Issuu on Google+

omschakelen naar de biologische landbouw

> akkerbouw en vollegrond > fijne groenten > glasgroenten


| pag 2

o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

3 4 5 5 5 6 6 7 9 9 9 9 9 10 10 11 11 11 12 12 12 13 13 14 15 16 22 23 24 24 25 25 26 27 30 30 32 32 34 34 34 35 35 35 36 38 38 41 41 41 41 42 43

Voorwoord Colofon Omschakelen naar biologische landbouw Goed boeren, hoe doe je dat? Slaap er nog eens over Ga planmatig te werk Een erkenning als biologisch producent biedt vooral voordelen De belangrijkste stappen van het controleproces op een rijtje

Basisprincipes van de biologische landbouw Duurzaamheid duurt het langst Wat zijn de concrete doelstellingen van de biologische landbouwmethode? Hoe kun je die doelstellingen praktisch verwezenlijken? Wat is de meerwaarde van de biologische productiemethode? Kiezen voor een gemengd of een ontmengd bedrijf?

Biologische plantaardige productie

Een gezond teeltplan steunt op vruchtwisseling Hoe maak je de bodem op een biologische wijze vruchtbaarder? Zaaizaad en plantgoed Voorkomen van ziekten en plagen Slimme onkruidbestrijding

De omschakeling technisch bekeken: akkerbouw Het teeltplan Opbouw van de rotatie De omschakelingsperiode Onkruidbestrijding Speciale teeltzorg Arbeid Economische doorrekening

De omschakeling technisch bekeken: fijne groenten Het teeltplan Opbouw van de rotatie De omschakelingsperiode Onkruidbestrijding Speciale teeltzorg Arbeid Economische doorrekening

De omschakeling technisch bekeken: glasgroenten Vruchtwisseling Bodem Bemesting Watervoorziening Kasklimaat Onkruidbeheersing Gewasbescherming Speciale teeltzorg Arbeid Bedrijfseconomische resultaten

Steunmaatregelen van de overheid Hectaresteun Investeringssteun Bedrijfsontwikkelingsplan en bedrijfsbegeleiding Subsidie controlekost

Nuttige adressen


Voorwoord Onder invloed van consumenten en milieuverenigingen staan landbouwers vandaag steeds meer onder druk om hun milieutechnische resultaten te verbeteren. Bovendien leidt de groeiende bekommernis voor landschap en natuur tot de verwachting dat ook de landbouw hier steeds meer rekening mee houdt. Voor de vooruitstrevende land-of tuinbouwer kan het biologisch productiesysteem het aangewezen alternatief zijn. Biologische landbouw is een landbouwsysteem dat de samenhang tussen plant, dier, mens en omgeving voorop stelt. Centraal staan bodemvruchtbaarheid, milieu en dierenwelzijn. De interesse van boeren en tuinders voor de bioteelt wordt steeds groter. Er is echter een grote kloof tussen interesse hebben en daadwerkelijk omschakelen. Om deze overstap te vergemakkelijken heeft de overheid steunmaatregelen uitgewerkt, gaande van investeringssteun, omschakelbegeleiding, het ondersteunen van studievergaderingen, hectaresteun voor omschakelende bedrijven tot het bevorderen van de informatieverspreiding over de teeltmethode. Omschakelen naar de biologische teeltmethode is zo’n ingrijpende stap in de bedrijfsvoering dat het hele proces om een uitgekiende voorbereiding vraagt. Zowel mentaal, landbouwtechnisch als wettelijk zal de bedrijfsleider goed gewapend aan de start moeten verschijnen om succesvol te kunnen omschakelen. Deze ‘omschakelingshandleiding’ kan daarbij helpen. In deze brochure krijg je een overzicht van de belangrijkste veranderingen op en rond het bedrijf die bijdragen tot een succesvolle omschakeling. Van doorslaggevend belang daarbij is dat je als landbouwer inzicht hebt in de principes van de biologische landbouw die schuilgaan achter de normen en de wetgeving. Door verder te kijken dan de regeltjes waaraan voldaan moet worden, komt een bedrijfsdynamiek tot stand die voortdurend anticipeert op de ontwikkeling van die normen. Daarnaast wordt met deze brochure ook heel wat informatie meegegeven die het praktisch omschakelen vergemakkelijkt.

| pag 3

Mag het echter duidelijk zijn dat alle aspecten van de omschakeling naar de biologische teelt onmogelijk in een gebruiksklare handleiding gegoten kunnen worden. Elk bedrijf is uniek en de omschakeling is steeds een individuele ervaring. In deze brochure vind je de grote lijnen en de belangrijkste aandachtspunten terug, maar deze moeten per bedrijf een specifieke invulling krijgen.


