Issuu on Google+

MAANDBLAD VOOR STUDENTEN (KUNST) GESCHIEDENIS - JAARGANG 13 - NUMMER 5 - MAART 2010

Ed

EINDELOOS

dE

- 4 - Nieuwe printers in het PCH - 6 - Interview professor Velema - 8 - Afscheid nemen van Zoeken en schrijven - 11 - Dubbellezing NAGKS

Open brief aan de decaan van Geesteswetenschappen

‘Laat Bologna geen maat voor niets zijn’ Door Maarten Goethals - Toen in 1999 alle Europese Ministers van Onderwijs, waaronder Loek Hermans voor Nederland, de Bologna-verklaringen ondertekenden, engageerden de 31 kabinetten zich voor een spoedige eenmaking van een Europese onderwijsruimte. Meer dan een decennium later lijken sommige faculteiten de boodschap nog steeds niet te hebben begrepen. In een open brief aan de decaan van Geesteswetenschappen, José van Dijck, vraagt Maarten Goethals zich af waarom hij als Vlaamse uitwisselingsstudent Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam als tweederangs student wordt behandeld. Geachte Mevrouw van Dijck, Beste Decaan, Wij hebben elkaar nog niet gesproken, en ik ken uw gezicht alleen maar van foto’s verspreid op het internet, zoals uw identiteitsplaatje op de site van de universiteit. U ziet er mij een vriendelijke en integere dame uit, met een eeuwig stralende glimlach. Maar dat terzijde. In deze open brief wil ik met u van gedachten wisselen, meer bepaald over de Bolognahervormingen in het hoger onderwijs en over het engagement van uw faculteit in dit project. Zoals u wellicht weet ondertekenden op 19 juni 1999 alle toenmalige Europese ministers bevoegd voor onderwijs een verklaring om in de toekomst samen te werken aan de vorming van een Europese onderwijsruimte. Plaats van gebeuren: het historische stadje Bologna,

waar Europa’s oudste Christelijke universiteit huisvest. Het is daarom dat we sindsdien ook spreken van de Bologna-verklaringen. In de jaren daarop werden opvolgingsconferenties, een soort tussentijdse tentamens, gehouden in Praag, Berlijn, Bergen, Londen en vorig jaar nog in Leuven/Louvain-laNeuve. De intentie van Bologna is ‘bijzonder aandacht besteden aan de doelstelling van het vergroten van het internationale concurrentievermogen van het Europees hoger onderwijssysteem’, zoals het in de verklaring staat. En dat vermogen opdrijven, luidt de redenering, kan alleen maar als Europa als gemeenschap werk maakt van een homogeen onderwijskundig blok –net zoals ze ook een monetaire en economische eenheid vormt. Om dat te realiseren waren er enkele

aanpassingen nodig, in eerste instantie de invoering van een creditsysteem, het gebruik van herkenbare en vergelijkbare graden en de bestaande opleidingen opdelen in een bachelor-masterstructuur. Door het wegvallen van de grenzen tussen de verschillende Europese staten onderling –het resultaat van de in 1985 afgesloten verdragen van Schengen– ging in Bologna ook bijzondere aandacht uit naar de mobiliteit van studenten, docenten, ideeën en praktijken. De aanwezige verantwoordelijken engageerden zich nadrukkelijk voor de ‘bevordering van mobiliteit door middel van het uitschakelen van belemmeringen voor de daadwerkelijke uitoefening van het recht op vrij verkeer’, aldus de tekst. Wat haar programma betrof, mag Bologna gerust een onderwijsrevolutie heten. In de


EINDELOOS - NUMMER 5 - PAGINA 2

...moet ik de komende maandag vakken volgen die ik ten eerste niet wil en waarvoor ik ook niet naar deze universiteit ben gekomen, en die, bovendien, niet eens tot het curriculum van geschiedenis behoren... praktijk spreken we beter van een evolutie, een langzaam proces van implementatie, aanpassing en finetuning. Het einde van de werken zijn gepland voor het einde van het tweede decennium van de 21ste eeuw. In theorie zou Europa tegen die tijd moeten kunnen concurreren met de topuniversiteiten uit Amerika, Canada en China. Dat lijkt mij persoonlijk een beetje voorbarig: universiteiten van hier draaien voornamelijk op overheidsgeld terwijl toppers uit die landen naast staatsinkomsten vooral ook particuliere sponsors en fondsen aanboren. Zoals u wellicht weet zijn studenten zich doorgaans weinig bewust van deze achtergrond, en, beste mevrouw van Dijck, dat is ook niet erg. Zolang wij maar van de vruchten en de voordelen kunnen genieten: door bijvoorbeeld makkelijker in het buitenland te kunnen studeren of door les te krijgen van buitenlandse professoren die wereldklasse zijn in hun vak. Over de kwaliteit van de professoren aan uw faculteit wil ik het in deze goedbedoelde brief niet hebben, geachte mevrouw, dat zou van mijn kant nogal pompeus over-

komen. Wel wil ik, geïnspireerd door mijn eigen bezoek aan uw faculteit, u aanpreken over uw Erasmusbeleid. Ik stel mij namelijk de vraag waar uw prioriteiten op dat vlak liggen? Want ziet u, de afgelopen maanden ben ik als uitwisselingsstudent, en ik zal zeker niet alleen voor mijn beurt spreken, geconfronteerd met enkele zaken die allerminst Bologna-vriendelijk overkomen. Waardoor, en dit is mijn vrees, Bologna een maat voor niets durft worden. En dat kan toch niet bedoeling zijn? Graag had ik daarom uw standpunt geweten op volgende kwesties. In december kreeg ik een mailbericht van het international office om me voor de lessen van het tweede semester aan te melden. Ruim een week voor de deadline stuur ik mijn keuze op: een mengeling van Nederlandstalige en Engelstalige vakken. Enkele dagen voor de of ficiële start van het tweede semester krijg ik echter te horen dat er iets fout is gelopen met mijn aanvraag en dat ik best maar eens tot daar kom. Van de acht vakken die op mijn lijstje van favorieten stonden, was ik –en zelfs dit was nog niet eens zeker– voor één toegelaten: de rest bleek volzet. Volzet? (Lichte verbijstering in mijn ogen –ziet u het voor u?) Ik begreep het niet: ik had mijn formulier toch op tijd doorgestuurd? ‘Ja,’ kreeg ik te horen, ‘maar Nederlandse studenten krijgen voorrang in werkcolleges.’ Gevolg: om toch aan de nodige studiepunten te raken, moet ik de komende maanden vakken volgen die ik ten eerste niet wil en waarvoor ik ook niet naar deze universiteit ben gekomen, en die, bovendien, niet eens tot het curriculum van geschiedenis behoren. De vriendelijke dame die mijn registratie in orde maakte, zag dat ik niet erg tevreden was met de situatie. En toen ik, een beetje teleurgesteld, opwierp dat deze manier van werken ‘toch niet erg Bologna-vriendelijk’ is, zuchtte ze instemmend, bijna verontschuldigend. ‘Helemaal gelijk, maar dat is het beleid. Ik had het ook graag anders gezien.’ Arme mevrouw...

Buitenlandse studenten hebben, omdat ze niet betalen, geen recht op ‘gratis’ openbaar vervoer

Iets anders: mobiliteit. Heel concreet gemaakt: het dagelijkse bus-, trein- en tramvervoer in en rond Amsterdam. Nederlandse studenten kunnen met hun ov-chipkaart overal gratis op: een dienst waar ze, wel te verstaan, ook voor betalen –en als ik goed geïnformeerd ben, gaat zelfs een belangrijk deel van de inschrijvingskosten naar die post. Buitenlandse studenten hebben, omdat ze niet betalen, geen recht op ‘gratis’ openbaar vervoer. Ze moeten alles zelf financieren. Voor Erasmusstudenten is dit vaak een onvoorziene meerkost –zeker als u bedenkt dat de inschrijvingskosten aan sommige universiteiten waar ze vandaan komen (Erasmussers betalen de prijs van hun moederuniversiteit) even hoog zo niet hoger liggen dan Nederland. Toen ik een tijdje geleden Mas Fopma, verantwoordelijke voor Communicatie en Onderwijs aan uw faculteit, vroeg of het dan ook niet de plicht van de faculteit was om te zoeken naar een alternatief, kreeg ik als antwoord: ‘Over landelijke regelingen [zoals de ovchipkaart, mg] wordt niet op facultair niveau besloten. Het is de verantwoordelijkheid van de faculteit om buitenlandse studenten zo goed mogelijk te informeren en hun komst hierheen succesvol te maken. Daar wordt hard aan gewerkt en de discussie over een ov-kaart heeft daarin geen hoge prioriteit.’ Is daarmee de kous af?


