Page 1

jaargang 2 nr.5 april 2008

Blad voor amateurkunst in Groningen

t h e man um m er Theat e r m a a r d a n a n d e rs


in dit nummer

Re d actio neel

1

T h e ate r m aar dan anders

2

S ame n w erken met een schrijver

4

L o kaal -muz iek- t heat er Occis

8

T h e ate r v or mgeving en de kunst van het weglat en

10

F y s ie k th eat er, beweging als uit gangspunt

12

Mas ke r s

15

Bib lio g r afie

18

Kie ze n v oor Nederlandse aut eurs

19

L e kke r

20

Waar kan ik informatie vinden over voorstellingen en manifestaties? In ‘Blick’ is geen agenda opgenomen. Voor informatie over voorstellingen, uitvoeringen en manifestaties in stad en provincie kunt u terecht op verschillende websites. Enkele belangrijke zijn: de site van ‘Blick’ www.blickmagazine.nl de site van het Groninger Centrum voor Amateurtheater: www.gca-nvagroningen.nl de site van Kolder & Ko: www.kolderenko.nl De site van 050 Uitmagazine Groningen: www.groningeruitburo.nl www.regionalecultuurplannen.nl

Colofon Blick is het blad voor amateurkunst in Groningen en verschijnt zes keer per jaar. Het is een gezamenlijke uitgave van De Theaterwerkplaats De Prins van Groningen, de Regionale Cultuurplannen (samenwerking provincie Groningen en 22 Groninger gemeenten), het Gronings Centrum voor Amateurtheater, Kolder & Ko Redactieadres De Theaterwerkplaats, t.a.v. redactie Blick (Hans Sissingh), Noorderbuitensingel 11, 9717 KK Groningen Tel. 050-8507159 e-mail info@blickmagazine.nl website www.blickmagazine.nl Redactie Jan Boland (hoofdredacteur), Jan Dol, Ben Smit, Barbara Vonk Bureauredactie Hans Sissingh Medewerkers aan dit nummer Hans Brans, Ellen van der Graaf, Nienke Oele Grafische Vormgeving Jos Hendrix Druk Scholma Druk BV Oplage 2500 Losse nummers te verkrijgen bij Hans Sissingh (zie redactieadres) Het volgende nummer verschijnt juni 2008 Kopij voor 19 mei 2008 Kopij/nieuws/persberichten/mededelingen t.a.v. Hans Sissingh (zie redactieadres) Overname van artikelen met bronvermelding is toegestaan Voorpagina Occis, foto: ruiterfotoreportages.nl Achterpagina De val van Icarus, foto; Nienke Oele


1

Variatie, een breed aanbod, aandacht voor allerlei aspecten van amateurkunsten in stad en provincie. Dat is het streven van ons blad. Maar een keer per jaar wijken we daarvan af. We gaan dan de diepte in en we belichten allerlei facetten van een bepaald onderwerp. Een themanummer dus.

hij in Friesland en werkt hij bij Keunstwurk, een cultuurondersteunend  instituut, als dramaturg voor het Friese amateurtoneel en ter bevordering van de Friestalige toneelschrijverij. Voorts is hij verbonden aan de Leeuwarder Courant als toneelrecensent, schrijft hij artikelen voor o.a. De Theater NV, en is hij actief als toneelschrijver. Naast stukken voor kinderen en jongeren, Dat vergt een specifieke deskundigheid en schreef hij enkele openluchtspelen, diverse daarom nodigen we een gastredacteur uit, eenakters, een familievoorstelling, enz. die over de nodige expertise beschikt. We zijn verheugd dat we Hans Brans bereid Het thema is ‘Theater maar dan anders’. hebben gevonden als gastredacteur op te Hoe dat is uitgewerkt, maakt onze gastretreden. dacteur duidelijk in het voorwoord van dit Hans Brans is in 1951 geboren in Nijme- nummer. gen en  studeerde filosofie en theaterwetenschap in Amsterdam. Vanaf 1991 woont  De redactie


Theater, maar dan anders

Er zijn velerlei manieren om theater te maken. De meest gebruikelijke is: trek een stuk van de plank, verdeel de rollen en spelen maar. Theatermaken is al moeilijk genoeg. Je moet ervaring opdoen in het spelen van een rol, een goed opgeleide regisseur is eigenlijk een ‘must’ en dan moet alles nog op het juiste moment bij elkaar komen: licht, geluid, decor, spel. Dan is het wel zo makkelijk als er een vaste procedure is, te beginnen met een toneeltekst op papier waarvan de kwaliteit bewezen is.

2

Niets ten kwade van repertoiretoneel, maar er zijn nog zoveel meer manieren om theater te maken. Met andere vertrekpunten, andere wijzen van werken, met andere ‘ingrediënten’ - vormen van theatermaken die allemaal kunnen leiden tot heel andere theatervoorstellingen en andersoortige theaterbelevingen bij het publiek. In dit themanummer richten wij de Blick op die andere vormen van theatermaken. Aan sommige aspecten is in voorgaande nummers van dit blad al eens aandacht gegeven, maar nu willen we de zaken eens op een rijtje zetten, wat meer uitdiepen en vooral laten zien dat sommige alternatieve vormen van theatermaken misschien niet zo ver af liggen van het amateurtheater als vaak gedacht wordt. Om te beginnen volgt hieronder een rijtje waarin verschillende vormen van theatermaken worden opgesomd. Het is geen uitputtend overzicht, en ook zijn er talloze mengvormen en overlappen mogelijk. improvisatietheater

