Issuu on Google+

Toekomstscenario Antistollingszorg


Toe k o m s t s c e n a r i o A n t i st o l l i n g s z or g

Inleiding In dit toekomstscenario beschrijven de Nederlandse trombosediensten en de Federatie van Nederlandse Trombosediensten (FNT) welke ontwikkelingen zij zien die van invloed zijn op de antistollingszorg in Nederland in de komende jaren. Op grond daarvan formuleren zij de richting waarin de huidige trombosediensten zich wensen te ontwikkelen. De leden van de FNT hebben dit document in de ledenvergadering van 25 november 2013 vastgesteld.

2


Toe komst sc e na r io Ant ist ollingsz or g

Relevante ontwikkelingen rond de antistollingszorg in Nederland De leden van de FNT stellen vast dat een aantal ontwikkelingen van grote invloed is op de toekomst van de antistollingszorg. Hieronder wordt een aantal belangrijke ontwikkelingen beschreven: 1. Het in 2011 verschenen rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) getiteld ‘Ketenzorg antistolling niet sluitend’ heeft een aantal constateringen gedaan over de kwaliteit van de antistollingsbehandeling, het daaraan verbonden wetenschappelijk onderzoek en de opleiding in Nederland. Op grond daarvan zijn aanbevelingen voor het veld gedaan waarmee de veldpartijen op dit moment aan de slag zijn. 2. De introductie van directe orale anticoagulantia (DOAC). De verwachting van velen was dat grote aantallen patiënten zouden overstappen van vitamine K-antagonisten (VKA’s) op DOAC en dat daarmee de hoeveelheid werk voor de trombosediensten fors zou afnemen. Op dit moment zijn zowel de (uiteindelijke) omvang van het aantal DOAC-gebruikers als het tempo waarin die omvang wordt bereikt voor alle betrokkenen minder duidelijk. 3. Bij patiënten en hun vertegenwoordigers (NPCF, Hart & Vaatgroep, cliëntenraden) treden veranderingen op in wensen en behoeften. Dit betreft het meer centraal stellen van de patiënt via het voeren van eigen regie en het hebben van keuzemogelijkheden. 4. De maatschappelijke druk te streven naar bevordering van kwaliteit en daarover verantwoording af te leggen. Bij een toenemend aantal wetenschappelijke verenigingen worden kwaliteitseisen geformuleerd, waarbij zeker bij ziektebeelden en ingrepen met een lage incidentie volume-eisen worden geïntroduceerd. Deze ontwikkelingen zijn op meerdere plekken in de 1e, 2e en 3e lijn gaande en de gemeenschappelijke noemer is kwaliteit, in de brede zin des woords, als leidend criterium. In veel gevallen leidt dit tot meer regionale samenwerkingsverbanden en een meer ketengerichte organisatie. 5. Gereguleerde marktwerking en de bijbehorende prestatiebekostiging gaan m.i.v. 2014 ook voor trombosediensten en eerstelijns diagnostische centra gelden. Dit geeft andere verhoudingen tussen bestaande zorgaanbieders onderling en tussen bestaande en nieuwe zorgaanbieders op de markt. Nieuwe toetreders kunnen een positieve impuls betekenen voor het gehele veld. Parallel hieraan zal ook de komende jaren druk blijven bestaan op kostenbeheersing. Dat kan een stimulans voor samenwerking betekenen. 6. Veranderingen in de informatietechnologie maken dat een aantal zaken minder plaats- en tijdgebonden is, waardoor samenwerking zich kan uitstrekken over terreinen waar dat eerder niet mogelijk was.