EINDELOOS - NUMMER 5 - PAGINA 3 Neen, want wat moet een buitenlandse student doen met gemaakte vervoerskosten voor verplichte onderwijsactiviteiten? Een student die verschillende malen de metro of de tram moet nemen om naar een examen in Holendrecht te gaan of dagelijks naar de les moet pendelen, kan hij deze kosten, die al snel oplopen tot de honderden euro’s, ergens terug verdienen? Antwoord: ‘Er is voor zover wij weten geen plek, waar je deze onkosten kunt verhalen.’ Om daar dan, enigszins troostend bedoeld, aan toe te voegen: ‘Overigens maken Nederlandse studenten dergelijke kosten ook elders. Studenten krijgen voor hun komst hierheen wel tips voor het zo laag mogelijk houden van dergelijke kosten (fietsen, maandkaart), en vergeet niet dat Nederlandse afstanden erg klein zijn vergeleken met de afstanden in de meeste thuislanden van buitenlandse studenten.’ Een argument dat misschien wel kan kloppen, maar waarmee ik nog geen brood koop –of een metroticketje in mijn geval.

Waarom schaft de faculteit niet een paar draaitrommels aan, denk ik dan? En dan zijn er nog een paar andere zaken die mijn buitenlandse collega’s de nodige stress bezorgen. Ik geef u, beste decaan, hun verzuchtingen gratuit mee. De hoge onderwijskosten –voor sommige vakken zit je makkelijk aan 150 euro leesmateriaal: waarom is er geen cursusdienst die voorziet in goedkope copietjes? Het kotentekort [studentenwoningentekort, red.] –buitenlandse studenten betalen verhoudingsgewijs meer dan Nederlandse studenten omdat ze de woningmarkt niet kennen: waarom geen extra opvang op dat domein? Gekoppeld daaraan: doordat buitenlandse studenten meestal geen

vaste woonplaats hebben (of ze verhuizen constant of ze resideren ergens verborgen) worden ze buitengesloten van heel wat maatschappelijke diensten –zoals het kunnen openen van een bankrekening waarvoor je een adres moet opgeven– en zijn ze, willen ze iets bijverdienen, vaak verplicht illegaal te werken. En dan zijn er nog de kleinere onhebbelijkheden die het leven onaangenaam maken. Omdat buitenlandse studenten vaak terechtkomen in de mindere kamers, zijn ze vaak ook verstoken van allerhande technologisch wondermiddelen, zoals de wasmachine. Dus moeten zij hun kleren wassen in particuliere wasshops: een kost die enorm kan oplopen wil je niet stinkend door het leven gaan. Waarom schaft de faculteit niet een paar draaitrommels aan, denk ik dan? Enzovoort. Voor alle duidelijkheid mevrouw van Dijck, ik stel u daar niet persoonlijk voor verantwoordelijk. Veel heeft u zelf niet in de hand: een decaan is immers geen rector en nog minder een Minister van Onderwijs. Maar niettemin denk ik dat u met enkele kleine ingrepen het leed, het lijden, het zwoegen, het zuchten, het vloeken, het gejammer, het gehuil en het godtergend geklaag van de buitenlandse studenten kunt weghelpen. U wilt toch niet dat wij ons als tweederangs studenten gaan voelen op uw faculteit? Niet toch? Ik dank u alvast voor uw antwoord in de volgende Eindeloos , Hoogachtend, Maarten Goethals Studentennummer: 06175406 P.S. als u mij googlet en vervolgens drukt op ‘afbeeldingen’ vindt u zeker ook een paar portretten van mij. Maar ik moet u waarschuwen: ik plak niet op foto’s, zoals dat heet. d

HOOfDrEDactIONEEL Tot mijn grote spijt zie ik de laatste tijd niets meer van het gezellige klasje dat René van Royen om zich heen had verzameld in de slangenkuil onder de hal van het P. C. Hoofthuis. Hoewel nog niet met pensioen, is de docent zijn cursus Latijn voor beginners, die aanvankelijk een groot succes leek te zijn, misschien al aan het afbouwen; misschien hebben ze gewoon een minder tochtige plek gevonden. Ik hoop het laatste, want het was nou juist één van die initiatieven die het hiaat tussen het formele onderwijs en het vrijblijvende prikbordbriefje met ‘conversatielessen’ invulden. Het is en blijft natuurlijk een elephant in the room dat Nederlandse jongeren, meer in het bijzonder studenten, en dan specifiek studenten geschiedenis hun talen niet meer spreken. Waar een Media- en cultuurstudent in principe uit de voeten kan met Westerse, veelal Engelse artikelen uit de laatste vijftig jaar, kan de historicus vissen in schier eindeloze wateren voor bronmateriaal. In plaats daarvan ploetert de gemiddelde UvAstudent ploetert voort, met zijn mondje Engels en een beheersing van zijn moedertaal die op het rándje is -in de tweede, verbeterde versie van het werkstuk tenminste.Zelfs professor Velema, van wie men nooit een kwaad woord over zijn studenten zal horen, lamenteert in zijn interview dat hij Von Ranke in het Engels aan zijn werkgroepen moet voorschrijven. Ik weet niet wie die mensen zijn die vierentwintig uur per dag te bewonderen zijn vanaf de gang van het PCH, met koptelefoon op, zwoegend op talencursussen en ploegend door Russische nouvelle vague-films zonder ondertiteling; maar wij zijn het in ieder geval niet. Jammer, want zoals Clara in een stukje duizelingwekkende onderzoeksjournalistiek opmerkt: we zouden de extra computerruimte soms goed kunnen gebruiken. d - Bob van Toor


EINDELOOS - NUMMER 5 - PAGINA 4

Big, black and beautiful Nieuwe printers op het PC-Hoofthuis Door Clara van de Wiel - Printen op het PC-Hoofthuis: het lijkt geen al te gelukkige combinatie. Afgezien van de meterslange rijen voor de twee aanwezige printers, die eerder regel dan uitzondering zijn, laten de apparaten het vaak genoeg helemaal afweten. Dieptepunt in deze lag daarbij in de eerste week van februari, toen beide printers meer dan een week buiten gebruik waren. Nu lijkt echter hoop aan de horizon te gloren, in de vorm van nieuwe ‘multifunctionele’ printapparaten. Zullen deze glanzende apparaten inderdaad de problemen verhelpen of is het slechts een doekje voor het bloeden? Eindeloos ging er achter aan. Sinds 8 februari zijn de apparaten op het PC-Hoofthuis in gebruik en daarmee was dit de eerste locatie aan de UvA waar de nieuwe printers geïntroduceerd werden. ‘Gezien de recente problemen met de printers hier hebben we de plaatsing zelfs nog iets versneld’ vertelt Patrick Beekveldt van de Universiteitsbibliotheek trots. Een dag eerder dan in de planning stond, kon al gebruik worden gemaakt van het nieuwe systeem. Over reacties kan Beekveldt nog niet veel zeggen: daarvoor is de vernieuwing nog te recent. Zelf is hij echter erg enthousiast over de nieuwe apparaten. ‘Voordeel is dat binnenkort op alle UvA locaties gebruik kan worden gemaakt van één systeem. Dat maakt het onderhoud van de printers een stuk eenvoudiger. Daarbij kan een defect direct centraal geregistreerd en daarmee eerder verholpen worden. Er zijn bovendien afspraken met de leverancier over hoe lang de reparatie van een defect op zich mag laten wachten, dus de verwachting is dat storingen veel minder grote gevolgen hebben.’ Ook de printers zelf zullen voor de studenten veel voordelen opleveren. Daar het multifunctionele apparaten zijn zal binnen-