Improviseren is spelen vanuit het moment, zonder vaste tekst en zonder dat je precies weet hoe de scène afloopt. Acteurs spelen op een manier die dicht bij hen zelf ligt en vaak ook met thema’s die hen na aan het hart liggen. Om tot een herhaalbare voorstelling te komen kan het verloop op een bepaald moment wel worden vastgelegd. theatersport

Is een bepaalde vorm van improvisatietheater. De spelers spelen dan in verschillende teams die ter plekke worden uitgedaagd. Het wedstrijd-element vormt een belangrijke motor. Het gaat er niet om om tot een herhaalbare voorstelling te komen - de verassing staat voorop. Samenwerken met een schrijver

Wel eens aan gedacht om een stuk te làten schrijven? Dat kan een stuk opleveren dat speciaal is toegesneden op de spelers, op een bepaald onderwerp of op een bepaalde gelegenheid. Een schrijver kan vooraf een schrijfopdracht krijgen, waarna de repetities beginnen als het script af is. Maar hij kan ook intensiever betrokken worden bij het maakproces. Spelers, regissseur en schrijver kunnen gezamenlijk een thema ontwikkelen, bijvoorbeeld


op basis van improvisaties of op basis van materiaal dat vooraf wordt aangedragen. De schrijver levert brokstukken af, waarmee de spelers aan de slag gaan en pas in een later stadium wordt de grote lijn vastgelegd en de tekst uitgeschreven. Vertellend theater

In episch theater (theater dat een omvangrijk verhaal laat zien) werd vaak gebruik gemaakt van een verteller die de onderdelen van de stof aan elkaar praat. Maar vertellend theater omvat tegenwoordig veel meer en kent talloze varianten. In het conventionele drama geldt alleen het ‘hier en nu’ van het verhaal. De acteur probeert volledig samen te vallen met zijn rol en het publiek kijkt toe vanachter een onzichtbare ‘vierde wand’. Bij vertellend theater wordt dat stramien voortdurend doorbroken. Zo kan de acteur op het toneel uit zijn rol stappen en zich min of meer rechtstreeks tot het publiek wenden bijvoorbeeld om zijn personage te becommentariëren, het verhaal samen te vatten of uit te leggen of van aanvullende informatie te voorzien. Montagetheater

In montagetheater worden uiteenlopende theatrale beelden met elkaar vermengd. Meer conventionele scènes (op basis van improvisaties of van tekst) worden samengesmeed met theatrale beelden waarin techniek (bv. film, dia’s, visuele effecten, geluid, machine’s, enz.) een grote rol speelt. Het eindproduct is in de eerste plaats het bedenksel van de monterende regisseur. Theater op locatie

Theater op locatie betekent het spelen van voorstellingen op plaatsen die daar eigenlijk niet voor bedoeld zijn: een oude fabriek, een kerk, het strand, enz. Het mooiste is het als de voorstelling ook speciaal voor die ene plek gemaakt is en dat de ruimtelijkheid van de locatie een rol speelt in de theatraliteit van de voorstelling. Lokaal theater

Makers van lokaal theater willen voorstellingen maken die echt gaan over mensen in een bepaalde plek: een streek, een stad, een bejaardentehuis, een fabriek, enzovoort. Bij voorkeur maken ook de spelers deel uit van die omgeving, zodat het theater wordt dat direct te maken heeft met de situatie van de mensen die het spelen. Het aloude buurttoneel dat draait om typische kwesties uit de grote stad is ook een vorm van lokaal theater. Fysiek theater

In fysiek theater spelen tekst en plot hooguit een ondergeschikte rol en draait het vooral om het lichaam. Bewegingstheater is natuurlijk ook een vorm van fysiek theater, net als mime, pantomime, dans of ballet. Bij het moderne fysiek theater gaat het echter meestal niet om de schoonheid van de beweging op zich, maar wil men de lichamelijke beleving

3


theatraal maken, zodat ook bij de toeschouwer een meer primaire, niet-rationele manier van waarnemen en beleven wordt opgeroepen. Objecttheater

Wanneer beeldende kunst(enaars) een grote invloed hebben bij het maken van theater spreekt men wel van objecttheater. Bepaalde voorwerpen, stoffen of beelden zijn dan niet zozeer ondergeschikt aan het verhaal van de acteurs (zoals bij een gewoon decor), maar spelen een zelfstandige rol. Veel voorstellingen van Riek Swarte zijn daar een voorbeeld van. Hans Brans 4

De schrijver zit in het café

De toneelschrijver is voor de meeste amateurtheatermakers een schimmige grootheid die ergens ver weg achter de strenge voordeur van het bureau voor auteursrechten verscholen blijft. Vaak haalt hun naam niet eens het programmaboekje. Dat je zo’n wezen gewoon voor je eigen gezelschap aan het werk kan zetten, is nauwelijks te bevatten, maar heus, het gebeurt. Het laten schrijven van een toneelstuk ‘op maat’ is weliswaar geen proces dat altijd van een leien dakje gaat, maar de resultaten zijn vaak uniek. ‘Requiem voor een gebouw’ is de ondertitel voor het omvangrijke locatie project Swet, dat speciaal gemaakt wordt voor Westerkwartier. Voor het tweede deel zocht bedenker Gert Sennema een schrijver voor een voorstelling die zich moet afspelen in Grootegast. Zijn keus viel op de Amsterdamse journalist Sietse van der Hoek. Die blijkt bij nadere kennismaking niets schimmigs te hebben. Klein van stuk, rondborstig, vol verhalen en smeuïg opgediste anecdotes, heeft hij weinig weg van een Groningse boerenzoon. Toch liggen de ‘roots’ van deze freelancer wel degelijk in Grootegast. Jarenlang werkte hij voor verschillende bladen in het Noorden, verbond zich vervolgens aan de Volkskrant om na omzwervingen van Berlijn tot de Bijlmer uiteindelijk terug te keren bij zijn vak als vrije scribent. Naast rapportages en artikelen schreef hij boeken over de Elfstedentocht, een zeemanskerhof op Schiermonnikoog en over ‘boeren en water’. Geen ‘echte’ toneel-