3


Toe k o m s t s c e n a r i o A n t i st o l l i n g s z or g

Naast deze ontwikkelingen zijn er ook enkele ‘vaststaande’ feiten of gegevens • D  e raison d’être van de trombosediensten (en daarmee ook van de FNT) is ‘het bevorderen van de kwaliteit van de antistollingsbehandeling in Nederland’. • Antistollingsbehandeling is risicovol en daarmee is patiëntveiligheid een kerntaak van trombosediensten. Doordat de patiënt complexer wordt (ouder, meer co-morbiditeit), wordt ook deze taak complexer. Met de komst van de DOAC is dit onverminderd het geval. • Dat de trombosediensten mede vorm willen geven aan de (re)organisatie van de antistollingszorg komt voort uit de reden van bestaan van de diensten, het grote aandeel in de patiëntenzorg en de aanwezige expertise op het gebied van de antistollingsbehandeling met VKA. Bovenstaande ontwikkelingen geven ieder voor zich, maar ook in samenhang beweging in het veld van de antistollingszorg. Omdat de genoemde ontwikkelingen zowel qua richting als tempo onzeker zijn is het heel moeilijk het “eindplaatje” over drie of vijf jaar te schetsen. Toch zullen trombosediensten moeten inspelen op deze ontwikkelingen, rekening houdend met de regionale situatie en de eigen positie in die regio. De meeste trombosediensten willen dat ook en realiseren zich dat niet inspelen op deze ontwikkelingen geen optie is. Zij hebben het FNT-bestuur gevraagd het voortouw te nemen voor de totstandkoming van een toekomstscenario. Dit toekomstscenario is geen gedetailleerde blauwdruk, maar kan worden gezien als een ‘ontwikkelrichting’. Het geeft de richting aan waarin de huidige trombosediensten en de partners in de antistollingszorg zouden moeten bewegen om in te spelen op de genoemde ontwikkelingen en daarmee voorbereid te zijn op de toekomst. Binnen deze ‘ontwikkelrichting’ blijft ruimte om in te spelen op de regionale wensen en behoeften.

4


Toe komst sc e na r io Ant ist ollingsz or g

Toekomstscenario van de antistollingszorg Patiënten zijn gebaat bij goede antistollingszorg en trombosediensten willen en kunnen, nu en in de toekomst, een belangrijk deel van die zorg leveren. De patiënt als uitgangspunt in het zorgproces, kwaliteit en veilige zorg (incl. medicatieveiligheid) waren altijd al belangrijk, maar zullen bij de ingezette transitie nog nadrukkelijker leidend zijn, met efficiency als noodzakelijke randvoorwaarde. De Landelijke Standaard Ketenzorg Antistolling (LSKA) en de Leidraad bieden aanknopingspunten om de gesprekken aan te gaan met zorgaanbieders in de 1e, 2e en 3e lijn, waarbij nadrukkelijk ook de collega-trombosediensten betrokken moeten worden. Op een aantal plaatsen zijn deze gesprekken in de vorm van ‘regiotafels’ al in gang gezet en dit leidt tot vormen van regionale samenwerking tussen trombosediensten, ziekenhuizen, huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde, apothekers en tandartsen. Vanuit het perspectief van optimale effectieve en efficiënte zorgverlening is het goed de totale antistolling bij elkaar te brengen, zonder dat dit tot nieuwe instituten moet leiden. Veel meer moet gedacht worden aan samenwerkingsverbanden waarin de bestaande partijen die zich bezig houden met antistolling, elkaar opzoeken, kennis uitwisselen en hierover (formele) afspraken maken. Het is dus geen vrijblijvende samenwerking en om die reden moet de samenwerking uiteindelijk wel op enige wijze geformaliseerd worden.

5


Toe k o m s t s c e n a r i o A n t i st o l l i n g s z or g

Regionale antistollingscentra De FNT en haar leden willen inzetten op deze regionale samenwerkingsverbanden die op dit moment als werktitel de naam ‘regionale antistollingscentra’ krijgen. De VKA-behandeling, thans het werkterrein van de trombosediensten, gaat onderdeel uitmaken van deze ‘regionale antistollingscentra’ die verder als volgt getypeerd kunnen worden: 1. de patiënt kan voor het gehele scala aan antistollingszorg terecht bij het ‘regionaal antistollingscentrum’ 2. binnen het gehele antistollingscentrum vindt protocollaire afstemming plaats 3. per patiënt wordt de optimale keuze voor de behandelstrategie gemaakt (VKA, DOAC, wel of niet zelfmeten) 4. behandeling met VKA of DOAC en wel of niet zelfmeten kan in de tijd wisselen op grond van de wens of behoefte van de patiënt 5. er is brede kennis over overbrugging / bridging aanwezig 6. compliance / therapietrouw wordt bevorderd en geoptimaliseerd 7. de sterke punten van de huidige organisaties (bijv. logistieke functie trombosedienst) worden in het regionale antistollingscentrum benut 8. binnen het antistollingscentrum is brede complicatieregistratie mogelijk 9. om de samenwerking in groot regionaal verband vorm te geven wordt gedacht aan samenwerkingsafspraken tussen 2-5 trombosediensten en 2-5 ziekenhuizen 10. schaalvergroting is geen doel op zich maar biedt kansen om een aantal zaken (w.o. kennis en opleiding) op een hoger niveau te brengen 11. het samenwerkingsverband moet wel ‘op een of andere wijze’ geformaliseerd worden, dit kan per regio binnen de bovenstaande kaders verschillend ingevuld worden. 12. Het centrum stelt de ketenbenadering voorop en laat zich niet typeren als 1e, 2e of 1,5e lijn. Het gehele continuüm van de antistollingszorg vindt er plaats.