kort ook gebruik kunnen worden gemaakt van de scanfuncties. Bovendien zou zelfs het klimaat niet vergeten worden: de nieuw geplaatste printers leveren aanzienlijk minder uitstoot op. Tenslotte belooft Beekveldt tevens dat ze een stuk sneller functioneren dan hun voorgangers. Zullen de gevreesde wachttijden dan inderdaad spoedig verdwijnen? Het valt te betwijfelen. Niet zozeer de langzame afdruk als wel de reusachtige hoeveelheid gewenste prints veroorzaken de rijen en de oorzaak hiervan ligt bij een geheel andere ontwikkeling. Sinds enkele jaren wordt het gros van de in de colleges gebruikte readers niet meer in gedruk-

te vorm maar nog slechts in digitaal formaat aangeleverd. Daar het lezen van papier nog altijd geprefereerd wordt boven dat van een scherm, wordt bij de start van het semester driftig readers afgedrukt in de computerruimtes. Niet zelden moeten daarbij readers van meer dan 300 pagina’s verwerkt worden en het verwondert dan ook weinig dat de wachttijden snel oplopen. De printers, die ook volgens het Informatiseringcentrum eigenlijk bedoeld zijn voor het afdrukken van enkele pagina’s, kunnen met name bij aanvang van het semester de reusachtige vraag amper aan. Paul Hagens van de readerwinkel in het PCHoofthuis ziet de ontwikkeling met


EINDELOOS - NUMMER 5 - PAGINA 5 lede ogen aan: ‘Mijn verwachting is dat de winkel in 2011 helemaal opgedoekt zal zijn’. Van een teruglopende verkoop merkte hij al iets, maar dit wordt vooralsnog enigszins gecompenseerd door het gegroeide aantal studenten. Enkele readers van geschiedenis, met name voor eerstejaarsvakken, bestaan daarbij nog steeds. Het overgrote deel verschijnt tegenwoordig echter digitaal op Blackboard, wachtend om door de ijverige student uitgeprint te worden. Voorzichtig wordt nu, bijvoorbeeld bij het vak Nieuwe Horizonten, een test uitgevoerd met het aanbieden van het centraal laten afdrukken van de readers door printbedrijf XeroX. Voorzichtig, want veel ruchtbaarheid wil de UvA nog niet aan deze service geven. Zij bevindt zich hierbij in een lastig parket omdat met zowel printerleverancier Océ als printbedrijf XeroX contracten lopen. Ook studenten kunnen individueel bij XeroX langskomen voor het laten afdrukken van de gewenste reader, maar voor het promoten van deze service bij zowel student als docent is de UvA volgens XeroX uiterst huiverig. Het blijft voor de universiteit schipperen tussen de belangen van XeroX en die van printerleverancier Océ. Student en docent lijken op dit ogenblik de dupe te zijn. Naast de reeds aangekaarte onvrede over de wachttijden bij printers die eigenlijk voor een klein aantal afdrukken bestemd zijn, zijn er ook negatieve geluiden bij docenten te horen. Een docente van de afdeling NT2 die anoniem wenst te blijven, noemt de nieuwe situatie ‘waanzinnig’. Volgens haar is er sprake geweest van een goedkope aanbesteding bij Océ en leveren de nieuwe apparaten tal van klachten over het invoeren van vreemde inlogcodes op. Haar advies is dan ook dan wel thuis te printen, dan wel het uit te besteden aan XeroX. Laatstgenoemde blijft, bang de verhoudingen met universiteit en printerleverancier op het spel te zetten, echter terughoudend in het aanbieden van haar diensten. Voorlopig zal de student zonder eigen printer het dus moeten doen met de glanzende apparaten van Océ, of moeten uitwijken naar de nabijgelegen Printerette. Beide opties blijven weinig aanlokkelijk. d

Die Durft! Door Joris Belgers - Elke maand klopt de Eindeloos aan bij docenten, op zoek naar sappige anekdotes over brutale studenten. Na nu al een aantal maal iemand uit de vakgroep geschiedenis aan de mouw te hebben getrokken, gingen we eens kijken bij het Kunsthistorisch Instituut. We vroegen Gerrit Vermeer, leerstoel Geschiedenis van de bouwkunst, naar brutale studenten. En het is echt waar: de deeltijdpensionado’s bij kunstgeschiedenis zijn inderdaad een apart slag volk. De heer Vermeer weet ons helaas niet te trakteren op dronkenschapsverhalen over studenten, ook al is hij vaak genoeg met groepen studenten op excursie gegaan. Zo begeleidde hij in februari nog een reis met Kleio naar Madrid. Wat hem wel altijd is opgevallen, is het verschil tussen de wat oudere deeltijdstudenten, waarvan er bij kunstgeschiedenis aardig wat rondlopen, en de ‘normale’ voltijdstudenten. ‘Wat ik altijd wel grappig vind is op excursies, dat de ouderen zich ontzettend uitgebreid hebben voorbereid en het allemaal heel erg serieus nemen. Zo staan ze toch altijd een kwartier voor tijd op de afgesproken plaats, terwijl de jonge studenten soms gaan winkelen in de lunchpauze of allerlei andere dingen gaan doen, waardoor ze vaak op het allerlaatste moment, of te laat, aan

komen zetten .’ Niet alleen gepensioneerden doen er nog even kunstgeschiedenis bij, ook veel mensen studeren deeltijd naast een volle werkweek, iets waar de heer Vermeer erg veel respect voor heeft. ‘Zo had ik eens een neurochirurg in college zitten, iemand die uiteindelijk ook uitstekend is afgestudeerd bij ons. Deze vrouw had volgens mij een tachtig-urige werkweek, en las daarnaast voor elk college alle stof. Dat zie ik de meeste jongere studenten, die veel sneller voor tentamens leren, niet snel doen.’ het doceren aan oudere studenten ook wel voordelen kan hebben, heeft de heer Vermeer ook gemerkt. ‘Ja, ze zijn aan het einde van hun loopbaan en soms niet onbemiddeld – en ik ben niet zelden door oud-studenten voor een behoorlijk deftige lunch uitgenodigd. Een andere rijke deeltijdstudent – en dit komt dan misschien het dichtst in de buurt van een brutale vraag – vroeg mij eens of zijn chauffeur tijdens een college van mij naast hem mocht zitten. Hij was namelijk bang dat die zich zou gaan vervelen. Deze chauffeur vond het vervolgens zo interessant, dat hij besloot ook kunstgeschiedenis te gaan studeren. Wat ik heb vernomen is dat hij ondertussen is afgestudeerd en ook nog een aardige baan in de kunstgeschiedenis heeft gevonden!’d

‘...ik ben niet zelden door oudstudenten voor een behoorlijk deftige lunch uitgenodigd’

Een mand voor uw pennenvrucht? Mail naar eindeloos@kleioamsterdam.nl!


EINDELOOS - NUMMER 5 - PAGINA 6

‘Met die vier lettertjes voor je naam luisteren mensen iets beter naar je’ Wyger Velema over hoogleraarschap, studenten en toekomstplannen Maria Veder – Wyger Velema mag zich sinds kort bijzonder hoogleraar Geschiedtheorie en geschiedenis van de geschiedschrijving noemen. Sinds zijn promotie bij professor John Pocock in de Verenigde Staten op Nederlandse politieke theorieën in de achttiende eeuw, heeft Velema (1955) zijn onderzoek op dit gebied voortgezet in eigen land. Na Enlightenment and Conservatism in the Dutch Republic: The Political Thought of Elie Luzac (1721-1796) en Republicans: Essays on Eighteenth-Century Dutch Political Thought vormde zijn oratie eind vorig jaar, over het gebruik van de klassieke oudheid door Nederlandse politici in de achttiende eeuw, een mooi vervolg zowel als een nieuwe basis voor zijn onderwijs als hoogleraar. Want het is juist het lesgeven dat Velema, maar vooral ook zijn studenten, zeer waarderen. Wyger Velema heeft zijn kamer op de zevende verdieping van het P.C. Hoofthuis. Zijn uitzicht bestaat uit de bovenste verdiepingen van de Magna Plaza, met in één van de ramen een mannelijke paspop. ‘Die staat er al een tijdje’ vertelt Velema, ‘vroeger was daar nog een hotel, toen was het pas echt lachen’. Nu valt er gelukkig ook nog best wat te lachen voor Velema. Sinds het begin van dit collegejaar bekleedt hij de Jan Romein leerstoel, en werd daarmee bijzonder hoogleraar Geschiedtheorie en geschiedenis van de geschiedschrijving. Naar aanleiding van deze benoeming hield hij in december een oratie in de Aula, waarin hij sprak over het gebruik van de klassieke oudheid door Nederlandse politici in de achttiende eeuw. De meeste studenten geschiedenis zullen Velema echter vooral kennen als de sympathieke werkgroepdocent wetenschapsfilosofie, die in zijn enthousias-

me vaak zijn twee identieke, ronde brillen (één om te lezen, één voor gewoon) door de war weet te halen en tegelijkertijd op een prettige wijze onnoemlijk veel kennis over de Annales en Leopold von Ranke in het geheugen weet te griffen.