foto: Antoon Hendriks

5

Het genot om te schrijven voor Grootegast

schrijver dus, maar wel iemand met gevoel voor verhalen en een schrijver die mensen graag zelf aan het woord laat. In journalistieke rapportages is de dialoogvorm al gauw te literair, maar in deze opdracht beleefde hij het schrijven van dialogen als een waar genot. Daarnaast was er nog een reden dat Sennema Van der Hoek benaderde voor het schrijven van een stuk voor Grootegast. Niet alleen is hij vlak bij dit dorp geboren en getogen, maar ondanks jarenlange afwezigheid heeft hij ook veel gevoel voor de mentaliteit van het Westerkwartier. In dit deel van Groningen woonden geen echte herenboeren. Het was van oudsher meer verwant met de Friese ‘Wouden’: kleinschalig, arm, gesloten en grotendeels gereformeerd, maar ook trots en zelfredzaam. De mensen hier hebben een broertje dood aan de bemoeizucht van autoriteiten zoals dominees en agenten. Het concept voor Swet Twee

Net als deel een, moest ook de aflevering voor Grootegast geen conventioneel drama worden, maar een afwisselend spektakeltheater, met veel ruimte voor de vaak niet meer


foto: Antoon Hendriks

bestaande plekken en de nog altijd bestaande verhalen die met die plaatsen verbonden zijn. Sennema bedacht in grote lijnen het concept en Van der Hoek had dus het voordeel dat hij kon werken binnen een door Sennema bedacht raamwerk. Een van de uitgangspunten was om het pas gesloopte café Helmus in het midden van het dorp op een theatrale manier weer tijdelijk tot leven te wekken. Niet alleen dit prachtige boerderij-café, maar veel meer gebouwen in het centrum zijn de afgelopen jaren geofferd aan de slopershamer, zelfs zonder dat er duidelijke nieuwbouwplannen waren. Inwoners van Grootegast spreken met gepaste overdrijving zelfs van ‘klein Beiroet’, aldus Van der Hoek. De gemeentelijke drang om de dorpskern op te stoten in de vaart der volkeren was kennelijk zo groot, dat alles wat oud was maar zo snel mogelijk tegen de vlakte moest. De gevolgen van die modernistische sloopwoede - kenmerkend voor streken die vroeger als arm te boek stonden - vormen eigenlijk de aanleiding tot het project ‘Requiem voor een gebouw’. Een tweede uitgangspunt waren de conflicten, vooral met ‘het gezag’, die sommige Westerhoekers soms lange tijd koppig tegen elkaar plaatsten. Zo hoorde Van der Hoek van een ploegje jongeren die in de jaren vijftig op zondag wilde voetballen. Met het oog op de gereformeerde achterban verbood de burgemeester wedstrijden op de dag des Heren en toen de voetballers zich daar niets van aantrokken, stuurde hij de veldwachter erop af om de bal in beslag te nemen. De kwestie leidde zelfs tot een heuse rechtspraak die overigens door de voetballers werd gewonnen: 1 - 1. Senema kwam met het idee van een boksring midden in het dorp waar verschillende vetes konden worden ‘uitgevochten’.


Spreekuur in het café

Hoe ging de schrijver te werk? Voor zijn ‘bronnenonderzoek’ ging Sietse van der Hoek een paar dagen in een ander café in Grootegast zitten, ‘De Klap’. Uit zijn jeugd wist hij nog dat dat lokaal jarenlang bestierd werd door een blinde cafébaas. Verschillende verhalen draaiden dan ook om deze legendarische figuur en in de voorstelling voert de auteur hem op als een blinde gids, die de toeschouwers niet alleen van de ene speelplek naar de andere voert, maar die ook - zoals de blinde ziener Teresias in de Griekse tragedie - de mensen confronteert met hun eigen tekortkomingen. In het café gingen de verhalen onvermijdelijk ook over IJe Wijkstra, de wildeman die eind jaren twintig vier agenten doodschoot. ‘Het teken van het beest’, de film die Pieter Verhoef over deze geruchtmakende zaak maakte heeft het besmuikte langzamerhand wel een beetje van deze pijnlijke affaire afgehaald, maar dat wil niet zeggen dat sommigen niet kritisch zijn. De film zou teveel draaien om sex; IJe was vooral een stroper en een Einzelgänger. Rond 1980 was er zelfs een rechter die met lichtbeelden een nieuwe kijk op de zaak wierp. Volgens deze mr. Overdiep was IJe ook het slachtoffer van een bijzonder ongelukkige samenloop van omstandigheden. En zo waren er meer verhalen. Bijvoorbeeld over de hangjongeren die tijdens de gemeenteraadzitting luidruchtig op de ramen bonkten omdat ze zo graag op de life-uitzending van radio Westerkwartier kwamen. En dan was er de beroemde poging van twee knapen uit Grootegast die het wereldrecord badkuip-zitten wilden verbeteren. Met steun van het dorp bereikten ze na ruim een week badderen het Guiness book of records - in datzelfde café dat nu ter ziele is. De verhaallijn