Colofon auteurs

Wim Vandenberghe, Lieven Delanote en Femke Temmerman (PCBT), Yves Hendrickx (PPK Pamel), Kurt Cornelissen (PCG), Antoine Pennewaert (Foliant)

eindredactie An Jamart, BioForum

o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 4

vormgeving Koen Huybreghts, Ogly Doglin voorpagina

foto Bejo zaden

datum

3de uitgave - februari 2011

verantwoordelijke uitgever Leen Laenens Deze brochure is een uitgave van BioForum Vlaanderen vzw. Ze kwam tot stand met de steun van de Afdeling Duurzame Landbouw Ontwikkeling van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Overname uit deze publicatie kan enkel mits duidelijke bronvermelding. _________________________

BioForum Vlaanderen is de koepel- en ketenorganisatie van de Vlaamse biologische landbouw en voeding. BioForum vertegenwoordigt de boeren, verwerkers, verdelers en verkooppunten uit de biosector en ondersteunt hen met onder meer advies, informatie, beleidswerk en ketenontwikkeling. BioForum wordt aangestuurd door haar leden-ondernemers uit de sector en door een beperkt aantal organisaties actief rond biolandbouw en voeding: Landwijzer, PCBT, Velt, Vredeseilanden, T端v Nord Integra en Certisys. Voor meer info, surf naar www.bioforum.be of contacteer ons via info@bioforum.be of 03 286 92 78.


Omschakelen naar de biologische landbouw Een land- of tuinbouwer die omschakelt naar de biologische bedrijfsvoering doet dit weldoordacht. Motieven voor zo’n ingrijpende verandering zijn vaak van persoonlijke aard. In de meeste gevallen overheerst een grote zorg voor natuur, milieu en dierenwelzijn. Een argument dat vaak opduikt, is onvrede met de huidige wijze van produceren. Het bedrijf wordt steeds meer afhankelijk van chemische middelen en wordt als het ware een bepaalde richting uitgestuurd. Die evolutie doet afbreuk aan de liefde voor het vak. Omschakelen kan dan een grotere arbeidsvreugde geven. Het vakmanschap wordt zo nieuw leven ingeblazen. Andere bedrijfsleiders overwegen een omschakeling om louter economische redenen. Bij bedrijven die het goed doen, gaat de rendabiliteit na de omschakeling meestal nog de hoogte in. Bijkomend voordeel is dat heel wat milieumaatregelen die de overheid oplegt nu niet meer als beperkend worden ervaren. Van groot belang is dat er bewust voor de nieuwe bedrijfsopzet gekozen wordt. De biologische landbouw is over het algemeen een moeilijker pad dat, zeker in het begin, extra inspanningen en onzekerheden met zich mee brengt. Omschakelen begint tussen de oren, zonder innerlijke overtuiging lukt het niet. Je weet uiteraard al langer dat er zoiets bestaat als biologische landbouw. In principe zou je misschien zelf ook milieu- en mensvriendelijker willen werken, maar je denkt dat je er nooit fatsoenlijk gaat kunnen van leven. Ten onrechte. Het Belgische Planbureau gaat er, net als de Europese Commissie, van uit dat er tegen 2050 alleen nog duurzame landbouwmethoden zullen bestaan. Of het kleinschalige of grootschalige bedrijven zullen zijn of van alles een beetje, weten ze niet, maar dat het duurzaam zal moeten zijn, dat is zeker. Biologische landbouw is duurzaam. Dat is dus de goede weg. En op termijn is de goede weg ook altijd een rendabele weg. Trouwens niet alleen op termijn: vandaag zijn er heel wat boeren die nu ze biologisch werken, meer verdienen dan toen ze het nog op de klassieke manier probeerden. Je hebt ook gehoord dat een bioboer gecontroleerd wordt dat het niet schoon meer is? Dat klopt, alleen is het niet de bedoeling van die controles om je het werken onmogelijk te maken of om aan je winst te zitten. Het is net het omgekeerde. Van een gecontroleerde bioboer weet iedereen dat zijn werkwijze en zijn producten volledig voldoen aan de voorwaarden van de biologische landbouw. Dat is een verkoopsargument waar klanten steeds meer oog voor hebben. En als je weet dat je omzet stijgt dankzij de controles, ga je dan nog klagen? Natuurlijk niet, het is gewoon een correcte manier van werken.