U heeft in uw boek Republicans: Essays on Eighteenth-Century Dutch Political Thought een citaat van Johan Huizinga opgenomen waarin hij stelt dat de geschiedenis van de achttiende eeuw in Nederland niet de aandacht krijgt die zij verdient. Is dat nog steeds het geval? ‘Nee, dat is al heel erg vooruit gegaan. Deze verbeteringen vallen eigenlijk een beetje samen met de periode dat ik actief ben als wetenschapper. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat ik deze periode zo leuk vind: zij begon net wat meer aandacht te krijgen in de tijd dat ik gevormd werd als historicus. Bij mij begon het eigenlijk als een algemene interesse in de achttiende eeuw, maar in de jaren tachtig merkte ik dat die periode steeds meer bestudeerd werd en dat er heel leuke dingen te vinden waren. Ik denk echter dat de achttiende eeuw nog wel wat meer aandacht zou kunnen krijgen. Bijvoorbeeld op mijn eigen terrein: de geschiedenis van het politieke denken. Bij sommige onderwerpen is er wel veel verbetering te zien, zoals bij de revoluties van de late achttiende eeuw. Maar het grote onderzoeksproject waar Niek van Sas en ik momenteel mee bezig zijn over de Bataafse revolutie vanaf 1795, daar is echt nog heel weinig over geschreven. Er is niet eens een boek over het eerste Nederlands parlement!Dus vanaf de jaren zeventig is het wel heel erg ver-

beterd, maar er zijn nog steeds onderwerpen die meer aandacht verdienen.’

Is het hoogleraarschap iets dat u altijd al ambieerde? ‘Het overviel me eigenlijk een beetje. Het hoogleraarschap is natuurlijk het hoogst haalbare in de academische wereld, en daarover wil ik ook niet valselijk bescheiden zijn. Bovendien ben ik bijzonder hoogleraar en dat is echt het mooiste wat ik me kan bedenken. Ik hoef niet zoveel te besturen en te vergaderen maar ik heb nu wel het leukste recht van het hoogleraarschap, namelijk om als promotor op te mogen treden. Bovendien leveren die vier lettertjes voor je naam gewoon enkele formele voordelen op, en mensen luisteren ook iets beter naar je.’ ‘Maar goed, aan de andere kant vind ik dat gedoe rond het hoogleraarschap een beetje onzin. Er zijn veel bijzonder goede onderzoekers die wellicht nooit hoogleraar zullen worden, maar dit doet niets af aan hun academische kwaliteiten. Maar mijn eigen leerstoel staat in een mooie Amsterdamse traditie en ik vind het daarom bijzonder leuk en eervol dat ik hem mag bekleden.’

‘Er is niet eens een boek over het eerste Nederlands parlement!’

U bezet nu de Jan Romein leerstoel voor Geschiedtheorie en de geschiedenis van de geschiedschrijving. Is dat niet een erg breed onderzoeksgebied? ’Geschiedtheorie en de geschiedenis van de geschiedschrijving zijn niet helemaal mijn terrein. Ik ben, hoewel ik al vele jaren het vak wetenschapsfilosofie geef, immers geen geschiedfilosoof. Wel heb ik altijd een sterke belangstelling gehad voor de ontwikkeling van de geschiedschrijving en de


EINDELOOS - NUMMER 5 - PAGINA 7 geschiedenis van politieke ideeën. Zeker in de vroegmoderne tijd zit in dat politieke denken altijd een heel sterk historisch element. Met andere woorden: men baseert zich bij het formuleren van politieke ideeën op bepaalde versies van het verleden. Dit zie je nu ook nog wel, maar deze neiging was in de vroegmoderne tijd mijns inziens vele malen sterker. Een van de invullingen die ik zelf aan die leeropdracht zou willen geven is dus, dat ik mij wil bezig houden met die historische en historiografische component van het vroegmoderne politieke denken. Zo probeert iedereen natuurlijk zijn leeropdracht een beetje naar zijn eigen belangstelling te plooien’

Dit deed u in feite al bij uw oratie in december. ’Inderdaad. In mijn oratie heb ik geprobeerd te laten zien dat de bewering, dat de revolutionairen in de laat achttiende eeuw sterk onhistorisch dachten, onjuist is. Er wordt gedacht dat de revolutionairen allerlei vormen van onhistorisch denken aanhingen en de geschiedenis helemaal niet nodig hadden, omdat ze alleen naar abstracte ideeën keken over de universele rechten van de mens, die in de natuur verankerd waren. Ik beweer juist dat men misschien niet heel erg met de recente Nederlandse geschiedenis bezig was, maar wel heel sterk geïnteresseerd was in en beïnvloed werd door de klassieke oudheid. In mijn onderzoek kun je zien dat er vaak sprake is van een wisselwerking tussen historische belangstelling enerzijds en anderzijds het formuleren van bepaalde politieke ideeën.’

Is dat ook onderwerp van uw huidige onderzoek?’ Ja. Ik hoop eigenlijk dat ik deze oratie kan uitwerken tot een breder essay over de omgang met de klassieke oudheid in de achttiende eeuw. Dit semester richt ik al mijn aandacht op het onderwijs, dus op het ogenblik ligt het onderzoek even stil. Ik heb al een uitgever gevonden die eventueel geïnteresseerd is in een boekje over dit thema, en ik hoop dat binnen een jaar

of twee tot stand te kunnen brengen. Intussen loopt natuurlijk mijn grote project over de Bataafse revolutie. Zo’n oratie is natuurlijk slechts een verhaal van een kleine drie kwartier, maar ik heb nog heel veel moois gevonden waar ik iets mee kan, zoals toneelstukken over klassieke helden die werden opgevoerd. Ik zou daarnaast graag onderzoek doen naar de parallellen die men in de achttiende eeuw trok tussen de problemen van de Republiek der Nederlanden na de Gouden Eeuw en de ondergang van het Romeinse Rijk. Dit thema komt voortdurend terug, en ik vind het heel vreemd dat niemand hier systematisch naar gekeken heeft.

Vindt u het jammer dat het onderwijs in de klassieke talen op middelbare scholen op dit moment zo onder druk staat? ’Ja, dat vind ik zeker jammer. Dit debat wordt overigens al sinds de achttiende eeuw gevoerd, toen waren er ook al mensen die zeiden dat men wel wat moest weten van die oudheid, maar hun vraagtekens zetten bij het belang van die talen. Ik zal je eerlijk bekennen: ik ben grotendeels vergeten wat ik precies bij de vakken Grieks en Latijn heb geleerd. Maar ik heb het idee dat ik van het vertalen van die klassieke teksten wel heb geleerd om heel nauwgezet te lezen. Ik merk vaak bij studenten dat ze er moeite mee hebben om teksten goed te begrijpen. Het besteden van een substantieel aantal uren aan de klassieken leert je mijns inziens wel heel erg geconcentreerd en geduldig teksten te lezen. Het gaat immers, zeker bij geschiedenis, altijd om nuances en die zie je pas als je een tijdje met een tekst bezig bent. Ik denk dat je deze kwestie ook binnen een groter probleem moet zien, namelijk dat de talenkennis in het algemeen heel erg aan het afnemen is. Ik wil niet vervallen in die

Prof. Dr. Wyger R. E. Velema

oudemannenretoriek van ‘vroeger was alles beter’, maar toch vind ik het erg jammer dat ik niet meer zomaar Franse en Duitse teksten op kan geven aan mijn studenten. Bovendien sluiten wij ons hierdoor af van Duitsland en Frankrijk, waar een bloeiende academische gemeenschap bestaat maar niet veel in het Engels vertaald wordt. Het gaat me elk jaar toch weer door merg en been dat ik Voltaire en Ranke in het Engels op moet geven.’