Op verzoek van de regisseur werkte Van der Hoek na zijn cafébezoek een verhaallijn uit in drie delen op drie verschillende locaties. De blinde cafébaas zou het verbindende element worden. Terwijl hij nog aan het schrijven was begonnen in Grootegast de audities. De eerste speelplek is het gemeentehuis, waar net een raadsvergadering gaande is over de moeizame vordering van de bouwplannen, als de hangjongeren de boel komen verstoren omdat ze een plek willen om te voetballen. Na die eerste schermutselingen wordt het publiek naar de boksring in het centrum geleid, onder begeleiding van een hardrock band op het dak van het oude bankgebouw. Naast eigentijdse conflicten heeft Van der Hoek voor de boksring nog een historisch uitstapje in petto. Geïnspireerd op Marike van Nimwegen laat hij de oude zeeheld Abel Tasman (geboren in het naburige Lutjegast en ontdekker van het naar hem genoemde eiland) opdraven. Tasman was het type van ‘in ieder stadje een ander schatje’. In een dialoog tussen God en de advocaat van de duivel komt in een idols-achtige setting de vraag naar voren in hoeverre je de kwalijke levenswandel van een ander mag veroordelen. ‘Hoe gaan we hier eigenlijk met conflicten om?’ is het leitmotif van dit gedeelte. De laatste locatie, rondom een reconstructie van het afgebroken café Hermus staat meer in het teken van feest en verzoening. Hier speelt zich de nep-bruiloft af die ruim vijftien jaar geleden ook plaatsvond tussen de twee jonge badhelden die net het record

7


8

hadden gekraakt. In Grootegast houden ze wel van een geintje. Amper een maand had Sietse van der Hoek na zijn spreekuursessies in Café De Klap om de verhalen uit te werken tot speelbare scènes. Al napratend buitelen de anecdotes over de tafel. Meer dan de angst voor de deadline, overheerst het plezier om al die verhalen van anderen te gieten in een vorm waar weer anderen straks in de voorstelling wat mee kunnen. Voor Van der Hoek is toneelschrijven een dienstbare aangelegenheid, waar hij desalniettemin zelf buitengewoon veel voldoening aan beleeft. Bij het schrijven van dialogen hoorde hij de personages in zijn hoofd praten; hij hoefde het bij wijze van spreken alleen maar op te tekenen. Het laten horen van de verhalen van de mensen waar het hier om draait, was een belangrijke drijfveer - een drijfveer die niet eens zo veel verschilt van zijn journalistieke credo. Maar naast die registratie-drift lijkt Van der Hoek ook het vermogen te hebben om de ingrediënten te herschikken tot een weloverwogen compositie. Daarbij vist hij met veel gevoel de verborgen thema’s uit zijn stof en durft hij ook nog eens zijn fantasie de vrije loop te laten - zoals bij de Tasman episode - om aan die thema’s handen en voeten te geven. Als toneelschrijver is Sietse van der Hoek de bescheidenheid zelve. Het idee en het concept lagen er immers al, en de verhalen waren van de Grootegasters zelf. Maar zijn pretogen verraden ook het plezier om al die ingrediënten aaneen te smeden tot de bodem voor een theatraal feestje. Hans Brans

Muziektheater OCCIS Toneel over landschap en lokale geschiedenis levert over het algemeen ellenlange teksten op vol jaartallen en veldslagen. Een ander lastig aspect, kenmerkend voor Oost-Groningen, is dat de geschiedenis nog alom aanwezig is. De komst van Blauwestad betekende het afscheid van een gebied met een bewogen en vruchtbaar verleden. De overgang van landbouw naar toerisme, van graan naar water, ging niet zonder slag of stoot. De tekst van het muziektheater werd, mede dankzij de input van een waardevol productieteam, daarom al snel uit het historische perspectief getrokken. Een sprookje moest het worden: een sprookje over verandering in het landschap. Een andere truc is het centraal stellen van één persoon. Dit werd Sicco Mansholt, oud minister van landbouw en vormgever van de Europese landbouwpolitiek. Deze geboren Groninger was de ideale hoofdpersoon in een verhaal over een veranderend landschap. Mansholt noemde de Blauwestad ooit een revolutie in denken en handelen.


Hoe schrijf je een locatievoorstelling over een koning, water en graan? De muziektheaterproductie OCCIS beleeft zijn première op zaterdag 10 mei. De deelproducties gaan vanaf 25 april van start. Voor meer informatie over de muziektheaterproductie, de speeldata en de kaartverkoop kunt u terecht op www.occis.nl.

Blauwestad en het Oldambt vormen in mei het decor van de muziektheaterproductie OCCIS. Het evenement bestaat uit de centrale voorstelling OCCIS en een viertal deelproducties. Hierbij zijn meer dan tweehonderd acteurs, zangers, muzikanten en vrijwilligers betrokken.

