Rekeningen van de kwartierschout van Peelland 1467-1623, april 1467-september 1474, nr. 122-1-1-4. 347)Luud de Brouwer en Wim de Bakker, Cijnsboek Abdij van Tongerlo 1501-1513, nr. 37, en Wim de Bakker, Cijnzen van Tongerlo te Udenhout in 1513-1525, nr. 29. 348)Brabants Historisch Informatie Centrum, Henk Beijers Archiefcollectie, Microfiches van archivalia in ARA Brussel over Noord-Brabant, Schoutsrekeningen in de delen in de Rekenkamers, inventarisnr. 12993, Rekeningen van de hoogschout van stad en Meierij van ’s-Hertogenbosch, Sint Jan 1450-Kerstmis 1466, nr. 077-2-3-1. 349)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1217, folio 386 verso, en 438 recto, nr. 1218, folio 391 recto, nr. 1219, folio 49 recto, nr. 1221, folio 144 verso, 203 verso, 315 verso, nr. 1222, folio 113 recto, 115 verso, 217 recto, 244 rec-to, 304 recto en 340 verso, nr. 1223, folio 100 recto, 122 recto, 139 verso, 204 recto, 315 verso, nr. 1224, folio 102 recto, nr. 1226, folio 406 recto en verso, nr 1231, folio 56 recto, nr. 1232, folio 181 verso, nr. 1247, folio 26 verso en 127 recto, nr. 1253, folio 76 recto, en nr. 1259, folio 165 verso, W. de Bakker, Register van denombrementen van lenen in de kwartieren van Antwerpen, ’s-Hertogenbosch en Leuven, 1495. Afschrift, ongeveer gelijktijdig of 16e eeuw, Oisterwijk 2003, folio 263 verso. Zie ook Brabants Historisch Informatie Centrum, Schaduwarchieven 1342-1973, nr. 280, folio 263 verso (Denombrementen van het Kwartier van Antwerpen, ’s-Hertogenbosch en Leuven, ca. 1440 (1495), en Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 206, folio 36 verso. 350)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1239, folio 318 verso. 351)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1238, folio 116 verso. 352)Brabants Historisch Informatie Centrum, Hoeve Oude Schouw in Berkel, 1517-1800, nr. 18, Legger van lenen, aangelegd door Robbrecht van Grieken, als man van Katharina van Brakel, in 1517. Met akten van 1440-1571 en met aantekeningen tot 1669, en Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 221, Algemeen Protocol 14 januari 1517-11 januari 1518, folio 24 verso. 353)W. de Bakker, Register van denombrementen van lenen in de kwartieren van Antwerpen, ’s-Hertogenbosch en Leuven, 1495, folio 263 verso. Zie ook Brabants Historisch Informatie Centrum, Schaduwarchieven, nr. 280, folio 263 verso. 354)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 221, folio 24 verso. 355)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 144, folio 79 verso, inventarisnr. 146, folio 41 recto en verso, inventarisnr. 147, folio 5 verso, en inventarisnr. 148, folio 30 verso. 356)Regionaal Archief Tilburg, Schepenbank Oisterwijk, inventarisnr. 143, folio 41 verso en folio 66 recto, inventarisnr. 144, folio 17 recto en folio 95A recto, inventarisnr. 145, folio 22 recto, inventarisnr. 213, folio 10 recto, en inventarisnr. 148, folio 13 recto. 357)Brabants Historisch Informatie Centrum, Henk Beijers Archiefcollectie, Microfiches van archivalia in ARA Brussel over Noord-Brabant, Overige delen Rekenkamers, Rekeningen van de audiencier van Brabant als ontvanger van het zegelrecht, inventarisnr. 20783, 31 mei 1477- 28 februari 1488 (nieuwe stijl), nr. 972. 358)Brabants Historisch Informatie Centrum, Henk Beijers Archiefcollectie, Microfiches van archivalia in ARA Brussel over Noord-Brabant, Overige delen Rekenkamers, Rekeningen van de audiencier van Brabant als ontvanger van het zegelrecht, inventarisnr. 20788, 1 oktober 1536-30 september 1545, nr. 8568. 359)Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Schepenbank Oirschot en Best 1331-1810, nr. 2368, folio 72 verso. 360)Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Schepenbank Oirschot en Best 1331-1810, nr. 2369, folio 107 verso, nr. 2370, folio 103 recto, en nr. 2377, folio 46 recto en verso.


79

361)Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Notarieel Archief Helmond 1595-1915, Notaris Adrianus Brouwers, inventarisnr. 5, akte nr. 7. 362)Brabants Historisch Informatie Centrum, Henk Beijers Archiefcollectie, Microfiches van archivalia in ARA Brussel over Noord-Brabant, Domeinen, raad en rentmeester-generaal, 1515-1816, inventarisnr. 21, Verzoekschriften aan de Raad van State, Staten-Generaal en andere generaliteitscolleges, aan de rentmeester-generaal toegezonden om bericht en raad; met verzoekschriften en uitgaande stukken van de rentmeester-generaal aan de Raad van State 1710-1729, document 10, en Resoluties van de Raad van State en Staten-Generaal 1658-1692, nr. 201, 3 december 1659 (folio 612 verso), nr. 202, 17 juli 1660 (folio 329 verso), nr. 203, 6 januari 1662 (folio 9 recto), nr. 208, 19 februari 1666 (folio 224 recto), 1 april 1666 (folio 448 recto), nr. 210, 23 juni 1667 (folio 326 verso), 29 augustus 1667 (folio 449 verso), en nr. 212, 21 augustus 1668 (folio 142 recto), en mr. W. de Vries, Van Brakel(l) (van Braeckel)-de Ba(e)rs, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXVIII (1951), blz. 190 en 191, en jaargang LXIX (1952), blz. 377 en 378. 363)Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, DTB Asten, inventarisnr. 60.10, folio 61 verso, en mr. W. de Vries, Van Brakel(l)-(van Braeckel)-de Ba(e)rs, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXVI (1951), blz. 190 en 191, en LXVII (1952), blz. 377 t/m 379. 364)Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Notarieel Archief Helmond 1595-1915, Notaris Hendrik van Rijp, inventarisnr. 042, akte nr. 101. 365)Brabants Historisch Informatie Centrum, Henk Beijers Archiefcollectie, Kwartiersarchief van Peelland 1574-1810, inventarisnr. 206.1 genummerd 2514.1, blz. 15. 366)Brabants Historisch Informatiecentrum, Henk Beijers Archiefcollectie, Microfiches van archivalia in ARA Brussel over Noord-Brabant, Domeinen, raad en rentmeester-generaal, 1515-1816, Resoluties van de Raad van State en Staten-Generaal 1658-1692, nr. 208, folio 224 recto en verso, en 448 recto. Zie ook Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Notarissen Oirschot 1556-1925, Notaris Nicolaus van Vlodroph, inventarisnr. 128, akte nr. 112. 367)Dr.Leo Adriaenssen, Staatsvormend geweld, blz. 308 en 309. 368)Brabants Historisch Informatie Centrum, Henk Beijers Archiefcollectie, Microfiches van archivalia in ARA Brussel over Noord-Brabant, Domeinen, raad en rentmeester-generaal, 1515-1816, Resoluties van de Raad van State en Staten-Generaal 1658-1692, nr. 212, folio 398 recto en verso, en nr. 215, folio 408 verso. 369)P.J.Meij e.a., Geschiedenis van Gelderland 1492-1795, Zutphen 1975, blz. 209 en 210. 370)Brabants Historisch Informatie Centrum, Henk Beijers Archiefcollectie, Microfiches van archivalia in ARA Brussel over Noord-Brabant, Domeinen, raad en rentmeester-generaal, 1515-1816, Resoluties van de Raad van State en Staten-Generaal 1658-1692, nr. 215, folio 366 recto.


80

HOOFDSTUK IV ‘VERGEZELD BOVEN VAN EEN ZILVEREN KROON’. EEN BREUK IN EEN FAMILIEWAPEN (ca. 1500 – ca. 1600) § 1 ‘Le dyable de Gueldres’

De zestiende eeuw was, met name de eerste helft, voor Gelre de strijd voor het behoud van de onafhankelijkheid. De hertogen van Gelre konden die strijd lang volhouden, maar uiteindelijk moesten zij voor hun tegenstanders het hoofd buigen. De hertogen van Bourgondië Philips de Goede en Karel de Stoute en hun opvolgers de Habsburgers Maximiliaan van Oostenrijk, Philips de Schone en Karel V slaagden erin de welvarende Nederlanden bij hun rijk in te lijven. Om al die vorstendommen c.q. gewesten tot een eenheid te smeden werden centrale organen in het leven geroepen, zoals de Staten-Generaal (met daarin afgevaardigden van de verschillende gewesten), de Grote Raad (een centrale regeringsraad) en het Parlement van Mechelen (een opperste gerechtshof voor alle gewesten). De zestiende eeuw was ook de eeuw van de Hervormers. Maarten Luther en Johannes Calvijn begonnen hun strijd tegen de almachtige Kerk. Ook in de Nederlanden kregen zij volgelingen, met een verzamelnaam protestanten genoemd. De katholieke Habsburgers probeerden met alle mogelijke middelen, zoals ketterverbrandingen, lutheranisme en calvinisme uit te roeien. Het verzet tegen de godsdienst- en centralisatiepolitiek van Karel V en vooral van Philips II leidde in de tweede helft van de zestiende eeuw tot de Tachtigjarige Oorlog. Hieronder zal ik de situatie rond 1500 in Gelre en vooral in de Bommelerwaard wat gedetailleerder beschrijven. In 1473 overleed hertog Arnold van Gelre. Kort daarvoor had hij Gelre voor 300.000 gulden aan Karel de Stoute verkwanseld. Nog in hetzelfde jaar werd zijn vorstendom door de hertog van Bourgondië opgeëist en vervolgens bezet. Het land kreeg een zware schatting opgelegd. Zo moest het Kwartier van Nijmegen, waartoe de Bommelerwaard behoorde, een bedrag van 80.000 gulden opbrengen. De steden raakten hun privileges en daarmee hun zelfstandigheid kwijt. Bovendien werden er garnizoenen gelegerd, waarvan de kosten door de bewoners moesten worden betaald. Daarnaast werd het gebied belast met de levering van materieel en soldaten ten behoeve van de krijgsondernemingen van Karel de Stoute. Met de dag groeide het verzet, vooral tegen de inning van de hierboven vermelde schatting. In 1477 sneuvelde de gehate Bourgondiër en kwam een einde aan de zgn. eerste bezetting. Een paar jaar daarna kwamen de Bourgondiërs, inmiddels Habsburgers geworden, terug. In 1481 trok Maximiliaan van Habsburg, de echtgenoot van Maria, dochter en opvolgster van Karel de Stoute, vanuit zijn winterkwartier in 's-Hertogenbosch en Gorinchem met zijn troepen de Bommelerwaard binnen. Hij overviel Zaltbommel op het moment dat de inwoners het feest van St.Ignatius (31 januari) vierden. ‘De burgers ziende den vyand by geval in ’t krieken van den dagh buyten de poorten, waren in een oogenblick tijds in ’t geweer, ende keerden de Burgoensse, met bloedige hoofden en beschaemde kaeken, van haere vesten.’ ‘Uit weerwraak verwoestten zij een groot gedeelte van den Bommelerwaard.’ (1) Op 21 april werd de stad alsnog ingenomen. Twee jaar daarna was Gelre opnieuw bezet gebied. In 1492 kwam een einde aan de zgn. tweede bezetting en kreeg Gelre een nieuwe hertog, Karel, een kleinzoon van hertog Arnold. Ook tijdens zijn heerschappij bleven de relaties met de Habsburgers gespannen. De belangrijkste oorzaak daarvan was dat Philips de Schone, zoon en opvolger van Maximiliaan, weigerde Karel als hertog van Gelre te erkennen. In de jaren tussen 1492 en 1515 werd de strijd tussen Gelre en de Habsburgers steeds heftiger en kwam, met name als gevolg van de inmenging van de Franse koning en andere tegenstanders van de Habsburgers, op een Europees niveau. Ook Brakel raakte betrokken bij het conflict. ‘Op den 21. van de wintermaend deses iaers 1497 is er een aenstand van oorlogh beraemd ter zee, te land, en over de stroomen, tusschen de hertoghen van Oostenrijk ende van Gelder, ingaende op den naesten Kerstdagh, zonder eenighen benoemden uitgangh, dan dat het een van de vorsten onder sijn eyghen handteyken zes weeken te vooren moght opschrijven. Binnen welk een tijd voor hun lijf en goed zeekerheyd zouden genieten (…) Arend van Broekhuysen met het huys te Brakel, (…) ende voort alle andere die sich, loopende den oorlogh en tot den dagh van


81

de afkondinghe deses, gestelt hadden ofte noch zouden in schut van den aertshertogh.’ (2) Helaas niet voor lange tijd. In 1504 werd het kasteel gebrandschat door Habsburgse troepen. Een jaar later werd in Tiel een wapenstilstand gesloten en deed Karel afstand van een deel van zijn gewest, o.m. de Bommelerwaard en de stad Zaltbommel. N.B. Brandschatten was de bevolking van een vijandelijk gebied onderwerpen aan het betalen van een belasting. Deze belasting of ‘contributie’ werd op regelmatige tijdstippen voldaan en in ruil daarvoor werden de bewoners in bescherming (‘sauvegarde’) genomen. Indien zij bij het betalen nalatig bleven, werd hun woongebied gebrandschat, dat wil zeggen hun huizen, molens en kastelen werden platgebrand en wat waardevol was werd meegenomen, zelfs mensen werden gegijzeld. (3) Daarna vertrok Philips de Schone naar Spanje, waar hij in 1506 overleed en werd opgevolgd door Karel V. Diens regent en grootvader, Maximiliaan van Oostenrijk, hervatte de oorlog. Opnieuw werd de Bommelerwaard een deel van het strijdtoneel. Zo werd in 1507 en 1508 kasteel Poederoijen, in de buurt van Brakel, belegerd en ontzet en uiteindelijk op aandringen van ‘s-Hertogenbosch en Dordrecht ‘omgeworpen ende den wall geslicht’. Beide steden vonden het slot een gevaar omdat het ‘roofnest niet af en lieten hunne overbueren, ende de koopluyden, die uit Braband, ‘sHertogenbos en de naeste gewesten naer de markten van Duytsland wilden, daghelijx meer ende meer te ribbezacken’ (er moest tol betaald worden en scheepsladingen werden geheel of gedeeltelijk in beslag genomen). (4) In 1516 aanvaardde Karel de regering en hij deed meteen een poging de hertog van Gelre op de knieën te krijgen. De hertog voerde, aanvankelijk met succes, een guerrillaoorlog tegen de in 1519 tot Duits keizer verheven tegenstander. Een berucht veldheer uit die tijd was Maarten van Rossem ‘le dyable de Gueldres’. Een van diens spectaculairste wapenfeiten was de overval op ’s-Gravenhage in 1528. ‘Marten van Rossum, commende by het dorp Rijswick ende aent beginsel van den Haegschen bosch, doet terstont de Geldersche vendelen voorts brengen, ende stijf uutroepen: Gelder, Gelder. Doen gyngen alle d’inwoonders loopen. Die naer de zeeduynen liepen, quamen los, maer die naer Leyden of Delft liepen, worden gevangen. Dry van de inwoonders sijnder doot bleven; daer sijn wenig huysen ongescheynt gebleven. (…) Het krijghsvolk met roof overlaeden en dronken van weelde begaf sich voort tot slempen en hoereeren, ende, geen vyand vindende, vocht tegens de tonnen en ’t onweerbaere vrouwvolk. (…) Den Haegh oock om niet verbrandt te worden most geven 20000 gulden.’ In 1543 ‘togen sy voort in Brabant in de Meyery van Den Bosse, deeden groote schade ende brande dat schoone dorp van Vught af, maer Arent van Heym (zie blz. 45) behielt syn huys. (…) Sy namen Eyndhoven in, vingen al de mans (= mannen) ende spolyeerden (= plunderden) dat stedeken datter niet in en bleef (= niet veel overbleef) ende namen veel mans te gysel, verdervende voorts alle klyne slootkens ende huesen die sy al spolyeerden ende togen doe wederomme na Remunt (= Roermond)’, aldus Henrica van Erp, abdis van Vrouwenklooster in Utrecht. (5) Een uitspraak van een onbekend auteur over de veldmaarschalk spreekt boekdelen: ‘Twee Martens stellen de geheele wereld in roeren, de eene (Maarten Luther) plaagt de kerk, de andere de boeren’. (6) Volledigheidshalve moet ik hier aan toevoegen dat de oorlogvoering van de tegenpartij beslist niet humaner was en Maarten van Rossem (vergeefs) probeerde zijn heer Karel van Gelre ervan te weerhouden de stad Utrecht te plunderen en in brand te steken. (7) N.B. Maarten van Rossem was verwant aan de Van Brakell’s. ‘Johan (de Jonge), ridder, heer tot Rossem, trouwde in 1488 met Johanna van Hemert, dochter van Peter, ridder, heer van Poederoijen, wiens moeder een Van Braeckel was (= Steeskina van Brakell) en van Johanna van Herlaer.’ (8) Uit dit huwelijk werd o.m. Maarten van Rossem geboren. De zojuist genoemde Peter van Hemert was een tegenstander van Karel van Gelre. In 1493 veroverde Karel kasteel Poederoijen. Daarbij viel hem, behalve Peter en diens zoon, een buit van 14.000 gulden in handen. Het slot werd geplunderd door o.m. de bewoners van Brakel. De heerlijkheid werd verbeurdverklaard en door hertog Karel aan Peter’s schoonzoon Johan van Rossem, de vader van Maarten, geschonken. In 1494 werd Peter van Hemert in Huis Bergh gevangen gezet. Na zijn vrijlating verdween hij (waarschijnlijk) uit Gelderland. (9)


82

Het Verdrag van Venlo in 1543 maakte een einde aan de oorlog. Karel V werd door de Geldersen erkend als de nieuwe landsheer en daarmee kwam het laatste nog zelfstandige Nederlandse vorstendom in handen van de Habsburgers. De Nederlanden vormden nu een eenheid en bleven dat tot de Unies van Atrecht en Utrecht in 1579. Zie verder hoofdstuk V, par. 1. Mijn voorouders maakten in de hierboven beschreven periode niet alleen kennis met het oorlogsgeweld, ook werden ze het slachtoffer van talloze natuurrampen. Hieronder vindt U van al dat onheil een ‘bloemlezing’. ‘In 1481/82 was het een strenge winter. De dodelijke koude begon op 13 december en eindigde de 7e februari, zonder dat het één dag dooide. Ruiters, buiten in de velden, bevroren en stierven ter plaatse. Pelgrims en mensen die in de bossen woonden en werkten, vroren dood, sommigen waren helemaal verstijfd; zelfs kleine kinderen vroren dood in hun wieg. De vogels vielen dood uit de lucht op de grond; de wilde dieren gingen er eveneens aan en de bomen droegen - levenloos - geen vrucht meer en doordat de wind de winter niet wilde verjagen, waren in de lente de maanden april en mei kil en vochtig, wat tot St.Jan (24 juni) voortduurde.’ (10) ‘In September deezes jaars (1529) ontstond er in de Nederlanden en in Duitschland, een nieuwe ziekte, waar van men voorheen niet gehoord had. Men noemde die de Engelsche zweetziekte, en word als een zwaare plaag beschreven. Veele door deeze ziekte bezogt, waren binnen twaalf uuren gezond, en dood. De ziekte ontstond met schriklyk zweeten, dat brandend en stinkend was. De okselen werden daar door zo sterk gedrukt, dat men de armen niet op kon heffen. Die den brand niet verdragen konden, en zig in de open lugt begaven, stierven terstond, en die zig warm hielden, om des te meer te zweten, stikten. (…) Sterk woedde die ziekte hier ter stede (’s-Hertogenbosch), de besmetting was in alle de huizen, in veele waren vier of vyf zieken, en men stelde het voor een wonder, als iemand van deeze ziekte genezen werd. (…) De ziekte begon in het laast van September of het begin van October merklyk te verminderen, en hield eindlyk geheel op.’ (11) In 1538/39 werd het rivierengebied voor de zoveelste keer getroffen door overstromingen. Nijmegen zond bode Bernt van Paderborn ‘int groete waeter om te spyzen den huysluyde die int water saeten tuysschen Maeze ende Waell, aen den amptman Giisbert van den Poll broedt ende keezen gegeven’. (12) ‘Op 20 december 1564, dat is quatertemperwoensdag, viel er een zeer strenge vorst in. Op de dag na Thomas (22 december) waren alle rivieren dichtgevroren en twee dagen later (24 december) waren ze alle, Rijn, Maas, IJssel en Waal en andere zo ver bevroren dat zij op Kerstavond zowel twee- als vierspannen konden dragen. Wegens de ernstige koude en het tekort aan brandstof stookten veel mensen zelfs onderstellen van bedden op. (…) Die vorst duurde tot 3 maart, op welke dag de dichtgevroren rivieren weer begonnen te stromen. Waar echter het ijs door de kracht van de stroming losgewrikt werd, richtte het alom veel schade aan. (…) En er lagen geen dijken langs of ze braken door vanwege de hoeveelheid in die winter gevallen sneeuw, die als smeltwater zelfs plaatsen onder water zette die sinds mensen heugenis nooit onder water gestaan hadden. (…) De Maas zwol in één nacht tot tweemaal manshoogte aan. Velen beweerden met stelligheid dat deze ramp niet door een normaal natuurverschijnsel of door natuurkrachten te weeg gebracht was, maar door de wrake Gods. De rijken verkeerden door deze ramp in de gelegenheid armen en hulpbehoevenden te hulp te komen met brandstof en kleding, maar ze bleken dat alom aan luxe, wellust en lichtzinnigheid verspild te hebben.’ (13) Verder waren er nog regelmatig stadsbranden (in Zaltbommel in 1503 en 1524), pestepidemieën (in Gorinchem, aan de ‘rand’ van de Bommelerwaard, in 1482, 1489, 1523 en 1526) en hongersnoden (in 1556/57 schreeuwden ‘die erme luyden van honger’). (14) En nu het goede nieuws. In 1517/18 maakte de Italiaanse kardinaal Luigi d’Aragona een culturele reis naar het noorden. In het verslag van die reis beschrijft hij onder meer de Nederlandse vrouw: ‘De Hollandse vrouwen zijn in de regel groot en daarbij fris en gezond, blank en blozend, met een levendige gelaatskleur, die het gebruik van poeder en andere cosmetica overbodig maakt’. (15) De Italiaanse ge-


83

schiedschrijver Lodovico Guicciardini zei in 1567 het volgende over het vrouwelijk schoon in de Lage Landen (in een zeventiende eeuwse vertaling): ‘De vrouwen, behalven dat se schoonwelgemaakt, en fraey op haer leden zijn, zijn ook seer vriendelijk, beleeft, en bevalligh in al haer doen en laaten. (…) Syn sober, altijdt doende, en seer besorght, haer bemoeyende niet alleen met ‘et huyshouden, maer oock met koopen en verkoopen, waertoe sy de handt en tongh soo wel gebruyken, als de mans (= mannen), en dat met sulken verstant, yver en bequaemheydt, dat veel mannen, besonder in Hollandt en Zeelandt, haere huysvrouwen met al haer handelingh laten begaen, sonder sich ergens in te moeyen’. Máár … ‘Daer benevens den aengebooren sucht, die de vrouwen gemeenlijk hebben tot heerschen, is d’oorsaack dat sy al vry wat te trots en wederwaerdigh zijn, geerne de meester maken en commanderen’. (16)

§ 2 Ott Jans (van Brakell)

Ott Jans (van Brakell) was vermoedelijk een kleinzoon van Johan Steeskenszoon (de Oude) van Brakell en Gerritke van Dynther en is vernoemd naar zijn oom Otto van Brakell Janszoon (vermeld in Het Bosch’ Protocol in de jaren 1448-1450). Zie blz. 53. (17) De afstamming van Ott Jans is niet duidelijk. Hij was een Van Brakell, ook al worden hij en zijn zoon Ghijsbert Otten nergens als zodanig vermeld. Zijn kleinzoon Jan Ghijsberts daarentegen wordt in akten regelmatig Van Brakell genoemd. Zie hoofdstuk V. Was de vermoedelijke grootvader van Ott Jans Johan (de Oude) of Johan (de Jonge)? In een akte uit 1470 (zie blz. 73, noot nr. 193, Leenboeck Huys Braeckel) wordt Johan van Brakell, gehuwd met ‘joncfrou’ Agnes, een zoon genoemd van Johan van Brakell. Met deze Johan kan niet de zoon van Johan (V) van Brakell en Catharina van Giessen bedoeld zijn, want deze was niet getrouwd en als kanunnik verbonden aan de Hofkapel in ’s-Gravenhage. Was de echtgenoot van Agnes de vader van Ott Jans? We horen voor het eerst iets van Ott Jans op 6 februari 1526. Op die dag ontving hij van de Heer van Brakel ‘acht hont lands gelegen opten Langhe Vijfgeerden’ in leen. (18) In 1537 kreeg zijn stiefzoon Peter Jansen ‘acht hond lands gelegen op de Vijfgaarden, gelijk Johan Wolterssen Petri vader dat van Peter Dericksen gekogt had (…) Ao 1537. Ibidem staat een belofte van Peter Janse aan zijn stiefvader Ott Janse’. (19) In 1541 ontving hij ‘bij afstand van Ott Dirkse acht hond lands gelegen op de lange vijf geerden’. (20) In 1542, 1545, 1547 en op 16 januari 1550 was Ott Jans een van de ‘mannen van leen’ die getuigden voor de Heer van Brakel. (21) De laatste keer gebeurde dit op 24 februari 1550 toen ‘Ott Johansz’ als zodanig optrad bij een leenovereenkomst tussen de Heer van Brakel en Gerrit van Poelgeest. (22) N.B. Ds.E. van Alphen noemt in zijn artikel Oude Geslachten uit de Bommelerwaard en aangrenzende gebieden. V. Van der Meiden (Brakel), Gens Nostra, jaargang 24 (oktober 1969) blz. 299, Ott Jans in 1546 ‘op Sinte Matthijs Apostel’ heemraad in Brakel. Als bron vermeldt hij het Leenboeck Huys Braeckel. Ik heb hiernaar in genoemd leenboek (zelfs enkele malen) vergeefs gezocht. Ott Jans trouwde met de weduwe van Jan Wolters. Van Ott en zijn echtgenote is één kind bekend: Ghijsbert. Zie verder par. 3. In 1555 werd Ott Jans in zijn leen opgevolgd door zijn zoon Ghijsbert: ‘VIII hont lants gelegen in den dorpe van Brakel opten Vijffgarden (…) Gijsbert Otten bij dode Ott Janssen zijnen vader verleid 11 febr. 1555’. (23) Hij is waarschijnlijk overleden tussen 30 januari 1554 en 11 februari 1555, want de ‘leenverheffing (de overname van het leen door een ander, de zgn. leenvolger) moest gebeuren binnen een jaar en twaalf dagen na de dood’. (24) Men hield zich echter niet altijd aan deze termijn. De leenverheffing kon dus jaren later plaats vinden.


84

Ott Jans werd in tegenstelling tot zijn kleinzoon Jan Ghijsberts (zie hoofdstuk V en VI) nooit Van Brakell genoemd. Was hij het slachtoffer geworden van ‘dérogeance, verlies van schildboortigheid (= adeldom) met de daarbij behorende privileges en terugval tot de klasse der boeren’? (25) Wat kan hiervan de oorzaak geweest zijn? Een huwelijk beneden zijn stand? In een artikel van H.F.K. van Nierop in Spiegel Historiael staat hierover het volgende: ‘Het scherpe standsbewustzijn van de edelen blijkt uit hun huwelijkskeuze. Uit het overweldigend grote aantal standshuwelijken, huwelijken tussen edelen onderling, blijkt dat de adel zichzelf ook werkelijk als een van de rest van de bevolking scherp afgescheiden sociale groep beschouwde’. (26) Een edelman, aldus Bert Koene, ‘was van geboorte superieur, erfelijk begiftigd met de fraaie karaktereigenschappen die de adel kenmerkten, en dat kon men door de generaties heen slechts zo houden door het bloed zuiver te houden. Vanuit die overtuiging was een huwelijk buiten de eigen adellijke kring objectief slecht’. (27) Antheun Janse schrijft in zijn boek Ridderschap in Holland: ‘Het huwelijk werd altijd gezien als een familiezaak, aangezien verwanten potentiële erfgenamen waren. (…) Uit de Hollandse geschiedenis van de late Middeleeuwen kennen we maar enkele voorbeelden van opstand tegen het familiegezag’. (28) Was Ott Jans een van die voorbeelden? In 1554 legden Johan de Cock van Opijnen en zijn vrouw Rembalda in de erfdeling van hun goederen vast, dat hun zoons (waaronder Arend gehuwd met Aleyt van Brakell) en dochters niet buiten medeweten van de familie mochten huwen op straffe van verlies van hun erfdeel. (29) In 1516 gaf Steven van Geloes de volgende waarschuwing aan zijn kinderen: ‘Zorg dat je bij je gelijken blijft en een goede naam krijgt, trouw met de juiste of je zult door familie en iedereen veracht worden’. Edelen, aldus dr.E.M.F.Koch, werden indien zij zich niet aan deze ongeschreven regels hielden tot paria’s in de wereld waarin zij waren opgevoed. (30) Was Ott Jans zo’n paria? Nog enkele opmerkingen over het begrip adeldom. Hilde de Ridder-Symoens zegt in haar artikel Adel en universiteiten in de zestiende eeuw ‘dat voor moderne historici iemand in de 16e eeuw slechts echt van adel is indien hij als edelman uit de Middeleeuwen de moderne tijd is binnengestapt, d.w.z. als hij zijn adellijke titel kan terugvoeren tot vóór 1500 (zoals de voorouders van Ott Jans). Families of personen die na die datum geadeld zijn of mensen die als edelman optreden blijven in de twintigste-eeuwse ogen generaties lang behoren tot de noblesse de robe of de nieuwe adel’. (31) Men was in de middeleeuwen van adel als je aan drie voorwaarden voldeed: van adellijke afkomst, in het bezit van een heerlijkheid met rechtsmacht en een adellijke levenswijze (wonend op een ‘goede begraven ridderwonynge mit graften, landen ende goeden dairtoe behoerende, en paerde riddende, honden ende vogel houdende’; het sprak vanzelf dat je de grond niet zelf bewerkte, maar dit door anderen liet doen). (32) Toetreding tot de ridderschap zorgde voor meer aanzien, maar was geen noodzakelijke voorwaarde. Interessant is, aldus prof.jkvr.dr.J.M. van Winter, ‘dat de titel van welgeborene (= edelman) in Holland kennelijk bewaard bleef voor geslachten die eenmaal tot de ridderschap hadden behoord, ook na dérogeance, zodat er aldaar in de tweede helft van de 15e eeuw een hele groep van niet-ridderlijk levende welgeborenen bestond, die zich met ambachten en landbouw bezighield’. (33) Welgeborenen waren dus personen van adellijke afkomst, waarvan echter een groot deel geen adellijke geslachtsnaam voerde. (34) § 3 Ghijsbert Otten (van Brakell)

Vanaf Ghijsbert Otten kunnen we gelukkig over meer bronnen beschikken en dan vooral over het doen en laten van de gewone man. In 1563 begon namelijk de Hoge Bank van Zuilichem met het chronologisch en gedetailleerd beschrijven van rechtszaken (tot 1811). Ghijsbert Otten was schepen in deze rechtbank. In 1566 wordt hij voor het eerst in deze functie vermeld: ‘Dies den xiij Martij anno 1566, presentibus (…) Jan Ariens, Ghijsbert Otten (…)’. (35) In 1568: ‘scepen is aenghebleven Nicolaij anno lxvij ende aenghegaen tot Nicolaij toe lxviij, Claes Pieck, Ghijsbert Iansz, Ghijsbert van Weerdenburg,’ (…) met als zevende in de rij Ghijsbert Otten en als achtste en tevens laatste ‘Ghijsbert van Braeckel’. (36) Ook in 1567, 1569, 1571 en 1572 wordt hij in vele akten schepen in de Hoge Bank van Zuilichem genoemd. (37)


85

Ghijsbert Otten en Ghijsbert Jacobsz. van Brakell worden in talloze akten samen genoemd, niet alleen als schepen, maar ook in een ander verband, waarop ik straks zal terugkomen. Ghijsbert was ook gerichtsman in Brakel. Op 17 oktober 1557 wordt hij als zodanig vermeld, samen met Sander van Tuijll. ‘Ghijsbert Jacopss van Brakell’ was op dat moment ‘scholt (schout) tho Brakell’. (38) Ook op 16 juni 1568 wordt ‘Gijsbert Jacobss’ schout in Brakel genoemd. (39) Gerichtslieden of dorpsschepenen waren bijzitters in een dorpsrechtbank die geleid werd door de schout die tevens openbaar aanklager was en het vonnis uitvoerde. Zie ook hoofdstuk V, par. 5. Ghijsbert bekleedde nog een derde ambt, dat van heemraad. Op 22 oktober 1566 tekenden hij, heemraad Willem Willems en de schout van Brakel de zgn. Conditiën tussen Brakel en het Monnikenland betreffende het lozen van water over het Monnikenland. Zij waren met jonker Reyner van Aeswijn, Heer van Brakel, Otto Pieck, Heer van Tienhoven, en Maarten van Rossem, Heer van Wayestein, bij deze overeenkomst de vertegenwoordigers van Brakel: ‘uyt ten naam en representieren de ghemeene gheerfdens’. Het Monnikenland werd vertegenwoordigd in de persoon van ‘die edelsten und vromen joncker Diederick van Wylick, erffhoffmeester ende amptman, Heer toe Diesfort’. (40) De overeenkomst hield in dat aan Brakel het recht werd toegekend een ‘uijtganck en waterlosinghe’ tot in de Maas te hebben door het Monnikenland heen. (41) De voorwaarden die daarbij aan Brakel gesteld werden waren zodanig (o.m. 550 brabantse gulden voor Diederick van Wylick), ‘dat men de indruk krijgt dat de genoemde erfhofmeester het onderste uit de Brakelse kan wist te halen’. (42) Als schepen, gerichtsman en heemraad moest Ghijsbert Otten vele akten zegelen. Een vrij goed bewaard zegel van hem vond ik onder aan een charter van 20 februari 1567. (43) Het zegel toont zijn wapen, bestaande uit twee afgewende zalmen vergezeld boven van een kroontje. Het randschrift laat nog een deel van zijn naam zien. Dit zegel is de basis van mijn familiewapen dat dus (op dit moment) bijna vier en een halve eeuw oud is. Het charter (= een akte van perkament waaraan een of meer zegels hangen) is een akte van verkoop van een stuk grond door Eelke, weduwe van Reyner van Aeswijn, Heer van Brakel. In 1570 werd een lijst met namen van de inwoners van Brakel, de zgn. lijst van ‘nabueren tot Brakel’ opgemaakt. (44) In deze lijst staan ook Ghijsbert Otten en Ghijsbert van Brakell samen genoemd. Zij traden als borgen voor elkaar op en dat betekende zeer waarschijnlijk dat ze familie van elkaar waren. Ghijsbert Otten was vrijwel zeker landbouwer, zoals de meeste mensen in die tijd. Hieronder vindt U een willekeurige greep uit akten waarin zijn grondbezit aan de orde komt. Op 3 februari 1563 zien we dat hij, evenals Gertruyt van Brakell, de overgrootmoeder van zijn schoondochter (zie voor Gertruyt hoofdstuk VI), land bezat in Brakel naast dat van Maarten van Rossem, de beruchte veldheer. (45) Op 6 april van hetzelfde jaar verkochten een zekere Teunis (zijn achternaam is niet te ontcijferen) en zijn vrouw Catharina aan Ghijsbert Otten anderhalve morgen land in de zgn. Startcamp. (46) Op 10 oktober 1567 zegde Ghijsbert Otten Dirck Ariens een bedrag toe van zes Carolus gulden per jaar gedurende een periode van vijf jaar. Hij werd daardoor dertig hont land te Brakel ‘opte Langhe Beving ghelegen’ rijker. (47) Op 19 augustus 1572 kocht hij van Reyner van Aeswijn, Heer van Brakel, twee morgen land in Brakel. (48) N.B. In dorpen zoals Brakel ‘overheersten (in de zestiende eeuw) de bedrijven van zulk een grootte, dat ze de bezitter juist de gelegenheid gaven het hoofd boven water te houden: boven de 10 à 15 morgen kwam slechts een kleine minderheid, zéér kleine bedrijven, met minder dan 2 morgen waren er niet al te veel’. (49) Ghijsbert trouwde met een zus van Jen Huijghen. (50) Van haar en Ghijsbert is één kind bekend: Jan (of Johan). In een akte van 17 juni 1591 wordt Ghijsbert Otten de vader van Jan genoemd en heet Jan de ‘enige erffgenaem’. (51) Op 29 november 1597 werd Jan de leenvolger van zijn vader van twee akkers land op de Vijfgeerden. (52) Zie verder hoofdstuk V.


86

Wanneer Ghijsbert overleed, is mij niet bekend. In ieder geval voor 11 juni 1591: ‘Jan Ghijsberts van Braeckell claegt op (…) Ghijsbert Dircksz, alsdat sijns clegers vader Ghijsbert Otten, saliger (…) 11 junij (1591)’. (53) N.B. Jen Huijghen wordt de ‘moye’ van Jan Ghijsberts genoemd. (54) Moye kon zowel tante (d.w.z. een zuster van de moeder) als stiefmoeder betekenen. Meestal is de eerste betekenis bedoeld. Wat vindt U van de volgende redenering? Ghijsbert Otten was een Van Brakell, heette dus eigenlijk Ghijsbert van Brakell en voerde het wapen met de twee zalmen en de negen kruisjes. In hetzelfde dorp woonde een andere Ghijsbert van Brakell (‘Ghijsbert van Braeckel ende Ghijsbert Otten als nabueren van Brakel’) (55) die eveneens de twee zalmen en de negen kruisjes als wapen had. Beide heren waren in dezelfde tijd schepen in de Hoge Bank van Zuilichem. Heeft ‘onze’ Ghijsbert - om verwarring te voorkomen - zijn naam veranderd in Ghijsbert Otten (of zijn anderen hem zo gaan noemen) en zijn wapen gebroken door de negen kruisjes te vervangen door een kroontje? En gold dit ook niet voor Ott Jans, een tijd- en dorpsgenoot van Otto Janszoon van Brakell? ‘Onze’ Van Brakell werd daarom aangesproken met Ott Jans, de andere (vrijwel zeker hoger in aanzien) met zijn volledige naam. Tenslotte een interessante beschouwing van prof.mr.M.Bos over bewijsvoering in de genealogie. In zijn boek Het Sticht-Hollands geslacht Van den Bosch zegt hij hierover het volgende: ‘Als in de genealogie vermoedens bewijs kunnen opleveren, ja zelfs elke stamreeks per saldo op vermoedens berust (DNA-onderzoek daargelaten), dan is het duidelijk dat daar van bewijs in natuurwetenschappelijke zin geen sprake kan zijn. In de natuurwetenschappen wordt niets als vaststaand aangenomen wat niet met de natuurwetten te rijmen valt en door experiment wordt bevestigd. Men spreekt om die redenen dan ook van de exacte vakken. De formele logica speelt daarin een overheersende rol. In geschiedenis, genealogie en recht ligt dit anders. Wat men daar bewijs noemt is maatschappelijk, geen natuurwetenschappelijk bewijs en wordt gedragen door een veelheid van factoren, waaronder de formele logica niet meer dan een ondergeschikte plaats heeft. (…) Elk vermoeden op zichzelf mag dan onvoldoende bewijs zijn, bij elkaar genomen mogen zij onder omstandigheden als bewijs worden aanvaard, mits aan de eis van onderlinge overeenstemming is voldaan. (…) Bewijzen is aldus een elastische term: er zijn zwakke en sterke vermoedens, bewijs kan daarom in diverse sterktegraden worden geleverd. Twee of meer zwakke bewijzen kunnen tezamen één sterk bewijs vormen’. (56)

NOTEN

1)Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, X.Boek, blz. 285, en Johan Hendrik van Heurn, Historie der Stad en Meyerye van ’s-Hertogenbosch, alsmede van de voornaamste daaden der Hertogen van Brabant. Eerste Deel, blz. 374. 2)Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, XI.Boek, blz. 309. 3)Adriaan M.J. de Kraker, Een staatse strategie in een “uitgestorven” land. Organisatie en ten uitvoerlegging van de brandschat in Vlaanderen, 1585 tot 1604, Bijdragen en Mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, deel 121-1 (2006), blz. 5. Voor een uitvoeriger omschrijving van het begrip sauvegarde zie dr.Leo Adriaenssen, Staatsvormend geweld, blz. 172 en 173. 4)Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, XI.Boek, blz. 326, en drs.A.M. van Lith-Droogleever Fortuijn, dr.J.G.M.Sanders en drs.G.A.M. van Synghel, Kroniek van Peter van Os. Geschiedenis van ’s-Hertogenbosch en Brabant van Adam tot 1523, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Kleine Serie nr. 87, Den Haag 1997, blz. 311. Zie ook mr.J.A.M.Hoekx, drs.G.Hopstaken, drs.A.M. van Lith-Droogleever Fortuijn en dr.J.G.M. Sanders, Kroniek van Molius. Een zestiende-eeuwse Bossche priester over de geschiedenis van zijn stad, blz. 197 en 199, dr.Leo Adriaenssen, Staatsvormend geweld, blz. 53, 56, 57 en 61, en Arie Vervoorn, Alleen nog maar kloostermoppen. Het kasteel van Poederoijen. In: Tot in de bodem uitgezocht, Brakel 1990, blz. 17. Zie voor een uitgebreid verslag van het beleg van Poederoijen G.D.J.Schotel, Geschied-, letter- en oudheidkundige uitspanningen, Utrecht 1840, blz. 131 t/m 137. 5)P.N. van Doorninck, Geldersche Kronieken, Tweede aflevering, Arnhem 1908, VIII, blz. 132, Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, XI.Boek, blz. 399, en De kroniek van Henrica van Erp, abdis van Vrouwenklooster. Ingeleid en bezorgd door Anne Doedens & Henk Looijesteijn, Hilversum 2010, blz. 166. 6)Dr.W.Jappe Alberts, Maarten van Rossem, Spiegel Historiael, jaargang 13 (1978), nr. 3, blz. 137.


87

7)J.H.G.J. van Heeswijk, Marten van Rossem, een miskende Bommelwaarder, 500 jaren geleden geboren, Tussen de Voorn en Loevestein, jaargang XIV (oktober 1978), blz. 51. Zie ook dr.W.Jappe Alberts, Marten van Rossem, Tussen de Voorn en Loevestein, jaargang XV (augustus 1979), blz. 79. 8)H.M.Werner, Geldersche Kasteelen, blz. 283. Zie ook Nationaal Archief, Heren van Altena 1212-1646, nr. 86, mr.A.P. van Schilfgaarde, Het adellijk geslacht Van Rossem, blz. 137 t/m 139, Gelders Archief, Archief Huis de Cannenburg 1227-1881, nr. 61, H.J.H. Bossink, Inventaris van het Oud-Archief der Stad Woudrichem en van de daarbij gedeponeerde archieven, Woudrichem 1959, blz. 54, M.G. Wildeman, Oirconden betreffende de familie van Isendoorn à Blois 1456-1847, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXVI (1908), blz. 8 t/m 11, dr.J.C.Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in de Alblasserwaard, 1280-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 52 (1997), blz. 44, ds.E. van Alphen, Nederhemert en de Van Hemert’s, Tussen de Voorn en Loevestein, jaargang III (1967), nr. 2, blz. 171 t/m 176, en jaargang IV (1968), nr. 1, blz. 210, en E.J.Th. à Th. van der Hoop, Kwartieren Isendoorn-Stommel, blz. 177 en 178. 9)P.N. van Doorninck, Inneming en plundering van het huis Poederooyen op 14 april 1493, volgens bescheiden uit het staatsarchief te Wetzlar, Bijdragen en Mededeelingen der Vereeniging Gelre, jaargang X (1907), blz. 225, E. van Alphen, Nederhemert en de Van Hemert’s, Tussen de Voorn en Loevestein, jaargang III (1967), nr. 2, blz. 176, en Arie Vervoorn, Alleen nog maar kloostermoppen. Het kasteel van Poederoijen, blz. 17. 10)Drs.J.Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 3: 1450-1575, blz. 163. 11)Johan Hendrik van Heurn, Historie der Stad en Meyerye van ’s-Hertogenbosch. Eerste Deel, blz. 467 en 468. 12)Drs.J.Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 3, blz. 459. 13)De Tielse kroniek, Continuatie, par. 894. 14)Drs.J.Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 3, blz. 561. Zie ook De Tielse kroniek, Continuatie, par. 881 en 882. 15)Drs.J.Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 3, blz. 339. 16)Beschryvingh der Neder-Landen; Soo uyt Louis Guicciardyn als andere vermaerde Schrijvers kortelijk voorgestelt, en met nieuwe Bysonderheden, t’ zedert haren tijdt voorgevallen, doorgaens verrijckt. Eerste Deel. t’ Amsterdam. By Jacob van Meurs, Boeckhandelaer en Plaetsnijder, woonende in de Nieuwestraet, in de Stadt Meurs. Anno 1662, blz. ** 3. 17)Stadsarchief ’s-Hertogenbosch, Het Bosch’ Protocol, nr. 1219, folio 269 recto, en nr. 1220, folio 343 verso. 18)Gelders Archief, Archief van de familie Van Dam van Brakel (1307-1379), 1381-1959, nr. 849, Leenboeck Huys Braeckel, folio 44 verso en 45 recto. Zie ook nr. 863, Vassalorum van het Huis Brakel, folio 44. 19)Gelders Archief, Archief van de familie Van Dam van Brakel, nr. 863, Vassalorum van het Huis Brakel, folio 56 verso. Zie ook nr. 849, Leenboeck Huys Braeckel, folio 56 recto en verso. 20)Gelders Archief, Archief van de familie Van Dam van Brakel, nr. 863, Vassalorum van het Huis Brakel, folio 60. 21)Gelders Archief, Archief van de familie Van Dam van Brakel, nr. 849, Leenboeck Huys Braeckel, folio 61 verso en 62 recto, folio 68 verso, folio 69 recto, folio 70 verso, en folio 78 verso. 22)Gelders Archief, Archief van de familie van Dam van Brakel, nr. 849, Leenboeck Huys Braeckel, folio 83 recto. 23)Gelders Archief, Archief van de familie van Dam van Brakel, nr. 851, geen folionummering, en (inventaris)nr. 855, nr. 33. 24)Dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland, blz. 202. Zie ook dr.W.A.Beelaerts van Blokland, De praktijk van het leenrecht in Gelderland, Leiden 1910, blz. 18, en dr.A.J.Maris, Repertorium op de Stichtse Leenprotocollen uit het landsheerlijke tijdvak. I. De Nederstichtse leenacten (1394-1581), blz. XI. 25)Jkvr.dr.J.M. van Winter, Adel en aristocratie in de Middeleeuwen, blz. 373. 26)Dr.H.K.F. van Nierop, De adel in de 16e-eeuwse Nederlanden, Spiegel Historiael, jaargang 19 (1984), nr. 4, blz. 165. Zie ook dr.J.M.A.Coenen, Tussen regeren en reageren, blz. 35, en dr.Arie van Steensel, Adellijke verwantschap in laatmiddeleeuws Zeeland, Genealogie (CBG), jaargang 16 (2010), blz. 132 t/m 135. 27)Bert Koene, Voor God, Graaf en Geslacht. De kroniek van de ridders van Assendelft, Hilversum 2005, blz. 133. 28)Dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland, blz. 185 en 186. Zie ook dr.E.M.F.Koch, De kloosterpoort als sluitpost?, blz. 165 t/m 169. 29)Dr.E.M.F.Koch, De kloosterpoort als sluitpost?, blz. 126. 30)Dr.E.M.F.Koch, De kloosterpoort als sluitpost?, blz. 126 en 127. 31)Hilde de Ridder-Symoens, Adel en Universiteiten in de zestiende eeuw. Humanistisch ideaal of bittere noodzaak?, Tijdschrift voor Geschiedenis, jaargang 93 (1980), nr. 3, blz. 425. 32)Dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland, blz. 78 en 79. Zie ook dr.Conrad Gietman, Republiek van adel. Eer in de Oost-Nederlandse adelscultuur (1555-1702), diss., Utrecht 2010, blz. 94, en dr.Arie van Steensel, Adellijke verwantschap in laatmiddeleeuws Zeeland, blz. 132 t/m 135. 33)Jkvr.dr.J.M. van Winter, Adel en aristocratie in de Middeleeuwen, blz. 375. 34)Mario Damen en Antheun Janse, Adel in meervoud, blz. 531. 35)Regionaal Archief Rivierenland, Hoge Bank van Zuilichem (verder af te korten als HBZ), nr. 1, folio 128 recto, 13 maart 1567. 36)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 1, folio 134 recto en verso, 1568. 37)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 1, folio 128 recto, 8 maart 1567 en folio 130 recto, 10 april 1567; nr. 662, folio 55 verso, 15 januari 1567; nr. 665, folio 33 recto, 1569; nr. 667, folio 12 verso, 1571, en Gelders Archief, Heerlijkheid Zuilichem, nr. 61. 38)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 132, 17 oktober 1557. 39)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), brieven van en aan het Kwartier van Nijmegen 1544-1811, nr. 820, brief nr. 5732 (16 juni 1568). 40)Regionaal Archief Rivierenland, Archieven van het Ambtsbestuur van Bommel en de Bommelerwaard en van de dijkstoelen in de Bommelerwaard 1580-1837 (1842), nr. 3052/723, Conditiën tussen Brakel en het Monnikenland, betreffende


88

het lozen van water over het Monnikenland, 1566-1813. Zie ook Nationaal Archief, Archief Mackay van Ophemert, nr. 1283. 41)O.Moorman van Kappen e.a., Tieler- en Bommelerwaarden 1327-1977, blz. 148, en Nationaal Archief, Archief Mackay van Ophemert, nr. 1283. 42)O.Moorman van Kappen e.a., Tieler- en Bommelerwaarden 1327-1977, blz. 149, en Nationaal Archief, Archief Mackay van Ophemert, nr. 1283. 43)Gelders Archief, Archief van de familie van Dam van Brakel, nr. 563, charter 20 februari 1567. 44)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 666, folio 20 verso, 30 juli 1570. 45)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 1, folio 9 recto, 3 februari 1563. 46)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 1, folio 14 recto, 6 april 1563. 47)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 663, folio 37 recto, 10 oktober 1567. 48)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 668, folio 12 verso, 19 augustus 1572. 49)Dr.H.A.Enno van Gelder, Nederlandse dorpen in de 16 e eeuw, Verhandelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Afd. Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel LIX, No. 2, Amsterdam 1953, blz. 77. 50)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 4, folio 21 recto, oktober 1591. 51)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 4, folio 10 recto, 17 juni 1591. Zie ook HBZ, nr. 3, folio 64 verso. 52)Gelders Archief, Archief van de familie Van Dam van Brakel, nr. 851, geen folionummering, en nr. 855, nr. 41. 53)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 4, folio 7 verso, 11 juni 1591. 54)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 4, folio 21 recto, oktober 1591. 55)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 1, folio 141 recto, 1 juli 1568. 56)Mr.M.Bos, Het Stichts-Hollands geslacht Van den Bosch. Voorlopig verslag van een onderzoek naar persoon en voorgeslacht van Cornelis Jacobsz. (ca. 1500 - ca. 1580) te Waddinxveen, Hilversum 1995, blz. XV, XVIII en XIX.


89

HOOFDSTUK V. JAN GHIJSBERTS (VAN BRAKELL). ‘DE NESTOR ONDER DE SCHEPENEN VAN ZUILICHEM’ (ca. 1553 – 1628)

§ 1 De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648)

Jan Ghijsberts (van Brakell) leefde tijdens de Tachtigjarige Oorlog, een voor ons land cruciale periode. Vandaar dat ik hieronder vrij uitgebreid het verloop van die oorlog beschrijf. Verderop in het hoofdstuk vindt U meer details over de betrokkenheid van de Bommelerwaard bij de strijd. In 1555 deed keizer Karel V afstand van de troon. In Duitsland werd hij opgevolgd door zijn broer Ferdinand en in Spanje en de Nederlanden (het tegenwoordige Nederland, België en Luxemburg) door zijn zoon Philips II. Philips voelde zich meer Spanjaard dan Nederlander en vertrok daarom al in 1559 naar Spanje. In zijn naam moest zijn halfzuster Margaretha van Parma als landvoogdes de Nederlanden besturen. De eigenlijke machthebber was echter haar adviseur kardinaal Granvelle, aartsbisschop van Mechelen en een vertrouweling van Philips II. Na het vertrek van Philips ontstond onder de Nederlanders grote ontevredenheid: 1)de hoge adel, waaronder Willem van Oranje, wilde meer invloed op het bestuur; 2)de burgers ergerden zich over de Spaanse soldaten die bij gebrek aan soldij zich herhaaldelijk vergrepen aan hun eigendommen; 3)de calvinisten werden in opdracht van de streng katholieke Philips fanatiek vervolgd (‘ik zou liever honderd levens geven en mijn koninkrijk, dan ketters als onderdanen hebben’). De Liga van hoge edelen nam de leiding van het verzet in handen. Zij vroegen Philips om Granvelle, die om zijn grote macht door iedereen gevreesd werd, naar Spanje terug te roepen. Dit gebeurde, maar naar verdere verzoeken, zoals matiging van de vervolging der calvinisten en meer invloed voor de hoge adel op het bestuur, wilde Philips niet luisteren. Toen kwamen de lage edelen, waarvan sommigen calvinist waren, in actie. Zij (waaronder Johan en Dirk van Brakell, zie hoofdstuk IX) stelden een brief op, het zgn. Smeekschrift, waarin zij de landvoogdes vroegen minder streng tegen de calvinisten op te treden. De calvinisten kregen door dit optreden van de adel meer moed. Hun predikanten hielden zich niet langer schuil en gingen in het open veld godsdienstoefeningen (hagepreken) houden. Snel nam de onrust toe, ook al omdat 1566 een heel slecht jaar was met een mislukte oogst en stijgende prijzen. De geweldige spanning barstte los in de Beeldenstorm, de plundering van katholieke kerken door het gepeupel. Als reactie hierop zond Philips II een Spaans leger onder bevel van de nieuwe landvoogd, de hertog van Alva, om de beeldenstormers te straffen en de orde te herstellen. Hij richtte een rechtbank op die moest onderzoeken welke mensen schuldig waren aan de Beeldenstorm. Ruim duizend mensen, waaronder in 1568 de hoge edelen Egmond en Ho(o)rne, werden door de ‘Bloedraad’ ter dood veroordeeld. N.B. Op 20 juli 1568 werden 38 ‘rebellen ende oproerlingen’ door de Hoge Bank van Zuilichem veroordeeld. Een van de acht schepenen op die dag was mijn stamoudvader Ghijsbert Otten (van Brakell). (1) Willem van Oranje week uit naar zijn bezittingen in Duitsland en wilde vandaar uit proberen de Spanjaarden uit de Nederlanden te verdrijven. Hij hoopte dat de Nederlanders hem zouden helpen met geld en soldaten. Tussen 1568 en 1572 deden Willem van Oranje en zijn broers verschillende invallen, echter zonder veel succes. Dit was vooral te wijten aan de angst van de Nederlanders voor Alva en het geldgebrek van Oranje. In 1572 hadden de opstandelingen onverwacht succes. De watergeuzen - lage edelen en burgers die voor Alva gevlucht waren en sindsdien als zeerovers rondzwierven - vielen in dat jaar Holland en


90

Zeeland binnen en veroverden Den Briel en enkele andere steden. Binnen een jaar sloten bijna geheel Holland en Zeeland zich bij deze opstand aan en benoemden Oranje tot hun leider. Onmiddellijk stuurde Alva een leger om de opstandige gewesten te straffen. Het lukte de Spanjaarden enige steden in te nemen, maar de opstandelingen behielden Alkmaar en Leiden. De teleurgestelde Alva werd in 1573 als landvoogd vervangen door Requesens. Deze probeerde door onderhandelingen de opstand te beëindigen, maar ook deze politiek liep op niets uit. In 1576 stierf Requesens plotseling. De Spaanse soldaten, al weken lang zonder soldij, sloegen aan het muiten en plunderden Antwerpen (Spaanse furie). Deze plundering was het sein tot een algemene opstand tegen Spanje. Onder leiding van Willem van Oranje sloten Holland en Zeeland in 1576 een verbond met de andere Nederlandse gewesten tegen Spanje, de zgn. Pacificatie van Gent. Een van de punten van overeenkomst was dat er godsdienstvrijheid voor iedereen zou zijn. Maar de calvinisten hielden zich niet aan die afspraak en begonnen de katholieken te vervolgen. De katholieke gewesten in het zuiden besloten toen uit het verbond te treden. In 1579 sloten zij de Unie van Atrecht en onderwierpen zich aan Philips II. De noordelijke gewesten besloten echter de strijd voort te zetten en zij sloten in hetzelfde jaar de Unie van Utrecht. Hiermee kwam een einde aan de eenheid van de Nederlanden. De eerste jaren na 1579 waren voor de noordelijke gewesten een heel moeilijke tijd. In 1580 sloot Rennenberg, de katholieke stadhouder van Friesland, Groningen, Drente en Overijssel, zich bij Philips II aan. In hetzelfde jaar deed Philips II Willem van Oranje in de rijksban en verklaarde hem vogelvrij. De Staten-Generaal - de vergadering van afgevaardigden van de gewesten die tegen Spanje streden besloten Philips niet meer als hun wettige vorst te erkennen. Zij zochten toen naar een andere vorst en zo regeerden achtereenvolgens de hertog van Anjou uit Frankrijk en de graaf van Leicester uit Engeland. In 1584 werd Willem van Oranje in Delft doodgeschoten. De buitenlandse vorsten bleken onbekwame bestuurders te zijn en daarom besloten de opstandige gewesten in 1588 voortaan zichzelf te besturen. Daarmee begon in dat jaar de geschiedenis van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Na 1588 konden de opstandelingen eindelijk weer successen boeken. Dit was vooral te danken aan de bekwaamheid van Oranje’s zoon Maurits als veldheer en aan Oldenbarnevelt, de politieke leider van de Republiek, als bestuurder. Rond 1600 luwde de strijd; na een zo lange oorlog verlangden beide partijen naar vrede. Daar werd jaren over onderhandeld, maar men kon het niet eens worden over de vredesvoorwaarden. Toen kwam men overeen een wapenstilstand van twaalf jaar te sluiten (Twaalfjarig Bestand 1609-1621). In 1621 begon de oorlog opnieuw. Maurits had echter veel van zijn strijdlust verloren en hij leed dan ook verschillende nederlagen. In 1625 werd hij als stadhouder opgevolgd door zijn halfbroer Frederik Hendrik. Deze breidde het gebied van de Republiek vooral uit ten zuiden van de grote rivieren. In 1639 deden de Spanjaarden een laatste poging de noordelijke Nederlanden te heroveren. Zij stuurden een machtige vloot die echter door admiraal Tromp vernietigd werd. In de Republiek wilden nu veel mensen een einde aan de oorlog maken, ook al zouden de zuidelijke Nederlanden Spaans blijven. De handel leed door de strijd teveel schade. Onder protest van de strenge calvinisten in Holland, Zeeland en Utrecht, die het katholicisme verder wilden bestrijden, sloot de Republiek in 1648 met Spanje de Vrede van Münster. Daarbij werd o.m. bepaald dat de Republiek door Spanje werd erkend als ‘vrye ende souveraine Staten, Provintien en Landen’, en alle koloniën, die zij veroverd had, mocht houden. De na 1625 veroverde gebieden, Zeeuws-Vlaanderen, Noord-Brabant en enkele delen van Limburg, bleven bij de Republiek. Deze gebieden werden sindsdien behandeld als wingewesten en bestuurd door de Staten-Generaal (Generaliteitslanden).


91

§ 2 Jan Ghijsberts (van Brakell) I

Jan Ghijsberts wordt regelmatig in akten Van Brakell genoemd. Hieronder ziet U enkele voorbeelden. Op 11 maart 1591 ‘getuigt en verklaart: Peter Aerts, Scholt (= schout) tot Delwijnen’, (…) dat hij zes of zeven jaar geleden van ‘Jan Ghijsberts van Braeckell twee merriepaerden’ heeft gekocht voor 54 gulden. (2) ‘Jan Ghijsberts van Braeckell claegt op (…) Ghijsbert Dircksz, alsdat sijns clegers vader Ghijsbert Otten saliger, (…) een peert had uijtgeleent (…)’; 11 juni 1591. (3) Op 27 april 1602 trad ‘Jan Ghijsberts van Braeckell’ als momber (= voogd) op voor twee dochters van ‘Cornelis Staesz saliger’. (4) ‘Schepen Andries Tuyll en Jan Ghijsberts van Braeckell (…) heeft ons verthoont een guyten bij Reyner van Aeswijn soe hij seede’; 20 april 1613. (5) In een akte van 26 februari 1614 staat: ‘Jan Ghijsberts van Braeckell heeft van wege dorpe Braeckell’ (…). (6) Men kan natuurlijk stellen dat met ‘van Braeckell’ bedoeld wordt dat de man afkomstig was uit het dorp Brakel. Als met Brakel zijn woonplaats bedoeld wordt, waarom heeft men dan niet bij Ghijsbert Dircksz, Cornelis Staesz en Andries Tuyll genoteerd waar zij vandaan kwamen? Jan werd omstreeks 1553 geboren. In een procesdossier van 28 juli 1601 wordt ‘op 12 maart 1599 stilo veterij (= Juliaanse kalender)’ als getuige genoemd ‘Jan Ghijsbertsen ongeverlick, soo hij verclaerde, oudt vijff off zes ende veertich jaren’, een van de ‘nabueren tot Braeckell’. (7) Hij overleed kort na 29 januari 1628 (8) en werd dus ongeveer 75 jaar oud. Hij trouwde in 1581 met Catharina Cornelisdochter van Brakell, ook wel Catalijn of Lijn genoemd. Ze was een dochter van Cornelis Rey(n)ers van Brakell en diens eerste vrouw, waarvan de naam niet bekend is. In een akte van 13 april 1581 werden de huwelijkse voorwaarden geregeld: ‘Cornelis Reyners ende Jan Ghijsberts sijn dochter man’ kwamen overeen ‘dat Jan Ghijsberts voorss nae doode sijn huysfr. (…) ontfangen sall die somme van 70 Carolus guldens’. (9) Op 15 november van hetzelfde jaar noemt Cornelis Re(y)ners Jan Ghijsberts ‘sijne swagere’ (= schoonzoon); op 7 december 1625 wordt Jan de ‘momber’ van ‘Catherina Cornelisdr.’ genoemd. (10) Van Jan en Catharina zijn zeven kinderen bekend: 1)Ghijsbert Jans. (11) Hij was buurmeester (= beheerder van de dorpsfinanciën) van Brakel. Ghijsbert trouwde met Lijntje Goossens. Op 11 juli 1639 worden zijn moeder ‘Lijn Cornelis weduwe van wijlen Jan Ghijsbertsen’, en zijn broer Huijgh Jans erfgenamen van Ghijsbert Jans genoemd. (12). 2)Cornelis Jan Ghijsberts (Salms). Hij was heemraad en dijkschrijver. Cornelis trouwde eerst met een onbekende dame en daarna op 5 oktober 1645 met Mayken Thonis. Uit zijn eerste huwelijk werden twee kinderen geboren: Gerrit en Jan; bij zijn tweede echtgenote kreeg hij vijf kinderen: Anthonij, Ghijsbert, Lijntje, Oth en Willem. Zie verder hoofdstuk X (Stamreeks). 3)Jan Jans. Hij trouwde met Lijn Ariens. In hun testament (28 april 1651) worden als kinderen vermeld: Gijsbert, Peter, Gerard, Wouter en Mayke. (13) 4)Huijgh Jans. (14) Hij trouwde met Wouterken Ariens. Op 18 september 1627 wordt ‘Huygh Jansen’ dijkheemraad te Brakel genoemd. (15) Van dit echtpaar is één kind bekend: Ott. (16)


92

5)Stijntje Jans. Zij trouwde met Jan Bernts. Hij overleed na 6 september 1638. (17) 6)Neeltje Jans. Zij overleed voor 8 januari 1626 en ging op 30 juli 1608 in ondertrouw met Aert Anthonis de Fockert uit Herwijnen. Dit echtpaar had vier kinderen: Lijske, Maijke, Trijntje en Neeltke. (18) Aert overleed tussen 6 september 1638 en 2 januari 1653. (19) 7)Ott Jans. (20) In het Haardstedenregister van Brakel uit 1632 staan vermeld: ‘Gijsbert Jansz, Huich Jansen, Jan Jansz (zonen van Jan Ghijsberts), Lijn Jan Gijsberts (weduwe van Jan Ghijsberts), Jan Berntsz (schoonzoon van Jan Ghijsberts) en Joost Salms, Gerrit Cornelis en Reyer Cornelis (zwagers van Jan Ghijsberts)’. (21) De hierboven genoemde personen behoorden tot de ongeveer 100 hoofdbewoners van de huizen en boerderijen in het dorp Brakel. § 3 ‘Hyer mocht men sien alle dage, ja alle ure, een groot gescrey’

Voordat ik de maatschappelijke functies van Jan Ghijsberts ga behandelen, geef ik U eerst een aantal ‘hoogtepunten’ uit de lotgevallen van Jan en zijn tijdgenoten in Brakel en omgeving gedurende de Tachtigjarige Oorlog. We zagen al in par. 1 dat Willem van Oranje en zijn broers vanaf 1568 pogingen deden de Spanjaarden uit de Nederlanden te verjagen. Om een vuist tegen Alva te kunnen maken, was het noodzakelijk over goed verdedigbare vestingen te beschikken. Daarom was het beleid van de prins in die dagen allereerst gericht op het innemen van strategisch belangrijke plaatsen. In dit kader stippelde hij in 1570 een veldtocht uit, waarvan de verovering van kasteel Loevestein (onder de ‘rook’ van Brakel), een onderdeel vormde. Oranje belastte de watergeus Herman de Ruyter, ‘een ossenkoper, hier ter stede (’s-Hertogenbosch) gebooren, doch zederd de vervolging der Hervormden gevlugt’, met de opdracht Loevestein in te nemen. ‘Den 14den December vertoonde hy zich met twee schuiten, waar een twintigtal manschappen in verborgen waren, voor het kasteel, stapte met zes of zeven man aan wal en verzocht den kastelein te spreken, wie hy afvroeg of hy de plaats hield voor den prins van Oranje. Een ontkennend antwoord ontfangende, loste de Ruyter zijn pistool op De Jode, en wondde hem. Dit was het sein voor zijn makkers, die nu, uit hun vaartuigen voor den dag springende, toesnelden, den slotvoogd en de bezettelingen overvielen en ombrachten en ’t slot vermeesterden. Ongelukkig bleef, ten gevolge van den ingevallen vorst, de bystand achter, dien de graaf van den Bergh hem beloofd had, en kon de Ruyter alzoo alleen op eigen krachten rekenen; doch het was te voorzien, dat hy zich niet lang in zijn stelling zou kunnen handhaven. Don Rodrigo van Toledo, bevelhebber van ’s-Hertogenbosch, had naauwlyks tijding van ’t gebeurde bekomen, of hy zond Lorenzo Perea met een vijftigtal soldaten en zestig busschieters af, om het slot te hernemen. Den 20sten december over het ijs op het eiland gekomen, wisten zy spoedig de slotpoort open te rammeien en deden, daar binnen gedrongen, de manschappen van de Ruyter over de kling springen (= doden). Hy zelf, zijn lot voorziende, doch voor ’t minst zijn leven duur willende verkoopen, had zich met een drietal der zijnen in een der vertrekken van ’t slot verschanst en de toegangen met buskruit bestrooid, ’t welk hy by ’t naderen der vyanden in brand stak. Eenige werden hierdoor gewond; doch dit belette de overigen niet, binnen te dringen en den stoutmoedigen de Ruyter, die zich nog geruimen tijd met leeuwenmoed verdedigde en verscheiden zijner bespringers in ’t stof deed bijten, te overmannen en neder te vellen. Zijn hoofd, van den romp gehouwen, werd te ’s-Hertogenbosch op een pen gezet: zijn makkers, voor zoo ver die levend in handen des Spanjaarts gevallen waren, te Antwerpen gewurgd.’ (22) Pas in 1572 kwam het slot definitief in handen van de opstandelingen. In 1574 deden de Spanjaarden een vergeefse poging Loevestein te heroveren, waarbij o.m. kasteel Brakel geplunderd werd. Om herhaling te voorkomen, werd in de zomer van 1575 begonnen met de


93

aanleg van nieuwe verdedigingswerken. De inwoners van de naburige dorpen Brakel en Poederoijen beklaagden zich bij Oranje over de hulp die zij bij de versterking van Loevestein moesten bieden. Die hulp vond men vanzelfsprekend, maar kapitein De Trello, die de leiding had, vroeg teveel van ze: Brakel moest twaalf man en vier paarden leveren en Poederoijen zes man en twee paarden. Omdat de oogst voor de deur stond, konden deze mannen en paarden onmogelijk gemist worden. De prins drukte Charles de Trello op het hart deze mensen zoveel mogelijk tegemoet te komen door minder mankracht van ze te vragen of de door hen aangeboden financiële compensatie te accepteren. (23) In ‘het huis te Brakel’ werden soldaten van de prins van Oranje gelegerd. De kosten waren voor rekening van de stad Zaltbommel en de Bommelerwaard. (24) N.B. In 1588 werd ‘het huys van Braeckel van de ruyteren ende knechten, daerop liggende, ontlediget’ en ‘den heer van Brakel ingeruimd, op voorwaarde, dat deze het huis zou verdedigen met zijn eigen troepen of huislieden, buiten kosten van het land’. (25) De gebeurtenissen einde 1585 staan beschreven in de Nederlandsche Historiën van Pieter Corneliszoon Hooft. ‘In ’t begin van de wintermaant’ viel een Spaans leger van 4 à 5000 man onder bevel van Karel graaf van Mansfeld de Bommelerwaard binnen ‘meenende daar de taafel gedekt te vinden’. De Nederlandse bevelhebber in dit gebied, Philips graaf van Hohenlohe-Langenburg, versterkt met schepen uit Dordrecht, gaf opdracht de dijken door te steken. De Spaanse soldaten konden zich door ‘ter borste toe door ’t waater te wandelen’ op hoger gelegen grond in veiligheid brengen. Op 8 december begon het echter te vriezen en dat noodzaakte Hohenlohe ‘vreezende van ’t ys beklemt te worden’ zich met zijn schepen terug te trekken. De katholieke bewoners van ’s-Hertogenbosch ‘beweezen groote barmhartigheit aan de Spanjaards, en leidden der veel naa hunne huizen, daar zy ze lieten geneezen, en met goedt onthaal verquikten. Echter storf der een deel: zommighe gesnerpt van de koude, verlooren de vingers, andre de teenen, die van de stompe handen en voeten afvielen’. De Spanjaarden, aldus Hooft, ‘naamen dit ontzet voor een wonder, gebraght door bemiddeling der maaghet Maria, omdat het juist naa den achtsten gebeurde, op welken dagh zy de feest van haar ontfankenis (= Maria Onbevlekte Ontvangenis) vieren’. De Spaanse landvoogd bedankte de bevolking van ’s-Hertogenbosch ‘voor de weldaaden, besteed aan ’s koonings krygsluiden, en beschonk de stadt met eenen vergulden kop, de armen met tachtentigh ossen’. (26) In 1589 wilden de Spanjaarden een aanval op Zaltbommel ondernemen. Waarschijnlijk door verraad lekte het plan uit en kon Maurits tegenmaatregelen nemen. De verwachte aanval op de stad bleef dan ook uit. ‘Tot dat zelfde jaar (1589) behoort het beleg van Heusden door de Spanjaarden, waardoor prins Maurits gedurig te Bommel (= Zaltbommel) en omstreken was; voorts de inval der Spanjaarden in de Bommelerwaard, waar zij de huizen Hedel, Pouderoyen en Brakel bemachtigden, hevig aan het muiten sloegen, hun bevelhebber Karel van Mansfeld naar het leven stonden, het dorp Brakel verbrandden, en eindelijk te Neder-Hemert over de Maas aftogen.’ (27) En wie was vooral het slachtoffer van al dat oorlogsgeweld? De plattelandsbevolking. Het wordt tijd daar wat aandacht aan te besteden. In de Bommelerwaard en omgeving waren duizenden soldaten gelegerd die onregelmatig betaald werden en daarom ‘op de boeren teerden’. In februari 1588 beklaagden leden van het garnizoen van Woudrichem zich bij Philips, graaf van Nassau, over hun ‘grove armoede’. ‘Wij worden van vrome soldaten tot bedelaars.’ Het was zelfs zo erg dat de soldaten ‘dikwijls twee, drie of meer dagen geen brood hebben gesmaakt, terwijl zij wel hun wachten en tochten hebben voldaan’. (28) Op 10 mei 1583 verkochten Schotse soldaten (in Nederlandse dienst) hun kleding om aan eten te komen. (29) Op 13 juli 1585 adviseerden prins Maurits en de Raad van State de Staten-Generaal dan ook dat ‘promptelijck gelt, kaes, broet ende poeder voir de soldaten soude wordden gesonden, (…)’. (30) De Bommelerwaard was tijdens de opstand lange tijd grensgebied waardoorheen regelmatig troepen trokken die alles vertrapten. ‘Veel boeren vluchtten dan, alleen al op het gerucht van een naderend leger. De toestand bij hun terugkomst was dikwijls droevig. Dan was de tijd voor het zaaien of oogsten


94

voorbij en zomaar een heel seizoen verloren. Of hun huizen of schuren waren platgebrand, omdat zij het leger in de weg stonden. Het allerergste was als in hun streek een stad werd belegerd (Zaltbommel in 1574). Dan trokken de molsgangen van circumvallatie (= afsluiting van een stad of vesting door een wal) en loopgraven dwars door hun landerijen, dan werden hun huizen vernietigd of vruchtbomen omgehakt als die in het schootsveld van de belegeraar stonden, of hun akkers en weiden onder water gezet. In weer andere gevallen werden boerderijen of kerkgebouwen in beslag genomen voor militaire doeleinden, als onderkomen voor soldaten bijvoorbeeld. En steeds moesten zij bedacht zijn op schermutselingen tussen belegeraars en uitvallers uit de stad of hulptroepen van buiten. Menig inwoner vond daarbij de dood.’ (31) Het dagboek van Gasparus de L’Agarge, een geestelijke behorende tot het gevolg van de Spaanse generaal Hierges tijdens diens veldtocht in de Bommelerwaard in 1574, is illustrerend voor de ellende waarin de Bommelerwaarders en hun buren werden ondergedompeld. ‘Hyer mocht men sien alle dage, ja alle ure, een groot gescrey ende groot jamer ende geclach van huysluyden, zoowel vrouwen als mans; ychelick weenden, ychelick kermden over gewelt ende over hun beesten (…). Den 29 augusti, ende was een sondach, schoeten die Spaeniers van Tuyl onder het sermoen (= preek) in die kerrick van Bommel. Die cloet (= kogel) viel voir den preeckstoel neer, mer gaff sich weder op ende viel in St.Antoniuspant. Der worden nyemants gequetst (= gewond), mer ’t volck in ’t sermoen was seer verbaest, lyepen gelickhant mit haren predikant uut die kerck na den Regulieren (= klooster gesticht door Catharina van Polanen, echtgenote van Eustachius van Brakell), (32) alwaer het sermoen voirt voleyndt worden. (…) Den lesten augusti, ’s morgens vroech, worden onsse Gen. Heer aengebracht als datter etlicke schepen voirhanden waren van den Geussen, diewelcke van beneden quamen om in onssen leger te vallen. Mer het was nyet. Onsse Gen. Heer schickten etlicke carrabynen nae Sulickhem (= Zuilichem) ende Braeckel om te vernemen, offer wat voirhanden waer, diewelcke, corts weder commende, brachten nyet anders mede dan etlicke peerden ende coybeesten, die se onder Lovesteyn den vianden affgeroeft hadden.’ (33) In de jaren 1593-1594 trok een Staats (= Nederlands) leger naar de Bommelerwaard en onderging de plattelandsbevolking opnieuw de overlast van troepen, ‘gelijck te voren niets anders doende dan de boeren haer vruchten als appelen, peeren, bonnen, erweeten, gaerst ende haver aff etende’. (34) In 1599 werd Zaltbommel vergeefs belegerd. ‘Veel volk was er voor Bommel gesneuveld, van waar daaglyks veele wagens met dooden en gekwetsten binnen ’s-Hertogenbosch gebragt werden.’ (35) Zoals U al in paragraaf 1 hebt kunnen lezen, luwde rond 1600 de strijd. Daarom besloot de StatenGeneraal o.m. in 1604 de waardgelders (huursoldaten in tijdelijke dienst) ‘aff te dancken’. In Brakel werden twintig van hen op straat gezet. (36) Op 11 november 1617 behandelde de Staten-Generaal een brief van ene Adolph Steingens waarin deze zich beklaagde over een inval in Brakel waarbij de kerk bezet werd. Tot grote opluchting van de hoge heren in Den Haag werd op 22 november in een brief aan prins Maurits medegedeeld dat ‘de tegenpartij de kerk van Brakel overgegeven heeft’. (37) Na moeizame en langdurige onderhandelingen werd in april 1609 met de Spanjaarden het Twaalfjarig Bestand gesloten. In 1621 werd de strijd hervat. De jaren hierna vielen samen met de Dertigjarige Oorlog in het Duitse Rijk, waarbij het niet zoals bij ons om een vorstendom van de Spaanse maar van de Oostenrijkse Habsburgers ging. Zij en hun bondgenoten vochten tussen 1618 en 1648 tegen o.m. de Fransen die bevreesd waren voor een Habsburgse hegemonie in Europa. Natuurlijk had deze oorlog consequenties voor de vrijheidsstrijd van de Nederlanders. De Habsburgers moesten immers hun aandacht en middelen verdelen over meerdere gebieden. Bovendien kregen wij hulp van de Fransen die in die dagen geleid werden door kardinaal Richelieu. De meest bekende wapenfeiten uit deze periode waren het beleg en de verovering van ’s-Hertogenbosch in 1629 door Frederik Hendrik, (half)broer en opvolger van Maurits, en diens (mislukte) poging, in het begin van de jaren dertig, de zuidelijke Nederlanden te veroveren. Daarbij wist de ‘stedendwinger’ o.m. Venlo, Roermond, Sittard en Maastricht aan de Habsburgers te ontfutselen. Met name het beleg van ’s-Hertogenbosch had gevolgen voor de Bommelerwaard, het achterland van de Brabantse stad. Voor de zoveelste keer werden de voorouders het slachtoffer van oorlogsgeweld. Geen wonder dat in de ogen van velen de soldaat van een ‘ijsre


95

sport in ’t heck van ’t vaderland’ degradeerde tot ‘een vreeslick ambachtsman’. (38) In 1634 deden de Gelderse afgevaardigden in de Staten-Generaal hun beklag over hoe de bewoners van hun gewest ‘met vyantlijcke ghewelt, brant, roof ende gevanckenis daghelijcx overvallen wierden by gebreck van behoorlijcke bescherminge’. (39) In 1648 jubelde Joost van den Vondel ‘men zingt al pais en vree’ en mocht Barthold van Gent (wiens betovergrootvader Joost van Brakell was), leider van de Nederlandse delegatie tijdens de vredesonderhandelingen, namens Gelderland in Münster het vredesverdrag tekenen. Ook Jan Ghijsberts en de zijnen ondervonden aan den lijve wat het betekende in oorlogsgebied te wonen. Een paar voorbeelden. Op 20 augustus 1584 ontving de Heer van Brakel Reyner van Aeswijn een schrijven van het Hof van Justitie waarin stond dat het dorp Brakel in opdracht van de Staten-Generaal een pionier moest leveren voor een periode van twee maanden tegen een gage van vijftien gulden per maand. (40) Op 11 juli 1585 kreeg de ambtman van Zaltbommel, de Tieler- en Bommelerwaard bevel ‘de huislieden van de Bommelerwaard tegen elken overval van den vijand onder de wapens te brengen’. (41) ‘Cornelis Janss van Braeckell, aldt 48 jaeren, Digna, eertijts echte wijff van Aelbert Aelberts, aldt 51 jaer’ op 14 oktober 1589 als getuigen opgeroepen door ‘Jacob Ghijsberts, scholt tot Braeckell en Jan Ghijsberts, buurmeester aldaer’ om te getuigen ‘dat etliche soldaten (…) gehaelt hebben Cornelis Reijers naebuur tot Braeckell (de schoonvader van Jan Ghijsberts) en afgehaelt (= afgenomen) hebben hem drie peerden, in ’t leste van het jaer 1583, waervan hij tot rantsoen (= afkoopsom) heeft moeten betaelen 60 gulden’. (42) ‘Tuijgt Jan Ghijsberts, schepen ter justitie en Jacob Ghijsberts, scholt tot Braeckell (op 24 november 1592), dat seeckere tijt geleden, namelick ten tijde als Adriaen Mulick (Arien Peters van Muijlwijck, de schoonvader van Jan Jans, de zoon van Jan Ghijsberts) sijnen arm afgeschoten werdt en hij daervan tot Gorinchem te meijsteren (= onder behandeling van een heelmeester) lach.’ (43) Al op 23 januari 1588 deed de Staten-Generaal een vergeefse poging aan de wantoestanden in het leger een einde te maken. Zij vaardigde op die dag een plakkaat uit dat de bestuurders in de steden en op het platteland machtigden ‘soldaten van de garnisoenen in de steden der verscreven geunieerde provintiën’ voor het gerecht te brengen die ervan werden verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan ‘onbehoirlycke ende onmenschelycke pyningen ende tormenten (= martelingen)’, ten einde de ‘huyslieden onredelycke rantchoenen’ af te persen. (44) In 1596 gooiden de Hoogmogende Heren het over een andere boeg. Om de soldaten er toe aan te zetten zich met hun eigenlijke handwerk bezig te houden - het bestrijden van ‘des vyants soldaten, die over stroomen in Thiel- ende Bommelreweert’ - kregen zij voortaan ‘van elcken soldaet des vyants, die zy levendich ofte doot over stroomen sullen achterhalen ende leveren, tot last van de Generaliteyt sullen hebben ende genieten de somme van vijfftich guldens (…)’. (45) Er moest niet alleen geleden en gestreden maar ook betaald worden. Iedereen werd verplicht contributie, een oorlogsbelasting, te betalen. Meestal bleef het bij gemopper. ‘Die van (den) Nijmmeghsen quartier, niettegenstaende haren soberen staet (in 1592), daerin zy sich vinden, ende groote bederffenisse haerer platte landen, soo mit wateren, inlegeringen ende menichfuldige doortochten van ruyter ende knechten, hebben geconsentiert ordinaris ende maendtlijck, tot stuyr der gemeyner saken, te contribueren by ramongh ende in navolgende gestalt twee duysent guldens, (…) tho weeten van elcken merghen besaits landts in ’t jaer eenen gulden ende van die bestialen (= geslacht vee) maendtlijck twee stuivers, (…).’ (46) Soms liet men het daar niet bij. In 1579 verjoegen de boeren in de Tielerwaard twee compagnieën van generaal Hohenlohe, omdat het leven onder het roven en plunderen ondraaglijk was geworden. Het land was ‘ghebrandtschat ende opghegheten’. De opstand en ook die in Overijssel, de Groninger Ommelanden en het Vrije van Brugge werden snel en definitief neergeslagen ten koste van minstens 1300 doden. (47)


96

In 1599 toonde prins Maurits compassie met de Bommelerwaarders. In een brief aan zijn superieuren vroeg hij ‘d’arme veriaeghde’ huislieden van de Bommelerwaard toestemming te geven een ‘generale’ collecte te houden. De Staten-Generaal gaf vervolgens opdracht het verzoek met recommandatiebrieven aan alle gewesten aan te bevelen, met verzoek er gunstig op te willen beschikken. (48) N.B. Dr.Leo Adriaenssen zegt in zijn proefschrift dat tijdens de Tachtigjarige Oorlog in de Meierij van Den Bosch - en dat gold ook voor de Bommelerwaard - sprake was van ‘een opzettelijke politiek van uithongering’. Met name in de jaren tachtig van de zestiende eeuw ‘verwoestten Staatse troepen stelselmatig oogsten, inundeerden landerijen en verbrandden dorpen. Deze cyclus van roof- en brandacties was het resultaat van een weloverwogen, goed doordacht en rationeel uitgevoerd plan, geïnstigeerd en uitgevoerd uit naam van de vrijheid en het algemeen belang door de hoogste politieke besluitvormingsorganen van de opstandige provincies, hun stadhouders en hun legerleiding. Dat maakt onder meer Willem de Zwijger als een van de initiatiefnemers en zijn zoons Maurits als bevelhebber over minstens een van de verwoestingsacties en Frederik Hendrik, op dezelfde wijze dieper in Brabant actief, tot direct verantwoordelijken en medeplichtigen’. (49) Om te voorkomen dat U overvoerd en daardoor immuun wordt voor alle ellende, bespaar ik U de verhalen over misoogsten, pestepidemieën en dijkdoorbraken. Één uitzondering. In 1570 kostte de Allerheiligenvloed tenminste 20.000 mensen het leven. ‘Omtrent Allerheylighen was er in Vriesland (en niet alleen daar) eene groote en ongehoorde watersnood; zoo dat de zee de dijken oversteygerende het vlacke land allenthalven, als in den sondvloet, overdeckte, ende als in een ooghenblick ontallyke menschen en beesten vernielde.’ (50) De stad Elburg berichtte aan Arnhem: ‘Een menigte huisluiden met wijf, kinderen en beesten zijn door den vloed jammerlijk versopen (leijder Gott), muren en wallen van de stad zijn omgevallen, men hoort niet dan jammer en ellende’. (51) Tot overmaat van ramp volgde daarna een zeer strenge winter waarin het van begin december tot begin februari vroor en bijna elke dag sneeuwde. En toen het eindelijk ging dooien, liep de Bommelerwaard opnieuw onder water. De Spanjaarden zagen er een vergelding in voor de Beeldenstorm. Een kloosterzuster uit ’s-Hertogenbosch, een voor de Bommelerwaard belangrijke stad, vertelde: (…) ‘ons cloester was vol waters en in allen huysen en in ons kerck. Ons susteren mosten op die solder eten ende spinnen ende leden oock groote couwe. Ende ons koeyen stonden oock op die solder (…)’. (52) Een tekst op een marmeren plaat in een Fries kerkje is een blijvende herinnering aan de Allerheiligenvloed: ‘A° 1570 op Aldarheilige dach savens is het water hier in der kercke hoech west (= geweest) 1 voet ende sijn fardroncken in dese gritenije (= district) 1801 mensken’. (53) N.B. Er is een duidelijke relatie tussen de Tachtigjarige Oorlog en de vele overstromingen in het Gelderse rivierengebied. Door gevechtshandelingen en plunderingen was het gebied sterk verarmd en konden de bewoners niet meer de (verplichte) middelen opbrengen om de dijken te onderhouden. Daar kwam bij dat vele grootgrondbezitters en steden in het verleden hun dijkplicht hadden afgekocht. Toen Alva na de Allerheiligenvloed opdracht gaf langs de Noordzeekust een dijk aan te leggen, weigerden sommige edelen hieraan mee te betalen en beriepen zich op hun vrijstellingen. De IJzeren Hertog liet de heren weten ‘dat sy hunne vrybrieven zouden voor den dagh halen, ende teghen den oever van de zee legghen wanneer die meest hollend en verbolgen was; ende, zoo de brieven nu de baeren konden afweeren en wederstaen, vrydom genieten, ofte anders neffens de andere gelijkelijken zouden moeten toelegghen’. (54)

§ 4 De Reformatie

Ik kom nu bij een voor de geschiedenis van het geslacht Van Brakell/Van der Zalm belangrijk onderwerp, de Hervorming of Reformatie. We mogen niet vergeten, dat vele leden van dit geslacht, waaronder mijn voorouders in rechte mannelijke lijn vanaf Cornelis Jan Ghijsberts (eerste helft 17e eeuw) tot en met Dirk van der Zalm (einde 19e eeuw), gereformeerd waren.


97

Een belangrijke oorzaak van de Hervorming was de kritiek van Luther en Calvijn en met hen vele anderen op de levenswijze van de rooms-katholieke geestelijkheid. Dit behandel ik pas in het volgende hoofdstuk, omdat de grootvader van de echtgenote van Jan Ghijsberts, Reyner Joosten, pastoor was. Deze zielenherder, gehuwd en vader van een groot gezin en van een onwettig kind, was niet bepaald een lichtend voorbeeld voor zijn parochianen. Hij werd op een gegeven ogenblik zelfs uit zijn ambt gezet. De details van deze onverkwikkelijke affaire komen, zoals al gezegd, later aan bod. In dit hoofdstuk beperk ik me tot de volgorde van gebeurtenissen in het proces van protestantisering van de Bommelerwaard. De geschiedenis van het protestantisme begon op 31 oktober 1517 in Wittenberg (Dtl). Op die dag spijkerde Maarten Luther, monnik en hoogleraar in de bijbelstudie aan de plaatselijke universiteit, een ‘protestbrief’ tegen de handel in aflaten op de deur van de slotkerk aldaar. Hij wilde de R.K.Kerk ontdoen van alle dogma’s en gebruiken die volgens hem in strijd waren met de bijbel. De paus voelde weinig voor hervormingen en deed de rebelse professor in de kerkelijke ban. De Duitse keizer Karel V koos de zijde van de paus, zijn tegenstanders in Duitsland die van Luther. Bij deze laatste groepering speelden allerlei motieven een rol. Er waren er die Luthers kritiek deelden. Velen echter hoopten er beter van te worden. Luther beweerde immers dat in elk vorstendom de vorst het hoofd van de Kerk was en dat de onderdanen hun heer altijd moesten gehoorzamen. Dat klonk die heren als muziek in de oren; als hoofd van de Kerk konden zij ongestraft de bezittingen van de Kerk in beslag nemen. Vanuit Duitsland verbreidde het Lutheranisme zich over andere Europese landen, waaronder de Nederlanden. Hoewel ook bij ons velen kritiek op de R.K.Kerk hadden, bleef het aantal aanhangers van de ‘nye leer’ zeer beperkt. ‘Er ontbrak hier namelijk een voorwaarde waarvan Luther zelf de uitbreiding van zijn werk afhankelijk had gemaakt: de instemming van de wereldlijke overheid.’ (55) In de Nederlanden bleven de vorsten de R.K.Kerk trouw en dat betekende dat Lutheranen als ketters beschouwd werden. Waarschuwingen werden al vrij snel gevolgd door verbanningen en executies. Zo werden in 1523 in Arnhem twee ‘Luthers gesinde jofferen’ uit Nijmegen terechtgesteld. (56) Niele ‘Peter Janssens huisvrouw’ uit Kampen had meer geluk. Zij werd op 3 juli 1540 veroordeeld tot een boete van twintig carolusguldens en diende ‘voor de kerk op een schavot te staan tot dat men met de processie gaat en dan vóór de processie uit te gaan in een linnen kleed, met eene brandende kaars van een half pond was in de hand, en daarna op hare knieën te zitten voor het H.Sacrament en hooren de misse en offeren de kaars’. (57). Dat gold echter niet voor Huybert Selkaert uit Zaltbommel. Hij werd op 12 november 1542 tot de verdrinkingsdood veroordeeld, omdat hij tijdens een processie met een bijbel de priester de monstrans uit handen geslagen had. ‘Een paap droeg synen God in silver vast gestelt; die afgodery ik met Gods Woord heb neer gevelt, (…).’ (58) Verder werd door het stadsbestuur een schandpaal op de Markt opgericht, als waarschuwing dat aanhangers van de ‘lutherye’ een zware straf wachtte. (59) Na 1550 drong een nieuwe variant van de Reformatie de Nederlanden binnen, het Calvinisme. De grondlegger hiervan was de Fransman Jean Calvin (Johannes Calvijn). Een opvallend verschil met de leer van Luther was dat Calvijn stelde dat de staat ondergeschikt moest zijn aan de Kerk. Niet alleen de burgers maar ook de vorst moest de wetten van God, zoals die in de bijbel staan, gehoorzamen. De burgers mochten zelfs in opstand komen als de vorst de wetten van God schond. Zo vonden de Nederlanders dat Philips II zo’n vorst was, vandaar de Tachtigjarige Oorlog. Verder beweerde Calvijn dat uiterlijkheden niets met het geloof te maken hadden en daarom moest alle pracht en praal uit de kerken verwijderd worden. Zijn volgelingen in de Nederlanden brachten dit tijdens de Beeldenstorm met veel enthousiasme in praktijk. Zie verderop. Bovendien was Calvijn van mening dat de gelovigen een vroom en sober leven van hard werken moesten leiden en dat elke vorm van vermaak, hoe onschuldig dan ook, uit den boze was. R.H.Tawney beweert in zijn opzienbarende studie Religion and the rise of capitalism: a historical study, dat er een duidelijk verband is tussen deze levenshouding en het ontstaan van het kapitalisme en daarmee ook van de economische bloei van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, vanaf het ogenblik dat de calvinisten daar de baas werden.