In die optiek is het ook logisch dat de wetgeving niet blind is voor de dagelijkse praktijk. Mest of zaadgoed bijvoorbeeld moeten in principe biologisch zijn, maar de wetgever staat uitzonderingen toe. Omdat de sector nog klein is, is een volledig gesloten kringloop van mest op dit ogenblik immers moeilijk haalbaar. Een zekere input vanuit de gangbare landbouw is dus nog toegelaten. Naarmate de sector groter wordt, lost het inputprobleem zichzelf op en kunnen de principes wel volledig hard gemaakt worden. Op een nieuwe manier gaan werken brengt in het begin natuurlijk altijd wat meer onzekerheid. Je moet ook nieuwe dingen leren en andere afleren. Maar je kunt op veel steun rekenen en wat het belangrijkste is: je werk biedt toekomst.

Slaap er nog eens over Van boeren is bekend dat ze gezond verstand hebben. Ze storten zich dan ook zelden in onbekende avonturen. Zelf uitvissen hoe de vork in de steel zit, is het uitgangspunt. Als je overweegt om biologisch te gaan werken, kijk je dan ook eerst eens goed rond. Wat bedoelen ze precies met biologische productiemethoden? Je leest er iets over in een vakblad, hoort er iets over op een voorlichtingsavond en als je de kans krijgt, geef je je ogen en oren de kost op een bedrijfsbezoek. En in plaats van chemische bestrijdingsmiddelen of kunstmest te gebruiken ga je op zoek naar alternatieven en probeer je die eens uit. Als je experimenten lukken, ben je natuurlijk extra gemotiveerd. En dat is nodig want uiteindelijk moet je heel je bedrijfsstructuur tegen het licht houden en bekijken wat er kan en moet veranderen. Het belangrijkste daarbij is voldoende ruimte voor vruchtwisseling, organische bemesting en onkruidbeheersing zonder synthetische middelen. Een juridische vertaling van wat het biologische productieproces precies inhoudt, vind je bijvoorbeeld in de ‘EU Verordeningen inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en haar uitvoeringsbesluiten’. (EG 834/2007 en EG 889/2008). Neem in deze fase ook eens contact op met ‘Bio zoekt Boer’. Dit project biedt gangbare boeren die nadenken over omschakeling concrete antwoorden op maat van hun specifieke bedrijf en verwijst door naar deskundigen.

Bio zoekt boer

Sofie Hoste, Diestsevest 40, 3000 Leuven tel 0494/98 23 69 • fax 016/28 61 29 info@biozoektboer.be www.biozoektboer.be

| pag 5

Goed boeren, hoe doe je dat?


o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 6

Ga planmatig te werk Uit onderzoek blijkt dat nieuwsgierige mensen het meest succesvol zijn in het leven. Ze staan open voor anderen, leren bij en gebruiken dat in hun eigen verhaal. Doe dan ook een beroep op experts als je de stap zet om biologisch te gaan werken. Je hoeft je uiteraard niet te laten overdonderen en zomaar alles te slikken wat ze zeggen. Denk na over hun adviezen en zeg hen hoe jij het zou doen. Uiteindelijk kom je via zo’n gesprek tot de beste resultaten. Experts van erkende centra voor bedrijfsbegeleiding hebben doorgaans heel wat ervaring met het opstellen van een bedrijfsontwikkelingsplan (of omschakelingsplan). Daar kun je veel tijd (en dus geld) mee winnen. Een bedrijfsontwikkelingsplan is erg handig om knelpunten op voorhand in te schatten en op te lossen. Uitgaande van de specifieke biologische normen worden de vruchtrotatie, de bemestingscyclus, de arbeidsverdeling en de afzetmogelijkheden op papier gezet. Daarna volgt een bedrijfseconomische doorrekening en zo krijg je een beeld van de perspectieven die je bedrijf en jijzelf hebben. Door hier en daar iets aan te passen kan dit plan nog wat worden verfijnd en kun je de resultaten eventueel nog wat opkrikken. Bij zo’n plan horen ook lijsten met subsidie- en afzetmogelijkheden, en met adressen van organisaties die je eventueel kunt contacteren. Dankzij dat bedrijfsontwikkelingsplan weet je dus op voorhand wat er gaat gebeuren en vallen er dus al heel wat onzekerheden weg. Gaat er ondanks alles toch iets fout, dan zie je ook onmiddellijk dat er iets niet volgens plan verloopt en kun je al aan een oplossing werken vooraleer het echt uit de hand begint te lopen. Een bedrijfsontwikkelingsplan is dus een krachtig instrument dat je helpt om je bedrijf, stap voor stap en zonder onaangename verrassingen, duurzaam uit te bouwen.