Landschap

Het landschap is van groot belang in deze locatievoorstelling. Praktische overwegingen maken een locatie geschikt of niet. Is er genoeg ruimte voor tribunes? Zijn er vaste stroompunten? Zijn er faciliteiten in de buurt? Grote voorstellingen vragen veel van een locatie. Al snel bleek het strand van Midwolda de aangewezen plek voor Occis. Naast de praktische aspecten speelden ook de meer prozaïsche elementen een rol. Op het strand van Midwolda is veel ruimte en daardoor zijn er lange zichtlijnen. Maar nog belangrijker: het is de grens tussen land en water. Deze scheiding van elementen vormt de basistegenstelling van de voorstelling: water en graan, nieuw en oud, verandering en stilstaan. Naast strand vormt water een belangrijk visueel element. Niet voor niets rijst onze held aan het begin van de voorstelling op vanuit het water en keert hij er aan het einde ook weer in terug. Net zoals het landschap van het Oldambt. Een derde natuurelement is de onvoorspelbare wind. Een stevige wind maakt lange teksten slecht verstaanbaar. Het script moest daarom bestaan uit korte teksten die de handeling direct naar de kern brengen. Een eigenschap die past bij de Oost-Groninger manier van spreken. De locatie moet zo goed mogelijk benut worden. De lange lijnen van het strand van Midwolda zijn bij uitstek geschikt voor de uitbeelding van grootse gebeurtenissen als oorlogen, begrafenissen, volksopstanden, explosies en het gebruik van special effects. Het strand biedt een enorm speelvlak. Ook heeft het een bijkomend voordeel, namelijk zand. Met zand kun je alles maken: heuveltjes, kuilen, gaten. Geen element zo kneedbaar als zand. Terugkijkend heeft de locatie uiteindelijk de grootste invloed gehad op het schrijven van het script van OCCIS. Niet erg verwonderlijk voor een locatievoorstelling. Een goede tekst voor een locatievoorstelling heeft geen eeuwigheidswaarde maar zegt iets over mensen, ideeën en gebeurtenissen op een bepaalde locatie en in een bepaalde periode. Locatietheater moet een afgebakend blikveld hebben, in dit geval mijn blik op de huidige situatie in Oost-Groningen.

9


Een theatervormgever vertelt over haar manier van werken

Louise Caspers en de kunst van het weglaten...?

Het lekt in het pand aan het Boterdiep in Groningen, waar Louise Caspers haar atelier heeft gevestigd. Via een systeem van pannen wordt het water, plingplong, opgevangen. De kachel heeft een slechte dag vandaag en wil maar niet aanslaan. “Tja...,” verzucht Louise, “ik moet binnenkort echt verhuizen, maar het is afwachten wanneer Carex een goed alternatief heeft.” Gelukkig is er koffie, en als we onze jassen gewoon aanhouden, is er niks aan de hand.

10

Louise Caspers is twintig jaar aan het werk als theatervormgever. In 1988 is ze afgestudeerd op theatervormgeving aan Academie Minerva, en sinds die tijd is ze zowel in het amateurtheater als in het professionele theatercircuit actief. Ze werkt al jaren samen met Bert Visscher en Theater te Water, maar heeft daarnaast ook losse projecten gedaan voor bijvoorbeeld GOOV Muziektheater en Waark. Ook geeft ze les op Minerva, aan de Regieopleiding van de Theaterwerkplaats Groningen, en geeft ze workshops aan verenigingen en op scholen. “Het stuk is voor mij altijd het beginpunt,” vertelt ze. “Meestal beginnen we met het lezen van de tekst, en gaan we er met elkaar over praten. Dan krijg ik daar allerlei associaties bij.” Het decor geeft net als tekst en spel betekenis aan de voorstelling, het is een manier van communiceren met je publiek en daarom moet je je altijd bewust zijn van de sfeer die je oproept met je decor, aldus Louise. In welke tijd speelt het stuk? Waar zit het publiek? Waar zou je wíllen dat het publiek zit? Welke associaties, welke sfeer wil je oproepen bij je publiek? Dat zijn vragen waar je in de vormgeving een antwoord op moet geven. In alle workshops die Louise in de loop van de tijd gegeven heeft, merkt ze dat het denken in beelden voor veel mensen onbekend terrein is. Dan moet ze associaties bij de tekst echt lospeuteren. Ook uit praktisch oogpunt heeft de vormgeving niet de eerste prioriteit. In verenigingen is het budget voor vormgeving vaak minimaal, en moet het concurreren met de kleding, grime en regie. Soms heb je te maken met een regisseur die alles bepaalt, of staat het decor vastgetimmerd op de speelvloer. Dan is het roeien met de riemen die je hebt. “Maar dat is juist het moment waarop je je creativiteit moet inzetten,” zegt Louise enthousiast. “Ook een ongelimiteerd budget is niet zaligmakend. Ik ga veel liever struinen langs tweedehands markten, net zolang totdat ik dat ene aparte rekwisiet gevonden heb, wat ik met een beetje verf helemaal af maak. Dat hoeft echt niet veel te kosten.” De zoektocht naar materiaal brengt haar in contact met de meest uiteenlopende mensen en bedrijven, wat vaak weer inspiratie oplevert. Het onderhandelen ziet ze echt als een sport. Samen met het creëren van een beeld, vindt ze dat één van de leukste aspecten van haar vak als vormgever.


11

“Een stap zetten uit de richting van het realisme, dat vinden mensen die meedoen aan mijn workshops ook vaak lastig,” zegt ze. “Om abstracter te denken, of om alleen maar dingen te suggereren zonder ze ook daadwerkelijk op te voeren, dat is moeilijk. Maar het kan wel prachtige beelden opleveren. Je kunt een paleis nabouwen, met een geschilderd achterdoek en bladgoud, maar je kunt ook alleen een troon neerzetten. Dan weet je publiek ook dat we in een paleis zijn.” Zelf vindt ze dat ze de kunst van het weglaten nog maar ten dele beheerst. Haar decors zijn toch vooral sfeerdecors, en niet erg abstract. Maar ze leert wel steeds beter om de kern uit haar eigen associaties te filteren, en daarop verder te borduren. Vroeger vond ze dat haar beeld voor zich moest spreken, en kon het zijn dat ze dacht: “Wat doen die acteurs in mijn plaatje?!!?” Dan wordt het tijd om jezelf als vormgever streng toe te spreken. Tegenwoordig weet ze beter wat de regie nog verder in kan vullen, en lukt het steeds vaker om de regie en de vormgeving evenwichtig te laten samenwerken. Maar dat is, ook voor een prof, niet altijd gemakkelijk. Nienke Oele