98

In de jaren zestig van de zestiende eeuw kreeg het jonge geloof ook aanhangers in de Bommelerwaard en opnieuw waren de machthebbers niet enthousiast. Er werden links en rechts berispingen uitgedeeld. Zo werd kapelaan Jan van Venray door het stadsbestuur van Zaltbommel op het matje geroepen dat hem dringend verzocht ‘geene nieuwigheden in te voeren, maar zich aan de oude katholieke religie te houden’ en de heren wezen hem ‘op de ongenade des konings en het eeuwige verderf, waarin hij, zoo voortgaande, de stad zou storten’. Waarop mijnheer kapelaan antwoordde: ‘hierboven is een Heer, grooter dan de koninklijke majesteit’. (60) Landvoogdes Margaretha van Parma gaf op 18 oktober 1566 ‘onsen lieven besunderen schepenen, burghermeysteren ende raedt der stadt Zalt-Bommel’ bevel de ketterse priester uit de stad te verwijderen. (61) Begin 1567 schreef Zaltbommel aan ‘Hare Hoecheit dat zij Jan van Venray indem hy alnoch niet ewech (= weg) en is, dat sy gelickfals gehalden sullen siin hem anstont te verdrieven’. (62) Er werd gedreigd met strenge straffen en daarom werden de calvinisten voorzichtiger. Er werden voortaan niet meer in de stad of in het dorp, maar in het open veld godsdienstoefeningen (hagepreken) gehouden. Op zondag 21 juli 1566 preekte een zekere Cornelis van Diest bij het dorp Engelen in de buurt van ’s-Hertogenbosch ‘voor eene schare, die derwaarts uit verschillende omliggende plaatsen, ook uit Zalt-Bommel was samengevloeid’. ‘Na de gedaane predikatien werd van Diest door zes of zeven burgers met geladen geweer in eene schuit naar Hedel gebracht, alwaar hy by den pastoor zyn intrek nam. Deze had mede, zedert een jaar herwaards, geweldig tegen den roomschen godsdienst uitgevaren.’ (63) In 1566 brak de Beeldenstorm los, waarvan ik de oorzaken al in paragraaf 1 van dit hoofdstuk besproken heb. Op 24 augustus van dat jaar werd in ’s-Hertogenbosch een nonnenklooster overvallen. ‘En ze kwamen binnen als waanzinnige mensen. En ze smeten alles aan stukken, te weten drie vergulde altaarstukken van houtsnijwerk, en de zitbanken, en de kasten en al het houtwerk en alle losse voorwerpen die daar waren. Het ging vervaarlijk toe, alsof ze de kerk ondersteboven wilden gooien, en alles wat hun wel aanstond hebben zij gestolen en weggedragen. En toen ze daar niets meer te doen hadden, kwamen ze naar het zusterkoor en daar smeten ze mooie stukken kapot en ook veel boeken. Ze namen de doeken, sluiers en mantels mee. Waar ze Onze Lieve Heer geschilderd zagen, smeten ze er meer naar dan naar andere figuren, ja een crucifix wilden ze al helemaal niet zien. Och, joden en Turken zouden nauwelijks doen wat zij gedaan hebben. En wanneer zij dan hun ware aard voldoende getoond hadden, kwamen zij vanuit het koor, door de binnentuin, het klooster binnen en daar smeten ze de ruiten kapot. En met groot gedruis en geroep kwamen ze aan als wilden en ze riepen: Vive les Gueux.’ (64) In de nacht van 24 op 25 september werden in Nijmegen vernielingen aangericht. Adriaan Ryckensz. stootte de kroon van een Mariabeeld, dat aan de zuidzijde van de St.Stevenskerk stond. Daarbij bespotte hij Maria door haar te vergelijken met hoeren in Keulen, die dergelijke kronen ook wel zouden dragen. (65) Een spion liet de stadhouder van Gelderland weten dat notabene de graaf van Culemborg zelf bevel had gegeven in zijn kerk ‘gans doir laeten wytten ind dye glaessen siin uutgenamen, dair hellichgen in waeren’. (66) Hij had dus alle religieuze voorstellingen op muren en plafond laten overschilderen en de gebrandschilderde ramen met afbeeldingen van heiligen laten verwijderen. Ook Brakel kreeg er mee te maken. We laten opnieuw W. van Dam van Brakel aan het woord. (67) ‘Daar Brakel’s ingezetenen, van oudsher zeer gehecht waren aan het bestaande, vonden nieuwigheden weinig bijval; en zoo drong de Hervormingsgeest, dan ook maar langzaam door. Hunne naburen van Hedel waren hen daarin ver vooruit hoewel dan toch in het geheim. Niet dan schoorvoetend verlieten zij het geloof hunner vaderen, bij hetwelk zij waren opgegroeid. Hiertoe werd een geweldige schok vereischt. En deze had dan ook op zekeren morgen in 1574 plaats. Het was te midden van de plechtige Mis, dat de uitroep de Geuzen, de Geuzen hen deed sidderen, eenige oogenblikken later, juist bij den aanhef van het Miserere kwam een woeste hoop, uit den omtrek de kerk binnenstormen, en weldra het geheel gebouw vervullen, hemeltergende gruwelen in het heiligdom plegende, en alles vernielende wat niet vervoerbaar was. De beelden van de Maagd Maria, van St.Anna en van den heiligen Antonius werden afgeworpen, de altaren en bidstoelen verbroken, de al-


99

taarstukken aan beide zijden van het hoogaltaar, in nissen geplaatst, welke de opvoeding en de verheerlijking der Lieve Vrouwe voorstelden, werden uitgerukt en verscheurd. De zoo kostbare monstrantie, de zilveren beker, op welke de hoop, het geloof en de liefde gesneden waren, de nagel van het kruis en andere voorwerpen van waarde al sedert eenige tijd uit de kerk genomen en op de Spijker verborgen ontkwamen gelukkig aan dezen kerkroof, want ofschoon de heilig schendigende drom derwaarts trok, en de glazen insloeg, lieten zij het inwendig ongemoeid, wellicht bedaarder geworden door het zien van de ledige nis, uit welke het wonderbeeld van Maria, reeds vroeger door de geestelijken in verzekerde bewaring was gesteld. Na de hiervoor vermelde kerkroof, leefde men eenen geruimen tijd zonder uiterlijke godsdienst, alleen kwamen nog enkele in het verborgen aan de woning van hunnen ouden en eerwaardigen priester ter Mis, maar deze meer en meer voor de vervolging bevreesd, verliet welhaast het dorp en trok naar Leuven, doch de kappelaan, een jongman, omhelsde de nieuwe leer. Het was echter 1587 (tot 1589) alvorens er een Hervormd leeraar optrad en dat was Hendrikus Spudeus, die van Ransdorp en Holysloot herwaards kwam.’ Alva sloeg hard terug. De door hem in het leven geroepen Raad van Beroerten, ook wel de Bloedraad genoemd vanwege de vele doodvonnissen, riep duizenden beeldenstormers ter verantwoording. Degenen die iets op hun kerfstok hadden, namen echter bijtijds de benen en vluchtten naar het buitenland. In Zaltbommel werden er 43 veroordeeld, in de meeste gevallen bij verstek. Zij werden ‘ten eeuwigen dage verbannen uit alle landen en heerlijkheden des konings’. Uiteindelijk werden drie van hen gearresteerd. Zij werden op 6 augustus 1568 in ’s-Hertogenbosch ter dood veroordeeld en op de Markt in Zaltbommel onthoofd. De vierde, die aanvankelijk gevlucht was, maar zo onverstandig was om terug te keren, werd op 7 mei 1569 buiten de stadsmuur opgehangen. Hun bezittingen en dat gold ook voor degenen die gevlucht waren, werden geconfisqueerd ‘tot profijt van onzen genadigen heere, den koning’. (68) In ’s-Hertogenbosch werden op ‘den eersten july vier burgers, den hervormden godsdienst toegedaan,’ opgehangen. Vier dagen later werden Jan Maessen en Pieter de Gruyter op het schavot onthoofd, en ‘de leiken hunne vrouwen t’huis gezonden’. (69) En het is beter te voorkomen dan genezen: op 30 augustus 1571 kreeg de magistraat van Arnhem bevel ter dood veroordeelde ketters vlak voor hun terechtstelling ‘met een gloeijend ijzer het vooreinde hunner tong te doen branden, opdat ze ter executie gaende hun venijn niet onder het gemeene volk zaaijen’. (70) In het algemeen kan men stellen dat Gelre, ondanks de gebeurtenissen hierboven, meer dan de andere gewesten trouw bleef aan het rooms-katholieke geloof. Dat veranderde toen Jan van Nassau, een fanatieke calvinist en broer van Willem van Oranje, in 1578 stadhouder van Gelre werd. J. de Rek beschrijft in een van zijn boeken over de vaderlandse geschiedenis in de voor hem zo bekende smeuïge verteltrant hoe onder Jan van Nassau Gelre calvinist werd. ‘Die pakte de paling bij de staart; ’t ging volgens deze methode: een bende soldaten kwam stad of dorp binnen joelen met een soort dominee bij zich. De wakkere troep drong, soms gesteund door de smalle burgerij, de kerk binnen. Beelden en ramen gingen aan gruizels, de dominee klom de kansel op en hield een soort intreepreek en daarmee heette de gemeente geïnstitueerd.’ (71) Op 29 januari 1582 verbood de overheid om elke andere religie dan de gereformeerde in het openbaar uit te oefenen. Maar pas in het begin van de zeventiende eeuw werd overal in de Bommelerwaard de Hervorming systematisch ingevoerd door het benoemen van predikanten in de dorpen. ‘De kercken ende plaitssen in den lande van Altena, Huesden, Langestrate, Bommeler- ende Thielerwaerden met goede kerckedienaeren versorght souden wordden ende tot din eynde genomen onder de sauvegarden, om vrye te woonen ende hare kercken te bedienen, (…)’ aldus een resolutie van de Staten-Generaal uit 1601. (72) Brakel kreeg pas in 1615 de eerste officiële predikant. (73) Al in 1587 was Brakel officieel gereformeerd geworden. Het is niet bekend of Ghijsbert Otten en zijn zoon Jan Ghijsberts toen besloten calvinist te worden of katholiek te blijven. Het katholieke geloof vormde in die dagen geen beletsel voor het bekleden van een openbaar ambt. Zowel Ghijsbert als Jan


100

(tot 1628) waren o.m. schepen in de Hoge Bank van Zuilichem. Prof.dr.W.Nijenhuis zegt hierover in de Algemene Geschiedenis der Nederlanden: ‘De overheden die het na de staatkundige ommekeer vanaf 1572 voor het zeggen kregen, waren allerminst geneigd de bevolking te protestantiseren laat staan te calviniseren. Daarvoor waren de politieke besturen zelf in godsdienstig opzicht te zeer gedifferentieerd’. (74) Volgens prof.dr.J.Romein en zijn vrouw dr.A.Romein-Verschoor ‘kon men pas sinds de Grote Vergadering van 1651 spreken van de hervormde Kerk als een staatskerk’. (75) Dus vanaf het midden van de zeventiende eeuw waren alle openbare functies alleen nog weggelegd voor gereformeerden. De werkelijkheid was anders. Pas in 1669 besprak de classis van Zaltbommel het besluit van de Gelderse synode om alle rooms-katholieke schepenen uit de Hoge Banken van de Tieler- en Bommelerwaard te verwijderen. (76) Zowel Ghijsbert als Jan zijn dus katholiek kunnen blijven. Cornelis Jan Ghijsberts (Salms), de zoon van Jan, was de eerste waarvan ik aanneem dat hij gereformeerd was. Zijn huwelijk met Mayken Thonis op 5 oktober 1645 staat vermeld in het Doopen Trouwboek van de Nederduits Gereformeerde Gemeente Brakel. Het is echter een bekend feit dat menig katholiek koppel eerst officieel in een gereformeerde kerk in het huwelijksbootje stapte om daarna in het geheim hun echtverbintenis te laten inzegenen door een katholieke geestelijke. N.B. De protestantisering van de Bommelerwaard verliep zo moeizaam omdat zij nauwelijks van onderaf kwam. De overheid moest steeds weer de pogingen daartoe van synode en classis ondersteunen. Bovendien speelde de invloed van de katholieke missie vanuit het nabijgelegen Brabant een rol. Een derde factor was de voortzetting van de katholieke eredienst - heimelijk of openlijk - door pastoors en monniken. (77)

§ 5 Jan Ghijsberts (van Brakell) II

Jan Ghijsberts was van 1578 tot 1628, dus maar liefst een halve eeuw, schepen in de Hoge Bank van Zuilichem, verminderd met de jaren van verplichte onderbrekingen. De bekende Gelderse genealoog ds.E. van Alphen noemt hem de nestor onder de schepenen van Zuilichem. (78) Niemand voor hem of na hem was zo lang lid van dit college. Hierdoor raakte hij zo bekend, dat men hem en zijn medeschepen Jacob Ghijsberts van Brakell, ook in officiële stukken, regelmatig ‘Jan ende Jacob Ghijsberts’ ging noemen. Voorbeelden zijn er volop. (79) Tot 1598, want in dat jaar staat bij de naam Jacob vermeld: ‘obiit’, d.w.z. overleden (op 7 september). (80) Jan Ghijsberts en Jacob Ghijsberts van Brakell waren vrijwel zeker familie van elkaar. We zagen al in het vorige hoofdstuk dat Ghijsbert Otten en de vader van Jacob, Ghijsbert van Brakell, meermaals over en weer borg voor elkaar waren. Dit was ook het geval tussen Jan en Jacob. (81) En dit duidde het zij hier nog eens herhaald - op een familierelatie. Een laatste opmerking over Jan Ghijsberts als schepen. ‘Op den 6e decembris wesende St. Nicolaidagh (1627) sijn bij ordre schepenen gebleven Jan Ghijsberts (…).’ (82) Bij de aanvang van het jaar 1628 wordt hij eveneens als eerste genoemd, maar staat achter zijn naam: ‘obiit 28 januarij’. (83) Jan was behalve schepen ook buurmeester van Brakel. Hij wordt in een akte van december 1590, ‘in saecke van rechtforderinge’ tussen Joost Ghijsberts en Rutger Goertss als eisers enerzijds en Jan Ghijsberts en Peter Jans anderzijds, als zodanig genoemd. (84) Jan was bovendien gerichtsman in Brakel. Op 28 april 1593 wordt hij in een procesdossier van het Hof van Gelre en Zutphen als een van de ‘ghesworen gerichtsmannen in den dorpe van Braeckel’ vermeld. (85) N.B. De gezamenlijke geërfden d.w.z. degenen die grond bezaten, oefenden invloed uit op het bestuur van het dorp Brakel. Onder leiding van de schout werden daartoe in de kerk of ‘op de Ronduijt’ geërfdenvergaderingen (buurspraken) gehouden. Voor sommige benoemingen mochten de geërfden een voordracht opstellen waaruit de Heer van Brakel een keuze maakte. Verder regelden zij zaken van gemeenschappelijk belang, zoals het onderwijs, de veiligheid en de lokale waterstaatszorg. Het regelen van de financiële aangelegenheden van het dorp was vooral een taak van de buurmeester. Bovendien


101

was hij een van de dorpsheemraden. De geërfden kozen ook de kerkmeesters, die de materiële belangen van de kerk behartigden, de zgn. kerkfabriek. Het dagelijks gericht van Brakel bestond uit zes gerichtslieden die onder voorzitterschap van de schout recht spraken. Mede om de kosten te beperken was het in Brakel tot 1795 gebruikelijk dat de zes dorpsheemraden van de dijkstoel van Brakel tevens lid waren van het gericht. (86) Jan Ghijsberts was evenals velen van zijn voorvaderen heemraad. In een akte van 10 maart 1594 worden als ‘gesworen heemraeden tot Braeckell’ genoemd: ‘Jacob Ghijsberts, scholtis to Braeckell, Jan Ghijsberts en Cornelis Lange Johansz’. (87) Jan zegelde deze akte met hetzelfde wapen als dat van zijn vader Ghijsbert Otten: twee afgewende zalmen vergezeld boven van een kroontje. Helaas is dit zegel, dat los in een archiefdoos lag, inmiddels zoekgeraakt. Het wapen met de afgewende zalmen ben ik in meer akten tegengekomen. Op 20 oktober 1597 in het Oudarchief van Nederhemert. (88) Op 17 november 1607 onder aan een akte over een proces betreffende de visserij op de Waal, tussen Anton van Aeswijn, Heer van Brakel, en Johan van de Rivieren, Heer van Gellicum. Jan Ghijsberts legde als een der ‘schepenen der gerichts bancke van Suilichem’ een getuigenverklaring af en daarom werd ‘onse segelen hier onder gedruckt’. (89) N.B. Het wapen met de afgewende zalmen vinden we ook op een zegel onder aan een leenakte waarin Huijgh Jans, een zoon van Jan Ghijsberts, door de Heer van Brakel met een stuk grond beleend werd (90) en ook op een zegel in de reeds vermelde akte van 18 september 1627 (zie blz. 91) waarin Huijgh Jans dijkheemraad genoemd wordt. (91) In een akte van 17 maart 1613 vinden we de handtekening van Jan Ghijsberts en lezen we o.m. ‘getrouwe mannen van leen, Johan Ghijsberts ende Dirck Otten, beyde leenmannen des huijses en leenhoffs van Braeckell, (…)’. (92) Hieronder volgen nog twee fragmenten uit akten waarin Jan Ghijsberts vermeld wordt, maar dan niet als leenman of in een van zijn publieke functies. Het tweede fragment moet U zien als een soort overstapje naar het volgende hoofdstuk, waarin het ontstaan van de naam Van der Zalm, de achternaam van de schrijver, aan de orde komt. Op de lijst van ‘nabueren to Braeckell, ingeboden voor Clockenslagh’ van 7 maart 1581, staan naast Jan Ghijsberts andere bekende namen vermeld, zoals Jacob Ghijsberts van Brakell en Cornelis Re(y)ners van Brakell, de schoonvader van Jan. (93) Op die lijst staan de namen van mannen (16 jaar en ouder) die opgeroepen konden worden als de dijk bewaakt of gerepareerd of het dorp verdedigd moest worden. In een rijtje namen worden op 11 juni 1624 genoemd: Jan Ghijsberts en ‘Joost Cornelis Salms’. (94) Op 2 juni 1625 stelden Jan en zijn echtgenote hun testament op. Zij lieten hun ‘goederen ende erffenische die zij metter doodt sullen comen nae te laeten (…) op oire kinderen ende kindts kinderen die nu sijn off noch comen mochten’. (95) Begin 1628 voelde Jan Ghijsberts zijn einde naderen. In een akte van 29 januari 1628 staat te lezen: ‘Schepen Hubert Mathijs, A. van Clootwijck, Jan Ghijsberts medeschepen sieck nae den lichaeme doch volkomen bij sijn verstand wesende, heeft verclaert dat (…)’. (96) Op dezelfde dag bepaalden Jan en Catherina in een nieuw testament dat zij ‘nae haerder doodt’ haar bezittingen naliet ‘op haer rechte erfgenaemen (…) uijtgesundert vijffhalff hondt landts die Ott Janss haeren soon ter houwelicke medegeven sijn (…)’. (97) Jan stierf kort daarna. Zijn vrouw overleed na 11 juli 1639. (98)


102

NOTEN

1)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 664, folio 15 recto en 16 verso, 20 juli 1568. 2)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 4, folio 4 verso, 11 maart 1591. 3)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 4, folio 7 verso, 11 juni 1591. 4)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 671, folio 124 verso, 27 april 1602. 5)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 5, folio 141 verso, 20 april 1613. 6)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 5, folio 160 recto, 26 februari 1614. Zie ook folio 159 verso, 4 januari 1614, folio 160 verso, 8 februari 1614, en nr. 671, folio 329 recto, 12 mei 1615. 7)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), civiele procesdossiers 1597-1644, nr. 5021, proces nr. 13 (28 juli 1601). 8)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 673, folio 91 verso, 29 januari 1628. 9)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 670, folio 64 verso, 13 april 1581. 10)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 670, folio 70 verso, 15 november 1581, en HBZ, nr. 672, folio 254 recto en 255 verso, 7 december 1625. 11)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 671, folio 352 verso, 25 april 1616, en nr. 674, folio 156 verso, 11 juli 1639. 12)Ibidem. 13)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 675, folio 162 verso en 163 recto, 28 april 1651, en 311 recto, 11 november 1656. 14)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 674, folio 156 verso, 11 juli 1639. 15)Gelders Archief, Diverse Charters 1291-1816, nr. 285, 286, 288 en 289. 16)Ds.E. van Alphen, Oude geslachten uit de Bommelerwaard en aangrenzende gebieden. V. Van der Meijden (Brakel), Gens Nostra, jaargang 24, nr. 10, oktober 1969, blz. 300. 17)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 8, folio 178 verso en 179 recto, 6 september 1638. 18)Ibidem. Zie ook Henk de Raad, Genealogie Johannes van Vuuren, Genealogisch Tijdschrift voor Midden- en WestNoord-Brabant en de Bommelerwaard, jaargang 21 (1997), nr. 1, blz. 63. 19)Ibidem. 20)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 673, folio 91 recto en verso, 29 januari 1628. Zie ook ds.E. van Alphen, Oude geslachten uit de Bommelerwaard en aangrenzende gebieden. V. Van der Meijden (Brakel), blz. 298. 21)Gelders Archief, Archief van de Familie Van Randwijck 1, 1292-1870, nr. 1423, Cohijeren van schoorsteenen ende ovens soo deselvige bij scholtus ende buurmeesters int jaere 1630 sijn overgelevert ende nu anno 1632 sullen betaelt worden. Zie ook Regionaal Archief Rivierenland, Bronnen en Indexen, nr. 40. 22)W.J.Hofdijk, Merkwaardige Kasteelen in Nederland door Van Lennep en Hofdijk, III, Leiden 1884, blz. 112 en 113, Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, XIV.Boek, blz. 520, en Johan Hendrik van Heurn, Historie der Stad en Meyerye van ’s-Hertogenbosch, Tweede Deel. Beginnende in het jaar 1555 tot het jaar 1648, Utrecht 1776, blz. 64. 23)A.M.G.Caminada-Voorham, Loevestein een fort aan de grens met Holland, blz. 31 t/m 34. 24)Dr.N.Japikse, Resolutiën der Staten-Generaal van 1576 tot 1609. Vierde deel 1583-1584, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 43, ’s-Gravenhage 1919, nr. 410. 25)Dr.N.Japikse, Resolutiën der Staten-Generaal van 1576 tot 1609. Zesde deel 1588-1589, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 51, ’s-Gravenhage 1922, nr. 188 en 339a. 26))Pieter Corneliszoon Hooft, Nederlandsche Historiën, Amsterdam 1654, boek 23, blz. 1037 en 1038. Zie ook Beschryvinghe van alle de Neder-Landen; anderssins ghenoemt Neder-Duytslandt, door M.Lowijs Guicciardijn/Edelman van Florencen. Overgheset in de Nederduytsche spraecke, door Cornelium Kilianum, Amsterdam 1612, blz. 144, en drs.P.Th.J.Kuijer, ’s-Hertogenbosch stad in het hertogdom Brabant ca. 1185-1629, blz. 525 en 526. 27)Dr.J.G.R.Acquoy, Jan van Venray (Johannes Ceporinus) en de wording en vestiging der hervormde gemeente te ZaltBommel, ’s-Hertogenbosch 1873, blz. 141 en 142. Zie ook Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), brieven van en aan het Kwartier van Nijmegen 1544-1811, nr. 834, brief nr. 9882 (16 juli 1589), en J.H. de Groot, Zaltbommel, Stad en Waard door de eeuwen heen, Zaltbommel 1979, blz. 223. 28)Femke Deen, “De discipline was zo strikt als in een klooster”. De professionalisering van het leger tijdens de Opstand, Historisch Nieuwsblad, jaargang 7, nr. 1 (februari 2006), blz. 40. 29)Ronald de Graaf, Oorlog, mijn arme schapen. Een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog 1565-1648, Franeker 2004, blz. 208. 30)Dr.N.Japikse, Resolutiën der Staten-Generaal van 1576 tot 1609. Vijfde deel 1585-1587, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 47, ’s-Gravenhage 1921, nr. 58. 31)Dr.S.Groenveld, “T’ is ghenoegh, oorloghsmannen”. De Vrede van Münster: de afsluiting van de Tachtigjarige Oorlog, Den Haag 1997, blz. 45 en 46. 32)Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, VIII.Boek, blz. 178. 33)De blokkade van Zalt-Bommel. Dagverhaal van Gasparus de L’Agarge, geestelijke, behoorende tot het gevolg van Gillis de Berlaimont, heer van Hierges; hierin vindt men bijzonderheden wegens het voorgevallene voor Zalt-Bommel en omstreken, ook wegens den slag op de Mokerheide, 1574. Uitgegeven en toegelicht door dr.H.F.M.Huybers en J.Kleyntjens S.J., Werken uitgegeven door Gelre. Vereeniging tot beoefening van Geldersche geschiedenis, oudheidkunde en recht, nr. 16, Arnhem 1925, blz. 39, 70 en 72.


103

34)Anthonis Duyck, Journael van tgene daegelykz gepasseert is in den oorloghe der Staeten-Generael tegen de Spangiaerden ende andere vianden van de Vereenichde Nederlanden. Uitgegeven door L.Mulder, ’s-Gravenhage/Arnhem 1862-1866, Eerste Deel I, blz. 264. 35)Johan Hendrik van Heurn, Historie der Stad en Meyerye van ’s-Hertogenbosch, Tweede Deel, blz. 230. 36)H.H.P.Rijperman, Resolutiën der Staten-Generaal van 1576 tot 1609. Dertiende deel 1604-1606, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 101, ’s-Gravenhage 1957, nr. 97. 37)Drs.J.G.Smit, Resolutiën der Staten-Generaal. Nieuwe Reeks 1610-1670. Derde Deel 1617-1618, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 152, ’s-Gravenhage 1975, nr. 1679 en 1745. 38)Gedichten van Constantijn Huygens. J.A.Worp editie, ‘s-Gravenhage 1911-1917, deel II, blz. 6. 39)Lieuwe van Aitzema, Historie of Verhael van Saken van Staet en Oorlogh, ’s-Gravenhage 1657-1671, deel III, blz. 143. 40)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), brieven uit en aan het Hof, nr. 675, brief nr. 4940 (10 augustus 1584). 41)Dr.N.Japikse, Resolutiën der Staten-Generaal van 1576 tot 1609. Vijfde deel 1585-1587, nr. 58. 42)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 3, folio 163 verso, 14 oktober 1589. 43)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 4, folio 54 recto, 24 november 1592. 44)Dr.N.Japikse, Resolutiën der Staten-Generaal van 1576 tot 1609. Zesde deel 1588-1589, nr. 148, en dr.H.L.Zwitzer, “De militie van den staat”. Het leger van de Republiek der Verenigde Nederlanden, Amsterdam 1991, blz. 84. 45)Dr.N.Japikse, Resolutiën der Staten-Generaal van 1576 tot 1609. Negende deel 1596-1597, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 62, ’s-Gravenhage 1926, nr. 1. 46)Dr.N.Japikse, Resolutiën der Staten-Generaal van 1576 tot 1609. Zevende deel 1590-1592, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 55, ’s-Gravenhage 1923, nr. 192. 47)Dr.Leo Adriaenssen, Staatsvormend geweld, blz. 407. 48)Dr.N.Japikse, Resolutiën der Staten-Generaal van 1576 tot 1609. Tiende deel 1598-1600, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 71, ’s-Gravenhage 1930, nr. 408. 49)Dr.Leo Adriaenssen, Staatsvormend geweld, blz. 423. 50)Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, XIV.Boek, blz. 519. 51)P.Nijhoff, Inventaris van het oud archief der gemeente Arnhem, Arnhem 1864, blz. 255 en 256. 52)Drs.J.Buisman, Bar en boos. Zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen, blz. 62. 53)Drs.J.Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 3, blz. 653. 54)H. van Heiningen, De historie van het Land van Maas en Waal, Zaltbommel 1965, blz. 89. 55)P.J.Meij e.a., Geschiedenis van Gelderland 1492-1795, blz. 333. 56)Dr.Maarten Hageman, Het kwade exempel van Gelre. De stad Nijmegen, de Beeldenstorm en de Raad van Beroerten, 1566-1568, diss., Nijmegen 2005, blz. 115. 57)K. van Hulst, Register van charters en bescheiden in het oude archief van Kampen. Derde deel. Van 1528 tot 1584, Kampen 1864, nr. 1905 (3 juli 1540). 58)Dr.J.G.R.Acquoy, Jan van Venray, blz. 6 en 219. Zie ook J.H. de Groot, Zaltbommel, Stad en Waard door de eeuwen heen, blz. 139. 59)A.Vos, De Evangelisch Lutherse kerk te Zaltbommel: een filiaal-gemeente 1768-1885, Tussen de Voorn en Loevestein, jaargang XXXII, nr. 95 (december 1996), blz. 15. 60)Dr.J.G.R.Acquoy, Jan van Venray, blz. 22 en 23. Zie ook dr.Maarten Hageman, Het kwade exempel van Gelre, blz. 123 t/m 125, 224 en 225, en dr.J.S. van Veen, Briefwisseling tusschen Margaretha van Parma en Charles de Brimeu, graaf van Megen, stadhouder van Gelderland, 1560-1567, Werken uitgegeven door Gelre. Vereeniging tot beoefening van Geldersche geschiedenis, oudheidkunde en recht, nr. 11, Arnhem 1914, brief nr. 208, 216, 252, 259, 263, 270a, 340, 341, 341a, 341b, 341c, 343, 343a, 345, en 463. 61)Dr.J.S. van Veen, Briefwisseling tusschen Margaretha van Parma en Charles de Brimeu, graaf van Megen, stadhouder van Gelderland, 1560-1567, brief nr. 270a. 62)Dr.J.S. van Veen, Briefwisseling tusschen Margaretha van Parma en Charles de Brimeu, graaf van Megen, stadhouder van Gelderland, 1560-1567, brief nr. 341b. 63)Dr.J.G.R.Acquoy, Jan van Venray, blz. 13, en Johan Hendrik van Heurn, Historie der Stad en Meyerye van ’s-Hertogenbosch. Tweede Deel, blz. 22. 64)Ooggetuigen van de Gouden Eeuw in meer dan honderd reportages. Samengesteld door René van Stipriaan, Amsterdam 2000, blz. 38 en 39. 65)Dr.Maarten Hageman, Het kwade exempel van Gelre, blz. 211. 66)Dr.J.S. van Veen, Briefwisseling tusschen Margaretha van Parma en Charles de Brimeu, graaf van Megen, stadhouder van Gelderland, 1560-1567, brief nr. 261a. 67)Gelders Archief, Archief van de familie van Dam van Brakel (1307-1379), 1381-1959, nr. 99, W. van Dam van Brakel, Histories-Romantiese tijdkortingen, Zevende Hoofdstuk, De Beeldestorm. 68)Dr.J.G.R.Acquoy, Jan van Venray, blz. 76 t/m 86. 69)Johan Hendrik van Heurn, Historie der Stad en Meyerye van ’s-Hertogenbosch. Tweede Deel, blz. 48. 70)P.Nijhoff, Inventaris van het oud archief der gemeente Arnhem, blz. 261. 71)J. de Rek, Van Boergondië tot Barok, Baarn 1963, blz. 442. 72)Dr.N.Japikse, Resolutiën der Staten-Generaal van 1576 tot 1609. Elfde deel 1600-1601, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 85, ’s-Gravenhage 1941, nr. 288. 73)G.Hamoen, Het begin van de Reformatie in de Bommelerwaard, Tussen de Voorn en Loevestein, jaargang XX (april 1984), blz. 10. 74)Dr.W.Nijenhuis, De publieke kerk veelkleurig en verdeeld, bevoorrecht en onvrij 1579-1621, Algemene Geschiedenis der Nederlanden, Haarlem 1979, deel 6, blz. 327.


104

75)Jan & Annie Romein, De Lage Landen bij de zee, Amsterdam 1973, blz. 316. 76)Ds.L.M.Verseput, Grepen uit de geschiedenis van de hervorming en van de Hervormde kerk in de Bommelerwaard, Tussen de Voorn en Loevestein, jaargang II (1966), nr. 1, blz. 69. 77)G.Hamoen, Het begin van de Reformatie in de Bommelerwaard, blz. 9 en 10. 78)E. van Alphen, Oude geslachten uit de Bommelerwaard en aangrenzende gebieden. V. Van der Meiden (Brakel), blz. 298. 79)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 670, folio 72 recto, 28 december 1581; HBZ, nr. 671, folio 23 recto, 3 juni 1594; folio 30 recto, 13 januari 1595; folio 31 recto, 5 en 11 februari 1595; folio 35 recto, 4 juni 1595; folio 37 recto, 3 augustus 1595; folio 59 recto, 27 maart 1597; HBZ, nr. 4, folio 1 verso en 2 recto, 1591; folio 40 verso, 1592; folio 90 verso, 1595. 80)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 4, folio 148 verso, 7 september 1598. 81)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 4, folio 9 verso, 1591. 82)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 7, folio 88 verso, 6 december 1627. 83)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 7, folio 90 verso, 1628. 84)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 3, folio 181 verso en 182 recto, december 1590. Zie ook HBZ, nr. 5, folio 44 recto. 85)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), civiele procesdossiers 1543-1596, nr. 5009, proces nr. 10 (28 april 1593). 86)J.J.A.Buylinckx, Inventaris van het archief van het dorpsbestuur van Brakel 1645-1810, Zaltbommel 2005, Inleiding. 87)Het Utrechts Archief, Kapittel van Oudmunster, nr. 805-1, 10 maart 1594. 88)Gelders Archief, Heerlijkheid Nederhemert 1, 1217-1893, nr. 388. 89)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zuphen (1425) 1543-1811 (1902), civiele procesdossiers 1597-1644, nr. 5039, proces nr. 28 (17 november 1607). 90)Gelders Archief, Leenkamer Gelre en Zutphen, Volmachten, requesten, opdrachten van leengoederen, testamenten e.d., 1551-1796, nr. 137, 1623-1630, 4 november 1628, en Gelders Archief, Diverse Charters 1291-1816, nr. 285. 91)Gelders Archief, Diverse Charters, nr. 285, 286, 288 en 289. 92)Gelders Archief, Archief van de familie van Dam van Brakel, nr. 852, Leenboeck Huys Braeckel, folio 20 recto en verso. 93)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 3, folio 82 verso, 7 maart 1581. 94)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 6, folio 238 recto, 11 juni 1624. 95)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 672, folio 236 verso en 237 recto, 2 juni 1625. 96)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 673, folio 91 verso, 29 januari 1628. 97)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 673, folio 91 recto en verso, 29 januari 1628. 98)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 674, folio 156 verso, 11 juli 1639.


105

HOOFDSTUK VI DE GEBOORTE VAN EEN FAMILIENAAM § 1 ‘Joffrou’ Gertruyt van Brakell

De achternaam Van der Zalm is afkomstig van een schoonfamilie, het gezin van Cornelis Rey(n)ers van Brakell. Zijn kinderen heetten echter niet Van Brakell maar Salm of Salms. In 1581 trouwde Jan Ghijsberts (van Brakell) met Catharina, een dochter van Cornelis Rey(n)ers. Hun zoon Cornelis Jan Ghijsberts en diens nakomelingen - de voorouders van de schrijver in rechte mannelijke lijn - gingen zich Salm(s) en later Van der Salm of Van der Zalm noemen. Zie verder hoofdstuk X (Stamreeks). Ik start mijn verhaal bij ‘Joffrou Gertruyt van Braeckel’, de overgrootmoeder van Catharina, de echtgenote van Jan Ghijsberts. Gertruyt huwde met Joost van Brakell. Ook haar vader heette Joost, want in een notitie in de rekeningen van het bisdom Utrecht over de jaren 1550-1551 wordt Gertruyt ‘Geertrude Judoci (= dochter van Joost)’ genoemd. (1) Dat haar man een Van Brakell was blijkt uit een processtuk van 1544 waarin zijn zoon Ghijsbert ‘Ghijsbert van Brakell heer Reyners broeder’ wordt genoemd. (2) Bovendien voerden zijn kleinzoon Cornelis Rey(n)ers en zijn achterkleinzoon Gerrit Cornelis Salm(s) het wapen Van Brakell. N.B. ‘De etiquette van de tijd schreef voor dat dames van hoog aanzien werden aangeduid als joncfrou of joffrou (domicella). (…) Wel te onderscheiden van vrouwe, dat op een nog hogere status duidt.’ (3) Vrouwe was de aanspreektitel van een dame in het bezit van een heerlijkheid of van een echtgenote van een ridder. Op 8 april 1516 droegen ‘Joffrou Gertruyt van Braeckel cum tutoris (= met voogd) Heer Reyner, Pster (= priester) ende Gerit, haer beijde wittige kijnderen’ een stuk grond, gelegen in Vuren (Gld), als erfenis van ‘Joffer’ Janna en ‘Joffer’ Elisabeth, adellijke Benedictinessen van het Zwartewaterklooster bij Hasselt (Overijssel), met toestemming ‘van die andere kijnderen’, over aan Otto van Asperen van Vuren. (4) Gertruyt was in dat jaar al weduwe, want haar zoon en niet haar (blijkbaar overleden) echtgenoot staat als voogd vermeld. N.B. Het is niet ondenkbaar dat Joost van Brakell een zoon was van Gheryt (Gerrit) van Brakell, vermeld in de jaren 1447-1464, kleinzoon van Steesken van Brakell en Catharina van Asperen van Vuren en achterkleinzoon van Dirk van Brakell en Elisabeth van Wieldrecht. Zie hoofdstuk III, par. 5. Hiervoor pleiten de volgende argumenten: 1)Het wapen van Cornelis Rey(n)ers van Brakell en diens zoon Gerrit Cornelis Salm(s) - kleinzoon en achterkleinzoon van Joost - bestond niet alleen uit twee afgewende zalmen maar ook uit drie molenijzers. Dit wapen werd gevoerd door o.m het geslacht Van Wieldrecht. (5) 2)Zowel een zoon als een achterkleinzoon van Joost heetten naar hun (mogelijke) voorvader Gheryt, een voornaam die in de andere takken van het geslacht Van Brakell weinig of niet voorkwam. 3)Gheryt woonde weliswaar in Sint Oedenrode, maar bezat een ‘hofstat’ in Brakel. Zie blz. 62 en 63. Gertruyt wordt nog als ‘Joffrou Gertruyt van Braeckell’ vermeld in een akte van 27 augustus 1567, waaruit blijkt dat zij samen met veldheer Maarten van Rossem land bezat in Brakel. (6) Zij overleed voor 7 juli 1568. In het testament van ‘Jofr Gheertruyt, zaliger’ worden o.m. haar zoon ‘Ghijsbert van Braeckel’, haar kleinzonen Cornelis en Jan Reyners en de echtgenoot van haar kleindochter Marike, Jan Jans Glaesenmacker, genoemd. (7) Van Joost en Gertruyt zijn vier kinderen bekend: 1)Gerrit. (8) Hij werd geboren voor 1516. In een akte van 20 augustus 1563 wordt ‘Gherit van Brakel man ende momber van Joffr(ou) Johanna van Sweynel’ genoemd. (9) Op 2 maart 1564 heet hij ‘de heer Gheryht van Brakel’. (10)


106

2)Reyner. (11) Zie par. 2. 3)Harmanna. Zij trouwde met Peter Willems. (12) 4)Ghijsbert. (13) § 2 Pastoor Reyner Joosten. ‘Een zaeken van zeer quaden exempell’

Reyner Joosten werd geboren in 1491 of 1492, want in een procesdossier van 17 maart 1552 wordt ‘heer Reijner Joostensz., priester, zestich jaer alt’ genoemd. (14) ‘Reynerus Judoci de Braeckell’ werd op 17 mei 1516 in Utrecht tot priester gewijd. (15) Hij trouwde in 1523 of 1524 met Catharina Hendrick Mattheusdochter. In 1544 blijkt hij pastoor in Brakel te zijn. Een geestelijke die na zijn priesterwijding in het huwelijksbootje stapte, dat was om moeilijkheden vragen. Zie verderop. N.B. Dr.J.S. van Veen noemt in een artikel in Bossche Bijdragen de volgende pastoors van Brakel: Reyer Joestenss, 1546 - Gysbertus de Veno, 1552 - Egbert ter Brugghe (van Bruggen), 1564, 1569. (16) De toestand waarin de Kerk zich rond 1500 bevond ‘laat zich beschrijven in trefwoorden zoals corruptie, nepotisme, simonie, lekenheerschappij, aflaathandel, willekeur, leegloop van kloosters, plichtsverzuim, absenteïsme, tuchteloosheid, celibaatsschending, concubinaat en ander clericaal wangedrag’. (17) Van dit laatste een aantal voorbeelden. In 1572 werd in opdracht van de bisschop van ’s-Hertogenbosch in o.m. de Bommelerwaard een visitatie gehouden. De pastoor van Brakel bleek geen officiële aanstelling te hebben en moest daarom in ’s-Hertogenbosch examen komen doen. Verder bekende de zeereerwaarde dat hij bij zijn huishoudster drie kinderen had. De kapelaan vertelde tijdens het onderzoek dat hij bij zijn dienstbode een kind had en sinds Pasen niet meer gebiecht had. De beide zielenherders werd bevolen hun bijzitten binnen acht dagen weg te sturen op straffe van verlies van hun ambt. Geen woord over de arme bloedjes van kinderen! Vervolgens bleek dat de koster een herberg geopend had op het kerkhof en er geen schoolmeester was, waardoor de kinderen van het dorp van onderwijs verstoken bleven. Buiten Brakel was het niet anders. Ook in Zuilichem leefden pastoor en kapelaan beiden in concubinaat. Gameren had een koster die aan de drank was. (18) Overigens was dit alles nog ‘heilig’ vergeleken met het gedrag van de pastoor van Maartensdijk, die er prat op ging eigenaar van een bordeel in Utrecht te zijn geweest. (19) In Amsterdam gaf een deken privileges bij het huwelijk of kwijtschelding van boete op voorwaarde dat de vrouw hem ter wille was. (20) De pastoor van Zijdervelt (Nederbetuwe) stond bekend als ‘een ruych geselle, die als een werlyck man gaet, dicwils in de herbergen sidt ende vrouweert, die op zyne missen ende dienst niet veel en past’. (21) En wat te zeggen van de pastoor van Maarssen; deze bood zijn concubine, waarop hij blijkbaar uitgekeken was, ‘spottelijk ter overname aan’. (22) En wat vindt U van Egbert ter Brugghe, een van de opvolgers van Reyner Joosten in Brakel. Deze had het in zijn testament over zijn ‘meecht (= huishoudster) Elysabeth Ghysbertsdochter’ bij wie hij kinderen had ‘ende alnoch procreeren mach’, m.a.w. hij hoopte er nog meer te krijgen. (23) Over de liederlijke levenswijze van veel kloosterlingen kan ik volstaan met twee spotverzen uit die tijd: ‘Gy vrome mannen, hoet uwe vrouwen voor alle monicken, of tzal u rouwen.’ ‘De Monnicken in ’t Monnicken Convent Die waeren tot sterken drank gewent Sij hadden drie groote kannen Die hadden naemen als mannen. De eene hiete Huige mondt, De tweede hiete Maeke blij, De derde hiete Drink om.’ (24)


107

De kudde ergerde zich begrijpelijkerwijs mateloos en het zaad van de Hervorming viel dan ook op een vruchtbare bodem. Terug naar onze pastoor. In 1544 werd besloten een proces tegen hem aan te spannen. Op 6 oktober van dat jaar verzocht de Utrechtse officiaal Jacob Uten Eng het Hof van Gelre en Zutphen om medewerking in een procedure ‘omme groeten delicten ende mysdaden by (= door) enen here Reiner Joestens pastoir tot Braeckell geperpetriert (= gepleegd)’. (25) Op 24 juni 1545 schreef hij een brief aan de kanselier van Gelre, Joost Sasbout, waarin hij de aanklacht formuleerde: (…) ‘heer Reyner Joestenss, pastoer van Brakel, hebbende een echte huysvrou wittelick unde wel getrouwt unde dieselve geconfirmeert, hem (= zich) daer nae heeft laten ordineren priester unde alst priester hem geholden unde gedragen, misse celebrerende, sacramenten der heyliger kercken ministrerende unde officium pastoris exercerende’. (26) Verder beschuldigde hij Reyner Joosten o.m. van overspel (met Margaretha Gosewijn en Alith Jan Zegersdochter), schending van het biechtgeheim, bedreiging en zelfs mishandeling van parochianen en openbare dronkenschap. (27) Hij stelde voor de pastoor ‘all hier tUtrecht doen incarcereren (= gevangenzetten) ther tijdt ende twylen by sententie (= vonnis) verclaert soude sijn, wat correctie hy verdient soude hebben; (…)’. Hij vroeg daarom het Hof de ambtman van de Bommeleren Tielerwaard Hendrik de Ruyter opdracht te geven ‘heren Reyer’ te arresteren. (28) Tijdens het proces moest notaris Jacobus Stoop uit Rotterdam de getuigen horen, voor het merendeel inwoners van Brakel. Een van hen was de Heer van Brakel, Reyner van Aeswijn, die onder meer verklaarde ‘dat hij thien off elff jaeren tot Brakell gewoent heeft ende heeft die tijt gesien, dat Catherina voorss. met heer Reyner gewoent heeft ende noch woent, ende die gemeen fame ende sprake is bynnen den prochie van Brakell, dat se malcanderen getrouwet hebben. Ende hy, deposant, om te verhueden die openbair schande, dat heer Reyner mit Catherina soe openbair in sonden leefden, (…)’. (29) Adriana, weduwe van Peter Hermanss, verklaarde: ‘dat een Maes Staesses zeyde, dat hy Catherina getrouwet hadde, twelcke heer Reyner verhoerende, hielt hem zeer qualick ende zeyde, dat hy haer, Catherina, tevorens getrouwet hadde; toech alsdoen nae Romen mit Catherina ende heeft aldaer brieven van den Paus verworven, waer doer hy consent hadde omme Catherina voorss. te moegen verlaeten ende zijn beneficien te houden off zijn beneficia verlaeten ende houden Catherina, zijn wijff; welcke brieven zy, deposant, gesien heeft, die welcke haer Catherina getoont heeft. Ende comende van Roemen (= Rome) abstineerde heer Reyner van missen te doen, dan doer bedwang van zijn moeder dede hy weder misse ende behielde Catherine in zijn huyse ende hebben tsamen veel kynderen gewonnen ende wonen alsnoch tesamen, ende gemeen fame, die is bynnen Brakelll, dat sy malcanderen getrouwet hebben’. (30) Uit deze belangrijke getuigenverklaring blijkt duidelijk hoe groot de invloed van Gertruyt op haar zoon was. Ik kom hier dadelijk op terug. Verder is in deze verklaring sprake van een bezoek aan de paus. Adriaen Willemss Ryswyck, schout van Drunen in de Langstraat (N-Br), verklaarde tijdens het proces dat Reyner en Catharina in 1525, dus kort na de huwelijkssluiting, naar Rome reisden om paus Clemens VII (1523-1534) om clementie te vragen, in de hoop zowel zijn priesterschap als hun huwelijk te redden. Onderweg werd Catharina ziek waarop Reyner, in de veronderstelling dat ze zou sterven, naar Rome doorreisde waar hij zich als weduwnaar bij de paus meldde. Toen bleek dat zijn vrouw nog leefde, liet de paus hem weten dat hij het ambt van pastoor moest opgeven en zich verder aan zijn vrouw en kinderen moest wijden. (31) Even terug naar de getuigenverklaring van de schout van Drunen. Deze verklaarde dat Catharina hem op zekere dag vertelde dat haar man ‘duer vrese ende bedwang van zijn moeder’ pastoor gebleven was en dat moeder hem maar ‘een scamper stuck’ zou vinden als hij zijn toog aan de kapstok zou hangen. (32) Tijdens het proces werd ook melding gemaakt van een affaire die het ‘image’ van de pastoor beslist geen goed deed. Zijn zus Harmanna had een dienstmeisje, een zekere Alith Jan Zegersdochter uit Poederoijen. Blijkbaar kwamen Reyner en zijn broer Ghijsbert vaak bij hun zus over de vloer, want de


108

dienstmaagd raakte van beide broers in verwachting. Het dochtertje van Ghijsbert werd Stijntje genoemd en dat van mijnheer pastoor Joostge. Catharina bleek niet op haar mondje gevallen. Toen iemand uit Brakel haar op zekere dag voor hoer uitmaakte, pareerde zij: ‘sy Catharina sy heer Reners echte huysfrou ind nijet zijn huyr, dan die kercke zy sijn hoer’. (33) Je moet maar durven, er zijn er in die dagen om minder op de brandstapel beland! Tijdens het proces kwam Catharina veel sympathieker over dan haar man, die zijn moeder Gertruyt van alles de schuld gaf. Van Gertruyt horen we na het proces niet veel meer. Dat zij niet op goede voet stond met de Kerk, waarschijnlijk zelfs tot aan haar laatste snik, blijkt uit de notitie van 1550-1551 (zie par. 1): ‘Item de absolutione pro Geertrude Judoci in Braeckel excommunicata ob id quod intra annum non fuerit confessa - 27 stuivers’. (34) Zij was dus in de kerkelijke ban gedaan en dat getuigde toch niet van innige vriendschap. Zij kreeg een boete van 27 stuivers omdat ze geweigerd had binnen een jaar schuld te bekennen (of te biechten). Na zijn proces werd Reyner Joosten door de bisschop van Utrecht verbannen. Zijn eigendommen werden verbeurd verklaard. Maar men was nog niet van hem af. In 1546 begon hij een proces tegen de Heer van Brakel, in de ogen van de ex-pastoor de grote boosdoener. Reyner van Aeswijn was echter afwezig i.v.m. verplichtingen tegenover keizer Karel V, en daarom besloot diens plaatsvervangster Maria van Hongarije op verzoek van de echtgenote van Reyner op 24 januari 1547 het proces te ‘suspenderen’ (= op te schorten). (35) Waar Reyner Joosten in die tijd verbleef is niet duidelijk. In een akte van 10 juli 1546 schreef Reyner van Aeswijn aan het Hof van Justitie dat de verbannen pastoor zich in Arnhem moest bevinden. (36) ‘In die wijkplaats’, aldus J.S. van Veen, ‘heeft hij echter niet stil gezeten, maar veeleer snoode plannen gesmeed. Terecht of ten onrechte koesterde hij blijkbaar wrok tegen Reyner van Aeswijn, heer van Brakel, en nu blijkt het, dat hij niets meer of minder beoogde, dan dezen uit den weg te ruimen. Hij haalde daartoe zekere Johan van Schaick en anderen over, van wie de eerstgenoemde - hoe blijkt niet - in handen van het gerecht viel en bekende, dat hij durch eenen Reyer Joestenss aengenomen is geweest om den heren van Brakell een loot durch id lijff to schieten off anders een schoffierickeyt aen to doen.’ ‘Een zaeken van zeer quaden exempell’, aldus het Hof van Gelre en Zutphen. (37) Enkele jaren later had Reyner Joosten de brutaliteit naar Brakel terug te keren, waar hij prompt werd gearresteerd. Officiaal Jacob Uten Eng verzocht op 3 februari 1550 het Hof van Justitie Reyner naar Utrecht te sturen ‘ofte enich ander gevanckgenisse inden lande van Geldre’, waar hij ‘tot zynder penitentie gestelt mach worden’. (38) Intussen was in Arnhem het proces tussen Reyner Joosten en Reyner van Aeswijn hervat. Op 8 maart 1550 kreeg de Heer van Brakel bevel voor de rechtbank te verschijnen om getuigenis af te leggen. (39) Ook toen konden procedures eindeloos duren, want in 1552 drong ‘Reyer Joestenss’ op afdoening van de zaak tussen hem en de Heer van Brakel. (40) Reyner van Aeswijn overleed in of voor 1555. Met diens verscheiden kwam een einde aan de rechtszaak. Reyner en Catharina kregen een onbekend aantal kinderen (volgens een getuige negen of tien) waarvan er volgens ds.E. van Alphen in 1544 nog vier in leven waren (41): 1)Marike Rey(n)ers. Zij trouwde eerst met Jan Jans Glaesenmacker (42) en na diens overlijden met Bartholomeus Thuenisz. In een akte van 3 februari 1570 wordt Bartholomeus ‘man ende momber van Marijken Reijerss’ genoemd en staat zij vermeld als dochter van Reyner Joosten. De akte handelt over een ‘hofstat’ waarin ‘heer Reijner Joostenss zl (= zaliger) plach te wonen’. (43) Op 14 maart 1598 sloot ‘Maijcken Reyners van Braeckel uit Brakel’ een derde huwelijk met ‘Israël Jacops van Antwerpen (militair)’. (44) 2)Cornelis Rey(n)ers. (45) Zie par. 3. 3)Jan Rey(n)ers. (46) Hij huwde Anna (Ballinck?). (47) 4)N.N. Zij trouwde met Willem Willemsz. (48)


109

5)N.N. Zij trouwde met Langhen Jan Dircks. (49) 6)Eelken. Zij huwde Jan Peters. Hij overleed in 1567. (50) Reyner Joosten overleed voor 3 februari 1570. (51) § 3 ‘Salmwerdt’ Cornelis Rey(n)ers Op 21 april 1587 wordt hij in een akte ‘Cornelis Reyers van Braeckell schatboerder tot Braeckell’ genoemd. (52) Een schatboerder of schatheffer was belast met het innen van de plaatselijke belastingen, waarvan de grondbelasting de belangrijkste was. Deze functie werd verpacht. Dit hield o.m in dat niet de belastingbetaler maar de schatboerder op het matje werd geroepen als de staatskas niet of te laat met de verschuldigde belastingpenningen werd gevuld. Zo kreeg de ambtman van de Bommeler- en Tielerwaard op 24 januari 1553 een brief van het Hof van Gelre en Zutphen waarin hem gevraagd werd de schatboerders van Heerwaarden, Zuilichem, Brakel en Bruchem te gelasten met geld over de brug te komen. Bleven de heren in gebreke dan dienden zij zich in Arnhem in gijzeling te stellen. Dat deden zij blijkbaar, want een half jaar later, op 13 juli, werd de ambtman opgedragen de onwillige schatboerders ‘binnen Bommel in een herberge’ in verzekerde bewaring te stellen en te houden, totdat zij konden aantonen het belastinggeld aan de landrentmeester te hebben afgedragen. (53) Over het verpachten van belastingen zie blz. 111. In een akte van 17 november 1596 staat een voor het ontstaan van de naam Van der Zalm belangrijke opmerking. Cornelis staat hierin als ‘Salmwerdt’ vermeld, waard in de herberg ‘De Salm’. Of wordt hier een herbergier bedoeld die tegen een kleine vergoeding (wertgelt) de vangst van zalmvissers aan derden verkocht? (54) De achternaam Salm duikt voor het eerst op in 1601. In een akte van april van dat jaar wordt de zoon van Cornelis ‘Gerit Corneliss Salm waersman (= dijkschrijver) to Braeckell’ genoemd. (55) De nakomelingen van Cornelis Rey(n)ers gingen zich dus niet Van Brakell noemen, maar Salm(s). Hierdoor ontstond een aparte tak Van der Zalm, waarvan er nu nog velen in Brakel wonen. Om de woorden van ds.E. van Alphen te gebruiken: ‘Velen van zijn nakomelingen (van Reyner Joosten, de vader van Cornelis), zitten nog elke zondag in de oude Ned. Hervormde kerk te Brakel zonder te weten dat zeker vóór 1544 hun voorvader daar op het koor de H.Mis opdroeg’. (56) Dat sommige nakomelingen van Jan Ghijsberts, de schoonzoon van Cornelis, Van der Zalm zijn gaan heten, is een raadsel. Cornelis Jan Ghijsberts, een zoon van Jan Ghijsberts en een voorouder van de schrijver in rechte mannelijke lijn, staat op 31 mei 1638 als ‘Cornelis Jansen Salms nabuer tot Brakel’ vermeld. (57) Diens zoon Gerrit wordt in een akte van 12 maart 1663 ‘alias Salm’ genoemd. (58) Alias-namen kwamen in vroeger tijden vaak voor. Een dergelijke naam kon verschillende betekenissen hebben, zoals een bijnaam, de naam van een woonplaats, boerderij of woonhuis. Misschien dat Cornelis in de herberg De Salm, eigendom van zijn grootvader van moederszijde, werkte en woonde en werden hij en zijn zoon naar die herberg genoemd. ‘De verwijzing naar een woonplek is in een kleine lokale samenleving een ondubbelzinnige aanduiding om aan te geven wie men bedoelt. Het maakt daarbij tot op zekere hoogte niet uit of een familie zijn naam aan een woonplek heeft verbonden of dat de naam van de woonplek tot familienaam is geworden.’ (59) Het is ook mogelijk dat zijn achternaam is afgeleid van een zgn. springnaam, dat is een naam van iemand ‘die de familienaam van zijn moeder of grootvader van moederszijde gebruikte’. (60) Ds.E. van Alphen zegt dat ‘men toch niet zo maar een andere naam aannam; men had er een aanneembare reden voor, daar de aangenomen naam wel in hun afkomst lag’. (61) Een derde mogelijkheid heeft betrekking op het wapen met de twee afgewende zalmen. Liet Cornelis zich bij het kiezen van een achternaam inspireren door het wapen van zijn voorouders? N.B. De herbergier of waard was een belangrijk iemand in het dorp. Vaak combineerde hij zijn beroep met dat van schout of pachter van diverse belastingen. Dijkgraven, heemraden, schouten en buurmees-


110

ters kwamen in zijn etablissement bij elkaar om verantwoording af te leggen voor hun werk als hoeders van de waterkeringen. De gewone man kwam er regelmatig om te drinken en te spelen, zijn beesten en waren te verhandelen en nieuwtjes uit te wisselen. De predikanten hadden het niet zo begrepen op de ‘onnutte herbergen’, in hun ogen ‘hoerenhuysen’ waarin de bezoekers zich overgaven aan ‘volsuypen, cloetschieten, boegelen, caetzen, vastelavontspelen, insonderheit mit grouwelicken vloecken ende sweeren, dantzen, crijtten ende roepen’. Zij smeekten de overheid het herbergbezoek op zon- en feestdagen aan banden te leggen, waar diezelfde overheid weinig voor voelde omdat de accijns op ‘bieren, wijnen, gebrande en gedistelleerde wateren’ veel geld in het laatje bracht. (62) Cornelis werd geboren tussen 1524 en 1529. Tijdens een visserijproces op 28 april 1593, waarin hij als getuige optrad, was hij ‘ontrent 68 jaeren oudt’. Tijdens dat proces verklaarde hij al ongeveer 38 jaar ‘het voorss. waeter (de Waal) bevist te hebben’ waarvoor hij aan de Heer van Brakel geen ‘huer’ betaald had. (63) Op 8 juli 1586 was hij ‘omtrent soeven off agt ende vijftich jaeren out’. (64) Hij trouwde twee keer. De naam van zijn eerste echtgenote is niet bekend. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen bekend: 1)Gerrit Cornelis Salm(s). (65) Hij huwde Aerken (of Aertien of Anna) Wouters en overleed voor 28 december 1625. Aerken overleed voor 27 maart 1597. (66) Gerrit was dijkschrijver. Hij voerde het wapen van de Van Brakell’s, de twee afgewende zalmen vergezeld van negen spitsvoetige herkruiste kruisjes. (67) In een akte van 10 juli 1605 wordt Gerrit zowel ‘Gerrit Cornelis Salm’ als ‘Gerrit Cornelis van Braekell’ genoemd. (68) Zijn erfgenamen worden op 21 mei 1629 als volgt vermeld: ‘Joost Cornelis Salms, Jan Splinters (Vervoorn) als man ende momber van syn huysfrou, Reyer Cornelis Salms, Ghijsbert Jans als hem (= zich) sterckmaeckende voer (zijn moeder) Lijn Cornelisse, weduwe van wijlen Jan Ghijsberts, (…) allen erfgenaemen van wijlen Gerart Cornelis Salms’. (69) 2)Joost Cornelis Salm(s). Hij overleed voor 12 juni 1637. (70) Joost was buurmeester ‘inne de jaere 1625 en 1626’. (71) In een akte van 1 juni 1604 wordt ‘Joost Cornelis Reyers van Braeckell’ de zoon ‘van sijn vader zaliger’ Cornelis Rey(n)ers genoemd. (72) 3)Catharina Cornelisdr. (73) Zij overleed na 11 juli 1639. Zij huwde Jan Ghijsberts. Zie hoofdstuk V. N.B. Volgens J.Rueb had Cornelis Rey(n)ers uit zijn eerste huwelijk nog een vierde kind, Cornelis. Hij trouwde met Mayken Jan Petersdr. Op 27 maart 1597 wordt ‘Anna Wouters syn moeij za (= zaliger)’ van ‘Cornelis Cornelys van Braeckel’ genoemd. (74) De tweede echtgenote van Cornelis heette Toontge Anthonisdr. (75) Van haar en Cornelis zijn drie kinderen bekend: 1)Anthonis Cornelis Salm(s). In een akte van 14 mei 1630 staat hij vermeld als timmerman woonachtig in ’s-Hertogenbosch. In deze akte worden verder genoemd: ‘Reijer Cornelisz sijnen broeder, Jan Splintersz sijnen swaegers en Gerrit Cornelisz Salms sijnen overleden broeder’. (76) In een akte van 12 december 1609 wordt ‘Geertruyt Cornelis’ de zuster van Anthonis genoemd. (77) N.B. Op 27 december 1661 verschenen Anthonis van Braeckel en Jan Goyart Welhuijsen timmerlieden en Steven Rijcken smid te ’s-Hertogenbosch voor notaris J. van Griensven, waar zij verklaarden op verzoek van koopman Johan van Niel ‘sijnen putswengel hangende achter sijne huijsinge (de Gulde Sonne in de Hoge Steenweg te ’s-Hertogenbosch) het voorste eijnde hebben afgecort ende in desselfs plaets eenen nieuwen las aengeseth (…)’. (78) Werd de zojuist genoemde Anthonis Cornelis Salms (of diens zoon) ook nog ‘van Braeckel’ genoemd? Men moet als genealoog er altijd op bedacht zijn dat in die tijd achternamen (soms meerdere malen) konden veranderen. 2)Geertruyt Cornelis Salm(s). (79) Zij trouwde met Jan Splinters (Vervoorn). (80)


111

3)Reyer Cornelis Salm(s). In een akte van 1 juni 1604 staat hij vermeld als de ‘brueder’ van ‘Joost Cornelis Reyers van Braeckell’ en in 1609 als ‘sweger’ van Jan Ghijsberts. (81) Reyer was evenals zijn halfbroer Gerrit dijkschrijver. (82) Cornelis Rey(n)ers overleed voor 25 januari 1603. (83) N.B. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden kende behalve de octrooien en licenten (= inen uitvoerrechten) alleen gewestelijke en plaatselijke belastingen. Een vreemdeling, die ons land bezocht ten tijde van de Republiek moet thuis gekomen in een reisverslag geschreven hebben, dat hier alles belast was, behalve de lucht die men inademde. Dat lijkt een nogal tendentieuze uitspraak, doch wie de moed opbrengt eens te duiken in kasten, kohieren en registers uit de (17e en) 18e eeuw, zal tot de wat verbijsterende conclusie komen, dat er een flinke kern van waarheid in deze opmerking schuilt. (84) Men onderscheidde de volgende belastingen: 1)De verponding of het morgengeld. Deze grondbelasting is te vergelijken met onze onroerend zaakbelasting. De verponding op huizen werd vuursteden-, schoorsteen- of haardstedengeld genoemd. 2)De tienden. Deze van oorsprong kerkelijke belasting hield in dat een gebruiker van grond een tiende van de oogst en van pas geboren vee moest betalen. Het leek me wel aardig om het volgende er aan toe te voegen. De tiendheer moest jaarlijks als een soort tegenprestatie alle inwoners van het tiendplichtige dorp een maaltijd aanbieden. Die kwamen dan op een zomerse dag op het dorpsplein of in de kerk bijeen om zich éénmaal per jaar te laten verwennen, of om het eens anders te formuleren, ‘ende daer in tsjaers eens dick satt vleesch vreeten ende voll suypen’. (85) 3)De dorps- of nabuurlasten. Van de opbrengst werd o.m. het salaris van de schoolmeester en de koster betaald en de pastorie onderhouden. De dorpelingen stelden jaarlijks de dorpsrekening vast, waarvan het saldo per morgen land werd omgeslagen over het hele dorpsterritorium. (86) 4)De imposten of gemene middelen. Deze middelen en dat gold ook voor de verponding, werden afgedragen aan de landelijke overheid die hiermee oorlogen en het landsbestuur financierde. De imposten zijn enigszins te vergelijken met de accijnzen van nu en werden geheven op bijvoorbeeld meel van granen en bonen (‘het gemael’), op het geslachte vee (‘het bestiael’), op bier, wijn, sterke drank, zout, zeep en azijn. Hieronder vindt U een lijst van imposten die tussen 1656 en 1662 door Cornelis Jan Ghijsberts, een zoon van Jan Ghijsberts, opgehoest moesten worden. (87) ‘1656 ’t Gemael by Cornelis Jan Ghijsberts voor 19 g 1657 Sout en seep by Cornelis Jan Ghijsberts voor 7 g 1658 Sout en seep by Cornelis Jan Ghijsberts voor 6 g 1659 Wijn en bier by Cornelis Jan Ghijsberts voor 26 g 1659 Bestiael by Cornelis Jan Ghijsberts voor 20 g 1660 Wijn en bier by Cornelis Jan Ghijsberts voor 90 g 1661 ’t Gemael by Cornelis Jan Ghijsberts voor 22 g 1661 Sout en seep by Cornelis Jan Ghijsberts voor 5 g 1662 ’t Gemael by Cornelis Jan Ghijsberts voor 22 g 1662 Sout en seep by Cornelis Jan Ghijsberts voor 5 g.’ In totaal 222 gulden. Van dit bedrag was 116 gulden, dus ruim de helft, impost op wijn en bier. Conclusie: óf de impost op drank was relatief erg hoog óf Cornelis en de zijnen keken regelmatig te diep in het glaasje.


112

Dan had je verder nog het hoofdgeld (maandelijks vier stuivers voor iedere persoon boven 12 jaar), het oorgeld (bij verkoop van paarden), het klein zegel (bij gebruik van akten e.d.), de impost op speelkaarten en dobbelstenen, op het trouwen en begraven, enzovoort, enzovoort. (88) Omdat het ambtenarenapparaat ontbrak, werden de imposten niet door de overheid geïnd, maar jaarlijks per dorp verpacht aan de meestbiedende. De belastingpachter of zetter kreeg dan het recht om, met behulp van de schout, in huizen, schuren, stallen of weilanden te controleren welke belastbare objecten er aanwezig waren. (89) Natuurlijk moest de belastingpachter er flink op verdienen en dat betekende voor de belastingplichtigen dat zij meer moesten betalen dan zij eigenlijk aan de fiscus schuldig waren. De zetters (in het Nieuwe Testament de beruchte tollenaars) werden dan ook door de bevolking gehaat. Men vroeg eens aan Voltaire een dievenverhaal te vertellen. De beroemde Franse filosoof kon met één zin volstaan: ‘Er was eens een belastingpachter’. Regelmatig was er verzet tegen deze vorm van uitbuiting. Het belastingoproer in de Bommelerwaard in 1712 had een wat vreemde oorzaak. Er lag in dat gebied een detachement Engelse soldaten die als een soort bijverdienste illegaal brandewijn stookten en verkochten. Het is toch op zijn minst merkwaardig te noemen dat die soldaten impost moesten betalen. Toen zij dat weigerden, werden ruiters uit de garnizoenssteden gestuurd om hen gewapenderhand ontzag voor de wetten (?) van de Republiek bij te brengen. (90)

NOTEN

1)Dr.K.Heeringa, Rekeningen van het bisdom Utrecht 1378-1573, deel 2, Rekeningen over het geestelijk gezag van den bisschop, Werken uitgegeven door het Historisch Genootschap, Derde Serie, nr. 50, Utrecht 1932, blz. 170. 2)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), criminele procesdossiers 1544-1811, nr. 4524, proces nr. 8 (1544), folio 4 verso. Zie ook folio 6 recto en folio 12 recto. 3)P.C.M.Hoppenbrouwers, De broederschap van Onze-Lieve-Vrouw te Heusden. In: De Nederlanden in de late middeleeuwen, onder redactie van D.E.H. de Boer en J.W.Marsilje, Utrecht 1987, blz. 215 en 233. Zie ook G.Berkelmans, Vrouwen van stand, blz. 55, en Paul de Win, De adel in het hertogdom Brabant van de vijftiende eeuw, blz. 394. 4)Gelders Archief, Hoge Bank van Tuil, nr. 1238, geloftesignaat Tuyl 1513-1532, folio 124 verso, 8 april 1516. 5)E. van Alphen, Oude geslachten in de Bommelerwaard en aangrenzende gebieden. VI. Grandia (Brakel), Gens Nostra, jaargang 29, nr. 3 (maart 1974), blz. 75, en Het Utrechts Archief, Aernout van Buchel (Arnoldus Buchelius), Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa, Utrecht 1625, folio 60 verso. 6)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 663, folio 31 recto, 27 augustus 1567. 7)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 1, folio 143 verso, 7 juli 1568. 8)Zie noot nr. 4. 9)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 1, folio 17 recto, 20 augustus 1563. 10)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 1, folio 8 verso, 2 maart 1564. 11)Zie noot nr. 4. 12)Zie noot nr. 4, Regionaal Archief Rivierenland, Collectie Rueb, genealogische aantekeningen en documentatie Bommelerwaard, 16e-20e eeuw, 23-141, E. van Alphen, Heer Reijner Joosten - een getrouwd pastoor van Brakel - en zijn naaste familie, Gens Nostra, jaargang 32, nr. 2 (februari 1977), blz. 79, en Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 20I, 1555-1559, folio 132 verso. 13)Zie noot nr. 4, Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 1, folio 143 verso, 7 juli 1568. Zie ook Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), criminele procesdossiers 1544-1811, nr. 4524, proces nr. 8 (1544), folio 4 verso, folio 6 recto en folio 12 recto. 14)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), civiele procesdossiers 1543-1811, nr. 4925, proces nr. 14 (17 maart 1552). 15)G.Brom, Naamlijst der priesters die in het bisdom Utrecht gewijd zijn van 1505-1518, Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht, deel 24 (1897), blz. 21. 16)Dr.J.S. van Veen, Roomsch-katholieke geestelijken in Gelderland, voor zoo ver het behoort tot het bisdom ’s-Hertogenbosch, Bossche Bijdragen: bouwstoffen voor de geschiedenis van het Bisdom ’s-Hertogenbosch, III (1919-1920), blz. 57. 17)J.H.J.Geurts en J.A.E.Kuys, Kerkelijke en godsdienstige verhoudingen in Gelre voor en na 1543. In: dr.F.Keverling Buisman (red.), Verdrag en Tractaat van Venlo. Herdenkingsbundel, 1543-1993, Hilversum 1993, blz. 177. 18)Dr.Th.Goossens, Kerk- en kloostervisitaties in het bisdom ’s-Hertogenbosch uit de 16e eeuw, Bossche Bijdragen, V (1922-1923), blz. 140 t/m 150, en dr.L.J.Rogier, Geschiedenis van het Katholicisme in Noord-Nederland in de 16e en 17e eeuw, eerste deel, Amsterdam 1964, blz. 23. 19)Dr.L.J.Rogier, Geschiedenis van het Katholicisme in Noord-Nederland in de 16e en 17e eeuw, eerste deel, blz. 23.


113

20)Dr.R.R.Post, Kerkelijke verhoudingen in Nederland vóór de Reformatie van ±1500 tot ±1580, blz. 108. 21)Mr.F.A.L.Ridder van Rappard en mr.S.Muller Fz, Verslagen van kerkvisitatiën in het bisdom Utrecht uit de 16 de eeuw, Amsterdam 1911, blz. 199. 22)Dr.L.J.Rogier, Geschiedenis van het Katholicisme in Noord-Nederland in de 16e en 17e eeuw, eerste deel, blz. 23. 23)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 1, folio 27 verso, 14 juli 1564. Zie ook dr.R.R.Post, Kerkelijke verhoudingen in Nederland vóór de Reformatie van ±1500 tot ±1580, blz. 116 en 117. 24)Paulina de Nijs en Hans Kroeze (red.), De middeleeuwse kloostergeschiedenis van de Nederlanden, deel I, blz. 186. 25)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), brieven van en aan Uitheemsen 1544-1709, nr. 1063, brief nr. 85 (6 oktober 1544). 26)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), brieven van en aan Uitheemsen 1544-1709, nr. 1063, brief nr. 242 (24 juni 1545). 27)Dr.J.A.E.Kuys, Reijner Joosten 1489/1490-1552/1568, pastoor en echtgenoot, Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 2, Hilversum 2000, blz. 88 en 89. 28)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), brieven van en aan Uitheemsen 1544-1709, nr. 1063, brief nr. 242 (24 juni 1545). 29)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), criminele procesdossiers 1544-1811, nr. 4524, proces nr. 8, folio 6 verso. 30)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), criminele procesdossiers 1544-1811, nr. 4524, proces nr. 8, folio 9 recto. 31)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), brieven van en aan Uitheemsen 1544-1709, nr. 1063, brief nr. 242a (9 april 1530). 32)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), criminele procesdossiers 1544-1811, nr. 4524, proces nr. 8, folio 11 verso. 33)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), criminele procesdossiers 1544-1811, nr. 4524, proces nr. 8, folio 2 recto. 34)Dr.K.Heeringa, Rekeningen van het bisdom Utrecht 1378-1573, deel 2, Rekeningen over het geestelijk gezag van den bisschop, blz. 170. 35)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), brieven van en aan het Kwartier van Nijmegen 1544-1811, nr. 805, brief nr. 568 (24 januari 1547). 36)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), brieven van en aan Uitheemsen 1544-1709, nr. 1064, brief nr. 451 (10 juli 1546). 37) Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), brieven van en aan het Kwartier van Nijmegen 1544-1811, nr. 803, brief nr. 256 (17 juni 1546) en dr.J.S. van Veen, De zaak van Reyner Joesten, pastoor te Brakel, Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht, deel 59 (1932), blz. 78. Zie voor de affaire Reyner Joosten ook dr.R.R. Post, Kerkelijke verhoudingen in Nederland vóór de Reformatie, blz. 106 en 107. 38)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), brieven van en aan Uitheemsen 1544-1709, nr. 1066, brief nr. 1118 (3 februari 1550). 39)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), brieven van en aan het Kwartier van Nijmegen 1544-1811, nr. 809, brief nr. 1701 ( 8 maart 1550). 40)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), brieven van en aan het Kwartier van Nijmegen 1544-1811, nr. 809, brief nr. 1826b (1552). 41)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), criminele procesdossiers 1544-1811, nr. 4524, proces nr. 8, folio 4 recto. Zie ook ds.E. van Alphen, Heer Reijner Joosten - een getrouwd pastoor van Brakel - en zijn naaste familie, blz. 79. 42)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 1, folio 143 verso, 7 juli 1568. 43)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 666, folio 7 recto, 3 februari 1570. 44)Regionaal Archief Nijmegen, Huwelijksregister Nederduits-Gereformeerde gemeente Nijmegen 1592-1635 (RBS 1172/ 034 verso). 45)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 1, folio 143 verso, 7 juli 1568. 46)Ibidem. 47)Regionaal Archief Rivierenland, Collectie Rueb, 23-141. 48)Ibidem. 49)Ibidem. 50)Ibidem. 51)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 666, folio 7 recto, 3 februari 1570. 52)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 3, folio 135 verso, 21 april 1587. 53)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), brieven van en aan het Kwartier van Nijmegen 1544-1811, nr. 810, brief nr. 2176 (24 januari 1553) en brief nr. 2391 (13 juli 1553). 54)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 4, folio 120 verso, 17 november 1596. 55)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 4, folio 188 recto, april 1601. 56)E. van Alphen, Heer Reyner Joosten - een getrouwd pastoor van Brakel - en zijn naaste familie, blz. 77. 57)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 8, folio 164 recto, 31 mei 1638. 58)Regionaal Archief Rivierenland, Archieven van het Ambtsbestuur van Bommel en de Bommelerwaard en van de dijkstoelen in de Bommelerwaard 1580-1837 (1842), nr. 725, Insinuatie namens dijkgraaf en heemraden aan de weduwe van de gewezen dijkschrijver Cornelis Gijsbertsen, om het dijksignaat over te geven, 12 maart 1663. 59)R.A.J.Dix, Vererving familienaam in vrouwelijke lijn, Gens Nostra, jaargang 61, nr. 4/5 (april/mei 2006), blz. 221.


114

60)Rob van Drie (red.), Jos van den Borne, Annemieke Kors, Mathilde Kors, Voorouders in beeld. Stamboom en familiegeschiedenis, Utrecht/Den Haag 1997, blz. 64. 61)E. van Alphen, Oude geslachten uit de Bommelerwaard en aangrenzende gebieden. V. Van der Meiden (Brakel), blz. 301. 62)H. van Heiningen, De historie van het Land van Maas en Waal, blz. 246 en 247. 63)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), civiele procesdossiers 1543-1811, nr. 5009, proces nr. 10 (28 april 1593). 64)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), civiele procesdossiers 1543-1811, nr. 5063, proces nr. 9 (8 juli 1586), in een afschrift van 23 maart 1616. 65)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 671, folio 165 recto, 12 december 1605. 66)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 673, folio 124 recto, 28 december 1625, en HBZ, nr. 671, folio 59 recto, 27 maart 1597. 67)Gelders Archief, Leenkamer Gelre en Zutphen, Volmachten, requesten, opdrachten van leengoederen, testamenten e.d., 1551-1796, nr. 135, 1606-1614, 2 juli 1608. Zie ook E. van Alphen, Oude geslachten in de Bommelerwaard en aangrenzende gebieden. VI. Grandia (Brakel), blz. 75. 68)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 671, folio 162 verso, 10 juli 1605. 69)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 673, folio 147 recto en verso, 21 mei 1629. 70)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 280. 71)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 7, folio 289 recto, 27 oktober 1632. 72)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 5, folio 14 verso, 1 juni 1604. 73)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 670, folio 64 verso, 13 april 1581. 74)Regionaal Archief Rivierenland, Collectie Rueb, 23-141, en HBZ, nr. 671, folio 59 recto, 27 maart 1597. 75)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 5, folio 1 recto, 25 januari 1603. 76)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 673, folio 184 verso, 14 mei 1630. 77)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 671, folio 233 recto, 12 december 1609. 78)Brabants Historisch Informatie Centrum, Henk Beijers Archiefcollectie, Domeinen, raad en rentmeester-generaal, 15151816, nr. 293, Permanente werken te ’s-Hertogenbosch. Verlenen van toestemming, om tegen betaling van cijns een permanent werk te stellen, zoals uitstekken, uithangborden, stoepen, hekken, bruggetjes enz. en kwesties daarover 17 e en 18e eeuw, folio 42. 79)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 671, folio 233 recto, 12 december 1609. 80)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 673, folio 184 verso, 14 mei 1630. 81)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 5, folio 14 verso, 1 juni 1604, en folio 92 recto, 1609. 82)Gelders Archief, Diverse Charters 1291-1816, nr. 287 en 290. 83)Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 5, folio 1 recto, 25 januari 1603. 84)H. van Heiningen, Tussen Maas en Waal. 650 jaar geschiedenis van mensen en water, Zutphen 1972, blz. 170. 85)H. van Heiningen, Tussen Maas en Waal, blz. 172. 86)H. van Heiningen, Tussen Maas en Waal, blz. 174. 87)Regionaal Archief Rivierenland, Oud-Archief Polderdistrict Bommelerwaard boven de Meidijk 1580-1819 (1842), nr. 213 en 214, Verpachting der generale middelen van Boemel- en Tielreweerd van consumptie voor een ½ jaer, ingaande 1e juli en eindigende laatste december ca. 1642-1675. 88)Dr.A.C.J. de Vrankrijker, Geschiedenis van de belastingen, Bussum 1969, blz. 40 t/m 42. 89)H. van Heiningen, Tussen Maas en Waal, blz. 178. Zie ook O.Moorman van Kappen e.a., Tieler- en Bommelerwaarden 1327-1977, blz. 111. 90)H. van Heiningen, Tussen Maas en Waal, blz. 183.


115

HOOFDSTUK VII HEREN IN HOLLAND (ca. 1300 – ca. 1500). DE DORDRECHTSE TAK VAN HET GESLACHT VAN BRAKELL

Onder de Heren in Holland versta ik de nakomelingen van Richold (par. 1 en 3) en Johan van Brakell (par. 4), zonen van Godschalk (de Oude) van Brakell.

§ 1 Heren in Holland I Eerste deel

I. Steesken (Eustachius). Huwde Sophia van Broeckhuijsen. 1)Steesken. Zie hoofdstuk II. 2)Gijsbert. Zie hoofdstuk III. 3)Godschalk (de Oude). Zie blz. 116. 4)Sophia. Zie hoofdstuk II. 5)Bertha. Zie hoofdstuk II. 6)Dirk. Zie hoofdstuk II. 7)Emond. Zie hoofdstuk II. II.1. Godschalk (de Oude). Huwde N.N. 1)Richold. Zie III.1. 2)Johan. Zie par. 4. III.1. Richold. Huwde Maria Booth. 1)Godschalk (II). Zie IV.1. 2)Johan (I). Zie IV.2. 3)Herbaren. 4)Machteld. IV.1. Godschalk (II). Huwde 1)N. van Heemskerck 2)Geertruid Minnebodezoon. Uit beide huwelijken: 1)Reinald. Zie V.1. 2)Godschalk (III). Zie V.2. 3)Johan. Huwde 1)Lijsbeth N. 2)Geertruyd Booth. 4)Cornelia. Huwde Otto van Slingeland. 5)Margaretha. Huwde Jacob van Rijsoord. 6)Geertruida. Huwde Hugo van Wielenstein. IV.2. Johan (I). Huwde Catharina van Langerak. 1)Willem (I). Zie V.3. 2)Johan (II). Zie V.4. 3)Margriet. Huwde Jan van Dalem. 4)N.N. Huwde Jan van Heemstede. V.1. Reinald. Huwde Johanna Eggert. 1)Johan. 2)Adriaan. Zie VI.1.


116

3)Willem (III). Zie VI.2. 4)Reinoutje. Huwde Jacob van den Woude. 5)Geertruid. 6)Willem (Wilhelmina). 7)Godschalk. V.2. Godschalk (III). Huwde Aleid van Langerak. 1)Godschalk (IV). 2)Daniël. V.3. Willem (I). Huwde Katherine van Bleheym. 1)Johan. 2)Adriana. V.4. Johan (II). Huwde Hannekin N. VI.1. Adriaan. Huwde N.N. 1)Willem (II). 2)Nicolaas (?). Zie VII.1 VI.2. Willem (III). Huwde Zoete van Beveren. 1)Willem (IV). VII.1. Nicolaas. Huwde N.N. 1)Maria. Huwde Willem van Beveren Jacobsz. De stamboom Van Brakell bestaat uit vijf takken: een Bommelerwaardse (waartoe de schrijver behoort), een Brabantse, een Dordrechtse, een Utrechtse en een Betuwse. De eerste (of tweede) Steesken (Eustachius) van Brakell huwde Sophia van Broeckhuijsen en had vijf zonen waaronder Godschalk. Hij of diens zonen Richold en Johan besloten hun geluk in Dordrecht te beproeven. Richold staat immers in 1340 als schepen in die stad vermeld. (1) In het archief van de graven van Blois wordt ‘Godschalk de Oude’ (overleden in of voor 1355) dienaar van Jan van Henegouwen, heer van Beaumont, genoemd. Hij bezat een gors (buitendijks aangeslibd land) genaamd ‘die waerd’ in het land van Tholen. (2) Van Godschalk en zijn mij onbekende echtgenote zijn twee kinderen bekend: 1)Richold. Richold wordt in een akte van 16 november 1368 een zoon van Godschalk van Brakell genoemd. (3) 2)Johan. Ik noem Johan een zoon van Godschalk van Brakell, omdat alle andere Van Brakell’s met de voornaam Johan na het overlijden van Johan (nog) leefden en/of in de akten worden vermeld samen met de naam van een andere vader. Zie verder par. 4. In de stadsrekeningen van Dordrecht uit de jaren 1284 en 1285 worden enkele keren ‘Vastraid sheren Ghodscalcs sone, Jan sheren Ghodscalcs sone en Willaem sijn broder’ genoemd. Misschien dat hier Godschalk (de Oude) van Brakell, een oom of een ander familielid bedoeld wordt. Argumenten: 1) Andere personen in bovengenoemde stadsrekeningen met dezelfde voornaam worden met een andere achternaam vermeld: ‘Ghodscalc Hont’ en ‘Ghodscalc van Ratinghe’. 2)De Van Brakell’s waren van adel en daarom wordt Godschalk (van Brakell) heer Godschalk genoemd. (4) Het tussenvoegsel ‘heer’ kan echter ook duiden op personen met een functie in het stadsbestuur.