Een erkenning als biologisch producent biedt vooral voordelen Je kunt uiteraard perfect biologisch werken zonder je te laten controleren. Je zorgt er zelf voor dat het hele productieproces, van het maïszaad dat je aankoopt tot de biefstuk die terechtkomt bij de slager, beantwoordt aan de voorwaarden van de biologische landbouw. Alleen mag je in dit geval de term ‘biologisch‘ en het keurmerk Biogarantie® niet gebruiken. Aangezien ze bedoeld zijn als kwaliteitswaarborg voor de consument, moeten ze ook gecontroleerd worden door een controleorganisme. Deze erkende organisaties oefenen in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap de controle uit; Als je dan toch biologisch werkt, heb je er natuurlijk alle belang bij om je te laten controleren. Je mag dan op je etiketten, in je reclame en op je facturen vermelden dat je ‘biologisch’ produceert. Steeds meer klanten stellen een wettelijke controle trouwens als voorwaarde voor een levering: particulieren, maar zeker ook overheidsbesturen.

De controle-organisaties voor de biologische landbouw: • Certisys bvba (BE-BIO-01)
 Blaise Hommelen
 K. Maria Hendrikaplein 5-6 • 9000 Gent
 tel 09/245 82 36
 info@certisys.eu • www.certisys.eu • TÜV Nord Integra (BE-BIO-02) 
 Annick Cnudde
 Statiestraat 164 A • 2600 Berchem
 tel 03/287 37 60 • fax 03/287 37 61
 info@tuv-nord-integra.com
• www.tuv-nord-integra.com • Quality Partner nv (BE-BIO-03)
 Samya Aweis 
 Rue Hayeneux 62 • 4040 Herstal
 tel 04/240 75 00 • fax 04/240 75 10
 info@quality-partner.be • www.quality-partner.be • Control Union (BE-BIO-04)
 Wim Overlaet
 Abtsdreef 10B • 2940 Stabroek
 tel 03/232 49 70 • fax 03/232 75 42
 woverlaet@controlunion.com • www.controlunion.com Als je wil dat er een controle-organisatie langskomt om te controleren of je bedrijf de biologische productieregels naleeft dan moet je als volgt te werk gaan. Zodra je start met de omschakeling vraag je bij één van de controle-organisaties een erkenning aan. Zo breng je het hele controleproces op gang. Na een omschakelingsperiode ontvang je een bedrijfscertificaat en kan je je producten als ‘biologisch’ of ‘biologisch in omschakeling’ op de markt brengen. Wens je bijkomend ook vrijwillig het keurmerk Biogarantie® te gebruiken dan dien je lid te worden van BioForum Vlaanderen vzw en moet je aan een aantal bijkomende eisen voldoen. Het certificaat van de controleorganisatie stelt je dus op een geloofwaardige manier in staat om de hogere kosten die praktisch altijd samengaan met een biologische productiemethode door te rekenen in de verkoopprijs. Voor producten in eindverpakking geeft het keurmerk Biogarantie®‚ aan dat je product voldoet aan de strengste eisen op het vlak van biologische landbouwmethodes en ecologi-


sche, economische en sociale normen integreert. Jij betaalt de kosten die de controle van je biologische productiewijze meebrengt. In zekere zin is dat logisch omdat jij er uiteindelijk ook bij wint: je krijgt een geloofwaardig verkoopsargument tegenover de klant en je hebt recht op een teeltpremie. De controlekosten zijn wettelijk vastgelegd. Het gaat om een vast bedrag dat wordt berekend op basis van het aantal dieren (per diersoort) en het aantal hectaren (per teeltgroep). Voor een gemiddeld bedrijf beloopt dit ongeveer 750 euro per jaar. Zorg ervoor dat je de biologische teeltpremie niet misloopt. Het kan soms afhangen van kleine zaken zoals de manier waarop en het tijdstip dat je de erkenning aanvraagt. Gebruik daarvoor het officiële formulier. Het omvat een verklaring van biologische landbouwactiviteit en een verbintenis om de geldende reglementering na te leven. Het is ook belangrijk dat je weet dat elk product dat volgens de biologische teeltmethode wordt gewonnen, door dat erkende organisme gecontroleerd moet worden. Dat organisme geeft ook de toelating om het in de handel te brengen. En tot slot moet je als producent ook een toelating hebben voor de percelen die je gebruikt. Pas als dat allemaal in orde is, kun je aanspraak maken op de premie voor biologische teeltmethode.