Theaterfestival Leek is uitgesteld, in het volgende nummer komen we daarop terug


Het parate lichaam Beweging als uitgangspunt

Tijdens de Theater 4Daagse in Tilburg (2007) is de voorstelling ‘Circus Sjaak Spier’ van Just Vink opgevoerd door de Jeugdtheaterschool Groningen bekroond door de jury met een prijs voor de beste acteur..

12

Aan de basis van deze productie stond Annemiek Dijkstra, artistiek leider van de Amateur Theater School (ATS) en docent bij de Jeugd Theater School (JTS). Bij het maken van de voorstelling was niet de tekst maar de beweging het uitgangspunt. Beesten en andere circusartiesten die Shakespeare gaan spelen, daar ging het om. Hoe doen die beesten dat? Hoe bewegen ze? Deze vragen staan centraal in de zoektocht van spelers en regisseur naar een passende vorm. Via oefeningen, opdrachten verkende de groep fysieke aspecten. Hoe moet ik me als speler fysiek zo transformeren dat ik tot een uitvergroting van mijn personage kom? Daarnaast las en analyseerde Annemiek met de groep de tekst. ”Daarna komt het samen en wordt de tekst vanuit het beest gespeeld.” Nu werkt ze met een groep van de JTS aan ‘De knecht van twee meesters’ van Goldoni op commedia dell’arte –achtige wijze. Maskers zijn daarin belangrijk. Het dragen van maskers dwingt de spelers tot fysiek spel. Haar aanpak is erop gericht de spelers vertrouwd te maken met het fenomeen masker. Met behulp van allerlei oefeningen worden vragen verkend als: hoe voelt dat? wat betekent spelen met maskers? Belangrijk is om er achter te komen welk masker bij wie past. Niet iedereen kan elk masker dragen, niet iedereen kan elk type voorstellen. Pas als deze ontdekkingstocht die een hele tijd in beslag neemt, achter de rug is, komt de tekst erbij. Beweging, maskers, spel

Twee voorbeelden van ‘fysiek’ theater, het handelsmerk van deze theatervrouw. Beweging en spel horen bij haar en dat al heel lang. Direct na de middelbare school stond ze voor het dilemma: toneelschool of sportacademie? Maar het werd door ouderlijke invloed psychologie. Tijdens haar studietijd speelde ze toneel, ze deed cursussen op het gebied van dans en mime en ze turnde. Na haar studie ging ze lesgeven en volgde de vierjarige deeltijd theateropleiding in Amsterdam. Daar kreeg ze de smaak te pakken van het regisseren. Ze verruilde het onderwijs voor de regieopleiding van het toenmalige NCA (Nederlands Centrum Amateurtheater). Ze deed verschillende producties en bleef cursussen volgen. Heel belangrijk is voor haar geweest een cursus maskers en fysiek theater gegeven door docenten van de Kleine Academie in Brussel.”Hier kwam alles samen, beweging, maskers, spel. Ik wist het: ik wil naar die school!” Dat deed ze. Ze gaf haar werk op en ging twee jaar naar Brussel. Momenteel is ze artistiek leider van de ATS en ze geeft les aan de MBO-opleiding Kunst, Theater en Media. Daar geeft ze het vak ‘Fysiek acteren’. De Kleine Academie werkt volgens duidelijke principes. Je lichaam is je instrument en daarmee vertel je je (dramatische) verhaal. Het moet letterlijk in beweging komen en het


moet ‘beschikbaar, paraat’ zijn. Net zoals een schilder met materialen en middelen werkt (doek, verf, paletmessen etc.), zo werkt een acteur met zijn lichaam. Je moet je ervan bewust zijn dat je lijf verschillende bewegingskwaliteiten heeft. Heel veel mensen werken alleen met hun hoofd en nemen de tekst als basis. Er is evenwel veel meer en dat moet je exploiteren, bewust gebruiken. Paraat zijn betekent dat je lichaam in een staat verkeert van waaruit het op allerlei manieren in beweging kan komen. Hiervoor is nodig om uit je gewone bewegingspatroon te komen en dat je er achter moet zien te komen ‘hoe je in je lichaam zit.’ Je moet als het ware je lichaam meer kunnen ‘bespelen’. Dit ‘bespelen’ vormt de basis voor het transformeren naar een ander personage, maar ook voor het kunnen spelen van gevoelens en emoties. Hoe doe je dat? Hoe werk je daaraan? Het vraagt veel discipline, doorzettingsvermogen én techniek. Er wordt gebruik gemaakt van een breed arsenaal aan oefeningen. Denk bijvoorbeeld aan een yoga-achtige aanpak, Oosterse gevechtssporten, Aikido, Kabuki- en Noh-theater, aan bewegingsoefeningen op talloze manieren, aan ademhalingsoefeninWaar kan ik informatie vinden over voorstellingen en manifestaties? In ‘Blick’ is geen agenda opgenomen. Voor informatie over voorstellingen, uitvoeringen en manifestaties in stad en provincie kunt u terecht op verschillende websites: www.blickmagazine.nl www.gca-nvagroningen.nl (Groninger Centrum voor Amateurtheater) www.kolderenko.nl www.groningeruitburo.nl www.regionalecultuurplannen.nl