117

N.B. Op donderdag 23 juli 1338 brak in Dordrecht een grote brand uit die een deel van de stad in de as legde. Vele documenten gingen verloren en enkele belangrijke handvesten moesten door de graaf van Holland Willem IV worden vernieuwd. De brand sloeg over van de Toltoren naar het Gasthuis, waar de kapel verloren ging. Nog jaren daarna werd op de 23ste juli een processie gehouden ter herdenking van de redding van het Heilig Sacrament uit deze kapel. (5) Richold van Brakell was behalve schepen in Dordrecht (1340) Heer van Develstein (een kasteel in de buurt van Dordrecht) en schildknaap. (6) Hij zegelde met ‘2 paalsgewijs geplaatste vissen’. (7) Om schepen te kunnen worden, moest men o.m. minstens tien jaar poorter zijn. Richold moet zich dus voor 1330 in Dordrecht gevestigd hebben. Richold huwde Maria Booth, een dochter van Cornelis Booth ‘Heeren Gerardsz., Knape’, schepen in Dordrecht (1310), en Geertruid van de Merwede ‘Heeren Daniëlsdochter’. (8) Van haar en Richold zijn vier kinderen bekend: 1)Godschalk (II). Zie blz. 118. 2)Johan (I). Zie blz. 119. 3)Herbaren. In 1370 wordt ‘Herbaren van Brakel, Heeren Ricolds zoen’ als ‘knape (= schildknaap)’ en schepen van Dordrecht vermeld. (9) 4)Machteld. Zij wordt ‘des dinxdaghes na sente peters dach ad vincula’ 1368 dochter van ‘Ricout heer Goetscalc zoen’ genoemd. (10) Kasteel Develstein werd kort na 1332 gebouwd door Willem van Duvenvoorde. Bij het uitbreken van de Hoekse en Kabeljauwse twisten koos Willem de zijde van Margaretha van Beieren. Haar tegenstander graaf Willem V, de leider van de Kabeljauwen, confisqueerde in 1351 alle bezittingen van Willem van Duvenvoorde in het graafschap Holland en gaf kasteel Develstein aan zijn aanhanger Richold van Brakell. In 1572 werd het slot door de Watergeuzen in brand gestoken. Richold overleed in 1352 (zie hieronder). In 1345 overleed Willem IV, graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen, kinderloos. Hierna brak een strijd om de opvolging uit tussen zijn zuster Margaretha van Beieren en haar zoon Willem V. Adel en steden kozen partij in een conflict waarin niet alleen de dynastieke kwestie, maar ook oppositie tegen het grafelijk gezag en tegen de heersende groepen in de steden een rol speelden. De twisten tussen de Hoeken en de Kabeljauwen, namen waarvan de herkomst onduidelijk is, ontaardden al spoedig in een burgeroorlog. In 1351 koos Dordrecht de zijde van de Kabeljauwen. Aanhangers van de Hoeken werden uit de stad verbannen. In de nazomer van 1352 vond in Dordrecht op instigatie van Margaretha van Beieren een nachtelijke overval plaats door heimelijk teruggekeerde Hoekse bannelingen. Drie vooraanstaande Kabeljauwse Dordtenaren ‘die bij de graaf in hoog aanzien stonden’, waaronder schepen ‘Ricout Godschalkszoon’ van Brakell, werden in hun bed vermoord. De moordenaars zochten hun toevlucht in de Grote Kerk. Familieleden van de slachtoffers drongen de kerk binnen, doodden de moordenaars en schonden daarmee het kerkelijk asielrecht. Bisschop Jan van Arkel sprak daarop het interdict over de kerk uit. Dit hield in dat missen en andere plechtigheden werden gestaakt. Bovendien werd iedereen die contact onderhield met de inwoners van de parochie die onder interdict lag, bedreigd met de kerkelijke ban, hetgeen een aanzienlijke belemmering voor het handelsverkeer kon betekenen. Het stadsbestuur stelde meteen alles in het werk om opheffing van de kerkelijke sancties te verkrijgen. Zo werd pastoor Hendrik Prijs van de Grote Kerk naar de paus gestuurd. Met succes. In 1355 hief paus Innocentius VI het interdict op, onder protest van de bisschop. Het jaar daarop ging Jan van Arkel overstag en legde zich alsnog bij de uitspraak van de paus neer. (11) N.B. ‘In de veertiende en vijftiende eeuw werd in de Hollandse en Zeeuwse steden het politieke leven sterk bepaald door gewelddadige machtsconflicten, die hun wortels vonden in slepende familieveten en de herhaaldelijk terugkerende verzwakking van het grafelijk gezag. De besturen in die steden rekruteerden hun leden uit een beperkte groep families, die bondgenootschappen sloten en poogden met


118

uitsluiting van anderen de macht te monopoliseren. (…) De macht van deze personen moet voor iedereen duidelijk zichtbaar zijn geweest en tot afgunst hebben geleid bij leden van de families die uit de bestuursposten werden geweerd. Bij een vermindering van het overwicht van de vorst poogden de van het pluche uitgesloten families telkens opnieuw controle over de macht te krijgen, hetgeen vaak gepaard ging met uitbarstingen van geweld. Dergelijke situaties deden zich in de veertiende eeuw herhaalde malen voor in steden als Dordrecht, Leiden en Haarlem.’ (12) Godschalk (II) van Brakell was zeer waarschijnlijk de oudste zoon van Richold van Brakell en Maria Booth. Hij kreeg immers traditiegetrouw de naam van zijn grootvader en bovendien wordt hij in de bronnen de opvolger van zijn vader als Heer van Develstein genoemd. Hij was in Dordrecht schepen (1383, 1391, 1397 en 1398), raad (1389) en oudraad (zie blz. 125). (13) Verder was hij tollenaar van die stad, d.w.z dat hij de tol moest innen van passerende schepen (van 1382 tot 1386). (14) Godschalk bekleedde ook buiten Dordrecht belangrijke functies. Zo was hij van 1382 tot 1386 raad en rentmeester-generaal van Zuidholland, in 1377 eerst tresorier en van 1378 tot 1397 rentmeester-generaal van Jan en Guy graven van Blois, in 1375, 1377, 1378, 1390 en 1395 raad van Guy van Blois, in 1393 en 1394 baljuw en rentmeester van Noordwijk, in 1370 en 1371 klerk van de dagelijkse rekeningen van Jan van Blois en zijn herberg (= hofhouding en reizen en verblijf op kastelen), in 1367 en 1368 kastelein van het kasteel van Jan van Blois te Schoonhoven en in 1378 schout van Westzaan en Krommenie. (15) ‘Godtschalck van Braeckel heeren Riicoutsz. 1383, knape, was seer rijck’ en zegelde met ‘2 paalsgewijs geplaatste vissen op een schild bezaaid met (hermelijnstaartjes?)’. (16) Hij had op 16 november 1368 vijftien morgen land in Woudrichem, tot 8 mei 1385 het ambacht Leerambacht (met molen en toebehoren), en op 6 april 1399 een tiende in Uithoven in het land van Altena in leen, verder ‘de gorsettinge van de middeldijk tussen Oud-Dreischor en Noordgouwe, een middeldijk bij de stad Tholen’, een huis in Dordrecht (aan het eind van de Steegoversloot) en de ‘dijkpachten te Poortvliet’. (17) Godschalk huwde (in welke volgorde is niet bekend) N. van Heemskerck (18) en Geertruid Minnebodezoon. Geertruid was een dochter van de rijke Dordtse schepen en oudraad Reinoud Jan Minnebodezoon en Sophia, dochter van Jan Molenaar en N.Both van der Eem. Reinoud ‘moet een vooraanstaande positie bekleed hebben gezien het huwelijk van zijn dochter Geertruid met Godschalk van Brakel, die weliswaar tot de Dordtse elite behoorde, maar toch vooral als edelman moet worden aangemerkt’. (19) Reinoud was schepen van Dordrecht in 1367 en 1377. (20) In 1373 schonken ‘Goodscalc van Brakel ende Reynout synen zweer (= schoonvader) t’samen’ twaalf reigers aan de graaf van Blois. (21) Op 14 juli 1377 kregen Reinoud Jan Minnebodezoon (‘bygenaamd Minnenbode, welken bynaam hy volgens de kronijk van Gouda gekreegen had, omdat hy jegens de armen zoo mild en spraakzaam was: anders was zijn bynaam Van Brakel’) en zijn vrouw Sophia van Albrecht van Beieren, graaf van Holland, toestemming op hun landgoed Eemstein een klooster te stichten. (‘De Priorye, en ’t Regulieren Klooster buyten Dordrecht: genoemd het Huys des H.Zaligmakers’). (22) Godschalk overleed voor 25 oktober 1399. (23) Uit zijn eerste en/of tweede huwelijk zijn zes kinderen bekend: 1)Reinald. Zie blz. 121. 2)Godschalk (III). Zie blz. 124. 3)Johan. Hij was burgemeester (1390) en oudraad van Dordrecht. (24) ‘Jan van Brakel Godschalkszoon’ had evenals zijn vader ‘de gorsettinge van de middeldijk tussen Oud-Dreischor en Noordgouwe en een middeldijk bij de stad Tholen’ in leen. (25) ‘Jan Godschalksz. van Brakel’ ontving op 4 september 1420 twaalf morgen land aan de Giessen in de Alblasserwaard. (26) Johan huwde (in welke volgorde is niet bekend) Lijsbeth (Elisabeth) N. (27) en ‘joffrou’ Geertruyd Booth, dochter van ‘Heer Aart Boot, schepen’, ‘ridder op Duivestein’ en burgemeester van Dordrecht (zoon van de op blz. 117 genoemde Cornelis Booth) en Elisabeth van Barendrecht. (28) 4)Cornelia. Zij staat vermeld als ‘Cornelia van Brakel’ dochter van ‘Godschalck van Brakel heren Rijcoutsz.’. Cornelia huwde Otto van Slingeland, Heer van Slingeland en baljuw van Schoonhoven


119

(1449). Hij werd geboren rond 1400 en overleed tussen 3 november 1462 en 5 juni 1481. Otto was een zoon van Pieter van Slingeland en Susanna van Poelgeest. (29) N.B. In de St.Anna- of Slingelandtskapel in de Grote Kerk te Dordrecht bevindt zich een gebrandschilderd raam met alliantiewapens (= huwelijkswapens) Van Slingelandt, waaronder het wapen Van Slingelandt-Van Brakell. De St.Barbarakapel in dezelfde kerk (vermeld in 1422 en 1454) is gesticht door Reinald van Brakell. (30) 5)Margaretha. ‘Margriete van Brakel Godschalcxdr.’ overleed voor 1 december 1401 en huwde Jacob van Rijsoord, ridder, dijkgraaf van Zwijndrecht (3 april 1402), en ambachtsheer van Albrandswaard en Rijsoord. Jacob was een zoon van Alewijn Gerritsz. van Rijsoord en Beatrix van de Merwede. Op 22 augustus 1393 gaf Jacob zijn vrouw ca. dertien morgen land in Hazerswoude en de hoeve van Rijsoord in Leiden, genaamd de Pacht, in vruchtgebruik. Hij overleed tussen 12 april 1429 en 3 maart 1430. (31) 6)Geertruida. Zij wordt op 17 augustus 1412 dochter van Godschalk van Brakell genoemd. Geertruida huwde Hugo van Wielenstein. (32) Johan (I) van Brakell was de tweede zoon van Richold van Brakell en Maria Booth. Hij was ridder, kastelein (slotvoogd) van Schoonhoven in 1374 en 1375 en van 1377 tot 1379, baljuw van Schoonhoven en Gouda in 1377 en 1380, baljuw en rentmeester van Texel in 1382, van 1385 tot 1389, in 1392 en 1393 en in 1396, en rentmeester van Schoonhoven en Gouda van 1395 tot 1397. (33) Op 16 september 1364 was ‘Jan van Brakel heren Rijcoutssoon’ getuige voor Zweder van Abcoude, Heer van Gaasbeek, Putten en Strijen. (34) Op 18 februari 1369 worden ‘Jan van Brakel Rikoutsz.’ en zijn broer ‘Godschalk van Brakel Rikoutsz.’ genoemd in een akte van overeenkomst met de gilden van Dordrecht. (35). Ook in 1364, 1368, 1372 t/m 1374, 1378 en 1380 worden zij als broers vermeld. (36) Op 5 februari 1376 werd hij beleend met het Heer Oudelandsambacht in Zwijndrecht. (37) Verder had hij van een ver familielid - Steesken (Eustachius) van Brakell, Heer van Brakel en van Langerak - vijf morgen land in Langerak met hofstede en uiterdijk in leen (1377). (38) Johan huwde Catharina van Langerak. (39) Van Johan en zijn echtgenote zijn vier kinderen bekend: 1)Willem (I). Zie blz. 125. 2)Johan (II). Zie blz. 126. 3)Margriet. Zij wordt op 29 oktober 1386 als dochter van ‘Jan van Brakel heer Ricoudsz.’ vermeld. Zij huwde voor 10 december 1392 Jan van Dalem, ridder, ambachtsheer van Dalem en in 1387 en 1388 rentmeester van Gouda en Schoonhoven. Hij was een zoon van Floris van Dalem. Jan overleed in of na 1417. (40) 4)N.N. Zij huwde ridder Jan van Heemstede. In 1396 en 1397 wordt haar broer Willem de zwager van Jan genoemd. (41) N.B. Het wapen van Jan van Blois, oudste zoon van Jan graaf van Blois en Sophia van Dalem, bestaat uit vier kwartieren: ‘Chastillon, Henegouwen, Daelem en Braeckel’. Deze Jan trad in 1395 in het huwelijk met Maria, dochter van Jan van Heemstede. (42) En dus een kleindochter van de hierboven genoemde Johan van Brakell (I)? Johan wordt een aantal keren vermeld in de bronnen die betrekking hebben op de graven van Holland, Zeeland en Henegouwen. Zie hieronder. Eind 1358 ‘quamen binnen Delf heer Ghijsbrecht van Nyenrode (…) mit ontrent VIII c (= 800) mannen, ende toghen mit die poerters van Delf in des sgraven Haghe ende braken op des graven vanghenisse ende stocke ende namen die ghevanghen daeruut ende brochten se binnen Delf. (…) Hertog Albrecht (graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen) ontboet alle ridderen ende knechten die onder


120

hem waren van beiden pertyen, sijne mannen uut Hollant, Zeelant ende Vrieslant’. Ook ‘heer Jan van Brakel met 40 man ghewapent’ werd verzocht ‘op die reyse te varen jeghen die van Delf’. Tot de ‘luden van wapenen’ behoorde ook nog een andere ‘Jan van Brakel’. Op 25 maart 1359 zond Jan van Blois (stadhouder van Holland) manschappen onder aanvoering van Jan van Langerak en Johan van Brakell naar de hertog in Den Haag. Op 2 april trok diens leger naar Delft ‘ende lach daervoer mit groter heercracht X weeken ende II daghen’. Op 9 juni gaf de stad zich over. ‘Ende voer hoer misdaet souden sij gheven LXM (= 60.000) oude schilden. Ende die muren soude men nederwerpen ende die graften vullen ende in hondert jaren die mueren niet weder opmaken.’ (43) Zie ook hoofdstuk III, par. 2. Na de dood van Hugo Dukinc, dijkgraaf van de Grote Waard, verzocht de graaf van Blois hertog Albrecht, graaf van Holland en Zeeland, ‘dat hi die diicgraefscap van den groten waerde Janne van Brakel bevelen woude’. Dit ging niet door, want op 1 december 1360 werd Hendrik de Molenaar aangesteld. (44) ‘Item (in 1361) des vridaghes Damizeeus (…), te Sente Gheerden berghe, an heren Simon van Teylinghe, heren Jan van Dronghel, Jan van Brakel, als dat si minen here lude ghewapent senden zouden tot Wouderkem (= Woudrichem) (…).’ (45) De mobilisatie hield vermoedelijk verband met de ontwikkelingen in Gelre. Op 25 mei 1361 wist Eduard van Gelre zijn broer, hertog Reinoud, bij Tiel te verslaan en gevangen te nemen. Zie verder hoofdstuk II, par. 10. In 1362 schreef hertog Albrecht van Beieren enkele brieven aan o.m. ‘heren Janne van Brakel’. In een van die brieven werd hij verzocht zich te melden in Geertruidenberg waar hij Albrecht moest vergezellen tijdens diens reis met de hertog van Brabant naar Gelre. (46) In 1371 werd Johan samen met ‘Goedsscale siin brueder’ genoemd in de boekhouding van Jan van Blois. Daarin wordt vermeld dat de broers hem ‘5 mande haveren costen’. (47) Johan overleed na 28 december 1396. (48) N.B. Godschalk (II) en zijn broer Johan (I) van Brakell - en dat gold ook voor menige andere Van Brakell - behoorden tot de politieke en maatschappelijke elite in het graafschap Holland. Beiden waren vazal en lid van de ridderschap van Jan graaf van Blois (in 1370 ‘Heer Goodscalc van Brakel’ en in 1367 ‘Heer Janne van Brakel’). Jan van Blois (ca. 1330 tot 1381), kleinzoon van Jan van Beaumont, de jongere broer van Willem III, graaf van Holland en Zeeland, had bezittingen in Frankrijk en de Neder-landen, o.m. in Gouda en Schoonhoven. Hij was een zeer invloedrijk edelman tijdens hertog Albrecht van Beieren, graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen (1330 tot 1404) en enkele malen diens stadhouder in Holland. De gebroeders Van Brakell vergezelden Jan van Blois regelmatig naar dagvaarten, bij bezoeken aan binnenlandse en buitenlandse vorsten en op veldtochten, gingen voor hem op dienstreis in binnen- en buitenland en waren gasten op zijn feesten. Hieronder een aantal voorbeelden: Op 5 en 9 april 1359 reisde ‘Heer Jan van Brakel’ in gezelschap van o.m. de burggraaf van Montfoort en de Heer van Brederode voor een dagvaart naar Den Haag waar ten huize van Jan van Blois gedineerd werd. In februari 1364 gingen ‘Goedscalc van Brakel ende Jan sijn broeder’ met Jan van Blois op bezoek bij ‘mevrouwe van Beijeren’, echtgenote van hertog Albrecht van Beieren, in Rijnsburg. Op 17 november in hetzelfde jaar toog Godschalk van Brakell met Jan van Blois voor een dagvaart ‘in die Haghe bi htoghe Aelbr’. In 1366 ‘des dinxd. in de weke (na Paaschen)’ ging Godschalk naar een ‘dachvaert van dadinghe tusschen den htoge van Brabant en hertoge Aelbr’. Op 14 april 1372 brachten Jan van Brakell e.a. ‘minen here van Aernhem to Boemel’. Onderweg vond een incident plaats. ‘Item hadden die dijkers van den Monickenlande (bij Brakel) minen heren ghevanghen (bij wijze van grap om een paar centen te kunnen vangen), bi Jan van Brakel aengebracht hen luden ghegeven minen heren te lossen (vrij te kopen) 4 schellingen gr.’ In 1378 ‘omtrent Johannis’ reisden Jan van Blois en Jan en Godschalk van Brakell naar St.Geertruidenberg voor besprekingen met hertog Albrecht ‘ende gemeen raet van Hollant en van Zeelant’.


121

In 1366 reisden Godschalk van Brakell en Jan van Blois naar Parijs ‘om mit hem (hertog Albrecht van Beieren) bi den coninc te riden’. In 1368 reed Jan van Blois in gezelschap van o.m. Jan en Godschalk van Brakell naar Pruisen i.v.m. diens wens ‘zijn broeder Guy ridder (in de Duitse Orde) te doen worden’. In 1372 werd Jan van Brakell naar Avignon gestuurd ‘om den paus te spreken’ (die zich daar in ballingschap bevond). In 1366 reisden Godschalk en Jan van Brakell ‘en den ghesellen van Dordr.’ met Jan van Blois naar Den Bosch ‘bi den htoge van Brabant die (Jan van Blois, leenman van de hertog van Brabant) ghebeden hadde daer bi hem te comen mit luden van wapenen’ (i.v.m. een conflict met Gelre waar een burgeroorlog woedde tussen de Heekerens en de Bronkhorsten). Vervolgens met Jan van Blois naar Middelburg ‘ut van s’hertoghen wegen van Brabant om te spreken htogen Aelbr. dat hi geen verbont maken en woude mitten hertoge van Ghelre en om vriendscap te dadinghen tuschen hen beijden’. In 1367 werd Godschalk van Brakell met ‘2 glavien’ door zijn leenheer Jan van Blois opgeroepen aan een gewapend conflict in Henegouwen deel te nemen. Een glavie of lans bestond uit een ridder plus drie of vier man, vaak boogschutters. In 1368 diende Godschalk in het leger van Jan van Blois die zijn broer Lodewijk in Frankrijk te hulp kwam tegen rondtrekkende roversbenden, een ware plaag tijdens de Honderdjarige Oorlog. In 1367 was Godschalk van Brakell kastelein van het kasteel van Jan van Blois in Schoonhoven waar hij een kamer ‘op het poerthuys’ had. Van 1377 tot 1379 bekleedde Jan van Brakell die functie. Hij huurde bij het kasteel ‘8 campe (dat hi hebben sel also langhe als hi castelleyn is)’ ‘ten goetdeynken Goedscalc sijns broeders’. De beide Van Brakell’s waren regelmatig gast van of gastheer voor Jan van Blois. Op 3 februari 1363 logeerde Jan van Blois in Dordrecht waar hij ‘des avonds veel vrouwen en joncvrouwen, die van den hove quamen, ten etene hadde, aengebrocht bi Goetscalc van Brakel’. In 1367 reed Godschalk van Brakell met Jan van Blois naar Utrecht ‘om te vliegen (= op valkenjacht) en te jagen mit den ghesellen’. ‘Des maendaghes op sint Lucien dach’ in 1372 werd Jan van Brakell naar Den Haag ontboden om aanwezig te zijn bij de ‘kersteninghe (= doop) van hertoghe Aelbrechts kinde’. (49) Reinald van Brakell was de zoon van Godschalk (II) van Brakell en Geertruid Minnebodezoon en vernoemd naar Reinoud Jan Minnebodezoon, zijn grootvader van moederszijde.Hij was evenals zijn vader Heer van Develstein. (50) Hij bekleedde een aantal belangrijke openbare functies: dijkgraaf van de Zwijndrechtse Waard (van 1430 tot 1434; benoemd door hertog Philips de Goede van Bourgondië, graaf van Holland en Zeeland), (51) dijkgraaf van de Grote Waard (van 1409 tot 1413), (52) baljuw van Amstelland en Waterland (van 1413 tot 1418), (53) rentmeester van Amstelland, Waterland en Zeevangk (54) en kastelein van Montfoort. (55) In een akte van 29 mei 1408 wordt hij door de graaf van Holland ‘Reyntgen van Brakel, onsen dijcgrave van Zuuthollant’ genoemd. (56) In 1410 zond de graaf van Holland ‘een bode aen Reynkin van Brakel ende Willem van Besojen, om bij des graven rade tot Uitregt te verschijnen, hoe men de Zwaluwe, gelegen bij Zevenbergen, bequaemst bedijken zoude, hem gegeven 2 sc, 6 den.gr’. (57) Op 15 april 1411 werd hij verzocht ‘in den Haghe te comen om hem (= zich) te verantwoerden’ voor zijn werk als dijkgraaf van de Grote Waard. Er waren financiële problemen met ‘die van Tieselerweert en die van Dordrecht’ die ook in Den Haag aanwezig waren. Het verblijf van al deze lieden gedurende twaalf dagen kostte graaf Willem VI ‘18 lb. 16 s. (= 18 pond en 16 schellingen)’. (58) N.B. De dijkgraaf van de Grote Waard was een hoge functionaris in het graafschap Holland. Vaak was hij tevens kastelein van het slot in Geertruidenberg; ‘en men zag hem wel opklimmen tot baljuw van Zuid-Holland of zelfs tot tresorier van het graafschap. Een edelman doorgaans; soms uit de streek zelf; soms ook een Geldersman uit Tieler- of Bommelerwaard; een enkele maal een Dorts poorter’. (59) In 1421 werd de Grote Waard getroffen door de Sint Elisabethsvloed (zie voor een beschrijving blz. 123). Het klooster Eemstein (gesticht door Reinoud Jan Minnebodezoon en zijn vrouw Sophia) verdween in de golven en het stijgende water omspoelde de stad Dordrecht ‘dat als een notendopje scheen te dobberen op de woeste baren van een binnenzee’. Het water ondermijnde en spoelde de stadswallen


122

weg waardoor de houten palissaden verdwenen en de stad open lag voor de vijand. Het herstel kostte volgens de thesauriersrekening van 1421 ‘6000 houts’. (60) Eemstein werd herbouwd en in 1572 door de Watergeuzen geplunderd en in brand gestoken. Verschillende adellijke families verloren hun bezittingen en vluchtten naar Dordrecht. Zij werden door de graaf van Holland gecompenseerd met visrechten. Reinald had behalve een tiende in Werkendam (8 december 1399), de ambacht van Twintighoeven (4 september 1410), ‘eyne hoeve lants, die helt omtrent 18 morghen, ende is gelegen in Alblaserweert op Alblaserdam’ (19 mei 1413), de visserij in Barendrecht (21 maart 1415), en de visserij (24 januari 1418) in de Hoornsloot, Koestal en Pol (tussen Spaarndam en Amsterdam) in leen ‘die erven sullen up Willem, sinen jongeren zoon, die hi nu ter tyt heeft bi Janne van Purmerende, sinen wittachtigen wive’. (61) Reinald huwde Johanna Eggert, dochter van Willem Eggert en Nelle Vechter Heynenzoondr. Johanna overleed voor of in 1449. (62) In een akte van 19 mei 1413 noemt Reinald Willem Eggert ‘mynen lieven zweer (= schoonvader)’. (63) Willem was koopman en geldhandelaar te Amsterdam, tresorier (= ambtenaar belast met het toezicht op de particuliere inkomsten en uitgaven van zijn heer) van graaf Willem VI van Holland, Zeeland en Henegouwen (van 1411 tot 1417) en een tijdlang diens plaatsvervanger. (64) Verder staat hij in 1399 vermeld als rentmeester van Oost-Friesland (65), en in 1416 en 1417 als kannunik, proost en aartsdiaken van het kapittel van Oudmunster te Utrecht. (66) Ook was hij Heer van Purmerend. (67) Van Reinald en Johanna zijn zes kinderen bekend: 1)Johan. In 1418 wordt hij ‘Reinolt van Braeckel syn soon’ genoemd. (68) Johan was Heer van Develstein en dijkgraaf van de Zwijndrechtse Waard. (69) Op 7 september 1418 werd hij door Jan Eggert beleend met ‘de koorn- en smaltiende in het geregt van de Werken’. (70) Op 16 juni 1422 nam ‘Jan van Brakel Reinoutsz.’ het goed in de Riederwaard, genaamd In ’t Hout, gelegen tussen Ridderkerk en Slikkerveer, over van zijn achterneef Johan, zoon van Willem (I) van Brakell. (71) In 1471 kocht Margriet, dochter van Willem Duyck, van het kapittel van de Onze Lieve Vrouwekerk in Dordrecht ‘ene morghen lants gelegen in Zwijndreght after die camer van Develsteijn’, voorheen eigendom van ‘Reynout van Brakell’. (72) In 1473 wordt Jan van Brakell (of diens gelijknamige zoon) eigenaar genoemd van een ‘huysen staend opten tween houcken van Willem Oskensstraet (later Weeshuisstraat)’ in Dordrecht. (73) 2)Adriaan. Zie blz. 126. 3)Willem (III). Zie blz. 126. 4)Reinoutje. Zij huwde in 1417 Jacob van den Woude. Hij was ridder, Heer van Warmond, Woude en Alkemade, en hoogheemraad van Rijnland. Jacob werd geboren rond 1390 en overleed in 1431. Hij was een zoon van Jan van den Woude en Agnes van Cruyningen. Reinoutje zegelde met een door een engel vastgehouden wapenschild waarop een gedeeld wapen: een dwarsbalk vergezeld van drie wassenaars (Van den Woude) en twee afgewende zalmen. Zij overleed in 1449. (74) 5)Geertruid. ‘Gheertruyt Reynoutsdr. van Brakel’ was zuster in het Elfduizend Maagdenklooster te Warmond. Zij overleed in 1492. (75) 6)Willem (Wilhelmina). In 1429 werden ‘joncfrou Willem’ en ‘joncfrou Ghertruut’ ‘Reynouts kinderen van Brakel’ in Dordrecht aangeslagen voor 25 schilden. Willem overleed in 1485. (76) N.B. In de Batavia Illustrata ofte Oud Batavien, vervattende de Verhandelinge van den Adel en Regeringe van Hollandt, tweede stuk van ’t eerste deel, ’s-Gravenhage 1685, blz. 884, noemt Simon van Leeuwen Godschalk van Brakell een zoon van Reinald en Johanna. Deze Godschalk staat in diens boek in 1454 als priester vermeld.


123

In 1414 en 1415 wordt Reinald van Brakell vermeld als lid van de oudste Hollandse ridderorde, de Orde van de Hollandsche Tuin. Deze orde was in 1387 gesticht door Willem van Oostervant, de latere graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen Willem VI. ‘De dragers van de versierselen blijken in de eerste plaats edelen te zijn geweest die Willem VI omringden, hetgeen steun verleent aan de veronderstelling dat de Orde van de Hollandsche Tuin in oorsprong het karakter droeg van een Hoeks verbond, waarvan Willem van Oostervant en later zijn dochter Jacoba van Beieren het centrum vormden.’ (77) Zie voor het Hoeks/Kabeljauws conflict par. 1 van dit hoofdstuk. De laatste begiftiging met het ordeteken van de Hollandsche Tuin vond plaats in 1418. Reinald ‘moet een moedig krijgsman geweest zijn, althans wij lezen van hem, dat hij zich dapper gedroeg in het beleg van Dordrecht, door Jan hertog van Braband in 1418 en in eenen uitval aan den zuidkant werd gevangen genomen maar na lyfleke gezwoerd te hebben gestaefts eedts ten heilige, dat hi nemer meer doen en soude noch doen tegen sine genadige hertogh van brab’ ontslagen. (…) Het wapen van hem en zijn geslacht bestaat in een veld van keel (= rood), met twee zalmen van zilver’. (78) Ter verduidelijking: ‘Jan hertog van Braband’ was de echtgenoot van Jacoba van Beieren. Jacoba was in 1417 haar vader Willem VI als gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen opgevolgd. Dordrecht weigerde als enige stad in Holland de gravin te huldigen en erkende haar oom Jan van Beieren als graaf. Daarop sloegen Jacoba en hertog Jan IV in de zomer van 1418 het beleg rond de stad. Na zes weken dropen de aanvallers af. Toen drie jaren daarna Dordrecht door de Sint Elisabethsvloed enorme schade leed en praktisch op een eilandje kwam te liggen, legden de aanhangers van Jacoba deze ramp uit als een godsoordeel. (79) Van Reinald weten we verder dat hij soms ver buiten de regio Dordrecht zaken deed. Een voorbeeld. In 1422 ‘des saterdaghs na sinte matheus dach’ verkocht Reinald van Brakell aan de prior van het Kartuizerklooster Nieuwlicht bij Utrecht ‘ses ende dertich ghemete hoeftlants ende tien ghemete volgherlants voer een seker somme ghelts’. Reinald en ‘mine erfghename’ garandeerden de prior dat hij ‘ten ewighe daghe’ in het genot zou blijven van bovengenoemde grond. (80) In 1419 woonde ‘Reynout van Brakell’ in Dordrecht in een huis met de naam ‘Denemercken’, gelegen tussen de Wijnstraat en de Oude Haven, de “goudkust” van de stad. (81) Rond 1495 werd in de Wijnstraat het huis Het Zeepaert gebouwd. Dendrologisch onderzoek heeft aangetoond dat dit huis het oudste huis in Nederland is waarvan de oorspronkelijke vormen nog intact zijn. (82) Reinald overleed voor 7 augustus 1434. (83) In het Memorieboek van het Cisterciënserklooster Mariënhaven te Warmond (folio 8 verso) staat over hem genoteerd: ‘Reyner van Brakel is ghestorven ende heeft ghegheven een glas in die kercke op koor’. (84)

§ 2 De Sint Elisabethsvloed (1421)

In de vijftiende eeuw werd ons land getroffen door een watersnood die qua omvang te vergelijken is met die van 1953. Op 19 november 1421 ‘op sinte-Lijsbetten nacht als der heiliger jonchfrouwendach toecomende was, hief op een alte groten storm ende quam uter zee, dat desgelijcx in een deel jaren niet veel gehoirt en was, dair alten groten scade in Hollant ende Zeelant van gesciede, dat zeer was te beclagen, want die dijke daervan tot veel steden inbraken. Ende dat water quam so hoich ende so groot op uter zee mit enen zwaren noirtwesten winde ende beliep die lude tot veel steden in horen huysen, die nergent comen en conden, sodat men doe seyde, dat veel menschen also verdroncken ende veel beesten desgelijcx’. (85) ‘Overal in Holland braken de dijken. Te Petten vluchtten vierhonderd mensen in de kerk, maar de kerk woei met toren en al de zee in en men vond zelfs haar plaats niet terug.’ (86) De hevigste klappen vielen in de streek tussen Dordrecht en Geertruidenberg. Daar overstroomde de Grote of Zuidhollandse Waard. In de stad Dordrecht stond het water ‘wel twee voete hoech daer opter straten stont, als men doe seyde’. Twee en zeventig dorpen verdwenen van de aardbodem en tienduizenden stierven de verdrinkingsdood, aldus de kronieken uit die tijd. (87) Het gebied tussen Dordrecht


124

en Geertruidenberg (42500 hectare akker- en weiland) veranderde in een binnenzee, waaruit de latere Biesbosch ontstond. N.B. ‘In ’t ondergaan van dien Grooten Waard, kwam aandrijven een kind in een wiege, hebbende tot gezelschap een kat, en raakte eyndeling te Dordrecht, werdende ’t voorsz. kind Beatrix, (dat is Baete, Baetken, Bate, en by verder toegeving Gelukkige) genoemd; en zijnde gekomen ten jare, troude Jakob Roerom. Van welken stamme, ’t zy uyt de manlijke of vrouwlijke linie, vele aanzienlijke geslachten, en andere binnen Dordrecht, en elders haar afkomste rekenen.’ (88) Na de catastrofe eiste Jan van Beieren, graaf van Holland, contributies van de door overstromingen getroffen gebieden, waarmee het herstel van de dijken gefinancierd kon worden. In de middeleeuwen gold nu eenmaal de stelregel: wie het water deert, die het water keert. Het verhoudingsgewijs minder zwaar getroffen Land van Altena en ook de stad Woudrichem kwamen tegen deze eis in verzet; ze weigerden hun bijdragen. Het mocht niet baten. In augustus 1423 beloofde het Land van Altena 5000 Beierse guldens in twee termijnen te betalen. (89) De steden Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam en Gouda schonken een bedrag van 2500 Beierse guldens en hertog Philips de Goede van Bourgondië (de latere graaf van Holland) beloofde een bijdrage van 28000 kronen. Volledige indijking bleek echter een onmogelijke opgave. Slechts kleine stukken grond konden later worden teruggewonnen. Recent onderzoek toonde aan dat de Sint Elisabethsvloed in de Grote Waard eerder een waddengbied dan een binnenzee vormde en dat het aantal dorpen dat door het water verzwolgen zou zijn, schromelijk overdreven werd. Dr.M.K.E.Gottschalk houdt het op circa 28 dorpen en gehuchten. Volgens J. Hendriks, de stadsarcheoloog van Dordrecht, was de Grote Waard door het binnendringen van brak water economisch waardeloos geworden, reden waarom de mensen hun huizen afbraken om deze op een veiliger plek weer op te bouwen. Veel dorpen verdwenen dus niet maar werden verplaatst.

§ 3 Heren in Holland I Tweede deel

Godschalk (III) van Brakell was een zoon van Godschalk (II) van Brakell en Geertruid Minnebodezoon. Op 8 december 1400 wordt hij de kleinzoon van Reinoud Jan Minnebodezoon genoemd. (90) ‘Godscalc van Brakel heren Godscalcsz.’ staat in 1401 genoteerd als raad en in 1406 en 1407 als oudraad, in 1383, 1403, 1404, 1405, op 23 mei 1406 en in 1417 als een van de ‘scepenen in Dordrecht’; bovendien was hij (in 1423) gasthuismeester. (91) In 1408 werd ‘Godschalck van Braeckel, knape’ schout van Dordrecht als opvolger van zijn neef Willem (I) van Brakell. (92) Zie blz. 125. Op 23 oktober ‘des sonnedaghes na sinte lucasdach’ 1412 verzochten de bewoners van Tolloysen het kapittel van Sint Jan te Utrecht Godschalk op het matje te roepen omdat deze zich de tienden (‘IIII Dordse gulden’) wilde toeëigenen ten koste van ‘ons arme capelaen’. (93) Op 1 maart 1413 wordt ‘Godscalc van Brakel’ vermeld in een akte die handelt over grond in het Land van Altena. (94) Op 23 september 1421 wordt hij leenman van de graaf van Holland genoemd. (95) Op 25 oktober 1399 was hij in het bezit van een tiende in Uithoven (Land van Altena). (96). Godschalk overleed voor 24 maart 1445. (97) Hij huwde voor 28 juli 1406 Aleid van Langerak, dochter van Gijsbrecht van Langerak. (98) Van Godschalk en Aleid zijn twee kinderen bekend: 1)Godschalk (IV). ‘Godschalck van Brakel sone van Godschalck die schout van Dordrecht was’ was in 1446 schepen in Dordrecht (99) en commandeur van de Ridderlijke Duitse Orde te Maasland. (100) Over de Ridderlijke Duitse Orde zie hoofdstuk IX, paragraaf 5. Op 24 maart 1444 bezat Godschalk ‘enkele goederen onder Brakel’, op 24 maart 1445 nam hij de tiende in Uithoven van zijn vader over en op 1 oktober 1458 werd hij beleend met een tiende in Graveland (bij Hilversum). In de laatstgenoemde akte wordt hij samen met zijn neven Jan van Dalem en Frederick Uten Ham genoemd. De in dezelfde leenakte op 13 juli 1496 vermelde Godschalk (‘bij dode van Godschalk van Brakel, zijn vader’) was waarschijnlijk een (klein)zoon. (101) Godschalk (IV) overleed in of voor 1463. (102) 2)Daniël. ‘Ridder ten Duytschen Huyse’ te Utrecht. (103)


125

N.B. In 1459, 1466, 1478 en 1480 wordt ene Godschalk van Brakell vermeld als schepen van Utrecht. (104) Hij was gehuwd met Belije N. Op 5 december 1422 droeg Godschalk de helft van een tiende in Riederambacht over aan zijn vrouw. (105) In 1441 waren Godschalk en ‘joncfrou Bely’ eigenaars van het huis Lantscroon, gelegen tussen de St.Jacobus- en Viebrug in Utrecht. (106) Is deze Godschalk vernoemd naar een familielid uit Dordrecht? Willem (I) van Brakell was de zoon van Johan (I) van Brakell en Catharina van Langerak. (107) Hij was schildknaap, rentmeester-generaal van de graaf van Blois in 1391, rentmeester van Noordwijk in 1390 en van Beverwijk in 1390 en 1391, van 1394 tot 1397 baljuw en rentmeester van Beverwijk en Noordwijk, rentmeester van Tholen, en schout van Dordrecht in 1404, 1407 en 1408. (108) Hij staat van 1386 tot 1397 en op 1 april 1400 in de leenregisters van de graven van Blois vermeld. (109) In 1389 vergezelde hij graaf Guy van Blois tijdens een ‘speelreisje door Holland’. (110) Op 6 april 1399 werd hij beleend met het goed in de Riederwaard, genaamd In ’t Hout (tussen Ridderkerk en Slikkerveer), en met het Heer Oudelandsambacht in Zwijndrecht. (111) Op 11 januari 1406 staan hij en zijn oom ‘Goidscalck van Brakel Heren Goidscalcx soen’ genoteerd als ‘wi van den Ouden-Raide’ van Dordrecht en zijn neef Reinald van Brakell en Emond van Brakell als twee van de ‘guede eerbare knapen ende poirteren’ van Dordrecht. (112) Willem huwde ‘joncfrou’ Katherine of Katheline van Bleheym. (113) Van Willem en Katherine zijn twee kinderen bekend: 1)Johan. Hij was evenals zijn vader beleend met het goed in de Riederwaard, genaamd In ’t Hout (1 augustus 1414), ‘het gerecht van Matena’ (7 augustus 1421), elf morgen land in Sliedrecht (tot 29 mei 1449) en het Heer Oudelandsambacht in Zwijndrecht (6 april 1409). Johan overleed voor 29 mei 1449. (114) 2)Adriana. (115) Willem kwam evenals zijn grootvader Richold van Brakell op gewelddadige wijze om het leven. In 1407 grepen de gilden de macht in de stad Dordrecht, gesteund door o.m. Willem van Brakell. Zes leden van het Hoeksgezinde stadsbestuur, waaronder de schout en enkele schepenen, werden verbannen. Op 11 mei 1408 namen zij wraak en vermoordden de nieuwe schout Willem van Brakell. (116) De graaf van Holland reageerde als volgt: ‘Wi hebben verstaen dat Willem van Brakel, onse scout, doot geslegen soude wesen tusschen Rotterdam en Ouderschiede, daer ons van gueder herten leet toe is, en hebben daerom gescreven aen onse baelyu van Delfland, en aen anders allen onsen dienaren, over al in onsen lande, dat si die sonder vortrec aentasten en vangen, (…) en willen daer alsoe over doen rechten’. (117) Verder gaf hij Reinald van Brakell, een neef van de vermoorde schout, opdracht de eigendommen van de moordenaars en hun medeplichtigen in beslag te nemen en te verkopen. (118) Eind juni werden de schuldigen veroordeeld en uit de stad verbannen. Godschalk (III) van Brakell, een neef van Willem, werd voogd van de kinderen van Willem en Katherine. (119) De weduwe van Willem van Brakell wordt na de dood van haar man nog vermeld in een oorkonde van 1418, waarin zij aan het stadsbestuur verklaarde dat zij twee kelders had verhuurd voor een termijn van twaalf jaar. In het huurcontract worden als borgen genoemd ‘Jan van Brakel ende joncfrou Adryaen sijn zuster, der vorsz. joncfrou Katerinen kijnderen’. (120) Een van deze kelders ‘Cleyn Vranckrijck’ geheten, was op 19 juli 1374 gekocht door de schoonvader van Katherine Johan van Brakell van ‘siins broeder Goodscalck van Brakel’. (121) N.B. In tegenstelling tot andere steden kende Dordrecht geen vroedschap (vgl. gemeenteraad), maar een Oudraad. De Oudraad vormde het bestuur van de stad en bestond uit veertig oud-schepenen en oud-raden. De twee burgemeesters waren voorzitter en daarmee de belangrijkste bestuurders. Tevens beheerden zij de financiën, een taak die later door thesauriërs werd overgenomen. De rechtspraak was in handen van de schout (openbare aanklager), negen schepenen en vijf raden als adviseurs. De Veertigen en de Achten vertegenwoordigden de gilden. De Veertigen waren o.m. belast met het opstellen van een voordracht van veertien personen waaruit de graaf van Holland enkele schepenen en raden koos. De Achten woonden de vergaderingen van de Oudraad bij, hadden een stem bij het aanwijzen van de burgemeesters en oefenden toezicht uit op de financiën van de stad. Zij benoemden de twee thesauriërs en controleerden jaarlijks de rekeningen.


126

Johan (II) van Brakell was de zoon van Johan (I) van Brakell en Catharina van Langerak. Hij huwde Hannekin N. ‘25-11-1377: Jan van Brakel, ridder, bij opdracht met lijftocht van Hannekin, zijn vrouw (…).’ ‘17-5-1396: Jan van Brakel bij dode van Jan, zijn vader, (…).’ (122) Adriaan van Brakell was de zoon van Reinald van Brakell en Johanna Eggert. (123) Op 9 november 1459, op 3 mei 1460, in 1472 en op 10 februari 1473 staat hij vermeld als de broer van Willem (III) van Brakell. (124) Johanna van den Woude, dochter van Jacob van den Woude en Reinoutje van Brakell, noemt in haar testament (18 oktober 1493) Adriaan en op 11 januari 1482 diens broer Willem (III) haar ooms. (125) In 1441 werd hij beleend met de visserij in Barendrecht en op 9 november 1459 droeg hij de ‘coorn- ende smael tiende’ in Werkendam over aan zijn broer Willem. (126) Op 30 juli 1443 staat ‘Adrijaan van Brakel’ vermeld als zegsman (= scheidsrechter) en poorter van Dordrecht. (127) In de jaren 1458-1460 waren hij en Willem (III) van Brakell betrokken in een proces voor het Hof van Holland tussen Godschalk (IV) van Brakell en Adriaan van Dalem, betreffende leengoederen in Gelkenesse, Kortland en ’s-Graveland. (128) Adriaan overleed in of voor 1467. (129) Hij huwde een mij onbekende dame. Van haar en Adriaan zijn een of twee kinderen bekend: 1)Willem (II). Hij werd in 1467 beleend met de visserij in Barendrecht ‘bij dode van Adriaan, zijn vader’. (130) Willem (of Willem III) staat vermeld in het register Valor Feodorum van hertog Karel de Stoute van Bourgondië, graaf van Holland en Zeeland. Dit register was door Karel opgesteld omdat hij wilde weten wie zijn leenmannen waren en welke inkomsten zij genoten van de bezittingen die zij van hem in leen hielden. Karel kon zodoende vaststellen wie als leenman verplicht was in zijn leger te dienen. In ruil voor een zesjarige bede gold die plicht niet voor de kleine leenmannen. Willem van Brakell was goed voor 28 pond per jaar. Een bescheiden inkomen vergeleken met dat van Jan van Montfoort (288 pond), Gerrit van Assendelft (537 pond), Walraven van Brederode (946 pond) en Johan van Nassau (987 pond). In dit register zijn alle overige inkomsten, zoals uit allodia, buiten beschouwing gelaten. Het Valor Feodorum geeft dus geen duidelijk beeld van de inkomensverhoudingen binnen de Hollandse adel. (131) N.B. Op 29 juni 1457 werd Dordrecht geteisterd door een van de grootste rampen in zijn geschiedenis: een enorme brand, waarschijnlijk ontstaan door blikseminslag. Ruim 600 huizen, de Onze Lieve Vrouwekerk en verscheidene schepen gingen in vlammen op. Het kostbare kerkinterieur ging verloren, doch het zogenaamde Heilig Hout, een stukje van het kruis van Christus, bleef ongeschonden. Een jaar daarna leidde dit tot de instelling van een jaarlijkse processie, georganiseerd door het Gilde van het H. Hout, om het wonderlijke voorval te herdenken. (132) 2)Nicolaas (?). Hij was burgemeester van Dordrecht en gehuwd met een onbekende dame. Van dit echtpaar is één kind bekend: Maria. Zij werd geboren in 1485 en overleed in of na 1542. Zij trouwde met Willem van Beveren Jacobszoon. Hij werd geboren in 1457 en overleed op 9 februari 1506 in Dordrecht. Willem was lid van de Raad van Veertig in Dordrecht en stadssecretaris aldaar. Willem was een neef van Zoete van Beveren, de echtgenote van Willem (III) van Brakell (zie hieronder). Hij werd in 1494 benoemd tot voogd van de zoon van Willem (III) en Zoete, Willem (IV) van Brakell. Op 11 juni 1500 werd hij beleend met de visserij van Dordtsmonde, als leenvolger van de jong gestorven Willem (IV). (133) Willem (III) van Brakell. In 1417 wordt Willem ‘synen iongsten soon’ van Reinald van Brakell genoemd. (134) ‘Willem van Brakell Reijnoutssoen’ was schildknaap, (135) schepen van Dordrecht in 1441, 1442 en 1443, (136) Heer van Develstein (waarschijnlijk als erfgenaam van zijn broer Johan), baljuw en rentmeester van de heerlijkheid Nijenburg (van 1443 tot 1449, 1451 en 1452), kastelein van kasteel Nieuwburg bij Alkmaar (1443, van 1447 tot 1449), kastelein van kasteel Montfoort (‘tot behoeff myns jonckeren van Montfoirde’, 1455, 1459, 1460, van 1464 tot 1466, 1469), rentmeester van Purmerend, Spaarndam (1457, 1458) en kasteel Montfoort (van 1455 tot 1469), raadsheer van Holland (van 1460 tot 1463; in 1469 heet ‘Mr.Willem van Brakel Raads-Heer in den Hove van Holland, Zeeland en WestFriesland’. (137) Hij was in 1438 (als leenvolger van Jan Eggert ‘sijnen neve’) en op 15 november 1442 beleend met het schoutambt van Spaarndam en Spaarnland, op 7 augustus 1434 met de visserij in de Hoornsloot, Koestal en Pol, op 19 september 1459 met een tiende in Graveland, en op


127

9 november 1459 met een tiende in Werkendam. (138) In 1468 kreeg hij van Johan, burggraaf van Montfoort, wegens de vele diensten hem en zijn vader bewezen (Willem was o.m. voogd van Johan), acht morgen land ‘in der Cabbau’ (Cabauw in Lopik), anderhalve hoeve land in ‘Bloclant’ (Blokland in Montfoort), een viertel land in ‘Heeswijck’ (Heeswijk in Montfoort), een halve hoeve land ‘op Lintscote’ (Linschoten in Montfoort), achttien morgen en anderhalf hont land ‘op Rappynen’(polder Rapijnen in Montfoort) en ‘die husinge binnen Montfoort daer Willem van Haestrecht in te wonen plach’ in leen. (139) Op 17 mei 1444 werd Willem van Brakell in Den Haag als een van de ‘Ridderen ende Knapen van Hollant, ende van Zeelant’ door de stadhouder ‘de Heere van Lalaing’ als volgt toegesproken: ‘dat mijnen genadigen Heeren (hertog Philips van Bourgondië) begeert een leninghe te hebben van zijne voorschreven landen (Holland en Zeeland)’. Uiteraard maakten de heren gebruik van de geldnood van hun landsheer, want zij stemden in met de lening, mits ‘dat zij eerst brieven hebben zullen van mijnen genadigen Heere, dat zij met deze leninghe te doen in haren ouden rechten ende vrijheden niet vermindert wezen en zullen, (…)’. (140) Op 20 december 1444 tikte een klerk namens de graaf van Holland Philips van Bourgondië het stadsbestuur van Dordrecht op de vingers, omdat ‘sij hebben Willem van Braeckel gebannen uit hoer steede dat immer niet behoirdt aengesien dat die selve Willem in dien tijden uyt was ende in den dienste van mijnen voirscreeven heere (…)’. (141) Op 13 mei 1445 deed ‘mynen genedige heren’ Philips van Bourgondië ‘mit zynen brieven’ uitspraak in een geschil tussen de schout en de poorters van Alkmaar en de kastelein van de Nieuwburg Willem van Brakell. (142) In 1459 staan hij en graaf Jan IV van Nassau vermeld als voogden van de kinderen van Hendrik IV, burggraaf van Montfoort en wordt hij diens neef genoemd. (143) Hij zegelde in 1441 met ‘2 paalsgewijs geplaatste, afgewende zalmen in een schild van (hermelijn op vair?)’. (144) Op 30 juni 1467 werd hij verzocht ‘tot Haerlem te verschijnen’ i.v.m. de inhuldiging van Karel de Stoute, de opvolger van Philips van Bourgondië. (145) Willem was geen gemakkelijk heerschap getuige de vele processen voor het Hof van Holland waarin hij tussen 1446 en 1463 als eiser of als gedaagde optrad. Een willekeurige greep uit de vele namen in de processtukken: Claas van Thorenburch, Claas de Backer, Jan Sijmonsz. uit Koedijk, Sijmon Gerbrantsz., Jan Tedink Gillisz., Sijmon van Adrichem de Jonge, en Claas Thijboutsz. (146) In 1446 vond een proces plaats tussen twee opeenvolgende kasteleins van de Nieuwburg, Jacob Janszoon en Willem van Brakell. Clemense, weduwe van Willems voorganger, beweerde dat zij 39 ganzen en 25 eenden had meegenomen, toen zij in 1435 in het huis de Nieuwburg kwam wonen, hetgeen zij niet bewijzen kon. Acht jaar later, toen het huis ontruimd moest worden, waren er zoveel vogels bijgekomen ‘dat men up en hondert na niet weten en mochte hoeveel datter wesen mochte’. Willem kon in zijn vuistje lachen. Een grote vogelmesterij werd hem zomaar in de schoot geworpen. (147) In hetzelfde jaar kreeg hij het aan de stok met de prior van het Karthuizerklooster St.Andries-ter-Zaliger-Haven bij Amsterdam over ‘een huyskijn dat hij (Willem) staende heeft up hair lant (van het klooster) bij den Holensloot’. De prior vond dat ‘mit den huyse voirs. groten schade ende hinder an hoeren lande gedaen is ende dattet menichwerff geseit is dat men hem dairaff verstoringe ende beteringe doen soude, mar niet geschiet en is, an zijnre visscherien van den Holensloot’. Op 14 december werd besloten dat de kwestie voorgelegd zou worden aan twee door partijen te kiezen vertegenwoordigers. Voor Willem werd dit een familielid, Jan Eggert Pieterszoon. (148) In 1449 wilde Reinoud van Brederode Willem uit zijn ambt van baljuw/rentmeester van de Nieuwenburg laten zetten ‘wegens verzuim in het houden van rechtdagen’. Hier is jarenlang over geprocedeerd. (149) In 1461 werd Wouter Smith, gevangene te Gouda, voor de rechter gedaagd, omdat hij samen met anderen Willem van Brakell had willen vermoorden. (150) Op 27 mei 1469 schonk Karel de Stoute, hertog van Bourgondië en graaf van Holland, Willem van Brakell, Volker van Beesd en andere ‘onderzaten van Montfoirde’ vergiffenis van de doodslag op Willem Budde, op last van Willem van Brakell door de anderen in IJsselstein gepleegd, en van het verwonden en gevangen houden van diens zoon Splinter, die ervan verdacht werden tot een bende ‘moordbranders’ (= brandstichters met moorddadige bedoelingen) te behoren. (151) Willem huwde Zoete of Sueta van Beveren, Vrouwe van Dordtsmonde, dochter van Nicolaas van Beveren en N.Blankert. Zoete overleed in 1494. (152) Willem overleed tussen 3 augustus 1485 en 14


128

februari 1493. (153) Kasteel Develstein werd verkocht aan Johan Duyck, Heer van Wieldrecht. Van Willem en Zoete is één kind bekend: Willem (IV). Op 19 maart 1494 werd Willem van Beveren Jacobszoon benoemd tot voogd van Willem de ‘onmondige’ zoon van ‘Willem van Brakel Reynoutsz. sine vader ende joncfrou Zoete sine moeder’. (154) Het ‘weeskynt’ studeerde in Leuven (155) en overleed voor 11 juni 1500. (156) Met hem stierf de Dordrechtse tak van het geslacht van Brakell uit in de mannelijke lijn. N.B. Schout en schepenen moesten in de stad o.m. de openbare orde handhaven. Hieronder enkele voorbeelden van akten waarin het stadsbestuur van Dordrecht blijk gaf ook oog te hebben voor de goede zeden in de stad. Op 25 mei 1451 ‘heefft Jacob Dirck Boydenssoen voer scepenen inder camer verwilkoert ende gheloefft, dat hy geen geselscep meer hantieren en sall metten vroutgens, die int leven sitten inne Pier Moyen tuyn, tzy met eeten, met drincken, met slapen, met waken, op correxie van scepenen’. (157) Op 31 juli 1461 ‘is byden gueden luden vanden gherecht, mede vanden achten, verdragen, dat men gheen recht van huyshueren doen en sall van dien huysen, die verhuert worden om meyskens van die leven in te wonen off dairmen openbair bordeell in hout, want men dair onredelike huer off neemt’. (158) In 1420 kocht Willem (III) van Brakell van de stad Dordrecht een lijfrente (‘tweelijvig’, dus voor twee personen) van 30 Wilhelmus schilden voor twee zusters van het St.Agnes- of St.Agnietenklooster in Dordrecht, (159) ‘een deftig gesticht waar alleen jonkvrouwen van goeden huize opgenomen werden’. Men trad als jong meisje in het klooster waarbij de ouders voor het onderhoud zorgden in de vorm van geld, goederen en/of een lijfrente. (160) Op 23 september 1485 staat Wilhelmina van Brakell vermeld als non in het St.Agnietenklooster. (161) Waarschijnlijk was zij ‘joncfrou Willem’, de dochter van Reinald van Brakell en dus een zus van Willem. N.B. Als de stad in geldnood zat werd bij de burgers geld geleend. Dat waren geen gewone leningen, omdat woekeren verboden was. Om dat bezwaar te omzeilen boden steden o.m. lijfrenten aan. Hiermee leende de burger geld aan de stad in ruil voor een jaarlijkse uitkering. Het ging dan niet meer om een lening maar een koop. De overeenkomst tussen stad en rentenier werd vastgelegd in een rentebrief. Met de lijfrente kocht men een uitkering die gevestigd was op een of meer personen. Dat kon de koper zelf zijn, maar meestal waren dat anderen, zoals echtgenotes, kinderen of andere familieleden. De rente werd uitgekeerd zolang deze personen in leven waren. Met het overlijden van de in de brief genoemde personen verviel de overeenkomst tussen stad en koper. Dit was ook het geval als de stad de hoofdsom afloste. (162)

§ 4 Heren in Holland II

I. Steesken (Eustachius). Huwde Sophia van Broeckhuijsen. 1)Steesken. Zie hoofdstuk II. 2)Gijsbert. Zie hoofdstuk III. 3)Godschalk (de Oude). Zie blz. 116. 4)Sophia. Zie hoofdstuk II. 5)Bertha. Zie hoofdstuk II. 6)Dirk. Zie hoofdstuk II. 7)Emond. Zie hoofdstuk II. II.1. Godschalk (de Oude). Huwde N.N.


129

1)Richold. Zie par. 1. 2)Johan (III). Zie III.1. III.1. Johan (III). Huwde Margriet van Riede. 1)Steesken. 2)Herbaren (I). Zie IV.1. 3)Johan. 4)Mechteld. Huwde Willem van Besoyen. 5)Liesbet. 6)Aleyt. 7)Sofie. IV.1. Herbaren (I). Huwde N.N. 1)Herbaren (II). Zie V.1. V.1. Herbaren (II). Huwde Lydewy Jansdr. van Nispen. Johan (III) van Brakell huwde Margriet van Riede, dochter van Hendrick Splinter, Heer van Pendrecht, en zuster van Herbaren van Riede, ridder, Heer van Pendrecht, Werkendam en Kortambacht, baljuw van Zuidholland (= gebied rond Dordrecht te weten de Grote Waard, de Alblasserwaard, de Krimpenerwaard, het eiland IJsselmonde en het Land van Heusden en Altena) van 1337 tot 1342/ 1343, raad (= persoonlijk adviseur) van graaf Willem IV van Holland, Zeeland en Henegouwen, gehuwd met Machteld van Oudheusden. Herbaren overleed als Hoekse banneling tussen 24 februari 1353 en 11 juni 1354. (163) Op 14 augustus 1323 ontving Johan veertien morgen land in Werkendam in het Land van Altena. In de akte wordt hij samen met zijn zwager Herbaren van Riede vermeld. (164) Van Johan en Margriet zijn zeven kinderen bekend: 1)Steesken. Op 29 juli 1377 bevestigde Herbaren van Liesveld, baljuw van Zuidholland, een uitspraak van o.m. ‘Staasken van Brakel’ inzake een klacht van een burger van Dordrecht. (165) Blijkbaar was Steesken schepen in genoemde stad. 2)Herbaren (I). Zie blz. 130. 3)Johan. Op 11 oktober 1390 wordt Jan (of Johan) de echtgenoot genoemd van Machteld van der Dussen, dochter van heer Floris van der Dussen. (166) In de akte staat echter niet genoteerd wie de vader van deze Jan was, m.a.w. Machteld kan ook de wederhelft van een andere Jan van Brakell geweest zijn. 4)Mechteld. Zij overleed in of na 1393 en huwde Willem van Besoyen, zoon van Jan van Besoyen en Hadewij N. (167) Willem ontving op 7 december 1344 tien morgen land in Heesbeen in het Land van Heusden van ‘heer Staasken van Brakel’. (168) Op 27 september 1361 wordt ‘Machteld van Besoyen’ de zus van ‘Herbaren van Brakel’ genoemd. (169) Zij had een zoon, Willem, uit een buitenechtelijke relatie met hertog Willem van Gelre. Deze zoon huwde in september 1394 Johanna van Kuyc, Vrouwe van Kuyc, Grave, Meteren en Est. (170) In de Grote- of St.Jacobskerk in Den Haag bevinden zich de wapens van Mechteld van Brakell en Willem van Besoyen. N.B. In 1393 noteerde rentmeester Johan Balwys het volgende in zijn rekening van dat jaar: ‘Mechtelt van Brakel, die eyn zoen van m. l. Here heefft; sy en hoer zoen aen gelde, aen cleidinge, aen korne (= graan), ende aen brande (= brandstof?) te saemen gehadt XIII nye gl. XXIII gr.’. (171) 5)Liesbet.


130

6)Aleyt. Zij wordt vermeld in 1369. In 1370 staat zij genoteerd als inwoonster van Dordrecht en schonk zij de graaf van Blois twee ‘reyghers’. (172) 7)Sofie. Johan overleed voor 11 juni 1354. In een akte van 21 mei 1362 (173) worden Herbaren van Brakell, zijn broer Johan van Brakell en Willem van Besoyen genoemd. Bovendien staan de zusters van Herbaren en Johan ‘Lisebet, Sofye en Aleyt’ als religieuzen vermeld. De drie zo juist genoemde heren deden op die datum ten behoeve van het Cisterciënzerinnenklooster Nieuw-Mariëndaal te Heesbeen afstand van hun bezittingen, waaronder rechten in het Land van Altena en tienden in Oudheusden, afkomstig van hun oom en tante Herbaren van Riede en Machteld van Oudheusden. Machteld was de stichteres van dit klooster aan welke zij al haar bezittingen had nagelaten. (174) Margriet van Riede, de weduwe van Johan van Brakell, was het hier niet mee eens en eiste de erfenis op voor haar drie zoons. Die eis werd gedeeltelijk toegewezen. N.B. Op 18 januari 1334 verklaarde de bisschop van Utrecht dat hij het vonnis van excommunicatie, uitgesproken over o.m. ‘Harberus de Riede, ridder, wegens den roof bij Macrene, in Ghenum en in Marsenbroec en het vonnis van interdict, uitgesproken over de plaatsen waar de roovers en de buit zich bevonden’, introk. (175) In 1362 ‘op den 15. van den louwmaend in de middernacht is er soo een krachtige wind opgestaen, dat die, op de wijze van een aerdbevinge, toorns, kerken en huysen te grond wierp, ende de Noordzee opryzende de inschietende stroomen en Zuyderzee over de aenleggende landen ioegh, niet zonder ongemack en kermen van den ackerman’. (176) In een akte van 11 juni 1354 worden Margriet van Riede, weduwe van Johan van Brakell, en hun kinderen ‘Stesken, Herberen’ en ‘Jan’ vermeld. (177) Maar in een andere akte met dezelfde datum heten Herbaren, Johan en Steesken van Riede, kinderen van Vrouwe Margriet van Brakell, erfgenamen van Heer Herbaren van Riede. (178) In een artikel van C.Hoek wordt Margriet van Riede de weduwe van ‘heer Jan van Brakel, ridder’ genoemd. (179) Herbaren (I), de zoon van Johan van Brakell en Margriet van Riede, zegelde met een gevierendeeld wapen: 1 en 4. twee afgewende vissen paalsgewijs (Van Brakell), 2 en 3. een dwarsbalk vergezeld van besanten (Van Riede). Besanten zijn penningen. Herbaren werd dus Van Riede of Van Brakell genoemd. (180) In het Wapenboek Beyeren staat het hierboven beschreven wapen van ‘Herberen van Brakell’; hij wordt hierin vermeld als deelnemer aan het beleg van Gorinchem in 1402. In dit boek zijn de wapens opgenomen van de edelen die streden bij Kuinre (1396) en bij Gorinchem (1402) en aanwezig waren op een toernooi in Compiègne (1238) en Mons (1310). ‘Her Herberen van Riede’ wordt met hetzelfde wapen genoemd als deelnemer aan de slag bij Kuinre. (181) Op 10 juni 1389 ontving ‘Herbaren van Brakel’ een halve hoeve land in Brakel, twaalf morgen groot; op 15 juni 1396 ging deze grond naar ‘Herbaren van Riede’. (182) N.B. In het Wapenboek Beyeren wordt ook ‘Jan van Brakell’ genoemd als belegeraar van Gorinchem. Opvallend is dat zijn wapen en ook dat van Herbaren van Brakell/Riede bestaat uit twee afgewende zalmen van zilver op een rood veld, maar zonder de spitsvoetige herkruiste kruisjes. Deze kruisjes vinden we wel op het wapen van Aernt van Giessen, volgens Van Spaen verwant aan de Van Brakell’s (zie hoofdstuk I, par. 2). (183) Heeft binnen de Dordrechtse tak van het geslacht Van Brakell een breuk van het familiewapen plaatsgevonden? Herbaren (I) van Brakell/Riede was de zoon van Johan (III) van Brakell en Margriet van Riede. Hij was van 1387 tot 1392 dijkgraaf van de Grote Waard. (184) Hij had twaalf morgen land in Brakel in leen, (185) vandaar dat hij genoemd wordt bij de schatting in Brakel in 1369. Hierin wordt ‘joncfrou Alet syn suster’ genoemd. (186) Hij was bovendien beleend met een tiende in Werkendam in het Land van Altena en de tienden van Pendrecht. (187) Op 25 november 1396 wordt hij neef van Godschalk


131

(II) van Brakell genoemd. (188) In 1402 riep hertog Albrecht ‘sijnen baenroetzen (= baanderheren), ridderen ende knapen ende goeden luden uut sijnen steden ende landen’ op voor een oorlog tegen de Heren van Arkel, waaronder ‘Herbaren van Brakel met 4 gewapenden’. (189) Zie ook hoofdstuk III, par. 2. Herbaren was schildknaap en later ridder. In 1419 was ‘Heer Herberen van Braeckel’ als een van de ‘Edelen van Hollandt’ aanwezig bij de ‘Zoen van Woudrichem’, een verdrag waarbij Jacoba van Beieren, gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen, de feitelijke macht overdroeg aan haar oom Jan van Beieren. (190) Het is mogelijk en zelfs waarschijnlijk dat met Herbaren van Brakell, genoemd in 1402 en 1419, diens zoon Herbaren is bedoeld. Herbaren huwde een mij onbekende dame. Van dit echtpaar is één kind bekend: 1)Herbaren (II). Zie hieronder. Volgens baron Van Spaen moest ‘ridder’ Herbaren ‘met 10 man tegen de Vriezen dienen’. (191) In 1345 deed graaf Willem IV van Holland, Zeeland en Henegouwen, een poging het welvarende Friesland bij zijn rijk in te lijven. Op 26 september stak de vloot de Zuiderzee over en op 28 september was men weer terug, maar ‘sonder minen here den grave’. Willem had met enkele honderden soldaten het klooster St.Odulf bij Stavoren willen innemen, werd door de Friezen omsingeld en gedood. Willem van Oostervant, de latere graaf Willem VI, een groot toernooiheld en vermaard vechtjas, wilde zijn oudoom wreken. Bovendien had hij zich net verzoend met zijn vader graaf Albrecht van Beieren, met wie hij jaren in onmin had geleefd, en hoopte met name Albrecht dat een gezamenlijke expeditie van vader en zoon de eenheid in de gelederen zou herstellen. Gesteund door o.m. Franse en Engelse troepen landden zij in 1396 op de Friese kust waar de indringers begroet werden door een ‘Friesch vrouwmensch’ die honend haar blote achterste liet zien en riep ‘dat zy daar hun welkomst haalen konden’. Boogschutters doorboorden haar bil en been en sneden haar in duizend stukjes. De Friezen werden bij Kuinre verslagen, maar niet overwonnen. In 1398 moesten de Hollanders opnieuw ten strijde trekken, veroverden Stavoren, sloten verdragen met de leiders van het Friese volk en meenden dat de oorlog voorbij was. Een nieuwe expeditie in 1399 kon het Friese verzet echter niet breken. In 1411 werden de Hollanders uit hun laatste steunpunt Stavoren verdreven. Als compensatie voor het Friese fiasco was Willem intussen een oorlog tegen de Heren van Arkel begonnen. (192) Behalve Herbaren van Brakell/Riede namen ook Jan van Dalem, de echtgenoot van Margriet van Brakell, en Jacob van Rijsoord, gehuwd met Margaretha van Brakell, deel aan de verschillende campagnes van de graven van Holland tegen de Friezen. (193) Gerard van Horne, Heer van Altena, voor wie Eustachius van Brakell (de Jonge) op 1 juli 1344 getuige was, ‘fut tué à la bataille de Staveren en Frise’. (194) Herbaren (II) van Brakell/Riede was de zoon van Herbaren (I) van Brakell/Riede en N.N. In een akte van 25 januari 1378 wordt hij de zoon van Herbaren van Brakell genoemd. (195) Hij huwde voor 29 oktober 1402 Lydewy Jansdr. van Nispen. (196)

NOTEN

1)Dr.J. van Herwaarden, dr.D.E.H. de Boer, dr.F.J.W. van Kan en dr.G.Verhoeven, Geschiedenis van Dordrecht tot 1572, Hilversum 1996, blz. 281 (Bijlage: Herkomst van elitefamilies). Zie ook Brakel, De Navorscher, jaargang 37 (1887), blz. 206. Als auteur wordt vermeld H. 2)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, register 1, folio 80 recto. 3)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, register 1, folio 119 verso, 121 verso, en register 2, folio 13 verso. Zie ook dr.J.C.Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650. VII. De lenen van de hofstede Schoonhoven, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 524. 4)J.W.J.Burgers en E.C.Dijkhof, De oudste stadsrekeningen van Dordrecht 1283-1287, Hilversum 1995, blz. 16 t/m 21, 50 en 51. 5)Drs.J.Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 2, blz. 128.


132

6)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 3, en nr. 13, blz. 1. Zie ook C.Hoek, Wapens van schepenen van Dordrecht (1294-1622), Ons Voorgeslacht, jaargang 22 (1967), blz. 114, De Navorscher, jaargang 37 (1887), blz. 206, en A.J. van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, deel 3, Gorinchem 1841, blz. 269. Zie voor de geschiedenis van kasteel Develstein G.D.J.Schotel, Geschied-, letter- en oudheidkundige uitspanningen, Het slot Develstein (Eene verhandeling), Utrecht 1840, blz. 56 t/m 74. 7)C.Hoek, Wapens van schepenen van Dordrecht, blz. 114. Zie ook Centraal Bureau voor Genealogie, Wapenboek van Hollandsche geslachten, ca. 1750, blz. 85. 8)Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 273 en 997. Zie ook M.C. de Keijzer, Kwartierstaat van Martinus Cornelis de Keijzer, Ons Voorgeslacht, jaargang 46 (1991), blz. 315, mr.R.Parqui, Kwartierstaat van Adrienne A.M.Parqui, Ons Voorgeslacht, jaargang 25 (1970), blz. 15 en 16, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 1. 9)Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 276, Jacobus Kok, Byvoegzels op het Vaderlandsch Woordenboek A-B, Amsterdam 1797, blz. 268, en De Navorscher, jaargang 37 (1887), blz. 206. 10)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, register 1, folio 119 verso, 121 verso, en register 2, folio 13 verso. Zie ook dr.J.C.Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650. VII. De lenen van de hofstede Schoonhoven, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 524. 11)Dr.J. van Herwaarden e.a., Geschiedenis van Dordrecht tot 1572, blz. 97 t/m 100. Zie ook J.L. van Dalen, Geschiedenis van Dordrecht, Schiedam 1987, blz. 1048 t/m 1050, J.L. van Dalen, Regestenlijst behoorende bij den inventaris van het Archief der Gemeente Dordrecht. 1200-1572, Dordrecht 1912, nr. 233 t/m 235, 239 t/m 248 en 255 t/m 260, en Ronald de Graaf, Oorlog om Holland 1000-1375, blz. 343. Voor het kerkelijk asielrecht zie Corien Glaudemans, Om die wrake wille, blz. 187, 188 en 190. 12)Corien Glaudemans, Om die wrake wille, blz. 137 en 138. 13)SA Dordrecht, Stadsarchief, 1200-1572, Klepboeken, 1383-1510, inventarisnr. 4, akte nr. 13, folio 2 recto. Zie ook B.L.M.Emmerik, Inventaris van het archief van het Heilige Geest- en Pesthuis ter Groter Kerk te Dordrecht 1367-1810, Dordrecht 1983, regest nr. 9 (3-10-1398), dr.J.F.Niermeijer, Bronnen voor de economische geschiedenis van het BenedenMaasgebied, Eerste Deel: 1104-1399, nr. 511, Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 277, 279 en 280, Johan van Beverwyck, ’T begin van Hollant in Dordrecht. Mitsgaders der eerster stede beschrijvinge, regeringe, ende regeerders: als oock de gedenckwaerdighste geschiedenissen aldaer gevallen, Dordrecht 1640, blz. 190, 192 en 193, De Navorscher, jaargang 37 (1887), blz. 206, mr.R. Parqui, Kwartierstaat van Adrienne A.M.Parqui, blz. 15, G.D.J.Schotel, Het slot Develstein, blz. 57, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 4. 14)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 1245, folio 91 recto. Zie ook dr.J.F.Niermeijer, Bronnen voor de economische geschiedenis van het Beneden-Maasgebied, Eerste Deel, nr. 490, 501, 509, 557, 594 en 602. 15)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, register 1, folio 98 verso, 103 recto, 122 recto, 134 verso, 149 recto, 156 recto en verso, 165 recto, 169 recto, 173 verso, 184 recto, 185 recto, 186 recto, register 2, folio 1 verso, 6 verso, 10 verso, 12 recto, 14 verso, 15 verso, 16 recto, 17 recto, 29 recto, 30 verso, 35 recto, 47 recto, 49 recto en verso, 52 verso, 57 recto, en 59 recto (blad), register 400, folio 4 recto, 10 verso, 25 verso, 29 recto, 45 recto, 50 verso, 53 recto en verso, en 54 verso, nr. 31, folio 9 verso, nr. 48, folio 21 recto, nr. 101, folio 24 verso, nr. 102, folio 31 verso, nr. 105, folio 1 recto, 24 recto, 81 recto, nr. 120, folio 1 recto, Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 1245, folio 91 recto, nr. 1631 t/m 1633, dr.J.F.Niermeijer, Bronnen voor de economische geschiedenis van het Beneden-Maasgebied, Eerste Deel, nr. 490, 501, 509, 557, 593, 594, 596, 602 en 604, Frans van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, Derde Deel, blz. 416, 632 en 634, dr.S.W.A. Drossaers, Het Archief van de Nassause Domeinraad, Tweede Deel, Het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581: Stukken betreffende de rechten en goederen van Anna van Buren, Regestenlijst van oorkonden I (c. 11661459), nr. 417, G.Alders, De Waelneshoeve te Hendrik Ido Ambacht en andere middeleeuwse stenen kamers in Nederland, Dordrecht 1982, blz. 2, Bronnen voor de geschiedenis der dagvaarten van de Staten en steden van Holland voor 1544, deel I: 1276-1433, eerste stuk: Inleiding, lijsten en indices, bewerkt door W.Prevenier en J.G.Smit, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 201, ’s-Gravenhage 1991, nr. 439, dr.J.C.Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in de Grote Zuidhollandse Waard (1276-1650), Ons Voorgeslacht, jaargang 51 (1996), nr. 89, O. van den Arend, Zeven lokale baljuwschappen in Holland, Hilversum 1993, blz. 162 en 470, C.J. de Lange van Wijngaerden, Geschiedenis der Heeren en beschrijving der stad van der Goude, eerste deel, Amsterdam/Den Haag 1813, blz. 713 en 715, Henricus van Berkum Beschryving der stadt Schoonhoven, Gouda 1762, blz. 48, Abrahams Kemps Leven der Doorluchtige Heeren van Arkel, blz. 121, en Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 9. 16)C.Hoek, Wapens van schepenen van Dordrecht, blz. 113, Frans van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, Derde Deel, blz. 442, en Het Utrechts Archief, Arnoldus Buchelius (Arnout van Buchel), Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa, folio 221 recto. Zie ook Nationaal Archief, Graven van Blois, 1248-1397, register 1, folio 15 verso, 53 recto, 121 verso, 180 verso, en 182 verso, en nr. 111, folio 74 recto. 17)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, register 1, folio 119 verso, 121 verso, register 2, folio 8 verso, 9 recto (blad), en 13 verso, register 3, folio 13 verso, en register 400, folio 49 recto en verso, en 58 verso. Zie ook dr.J.C. Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in de Grote Zuidhollandse Waard (1276-1650), Ons Voorgeslacht, jaargang 51 (1996), nr. 40 en 89, en dr.J.C. Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650. VII. De lenen van de hofstede Schoonhoven, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 494, 523 en 524. 18)Ir.C.Sigmond, De geslachten Van Slingeland(t) in Dordrecht en het baljuwschap Zuid-Holland in de 14e en 15e eeuw, blz. 532 en 533. Zie ook M.C. de Keijzer, Kwartierstaat van Martinus Cornelis de Keijzer, blz. 314, en mr.R.Parqui, Kwartierstaat van Adrienne A.M.Parqui, blz. 15. 19)Dr.J. van Herwaarden e.a., Geschiedenis van Dordrecht tot 1572, blz. 265 en 339, en dr.J.F.Niermeijer, Bronnen voor de economische geschiedenis van het Beneden-Maasgebied, Eerste Deel, nr. 511. Zie ook dr.J.C. Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in de Alblasserwaard, 1280-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 52 (1997), blz. 25, en Kwartierstatenboek 2000, Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, Rotterdam/’s-Gravenhage 2000, blz. 213.


133

20)C.Hoek, Wapens van schepenen van Dordrecht, blz. 107, en Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 276 en 277. 21)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, nr. 100, folio 14 verso. Zie ook C.Hoek, De inkomsten uit de grafelijke domeinen te Capelle aan den IJssel, Moordrecht en Nieuwerkerk aan den IJssel (1334-1607), Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 148. 22)Geertruida de Moor, De testamenten van twee veertiende-eeuwse rentmeesters van de abdij Leeuwenhorst: Masijn Agniezenz., bastaard van Florentius van de Boekhorst, en Johannes Hugenz., Ons Voorgeslacht, jaargang 39 (1984), blz. 302, Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 139, De Navorscher, jaargang 45 (1895), De stichter van het klooster Eemstein bij Dordrecht, blz. 549 en 550 (als auteur wordt vermeld Q.N), dr.R.C.H.Römer, Geschiedkundig overzigt van de kloosters en abdijen in de voormalige graafschappen van Holland en Zeeland, Eerste afdeeling, blz. 148 en 149, en J.L. van Dalen, Geschiedenis van Dordrecht, blz. 774. 23)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, register 400, folio 58 verso. Zie ook dr.J.C. Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650. VII. De lenen van de hofstede Schoonhoven, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 494, en dr.J.C.Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in de Alblasserwaard, 1280-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 52 (1997), blz. 25. 24)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, register 1, folio 105 recto, folio 173 verso, los blaadje bij folio 174, register 2, folio 157, dr.J.F.Niermeijer, Bronnen voor de economische geschiedenis van het Beneden-Maasgebied, Eerste Deel, nr. 511, en Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 239 en 240. Zie ook G.D.J.Schotel, Het slot Develstein, blz. 57. 25)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, register 2, folio 8 verso, los blaadje bij folio 9, en register 3, folio 13 verso. 26)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Arkel in de Alblasserwaard, 1317-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 77. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 6. 27)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in de Alblasserwaard, 1280-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 52 (1997), blz. 49. 28)Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 997 en 998, Jacobus Kok, Byvoegzels op het Vaderlandsch Woordenboek A-B, blz. 268, en dr.H.M.Brokken, Het ontstaan van de Hoekse en Kabeljauwse twisten, blz. 268. 29)Dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland, blz. 446, ir.C.Sigmond, De geslachten Van Slingeland(t) in Dordrecht en het baljuwschap Zuid-Holland in de 14e en 15e eeuw, blz. 526 en 532, en M.C. de Keijzer, Kwartierstaat van Martinus Cornelis de Keijzer, blz. 314. 30)Dr.J.C.Kort, Het archief van de familie Van Slingelandt (420) 1438-1868, blz. XIII en afbeelding 2, en H.F. van Heussen en H. van Rijn, Oudheden en Gestichten van het rechte Zuid-Holland en van Schieland, Leiden 1719, blz. 45 en 48. 31)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 228 (Register V van akten van hertog Albert, lopend over 1391-1402), folio 93 verso en 436 recto, nr. 230 (Register III van akten van hertog Willem VI, 1404-1416), folio 111 verso, nr. 708 (Register van leenmannen, die hun goed met ledige hand verzocht hebben aan hertog Albert, inzake: 1390), folio 6 recto, nr. 712 (Register IX van akten van belening door hertog Jan van Beieren, gravin Jacoba van Beieren en hertog Filips van Bourgondië, lopend over 1419-1434), folio 117 recto, nr. 892 (Register “Bevelinge II” van akten van aanstelling door hertog Albert, lopend over 1392-1404), folio 113 verso, en dr.J.C.Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in Rijnland, 1222-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 549 en 700. Zie ook dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland, blz. 446, J.P. de Man, Floris van Ryswyck, Heer van Rysoorde. Een 15 e eeuwsch familiedrama, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXIII (1945/46), blz. 94, jhr.dr.W.A.Beelaerts van Blokland, Oude Adel, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XLV (1927), blz. 171, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 5. 32)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Heusden, 1246-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 52 (1997), blz. 344. 33)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, nr. 50, folio 56 recto en verso, nr. 101, folio 23 verso, nr. 102, folio 17 recto, nr. 103, folio 20 verso, nr. 105, folio 33 recto en folio 77 recto, nr. 108, folio 2 verso, nr. 109, folio 21 recto, nr. 111, folio 19 verso en 20 verso, nr. 112, folio 20 recto, nr. 116, folio 61 verso, nr. 122, 123, 153, 154 en 670, Het Utrechts Archief, Archief Heerlijkheid Montfoort 1282-1649, nr. 154, en Bronnen voor de geschiedenis der dagvaarten van de Staten en steden van Holland voor 1544, deel: 1276-1433, eerste stuk: Inleiding, lijsten en indices, nr. 261. Zie ook dr.J.C.Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 39 (1984), blz. 232 en jaargang 40 (1985), blz. 523, C.J. de Lange van Wijngaerden, Geschiedenis der Heeren en beschrijving der stad van der Goude, eerste deel, blz. 711, 714, 715, 767 en 775, en Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 998. 34)Nationaal Archief, Heren van Putten en Strijen, 1235-1459, nr. 1 (“Putten ende Strijen met de houte borden, 1235-1441”; register van allerhande akten sinds 1229, aangelegd door Bartholomeus Arntsz. uter Haghe, klerk van Jacob van Gaasbeek, voltooid mei 1438, met aanvullingen tot 1458), folio 131 verso. Zie ook dr.J.L. van der Gouw, Rekeningen van de domeinen van Putten 1379-1429, Deel II: Rekeningen 1420-1429 Teksten en Regesten 1229-1430, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 171, ’s-Gravenhage 1980, nr. 216. 35)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 294, akte van overeenkomst door Arnout van de Merwede en Matthijs Hendriksz., (en andere personen) en de gilden van Dordrecht inzake onder meer de vaststelling van keuren, en dr.J.F.Niermeijer, Bronnen voor de economische geschiedenis van het Beneden-Maasgebied, Eerste Deel, nr. 511. 36)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, nr. 40, folio 25 verso, nr. 45, folio 9 verso, nr. 48, folio 69 verso en 87 recto, nr. 49, folio 46 recto, nr. 50, folio 34 recto en 35 verso, nr. 108, folio 2 verso. Zie ook dr.J.F.Niermeijer, Bronnen voor de economische geschiedenis van het Beneden-Maasgebied, Eerste Deel, nr. 563. Zie ook C.J. de Lange van Wijngaerden, Geschiedenis der Heeren en beschrijving der stad van der Goude, eerste deel, blz. 718. 37)Dr.J.C.Kort, De grafelijke lenen in Zwijndrecht, 1282-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 72. 38)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, register nr. 1, los blaadje bij folio 175. 39)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, nr. 105, folio 29 recto.


134

40)Dr.A.W.E.Dek, Bijdrage tot de genealogie van het geslacht Van Arkel, blz. 391, en dr.Antheun Janse, Grenzen aan de macht, blz. 388. Zie ook dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland, blz. 442. 41)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, nr. 380, bijlage bij inventarisnr. 284, en nr. 386, bijlage bij inventarisnr. 285. Zie ook O. van den Arend, Zeven lokale baljuwschappen in Holland, blz. 162. 42)M.Smallegange, Nieuwe Cronyk van Zeeland, Eerste Deel, Derde Boek, Middelburg 1696, blz. 285. 43)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, nr. 35, folio 11 recto, 24 verso en 27 verso, De rekeningen van de grafelijkheid van Holland uit de Beierse periode, uitgegeven door de Werkgroep “Holland 1300-1500”, Serie I, De hofrekeningen en de dijkgraafsrekeningen van de Grote Waard, Deel: 1358-1361, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 237, Den Haag 1997, nr. 1219, blz. 159, C.J. de Lange van Wijngaerden, Geschiedenis der Heeren en beschrijving der stad van der Goude, eerste deel, blz. 282, 287, 288, 313, 322 en 325, en dr.Antheun Janse e.a., Johan Huyssen van Kattendijkekroniek, blz. 371 en 372. Zie ook Ronald de Graaf, Oorlog om Holland 1000-1375, blz. 328 en 329, en Jan Wagenaar, Vaderlandsche Historie, vervattende de geschiedenissen der nu Verenigde Nederlanden, inzonderheid die van Holland, van de vroegste tijden af, Derde Deel, blz. 296 t/m 298. 44)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 2051 (Rekening van Hendrik die Moolnaar, met bijlagen. 1 december 1360 - 14 december 1361), Nationaal Archief, Graven van Blois, 1248-1397, nr. 36, folio 68 verso. Zie ook De rekeningen van de grafelijkheid van Holland uit de Beierse periode, Serie I, De hofrekeningen en de dijkgraafsrekeningen van de Grote Waard, Deel: 1358-1361, Inleiding, blz. XXXII, en mr.S.J. Fockema Andreae, Studiën over waterschapsgeschiedenis. III. De Grote of Zuidhollandse waard, Leiden 1950, bijlage II. 45)De rekeningen van de grafelijkheid van Holland uit de Beierse periode, Serie I, De hofrekeningen en de dijkgraafsrekeningen van de Grote Waard, Deel: 1358-1361, nr. 1220, blz. 298. 46)P.N. van Doorninck, De tocht van Jan van Blois met hertog Aelbrecht naar Gelre. Nov. 1362, Haarlem 1899, blz. 152, 155 en 156. 47)P.N. van Doorninck, De tocht van Jan van Blois om Gelre 1371-1372, Haarlem 1898, blz. 47. 48)Dr.J.C.Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 39 (1984), blz. 232. 49)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, nr. 43, folio 23 verso, nr. 46, folio 82 recto, nr. 49, folio 22 recto, nr. 108, folio 2 verso, en C.J. de Lange van Wijngaerden, Geschiedenis der Heeren en beschrijving der stad van der Goude, eerste deel, blz. 215, 216, 244, 248, 256, 267, 268, 358, 367, 374 t/m 376, 387, 390, 402, 434, 535, 709, 713, 715, 782 en 791. 50)G.Alders, De Waelneshoeve te Hendrik Ido Ambacht, blz. 15. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 5. 51)Ibidem. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, Preuves, D.W.Nibbelink, Handvesten en oorkonden betrekkelijk de regtsgeschiedenis van den Zwijndrechtschen Waard, diss., Leiden 1860, blz. 91, en De Navorscher, jaargang 37 (1887), blz. 206. 52)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 2080 (Rekening van Reinout van Brakel, 1410 januari 1 - 1413 juni 10). Zie ook mr.S.J.Fockema Andreae, Studiën over waterschapsgeschiedenis. III. De Grote of Zuid-Hollandse Waard, bijlage II, Frans van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, Vierde Deel, Leiden 1756, blz. 101, 149 en 996, en dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland, blz. 442. 53)Dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland, blz. 442. Zie ook Matthaeus Brouërius van Nidek, Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Outheden, Eerste Deel, blz. 27. 54)Drs.J.A.M.Y.Bos-Rops, Willem Eggert ca. 1360-1417. Een Amsterdams koopman in grafelijke dienst, Dordrecht 1982, blz. 57 en 58. 55)Dr.J.C.Kort, Leenkamers van de Heren van Egmond. De Leenkamer van de hofstede te Purmerend, 1414-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 35 (1980), blz. 402. 56)P.H. van de Wall, Handvesten, privilegien, vrijheden, voorregten, octrooijen en costumen, enz. der stad Dordrecht, Dordrecht 1770-1783, blz. 408, en jhr.mr.Th.H.F. van Riemsdijk, De rechtspraak van den graaf van Holland, Deel II, Utrecht 1934, nr. 200, zie ook Deel III, nr. 67, en jhr.J.P.Six van Hillegom, Rekeninge van heer Philips van Dorp, tresorier generaal van de graaflijkheid van Holland, Zeeland, etc., onder Willem van Beyeren, de VIe van dien naam, anno 1409, 1410. In: Kronijk van het Historisch Genootschap gevestigd te Utrecht, achtste jaargang (1852), tweede serie, Utrecht 1852, blz. 453 en 454. 57)Jhr.J.P.Six van Hillegom, Rekeninge van de heer Philips van Dorp, tresorier generaal van de graaflijkheid van Holland, Zeeland, etc., blz. 480. 58)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 2080, folio 6 recto. Zie ook Bronnen voor de geschiedenis der dagvaarten van de Staten en steden van Holland voor 1544, deel I: 1276-1433, tweede stuk: Teksten, nr. 771, blz. 454. 59)Mr.S.J.Fockema Andreae, Studiën over waterschapsgeschiedenis. III. De Grote of Zuidhollandse Waard, blz. 16. 60)C.J.P.Lips, Wandelingen door Oud-Dordrecht, Zaltbommel 1974, blz. 400. 61)Het Utrechts Archief, Archief Heerlijkheid Montfoort 1282-1649, nr. 370 en 397, Frans van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, Vierde Deel, blz. 452, dr.J.C.Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in de Grote Zuidhollandse Waard, (1276-1650), Ons Voorgeslacht, jaargang 51 (1996), nr. 60, dr.J.C.Kort, Leenkamers van de Heren van Egmond. De Leenkamer van de hofstede te Purmerend, 1414-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 35 (1980), blz. 402, Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, 1377-1423, nr. 1A, folio 210 verso, dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Altena, 1232-1650. I. Lenen buiten het Land van Altena, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 182, en dr.J.C.Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 39 (1984), blz. 252. Zie ook dr.K.N.Korteweg, Rechtsbronnen van Woudrichem en het Land van Altena, blz. 70, en Arnoldus Buchelius, Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa, folio 335 recto. 62)T.S.Jansma, Raad en Rekenkamer in Holland en Zeeland tijdens hertog Philips van Bourgondië, Utrecht 1932, blz. 44. Zie ook drs.J.A.M.Y.Bos-Rops, Willem Eggert ca. 1360-1417, blz. 63, dr.J.C.Kort, Leenkamers van de Heren van Egmond. De


135

Leenkamer van de hofstede te Purmerend, 1414-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 35 (1980), blz. 402, en dr.J.C.Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in de Grote Zuidhollandse Waard, (1276-1650), Ons Voorgeslacht, jaargang 51 (1996), nr. 136. 63)P.N. van Doorninck en dr.J.S. van Veen, Acten betreffende Gelre en Zutphen, 1107-1415. Naar de drie handschriften: A dat alste register en I oldste register te Arnhem, zoomede B no. 22 te Dusseldorp, blz. 70. 64)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 448 en 449, en Zeeuws Archief, Rekenkamer van Zeeland, Rekeningen Henegouws-Beierse Tijdvak (1319-1432), nr. 77, 79, 120 t/m 123, 153 en 155. Zie ook P.H. van de Wall, Handvesten, privilegien, vrijheden, voorregten, octrooijen en costumen enz. der stad Dordrecht, blz. 434, dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland, blz. 91, T.S.Jansma, Raad en Rekenkamer in Holland en Zeeland tijdens hertog Philips van Bourgondië, blz. 43 t/m 45, en J.L. van Dalen, Regestenlijst, nr. 336. 65)Drs.J.A.M.Y.Bos-Rops, Willem Eggert ca. 1360-1417, blz. 56. 66)Dr.Bram van den Hoven van Genderen, De Heren van de Kerk, blz. 716 en 719. Zie ook dr.P.Scheltema, Amstel’s oudheid of gedenkwaardigheden van Amsterdam, Derde deel, Amsterdam 1859, blz. 87. Dr.P.Scheltema vermeldt een akte waarin Reinoud van Brakel, knape, borg wordt genoemd voor proost Willem Eggert. 67)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 447 t/m 449, en Zeeuws Archief, Rekenkamer van Zeeland, Rekeningen Henegouws-Beierse Tijdvak, nr. 121 en 123. Zie ook P.H. van de Wall, Handvesten, privilegien, vrijheden, voorregten, octrooijen en costumen enz. der stad Dordrecht, blz. 434, dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland, blz. 91, Matthaeus Brouërius van Nidek, Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Outheden, Eerste Deel, blz. 108 t/m 110, en J.L. van Dalen, Regestenlijst, nr. 336. 68)Het Utrechts Archief, Archief Heerlijkheid Montfoort 1282-1649, nr. 370, en Arnoldus Buchelius, Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa, folio 350 verso. Zie ook SA Dordrecht, Stadsarchief, 1200-1572, Thesauriersrekeningen, 1429-1490, inventarisnr. 433, folio 30 recto. 69)De Navorscher, jaargang 37 (1887), blz. 206. 70)Het Utrechts Archief, Archief Heerlijkheid Montfoort 1282-1649, nr. 370, en dr.P. Scheltema, Amstel’s oudheid of gedenkwaardigheden van Amsterdam, Derde deel, blz. 97. Zie ook Gemeentearchief Rotterdam, Huis ten Donck te Ridderkerk, regestenlijst 1252-1572, nr. 89. 71)Dr.J.C.Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650. VII. De lenen van de hofstede Schoonhoven, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 518, en Simon van Leeuwen, Batavia Illustrata, blz. 884. Voor de volledige titel zie de lijst van bronnen en literatuur. 72)SA Dordrecht, Stadsarchief, 1200-1572, Aktenboeken, 1403-1532, inventarisnr. 15, akte nr. 424. 73)SA Dordrecht, Stadsarchief, 1200-1572, Aktenboeken, 1403-1532, inventarisnr. 15, akte nr. 219. 74)Jhr.W.A.Gevers Deynoot, Genealogie Van den Woude, de heren van Warmond, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXXXI (1964), blz. 84 t/m 86 en 100 t/m 102. Zie ook Regionaal Archief Leiden, Inventaris van het huisarchief van de heeren van Warmond, 1347-1900 (1911), Titels van aankomst en vererving van de heerlijkheid, en stukken betreffende dit leen, nr. 8 (huwelijkscontract tussen Jacob van den Woude en Reintgen van Brakel, 1417), dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Teilingen 1258-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 695, en dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Voorne in Noord-Holland, Kennemerland, Waterland en Zeeland 1230-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 32 (1977), blz. 417. 75)Regionaal Archief Leiden, Inventaris van het Sint Catharinagasthuis, nr. 456, register van eigendomsbewijzen (eerste helft 16e eeuw), naar de plaatsen geordend, met latere bijvoegingen (16 e en 17e eeuw), 1500-1700, bijlage III, nr. 866 (20-7-1490) en St.Catharina Gasthuis te Leiden, inventarisnr. 456, Cartularium B, Register van eigendomsbewijzen 1e helft 14e eeuw met latere bijvoegingen (16e en 17e eeuw). Bewerking door Anthonius van der Tuijn te Rhoon. Zie ook Mario Damen, De staat van dienst. De gewestelijke ambtenaren van Holland en Zeeland in de Bourgondische periode (1425-1482), Hilversum 2000, blz. 451, en Het Utrechts Archief, Familie des Tombe, nr. 275. 76)SA Dordrecht, Stadsarchief, 1200-1572, Thesauriersrekeningen, 1429-1490, inventarisnr. 433, folio 30 recto, en Het Utrechts Archief, Familie des Tombe, nr. 275. 77)Dr.D. van Tol, De Orde van de Hollandsche Tuin. De oudste ridderorde van Holland (1387-1418), De Nederlandsche Leeuw, jaargang CXIV (1997), blz. 8, 9, 12, 30, 31 en 33. 78)A.J. van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden, bevattende levensbeschrijvingen van zoodanige personen, die zich op eenigerlei wijze in ons vaderland hebben vermaard gemaakt, Haarlem 1852, eerste deel, blz. 357. 79)Drs.J.Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 2, blz. 431. 80)Het Utrechts Archief, R.K.Kartuizerklooster Nieuwlicht bij Utrecht 1346-1811, nr. 1, Oude of Eerste Cartularium, folio 51 recto. 81)Dr.J. van Herwaarden e.a., Geschiedenis van Dordrecht tot 1572, blz. 232. 82)Drs.J.Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 3, blz. 215. 83)Dr.J.C.Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 39 (1984), blz. 252. 84)J.C.Overvoorde, Het Cisterciënserklooster Mariënhaven te Warmond, Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem, C.J.Gonnet e.a. (red.), deel 33, Leiden 1911, blz. 46. Zie ook blz. 14. 85)Dr.H.Bruch, Johannes de Beke, Croniken van den Stichte van Utrecht ende van Hollant, blz. 353. Zie ook dr.Antheun Janse e.a., Johan Huyssen van Kattendijke-kroniek, blz. 497, De Tielse kroniek, Boek VI, par. 786, en Jan Wagenaar, Vaderlandsche Historie, Derde Deel, blz. 453 t/m 455. 86)J. de Rek, Van Hunebed tot Hanzestad, blz. 428. 87)Drs.J.Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 2, blz. 451, en dr.H. Bruch, Johannes de Beke, Croniken van den Stichte van Utrecht ende van Hollant, blz. 353. Zie ook Reinier van Mourik, De oirsprong van Zuidhollandt (voor de volledige titel zie lijst van bronnen en literatuur), Rotterdam 1775, blz. 41 t/m 45. In Abraham Kemps Leven der Doorluchtige Heeren van Arkel (blz. 217 t/m 224) worden alle ‘verdronkken dorpen’ vermeld. 88)Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 770. Voor een beschrijving van de Sint Elisabethsvloed zie behalve Buisman en Gottschalk ook C.J.P.Lips, Wandelingen door Oud-Dordrecht, blz. 395 t/m 402.