Vindt u dat hierdoor de kwaliteit van universitaire opleidingen omlaag is gegaan? ‘Ik vind eigenlijk dat als we de pretentie hoog willen houden dat dit een wetenschappelijke opleiding is, we er toch van uit moeten kunnen gaan dat geschiedenisstudenten de drie grote talen kunnen lezen. Overigens vind ik helemaal niet dat dit gebrek aan kennis aan de studenten ligt. Studenten komen van de middelbare school af met een kleinere talenkennis dat bijvoorbeeld dertig jaar geleden en moeten vervolgens in drie jaar zo’n bachelor er door heen jagen. Ze hebben gewoon substantieel minder studietijd gekregen. Dan heb je natuurlijk ook


EINDELOOS - NUMMER 5 - PAGINA 8 helemaal geen tijd meer om nog even een cursus middeleeuws Latijn erbij te volgen. Verder heeft het er natuurlijk ook mee te maken dat men graag wil dat zoveel mogelijk mensen een universitaire opleiding volgen. Maar als dit alleen maar kan ten koste van de kwaliteit, dan moet je er toch nog eens over nadenken of dat is wat je wil, en of je dan bijvoorbeeld niet beter extra geld kunt steken in mensen die een onderzoeksmaster volgen. Nu moeten we deze studenten vertellen dat er geen promotieplaatsen voor ze zijn: dat kan toch niet de bedoeling zijn?’ Is dat de reden dat u naar Amerika ging? Dat promovendi daar meer aandacht en geld krijgen voor hun onderzoek? ‘Nou ja, achteraf ga je altijd zeggen dat je hele goede redenen had om dingen te doen, maar eigenlijk wilde ik gewoon naar Amerika. Mijn vader gaf vroeger altijd summer courses in Amerika, en toen ik tien jaar oud was heeft hij een keer het hele gezin mee-

genomen. Het was 1965, tijdens de hoogtijdagen van de Amerikaanse cultuur en ik vond het prachtig. Bij ons vertrek stond de hele buurt ons uit te zwaaien. Dat heeft denk ik zo’n onuitwisbare indruk op mij gemaakt dat ik altijd een keer terug wilde gaan. Los daarvan ontwikkelde ik in mijn studietijd een interesse voor politieke theorieën uit de achttiende eeuw, en dat kreeg in Nederland nooit zoveel aandacht. ’

helft van. Echt een voorbeeld van zo’n boek dat je heel vaak moet lezen. Op elke bladzijde staan meer ideeën dan ik waarschijnlijk in de rest van mijn leven zal hebben: het is zo breed; zo erudiet geschreven. Ik moet toegeven: het is niet heel toegankelijk, maar wat betreft belang en diepgang is het fantastisch. Daarbij komt nog het avontuur van het lezen van dat boek, terwijl het eigenlijk te moeilijk voor me was. Zo’n boek waar echt hele nieuwe horizonten voor je zichtbaar worden kom je niet vaak tegen!’ d

‘Het gaat me elk jaar toch weer door merg en been dat ik Voltaire en Ranke in het Engels op moet geven’

Ten slotte, wat is uw lievelingsboek? ‘Wat een simpele doch onmogelijke vraag! Maar goed, dan denk ik toch The Machiavellian Moment van mijn leermeester Pocock, bij wie ik ook gepromoveerd ben. Ik vond het al zo’n fantastisch boek toen ik het las als student, ook al begreep ik er maar de

Op dit moment werkt Wyger Velema met Niek van Sas aan The First Dutch Democracy: The Political World of the Batavian Republic, 1795-1801, over de Bataafse Republiek als eerste Nederlandse democratie.

De teloorgang van de kaartenbak Afschaffing Zoeken en schrijven heiligschennis of terechte vernieuwing? Bob van Toor - Of je nu praat met een eerstejaars student of met een doctorandus die in winkels nog naar guldens omrekent, beiden zullen desgevraagd met een huivering, dan wel een glimlach van herinnering spreken over ‘de Buck’. Het blauwe boekje, dat officieel Zoeken en schrijven. Handleiding bij het maken van een historisch werkstuk heet, heeft generaties studenten ingeleid in de kunst van het annoteren. Eind vorig jaar kondigde een docent van de Rijksuniversiteit Groningen aan het boek niet meer te zullen gebruiken. Het boek zou ‘door de realiteit ingehaald’ zijn. Het betekende een breuk met een verstofte, maar respectabele traditie van drie decennia. P. de Buck, M. E. H. N. Mout, C. Musterd en ‘onze’ J. Talsma brachten hun handleiding in 1982 uit, en sindsdien is het vaste prik in het universitair geschiedenisonderwijs. De houdbaarheid van het werkje lijkt vooral te schuilen in het zeer uitgebreide stelsel van regels voor voet- en eindnoten, dat niemand (behalve, naar men aanneemt, de auteurs zelf) ooit uit zijn hoofd zal kunnen toepassen. Neem nu de correcte beschrijving van de druk van het gebruikte werk. De Buck c. s. waarschuwen voor ‘nogal wat haken en ogen’: ‘Zo wordt in het Angelsaksische taalgebied een onderscheid gemaakt tussen een nieuwe edition (een gewijzigde herdruk) en

een nieuwe impression. [Soms] weet men niet of de “revised edition” van 1966 een eerste of een tiende herziene editie is. (…) omdat gebonden en paperback-edities vaak naast elkaar bestaan, geeft ook het jaar van uitgave niet voldoende informatie over de gebruikte editie.’ Iedere historicus bewaart dus tot op de dag van vandaag wijselijk het boekje binnen handbereik, en hoewel de precisie van nakijken van docent tot docent verschilt is het nog altijd bijna onmogelijk om een foutloze literatuurlijst op te stellen zonder het werk te raadplegen. Sinds de opkomst van computers, tekstverwerkers en vooral het internet als hulpmiddelen bij het

maken van een historisch werkstuk, is er steeds meer kritiek op Zoeken en schrijven geweest. Hoewel er steeds herziene uitgaven verschenen, bleven de auteurs er van uit gaan dat de student geschiedenis werkte met een systeem van opschrijfkaartjes in een zogenaamde kaartenbak naast een schrijfmachine – al werkte pen en papier natuurlijk ook. ‘Cijfermateriaal, kaartjes en grafieken worden meestal letterlijk overgenomen. Het best kan men van dit soort materiaal een fotokopietje (laten) maken, die in een speciale map moet worden opgeborgen (vanwege het afwijkend formaat). In de kaartenbak komt dan een verwijskaartje.’ Zo wordt in het hoofdstuk


EINDELOOS - NUMMER 5 - PAGINA 9

Het beruchte, gevreesde, maar ook wel gekoesterde Zoeken en schrijven

over onderzoek gemeld.Juist door de grote eruditie die het werk uitstraalt is echter ook het gevoel van opluchting zeer groot, wanneer de auteurs de lezer een hart onder de riem steken. ‘Iedereen lijdt ook aan een zekere schrijfangst: angst voor het moment dat men met een vel wit papier voor zich nu écht moet gaan schrijven, en net als plankenkoorts bij toneelspelers gaat schrijfangst nooit vanzelf over’. Men slaakt een zucht van verlichting als blijkt dat zelfs deze wetenschappers die zonder blikken of blozen een ‘retrospectieve bibliografie die selectief is’ als Repertorium der verhandelingen en bijdragen betreffende de geschiedenis des vaderlands, in tijdschriften en mengelwerken verschenen uit de kast trekken om hun kaartenbak mee te spekken, dezelfde schrijfangst kennen als een simpele student.