De belangrijkste stappen van het controleproces op een rijtje Aanmelding en officiële omschakelingsdatum Als je als biologisch producent erkend wil worden, moet je bij het controle-organisme eerst de nodige officiële formulieren en documenten aanvragen. Dat pakket omvat vijf zaken: 1) Het tweedelige bekendmakingsformulier: het eerste deel heeft betrekking op de referenties van de producent en op zijn verbintenis om de specifieke reglementering na te leven; het tweede deel heeft betrekking op alle percelen met biologische teeltmethode. 2) Een brochure met een vereenvoudigde versie van de reglementaire bepalingen. 3) De originele wetteksten betreffende de biologische landbouw. 4) Het prestatiecontract tussen het controleorganisme en de producent, waarbij deze ermee akkoord gaat dat zijn bedrijf gecontroleerd wordt.

terug naar het controle-organisme. De omschakeling start pas officieel op de ‘omschakelingsdatum’. Dat is de datum waarop de controle-organisatie het bekendmakingsformulier en het prestatiecontract ontvangt.

Regeling controlebezoeken De controleur ontvangt je documenten en maakt met jou een afspraak voor het eerste controlebezoek. Dat verloopt als volgt: 1) Alle percelen worden beschreven en bezocht. En er wordt een overzicht gemaakt van de geschiedenis van de percelen. 2) Het teeltplan en de rotatie worden onderzocht. 3) De teelttechnieken worden onderzocht: bemesting, onkruidbestrijding, teeltbescherming, oorsprong van het teeltmateriaal... 4) De opslagplaatsen en -lokalen worden bezocht. Voor een vlot verloop van de controle is het erg belangrijk dat de oorsprong en de aard van de inkomende en uitgaande producten van je bedrijf duidelijk vermeld zijn in je boekhouding. In de regel neemt de controleur ook stalen mee om te laten ontleden. Na het bezoek krijg je van de controleur een rapport en de bevestiging dat je bedrijf wordt gecontroleerd op de biologische teeltmethode. Het rapport vermeldt welke punten je moet veranderen om ervoor te zorgen dat je bedrijf beantwoordt aan de biologische teeltnormen. Daar hoort ook een timing bij die aangeeft wanneer de veranderingen ten laatste moeten doorgevoerd zijn. Jaarlijks moet je ook per perceel een gedetailleerd teeltprogramma opmaken en vóór een vastgelegde datum opsturen naar het controleorganisme. Als je het teeltplan tijdens het seizoen wijzigt, moet je dat ook meteen doorgeven. Hoeveel controles mag je verwachten? Ten minste één per jaar. Maar het zullen er wellicht meer zijn, zowel na afspraak als onverwachts. Wat als de controleur onregelmatigheden vaststelt? Dan mag je de term ‘biologisch‘ niet meer gebruiken voor het geheel of het gedeelte van de teelt dat problemen geeft. Als de controleur vindt dat het gaat om een ‘klaarblijkelijke inbreuk’ of een ‘inbreuk met langdurig gevolg’ dan kun je ook je bedrijfscertificaat voor een bepaalde periode verliezen.

5) Het tarief dat het controleorganisme vraagt om het bedrijf in kwestie te controleren.

| pag 7

Stuur het tweedelige bekendmakingsformulier en het prestatiecontract, ingevuld en ondertekend,


Hoe lang duurt de omschakelingsperiode?

o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 8

1) Plantaardige productie Bij de plantaardige productie duurt de omschakelingsperiode bij éénjarige gewassen twee jaar voor het zaaien en bij doorlevende gewassen drie jaar voor de oogst. Tijdens die periode moet je de biologische teeltprincipes wel al toepassen op die percelen, maar je mag de producten nog niet ‘biologisch’ noemen. In de praktijk gebeurt het wel meer dat het controleorganisme de omschakelingsperiode verkort of verlengt. Ze stemt de periode dan af op de exacte voorgeschiedenis van de percelen en op de ontleding van de genomen stalen. Na een omschakelingsperiode van ten minste 12 maanden vóór de oogst kunnen producten worden verkocht als ‘biologisch in omschakeling’. Opgelet: bij de plantaardige productie beïnvloedt ook de omschakelingsdatum (voor of na het zaai- of plantseizoen) de omschakelingsperiode! Stel dat je als akkerbouwer in juni 2008 een erkenning als biologische landbouwer aanvraagt. Je tarweoogst van het seizoen 2009 kan een erkenning ‘biologisch in omschakeling’ krijgen, indien op het perceel waar de tarwe geteeld wordt, tenminste vanaf juli 2008 (dit is 12 maanden vóór de oogst) de principes van biologische landbouw zijn toegepast. Je maïsoogst van 2009 kan een erkenning ‘biologisch in omschakeling’ krijgen indien op dit perceel tenminste vanaf oktober 2008 de regels van de biologische teelt zijn toegepast. De oogsten van 2010 van deze percelen krijgen ook een erkenning ‘biologisch in omschakeling’. De oogsten vanaf 2011 van deze percelen krijgen een erkenning als biologisch landbouwproduct, want ze zijn gezaaid of geplant na juni 2008 (de omschakelingsdatum + 2 jaar). Indien je je percelen niet in juni 2008, maar in maart 2008 (dus vóór het zaai- of plantseizoen) had aangemeld, dan waren je producten al een jaar eerder, in 2010, biologisch en dus winstgevender geweest. De expert die je zo’n zaken vooraf vertelt, betaalt zichzelf uiteraard meer dan terug. En dat is ook de bedoeling.