136

89)Dr.M.K.E.Gottschalk, De Sint Elisabethsvloed. De legendarische stormramp van 1421, Spiegel Historiael, jaargang 6 (1971), nr. 12, blz. 668 t/m 675. Zie ook C.R.Hermans, Analytische opgave der gedrukte charters, blz. 190 en 191, en P.H. van de Wall, Verhandelingen over de handvesten en voorrechtsbrieven der stad Dordrecht, Dordrecht 1768, blz. 131. Over de steun van de Hollandse steden aan Dordrecht zie Van de Wall, blz. 132. 90)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in de Grote Zuidhollandse Waard (1276-1650), Ons Voorgeslacht, jaargang 51 (1996), nr. 40. Zie ook dr.J.C.Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in de Alblasserwaard, 1280-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 52 (1997), blz. 25. 91)SA Dordrecht, Stadsarchief, 1200-1572, Klepboeken, 1383-1510, inventarisnr. 4, akte nr. 13, folio 4 verso, nr. 19, folio 5 recto en nr. 81, folio 20 recto, Frans van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, Vierde Deel, blz. 46, en mr.J.A.Fruin, De oudste rechten der stad Dordrecht en van het baljuwschap van Zuidholland, Tweede Deel, Werken der Vereeniging tot uitgave der bronnen van het oude vaderlandsche recht, ’s-Gravenhage 1882, nr. 131. Zie ook Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 281 en 282, Johan van Beverwyck, ’T begin van Hollant in Dordrecht, blz. 194 en 195, en dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Meeuwen, 1366-1650, Genealogisch Tijdschrift voor midden- en west-Noord-Brabant en de Bommelerwaard, jaargang 22 (1998), blz. 19. 92)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, nr. 80, bijlage bij inventarisnr. 56, W. van Gouthoeven, D’oude chronijcke ende historien van Holland (met West-Vriesland) van Zeeland ende van Utrecht, eerste deel, blz. 77, Johan van Beverwyck, ’T begin van Hollant in Dordrecht, blz. 175, en Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 236. 93)Het Utrechts Archief, Archief R.K.Kapittel van Sint Jan te Utrecht 1085-1811 (1830), nr. 317. 94)Brabants Historisch Informatie Centrum, Archief van de kloosters Mariënkroon en Mariëndonk in en bij Heusden 12451631, nr. 120 en regest nr. 366. Zie ook H. van Bavel, Inventaris van het archief van de Heusdense Cisterciënzerkloosters Mariënkroon en Mariëndonk, nr. 366. 95)Jhr.mr.Th.H.F. van Riemsdijk, De rechtspraak van den graaf van Holland, Deel I, Utrecht 1932, nr. 124. 96)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, register nr. 400, folio 66 verso. Zie ook dr.J.C.Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650. VII. De lenen van de hofstede Schoonhoven, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 494. 97)Dr.J.C.Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650. VII. De lenen van de hofstede Schoonhoven, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 495. 98)Ibidem. Zie ook C.Hoek, De oudste heren van Rhoon. Een bijdrage tot de geschiedenis van enkele geslachten, gegoed in de verdronken Riederwaard, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXXXVI (1969), blz. 245, en dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Altena 1232-1650, Genealogisch Tijdschrift voor midden- en west-Noord-Brabant en de Bommelerwaard, jaargang 21 (1997), blz. 99. 99)W. van Gouthoeven, D’oude chronijcke ende historien van Holland (met West-Vriesland) van Zeeland ende van Utrecht, eerste deel, blz. 556, en mr.J.A.Fruin, De oudste rechten der stad Dordrecht en van het baljuwschap van Zuidholland, Tweede Deel, nr. 131. 100)Nationaal Archief, Hof van Holland, Memorialen (1428-1811), nr. 20 (Zesde memoriaal J.Bossaert 1457 mei 31-1463 juli 1), folio 274 recto, en Ridderlijke Duitsche Orde-Balije van Utrecht, inventarisnr. OA.2129.0. Zie ook Ph.J.C.G. van Hinsbergen, Inventaris van het archief van de Ridderlijke Duitsche Orde Balije van Utrecht: 1200-1811, nr. 2129. 101)Dr.J.C.Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650. VII. De lenen van de hofstede Schoonhoven, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 494, L.F. van Gent, Register op de leenactenboeken van in Holland gelegen leenkamers betreffende leengoederen, gelegen in Gelderland, blz. 42 (nr. 82). en dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Arkel in de Alblasserwaard, 1317-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 68. Zie ook dr.A.W.E.Dek, Bijdrage tot de genealogie van het geslacht Van Arkel, blz. 378. 102)Ph.J.C.G. van Hinsbergen, Inventaris van het archief van de Ridderlijke Duitsche Orde Balije van Utrecht, nr. 2129. 103)Het Utrechts Archief, Verzameling Van Atteveld, nr. 61. 104)Utrechtsche Jaarboeken van de vyftiende eeuw, vervattende het merkwaardige in het Gesticht, en voornamentlyk in de stadt Utrecht, T’zamen gestelt door mr.Kaspar Burman, Tweede Deel, Zedert den jare 1441 en vervolgens voorgevallen, Utrecht 1751, blz. 389 en 481, en Derde Deel, Zedert den jare 1470 en vervolgens voorgevallen, Utrecht 1754, blz. 211, 430 en 431. 105)C.Hoek, Repertorium op de grafelijke lenen in Albrandswaard en Riederwaard (1199-1648), Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 248. 106)Het Utrechts Archief, Verzameling losse aanwinsten, nr. 1532, en Gelders Archief, Archief Huis Ter Horst 1340-1849, nr. 814. 107)Dr.J.C.Kort, De grafelijke lenen in Zwijndrecht, 1282-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 73. 108)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, nr. 283, 284, 285, 352, bijlage bij inventarisnr. 279, 358, bijlage bij inventarisnr. 279, 370, bijlage bij inventarisnr. 283, 375, bijlage bij inventarisnr. 283, 376, bijlage bij inventarisnr. 283 en 385, bijlage bij inventarisnr. 285, en register nr. 400, folio 76 verso. Zie ook jhr.mr.Th.H.F. van Riemsdijk, De rechtspraak van den graaf van Holland, Deel II, nr. 200, O. van den Arend, Zeven lokale baljuwschappen in Holland, blz. 162 en 470, en Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 235 en 763. 109)Dr.J.C.Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 39 (1984), blz. 257. 110)C.J. de Lange van Wijngaerden, Geschiedenis der Heeren en beschrijving der stad van der Goude, eerste deel, blz. 209. 111)Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, register nr. 400, folio 58 verso. Zie ook dr.J.C.Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650. VII. De lenen van de hofstede Schoonhoven, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 518, en dr.J.C.Kort, De grafelijke lenen in Zwijndrecht, 1282-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 72 en 73. 112)Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 758. 113)Mr.J.A.Fruin, De oudste rechten der stad Dordrecht en van het baljuwschap van Zuidholland, Tweede Deel, nr. 41. 114)Mr.J.A.Fruin, De oudste rechten der stad Dordrecht en van het baljuwschap van Zuidholland, Tweede Deel, nr. 41, dr. J.C.Kort, De grafelijke lenen in Zwijndrecht, 1282-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 73, dr.J.C.Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650. VII. De lenen van de hofstede Schoonhoven, Ons Voorgeslacht, jaargang 40


137

(1985), blz. 518, dr.J.C.Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in de Alblasserwaard, 1280-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 52 (1997), blz. 45 en 49, D.W.Nibbelink, Handvesten en oorkonden betrekkelijk de regtsgeschiedenis van den Zwijndrechtschen Waard, blz. 84, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 6. 115)Mr.J.A. Fruin, De oudste rechten der stad Dordrecht en van het baljuwschap van Zuid-Holland, Tweede Deel, nr. 41. 116)Frans van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, Vierde Deel, blz. 99, Corien Glaudemans, Om die wrake wille, blz. 196, 197, 346 en 363, L.M.VerLoren van Themaat e.a., Oude Dordtse Lijfrenten. Stedelijke financiering in de vijftiende eeuw, Amsterdam 1983, blz. 96, bijlage nr. 11, dr.J. van Herwaarden e.a., Geschiedenis van Dordrecht tot 1572, blz. 147 t/m 151, Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 235, en jhr.mr.Th.H.F. van Riemsdijk, De rechtspraak van den graaf van Holland, Deel II, nr. 200. Zie ook Jacob van Oudenhovens Oudt ende Nieuw Dordrecht, Haarlem 1666, blz. 503 t/m 505. 117)SA Dordrecht, Stadsarchief, 1200-1572, Aktenboeken, 1403-1532, inventarisnr. 13, akte nr. 636, folio 44 recto. Zie ook Klepboeken, 1383-1510, inventarisnr. 4, akte nr. 269, folio 43 recto, nr. 275, folio 44 verso, nr. 304, folio 46 verso, en nr. 319, folio 47 verso, Frans van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, Vierde Deel, blz. 101, en P.H. van de Wall, Handvesten, privilegien, vrijheden, voorregten, octrooijen en costumen enz. der stad Dordrecht, blz. 407 en 434. 118)J.L. van Dalen, Geschiedenis van Dordrecht, blz. 1056. 119)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 5, en Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, nr. 80, bijlage bij inventarisnr. 56, 370, bijlage bij inventarisnr. 283 en 385, bijlage bij inventarisnr. 285. Zie ook Frans van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, Vierde Deel, blz. 303. 120)Mr.J.A.Fruin, De oudste rechten der stad Dordrecht en van het baljuwschap van Zuidholland, Tweede Deel, nr. 41. Zie ook dr.J. van Herwaarden e.a., Geschiedenis van Dordrecht tot 1572, blz. 189. 121)SA Dordrecht, Stadsarchief, 1200-1572, Aktenboeken, 1403-1532, inventarisnr. 15, akte nr. 216. 122)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de Cuykse lenen in Holland, het Sticht en Gelre, 1129-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 44 (1989), blz. 262. 123)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Altena, 1232-1650. Lenen buiten het Land van Altena, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 182, en Arnoldus Buchelius, Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa, folio 350 verso. 124)Het Utrechts Archief, Archief Heerlijkheid Montfoort 1282-1649, nr. 370 en 386. Zie ook dr.J.C.Kort, Leenkamers van de Heren van Egmond. De Leenkamer van de hofstede te Purmerend, 1414-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 35 (1980), blz. 402, en Arnoldus Buchelius, Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa, folio 344 verso, 350 verso en 354 verso. 125)Jhr.W.A.Gevers Deynoot, Genealogie Van den Woude, de heren van Warmond, blz. 91, en Het Utrechts Archief, Archief Heerlijkheid Montfoort 1282-1649, nr. 387. 126)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Altena, 1232-1650. I. Lenen buiten het Land van Altena, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 182, dr.J.C.Kort, Leenkamers van de Heren van Egmond. De Leenkamer van de hofstede te Purmerend, 1414-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 35 (1980), blz. 402, en Arnoldus Buchelius, Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa, folio 354 verso. 127)Brabants Historisch Informatie Centrum, Heerlijkheid Besoijen, 1339-1658, nr. 10. Zie ook Corien Glaudemans, Om die wrake wille, blz. 210 en 211. 128)Nationaal Archief, Hof van Holland, Memorialen (1428-1811), nr. 20, folio 79 recto, 115 verso, 127 verso, 128 recto, 135 recto, 154 verso, 175 verso en 191 verso. 129)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Altena, 1232-1650. I. Lenen buiten het Land van Altena, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 182. 130)Ibidem. 131)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 877 (Register ‘Valor feodorum’: staat van de waarde van alle leengoed in Holland en Zeeland, 1472-1474), folio 62 verso, en dr.Antheun Janse, Het leenbezit van de Hollandse ridderschap omstreeks 1474. Een analyse van het register Valor Feodorum, Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis, 1 (1998), blz. 198 t/m 201. Zie ook Mario Damen en Antheun Janse, Adel in meervoud, blz. 532 t/m 534. 132)Drs.J.Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 3, blz. 55 en 56. 133)Johan van Beverwyck, ’T begin van Hollant in Dordrecht, blz. 114 en 115, en Kwartierstaat van Maryse Barends. 134)SA Dordrecht, Stadsarchief, 1200-1572, Thesauriersrekeningen, 1429-1490, inventarisnr. 433, folio 30 recto, en Aktenboeken, 1403-1532, inventarisnr. 15, akte nr. 663, Het Utrechts Archief, Archief Heerlijkheid Montfoort 1282-1649, nr. 370 en 397, dr.J.C.Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 39 (1984), blz. 252, dr.J.C.Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in Kennemerland 1203-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 45 (1990), blz. 88, dr.J.C.Kort, Leenkamers van de Heren van Egmond. De Leenkamer van de hofstede te Purmerend, 1414-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 35 (1980), blz. 402, dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Arkel in de Alblasserwaard, 13171650, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 68, Arnoldus Buchelius, Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa, folio 335 recto en 354 verso, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 5. 135)Bronnen voor de geschiedenis der dagvaarten van de Staten en steden van Holland voor 1544, deel III: 1467-1477, bewerkt door J.G.Smit, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 242, Den Haag 1998, blz. 435. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 3. 136)Brabants Historisch Informatie Centrum, Klooster Het Hollandse Huis bij Geertruidenberg, 1266-1593, inventarisnr. 165, regest nr. 933, Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 290. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 3. 137)Het Utrechts Archief, Archief Heerlijkheid Montfoort 1282-1649, nr. 74, 76, 77, 207, 209, 217, 224 en 391, Nationaal Archief, Hof van Holland 1428-1811, Registers van sententies in civiele zaken 1447 oktober 9-1811 februari 27, nr. 461, 1447 oktober 9-1448 juni 11), folio 16 recto, Nationaal Archief, Archief der adellijke Vrouwenabdij van Rijnsburg van de Orde van Benedictus, 1133-1574, nr. 696.2. Zie ook Maria Hüffer, Bronnen voor de geschiedenis der abdij Rijnsburg, Eerste


138 Deel, 1e Stuk, Oorkonden (tot 1620), Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Kleine Serie, nr. 31, ’s-Gravenhage 1951, nr. 856, Nationaal Archief, Archief van de Familie Van Matenesse en van de heerlijkheid Matenesse, 1251-1917, nr. 222, T.S.Jansma, Raad en Rekenkamer in Holland en Zeeland tijdens hertog Philips van Bourgondië, blz. 106 en 107, dr.J.C.Kort, Leenkamers van de Heren van Egmond. De Leenkamer van de hofstede te Purmerend, 1414-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 35 (1980), blz. 402, dr.J.C.Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in Kennemergevolg, 1267-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 529, Mario Damen, De staat van dienst, blz. 69, 81, 183, 264, 265, 450 en 451, dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland, blz. 449, Tijdschrift voor geschiedenis, oudheden en statistiek van Utrecht, jaargang 3 (1837), blz. 93, Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 417, en Arnoldus Buchelius, Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa, folio 345 recto en 352 verso. 138)Het Utrechts Archief, Archief Heerlijkheid Montfoort 1282-1649, nr. 136, 137, 301, 388 t/m 393 en 397, dr.J.C.Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in Kennemerland 1203-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 45 (1990), blz. 88, dr.J.C.Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 39 (1984), blz. 252 en 253, dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Arkel in de Alblasserwaard, 1317-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 68, en dr.J.C.Kort, Leenkamers van de Heren van Egmond. De Leenkamer van de hofstede te Purmerend, 1414-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 35 (1980), blz. 402. Zie ook B.J.L. de Geer, G.W.Vreede en J. van Hall, Chronologisch register op het vervolg van het Groot-Charterboek van Van Mieris, Utrecht 1859, blz. 30, 64 en 109, en Arnoldus Buchelius, Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa, folio 335 recto. 139)Het Utrechts Archief, Archief Heerlijkheid Montfoort 1282-1649, nr. 301 (3 charters), en Waterlands Archief. Centrum voor regionaal historisch onderzoek, Stad Purmerend (1275) 1578-1813 (1824), nr. 36. Zie ook Arnoldus Buchelius, Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa, folio 344 verso. 140)A.Kluit, Historie der Hollandsche Staatsregering, tot aan het jaar 1795, Vijfde deel, Amsterdam 1805, blz. 315 en 316. 141)P.H. van de Wall, Handvesten, privilegien, vrijheden, voorregten, octrooijen en costumen enz. der stad Dordrecht, blz. 571. 142)Nationaal Archief, Hof van Holland 1428-1811, Memorialen (1428-1811), nr. 7 (Memoriaal “T Cas N” 1445 april 27 1448 juni 26), folio 4 recto. 143)Het Utrechts Archief, Archief Heerlijkheid Montfoort 1282-1649, nr. 216, 219 en 391. Zie ook mr.Th.R.Valck Lucassen, Johanna van Montfoort, dochter van Hendrik IV burggraaf van Montfoort, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XL (1922), blz. 94. 144)C.Hoek, Wapens van schepenen van Dordrecht, blz. 70. 145)A.Kluit, Historie der Hollandsche Staatsregering, blz. 353 en 354, en B.J.L. de Geer, G.W.Vreede en J. van Hall, Chronologisch register op het vervolg van het Groot-Charterboek van Van Mieris, blz. 132. 146)Nationaal Archief, Hof van Holland 1428-1811, Memorialen (1428-1811), nr. 15 (Eerste memoriaal J.Bossaert 1447 oktober 2 - 1448 juli 6), folio 63 recto, 81 recto en 90 verso, nr. 16 (Tweede memoriaal J.Bossaert 1448 mei 22 - 1449 augustus 22), folio 40 recto, 73 verso, 112 recto en 116 recto, nr. 17 (Derde memoriaal J.Bossaert 1449 augustus 23 - 1451 december 23), folio 4 recto, 15 recto, 18 recto, 20 verso, 23 verso, 36 recto, 37 recto en 49 verso, nr. 18 (Vierde memoriaal J.Bossaert 1452 januari 7 - 1454 oktober 31), folio 50 recto en 51 recto en verso, nr. 20 (Zesde memoriaal J.Bossaert 1457 mei 31 - 1463 juli 1), folio 215 verso, 227 verso, 230 verso, 249 verso, 250 recto, 253 recto, 257 recto, 272 recto, 283 recto en 288 recto, en nr. 462 (Registers van sententies in civiele zaken 1448 juli 9 - 1450 juli 28), folio 43 recto en 165 verso. 147)Dr.Petra J.E.M. van Dam, Vissen in Veenmeren. De sluisvisserij op aal tussen Haarlem en Amsterdam en de ecologische transformatie in Rijnland 1440-1530, diss., Hilversum 1998, blz. 121 en 122. 148)R.Bessem, P.A.Hendriks, B.R. de Melker, Oorkondenboek van het Karthuizerklooster St.Andries-ter-Zaliger-Haven bij Amsterdam (1352), 1392-1579, (1583), Hilversum 1997, nr. 386 (blz. 325). 149)Nationaal Archief, Hof van Holland 1428-1811, Memorialen (1428-1811), nr. 17, folio 32 verso, 124 recto, 152 verso, 186 verso, nr. 18, folio 29 recto, 30 recto en verso, 45 verso, 49 verso, 138 verso, 155 verso, 176 recto, 186 recto, 202 recto en verso, 247 recto, 248 recto, 261 verso, 262 verso, 263 recto, 264 verso, 265 verso en 267 recto. 150)Nationaal Archief, Hof van Holland 1428-1811, Memorialen (1428-1811), nr. 20, folio 235 verso en 240 recto. 151)Het Utrechts Archief, Archief Heerlijkheid Montfoort 1282-1649, nr. 76. 152)Dr.J.C.Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 39 (1984), blz. 253, dr.J.C. Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Altena, 1232-1650. I. Lenen buiten het Land van Altena, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 182. Zie ook jhr.mr.W.A.Beelaerts van Blokland, Het Dordtsche geslacht van Beveren, II, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXII (1944), blz. 72, P.H. van de Wall, Handvesten, privilegien, vrijheden, voorregten, octrooijen en costumen enz. der stad Dordrecht, blz. 803 t/m 808, dr.J.C.Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in de Grote Zuidhollandse Waard (1276-1650), Ons Voorgeslacht, jaargang 51 (1996), nr. 33, Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 955, Arnoldus Buchelius, Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa, blz. 267, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 3. 153)Het Utrechts Archief, Archief Heerlijkheid Montfoort 1282-1649, nr. 137, en dr.J.C.Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 39 (1984), blz. 253. 154)SA Dordrecht, Stadsarchief, 1200-1572, Aktenboeken, 1403-1532, inventarisnr. 15, akte nr. 662 en 663. Zie ook dr.J.C. Kort, Leenkamers van de graven van Blois 1282-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 39 (1984), blz. 253. 155)SA Dordrecht, Archief Zalmvisserij “De volharding”, alsmede de visserij van Dordtsmonde 1319-1942, nr. 5, en dr.P.C. Molhuysen en dr.Fr.K.H.Kossmann (red.), Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Leiden 1937, Tiende Deel, blz. 111, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 7. 156)P.H. van de Wall, Handvesten, privilegien, vrijheden, voorregten, octrooijen en costumen enz. der stad Dordrecht, blz. 803 t/m 808, SA Dordrecht, Archief Zalmvisserij “De volharding”, alsmede de visserij van Dordtsmonde, nr. 5. Zie ook dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Altena, 1232-1650. I. Lenen buiten het Land van Altena, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 185, jhr.mr.W.A.Beelaerts van Blokland, Het Dordtsche geslacht van Beveren, blz. 72, dr.J.C.Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in de Grote Zuidhollandse Waard (1276-1650), Ons Voorgeslacht, jaargang


139

51 (1996), nr. 33, Arnoldus Buchelius, Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa, blz. 267, Johan van Beverwyck, ’T begin van Hollant in Dordrecht, blz. 60, 110 en 114, en Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 955. 157)Mr.J.A.Fruin, De oudste rechten der stad Dordrecht en van het baljuwschap van Zuidholland, Tweede Deel, nr. 154. 158)Mr.J.A.Fruin, De oudste rechten der stad Dordrecht en van het baljuwschap van Zuidholland, Tweede Deel, nr. 182. 159)L.M.VerLoren van Themaat e.a., Oude Dordtse Lijfrenten, blz. 60. 160)C.J.P.Lips, Wandelingen door Oud-Dordrecht, blz. 482. Zie ook J.L. van Dalen, Geschiedenis van Dordrecht, blz. 766 t/m 768. 161)Matthys van Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 149, en H.F. van Heussen en H. van Rijn, Oudheden en Gestichten van het rechte Zuid-Holland en van Schieland, blz. 76. 162)Manon van der Heijden, Geldschieters van de stad. Financiële relaties tussen stad, burgers en overheden 1550-1650, Amsterdam 2006, blz. 11, 12, 25 en 119. 163)Dr.Antheun Janse, Ridderschap in Holland, blz. 439. Zie ook J.L. van Dalen, Regestenlijst behoorende bij den inventaris van het Archief der Gemeente Dordrecht. 1200-1572, nr. 181, 204 en 256, dr.H.M.Brokken, Het ontstaan van de Hoekse en Kabeljauwse twisten, blz. 568, Kwartierstatenboek 2000, blz. 213, Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 46, 1110 en 1111, en het Utrechts Archief, Arnoldus Buchelius (Arnout van Buchel), Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa, folio 221 verso. 164)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in de Grote Zuidhollandse Waard (1276-1650), Ons Voorgeslacht, jaargang 51 (1996), nr. 144. Zie ook Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 289 (Groot Register Zuidholland E.L.24 van akten van graaf Willem III, 1317-1336), folio 27 verso, nr. 140. 165)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 679 (Akte van bevestiging door Herbaren, heer van Liesveld, ridder, baljuw van Zuidholland, van de uitspraak door o.m. Staasken van Brakel, inzake de klacht van Wermbout van Wijngaarden heer Allardsz., burger van Dordrecht, voor Elisabeth, dochter van Paulus van Striene, diens vrouw, tegen Hendrik van Drongelen voor Elisabeth, dochter van Hillen van Aalst, diens vrouw, die veroordeeld worden tot 1000 gouden franse schilden). 166)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de grafelijke lenen in de Grote Zuidhollandse Waard (1276-1650), Ons Voorgeslacht, jaargang 51 (1996), blz. 240. 167)Dr.J.C.Kort, Lenen van de hofstede Cuyk in het Land van Heusden en Altena en in Zuid-Holland, 1361-1641. 1. Land van Heusden en Altena, Ons Voorgeslacht, jaargang 39 (1984), blz. 112, mr. G. van Hasselt, Geldersche oudheden, eerste deel, Arnhem 1806, blz. 188, en Kwartierstatenboek 2000, blz. 213. 168)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Heusden, 1246-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 52 (1997), blz. 411. 169)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede van Riede te Werkendam, 1354-1683, Genealogisch Tijdschrift voor midden- en west-Noord-Brabant en de Bommelerwaard, jaargang 25 (2001), blz. 85, en dr.J.C.Kort, Lenen van de hofstede Cuyk in het Land van Heusden en Altena in Zuid-Holland, 1361-1641. 1. Land van Heusden en Altena, Ons Voorgeslacht, jaargang 39 (1984), blz. 112. 170)Dr.J.A.Coldewey, De Heren van Kuyc 1096-1400, Tilburg 1981, blz. 235. Zie ook I.A.Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, Derde Deel, Willem en Reinald IV, hertogen van Gelre uit het Huis van Gulik, blz. XCII, 127 en 128 (nr. 119). 171)Mr.G. van Hasselt, Geldersche oudheden, eerste deel, blz. 188. 172)Gelders Archief, Graven en hertogen van Gelre, nr. 705, Kohier van de omslag, tevens rekening, van de proost van Zutphen heer Henric van Steynbergen als (overste) rentmeester van het land van Gelre van ontvangst van schatting in het Overkwartier en in het Kwartier van Nijmegen, en van uitgaven, 1369, folio 58 verso (Brakel), Nationaal Archief, Graven van Blois, 1304-1397, nr. 97, folio 16 verso, en C.Hoek, De inkomsten uit de grafelijke domeinen te Capelle aan den IJssel, Moordrecht en Nieuwerkerk aan den IJssel, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 145. 173)Brabants Historisch Informatie Centrum, Archief van de kloosters Mariënkroon en Mariëndonk in en bij Heusden 12451631, nr. 16 en regest nr. 55. Zie ook H. van Bavel, Inventaris van het archief van de Heusdense Cisterciënzerkloosters Mariënkroon en Mariëndonk, 1245-1631, Tweede Deel, ’s-Hertogenbosch 1972, nr. 55. 174)Brabants Historisch Informatie Centrum, Archief van de kloosters Mariënkroon en Mariëndonk in en bij Heusden 12451631, nr. 2, 4, 6, 7, 16 en 120, en regest nr. 51 t/m 55, 70 en 135. Zie ook H. van Bavel, Inventaris van het archief van de Heusdense Cisterciënzerkloosters Mariënkroon en Mariëndonk, ’s-Hertogenbosch 1972, Tweede Deel, nr. 51 t/m 55, 70 en 135. 175)Dr.J.W.Berkelbach van der Sprenkel, Regesten van oorkonden betreffende de bisschoppen van Utrecht uit de jaren 13011340, nr. 1113. 176)Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, VII.Boek, blz. 143. 177)Brabants Historisch Informatie Centrum, Archief van de kloosters Mariënkroon en Mariëndonk in en bij Heusden 12451631, nr. 169C en regest nr. 35. Zie ook H. van Bavel, Inventaris van het archief van de Heusdense Cisterciënzerkloosters Mariënkroon en Mariëndonk, Tweede Deel, nr. 35, en Brabants Historisch Informatie Centrum, Zegels. Kloosters Mariënkroon en Mariëndonk in en bij Heusden 1245-1631, nr. 169C. 178)Brabants Historisch Informatie Centrum, Archief van de kloosters Mariënkroon en Mariëndonk in en bij Heusden 12451631, nr. 5 en regest nr. 34. Zie ook H. van Bavel, Inventaris van het archief van de Heusdense Cisterciënzerkloosters Mariënkroon en Mariëndonk, Tweede Deel, nr. 34, en Brabants Historisch Informatie Centrum, Zegels. Kloosters Mariënkroon en Mariëndonk in en bij Heusden 1245-1631, nr. 169C. 179)C.Hoek, De oudste heren van Rhoon, blz. 244. 180)C.Hoek, De oudste heren van Rhoon, blz. 245. 181)Koninklijke Bibliotheek, Claes Heynenszoon, Wapenboek Beyeren, Den Haag ca. 1405, folio 15 verso en 57 recto.


140

182)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Altena, 1232-1650. I. Lenen buiten het land van Altena, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 184. 183)Wapenboek Beyeren, folio 16 verso. 184)Mr.S.J.Fockema Andreae, Studiën over waterschapsgeschiedenis. De Grote of Zuidhollandse Waard, Bijlage II. 185)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Altena, 1232-1650. I. Lenen buiten het Land van Altena, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 184, en Het Utrechts Archief, Kapittel van Oudmunster, nr. 1762-2. 186)Gelders Archief, Archief Graven en Hertogen van Gelre, nr. 705, Kohier van de omslag, tevens rekening, van de proost van Zutphen heer Henric van Steynbergen als (overste) rentmeester van het land van Gelre van ontvangst van schatting in het Overkwartier en in het Kwartier van Nijmegen, en van uitgaven, 1369, folio 58 verso. 187)Het Utrechts Archief, Archief Heerlijkheid Montfoort 1282-1649, nr. 370, dr.J.A.Coldewey, De Heren van Kuyc, blz. 202, en C.Hoek, Repertorium op de grafelijke lenen in Albrandswaard en Riederwaard (1199-1648), Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 232. Zie ook dr.K.N.Korteweg, Rechtsbronnen van Woudrichem en het Land van Altena, nr. 156 en 194, dr.J.C.Kort, Leenkamers van de Heren van Egmond; de Leenkamer van de hofstede te Purmerend, 1414-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 35 (1980), blz. 402. In de Inscriptiones van Arnout van Buchel (folio 359 recto) wordt Herbaren ‘Heer Hubrecht van Braeckel, ridder’ genoemd. 188)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Altena, 1232-1650. I. Lenen buiten het Land van Altena, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 209. 189)Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 623 (register van stukken inzake de vete van Arkel, 1402), folio 40 recto en verso. Zie ook dr.M.J.Waale, De Arkelse oorlog, blz. 243, en dr.Antheun Janse e.a., Johan Huyssen van Kattendijke-kroniek, blz. 413. 190)Bronnen voor de geschiedenis der dagvaarten van de Staten en steden van Holland voor 1544, deel I: 1276-1433, tweede stuk: Teksten, bewerkt door W.Prevenier en J.G.Smit, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 202, ’s-Gravenhage 1987, nr. 903, blz. 541 en 542. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 5, Frans van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, Vierde Deel, blz. 526, Abraham Kemps Leven der Doorluchtige Heeren van Arkel, blz. 213, en H.J.H.Bossink, Inventaris van het Oud-Archief der Stad Woudrichem en van de daarbij gedeponeerde archieven, blz. 7. 191)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 4, en dr.Antheun Janse, Grenzen aan de macht. De Friese oorlog van de graven van Holland omstreeks 1400, blz. 400. 192)Frans van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, Derde Deel, blz. 673, Ronald de Graaf, Oorlog om Holland 1000-1375, hoofdstuk VIII, Jan Wagenaar, Vaderlandsche Historie, Derde Deel, blz. 329 t/m 343, dr.Antheun Janse, Grenzen aan de macht. De Friese oorlog van de graven van Holland omstreeks 1400, hoofdstuk IV. Zie ook dr.H.P.H.Jansen, Holland, Zeeland en het Sticht 1100-1433. In: Algemene Geschiedenis der Nederlanden, Bussum 1982, deel 2, blz. 309, 317 en 318, W. van Gouthoeven, D’oude chronijcke ende historien van Holland (met West-Vriesland) van Zeeland ende van Utrecht, eerste deel, blz. 380 en 428, en Bert Koene, Voor God, Graaf en Geslacht. De kroniek van de ridders van Assendelft, blz. 44 t/m 48. 193)Wapenboek Beyeren, folio 36 recto en 57 recto, Frans van Mieris, Groot Charterboek der Graaven van Holland, Derde Deel, blz. 673, en dr.Antheun Janse, Grenzen aan de macht. De Friese oorlog van de graven van Holland omstreeks 1400, blz. 388 en 399 t/m 401. Zie voor Jacob van Rijsoord (op 5 mei 1400 ‘met vier gewapenden’ opgeroepen tegen de Friezen te strijden) ook Nationaal Archief, Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650), nr. 371 (Register van stukken inzake de tocht tegen de Friezen, 1400-1401), folio 1 verso en 2 recto. 194)M.J.Wolters, Notice historique sur l’ancien comté de Hornes et sur les anciennes seigneuries de Weert, Wessem, Ghoor et Kessenich, Gent 1850, blz. 37. 195)C.Hoek, Repertorium op de grafelijke lenen in Albrandswaard en Riederwaard (1199-1648) Ons Voorgeslacht, jaargang 42 (1987), blz. 232. 196)C.Hoek, De oudste heren van Rhoon, blz. 241, 242 en 245. Zie ook Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 1157.


141

HOOFDSTUK VIII HEREN IN HET STICHT (ca. 1475 - ca. 1675). DE UTRECHTSE TAK VAN HET GESLACHT VAN BRAKELL

§ 1 Inleiding

Met de Heren in het Sticht, d.w.z. in de huidige provincie Utrecht, bedoel ik de nakomelingen van Staas van Brakell en diens onbekende echtgenote (par. 2) en van Jasper van Brakell en Beatrix de Voocht van Rijnevelt (par. 3). In tegenstelling tot de Heren in de Betuwe hebben deze Van Brakell’s nooit een adellijke titel gevoerd. Zij zijn in de zeventiende eeuw in de mannelijke lijn uitgestorven en juist in die eeuw gingen vele eigenaren van ambachtsheerlijkheden, al dan niet van adel, zich tooien met de titel van baron. ‘De aanvankelijk merendeels niet getituleerde edelen lieten in de loop van de zestiende eeuw hun doop- en familienaam door het predikaat jonkheer of jonker voorafgaan. Niet-adellijke ambachtsheren deden dit in de zeventiende eeuw eveneens. Hier is het echter niet bij gebleven. Het voorbeeld van sommige edelen die in het buitenland bij diploma de titel van baron verwierven, verwekte jaloezie. Jaloezie ontstond ook door de standsverhogingen die in de aan de Republiek grenzende gebieden aan geslachten toevielen, waarvan de adeldom niet ouder was dan die van de eigen families. Dit bracht Gelderse en Overijsselse riddermatigen vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw er toe om de een na de ander de titel van baron aan te nemen, zonder dat zij daadwerkelijk een baronie bezaten. (…) Deze aanmatiging werd besmettelijk. Alle personen die ook maar enig recht tot de adel meenden te hebben, zouden op den duur zonder blozen de titel van baron aannemen. Dergelijke usurpaties deden het respect voor titels geen goed. Er bestond in de Verenigde Nederlanden echter geen heraldisch college dat corrigerend had kunnen optreden.’ (1) Het merendeel van de regenten, de machthebbers in ons land, voelde er weinig voor om ambachtsheerlijkheden te kopen en daardoor een adellijke titel te bemachtigen. ‘Zij golden als een fonds perdu, als wisje, wasje goederen. Wanneer werd gevraagd of eer geen geld waard was, werd er geantwoord dat men het aan de adel overliet om een holle buik met wind te vullen.’ (2) Ook het gros van de bevolking had geen hoge dunk van de adel. ‘Burgers spraken in Holland wel eens van kale adel, die zo dun als water scheet. Men beweerde ook dat als d’adelijke van binne so wel als buyte edel waere soude haer drollen wel patrijssen wese wanneer sij nog goet waere voor een polierders winkel maer nu alleen deuge om nagtwerkers t’sijn.’ (3)

§ 2 Heren in het Sticht I

I. Staas (I). Zoon van Willem van Brakell en N.N. Huwde 1)N.N. 2)Hendrica van Luttikhuizen. Uit het eerste huwelijk: 1)Willem. Zie II.1. II.1. Willem. Huwde 1)N.N. 2)Maria van Nispen. Uit het eerste huwelijk: 1)Staas (II). Zie III.1. 2)Elisabeth. Huwde Reynalt van Bourmania. 3)Abraham. Uit het tweede huwelijk: 1)Johan.


142

2)Wilhelmina. Huwde Jan de Wael van Moersbergen. III.1. Staas (II). Huwde 1)Catharina Schoof(s) 2)Margaretha de Wael van Vronesteyn. Uit het tweede huwelijk: 1)Elisabeth. Huwde Willem van der Noot. 2)Johanna. 3)Willem. Huwde Adriana van Nijenrode. 4)Joriaan. 5)Dimna. Huwde 1)Georgius van B(o)urmania 2)Andries van Wassenaer. 6)Geertruid. Huwde Philips van Assendelft. 7)Abraham. 8)Jacob. 9)Catharina. Staas (I) van Brakell was een zoon van Willem van Brakell en een onbekende echtgenote. (4) Zie hoofdstuk III, par. 3 (blz. 52). Op 20 december 1467 ontving hij van de Heer van Vianen ‘een stenen huis met huizing en hofstede genaamd Killestein’ en een halve hoeve in Lexmond in leen. (5) Hij overleed tussen 10 mei 1506 en 28 juni 1507 (6) en huwde een onbekende dame. Staas sloot een tweede huwelijk met ‘joncfrou’ Hendrica (Braems) van Luttikhuizen, dochter van Abraham Braems (van Luttikhuizen). (7) Hendrica overleed voor 29 juni 1529. (8) Uit het eerste huwelijk van Staas is één kind bekend: 1)Willem. Zie hieronder. N.B. In het archief van het Huis Oudwulven wordt Hendrica van Luttikhuizen de ‘moye (= stiefmoeder)’ van Willem genoemd. Moye kan ook tante, d.w.z. een zuster van de moeder, betekenen. Op 10 februari 1494 staat Willem vermeld als de zoon van ‘de jonkvrouw van Luttikhuizen’ en tien dagen later als de zoon van Staas (I). (9) Killestein lag bij Lexmond (ZH) aan de Lek in het Land van Vianen en wordt voor het eerst vermeld in 1386. In dat jaar gaf Gijsbert Heer van Vianen dit kasteel in erfleen aan Zweder van Voorn. De eerste bewoners waren edelen waaronder Staas (II) van Brakell, burgemeester van Utrecht, Quintijn van der Nooth, dijkgraaf van het land van Vianen, en Amelis van Bouckhorst, Heer van Wimmenum. In het midden van de zeventiende eeuw werd Killestein bewoond door Govert de Bruijn, koopman van de VOC en eigenaar van een suikerrietplantage in Suriname, Killestein-Nova. Tussen 1810 en 1825 werd het zwaar in verval geraakte gebouw afgebroken. Wat overbleef was een verhoging in het landschap en rondom gelegen watergangen. (10) Willem van Brakell was een zoon van Staas (I) van Brakell en een onbekende echtgenote. (11) Hij was Heer van Oud-Wulven met ‘drie hoeven lants’, Weede (bij Houten) en Heemstede en lid van de ridderschap Utrecht. (12) In 1516 kreeg Willem het aan de stok met zijn leenheer. Deze gaf hem op 20 april van dat jaar opdracht ‘een kamer en hofstede, genaamd Killestein’, die hij zonder toestemming had afgebroken, ‘binnen zes jaar steendik te herbouwen op verbeurte van 6 morgen land (halve hoeve) in Lexmond’. (13) Hij overleed in of voor 1532 (14) en huwde een onbekende dame en daarna op 29 januari 1529 Maria van Nispen, dochter van Goverd van Nispen en Elisabeth van Kroonenburg. (15) Van Willem en zijn beide echtgenotes zijn vijf kinderen bekend: Uit het eerste huwelijk: 1)Staas (II). Zie blz. 143. 2)Elisabeth. Zij overleed na 14 juni 1581 en huwde Reynalt van Bourmania, ridder, doctor in de rech-


143

ten, drost van Drenthe en kastelein van Coevorden (1539-1557), tegen wiens benoeming bezwaar werd aangetekend, omdat hij ‘geen landzaat zynde’. Hij werd geboren in Leeuwarden als zoon van Tjaert van Burmania en Tjets Keympesdr. van Unia. Reynalt sneuvelde in 1558 tijdens het beleg van Saint Quentin. (16) 3)Abraham. Op 28 september 1529 wordt zij als erfgenaam vermeld in het testament van Willem van Brakell en Maria van Nispen. (17) Uit het tweede huwelijk: 1)Johan. Op 24 oktober 1531 droegen zijn ouders ‘een halve hoeve’ in Lexmond aan hem over, die hij op 16 oktober 1545 aan zijn broer Staas overdroeg, ‘omdat hij niets anders had om zijn schulden mee te betalen’. (18) 2)Wilhelmina. Zij overleed in Utrecht in 1593 of 1594 en huwde eerst Jan de Wael van Moersbergen, Heer van Cattenbroek (bij Montfoort), schepen en burgemeester van Utrecht, overleden op 15 maart 1544, en daarna Dirk van Hattum. (19) Kasteel Moersbergen ligt in de gemeente Doorn en wordt voor het eerst in 1435 vermeld. In 1457 kwam het slot in handen van Bertolmeus van Waell, die op 28 oktober 1492 ‘Moerberch met husinge, boemgaert, gheboemt dat daer op staet ende met allen sijnen toebehoeren alsoe alst gelegen is in den kerspell van Doern’ opdroeg aan domproost Symon van der Sluys ten behoeve van diens zoon Dirk, onder beding dat ‘het goed nimmermeer uit zijn geslacht vervreemd of eenigszins bezwaard zoude mogen worden, zolang als er iemand uit zijn lijf gesprooten in weze zoude zijn’. De Van Wael’s (van Moersbergen) behoorden tot een aanzienlijk Utrechts geslacht en leverden meermalen burgemeesters van Utrecht. (20) Moersbergen was een van de 63 erkende Utrechtse ridderhofsteden waarvan de eigenaar, mits van adel, gereformeerd, tenminste 24 jaar oud en een bezit aan onroerend goed van minimaal 25000 gulden, toegelaten kón worden (het was dus geen automatisme) tot de ridderschap Utrecht en qualitate qua tot de Staten van Utrecht, bij wie de souvereiniteit in het gewest berustte. Bovendien moest de ridderhofstad de uiterlijke kenmerken van een ridderwoning hebben. Er diende een versterkt huis aanwezig te zijn, voorzien van gracht en ophaalbrug (‘veste’), en een boerderij (‘bauhuys’). ‘Deze ridderhofsteden bezitten het recht van vrye jagt, over den grond, ter afstand van 200 roeden, rondom dezelve, waarvan de scheiding door wit geverwde paalen word aangewezen’. De ridderhofsteden hadden een eigen wapen afkomstig van een vroegere bezitter, in veel gevallen families die in het middeleeuwse Utrecht een vooraanstaande rol hadden gespeeld. Men dient een onderscheid te maken tussen het begrip ridderhofstad en de ambachts- of dagelijkse heerlijkheid. Een ambachtsheer bezat in een bepaald gebied de jurisdictie over burgerlijke zaken en kleine vergrijpen. De uitoefening hiervan liet hij over aan schout en schepenen. De opbrengst in de vorm van boetes was gedeeltelijk voor hem bestemd. Men kon heer van een ridderhofstad en/of ambachtsheer zijn. Uitermate verwarrend was het bestaan van ridderhofsteden en ambachtsheerlijkheden met dezelfde naam en een verschillende eigenaar. (21) Staas (II) van Brakell was een zoon van Willem van Brakell en een onbekende moeder. (22) Hij was Heer van Oud-Wulven, Weede en Heemstede, (23) van 1557 tot 1559 schout en burgemeester van Utrecht (24) en van 1561 tot 1564 burgemeester, schepen en raad van Utrecht. (25) Staas werd geboren omstreeks 1510 en overleed in Utrecht kort voor 1 maart 1569. (26) Op 6 juli 1535 werd hij beleend met een waard in Lexmond en op 3 september van hetzelfde jaar met ‘het stenen huis met huizing en hofstede, genaamd Killestein’. (27) Hij huwde in 1536 Catharina Schoof(s), dochter van Wouter Schoof(s) en Maria van Vlerdinck. Catharina overleed in of voor 1540. (28) Daarna trad hij in 1540 in het huwelijk met Margaretha de Wael van Vronesteyn, (29) dochter van Lubbert de Wael van Vronesteyn, schout van Leusden, en Maria (of Margriet) van Raephorst. Margaretha overleed op 18 januari 1604. (30)


144

Kasteel Vronesteyn lag in de huidige gemeente Nieuwegein en werd in 1538 door de Staten van Utrecht erkend als ridderhofstad. De eerste vermelding van een ‘steenhuys’ en zes morgen land dateert van 1329. In 1412 kwam Vronesteyn door koop in handen van de Utrechtse familie De Wael. Leden van het geslacht De Wael (van Vronesteyn) behoorden in de 15e en 16e eeuw tot de Stichtse ridderschap en bekleedden politieke en kerkelijke ambten in de stad Utrecht. Op 14 september 1482 werd kasteel Vronesteyn door Hollandse troepen geplunderd en in brand gestoken. De bewoners vestigden zich weer in Utrecht. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog raakte de familie De Wael op een zijspoor door de betrokkenheid van Adriaan de Wael bij de opstand tegen Philips II. Op 25 augustus 1568 werd hij onthoofd en zijn bezittingen verbeurdverklaard. In 1617 liet Gerard de Wael van Vronesteyn op het terrein van het verwoest kasteel een representatief adellijk huis bouwen. Na het uitsterven van De Waels van Vronesteyn in de zeventiende eeuw ging het bergafwaarts met de ridderhofstad, die in 1772 omschreven werd als ‘een deftig oud gebouw, met steenen muur van vooren en rondom in ’t water’. Het kasteel werd door nieuwe eigenaren verwaarloosd en kort na 1861 gesloopt. (31) Op 26 juni 1535 moest ‘Eustacius van Brakel schiltcnape’ zich voor de rechter verantwoorden. Hij had begin jaren dertig dienst genomen in het leger van de ‘coninc van Denemarck’, op dat moment een vijand van Karel V die behalve Duits keizer en koning van Spanje ook heer der Nederlanden was. Staas had zich dus schuldig gemaakt aan landverraad. Het Hof van Utrecht veroordeelde hem tot een geldboete en het betalen van de proceskosten. Het Hof baseerde zijn (milde) vonnis op het feit dat Staas destijds ‘wesende 22 iaren oudt oft dair ontrent ende hem vindende in de quade gracie (= gunst) van wilen (= wijlen) syn vader’. Bovendien had hij ‘brieven van pardoen’ bij zich waarin de keizer hem ‘verghiffenisse’ schonk. Het Hof noemde hem ‘een ionck edelman buyten vaderlic ontzien’ en vond dat Staas gehandeld had in jeugdige onbezonnenheid en wilde hem daarom de ‘mesdaet’ niet te zwaar aanrekenen. (32) Koning Christiaan II van Denemarken was in 1523 van zijn troon verjaagd. Hij vluchtte naar de Nederlanden waar zijn zwager Karel V de scepter zwaaide. Christiaan kreeg verlof zich in ons land voor te bereiden op een terugkeer ‘om sijn lant weder te crigen’, zeer tegen de zin van landvoogdes Margaretha van Oostenrijk die bang was dat de Denen uit wraak de Sont zouden afsluiten voor Nederlandse handelsschepen. Ze begreep heel goed dat de rust in de Lage Landen stond en viel met een regelmatige graantoevoer vanuit de Oostzeelanden. (33) Christiaan had intussen in Oost-Friesland ‘volck van orloge’ geworven, viel de Nederlanden binnen, plunderde Alkmaar en roofde en brandde de omgeving van Utrecht plat. In oktober 1531 verliet hij met zijn troepen ons land. Terug in Denemarken viel hij door verraad in handen van koning Frederik. Nog in hetzelfde jaar kreeg Margaretha (postuum) gelijk. De Sont ging dicht, de graanhandel stagneerde en dat leidde tot hongersnood en onrust. Karel V kreeg de schuld. De stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, de graaf van Hoogstraten, waarschuwde de nieuwe landvoogdes Maria van Hongarije voor het gevaar dat de noordelijke gewesten ‘zich aan een andere Heer zouden geven’. (34) Pas in 1533 slaagde de landvoogdes erin met de Denen een vrede voor dertig jaar te bewerkstelligen, waarbij de Nederlanders tegen betaling van tol vrije vaart door de Sont werd gegarandeerd. (35) Er was mogelijk nog een reden waarom Staas van Brakell ‘gracie, vergeffenisse ende pardoene’ ten deel viel, namelijk de strijd tussen keizer Karel V en de hertog van Gelre. In hoofdstuk IV, par. 1 heb ik uitvoerig beschreven hoe de Bourgondiërs en later de Habsburgers tegen het einde van de middeleeuwen erin slaagden bijna alle Nederlandse gewesten bij hun rijk in te lijven. In de twintiger jaren van de zestiende eeuw viel ook het doek voor het Sticht Utrecht. Het Sticht was al sinds het midden van de vijftiende eeuw een Bourgondisch protectoraat waar o.m. twee bastaardzonen van Philips de Goede David en Philips bisschop waren. In 1524 overleed bisschop Philips van Bourgondië. De kapittels van Utrecht besloten ondanks de druk die op hen werd uitgeoefend een eigen kandidaat te kiezen, Hendrik van Beieren. Onmiddellijk braken in de straten van Utrecht gevechten uit tussen de aanhangers van Karel V en de hertog van Gelre. De laatstgenoemden nodigden een Gelders leger onder commando van Maarten van Rossem uit de stad te bezetten en erkenden de hertog van Gelre als hun nieuwe heerser. De bisschop vroeg hierop hulp aan de Habsburgse regering in Brussel. Troepen uit


145

Holland staken de grens over, vielen van twee kanten het Sticht aan, veroverden de Veluwe en sloegen het beleg voor Tiel. Habsburgsgezinde burgers in Utrecht openden de poorten van de stad waarna de Geldersen uit de stad werden verdreven en bisschop Hendrik zijn intocht kon houden. De abdis van Vrouwenklooster Henrica van Erp noteerde in haar ‘dagboek’ dat ‘Zijne Genade’ uit wraak enkele ‘goede luden’ liet ‘onthalsen’ of ‘in een sack steken en drenken in de Leke (=Lek)’. In 1527 droeg hij het wereldlijk gezag in Utrecht en Overijssel over aan Karel V. De keizer liet voor alle zekerheid midden in de stad Utrecht een dwangburcht bouwen met een ‘toepasselijke’ naam, Vredeburg. Hij was echter ‘voor het verwerven van daadwerkelijk gezag in hoge mate afhankelijk van medewerking ter plaatse, vooral van die mensen en organen die tot dan toe het beleid hadden bepaald. De centrale regering legde daarbij een voorkeur aan de dag voor de ridderschap (waartoe de Van Brakell’s behoorden). Van de adellijke kopstukken die in de recente woelingen een hoofdrol hadden gespeeld, kreeg slechts een enkeling de doodstraf. Het merendeel behield zijn politieke invloed. Velen verkregen na 1528 weer een vooraanstaande functie in stad, Staten of waterschap’. Zo staat Staas (II) van Brakell in 1558 als afgezant vermeld van de Staten van Utrecht naar de landvoogdes. (36) Gerard de Wael van Vronesteyn, een achterneef van Margaretha, noteerde rond 1650 in zijn geschrift met familie-aantekeningen: ‘In den iaere 1604 den XVIIIen Januarij, sterft Jo (= jonkvrouw) Margaretha de Wael van Vronesteyn ende was mijns vaeders vaeders outste suster, ende hadde te man ghehat joncheer Eustatius van Braeckel, woonachtig inden lande van Vianen op Killesteyn op haer huys’. ‘Sy procreerden saemen veel kinderen, ick meen van 9’. (37) Van Staas en Margaretha zijn negen kinderen bekend: 1)Elisabeth. (38) Zij overleed in Utrecht op 9 januari 1625 (39) en huwde in 1566 Willem van der Noot. (40) Hij overleed voor 5 april 1595. (41) Op 2 september 1569 werd Elisabeth als leenvolger van haar overleden broer Willem beleend met Nieuw-Amelisweerd in Bunnik en op 3 februari 1570 met kasteel Killestein; op 19 april 1570 verwierf zij een waard in Lexmond. (42) 2)Johanna. (43) Zij werd geboren in juni 1545 en overleed in Utrecht op 3 oktober 1639. (44) Johanna was non in het Benedictinessenklooster Oudwijk. (45) De abdij Oudwijk of St.Stevensabdij, gesticht in 1135, was een klooster voor nonnen afkomstig uit de adellijke stand en lag oorspronkelijk ten oosten van de stad Utrecht. Na de invoering van de gereformeerde godsdienst moest het klooster, en dat gold ook voor vier andere adellijke vrouwenkloosters, vanaf 1580 geleidelijk een instituut worden voor ‘jufferen die gereformeerd en ongehuwd dienden te zijn en van adellijke, liefst Stichtse families stammen’. De minimumleeftijd voor toetreding was zes later acht jaar. De dames kregen uit de opbrengst van de kloostergoederen een prebende, een eigen inkomen. Zij ‘hadden dit ook wel nodig, omdat velen van hen niet in de gelegenheid geraakten gepaste huwelijken te sluiten’. De Utrechtse ridderschap kreeg het recht de prebenden te verdelen. Hierdoor gingen de vijf zgn. ridderschapsconventen ‘als melkkoe fungeren van lokale of provinciale elites’. In 1584 werd het klooster door brandstichting in de as gelegd. Sindsdien woonden de abdis en overige freules van elkaar gescheiden in twee statige panden in de stad Utrecht (Drift 27a en b). Op 23 september (27b) en 17 oktober 1640 (27a) werden beide woningen door de abdij verkocht. Op laatstgenoemde datum werd het pand op 27a ‘lest bewoond door juffr. Joanna van Braeckel’. (46) ‘Het rustige en deftige adellijke leven met een burgerlijke inslag, deed vele jufferen zeer oud worden.’ (47) Op de grafsteen van Johanna staat behalve haar wapen (in rood twee afgewende zalmen van zilver) de volgende tekst: ‘Deze steen is gewijd aan de door oude adel en rechtschapenheid bekende Johanna van Brakel, voorheen non in het vrouwenklooster van Oudwijk, in de stadsvrijheid van Utrecht. Zij heeft 94 jaar, 3 maanden en 13 dagen geleefd, en stierf 3 oktober 1639. De erfgenamen hebben deze steen geplaatst’. (48) 3)Willem. Hij overleed in 1569 en huwde in 1565 Adriana van Nijenrode, dochter van Egbert van Nijenrode en Mabelia van Rodenburg. Dit echtpaar had geen kinderen. Willem was Heer van Killestein. Op 20 januari 1567 maakten zijn schoonouders hun testament op. Hierin stond o.m. dat indien het huwelijk van Willem en Adriana kinderloos zou blijven, hun erfenis naar Elisabeth van Nijenrode, echtgenote van Jan van Riebeek, zou gaan. (49) Op 7 december 1562 verwierf hij huis Groenewoud ‘met gerecht, hoog en laag, tijns en tiende, boomgaarden en het weiland, strekkende van ’t Wedde tot de


146

Ossewei’ (Nieuw-Amelisweerd) in Bunnik (50) en op 16 augustus 1569 zes morgen land in Weesp als leenvolger van zijn schoonvader. (51) 4)Joriaan. (52) 5)Dimna (of Digna). Zij overleed in 1593 (53) en huwde eerst Georgius van B(o)urmania en voor 1570 Andries van Wassenaer, natuurlijke zoon van Jan II van Wassenaer, burggraaf van Leiden. Andries werd geboren in 1517 en overleed in ’s-Gravenhage in 1597. Hij vocht in dienst van keizer Karel V o.m. bij Sittard (1543) en Gravelingen (1558). Op 24 april 1547 werd hij als beloning voor zijn heldhaftig gedrag tijdens de slag bij Mühlberg door de keizer zelf tot ridder geslagen. Verder was hij in 1566 een van de ondertekenaars van het Smeekschrift waarin Philips II gevraagd werd zijn vervolgingspolitiek tegen de calvinisten te matigen. (54) Zie hoofdstuk V. Op 23 maart 1570 ontving Andries van Wassenaer voor ‘joffrou Dimna zyn huysfrouwe’ ‘drie hoeven lants mitten gerecht van Oudewulven ende van Weyden (…) by doode ende offlijvicheyt van Stees van Brakel haer vader’. (55) 6)Geertruid. Zij was sinds 1567 non in het Cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in Noordwijkerhout. In 1574 werd het klooster opgeheven en moesten de zusters hun heil ergens anders zoeken, bijvoorbeeld in het huwelijksbootje. Geertruid huwde in 1581 de baljuw van Egmond Philips van Assendelft, zoon van Claas van Assendelft en Elisabeth Govertsdochter. Hij werd geboren tussen 1555 en 1560 en overleed na 1613. Zij overleed in Utrecht kort voor 2 juli 1614. (56) 7)Abraham. Op 23 december 1562 wordt zij vermeld in een akte waarin sprake is van een ‘lijfrente van 4 gulden ten laste van de stadt Utrecht tot lijve Abraham Stees van Brakelsdr.’. (57) Op 24 februari 1568 werd ‘joffrou Abraham van Braeckel alias van Killesteyn, clooster joffrou tot Audtwijck’ eigenares van een woning in het ‘Sinte Catharijne steechgen’ (naast het Catharijneconvent in het Museumkwartier) in Utrecht. (58) 8)Jacob. Op 4 april 1554 werd zij eigenares van een huis gelegen in de ‘Corte Vijchsteeghe tegen over Vredenborch’ (Korte Viestraat, bij de Jacobikerk) in Utrecht, dat op 15 juli 1574 - waarschijnlijk na haar overlijden (in de akte is sprake van de ‘boedel van Jacobgen Stees van Braeckelsdr.’) - werd verkocht. (59) 9)Catharina. In een testament van Digna weduwe van Willem Henrickss van Hamelenberch van 1 april 1564 wordt ‘Catrijn Stees van Brakelsdr.’ haar verwante genoemd. (60) Mr.Diederik Louis van Brakell beweert in zijn Genealogische aanteekeningen van het geslacht van Brakell dat Willem en Dimna (of Digna) kinderen waren van Staas en Catharina Schoof(s), en Elisabeth, Johanna en Geertruid van Staas en Margaretha de Wael van Vronesteyn. Joriaan, Abraham, Jacob en Catharina worden niet genoemd. (61) N.B. Een van de vele kinderen van het echtpaar Philips van Assendelft-Geertruid van Brakell heette naar zijn grootvader Eustaes. Hij en zijn broer Gerard studeerden in Leiden letteren. In de nacht van 16 op 17 december 1607 werden in die stad enkele studenten na een vechtpartij met de ‘scutterye’ gearresteerd. Zij hadden die avond flink de bloemetjes buiten gezet en zich volgens omwonenden schuldig gemaakt aan ‘luytruchtichheit ofte roepen ende crijten’. Tijdens de confrontatie met de toegesnelde stadswacht werd een van de studenten doodgeschoten, waarop het in studerend Leiden zeer onrustig werd. Op 8 februari 1608 vond opnieuw een incident plaats. Op die dag begonnen studenten tijdens de inaugurele rede van professor Rudolphus Snellius ‘te trappen, te stappen, crijten ende groot rumoer te maecken’. Enkelen van hen werden daarop voor de ‘Senaet ende Gerechte der stadt Leyden’ gedagvaard, waaronder ‘Gerardum et Eustatium ab Assendelft’. Eustaes werd op 13 februari veroordeeld tot acht dagen ‘te water ende broot, ende voor een jaer gepriveert van de privilegien (van de universiteit)’. Hij moest bovendien een boete en de proceskosten betalen. Over Gerard is niets bekend; ‘hij is wellicht spoedig aan de wetenschap teruggegeven’. (62)


147

Kasteel Nieuw-Amelisweerd ligt in de huidige gemeente Bunnik en werd in 1538 door de Staten van Utrecht erkend als ridderhofstad. In 1395 wordt in een lijst van leenmannen van de proosdij van Oudmunster een ‘huse ende getymmert’ vermeld, de voorloper van het latere kasteel Nieuw-Amelisweerd. Tegen het einde van de vijftiende eeuw kwam het goed in handen van de familie Leeuwenberg. In 1562 werd na het overlijden van Agnes van Leeuwenberg haar neef Willem van Brakell de nieuwe eigenaar. In de eeuwen daarna verwisselde het slot een aantal keren van eigenaar, waaronder Lodewijk Napoleon, koning van Holland (1806-1810). In de jaren 1864-1865 kreeg Nieuw-Amelisweerd zijn huidige uiterlijk. (63) N.B. Opvallend is dat nogal wat kinderen uit adellijke families voor het kloosterleven kozen. Van kiezen was echter in de meeste gevallen geen sprake. Veel edelen hadden een groot gezin en niet te vergeten bastaardkinderen en beschikten niet altijd over voldoende pecunia voor hun opvoeding. Meisjes van 7 tot 15 jaar - jongens waren meestal iets ouder - werden daarom naar het klooster gebracht en dus gedwongen, opgesloten achter kloostermuren, een leven van (betrekkelijke) armoede, kuisheid en gehoorzaamheid te leiden. Geen wonder dat velen van hen op latere leeftijd het kloosterleven vaarwel zeiden en de wijde wereld introkken. ‘Uit het klooster Ter Hunnepe (bij Deventer) zijn in de laatste jaren negen of tien juffers zonder dispensatie weggevlucht en wel, omdat zij in hun kinderjaren in dat klooster gebracht zijn, en geen verstand van hun geloften hadden. Uit vrees voor de ouders, die veel kinderen hadden en haar hier hadden geplaatst, zijn ze er in gebleven, maar na de dood van de ouders zijn ze gevlucht, hebben in den vreemde huwelijken gesloten beneden haar stand, en vaak met afvalligen, tot schade niet alleen van haar ziel, maar ook tot nadeel van de familie, die haar nu nog een dotatie (= schenking) moet geven.’ (64) Daarom wilden de ouders van deze ‘ongelukkigen’ - dochters van Overijsselse en Gelderse edelen - in 1580 van de abdij een wereldlijk stift voor adellijke dames maken. ‘Dan zouden deze freules van hun eigen goed gebruik kunnen maken, bovendien een prebende genieten en de Heer loven en bidden, zonder door gelofte verbonden te zijn dit leven altijd voort te zetten.’ (65) Gerrit van Assendelft wist op een andere manier het leven van zijn oudste dochter Beatrix te veraangenamen. Hij bedong voor haar - misschien als tegenprestatie voor zijn schenking aan het Zijlklooster te Haarlem - dat zij vanwege haar ‘weekheid’ haar eigen dagindeling mocht kiezen. Zij mocht slapen, waken, eten en drinken wanneer ze maar wilde. Ook stond het haar vrij om weg te blijven van de koorgebeden. Zij was slechts in zoverre aan de orderegels onderworpen ‘als zij redelijkerwijs verdragen kan’. (66) N.B. Rond 1450 had ‘Heer Jan van Culenborch een dochter Maria genaemt, ende wert ter Claren int clooster gebracht, ende dat kint en wolde om al die werelt int klooster niet. Doe socht men al die priesters, die dair geroepen toe waren misse te doen, ende lasen alle misse van den Heyligen Geest. Doe wert dat kint so gedwee, hoe dat men wolde, so was dit kint bereyt te doen’. (67) Opvoeden was trouwens in die dagen geen sinecure, getuige een brief uit 1636 van een bezorgde vader uit Utrecht. In dat jaar stierven in de stad vele mensen aan de pest. De vader ergerde zich over zijn inwonende dochters die ‘hoewel daechlycs Godts oordeelen ende straffen met soo vele droevige exempelen voor oogen siende, myne continue vermaninge hyerover in de wint slaen, (…)’ en zich overgaven aan ‘dartelheyden’, ‘daechlycks conversaties mette papen (= katholieken)’ hadden ‘ende met cleyne frequentatie’ de kerk bezochten. Vader liet dan ook de dames weten ‘een ander register metten huyshoudinge te sullen moeten trecken’. (68) § 3 Heren in het Sticht 2

I.1. Jasper (I). Zoon van Sweder van Brakell en Aleyt to Boecop. Zie hoofdstuk IX (par. 2). Huwde Beatrix de Voocht van Rijnevelt. 1)Sweder. Zie II.1. 2)Hendrina. 3)Agnes. Huwde Diderick van Zuylen van Nijevelt.


148

II.1. Sweder. Huwde Anna Catharina Mom. 1)Jasper. Zie III.1. 2)Hendrina. Huwde Cornelis van Spangen. 3)Jasperina. 4)Anna. Huwde Gerrit van Amstel van Mijnden. 5)Agnes. 6)Maria. 7)Catharina. 8)Jacob. 9)Johanna. III.1. Jasper. Huwde Anna Juliana van Renesse van Baer. 1)Sweder Willem. 2)Jasperina. Jasper (I) van Brakell was een zoon van Sweder van Brakell en Aleyt to Boecop en afkomstig uit Tiel. (69) Hij overleed in Utrecht kort voor 24 augustus 1596. (70) Jasper huwde Beatrix de Voocht van Rijnevelt, dochter van Hendrik de Voocht van Rijnevelt, Heer van Blikkenburg, burgemeester en schepen van Utrecht, en Agnes Scheer van Amerongen, en weduwe van de in 1568 terechtgestelde Adriaan de Wael van Vronesteyn (zie blz. 144). (71) Beatrix overleed in Utrecht kort voor 4 februari 1628 op 78 jarige leeftijd en werd begraven in de St.Servaasabdij. (72) Op 1 april 1585 droeg Jasper het huis ‘Schoonegge’ gelegen ‘tusschen de Backerbrug en de St.Jansbrug’ (aan de Oudegracht) in Utrecht over aan Johanna Ruysch. (73) Welgestelde lieden, zoals de Van Brakell’s, verbleven ’s zomers in hun buitenhuis op het platteland, maar brachten de winter in de stad door. Op 10 december 1595 namen Jasper en Beatrix ‘echte luyden’ ‘het huys te Blekenborch’ en ‘alle de goederen van Joost van Rynevelt (zwager)’ over. (74) Op 27 december 1562 ontving Jasper ‘thien mergen lants, gelegen tot Aldenavesaet’ (bij Tiel) en ‘vijff mergen lants geheiten die Storne, in den kerspel van Zoelen gelegen’. (75) Op 28 april 1594 verkocht hij zijn ‘huis en hoff staendt bynnen der stadt van Tiell aent Hoecheynde’. (76) Op 29 mei 1595 werd hij beleend met vier morgen land in Boeicop. (77) N.B. In 1580 deed Philips II Willem van Oranje in de rijksban en verklaarde hem vogelvrij, waarop de Staten-Generaal besloten de Spaanse koning niet meer als hun wettige heer te erkennen. Zij zochten toen naar een andere vorst. Een van hen was de Engelse graaf van Leicester. Deze was voorstander van een sterk centraal gezag waardoor hij het aan de stok kreeg met de Hollandse regenten. Leicester verplaatste daarom zijn zetel van Amsterdam naar Utrecht. In die stad kreeg hij steun van de calvinisten, maar er waren ook Utrechters die niet zo gelukkig waren met zijn komst. Zij moesten daarom uitgeschakeld worden. In 1586 beval Leicester ‘dat men een seer goede getal papisten, ofte die int ooch waren dat zij onder de gemeente quade offitien deden soude vuyt (= uit) doen gaan voir een tijt, opdat de stadt also beter versekert ende den viant van sijn hope gefrusteerd soude worden’. Hij stelde een lijst op van 19 personen, waaronder Jasper van Brakell, die uit de stad verbannen moesten worden. (78) Van Jasper en Beatrix zijn drie kinderen bekend: 1)Sweder. Zie blz. 149. 2)Hendrina. Zij overleed op 21 juni 1600. (79) 3)Agnes. (80) Zij overleed kort voor 16 september 1638 in Utrecht (81) en ging op 16 januari 1613 in Utrecht in ondertrouw met Diderick van Zuylen van Nijevelt, ‘heer tot Drakenburg, dijckgraef ende houtvester der Gestichte van Utrecht’, zoon van Nicolaas van Zuylen van Nijevelt van De Haer en Guit van Schagen. Hij overleed voor 16 september 1638. (82)


149

Kasteel Nijeveld lag in de huidige gemeente Vleuten-De Meern en werd in 1536 door de Staten van Utrecht erkend als ridderhofstad. De oudste mogelijke bezitter was Dirk van Nyevelde, ridder, die in de bronnen in 1288 wordt vermeld. Het kasteel met vier hoeven land werd sinds het midden van de veertiende eeuw in leen gehouden van de bisschop van Utrecht door leden van de familie Van Zuylen van Nijevelt. Het slot werd in 1356 verwoest en verlaten. Na de middeleeuwen werd Nijeveld in zijn vroegere luister hersteld, maar in de eeuwen daarna raakte het kasteel in verval. Op de kadastrale minuutkaart van 1832 is op het kasteelterrein geen enkel spoor van bebouwing meer te vinden. Het terrein is nu in gebruik als boomgaard. (83) Sweder van Brakell was een zoon van Jasper van Brakell en Beatrix de Voocht van Rijnevelt. ‘Door doode van joffrou Beatrix de Voocht van Rijnevelt zijn moeder’ werd hij op 7 februari 1629 de bezitter van ‘dat huys ende hoffstede tot Blijckenburch met twyntich mergen landts’. (84) Op 25 februari in hetzelfde jaar ontving hij van Philips ‘borchgrave tot Montfoort’ ‘vijff margen vier hont lants gelegen in Blocklant’ (in Montfoort). In de betreffende akte wordt Beatrix de Voocht van Rijnevelt ‘wylen de edele ende eerentrijcke joncfrou sijne moeder’ genoemd. (85) Intussen had hij al op 22 november 1602 ‘Die Storne’ en tien morgen land in ‘Aldenavesaet’ in leen ontvangen en bovendien op 22 januari 1624 de halve ‘Eyerweerdt, tusschen Maes ende Wael to Drömel (bij Tiel) gelegen’. (86) Op 16 juni 1629 verwierf hij ‘vier margen landts alsoo die gelegen zyn in Vluetender weyden (…) ende daer toe noch seven margen landts opt Themaet’ (in Vleuten) en op 23 juni 1635 een hofstede in Maurik (op de Slage) met 18 morgen land. (87) Op 23 mei 1631 droegen hij en zijn zuster Agnes het huis ‘Clarenburch’ ‘by Vredenburch’ (Achter Clarenburg) in Utrecht over aan Wilhelm van Milanen ‘der medicijnen doctor’. (88) Sweder overleed in Utrecht op 18 juli 1641. In het Begraafboek staat genoteerd dat hij werd begraven ‘met ses dienaers, te laet in de kerk, Dom groot geluid’ en dat ‘syn huysfrou’ achterbleef ‘met echte mundige en onmundige kynderen’. (89) Sweder ging op 6 mei 1609 in Utrecht in ondertrouw met Anna Catharina Mom, dochter van Jacob Mom uit Tiel, ambtman van het Land van Maas en Waal en lid van de ridderschap Nijmegen, en Cornelia van Culemborg. (90). In 1662 wordt Anna ‘douairière Assuerus van Braeckel tot Blickenburgh’ genoemd. (91) Op 21 april 1649 droeg zij een huis ‘aen ’t St. Marien Kerckhoff’ (bij de Mariakerk) in Utrecht over aan Andries Ravenswaey. (92) Zij overleed in Utrecht op 4 november 1663. (93) In 1621 vond in ’s-Gravenhage een proces plaats wegens hoogverraad tegen o.m. Jacob Mom. Hij en zijn kompanen werden beschuldigd van ‘eenen aenslach, die sij voor hadde op de stadt van Thiel omme d’selve aen den vyandt te leveren’. Jacob Mom, een trouw katholiek, had met lede ogen niet alleen het geloof der vaderen teloor zien gaan, maar ook ‘zijn’ platteland dat leed onder de oorlog, terwijl de Hollandse steden rijk werden door de handel met de vijand. In 1614 was hij bovendien vanwege zijn geloof uit zijn ambt gezet. Terugkeer van het Spaanse gezag zou eerherstel en materieel gewin kunnen brengen. Hij werd op 16 april veroordeeld ‘geëexecuteert te worden metten sweerde, datter de doot na volcht, ende alle zijne goederen geconfisqueert’. Een dag later beklom hij in Den Haag het schavot. Op voorstel van zijn schoonzoon Sweder van Brakell besloot de Gelderse Landdag op 20 december 1662 de confiscatie van de bezittingen van Jacob Mom ongedaan te maken. A.E.M.Janssen beweert in zijn artikel over Jacob Mom in het Biografisch Woordenboek Gelderland dat de veroordeling en executie van Mom vijftien jaar na diens verraad een politieke achtergrond had. Prins Maurits was tegen een verlenging van het Twaalfjarig Bestand met de Spanjaarden en hoopte door dit proces de laatste poging vanuit Brussel tot verlenging van de wapenstilstand te laten mislukken. (94) Kasteel Blikkenburg lag in de huidige gemeente Zeist en werd in 1537 door de Staten van Utrecht erkend als ridderhofstad en dus kon diens eigenaar beschreven (= opgenomen) worden in de ridderschap Utrecht. Blikkenburg wordt voor het eerst in 1368 genoemd. In dat jaar kocht Frederik van Zuylen ‘den huyse van Blikenburgh’ met 40 morgen land. In 1503 kwam het kasteel in handen van de familie De Voocht van Rijnevelt. (95) ‘Nae doode van jonckheer Joost de Voocht van Rijnevelt haer broeder’ werd Beatrix, de echtgenote van Jasper van Brakell, in 1600 de nieuwe bewoonster. (96) Toen Sweder Willem, de kleinzoon van Jasper en Beatrix, overleed werd Blikkenburg eigendom van de familie Van Renesse van Baer. In 1672 werd de ridderhofstede door Franse troepen verwoest. Het naburige Zeist werd gespaard, ‘waarschijnlijk omdat het de eer had gehad de Koning (Lodewijk XIV) te herbergen’. (97) In 1680 werd het goed omschreven als ‘d’huysinge ende ridderhofstadt Blicken-


150

burgh, met sijne singels, tuyn, boomgaarden, ende plantagie, bouw ende duyfhuys’. In 1687 werd Willem Adriaan graaf van Nassau eigenaar. Rond 1687 is het slot gesloopt. In 1775 noemde W.A.Bachiene Blikkenburg ‘eene riddermatige hofstede, die daarna vervallen, en in eene boerenwooning veranderd is’. In 1850 werd op een terrein ten zuiden van het verdwenen kasteel Huis Blikkenburg gebouwd. (98) Van Anna en Sweder zijn negen kinderen bekend: 1)Jasper (II). Zie blz. 151. 2)Hendrina. Zij werd geboren in 1616 en overleed in Utrecht kort voor 15 december 1662. Hendrina werd begraven in de Buurkerk en liet ‘haer man met mundige ende onmundige kinderen’ achter. (99) Zij ging op 31 januari 1635 in Utrecht in ondertrouw met Cornelis van Spangen, Heer van Spangen, zoon van Cornelis van Spangen en Anna van Halmale. Cornelis overleed op 9 november 1693. (100) 3)Jasperina. Zij overleed in Utrecht kort voor 26 maart 1622. (101) 4)Anna. Zij overleed in Utrecht kort voor 23 augustus 1652. In het Begraafboek staat nog vermeld: ‘Overleden ontrent het Jeronimus School en so men seijt heijmelijck uit de stadt gebracht’ (St.Hieronymusschool aan de Kromme Nieuwegracht). (102) Was Anna overleden aan een besmettelijke ziekte of was zij op een niet natuurlijke wijze aan haar einde gekomen? Anna ging op 24 januari 1646 in Utrecht in ondertrouw met Gerrit van Amstel van Mijnden, Heer van Zuylenburg, Bovenholt en Doornenburg, zoon van Jacob van Amstel van Mijnden, Heer van Loenersloot, Oucoop, ter Aa en Zuylenburg, en Maria van Spaarwoude. (103) Gerrit overleed in 1699. (104) 5)Agnes. Zij overleed ongehuwd in of voor 1668. (105) 6)Maria. Zij overleed tussen 7 april 1673 en 13 juli 1699. (106) Op laatstgenoemde datum werd de boedel van de overledene waaronder een huis aan de Heerestraet nr. 2 (Herenstraat) in Utrecht overgedragen aan Cornelis van Ackersdijck. Als verwanten staan in de transportakte vermeld de graven van Spangen, baron van Spangen de la Torre (Valkenesse), baron van Heemskerk (van Bekesteijn) en freule van Amstel (Doornenburgh). (107) 7)Catharina. Zij (‘kynt van jhr. Assuerus van Braeckel’) overleed in Utrecht kort voor 2 januari 1626 en werd begraven in de St.Servaasabdij. (108) 8)Jacob. Hij (‘kynt van jhr. Sweder van Brakel’) overleed in Utrecht kort voor 8 november 1631 en werd begraven in de St.Servaasabdij. (109) 9)Johanna. Zij overleed in Utrecht kort voor 27 februari 1621. (110) N.B. Op 17 december 1663 machtigde ‘Joffr. Agnes van Brakel geboortich van Uuyttrecht’ haar zuster ‘Joffr. Maria van Brakel’ om in haar naam haar aandeel te ontvangen uit de bezittingen van haar overleden ouders ‘heere Assuerus van Braekel heere van Blickenburch’ en ‘vrouwe Anna Mom’. (111) In het testament van de ‘Hoogh. Ed. Joffr. Agnes van Braekell’, gepasseerd op 5 februari 1664 bij notaris Johan van Oeckell te Oirschot, worden de volgende familieleden van de testatrice genoemd: ‘Jor. (= jonker) Assuerius Willem van Brakel’ (neef), ‘Joffr. Jasperine van Brakel’ (nicht), ‘Joffr. Maria van Brakel’ (zuster), ‘Jasper van Brakel Heer van Blieckenburch’ (broer), wijlen ‘Joffr. Hendrina van Brakel’ (zuster), en wijlen ‘joffr. Anna van Brakel’ (zuster). En verder nog Charel van Spangen (neef), Jacob van Amstel (neef), Anna Catharina van Spangen (nicht), Cornelia van Amstel (nicht), en ‘Geridt van Amstel, Heer van Dornenburch’. (112) Op 24 maart van hetzelfde jaar werd een ‘codicillo’ aan dit testament toegevoegd. Als verwanten worden vermeld: Maria van Brakel (zuster), Gerrit van Amstel, Philips van Spangen en Jasper van Brakel ‘Heere van Blieckenburch’. (113)


151

Kasteel Zuilenburg of Zuylenburg ligt in de gemeente Langbroek en werd in 1536 door de Staten van Utrecht erkend als ridderhofstad. Al in 1270 wordt het vermeld in een lijst van Gelderse lenen in het Nedersticht. Waarschijnlijk was Gijsbert van Zuylen, schout van Jutphaas, de stichter van Zuilenburg. In 1402 werd melding gemaakt van ridder Amelis uten Engh, Heer van Amelisweerd en maarschalk van het Sticht, Heer van Zuilenburg. Rond 1616 werd Jacob van Amstel van Mijnden, kleinzoon van Joost van Amstel van Mijnden en Philippota uten Engh, de nieuwe eigenaar, in 1632 opgevolgd door zijn zoon Gerrit, gehuwd met Anna van Brakell. In de eeuwen daarna vond een snelle wisseling van eigenaars plaats. De meest prominente was Frederik Christiaan Reinhard van Reede, vijfde graaf van Athlone. Het gebouw werd in de loop van de tijd grotendeels afgebroken en pas na de Tweede Wereldoorlog in zijn oude luister hersteld. (114) Jasper (II) van Brakell was een zoon van Sweder van Brakell en Anna Catharina Mom. (115) Hij was Heer van Blikkenburg, Grijpskerke en Spaland. (116) Op 29 juli 1642 werd hij beleend met ‘vijff margen vier hont lants gelegen in Blocklant’ (117) en op 9 augustus van hetzelfde jaar met ‘Die Storne’, tien morgen land in ‘Aldenavesaet’ en een achtste van de ‘Eyerweerdt’. (118) Op 19 augustus 1642 ontving ‘de weledele vrouwe Anna Mom douarière van oock weledelen jonker Zweder van Brakel in zijn edelen leven heer van Blickenborch als moeder ende momboir van jonker Jaspar van Brakel haren minderjarigen soon (…)’ en ‘haer gecooren voocht Cornelis van Spangen’ ‘vier ende seven margen landts’ in Vleuten als ‘rechte leenvolger zijns vaders’ (119) en een ‘hofstede van vijf margen landts genaemt Rijneveldt’ in de buurt van Woerden. (120) Jasper overleed in Utrecht kort voor 6 november 1654 op 28 jarige leeftijd. In het Begraafboek staat vermeld dat men hem in de Buurkerk ‘met consent heeft doen sincken, een wapen opgehangen en de Dom groot geluyt drie uren’. De armen werden bedacht met 150 gulden en eenzelfde bedrag ging naar de ‘Aelmoseniers Camer’. Over zijn echtgenote wordt nog medegedeeld dat zij ‘opt uijterste bevrucht’ was. Stond ‘syn huijsfrouw’ op ’t punt van bevallen of was haar wederhelft tijdens of kort na de daad bezweken? (121) Hij ging op 29 januari 1653 in Utrecht in ondertrouw met Anna Juliana van Renesse van Baer, dochter van Willem van Renesse van Baer en Cornelia de Jonge van Baardwijk. (122). Anna Juliana woonde op 6 maart 1655 in Utrecht op het ‘St.Marienkerckhoff’ en overleed op 21 juli 1679. (123) Van Anna en Jasper zijn twee kinderen bekend: 1)Sweder (of Assuerus) Willem. (124) Op 1 december 1655 ontving ‘Vrouwe Anna Juliana van Renesse van Baer weduwe douagiere van wijlen de weledelgeboren heer Jaspar van Brakel als moeder ende momber van Sweder Willem van Brakel haren minderjarige soon’ van de Staten van Utrecht de ‘ridderhofstad Blickenburch’ met 20 morgen land. (125) Op 20 juni 1656 verwierf Sweder Willem als leenvolger van zijn vader ‘Die Storne’, tien morgen land in ‘Aldenavesaet’ en ‘het achte part van den Eyerweert’. (126) Hij overleed voor 7 april 1673 (127) en was geestelijke in het Duitse klooster Grafenthal. Grafenthal of Nijklooster, gesticht rond 1250 en opgeheven in 1804, was een Cisterciënzerabdij voor adellijke dames en lag bij Goch (Dtl). (128) Met Sweder Willem stierf de Utrechtse tak van het geslacht Van Brakell uit in de mannelijke lijn. 2)Jasperina. Zij overleed voor 7 april 1673. (129)

NOTEN

1)Dr.J.Aalbers, Geboorte en geld. Adel in Gelderland, Utrecht en Holland tijdens de eerste helft van de achttiende eeuw. In: J.Aalbers en M.Prak (red.), De bloem der natie. Adel en patriciaat in de Noordelijke Nederlanden, blz. 61. 2)Dr.J.Aalbers, Geboorte en geld, blz. 65. 3)Dr.J.Aalbers, Geboorte en geld, blz. 76 en 77. 4)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de Hagesteinse lenen van de hofstede Culemborg, 1358-1640, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 129, en dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 272 en 293.


152

5)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 272, 293 en 294. 6)Het Utrechts Archief, Huis Oudwulven te Houten, de heerlijkheden Oudwulven en Waaien en familie Testas-Boissevain 1465-1991, nr. 10, en Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4775, folio 86 recto. 7)Het Utrechts Archief, Huis Oudwulven te Houten, nr. 10, dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666, II. Lenen in het land van Ameide en omstreken, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 601, en dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 294. Zie ook J.W. des Tombe, De lotgevallen van een oud huis te Utrecht met genealogische aanteekeningen, De Navorscher, jaargang 55 (1905), blz. 495, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 8. 8)Het Utrechts Archief, Huis Oudwulven te Houten, nr. 10. 9)Het Utrechts Archief, Huis Oudwulven te Houten, nr. 10, dr.J.C.Kort, De Leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 272 en 294, en dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen 1292-1666, II. Lenen in het land van Ameide en omstreken, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 601. 10)W. van Zijderveld, Killestein, Het Kontakt (Gorinchem en omstreken), 30 januari 1997. 11)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de Hagesteinse lenen van de hofstede Culemborg, 1358-1640, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 129. Zie ook dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 272 en 294, en J.W. des Tombe, De lotgevallen van een oud huis te Utrecht, blz. 495. 12)Het Utrechts Archief, Huis Oudwulven te Houten, nr. 10. Zie ook dr.A.J.Maris, Repertorium op de Stichtse Leenprotocollen uit het landsheerlijke tijdvak. I. De Nederstichtse leenacten (1394-1581), nr. 156, en mr.W.W. van Valkenburg, Voorouders van Z.K.H. Carlos Hugo Prins van Bourbon-Parma, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXXXI (1964), blz. 144. 13)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 272. 14)Het Utrechts Archief, Huis Oudwulven te Houten, nr. 10, en dr.J.C.Kort, Repertorium op de Hagesteinse lenen van de hofstede Culemborg, 1358-1640, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 130. 15)Brabants Historisch Informatie Centrum, De beneficie Van Meer in de kerk van Breda, 1381-1773, nr. 31, Het Utrechts Archief, Transporten oude eigenaars 1529-1543, nr. 90-1 en 90-2, mr.W.W. van Valkenburg, Voorouders van Z.K.H. Carlos Hugo Prins van Bourbon-Parma, blz. 144, en dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 294. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 9, en nr. 13, blz. 5, dr.A.J.Maris, Repertorium op de Stichtse Leenprotocollen uit het landsheerlijke tijdvak. I. De Nederstichtse leenacten (1394-1581), nr. 259, Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 1159, en Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Tiende Deel, blz. 111. 16)Het Utrechts Archief, Transporten oude eigenaars 1529-1543, nr. 90-2, Drents Archief, Archief Echten, nr. 574 en 575, Drostenrekeningen, Rekeningen van Reynoult van Bourmania, drost van Drenthe en kastelein van Coevorden, wegens het drostambt van Drenthe en Coevorden, 1539-1557, nr. 27 t/m 30, De Etstoel 1518-1811, regest nr. 3, Abdij Assen, nr. 43, en Archief Coevorden, stad en heerlijkheid 1404-1855, nr. 1059 en 1112. Zie ook Tresoar (Frysk Histoarysk en Letterkundich Sintrum), Archief Decama-, Cuyck- en Foeyts Veencompagnie (Schoterlandse Veencompagnie), 1550-1932, nr. 211 t/m 220 en 237, dr.Samme Zijlstra, Het geleerde Friesland - een mythe? Universiteit en maatschappij in Friesland en Stad en Lande ca. 1380-1650, Leeuwarden 1996, blz. 153, Reinerus van Burmania, dr.A.J. Maris, Repertorium op de Stichtse Leenprotocollen uit het landsheerlijke tijdvak. I. De Nederstichtse leenacten (1394-1581), nr. 156 en 156b, dr.S.W.A.Drossaers, Het Archief van de Nassause Domeinraad, Tweede Deel, Het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581: Stukken betreffende de rechten en goederen van Anna van Buren, Inventaris, nr. 1076, mr.J.I. van Doorninck, Overijssel onder Karel V. Gekend uit regesten op officieele registers en daarbij behoorende acten, Deventer 1889, blz. 22, 26, 28 en 456, K. van Hulst, Register van charters en bescheiden in het oude archief van Kampen. Derde deel, nr. 1899 (3/4 mei 1540), en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 10. 17)Het Utrechts Archief, Transporten oude eigenaars 1529-1543, nr. 90-2. 18)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 295. 19)Het Utrechts Archief, Klapper overluidingen Dom van Utrecht 1562-1751, E.B.F.F.Wittert van Hoogland, Bijdragen tot de Geschiedenis der Utrechtsche Ridderhofsteden en Heerlijkheden, deel I, ’s-Gravenhage 1909, blz. 278 en 279, Hoge Raad van Adel, inventarisnr. 6 (Joost van Atteveld), Wapenboek met kwartieren van meest Utrechtse edellieden, nr. 66, dr.C.Dekker, Het Kromme Rijngebied in de middeleeuwen, blz. 466, E.J.Wolleswinkel, Een zeventiende-eeuws kwartierwapenboek van Joost van Atteveld, De Nederlandsche Leeuw, jaargang CXXVII (2010), blz. 23, en G.Eschauzier, Nog eens het Leidsche Geslacht Tierens, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXIX (1911), blz. 87. Zie ook dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 294, dr.W.F.Leemans, De Schotse officierenfamilie Halkett. Een bijdrage tot de kennis van de plaats van de officieren in het maatschappelijk bestel der Republiek, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXXVII (1960), blz. 379 en 380, mr.A.P. van Schilfgaarde, Het adellijk geslacht Van Rossem, blz. 144, Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Tiende Deel, blz. 111, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 10, en Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 1159. 20)Drs.B.Olde Meierink e.a., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, blz. 313. Zie ook ir.J.D.M. Bardet, Kastelenboek provincie Utrecht, blz. 166. 21)Drs.R.J.F. van Drie, Inhoud en gebruik van de begrippen ridderschap en ridderhofstad in het Nedersticht gedurende de 16 e eeuw, Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, 40 (1986), blz. 67 t/m 99, ir.J.D.M.Bardet, Kastelenboek provincie Utrecht, blz. XVIII t/m XXIV, en W.A.Bachiene, Beschryving der Vereenigde Nederlanden. De welke gevonden word in het Werk van den Heer A.F.Busching, en uitmaakt het Vierde Deel Derde Stuk van dat Werk. Tweede Deel, Amsterdam/ Utrecht, 1775, blz. 1000. Zie ook drs.B.Olde Meierink e.a., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, blz. 41 t/m 50.