13


gen, die er alle op zijn gericht je lijf te voelen, te bewegen en te gebruiken. Het zijn geen vrijblijvende, toevallige oefeningen die alleen maar dienen om je lichaam te ‘ervaren’. Het gaat om bewust (theatraal) gebruik van je lijf, dat uiteindelijk moet leiden tot bewegingstheater dat de toeschouwers boeit. Hiervoor kwamen maskers al ter sprake. Bewegingstheater is natuurlijk meer dan maskers, maar het is wel een mooi voorbeeld om te illustreren hoe je je hele lichaam beschikbaar kunt maken. Door je manier van bewegen, door het gebruik van je hele lijf laat je immers zien welk type er in/achter het masker zit. Het is heel fysiek. 14

Verbindingen maken

“Alles is speelbaar, met je lijf kun je alles ‘vertellen, schrijven’. Rian Sikkema schreef een boek met als titel ‘Het lichaam als dichter’ en die titel geeft precies aan waar het om gaat. De vraag ‘Wat verbindt de kunsten?’is een intrigerende. Wat hebben muziek, dans, drama, beeldende kunst met elkaar te maken? Het is interessant om te zoeken naar de verbindingen. Annemiek Dijkstra heeft vanuit deze optiek verschillende producties gemaakt. Bijvoorbeeld met de Amateur Theater School een bewegingsvoorstelling over het thema ‘Macht’. Een beeld van Rodin ‘De val van Icarus’ en muziek van Albeniz vormden het begin. Hoe ervaar je dit zintuiglijk? Spelers beschrijven: wat zie, voel, ruik ik ? Heel concreet schrijven, geen gepsychologiseer. De teksten, beelden en muziek worden vertaald naar bewegingen en zo ontstaat de bewegingsvoorstelling. De muziek die als aanleiding is gebruikt, keert niet terug in de voorstelling, maar wordt vervangen door andere. Pina Bausch*, de Duitse choreografe, is voor Annemiek een belangrijke bron van inspiratie. “Op basis van dit principe (verbinden van kunsten,één schilder, één componist als uitgangspunt nemen) een ‘stuk’ maken is het meest kenmerkende voor mijn werkwijze. Daarmee zet ik mijn handtekening.” Jan Boland

Pina Bausch Danseres en choreograaf Geboren in Solingen (Duitsland), volgde een dansschool, kreeg een beurs voor de vermaarde Juillard School of Music in New York en danste bij verschillende groepen. Keerde terug naar Duitsland en werd solist. In haar latere choreografieën zitten veel theatrale elementen zoals lopen, zingen en acteren. In haar stukken werd steeds minder gedanst en ze kregen een collage-achtige structuur.


15


16


17

foto’s: Henk Verbeek


bibliografie Vormgeving De vormgeving van theater: decorontwerpen, lichtontwerpen, geluidsontwerpen, kostuumontwerpen, theaterarchitectuur, theateraffiches / samenstelling en redactie Eric de Ruijter, Lecturis, 2005 . Een boek waarin alle disciplines die samen de vormgeving bepalen aan bod komen, en waarin de vormgevers zelf nu eens in de spotlight staan. Met meer dan 190 kleurenfoto’s. Niek Kortekaas / redactie Alex Mallems, 2001. Dit mooie, kleine boekje is een tentoonstellingscatalogus van de tentoonstelling ‘Niek Kortekaas’ die op 26 oktober 2001 werd geopend in Antwerpen. De catalogus bevat, zoals te verwachten is, veel prachtige foto’s, en een CV van Niek Kortekaas. 18

Schrijven De 36 dramatische situaties, alle mogelijke verhaalideeën op en rij / Jan Veldman, Augustus, 2007. De uitspraak dat er maar 36 dramatische verhaallijnen bestaan is oorspronkelijk van de Italiaan Carlo Gozzi. Auteur Jan Veldman geeft er in dit boekje zijn eigen draai aan, en beschrijft ze alle 36, van het hoofdstuk Per ongeluk doden van familie of vrienden’ tot het hoofdstuk ‘Verlossing’. De verborgen schrijver, schrijven voor toneel, film en televisie / Ger Beukenkamp, Uitgeverij International Theatre & Film Books, 2003. Met behulp van anekdotes en voorbeelden uit de praktijk worden de technieken behandeld die ten grondslag liggen aan het dramaschrijven. Een handboek voor het schrijven van dialogen, de strijd tussen vorm en inhoud, stijl, structuur, genre en nog veel meer. Vertellend theater Toneelspelen in de tegenwoordige tijd, een veldboek voor het vertellend toneel / Paul Binnerts, Uitgeverij International Theatre & Film Books, 2002. Tegen het licht van de twee belangrijkste toneelvernieuwingen uit de twintigste eeuw, het psychologisch realisme van Stanislavsky en het episch toneel van Brecht, beschrijft Paul Binnerts de conventie van het vertellend toneel. De toneelspeler stapte uit de toneellijst en deed zijn intrede in een lege toneelruimte: daar is hij als zichzelf aanwezig en wordt de verteller van het personage en het stuk dat hij speelt. Fysiek acteren Het lichaam als dichter: lessen in scheppend theater / Jacques Lecoq; in samenwerking met: Jean-Gabriel Carasso, Jean-Claude Lallias; vertaald door: Rina Sikkema  Amsterdam : International Theatre & Film Books, 2000. In dit boek wordt het levenswerk van Jacques Lecog behandled. Vertrekkend vanuit beweging (Lecoq deed ook veel aan sport) en mime, stichtte hij in 1956 een eigen theaterschool die vele grote namen onder zijn ex-leerlingen kent. Het tweejarige ‘leerplan’ van de School wordt besproken en daarbij geeft hij talloze voorbeelden, die ook als (spel)oefening kunnen worden gebruikt.