2) Dierlijke productie Voor de dierlijke productie hangt de omschakelingsperiode af van de duur van de productiecyclus en van het omschakelingsregime dat je kiest: -gelijktijdige omschakeling van dieren, uitloop en percelen voor voederproductie: de omschakelingsperiode bedraagt 24 maanden voor zowel de dieren, de uitloop als de percelen voor de voederwinning. Hierbij mogen de nog aanwezige (gangbare) voedervoorraden opgebruikt worden (als die niet buitensporig groot zijn) en mag ook al het voeder dat tijdens deze 24 maanden op het bedrijf wordt geproduceerd, aan

de dieren worden gegeven. Dit is een aantrekkelijk systeem voor bedrijven die zelf een aanzienlijk deel van hun voer kunnen produceren. - enkel omschakeling van dieren (kan enkel als de uitloop al biologisch in omschakeling is). In dit geval bedraagt de omschakelingsperiode: (a) 12 maanden voor runderen, paardachtigen en hertachtigen die bestemd zijn voor de vleesproductie, met als bijkomende voorwaarde dat ze ten minste driekwart van hun levensduur moeten doorgebracht hebben in de omschakelingsperiode ; (b) 6 maanden voor dieren die voor melkproductie worden gehouden ; (c) 6 maanden voor schapen, geiten, en varkens die bestemd zijn voor de vleesproductie. Voor de uitloop gelden minimaal zes maanden. Legkippen moeten vanaf hun zesde levensweek biologisch worden gekweekt, vleeskippen vanaf hun derde levensdag. Mestafzet: bedrijven die meer dan 2 GVE/ha hebben, moeten vóór de omschakeling al contractueel mestafzet vastleggen op andere biologische percelen. Er zijn verschillende erkende centra voor bedrijfsbegeleiding: BB Consult, Diksmuidsesteenweg 406/4, 8800 Roeselare (tel 051/26 03 85) BioForum, Quellinstraat 42, 2018 Antwerpen (tel 03/286 92 65) VAC, Ambachtsweg 20, 9820 Merelbeke (tel 09/252 59 19) PCBT, Ieperseweg 87, 8800 Rumbeke (tel 051/27 32 50) PCG, Karreweg 6, 9770 Kruishoutem (tel 09/381 86 86)


Duurzaamheid duurt het langst Biologische landbouw gebruikt de aarde, maar maakt ze niet kapot. Het is een productiewijze die de natuur de gelegenheid biedt om zichzelf telkens weer te herstellen. Zo kan ze steeds opnieuw worden gebruikt en zorgen we voor onze toekomst en die van onze kinderen. Dat is ook het mooie van biologische landbouw : als bioboer investeer je vandaag in smaakvolle en gezonde kwaliteitsproducten die vriendelijk zijn voor milieu en mens, maar tegelijk investeer je ook in de toekomst van die producten. Anders gezegd : het uitgangspunt van de biologische productie is duurzaamheid. Dat wil zeggen produceren op een manier die ook in de toekomst mogelijk blijft en die voldoet aan de verwachte normen die de samenleving in de toekomst zal stellen op het gebied van:

- productkwaliteit

- milieu

- dierenwelzijn

- economie

- arbeidsomstandigheden.

Wat zijn de concrete doel stellingen van de biologische landbouwmethode? - het produceren van voldoende voedingsmiddelen die voedingsfysiologisch hoogwaardig zijn en die geen residu’s bevatten van stoffen die de gezondheid van mens en dier schaden - het behoud of herstel van een optimale bodemvruchtbaarheid - het behoud of herstel van natuur en landschap - het behoud van de genetische diversiteit - het vermijden van handelingen die het milieu belasten of tot verarming daarvan bijdragen - een minimaal gebruik van eindige grondstoffen - een veelzijdige bedrijfsstructuur met een kringloop die zo goed mogelijk gesloten is - landbouwhuisdieren zoveel mogelijk vrijlaten in hun soorteigen gedrag - de producent de kans geven om een leefbaar inkomen te verwerven, en zorgen voor een democratische consumentenprijs en een leefbaar inkomen voor elke schakel tussen producent en consument.