153

22)Het Utrechts Archief, Huis Oudwulven te Houten, nr. 10, Het Utrechts Archief, Transporten oude eigenaars 1529-1543, nr. 90-2, dr.J.C.Kort, Repertorium op de Hagesteinse lenen van de hofstede Culemborg, 1358-1640, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 129 en 130. Zie ook dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 272, dr.A.J.Maris, Repertorium op de Stichtse Leenprotocollen uit het landsheerlijke tijdvak. I. De Nederstichtse leenacten (1394-1581), nr. 156, en Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 1159. 23)Nationaal Archief, Archief van de Familie Heereman van Zuydtwijck, 1360-1880, nr. 658 en 2213, en Het Utrechts Archief, Huis Oudwulven te Houten, nr. 10. Zie ook Johan van de Water, Groot Placaatboek, Tweede deel, blz. 1200, mr.W.W. van Valkenburg, Voorouders van Z.K.H. Carlos Hugo, Prins van Bourbon-Parma, blz. 143, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 7. 24)Ibidem. Zie ook Het Utrechts Archief, Stadsbestuur van Utrecht 1577-1795, nr. 61: lijst van de leden van het stedelijk bestuur, 1528-1691, vervolgd tot 1700, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 10, en Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Tiende Deel, blz. 111. 25)G. van Klaveren Pz, De regeering der stad Utrecht. 1528-1577, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXXI (1913), blz. 116. Zie ook Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 1159, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 10. 26)Het Utrechts Archief, Hof van Utrecht, Registers van criminele sententies, 1530-1540, 99-01, folio 249 verso t/m 252 verso (vonnis nr. 134), en Het Utrechts Archief, Klapper overluidingen Dom van Utrecht 1562-1751. Zie ook dr.J.C.Kort, Repertorium op de Hagesteinse lenen van de hofstede Culemborg, 1358-1640, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 130, en dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 272. 27)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de Hagesteinse lenen van de hofstede Culemborg, 1358-1640, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 130, en dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 272. 28)Nationaal Archief, Archief van de Familie Heereman van Zuydtwijck, nr. 658, Het Utrechts Archief, Transporten oude eigenaars 1544-1568, nr. 14-15, Transporten nieuwe eigenaars 1544-1568, nr. 14-15. Zie ook Het Utrechts Archief, Verzameling Van Atteveld, nr. 61, dr.J.C.Kort, Repertorium op de Hagesteinse lenen van de hofstede Culemborg, 1358-1640, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 130, dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 272, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 10. 29)Ibidem. Zie ook Stadsarchief Amsterdam, Archief van de familie De Graeff 1258-1863, nr. 21, geen folionummering, dr.A.J.Maris, Repertorium op de Stichtse Leenprotocollen uit het landsheerlijke tijdvak. I. De Nederstichtse leenacten (13941581), nr. 169, E.B.F.F.Wittert van Hoogland, Bijdragen tot de Geschiedenis der Utrechtsche Ridderhofsteden, deel I, blz. 226-227 en 293-294, Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 1159, en J.W. des Tombe, De lotgevallen van een oud huis te Utrecht, blz. 503. 30)Nationaal Archief, Archief van de Familie Heereman van Zuydtwijck, nr. 658, Het Utrechts Archief, Transporten oude eigenaars 1544-1568, nr. 20 en 179, dr.A.J.Maris, Repertorium op de Stichtse Leenprotocollen uit het landsheerlijke tijdvak. De Nederstichtse leenacten (1394-1581), nr. 169. Zie ook Het Utrechts Archief, Verzameling Van Atteveld, nr. 61, J.Kleijntjens, Het Huis “Vronestein” en de familie “De Wael”, De Navorscher, jaargang 71 (1922), blz. 187 en 188, J.Kleijntjens, Het geslacht De Wael van Vronesteyn (naar een handschrift van Gerard de Wael van Vronesteyn ±1650), De Navorscher, jaargang 71 (1922), blz. 273, J.W. des Tombe, De lotgevallen van een oud huis te Utrecht, blz. 503, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 10, en Matthys van Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 1159. 31)Drs.B.Olde Meierink e.a., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, blz. 460 t/m 462. Zie ook J.W. des Tombe, De lotgevallen van een oud huis te Utrecht, blz. 500 t/m 507, en ir.J.D.M.Bardet, Kastelenboek provincie Utrecht, blz. 301 en 302. 32)Het Utrechts Archief, Hof van Utrecht, Registers van criminele sententies, 99-01, 1530-1540, folio 249 verso t/m folio 252 verso (vonnis nr. 134). 33)Prof.dr.W.P.Blockmans en dr.J. van Herwaarden, De Nederlanden van 1493 tot 1555: binnenlandse en buitenlandse politiek. In: Algemene Geschiedenis der Nederlanden, deel 5, Bussum 1980, blz. 461. 34)Dr.Jane de Iongh, De koningin. Maria van Hongarije Landvoogdes der Nederlanden 1505-1558, Amsterdam 1966, blz. 198, 205 en 206. 35)Prof.dr.W.P.Blockmans en dr.J. van Herwaarden, De Nederlanden van 1493 tot 1555: binnenlandse en buitenlandse politiek, blz. 466. 36)De kroniek van Henrica van Erp, abdis van Vrouwenklooster, blz. 138, Geschiedenis van de provincie Utrecht van 1528 tot 1780, Stichtse Historische Reeks, Utrecht 1997, blz. 50, en Het Utrechts Archief, Staten van Utrecht in de landsheerlijke tijd 1375-1581, nr. 206. 37)J.Kleijntjens, Het geslacht De Wael van Vronesteyn (naar een handschrift van Gerard de Wael van Vronesteyn), blz. 271 en 273. Zie ook Matthys Balen Janszoon, Beschryvinge der stad Dordrecht, blz. 1159. 38)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de Hagesteinse lenen van de hofstede Culemborg, 1358-1640, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 130, dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 272 en 273, en dr.A.J.Maris, Repertorium op de Stichtse Leenprotocollen uit het landsheerlijke tijdvak. I. De Nederstichtse leenacten (1394-1581), nr. 169 en 170. 39)Het Utrechts Archief, Begraafboek 121, blz. 194. Zie ook Klapper overluidingen Dom van Utrecht 1562-1751, en J. Kleijntjens, Het geslacht De Wael van Vronesteyn (naar een handschrift van Gerard de Wael van Vronesteyn), blz. 279. 40)J.Kleijntjens, Het geslacht De Wael van Vronesteyn (naar een handschrift van Gerard de Wael van Vronesteyn), blz. 279. Zie ook Het Utrechts Archief, Familie des Tombe, nr. 275, dr.J.C.Kort, Repertorium op de Hagesteinse lenen van de hofstede Culemborg, 1358-1640, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 130, dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 273, Gelders Archief, Familie Van Brakell


154

1432-1903, nr. 8, blz. 11, en nr. 13, blz. 8, en mr.W.W. van Valkenburg, Voorouders van Z.K.H. Carlos Hugo, Prins van Bourbon-Parma, blz. 142. 41)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de Hagesteinse lenen van de hofstede Culemborg, 1358-1640, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 130. 42)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen en tijnsen van de proosdij van Oudmunster 1238-1661, z.p. z.j., nr. 10a, dr.J.C. Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 272, en dr.J.C.Kort, Repertorium op de Hagesteinse lenen van de hofstede Culemborg 1358-1640, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 130. 43)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de Hagesteinse lenen van de hofstede Culemborg, 1358-1640, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 130. Zie ook dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 273, J.Kleijntjens, Het geslacht De Wael van Vronesteyn (naar een handschrift van Gerard de Wael van Vronesteyn), blz. 271, Hoge Raad van Adel, inventarisnr. 6 (Joost van Atteveld), Wapenboek met kwartieren van meest Utrechtse edellieden, nr. 58, en J.W. des Tombe, De lotgevallen van een oud huis te Utrecht, blz. 504. 44)Het Utrechts Archief, Begraafboek 122, blz. 479. Zie ook J.D.Wagner, Overluidingen te Utrecht, De Navorscher, jaargang 45 (1895), blz. 149, E.B.F.F.Wittert van Hoogland, Bijdragen tot de Geschiedenis der Utrechtsche Ridderhofsteden, deel I, blz. 226-227 en 293-294, J.Kleijntjens, Het geslacht De Wael van Vronesteyn (naar een handschrift van Gerard de Wael van van Vronesteyn), blz. 271, en mr.E.J.Wolleswinkel, De wapenboekjes van Joris Sijen Pietersz. uit Amsterdam (midden 17 de eeuw), De Nederlandsche Leeuw, jaargang CXXII (2005), blz. 182. 45)Het Utrechts Archief, St.Stevensabdij van Benedictinessen te Oudwijk 1288-1803, Bijlagen, Abdissen, vrouwen en prelatuurschappen van de St.Stevensabdij. Zie ook Het Utrechts Archief, Begraafboek 122, blz. 479, Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Familie De Graeff 1258-1863, nr. 21, geen folionummering, E.B.F.F.Wittert van Hoogland, Bijdragen tot de Geschiedenis der Utrechtsche Ridderhofsteden, deel I, blz. 226-227 en 293-294, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 14321903, nr. 8, blz. 11. 46)HarriĂŤn van Dijk en Boukje Overbeek, Drift 29, Utrecht; onderdeel van de Bibliotheek van de faculteit Letteren. Waardenstelling, herbestemmingsonderzoek, deelontleding en restauratievoorstellen, Scriptie, Utrecht 2003, Bijlage: Overzicht eigenaars/bewoners Drift 27a en b. Zie ook C.C.S.Wilmer e.a., De getekende stad. Utrecht in oude tekeningen 1550-1900, Utrecht 2005, blz. 327, en Paulina de Nijs en Hans Kroeze (red.), De middeleeuwse kloostergeschiedenis van de Nederlanden, deel I, blz. 194 t/m 196. 47)C.A. van Kalveen, De vijf adellijke vrouwenkloosters in en om de stad Utrecht. In: E.S.C.Erkelens-Buttinger e.a. (red.), De kerk en de Nederlanden. Archieven, instellingen, samenleving, Hilversum 1997, blz. 154, 164, 165 en 167, dr.J.Aalbers, Geboorte en geld, blz. 72, en drs.Petros Samara, De Utrechtse ridderschapsconventen in de zeventiende eeuw. In: Virtus. Jaarboek van de Stichting Werkgroep Adelsgeschiedenis, nr. 11, Utrecht 2004, blz. 23 t/m 27. 48)Het Utrechts Archief, Begraafboek 122, blz. 479. Zie ook Het Utrechts Archief, Arnoldus Buchelius (Aernout van Buchel), Monumenta passim in templis ac monasteriis Trajectinae urbis atque agri inventa, Utrecht ca. 1615, folio 26 recto. 49)J.J. de Geer, Proeve eener geschiedenis van het geslacht Van Nyenrode. In: Berigten van het Historisch Genootschap te Utrecht. Vierde deel. Eerste stuk. Utrecht 1851, blz. 121, dr.A.J.Maris, Repertorium op de Stichtse Leenprotocollen uit het landsheerlijke tijdvak. I. De Nederstichtse leenacten (1394-1581), nr. 259, dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Amstel, 1236-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 384, dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen en tijnsen van de proosdij van Oudmunster, nr. 10, en Hoge Raad van Adel, inventarisnr. 6 (Joost van Atteveld), Wapenboek met kwartieren van meest Utrechtse edellieden, nr. 29. 50)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen en tijnsen van de proosdij van Oudmunster, nr. 10, P.M.Heijmink Liesert en L.M.J. de Keijzer, Nieuw-Amelisweerd of Groenewoude, Tussen Rijn en Lek. Tijdschrift voor de geschiedenis van het gebied tussen Kromme Rijn en Lek, jaargang 1, nr. 3 (september 1967), blz. 8, dr.C.Dekker, Het Kromme Rijngebied in de middeleeuwen, blz. 435, drs.B.Olde Meierink e.a., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, blz. 108, en Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Tiende Deel, blz. 111. 51)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Amstel, 1236-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 384. 52)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de Hagesteinse lenen van de hofstede Culemborg, 1358-1640, Ons Voorgeslacht, jaargang 40 (1985), blz. 130. Zie ook dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 43 (1988), blz. 273. 53)Het Utrechts Archief, Familie des Tombe, nr. 275. 54)Het Utrechts Archief, Transporten oude eigenaars 1544-1568, nr. 210-211, dr.A.J.Maris, Repertorium op de Stichtse Leenprotocollen uit het landsheerlijke tijdvak. I. De Nederstichtse leenacten (1394-1581), nr. 156, Het Utrechts Archief, Verzameling Van Atteveld, nr. 61, en Familie des Tombe, nr. 275, dr.H.M.Brokken (eindred.), Heren van Stand, blz. 99, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 11, en nr. 13, blz. 8. 55)Het Utrechts Archief, Huis Oudwulven te Houten, nr. 10. 56)Het Utrechts Archief, Klapper overluidingen Dom van Utrecht 1562-17, Bert Koene, Voor God, Graaf en Geslacht. De kroniek van de ridders van Assendelft, blz. 191 en 192, dr.Geertruida de Moor, Verborgen en geborgen. Het cisterciĂŤnzerinnenklooster Leeuwenhorst in de Noordwijkse regio (1261-1574), blz. 37 en 574, drs.Geertruida de Moor, Wie stamt af van een Leeuwenhorster non?, Ons Voorgeslacht, jaargang 48 (1993), blz. 416, mr.F.A.Holleman, Dirk van Assendelft, schout van Breda, en de zijnen, Zutphen 1953, blz. 464 t/m 468 en 489 t/m 499, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 14321903, nr. 8, blz. 11, en nr. 13, blz. 8. 57)Het Utrechts Archief, Transporten oude eigenaars 1544-1568, nr. 179. 58)Het Utrechts Archief, Transporten nieuwe eigenaars 1544-1568, nr. 72-74. Zie ook C.C.S.Wilmer e.a., De getekende stad, blz. 290. 59)Het Utrechts Archief, Transporten nieuwe eigenaars 1544-1568, nr. 65-66, en Transporten oude eigenaars 1569-1593, nr. 46-47. Zie ook C.C.S.Wilmer e.a., De getekende stad, blz. 303.


155

60)Het Utrechts Archief, Transporten nieuwe eigenaars 1544-1568, nr. 131-132. 61)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 7 en 8. 62)P.C.Molhuysen, Bronnen tot de geschiedenis der Leidsche universiteit 1574-1811, deel 1, 1574-1610, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 20, ’s-Gravenhage 1913-1924, blz. 451 t/m 456, en F.A.Holleman, Dirk van Assendelft, schout van Breda, en de zijnen, blz. 466 en 467. 63)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen en tijnsen van de proosdij van Oudmunster, nr. 10, dr.C.Dekker, Het Kromme Rijngebied in de middeleeuwen, blz. 434 en 435, en drs.B.Olde Meierink e.a., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, blz. 108 t/m 110. Zie ook P.M.Heijmink Liesert en L.M.J. de Keijzer, Nieuw-Amelisweerd of Groenewoude, blz. 8. 64)Dr.R.R.Post, Kerkelijke verhoudingen in Nederland vóór de Reformatie van ±1500 tot ±1580, blz. 173. Zie ook dr.E.M.F. Koch, De kloosterpoort als sluitpost?, blz. 40, 41, 109 t/m 117, 133 t/m 136 en 147, dr.Conrad Gietman, Republiek van adel. Eer in de Oost-Nederlandse adelscultuur (1555-1702), blz. 123 t/m 127, en Paulina de Nijs en Hans Kroeze (red.), De middeleeuwse kloostergeschiedenis van de Nederlanden, deel I, blz. 119 t/m 127. 65Dr.R.R.Post, Kerkelijke verhoudingen in Nederland vóór de Reformatie van ±1500 tot ±1580, blz. 173. Zie ook dr.E.M.F. Koch, De kloosterpoort als sluitpost? Adellijke vrouwen langs Maas en Rijn tussen huwelijk en convent, 1200-1600, blz. 8, 9 en 77. 66)Bert Koene, Voor God, Graaf en Geslacht. De kroniek van de ridders van Assendelft, blz. 131. Zie ook dr.R.R.Post, Kerkelijke verhoudingen in Nederland vóór de Reformatie van ±1500 tot ±1580, blz. 175, en mr.F.A.Holleman, Dirk van Assendelft, schout van Breda, en de zijnen, blz. 13. 67)Antonius Matthaeus, Veteris aevi analecta seu vetera monumenta hactenus nondum visa, deel III, blz. 650. 68)Gelders Archief, Archief van de familie Van der Capellen, nr. 89, brief van Frederik van Zuylen van Nievelt aan Alexander van der Capellen, 5 oktober 1636, en dr.Conrad Gietman, Republiek van adel. Eer in de Oost-Nederlandse adelscultuur (1555-1702), blz. 139. 69)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 136. Zie ook Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), Brieven van en aan het Kwartier van Nijmegen 1544-1811, nr. 818, brief nr. 5008 (22 maart 1564) en nr. 827, brief nr. 8083 (13 juni 1578), E.B.F.F.Wittert van Hoogland, Bijdragen tot de Geschiedenis der Utrechtsche Ridderhofsteden, deel II, blz. 248-249, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 9. 70)Het Utrechts Archief, Klapper overluidingen Dom van Utrecht 1562-1751. Zie ook dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Montfoort 1362-1649, Ons Voorgeslacht, jaargang 37 (1982), blz. 317. 71)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 303, folio 113 recto, dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, VIII. De lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 41 (1986), blz. 589, E.B.F.F.Wittert van Hoogland, Bijdragen tot de Geschiedenis der Utrechtsche Ridderhofsteden, deel II, blz. 248-249, en J.W. des Tombe, De lotgevallen van een oud huis te Utrecht, blz. 504. Zie ook drs.B.Olde Meierink e.a., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, blz. 139, ir.J.D.M.Bardet, Kastelenboek provincie Utrecht, blz. 28, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, Genealogieën samengesteld door de gebroeders van Atteveld. De Voocht van Rijnevelt, De Nederlandsche Leeuw, jaargang II (1884), blz. 64, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 11, en Het Utrechts Archief, Utrechtse Leenhof 1529-1807 (1865), nr. 134, Register F, 1554-1582, folio 83 recto en verso, en 84 recto. 72)Het Utrechts Archief, Begraafboek 121, blz. 422. Zie ook E.B.F.F.Wittert van Hoogland, Bijdragen tot de Geschiedenis der Utrechtsche Ridderhofsteden, deel II, blz. 248-249, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en mr.E.J.Wolleswinkel, De wapenboekjes van Joris Sijen Pietersz. uit Amsterdam (midden 17de eeuw), blz. 181. 73)Het Utrechts Archief, Transport oude eigenaars 1569-1593, nr. 155. Zie ook C.C.S.Wilmer e.a., De getekende stad, blz. 158 t/m 162. 74)Het Utrechts Archief, Staten van Utrecht 1581-1810, nr. 800. 75)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 111 en 136. 76)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 303, folio 113 recto. 77)Dr.J.C.Kort, De leenhoven van de heren van Vianen, VIII. Lenen in het land van Vianen, Ons Voorgeslacht, jaargang 41 (1986), blz. 588 en 589. 78)Brief van Gerhard van Prouninck genoemt van Deventer aan de stedelijke regering van Utrecht, 1586. Medegedeeld door mr.J.A.Grothe. In: Kronijk van het Historisch Genootschap gevestigd te Utrecht, Elfde jaargang (1855), Derde serie, Eerste deel, Utrecht 1855, blz. 229 t/m 232. Zie ook E. van Meteren, Historie van de oorlogen en geschiedenissen der Nederlanderen, en derzelver Naburen: Beginnende met den Jare 1315, en eindigende met den Jare 1611, Vyfde deel, Gorinchem 1752, blz. 227 t/m 233. 79)J.Kleijntjens, Aanteekeningen over het geslacht De Wael van Vronesteyn, De Navorscher, jaargang 71 (1922), blz. 208. 80)J.Kleijntjens, Het geslacht De Wael van Vronesteyn (naar een handschrift van Gerard de Wael van Vronesteyn), blz. 281. 81)Het Utrechts Archief, Begraafboek 122, blz. 416. Zie ook Het Utrechts Archief, Klapper overluidingen Dom van Utrecht 1562-1751, en J.D.Wagner, Overluidingen te Utrecht, De Navorscher, jaargang 44 (1894), blz. 191. 82)Ibidem, en Het Utrechts Archief, Registers van huwelijken, gesloten voor de schepenen, 1585-1811, inventarisnr. 85, folio 142 recto, Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht 1560-1905, U034a004, nr. 78, Johan van de Water, Groot Placaatboek, Tweede deel, blz. 427, en J.Kleijntjens, Het geslacht De Wael van Vronesteyn (naar een handschrift van Gerard de Wael van Vronesteyn), blz. 281. 83)Drs.B.Olde Meierink e.a., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, blz. 347 t/m 349. 84)Het Utrechts Archief, Utrechtse Leenhof 1529-1807 (1865), nr. 102, Register EE, 1628-1630, folio 53 verso. 85)Het Utrechts Archief, Heerlijkheid Montfoort 1282-1649, nr. 290, folio 322.


156

86)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 42, 111 en 136. 87)Het Utrechts Archief, Huis Den Ham te Vleuten 1468-1923, nr. 7, folio 92 verso en 93 recto en verso, en dr.J.C.Kort, Het goederenbezit van de heren van Culemborg in Maurik, 1299-1669, nr. 12. In: Genealogische Bladen, nr. 2 (1993). 88)Het Utrechts Archief, Transporten oude eigenaars 1619-1643, nr. 422-424. Zie ook C.C.S.Wilmer e.a., De getekende stad, blz. 306 en 307. 89)Het Utrechts Archief, Begraafboek 122, blz. 588. Zie ook klapper overluidingen Dom van Utrecht 1562-1751, E.B.F.F. Wittert van Hoogland, Bijdragen tot de Geschiedenis der Utrechtsche Ridderhofsteden, deel II, blz. 248-249, Hoge Raad van Adel, inventarisnr. 6 (Joost van Atteveld), Wapenboek met kwartieren van meest Utrechtse edellieden, nr. 59, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 90)Het Utrechts Archief, Registers van huwelijken, gesloten voor de schepenen, 1585-1811, inventarisnr. 85, folio 126 recto, Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1905), U021a020, nr. 93, en Regionaal Archief Rivierenland, ORA van Nederbetuwe 1476-1811, Gerichtssignaat van Nederbetuwe, bank Zoelen 1559-1733, nr. 182, folio 143 verso en 147 verso. Zie ook Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 304, folio 100 verso, E.B.F.F.Wittert van Hoogland, Bijdragen tot de Geschiedenis der Utrechtsche Ridderhofsteden, deel II, blz. 248-249, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 12, en nr. 13, blz. 12, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15 en 62, en dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede de Ham, Ons Voorgeslacht, jaargang 47 (1992), blz. 309. 91)Regionaal Archief Rivierenland, Oud Rechterlijk Archief van Graafschap Buren, 1560-1811, Het Schoutambt van Beusichem en Zoelmond, Civiele procesdossiers, 1600-1807, inventarisnr. 187 (1660-1666), nr. 15 (1662). Zie ook Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1905), U031a003, nr. 131 en U021a015, nr. 75. 92)Het Utrechts Archief, Transporten oude eigenaars 1644-1668, nr. 235-237. 93)Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1905), U072a3, nr. 49, en E.B.F.F.Wittert van Hoogland, Bijdragen tot de Geschiedenis der Utrechtsche Ridderhofsteden, deel II, blz. 248-249. Zie ook Gelders Archief, Huis De Doornenburg 1275-1838, nr. 245 (verdeling nalatenschap Sweder en Anna). 94)H. van Heiningen, De historie van het Land van Maas en Waal, blz. 47, Jacobus Kok, Vaderlandsch Woordenboek. Deel VII, Amsterdam 1787, blz. 873 en 875, en A.E.M.Janssen, Jacob Mom ca. 1569-1621, ambtman, Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 7, Hilversum 2005, blz. 103 t/m 107. Zie ook P.J.Meij e.a., Geschiedenis van Gelderland 1492-1795, blz. 144, 350 en 351, dr.E.J.Th.A.M.A.Smit en H.J.Kers, De Geschiedenis van Tiel, blz. 84, 86 en 87, mr.E.D.Rink, Beschrijving der stad Tiel, blz. 72 t/m 74, en Johan Hendrik van Heurn, Historie der Stad en Meyerye van ’s-Hertogenbosch, Tweede Deel, blz. 347 en 348. 95)Drs.B.Olde Meierink e.a., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, blz. 138. 96)Het Utrechts Archief, Utrechtse Leenhof 1529-1807 (1865), nr. 136, Register H, 1590-1606, folio 157 recto. 97)Mr.dr.J. den Tex, Onder vreemde heren. De Republiek der Nederlanden 1672-1674, Zutphen 1982, blz. 84. 98)Drs.B.Olde Meierink e.a., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, blz. 139 t/m 141, ir.J.D.M.Bardet, Kastelenboek provincie Utrecht, blz. 28 en 29, en W.A.Bachiene, Beschryving der Vereenigde Nederlanden. Tweede Deel, blz. 1101. Voor akten over de geschiedenis van de Blikkenburg zie Ph.J.C.G. van Hinsbergen, Bronnen voor de geschiedenis van Zeist, blz. 62, 63, 132, 143, 152, 214, 256, 260, 261, 287, 325, 327, 328, 343, 357, 378, 379, 411, 428, 467 en 468, en Gemeentearchief Zeist, Archief Huis Blikkenburg 1655-1912, nr. 3 t/m 22. 99)Het Utrechts Archief, Begraafboek 124, blz. 491. Zie ook Klapper overluidingen Dom van Utrecht 1562-1751, Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1905), U072a3, nr. 49, Gelders Archief, Familie Van Brakell 14321903, nr. 8, blz. 13, en nr. 13, blz. 12, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 42. 100)Ibidem, en Het Utrechts Archief, Registers van huwelijken, gesloten voor de schepenen, 1585-1811, inventarisnr. 85, folio 299 verso, en Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1905), U053a008, nr. 130. Zie ook Het Utrechts Archief, Familie des Tombe, nr. 275. 101)Het Utrechts Archief, Klapper overluidingen Dom van Utrecht 1562-1751. Zie ook J.D.Wagner, Overluidingen te Utrecht, De Navorscher, jaargang 36 (1886), blz. 571. 102)Het Utrechts Archief, Begraafboek 123, blz. 489. Zie ook Klapper overluidingen Dom van Utrecht 1562-1751, en C.C.S.Wilmer e.a., De getekende stad, blz. 351. 103)Het Utrechts Archief, Registers van huwelijken, gesloten voor de schepenen, 1585-1911, inventarisnr. 85, folio 386 verso, Gelders Archief, Huis De Doornenburg, nr. 240 (huwelijksvoorwaarden). Zie ook nr. 241 (testament Gerrit en Anna) en 242 (nalatenschap Anna). Zie verder mr.A.P. van Schilfgaarde, Het archief van de Doornenburg, Arnhem 1966, blz. VI en 24, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 12, drs.B.Olde Meierink e.a., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, blz. 291, en W.A.Rijksvrijheer van Spaen, Historie der Heeren van Amstel, van Ysselstein en van Mynden, tot opheldering van Wagenaar, Den Haag 1807, blz. 194. 104)Mr.A.P. van Schilfgaarde, Het archief van de Doornenburg, blz. VI. Zie ook dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de abdij Egmond, 12e eeuw-1650, Ons Voorgeslacht, jaargang 53 (1998), blz. 208. 105)Gelders Archief, Huis De Doornenburg, nr. 243 (nagelaten boedel Agnes), en Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1905), U021a020, nr. 93, U021a015, nr. 75 en U021a017, nr. 159. Zie ook mr.A.P. van Schilfgaarde, Het archief van de Doornenburg, blz. 24, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 12. 106)Ibidem. Zie ook Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1905), U72a5, nr. 67. 107)Het Utrechts Archief, Transporten oude eigenaars 1694-1719, nr. 500-504. Zie ook Gelders Archief, Huis De Doornenburg, nr. 246, en C.C.S.Wilmer e.a., De getekende stad, blz. 419. 108)Het Utrechts Archief, Begraafboek 121, blz. 292. Zie ook klapper overluidingen Dom van Utrecht 1562-1751. 109)Het Utrechts Archief, Begraafboek 121, blz. 646. Zie ook klapper overluidingen Dom van Utrecht 1562-1751.


157

110)Het Utrechts Archief, Klapper overluidingen Dom van Utrecht 1562-1751. 111)Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Notarissen Oirschot 1556-1925, Notaris Johan van Oeckell, inventarisnr. 119, akte nr. 123. 112)Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Notarissen Oirschot 1556-1925, Notaris Johan van Oeckell, inventarisnr. 120, akte nr. 32. 113)Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Notarissen Oirschot 1556-1925, Notaris Johan van Oeckell, inventarisnr. 120, akte nr. 39. 114)Drs.B.Olde Meierink e.a., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, blz. 517 t/m 519. 115)Het Utrechts Archief, Utrechtse Leenhof 1529-1807 (1865), nr. 137, Register ABC, 1607-1664, folio 154 recto en verso, en folio 155 recto en verso. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede de Ham 1351-1662, Ons Voorgeslacht, jaargang 47 (1992), blz. 309. 116)Het Utrechts Archief, Utrechtse Leenhof 1529-1807 (1865), nr. 137, Register ABC, folio 154 recto en verso, en folio 155 recto en verso. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 117)Het Utrechts Archief, Heerlijkheid Montfoort 1282-1649, nr. 291, folio 35 recto en verso. 118)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 42, 111 en 136. 119)Het Utrechts Archief, Huis Den Ham te Vleuten, nr. 7, folio 124 verso, 125 recto en verso. 120)Het Utrechts Archief, Huis Den Ham te Vleuten, nr. 7, folio 126 recto. 121)Het Utrechts Archief, Begraafboek 123, blz. 653. Zie ook Klapper overluidingen Dom van Utrecht 1562-1751, Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1905), U0100a7, nr. 20, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 12. 122)Het Utrechts Archief, Registers van huwelijken, gesloten voor de schepenen, 1585-1811, inventarisnr. 85, folio 440 recto, en Het Utrechts Archief, Utrechtse Leenhof 1529-1807 (1865), nr. 106, Register II, 1652-1657, folio 152 recto en verso, en folio 153 recto en verso, Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1905), U021a021, nr. 35 en 164 Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 13, en nr. 13, blz. 12, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 123)Ibidem, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 13, en Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1905), U021a021, nr. 35 en 164. 124)Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1905), U021a021, nr. 35, U056a006, nr. 1 en U0100a7, nr. 20, Gemeentearchief Zeist, Archief Huis Blikkenburg 1655-1912, nr. 1, en Het Utrechts Archief, Utrechtse Leenhof 1529-1807 (1865), nr. 106, Register II, 1652-1657, folio 152 recto en verso, en folio 153 recto en verso . 125)Het Utrechts Archief, Utrechtse Leenhof 1529-1807 (1865), nr. 106, Register II, 1652-1657, folio 152 recto en verso, en folio 153 recto en verso. Zie ook Gemeentearchief Zeist, Archief Huis Blikkenburg, 1655-1912, nr. 1. 126)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 42, 111 en 136. 127)Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1905), U072a5, nr. 67. Zie ook Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 111. 128)Ir.J.D.M.Bardet, Kastelenboek provincie Utrecht, blz. 28, en dr.E.M.F.Koch, De kloosterpoort als sluitpost? Adellijke vrouwen langs Maas en Rijn tussen huwelijk en convent, 1200-1600, blz. 45 en 46. 129)Gemeentearchief Zeist, Archief Huis Blikkenburg 1655-1912, nr. 2, en Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1905), U056a006, nr. 1, U072a5, nr. 67 en U0100a7, nr. 20.


158

HOOFDSTUK IX HEREN IN DE BETUWE (ca. 1500 – ca. 1900). DE BETUWSE TAK VAN HET GESLACHT VAN BRAKELL

§ 1 Inleiding

Tot de Heren in de Betuwe behoren de nakomelingen van Johan van Brakell en Catharina van Leefdael, het geslacht Van Brakell tot Kermesteyn (zie par. 3), en Lodewijk van Brakell en Antonia van Wijhe, de geslachten Van Brakell tot den Brakell en Van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth (zie par. 5 en 7). Zij gingen zich in de achttiende eeuw baron noemen, een titel die in het begin van de negentiende eeuw door koning Willem I erkend werd. (1)

§ 2 Heren in de Betuwe I

I.Sweder van Brakell (I). Huwde Jorden Hacken. 1)Jasper (I). Zie II.1. 2)Sweder (II). Zie II.2. II.1. Jasper (I). Huwde 1)Elisabeth de Cock van Opijnen 2)Aleyt Rutgers van Delen. Uit het tweede huwelijk: 1)Sweder (III). Zie III.1. 2)Gerrit. 3)Dirk(a). Huwde Otto van Rossum. 4)Jasper. II.2. Sweder (II). Huwde 1)Maria van Hardenbroeck 2)Elisabeth van Doornick 3)Elizabeth van Brienen. Uit het derde huwelijk: 1)Berta. Huwde Gerrit Ingen Nulandt. 2)Adelheid. Huwde Unico Manninga. III.1. Sweder (III). Huwde Aleyt to Boecop. 1)Jasper (II). Zie hoofdstuk VIII. 2)Melchior. Zie IV.1. IV.1. Melchior. Huwde Anna van Eck. 1)Isabella. Huwde 1)Willem die Rover 2)Johan van Druten. 2)Maria. Jasper (I) van Brakell was een zoon van Sweder van Brakell en Jorden Hacken. Zie hoofdstuk III, par. 2. In 1516 was hij schepen en in 1518, 1519 en 1520 burgemeester van Tiel. (2) Jasper ‘zaliger’ overleed voor 19 augustus 1524 (3) en huwde eerst Elisabeth de Cock van Opijnen, dochter van Gerrit de Cock van Opijnen en Geertruid van den Oever, en daarna Aleyt Rutgers van Delen, dochter van Jacob Rutgers. (4) Zij overleed na 22 juni 1556. (5) Van Jasper en Aleyt zijn drie kinderen bekend:


159

1)Sweder (III). Zie hieronder. 2)Gerrit. In 1553 wordt ‘Gerrit van Brakell’ schepen van Tiel genoemd. (6) Hij ontving op 29 januari 1579 ‘seven mergen lants ende 50 roden’ te Opijnen in leen. (7) 3)Dirk(a). Zij overleed voor 1579 en huwde voor 10 september 1545 Otto van Rossum, zoon van Adriaan van Rossum, richter, schepen en burgemeester van Tiel, en Elisabeth Schaessen (of de Haes). Otto overleed voor 5 januari 1578. (8) 4)Jasper. Op 22 maart 1564 wordt ‘Jaspar van Brakel Jasperss’ voogd genoemd van ‘Jaspar van Brakel Swederss syne broders soon’. (9) Sweder (II) van Brakell was een zoon van Sweder van Brakell en Jorden Hacken. (10) Op 24 maart 1525 wordt ‘onse ondersait Sweer van Braickell’ vermeld in een brief van Karel van Egmond, hertog van Gelre, aan het kapittel van Oudmunster. (11) Op 18 november 1544 wordt hij ‘den erentfesten ende vromen Sweder van Braeckel Swederszoon’ genoemd. (12) Sweder was (1545) richter (= voorzitter van de plaatselijke rechtbank, openbaar aanklager en uitvoerder van het vonnis) en schepen van Wageningen, en in 1521, 1531, 1536, 1538 en 1540 burgemeester van genoemde stad. (13) In 1543 kwam een einde aan de zelfstandigheid van Gelre. Hertog Willem ontsloeg tijdens een bijeenkomst van adel en steden (met uit de ‘stadt Waegeningen Sweer van Braeckell richter’) ‘haer alle van den eed aen hem gedaen’. Daarna verklaarden de ‘vryheeren, ridderen en steden den keyser (Karel V) en syne erven voor waeren en wetlijken erfheer der landen van Gelder en Zutveen, ende aen de zelve trouw, gehoorsaemheid en ontsagh als onderzaeten belooft’ (Tractaat van Venlo, 12 september 1543; zie verder blz. 160). (14) Sweder overleed op 12 maart 1546. (15) Sweder huwde 1)Maria van Hardenbroeck (overleden in 1520), dochter van Johan van Hardenbroeck en Hedwig van Zuylen van Nijevelt; 2)Elisabeth van Doornick (overleden op 20 oktober 1525), dochter van Johan van Doornick en Philippa Daemsdr. van der Haer; 3)na 11 februari 1527 Elizabeth van Brienen (overleden op 3 april 1534), dochter van Wolter van Brienen, Heer van Biessel, ridder en burgemeester van Zwolle, en Berta ten Water. (16) Van Sweder en Elizabeth zijn twee kinderen bekend: 1)Berta. (17) Zij overleed na 23 november 1583. (18) Berta huwde Gerrit Ingen Nulandt, Heer van Valburg (bij Elst). Hij was richter (1565) en dijkgraaf van Wageningen, gerichtsman van de Overbetuwe en lid van de ridderschap Nijmegen. Gerrit was een zoon van Willem Ingen Nulandt, lid van de ridderschap Nijmegen en ambtman van de Overbetuwe, en Johanna Hacfort, Vrouwe van Valburg. (19) Hij overleed tussen 10 februari en 9 oktober 1585. (20) Een van de zeven kinderen van dit echtpaar heette naar haar overgrootmoeder van moederszijde Jordina. Een ander, Zweder, naar zijn grootvader van moederszijde. (21) 2)Adelheid. Zij werd geboren in 1532 en overleed rond 1617. Adelheid of Alith huwde Unico Manninga, drost te Emden. Unico werd geboren in 1529 en overleed op 28 april 1588. (22) In 1605 verkocht ‘joncker Willem Ingennulant tzu Valburch’ als gevolmachtigde van ‘joffer Alith van Brakel vrouwe tot Lutzburch’ acht morgen land in de ‘gerichte van Tiel’ aan de ‘edele en erentfeste’ Johan van Druten. (23) N.B. In 1544 had Sweder van Brakell 40 morgen grond in de Betuwe in pand van Maximiliaan van Egmond, veldheer van Karel V en vader van Anna van Buren, de echtgenote van Willem van Oranje. Sweder liet in dat jaar Maximiliaan weten dat hij voor die grond 3800 carolusguldens bood. (24) Sweder van Brakell woonde in twee panden op de Markt in Wageningen. In het tijnsregister van de hertog van Gelre worden in het ‘grote huis’ achtereenvolgens als bewoners genoemd: ‘Bartolt Hacken huysfr. (grootmoeder van Sweder?), Sweer van Braeckell en Gerrit ingen Neulandt Richter’, en in het ‘cleijne huis’ achtereenvolgens: ‘Joffer Hacken, Sweder van Braeckell en Gerrit Ingen Nuelandt Richter tot Waegeningen’. (25) Op 1 augustus 1551 stond de raad van de stad Wageningen de ‘kynderen


160

ind vrunden van selige Sweer van Brakell’ schepen en richter van Wageningen toe op grond van de ‘gemeyntte’ naast hun keuken te ‘fundieren ind metselen’, d.w.z. zij mochten bouwen naast de hofstad van de St.Antonisvicarie. (26) ‘Gerrit inge Nulandt ende Joffer Beerte van Brakel echtel.’ hadden op 1 november 1576 een ‘huys ende hoffstadt staende binnen deser stadt van Wagheninghen an de Merckt’. (27) Sweder (III) van Brakell was een zoon van Jasper van Brakell en Aleyt Rutgers van Delen. (28) Sweder was van 1552 tot 1554 en in 1558 gedeputeerde van het Kwartier van Nijmegen in de Gelderse Landdag, in 1556 schepen en in 1547, 1554, 1555 en 1560 burgemeester van Tiel. (29) De Landdag was vanaf de veertiende eeuw de vertegenwoordiging van de Gelderse steden en standen tegenover de hertog van Gelre. In 1581 sloot Gelderland zich aan bij de opstand tegen Philips II en werd de Landdag het hoogste bestuursorgaan van het gewest. In 1798 veranderde Nederland van een statenbond (Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden) in een gecentraliseerde eenheidsstaat en werd Gelderland van een zelfstandig gewest een provincie. De Landdag maakte in 1814 plaats voor het college van Provinciale Staten. Hij overleed voor 27 december 1562 (30) en huwde Aleyt to Boecop. Zij was een dochter van Arend to Boecop, lid van de ridderschap van de Veluwe, en Gerbrich van Lennep. (31) Aleyt overleed voor 22 augustus 1595. (32) Op 6 november 1551 werd Sweder beleend met ‘thien morgen lants tot Alden Avesaet’ en op 22 juni 1556 met vijf morgen land ‘geheiten die Sturne’ in Zoelen. (33) Op 19 februari 1554 beloofde ‘Sweer van Brakell’ aan de armmeesters van de St.Maartenskerk een rente van 4 Karolusguldens, alsmede twee rentebrieven van 6 Philipsguldens per jaar. (34) In 1558 moest hij opnieuw de beurs trekken. In dat jaar werd op 11 januari de St.Maartenskerk in Tiel door een storm ernstig beschadigd en bovendien ‘veele huijzen van de daken ontbloot’. Vele burgers van de stad besloten een steentje bij te dragen aan het herstel van het gebouw. Zo schonk ‘Asswerus van Brakel, raadslid’ 100 Karolusguldens. Bovendien gaf hij 100 Karolusguldens voor de bouw van het weeshuis en eenzelfde bedrag ter vermeerdering van de aalmoezen, die op iedere vrijdag in de St.Maartenskerk aan de armen werden uitgereikt. (35) Sweder was ook buiten Tiel actief. In 1556 werd een verbond gesloten van bannerheren, ridderschap en vertegenwoordigers van Nijmegen, Tiel en Zaltbommel namens het Kwartier van Nijmegen, Roermond en Venlo namens het Opperkwartier, en Arnhem en Harderwijk namens het Kwartier van Arnhem, waarbij men beloofde elkaar bij te staan bij het verzet tegen de Inquisitie. ‘In kennis der waerheit hebben die verordente (waaronder ‘Zweer van Braeckell’) dit selve onderteickent op maendach den VIII junij anno LVI bijnnen der stat Arnhem’. (36) Op 29 november 1560 werd ‘Zweer van Brakel’ voor een termijn van twee jaar benoemd tot een van de toezichthouders op de naleving van het Tractaat van Venlo. Het Tractaat van Venlo van 12 september 1543 - niet te verwarren met het Verdrag van Venlo van 7 september 1543 toen de hertog van Gelre zijn vorstendom aan de Duitse keizer en koning van Spanje Karel V afstond (zie hoofdstuk IV, par. 1) - was een overeenkomst waarbij de bannerheren, ridderschap en steden van Gelre Karel V als landsheer erkenden en aanvaardden. Karel V bevestigde bij datzelfde Tractaat de privileges en vrijheden van adel en steden. Philips II, de opvolger van Karel V, voerde een strikte centralisatiepolitiek en had daarom geen boodschap aan rechten en vrijheden van onderdanen. Om die reden werd in 1560 door de ingezetenen van Gelre een commissie ingesteld die erop moest toezien dat Philips II en zijn ambtenaren zich aan het Tractaat van Venlo zouden houden. (37) Van Sweder en Aleyt zijn twee kinderen bekend: 1)Jasper. In 1576 was hij schepen van Tiel. (38) Jasper huwde Beatrix de Voocht van Rijnevelt uit Utrecht en vestigde zich in genoemde stad. Zijn nakomelingen gingen door hun functies en huwelijken tot de Utrechtse tak van het geslacht Van Brakell behoren. Zie verder hoofdstuk VIII, par. 3. 2)Melchior. Op 11 november 1585 en op 15 juni 1587 wordt hij samen met zijn broer Jasper vermeld. Beide akten hebben betrekking op ‘III morgen lants inde gericht van Tiell inden Engh’. (39) Melchior huwde Anna van Eck. Hij overleed na 25 maart 1602. (40) Van Melchior en Anna zijn twee kinderen bekend: 1)Isabella (Beleken). Zij huwde eerst Willem die Rover. Hij overleed in of voor 1592. (41) In een akte van 13 juli 1593 staat dat zij door Willem ‘getocht is in alle goederen rede en onrede int ge-


161

richt van Tiell en Zandwyck gelegen’. (42) In of voor 12 november 1596 sloot zij een tweede huwelijk met Johan van Druten. (43) Op 20 april 1598 werd zij beleend met twee morgen land in Avesaet. (44) Isabella overleed in of voor 1624. (45) 2)Maria. Zij wordt samen met haar oom Jasper van Brakell op 20 en 26 april 1586 genoemd in een akte over ‘een stuck lants genaemt den Tielschen Engh’. (46) Op 10 september 1592 en op 28 april 1594 worden Maria en Isabella ‘gesusteren’ genoemd. (47) Beide dames worden in de jaren 1592-1598 diverse malen vermeld in de boeken van het Schepensignaat van Tiel waarbij het óf om grond óf om geld handelt. N.B. In Stucken en documenten behoorende tot den Codex Gelro Zutphanicus, te saemen gebragt by mr.Johan Schrassert regtsgeleerde, te Harderwijck 1740 (blz. 497 t/m 500) is sprake van een ‘Verbond der bannerheeren, ridderschap en steden, tot bewaeringe der privilegien en vryheden, de anno 1563 op vrijdag in Profesto Andreae Apostoli’. Tot de ondertekenaars behoorde namens het Kwartier van Nijmegen ‘Zweer van Braeckell’. Dit kan niet Sweder (III) van Brakell geweest zijn, want deze was in 1563 al overleden. Misschien een zoon of neef?

§ 3 Heren in de Betuwe II

I. Cornelis. Zoon van Johan van Brakell en Catharina van Leefdael. Zie hoofdstuk III, par. 2. Huwde Margriet to Boecop. 1)Johan (I). Zie II.1. 2)Geertruyt. Huwde Dirk Vonck. 3)Catharina. Huwde Willem van Poelwij(c)k. 4)Elisabeth. Huwde 1)Johan Ruysch van Wayenstein 2)Willem Lijster(s). 5)N.N. II.1. Johan (I). Huwde Johanna van Meerten. 1)Cornelis. 2)Dirk (I). Zie III.1. 3)Lodewijk (I). Zie III.2. 4)Berta. Huwde Jacob Both van der Eem. 5)Aleid. Huwde Hendrik Sael Uten Engh. 6)Geraert. Huwde Elisabeth van Doorni(n)ck. 7)Margriet. Huwde Dirk van Eck. III.1. Dirk (I). Huwde Petronella Vijgh. 1)Dirk. Huwde Hester Vijgh. 2)Elisabeth. Huwde Reiner Ditfer. 3)Hadewig. Huwde Johan Melchior van Bodeck van Ellgau. 4)Pieternella. Huwde Cornelis van Buren. 5)Johanna. Huwde Pierre Durfort d’Autieges. III.2. Lodewijk (I). Huwde 1)Catharina Tampier 2)Judith van Beinum 3)Josina Ruysch. Uit het eerste huwelijk: 1)Johan (II). Zie IV.1. 2)Johanna. Huwde François Lijseman. IV.1. Johan (II). Huwde Henrica Millinck.


162

1)Johan (III). Zie V.1. 2)Elisabeth. Huwde Eusebius Borchard Bentinck. 3)Catharina. Huwde 1)Reinier van Haert of Heerdt 2)Adriaan Johan van Goltstein tot Blijwerven. 4)Dirk. 5)Bernard (?). V.1. Johan (III). Huwde 1)Dorothea de Baers tot Noordwijk 2)Maria Louise van Liere (of Lyere). Uit het eerste huwelijk: 1)Lodewijk (II). Zie VI.1. 2)Antoinette. 3)Johan Leonard. Uit het tweede huwelijk: 1)Willem Frederik. Zie VI.2. VI.1. Lodewijk (II). Huwde Maria van Liere. 1)Johan Frederik. 2)Theodora Hendrica. Huwde Abraham de Pa(i)gniet. VI.2. Willem Frederik. Huwde Isabella Jacoba Pompe van Slingeland. 1)Louise Isabella. Huwde baron Willem van Liere (of Lyere). 2)Johan Lodewijk. 3)Henriette Philippine. Huwde Christiaan Reinoud van Wijhe. Cornelis van Brakell tot Kermesteyn was een zoon van Johan van Brakell en Catharina van Leefdael. (48) Zie hoofdstuk III, par. 5. ‘Cornelis van Brakel Janszoon’ werd geboren in 1488 (49) en overleed in 1562. (50) Hij was richter, (51) hof- en tinsmeester te Lienden (20 januari 1516) (52) en lid van de ridderschap Nijmegen. (53) Cornelis was sinds 15 november 1520 Heer van de Tollenburg; op 6 februari 1502 werd hij beleend met huis Karmestein in Lienden, een dag ervoor met 24 morgen land in Ommeren en op 15 november 1520 met 29 morgen land in De Marsch in Rhenen. (54) Op 19 maart 1520 verpandde Adriaan van Buren, ambtman van de Nederbetuwe, ‘Kornelis van Brakel’ voor een bedrag van ‘80 gouden keurvorster Rijnsche guldens’ het schoutambt te Lienden en in De Marsch ‘een zeer vruchtbaare polder, groot 674 morgen lands, aan de andere zyde der rivier, en rechtstreeks tegen over Rheenen liggende’. (55) Op 28 juni 1565 ‘oorkonden burgemeesters, schepenen en raad der stad Nijmegen dat (…) nader de oude ridderboeken zijn doorgezien, waarbij bevonden werd dat vermeld staat: (…) in het eerste register onder Lienden in Neder-betou: Cornelis van Brakell; in het tweede register: Jan van Brakell’. (56) Cornelis huwde Margriet to Boecop, dochter van Udo to Boecop en Geertruid van Delen. (57) Het huis Karmestein of Kermestein lag aan de oostzijde van het dorp Lienden in de Nederbetuwe en was leenroerig aan de hofstede Culemborg. Vanaf de eerste belening in 1462 was de heerlijkheid in bezit van de familie Van Brakell en dat zou zo blijven tot 1714, toen het vererfde aan de familie De Pa(i)gniet. In 1803 werd het kasteel verkocht. Na de dood van de laatste eigenaar werd Karmestein in 1879 afgebroken. (58) Van Cornelis en Margriet zijn vijf kinderen bekend: 1)Johan (I). Zie blz. 163.


163

2)Geertruyt. (59) Zij huwde Dirk Vonck, Heer van de Tollenburg, schout van Lienden. Zoon van Dirk Vonck en Anna van Lockhorst. (60) Hij overleed voor 16 december 1588. Op 21 september 1562 werd hij beleend met De Marsch en in 1580 kochten hij en zijn echtgenote land in Oudewaard bij Eesteren. (61) De Tollenburg lag in de heerlijkheid De Marsch aan de Oude Rijn en werd tot in de veertiende eeuw gebruikt om tol te heffen van passerende schepen. In 1485 werd Lodewijk van Leefdael beleend met de Tollenburg. Diens zoon Johan verkocht het op 22 juli 1518 aan zijn zus Catharina, de echtgenote van Johan (IV) van Brakell. Na haar overlijden werd haar zoon Cornelis op 15 november 1520 de nieuwe Heer van de Tollenburg, gevolgd door diens schoonzoon Dirk Vonck.Volgens baron A.Snoukaert van Schauburg huwde Geertruyt na het overlijden van haar echtgenoot David van Zuylen van Natewisch. Hij overleed in of voor 1626. (62) 3)Catharina. Zij huwde in 1556 Willem van Poelwij(c)k, (63) zoon van Henrick van Poelwij(c)k en Elisabeth van Schevick. (64) Op 13 oktober 1574 verzekerden zij elkaar van het vruchtgebruik van het huis Hoekelum. (65) Willem overleed tussen 18 oktober 1576 en 3 januari 1577. (66) 4)Elisabeth. (67) Zij huwde Johan Ruysch van Wayenstein. (68) Hij overleed op 26 juli 1560. (69) Zij sloot daarna een tweede huwelijk met Willem Lijster(s). Elisabeth overleed voor 14 mei 1604. (70) Kasteel Wayenstein werd al in 1394 vermeld als ‘’t Huys mit ses mergen lants, gelegen tot Amerongen’. In 1436 werd Peter Ruysch, schepen en raad van Utrecht, eigenaar van Wayestein. In 1547 erfde Johan Ruysch, de echtgenoot van Elisabeth van Brakell tot Kermesteyn, het kasteel van zijn broer Ariaen. Wayenstein werd pas in 1642 door de Staten van Utrecht erkend als ridderhofstad. In 1696 verkocht Françoise Ruysch het slot aan Willem van Nassau-Zuilenstein. Het werd waarschijnlijk in de 18e eeuw afgebroken, op de voorburcht werd later een boerderij gebouwd. (71) 5)N.N. (72) Op 20 augustus 1549 maakten Cornelis van Brakell tot Kermesteyn en Margriet to Boecop met hun vijf kinderen magescheid (= boedelscheiding). De oudste zoon Johan kreeg Huis Karmestein. De vier dochters kregen samen 29 morgen land in De Marsch en 24 morgen land in Ommeren. (73) Johan van Brakell tot Kermesteyn (I) was een zoon van Cornelis van Brakell tot Kermesteyn en Margriet to Boecop. (74) Hij was lid van de ridderschap Nijmegen (1555 tot 1578) (75) en in 1566 een van de ondertekenaars van het Smeekschrift, waarin Philips II verzocht werd minder streng tegen de calvinisten op te treden. (76) Na het overlijden van zijn vader werd hij beleend met Huis Karmestein. In 1580 verwierf hij huis Schuilenburg. (77) Op 24 juni 1574 werd Johan op een andere manier betrokken bij de opstand tegen Philips II. ‘Op desse dach quam hertoch Erick (Erik, hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel) mit zyne ruyter oock wat naerder, te weeten mit drieduyssent, alss men seide; slegen sich neder in die Over Betuwe. Syne Vorstel. Gen. worden gelogeert op ’t huys te Lee (ten noorden van Kesteren nabij kasteel Karmestein; Huis ter Lede was de ‘ambtswoning’ van de drosten van Ter Lede, waaronder enkele Van Brakell’s), die gemein ruyter in ’t platte lant, alwair zy een deerlick ende onverwinnelicke schade deden.’ (78) Johan overleed op 8 juli 1580 en huwde op 17 juli 1550 Johanna van Meerten, dochter van Dirk van Meerten tot Ingen en Berta van Eck van Pantaleon. Johanna overleed op 22 april 1600. (79) Op hun grafsteen in de kerk te Lienden (ligt nu onder de vloer en is dus onzichtbaar) staat de volgende tekst: ‘A° 1580 den 8 july sterf den edelen erentfesten jor. (= jonkheer) Johan van Brakell tho Kermestein. A° 1600 den 22 april sterf die edle erentrijcke joefrou Johanna van Merten sijn huysfrou. Daarboven het wapen van Brakell, en daar naast het wapen van Meerten, bestaande in een klimmenden hond van zilver met een halsband van goud op een veld van sabel (= zwart)’. (80) Van Johan en Johanna zijn zeven kinderen bekend: 1)Cornelis. (81) Hij was lid van de ridderschap Nijmegen. (82) Cornelis werd in 1570 beleend met Huis Karmestein en overleed in 1600. In 1603 werden zijn bezittingen, waaronder goederen in Ommervelt, onder zijn erfgenamen verdeeld. (83)


164

N.B. In de hierboven vermelde Codex Gelro Zutphanicus (blz. 151 t/m 155) staat een verklaring over rechten en plichten van bezitters van ‘leengoed, thinsgoed of erfpagtgoed’ (‘extract van de 7 gevers van Bommel, van den amptman, dyckgraef en heymraeden van Nederbetuwen, in dato den 10 Mart. 1582’). Tot de ondertekenaars behoorden ‘Sweer van Brakel’, ‘Cornelis van Brakel’ en ‘Lodewijck van Brakel’. 2)Dirk (I). Zie hieronder. 3)Lodewijk (I). Zie blz. 165. 4)Berta. (84) Zij huwde in 1577 Jacob Both van der Eem, zoon van Gerrit Both van der Eem en Deliana Freys van Dolre. (85) Op 6 september 1598 gaf Jacob ‘zyn echte huysfrouw’ het vruchtgebruik van ‘alle zyne goederen rede en onrede hij heeft off verkrygen mach int gericht van Tiell en Sandtwijck gelegen’. Op dezelfde dag gaf Bertha haar man het vruchtgebruik van haar bezittingen. (86) Op 14 oktober 1611 ‘tocht’ Jacob zijn echtgenote met het ‘huys, hoff ende hoffstadt genaemt den Vrijthoff staende en gelegen binnen deser stadt Tijel aent Hoocheijnde’. (87) Beiden overleden na 8 juni 1613. (88) 5)Aleid. Zij werd geboren in 1566, overleed op 30 april 1619 en werd begraven in het Agnietenconvent in Amersfoort. Aleid (of Aletta) ging op 4 januari 1611 te Amersfoort in ondertrouw met Hendrik Sael Uten Engh. Hij overleed op 2 november 1620. (89) 6)Geraert of Gerrit. Hij overleed op 4 april 1613 en huwde Elisabeth van Doorni(n)ck, dochter van Antoon van Doornik en Johanna van Haersolte. (90) Volgens W.M.C.Regt, J.D.Wagner en D.L van Brakell tot den Brakell was Gerrit een zoon van Lodewijk van Brakell tot Kermesteyn en Catharina Tampier. (91) Zie blz. 165. In de Familiebescheiden Van Brakell-Doorwerth wordt Catharina, op 9 februari 1630 in Zwolle gehuwd met kapitein ‘joncker’ Willem van Haersolte ‘met attestatie tot Tijl (= Tiel)’, een dochter genoemd van Geraert of Gerrit. ‘Anno 1646. Den 12 july, wesende op sonnendach namiddach, omtrent tusschen drye ende vier uren, heeft God de Heere dese stadt met een harde straffe besocht. Want door eenen vreeslikken blyxem ende crachtigen donderslach is den Bussecruyttoren op ’t casteel staende, in welcken waren 320 tonnen pulver, in brand geraekt, (…).’ De ontploffing kostte veertig mensenlevens, waaronder ‘de heere drost ende gouverneur Wilhelm van Haersolte met syn huisvrouwe de drostinne genaamt jr. Catryna van Brakel, ende acht van haere kinderen, daer beneven noch een van haere nichten genaamt jr. Berentien van Brakel’. Het enige overgebleven kind, Anthony, overleefde de ramp, omdat hij op die dag in Zwolle verbleef. Zijn ouders, broers en zussen werden op 16 juli in het koor van de St.Gregoriuskerk in Bredevoort ter aarde besteld. (92) 7)Margriet. Zij huwde Dirk van Eck, zoon van Bartholomeus van Eck. (93) Op 27 december 1576 ‘tuchtigt’ hij zijn echtgenote met ‘drie mergen lants in den gericht van Droemt (Wadenoyen)’. (94) Dirk van Brakell tot Kermesteyn (I) was een zoon van Johan van Brakell tot Kermesteyn (I) en Johanna van Meerten. (95) Hij was lid van de ridderschap Nijmegen (1584, 1592), gemachtigde van de ridderschap van de Nederbetuwe in het hoogste bestuursorgaan van het Kwartier van Nijmegen, het College van Gedeputeerde Staten (1581), gedeputeerde namens dat Kwartier in de Gelderse Landdag, (96) schepen van Tiel in 1575 en 1576, (97) kapitein van een compagnie voetknechten en gouverneur van fort Nassau op de Voorn. (98) ‘Jonckheer Diderich’ huwde op 1 februari 1587 in Tiel Petronella Vijgh, dochter van Adriaan Vijgh en Hadewich van Rossem. Op 17 januari van dat jaar had ‘Dirrick van Brakel Joffer Petronella Vijghe’ al het vruchtgebruik gegeven van ‘alle zyne guderen inden gericht van Tiell ende Zandtwijck gelegen soo langh zij leven sall (…)’. (99) Dirk en Petronella overleden in of voor 1636. (100) N.B. ‘In vroegeren tyd, lag, op den zuidelyken oord, aan de Maaskant, eene goede schans van zes bolwerken; die mede, de schans Voorn, werd genoemt. Zy was, in 1599, (en dus, in het zelve jaar met de


165

schans S.Andries, en weinige maanden te vooren) gesticht, door ’s-lands Staaten en werd, in den aanvang, ter eere van prins Maurits, de schans Nassau, geheten.’ Fort Nassau lag op een eilandje van 350 morgen (is ruim een vierkante kilometer), ten oosten van Heerewaarden, waar Maas en Waal samenkomen en weer uiteengaan. Het moest tijdens de Tachtigjarige Oorlog de doorgang over en langs de rivieren bewaken ter verdediging van Holland en diende tevens ter neutralisering van het nabijgelegen Spaanse St.Andries. In de koude winter van 1599 op 1600 vielen ‘vriesdoden’ door gebrek aan kleding en brandstof waarop in beide sterkten muiterijen uitbraken. Later werd fort Nassau een onderdeel van de Hollandse waterlinie. (101) Van Dirk en Petronella zijn vijf kinderen bekend: 1)Dirk. ‘Joncker Dirck van Brakel’ was lid van de ridderschap Nijmegen en huwde in Avezaath (Gld) op 19 februari 1637 Hester Vijgh ‘beijde van Tiel’. Dirk overleed voor en Hester na 14 maart 1642. Dit echtpaar had één kind dat kort na het overlijden van Dirk geboren werd en waarvan de voornaam niet bekend is. (102) 2)Elisabeth. Zij huwde Reiner Ditfer. Reiner overleed voor 28 december 1622. (103) 3)Hadewig. Zij werd geboren in Breda op 22 oktober 1599, overleed op 12 februari 1659 en werd in Tiel begraven. Hadewig ging in Utrecht in ondertrouw op 18 april 1619 met Johan Melchior van Bodeck van Ellgau, Heer van Wintersheim, (104) zoon van Bonaventura van Bodeck en Catharina van Rhelingen. Hij werd geboren in Augsburg op 23 april 1590 en overleed in Tiel op 9 januari 1659. (105) 4)Petronella (Pieternella). Zij huwde op 30 december 1625 Cornelis van Buren uit Tiel. Cornelis overleed in 1653. (106) 5)Johanna. Zij overleed voor 6 juli 1630 en huwde Pierre Durfort d’Autieges, luitenant-kolonel in het regiment van Hans Willem van Randwijck en commandant van Tiel. Hij overleed na 29 augustus 1653. (107) Lodewijk van Brakell tot Kermesteyn (I) was een zoon van Johan van Brakell tot Kermesteyn (I) en Johanna van Meerten. (108) Hij was lid van de ridderschap Nijmegen (1584, 1592) en werd in 1600 beleend met huis Karmestein als erfgenaam van zijn broer Cornelis; in 1613 verwierf hij een hofstede in Lienden. (109) Lodewijk overleed rond 1614 (110) en huwde Catharina Tampier, dochter van Gerard Tampier en Helena van den Bosch. Catharina overleed op 13 juli 1600. (111) Hij sloot op 2 december 1600 in Nijmegen een tweede huwelijk met Judith van Beinum (of Beinem), weduwe van Willem van Aelstein en dochter van Henrick van Beinum, burgemeester van Nijmegen, (112) en een derde in Utrecht op 25 oktober 1603 met Josina Ruysch. Josina overleed op 24 augustus 1624 en werd begraven in de kerk van Beverwijk. (113) Van Lodewijk zijn uit zijn eerste huwelijk twee kinderen bekend: 1)Johan (II). Zie hieronder. 2)Johanna. Zij overleed na 10 mei 1631 en huwde overste François Lijseman. Hij overleed voor 10 mei 1631. (114) Johan van Brakell tot Kermesteyn (II) was een zoon van Lodewijk van Brakell tot Kermesteyn (I) en Catharina Tampier. (115) Hij was kapitein en gouverneur van fort Nassau op de Voorn. (116) Johan werd in 1615 beleend met huis Karmestein, een hofstede (1632) en vier (1634) en twee morgen weiland (11 september 1655) in Lienden, ‘den Dollenbergschen weerdt, gelegen in den kerspel van Rynen’ in Lienden (19 juli 1641), een ‘huys ende hofstat’ in Dreumel (2 september 1642), en een huis en erf bij het fort Nassau op de Voorn in 1648. (117) Johan overleed op 27 maart 1661 (118) en huwde in 1615 Henrica Millinck, dochter van Jan Millinck, kapitein en lid van de ridderschap Nijmegen, (119) en Margriet Vaeck. (120) Op 28 september 1627 ontving Henrica ‘een huys ende hoffstadt, haldende


166

omtrent twee mergen landts, noch een stuck, haldende omtrent vier mergen landts, bij der hoffstede, wesende tsamen ses mergen, gelegen in de kerspel van Haelderen’ in leen. ‘Haer hulder is Jan van Braeckel, haer man.’ (121) Henrica overleed voor 1662. (122) N.B. Op 11 oktober 1624 wordt in een resolutie van de Staten-Generaal melding gemaakt van een door de Admiraliteit van Rotterdam gewezen vonnis tegen o.m. kapitein Johan van Brakell, commandant van Grave. Hierin werd Van Brakell gesommeerd het door zijn soldaten afgeperst geld aan een zekere Boularts terug te geven. Van Brakell berichtte op 16 april 1625 dat Boularts het geld niet teruggekregen had omdat ‘hij zich met onverlicent (= zonder toestemming) wollen laken als lading had gevoegd bij andere karren met voedsel voor het vijandelijke leger’. Op 6 juli verzocht de Admiraliteit kapitein Van Brakell opnieuw het afgeperste geld aan Boularts terug te laten geven. Na diens weigering werd besloten de zaak in handen van de Raad van State te leggen. In hetzelfde jaar werd iemand uit het Brabantse Erp door kapitein Van Brakell gevangen genomen, ‘ter oijrsaeken dat hij sijn eijgen gewas veurde nair den Bos (= ’s-Hertogenbosch)’. Van Brakell weigerde de man te laten gaan want ‘hij hielde voor goeden buijt wat ginck opden Bossche’. De stad was in die tijd in Spaanse handen en handel drijven met de vijand was streng verboden behalve wanneer daar toestemming voor gegeven was. Opnieuw werden de ‘heren Staten’ te Den Haag ingeschakeld die van oordeel waren dat het niet hun intentie was ‘dat den huijsluijden ten platten lande soude worden gedaen enich belet over den toeveur van hen eijgen gewas volgende den inhauden van heure sauvegarden (…)’ en Van Brakell opdracht gaf de gevangene onmiddellijk vrij te laten. In een resolutie van de Staten-Generaal van 9 september 1625 is sprake van de ‘vacante compagnie van kapitein Brakel’. (123) Was Johan van Brakell naar aanleiding van beide affaires ontslagen of had hij zelf ontslag genomen? Van Johan en Henrica zijn vier (of vijf) kinderen bekend: 1)Johan (III). Zie blz. 167. 2)Elisabeth. (124) Zij werd geboren op 4 januari 1648 en overleed in Schoonheten (O) op 16 juli 1678 (125) en huwde op 4 november 1670 Eusebius Borchard Bentinck, Heer van Schoonheten en lid van de ridderschap Overijssel, zoon van Berend of Bernhard Bentinck, hoogschout van Hasselt, en Anne van Bloemendael. (126) Eusebius Borchard werd gedoopt op 14 mei 1643 en overleed op 25 oktober 1710. (127) Van haar moeder erfde Elisabeth ‘een huys ende hoffstadt’ met zes morgen land ‘in den kerspel van Haelderen’. (128) 3)Catharina. (129) Zij overleed op 17 november 1691 (130) en huwde in 1649 kapitein Reinier van Haert of Heerdt, zoon van Daam van Haert, ambtsjonker van het ambt Rheden (1651), en Mechteld Wolfs. (131) Een ambtsjonker was een edelman die samen met de scholt (schout) een scholtambt bestuurde. Binnen dit bestuur hield hij zich hoofdzakelijk met bestuurlijke en financiële zaken bezig. Reinier overleed in Bemmel op 13 juni 1652. (132) Catharina sloot op 6 december 1657 een tweede huwelijk met Adriaan Johan van Goltstein tot Blijwerven, commissaris en heemraad van de Nederbetuwe, zoon van Johan van Goltstein, Heer van Brandsenburg en lid van de ridderschap Nijmegen, en Geertruyd de Cock van Delwijnen. (133) Adriaan Johan overleed in Ingen (Gld) op 18 juli 1684. (134) Een dag later deelde Catharina het volgende mee: ‘Alsoo het Godt Almachtigh, (…) myn man Adriaen Joan van Goltsteyn heer tot Blywerven in leven commissaris en heemraad in Neder-Betuwe op het vier en seventigste jaer syns ouderdoms na een vyfdaegse bedlegerige siekte den 18de des maends july des nagts omtrent de klocke elf uyt dit bedroefde en jammerdal, (…). En van meyninge synde het ontsielde lichaem alhier in de kercke met gevolgh van de praesente vrienden de aerde sonder de minste lyck ceremonie te beveelen, (…). Ingen, 19 julij 1684. Catarina weduwe van Goltsteyn’. (135) 4)Dirk. Hij overleed in Utrecht ‘tot doctor Muyden’ kort voor 12 mei 1651 en werd naar ‘buyten (de stad Utrecht) gebracht’. (136) 5)Bernard (?) Op 28 maart 1652 was hij samen met Johan van Brakell getuige bij de doop van Jacoba van Heerdt, dochter van Reinier van Heerdt en Catharina van Brakell. (137)


167

N.B. In het register op de leenaktenboeken van het Kwartier van Nijmegen, nr. 83, wordt Elisabeth een dochter van ‘capteyn Jan van Braeckel’ genoemd en staat ‘Jan van Braeckel van Kermensteyn, raet in Gelderland’, een broer van Elisabeth (zie hieronder), als haar momber (= voogd) vermeld. J.Kymmell, (138) J.Wagner, (139) J. van Beynum (140) en L. van Rijckevorsel (141) menen dat Elisabeth een dochter was van Bernard van Brakell en Wilhelmina van Balveren. Bernard zou een zoon zijn van Johan van Brakell tot Kermesteyn en Henrica Millinck. C.Polvliet (142) en W.Regt (143) noemen deze Bernard Dirk, gehuwd met de reeds genoemde Wilhelmina van Balveren. Mr.D.L.baron van Brakell tot den Brakell beweert dat ‘Barend van Brakell’ een zoon was van Johan van Brakell tot Kermesteyn en Henrica Millinck en eerst gehuwd was met Wilhelmina van Balveren en daarna met Josina van Aeswijn. Hij had uit het tweede huwelijk een dochter, Elisabeth, de echtgenote van Eusebius Borchard van Bentinck, zoon van Bernhard Bentinck en Anne van Bloemendael. (144) Johan van Brakell tot Kermesteyn (III) was een zoon van Johan van Brakell tot Kermesteyn (II) en Henrica Millinck. (145) Hij was lid van de ridderschap Nijmegen, (146) drossaard van Lienden, (147) drost van Ter Lede (1649 tot 1653, 1664 tot 1669, 1674), (148) extra-ordinaris raadsheer bij het Hof van Gelre en Zutphen, lid van de Staten-Generaal namens het gewest Gelderland (1652, 1669 tot 1672) en lid van de Raad van State. (149) Op 9 juni 1656 werd hij beleend met Huis Karmestein, op 13 maart 1657 met het ‘huys ende hofstat’ in Dreumel, op 23 juni 1657 met de Tedingsweerd te Avezaath (door de abdis van Thorn), en op 26 november 1658 met de ‘Dollenbergschen weerdt’ in Lienden; hij bezat verder een strook land, groot 16 roeden, in Veerhuizen te Ingen (1664), en de rechten en goederen van de St.Paulusabdij in Utrecht (16 maart 1676). (150) Hij werd geboren rond 1615 (151) en overleed op 30 augustus 1680 in Huis Noordwijk. (152) Johan huwde op 13 mei 1644 eerst Dorothea de Baers tot Noordwijk, dochter van Leonard de Bars de Peyrat en Antoinette van Brakell, gedoopt op 22 augustus 1616 en overleden voor 29 juni 1659. (153). Hij ging op 29 juni 1659 in ’s-Gravenhage in ondertrouw met Maria Louise van Liere (of Lyere), Vrouwe van Maelsteede, Capelle en Heerjansdam, weduwe van Pieter Tuijll van Serooskerken, dochter van Willem van Liere (of Lyere) en Margaretha van Leefdael. Maria Louise overleed op 25 november 1682. (154) N.B. De drost van Ter Lede bekleedde in de onder het graafschap Culemborg ressorterende heerlijkheden Maurik, Eck, Ommeren, Lienden, Lede en Oudewaard de ambten van hoofdofficier (schout) in strafzaken, dijkgraaf en stadhouder van de grafelijke lenen. Het slot Ter Lede was de ambtswoning van de drost. (155) Bovengenoemde Johan van Brakell tot Kermesteyn was niet de enige Van Brakell die dit ambt bekleedde. Zijn voorgangers waren Lodewijk van Brakell († 1545), Dirk van Brakell († 1592), Nicolaas van Brakell († 1626), en Floris van Brakell tot den Brakell († 1649) en zijn opvolgers Lodewijk van Brakell tot Kermesteyn († 1678) en Johan Frederik van Brakell tot Kermesteyn († 1714). N.B. Huis Noordwijk in Nederlangbroek, in de buurt van Wijk van Duurstede, ‘tusschen den Krommen Rhyn en het Amersfoorter gebergte’ wordt voor het eerst vermeld in 1380 als het ‘steenhuys tot Noertwijc met 5 merghen lants daer ’t op staet’. In 1624 werd Leonard de Bars ‘heer van Noortwijck’. Na zijn dood werden successievelijk zijn dochter Dorothea, zijn kleinzoon Lodewijk van Brakell tot Kermesteyn en zijn achterkleinzoon Johan Frederik van Brakell tot Kermesteyn eigenaar. Johan Frederik verkocht Noordwijk aan Joost van Bemmel. De hofstede Noordwijk werd waarschijnlijk door Franse troepen in 1672/73 in brand gestoken. Van het oorspronkelijke huis is niets meer over. (156) In mei 1672 trokken Franse troepen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden binnen. Op 6 juni viel Arnhem. ‘Daer de Here prince van Condé sijn logement genomen heeft op het Hoff van Justitie, die doen oock heeft stil gestaen.’ De meeste leden van het Hof van Gelre en Zutphen, die nog maar weinig om handen hadden, weken uit naar Holland. De raad extra-ordinaris ‘Johan van Braeckel’ was een van de weinigen die in functie bleef. Op 21 april 1674 gaf het Hof aan ‘De Heeren Staten Generael notificatie van de huydigen daegs gedane evacuatie van de Franschen uyt dese stad (Arnhem)’. De dag ervoor had de Staten-Generaal stadhouder Willem III gemachtigd in de bevrijde gewesten en steden het bestuur opnieuw in te richten. Johan van Brakell tot Kermesteyn mocht van de prins zijn ambt behouden. (157) Zie voor het Rampjaar 1672 par. 4.


168

Volgens A.J. van der Aa en J.A. de Chalmot (Biographisch Woordenboek der Nederlanden) was de beroemde vlootvoogd Jan van Brakel een zoon van Johan van Brakell tot Kermesteyn en Henrica Millinck. Men dient dit gegeven met een stevige korrel zout te nemen, maar de lotgevallen van kapitein van Brakel tijdens de Tweede Engelse Oorlog zijn beslist de moeite waard om er aandacht aan te besteden. Rond 1650 was de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een van de rijkste en machtigste landen van Europa. Ze had niets meer te vrezen van Spanje noch van het Duitse rijk. Beide mogendheden, geleid door Habsburgers, hadden een onherstelbare knak gekregen door de Tachtigjarige en de Dertigjarige Oorlog. Weldra begon een nieuw gevaar op te dagen. Ons land werd omringd door staten die groter en militair sterker, maar minder welvarend waren. ‘Het landje stond als een vetgemeste kabouter ingeklemd tussen de uitgehongerde reuzen Engeland en Frankrijk.’ (158) Onze handelssuccessen wekten de jaloezie van de Engelsen. Toen zij er niet in slaagden ons weg te concurreren, besloot hun parlement in 1651 de Akte van Navigatie aan te nemen. Deze wet was bedoeld om de vrachtvaart, die grotendeels in Nederlandse handen was, te treffen. Voortaan mochten alleen goederen in Engeland en haar koloniën ingevoerd worden door Engelse schepen of door schepen van het land van herkomst. Toen dit niet onmiddellijk resultaat had, werd naar het middel van de zeeoorlog gegrepen. Tussen 1652 en 1654 leden we nederlaag op nederlaag. In Westminster moest een vernederende vrede gesloten worden. Hierna begon de Republiek, in verband met een mogelijke nieuwe confrontatie, met het bouwen van een machtige oorlogsvloot. In 1665 kregen we onze wraak. Admiraal De Ruyter versloeg de Engelsen tijdens de Vierdaagse Zeeslag en maakte in juni 1667 zijn beroemde tocht naar Chatham, een initiatief van raadpensionaris Johan de Witt, de politieke leider van ons land. Deze hoopte daardoor de vredesonderhandelingen in positieve zin voor ons land te beïnvloeden. De Ruyter voer de Theems op en slaagde erin een deel van de Engelse oorlogsvloot uit te schakelen. Op 19 juni noteerde Samuel Pepys in zijn dagboek: ‘Gisteren kwam er van zoveel plaatsen bericht dat de Hollanders daar waren, dat Sir William Batten uitriep: Het lijkt wel of de duivel Hollanders schijt’. (159) Een onsmakelijke maar begrijpelijke reactie van een zwaar gefrusteerde Engelsman. Het ‘glorieus tractaat’ van Breda maakte nog in hetzelfde jaar een einde aan de oorlog. Besloten werd o.m. Nieuw-Nederland (het latere New York) te ruilen tegen het toen veel welvarender Suriname. Jan van Brakel speelde tijdens de tocht naar Chatham een heldenrol. In zijn Biographisch Woordenboek der Nederlanden zegt Van der Aa hierover het volgende (160): ‘Met dat schip (het oorlogsschip De Vrede) werd hij in 1667 onder het eskader van den luitenant-admiraal van Gent geplaatst, die kort daarna met eenige schepen, waaronder ook dat van Van Brakel, naar de Theems werd gezonden, met last om eenige aldaar liggende oorlogs- en koopvaardijschepen, aan te tasten en te vermeesteren. Van Gent, den 20sten junij tot voor de Medway of rivier van Rochester afgezakt zijnde, gelastte den kapiteins Jan van Brakel, Pieter Magnuszoon en Jan du Bois om zich met hunne schepen digt onder het fort Sheernes te voegen, werwaarts het gros van het eskader hen volgen zou, en zoo veel doenlijk op het gezegde fort te kanonneren, terwijl de soldaten zouden landen en het aantasten. Een koningsfregat en eenige andere schepen en branders voor het fort ten anker liggende, kapten terstond hunne kabels en liepen de Medway op; waarop de drie voornoemde schepen, inzonderheid van Brakel, die maakte de voorste te zijn, zoodanig het fort beschoten, dat de soldaten gemakkelijk landen konden en de Engelsche bezetting hare sterkte verliet, welke vervolgens uitgeplunderd en verwoest werd. Des anderen daags werd van Brakel op last van Cornelis de Witt, die als gemagtigde van den Nederlandschen Staat den togt bijwoonde, in hechtenis genomen, omdat hij, tegen het verbod van den vorigen dag, zijne sloep met eenig volk aan wal had gezonden. Maar des te heerlijker maakte hij dezen misslag tegen den middag weder goed. Een weinig beneden het kasteel van Upnor waren zes vijandelijke schepen geplaatst. Voorts hadden de Engelschen twee groote schepen en vijf branders doen zinken, om er de vaart te versperren, terwijl zij ook een dikke ijzeren ketting, of liever onderscheidene aaneen gehechte kettingen, aan, in den bodem der rivier geslagen, masten vastge-


169

maakt, zoodanig gespannen hadden, dat de rivier er als geheel door afgesloten was. Lang hadden eenigen der voorste Nederlandsche schepen tegen de zes gemelde Engelsche geschoten zonder dat een het waagde nader door te dringen, hetgeen ook zeer gevaarlijk was, vermits de rivier door het doen zinken der gezegde schepen, zoodanig vernaauwd was, dat er slechts een schip te gelijk kon doorvaren. Brakel, door zijnen koenen moed geprikkeld en belust om bij deze gelegenheid zijnen beganen misstap uit te wisschen, bood aan om, indien men hem wilde ontslaan, met zijn ligt gemonteerd fregat, de Vrede, de anderen voorbij te stevenen, het voorste der Engelsche oorlogschepen aan boord te leggen en de branders aan te voeren. De Witt nam zijn aanbod dadelijk aan, liet hem weder op zijn schip overgaan, waarmede hij terstond, niettegenstaande het hevig vuur van den vijand, onversaagd vooruit zeilde, zonder een eenig schot te doen, tot dat hij omtrent tot op een musketschot den vijand genaderd was; wanneer hij het Engelsche fregat Unity, van 44 stukken en bemand met 150 koppen, de volle laag gaf, eensklaps aan boord klampte en in een oogenblik slechts met verlies van 2 of 3 dooden en weinige gekwetsten, veroverde. Door het veroveren van de Unity gaf van Brakel gelegenheid om de over de rivier gespannen ketting te bereiken en te breken. Want hij was niet over de ketting gezeild maar de Commandeur Jan Danielsz. van den Rijn zeilde die later met zijnen brander Pro Patria aan stukken, en opende de rivier alzoo verder voor de Nederlandsche schepen. Brakel, deze weergalooze heldendaad bedreven hebbende, had wel zijne sloep en boot doch geenszins zijnen moed verloren, dies stapte hij in de sloep van Kapitein Naelhout, en voer naar het vijandelijke schip de Carolus Quintus, van 60 stukken, dat, reeds door twee branders aangevallen, smeulde, en met een gedeelte van zijn volk bij boeg en valreep opklimmende, vond hij de Engelschen in de wapenen staan; maar deze, hem ziende, riepen om kwartier en gaven zich over, terwijl de Kapitein, die het met zwemmen zocht te ontkomen, gevangen genomen werd, en eindelijk het schip in den grond werd gehakt. Ook bragt van Brakel het vuur der forten, tot bescherming der ketting gebouwd, tot zwijgen, joeg er de vijanden uit en deed er een magazijn verbranden. Den 28sten van die zelfde maand werd van Brakel met twee veroverde schepen de Royal Charles en Unity naar Goereede gezonden en vervolgens door de Algemeene Staten, wegens zijnen betoonden heldenmoed, oversaagdheid en bewezen diensten, beschonken met eene gouden keten en gedenkpenning ter waarde van 1200 gulden, en te zamen met zijn bootsvolk boven het genomen schip, met 1200 guldens.’ Van Johan en Dorothea zijn drie kinderen bekend: 1)Lodewijk (II). Zie hieronder. 2)Anthonette. Zij werd gedoopt in Lienden op 6 augustus 1648 en overleed ongehuwd voor 1680. (161) 3)Johan Leonard. Hij sneuvelde bij Maastricht in of voor 1680. (162) Van Johan en Maria Louise is één kind bekend: 1)Willem Frederik. Zie blz. 170. Lodewijk van Brakell tot Kermesteyn (II) was een zoon van Johan van Brakell tot Kermesteyn (III) en Dorothea de Baers tot Noordwijk. (163) Hij was drost van Ter Lede, richter en dijkgraaf van Tiel en Zandwijk (1675 tot 1678) (164) en overste van een regiment infanterie. (165) Hij werd gedoopt op 1 maart 1646 in Lienden (166) en aldaar begraven op 30 januari 1678. (167) Lodewijk huwde in 1669 Maria van Liere, dochter van Frederik van Liere en Dorothea de Bye. In 1690 wordt zij weduwe van ‘Lodewijk van Brakel, heer tot Karmestein’, genoemd en in 1703 ‘Maria van Lier, douairière van Braeckel tot Karmesteyn’. Zij was in dat laatste jaar gedaagde in een civiele procedure aangespannen door ‘Isabella Jacoba Pompe, douairière Willem Frederick van Braeckel tot Fliedinxweert’. Maria (in 1684 woonachtig in Utrecht ‘aent St.Jans kerckhoff’), moet dus in of na 1703 overleden zijn. (168) Van Lodewijk en Maria zijn twee kinderen bekend:


170

1)Johan Frederik. Op 16 oktober 1689 wordt hij de zoon genoemd van ‘Maria van Lier sijne vrouwe moeder’ weduwe van ‘wijlen de heren Lodewijck van Braeckel tot Kermestijn’. (169) ‘Heer Johan Fredrick van Brakel tot Karmesteijn’ was drost van Ter Lede, drossaard van Lienden, richter van Lienden en ‘der heerlickheyt van de Marsch’ (1699, 1702, 1704, 1706), en diende als majoor bij het Infanterieregiment 674a (Regiment van Wijnbergen). (170) Op 8 mei 1678 erfde hij van zijn grootmoeder Dorothea de Baers de Merenriet in Maurik, in 1680 werd hij beleend met Huis Karmestein in Lienden en op 21 mei 1709 met de helft van een tiende in Ingen. (171) Hij werd gedoopt in Doesburg op 22 augustus 1670 en overleed ongehuwd in Arnhem op 18 maart 1714. (172) ‘De HoogEd. Welgebooren Jonckheer Johan Frederick van Brakel, heer tot Kermesteyn, rigter der hooge heerlijckheijd Lienden, en Marsche wegens het vorstendom Gelre en Graefschap Zutphen, majoor van een regiment te voet ten dienste deser Vereenigde Nederlanden, is in den heere ontslapen op sondag namiddag sijnden 18 martij des jaers 1714 in den stat van Arnhem en in de kercke tot Lienden op het choor in de grafkelder sijner hoog edelheijts voorvaderen gesoncken en bijgeset saturdags avonds sijnde den 24 martij 1714.’ (173) Huis Karmestein liet hij na aan zijn zus Theodora Hendrica. (174) 2)Theodora Hendrica (Dorothea Henriette). Zij werd gedoopt op 27 juni 1677 in Tiel en begraven op 5 juli 1751 in Nijmegen. Theodora ondertrouwde op 21 augustus 1714 in Bemmel (huwelijk op 25 augustus in Arnhem) Abraham de Pa(i)gniet, Heer van Flierenburg en luitenant-kolonel bij de infanterie. Abraham werd gedoopt op 21 januari 1662 als zoon van Charles de Pa(i)gniet, majoor en commandant van Nijmegen, en Lucia Beeckman. (175). Abraham overleed op 16 september 1724. (176) ‘1724 den 16 sept. des saturdags avonds is in den Heere ontslapen de hoogwelgeb. N.N. (= Abraham) Pagniet heere van den Flierenburg en Kermesteyn na een twaelfdagige heetsige koortsen: hij was in sijn tyt capiteyn van een compagnie te voet en luytenant colonel, in den ouderdom van 62 jaeren en des saturdags daer aen sijnde den 23e des avonds in sijn grafkelder in de kercke van Lienden gesoncken met 16 flambauwen ende 40 roumantels, des sondags voormiddags gepredict den 24e: 1: Kon: 2:10 Ende David ontsliep met sijne vaderen, en hij wierd begraven in de stad Davids.’ (177) Willem Frederik baron van Brakell was een zoon van Johan van Brakell tot Kermesteyn en Maria Louise van Liere (of Lyere). (178) Hij was Heer van Karmestein, Tedingsweert (in 1695 gekocht van de vrijheren en vrijvrouwen van Spesis), Carnisse en West-Barendrecht, lid van de ridderschap Nijmegen (1683), gecommiteerde raad ter Admiraliteit op de Maze namens het gewest Gelderland (1698) en gesubstitueerd ambtman van de Nederbetuwe. (179) Op 12 december 1695 werd hij beleend met de ‘thiende, geheiten den Dollenbergschen weerdt’ in Lienden. (180) Willem Frederik werd gedoopt op 12 november 1662 in ’s-Gravenhage en overleed aldaar op 1 juli 1702. (181) Hij ging op 3 maart 1686 in ’s-Gravenhage in ondertrouw met Isabella Jacoba Pompe van Slingeland (achterkleindochter van raadpensionaris en dichter Jacob Cats), Vrouwe van Carnisse, dochter van Matthijs Pompe van Slingeland en Maria Elisabeth Musch. Isabella werd geboren op 29 augustus 1657 en overleed in ’s-Gravenhage kort voor 6 december 1718 (begraven op 7 december). (182) Op 5 januari 1700 verwierf zij als leenvolgster van haar tante Elisabeth Maria Musch vier morgen land in Maasdam en op 23 mei 1716 van haar moeder de helft van de tienden van ‘Sceveninghen’. (183) Van Willem Frederik en Isabella zijn drie kinderen bekend: 1)Louise Isabella, barones van Brakell en Vrouwe van Carnisse. (184) Zij werd gedoopt in ’s-Gravenhage op 9 maart 1687 en overleed op 13 november 1772. (185) Zij ging op 21 januari 1720 in ’s-Gravenhage in ondertrouw met Willem, baron van Liere (of Lyere), Heer van Katwijk. Willem was hoofdingeland en hoogheemraad van Rijnland, pensionaris van Schoonhoven, lid van de Staten van Holland, en drost, schout en stadhouder van de lenen van Breda. (186) Hij werd gedoopt in Katwijk aan den Rijn op 9 juli 1690 en overleed aldaar op 13 november 1735. (187) Willem was een zoon van Willem van Liere (of Lyere), Heer van Katwijk, en Geertruida Anna van Wassenaer van Duvenvoorde. (188)


171

Op 17 maart 1742 maakte Louise Isabella in haar testament bekend dat het ‘haare begeerte te zijn dat haare doode lichaam in geen wassche kleed zal mogen werden gelegt’ en dat zij tot ‘haare enige en universeele erffgename haare welbeminde nigte de hoogwelgeboore Vrouwe Jacoba Josina Isabella van Wijhe, gemalinne van Frederik Hendrik baron van Wassenaer’ benoemde. Verder was er een legaat van ‘driehondert guldens ’s jaers voor jonkvrouwe Anna Wilda van Wijhe en aan haare suster Maria van Wijhe eenhonderd guldens ’s jaers’. Op 31 december van hetzelfde jaar ‘verclaer ik te revoceeren (= herroepen) het jaerlijkse legaat van eenhondert guldens dat ik aan mijn night Maerie van Wijhe hebt gemaakt’. (189) In de herfst van 1735 ging Willem van Liere naar de Gelderse landdag die toen te Zutphen bijeen was, om te proberen de broer van zijn echtgenote uit de moeilijkheden te halen waarin deze door toedoen van de ambtman van de Nederbetuwe was geraakt. Teneinde dit te bewerkstelligen had men een stuk met beschuldigingen tegen de ambtman opgesteld dat op de landdag zou worden voorgelezen. ‘Catje’ bracht, op de uitslag wachtend, intussen de dagen al etend en drinkend met zijn ‘cousins’ door. Dat was niet goed voor zijn gezondheid, want hij leed aan podagra. Onderweg naar huis kreeg hij een zware jichtaanval. Op 6 november constateerde de dokter dat hij de kinderpokjes had en wel ‘van den allerslimste soort’. Een week later overleed hij. (190) 2)Johan Lodewijk. Hij werd gedoopt in ’s-Gravenhage op 15 september 1688 en overleed in of na 1735. (191) 3)Henriette Philippine. (192) Zij werd gedoopt op 30 juli 1693 in Kerk-Avezaath (Gld) en overleed op 11 januari 1737 in Huize Karmestein ‘aen het water’. (193) Zij huwde op 30 augustus 1718 ‘ten overstaan van den kerkenraad op den Huijse van Tedingsweert’ Christiaan Reinoud van Wijhe, Heer van Echteld, IJzendoorn, Laar, Blankenburg, De Pol en Alden-Avezaath. (194) Christiaan was richter en dijkgraaf van Tiel en Zandwijk (1726) en lid van de ridderschap Nijmegen. (195) Hij werd geboren op 7 maart 1675 (en gedoopt op 14 maart 1675 in Echteld) en overleed op 11 januari 1749 in Kerk-Avezaath. (196) Hij was een zoon van Otto van Wijhe en Seina van Delen. (197) N.B. In 1703 ‘is doenmael de Hoog Welgeb. vrouwe van Braeckel (Isabella Jacoba Pompe van Slingeland) en mevrouwe van Eck (Seina van Delen) voor de eerste mael aen tafel geweest (als ledematen van Gods kerck); oock de jonge juffer dochter van mevrouwe van Brakel (Henriette Philippine). En bevonden in de kommen, na de custos ’t sijne voor brood en wijn hadde afgetrocken, de somme van 96-0’, aldus een notitie in het lidmatenregister van Kerk- en Kapelavezaath. (198) Op een lijst van inwoners van het Noord Oostenrijks Quartier in ’s-Gravenhage in 1715 vinden we ‘Mevrouw van Brakel, weduwe (Isabella Jacoba Pompe van Slingeland), eyge huys, 3 dienstboden, 1 buitenplaats in Gelderland (waarschijnlijk het zomerverblijf), koets en 2 paarden; met 2 dogters (Louise Isabella en Henriette Philippine)’. (199)

§ 4 Intermezzo. Nederland in de jaren 1672-1789 We zijn in 1672, het Rampjaar toen ‘de regering radeloos, de bevolking redeloos en het land reddeloos’ was. De Franse koning Lodewijk XIV had iets tegen ons. Hij streefde naar Franse hegemonie in Europa en ‘die verdomde kaaskoppen’ (deze betiteling stamt van hem!) stonden hem in de weg. Lodewijk smeedde voor veel geld een verbond in elkaar met Engeland, Zweden en de bisdommen Keulen en Münster. In mei 1672 stuurde hij een leger van 120.000 soldaten naar de Lage Landen. En wat konden wij daar tegenoverstellen? Op papier 40.000 man, in werkelijkheid ongeveer 21.000. De kapiteins kregen namelijk van de overheid de soldij voor hun compagnie uitgekeerd; deserteerde of stierf een soldaat, dan bleef hij toch op de monsterrol staan en de kapitein hield de soldij voor zichzelf. De legertop bestond uit zestigplussers en de lagere rangen onder de officieren werden bemand met vrienden en kinderen van de regenten, rijk geworden zakenlui die de macht in ons land hadden. Zo kreeg in 1654 ene Cornelis Dorst op twaalfjarige leeftijd een aanstelling als vaandrig. Hij bleef natuurlijk op school


172

en de een of andere oude sergeant deed voor enkele stuivers het werk. (200) Gelukkig stond de vloot er beter voor. De zeegewesten Holland en Zeeland - en daar zat het meeste geld - hadden weinig belang bij een sterk landleger. Zij investeerden liever in oorlogsschepen. Terwijl de Zonnekoning bezig was met zijn opmars richting ‘het aanslibsel van Franse rivieren’, wist admiraal De Ruyter - hoewel hij minder schepen, vuurkracht en manschappen had - in juni een gecombineerde Frans/Engelse vloot bij Solebay een gevoelige klap toe te brengen. Intussen hadden wij in een vlaag van verstandsverbijstering onze politieke leider Johan de Witt vermoord en een prins van Oranje, Willem III, tot opperbevelhebber benoemd, omdat het benarde volk dat zo wilde. Op 12 juni trok Lodewijk XIV bij Lobith ons land binnen. In een snel tempo rukte hij richting Holland op. Nijmegen werd ingenomen en in de Bommelerwaard moest Zaltbommel zich op 22 juli overgeven. Op 11 september bliezen de Fransen kasteel Brakel op, omdat de dorpsbewoners weigerden brandschatting te betalen. Het Nederlandse leger besloot tot een ‘fraaie retraite’ naar de Waterlinie. ‘Wy connen hier niet blyven ende laten Hollant verlooren gaen’ zei de in Randstedelijk denken opgevoede prins van Oranje. (201) Daarom moesten tussen Amsterdam en Geertruidenberg de dijken worden doorgestoken, in de Bommelerwaard o.m. bij Nieuwaal. In het boekje Getrouw advys aen de oprechte Hollanders, rakende het geene gepasseert is in de dorpen van Bodegrave en Swammerdam, en de ongehoorde wreedheeden, die de Fransen aldaer gepleeght hebben wordt de lezer medegedeeld dat de opperbevelhebber van het Franse leger François Henri hertog van Luxemburg aan de vooravond van de inval zijn troepen het volgende voorhield: ‘Gaet mijn kinderen, plondert, rooft, slaet doot, brandt en schoffiert, en indien noch eenig grooter gewelt en boosheyt kan gepleegd worden, toont dat gy mannen sijt, niet onwaerdig dat ick u uyt alle des Konings troupen tot desen tocht uytgelesen heb, (…)’. (202) Margaretha Turnor, gehuwd met de Utrechtse edelman en ambassadeur Godard Adriaan van Reede, beschreef in een brief aan haar echtgenoot de gruwelijkheden waaraan de Franse soldaten zich schuldig maakten. ‘Mensen haere staen te berge als men denckt hoe tieraniecklijck de vijande te Boodegraafve en Swamerdam met de mense en insonderheijt met het vrou volck hebbe geleeft. Een vrou die in barens noot sat, hebbense met de vrouwe, die bij haer waeren, in een kaemer gesloote en ’t selve aen brant gesteecke. (…) Een dochter, in preesensi (= aanwezigheid) van haer vader, geschoffiert; daar nae de borste afgesneede, in dat rauwe fleijs buskruijt gevreefve so dat de vader op sijn bloote knie badt men haer maer ’t leefve sou beneeme. Doen hebben sij se int water onder ’t ijs geworpe en gesteecke, sodat het met geen tong is uut te spreecke … ick kan nacht noch dach ruste als ick der aen denck. (…)’ (203) En toen kwam de ommekeer. De bisschop van Münster ‘Bommenberend’ van Galen slaagde er ondanks hevige beschietingen maar niet in de stad Groningen te veroveren. Toen hij hoorde dat een leger uit Brandenburg (het latere Pruisen) op het punt stond zijn bisdom binnen te vallen, droop hij af. In de rest van het land werd opgelucht ademgehaald. Vondel wijdde er een van zijn laatste verzen aan: ‘O Groninge, uit het puin en asch en stof verrezen Vergeet de weldaet niet, die God u heeft bewezen.’ (204) En dat doen ze dan in Groningen ook niet. Elk jaar wordt in de stad, waar de schrijver geschiedenis studeerde, op 28 augustus Gronings ontzet gevierd. Lodewijk XIV had intussen, hoewel nog lang niet vaststond dat hij zou winnen, zijn vredesvoorwaarden bekend gemaakt. Hij eiste o.m. dat de Republiek afstand zou doen van Limburg, Noord-Brabant en het Gelderse rivierengebied. De grote rivieren moesten in de toekomst Frankrijks natuurlijke grens in het noorden worden. Onze regering kon zich de luxe permitteren te weigeren, want de Waterlinie bleek een onoverkomelijk obstakel voor het Franse leger. Bovendien kregen we hulp. Zowel Spanje als de Duitse keizer traden toe tot het zgn. Haags Ver-


173

bond. Eind 1673 wist Willem III samen met keizerlijke troepen Bonn te veroveren en zo de Franse verbindingslinies door te snijden. In augustus van hetzelfde jaar had De Ruyter al de Engels/Franse vloot bij Kijkduin verslagen. De Engelsen hielden het toen voor gezien en sloten in februari 1674 vrede. Hierop besloot de Zonnekoning in het voorjaar van 1674 het grondgebied van de Republiek te ontruimen. Ook de beide bisschoppen kozen eieren voor hun geld. In 1678 werd in Nijmegen een vredesverdrag getekend. N.B. Einde 1673 begonnen de Fransen hun aftocht uit de Bommelerwaard voor te bereiden. De Nederlandse bevelhebber Willem Adriaan graaf van Hoorne besloot vanuit Gorinchem het Franse garnizoen in Zaltbommel aan te vallen. Toen hij op 14 november in het zicht van de stad kwam waren de Fransen al vertrokken. Op één na: majoor Villers, stadscommandant, die bezig was afscheid te nemen van ‘een mevrouwe’. Hij hoorde van een jongetje dat de graaf van Hoorne in de stad was en moest ‘als de blixem’ op zijn paard springen om gevangenneming te ontgaan. (205) Het Gelderse volk was volkomen verarmd toen de vijand aftrok. De boeren waren er zo mogelijk nog ernstiger aan toe; hun akkers vertrapt, de boerderijen leeggeroofd, de veestapel afgeslacht. (206) Jaren daarna verzuchtte een van hen dat hij zijn schulden niet kon betalen, omdat hij door de oorlog alles was kwijtgeraakt. (207) Twee jaar lang was de Betuwe bezet gebied geweest, met alle nare gevolgen van dien voor de bewoners: belastingen in geld en in natura, afkoopsommen voor roof en plundering, ‘vereringen’ aan plaatselijke bevelhebbers, de verplichting tot inkwartiering van het krijgsvolk met inbegrip van voeding, vuur en licht, vaak zelfs kleding. (208) Laten we als voorbeeld Maurik in de Nederbetuwe nemen, een dorp dat grensde aan Lienden waar Huis Karmestein stond. Op ’10 Julij 1672 ouden stijl’ berichtten enkele inwoners van Maurik ‘van soo danighe schade als de huijsluijden ende inwoonderen tot Maurick hebben geleden door den oorloogh, den inval der perthijen ende deurtreckinge der Fransche ruijterije ende voetvolckeren gedaen in de maent Junij 1672. Alhoewel sich niemant hebben te weer gestelt, is evenwel een inwoonder doot geschooten, naelatende een vrouw met twee kleijne kinderen, die niet en heeft om af te leven, ende niet en can winnen. (…) Item sijn de huijsluijden afgenomen een-entsestich peerden, deurmalcanderen geestimeert het stuck op vijf entseventich gulden. (…) Mitsgaders veel huijsen geplondert, eenig verbrant, wagens vol goederen, soo gelt, juweelen, als anders mubilien te buijt gemaeckt ende mede genomen’. Op 24 december 1674 ‘maecken de buermeesteren ende inwoonderen tot Maurick bekent de groote exter ordinaire dwanck, contributien en lasten, als den dorpe Maurick voors. heeft moeten betalen ende doen aen de Francen sedert begin van de maent Junij 1672 tot den 19 April 1674 sijnde Paasdach doen de Francen weder ut Tijel (= Tiel) vertrocken toe. Bij de invasie sijn gevangen negen persoonen die soo getracteert waren dat eenige cort daer naer gestorven sijn, ende tot rantsoen (= losgeld) moeten betalen omtrent duijsent gulden. (…) Behalve het geene de huijsluijden in de kerck gevlucht hadden bestaende in kisten vol goederen, wollen, linnen als anders, welcke kerck door de Fransen worden opgebroocken ende alles geplondert ende mede genomen dat daer in was, speck, vleesch, booter, etc. (…) Item verscheijde doortochten ende beletteringen (= inkwartieringen) gehadt die men most logeren van de beste cost ende dranck geven, ende gelt toe en bedanckten dan de huijsluijden noch met slaegh. (…) Soo dat men claerlick can bemercken de schade onweerdeerlick te sijn. Ende dat de huijsluijden soo utgeput, vermartelt ende verermt sijn, onmogelijck eenige sware lasten meer te cunnen dragen of betalen’. (209) Het scheelde dus niet veel of de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was in 1672 ten onder gegaan. Dankzij onze successen op zee en hulp uit het buitenland, kon de Zonnekoning voorlopig een halt worden toegeroepen. In de jaren daarna wierp Willem III, die in 1688 ook koning van Engeland werd, zich op als leider van Europa, als handhaver van het politieke evenwicht tegen de dreiging van Lodewijk XIV. De Republiek en Engeland voerden in twee oorlogen een protestantse kruistocht tegen de ambitieuze katholieke koning van Frankrijk. De laatste van die twee, de Spaanse Successieoorlog (1702-1713), bracht de Fransen eindelijk op de knieën.