Hoewel het boekje dus op een aantal punten een kwaliteit biedt die klaarblijkelijk niet snel veroudert, begint het nu dan toch uit de gratie te vallen. Aan de Rijksuniversiteit Groningen is het hoge woord er al uit: Karl Heidecker, docent middeleeuwse geschiedenis en verantwoordelijk voor het eerstejaarsvak Vaardigheden, schafte het blauwe boekje af. Hij meent dat het boek door de realiteit is ingehaald, en niet alleen omdat de laatste gewijzigde editie (revised edition, 1997) nog ijskoud vermeldt: ‘bezit men zelf een tekstverwerker, dan maakt men eerst een proefstukje om alle relevante faciliteiten van het programma te testen’. Auteur Jaap Talsma kan zich in deze kritiek overigens best vinden. ‘Het boekje is in de jaren negentig voor het laatst herzien en is langzamerhand geheel uit de tijd’, meent hij. ‘De digitale revolutie die zich sindsdien in ons vak heeft vol-

trokken, lijkt nagenoeg geheel aan deze handleiding voorbij te zijn gegaan.’ Ook de uitgave zelf heeft zijn langste tijd gehad, zoals een blogger droogjes opmerkt, met ‘lekker rommelige opmaak, verspringende kantlijnen, veel verschillende lettertypes. Het boekje is vermoedelijk het proefstukje waarmee de Buck zijn nieuwe tekstverwerker heeft uitgeprobeerd.’ De strakke regels die de Buck biedt zijn volgens Heidecker niet meer bruikbaar in interdisciplinair onderwijs. ‘Van allerlei studies komen er studenten een minor bij geschiedenis volgen. Die hebben andere manieren van annoteren geleerd en kennen de methode niet. Andersom geldt het ook voor geschiedenisstudenten die elders vakken volgen. We willen de studenten gewoon meerdere stijlen van verwijzen aanleren.’ Er wordt nu gezocht naar een vervangend werk, maar dat is tot noch toe niet gevonden en twee docenten aan de Rijksuniversiteit zijn bezig zelf een handboek te schrijven. Er gloort echter nog hoop voor het blauwe boekje: Jaap Talsma is na zijn emeritaat begonnen aan de inhaalslag die zo lang op zich heeft laten wachten. ‘Ik liep al heel lang met het plan rond om het boek ingrijpend te herzien en heb in dat kader in de afgelopen vijf jaar diverse nieuwe teksten geschreven. Ik vond echter steeds niet de tijd om de herziening te voltooien. Na mijn pensionering op 1 april j.l. heb ik met veel enthousiasme de herziening opnieuw ter hand genomen. Eind juni was ik daarmee klaar. Het resultaat is een - volgens mij - geheel aan de eisen van de tijd aangepaste handleiding.’ Door complicaties met de andere auteurs en de uitgeverij laat de nieuwe versie van Zoeken en schrijven nog even op zich wachten. ‘Niettemin hoop ik erin te slagen nog in dit studiejaar een bijdetijdse handleiding op de markt te brengen. Daar zal ik dan hopelijk ook collegae van de nieuwe generatie bij kunnen betrekken, die het stokje t.z.t. geheel van mij zullen moeten overnemen.’ Er zit, kortom, nog leven in het oude werk, en als de UvA nog even geduld heeft, hoeft er wellicht niet, zoals in Groningen, rigoureus gebroken te worden met een dierbare pijler van het geschiedenisonderwijs. d


EINDELOOS - NUMMER 5 - PAGINA 10

ruimte voor advertentie


EINDELOOS - NUMMER 5 - PAGINA 11

Middeleeuwse geschiedvervalsing met goud en edelstenen Dubbellezing op het snijvlak van kunstgeschiedenis en geschiedenis Door Kick Hommes – ‘N. A. G. K. S.’, het weblog van een zestal Amsterdamse studenten kunstgeschiedenis, organiseert deze maand een serie voorjaarslezingen. In het kader van deze reeks gaven docenten Wendelien van Welie en Jitske Jasperse op 17 februari een dubbellezing. Beide kunsthistorici betraden het vruchtbare grensgebied tussen geschiedenis en kunstgeschiedenis in hun onderzoek naar manipulatie met goud en edelstenen door de eeuwen heen. In de lezing behandelden Van WelieVink en Jasperse ieder een case study van manipulatie met, en manipulatie van de geschiedenis van goud en edelstenen. Door een opvallend nadrukkelijke historische invalshoek wisten zij de -toch al vage- scheidslijn tussen de twee disciplines te overbruggen. Nadat drie verschillende laptops niet bleken te werken, en Van Welie-Vink met vouwfiets en een blos op de wangen het Bungehuis was binnengestormd kon de lezing aanvangen. Het grote enthousiasme van de sprekers maakte meteen veel goed. De gemoedelijke sfeer tijdens de goedbezochte lezing vloeide ongetwijfeld deels voort uit het vrijblijvende karakter van de lezingenreeks, waarin docenten worden uitgenodigd te vertellen over hun ‘recente onderzoek, net gepubliceerd werk óf gewoon, heel simpel, favoriete kunstenaar’, aldus aankondiging op de website. Dat de onderwerpkeuze van de lezing naar eigen voorkeur was straalde van de sprekers af. Wendelien van Welie-Vink sprak over de Rijkskroon van Otto I, een monumentaal kunstobject met een directe link naar zowel Karel de Grote en het Byzantijnse Rijk als de Tweede Wereldoorlog. Deze kroon was een creatie van de machtswellustige Otto I,

De Rijkskroon bevindt zich inmiddels in Wenen

die in 962 geen genoegen nam met zijn titel als hertog van Saksen, maar wilde regeren over een groter gebied. Om zijn pretenties kracht bij te zetten zocht Otto naar een object waarmee hij zijn macht kon legitimeren en waardoor duidelijk werd dat alleen hij de rechtmatige keizer van het Heilige Roomse Rijk kon zijn. Hij was van plan zich, geheel in de stijl van Karel de Grote een kleine twee eeuwen eerder,

te laten kronen in de dom van Aken. Otto wilde echter wel een uitzonderlijke kroning, en speciaal voor hem werd en zeer speciale kroon gemaakt, de Reichskröne. Deze kroon, waarvan het ontwerp werd gebaseerd op de sierlijke hoofddeksels van de Byzantijnse vorsten, zou bekendheid krijgen door de foto’s die Amerikaanse soldaten maakten nadat zij de kroon tijdens de invasie van Duitsland in


EINDELOOS - NUMMER 5 - PAGINA 12 1945 in een bunker gevonden hadden. Jitske Jasperse sprak over Hendrik de Leeuw, in de twaalfde eeuw hertog van Saksen en Beieren, en de Welfenschat die Hendrik en zijn vrouw Mathilde na hebben gelaten. Jasperse legde een link tussen de leiders van het Naziregime in Duitsland in de twintigste eeuw en de middeleeuwse figuur van De Leeuw. Delen van de schat van het machtige geslacht der Welfen, bestaande uit persoonlijke bezittingen van Hendrik en Mathilde, waren eind jaren dertig via een ingewikkelde omweg in het bezit gekomen van de Duitse regering. Joseph Goebbels maakte van De Leeuw een icoon van het Duitse idealisme. Ook De Leeuw had expansie naar het Oosten nagestreefd, precies zoals de Nazi-reging wilde in hun zoektocht naar Lebensraum. Goebbels benoemde de schat van Hendrik en Mathilde tot nationaal erfgoed. Hitlers minister van Propaganda trachtte op deze manier De Leeuw min of meer tastbaar te