Hoe kun je die doelstellingen praktisch verwezenlijken? - zorgen voor een levende, vruchtbare bodem - toepassen van preventieve gewasbescherming door middel van cultuurmaatregelen zoals vruchtwisseling, gewas- en rassenkeuze - bemesten met organische meststoffen, groenbemesters en natuurlijke mineralen - kiezen voor grondgebonden productiesystemen en grondverbonden mestbeheer

- onkruidbestrijding met behulp van mechanische en/of thermische middelen - geen gebruik maken van chemisch-synthetische bestrijdingsmiddelen en kunstmest - geen gebruik maken van chemisch-synthetische toevoegingen in veevoer en van groeistoffen en hormonen - geen gebruik maken van genetische modificatie in de productietechnieken en -middelen.

Wat is de meerwaarde van de biologische productiemethode? De biologische landbouwmethode gebruikt de lokale natuur zonder de samenhang en het evenwicht ervan onherstelbaar te verstoren. Ze houdt steeds rekening met de bodemvruchtbaarheid en het milieu. Daarom zorgt ze ook voor een ruimere vruchtwisseling, gebruik van groenbemesters en organische bemesting. De onkruidbestrijding gebeurt voornamelijk mechanisch of thermisch. In de veeteelt ligt de nadruk op dierenwelzijn, preventieve gezondheidszorg en biologisch geteeld veevoeder. | pag 9

Basisprincipes van de biologische landbouw


De biologische landbouwer benut het zelfregulerend vermogen van het landbouwecosysteem maximaal. Hij teelt met respect voor mens, dier, gewas en cultuurland. Net als elke andere ondernemer zoekt hij daarvoor naar de economisch meest rendabele weg. De normering en regelgeving rond biologische landbouw steunen op deze principes.

naar de bodem en dan weer terug naar plantaardige productie. De tweede is de kringloop van plantaardige productie via gewasresten en composthoop naar de bodem en weer terug naar plantaardige productie. Op een bedrijf zonder vee grijpt enkel de tweede kringloop plaats, terwijl op een gemengd bedrijf beide kringlopen terug te vinden zijn.

Sleutelwoorden bij de bedrijfsvoering zijn : werken aan de bodemvruchtbaarheid, preventie en natuurlijke evenwichten.

Het gemengde bedrijfstype is het biologische bedrijf bij uitstek. De mineralenkringloop wordt zoveel mogelijk gesloten gehouden. Dat wil zeggen dat er steeds een sluitende relatie bestaat tussen enerzijds de voederbehoefte en anderzijds de mestproductie. Het gesloten bedrijf is minder afhankelijk van buitenaf en zorgt zoveel mogelijk zelf voor veevoeders en mest. Indien dit niet te realiseren is op één bedrijf, kunnen een aantal bedrijven regionaal als koppelbedrijven functioneren.

o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 10

Agro-ecologische meerwaarden - door grondverbonden mestbeheer zijn mestoverschotten per definitie onmogelijk - door een efficiëntere omgang met stikstof worden de EU-nitraat-richtlijnen vlot gehaald - er is ruime aandacht voor dierenwelzijn en er is geen plaats voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) - ruimere teeltrotaties zorgen voor een meer gediversifieerde landschappen en respecteren de natuur.

Socio-economische meerwaarden - een kortere afstand tussen consument en producent - minder nutriëntenimport en geen verstoring van de Noord-Zuidrelaties - geen bijkomende milieukosten voor de gemeenschap - meer werkgelegenheid en kansen voor plattelandsontwikkeling.

Kiezen voor een gemengd of een ontmengd bedrijf? In het landbouwecosysteem zijn twee kringlopen te herkennen die allebei een opbouw-, afbraak- en mineralisatiegedeelte hebben. De eerste is de kringloop van plantaardige productie via veevoer en dier