174

Hierna was de rol van de Republiek als grote mogendheid uitgespeeld. Zij trok zich zoveel mogelijk terug uit buitenlandse verwikkelingen en legde zich te slapen achter de zgn. barrière, een reeks vestingen langs de Franse grens die de Oostenrijkse of Zuidelijke Nederlanden moest beschermen tegen de gulzige zuiderbuur. Leger en vloot werden verwaarloosd, waardoor onze handel niet meer beschermd kon worden. Onze concurrenten Engeland en Frankrijk slaagden er in ons van de wereldmarkt te verdringen. De achttiende eeuw staat dan ook in de vaderlandse geschiedenis bekend als de Pruikentijd, waarin de regenten van kloeke verdedigers van onze vrijheid tijdens de opstand tegen Philips II, ontaardden tot verwijfde en Frans sprekende renteniers. Zij misbruikten hun macht om hun toch al goed gevulde geldbuidel nog meer te spekken. Algemeen belang werd synoniem met eigenbelang. De Oranje’s, die vanouds gezien werden als een soort tegenwicht tegen de regenten en daarmee als beschermheren van de kleine luiden, verdwenen in 1702 tijdelijk van het toneel. Willem III overleed in dat jaar kinderloos en de regenten besloten geen opvolger te benoemen. Tot 1747 beleefde ons land dan ook het zgn. tweede stadhouderloze tijdperk. Er zijn overigens historici die vinden dat het met de neergang van de Republiek in de achttiende eeuw wel mee viel en daarom liever spreken van de Zilveren Eeuw dan van de Pruikentijd. In de jaren veertig van de achttiende eeuw raakte Nederland opnieuw betrokken bij een Europees conflict, de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748). In 1745 werden de Zuidelijke Nederlanden (sinds 1713 Oostenrijks bezit) het hoofdtoneel van de strijd. De Fransen rolden onze barrière op en vielen in 1747 Zeeuws-Vlaanderen binnen en overmeesterden Bergen op Zoom. Paniek alom! Evenals in 1672, tijdens het Rampjaar, kreeg de regentenkliek de schuld en werd opnieuw een Oranje als redder in de nood tot stadhouder en opperbevelhebber van leger en vloot benoemd. Willem IV (1747-1751) ontving de ene bevoegdheid na de andere die bovendien zowel in de mannelijke als in de vrouwelijke lijn erfelijk werden. Maar Willem IV was niet de man van het kaliber van Willem III. Dat we de oorlog zonder veel kleerscheuren overleefden, was geen verdienste van hem. Van Willem IV werd verwacht dat hij een einde zou maken aan de corruptie en de vriendjespolitiek van de regenten. Daarin kwam men bedrogen uit. Ook onder Willem IV ‘dronken de heren een glas, deden een plas en lieten de zaak zoals ie was’. De ontevredenheid bleef. Geen wonder dat na de Franse revolutie (1789) de Fransen, anderhalve eeuw onze doodsvijand, door velen als bevrijders werden binnengehaald. § 5 Heren in de Betuwe III Eerste deel

I. Lodewijk (I). Zoon van Staas van Brakell en Anthonia van Rossem. Huwde 1)Anna van Isendoorn 2)Antonia van Wijhe. Uit het eerste huwelijk: 1)Dirk (I). Zie II.1. Uit het eerste of tweede huwelijk: 2)Hubert. 3)Elisabeth. Huwde Gijsbert van Meeckeren tot Westerburg. II.1. Dirk (I). Huwde 1)Anna Vijgh 2)Maria van Isendoorn à Blois. Uit het eerste en/of tweede huwelijk: 1)Aleyt. Huwde Arend de Cock van Opijnen. 2)Dirk (II). Zie III.1. 3)Lodewijk. Huwde Elisabeth van Leeuwen. 4)Anna. Huwde Marcus van Wees.


175

5)Nicolaas. Zie III.2. 6)Antoinette. Huwde 1)Pierre Paignet 2)Leonard de Bars de Peyrat. 7)Geertruijd. Huwde Jan Willemsz. van Weesel. III.1 Dirk (II). Huwde Eva van Zuylen. 1)Floris. Zie IV.1. 2)Hendrik. 3)Anna. 4)Susanna. 5)Elisabeth Catharina. Huwde Floris Borre van Amerongen. 6)Dorothea. III.2. Nicolaas. Huwde Hendrica van Zuylen. 1)Anna. 2)Louise. Huwde Jacob van Aerdt. 3)Catharina Maria. Huwde Adriaan van Beest van Renoy. 4)Hendrik. 5)Dirk. IV.1. Floris. Huwde Geertruyd Bentinck. 1)Diederik. Zie V.1. 2)Johanna. 3)Susanna. 4)Antoinette. Huwde Amant Elbert Swaefken. V.1. Diederik. Huwde Justina van Borssele. 1)Jacoba Maria. 2)Floris Adriaan. Zie VI.1. 3)Diedrik Joost. 4)Antoinette Geertruijd. 5)Jacob. Zie VI.2. 6)Gerrit Willem. 7)Dirk Joost. 8)Karel Philip. Zie VI.3. VI.1. Floris Adriaan (I). Huwde Margaretha Gijsberta van Steenland. 1)Diederik Louis. Zie VII.1. VI.2. Jacob. Huwde Maria Catharina van Borssele. 1)Jacob Derk. Zie VII.2. 2)Adriaan Jacob. 3)Justina Geertruid. 4)Maria Elisabeth. 5)Dirk Willem Hendrik. Huwde Anna Maria Visscher. 6)Alexandrina. 7)Jan. 8)Philip Jacob. 9)Jacoba Woutrina.


176

VI.3. Karel Philip. Huwde Wilda van Wijhe. 1)Alberta Clasina. Huwde Willem Hendrik van Borssele van der Hooghe. VII.1. Diederik Louis (I). Huwde Jacoba Wouterina de Lange. 1)Gijsberta Maria Jacoba. 2)Margaretha Gijsberta. Huwde 1)Isaac Steven van Delen 2)Nicolaas Hans Willem van Delen. 3)Johanna Maximiliane. 4)Floris Adriaan (II). Zie VIII.1. 5)Gijsbert. VII.2. Jacob Derk. Huwde barones Seina Alexandrina van Neukirchen, genaamd Nyvenheim. 1)Maria Alexandrina Philippina Catharina. Huwde baron Diederik Louis van Brakell tot den Brakell. 2)Jacob Adriaan. Zie VIII.2. 3)Dirk Willem Hendrik. 4)Didérique Fortunée. Huwde baron Diederik Louis van Brakell tot den Brakell. 5)Maarten Adriaan Jacob. Zie VIII.3. 6)Frederik Louis Willem. Zie VIII.4. VIII.1. Floris Adriaan (II). Huwde Huberta van Hulst. 1)Diederik Louis (II). Zie IX.1. 2)François Gijsbert. VIII.2. Jacob Adriaan. Huwde Caroline Petronella van Borssele. 1)Jacob Adriaan Prosper. Zie IX.2. 2)Antoine Guillaume. VIII.3. Maarten Adriaan Jacob. Huwde gravin Frederika Maria van Bylandt. 1)Mathilda Frederica. VIII.4. Frederik Louis Willem. Huwde barones Albertina Frederika Clara Johanna van Neukirchen, genaamd Nyvenheim. IX.1. Diederik Louis (II). Huwde 1)Maria Alexandrina Philippina Catharina van Brakell 2)Didérique Fortunée van Brakell. Uit het eerste huwelijk: 1)Floris Adriaan. 2)Seina Jacqueline Diderique Alexandrina. Uit het tweede huwelijk : 1)Louis Eugène. 2)Margaretha Gijsberta. 3)François Gijsbert Staatskin. Zie X.1. 4)Maria Alexandrina Adriana. Huwde baron Theodoor Willem van Zuylen van Nievelt. 5)Willem Jacob. 6)Justina Philippina Geertruijd.


177

IX.2. Jacob Adriaan Prosper. Huwde jonkvrouw Jeanne Henriëtte Gabriëlle van Schuylenburg. 1)Jacqueline Gabriëlle. Huwde Hendrik Anton ridder van Rappard. 2)Philippe Frédéric Antoine Jacques. Zie X.2. 3)Louise Constance Jeanne. Huwde 1)baron Henri de Smeth 2)baron Jan Werner van Pallandt. 4)Françoise Stephanie. Huwde jonkheer Anton Willem van Borssele. 5)Françoise Gabriëlle Mathilde. 6)Lodewijk Frank Willem. Zie X.3. 7)Jacob Adriaan Zweder. Huwde Hendrika Cornelia Colenbrander. 8)Maria Theodora. Huwde 1)baron Lodewijk Arend van Ittersum 2)Giesbert Cornelis Frederik van Hengst 3)jonkheer Jan Elias Huydecoper. 9)Jacob Willem Frank. 10)Jacob Gabriel Willem. X.1. François Gijsbert Staatskin. Huwde Hermina Bartholomée Brand tot Cabauw. 1)Fortunée Anne Louise. Huwde baron Lodewijk Frank Willem van Brakell. X.2. Philippe Frédéric Antoine Jacques. Huwde Anna Catharina van Dijk. X.3. Lodewijk Frank Willem. Huwde 1)barones Fortunée Anne Louise van Brakell 2)Marie Alphonsine Augustine Marguerite Josse. Lodewijk van Brakell was een zoon van Staas van Brakell en Anthonia van Rossem. Lodewijk staat vermeld als ridder, was drost van Ter Lede en overleed voor 8 april 1545. (210) Hij huwde eerst Anna van Isendoorn (211) en daarna Antonia van Wijhe, dochter van Teunis van Wijhe van Echteld en N. van Delen. (212) Op 8 april 1545 werd ‘Thonyss van Wijhe wedewe Lodewycks van Braeckell’ beleend met de helft van de ‘hofstede met toren, zaal en het goed’ te Rijswijk (Huis Den Brakel); op 26 oktober 1544 had zij al de andere helft in leen gekregen, zodat de beide helften (gesplitst in 1490) nu weer in één hand kwamen. Haar achterkleinzoon Floris en diens nakomelingen gingen zich daarom Van Brakell tot den Brakell noemen. Op 31 augustus 1547 verwierf zij ‘seven mergen lants geheiten den Muggenberch inden kerspell van Avesaet’. (213) Antonia overleed voor 2 maart 1575. (214) Lodewijk ging in 1540 als een van de vier vertegenwoordigers van de ‘ridderschap van de Neder-Betouw’ akkoord met een door de hertog gevraagde bede. (215) Hertog Willem had geld nodig voor zijn oorlog tegen keizer Karel V die het op dat moment nog enige zelfstandige Nederlandse vorstendom bij zijn wereldrijk wilde inlijven. Van Lodewijk en zijn beide echtgenotes zijn drie kinderen bekend: 1)Dirk. Zie hieronder. 2)Hubert. Op 6 maart 1575 werd hij beleend met de hofstede De Muggenberg ‘als erve sijner moder Anthoniae’. (216) 3)Elisabeth. Volgens baron d’Ablaing van Giessenburg was zij een dochter van Lodewijk en Anna van Isendoorn. (217) Zij huwde Gijsbert van Meeckeren tot Westerburg, zoon van Gijsbert van Meeckeren tot Westerburg en Anna Noording. Gijsbert was lid van de ridderschap van de Veluwe. (218) Dirk (I) van Brakell was een zoon van Lodewijk van Brakell en Anna van Isendoorn. (219) Dirk was drost van Ter Lede (1580 tot 1592), (220) lid van de ridderschap Nijmegen (1576 tot 1592) (221) en in 1566 een van de ondertekenaars van het Smeekschrift, waarin Philips II verzocht werd minder streng tegen de calvinisten op te treden. (222) In 1576 reisde een vertegenwoordiging van het gewest Gelderland - waaronder ‘uit de Ridderschap Dirck van Brakel’ en Cornelis van Wees, burgemeester van Arnhem en schoonvader van Anna, een dochter van Dirk van Brakell - naar Brussel met een ‘request van die van Gelderland aan den Raad van Staate’. Hierin beklaagden de Geldersen zich over de ‘indragt in hunne regten, als mede over de onmatige geldafperssingen, en andere ongeregeldheden, door het Spaansche krygsvolk hunne onderzaaten daaglyks meer en meer aangedaan wordende’. Veel indruk


178

maakte de ‘Remonstrantie der Gelderschen’ niet, maar ‘het zal egter’, aldus Pieter Bondam, ‘niet onaangenaam zyn der vergetelheid te onttrekken de naamen der geenen, welken dit gezandschap als toen bekleed, en in die gevaarlyke en wisselvallige tyden voor de vryheden en regten van hun vaderland niet geweigerd hebben zig dus manmoedig in de bres te stellen’. (223) Op 2 maart 1575 werd Dirk beleend met de helft van de ‘hofstede met toren, zaal en het goed’ in Rijswijk (Huis Den Brakel), op 6 maart in hetzelfde jaar droeg zijn broer Hubert de hofstede De Muggenberg aan hem over, en op 27 april 1592 ontving hij negen morgen land ‘geheiten Merenryet’ in Maurik. (224) Hij overleed voor of op 8 juli 1592 en huwde in 1567 Anna Vijgh, dochter van Claas Vijgh, ridder, Heer van Est en Alden Haeghe te Zoelen, ambtman van de Nederbetuwe, en Anna van Gelder, natuurlijke dochter van Karel van Egmond, de voormalige hertog van Gelre. (225) Anna overleed in of voor 1590. Dirk sloot in 1590 een tweede huwelijk met Maria van Isendoorn à Blois, dochter van Alard van Isendoorn en Rembalda van Neeringen. Maria overleed op of na 16 maart 1609. (226) Van Dirk zijn uit zijn eerste en/of tweede huwelijk zeven kinderen bekend: 1)Aleyt. Zij overleed op 6 februari 1587 ‘aen haer kynt’ (227) en huwde Arend de Cock van Opijnen. Hij was lid van de ridderschap Nijmegen en een zoon van Johan de Cock van Opijnen en Rembalda van Neeringen. (228) 2)Dirk (II). Zie blz. 179. 3)Lodewijk. Hij was lid van de ridderschap Nijmegen (229) en huwde Elisabeth van Leeuwen, dochter van Herman van Leeuwen en Jutta Alberts de Nijs. (230) Op 8 februari 1583 wordt ‘Elisabeth van Brakel’ een dochter genoemd van Lodewijk van Brakell en Elisabeth van Leeuwen en een nicht van Dirk van Brakell. (231) 4)Anna. Zij overleed na 3 februari 1627 (232) en huwde in 1598 Marcus van Wees, zoon van Cornelis van Wees, burgemeester van Arnhem en lid van de ridderschap van de Veluwe, en Maria Hinckaerts. (233) Marcus was lid van de ridderschap van de Veluwe en overleed op 9 juni 1624. (234) Op 8 december 1599 gaf hij zijn vrouw het vruchtgebruik van ‘een hoff, bouwinge ende goet’ gelegen ‘halverwege tusschen Angerlo en Lathum’. (235) 5)Nicolaas. Zie blz. 181. 6)Antoinette. Zij werd geboren in 1583 en overleed op 1 september 1641. (236) In een akte van 2 februari 1611 wordt Dirk (II) de oudste broer van Antoinette genoemd. (237) Op 8 november en 29 december 1602 werd ‘Antonette van Brakel Dircks dochter’ beleend met de helft van een tiende in het kerspel Ingen en het ‘lant, geheiten Merenryet’. (238) Zij huwde in 1600 Pierre Paignet, ‘ritmeester des gardes van prins Maurits van Orange Nassau’ (239) en na diens overlijden ging Antoinette in Amersfoort op 10 april 1615 in ondertrouw met Leonard de Bars de Peyrat, kapitein bij de infanterie. Leonard werd geboren rond 1570 en overleed (of werd begraven) op 30 april 1632. (240) 7)Geertruijd. ‘Geertruyt Dircsdr. van Braeckel’, woonachtig ‘op ’t huys ter Lee’ ging op 29 augustus 1591 in Utrecht in ondertrouw met Jan Willemsz. van Weesel, woonachtig in Utrecht. (241) N.B. Diederik Vijgh, schout van Tiel (1566), ambtman van de Nederbetuwe (1578 tot 1597), overleden in 1615, was een broer van Anna Vijgh, de eerste echtgenote van Dirk (I) van Brakell. In enkele akten van het Schepensignaat van Tiel is sprake van een financiële ‘relatie’ tussen Diederik en Maria van Isendoorn à Blois, de tweede echtgenote van Dirk. Op 8 juli 1592 was ‘Diderich Vygh heer tot Soelen gerecht in allen goederen rede ende onrede joffer Maria van Isendoren weduwe van Diderich van Brakell.’ (242) Op 18 september van hetzelfde jaar is sprake van ‘goden en vollen betalonge van een schultbrieff haldende van duisent carolus gl (gulden) met alle verlopene renten van dien’ door Maria van Isendoorn aan Diederik Vijgh. (243) In 1603 beloofden Maria van Isendoorn en enkele heren aan Diederik Vijgh ‘die somme van drie hondert gulden ad twyntich st (stuivers)’. (244)


179

Dirk (II) van Brakell was een zoon van Dirk van Brakell en Anna Vijgh of Maria van Isendoorn à Blois. (245) ‘Joncker Diederick van Brakel capteijn’ was lid van de ridderschap Nijmegen en lid van de Ridderlijke Duitsche Orde-Balije van Utrecht (1595). (246) Hij was beleend met ‘een lant, geheiten Merenryet’ (1 september 1593), de hofstede ‘Muggenberch’ met zeven morgen land (9 februari 1594), en de helft van de hofstede met ‘toren, zaal en het goed’ (Huis Den Brakel) te Rijswijk (7 maart 1597). (247) Op 6 april 1602 werd een ‘huis en hoffstadt met berg en bouwhuis, staende bynnen Tiel aent Hoecheindt’ getransporteerd aan ‘Diderich van Brakel’. (248) Dirk overleed voor 9 september 1620 (249) en huwde in 1599 Eva van Zuylen, dochter van Hendrik van Zuylen, Heer van Loell en Hardenberg en landdrost van Bergh, en Anna van Padevoirt. (250) Op 9 september 1620 werd de weduwe van ‘jonker Derryck van Braekell’ beleend met ‘dat huyss toe Loell’ in Didam, op 24 november 1626 droegen Eva en haar zusters Hendrica en Louise het adellijk goed Averenck in Didam over aan Hester van der Borg en in 1638 werden Eva, haar zuster Hendrica en haar zwager Albert Schaep eigenaars van Huis Padevoort in Zeddam. (251) Eva overleed op of na 10 juli 1650. (252). Van Dirk en Eva zijn zes kinderen bekend: 1)Floris. Zie blz. 181. 2)Hendrik. Hij wordt vermeld in een akte van 3 september 1621. Op die dag werd hij begiftigd met de St.Antonis vicarie te Rijswijk in de Nederbetuwe. Een vicarie was in de middeleeuwen een stichting met daaraan verbonden goederen, waarvan de opbrengst werd toegewezen aan een priester (vicaris); deze diende daarvoor missen te lezen aan een bepaald altaar tot intentie van de stichter of diens familie. Een patroon werd aangesteld die o.m. het recht van collatie (= recht om iemand als vicaris aan te wijzen) bezat. Na de Reformatie kregen de meeste vicarieën een bestemming als studiebeurs voor toekomstige predikanten. Gelderland telde in het begin van de zeventiende eeuw ongeveer vijfhonderd vicarieën. Collator van de St.Antonis vicarie was Nicolaas van Brakell, een oom van Hendrik. De gelijknamige vicarie te Kapel-Avezaath behoorde vóór 1594 toe aan Jasper van Brakell en daarna aan Sweder van Brakell. (253) Op 3 juni 1619 nam ‘sijnen tweeden soon (van Dirk) Henrick van Brakel’ de hofstede ‘Muggenberch’ van zijn vader over. (254) 3)Anna. (255) 4)Susanna. (256) 5)Elisabeth Catharina. (257) Zij overleed in Utrecht op 12 maart 1695 (en werd begraven in het ‘Duitse Huis’) en huwde op 29 september 1644 in Utrecht Floris Borre van Amerongen, ‘Landt-Commanduijr der Balije des Ridderlijcken Duijtschen Ordens binnen Utrecht’ van 1664 tot 1675. Floris overleed in 1675. (258) Op 22 april 1680 erfde ‘Vrouwe Elisabeth van Braeckel’ van Justus Borre van Amerongen een ‘huysinge, hoff, stallinge, boomgaert, bepotinge ende beplantinge’ in Oostveen ‘met acht en dartich mergen vierhondert seven ende negentich roeden lants. Ende daer toe noch sestien mergen landts met de huysinge gelegen aenden Amerongschen Dyck’. (259) 6)Dorothea. (260) Na 1635 - het exacte jaar is niet bekend - schonk de reeds genoemde Hester van der Borg de havezathe (= ridderlijk goed of kasteel) Hüning in de heerlijkheid Anholt aan Dorothea en haar zusters Anna, Susanna en Elisabeth Catharina. (261) N.B. Omdat niet alleen de echtgenoot van Elisabeth Catharina van Brakell maar ook Frederik Louis Willem van Brakell (zie blz. 193) landcommandeur van de Ridderlijke Duitse Orde was, en Godschalk van Brakell (IV) commandeur van de commanderij Maasland (zie hoofdstuk VII, par. 3), ga ik wat uitvoeriger in op het ontstaan, de organisatie en de activiteiten van deze Orde. Van Lennep en Hofdijk beschrijven in hun Merkwaardige kasteelen in Nederland, verschenen in de tweede helft van de negentiende eeuw, het ontstaan van de Orde als volgt:


180

‘Nadat Jeruzalem in 1099 door de kruisvaarders veroverd was, deed een Duitsch edelman aldaar een huis inrichten ter verpleging van zóódanige pelgrims en ridders onder zijne landgenoten, als zulks mochten behoeven. Zijn voorbeeld vond navolging: eenige andere edele Duitschers, wier hart warm sloeg voor zelfopofferende menschenliefde, sloten zich by hem aan, voegden de inkomsten hunner goederen by die der zijnen, en vormden alzoo weldra eene broederschap van barmhartigheid, die, door geen anderen regel dan onderlinge overeenkomst verbonden, hare weldaden uitdeelde zonder veel geruchts, en in tijden van gevaar weder even snel naar het zwaard greep als voorheen, en het niet minder wakker voerde.’ (262) Het ‘Hospitaal van St.Marie der Duitsers te Jeruzalem’ ontstond tijdens de Derde Kruistocht (11891192). In 1190 richtten Duitse kooplieden, die met hun schepen kruisvaarders naar het Midden-Oosten vervoerden, een hospitaal in voor de verpleging van zieke en gewonde kruisvaarders. Dit hospitaal werd verheven tot een geestelijke ridderorde en door paus Clemens III in 1191 onder zijn bescherming geplaatst. De terugkeer naar Europa van vele kruisvaarders leidde er in 1199 toe aan de Orde een strijdbare broederschap te verbinden, die het Heilige Land moest verdedigen en de pelgrims beschermen. De leden moesten de kloostergelofte afleggen en dus kuis en gehoorzaam zijn en in armoede leven. Zowel in het Midden-Oosten als in Europa werd de Orde met uitgebreide bezittingen begiftigd. Zo kreeg de balije (= afdeling, provincie) Utrecht goederen en rechten van o.m. Dirk III van Altena en Giselbertus Uten Goye. De Duitse keizer Frederik II schonk de Orde vrijdom van belastingen in zijn rijk. De Duitse Orde speelde een belangrijke rol bij de (al dan niet gedwongen) kerstening van de Pruisen. Door haar uitgestrekte bezittingen en haar voortreffelijke organisatie kreeg de Orde het karakter van een ridderstaat met wereldlijke macht. In Pruisen oefende zij de volledige souvereiniteit uit. Met hulp van kolonisten uit West-Europa werden in Oost-Europa rivieren bedijkt en wouden en moerassen ontgonnen tot bouwland en weiden. Overal verrezen dorpen, kerken en scholen. Zo ontstonden steden als Gdansk (Dantzig) en Eblag (Elbing). In de veertiende eeuw stond de Orde op het toppunt van haar macht. Op 15 juni 1410 leed zij echter bij Tannenberg een verpletterende nederlaag tegen een leger van Polen, Tataren en Litouwers. Onderlinge onenigheid, winstbejag, tuchteloosheid, verraad en slinkende rijkdommen door de steeds stijgende oorlogslasten, brachten de Orde aan de rand van de afgrond. In de 16e eeuw werd het verband tussen de over Europa verspreide afdelingen, mede onder invloed van de Reformatie, allengs losser. In het begin van de 19e eeuw bestond de Orde alleen nog uit acht Oostenrijkse en vier Nederlandse balijen: Utrecht (gesticht in 1231), Alden Biesen (Belgisch Limburg), Westfalen en Lotharingen. Napoleon hief de afdelingen in 1809 op, maar na diens val volgde een herstel. In Nederland gebeurde dit in 1815 door koning Willem I die, evenals zijn vader stadhouder Willem V, bij de Orde stond ingeschreven. Het bestuur van de Orde was hiërarchisch georganiseerd. De kleinste eenheid was het Duitse Huis of de commanderij, een vestiging van de Orde in een bepaalde streek. De huizen werden bestuurd door commandeurs die onder toezicht van een landcommandeur of balijer stonden. De landcommandeurs op hun beurt waren weer ondergeschikt aan een landmeester. Het hoofd van de Orde was de hoogmeester. De vier commandeurs in de Nederlanden werden bij hun bestuurstaken bijgestaan door een kapittel, bestaande uit een aantal ‘ridders’. De Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht, houdt zich heden ten dage bezig met het plegen van liefdadigheid en het bevorderen van de christelijke d.w.z. gereformeerde godsdienst. Het eerste wordt voor een belangrijk deel mogelijk gemaakt door de geldelijke bijdragen van de leden. De Balije van Utrecht is nog steeds een koninklijke instelling. Elke twee jaar wordt een verslag van de werkzaamheden aan ‘de koning’ aangeboden. Bovendien kunnen leden alleen na aanvaarding door de koning(in) worden toegelaten. (263) Het lidmaatschap staat vanaf de Tachtigjarige Oorlog ‘slechts open voor meerderjarigen, die de Hervormde godsdienst belijden en vier smetteloze stamdelen kunnen bewijzen van oude riddermatige huize of minstens tweehonderdjarige adeldom’. In 1959 werd de laatste eis afgezwakt tot ‘adeldom van de geslachten, waartoe de vader en de moeder behoren, slechts dient terug te gaan tot vóór 1795’. (264) Het Duitse Huis in Utrecht, het huidige onderkomen voor de leden van de Balije van Utrecht, ligt tussen de Walsteeg, Geertebolwerk, Zilverstraat en Springweg, in de buurt van het Centraal Station.


181

N.B. Tot het einde van de vorige eeuw was het commandeurschap van de Ridderlijke Duitsche Orde ‘zeer gewild, want het leverde veel geld op waarvoor hoegenaamd niets hoefde te worden gedaan, behalve de kapittelvergaderingen bijwonen. Bedragen werden zelden vermeld, maar De Amsterdammer noemde jaren later (30 augustus 1914) een bedrag van 8000 gulden per jaar, 80.000 in moderne euro’s. Weer wat later was in een krant sprake van 18.000 gulden’. (265) Nicolaas van Brakell was een zoon van Dirk van Brakell en Maria van Isendoorn à Blois. (266) Hij was drost van Ter Lede (1623) en lid van de ridderschap Nijmegen. (267) Nicolaas werd geboren voor 1582, overleed op 26 februari 1626 (268) en huwde Hendrica van Zuylen, een zus van Eva van Zuylen, echtgenote van zijn broer Dirk. (269) Op 13 maart 1599 werd hij samen met zijn broer Lodewijk beleend met vier morgen land in Maurik (in de Oude Weide) en op 19 maart 1607 ‘bij opdragt sijner moder Marie met het derdendeel van omtrent acht ofte negen mergen weylands, geheiten die Meerenriet’ in Maurik. (270) Hendrica overleed na 31 juli 1630. (271) Van Nicolaas en Hendrica zijn vijf kinderen bekend: 1)Anna. Zij overleed op 1 oktober 1643. (272) 2)Louise. Zij huwde op 15 mei 1653 in Rijswijk (Gld) Jacob van Aerdt, zoon van Gerard van Aerdt en Ermgard van Rees. Jacob overleed voor 28 mei 1661. (273) Op 30 november 1653 gaf hij zijn vrouw het vruchtgebruik van de hofstede ‘Den Haige’ en een hofstede ‘gelegen tot Diedam’. (274) 3)Catharina Maria. (275) Zij huwde op 19 oktober 1651 in Tiel Adriaan van Beest van Renoy, zoon van Dirk van Beest van Renoy en Ottina van Scherpenseel. Hij was lid van de ridderschap Nijmegen en schepen in de Hoge Bank van Tuil. (276) In de nacht van 20 op 21 januari 1671 voltrok zich in het Huis te Tuil een familiedrama. De plaatselijke schout verklaarde op 30 januari van dat jaar voor de schepenbank van Zaltbommel ‘hoe datt hij gevangene (Adriaan), des snachts tusschen den XX st. ende XXIst. lopende maents januarij sich heeft laete gelusten op desselfs huys ende woninge tot Thuyl, ampte van Thielrewaert, sijne huysvrouwe, daer mede hij te bedde lach met een stilet in haar rechter zijde boven aende borst, mitsgaders boven aen den lincker arm sodanige sware wonden moordadichlijk t’ infligeren, dat deselve daeraan terstont deser werelt is overleden’. Op 2 maart 1671 werd het vonnis uitgesproken: ‘(…) dat hij gebracht sal worden ter plaetsche daer men gewoon is justitie te doen, om aldaer na het affhouwen van de lincker handt waermede hij het faict (= feit) gepleegt, vervolgens met den sweerde geexecuteert worde, datter de doodt navolgt (…)’. (277) De voltrekking van het vonnis vond plaats op 6 maart 1671. 4)Hendrik. Hij was lid van de ridderschap Nijmegen en huwde op 19 juni 1646 in Wijk bij Duurstede Johanna van Baarn van Schonauwen, dochter van Johan van Schonauwen en Geertruyd van Uyterweerde. Johanna werd geboren in 1621 en overleed op 13 april 1647. (278) 5)Dirk. (279) N.B. In 1600 blijken in Oudewaard (in Kesteren) nog veel wolven voor te komen. Voor elke gevangen wolf betaalde drost Nicolaas van Brakell 25 gulden en voor een welp 10 gulden. ‘Een hele som in die tijd. De voorwaarde was evenwel dat zij op het goed Ter Lede gevangen waren en vele stoere mannen trokken naar het bos om het grove geld te verdienen’. (280) Floris van Brakell tot den Brakell was een zoon van Dirk van Brakell en Eva van Zuylen. (281) Hij was drost van Ter Lede (1627) en lid van de ridderschap Nijmegen. Op 14 maart 1622 werd hij als leenvolger van zijn vader Dirk beleend met de helft van de ‘hofstede met toren, zaal en het goed’ (Huis Den Brakel) in Rijswijk. (282) Hij woonde in Rijswijk (Gld) waar hij op 3 januari 1649 overleed. (283) ‘Begraven (in Kesteren) den weledelen en gestrengen Floris van Brakell tot den Brakell, in sijn leven drossert ter Leden. (…) Zigtbaar is zijn wapen, dat der twee zilveren barbeeltjes, alsmede een geankerd kruis, dat zijner vrouw Geertruid Bentinck.’ (284) Floris ging in ondertrouw op 10 oktober 1641 in Nijkerk met Geertruyd Bentinck, dochter van Carel Bentinck, Heer van Berencamp, en


182

Antoinetta van Delen. Geertruyd werd op 4 augustus 1611 gedoopt in Nijkerk en aldaar begraven op 4 juli 1666. (285) Van Floris en Geertruyd zijn vier kinderen bekend: 1)Diederik. Zie hieronder. 2)Johanna. (286) 3)Susanna. Zij overleed in of na 1685. Susanna had een ‘traktement’ uit de kloostergoederen van OpHeusden i.p.v. haar overleden zuster Johanna. (287) 4)Antoinette. Zij huwde Amant Elbert Swaefken, zoon van kapitein Swaefken en Barbara Adala Smullinck. (288) Diederik van Brakell tot den Brakell was een zoon van Floris van Brakell tot den Brakell en Geertruyd Bentinck. (289) Hij studeerde rechten in Harderwijk, was kapitein bij de infanterie, lid van de ridderschap Nijmegen, schepen (1680) en burgemeester van Tiel (1682 tot 1686, 1688, 1691 tot 1695), (290) richter (1691 tot 1695) en dijkgraaf van Tiel en Zandwijk (1678 tot 1692), (291) heemraad van de Heemraadschap Nederbetuwe (1683 tot 1685), commissaris in het ambt Nederbetuwe, (292) lid van de Staten van het Kwartier van Nijmegen en extra-ordinaris raadsheer bij het Hof van Gelre en Zutphen. (293) Op 4 oktober 1654 werd zijn moeder namens haar minderjarige zoon ‘Derryck van Braeckell’ beleend met ‘dat huyss toe Loell’ in Didam, op 12 oktober van hetzelfde jaar verwierf Diederik de ‘hoffstadt, geheiten Muggenberch’ met zeven morgen land in ‘den kerspel van Kerckavesaet’, op 26 maart 1681 ‘de Weerttient, gelegen op Avesaet in Neder Betuwen’ en op 27 juli 1694 twee morgen land ‘op den Bollick’ in Avesaet. (294) Hij werd geboren in Kesteren op 10 juli 1647 en overleed in Tiel op 30 september 1695. (295) Diederik huwde op 14 december 1677 in Rijswijk (ondertrouw op 28 november in ‘s-Gravenhage) met Justina van Borssele, dochter van Jacob van Borssele, Heer van Kleverskerke en Geldermalsen, en Maria van Varick. Justina werd geboren in Middelburg op 8 september 1653 en overleed in Tiel op 11 augustus 1691. Op hun graftombe in de kerk van Rijswijk (Gld) staat o.m. ‘de WelGeboore Heer Diederick van Brakell tot den Brakell, (…) Vrouwe Justina van Borssele, dochter tot Geldermalsen, egtel. (…) waerop hare wapen en 16 quartieren van den man alleen uitgehouden sijn en daerinne begraven op den 15 Augustus 1691 (…)’. (296) Van Diederik en Justina zijn acht kinderen bekend: 1)Jacoba Maria. Zij werd gedoopt op 3 november 1678 in Tiel en overleed ongehuwd in Zennewijnen op 6 juni 1695. (297) N.B. Toen in de zestiende eeuw het calvinisme de heersende religie werd, werden de goederen van de adellijke vrouwenkloosters verbeurd verklaard. Besloten werd de opbrengst van die goederen in de vorm van prebenden aan een aantal ongehuwde adellijke dames toe te kennen. De leden van de Nederbetuwse ridderschap maakten sindsdien onderling uit welke ‘jufferen’, die minstens acht jaar oud moesten zijn, voor zo’n prebende in aanmerking kwamen. Zo ontving ‘Jacoba Maria van Brakell totten Brakel’ (verblijvend in het adellijk Stift Zennewijnen, voorheen het Norbertinessenklooster Mariënschoot) in 1693 en 1694 30 gulden. (298) 2)Floris Adriaan (I). Zie blz. 183. 3)Diedrik Joost. Hij werd gedoopt in ’s-Gravenhage op 15 december 1680 en overleed op 5 juni 1684. (299) 4)Antoinette Geertruijd. Zij werd gedoopt in Tiel op 16 november 1681 en overleed op 3 december van hetzelfde jaar. (300) 5)Jacob. Zie blz. 184.


183

6)Gerrit Willem. Hij was ritmeester bij de cavalerie en in 1726 majoor in het Regiment Karabiniers Lippe (Cavalerieregiment 688d). Op 19 februari 1706 werd ‘Gerhard van Brakel, meerderjarig’ beleend met de ‘Weerttient’ in Avezaath (op 17 april van hetzelfde jaar afgestaan aan Floris Adriaan van Brakell tot den Brakell). Hij werd gedoopt op 5 februari 1686 in Nijmegen en overleed ongehuwd in Breda op 2 april 1729. (301) Gerrit Willem was wat je noemt ‘anders geaard’. D.J.Noordam schrijft in Riskante relaties: vijf eeuwen homosexualiteit in Nederland, 1233-1733 hierover het volgende: ‘Voor velen, ook mannen uit de elite, was het risico te worden herkend van weinig belang. Zelfs regenten op leeftijd, zoals Six, drost Backer en Van Wouw gingen op jacht onder de bomen en langs de lanen van de steden van de Republiek. (…) Ook (generaal-)majoor Gerrit Willem van Brakel en vaandrig Gerrit de With verwisselden de militaire pas voor het wervend slenteren in de buitenlucht’. (302) 7)Dirk Joost. ‘Vaandrig onder ’t regiment van Bijnheim.’ Hij werd gedoopt op 28 augustus 1688 in Tiel en overleed ongehuwd in of voor 1718. (303) 8)Karel Philip. Zie blz. 185. Floris Adriaan van Brakell tot den Brakell (I) was een zoon van Diederik van Brakell tot den Brakell en Justina van Borssele. (304) Hij was lid van de ridderschap Nijmegen, gesubstitueerd ambtman van de Nederbetuwe, schepen (1700, 1702, 1703, 1717 tot 1720), burgemeester (1705, 1714, 1715, 1720, 1722), richter en dijkgraaf van Tiel en Zandwijk van 1691 tot 1722 (bij zijn benoeming in 1691 kreeg hij van het stadsbestuur een zilveren lampet van ongeveer 100 dukaten ten geschenke), (305) namens het gewest Gelderland gecommiteerde raad ter Admiraliteit op de Maze van 1 mei 1717 tot 30 april 1720, van 1 mei 1711 tot 30 april 1717 gecommiteerde raad ter Admiraliteit in het Noorderkwartier, (306) en van 1 mei 1717 tot 30 april 1720 gecommiteerde ter Generaliteits Rekenkamer, (307) in 1721 ‘tot jonkheer in den Duitschen Huyze geadmitteerdt’ en heemraad. (308) Op 17 april 1706 nam hij de ‘Weerttienth’ in Avezaath van Gerrit Willem van Brakell tot den Brakell over. (309) Floris werd gedoopt in Tiel op 5 februari 1680 en overleed in Huis Vredestein (een erfenis van zijn schoonvader) in Ravenswaay (Gld) op 9 juni 1722. (310) ‘Het heeft (…) den hoogwelgeb. Hr. Floris Adriaan van Braakel tot den Braakel, Heer van Vredenstyn en Grysoort, richter, borgermeister der stad Thiel, en gerichte van Zandwyk, gedeputeerde ter Generalitijts Rekenkamer, myn seer geliefde geagte en hoogbeminde egtgenoot van een langdurige slepende en uitteerende siekte in den ouderdom van 42 jaaren, uit dit ellendig tranendal, (…). Wy zyn van voornemens het lijk sonder eenige cermonien in d’ordinaire begraafplaatse van syn Heer voorouderen tot Ryswyk bij te setten. (…) Vredestyn, den 9 juny 1722. (get.) M.G. van Steenlandt douarière van Brakell.’ (311) Hij trouwde op 18 juni 1711 ‘op den casteele Buren’ Margaretha Gijsberta van Steenland, Vrouwe van Vredestein, dochter van Louis van Steenland, Heer van Grijsoord, Oudenhoorn, Waal en Vredestein, luitenant-kolonel en drost van Buren, en Geertruyt Vijgh, gravin van Ubbergen, Vrouwe van Sleeburg. (312) Margaretha werd op 5 juli 1681 gedoopt in Huis Vredestein en overleed op 5 november 1744 in Tiel. (313) Op 30 juli 1723 droeg zij de ‘Weerttienth’ over aan haar zwager Gerrit Willem van Brakell tot den Brakell. (314) Van Floris en Margaretha is één kind bekend: 1)Diederik Louis. Zie blz. 186. N.B. ‘Ryswyk ligt recht tegen over de stad Wyk by Duurstede. Een vierde deel uur gaans, buiten dit dorp, staat (in 1773) ’t kasteel Brakel, het stamhuis van het Geldersch adelyke geslachte Van Brakel; het welk naar het zelve, den titel van Brakel tot den Brakel voerd; welk kasteel, daar het zeer vervallen was, voor eenige jaren, uit den grond van nieuw opgebouwd is. De jegenwoordige bezitter is de Heer Floris Adriaan, Baron van Brakel. In de kerk te Ryswyk, ziet men ook de prachtige graftombe der Heeren en Vrouwen van dit geslachte. (…) Hier na volgt Ravensway, en dicht daarby het Huis Vredestein; omringt van een fraajen tuin en twe sterrebosschen, behoorende aan het even gemeld adelyk geslacht Van Brakel; ’t welk aldaar gewoonlyk zijn zomerverblyf houd.’ (315) Huis Vredestein werd in 1454 door graaf Vincent van Meurs verkocht aan Willem van Egmond. Willem van Oranje werd door zijn huwelijk met Anna van Egmond (of van Buren) Heer van Vredestein. Hij schonk het kasteel met landerijen aan Philips van Steenland, drost van Buren. Door het huwelijk van Margaretha Gijsberta van Steenland met Floris Adriaan van Brakell tot den Brakell kwam het in 1711 in handen


184

van de familie Van Brakell tot den Brakell. In 1865 werd Vredestein verkocht en in 1868 door de nieuwe eigenaar afgebroken. (316) Jacob van Brakell was een zoon van Diederik van Brakell tot den Brakell en Justina van Borssele. (317) Hij was in 1707 kapitein, in 1708 majoor, in 1709 luitenant-kolonel, in 1737 kolonel-commandant van het Regiment Oranje-Gelderland (Infanterieregiment 602b), in 1742 generaal-majoor, in 1747 luitenant-generaal, diende bij het Regiment Nationalen 14 (Infanterieregiment 748f), het Infanterieregiment 622a, en was gouverneur van Doornik. (318) Jacob werd gedoopt op 24 februari 1683 in ’sGravenhage en overleed in Tiel op 12 februari 1764. (319) Hij (‘luitenant collonel van ’t regiment van Zijn Hoogheit den Prince van Oranjen en Nassouw en majoor der stadt Doornik’) huwde op 26 december 1724 ‘op het huijs te Geldermalsen’ zijn nicht Maria Catharina van Borssele, dochter van Adriaan van Borssele van der Hooghe, Heer van Geldermalsen, en Justina Geertruijd van Welderen. (320) Maria werd geboren in Geldermalsen op 25 september 1701 en overleed in Doornik op 9 maart 1742. (321) Van Jacob en Maria zijn negen kinderen bekend: 1)Jacob Derk. Zie blz. 188. N.B. ‘In 1745 volgde Jacob van Brakell den generaal-majoor baron van Dorth, die de stad Doornik aan de Franschen had moeten overgeven (tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog) en in het kasteel was teruggetrokken, in het bevel over die sterkte op, toen van Dorth door eene beroerte was overvallen. Hij verdedigde den hem toevertrouwden post met groote onverschrokkenheid, ofschoon hij door 9 mortieren en omtrent tachtig stukken zwaar geschut, hevig werd aangetast. Den 19den junij echter, toen alles bijna tot eenen puinhoop gemaakt, de zieken en gekwetsten, die niet meer konden geborgen worden, ten getale van 1170, in de natte gaanderijen opgepropt lagen, en men het niet doenlijk oordeelde, den algemeenen storm af te wachten, besloot de bezetting tot de overgave der vesting, indien er een eerlijk verdrag te bedingen was, waarover men spoedig in onderhandeling kwam. Daar de Franschen terstond eischten, dat de bezetting tot in januarij 1747 niet tegen den koning of zijne bondgenooten zou dienen, wezen de onzen dit, in het eerst, als hard en onaannemelijk van de hand en zonden, tot tweemalen toe, naar den markgraaf de Vaudreull om hierin eenige verzachting te bekomen. Dan, na dat deze, op zijn woord van eer, verklaard had, dat de koning hierin geen verandering maken en zelfs niet dulden zou, dat men er hem verder over sprak, besloot de meerderheid van den krijgsraad, uit hoofde der onmogelijkheid van zich langer te verdedigen, in ’s konings voorwaarden te berusten; van welk gevoelen echter de bevelhebber van Brakel, de generaal-majoor Lewe en de luitenant-kolonel Mackay verschild hadden.’ (322) Volgens mr.D.L. van Brakell tot den Brakell kregen Jacob en Maria behalve Jacob Derk nog acht kinderen: 2)Adriaan Jacob. Hij werd geboren in (?) op 15 januari 1726 en overleed op 8 april 1744. (323) 3)Justina Geertruid. Zij werd geboren in (?) op 26 februari 1727 en overleed op 26 juni 1727. (324) 4)Maria Elisabeth. Zij werd geboren in (?) op 13 november 1728 en overleed op 27 februari 1742. Maria verbleef van 21 juli 1732 tot aan haar dood in het adellijk stift van Zennewijnen. (325) 5)Dirk Willem Hendrik. Hij werd geboren in Doornik op 30 april 1730 en begraven in ’s-Gravenhage op 16 april 1798. Hij was in 1766 commandant van het Regiment Mariniers de Salve (Infanterieregiment 763a), in 1779 generaal-majoor, diende in 1785 in het Regiment Nationalen 10 (Infanterieregiment 664b), in hetzelfde jaar werd hij kolonel van een regiment infanterie en was in 1794 luitenantgeneraal. Hij ging op 17 augustus 1783 in ’s-Gravenhage in ondertrouw (huwelijk op 31 augustus in de Kloosterkerk in ’s-Gravenhage) met Anna Maria Visscher. Zij werd geboren in 1729 en begraven in ’s-Gravenhage op 28 januari 1792. (326) N.B. Op 26 oktober 1750 vond in Middelburg het huwelijk plaats tussen Jan baron van Borssele van der Hooghe en jonkvrouw Anna Margareta Elisabeth Koninck. ‘In de 4e koets (van de bruiloftsstoet)


185

van den heer rekenmeester Kornelis van Citters, waer in zich bevonden jongkheer Dirk Willem Hendrik van Brakell, cornet onder de Guardes Dragonders, zoon van den luitenant generaal Brakel (…).’ (327) 6)Alexandrina. Zij werd geboren in Doornik op 5 oktober 1731 en overleed in Noordwijk in januari 1789. Alexandrina werd ‘als chanoinesse (= stiftsdame) ingekleed in het stift Bedbur te Cleef in augustus 1764’. (328) 7)Jan. Hij werd geboren in Doornik op 27 april 1733 en overleed aldaar op 29 april 1736. (329) 8)Philip Jacob. Hij werd geboren in Doornik op 28 september 1734 en overleed in Kleef op 25 februari 1808. Philip Jacob was sinds 1754 lid van de Staten van Zeeland, van 1757 tot 1795 lid van de Staten-Generaal namens het gewest Zeeland, lid van de Generaliteits Rekenkamer, ‘tot 1795 in de regeering der stad Veere’, en bovendien van 1759 tot 1795 ‘quartierschout en dijkgraef vanden Quartiere van Kempelandt’ in Noord-Brabant. Dit laatste ambt was hem toegeschoven door zijn neef Jan van Borssele van der Hooghe, representant van de eerste edele in Zeeland (stadhouder Willem IV en V). Veel Zeeuwse regenten ergerden zich aan het nepotisme van de familie Van Borssele. Philip Jacob was in hun ogen niet meer dan een genaturaliseerde Geldersman. En dat lieten zij ook duidelijk merken. Toen hij na een bezoek aan een kennis naar zijn koets die ‘wat bemorst was van de natte kley’ werd teruggebracht, kreeg hij van zijn gastheer te horen ‘dat men wel kan sien dat ’t de equipage is van een Geldersche jonker (…)’. Op 11 juni 1804 wordt hij de oom van de minderjarige Maarten Adriaan Jacob van Brakell genoemd (zie blz. 189). (330) 9)Jacoba Woutrina. Zij werd geboren in Doornik op 3 juli 1740 en overleed in ’s-Gravenhage kort voor 9 september 1765. (331) Karel Philip van Brakell tot den Brakell was een zoon van Diederik van Brakell tot den Brakell en Justina van Borssele. (332) Hij was lid van de ridderschap Nijmegen (333) en van 1705 tot 1715 rentmeester van de geestelijke goederen in het Markiezaat van Bergen op Zoom. (334) Hij werd geboren op 24 september 1684 en overleed in 1737. (335) Karel huwde op 21 maart 1708 in Tiel Wilda van Wijhe, ‘dogter van den huise Echteld’, (336) dochter van Otto van Wijhe, Heer van Echteld, Blankenburg, De Pol en den Alden Avezaath, en Seina van Delen, Vrouwe van Eck en Wiel, Den Hul en Eschate. (337) Wilda werd gedoopt in Echteld op 2 maart 1684 en overleed op 14 oktober 1749. (338) Op 5 mei 1732 erfde zij als leenvolger van haar moeder de ‘Winkeltiend en Slagtiend, sijnde twe parcelen’ te Maurik. (339) Wilda was eigenares van de Hof van Arkel, een versterkt huis ‘staande aan het Hoogeind’ in Tiel. (340). Van Karel en Wilda is één kind bekend: 1)Alberta Clasina. (341) Zij werd gedoopt in Dreumel (Gld) op 11 oktober 1711 en overleed in Zaltbommel op 30 december 1733 ‘in de kraam van haar 2e kind’ (Seyna, Anna, Elisabeth). (342) Zij huwde op 23 augustus 1727 in Zaltbommel Willem Hendrik van Borssele van der Hooghe, Heer van Geldermalsen en Kleverskerke en burgemeester van Zaltbommel, zoon van Adriaan van Borssele van der Hooghe, Heer van Geldermalsen, raad en schepen van Vlissingen en lid van de Raad van State, en Justina Geertruijd van Welderen. (343) Willem Hendrik werd geboren in ’s-Gravenhage op 1 januari 1697 en overleed in Zaltbommel op 28 augustus 1746. (344) N.B. Adriaan van Borssele, zoon van Jacob van Borssele en Maria van Varick, telg uit een oud Zeeuws geslacht, trad op negentienjarige leeftijd in dienst van stadhouder Willem III. Hij vergezelde hem op zijn tocht naar Engeland in 1688, toen de prins van Oranje bezit ging nemen van de Engelse troon. Het jaar daarop streed hij zij aan zij met Willem III in Ierland tegen diens schoonvader, de verdreven koning Jacobus II. In de jaren daarna was hij o.m. gezant in Engeland en aan verschillende Duitse hoven. In 1714, na de Spaanse Successieoorlog, was hij een van de afgevaardigden van de Staten-Generaal in Antwerpen, waar het Barrièretraktaat gesloten werd. Van zijn tien zonen trouwde er een, Willem Hendrik, met Albertina Clasina van Brakell tot den Brakell, en een van zijn vijf dochters, Maria Catharina, met Jacob van Brakell. (345)


186

Diederik Louis van Brakell tot den Brakell was een zoon van Floris Adriaan van Brakell tot den Brakell (I) en Margaretha Gijsberta van Steenland. (346) Hij was Heer van Vredestein en Grijsoord (Oude Tonge op Goeree en Overflakkee), richter en dijkgraaf van Tiel en Zandwijk (1734 tot 1761), lid van de ridderschap Nijmegen (1732 tot 1761), ambtsjonker, lid van de Staten-Generaal namens het gewest Gelderland (1734, 1744, 1759), gecommiteerde ter Admiraliteit van het Noorderkwartier van 1 november 1742 tot 1 mei 1744 namens het gewest Gelderland, en heemraad van de Heemraadschap Nederbetuwe (1737 tot 1761). (347) Hij werd geboren op 18 juli 1712 in Huis Vredestein in Ravenswaay en overleed in Tiel (vermoord door zijn schoonzoon Isaac Steven van Delen) op 12 mei 1761. (348) Zie hieronder. Diederik huwde op 6 september 1739 in Tiel Jacoba Wouterina de Lange, dochter van Gijsbert de Lange, vice-admiraal van Holland en Zeeland, en Maria Jacoba de Wilde. (349) Gijsbert de Lange kocht in 1750 het Ambtmanshuis in Tiel (met stalling, koetshuis, tuinmanswoning en oranjerie) voor 8500 gulden voor zijn dochter Jacoba Wouterina. (350) Zij werd gedoopt in Amsterdam op 28 mei 1719 en overleed in Ravenswaay op 1 december 1778. (351) Na de moord op haar echtgenoot hertrouwde zij in Tiel op 3 oktober 1762 met kapitein Gerrit Hugo Calkoen. Boze tongen beweerden in die dagen dat Jacoba tijdens haar eerste huwelijk een relatie had met een ‘ami de la maison’, de zojuist genoemde Calkoen. (352) Van Diederik en Jacoba zijn vijf kinderen bekend: 1)Gijsberta Maria Jacoba. Zij werd gedoopt in Tiel op 25 december 1740 en overleed op 13 augustus 1751. (353) 2)Margaretha Gijsberta. Zij werd geboren op 2 juni 1742 en overleed in Druten op 17 augustus 1829. (354) Zij ondertrouwde in Tiel op 30 december 1756 mr.Isaac Steven van Delen, zoon van Nicolaas Hans Willem van Delen, commandant van het Infanterieregiment 622a, en Dina Henriette barones Cronstrom. Isaac was Heer van Schonenburg en Over- en Nederasselt en lid van de ridderschap Nijmegen. Hij werd gedoopt op 6 januari 1732 en overleed op 3 september 1771. (355) Margaretha sloot op 3 juli 1773 een tweede huwelijk met Nicolaas Hans Willem van Delen, zoon van Johan Hendrik van Delen, Heer van Druten en Horssen, lid van de ridderschap Nijmegen, ambtman, richter en dijkgraaf van het Land van Maas en Waal, en Maria van den Kerkhoff (‘in onegt geboren’). Hij was Heer van Druten en De Lakenburg, lid van de ridderschap Nijmegen, schepen van Maasbommel, heemraad, ambtman, richter en dijkgraaf van het Land van Maas en Waal. Hij werd gedoopt in Druten op 17 maart 1723 en overleed op 11 september 1793 in kasteel Druten, waardoor Margaretha voor de tweede keer weduwe werd. (356) ‘Nicolaas Hans Willem van Delen genoot in zijn omgeving grote populariteit onder meer door zijn grote inzet bij een overstroming van de Maas onder Alphen. Zijn eerste dijkschouw na zijn benoeming tot ambtman in mei 1791 - pas hersteld van een ernstige ziekte - aan de zestien dorpen in zijn ambtsgebied ontwikkelde zich tot een ware triomftocht, waarbij hij overal werd ingehaald met erewachten, erepoorten e.d.’ (357) N.B. Margaretha Gijsberta hield tussen 1806 en 1820 een dagboek bij. Op 1 januari 1806 begon zij in mineur met haar eerste aantekening: ‘het nieuwe jaar in veel angst en treurigheyd begonnen. Zoo weegens den oorlog als de exhorbitante voor geen mensch te dragende belasting, wij bidden Godt om eenen spoedige gelukkige uytkomst’. Het dagboek eindigde op 30 december 1819 met de volgende woorden: ‘de beterschap houd aan, de Waal aan ’t vallen God dank’. (358) 3)Johanna Maximiliane. Zij werd gedoopt in Tiel op 7 mei 1744 en aldaar begraven op 16 juni 1744. (359) 4)Floris Adriaan (II). Zie blz. 192. 5)Gijsbert. Hij werd gedoopt in Tiel op 22 januari 1747 en overleed aldaar op 24 augustus 1751. (360) Op 9 mei 1761 ‘s avonds ‘omtrent de klokke agt uure’, aldus de getuigenis van ‘J.W.Douairiere Van Brakel geb: De Lange’ kwam haar schoonzoon Isaac Steven van Delen na een bezoek aan Culemborg geheel onverwacht en in kennelijke staat op bezoek. Toen hij de eetkamer betrad ‘ontstelde ik seer, en seyde O Godt, daar is Schoonenburg of iets diergelijks’. Daar zij al eerder een aanvaring met hem had gehad en toen ‘uyt een boven venster had moeten springen om mij te salteren’, vluchtte ze halsoverkop


187

naar haar slaapkamer en ‘deed een knip op die deur’. Even later kwam haar man haar zeggen dat de indringer vertrokken was. ‘Na mijn gisting omtrendt half tien’ bleek Van Delen weer in huis te zijn. Zij hoorde toen haar man ‘met een klagende nare stem schreeuwen. (…) Hier op volgde een schrikkelijk confuus geraas waarin ik mijn man hoorde roepen: Og laat me tog mijn leeven of diergelijke woorden’. Zij sloot zich op in haar ‘kabinetje’. ‘Vervolgens hoorde ik een stilte, en ik schreeuwde om hulp en gebruijkte volgens mijn beste weten deese woorden: och mijn arme Brakell is vermoordt. (…) Na weijnig tijts heb ik gehoordt dat den heer Schoonenburg in de eetzaal voor de deur van onse slaapkamer, die ik op de knip had gedaan, quam en stondt te vloeken en te raasen’. Daarop forceerde de moordenaar de deur en brulde tegen de gesloten deur van het kabinet ‘vijf of ses maal, doet open vervloekte canaille, of ik schiet u door de kop, ik steek u met mijn deegen door en door. Ik riep og laat mij leeven in Jesus naam (…) doet het om uw vrouws wille, denkt dat ik de moeder van uw vrouw ben.’ Met veel geweld probeerde Van Delen het kabinet binnen te komen, maar tevergeefs. ‘Toen hoorde ik een groot gerugt van kloppen na de kant van het voorhuijs, doe liep hij schielijk van mijn af, en het wierd doe stil’. Zij vluchtte de tuin in en liep ‘in mijn onderrok en blootshoofds na doctor Vosch’. Thuis gekomen vond zij haar man ‘in een armstoel sitten, viel voor hem neer, en na veel touchant beklag is mijn man te bedt gebragt. (…) Dit is de oprechte waarheijdt die ik met eede kan bevestigen’. (361) Van Delen had zich intussen op de zolder van de woning van zijn schoonouders verborgen waar hij door de wacht van de stad Tiel werd gearresteerd. Hij werd opgesloten in een kamer van het stadhuis onder bewaking van twee soldaten. Drie later overleed Diederik Louis van Brakell tot den Brakell. In de nacht van 14 op 15 mei wist de moordenaar met behulp van o.m. zijn echtgenote te ontsnappen en naar Keulen te vluchten. De cipier G. van Zoelen waste zijn handen in onschuld. Hij verklaarde tijdens het proces ‘dat, geduerende de dittensie (= detentie) van den heer van Schonenburgh ick de duer van het ganijen beseyde het stadthuys deselfs daegelyks gevisiteert en altyt wel geslooten en gegrendelt hebbe bevonde’. (362) Later bleek dat de beide bewakers, die ook gevlucht waren, omgekocht waren. Op 6 augustus 1761 werd het vonnis bekend gemaakt. Isaac Steven van Delen tot Schonenburg werd bij verstek schuldig bevonden aan het volgende: dat hij ‘op een ongehoorde en moordadige wijse heeft toegebragt (aan zijn schoonvader), behalven een kleijne dwarswond aan den lincker onderarm, en twee geringe schrammetjes aan ’t hooft, een wond met een degen geïnfligeert, in de lincker seijde kort aan de onderste rib’. (…) Soo is ‘t, dat welgemelde Heeren van den Gerigte (…) na rijpe deliberatie doende regt: Condemneren de beklaagde (…) wanneer in handen van Justitie mogte koomen te geraaken, omgebragt te worden ter plaatse, alwaar men gewoon is Crimineele Justitie te doen, en aldaar door een scherpregter op een kruijs gebonden, met een bijl sijn hooft van sijn lichaam sal worden geslaagen, en dat vervolgens sijn hooft en doode romp na het galgen velt sal worden gebragt, en aldaar op een rad gesteld en sijn hooft daar boven op een pin, om door de lugt en vogels des hemels te worden verteert’. Verder werd opdracht gegeven ‘in de publicque couranten ter ontdekking en agterhaling van desselven mogt worden geset met belofte van een premie van duijsent gulden te betaalen aan den gene die hem in handen van de justitie sal komen te leeveren’. (363) Tien jaar later op drie september 1771 werd Van Delen door de jachtopziener van de abdij te Deutz voor een stroper aangezien en doodgeschoten. (364) Het motief voor de moord is niet duidelijk. Volgens de overlevering zou de heer Van Delen verontwaardigd zijn geweest over de intieme relatie tussen zijn schoonmoeder en Gerrit Hugo Calkoen en had hij op de bewuste avond de overspelige echtgenote ter verantwoording willen roepen. Er werd in die dagen ook beweerd dat het motief wraak zou zijn geweest voor een incestueuze relatie tussen Margaretha Gijsberta, de echtgenote van de heer van Delen, en haar vader Diederik Louis. N.B. In 1725 werd Christiaan Reinoud van Wijhe (gehuwd met Henriette Philippine van Brakell) tijdelijk richter en dijkgraaf van Tiel tot de meerderjarigheid van de benoemde Diederik Louis van Brakell tot den Brakell. (365) Diederik was op dat moment twaalf of dertien jaar. Zijn vader Floris Adriaan verwierf dit ambt in 1692 op ongeveer dezelfde leeftijd. Deze benoemingen vloeiden voort uit de zgn. contracten van correspondentie, overeenkomsten tussen regentenfamilies waarbij lucratieve posten in het bestuur bij toerbeurt aan leden van die families werden toebedeeld. Bekwaamheid en leeftijd


188

speelden daarbij geen rol. Al in de middeleeuwse steden heersten corruptie en vriendjespolitiek, maar pas in de ‘eeuw van de ware vrijheid’ (1650-1747) vinden we dit fenomeen in zijn meest excessieve vorm. ‘Heden, op dato onderschreven, hebben de heeren hier beneden genoemd met malkander opgericht een onverbreekelyke correspondentie, ende een eeuwigdurende vriendschap gesloten, med dit sinceer ende oprecht oogmerk, om eerste ende vooral het gemeene welwesen van den staat van deze Provintie ende van de stadt Utrecht te besorgen, ende na het bereyken van dien, als dan malkanderen alle bedenkelijke (= denkbare) avantages, plaisiers ende douceurs, soo voor hare personen als particuliere familien toe te brengen, (…).’ Hieronder een aantal voorbeelden van benoemingen met de nodige ‘avantages, plaisiers ende douceurs’. Ik laat voor de zoveelste keer de onvolprezen J. de Rek aan het woord. ‘De burgemeester van Amsterdam benoemde tot bode op Rotterdam zichzelf, op een goed loon, en een schippertje deed voor enkele guldens per week het werk. Een burgemeestersdochter van Gouda heette stadsvroedvrouw en kreeg een salaris van duizenden ’s jaars en een eerzame burgerjuffrouw ging à twee stuivers per verlossing voor haar uit ooievaren. Burgemeester Jan Six, weer in Amsterdam, benoemde zijn zoon tot postmeester op Antwerpen. De zoon lag nog in de wieg, het ambt 11000 gulden ’s jaars - was als pillegift bedoeld, en een kale klerk hield de postboeken bij. Jongetjes die nog niet op het hobbelpaard konden zitten waren kapitein bij de cavalerie, en meisjes die juist met hun eerste pop speelden werden “moertje van de turf” (opperstadsturftonster) of stovenzetster in de Grote Kerk.’ (366) Diederik Louis van Brakell tot den Brakell en Christiaan Reinoud van Wijhe waren o.m. lid van de ridderschap van de Nederbetuwe. Dit college hield enkele malen per jaar gerichtsdagen en dijkschouw in Tiel, Kesteren en Zoelen. In Tiel werd vergaderd en uitgerust in het Hof van Gelderland ‘waar men zonder twijfel uitmuntend at, en waar ook de aanzienlijksten nachtverblijf hielden’. De ‘Reeckeningh van verteeringh gedaen door die H.W.Geb. Heeren Amptman en Ridderschap des Ampts Neder-Betuwe ten huijsen van Nicolaas Crauwel (herbergier in het Hof van Gelderland) binnen Thiel’ laat zien dat er in deze herberg ‘deftig gefeest en de kelder lens gedronken’ werd. ‘20 Septemb. (1726) elf heeren gegeten 16-10-0; 28 pinten rijnse wijn 19-12-0; 12 boeteljens (= flessen) franse wijn 6-12-0; drie kannen en een pint wijn 2-9-0; aen mol (= wit bier), brandewijn, coffij, toeback, etc. 0-4-0’. (367) Jacob Derk van Brakell was een zoon van Jacob van Brakell en Maria Catharina van Borssele. (368) Hij was Heer van Hoekenburg, lid van de ridderschap Nijmegen (1758), ambtman van de Nederbetuwe en heemraad van de Heemraadschap Nederbetuwe (1767 tot 1790), gecommiteerde ter Admiraliteit van Friesland (1779), lid van de Staten-Generaal (1759) en gecommiteerde ter Generaliteits Rekenkamer namens het gewest Gelderland, bovendien richter en dijkgraaf van Tiel en Zandwijk (1764 tot 1766, 1767 tot 1790). (369) In 1762 probeerde hij schepen van Tiel te worden. De burgers van het stadje gaven echter de voorkeur aan ene Marcus Verkerk. ‘De burgerij wist wat ze aan Verkerk had, omdat deze al geruime tijd schepen was geweest. Mogelijk is ook dat de moord op die andere Van Brakell (Diederik Louis van Brakell tot den Brakell, een neef van Jacob Derk) in het voorgaande jaar door diens schoonzoon, geen goed gedaan heeft aan het aanzien dat de familie Van Brakell voordien toch wel genoot. Vooral de nasleep en de houding van mevrouw Van Brakell na de moord heeft veel stof doen opwaaien.’ (370) Jacob Derk werd geboren in Doornik op 22 november 1736 en op 22 april 1790 in Tiel begraven. (371) Jacob Derk huwde op 12 november 1777 in Nijmegen Seina Alexandrina, barones van Neukirchen, genaamd Nyvenheim, dochter van Johan Gijsbert Ludolf Adriaan van Neukirchen, Heer van Driesberg, Mook en Kessel, en Seina Margriet van Wijhe, Vrouwe van Eck en Wiel. (372) Seina werd geboren in Eck en Wiel op 17 maart 1745 en overleed in Tiel op 19 december 1819. (373) Van Jacob Derk en Seina zijn zes kinderen bekend: 1)Maria Alexandrina Philippina Catharina. Zij werd gedoopt in Tiel op 11 oktober 1778 en overleed in Nijmegen op 15 april 1802. Zij huwde op 2 november 1798 in Tiel baron Diederik Louis van Brakell tot den Brakell, zoon van Floris Adriaan van Brakell tot den Brakell en Huberta van Hulst. (374) 2)Jacob Adriaan. Zie blz. 193. 3)Dirk Willem Hendrik. Hij werd gedoopt op 4 februari 1781 in Tiel en overleed in Parijs op 15 augustus 1787. (375)


189

4)Didérique Fortunée. Zij werd geboren in Huis Hoekenburg in Rijswijk (Gld) op 5 maart 1782 en overleed in Arnhem op 18 januari 1853. Zij huwde op 4 mei 1805 in Nijmegen baron Diederik Louis van Brakell tot den Brakell, weduwnaar van haar zuster Maria. (376) N.B. In de loop der jaren raakte Huis Den Brakel - voor het eerst vermeld in 1456 - in verval en daarom besloot Jacob Derk van Brakell te verhuizen. Hij kocht daartoe Huis Hoekenburg waar hij en zijn gezin in 1781 gingen wonen. (377) 5)Jhr.Maarten (Marthe) Adriaan Jacob. (378) Hij was luitenant-kolonel bij de Russische kozakken, lid van de ridderschap Nijmegen, lid van de ridderschap van Gelderland, lid van de Provinciale Staten van Gelderland, houtvester in het eerste district van Gelderland en honorair kamerheer van koning Willem I. (379) Hij werd gedoopt op 9 januari 1785 in Huis Hoekenburg en verdronk op 7 juli 1822 in Scheveningen. (380) Maarten (‘colonel in Russische dienst en ridder van de orde van St.Wladimir’) huwde op 18 augustus 1814 in ’s-Gravenhage Frederika Maria gravin van Bylandt (‘douairiere van Willem van Spaen’), dochter van Otto Willem Hendrik graaf van Bylandt, Heer van Mariënweerd, Ooy en Persingen, en Carolina van Wassenaer-Starrenburg. (381) Frederika werd gedoopt in Nijmegen op 1 december 1782 en overleed in Nederlangbroek (bij Wijk van Duurstede) op 1 september 1859. (382) Uit dit huwelijk werd alleen een dochter geboren, Mathilda Frederica, geboren in ’s-Gravenhage op 30 november 1818 en aldaar overleden op 2 december van hetzelfde jaar. Zij en haar vader werden op 5 december 1818 resp. 18 juli 1822 begraven in de Grote of Sint Jacobskerk in ’s-Gravenhage. (383) Mr.D.L. van Brakell tot den Brakell schreef in zijn Genealogische Aanteekeningen het volgende over Maarten Adriaan Jacob van Brakell: ‘Na tien jaren in Engelsche krijgsdienst in Europa, Afrika en Amerika tegens Vrankrijk met roem en koelbloedigheid den oorlog te hebben gevoerd, keerde hij in dit ons vaderland, met de zegenpralende Russische wapenen in de hand (aan wier hoofd keijzer Alexander de I e zich in persoon bevondt) als collonel der Cosakken terug - hebbende vele gevaren getrotseerd; echter, is helaas gebleeken, dat een noodlottigste ramp voor de zijnen, op zijn jeugdig leven wachtte; op 7 julij 1822 zich in den vroegen morgen, uit ’S Hage na Scheveningen begeevende, om aldaar een zeebad te gebruiken, vindt hij aanstonds eenen zeer onverwachten dood, in den ouderdom van 37 jaren en ruim zes maanden, na eene echtverbintenis van bijna agt jaren - zeer gevoelig beweend door alle zijne bloedverwanten en naastbestaanden’. (384) 6)Frederik Louis Willem. Zie blz. 193. N.B. ‘Het Kwartier van Nymegen wordt geregeerd door ridderschap en steden. In de ridderschap worden geene anderen toegelaaten, dan zulken, wier voorouderen van ouds in de zelve zyn verschreeven geweest en nog verschreeven worden, evenveel of ze in de regt neergaande, of zyd lyn, uit de zelven, wettelyk, gesprooten zyn; mids dat ze den zelfden naam voeren. (…) Ook mogen er geene, als riddermaatigen, in ’t Kwartier verschreeven worden, dan die den hervormden godsdienst belyden, in geenen daadelyken krygsdienst, binnen noch buiten de provincien, zyn, noch ook door eenigen anderen eed dan den leeneed aan eenige uitheemsche heeren, mogendheden of andere Nederlandsche provincien verbonden. Wyders moeten zy ten minsten twee en twintig jaaren oud zyn en tien duizend guldens aan goed, vry en onbezwaard, gelegen binnen het Kwartier, bezitten.’ Alleen leden van de ridderschap kwamen in aanmerking voor hoge functies binnen het Gelderse staatsbestel, genoten vrijstelling voor bepaalde belastingen en hadden het jachtrecht. (385)

§ 6 Intermezzo. Nederland in de jaren 1789-1914

In 1789 begon de Franse revolutie. De revolutionairen maakten eerst een einde aan het absolutisme en daarna aan de standenmaatschappij. Geleidelijk radicaliseerde de revolutie en dat leidde o.m. tot de onthoofding van koning Lodewijk XVI en diens gemalin Marie Antoinette en met hen vele edelen en geestelijken. De revolutionairen waren idealisten die vonden dat hun leuze ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ niet alleen voor de Fransen moest gelden, maar voor de hele mensheid. Zij verklaarden daarom in 1792 de oorlog aan alle tirannen en riepen de Europese volken op in opstand te komen. In


190

1793 werd ook de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bij de strijd betrokken. Feeststemming onder de patriotten in ons land. Zij wilden democratie en meer vrijheid en ergerden zich al jaren over de in versukkeling geraakte Republiek en gaven hiervan de schuld aan de Oranje’s en de regenten. Vanaf 1785 kregen zij in steeds meer steden en gewesten de macht in handen. Toen in 1787 een burgeroorlog dreigde, greep de koning van Pruisen in, een zwager van stadhouder Willem V. Zijn troepen hielden grote schoonmaak en duizenden patriotten vluchtten naar Frankrijk. Een van hen was Herman Daendels. In Frankrijk richtte hij het Bataafs Legioen op, bestaande uit Nederlandse en Belgische vrijwilligers. In 1794 werden de Zuidelijke (of Oostenrijkse) Nederlanden bij Frankrijk ingelijfd. Daendels, bevreesd dat iets dergelijks ook met de Republiek zou gebeuren, kreeg van de Franse regering de belofte dat een te vormen ‘Bataafse Republiek’ als zelfstandige staat erkend zou worden, mits de bevolking in opstand zou komen tegen Willem V en zichzelf zou “bevrijden” vóór de komst van het Franse leger. In oktober 1794 veroverde Daendels als ‘generaal-major bij de Fransche armee’ ’s-Hertogenbosch en wendde zich vandaar uit tot zijn Gelderse en Overijsselse landgenoten: ‘Ontwaakt mijne waarde landgenooten! De tijd is gekomen dat wij ons zelf moeten verlossen van de slavernij, waaronder het land en de boerenstand zo lange gezugt heeft. (…) Wagt niet tot dat de Franschen het komen doen; want ijder regtschapen Nederlander zal met mij wenschen, dat wij zelfs met de wapenen in de vuist onze rechten terugbekomen, en toonen dat wij onze broeders de Franschen waardig zijn, en niet zo verachtlijk als Willem van Nassau (= stadhouder Willem V) ons heeft afgeschilderd’. (386) Einde 1794 veroverden de Fransen onder commando van Pichegru en gesteund door Daendels en zijn patriotten Nijmegen en drongen de Bommelerwaard binnen. De grote rivieren bleken echter voor de Fransen een niet te nemen hindernis. Zij deden vergeefse pogingen hun troepen met schuiten, aken en alles wat maar varen kon de Maas en de Waal over te steken. Vaartuigen die niet geschikt waren voor het vervoer van geschut en ruiterij. Bovendien werden ze door hun tegenstanders op de andere oevers goed in de gaten gehouden. In de nacht van 10 op 11 december wilde een Franse troepenmacht bij Lobith de rivier oversteken, ‘maar in weerwil van de door de Franschen getroffen maatregelen om het inladen der troepen zonder geraas te doen geschieden, hadden de aan de rivier opgestelde waakzame Oostenrijksche wachten toch wel bespeurd dat er bij den vijand iets gaande was, en stonden zij gereed om hem te ontvangen. (…) Toen de flottielje de rivier had bereikt, en er voor de Oostenrijkers geen twijfel meer kon bestaan dat de vijand een poging deed om naar den noordelijken oever te roeien, werd door de batterijen een hevig kartetsvuur geopend op de vaartuigen. (…) Onder aanmerkelijke verliezen werd nu getracht weder zoo spoedig mogelijk naar den zuidelijken oever terug te roeien; doch ook bij die terugvaart werd de vijand door het geschutvuur der Oostenrijkers zoo hevig geteisterd, dat het aantal dooden en gewonden in de vaartuigen steeds toenam, terwijl vele soldaten, die meenden hun leven beter te kunnen redden door in de rivier te springen, dat waagstuk met den dood moesten bekoopen’. (387) ‘Wat nu, Pichegru?’ Helaas was de winter van 1794/95 een hele strenge. Einde december vroren de rivieren dicht en konden de Fransen Holland binnentrekken. Stadhouder Willem V vluchtte hals over kop naar Engeland en ons land heette vanaf 1795 eerst de Bataafse Republiek en daarna het Koninkrijk Holland (1806-1810). In de Franse tijd werd het Gelderse rivierengebied regelmatig geteisterd door overstromingen. Berucht werd de watersnood van 1809. In dat jaar braken op meerdere plaatsen de dijken door, o.m. bij Brakel. De Bommelerwaard veranderde in een binnenzee. ‘In het geheel moet de ramp aan 300 à 400 mensen het leven hebben gekost. Enorm is de materiële schade: in Opheusden maken ijsschotsen de boomkwekerijen met de aardbodem gelijk, te Brakel en Heukelum leggen watermolens het af, in Den Bosch en Doesburg bruggen, in Dussen sneuvelt de kerktoren, in Doornik storten zowel kerk als pastorie in. Duizenden vluchtelingen stromen steden als Tiel binnen, maar die worden zelf bedreigd. Ernstig gevaar loopt de stad Gorkum, ze raakt gedeeltelijk onder water en alleen een geweldige krachtsinspanning van de burgerij en de karibiniers van de Garde des Konings waarbij men de straten opbreekt en de stenen in de bressen stort, kan de stad redden.’ (388) In Den Haag sprak men zelfs van een nationale ramp en koning Lodewijk Napoleon, de zetbaas van zijn broer Napoleon Bonaparte in ons land, maakte zich bijzonder populair door de getroffen gebieden te bezoeken. Hij bemoeide zich met de evacuatie van de bevolking en met het herstel van de schade. Hij riep op tot een nationale collectie, die


191

687.000 gulden opbracht. Het medeleven van de koning werd door diens broer niet in dank afgenomen. Hij vond dat Lodewijk meer op de Nederlandse dan op de Franse belangen lette. Vandaar dat de keizer in 1810 besloot zijn broer af te zetten en ons land bij Frankrijk in te lijven. In 1812 viel Napoleon met zijn Grande Armée Rusland binnen. Op de Russische sneeuwvlakten leed hij zijn eerste nederlaag. In 1813 verloor hij de Volkerenslag bij Leipzig en moest zich achter de Rijn terugtrekken. Overal braken opstanden uit en zijn bondgenoten liepen naar de vijand over. Pruisische en Russische troepen overschreden onze grenzen. ‘Plotseling liep door Den Haag het verhaal dat de Pruisen al in Arnhem waren. En dat in Amsterdam schuiten vol Franse vrouwen en kinderen aankwamen van de ambtenaren uit de noordelijke departementen. In de bureaus van de diligencediensten lagen de koffers, de kisten en meubels opgestapeld, alles vertrok in de richting Brussel-Parijs. Sterker nog: de keizer en de keizerin waren door de Franse senaat gevangen gezet. Het stond in de krant. Ieder kende iemand die het zelf in de Moniteur gelezen had. Om vier uur zou het nieuws officieel van de stadhuispui worden afgelezen. Plotseling lagen in alle winkels oranjelinten te koop. Tot ’s avonds laat rumoerden in de rosse buurten de drinkebroers met een agressief Oranje-boven. Er was echter niets van het raadhuis afgelezen en pas de volgende morgen realiseerde Den Haag zich dat er nog geen zandkorrel van het Nederlands gebied bevrijd was. Het is uiteraard volkomen toevallig dat die geruchtenpsychose toen ook op een dinsdag viel. De geschiedenis heeft soms van die aardige symmetrieën.’ (389) De schrijver duidt op Dolle Dinsdag, 5 september 1944, toen het gerucht ging dat ons land op het punt stond bevrijd te worden van de Duitsers. De overwinnaars van Napoleon besloten tijdens het Congres van Wenen (1814-1815) van Nederland een monarchie te maken. Willem I, de zoon van stadhouder Willem V, mocht onze eerste koning worden. Hij kreeg bovendien van zijn Europese collega’s België en Luxemburg cadeau, want zijn vorstendom moest in de toekomst als schildwacht dienen tegen een mogelijk hernieuwd agressief Frankrijk. Om die reden kreeg Nederland ook de meeste koloniën terug, waaronder Nederlands-Indië, de ‘kurk waarop Nederland nog heel lang zou drijven’. In 1814 werd Willem I in Amsterdam ingehuldigd en een van de aanwezigen merkte op: ‘grijsaards weenden tranen van blijdschap en verrukking (…) en jongelingen schenen te zweren dat zij goed en bloed en leven zouden opofferen, om hun vorst te verdedigen, (…)’. (390) De Belgen reageerden minder enthousiast. Zij kregen vrij snel genoeg van de autoritaire Willem die Hollanders en protestanten bevoorrechtte. In 1830 kwamen zij in opstand en negen jaar daarna dwongen de grote mogendheden Willem I akkoord te gaan met de Belgische onafhankelijkheid. Willem I was de motor achter de economische vernieuwing van ons land. Onder hem kwam, zij het heel aarzelend, de industrialisatie op gang en werd Nederland een vroeg-kapitalistische samenleving. Hij vergat daarbij zichzelf niet. Willem investeerde in talloze ondernemingen, van kanalen tot fabrieken. Als deze succesvol waren, streek de koning de winst op; als deze mislukten kon de schatkist daarvoor opdraaien. Volgens zijn zoon Willem ‘was het op deze manier geen kunst om rijk te worden’. Van de ‘koopman-koning’ werd verteld dat hij bij zijn terugkeer uit Engeland twaalf miljoen gulden aan bezittingen had (een Jan Modaal vergeleken met zijn collega’s in Europa), maar toen hij overleed stond minstens 30 miljoen op zijn spaarbankboekje. (391) Even ter vergelijking. In een tijd dat duizenden Nederlanders negen cent per uur verdienden, had Zijne Majesteit een inkomen van 10 miljoen gulden per jaar en werd hij dus ‘per polsslag’ ruim drie keer dat uurloon rijker. (392) In 1840 werd hij opgevolgd door zijn zoon Willem II (1840-1849). Een vriendelijk man met een hart voor zijn (vrouwelijke) medemens, maar ook behept - althans dat werd beweerd - met ‘schandelijke en onnatuurlijke lusten’. (393) Willem had een gat in zijn hand en was dol op gokken. Op een avond verloor hij in het casino van Spa maar liefst drie ton. (394) Willem was door en door conservatief en daarom afkerig van democratie en parlementair stelsel. De revoluties van 1848 in o.m. Frankrijk en Duitsland brachten hem op andere gedachten. Volgens zijn zeggen veranderde hij toen in 24 uur van zeer conservatief tot zeer liberaal. (395) De historicus Jeroen van Zanten schrijft in zijn boek over Willem II dat de koning een sexuele relatie had met ene Petrus Janssen. ‘Dat Willem vanwege zijn sexualiteit


192

chantabel was, lijkt een rol te hebben gespeeld bij de grondwetsherziening van 1848. (…) Intimidatie en chantage, zullen hem wellicht op 15 en 16 maart (1848) het laatste zetje hebben gegeven.’ (396) Zijn echtgenote de Russische prinses Anna Paulowna schreef aan haar broer tsaar Nicolaas II: ‘Willem heeft het juiste moment afgewacht voor de maatregelen waartoe hij had besloten,’ (…) en die ‘voor een belangrijk deel verantwoordelijk zijn voor de rust waarvan de natie op dit moment zo een opmerkelijk voorbeeld vormt’. (397) De grondwetsherziening van dat jaar maakte van Nederland een democratische monarchie, waarin voortaan ministers en parlement de dienst uitmaakten. Willem III (18491890), ‘het Beest der Beesten’, zo genoemd vanwege zijn vele sexuele escapades door de toen veelgelezen Amsterdamse publicist Petrus de Vos, was volgens zijn eerste echtgenote ‘een geestelijk gestoord mens’. (398) De koning was iemand die ‘moeilijk onderscheid kon maken tussen waan en werkelijkheid’; een driftkop die hem onwelgevallige ministers en ambtenaren met de dood bedreigde. (399) Hij verzette zich met hand en tand tegen het verlies van zijn macht. Pas in 1868 ging de koning overstag. Zijn lange regeerperiode, waarin hij in het begin regelmatig met aftreden dreigde, werd gekenmerkt door de schoolstrijd, de sociale kwestie en de strijd om algemeen kiesrecht. In 1848 werd vrijheid van onderwijs ingevoerd, waardoor katholieken en protestanten het recht kregen eigen (bijzondere) scholen op te richten. Een lege dop, want de kosten hiervan werden op het bordje van de ouders gelegd. Daarom gingen zij met de regering de strijd aan voor financiële gelijkstelling van het bijzonder met het openbaar onderwijs. De politieke macht was echter in handen van de liberalen, die gelijkstelling weigerden en zich verscholen achter de grondwet waarin alleen het openbaar onderwijs ‘een voorwerp was van aanhoudende zorg der regering’. Katholieken en protestanten bundelden hun krachten en vormden politieke partijen. De R.K.Staatspartij en de Anti-Revolutionaire Partij (beide gingen in 1980 op in het CDA) kregen pas in 1917 hun zin. De sociale kwestie was een uitvloeisel van de al eerder vermelde industrialisatie van ons land. De aanpak van onmenselijk lange arbeidstijden, kinderarbeid en andere uitwassen van het kapitalisme liet lang op zich wachten. Het liberalisme vierde hoogtij en dat betekende staatsonthouding op sociaaleconomisch gebied en ‘een ieder voor zich’ mentaliteit. Pas in de twintigste eeuw slaagden vakbonden en vooruitstrevende politici erin door middel van sociale wetgeving het lot van de werknemers te verbeteren. De strijd voor algemeen kiesrecht was een logisch gevolg van de democratisering die in 1848 begonnen was. Ondanks het gejammer van tegenstribbelende conservatieven over ‘de opkomst van het gepeupel’ werd in 1850 het kiesrecht toegekend aan 73.000 belastingbetalers, zijnde 11 % van alle mannen boven de 23 jaar. In 1896 volgden degenen die ‘kentekenen vertoonden van geschiktheid en maatschappelijke welstand’, de helft van alle meerderjarige mannen. In 1917 werd algemeen kiesrecht voor mannen en in 1919 voor vrouwen ingevoerd.