Fictieve voorstelling van Karel de grote mét Rijkskroon door Albrecht Dürer

maken voor het Duitse volk. De Welfenschat was hierbij de factor die beide tijdsperiodes verbond. Het thema van manipulatie kwam zo in beide lezingen sterk naar voren. De beschreven kunstobjecten werden tot middel in het streven naar overheersing en de legitimering van grote personen uit de geschiedenis. Omdat de sprekers hun onderwerp in een brede historische context plaatsten, werd de lezing geschiedkundig interessanter, terwijl de kunsthistorische ondertoon nooit uit het oog werd verloren. Van Welie-Vink was na afloop ook stellig in haar opmerking dat ‘om kunst te begrijpen deze verweven moet worden in de geschiedenis’. Zij gaf het waardevolle inzicht dat er altijd een zekere uitwisseling moet zijn tussen de kunst en de historische feiten. Niet alleen omdat kunst niet begrepen kan worden zonder context, maar ook omdat geschiedenis zelf veel beter begrepen kan worden door aan-

dacht voor de kunsthistorische ideeën en objecten. Zowel de Rijkskroon van Otto I als de Welfenschat van Hendrik de Leeuw hebben een niet te onderschatten invloed gehad op de loop van de geschiedenis. Waar historici deze kunstobjecten af misschien af zouden doen als bijzaken van historische gebeurtenissen, werd de middeleeuwse gedachte die achter het gebruik van deze kunstvoorwerpen zat door de twee kunsthistorici verduidelijkt en benadrukt. Het kunstobject an sich werd op de voorgrond geplaatst, wat leidde tot een verfrissende blik op historische gebeurtenissen. Zowel Wendelien van Welie-Vink als Jitske Jasperse zijn aldus prima geslaagd in hun opzet, kunstobjecten te plaatsen in historisch perspectief, zonder dat daarmee de intrinsieke waarde van de kunstobjecten volledig naar de achtergrond verdwijnt. d

‘Om kunst te begrijpen moet deze worden verweven in de geschiedenis’

Een deel van de Welfenschat van Hendrik de Leeuw


EINDELOOS - NUMMER 5 - PAGINA 13

Complementair jargoncontrast of relatief ton-sur-ton? Door Steven van den Haak – Van alle vaktalen schijnt het kunstjargon het meest tot de verbeelding te spreken. Hierin streeft ons eigen artistieke spraakje die van de medische en juridische wereld ver voorbij, maar waarom eigenlijk? Uiteraard zijn woorden als ‘clairobscur’, ‘atmosferisch perspectief’ en ‘hoekrisaliet’ geen woorden van alledag, toch vinden de meeste kunstgeschiedenisstudenten het zeer onwaarschijnlijk dat het kunstjargon zo’n reputatie zou hebben. ‘Hebben wij een jargon?’ is de vraag die men vaak hoort. Een met de auteur bevriende student civiele techniek knikt bevestigend: onbegrijpelijk, dat taaltje dat je soms uitkraamt.’ En ondanks de ietwat bruuske wijze waarop deze bèta me dit duidelijk maakte kwam het ook mij voor dat het kunstjargon misschien wel zeer tot de verbeelding zou kunnen spreken voor de gemiddelde kunstleek. Dat de meeste studenten kunstgeschiedenis zich dit niet realiseren heeft misschien als oorzaak dat het betreffende ‘taaltje’ er al zo in gebakken zit dat het er zo nu en dan uitfloepen van bepaalde termen geheel onbewust gaat. Het luisteren naar een gepassioneerd kunstdispuut tussen twee studenten kan dan ook zowel een lust voor het oor zijn als een geniepig raadsel met vele valkuilen. Zo hoeft

een ‘varken’ zeker niet altijd een intelligent zoogdier, ook wel bekend om zijn snuit en krulstaart, te zijn. Dit geldt echter zeker niet alleen voor het kunstjargon. Vele andere jargons kunnen zonder de vereiste kennis van termen een waterval van nevelige begrippen zijn. De auteur herinnert zich hierbij een fascinerend betoog van een studente biologie over de enorme variëteit aan schimmels en mossen. Is het kunstjargon dan zo vreemd voor de leek omdat kunst op zich al enigszins vaag lijkt te zijn? Voor de minder kunstgerichte ziel zijn de in gelatine gevatte halve haaien van Damien Hirst al een gruwel met een flinke dosis vaagheid, laat staan de kritieken die erover geschreven worden. ‘Om kunstcriticus te worden moet je eerst leren zo min mogelijk te zeggen in zo veel mogelijk woorden.’ Is het credo dat veel critici zich lijken aan te meten. En zo ook de ‘toelichting’ die bij veel galeries en tentoonstellingen gegeven wordt bij de te bezichtigen kunstwerken. De tentoonstelling ‘Niet

Normaal’ in de Beurs van Berlage is een goed voorbeeld van hoe vaag, maar tegelijkertijd fascinerend kunst kan zijn en de verklarende bordjes onder of naast de kunstwerken fungeren net zo toereikend als voorbeeld voor ons jargon. Het kunstjargon is dus een aangeleerde vaagheid, alhoewel het voor de kenner zelf zeer concreet is, en fascineert de leek. Niet omdat ons taaltje minder vaag lijkt dan die van andere vakgebieden, maar omdat dit ook ondersteund wordt door de intrigerende vaagheid die kunst over het algemeen uit lijkt te stralen. Een blik binnen een kunstacademie bevestigt dit wanneer de toeschouwer lange ongewassen kapsels en zachte stemmen druk gebarend hoort delibereren over een groot doek getooid met mensenharen. Maar het schimmelbetoog herinnerend blijft de auteur toch maar discussiëren over ‘het varken, in stand gehouden door de kauwgombalmortel, daar aan dat vijftiende eeuwse pandje aan het Singel.’ d

Voor de minder kunstgerichte ziel zijn de in gelatine gevatte halve haaien van Damien Hirst al een gruwel met een flinke dosis vaagheid

? n e g n i r a b en p O ? s l e s n l! spi n n . e s m r a e d r H e ? t ms s e ls a r o e i o e r l e k l e @ i s Z lo o e d n i e r a na p o e z r u Stu


EINDELOOS - NUMMER 5 - PAGINA 14

Avonturen in het Archief! Door Joris Belgers - De bibliotheek en het archief: voor velen van ons voelt het aan als ons tweede huis. Deze maand toog Eindeloos naar Zeeburg, om te kijken of er in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis nog wat te beleven viel. Het is een nogal imposant gebouw – het voormalig cacaopakhuis aan de Cruquiusweg, maar dat mag ook wel: er bevindt zich naast een omvangrijke bibliotheek zo’n vijftig kilometer aan archiefmateriaal, waarbij ook nog een hele zooi foto, affiche en geluidsmateriaal bij mag worden opgeteld. En buttons. Die ze overigens niet verkopen – het is een onderzoeksinstituut, geen winkel. Zo vermeldt de website tenminste. Wat ook op de website te vinden is dat inmiddels het aantal virtuele bezoekers en onderzoekers ten opzichte van de echte archiefmuizen ongeveer 150 op 1 is. Dat is te merken, want het is erg rustig in de studiezaal van het IISG, in het van binnen modern vormgegeven pakhuis. Het doet nu niet direct denken aan een stoffig archief, integendeel. Wat wel nog op een stoffige manier gebeurt is het aanvragen van stukken – op schattige velletjes papier die nog uit de jaren ’70 lijken te stammen – waarna de aangevraagde ordner of boek binnen een uur voor je klaar ligt. Door een fout mijnerzijds, of mijn handschrift, ligt er opeens een

boek over Chinese kunstuitingen ten tijde van de Culturele Revolutie voor mij klaar in plaats van een Duitse verkiezingsposter, dus dan wachten we gewoon nog een uurtje extra. Wat mij in elk geval eens goed de tijd geeft om te kijken of er nog avontuurtjes te beleven zijn. In de verder lege studiezaal zit een niet al te onaantrekkelijk meisje half verstopt tussen twee stapels ordners, dus ik positioneer mijn laptop op een strategische positie. Na mij opgemerkt te hebben verplaatst zij haar stapels echter ook strategisch. Aan de andere kant van de tafel staat een eenzame, roze minilaptop, mijn aandacht verplaatst zich dan ook snel die kant op. De gigantische bebaarde man die daar echter na vijf minuten achter plaatsneemt is alleen niet helemaal mijn type dus ik besluit, nog steeds wachtend op mijn stukken, maar eens de kantine te gaan inspecteren. En die kantine is wel het Mekka voor de arme student, want twintig cent voor vers gezette koffie of veertig voor een gevulde koek: daar kunnen ze bij Sorbon nog wat van leren. Ook de kantine is verder uitgestorven, dus geef ik mijn drang naar avontuur op en ga mij eens verdiepen in een minuscuul deel van de gigantische collectie die het IISG rijk is – waar immers nog veel meer avonturen te beleven zijn. d

actIVItEItEN Vanaf 6 maart: Tentoonstelling Matisse tot Malevich - pioniers van de moderne kunst in Hermitage Amsterdam Tot 8 maart: Tentoonstelling Niet Normaal in Beurs van Berlage Tot 17 maart: Tentoonstelling Alexander Rodchenko - Revolution in Photography in het FOAM Tot 24 maart: Tentoonstelling Mylou Oord- It would be so nice in het FOAM 2-4 April Kleio’s Liftwedstrijd naar Berlijn