6


Toe komst sc e na r io Ant ist ollingsz or g

Bij deze samenwerkingsverbanden is schaalvergroting geen doel maar een middel. De activiteiten die te maken hebben met de patiënt moeten zo dicht mogelijk bij de patiënt georganiseerd blijven (of worden). Om dit te realiseren kan een scheiding aangebracht worden tussen front office en back office activiteiten, waarbij (als denkrichting) gedacht kan worden aan de volgende invulling: Frontoffice: alle directe patiëntcontacten, uitrijfunctie, apothekersfunctie (en andere logistieke taken met directe relatie met de patiënt), laagdrempelige toegang voor de patiënt. Eenduidige afspraken worden gemaakt met eigen en ook omliggende ziekenhuizen. Backoffice: dosering, 24 uur bereikbaarheid, laboratoriumfunctie, medische kennis, kwaliteitsbewaking, ICT-optimalisatie voor o.a. inloggen op afstand, ontwikkeling e-health, bevorderen en verbreden van kennis en kunde (niet van één persoon afhankelijk), onderzoek, protocollen (incl. bewaken). In de concrete uitwerking zal per regionaal antistollingscentrum sprake zijn van meerdere frontoffice locaties dicht bij de patiënt georganiseerd, met één backoffice.

Expertisecentra De regionale antistollingscentra (indicatief: 10-20) zijn eerst en vooral gericht op de patiëntenzorg. Vanuit de regionale antistollingscentra kan een beperkt aantal ‘expertisecentra’ ontstaan (indicatie: 3-4). Per expertisecentrum werken één of meer regionale antistollingscentra en één (of meer) umc’s en/of topklinische ziekenhuizen met specifieke expertise op gebied van antistolling samen t.a.v.: ➤ Wetenschappelijk onderzoek ➤ Innovatie ➤ Opleiding en onderwijs ➤ Topreferente zorg

7


Toe k o m s t s c e n a r i o A n t i st o l l i n g s z or g

Schematisch ziet dit er als volgt uit

Trombosediensten (nu: 54)

Regionaal Antistollingscentrum (indicatie: 10-20)

Huidige trombosediensten

Regionale antistollingscentra: Samenwerkingsverbanden tussen trombosediensten en ziekenhuizen met sterk gedecentraliseerde frontoffice en geoptimaliseerde backoffice functionaliteiten voor de totale antistollingszorg, met focus op patiëntenzorg. Expertisecentra: Samenwerkingsverbanden tussen antistollingscentra, umc’s en topklinische ziekenhuizen die zich richten op onderzoek, innovatie, opleiding, onderwijs en topreferente zorg.

Tijdpad: De leden van de FNT hebben in de ledenvergadering van 25 november 2013 de hoofdlijnen van dit toekomstscenario onderschreven en zullen de ingeslagen route in de regio verder vorm en inhoud geven. De transitie van de huidige 54 trombosediensten naar een beperkter aantal regionale antistollingscentra zou in circa drie jaren (2014-2016) plaats moeten vinden. De tweede stap waarbij vanuit deze kring van regionale antistollingscentra enkele expertisecentra zijn ontstaan kan parallel worden ingezet maar zal mogelijk pas over vijf jaar (2017) zijn uitgekristalliseerd.

Uitgave december 2013

8

Dobbeweg 1a • Postbus 100, 2250 AC Voorschoten • T 071 - 5617776 • E fnt@fnt.nl • www.fnt.nl


Toekomstscenario antistollingszorg