§ 7 Heren in de Betuwe III Tweede deel

Jhr.Floris Adriaan van Brakell tot den Brakell (II) was een zoon van Diederik Louis van Brakell tot den Brakell en Jacoba Woutrina de Lange. (400) Hij was Heer van Vredestein en Grijsoord, studeerde rechten in Leiden, was lid van de ridderschap Nijmegen, lid van de ridderschap van Gelderland, (401) ambtsjonker (1770) en heemraad van de Heemraadschap Nederbetuwe (1769 tot 1781). (402) Hij werd gedoopt in Tiel op 24 oktober 1745 en overleed in Budel op 1 oktober 1822. (403) Floris ging op 24 juni 1768 in Tiel in ondertrouw met Huberta van Hulst, dochter van Willem Koenraad van Hulst, Heer van De Pol en de Beringen, en Elisabeth Françoise van Beaumont. (404) Huberta werd gedoopt op 22 maart 1747 in Nijmegen en overleed op 10 oktober 1777 in Huis Vredestein in Ravenswaay. (405) Van Floris en Huberta zijn twee kinderen bekend: 1)Diederik Louis. Zie blz. 194. 2)Jhr.mr.dr.François Gijsbert, baron van Brakell tot den Brakell. (406) Hij was lid van de ridderschap


193

Nijmegen, lid van de ridderschap van Gelderland, (407) schout van Druten en lid van de Provinciale Staten van Gelderland. (408) Hij werd geboren op 5 maart 1772 in Huis Vredestein en overleed aldaar ongehuwd op 14 augustus 1836. (409) N.B. In de Bossche Bladen vond ik het volgende over Floris Adriaan van Brakell tot den Brakell. In 1794 bevond baron Floris Adriaan van Brakell tot den Brakell zich in het verbeterhuis (= krankzinnigengesticht) van Rippens. Op verzoek van zijn verwanten was hij wegens ‘verkwisting’ opgesloten. In 1798 achtten de zonen hun vader ‘alnog gevaarlijk in de samenleving der menschen’ en het confinement (= opsluiting) werd verlengd. In 1801 verzochten zijn zonen hem uit het huis van Rippens te ontslaan en hem te mogen huisvesten bij ‘fatsoenlijke lieden’, echter niet in het Land van Buren of de Nederbetuwe waar zij woonden. (410) Jacob Adriaan van Brakell was een zoon van Jacob Derk van Brakell en Seina Alexandrina barones van Neukirchen, genaamd Nyvenheim. (411) Hij was Heer van Geldermalsen, studeerde rechten in Utrecht, was lid van de ridderschap Nijmegen, lid van de ridderschap van Gelderland, lid van de Provinciale Staten van Gelderland, honorair kamerheer van koning Willem I (412) en burgemeester van Geldermalsen. (413) Hij werd gedoopt in Tiel op 21 november 1779 en overleed in Utrecht op 27 september 1814. (414) Jacob huwde op 17 juni 1805 (kerkelijk huwelijk in de ‘Fransche kerk’) in ’s-Gravenhage Caroline Petronella van Borssele, Vrouwe van Geldermalsen, dochter van Adriaan Jan van Borssele, Heer van Geldermalsen, en Cornelia Jacqueline Antoinette van Schuylenburch. Caroline werd geboren op 16 mei 1786 in ’s-Gravenhage en overleed in Parijs op 5 augustus 1813. (415) Van Jacob en Caroline zijn twee kinderen bekend: 1)Jacob Adriaan Prosper. Zie blz. 196. 2)Jhr.Antoine Guillaume. Hij werd geboren op 25 oktober 1809 in Ravenswaay en overleed aldaar op 26 juni 1826. (416) Hij verdronk op die dag samen met baron Floris Adriaan van Brakell tot den Brakell. Zie blz. 195. N.B. In de dijkcedullen van Geldermalsen staat het volgende over de bezittingen van Jacob Adriaan van Brakell en zijn erfgenamen: ‘30-12-1810. No. 11. De baron van Brakell van ’t huijs van Geldermalsen met 151-1-0 (ruim 150 bunder). No. 12, 13 en 14. Den zelven met het Klijne Huijs te Geldermalsen binnen en buijte met de laan 17-7-6. 20-6-1820. No. 11. De erve J.A.Baron van Brakell, het huis te Geldermalsen 151-1-0. No. 12, 13 en 14. Dezelve het Klein Huis te Geldermalsen met het erf binnen en buitendijk en laan. 17-7-6.’ (417) Frederik Louis Willem baron van Brakell van den Eng was een zoon van Jacob Derk van Brakell en Seina Alexandrina barones van Neukirchen, genaamd Nyvenheim. (418) Hij was (in de Franse tijd) adjunct-maire (loco-burgemeester) van Lienden, (419) lid van de Provinciale Staten van Gelderland, hoofdingeland (1826 tot 1836) en heemraad van de Heemraadschap Nederbetuwe (1823 tot 1855), (420) raadslid van Lienden (421) en landcommandeur van de Ridderlijke Duitse Orde, Balije van Utrecht van 1863 tot 1865. (422) Hij werd geboren in Rijswijk (Gld) op 8 april 1788 en gedoopt op 20 april waarbij prins Frederik en prinses Louise, broer en zus van de latere koning Willem I, peter en meter waren, en overleed in Lienden op 11 augustus 1865. (423) Frederik huwde in Huis Ulenpas bij Hummelo en Keppel op 19 juni 1829 Albertina Frederika Clara Johanna barones van Neukirchen, genaamd Nyvenheim, dochter van Jacob Hendrik baron van Neukirchen, genaamd Nyvenheim, Heer van Eck en Wiel, en Margaretha Jacoba van der Dussen. (424) Dit huwelijk bleef kinderloos. Albertina werd gedoopt in Nijmegen op 23 september 1804 en overleed in Lienden op 1 februari 1892. (425) Over zijn jeugd is niets bekend. Een militaire loopbaan, niet ongebruikelijk voor mannen uit adellijke kringen, was voor hem niet weggelegd, omdat hij mank was. In 1809 nam hij een deel van de omvangrijke familiebezittingen in Lienden in eigen beheer en werd al op 21 jarige leeftijd landbouwer. Op 19 juni 1829 trouwde hij met zijn achternicht Albertina van Neukirchen. Het jonge paar betrok nog in hetzelfde jaar huize Den Eng, een fraai buiten in de buurtschap Meerten onder Lienden. (426)


194

In 1845 richtten Frederik Louis Willem van Brakell van den Eng, baron Otto van Wassenaer en dr. W.C.H.Staring de Geldersche Maatschappij van Landbouw op die niet alleen toegankelijk werd voor ‘de beschaafde landeigenaren’, maar ook voor ‘de eigenlijken boerenstand zelf’. (427) De landbouw in Gelderland kampte met grote problemen en daarom moesten de krachten gebundeld worden. De drie heren vonden dat de landbouw ‘gediend was met veel meer initiatieven en studie’; tevens ‘pleitten zij voor de opruiming van allerlei belemmeringen, zoals de tiendheffing, het gemeenschappelijk bezit van woeste gronden, de jachtrechten en bovenal de hoogte van de belastingen’. (428) Die initiatieven lieten zij niet alleen aan anderen over. Van Brakell, die een landbouwbedrijf van 145 hectare had, experimenteerde met nieuwe landbouwmethoden, zoals de rijenteelt, waardoor het wieden van onkruid gemakkelijker werd. In 1841 vond hij een handploegje uit dat door een arbeider tussen de rijen graan achter zich aan getrokken kon worden om de grond los te maken. In 1851 kreeg hij een zilveren medaille van de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van Nijverheid voor een andere vinding, de kunstmeststrooier. (429) Van Brakell schreef enkele verhandelingen over zijn experimenten. In 1832 verscheen van zijn hand Iets over den landbouw, strekkende om aan te toonen, dat men ’s jaarlijks, zonder zomervagen of braken, zijn land goede vruchten kan doen voortbrengen. In 1850 volgde Losse gedachten over den Gelderschen landbouw op de klei. (430) Baron Van Brakell van den Eng was ook een sociaal bewogen mens. In 1845 liet hij een op rood (!) papier gedrukt manifest verschijnen met de volgende inhoud: ‘De armoede neemt hand over hand toe, dit is eene daadzaak, welke niet te betwisten is. Maar welke is de oorzaak, die zulk eene treurige waarheid ten gevolge heeft? Mijns inziens bestaat die veelal ook daarin, dat men zich niet genoeg aan de kinderen der arbeidende klasse laat gelegen leggen, of hen aanspoort tot nuttige werkzaamheden, voornamelijk die van het vrouwelijke geslacht, ten plattelande. Velen dezer kunnen, huwbaar geworden zijnde, noch breijen noch naaijen; en wat moet er nu van eene huishouding worden waarbij eene moeder die kundigheden ontbreken? Een poel van armoede en zedebederf. Ten einde nu hierin te voorzien, wenschte ik een fonds daartestellen, om daaruit in dit jaar eene naai- en breischool, en premiën voor de oppassendste huisgezinnen te kunnen bekostigen. Hiertoe heeren verkoopers en verpachters, kunt Ulieden, mij door bij elken verkoop en iedere verpachting iets als armengeld te geven, zeer behulpzaam zijn. (…) Dat zij daarbij indachtig zijn aan het gezegde van onzen Zaligmaker: het is zaliger te geven dan te ontvangen, dit is mijn hartelijke wensch. N.B. De kasteleins worden vriendelijk uitgenoodigd, daags na elke verkooping tegen quitantie het ontvangene, bij den ondergeteekende te storten. Eng, 1 Januari 1845. F. van Brakell.’ (431) In 1857 stelde hij bij testament een sociaal fonds in, het Fonds Hulpbetoon aan de arbeidende klasse in de buurtschap Meerten, waarin al zijn bezittingen werden ondergebracht. In zijn testament van 1865 gaf hij aan hoe de inkomsten van het Fonds besteed moesten worden met daarbij de opmerking dat ‘niemand de in deze vermelde voordeelen van het fonds zal kunnen genieten of daarop aanspraak maken, indien zij niet de gereformeerde belijdenis huns geloofs hebben afgelegd, en een kapittel uit den bijbel verstaanbaar kunnen lezen, (…)’. Van de oorspronkelijke rechthebbenden (533) zijn er nu (2011) nog maar 23 over. Vier van hen - omdat ze boven de zestig zijn - krijgen een uitkering uit het fonds. De rest van het geld gaat naar andere goede doelen. (432) Adriaan P. de Kleuver omschrijft de baron als ‘de man die als een ijsbreker het harde materialisme van zijn dagen kraakte en een vriend werd van doodgewone arme mensen’. (433) Mr.dr.Diederik Louis baron van Brakell tot den Brakell was een zoon van Floris Adriaan van Brakell tot den Brakell en Huberta van Hulst. (434) Hij was Heer van Vredestein, Schoonenburg en Over- en Nederasselt, lid van de ridderschap Nijmegen (1791 tot 1795), lid van de ridderschap van Gelderland (vanaf 1814), lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (1815 en 1825 tot 1829), lid van de Provinciale Staten van Gelderland (1814 tot 1825 en 1834 tot 1850), richter van Tiel en heemraad (1791 tot 1794 en 1817), lid van de gemeenteraad van Beusichem (1810 tot 1815/17), hoofd-


195

ingeland (1825 tot 1836) van de Heemraadschap Nederbetuwe en advocaat in Tiel (vanaf 1789). (435) Hij werd gedoopt in Tiel op 21 december 1768 (getuige ‘de hwgeb. Vrouwe Calkoen, geboren de Lange’) en overleed in Arnhem op 27 december 1852. (436) Diederik huwde op 2 november 1798 in Tiel Maria Alexandrina Philippina Catharina van Brakell, ‘woonachtig op den Engh onder de buurschap Meerte’. Zij werd gedoopt in Tiel op 11 oktober 1778 en overleed in Nijmegen op 15 april 1802. (437) Hij sloot op 4 mei 1805 te Nijmegen een tweede huwelijk ‘na verkreege dispensatie van het doenmalig Bewind desselfs schoonzuster’ met Didérique Fortunée van Brakell. Zij werd geboren in Huis Hoekenburg in Rijswijk op 5 maart 1782 en overleed in Arnhem op 18 januari 1853. (438) Beiden waren dochters van Jacob Derk van Brakell en Seina Alexandrina van Neukirchen, genaamd Nyvenheim. N.B. Op 30 october 1786 stond ‘Didericus Ludovicus van Brakell tot den Brakell, Vredestein in de Neder Betuwe’ als rechtenstudent ingeschreven in Duisburg (Dtl). (439) Hij promoveerde in 1789 in Harderwijk. Van Diederik en Maria zijn twee kinderen bekend: 1)Floris Adriaan baron van Brakell tot den Brakell. Hij werd gedoopt in Nijmegen op 15 juni 1800, studeerde in Leiden en overleed ongehuwd op 26 juni 1826. Hij verdronk op die dag bij het baden in de Lek bij Ravenswaaij in de buurt van Huis Vredestein samen met zijn neef Antoine Guillaume van Brakell. (440) Zijn vader beschreef deze tragische gebeurtenis in zijn Genealogische Aanteekeningen als volgt: ‘Met bittere tranen nimmer in onze zielen af te wisschen stelle ik hier den bloedigen ramp ter neder, hoe deeze jongeling, student in de regtsgeleerdheid op de hooge school te Leiden, het noodlot heeft moeten ondergaan door zich badende, wegens eene zeer gevoelige zomerhitte, in eene kolk niet verre van de zoo genaamden steenoven te Ravenswaij, een eigendom nog heeden aldaar - verzeld daarenboven van zijnen neef Antoon Willem van Brakell (die daags te voren uit zijn Latijnsch kostschool te Utrecht na Vredestein was overgekomen, ten einde de zomervacantie met zijne broeder J.A. P. bij ons te komen doorbrengen) beide de jammerlijkste slachtoffers, helaas, dien morgen zijn geworden, en op die treurige wijze, hun jeugdig leven, onverwachts, hebben geëindigd, zijnde niemand, op die eenzame plaats, tot hulp of ter hunner redding tegenwoordig; zij hadden even te voren, in zeer goeden welstand, met ons allen, hun ontbijt op het huis Vredestein genomen’. (441) 2)Seina Jacqueline Alexandrine Didérique barones van Brakell tot den Brakell. Zij werd gedoopt in Nijmegen op 3 januari 1802 en overleed ongehuwd in Arnhem op 4 februari 1870. (442) Van Diederik en Didérique zijn zes kinderen bekend: 1)Louis Eugène baron van Brakell tot den Brakell. Hij was lid van de ridderschap Nijmegen, gemeenteraadslid in Maurik en heemraad van de Heemraadschap Nederbetuwe (1838 tot 1855). Hij werd gedoopt in Nijmegen op 12 oktober 1806 waarbij Lodewijk Napoleon, koning van Holland, en diens echtgenote Hortense Eugenie peter en meter waren, en overleed ongehuwd in Huis Vredestein in Ravenswaay op 16 september 1865. (443) 2)Margaretha Gijsberta barones van Brakell tot den Brakell. Zij werd gedoopt op 13 september 1807 in Druten en overleed ongehuwd in Arnhem op 25 oktober 1847. (444) 3)Franciscus Gijsbertus Staaskin. Zie blz. 199. 4)Maria Alexandrina Adriana barones van Brakell tot den Brakell. Zij werd geboren op 15 augustus 1813 in Beusichem en overleed in ’s-Gravenhage op 19 april 1898. (445) Maria huwde op 24 september 1857 in Arnhem mr.dr.Theodoor Willem baron van Zuylen van Nievelt, zoon van Coenraad Jan baron van Zuylen van Nievelt, Heer van den Brieler, en Clementia van der Niepoort. Theodoor was o.m. lid van Provinciale Staten in Zeeland en voorzitter van de Algemene Rekenkamer. Hij werd geboren in Barneveld op 5 januari 1813 en overleed in Neuenahr (Dtl) op 3 juli 1881. (446)


196

5)Mr.dr.Willem Jacob baron van Brakell tot den Brakell. Hij was Heer van den Brakell, Schoonenburg en Over- en Nederasselt, lid van de ridderschap van Gelderland, kamerheer in buitengewone dienst van koning Willem II, Willem III en koningin Wilhelmina, (447) raadslid, van 1844 tot 1851 gemeentesecretaris en van 1844 tot 1853 burgemeester van Lienden. (448) Hij werd geboren in Huis Vredestein in Ravenswaay op 8 april 1818 en overleed ongehuwd in Arnhem op 9 december 1902. (449) 6)Justina Philippina Geertruijd barones van Brakell tot den Brakell. Zij werd geboren in Huis Vredestein in Ravenswaay op 31 december 1821 en overleed ongehuwd in Arnhem op 25 oktober 1904. (450) N.B. Op 23 juli 1853 kondigde notaris J.Payen te Nijmegen in de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant aan dat in opdracht van de erfgenamen van Diederik Louis baron van Brakell tot den Brakell op maandag 5 september a.s. tijdens een openbare veiling verkocht zou worden: ‘Het kasteel, genaamd Schonenburg, met deszelfs grachten en tuinen en daarbij behoorende boerenplaats; voorts zeven kapitale bouwhoven met erven en tuinen; eene hofstede, best bouw- en weiland, uitmuntende uiterwaarden, bosschen, bestaande in eikenboomen, alsmede elzen en eiken akkermaalshout, ter gezamenlijke grootte van ongeveer 262 bunders; voorts het regt van visscherij en andere regten, alsmede het regt tot het heffen van 2 erfpachten ad f 23-, gaande uit twee hofsteden, en eindelijk een perceel uiterwaards weiland, gelegen onder Gassel, provincie Noord-Brabant, groot 3 bunders 9 roeden 60 ellen (…)’. (451) Jacob Adriaan Prosper baron van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth, was een zoon van Jacob Adriaan van Brakell en Caroline Petronella van Borssele. (452) Hij was Heer van Wadenoijen en Doorwerth, studeerde rechten in Utrecht, was lid van de ridderschap van Gelderland, lid van de Provinciale Staten van Gelderland en kamerheer van koning Willem II. (453) N.B. In 1827 was Anthoon Willem baron van Borssele eigenaar van de heerlijkheid Wadenoyen. In dat jaar werd in opdracht van de baron in het Hollandsche Koffiehuis te Tiel door notaris Dirck de Jongh ‘de heerlijkheid Wadenoyen, met al hetgeen daartoe aanbehoort, het landgoed Thedingsweert, de Bouwhof de Ouweling te Wadenoyen en enige percelen onroerende goederen te Wadenoyen, Zennewijnen, Ophemert, de Avezathen en Drumpt’ geveild. De heerlijkheid, groot 88 bunder, 31 roeden en 58 ellen, werd voor een bedrag van 116.000 gulden gekocht door Diederik Louis baron van Brakell tot den Brakell. Hij trad daarbij op als voogd en koper voor Jacob Adriaan Prosper baron van Brakell. (454) Op 18 november 1848 stond in de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant een overzicht van de ‘hoogst aangeslagenen in ’s Rijks directe belastingen’ in de provincie Gelderland. Hierop stond Jacob Adriaan Prosper als nummer zes genoteerd voor een bedrag van 3309 gulden en 25 cent. In 1851 was hij naar plaats drie gestegen en moest hij alleen baron van Heeckeren van Enghuizen en baron van Alyva van Pallandt van Waardenburg en Neerijnen als rijkste mensen van Gelderland voor zich dulden. (455) Jacob was ook eigenaar van kasteel Doorwerth. Dit omgrachte kasteel met voorburcht wordt voor het eerst vermeld in 1260. In dat jaar werd Doorwerth ingenomen en in brand gestoken door de Heer van Vianen die overhoop lag met Berend van Dorenweerd. In 1280 nam de Heer van Baer de voorburcht in, verwoestte deze ‘en nam een bekoorlijke bruid huiswaarts’. In de eeuwen daarna kwam het slot achtereenvolgens in handen van de families van Homoet, Van Voorst, Schellart van Obbendorp en Van Aldenburg. Tijdens het Rampjaar 1672 bleef Doorwerth het lot van kasteel Brakel bespaard. De eigenaar Anton rijksgraaf van Aldenburg wist een sauvegarde (= vrijgeleide) voor zijn Gelders bezit te krijgen. Hierdoor werd Doorwerth in dat jaar een toevluchtsoord voor de ‘huysluyden, ingesetenen en haere beesten’ uit de onmiddellijke omgeving. In de achttiende eeuw werd Charlotte Sophie van Aldenburg, gehuwd met Willem Bentinck van Rhoon, eigenares van Doorwerth. In 1837 verkocht haar kleinzoon William Bentinck het kasteel aan Jacob Adriaan Prosper van Brakell. Na het overlijden van diens weduwe in 1878 dreigde de burcht ten onder te gaan. Op 7 juni 1899 beschreef de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant het verval van kasteel Doorwerth als volgt: ‘Vervuild is de slot-


197

gracht, haveloos het dak der gebouwen, tusschen de steenen der vroeger ijzersterke muren schieten welig verschillende planten, ja zelfs geheele boomen op en vogels nestelen tot nagenoeg in de hoogheerlijke vertrekken. De natuur heeft hare rechten hernomen, waar de menschenhand de hare, geüsurpeerde, prijs gaf. Stil ligt in het middaguur de Doorwerth, een groots mausoleum, bewarend de geheimen van weleer, een onder glanzend groen, welke omtrekken sprankelen in zonnegoud, bedolven Pompeji’. (456) Generaal F.A.Hoefer liet in de jaren 1910 tot 1915 het kasteel door de beroemde bouwmeester J.Cuypers restaureren. Sinds 1986 is Doorwerth een kasteelmuseum dat beheerd wordt door de Stichting Vrienden der Geldersche Kasteelen. (457) ‘De jachtpartijen van baron Van Brakell op het landgoed Doorwerth waren alom vermaard. In het park blaften de honden en paardengetrappel werd begeleid door hoorngeschal van de jagermeesters. Rode en lichtblauwe jassen en witte hozen vertoonden zich. De bruine honden met hun flaporen, op hun wat gebogen korte poten, bleven blaffen. Hun bassende geluid vulde de stilte van de namiddag, waarin de ladenkast met koperbeslag in de donkere kamer glansde. Ze hoorden de mannen van hun hinnekende paarden springen, die blijkbaar naar water verlangden, dat door de stalknechten werd aangedragen. De jagermeester sloeg met zijn rijzweep tegen zijn knieën en de honden kwamen dichterbij. En hoge stemmen van jonge lady’s vulden het kasteel.’ (458) Deze jachtpartijen mochten zelfs rekenen op koninklijke belangstelling. Op 7 december 1873 deelde de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant het volgende mee: ‘Naar men verneemt zal Z.K.H. de prins van Oranje binnen kort weder deel nemen aan eene jachtpartij op de goederen van den baron van Brakell, nabij Arnhem’. (459) Jacob werd geboren op 28 maart 1808 in Huis Ravesteyn (Geldermalsen) en overleed op 27 januari 1853 in Doorwerth. (460) Jacob huwde op 30 april 1828 in ’s-Gravenhage jonkvrouw Jeanne Henriëtte Gabriëlle van Schuylenburg, dochter van jonkheer mr.François Pierre Guillaume van Schuylenburg, Heer van Bommenede, en jonkvrouw Johanna Philippina van Herseele, Vrouwe van Ulenpas. (461) Jeanne werd geboren op 25 november 1806 (en gedoopt op 14 december) in ’s-Gravenhage en overleed op 5 januari 1878 in Doorwerth. (462) Jacob en Jeanne hadden tien kinderen: 1)Jacqueline Gabriëlle barones van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth. Zij werd geboren op 27 januari 1829 in ’s-Gravenhage en overleed in Zutphen op 18 december 1857. Jacqueline huwde op 11 april 1854 in Doorwerth mr.Hendrik Anton ridder van Rappard, procureur-generaal bij het gerechtshof te Arnhem, zoon van mr.Willem Louis ridder van Rappard, en Elisabeth Theodora Op ten Noort. Hendrik werd geboren op 7 maart 1824 in Zutphen en overleed in Arnhem op 4 oktober 1877. (463) 2)Philippe Frederic Antoine Jacques. Zie blz. 200. 3)Louise Constance Jeanne barones van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth. Zij werd geboren in Wadenoijen op 23 oktober 1831 en overleed in Huize Duno (Doorwerth) op 26 juli 1884. Louise huwde op 16 november 1854 in Doorwerth Henri baron de Smeth van Deurne, Heer van Alphen en Deurne, kamerheer van koning Willem III, zoon van baron Theodorus de Smeth van Deurne en barones Arnoldina Jacqueline Rengers. Henri werd geboren op 18 juli 1821 in ’s-Gravenhage en overleed in Pau (F) op 3 november 1870. Louise sloot een tweede huwelijk in Doorwerth op 9 oktober 1879 met Jan Werner baron van Pallandt van Oud-Beijerland, lid van de Provinciale Staten van Gelderland en opperjachtmeester van koning Willem III, zoon van baron Samuel François van Pallandt en Everdine Susette van der Staal van Oud-Beijerland, Vrouwe van Oud-Beijerland. Jan werd geboren in Huize Anger(en)stein (Arnhem) op 29 april 1835 en overleed op 17 februari 1907 in Arnhem. (464) 4)Françoise Stephanie barones van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth. Zij werd geboren in Wadenoijen op 16 juni 1833 en overleed in Renkum op 7 november 1902. Françoise huwde op 22 maart 1860 in Doorwerth jonkheer Anton Willem van Borssele, Heer van Borssele, burgemeester van Ede, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, lid van de Provinciale Staten van Gelderland, kamerheer van koning Willem III en koningin Wilhelmina, zoon van jonkheer Anthony Willem van Borssele, Heer van Wadenoyen, Tedingsweerd en Borssele, en Elisabeth Numans. Anton werd geboren in Frankfurt am Main op 6 juli 1829 en overleed in Renkum op 15 maart 1903. (465)


198

5)Françoise Gabriëlle Mathilde barones van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth. Zij werd geboren in Wadenoijen op 7 december 1834 en overleed aldaar op 26 juni 1835. (466) 6)Lodewijk Frank Willem. Zie blz. 200. 7)Jacob Adriaan Zweder baron van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth. Hij werd geboren in Wadenoijen op 19 november 1838 en overleed in Fulda (Dtl) op 17 augustus 1911. Jacob huwde in Zutphen op 3 mei 1866 Hendrika Cornelia Colenbrander, dochter van Frederik Christiaan Colenbrander, Heer van Millingen, en Janna Tijhaar. Hendrika werd geboren in Wijhe op 28 mei 1836 en overleed in Brummen op 23 oktober 1904. Uit dit huwelijk werd alleen een zoon geboren, Jacob Gabriel Zweder Prosper. Hij werd geboren in Brummen op 3 januari 1871 en overleed aldaar op 9 januari van hetzelfde jaar. (467) 8)Maria Theodora barones van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth. Zij werd geboren in Doorwerth op 27 juni 1840 en overleed in Utrecht op 29 juni 1914. Maria huwde in Doorwerth op 22 april 1869 Lodewijk Arend baron van Ittersum, luitenant bij de cavalerie, zoon van baron Rudolph Anne van Ittersum en barones Anna Johanna Collot d’Escury. Lodewijk werd geboren in Brummen op 9 oktober 1844 en overleed in Driebergen op 1 november 1870. Maria sloot een tweede huwelijk in Doorwerth op 27 maart 1873 met Giesbert Cornelis Frederik van Hengst, zoon van Carel Joseph van Hengst en jonkvrouw Hermandina Fontein Verschuur. Giesbert werd geboren in Bunnik op 5 april 1838 en overleed in Utrecht op 7 januari 1892. Maria huwde hierna op 15 februari 1894 in Utrecht jonkheer Jan Elias Huydecoper, zoon van jonkheer Jan Louis Huydecoper en barones Louise Ernestine van Hardenbroek. Jan werd geboren op 22 maart 1850 in Zeist en overleed in Utrecht op 11 mei 1916. (468) 9)Jacob Willem Franck baron van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth. Jacob was ontvanger te Veenendaal. Hij werd geboren in Doorwerth op 23 juni 1841 en overleed ongehuwd op 29 december 1895 in Arnhem. (469) 10)Jacob Gabriel Willem baron van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth. Hij werd geboren in Doorwerth op 26 september 1842 en overleed ongehuwd op 18 februari 1911 in Arnhem. (470) N.B. Jeanne Henriëtte Gabriëlle van Schuylenburg en haar kinderen, met uitzondering van Françoise Gabriëlle Mathilde (overleden in 1835), ontvingen op 1 juli 1874 van de Nederlandse minister van Financiën, in het kader van de kapitalisatie van het zgn. Pensioen van Portugal, een flinke som geld. Een verklaring voor dit genereuze gebaar van vadertje Staat moeten we in een ver verleden zoeken. Jeanne en haar kinderen waren nakomelingen van Emilia van Nassau, een zuster van prins Maurits. Emilia trad in 1597, zeer tegen de zin van Maurits, in het huwelijk met de katholieke prins Emanuel, zoon van Antonio, troonpretendent in Portugal. Emanuel werd daarop door Maurits verbannen waarop Emilia uit protest in hongerstaking ging. Uiteindelijk mocht het paar naar Duitsland vertrekken. Emilia, gekweld door financiële beslommeringen en huiselijke zorgen, maakte moeilijke jaren door. In 1608 verzoende Maurits zich met zijn zuster. In 1626 gingen Emilia en Emanuel uit elkaar. Intussen was in 1625 Maurits overleden die zijn broer Frederik Hendrik tot universeel erfgenaam had benoemd. ‘Onze lieve zuster Emilia van Nassau, princesse van Portugal’ was echter niet vergeten. Maurits legateerde aan haar ‘een erfelijke rente van 7500 gulden ’s jaars tot 20 stuivers ’t stuk, te lossen tegen den penning XX (= 5 %)’. Haar beide zonen ontvingen voortaan elk jaar een erfelijke rente van 2000 gulden en de vier dochters 1000 gulden. Dit staat bekend als het Pensioen van Portugal en moest door de Nederlandse staat uit de domeingoederen betaald worden, zolang er nakomelingen van Emilia waren. Op 1 juli 1874 werd dit pensioen afgekocht in de vorm van een eenmalige uitkering. Het aantal nakomelingen van Emilia ‘is tegenwoordig (1905) zoo aanzienlijk, dat niet alleen hier te lande, maar ook in Duitschland, Frankrijk en Zwitserland talloos vele personen gevonden worden, wien het bloed van Willem I van Oranje en van koning Emanuel de Groote van Portugal door de aderen stroomt. Voor velen echter is de herinnering aan deze glorieuse afkomst geheel verloren ge-


199

gaan. Zoolang het pensioen nog werd uitbetaald, werd men aan die afkomst nu en dan herinnerd; het verdwijnen der rente uit het domeinbeheer van 1873 heeft den laatsten band verbroken, die de nakomelingen van prinses Emilia van Nassau in dagen van angst en spanning nog eens samenbond’. (471) Franciscus Gijsbertus Staaskin baron van Brakell tot den Brakell was een zoon van Diederik Louis baron van Brakell tot den Brakell en Didérique Fortunée van Brakell. (472) Hij werd geboren op 25 oktober 1809 in Geldermalsen en overleed in Arnhem op 19 oktober 1878. (473) Franciscus was tweede luitenant bij de cavalerie en huwde in Amsterdam op 24 oktober 1839 Hermina Bartholomée Brand tot Cabauw, dochter van mr.Jean baron van Brand van Langerak en Cabauw, ‘vice president der Regtbank aldaar’ en Anna de Clercq. (474) Bartholomée werd geboren in Amsterdam op 13 januari 1814 en overleed in Arnhem op 12 april 1878. (475) Franciscus en Bartholomée kregen één kind: 1)Fortunée Anna Louise barones van Brakell tot den Brakell. Zij werd geboren in Utrecht op 24 november 1840 en overleed in Parijs op 17 november 1877. Fortunée huwde op 8 november 1860 in Arnhem Lodewijk Frank Willem baron van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth. (476) Het volgende komt in de beste families voor! Op 1 februari 1876 schreef Hermina Bartholomée Brand tot Cabauw aan haar neef: ‘Ik zie mij genoodzaakt u een oogenblik lastig te vallen om u over eene voor ons zeer treurige familie aangelegenheid te schrijven en om u te verzoeken mij eene kleine dienst te willen bewijzen. Gij zult waarschijnlijk op de hoogte zijn van de ontzettende schulden die mijn schoonzoon (Lodewijk Frank Willem) gemaakt heeft’. Zij liet haar neef weten dat haar schoonzoon ‘voor het geregt is gesteld onder kennelijk onvermogen daar hij niet in staat was iets aftebetalen en daar, helaas!, mijne dochter (Fortunée Anna Louise) bijna alles mede heeft ondertekend, heeft onze advocaat (…) uit naam van mijn echtgenoot en mij aan het geregt vergunning gevraagd om haar onder curatelen te stellen hetgeen ons is toegestaan, doch vier personen van de naaste betrekkingen moeten dit verzoek met hunne handtekening bekrachtigen en ondersteunen’. De bovengenoemde neef bleek bereid zijn ‘liefhebbende nicht Nina’ deze ‘kleine dienst te bewijzen’. Behalve hij zorgden ‘mijn zwager Willem (Willem Jacob baron van Brakell tot den Brakell) eenige overgeblevene broeder van mijn echtgenoot; de heer van Zuijlen van Nievelt (Theodoor Willem baron van Zuylen van Nievelt) lid der rekenkamer in den Haag gehuwd met eene mijner schoonzusters (Maria Alexandrina Adriana barones van Brakell tot den Brakell), en Anton (Philippe Frédéric Antoine Jacques baron van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth)’ voor de andere handtekeningen. Op 13 april liet moeder haar ‘waarde neef’ weten dat ‘ofschoon ik er natuurlijk niet aan denken kan alle schulden mijner dochter te betalen, zoo heb ik mij toch voorgenomen eene geldelijke opoffering ter harer wille te doen, (…) daarom heb ik nu op dit oogenblik f 30.000 noodig’. Zij besloot derhalve haar ‘metalieken (Oostenrijkse effecten)’ te verkopen. Dit bleek niet voldoende. ‘Mijne twee huizen op de Prinsegracht (te Amsterdam)’ kon zij niet verkopen, omdat deze panden ‘voor drie jaar elk nog verhuurd’ waren. Op 11 november berichtte zij haar neef dat zij haar notaris opdracht had gegeven ‘5 obligaties Amerika elk van 1000 dollars’ te verkopen. Op 9 december moesten opnieuw ‘fondsen’ de deur uit. (477) Deze affaire heeft haar overigens niet armlastig gemaakt, want toen zij in 1878 overleed, werd haar nalatenschap getaxeerd op een bedrag van 827.707 gulden en 66½ cent. (478) Tijdens een familiebijeenkomst werd besloten de rechter te verzoeken Willem Jacob baron van Brakell tot den Brakell tot curator te benoemen tot opluchting van Hermina Bartholomée (‘ik was er eigenlijk niets opgesteld het te worden en ben dus blij dat een ander benoemd is’). (479) Op 20 april 1876 werd op verzoek van de ouders door de arrondissementsrechtbank te Arnhem besloten na ‘gehoord de vrijwillig ter dezer teregtzitting verschenen bloedverwanten of aangehuwden der curanda’ Fortunée Anna Louise ‘uit hoofde van verkwisting’ onder curatele te stellen. (480) Op 24 augustus werd Willem Jacob baron van Brakell tot den Brakell door de kantonrechter te Apeldoorn tot curator en Philippe Frédéric Antoine Jacques baron van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth tot ‘haren toezienden curator’ benoemd. (481) Maar de familie wachtte nog meer beproevingen. In 1875 werd Lodewijk Frank Willem baron van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth failliet verklaard. Het jaar daarop onderging Jacob Adriaan


200

Zweder baron van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth hetzelfde lot. Op 2 december 1875 gaf eerstgenoemde voor de arrondissementsrechtbank te Arnhem ‘met verschuldigden eerbied te kennen dat hij door een samenloop van omstandigheden geraakt is in een overgroot aantal schulden, die zeer in getal en in belangrijkheid zijn toegenomen (…), dat hij verpligt is geworden blijkens bijliggende acte zijn vaderlijk erfdeel aan H.Wolff te cedeeren’. In het vonnis van de rechtbank wordt een groot aantal schuldeisers vermeld, waaronder Julius Harff uit Keulen met een vordering van 152.943 mark en 20 pfennig, en de ‘ontvanger der directe belastingen die tegen hem heeft doen uitvaardigen een dwangbevel tot betaling van f 485,68 personeele belasting en tot betaling van f 66,23 grondlasten, dat genoemde ontvanger krachtens die dwangbevelen zijne roerende goederen in executoriaal beslag heeft doen nemen’, waarbij nog opgemerkt werd ‘dat die roerende goederen op verre na niet toereikende zijn alle crediteuren te voldoen (…)’. Lodewijk Frank Willem verzocht dan ook ‘eerbiedig dat het der regtbank moge behagen, hem te verklaren in staat van kennelijk onvermogen met de gevolgen van dien’. Hetgeen bij dezen geschiedde. (482) Ook zijn broer Jacob Adriaan Zweder vroeg zelf het faillissement aan. In een vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 22 januari 1876 wordt een overzicht gegeven van alle vorderingen, waaronder die van ‘den heer Julius Harff wonende te Keulen’ voor een bedrag van ‘205.415,98 Rijksmark’, en van het ‘bestuur van het polderdistrict van den Brummelschen bandijk wegens polderlasten twee gulden zeven en tachtig cent’. Jacob Adriaan Zweder was evenals zijn broer gedwongen geweest zijn vaderlijk erfdeel te cederen aan ‘den heere Heijman Wolff, kassier te Arnhem’. In de betreffende acte staat dat dit erfdeel samen met dat van zijn broers en zusters ‘in levenslang vruchtgebruik bezeten wordt door mijne moeder Gabrielle douairière baronesse van Brakell Doorwerth geboren van Schuijlenburch op den huize Doorwerth’. (483) Van ‘cashen’ door de heer Wolff kon dus voorlopig geen sprake zijn. Philippe Frédéric Antoine Jacques baron van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth was een zoon van Jacob Adriaan Prosper baron van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth en jonkvrouw Jeanne Henriëtte Gabriëlle van Schuylenburch. (484) Hij was Heer van Wadenoijen en Doorwerth, burgemeester van Doorwerth en lid van de Provinciale Staten van Gelderland. (485) Hij werd geboren in ’s-Gravenhage op 29 september 1830 en overleed in Doorwerth op 5 mei 1918. (486) Philippe huwde in Doorwerth op 14 juli 1881 Anna Catharina van Dijk, dochter van Thomas van Dijk en Gerritje Roosing. (487) Anna werd geboren in ’s-Gravenhage op 22 januari 1856 en overleed aldaar op 11 september 1921. (488) Voor hun nakomelingen zie Nederland’s Adelsboek, jaargang 80 (1989), Bo-By, Den Haag 1990. Lodewijk Frank Willem baron van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth was een zoon van Jacob Adriaan Prosper baron van Brakell van Wadenoijen en Doorwerth en jonkvrouw Jeanne Henriëtte Gabriëlle van Schuylenburch. (489) Hij werd geboren in Wadenoijen op 6 januari 1837 en overleed in Brussel op 29 maart 1898. (490) Lodewijk huwde in Arnhem op 8 november 1860 Fortunée Anna Louise barones van Brakell tot den Brakell. Zie blz. 199. Hij sloot een tweede huwelijk op 21 mei 1896 in Le Bourget (F) met Marie Alphonsine Augustine Marguerite Josse, dochter van Nicolas Philippe Josse en Clémence Dumand. (491) Marie werd geboren in Parijs op 18 januari 1851 en overleed op 23 april 1928 in Asnières (F). (492) Voor hun nakomelingen zie Nederland’s Adelsboek, jaargang 80 (1989), Bo-By, Den Haag 1990. N.B. Bij decreet van keizer Napoleon werd op 27 januari 1813 Jacob Adriaan van Brakell verheven tot baron l’Empire. Bij Soeverein Besluit nr. 14 werden op 28 augustus 1814 Floris Adriaan van Brakell tot den Brakell, Diederik Louis van Brakell tot den Brakell en Jacob Adriaan van Brakell benoemd in de Ridderschap van Gelderland, evenals jonkheer F. van Brakell bij Soeverein Besluit nr. 53 op 7 oktober 1814, en Maarten Adriaan Jacob van Brakell bij Soeverein Besluit nr. 3 op 9 december 1814. Bij Koninklijk Besluit nr. 114 werd op 18 oktober 1822 bepaald dat aan jonkheer Diederik Louis van Brakell tot den Brakell en zijn wettige nakomelingen de door hem van ouds gevoerde titel van baron werd gegeven. Bij Koninklijk Besluit nr. 9 werd op 22 februari 1832 aan jonkheer Jacob Adriaan Prosper van Brakell en zijn wettige nakomelingen toegestaan de titel van baron te voeren. (493)


201

§ 8 ‘Zacht ruste hun stof!’

Tenslotte een af en toe nostalgische terugblik op de Heren van de Betuwe en een deel van ons land waar nog niet zo heel lang geleden geboorte en niet talent, ambitie en ijver iemands plaats op de maatschappelijke ladder bepaalde. (494) ‘De Heren van de Betuwe moesten - zooals het reglement op de ridderschap voorschreef - wonen op huizen binnen grachten gelegen. Een voorpoort, tevens met duifhuis, gaf toegang en sloot het erf af. Een boerderij behoorde er bij en werd door den eigenaar zelf gedreven. Om duiven te mogen houden moest men bij zijn huis minstens tien morgen land hebben. De huizen, met het familiewapen in voorgevel of voorpoort, waren gewoonlijk groote logge steenklompen, gebouwd van steenen die de bouwheer zelf had laten bakken en van hout uit eigen bosschen, overdadig sterk, met eiken balken die de eeuwen konden trotseeren. De bouwkunst was nog zeer onbeholpen, van de ruimte was gewoonlijk slecht partij getrokken, en enkele fraaie afbeeldingen welke men van die zoogenaamde kasteelen soms vindt, moeten zeer gevleid zijn, evenals de stamboomen van de eigenaars, die hun de Trojaansche helden tot voorouders gaven. (…) In het maatschappelijk leven vormden de jonkers een afzonderlijke kaste. Zij waren de bevoorrechten, die uit de hoogte op ieder ander, ook op de aanzienlijke burgers uit de steden - dien zij den titel “heer” gaarne weigerden - neerzagen. Op hun dorp hebben zij onweersprekelijk het hoogste gezag; in de kerken, waar zij vooraan zitten in een eigen hoog gestoelte, laten zij, na den dood van een familielid, dat zij liefst ’s avonds bij fakkellicht ter aarde bestellen, zijn blazoen ophangen met al de schitterende kleuren die de heraldiek meebrengt. De dorpsschout, de buurmeesters, de schutter, de koster en de predikant zijn hun onderdanige en afhankelijke dienaars. (…) De adellijke geslachten hadden bij al hun voorrechten niet te min een harden strijd om het bestaan te voeren; dat blijkt duidelijk aan degenen die wij ten onder hebben zien gaan. En het is ook zeer natuurlijk, want de bezittingen, meest uit landerijen bestaande die niet veel opbrachten, werden na den dood der ouders verdeeld. Gelijk nog heden, was er ook onder de Hoogwelgeborenen, die zich in ’t begin der 18de eeuw baron begonnen te noemen, verschil van stand en van vermogen; zij rezen en daalden; maar de verdwenen namen zeggen het dat er weinig van de oude stammen is overgebleven. De huislieden (boeren) van vroeger dagen zijn integendeel opgekomen, en sommigen hunner wonen thans op het erf van den voormaligen heer, terwijl de afstammelingen van den kasteelbewoner dit mogen aanzien, want voor enkelen hunner heeft het rad van fortuin een afdoende wenteling gemaakt. Trouwens, wij zien het aan de omslagen der middelen (belastingaanslagen) dat er onder de eigengeërfde boeren voorkomen die zeer gegoed mogen heeten en den heer van ’t dorp met paarden, vee, en bezaaid land, soms overtreffen; en deze lieden hadden geen vertoon te maken en er geen koetsiers op na te houden, of jagers, of Fransche gouverneurs en Fransche modes voor hun kinderen, en wijn voor hun gasten. Dat er onder de adellijke heeren echter waren die den weg geweten hebben, ook reeds in de 18de eeuw, naar de Heeren- en Keizersgracht, toonen ons hun stamboomen aan. Menig baron heeft het niet versmaad een bewindvoerder van de Oost- of West-Indische Compagnie tot schoonvader te zoeken en daardoor zijn heerlijkheid te behouden. (…) Aan de bestuurlijke toestanden die wij beschreven hebben, werd door de Fransche revolutie, of liever door de komst der Franschen hier te lande in 1795, een einde gemaakt. (…) Geen wonder is het dat de bevolking toen de glasruiten stuksloeg waarop de leden der ridderschap hun wapens hadden doen branden, als blijk van erkentelijkheid aan den kastelein die hun voor hun verteringen krediet had verleend. Wáár ze ook gevonden werden, die wapenschilden, tot in de kerken toe boven grafplaats en zitbank, daar werden ze vernietigd - en met die blazoenen werd veel opgeruimd dat niet teruggekomen is. En ook de edelhuizingen met hun bewoners zijn zoo goed als geheel verdwenen. Op het kasteel te Wiel zijn de Broeckhuysens opgevolgd door de Van Delens en de Van Wijhe’s, en de Van Nyvenheims, totdat het in 1840 gesloopt is. De zware doch vervallen hardsteenen hekposten aan den Wielschen dijk, even boven het veer, en de breede grachten daar dichtbij, die thans een boerenerf insluiten, herinneren nog aan de vroegere grootheid. Den Brakel te Rijswijk, waar zulk een bekend Geldersch


202

geslacht woonde, is reeds op het eind der 18de eeuw afgebroken; het moest zijn bewoners afstaan aan Vredestein te Ravenswaai - het erfgoed der Van Steenlandts, wier dochter met een Brakell trouwde, dat in 1873 met al zijn fraaie bosschen ook al vernietigd werd. De kerk te Rijswijk behield het familiegraf der Van Brakells, waarboven de groote en fraaie hardsteenen sarcofaag prijkt - een waardig teeken van vroegere hoogheid. (…) Kermestein te Lienden, waar de Van Balverens en Van Brakells hun hof hielden, is in 1878 met den grond gelijk gemaakt, ons alleen den wapensteen die boven de hoofddeur stond van de Van Brakells en De Lyeres achterlatend; ook het Haagje aldaar werd omstreeks dien tijd gesloopt. Den Eng te Lienden, waar de Van Meertens verblijf hielden, werd onder de Van Brakells een landhuis, en heeft met hun heengaan, ongeveer een kwart eeuw geleden, zijn bewoners met historische namen verloren. (…) Ook in het naburige Avezaath vinden wij - andere sterke huizen zijn daar reeds voorlang te niet gegaan en verdwenen - een tweetal zetels van leden der Neer-Betuwsche ridderschap: de nog bestaande landhuizen Thedingswaard en Teisterbant - het eerste bewoond geweest door het geslacht De Cocq van Oppijnen, dat er in ongunstige omstandigheden afscheid van nam, en opgevolgd werd door de Van Brakells - het laatste, door zijn ligging en omgeving nog aan het verleden herinnerend, - gedurende lange jaren den zetel der Van Ecks. (…) Dat de oude geslachten die aan ’s levens stormen weerstand boden het platteland, al is het thans een paradijs ter bewoning bij vroeger vergeleken, verlaten hebben, is geen wonder. Eertijds vonden zij er een hoogen rang en gezag en geldelijke voordeelen van niet geringe beteekenis. Toen de 18de eeuw ten einde spoedde, werden zij gewone burgers, en zij zijn het gebleven. Maar naam en afkomst hebben zij behouden - al is het ook niet altijd volgens den eisch van hun vroeger reglement. En die oude ridderschapsnamen bezitten voor veler oor een bekoorlijken klank - wat duidelijk blijkt waar zoo menig drager ervan aangeworven wordt om den stempel van vertrouwbaarheid te geven aan maatschappijen op aandeelen. Dit verschijnsel brengt de tegenwoordige jonkerschap in een geheel ander licht dan haar omgaf in de tijden die hier beschreven werden; en zij kan gerust denken wij zijn er op vooruitgegaan, al zou het dan misschien in ’t oog onzer voorouders (als zij het konden waarnemen) ten koste van eenige kwaliteiten van adellijke lieden zijn die zij voor geen geld van de wereld hadden prijsgegeven. Zacht ruste hun stof!’

NOTEN

1)Mr.W.W. van Valkenburg, De nakomelingen van Mr.Jacob Cats. In: Jhr.mr.C.C. van Valkenburg. Liber Amicorum, ’sGravenhage 1985, blz. 399. 2)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 294, folio 3 recto. Zie ook dr.Paul Fredericq, Codex documentorum sacratissimarum indulgentiarum neerlandicarum. Verzameling van stukken betreffende de pauselijke aflaten in de Nederlanden (1300-1600), Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Kleine serie, nr. 21, ’s-Gravenhage 1922, blz. 570, en dr.J.S. van Veen, Rechtsbronnen der stad Tiel, 1518 t/m 1520. 3)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 12, folio 84 verso. 4)Ibidem en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 9. 5)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 20I, 1555-1559, folio 97 recto. 6)Mr.E.D.Rink, Beschrijving der stad Tiel, blz. 312. 7)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 223. 8)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 301, folio 201 recto, Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1296, nr. 1985 en CXCV. Zie ook mr.A.P. van Schilfgaarde, Anna Maria Storm van Werle, gravin van Bronckhorst-Batenburg en hare naaste verwanten, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XLVIII (1930), blz. 355, en mr.A.P. van Schilfgaarde, Het adellijk geslacht Van Rossem, blz. 144. 9)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), Brieven van en aan het Kwartier van Nijmegen 1544 -1811, nr. 818, brief nr. 5008 (22 maart 1564). 10)Dr.S.W.A.Drossaers, Het Archief van de Nassause Domeinraad, Tweede Deel, Het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581: Stukken betreffende de rechten en goederen van Anna van Buren, Regestenlijst van oorkonden II (1460-


203

1580), nr. 1621, P.C.Bloys van Treslong Prins, Het Veluwsche geslacht Van Brienen, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXVII (1909), blz. 197, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 65. 11)I.A.Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, Zesde Deel, Tweede Stuk, Karel van Egmond, hertog van Gelre, graaf van Zutphen (1514-1528), Arnhem 1862, nr. 1347. 12)Het Utrechts Archief, Financiële instellingen van de landsheer en van de Staten van Utrecht en daarop volgende gewestelijke besturen 1529-1811, nr. 2035. 13)Gelders Archief, Huis Hoekelum 1392-1904, regest nr. 38, Gelders Archief, Familie Van Tuyll van Bulckestein 13441664, nr. 59, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 65, en Gemeentearchief Wageningen, Oud Archief Wageningen (OAW), (1335-1815), nr. 196, Burgerboeck der stadt Waegeningen, 1500-1794. Zie ook Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, XII.Boek, blz. 465, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 9. 14)Dr.F.Keverling Buisman, Het tractaat van Venlo, 12 september 1543. Inhoud, ratificatie en overlevering. In: Verdrag en Tractaat van Venlo. Herdenkingsbundel, 1543-1993, Hilversum 1993, blz. 271. Zie ook Arend van Slichtenhorst, XIV. Boeken van de Geldersse geschiedenissen, XII.Boek, blz. 465 en 466, en Antonius Anselmo, Placcaeten, Eerste deel, Antwerpen 1648, blz. 677. Voor de volledige titel zie lijst van Bronnen en Literatuur. 15)R.T.Muschart, Grafzerken en memoriestenen in de Groote- of St.Janskerk te Wageningen, Bijdragen en Mededeelingen der Vereeniging Gelre, jaargang XLI (1938), nr. 28, blz. 370, 372 en 373. 16)Gelders Archief, Huis Oolde 1343-1848, nr. 5 (huwelijksvoorwaarden Sweder van Brakell-Elisabeth van Brienen, 11 februari 1527), Het Utrechts Archief, Bisschoppen van Utrecht 1025-1578, nr. 285, folio 12 recto, en R.T. Muschart, De van Brienen’s te Wageningen, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LVI (1938), blz. 136. Zie ook mr.P.C.Bloys van Treslong Prins, Het Veluwsche geslacht van Brienen, blz. 196 en 197, jhr.mr. E.B.F.F.Wittert van Hoogland, Van Brienen, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXVIII (1910), blz. 117, C.J. Polvliet, De graftombe te Midwolde, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXXIII (1915), blz. 247, J.P.H.Goossens, Een pas ontdekte grafzerk te Wijk bij Heusden, De Brabantse Leeuw, jaargang I (1952), blz. 12 t/m 15, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 9, Het Utrechts Archief, Verzameling Van Atteveld, nr. 61, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 65. 17)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 3 en 65, en mr. W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van de Veluwe of geschiedenis der Veluwsche Jonkers. Opgeluisterd door hunne acht stamdeelen, huwelijken, kinderen en wapens, ’s-Gravenhage 1859, wapen nr. 46, Het Utrechts Archief, Verzameling Van Atteveld, nr. 61, en J.P.H.Goossens, Een pas ontdekte grafzerk te Wijk bij Heusden, blz. 15. 18)Dr.A.Johanna Maris, Over de Sint Werenfriedskerk te Elst en de daarmede verbonden stichtingen. Genealogische staten Ingen Nulandt, staat No V, Bijdragen en Mededelingen Gelre, jaargang LVII (1958), blz. 108. 19)Gelders Archief, Familie Hoff 1400-1834, regest nr. 28, Regionaal Historisch Centrum Groninger Archieven, Inventaris van het archief van de familie van Ewsum, 1350-1646, Inleiding. Genealogisch overzicht, I 7 H 12, en dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Doorwerth, (1330) 1377-1743 (1758), z.p. z.j., nr. 48. Zie ook dr.A.J.Maris, Repertorium op de Stichtse Leenprotocollen uit het landsheerlijke tijdvak. I. De Nederstichtse leenacten (1394-1581), nr. 392, mr.W.J. baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 3 en 65, mr.W.J. baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van de Veluwe, wapen nr. 46, drs.L.A.C.A.M. van Rijckevorsel, Zeventiende-eeuwse Van Balverens. In: Jhr.mr.C.C. van Valkenburg. Liber Amicorum, blz. 274, mr.H.L.Hommes, Bijdragen tot genealogieën van oude adellijke geslachten in Stad en Lande, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXVII (1950), blz. 44, Gelders Archief, Huis Hoekelum, nr. 12.2.02, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 10, Het Utrechts Archief, Verzameling Van Atteveld, nr. 61, en J.P.H.Goossens, Een pas ontdekte grafzerk te Wijk bij Heusden, blz. 15. 20)Dr.A.Johanna Maris, Over de Sint Werenfriedskerk te Elst, blz. 108. 21)Anton C.Zeven, Wie woonden waar in de binnenstad van Wageningen. Het historisch kadaster van 1550-1900, deel 4, de 1832 kadasternummers I239 tot en met I361, Wageningen 2003, blz. 228, en dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Doorwerth, (1330) 1377-1743 (1758), z.p., z.j. nr. 48. 22)Mr.H.L.Hommes, Manninga, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LVIII (1940), blz. 7 en 504. Zie ook C.J. Polvliet, De graftombe te Midwolde, blz. 247, W.J.J.C.Bijleveld, Genealogie van het geslacht von Innhausen und Knyphausen in de Nederlanden, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LIII (1935), blz. 165, Vic Hamers, Rob Dix en Zeno Deurvorst, Afstammingsreeksen van de hertogen van Brabant, Woerden 2006, blz. 87, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 10, en Het Utrechts Archief, Verzameling Van Atteveld, nr. 61. 23)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 304, folio 137 recto. 24)Dr.S.W.A.Drossaers, Het archief van de Nassause Domeinraad, Tweede Deel, Het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581: Stukken betreffende de rechten en goederen van Anna van Buren, Regestenlijst van Brieven II (1543-1548), ’s-Gravenhage 1955, nr. 1262 t/m 1264. 25)Anton C.Zeven, Wie woonden waar in de binnenstad van Wageningen, deel 4, blz. 225 en 229. 26)Gelders Archief, Huis Hoekelum, nr. 40, en Anton C.Zeven, Wie woonden waar in de binnenstad van Wageningen, deel 4, blz. 228. 27)Anton C.Zeven, Wie woonde waar in de binnenstad van Wageningen, deel 4, blz. 228 en 229. 28)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 29)Ibidem, en Regionaal Archief Rivierenland, Extracten uit het schepensignaat betreffende de verkiezing van de raad en zijn leden, gewaarmerkt door de secretaris Stoir (16e eeuw) 1540-1556, geen folionummering, 1552, 1554 en 1556, Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 299, folio 1 recto (‘omslag’), en folio 42 recto, dr.J.S. van Veen, Briefwisseling tusschen Margaretha van Parma en Charles de Brimeu, graaf van Megen, stadhouder van Gelderland, 1560-1567, bijlage II, Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Landdagen en andere


204

landsvergaderingen van Staten en steden in Gelre en Zutphen 1423-1584, nr. 431, folio 74 verso, en dr.J.A.B.M. de Jong, Het oud-archief der gemeente Nijmegen. Deel III. Brievenlijst Nos 1-1400, Nijmegen 1960, nr. 421 en 422, mr.E.D.Rink, Beschrijving der stad Tiel, blz. 312. 30)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 136, en Jan Kuys e.a., De Tielse kroniek, Boek VI, nr. 888. 31)Gelders Archief, Huis Soelen 1327-1927, nr. 30, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. Zie ook mr.W.J. baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van de Veluwe, wapen nr. 9, Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 136, Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), brieven van en aan het Kwartier van Nijmegen 15441811, inventarisnr. 818, brief nr. 4894 (15 oktober 1563) en brief nr. 5008 (22 maart 1564), en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 10. 32)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 136. 33)Ibidem, en Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 97, folio 71 verso, nr. 18, folio 65 recto en nr. 20I, folio 97 recto. Zie ook Regionaal Historisch Centrum Limburg, Hof van Gelder te Roermond, tevens Leenhof van het Overkwartier, nr. 1172. 34)G.Heuff en L.M. van der Hoeven, ‘Van linie en stamme Hueff’. Genealogie van het geslacht Heuff, Hilversum 2008, blz. 252. 35)De Tielse kroniek, Boek VI, nr. 888, en Regionaal Archief Rivierenland, inventarisnr. 1873, ‘Tielsche oudheden’. Kroniek van de stad Tiel 454-1804, Handschrift 19e eeuw, blz. 50. 36)Streekarchief Noordwest-Veluwe, Stadsbestuur Harderwijk, (1190) 1231-1813, nr. 1304, folio 1 en 2. Zie ook Gemeentearchief Roermond 1259-1796 (-c. 1820), Oud-archief van de stad Roermond, regest nr. 1270. 37)Gelders Archief, Oud Archief Arnhem, nr. 4684, folio 53 recto, 188 recto en 189 verso, dr.F.Keverling Buisman, Het Tractaat van Venlo, 12 september 1543. Inhoud, ratificatie en overlevering, blz. 271, en P.J.Meij e.a., Geschiedenis van Gelderland 1492-1795, blz. 85 en 93. 38)Mr.E.D.Rink, Beschrijving der stad Tiel, blz. 313. 39)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 302, folio 32 verso en folio 104 recto. 40)Gelders Archief, Huis Soelen 1327-1927, nr. 30, en Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 304, folio 62 recto. 41)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 303, folio 64 recto. 42)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 303, folio 94 recto. Zie ook folio 95 recto. 43)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 303, folio 168 recto en 179 verso. 44)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 134b. 45)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 305, folio 162 recto. 46)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 302, folio 52 verso en folio 53 verso. 47)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 303, folio 64 recto en folio 113 recto. 48)Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1296, nr. 1982, 1983 en CXCIII. Zie ook dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88, jhr.W.A.Beelaerts van Blokland, Stichtsche, Gaasbeeksche en Overijselsche leenen, gelegen in Gelderland, Arnhem 1907, blz. 14, J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 542, Gelders Archief, mr.A.P. van Schilfgaarde, Repertorium op de lenen van Lienden en Ter Leede, z.p. z.j., geen paginering, Ommeren, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 7, Genealogie van de famille van Brakell, blz. 39, en nr. 13, blz. 3. 49)J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 515, jaargang 47 (1897), blz. 217, en W. van der Westeringh, De St.Antonius-vicarie te Opheusden, Tabula Batavorum, jaargang XI (1993), nr. 1, blz. 10. 50)Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1996, CXCIII. 51)J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 47 (1897), blz. 217. 52)K.Heeringa, Inventaris van de archieven van het Stadsbestuur Rhenen, 1337-1851, Utrecht 1927, regest nr. 64 (inventarisnr. 805a). 53)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 54)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4775, folio 200 recto, en nr. 4777, folio 1 recto, J.Anspach, Ommeren en Ingen met zijne voormalige commanderie, De Navorscher, jaargang 34 (1884), blz. 58, Gelders Archief, mr.A.P. van Schilfgaarde, Repertorium op de lenen van Lienden en Ter Leede, z.p. z.j., geen paginering, Ommeren, en jhr.W.A.Beelaerts van Blokland, Stichtsche, Gaasbeeksche en Overijsselsche leenen, gelegen in Gelderland, blz. 14. 55)Gelders Archief, Diverse Charters, nr. 1052, I.A.Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, Zesde Deel, Tweede Stuk, nr. 999, en W.A.Bachiene, Beschryving der Vereenigde Nederlanden, Vierde Deel Derde Stuk van dat Werk. Tweede Deel, blz. 1088. 56)Historisch Centrum Overijssel, Huis Vilsteren, 1441-1973, regest nr. 61. 57)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. Zie ook Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1996, CXCIII, K.Heeringa, Inventaris van de archieven van het Stadsbestuur Rhenen, regest nr. 76 (inventarisnr. 903a), dr.H.P.Deys, Charters Rhenen, z.p. 2001, nr. 76


205

(inventarisnr. 903a8.1), J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 541, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 9, en nr. 13, blz. 3. 58)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4774, folio 93 recto, en Jorien Jas e.a. (red.), Kastelen in Gelderland, blz. 198. Zie ook Kobus van Ingen, Het voormalige kasteel Kermestein te Lienden, Tabula Batavorum, jaargang 6 (1988), nr. 2, blz. 35 en 36. 59)Dr.H.P.Deys, Charters Rhenen, nr. 76 (inventarisnr. 903a8.1), jhr.W.A.Beelaerts van Blokland, Stichtsche, Gaasbeeksche en Overijsselsche leenen, gelegen in Gelderland, blz. 14. 60)Dr.H.P.Deys, Charters Rhenen, nr. 76 (inventarisnr. 903a8.1), J.Anspach, Roelofsz. en Vonck, De Nederlandsche Leeuw, jaargang X (1892), blz. 69, en J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, blz. 541. Zie ook Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), Brieven van en aan het Kwartier van Nijmegen 1544-1811, nr. 822, brief nr. 6363 (28 juni 1570). 61)Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 2552. Zie ook J.Anspach, de heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, blz. 541, en J.Anspach, Roelofsz. en Vonck, De Nederlandsche Leeuw, jaargang X (1892), blz. 69. 62)Jhr.W.A.Beelaerts van Blokland, Stichtsche, Gaasbeeksche en Overijsselsche leenen, gelegen in Gelderland, blz. 14, A.C. baron Snoukaert van Schauburg, Dossier Vonck van Lienden, Hoge Raad van Adel, nr. 4765, en Adriaan P. de Kleuver, De Neder-Betuwe, Arend Datema Instituut, Kesteren 2012, blz. 648. Voor een uitgebreid overzicht van de geschiedenis van De Marsch en de Tollenburg, zie Adriaan P. de Kleuver, De Neder-Betuwe, blz. 345 t/m 356. 63)Gelders Archief, ORA Veluwe en Veluwezoom 1418-1812, nr. 588, folio 111 verso, dr.A.J.Maris, De leen-, keurmedige en tynsgoederen van de Sint Salvatorabdij te Prüm in Gelderland (leenkamer van Klarenbeek), Register, Arnhem 1934, nr. 58, H.L.Driessen, Het oud-archief van het Huis Hoekelum onder Bennekom, ’s-Gravenhage 1952, blz. 5, Gelders Archief, mr.A.P. van Schilfgaarde, Repertorium op de lenen van Lienden en Ter Leede z.p. z.j., geen paginering, Ommeren, en Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer Van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 1983. 64)H.L.Driessen, Het huis Hoekelum, Bijdragen en Mededeelingen der Vereeniging Gelre, jaargang XLIII (1940), blz. 243. Zie ook H.L.Driessen, Het oud-archief van het Huis Hoekelum onder Bennekom, blz. 5, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 10. 65)H.L.Driessen, Het Huis Hoekelum, blz. 243, en Gelders Archief, Oud archief Arnhem, nr. 6385. 66)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Veluwe, nr. 17, en dr. A.J.Maris, De leen-, keurmedige en tynsgoederen van de Sint Salvatorabdij te Prüm in Gelderland, nr. 58. Zie ook H.L.Driessen, Het oud-archief van het Huis Hoekelum onder Bennekom, blz. 5. 67)L.H.J.M. van Asch van Wijck, Geslacht Ruys(ch), De Navorscher, jaargang 30 (1880), blz. 618. 68)Ibidem, en dr.A.W.E.Dek, De adellijke geslachten Van Culemborg en Van Vianen, stammende uit de heren van Bosinchem, alsmede de uit de Van Culemborg’s spruitende heren van Boxmeer, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XCII (1975), blz. 101. Zie ook Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1296, nr. 1982, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 10. 69)L.H.J.M. van Asch van Wijck, Geslacht Ruys(ch), blz. 618. 70)Dr.H.P.Deys, Charters Rhenen, nr. 76 (inventarisnr. 903a8.1), en W.A.Beelaaerts van Blokland, Stichtsche, Gaasbeeksche en Overijsselsche leenen, gelegen in Gelderland, blz. 14 t/m 16. 71)Drs.B.Olde Meierink e.a., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, blz. 472 t/m 474, en ir.J.D. M.Bardet, Kastelenboek provincie Utrecht, blz. 310 en 311. 72)K.Heeringa, Inventaris van de archieven van het Stadsbestuur Rhenen, regest nr. 76 (inventarisnr. 903a). 73)Ibidem, en Gelders Archief, mr.A.P. van Schilfgaarde, Repertorium op de lenen van Lienden en Ter Lede, z.p. z.j., geen paginering, Ommeren. 74)Ibidem, en Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1996, CXCVI, mr.W.J. baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 542. 75)Ibidem. Zie ook Jona Willem te Water, Historie van het Verbond en de Smeekschriften der Nederlandsche edelen, ter verkrijginge van vrijheid in den godsdienst en burgerstaat, in de jaaren 1565-1567, Middelburg 1776-1796, Vierde Stuk, blz. 431. 76)Jona Willem te Water, Historie van het Verbond en de Smeekschriften der Nederlandsche edelen, Tweede Stuk, blz. 277, en Vierde Stuk, blz. 37. Zie ook J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 47 (1897), blz. 220, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 77)Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1296, nr. 2552. 78)De blokkade van Zalt-Bommel. Dagverhaal van Gasparus de l’Agarge, blz. 45. 79)Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1296, nr. 1986, 1987, 2552 en CXCVI. Zie ook dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88, Jona Willem te Water, Historie van het Verbond en de Smeekschriften der Nederlandsche edelen, Vierde Stuk, blz. 431, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 10, en nr. 13, blz. 5, en J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 542 en 543. 80)J.Anspach, Opschriften op grafsteenen in de kerkgebouwen der Nederbetuwe, De Navorscher, jaargang 26 (1876), blz. 63. Zie ook Kobus van Ingen, Het voormalige kasteel Kermestein te Lienden, blz. 37. 81)Dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 82)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 83)Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1996, nr. 1988 t/m 1992, CXCVII en CXCVIII, Gelders Archief, Familie Van den Steen van Ommeren en Wayestein 1460-1950, nr. 240, en dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88 en 97.


206

184)Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1996, CXCVII, en dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 5. 85)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 303, folio 192 verso en folio 217 recto, en nr. 304, folio 62 recto en folio 252 verso. Zie ook Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, CXCVII en nr. 1988 t/m 1991, Regionaal Archief Rivierenland, ORA van De Marsch 1604-1810, nr. 26 (minuten van transporten en magescheiden 1604-1724), Gelders Archief, Familie Van Rhemen 1305-1826, nr. 997 (huwelijkse voorwaarden), dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 14, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 11, en nr. 13, blz. 5. 86)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 303, folio 217 recto. 87)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 304, folio 252 verso. 88)Regionaal Archief Rivierenland, ORA van De Marsch 1604-1810, nr. 26. 89)Archief Eemland, Stadsbestuur Amersfoort 1300-1810, Resoluties van het stadsbestuur 1577-1810, nr. 20, burgerrechtverleningen, 24 april 1611-27 januari 1617, folio 13 verso, nr. 2, 12 juni 1611, Archief Eemland, Notarissen te Amersfoort, 1604-1925, Johan van Ingen, AT 002a001, 1607-1617 dec. 21, folio 182 recto en verso, en 183 recto, W.Wijnaendts van Resandt, Aanteekeningen uit de oude registers van ondertrouw van Amersfoort, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXXIV (1916), blz. 211. Zie ook J.D.Wagner, Zaal-Uteneng, De Navorscher, jaargang 57 (1908), blz. 432, Het Utrechts Archief, Arnoldus Buchelius (Arnout van Buchel), Inscriptiones monumentaque in templis et monasteriis Belgicis inventa, blz. 3, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 11, en nr. 13, blz. 5. E.J.Wolleswinkel vermeldt in zijn artikel De wapenboekjes van Joris Sijen Pieterszoon uit Amsterdam (midden 17 e eeuw), De Nederlandsche Leeuw, jaargang CXXII (2005), blz. 183, 1653 als het overlijdensjaar van Aleid. 90)R.T.Muschart, Grafzerken en grafmonumenten in de Groote of Eusebiuskerk te Arnhem, Bijdragen en Mededeelingen der Vereeniging Gelre, jaargang XLII (1939), blz. 308. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 12, en nr. 13, blz. 8 en 9. 91)W.M.C.Regt en J.D.Wagner, 64 kwartieren van Anna Elisabeth en van Anthony van Haersolte, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXII (1904), blz. 207 en 208, en Isaak Tirion, Hedendaagsche historie, of tegenwoordige staat van alle volkeren, XIIIe deel (voor de volledige titel zie Bronnen, literatuur en register), Amsterdam 1741, blz. 420. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 8 en 9. 92)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 7, blz. 43, Historisch Centrum Overijssel, Haersolte, familie Van, tak Haerst, den Doom en Zuthem 1439-1956, nr. 335, Historisch Centrum Overijssel, Trouwboek van de St.Michaël- of Grote Kerk te Zwolle, nr. 721 aug 1581-15 mei 1637, folio 400 recto, W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van de Veluwe, wapen nr. 36, en G. van Hasselt’s Geldersch Maandwerk, eerste deel, Arnhem 1807, blz. 87 t/m 90. 93)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 238. 94)Ibidem. 95Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 96)Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), Brieven van en aan het Kwartier van Nijmegen 1544-1811, nr. 830, brief nr. 8951 (28 december 1581). 97)Dr.J.A.B.M. de Jong, Het oud-archief der gemeente Nijmegen. Deel III. Brievenlijst, nr. 1662, en mr.E.D.Rink, Beschrijving der stad Tiel, blz. 313. Zie ook J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 543. 98)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 303, folio 107 verso. Zie ook J.D.Wagner, Overluidingen te Utrecht, De Navorscher, jaargang 51 (1901), blz. 95. 99)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1447, Trouwboek 1582-1612, folio 68, en Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 302, folio 86 recto, Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 2558. Zie ook Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 304, folio 63 recto, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 11, en J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Nederbetuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 543. 100)Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 2558. 101)W.A.Bachiene, Beschryving der Vereenigde Nederlanden, Vierde Deel. Derde Stuk van dat Werk. Eerste Deel, Amsterdam/Utrecht 1773, blz. 330, P.J.Meij e.a., Geschiedenis van Gelderland 1492-1795, blz. 177, drs.Marjan Witteveen-Jansen, Kastelen en vestingwerken in de Bommelerwaard, blz. 61 en 62, en dr.Leo Adriaenssen, Staatsvormend geweld, blz. 103. 102)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 307, folio 20 verso, C.Onclin, Genealogische Werkgroep Betuwe, 1998, Trouwen Kerk- en Kapelavezaath 1619-1754, blz. 10, en mr. W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 103)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 305, folio 134 verso. 104)Het Utrechts Archief, Huwelijksboek 93, blz. 15. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15 en 32, Het Utrechts Archief, Familie des Tombe, nr. 275, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 12. 105)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 308, folio 129 recto, baron Adhémar von Linden, Butkens Fälschungen in seinen Annales de la maison de Lynden. Kritik und Antikritik, De Navorscher, jaargang 51 (1901), blz. 530. Zie ook J.Anspach, Van Bodeck, De Navorscher, jaargang 46 (1896),


207

blz. 137, Het Utrechts Archief, Familie des Tombe, nr. 275, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 12, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 106)Gelders Archief, Nederduitsch-Gereformeerde Gemeente Tiel, Trouwboek 1613-1635, blz. 148, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en W. de Haas, Geslachten Van Bueren en Oudheusden, De Navorscher, jaargang 27 (1877), blz. 351. 107)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. Zie ook J.Anspach, Van Bodeck, blz. 138, en J.Anspach, Pierre Durfort d’Autieges, De Navorscher, jaargang 49 (1899), blz. 66 en 67. 108)Dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88, en Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1996, CXCIX. 109)Gelders Archief, Gelderse Landdagsrecessen 1581-1798, 090, Comparanten ter Landdag op 14 mei 1584 te Wageningen, en 001, Comparanten ter Landdag op 8 februari 1592 te Nijmegen, dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 97, en Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 2553. Zie ook Huygens Instituut voor Nederlandse geschiedenis, Landdagen en andere landsvergaderingen van Staten en steden in Gelre en Zutphen 1423-1584, nr. 431. 110)Dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88, en Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, CXCIX en nr. 1996. 111)Ibidem. Zie ook Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 1997, Regionaal Archief Nijmegen, Nederlands Hervormde Gemeente Stad en Land, 1591-1994, inventarisnr. 526 t/m 529, Grafregisters (St.Stevenskerk) c. 1635 - c. 1830, grafnummer 170 oud, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr, 8, blz. 11, en J.Anspach, Ommeren, en Ingen met zijne voormalige commanderie, blz. 63. 112)Regionaal Archief Nijmegen, Nederduits Gereformeerde Gemeente Nijmegen, (Onder)trouwen 1592-1810, folio 59 verso, Het Utrechts Archief, Huwelijksboek 90, blz. 205, en dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88. Zie ook Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 1993, W.Wijnaendts van Resandt, Enkele aanteekeningen uit de twee oudste kerkelijke inteekenregisters te Utrecht, voornamelijk betreffende officieren, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXXIV (1916), blz. 305, en M.G.Wildeman, Een paar kantteekeningen bij het artikel van Heemskerck van Beest in Nederland’s Adelsboek, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XLVIII (1930), blz. 357. 113)Regionaal Archief Nijmegen, Nederduits Gereformeerde Gemeente Nijmegen, (Onder)trouwen 1592-1810, folio 100 verso, Het Utrechts Archief, Huwelijksboek 90, blz. 205, dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88. Zie ook Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 1994, 1995, 1998 en 2553, mr.H.J.Coenen, Grafsteden in de kerk te Beverwijk, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XIX (1901), blz. 14, en W.Wijnaendts van Resandt, Enkele aanteekeningen uit de twee oudste kerkelijke inteekenregisters te Utrecht, blz. 305. 114)Dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88. Zie ook Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 2004, Nationaal Archief, Inventaris van het archief van de familie Van Panthaleon van Eck, 13981946, Bijlagen, nr. XII (inventarisnr. 62, noot nr. 6), en W.Wijnaendts van Resandt, Puchler, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXXIX (1921), blz. 96. 115)Dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88. Zie ook Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1996, CC, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 8, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 116)Het Utrechts Archief, Begraafboek 123, blz. 388, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903 nr. 13, blz. 8. 117)Dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 97, Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 2454, 2555 en 2556, en Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 46, 160 en 162 § 2. 118)C.J.Polvliet, (Van) Brakell, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XLI (1923), blz. 207. 119)Dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88, D.Wagner, (Van) Brakell-Van Balveren, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXXVI (1918), blz. 199. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 8 en nr. 23, en ir.J. van Beynhum, De Van Beynhem’s in Maas en Waal, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXXXI (1964), blz. 39 en 40. 120)Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 1999, 2000, 2003, 2555 en 2560. Zie ook ir.J. van Beynhum, De Van Beynhem’s in Maas en Waal, blz. 39 en 40, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 121)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 83. 122)C.J.Polvliet, (Van) Brakell, blz. 207. 123)Dr.J.Roelevink, Resolutiën der Staten-Generaal. Nieuwe Reeks 1610-1670. Zevende deel 1 juli 1624-31 december 1625, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nr. 223, ’s-Gravenhage 1994, nr. 693, 1940, 2564 en 3077, en Brabants Historisch Informatie Centrum, Henk Beijers Archiefcollectie, Kwartiersarchief van Peelland 1574-1810, inventarisnr. 190.1 genummerd 2504.1, folio 14 verso, 15 recto, 16 recto, 17 verso, 18 recto en 19 recto. 124)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 83. 125)J.A.R.Kymmell, (Van) Brakell-Van Balveren, blz. 197. 126)W.M.C.Regt, Kwartierstaat van Wolter Jan Gerrit Bentinck, den held van Doggersbank, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXX (1912), blz. 11. Zie ook J.A.R.Kymmel, Van Welvelde, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXII (1904), blz. 287, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 13, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van de Veluwe, wapen nr. 52. 127)W.M.C.Regt, Kwartierstaat van Wolter Jan Gerrit Bentinck, blz. 11. 128)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 83.