12-16 April Kleio’s Lustrumweek 13 April: Dag van de Geesteswetenschappen 14-24 April: Imagine Filmfestival in filmtheater Kriterion Tot 18 April: Tentoonstelling Oman in Zicht in de Nieuwe Kerk 27 April: KunstNed Symposium 1 - 9 Mei: Kleio’s Studiereis Sarajevo en Belgrado Tot 6 Juni: Tentoonstelling Paul Gaugin - De doorbraak naar de moderniteit in het Van Gogh Museum


EINDELOOS - NUMMER 5 - PAGINA 15

Anna heeft het nog steeds koud Een Amsterdamse te Irkoetsk - deel 2

Eindredactie Clara van de Wiel Onno La Rivière Vormgeving Joris Belgers Penningmeester Thomas Smits

Redactie Joris Belgers Steven van den Haak Kick Hommes Maarten Goethals Micha Mos Maria Veder Thomas Smits Clara van de Wiel Stagiair Onno La Rivière Met bijdrage van Anna van der Tas

l ia

Hoofredacteur Bob van Toor

ec Sp

cOLOfON

Ed

rië be Si

Er zijn misschien een paar vuistregels van toepassing op dit wijd uitgestrekte land. Ten eerste: Russische treinen zijn altijd en zonder uitzondering efficiënt en op tijd. Ten tweede: Russische universiteiten zijn dat niet. Na een reis van 81 uur rolde mijn trein uiteindelijk een halve minuut te laat het eindstation binnen. De Russische universiteit ontfermde zich pas na vijf weken over ondergetekende, die zich zonder enige kennis van het Russisch in een ver gevorderde klas moest zien te redden, en die op de vraag of er andere buitenlanders zouden komen de eerste

tijd schouderophalend antwoorden kreeg. Het plan was zelfs terug naar Amsterdam te komen om dan maar tijd en geld nuttig te besteden aan de UvA, maar dat ging zelfs de universiteit hier te ver. Plotseling bleek er wel een makkelijkere groep te bestaan en zou er wél rekening worden gehouden met de taalachterstand van dit verloren schaap. Ook een groepje internationale medestudenten is inmiddels gearriveerd: het officiële semester bleek veel later te beginnen dan mij was verteld. De internationale contactpersonen blijken ook slechts een pawn in their game: ze kunnen het allemaal ook niet helpen. Ochja, typisch Russisch wellicht. Typisch Russisch zeg ik, maar wat kenmerkt dat Russisch-zijn dan? Er zijn er die menen dat er iets bestaat als ‘de Russische ziel’. Een verschijnsel waar boeken over vol geschreven zijn, waar Jelle Brandt Corstius een aflevering van zijn briljante televisieserie Van Moskou tot Magadan aan wijdde en waar de meningen flink over verschillen. Ikzelf geloof er nauwelijks in,

t Ui

Door Anna van der Tas - Een maand is verstreken sinds mijn vorige relaas, en de ijzige straten beginnen langzaamaan te veranderen in een vieze modderpoel. Siberisch ijs gedijt immers slecht bij temperaturen hoger dan min tien, en met genoegen meld ik de lezers thuis dan ook dat de temperatuur hier tijdelijk tot een prettige min zeven is gestegen! Maar genoeg over de kou, die kennen we nu wel. Laat ik het over Rusland hebben.

maar ik zal een oppervlakkige poging wagen. Het eerste kenmerk dat Brandt Corstius noemde in zijn serie was - hoe kan het ook anders - de wodka. In elke e-mail die ik van vrienden ontvang, valt het woord ‘wodka’ wel een keer. Het lijkt wel of de brave Hollander zich mij voorstelt in een drankwalm die zich over de koude straten uitstrekt en te midden van andere dronkaards. Lacherig zeggen mijn vrienden dat ik wel met een vergrote lever terug zal komen. Nu moet ik zeggen dat ik zeker wel van een glaasje houd en al flink wat wodka achterover heb geslagen, maar aan de Russen kan ik niet tippen. Zeker niet aan die uit Irkoetsk. Irkoetsk kent van alle Siberische steden immers bijna het hoogste percentage alcoholisten, en

dE

Eindeloos is een onafhankelijk periodiek van en voor de studierichtingen Geschiedenis en Kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en is gelieerd aan Studievereniging Kleio. Eindeloos ligt iedere maand bij de lift op de vijfde verdieping van het P. C. Hoofthuis. Reacties en ingezonden stukken kunt u mailen naar eindeloos@kleioamsterdam.nl.


EINDELOOS - NUMMER 5 - PAGINA 16

ec Sp l ia

t Ui rië be Si

daarnaast mag ook het heroïneprobleem hier niet onderschat worden. Armoede is troef in Siberië. Glibberend door de straten - gladheid is hier ook troef - is het aantal lege flessen en, voor diegenen met een scherpe blik, spuiten niet te tellen. Siberische steden moeten door schaarste en de afgelegen ligging vrijwel al hun producten importeren, wat maakt dat er Europese prijzen gerekend worden, terwijl men Russische lonen verdient. Hier leven is voor het gemiddelde gezin duur, en gecombineerd met een hoog werkeloosheidscijfer is het dan ook geen wonder dat sommigen naar de fles grijpen. Ook onder de studenten is het probleem merkbaar. Lunch met bier lijkt de normaalste zaak van

de wereld, en ik voel me altijd een buitenstaander wanneer ik verbaasd ben over het halve-literblik bier in de hand van een medestudent, in plaats van de gewone mok koffie. Wat de Rus echter nog veel meer kenmerkt, is de felheid in karakter. Het Russische karakter kan, zonder hierbij grote groepen over één kam te willen scheren, veelal omschreven worden als vriendelijk doch dwingend. De wens behulpzaam te zijn is groot, maar wordt wellicht niet altijd even gepast geuit. Ter illustratie: toen ik een tijdje geleden per nachttrein derdeklasse reisde naar een stad in de omgeving, lag ik zonder kussen te slapen, aangezien ik er geen gekregen had. Ik sliep er niet minder om, maar de oncomfortabele positie van deze kleine devushka ontzette mijn grote Russische buurman blijkbaar zo erg, dat hij ’s nachts mijn slapende hoofd met beide handen vastgreep, hardhandig zijn eigen kussen eronder dauwde en mijn hoofd er met veel geweld weer in duwde, om vervolgens nors naar me te knikken met een ‘heb-ik-dat-evenmooi-voor-jou-geregeld’-blik in zijn

ogen. Nou bedankt hoor, buurman. Ook de zorgen van mensen op straat over mijn al dan niet te dunne kleding blijven mijn hart verwarmen. De woordenteller tikt door, ik ben al bijna aan mijn limiet en ben er wederom niet in geslaagd de grotere onderwerpen aan te snijden. Zo is het kantoor van de belangrijkste milieuorganisatie in Irkoetsk kort geleden door de regering gesloten vanwege ‘ongewenste meningen jegens het milieubeleid’, is er tegelijkertijd dertig kilometer hiervandaan een heftige gifontploffing in een aluminiumfabriek geweest en ligt één van de grootste Goelag-kampen van Siberië na zestig jaar nog altijd onaangetast naast de Irkoetskse treinrails, wachttorens incluis. Van een monument is geen sprake. Maar ik praat niet graag over zaken die me deprimeren. Misschien is dat wel de kern van de Russische ziel: niet nadenken over narigheid, gewoon vrolijk doorleven en doen alsof je neus bloedt. Wellicht integreert deze devushka dan uiteindelijk toch nog. d

Het eerste kenmerk was - hoe kan het ook anders de wodka


Eindeloosmaart2010j13n5