Kiezen voor Nederlandse auteurs

De Nederlandse Vereniging voor het Amateurtheater (NVA), de belangenbehartiger van het amateurtheater in ons land, telt 2000 leden, waarvan 1200 gezelschappen en 800 individuele theatermakers. Veel van die gezelschappen en theatermakers kiezen bij voorkeur voor toneelstukken geschreven door Nederlandse auteurs als Judith Herzberg, Willem Jan Otten en Alex van Warmendam. Het blijkt dat het professionele theatercircuit seizoen na seizoen het Nederlandse repertoire verwaarloost. Gelukkig hebben de serieuze amateurs hiervoor wel aandacht. Aan de top staat ‘Een sneeuw’ van Otten. In vijf jaar werd het 38 keer opgevoerd. Het overkomt Otten regelmatig dat hij tijdens lezingen een groepje amateurspelers tegenkomt dat tegen hem zegt: “Wij zijn ‘Een sneeuw’.” Vervolgens moet de auteur dan raden wie wie is in hun voorstelling. Ook Alex van Warmendam is favoriet. Stukken als ‘Kaatje is verdronken’ en ‘Kleine Teun’ zorgen in een jaar tijd voor vijftig opvoeringen. Dat is natuurlijk prachtig, maar toch zou Van Warmendam graag zien dat een beroepsgezelschap een stuk van hem opvoert. Eigenlijk is het amateurtheater de grote redder van het Nederlandstalige teksttoneel. Tegen 38 opvoeringen van ‘Een sneeuw’ door amateurgezelschappen staat één opvoering door een beroepsgezelschap (Het Toneel Speelt in 1997). In 1982 bracht Toneelgroep Baal ‘Leedvermaak’ van Judith Herzberg uit, maar de laatste vijf jaar is het meer dan twintig keer opgevoerd door amateurs. Volgens regisseur Frank Hoek (Toneelgroep Troost uit Amsterdam) moet de verklaring voor de populariteit van het Nederlandse repertoire gezocht worden in het feit de auteurs dicht staan bij de belevingswereld van de acteurs. Een andere regisseur (Bart van Heel van het gezelschap Tokodrama) is van mening dat amateurspelers een voorliefde hebben voor natuurgetrouw, psychologisch teksttoneel. In het professionele circuit vinden ze dat weinig. Bron: Kester Freriks, Theaterteksten gered door de amateur. NRC Handelsblad, 8 februari 2008

19


Lekker Gaat u lekker zitten

20

“Gaat u lekker zitten”. Je hoort het iedere tv-presentator die met publiek in de studio werkt, zeggen. Waarom, zo vraag ik me al jaren af, moet iedereen toch lèkker gaan zitten. Er zijn natuurlijk genoeg stoelen en banken die uitnodigen om er eens lekker in te gaan zitten. Bijvoorbeeld bij je thuis. Maar wat je in zo’n studio ziet lijkt me weinig uitnodigend. Bovendien zal het doorsnee publiek zich niet zo ontspannen voelen dat ze er eens lekker bij wil gaan zitten. Nee, eerder op het puntje van de stoel, bang om iets te missen of om plotseling aangesproken te worden en bezorgd over datgene wat ze dan ook alweer zouden zeggen. Wat dan? “Gaat u zitten”? Dat klinkt eerlijk gezegd naar een ontmoeting met je huisarts of een andere hulpverlener. Is ook niet goed. Het zal wel goed bedoeld zijn van een presentator. Om de ander op z’n gemak te stellen. Daar heeft hij zelf tenslotte ook profijt van want met opgefokt publiek maak je geen leuk programma. Het klinkt ook wel gezellig: lèkker zitten. Overigens hoorde ik onlangs een televisiepresentator tegen iemand uit het publiek zeggen: “Gaat u daar lekker staan”. Nou, dat is wel heel erg gezellig! Gaat u lekker staan

Al geruime tijd lijkt het de gewoonte dat het publiek na afloop van een voorstelling, zo halverwege het applaus, gaat staan. Bij mijn weten werd dat vroeger gedaan als men de voorstelling echt erg goed vond. Dan ging je staan om je applaus kracht bij te zetten. En soms, heel soms, als de voorstelling echt super was, werd er zelfs met de voeten getrappeld. Dat laatste is gelukkig niet meegenomen in de verdunning. Sterker nog, ik hoor nooit meer voetengetrappel. Maar ik geloof dat ik de laatste acht jaar nauwelijks nog een voorstelling heb meegemaakt waar het publiek niet ging staan tijdens het applaus. Jammer. Het gaan staan is een automatisme geworden. Daarmee heeft het z’n zeggingskracht verloren. Ik kan me voorstellen dat het voor spelers prettiger is als het publiek eerlijk is in z’n waardering. Zullen we dan maar… een volgende keer echt alleen gaan staan als we de voorstelling heel goed gevonden hebben? En als we hem dan helemaal fantastisch vonden kunnen we daarna weer gaan zitten en lèkker met onze voeten gaan trappelen. Ellen van der Graaf


Blick 2.5  

Blick is een tijdschrift voor amateurkunst in Groningen.

Blick 2.5  

Blick is een tijdschrift voor amateurkunst in Groningen.

Advertisement