208 129)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen 41 en 45. Zie ook Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1996, nr. 2001, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 11. 130)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 41 en 45. 131)Ibidem. Zie ook Gelders Archief, Archief Familie Van Rouwenoort 1408-1892, nr. 32 en 48, Gelders Archief, Kerkboek Lienden 1639-1811, boek 1058, blz. 71, Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 12261996, nr. 2001, Gelders Archief, Schoutambt Rheden, Bijlage: Lijsten van ambtsjonkers, ambtsbestuursleden, schouten, onderschouten, secretarissen en (substituut-)ontvangers. Ambtsjonkers van het ambt Rheden. Daem van Heerdt, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 13, en nr. 13, blz. 11, en G.J.Brenkman, Eenige - dikwijls eigenaardige aanteekeningen uit het zeer verward kerkarchief van Lienden, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXIX (1911), blz. 303. Zie voor het begrip ambtsjonker Coen O.A.Schimmelpenninck van der Oije e.a. (red.), Adel en ridderschap in Gelderland, blz. 125, 126 en 162. 132)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 45. 133)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 41 en 45, Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 2001, Gelders Archief, Trouwboek Nederduits Gereformeerde gemeente Lienden 1639-1679, folio 35 verso, G.J.Brenkman, Eenige - dikwijls eigenaardige aanteekeningen uit het zeer verward kerkarchief van Lienden, blz. 303, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 13, en nr. 13, blz. 11. 134)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 41. Zie ook Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1996, nr. 2002. 135)M.G.Wildeman, Doodsberichten 1697-1743, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 56. 136)Het Utrechts Archief, Begraafboek 123, blz. 388, en Klapper op de overluidingen Dom van Utrecht 1562-1751. 137)Gelders Archief, Nederduits Gereformeerde gemeente Bemmel, Doopboek, blz. 21. 138)J.A.R.Kymmell, (Van) Brakell-Van Balveren, blz. 197. 139)J.D.Wagner, (Van) Brakell-Van Balveren, blz. 199. 140)Ir.J. van Beynum, De Van Beynhem’s in Maas en Waal, blz. 41. 141)Drs.L.A.C.A.M. van Rijckevorsel, Zeventiende-eeuwse Van Balverens, blz. 261. 142)C.J.Polvliet, (Van) Brakell, blz. 207. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 12. 143)W.M.C.Regt, Kwartierstaat van Wolter Jan Gerrit Bentinck, blz. 11. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 14321903, nr. 13, blz. 11. 144)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 7, blz. 44, en nr. 13, blz. 11. 145)Dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88. 146)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. Zie ook dr.J.C. Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88. 147)Mr.W. de Vries, Bijdragen tot de geschiedenis van het rechterlijk bestel in Gelderland. I. Rechtsgebieden gelegen in het Kwartier van Nijmegen, blz. 185. 148)Gelders Archief, Heren en Graven van Culemborg, nr. 925, 1145, 5925 en 5937. 149)Gelders Archief, Heren en Graven van Culemborg, nr. 1114, dr.A.J.Maris en H.L.Driessen, Het archief van het Hof van Gelre en Zutphen (1543-1795), het Hof van Justitie (1795-1802) en het Departementaal Gerechtshof (1802-1811), Eerste Deel, Arnhem 1978, blz. 72, 73, 327 en 328, Gelders Archief, Huis Middachten 1331-1947, nr. 341, Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1811), U058a001, akte nr. 45, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 150)Gelders Archief, Huis Laar 1360-1825, nr. 250, Regionaal Archief Rivierenland, Lienden, halve hoge en lage heerlijkheid, 1651-1981, nr. 93, dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 97, Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 46 en 160, Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 2458, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 235, en J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 518. 151)J.N.A.Groenendijk, Het geslacht Van Brakel in de Bommelerwaard, Nederbetuwe en Zuid-Holland ±1250 - ±1850, blz. 45. 152)Gelders Archief, Huis Laar 1360-1825, nr. 328, dr.A.J.Maris en H.L.Driessen, Het archief van het Hof van Gelre en Zutphen (1543-1795), blz. 327, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. Voor het testament van Johan van Brakell tot Kermestein zie Nationaal Archief, Inventaris van het archief van de Nassause Domeinraad, (1218) 1581-1811 (1842), nr. 10043a (26 februari 1680). Zie ook Het Utrechts Archief, Archief van de familie Quarles, Quarles de Quarles en Quarles van Ufford, (1546) 1642-2000, nr. 74. 153)Ibidem. Zie ook Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 2006, 2013 t/m 2015, 2017 en 2018, dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Buren, 1328-1794, z.p. z.j., nr. 88, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 12, en nr. 13, blz. 11, mr.W. de Vries, Van Brakel(l) (van Braeckel)-de Ba(e)rs, blz. 190 en 191, en jaargang LXIX (1952), blz. 376 en 377, J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in de Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 544, G.J. Brenkman, Eenige - dikwijls eigenaardige – aanteekeningen uit het zeer verward kerkarchief van Lienden, blz. 303, en W.A.Wijburg Jr., Van Brakel(l) (van Braeckel)-de Ba(e)rs, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXX (1953), blz. 330. 154)Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 2007, 2019 en 2020, en Haags Gemeentearchief, Rechterlijk archief: registers van ondertrouw, 1598-1811, nr. 747, folio 11 verso. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 12, en nr. 13, blz. 11, Gelders Archief, Kerkboek Lienden 1639-1811, boek 1058, blz. 36, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, mr.W. de Vries, Van Brakel(l) (van Braeckel)-de Ba(e)rs, blz. 190, jaargang LXIX (1952), blz. 377, J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in de Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 544, G.J.Brenkman, Eenige - dikwijls eigenaar-


209

dige - aanteekeningen uit het zeer verward kerkarchief van Lienden, blz. 303, en jhr.C.Ph.L. van Kinschot, Een en ander over de “Oudheidkamer” te Tiel, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXV (1907), blz. 23. 155)Adriaan P. de Kleuver, De Neder-Betuwe, blz. 287. Voor de geschiedenis van slot Ter Lede zie Menno Potjer, Voor sijn genaden, de reeckeninghe. Het jaarlijks onderhoud en de achteruitgang van huis Ter Lede in de Nederbetuwe, 1580-1697. In: Bijdragen en Mededelingen Gelre. Historisch jaarboek voor Gelderland, deel XCV, Arnhem 2004, blz. 102 t/m 129. 156)Het Utrechts Archief, Utrechts Leenhof, nr. 137B, folio 151 verso t/m 154 recto, drs.B.Olde Meierink, e.a., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, blz. 543, W.A.Bachiene, Beschryving der Vereenigde Nederlanden. Vierde Deel. Derde Stuk van dat Werk. Tweede Deel, blz. 1103, en dr.A.A.B. van Bemmel, De vergeten woontoren Noortwijck tussen Cothen, Langbroek en Wijk bij Duurstede, Het Kromme-Rijngebied, Tijdschrift van de Historische Kring “Tussen Rijn en Lek”, nr. 34-4 (2000), blz. 57 t/m 73. 157)Dr.A.J.Maris en H.L.Driessen, Het archief van het Hof van Gelre en Zutphen (1543-1795), blz. 72 en 73. 158)Luc Panhuysen, Het Rampjaar 1672, Historisch Nieuwsblad, jaargang 7, nr. 3 (april 2006), blz. 18. 159)Samuel Pepys, Geheim dagboek van een puritein 1660-1669, Gekozen, vertaald en van een inleiding voorzien door Heleen ten Holt, Amsterdam 1979, blz. 206 en 207. 160)A.J. van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden, bevattende de levensbeschrijvingen van zoodanige personen, die zich op eenigerlei wijze in ons vaderland hebben vermaard gemaakt, Haarlem 1855. Deel 2, Derde en vierde stuk, blz. 1161 t/m 1163, en J.A. de Chalmot, Biographisch Woordenboek der Nederlanden, Vierde Deel, Amsterdam 1799, blz. 166. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 11. 161)Gelders Archief, Nederduits Gereformeerde Gemeente Lienden, Doopinschrijvingen 1644-1673, blz. 8, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 11. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 47 (1897), blz. 226, en mr.W. de Vries, Van Brakel(l) (van Braeckel)-De Ba(e)rs, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXIX (1952), blz. 377. 162)Mr.W. de Vries, Van Brakel(l) (van Braeckel)-De Ba(e)rs, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXVIII (1951), blz. 190 en 191, en LXIX (1952), blz. 377. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 13 en nr. 13, blz. 11, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 163)Dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88. Zie ook Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1996, CCIII, ir.J. van Beynhum, De Van Beynhem’s in Maas en Waal, blz. 40, en mr.W. de Vries, Van Brakel(l) (van Braeckel)-de Ba(e)rs, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXIX (1952), blz. 377. 164)Gelders Archief, Gelderse Rekenkamer, Rekeningen van de richters en dijkgraven van Tiel en Zandwijk, 1643-1795, nr. 5372. Zie ook Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1811), U054a004, nr. 319 en U091a6, nr. 11, mr.E.D.Rink, Beschrijving der stad Tiel, blz. 311, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 165)Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1811), U091a6, nr. 11, en W.J.J.C.Bijleveld, Familieaanteekeningen Bartolotti van den Heuvel, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XLIX (1931), blz. 43. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 11. 166)Gelders Archief, Kerkboek Lienden 1639-1811, boek 1058, blz. 2. Zie ook G.J.Brenkman, Eenige - dikwijls eigenaardige - aanteekeningen uit het zeer verward kerkarchief van Lienden, blz. 300. 167)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 168)Ibidem. Zie ook Gelders Archief, Oud Rechterlijk Archief Land tussen Maas en Waal, Civiele procesdossiers 16221810, 1700-1708, nr. 1, Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 2021, Brabants Historisch Informatie Centrum, Archief Raad van Brabant, 1586-1811, Civiele procesdossiers 1678-1707, nr. 788.2523, Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1811), U054a004, nr. 319 en U091a6, nr. 11, mr.W. de Vries, Van Brakel(l) (van Braeckel)-de Ba(e)rs, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXIX (1952), blz. 377, en W.J.J.C.Bijleveld, Familieaanteekeningen Bartolotti van den Heuvel, blz. 43. 169)Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1811), U054a004, nr. 319 en U0110a3, nr. 62. Zie ook mr.W. de Vries, Van Brakel(l) (van Braeckel)-de Ba(e)rs, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXIX (1952), blz. 377, en J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 544. 170)Ibidem, en www.milwiki.nl/dutchregiments, Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe, Leenkamer van het Huis Putten bij Elburg, 16e-18e eeuw, nr. 723, 725, 739, 767, 857 en 858, en mr.W. de Vries, Bijdragen tot de geschiedenis van het rechterlijk bestel in Gelderland. I., blz. 186, 188 en 189. 171)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr 142 en 143, dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Buren, nr. 88, en dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 97. Zie voor de rest van zijn onroerende goederen Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1811), U054a004, nr. 319 en U0110a3, nr. 62. 172)Gelders Archief, Nederduits-Gereformeerde Gemeente te Doesburg, Doopboek, 1649-1676, blz. 99, G.J.Brenkman, Eenige - dikwijls eigenaardige - aanteekeningen uit het zeer verward kerkarchief van Lienden, blz. 304, mr.W. de Vries, Van Brakel(l) (van Braeckel)-de Ba(e)rs, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXIX (1952), blz. 377, en J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 544. 173)G.J.Brenkman, Eenige - dikwijls eigenaardige - aanteekeningen uit het zeer verward kerkarchief van Lienden, blz. 304 en 305. 174)J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 544 en 545. 175)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel, doopboek 1650-1726, folio 50 verso, Gelders Archief, Nederduits Gereformeerde Gemeente Bemmel, trouwboek 1691-1719, blz. 65, Regionaal Archief Nijmegen, Nederduits Gereformeerde Gemeente Nijmegen, Overlijden/overluiden/ begraven (voor alle gezindten) 1722-1810, folio 11, dr.W.F.Leemans, De Schotse officierenfamilie Halkett, blz. 385 en 386. Zie ook ir.J. van Beynhum, De Van Beynhem’s in


210

Maas en Waal, blz. 40, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 14, en R.T.Muschart, Onjuistheden in het Armorial Général van J.B.Rietstap, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LVI (1938), blz. 264. 176)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 45. Zie ook J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 545. 177)Gelders Archief, Nederduits Gereformeerde gemeente Lienden, Begraafboek 1711-1738, blz. 296. Zie ook G.J.Brenkman, Eenige - dikwijls eigenaardige - aanteekeningen uit het zeer verward kerkarchief van Lienden, blz. 306. 178)Dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88. Zie ook Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1996, CCIV, ir.J. van Beynhum, De Van Beynhem’s in Maas en Waal, blz. 40, mr.W. de Vries, Van Brakel(l) (van Braeckel)-de Ba(e)rs, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXIX (1952), blz. 377, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 179)Het Utrechts Archief, Families Quarles, Quarles de Quarles en Quarles van Ufford 1546 (1642-2000), nr. 169, Gelders Archief, Huis Laar 1360-1825, nr. 251, mr.W.W. van Valkenburg, De nakomelingen van Mr.Jacob Cats, blz. 402, en C.E.G. ten Houte de Lange en V.A.M. van der Burg, Heerlijkheden in Nederland, blz. 110. 180)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 160. 181)Haags Gemeentearchief, Nederlandse Hervormde gemeente ’s-Gravenhage, Kloosterkerk, Doopboek nr. 172, folio 200 recto, Haags Gemeentearchief, Registers van ontvangen impost op het begraven 1 e – 4e klasse, met vermelding van ontvangen leges, 1696-1805, nr. 23, folio 51 verso (op 5-7-1702 werd voor Willem Frederik impost op zijn begrafenis betaald). Zie ook mr.W.W. van Valkenburg, De nakomelingen van Mr.Jacob Cats, blz. 402, en mr.W. de Vries, Van Brakel(l) (van Braeckel)-de Ba(e)rs, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXIX (1952), blz. 377. 182)Haags Gemeentearchief, Rechterlijk archief: registers van ondertrouw, 1598-1811, nr. 752, folio 123 recto, en Haags Gemeentearchief, Registers van ontvangen impost op het begraven 1 e – 4e klasse, met vermelding van ontvangen leges, 16961805, nr. 23, folio 19 verso. Zie ook mr.W.W. van Valkenburg, De nakomelingen van Mr.Jacob Cats, blz. 402, mr. W. de Vries, Van Brakel(l) (van Braeckel)-de Ba(e)rs, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXIX (1952), blz. 377, Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 2023, 2029 t/m 2031 en 2033, Nationaal Archief, De archieven der heerlijkheden Oost- en West-Barendrecht en Carnisse tot het jaar 1850, nr. 175 (6 maart 1688), Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 13, Haags Gemeentearchief, Inventaris van het archief van Oostduin, Arendsdorp en Waalsdorp, onderdeel van het familiearchief van Bylandt, 1432-1905, nr. 63 en Inleiding Westerhoek, dr.J.C. Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88, dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de Merwede, 1319-1801, Ons Voorgeslacht, jaargang 33 (1978), blz. 6, dr.J.C.Kort, Het archief van de familie Van Slingelandt (420) 1438-1868, nr. 1127, en W.C.M. de Jonge van Ellemeet, Museum Catsianum. Verzameling 1839-1870, Utrecht 1870, blz. 152, 158 en 160. 183)Haags Gemeentearchief, Inventaris van het archief van Oostduin, Arendsdorp en Waalsdorp, nr. 63 en Inleiding Westerhoek, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de Merwede, blz. 6, C.Hoek, Repertorium op de lenen van de hofstad te Hontshol, Ons Voorgeslacht, jaargang 27 (1972), blz. 162 en 232, en C.Hoek, Repertorium op de lenen van de hofstad Polanen te Monster, 13591770, Ons Voorgeslacht, jaargang 21 (1966), blz. 586. 184)Haags Gemeentearchief, Inventaris van het archief van Oostduin, Arendsdorp en Waalsdorp, nr. 63 en Inleiding Westerhoek, Nationaal Archief, De archieven der heerlijkheden Oost- en West-Barendrecht en Carnisse tot het jaar 1850, nr. 177 (26 januari 1720), C.Hoek, De leenkamers van de heren van Wassenaar. De leenkamer van de hof te Wassenaar (1226-1744), Ons Voorgeslacht, jaargang 33 (1978), blz. 202. 185)Haags Gemeentearchief, Nederlandse Hervormde gemeente ’s-Gravenhage, Grote of Sint Jacobskerk, Doopboek nr. 7, folio 44 verso, en dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 87 en 88. Volgens mr.W.W. van Valkenburg (De nakomelingen van Mr.Jacob Cats, blz. 407) overleed zij in 1762. 186)Haags Gemeentearchief, Rechterlijk archief: registers van ondertrouw, 1598-1811, nr. 757, folio 58 recto, Het Utrechts Archief, Archief van de families Quarles, Quarles de Quarles en Quarles van Ufford, nr. 78. Zie ook Haags Gemeentearchief, Inventaris van het archief van Oostduin, Arendsdorp en Waalsdorp, nr. 63, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 14, dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88, dr.H.M.Brokken (eindred.), Heren van Stand, blz. 194, en dr.J.C. Kort, Repertorium op de lenen van de Merwede, blz. 6. 187)Mr.W.W. van Valkenburg, De nakomelingen van Mr.Jacob Cats, blz. 407 en 408. 188)Ibidem. Zie ook dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 87. 189)Het Utrechts Archief, Archief van de families Quarles, Quarles de Quarles en Quarles van Ufford, nr. 78. 190)Dr.H.M.Brokken, Heren van Stand, blz. 194. 191)Haags Gemeentearchief, Nederlandse Hervormde gemeente ’s-Gravenhage, Grote of Sint Jacobskerk, Doopboek nr. 7, folio 83 recto, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en mr.W.W. van Valkenburg, De nakomelingen van Mr.Jacob Cats, blz. 408. 192)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. Zie ook dr. H.M. Brokken, Heren van Stand, blz. 194, dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88, en ir.J. van Beynhum, De Van Beynhem’s in Maas en Waal, blz. 40. 193)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduitsch-Gereformeerde Gemeente Kerk- en Kapel-Avezaath, Doopboek 16381697, folio 55, Gelders Archief, Nederduits Gereformeerde gemeente Lienden, Begraafboek 1711-1738, blz. 312, mr.W.W. van Valkenburg, De nakomelingen van Mr.Jacob Cats, blz. 408, en J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 546. 194)Gelders Archief, Nederduitsch-Gereformeerde Gemeente Avezaath, Trouwinschrijvingen 1699-1700, 1703-1754, blz. 66, Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 2263, Het Utrechts Archief, Archief van de families Quarles, Quarles de Quarles en Quarles van Ufford, nr. 75. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 14, mr.W.W. van Valkenburg, De nakomelingen van Mr. Jacob Cats, blz. 408, mr.W.J. baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 100, dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 88, jhr.H.H.Roëll, Bijdragen tot de genealogie van het geslacht Quarles, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXI


211 (1903), blz. 79, ir.J. van Beynhum, De Van Beynhem’s in Maas en Waal, blz. 40, F.M.Eliëns en J.Harenberg, Middeleeuwse kastelen van Gelderland, blz. 170, en dr.Ronald Stenvert e.a., Monumenten in Nederland. Gelderland, Zwolle 2000, blz. 208. 195)Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1996, nr. 2271, en Gelders Archief, Gelderse Landdagrecessen 1581-1798, nr. 014, Ordinaris Landdag op 4 april 1726 te Zutphen (benoeming van Christiaan Reinoud van Wijhe tot richter en dijkgraaf van Tiel en het schependom van Zandwijk als opvolger van Floris Adriaan van Brakell tot den Brakell). Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 100. 196)Gelders Archief, Nederduits Gereformeerde Gemeente Echteld, Doopboek 1667-1696, folio 18, nr. 113, en mr.W.W. van Valkenburg, De nakomelingen van Mr.Jacob Cats, blz. 408. 197)Ibidem. Zie ook dr.J.C.Kort, Wassenaer, de oudste, blz. 90, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 100, en F.M.Eliëns en J.Harenberg, Middeleeuwse kastelen van Gelderland, blz. 169. 198)C.Onclin, Genealogische Werkgroep Betuwe, 1998, Lidmaten Kerk- en Kapelavezaath 1619-1771, blz. 37. 199)A.J.Servaas van Rooijen, Lijst van inwoners in ’s-Gravenhage/Noord Oostenrijks Quartier in 1715, Den Haag 2009, nr. 185. 200)J. de Rek, Prinsen, Patriciërs en Patriotten, Baarn 1967, blz. 112, en Luc Panhuysen, Rampjaar 1672. Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte, Amsterdam/Antwerpen 2009, blz. 80 en 287. 201)Luc Panhuysen, Rampjaar 1672, blz. 172, en J. de Rek, Prinsen, Patriciërs en Patriotten, blz. 118. 202)A. en H.Algra, Dispereert niet. Twintig eeuwen historie van de Nederlanden, deel 2, achtste druk, Franeker 1978, blz. 356. 203)Het Utrechts Archief, Huis Amerongen 1405-1979, nr. 2723, Brieven gericht aan Godard Adriaan van Reede afkomstig van zijn echtgenote Margaretha Turnor, brief van 26 januari 1673. Zie ook Peter Rietbergen, Een edelvrouw in het rampjaar 1672, Spiegel Historiael, jaargang 40 (2005), nr. 3/4, blz. 118. Zie voor het wangedrag van het Franse leger ook mr.Bernard Costerus, Historisch Verhaal (voor de volledige titel zie Bronnen, literatuur en register), Leiden 1736, o.m. blz. 299 en 329. 204)Dr.D.J.Roorda, Het rampjaar 1672, Bussum 1971, blz. 85. 205)Mr.dr.J. den Tex, Onder vreemde heren. De Republiek der Nederlanden 1672-1674, blz. 179 en 180. 206)P.J.Meij e.a., Geschiedenis van Gelderland 1492-1795, blz. 223. 207)Ibidem. 208)P.J.Meij e.a., Geschiedenis van Gelderland 1492-1795, blz. 221. 209)Historische en genealogische werkgroep voor de Betuwe en Bommelerwaard, 1995, Inwonerslijsten van 20 plaatsen in de Nederbetuwe 1634-1723, blz. 50 t/m 52. 210)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 18, folio 6 recto, en Adriaan P. de Kleuver, De Neder-Betuwe, blz. 288. 211)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van de Veluwe, wapen nr. 54. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 9. 212)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 18, folio 6 recto, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 9, en nr. 13, blz. 4. Zie ook Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4777, folio 92 recto en folio 126 recto, nr. 4778, folio 126 verso en 127 recto en verso, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 213)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4777, folio 92 recto, en Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Leenprotocol van Gelre en Zutphen, nr. 18, folio 6 recto. Zie ook J.J.Nout, Flitsen uit de geschiedenis van Beusichem en Zoelmond, 3, Beusichem 1990, blz. 34. 214)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 131, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 4. Zie ook Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4777, folio 92 recto en folio 126 recto. 215)Arend van Slichtenhorst, XIV.Boeken van de Geldersse geschiedenissen, XII.Boek, blz. 451. 216)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 131, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 10. Zie ook Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4777, folio 92 recto en folio 126 recto, en C.E.G. ten Houte de Lange en V.A.M. van der Burg, Heerlijkheden in Nederland, blz. 94. 217)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van de Veluwe, wapen nr. 54. 218)Ibidem, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 10. 219)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4777, folio 92 recto en folio 126 recto. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 6. 220)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 303, 29 recto en folio 60 recto, Gelders Archief, Gelderse Landdagsrecessen 1581-1798, 090, Comparanten ter Landdag op 14 mei 1584 te Wageningen, en 001, Comparanten ter Landdag op 8 februari 1592 te Nijmegen, Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen (1425) 1543-1811 (1902), brieven van en aan het Kwartier van Nijmegen 1544-1811, nr. 829, brief nr. 8557 (13 februari 1581), nr. 834, brief nr. 9904 (10 oktober 1589), nr. 9957 (11 mei 1591) en brief nr. 10043 (10 januari 1592), Regionaal Archief Rivierenland, HBZ, nr. 670, folio 198 recto (21 april 1592), Het Utrechts Archief, Archief St.Agnieten klooster te Rhenen 1369-1771, nr. 102, Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4777, folio 122 recto, en nr. 5930 en 5931. 221)Jona Willem te Water, Historie van het Verbond en de Smeekschriften der Nederlandsche edelen, Vierde Stuk, blz. 431, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 222)Jona Willem te Water, Historie van het Verbond en de Smeekschriften der Nederlandsche edelen, Tweede Stuk, blz. 276 en 277, en Vierde Stuk, blz. 38 en 139, Traité fait en Hollande par les Nobles des Pays Bas contre l’Inquisition, De Navor-


212

scher, jaargang 66 (1917), blz. 464 (als auteur staat vermeld J.K.) en De Navorscher, jaargang 67 (1918), blz. 99 en 100. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 6, en J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in de Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 542 en 543. 223)P.Bondam, Verzameling van onuitgegeevene stukken, tot opheldering der vaderlandsche historie, eerste deel, Utrecht 1779, blz. 15 t/m 17. 224)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4777, folio 92 recto en folio 126 recto, en Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 131 en 142. 225)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 303, folio 72 verso, Afstammingsreeks Karel de Grote, Gens Nostra, jaargang 23 (1968), blz. 332 en 333. Zie ook Vic Hamers, Rob Dix en Zeno Deurvorst, Afstammingsreeksen van de hertogen van Brabant, blz. 29, Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde, 1226-1296, nr 2552, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 6, mr. W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4777, folio 92 recto en folio 126 recto, en dr.J.S. van Veen, Briefwisseling tusschen Margaretha van Parma en Charles de Brimeu, graaf van Megen, stadhouder van Gelderland, 1560-1567, brief nr. 260, en Het Utrechts Archief, Archief St.Agnietenklooster te Rhenen 1369-1771, nr. 102. 226)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 304, folio 218 recto, Nederland’s Adelsboek, jaargang 80 (1989), Bo-By, Den Haag 1990, blz. 397. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en dr.N.Japikse, Resolutiën der Staten-Generaal van 1576 tot 1609, Tiende deel 1598-1600, blz. 821, en Elfde deel 1600-1601, blz. 350 t/m 352. 227)Mr.A.P. van Schilfgaarde, Familieaantekeningen van Dirck de Cock van Opijnen (zoon van Johan en Rembolda van Neeringen) gehuwd met Hilbranda van Delen, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXXXIV (1967), blz. 246. 228)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15 en 25. Zie ook dr.E.M.F. Koch, De kloosterpoort als sluitpost?, blz. 200, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 11. 229)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. Zie ook dr.J.C. Kort, Het goederenbezit van de heren van Culemborg in Maurik, 1299-1669, z.p. z.j., nr. 34a. 230)J.H.Frieswijk, Van Leeuwen. Riddermatig geslacht, De Navorscher, jaargang 40 (1890), blz. 246. Zie ook Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4777, folio 122 recto. 231)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4777, folio 122 recto . 232)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Zutphen, nr. 63b. 233)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van de Veluwe, wapen nr. 87, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 11, en nr. 13, blz. 6, Het Utrechts Archief, Utrechts Leenhof, nr. 134, Register F, 1554-1582, folio 32 recto, en dr.J. S. van Veen, Briefwisseling tusschen Margaretha van Parma en Charles de Brimeu, graaf van Megen, stadhouder van Gelderland, 1560-1567, brief nr. 290. 234)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van de Veluwe, wapen nr. 87. 235)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Zutphen, nr. 63. 236)Dr.W.F.Leemans, De Schotse officierenfamilie Halkett, blz. 382. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 237)Archief Eemland, Notarissen te Amersfoort, 1604-1925, Johan van Ingen, AT002a001, 1607-1617 dec. 21, folio 146 en 147. 238)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Buren, nr. 88, en Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 142. 239)Mr.W. de Vries, Van Brakel(l) (van Braeckel)-de Ba(e)rs, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXVIII (1951), blz. 190, jhr.mr.dr.J.R.Clifford Kocq van Breugel, Van Brakel(l) (van Braeckel)-de Ba(e)rs, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXVIII (1951), blz. 252, mr.G.J.J. van Wimersma Greidanus, De afstamming der Nederlandse De Monchy’s van Karel de Grote, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXXXV (1968), blz. 47, dr.W.F.Leemans, De Schotse officierenfamilie Halkett, blz. 382, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 6. 240)Dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Buren, nr. 88, en dr.W.F.Leemans, De Schotse officierenfamilie Halkett, blz. 382. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, mr.W. de Vries, Van Brakel(l)(van Braeckel)-de Ba(e)rs, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXIX (1952), blz. 376 en 377, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 11, en nr. 13, blz. 6. 241)Het Utrechts Archief, Huwelijksboek 90, blz. 37. 242)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 303, folio 72 verso. 243)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 303, folio 74 verso. 244)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 304, folio 100 verso. 245)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4777, folio 93 recto, folio 122 verso en folio 126 verso. Zie ook dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Buren, nr. 88, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 246)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 304, folio 100 verso, en nr. 305, folio 34 recto, Ridderlijke Duitsche Orde-Balije van Utrecht, inventarisnr. OA.2975.0.0.2, en mr.W.J. baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 247)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4777, folio 93 recto en folio 126 verso, en Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 131, 142 en 143. 248)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 304, folio 63 recto.


213

249)Mr.A.P. van Schilfgaarde, Register op de leenen van het Huis Bergh, Arnhem 1929, blz. 36. 250)Ibidem. Zie ook mr.W. de Vries, De voormalige havezathe De Padevoort nabij Zeddam, Bijdragen en Mededeelingen der Vereeniging Gelre, jaargang XLIII (1940), blz. 251 en 252, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, Nederland’s Adelsboek, blz. 397, en F.M.Eliëns en J.Harenberg, Middeleeuwse kastelen van Gelderland, blz. 118. 251)Mr.A.P. van Schilfgaarde, Register op de leenen van het Huis Bergh, blz. 36, F.A.Hoefer, Het huis Swanenburg te Gendringen en zijne bezitters, Bijdragen en Mededeelingen der Vereeniging Gelre, jaargang XXXIV (1931), blz. 174, en F.M. Eliëns en J.Harenberg, Middeleeuwse kastelen van Gelderland, blz. 118. 252)Mr.A.P. van Schilfgaarde, Register op de leenen van het Huis Bergh, blz. 36. 253)W.Wijnaendts van Resandt, De vicarieën in Gelderland met vermelding veelal van tijdstip der stichting, namen der stichters, goederen en inkomsten der vicarieën, de collators of patroons, de vicarissen of bezitters en de erover gevoerde processen tot 1648, Amsterdam 1943, blz. 7 t/m 9, 21 en 94, en Grote Winkler Prins Encyclopedie, Amsterdam-Brussel 1975, deel 19, blz. 344. Zie ook prof.dr.R.R.Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de middeleeuwen, deel I, blz. 321 t/m 323. 254)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 131. 255)F.A.Hoefer, Het huis Swanenburg te Gendringen en zijne bezitters, blz. 174. 256)Ibidem. 257)Ibidem. 258)Het Utrechts Archief, Begraafboek 127, blz. 319, Ph.J.C.G. van Hinsbergen, Inventaris van het archief van De Ridderlijke Duitsche Orde Balije van Utrecht: 1200-1811, nr. 287 en 362, Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht 15601811, U093a032, nr. 18 en U0102a1, nr. 7, Tresoar (Frysk Histoarysk en Letterkundich Sintrum), Stadhouderlijk archief, De archieven in het Koninklijk Huisarchief: Albertine Agnes, nr. 44, Het Utrechts Archief, Huwelijksboek 97, blz. 156, en Klapper overluidingen Dom van Utrecht 1562-1751, mr.F.J.W.Fabius, De Duitsche Orde van verleden tot heden, Utrecht 1961, blz. 22, en Hedde Biesma, Ridders in een klooster. Het Duitse Huis in Utrecht, Utrecht 2000, blz. 58 en 74. Zie ook Gelders Archief, Nederduits Gereformeerde Gemeente Bredevoort, Trouwboek 1639-1681, blz. 10, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 13, en nr. 13, blz. 9. 259)Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1811), U086a002, nr. 369. 260)F.A.Hoefer, Het huis Swanenburg te Gendringen en zijne bezitters, blz. 174. 261)Ibidem. 262)W.J.Hofdijk, Merkwaardige kasteelen in Nederland door Van Lennep en Hofdijk, deel I, blz. 207. 263)F.J.W.Fabius, De Duitsche Orde van verleden tot heden, blz. 9 t/m 24 en 35 t/m 63, en Hedde Biesma, Ridders in een klooster. Het Duitse Huis in Utrecht, blz. 8 t/m 17. Zie ook dr.R.R.Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de middeleeuwen, deel I, blz. 218 en 219, deel II, blz. 334 en 335, dr.J.A.Mol, Vechten of verplegen? Ontstaan en begintijd van het huis en de balije Utrecht. In: Crux et Arma. Kruistochten, ridderorden en Duitse Orde, blz. 200 t/m 221, en dr.R.R.Post, Kerkelijke verhoudingen in Nederland vóór de Reformatie van ±1500 tot ±1580, blz. 158, 159 en 352 t/m 354. 264)Jhr.mr.C.C. van Valkenburg, Ridderlijke Duitsche Orde Balije van Utrecht. Verruiming eisen van toelating, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXXVI (1959), blz. 351 en 352. 265)Ileen Montijn, Hoog geboren. 250 jaar adellijk leven in Nederland, Amsterdam/Antwerpen 2012, blz. 303. 266)Mr.A.P. van Schilfgaarde, Register op de leenen van het huis Bergh, blz. 36, en dr.J.C.Kort, Het goederenbezit van de heren van Culemborg in Maurik, 1299-1669, z.p. z.j., nr. 34a. 267)Gelders Archief, Familie Van Tuyll van Bulckestein 1344-1664, nr. 22, en Regionaal Archief Rivierenland, ORA Zaltbommel 1525-1811, Geloftesignaat, nr. 313, folio 206 recto. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 268)Ibidem. Zie ook Vic Hamers, Rob Dix en Zeno Deurvorst, Afstammingsreeksen van de hertogen van Brabant, blz. 29. 269)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Zaltbommel 1525-1811, Geloftesignaat, nr. 313, folio 206 recto, Vic Hamers, Rob Dix en Zeno Deurvorst, Afstammingsreeksen van de hertogen van Brabant, blz. 29, mr.J.C.baron Creutz, met medewerking van mr.Elisabeth C.M.Prins, Familieaanteekeningen van Beest van Renoy en Ingen Housz, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LVI (1938), blz. 155 en 156, en F.M.Eliëns en J.Harenberg, Middeleeuwse kastelen van Gelderland, blz. 118. 270)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 143, en dr.J.C.Kort, Het goederenbezit van de heren van Culemborg in Maurik, nr. 34a. 271)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Zaltbommel 1525-1811, Geloftesignaat, nr. 313, folio 206 recto. 272)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 273)Ibidem. Zie ook Gelders Archief, Nederduits-Gereformeerde Gemeente Rijswijk, Huwelijksproclamaties, 1638-1679, folio 48 verso, Gelders Archief, Nederduits Gereformeerde Gemeente Didam, Trouwinschrijvingen 1637-1664, blz. 114, Regionaal Archief Rivierenland, Oud Rechterlijk Archief van de bank van Deil, 1536-1811, Contentieuse rechtspraak, Civiele procesdossiers, nr. 464, en mr.A.P. van Schilfgaarde, Register op de leenen van het huis Bergh, blz. 18, 19 en 335. 274)Mr.A.P. van Schilfgaarde, Register op de leenen van het huis Bergh, blz. 18, 19 en 335. 275)Vic Hamers, Rob Dix en Zeno Deurvorst, Afstammingsreeksen van de hertogen van Brabant, blz. 29, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 276)Gelders Archief, Nederduitsch-Gereformeerde Gemeente Tiel, Trouwboek 1636-1667, blz. 119, Vic Hamers, Rob Dix en Zeno Deurvorst, Afstammingsreeksen van de hertogen van Brabant, blz. 29, en mr.J.C.baron Creutz, Familieaanteekeningen van Beest van Renoy en Ingen Housz, blz. 154 t/m 156. 277)Regionaal Archief Rivierenland, Oud Rechterlijk Archief Zaltbommel 1525-1811, Dingsignaat 1600-1688, nr. 18 (16701671), geen folionummering. Zie ook mr.Elisabeth C.M.Prins, Van Beest van Renoy, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LVI (1938), blz. 421 en 422. 278)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 12.


214 279)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 280)H.K.Budding, De Prins van Oranje in Kesteren, Tabula Batavorum, jaargang 1 (1968), nr. 5, blz. 4. 281)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4777, folio 93 recto en folio 126 verso. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 8. 282)Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4777, folio 93 recto en folio 126 verso, en nr. 5936. 283)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. Zie ook dr.Ronald Stenvert e.a., Monumenten in Nederland. Gelderland, blz. 213. 284)J.Anspach, Opschriften op grafsteenen in de kerkgebouwen der Nederbetuwe, blz. 62 en 63. Zie voor zijn functie als drost van Ter Lede o.m. Historische en genealogische werkgroep voor de Betuwe en Bommelerwaard, 1995, Inwonerslijsten van 20 plaatsen in de Nederbetuwe 1634-1723, blz. 47. 285)Gelders Archief, Nederduitsch-Gereformeerde Gemeente Nijkerk, Trouwinschrijvingen 1634-1652, blz. 37, jhr.H.H. Roëll, Geldersche Geslachten. Bijdrage tot de genealogie van twee uitgestorven takken van het geslacht Bentinck, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XLIV (1926), blz. 231 en 232. Zie ook mr.A.P. van Schilfgaarde, Register op de leenen van het huis Bergh, blz. 36, Gelders Archief, Heren en graven van Culemborg, nr. 4783, folio 150 verso, Nederland’s Adelsboek, blz. 397, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 12, en nr. 13, blz. 8. 286)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 287)Ibidem. 288)Het Utrechts Archief, Familie des Tombe, nr. 275. 289)Mr.A.P. van Schilfgaarde, Register op de leenen van het huis Bergh, blz. 36. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 9. 290)Ibidem. Zie ook Regionaal Archief Rivierenland, inventarisnr. 1888, Register van de namen van de leden van de stedelijke regering, 1656-1847, folio 6, 8, 10, 12, 13 en 14, Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 311, folio 109 verso, folio 110 recto, folio 120 recto en folio 126 verso, Kalendarium van Tiel, VIa-28, H.P.J.E.Merkelbach, “Oog om oog tand om tand.” Een geval van criminele rechtspraak te Tiel in 1681, De drie steden. Regionaal-historisch tijdschrift voor Tiel, Buren en Culemborg, jaargang 10 (1989), nr. 1, blz. 122 en 124, mr.E.D.Rink, Beschrijving der stad Tiel, blz. 315, en Nederland’s Adelsboek, blz. 397 en 398. 291)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 310, folio 78 recto en verso, Gelders Archief, Gelderse Rekenkamer, Rekeningen van de richters en dijkgraven van Tiel en Zandwijk, nr. 5373 t/m 5386. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 9, en Afstammingsreeks Karel de Grote, blz. 332 en 333. 292)J.A.Heuff Azn., Het ambtmanschap in Neder-Betuwe, Bijdragen en Mededeelingen der Vereeniging Gelre, jaargang III (1900), blz. 134, en drs.P.G.J.Huismans, J.M.M.Meulenaars-vd.Eerden en A.B. van ’t Wel-Nieman, Inventaris van de archieven van het polderdistrict Nederbetuwe en haar rechtvoorgangers (1264) 1509-1981 (1982), Zoetermeer 1995, blz. 18. 293)Dr.A.J.Maris en H.L.Driessen, Het archief van het Hof van Gelre en Zutphen (1543-1795), blz. 328. Zie ook mr.A.P. van Schilfgaarde, Register op de leenen van het huis Bergh, blz. 36, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 9. 294)Gelders Archief, Archief van de Familie Bloemers 1573-1973, nr. 16, mr.A.P. van Schilfgaarde, Register op de leenen van het huis Bergh, blz. 36, en Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 125a, 131 en 134. 295)Dr.A.J.Maris en H.L.Driessen, Het archief van het Hof van Gelre en Zutphen (1543-1795), blz. 328, en het Nederland’s Adelsboek, blz. 397 en 398. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 296)Haags Gemeentearchief, Rechterlijk archief: registers van ondertrouw, 1598-1811, nr. 751, folio 129 recto, Gelders Archief, Nederduits-Gereformeerde Gemeente Rijswijk, Huwelijksproclamaties, 1638-1679, folio 56 recto, Gelders Archief, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel, Ontvangsten wegens overluiden (St.Maartenskerk) 1648-1670, 1683-1691, 16941776, 1785, 1790-1799 (voor het overluiden moest op 14 augustus 1691 48 gulden betaald worden), mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en Peter Ranshuysen, Jhr.Diederik van Brakell tot den Brakell 1647-1695. Burgemeester van Tiel, Biografisch Woordenboek van Tiel. Samengesteld door de Historische Werkgroep Tiel. Redactie: drs.T.J.M.Borm en R. de Jongh, deel 2, Tiel 2004, blz. 21 t/m 23. Zie ook Zeeuws Archief, Familie Van Borssele-van der Hooge (Jhr.A.W. van Borssele) 1255-1902, nr. 53 en 67, R.D.Timmer, Jonker Jan van Borssele en het VOC-schip “Geldermalsen”, Mededelingen van de Historische Kring West-Betuwe, jaargang 14, nr. 2 (augustus 1986), blz. 12 en 13, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 10, en J.Anspach, Opschriften op grafsteenen in de kerkgebouwen der Nederbetuwe, blz. 65. 297)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduitsch-Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1443, Doopboek 1650-1726, folio 54 recto, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 14, en nr. 13, blz. 10. 298)Regionaal Archief Rivierenland, Inventaris van het archief van het Adellijk Stift te Zennewijnen, 1681-1812, Inleiding, F.J.Mijnlieff, Het adellijk Stift van Zennewijnen, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XLV (1927), blz. 259, 261 en 315, en J.A.Heuff Azn., De Neder-Betuwe en haar ridderschap. Schetsen uit het ambtsarchief, Werken uitgegeven door Gelre. Vereeniging tot beoefening van Geldersche geschiedenis, oudheidheidkunde en recht, No. 3, Arnhem 1902, blz. 62. 299)Haags Gemeentearchief, Nederlandse Hervormde gemeente ’s-Gravenhage, Grote of Sint Jacobskerk, Doopboek nr. 6, folio 155 verso, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 14, en nr. 13, blz. 10.


215

300)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduitsch-Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1443, doopboek 1650-1726, folio 61 verso, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 14, en nr. 13, blz. 10. 301)Regionaal Archief Nijmegen, Nederduits Gereformeerde Gemeente Nijmegen, Dopen 1591-1592, 1608-1811, folio 11, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, www.DutchRegiments.org, Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 125a, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 14, en nr. 13, blz. 10. 302)D.J.Noordam, Riskante relaties: vijf eeuwen homosexualiteit in Nederland, 1233-1733, Hilversum 1995, blz. 182. 303)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduitsch-Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1443, doopboek 1650-1726, folio 69 verso, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 14. Zie ook Zeeuws Archief, Familie Van Borssele-van der Hooge, nr. 69. 304)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 13. Zie ook Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer-Duvenvoorde 1226-1996, CCV, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 305)Regionaal Archief Rivierenland, inventarisnr. 1888, Register van de namen van de leden van de stedelijke regering, 1656-1847, folio 16, 18, 20, 24, 25 en 26, Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Schepensignaat van Tiel, 1516-1721, nr. 311, folio 109 verso, Gelders Archief, Gelderse Landdagsrecessen 1581-1798, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 15 april 1711 te Zutphen, nr. 169, Comparanten ter Extra-Landdag op 11 november 1711 te Zutphen, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 6 januari 1712 te Arnhem, nr. 049, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 18 februari 1712 te Arnhem, nr. 128, Comparanten ter Extra-Landdag op 7 juli 1712 te Arnhem, nr. 156, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 30 september 1712 te Arnhem, nr. 186, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 21 december 1712 te Arnhem, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 13 maart 1715 te Arnhem, nr. 088, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 2 mei 1715 te Arnhem, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 29 april 1716 te Nijmegen, nr. 119, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 30 december 1716 te Nijmegen, nr. 015, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 27 januari 1717 te Zutphen, nr. 029, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 5 maart 1717 te Zutphen, nr. 054, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 4 mei 1717 te Zutphen, nr. 082, Comparanten ter ExtraOrdinaris Landdag op 23 juli 1717 te Zutphen, nr. 113, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 6 oktober 1717 te Zutphen, nr. 183, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 30 november 1717 te Arnhem, nr. 001, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 9 februari 1718 te Arnhem, nr. 023, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 23 maart 1718 te Arnhem, nr. 104, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 10 augustus 1718 te Arnhem, nr. 125, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 5 oktober 1718 te Arnhem, nr. 001, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 4 januari 1719 te Nijmegen, nr. 022, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 19 april 1719 te Nijmegen, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 26 maart 1721 te Arnhem, en nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 15 april 1722 te Nijmegen, Gelders Archief, Gelderse Rekenkamer, Rekeningen van de richters en dijkgraven van Tiel en Zandwijk, nr. 5387 t/m 5416. Zie ook Kalendarium van Tiel, VIa-48,VIb-8, VIIa-1, mr.O.Schutte, Het riddermatige geslacht Van Essen, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXXXIV (1967), blz. 97, en mr.E.D.Rink, Beschrijving der stad Tiel, blz. 111, 311 en 315. 306)Gelders Archief, Gelderse Landdagsrecessen 1581-1798, Extra-Ordinaris Landdag te Zutphen op 11 en 12 november 1711, nr. 189 (benoeming Floris Adriaan van Brakell tot den Brakell tot Gecommiteerde in de Admiraliteit van Friesland), Ordinaris Landdag te Zutphen van 19 september t/m 2 oktober 1714, nr. 146 (benoeming Floris Adriaan van Brakell tot den Brakell tot Gecommiteerde in de Admiraliteit van het Noorderkwartier), Extra-Ordinaris Landdag van 30 december 1716 t/m 6 januari 1717 te Nijmegen, nr. 124 (benoeming van Floris Adriaan van Brakell tot den Brakell tot Gecommiteerde in het College ter Admiraliteit op de Maze). 307)Gelders Archief, Gelderse Landdagsrecessen 1581-1798, Extra-Ordinaris Landdag van 30 december 1716 t/m 6 januari 1717 te Nijmegen, nr. 124, Bovengewestelijke benoemingen, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 308)Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer van Duvenvoorde 1226-1996, nr. 2034, Ridderlijke Duitsche Orde-Balije van Utrecht, inventarisnr. NA.131.0.147, en Nederlandsche Jaerboeken, Twaelfde Deels Tweede Stuk, Amsterdam 1758, blz. 608 en 609. 309)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 125a. 310)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1443, Doopboek 1650-1726, folio 58 recto, Nederland’s Adelsboek, blz. 398. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 311)M.G.Wildeman, Doodsberichten 1697-1743, blz. 216 en 217. 312)Gelders Archief, Nederduits Gereformeerde Gemeente Buren, Trouwinschrijvingen 1669-1765, blz. 190, Regionaal Archief Rivierenland, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1450, Trouwboek 1705-1738, folio 29, en Regionaal Archief Rivierenland, Oud Rechterlijk Archief Graafschap Buren, Het Schoutambt van Buurmalsen en Tricht 1634-1806, Civiele procesdossiers, 1744, nr. 15. Zie ook Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 7, dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Buren, nr. 104, Nationaal Archief, Archief van de familie Van Wassenaer Van Duvenvoorde 1226-1996, CCV, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 14, en nr. 13, blz. 13, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 313)Nederland’s Adelsboek, blz. 398. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 14, en jhr.C.P.L. van Kinschot, Eenige aanteekeningen uit het kerkarchief te Tiel, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXX (1912), blz. 79. 314)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 125a. 315)W.A.Bachiene, Beschryving der Vereenigde Nederlanden. Eerste Deel, blz. 318 en 319.


216

316)J.Craandijk en P.A.Schipperus, Wandelingen door Nederland, Haarlem 1884. In: Mededelingen van de Historische Kring West-Betuwe, jaargang 18 (1990), nr. 2, blz. 12, Jorien Jas e.a. (red.), Kastelen in Gelderland, blz. 199, en Adriaan P. de Kleuver, De Neder-Betuwe, blz. 524 t/m 526. 317)Regionaal Archief Tilburg, Notariële archieven Oisterwijk, 1594-1912, inventarisnr. 79, protocol van notaris Johan Jacob Althoffer, 1726-1761, nr. 132, folio 305, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 318)Ibidem. Zie ook www.DutchRegiments.org, Gelders Archief, Gelderse Landdagsrecessen 1581-1798, Ordinaris Landdag op 10 oktober 1715 te Arnhem, nr. 136 (Jacob van Brakell ontvangt van het Kwartier van Nijmegen het traktement van luitenant-kolonel), Ordinaris Landdag op 10 oktober 1737 te Nijmegen, nr. 086 (benoeming Jacob van Brakell tot kolonel-commandant over het regiment van de prins van Oranje, tot kolonel over het regiment ten dienste van deze staat en ter repartitie van deze provincie), Zeeuws Archief, Archief Staten van Zeeland en Gecommiteerde Raden (1574) 1578-1795 (1799), nr. 1673, folio 290 recto, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 26 t/m 36, en dr.H.L.Zwitzer, “De militie van den staat”, blz. 228 (kolonel Jacob van Brakell). 319)Haags Gemeentearchief, Nederlandse Hervormde gemeente ’s-Gravenhage, Grote of Sint Jacobskerk, Doopboek nr. 6, folio 212 recto, en Nederland’s Adelsboek, blz. 401. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 14, en nr. 13, blz. 14, en jhr.C.Ph.L. van Kinschot, Eenige aanteekeningen uit het kerkarchief te Tiel, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXXI (1913), blz. 329. 320)Regionaal Archief Rivierenland, Hervormde gemeente Geldermalsen, inventarisnr. 4, ‘Kerkboek’ tot Geldermalsen, alsmede 'Arme Goederen’; ‘getrouwde en gestorvenen’ 1719-1772, folio 3, Gelders Archief, Gelderse Landdagsrecessen 15811798, nr. 010, Ordinaris Landdag op 20 april 1725 te Nijmegen (huwelijksdispensatie ‘Jacob van Braeckel en Catharina van Borsselen’), en Nederland’s Adelsboek, blz. 401. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 14, nr. 13, blz. 14, en nr. 37. N.B. Maria Catharina was tot aan haar huwelijk stiftsfreule in Zennewijnen. Zie Regionaal Archief Rivierenland, Inventaris van het archief van het Adellijk Stift te Zennewijnen, 1681-1812, Inleiding. 321)Nederland’s Adelsboek, blz. 401. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 14. 322)A.J. van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden, deel 2-2, blz. 1167 en 1168. 323)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 15, nr. 13, blz. 14 t/m 16, en nr. 41 t/m 51. 324)Ibidem. 325)Ibidem, en Regionaal Archief Rivierenland, Inventaris van het archief van het Adellijk Stift te Zennewijnen, 1681-1812, Inleiding, F.J.Mijnlieff, Het adellijk Stift van Zennewijnen, De Nederlandsche Leeuw, jaargang 45 (1927), blz. 316. 326)Zie noot nr. 323, Haags Gemeentearchief, Rechterlijk archief: registers van ondertrouw, 1598-1811, nr. 767, folio 174 recto, Haags Gemeentearchief, Registers van ontvangen impost op het begraven 1 e – 4e klasse, met vermelding van ontvangen leges, 1696-1805, nr. 26, folio 141 verso en folio 177 verso, Noord-Hollands Archief, Familie Van Styrum te Haarlem 1570-1986, akte nr. 399, www. DutchRegiments. org, dr.H.L.Zwitzer, “De militie van den staat”, blz. 209 en 228, en Zeeuws Archief, Archief Staten van Zeeland en Gecommiteerde Raden, nr. 1673, folio 186 recto, folio 224 verso, en folio 233 verso, en nr. 1674, folio 3 recto en 34 recto en verso. 327) Nederlandsche Jaerboeken, inhoudende een verhael van de merkwaerdigste geschiedenissen, die dagelijks voorvallen binnen den omtrek der Vereenigde Provintiën; voor het jaer 1750, Zevende Stukje, Amsterdam 1750, blz. 1356. 328)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 15, nr. 13, blz. 15 en nr. 53. 329)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 15, en nr. 13, blz. 15. 330)Zeeuws Archief, Archief Staten van Zeeland en Gecommiteerde Raden, nr. 1673, folio 165 recto, Genealogische Bronnen Middelburg, 1574-1810, naamwijzer 1783, blz. 90 en 100, Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Schepenbank Bladel, Reusel en Netersel 1691-1810, nr. 49, folio 231 recto, en nr. 51, folio 29 verso, De maandelykse Nederlandsche Mercurius. Sesde deel. Agt stukken. Van January tot Juny 1759, Voor de maand Juny 1759, Amsterdam 1759, blz. 228, Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht (1560-1811), U0269c010, nr. 101, en dr.A.J.C.M.Gabriëls, De heren als dienaren en de dienaar als heer. Het stadhouderlijk stelsel in de tweede helft van de achttiende eeuw, ’s-Gravenhage 1990, blz. 326, 381, 419, 430 t/m 432, 464 en 469. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 15, nr. 13, blz. 15, en nr. 55. 331)Zie noot nr. 323. Haags Gemeentearchief, Registers van ontvangen impost op het begraven 1 e - 4e klasse, met vermelding van ontvangen leges, 1696-1805, nr. 25, folio 186 verso. 332)Regionaal Archief Tilburg, Notariële archieven Oisterwijk, 1594-1912, inventarisnr. 79, protocol van notaris Johan Jacob Althoffer, 1726-1761, nr. 131, folio 301, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 14 en nr. 13, blz. 10. 333)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 334)Brabants Historisch Informatie Centrum, Collectie Rijksarchief, 1574-1817, nr. 5, Raad van State, resoluties en staten van oorlog, 1584-1795, inventarisnr. 278, Resoluties Raad van State, met index, 1712 september-december, 52 Index letter B, Brabants Historisch Informatie Centrum, Generaliteitsrekenkamer, 1621-1794, Rekening rentmeester geestelijke goederen Markiezaat van Bergen op Zoom, 1648-1794, Rekening rentmeester C.P. van Brakel, nr. 4111 t/m 4121, en Afstammingsreeks Karel de Grote, blz. 333. 335)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 336)Ibidem. Regionaal Archief Rivierenland, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1450, Trouwboek 1705-1738, folio 13. Zie ook J.Anspach, Het Hof van Arkel, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XVIII (1900), blz. 169, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 14, en nr. 13, blz. 10. 337)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 100. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 14, en nr. 13, blz. 10. 338)Ibidem. Gelders Archief, Nederduits Gereformeerde Gemeente Echteld, Doopboek 1667-1696, folio 36, nr. 246. Zie ook Dirck Reinder van Basenn, Boeck des Levens ende des doots, vervattende de geboortens, als oock het affsterven van de naes-


217

te bloet-verwanten. In: Familieaanteekeningen van Basenn, Roper en van Balveren, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XLV (1927), blz. 271 en 272. 339)Gelders Archief, Leenkamer van Gelre en Zutphen, Register op de leenprotocollen, Kwartier van Nijmegen, nr. 144 § 6. 340)J.Anspach, Het Hof van Arkel, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XVIII (1900), blz. 168 en 169, Jorien Jas e.a. (red.), Kastelen in Gelderland, blz. 449, en E.D.Rinck, Beschrijving der stad Tiel, blz. 202 t/m 205. 341)Regionaal Archief Tilburg, Notariële archieven Oisterwijk, 1594-1912, inventarisnr. 79, protocol van notaris Johan Jacob Althoffer, 1726-1761, nr. 131, folio 301, en Afstammingsreeks Karel de Grote, blz. 333. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15 en 100, en J.Anspach, Het Hof van Arkel, blz. 169. 342)Zeeuws Archief, Familie Van Borssele-van der Hooge, nr. 189/3 en 189/7, Gelders Archief, Familie Van Brakell 14321903, nr. 8, blz. 15, en nr. 13, blz. 10, Nederland’s Adelsboek, blz. 287, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 343)Gelders Archief, Nederduitsch-Gereformeerde Gemeente Zaltbommel, Trouwboek 1720-1735 en 1741-1743, blz. 32, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15 en 100. Zie ook Zeeuws Archief, Familie Van Borssele-van der Hooge, nr. 189/3, Afstammingsreeks Karel de Grote, blz. 333, mr.W.W. van Valkenburg, De nakomelingen van Mr.Jacob Cats, blz. 415, R.D.Timmer, Jonker Jan van Borssele en het VOC-schip “Geldermalsen”, blz. 14 en 15, J.Anspach, Het Hof van Arkel, blz. 169, mr.dr.J.C.Mare van Sandelingenambacht, Kwartieren Haitsma Mulier-Labouchere, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXXI (1954), blz. 161, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 15, en nr. 13, blz. 10. 344)Nederland’s Adelsboek, blz. 287. 345)R.D.Timmer, Jonker Jan van Borssele en het VOC-schip “Geldermalsen”, blz. 14 en 15. 346)Nederland’s Adelsboek, blz. 398. Zie ook dr.J.C.Kort, Repertorium op de lenen van de hofstede Buren, nr. 104, en mr. W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 347)Gelders Archief, Gelderse Rekenkamer, Rekeningen van de richters en dijkgraven van Tiel en Zandwijk, nr. 5426 t/m 5453, Gelders Archief, Gelderse Landdagsrecessen 1581-1798, nr. 048, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 13 oktober 1734 te Nijmegen, nr. 048 (benoeming Diederik Louis van Brakell tot den Brakell tot Gecommiteerde ter Generaliteit), nr. 060, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 12 oktober 1735 te Zutphen; zie ook nr. 077, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 11 april 1736 te Arnhem, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 8 mei 1737 te Nijmegen, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 23 april 1738 te Zutphen, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 22 april 1739 te Arnhem, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 27 april 1740 te Nijmegen, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 12 april 1741 te Zutphen, nr. 061, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 21 juni 1741 te Zutphen, nr. 079, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 6 september 1741 te Zutphen, nr. 142, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 20 december 1741 te Zutphen, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 11 april 1742 te Arnhem, nr. 052, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 8 augustus 1742 te Arnhem, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 27 maart 1743 te Nijmegen, nr. 046, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 1 augustus 1743 te Nijmegen, Extra-Ordinaris Landdag op 16 september 1744 te Zutphen, nr. 095 (benoeming Diederik Louis van Brakell tot den Brakell tot Gecommiteerde ter Generaliteit), nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 20 april 1746 te Nijmegen, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 22 maart 1747 te Zutphen, nr. 087, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 11 mei 1747 te Zutphen, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 10 januari 1748 te Arnhem, nr. 050, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 10 juli 1748 te Arnhem, nr. 153, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 7 november 1748 te Arnhem, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 31 maart 1751 te Arnhem, nr. 066, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 2 juli 1751 te Arnhem, nr. 083, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 30 juli 1751 te Arnhem, nr. 095, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 13 augustus 1751 te Arnhem, nr. 101, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 24 augustus 1751 te Arnhem, nr. 135, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 20 oktober 1751 te Arnhem, nr. 162, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 2 november 1751 te Arnhem, nr. 001, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 20 maart 1752 te Nijmegen, nr. 012, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 9 mei 1752 te Nijmegen, nr. 078, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 7 september 1752 te Nijmegen, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 4 april 1753 te Zutphen, nr. 085, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 16 augustus 1753 te Zutphen, nr. 163, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 15 november 1753 te Zutphen, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 3 april 1754 te Arnhem, nr. 072, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 11 juni 1754 te Arnhem, nr. 001, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 12 februari 1755 te Nijmegen, nr. 022, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 24 april 1755 te Nijmegen, nr. 094, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 7 augustus 1755 te Nijmegen, nr. 115, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 30 september 1755 te Nijmegen, nr. 183, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 27 november 1755 te Nijmegen, nr. 001, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 22 januari 1756 te Zutphen, nr. 021, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 3 maart 1756 te Zutphen, nr. 044, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 7 april 1756 te Zutphen, nr. 113, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 13 mei 1756 te Zutphen, nr. 001, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 5 januari 1757 te Arnhem, nr. 030, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 27 april 1757 te Arnhem, nr. 074, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 5 juli 1757 te Arnhem, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 19 april 1758 te Nijmegen, nr. 001, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 25 januari 1759 te Zutphen, nr. 049, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 2 mei 1759 te Zutphen, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 30 april 1760 te Arnhem, drs.P.G.J.Huismans e.a., Inventaris van de archieven van het polderdistrict Nederbetuwe en haar rechtvoorgangers (1264) 1509-1981 (1982), blz. 18, en Gelders Archief, Staten van het Kwartier van Nijmegen en hun gedeputeerden, nr. 594. Zie ook Nederland’s Adelsboek, blz. 398 en 399, mr.E.D.Rink, Beschrijving der stad Tiel, blz. 311, Nederlandsche Jaerboeken, Twaelfde Deels Tweede Stuk, blz. 610 en 611, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 348)Gelders Archief, Nederduits Gereformeerde Gemeente te Ravenswaaij, Kerkboek 1710-1807, Doopinschrijvingen 17101733, blz. 14, Nederland’s Adelsboek, blz. 398 en 399. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap


218

van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en jhr.C.Ph.L. van Kinschot, Eenige aanteekeningen uit het kerkarchief te Tiel, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXXI (1913), blz. 71. 349)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1451, Trouwboek 1738-1768, folio 6, Regionaal Archief Rivierenland, Collectie handschriften Stadsarchief Tiel 1350-heden, nr. 54, en Nederland’s Adelsboek, blz. 399. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 15, en nr. 13, blz. 17. 350)F.J.Mijnlieff, Het ambtmanshuis te Tiel en zijn bewoners, z.p. z.j., blz. 16. 351)Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Burgerlijke Stand: doop-, trouw- en begraafboeken van Amsterdam, nr. 301, blz. 339 (folio 170 recto), nr. 2. Zie ook Nederland’s Adelsboek, blz. 399, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 352)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1451, Trouwboek 1738-1768, folio 138, Regionaal Archief Rivierenland, Collectie handschriften Stadsarchief Tiel 1350-heden, nr. 54, Nederland’s Adelsboek, blz. 399, M.J. van Lennep, Schetsen der economische ontwikkeling van Tiel gedurende de zeventiende en achttiende eeuw, Bijdragen en Mededelingen Gelre, jaargang LXIX (1976/77), blz. 181, en J.Anspach, De Navorscher, jaargang 38 (1888), blz. 277. Zie ook F.J.Mijnlieff, Het ambtmanshuis te Tiel en zijn bewoners, blz. 20 en 21. 353)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduitsch-Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1444, Doopboek 1726-1759, folio 157, Regionaal Archief Rivierenland, Collectie handschriften Stadsarchief Tiel 1350-heden, nr. 54, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 16, en nr. 13, blz. 18. Zie ook jhr.C.Ph.L van Kinschot, Eenige aanteekeningen uit het kerkarchief te Tiel, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXX (1912), blz. 211, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 354)Gelders Archief, Burgerlijke Stand Druten, overlijdensakte nr. 39 (1829), en Gelders Archief, Familie Van Brakell 14321903, nr. 8, blz. 16, en nr. 13, blz. 18. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 355)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1451, Trouwboek 1738-1768, folio 117, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 16, en nr. 13, blz. 18. Zie ook Regionaal Archief Rivierenland, Collectie handschriften Stadsarchief Tiel 1350-heden, nr. 54, Regionaal Archief Tilburg, Notariële archieven Oisterwijk, 1594-1912, inventarisnr. 86, protocol van notaris Jacobus Althoffer, 1756-1763, nr. 146, folio 381, www.Dutch Regiments.org, mr.W.W. van Valkenburg, De nakomelingen van Mr.Jacob Cats, blz. 416, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en F.Kragt Hz, Van Faneveld genaamd van Achteveld, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXXIV (1957), blz. 119. 356)Gelders Archief, Nederduits-Gereformeerde Gemeente (Gemeente Druten-Afferden en Deest), Doopinschrijvingen Druten 1706-1771, blz. 227, Streekarchief Voorne-Putten & Rozenburg, Notariële akten, Brielle, Leendert Plooster, inventarisnr. 1353, akte nr. 83, dr.Th.R.Valck Lucassen, Van Delen-van den Kerkhoff, De Nederlandsche Leeuw, jaargang L (1932), blz. 25 en 26. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 16, en nr. 13, blz. 18, en mr.W.J. baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 357)Mr.W.W. van Valkenburg, De nakomelingen van Mr.Jacob Cats, blz. 416. 358)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 60, ‘Journaal begonnen 1806’ (gehouden op het kasteel te Druten. 1 januari 1806 tot december 30 1819). 359)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1444, Doopboek 1726-1759, folio 189, Regionaal Archief Rivierenland, Collectie handschriften Stadsarchief Tiel 1350-heden, nr. 54, en jhr.C.P.L van Kinschot, Eenige aanteekeningen uit het kerkarchief te Tiel, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXX (1912), blz. 78. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 16, en nr. 13, blz. 18, en mr.W.J. baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 360)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1444, Doopboek 1726-1759, folio 213, Regionaal Archief Rivierenland, Collectie handschriften Stadsarchief Tiel 1350-heden, nr. 54, en mr. W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 16, en nr. 13, blz. 19. 361)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Criminele processtukken, bijlagen tot het signaat, 1644-1811, nr. 12 (1761), losse bijlage zonder folionummering. 362)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Criminele processtukken, bijlagen tot het signaat, 1644-1811, nr. 12 (1761), losse bijlage zonder folionummering. 363)Regionaal Archief Rivierenland, ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Criminele processtukken, bijlagen tot het signaat, 1644-1811, nr. 12 (1761), folio 104 verso en folio 107 recto, en Regionaal Archief Rivierenland, Collectie handschriften Stadsarchief Tiel 1350-heden, nr. 464. 364)F.J.Mijnlieff, Het ambtmanshuis te Tiel en zijn bewoners, blz. 20. Voor een volledig overzicht van het proces, wat eraan voorafging en daarna gebeurde, zie Mijnlieff, de pagina’s 17 t/m 21, Regionaal Archief Rivierenland (Tiel), ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Signaat van criminele zaken der stad Tiel, 1643-1811, nr. 2 (1725-1787) en ORA Tiel en Zandwijk 1431-1811, Kondschappen, attestatiën, examens en informatiën, 1637-1810, nr. 33 (1760-1765). 365)Gelders Archief, Staten van het Kwartier van Nijmegen en hun Gedeputeerden, nr. 594. 366)J. de Rek, Prinsen, Patriciërs en Patriotten, blz. 507. 367)J.A.Heuff Azn., Reeckeningh van verteeringh gedaen door die H.W.Geb. Heeren Amptman en Ridderschap des Ampts Neder-Betuwe ten huijsen van Nicolaas Crauwel binnen Thiel, Bijdragen en Mededeelingen der Vereeniging Gelre, jaargang VII (1904), blz. 384 en 389 t/m 391. 368)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. Zie ook Nederland’s Adelsboek, blz. 401, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 14 en 15, en nr. 13, blz. 15. 369)Streekarchief Voorne-Putten & Rozenburg, Notariële akten, Brielle, Jacob Kluit Jzn., inventarisnr. 1191, akte nr. 34, Gelders Archief, Gelderse Landdagsrecessen 1581-1798, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 19 april 1758 te Nijmegen, nr. 001, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 25 januari 1759 te Nijmegen, nr. 049, Comparanten ter Or-


219

dinaris Landdag op 2 mei 1759 te Zutphen, Ordinaris Landdag van 10 t/m 26 oktober 1759 te Zutphen, nr. 187 (benoeming Jacob Derk van Brakell tot Gecommiteerde ter Generaliteit), nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 30 april 1760 te Arnhem, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 8 april 1761 te Nijmegen, nr. 001, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 16 september 1761 te Nijmegen, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 21 april 1762 te Zutphen, nr. 095, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 4 augustus 1762 te Zutphen, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 20 april 1763 te Arnhem, nr. 086, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 1 juli 1763 te Arnhem, nr. 106, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 12 oktober 1763 te Arnhem, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 11 april 1764 te Nijmegen, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 24 april 1765 te Zutphen, nr. 086, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 23 oktober 1765 te Zutphen, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 23 april 1766 te Arnhem, Ordinaris Landdag op 13 november 1766 te Arnhem, nr. 130 (benoeming van Jacob Derk van Brakell tot richter van Tiel als opvolger van Diederik Louis van Brakell tot den Brakell), nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 22 april 1767 te Nijmegen, nr. 084, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 7 juli 1767 te Nijmegen, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 20 april 1768 te Zutphen, nr. 093, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 7 september 1768 te Zutphen, nr. 001, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 12 januari 1769 te Arnhem, nr. 017, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 19 april 1769 te Arnhem, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 25 april 1770 te Nijmegen, nr. 069, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 23 mei 1770 te Nijmegen, nr. 083, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 1 augustus 1770 te Nijmegen, nr. 002, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 17 april 1771 te Zutphen, nr. 139, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 19 november 1771 te Zutphen, nr. 002, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 22 april 1772 Arnhem, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 21 april 1773 te Nijmegen, nr. 002, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 20 april 1774 te Zutphen, nr. 001, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 15 februari 1775 te Arnhem, nr. 024, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 19 april 1775 te Arnhem, nr. 122, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 13 december 1775 te Arnhem, nr. 002, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 17 april 1776 te Nijmegen, nr. 002, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 16 april 1777 te Zutphen, nr. 071, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 9 juli 1777 te Zutphen, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 8 april 1778 te Arnhem, nr. 002, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 17 februari 1779 te Nijmegen, nr. 021, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 21 april 1779 te Nijmegen, nr. 044 (benoeming Jacob Derk van Brakell tot Gecommiteerde in de Admiraliteit van Friesland), nr. 079, Comparanten ter Extra-Ordinaris Landdag op 14 juli 1779 te Nijmegen, nr. 142, Ordinaris Landdag van 10 t/m 20 november 1779 te Nijmegen, nr. 142, nr. 001, Comparanten ter Ordinaris Landdag op 5 april 1780 te Zutphen, en nr. 134, Comparanten ter ExtraOrdinaris Landdag op 28 december 1780 te Zutphen, Gelders Archief, Gelderse Rekenkamer, Rekeningen van de richters en dijkgraven van Tiel en Zandwijk, nr. 5457 t/m 5482, en drs. P.G.J.Huismans e.a., Inventaris van de archieven van het polderdistrict Nederbetuwe en haar rechtvoorgangers, blz. 18. Zie ook J.A.Heuff Azn, Het ambtmanschap in Neder-Betuwe, blz. 139 en 149, Kalendarium van Tiel, VIIb-49, J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 367, Nederland’s Adelsboek, blz. 402, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, mr.E.D.Rink, Beschrijving der stad Tiel, blz. 311, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 56 t/m 58. 370)Zeeuws Archief, Familie Van Borssele-van der Hooge, nr. 117, Gelders Archief, Gelderse Landdagsrecessen 1581-1798, Extra-Ordinaris Landdag op 6 augustus 1762 te Zutphen, nr. 108, Ordinaris Landdag op 27 oktober 1762 te Zutphen, nr. 144 en 145, en E.C. van Kraaikamp, Een schepenverkiezing in Tiel, Tabula Batavorum, jaargang 9 (1991), nr. 2, blz. 50 en 51. Voor een uitgebreid verslag van deze affaire zie Nederlandsche Jaerboeken, Zestiende Deels Tweede Stuk, Amsterdam 1762, blz. 845 t/m 848. 371)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1455, Begraafboek 1771-1807, folio 36, jhr.C.Ph.L van Kinschot, Eenige aanteekeningen uit het kerkarchief te Tiel, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXXII (1914), blz 116 en 118 (op 22 augustus 1792 werd 20 gulden in rekening gebracht ‘voor het vervoeren van het lijk van wijlen de heer Rigter van Braakel na Geldermalsen’), en Nederland’s Adelsboek, blz. 402. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 15, en nr. 13, blz. 15. 372)Regionaal Archief Nijmegen, Nederduits Gereformeerde Gemeente Nijmegen, (Onder)trouwen 1592-1810, folio 463 recto, Regionaal Archief Rivierenland, Collectie handschriften Stadsarchief Tiel 1350-heden, nr. 54, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 64, Nederland’s Adelsboek, blz. 402, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 15, en nr. 13, blz. 15. 373)Regionaal Archief Rivierenland, Collectie handschriften Stadsarchief Tiel 1350-heden, nr. 54, Gelders Archief, Burgerlijke Stand Tiel, overlijdensakte nr. 112 (1819), mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 64, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 15, en nr. 13, blz. 15. 374)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel. Doopboek 1759-1790, folio 137, Regionaal Archief Rivierenland, inventarisnr. 1465, Trouwboeken van de huwelijkscommissarissen 1796-1799, folio 191, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 16, en nr. 13, blz. 16, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. De in de laatste twee bronnen genoemde overlijdensdatum is niet te vinden in het Regionaal Archief Nijmegen, Nederduits Gereformeerde Gemeente Nijmegen, Overlijden/overluiden/ begraven (voor alle gezindten) 1722-1810. Wel wordt op blz. 52 vermeld dat ‘baron van Brakel’ een bedrag van 40 gulden moest betalen ‘wegens het vervoere van een lijck buijten stadt en schependom na elders voor kerke gereghtigh’. 375)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1445, Doopboek 1759-1790, folio 157, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 16, en nr. 13, blz. 16, en mr.W.J. baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 376)Gelders Archief, Nederduits-Gereformeerde Gemeente Rijswijk. Doopboek 1768, 1770, 1772-1811, blz. 17, Regionaal Archief Nijmegen, Nederduits Gereformeerde Gemeente Nijmegen, (Onder)trouwen 1592-1810, blz. 282, Gelders Archief, Burgerlijke Stand Arnhem, overlijdensakte nr. 20 (1853), Gelders Archief, Familie Van Brakell, nr. 8, blz. 16, en nr. 13, blz. 6, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 377)Jorien Jas, e.a. (red.), Kastelen in Gelderland, blz. 198, en Adriaan P. de Kleuver, De Neder-Betuwe, blz. 548.


220 378)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 16, en nr. 13, blz. 16, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. Zie ook Nederland’s Adelsboek, blz. 402 en 412 t/m 414, en D. van Duyn, De nakomelingen van Johan van Oldenbarnevelt, De Nederlandsche Leeuw, jaargang LXXXV (1968), blz. 405. 379)Ibidem. 380)Ibidem, Gelders Archief, Nederduits-Gereformeerde Gemeente Rijswijk, Doopboek 1768, 1770, 1772-1811, blz. 23, en Centraal Bureau voor Genealogie, Burgerlijke Stand Den Haag, overlijdensakte nr. 726 (1822). 381)Haags Gemeentearchief, Burgerlijke Stand Den Haag, huwelijksakte nr. 126a (1814), mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 7. Zie ook Nederland’s Adelsboek, blz. 414, en D. van Duyn, De nakomelingen van Johan van Oldenbarnevelt, blz. 405. Zie voor kasteel Ooy J.C.Bierens de Haan en J.R.Jas, Geldersche Kasteelen. Tot defensie en eene plaissante wooninge, blz. 23, 45 en 166. 382)Regionaal Archief Nijmegen, Nederduits Gereformeerde Gemeente Nijmegen, Dopen 1591-1592, 1608-1811, folio 147, Het Utrechts Archief, Burgerlijke Stand Langbroek, overlijdensakte nr. 21 (1859) en Nederland’s Adelsboek, blz. 414. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en D. van Duyn, De nakomelingen van Johan van Oldenbarnevelt, blz. 405. 383)Haags Gemeentearchief, Burgerlijke Stand Den Haag, geboorteakte nr. 1452 (1818), en overlijdensakte nr. 1310 (1818), Nederland’s Adelsboek, blz. 414, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 16, M.M.A. van Veen (red.) en H.H.C.Vergouwen met bijdrage van P.B. van der Roest, Graven in de Grote- of Sint Jacobskerk, Gemeente Den Haag, Den Haag 2009; voor de bijlagen zie www.grotekerkdenhaag.nl, Archeologisch rapport ‘Graven in de Grote of Sint Jacobskerk’, nr. 18a, en D. van Duyn, De nakomelingen van Johan van Oldenbarnevelt, blz. 406. 384)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 16 en 17. 385)Isaak Tirion, Hedendaagsche historie, of tegenwoordige staat van alle volkeren, XIIIe deel, Amsterdam 1741, blz. 192 en 193. Zie ook Coen O.A.Schimmelpenninck van der Oije e.a. (red.), Adel en ridderschap in Gelderland, blz. 78 t/m 89. 386)F.H.A.Sabron, De oorlog van 1794-95 op het grondgebied van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, 2 e Gedeelte, Breda 1893, bijlage II. 387)F.H.A.Sabron, De oorlog van 1794-95 op het grondgebied van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, 2 e Gedeelte, blz. 107. 388)Drs.J.Buisman, Bar en boos. Zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen, blz. 187. 389)J. de Rek, Koningen, Kabinetten en Klompenvolk, Baarn 1975, blz. 155 en 156. 390)Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra, ‘Voor de troon wordt men niet ongestraft geboren’. Ooggetuigen van de koningen van Nederland, 1813-1890, Amsterdam 2008, blz. 52. 391)Philip Dröge, Het Oranjekapitaal. Een onderzoek naar het vermogen van de invloedrijkste familie van Nederland, Amsterdam 2004, blz. 20, en J.G.Kikkert, De misstappen van een koning. Willem II 1792-1849, Soesterberg 2002, blz. 108. ‘Bij zijn dood schatten zijn vijanden het (vermogen) op niet minder dan 200 miljoen’, aldus Jan en Annie Romein in Erflaters van onze beschaving. Nederlandse gestalten uit zes eeuwen, Amsterdam 1959, blz. 643. 392)J.G.Kikkert, De misstappen van een koning, blz. 208. 393)Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra, ‘Voor de troon wordt men niet ongestraft geboren’, blz. 99 en 120. Zie ook J.G.Kikkert, De misstappen van een koning, blz. 94. 394)Philip Dröge, Het Oranjekapitaal, blz. 51. Zie ook J.G.Kikkert, De misstappen van een koning, blz. 74. 395)Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra, ‘Voor de troon wordt men niet ongestraft geboren’, blz. 213 en 232. 396)Jeroen van Zanten, Koning Willem II 1792-1849, Amsterdam 2013, blz. 552 t/m 554. 397)Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra, ‘Voor de troon wordt men niet ongestraft geboren’, blz. 235. 398)Hella S.Haasse en prof.S.W.Jackman, Een vreemdelinge in Den Haag. Uit de brieven van Koningin Sophie der Nederlanden aan Lady Malet, Amsterdam 1985, blz. 51, en J.G.Kikkert, De misstappen van een koning, blz. 71. 399)Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra, ‘Voor de troon wordt men niet ongestraft geboren’, blz. 249, 250 en 270 t/m 272. 400)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 15 en 16, en nr. 13, blz. 18, Nederland’s Adelsboek, blz. 399. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 401)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 16, en nr. 13, blz. 19. Zie ook Streekarchief Voorne-Putten en Rozenburg, Notariële akten, Brielle, Leendert Plooster, inventarisnr. 1353, akte nr. 83, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 402)Nederland’s Adelsboek, blz. 399, Nieuwe Nederlandsche Jaerboeken, Negende Deel, Amsterdam 1774, blz. 391 t/m 400, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 19, en drs.P.G.J.Huismans e.a., Inventaris van de archieven van het polderdistrict Nederbetuwe en haar rechtvoorgangers, blz. 18. 403)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1444, Doopboek 1726-1759, folio 202, Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Burgerlijke Stand Budel, overlijdensakte nr. 27 (1822), Regionaal Archief Rivierenland, Collectie handschriften Stadsarchief Tiel 1350-heden, nr. 54, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 19, en Nederland’s Adelsboek, blz. 399. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 404)Gelders Archief, Nederduitsch-Gereformeerde Gemeente Tiel, Trouwboek 1759-1790, folio 162, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 16, Nederland’s Adelsboek, blz. 399, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 405)Regionaal Archief Nijmegen, Nederduits Gereformeerde Gemeente Nijmegen, Dopen 1591-1592, 1608-1811, folio 373, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 16, en nr. 13, blz. 19, en Nederland’s Adelsboek, blz. 399. 406)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 16 en 17, nr. 13, blz. 19, en nr. 70, en Nederland’s Adelsboek, blz. 399. 407)Nederland’s Adelsboek, blz. 399.


221

408)O.Schutte, Les titres du Premier Empire Français en relation avec les Pays-Bas, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XCVII (1980), blz. 348. Zie ook Nederland’s Adelsboek, blz. 399. 409)Gelders Archief, Nederduitsch-Gereformeerde Gemeente Ravenswaay, Doopboek 1772-1811, blz. 2, Gelders Archief, Burgerlijke Stand Maurik, overlijdensakte nr. 44 (1836), en Nederland’s Adelsboek, blz. 399. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 17, nr. 13, blz. 19, en nr. 71. 410)Aart Vos, Opsluiting van lastige mensen in het verbeterhuis van Rippens, Bossche Bladen, 1998, nr. 1, blz. 16. 411)Nederland’s Adelsboek, blz. 402. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 412)Ibidem. Zie ook C.E.G. ten Houte de Lange, en V.A.M. van der Burg, Heerlijkheden in Nederland, blz. 77. 413)O.Schutte, Les titres du Premier Empire Français en relation avec les Pays-Bas, blz. 341. Zie ook Nederland’s Adelsboek, blz. 402. 414)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1445, Doopboek 1759-1790, folio 146, Nederland’s Adelsboek, blz. 402. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 15 en 16, nr. 13, blz. 16, en nr. 67, en Gelders Archief, Burgerlijke Stand Geldermalsen, overlijdensakte nr. 33a (1814). 415)Haags Gemeentearchief, Rechterlijk archief: registers van ondertrouw, 1598-1811, nr. 771, folio 53 verso. Zie ook Regionaal Archief Nijmegen, Nederduits Gereformeerde Gemeente Nijmegen, (Onder)trouwen 1592-1810, folio 282, Nederland’s Adelsboek, blz. 402, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 16, en nr. 64, en jhr.H.H.Roëll, Bijdragen tot de genealogie van Schuylenburch, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXIV (1906), blz. 162 en 163. 416)E.Gewin, Uit de kerkelijke registers van Geldermalsen en Meteren, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXI (1903), blz. 90. Zie ook Nederland’s Adelsboek, blz. 402, Gelders Archief, Burgerlijke Stand Maurik, overlijdensakte nr. 19 (1826), en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 69, 80 t/m 82, en nr. 13, blz. 19 en 21. 417)Regionaal Archief Rivierenland, C.Onclin, Historische en genealogische werkgroep voor de Betuwe en Bommelerwaard, 1994, Dijkcedullen van Geldermalsen 1680-1820, blz. 40 en 46. 418)Mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 419)S.E.M. van Doornmalen m.m.v. P.Verwoert, Lienden, een Betuwse gemeente 1811-1998. Leven op en van de klei, Lienden 1998, blz. 12. 420)P.Brusse, Frederik Louis Willem baron van Brakell van den Eng 1788-1865, herenboer en landbouwdeskundige, Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 3, Hilversum 2000, blz. 31, en drs.P.G.J.Huismans e.a., Inventaris van de archieven van het polderdistrict Nederbetuwe en haar rechtvoorgangers, blz. 19 en 20. 421)S.E.M van Doornmalen m.m.v. P.Verwoert, Lienden, een Betuwse gemeente, blz. 13. 422)Ridderlijke Duitsche Orde-Balije van Utrecht, inventarisnr. NA.131.0.148, en Hedde Biesma, Ridders in een klooster. Het Duitse Huis in Utrecht, blz. 75. Zie ook J.D.Wagner, Een democratisch voelend edelman, De Navorscher, jaargang 66 (1917), blz. 329, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 423)Gelders Archief, Nederduits-Gereformeerde Gemeente Rijswijk, Doopboek 1768, 1770, 1772-1811, blz. 29, en Gelders Archief, Burgerlijke Stand Lienden, overlijdensakte nr. 67 (1865). 424)Gelders Archief, Burgerlijke Stand Hummelo en Keppel, huwelijksakte nr. 10 (1829) en Gelders Archief, NederduitsGereformeerde Gemeente Eck en Wiel, Trouwboek 1772-1794, blz. 5 (ondertrouw). Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 17. 425)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 17, Regionaal Archief Nijmegen, Nederduits Gereformeerde Gemeente Nijmegen, Dopen 1591-1592, 1608-1811, folio 342, en Gelders Archief, Burgerlijke Stand Lienden, overlijdensakte nr. 15 (1892). 426)P.Brusse, Frederik Louis Willem baron van Brakell van den Eng 1788-1865, herenboer en landbouwdeskundige, blz. 31, en S.E.M. van Doornmalen m.m.v. P.Verwoert, Lienden, een Betuwse gemeente, blz. 78. 427)Dr.H.M.Brokken, Heren van Stand, blz. 208. Zie ook E.C. van Kraaikamp, Baron van Brakell en de Geldersche Maatschappij van Landbouw, Tabula Batavorum, jaargang 10 (1992), nr. 1, blz. 9 t/m 12. 428)Ibidem. 429)P.Brusse, Frederik Louis Willem baron van Brakell van den Eng 1788-1865, herenboer en landbouwdeskundige, blz. 31 en 32. Zie voor andere uitvindingen en verbeteringen Adriaan P. de Kleuver, De Neder-Betuwe, blz. 484 en 485. 430)P.Brusse, Frederik Louis Willem baron van Brakell van den Eng 1788-1865, herenboer en landbouwdeskundige, blz. 33. 431)J.D.Wagner, Een democratisch voelend edelman, blz. 329 en 330. 432)Regionaal Archief Rivierenland, Fonds Hulpbetoon Meerten 1892-1907, Transcriptie van het testament van F.L.W.baron van Brakell, S.E.M. van Doornmalen m.m.v. P.Verwoert, Lienden, een Betuwse gemeente, blz. 78, en dagblad Trouw, 7 juli 2011. Zie ook S.E.M. van Doornmalen, Een bijzondere school der eerste klasse in Meerten 1852-1868, Tabula Batavorum, jaargang 14 (1996), nr. 1, blz. 8 t/m 13. 433)Adriaan P. de Kleuver, De Neder-Betuwe, blz. 487. 434)Nederland’s Adelsboek, blz. 399. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 435)Regionaal Archief Rivierenland, Dorpsbestuur Beusichem en Zoelmond, schoutambt, 1558-1818, Inleiding, en Nederland’s Adelsboek, blz. 399 en 400. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, O.Schutte, Les titres du Premier Empire Français en relation avec les Pays-Bas, blz. 348, drs.P.G.J. Huismans e.a., Inventaris van de archieven van het polderdistrict Nederbetuwe en haar rechtvoorgangers, blz. 19 en 20, en C.E.G. ten Houte de Lange en V.A.M. van der Burg, Heerlijkheden in Nederland, blz. 94, 95, 100 en 106. Voor kasteel Nagelhorst (Overasselt) en kasteel Schoonenburg (Overasselt) zie Jorien Jas e.a. (red.), Kastelen in Gelderland, blz. 266 en 267.


222

436)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1445, Doopboek 1759-1790, blz. 76, Gelders Archief, Burgerlijke Stand Arnhem, overlijdensakte nr. 501 (1852), Regionaal Archief Rivierenland, Collectie handschriften Stadsarchief Tiel 1350-heden, nr. 54, en Nederland’s Adelsboek, blz. 399 en 400. 437)Regionaal Archief Rivierenland, Nederduits Gereformeerde Gemeente Tiel, inventarisnr. 1445, Doopboek 1759-1779, folio 137, Regionaal Archief Rivierenland, inventarisnr. 1465, Trouwboeken van de huwelijkscommissarissen, folio 191, Nederland’s Adelsboek, blz. 400. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 8, blz. 17, en nr. 13, blz. 19. 438)Gelders Archief, Nederduits-Gereformeerde Gemeente Rijswijk, Doopboek 1768, 1770, 1772-1811, folio 17, Regionaal Archief Nijmegen, Nederduits Gereformeerde Gemeente Nijmegen, (Onder)trouwen 1592-1810, folio 282 recto, Gelders Archief, Burgerlijke Stand Arnhem, overlijdensakte nr. 20 (1853), Nederland’s Adelsboek, blz. 400. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 20. 439)Dr.W.Rotscheidt, Nederlandsche Studenten aan Duitsche Universiteiten en andere inrichtingen van Hooger Onderwijs, De Nederlandsche Leeuw, jaargang XLIV (1926), blz. 344. 440)Regionaal Archief Nijmegen, Doopregister Waals-Gereformeerde gemeente Nijmegen 1644-1812, blz. 149, en Nederland’s Adelsboek, blz. 400. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, Gelders Archief, Burgerlijke Stand Maurik, overlijdensakte nr. 18 (1826), en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 19, en nr. 69. 441)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 19 en 20. 442)Regionaal Archief Nijmegen, Doopregister Waals-Gereformeerde gemeente Nijmegen 1644-1812, blz. 154, Gelders Archief, Burgerlijke Stand Arnhem, overlijdensakte nr. 118 (1870), en Nederland’s Adelsboek, blz. 400. Zie ook mr.W.J. baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 20. 443)Nederland’s Adelsboek, blz. 400, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 20, Regionaal Archief Nijmegen, Nederduits Gereformeerde Gemeente Nijmegen, Dopen 1591-1592, 1608-1811, folio 379, en Gelders Archief, Burgerlijke Stand Maurik, overlijdensakte nr. 44 (1865). Zie ook drs.P.G.J. Huismans e.a., Inventaris van de archieven van het polderdistrict Nederbetuwe en haar rechtvoorgangers, blz. 19. 444)Gelders Archief, Nederduits-Gereformeerde Gemeente (Gemeente Druten-Afferden en Deest), Doopinschrijvingen Druten 1772-1810, blz. 31, Gelders Archief, Burgerlijke Stand Arnhem, overlijdensakte nr. 531 (1847), Nederland’s Adelsboek, blz. 400, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 20, en mr.W.J.baron d’ Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 445)Gelders Archief, Burgerlijke Stand Beusichem, geboorteakte nr. 29 (1813), Haags Gemeentearchief, Burgerlijke Stand Den Haag, overlijdensakte nr. 1096 (1898) en Nederland’s Adelsboek, blz. 400. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 21. 446)Gelders Archief, Burgerlijke Stand Barneveld, geboorteakte nr. 1 (1813), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Arnhem, huwelijksakte nr. 139 (1857), en Nederland’s Adelsboek, blz. 400. Zie ook Zeeuws Archief, Familie Van Zuylen van Nievelt 1830-1874, Inleiding, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 447)Nederland’s Adelsboek, blz. 400 en 401. Zie ook mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 448)S.E.M. van Doornmalen m.m.v. P.Verwoert, Lienden, een Betuwse gemeente, blz. 15, en A.Pouwer en D.J. van DeeHonders, Schets van het gemeentebestuur van Lienden 1818-1930, Tabula Batavorum, jaargang 14 (1996), nr. 2, blz. 37 en 38. 449)Gelders Archief, Burgerlijke Stand Maurik, geboorteakte nr. 18 (1818), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Arnhem, overlijdensakte nr. 941 (1902), en Nederland’s Adelsboek, blz. 401. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 14321903, nr. 13, blz. 21 en 84 t/m 90, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 450)Gelders Archief, Burgerlijke Stand Maurik, geboorteakte nr. 92 (1821), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Arnhem, overlijdensakte nr. 869 (1904), en Nederland’s Adelsboek, blz. 401. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 14321903, nr. 13, blz. 21, en mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15. 451)Regionaal Archief Nijmegen, Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant (1814-1906), 23-7-1853. 452)Nederland’s Adelsboek, blz. 402 en 403. 453)Nederland’s Adelsboek, blz. 403. Zie ook dr.Ronald Stenvert e.a., Monumenten in Nederland. Gelderland, blz. 149, en C.E.G. ten Houte de Lange en V.A.M. van der Burg, Heerlijkheden in Nederland, blz. 73. 454)Gelders Archief, Huis Wadenoyen 1645-1889, akte nr. 22, en A.P. van Lith, De Heerlickheijt tot Wadenoyen. Eens een lustoord, waar men zich kon vermaken, De drie steden. Regionaal-historisch tijdschrift voor Tiel, Buren en Culemborg, jaargang 11 (1990), nr. 3, blz. 206 en 207. 455)Regionaal Archief Nijmegen, PGNC (1814-1906), 18-11-1848 en 9-4-1851. 456)Regionaal Archief Nijmegen, PGNC (1814-1906), 7-6-1899. 457)F.M.Eliëns en J.Harenberg, Middeleeuwse kastelen van Gelderland, blz. 281 t/m 284, en dr.Ronald Stenvert e.a., Monumenten in Nederland . Gelderland, blz. 149. Zie ook J.C.Bierens de Haan en J.R.Jas, Geldersche Kasteelen. Tot defensie en eene plaissante wooninge, blz. 27 t/m 29, 76 t/m 80, 94 en 163, Jorien Jas e.a. (red.), Kastelen in Gelderland, blz. 414 t/m 418, en Helma Wolf-Catz, Kleine geschiedenissen van grote kastelen. Hun ridders, hun vrouwen, hun schatten, Leiden 1976, blz. 170 t/m 175. 458)Helma Wolf-Catz, Kleine geschiedenissen van grote kastelen, blz. 174 en 175. 459)Regionaal Archief Nijmegen, PGNC (1814-1906), 7-12-1873.


223

460)Gelders Archief, Nederduitsch-Gereformeerde Gemeente Geldermalsen. Doopboek 1772-1811, blz. 126, Gelders Archief, Burgerlijke Stand Doorwerth, overlijdensakte nr. 2 (1853), en Nederland’s Adelsboek, blz. 403. Zie ook E.Gewin, Uit de kerkelijke registers van Geldermalsen en Meteren, blz. 90, Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 72, en jhr.H.H.Roëll, Bijdragen tot de genealogie van Schuylenburch, blz. 165. 461)Haags Gemeentearchief, Burgerlijke Stand Den Haag, huwelijksakte nr. 106 (1828), en Nederland’s Adelsboek, blz. 403. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 21, en nr. 73, dr.Ronald Stenvert e.a., Monumenten in Nederland. Gelderland, blz. 192, jhr.H.H.Roëll, Bijdragen tot de genealogie van Schuylenburch, blz. 164 en 165, en F.M.Eliëns en J.Harenberg, Middeleeuwse kastelen van Gelderland, blz. 72, 102 en 103. 462)Haags Gemeentearchief, Nederlandse Hervormde gemeente ‘s-Gravenhage, Waalse Hervormde gemeente, Doopboek nr. 312, folio 373 recto, Gelders Archief, Burgerlijke Stand Doorwerth, overlijdensakte nr. 1 (1878), en Nederland’s Adelsboek, blz. 403. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 21, en nr. 79. 463)Haags Gemeentearchief, Burgerlijke Stand Den Haag, geboorteakte nr. 175 (1829), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Doorwerth, huwelijksakte nr. 2 (1854), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Zutphen, geboorteakte nr. 57 (1824) en overlijdensakte nr. 443 (1857), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Arnhem, overlijdensakte nr. 722 (1877), Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 21 en 22, en nr. 78, en Nederland’s Adelsboek, blz. 403. 464)Gelders Archief, Burgerlijke Stand Wadenoijen, geboorteakte nr. 28 (1831), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Doorwerth, huwelijksakte nr. 5 (1854) en nr. 3 (1879), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Arnhem, geboorteakte nr. 185 (1835) en overlijdensakte nr. 174 (1907), Haags Gemeentearchief, Burgerlijke Stand Den Haag, geboorteakte nr. 969 (1821), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Doorwerth, overlijdensakte nr. 2 (1884), en Nederland’s Adelsboek, blz. 403. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 22, en nr. 78, F.M.Eliëns en J.Harenberg, Middeleeuwse kastelen van Gelderland, blz. 364, Familieberichten. Juli 1884, De Nederlandsche Leeuw, jaargang II (1884), blz. 76, M.G.Wildeman, Kwartieren van Théodore baron De Smeth van Deurne, De Navorscher, jaargang 77 (1928), blz. 225, en mr.E.B.F.F.baron Wittert van Hoogland, Portret-Album van den Nederlandschen adel. De portretten uit het Nederland’s Adelsboek met biografische aanteekeningen, Den Haag 1937, blz. CII. 465)Gelders Archief, Burgerlijke Stand Wadenoijen, geboorteakte nr. 13 (1833), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Doorwerth, huwelijksakte nr. 2 (1860), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Renkum, overlijdensakte nr. 33 (1903) en 126 (1902), en Nederland’s Adelsboek, blz. 404. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 22, en nr. 78. 466)Gelders Archief, Burgerlijke Stand Wadenoijen, geboorteakte nr. 36 (1834) en overlijdensakte nr. 9 (1835), en Nederland’s Adelsboek, blz. 404. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 22, en nr. 78. 467)Gelders Archief, Burgerlijke Stand Wadenoijen, geboorteakte nr. 29 (1838), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Zutphen, huwelijksakte nr. 49 (1866), Historisch Centrum Overijssel, Burgerlijke Stand Wijhe, geboorteakte nr. 59 (1836), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Brummen, geboorteakte nr. 3 (1871), overlijdensakte nr. 2 (1871) en 111 (1904), en Nederland’s Adelsboek, blz. 404 en 412. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 22, en nr. 78, F.M.Eliëns en J.Harenberg, Middeleeuwse kastelen van Gelderland, blz. 315, en dr.Ronald Stenvert e.a., Monumenten in Nederland. Gelderland, blz. 124. 468)Het Utrechts Archief, nr. 67, Familie Huydecoper 1459-1956, akte nr. 787, 790, 791 en 792, Het Utrechts Archief, Burgerlijke Stand Utrecht, huwelijksakte nr. 61 (1894), overlijdensakte nr. 75 (1892) en nr. 936 (1914) en overlijdensakte nr. 868 (1916), Het Utrechts Archief, Burgerlijke Stand Zeist, geboorteakte nr. 26 (1850), Het Utrechts Archief, Burgerlijke Stand Driebergen, overlijdensakte nr. 41 (1870), Het Utrechts Archief, Burgerlijke Stand Bunnik, geboorteakte nr. 13 (1838), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Brummen, geboorteakte nr. 152 (1844), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Doorwerth, geboorteakte nr. 5 (1840), huwelijksakte nr. 3 (1869) en 2 (1873), en Nederland’s Adelsboek, blz. 404. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 22, en nr. 78, en Familieberichten. Januari 1892, De Nederlandsche Leeuw, jaargang X (1892), blz. 40. 469)Gelders Archief, Burgerlijke Stand Doorwerth, geboorteakte nr. 7 (1841), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Arnhem, overlijdensakte nr. 1209 (1895), en Nederland’s Adelsboek, blz. 404. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 14321903, nr. 13, blz. 22, en nr. 78. 470)Nederland’s Adelsboek, blz. 404, Gelders Archief, Burgerlijke Stand Doorwerth, geboorteakte nr. 7 (1842), en Gelders Archief, Burgerlijke Stand Arnhem, overlijdensakte nr. 167 (1911). Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 14321903, nr. 13, blz. 22, en nr. 78. 471)J.W. des Tombe, Iets over het zoogenaamd Pensioen van Portugal, De Navorscher, jaargang 55 (1905), blz. 555 t/m 589, en J.G.Kikkert, Oranje bitter Oranje boven, Soesterberg 2001, blz. 73. Zie ook F.M.Eliëns en J.Harenberg, Middeleeuwse kastelen van Gelderland, blz. 181 en 182. 472)Nederland’s Adelsboek, blz. 401, mr.W.J.baron d’Ablaing van Giessenburg, De ridderschap van het Kwartier van Nijmegen, wapen nr. 15, en E.Gewin, Uit de kerkelijke registers van Geldermalsen en Meteren, blz. 90. 473)Gelders Archief, Nederduitsch-Gereformeerde Gemeente Geldermalsen, Doopboek 1772-1811, blz. 129, Gelders Archief, Burgerlijke Stand Arnhem, overlijdensakte nr. 744 (1878) en Nederland’s Adelsboek, blz. 401. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 20. 474)Stadsarchief Amsterdam, Burgerlijke Stand Amsterdam, huwelijken 1839, blz. 176, Nederland’s Adelsboek, blz. 401. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 20. 475)Stadsarchief Amsterdam, Burgerlijke Stand Amsterdam, geboorten 1814, blz. 35, en Gelders Archief, Burgerlijke Stand Arnhem, overlijdensakte nr. 279 (1878). Zie ook Nederland’s Adelsboek, blz. 401, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 20. 476)Het Utrechts Archief, Burgerlijke Stand Utrecht, geboorteakte nr. 1475 (1840), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Arnhem, huwelijksakte nr. 218 (1860), en Nederland’s Adelsboek, blz. 401. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 14321903, nr. 13, blz. 21. 477)Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Familie De Clercq en Aanverwante Families, nr. 91, brief van 1-2-1876, 4-21876, 12-2-1876, 13-4-1876, 11-11-1876 en 9-12-1876.


224

478)Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Familie De Clercq en Aanverwante Families, nr. 92. 479)Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Familie De Clercq en Aanverwante Families, nr. 91, brief van 11-11-1876. 480)Regionaal Archief Zutphen, Archief van de Familie Colenbrander en Erven Van Sytzama (1720-1985), nr. 353. Zie ook nr. 143. 481)Regionaal Archief Zutphen, Archief van de Familie Colenbrander en Erven Van Sytzama, nr. 353. 482)Regionaal Archief Zutphen, Archief van de Familie Colenbrander en Erven Van Sytzama, nr. 352. 483)Ibidem. 484)Nederland’s Adelsboek, blz. 406. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 21 en 22. 485)Nederland’s Adelsboek, blz. 406. 486)Haags Gemeentearchief, Burgerlijke Stand Den Haag, geboorteakte nr. 1388 (1830), Gelders Archief, Burgerlijke Stand Doorwerth, overlijdensakte nr. 17 (1918). Zie ook Nederland’s Adelsboek, blz. 406 en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 22, en nr. 78. 487)Gelders Archief, Burgerlijke Stand Doorwerth, huwelijksakte nr. 4 (1881), en Nederland’s Adelsboek, blz. 406. 488)Haags Gemeentearchief, Burgerlijke Stand Den Haag, geboorteakte nr. 137 (1856), en overlijdensakte nr. 2642 (1921). Zie ook Nederland’s Adelsboek, blz. 406. 489)Nederland’s Adelsboek, blz. 404 en 408. Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 21 en 22. 490)Ibidem, en Gelders Archief, Burgerlijke Stand Wadenoijen, geboorteakte nr. 2 (1837). Zie ook Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 13, blz. 22, nr. 78 en nr. 95. 491)Nederland’s Adelsboek, blz. 408, en Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 96 en 97. 492)Ibidem. 493)Gelders Archief, Familie Van Brakell 1432-1903, nr. 74, 75 en 77, en Nederland’s Adelsboek, blz. 395 en 396. 494)J.Anspach, De heerlijkheid Lienden in Neder-Betuwe, De Navorscher, jaargang 46 (1896), blz. 549, en J.A.Heuff Az., De Neder-Betuwe en haar ridderschap. Schetsen uit het ambtsarchief, blz. 130 t/m 137. Zie ook Rob van der Laarse & Yme Kuiper (red.), Beelden van de Buitenplaats. Elitevorming en notabelencultuur in Nederland in de negentiende eeuw, Hilversum 2005, blz. 24 t/m 48. Voor de verarming van d