Biologische plantaardige productie Zoals reeds aangehaald: biologische land- en tuinbouw is een landbouwsysteem dat veel aandacht schenkt aan de samenhang tussen plant, dier, mens en omgeving. Dierenwelzijn, het behoud van de bodemvruchtbaarheid en het milieu staan centraal. Biologische land- en tuinbouw is gebaseerd op een ruime vruchtwisseling. Organische bemesting uit de biologische veehouderij en groenbemesters (bij voorkeur vlinderbloemigen) brengen de nodige stikstof aan voor een evenwichtige plantengroei. Rassenkeuze (resistente variëteiten), een goede bodemgesteldheid, een ruime vruchtwisseling en een aangepaste bemesting zijn belangrijke teeltmaatregelen in de gewasbescherming. De onkruidbestrijding gebeurt mechanisch of thermisch. Tenslotte stelt de biologische boer de normen voor een biologisch bedrijf ruimer en is met name de integratie van het bedrijf in de natuurlijke omgeving en in de maatschappij een belangrijk aandachtspunt. De algemene basisprincipes werden reeds genoemd, hoe deze in de praktijk vertaald worden vind je hieronder wat verder uitgewerkt. Ongeacht welke richting je in de toekomst met


Een gezond teeltplan steunt op vruchtwisseling Een zorgvuldig samengestelde vruchtwisseling is de basis van gezonde gewassen en het behoud van de bodemvruchtbaarheid. Een gezond teeltplan besteedt erg veel aandacht aan : • voldoende ruimte (minimum 1/5) • verschillende gewassen van verschillende families • de afwisseling van veeleisende gewassen (naar nutriënten en structuur) met minder eisende gewassen • de opvolging van gewassen volgens hun Nbehoefte, wortelstelsel, onkruiddruk, … • voldoende plaats voor structuuropbouwende gewassen. Gemiddelde mestinhoud van enkele mestsoorten (kg per ton mest) N

P2O5

K2O

Drijfmest zeugen 3,9

3,8

4,2

rundvee

4,4

1,8

5,5

Vaste mest vleesvarkens

10,1

7,2

7,8

zeugen

4,5

8,7

4,2

rundvee (loopstal)

6,5

2,5

10,5

rundvee (grupstal)

4,5

3,8

3,5

Hoe maak je de bodem op een biologische wijze vruchtbaarder? De biologische teelt gebruikt geen chemischsynthetische meststoffen en bestrijdingsmiddelen, maar zorgt ervoor dat planten in optimale omstandigheden kunnen groeien. Als bioboer moet je de bodem dus zo vruchtbaar mogelijk houden. De vruchtbaarheid van de bodem hangt af van het bodemtype, de bodemstructuur, de pH, de voedingstoestand, het gehalte aan organische stof, het humusgehalte, het bodemleven… Je bouwt de vruchtbaarheid van de bodem op door de vruchtwisseling, maar ook door te zorgen voor maaivruchten. Deze brengen leven en structuur in de bodem (en vergen geen intensieve grondbewerking in voor- en najaar). De voedingstoestand en het humusgehalte worden op peil gehouden door middel van stalmest, vlinder-

bloemigen en groenbemesters. Een vlinderbloemige kan tot 450 kg N per ha per jaar uit de lucht vastleggen. Een deel hiervan wordt afgevoerd bij elke maaibeurt. Wanneer de stoppel ingewerkt wordt, komt 50 tot 125 kg N beschikbaar voor de volgteelt. Andere groenbemesters werken vooral als vanggewas en verbeteren de structuur : bodembedekking tijdens de winter voorkomt uitspoeling van nutriënten en erosie, en draagt bij aan de opbouw van het gehalte aan organische stof. Er wordt bij voorkeur gewerkt met een teeltplanbemesting : na een N-leverende voorteelt en een bemesting met stalmest is de bodem klaar voor N-eisende gewassen. Voor gewassen met een lagere N-behoefte wordt dan niet bemest. Organische handelsmeststoffen (sojameel, bloedmeel…) worden niet gebruikt als basisbemesting omdat ze te duur zijn. Organische handelsmeststoffen zijn wel interessant voor een eventuele bijsturing in de loop van het groeiseizoen. Een belangrijke parameter voor de voedingstoestand in de bodem is de pH. De pH is sterk afhankelijk van de structuur, maar moet in elk geval hoog genoeg zijn voor een evenwichtige plantengroei. Net als in de gangbare landbouw kun je de pH bijsturen op basis van een bodemanalyse. Zeewierkalk kan worden gebruikt om te voldoen aan de kalkbehoefte. Via de dierlijke mest wordt voldoende fosfaat aangevoerd om de afvoer te compenseren. Algemeen moet je in je teeltplan streven naar een goede kalivoorziening. Kali versterkt immers de weerstand van je planten tegen ziekten en plagen. De kalibehoefte kan worden ingevuld met haspargit, kaïniet, patentkali, ... Kieseriet kan interessant zijn voor gronden waar makkelijk Mg-tekort optreedt. Zodra de voedingstoestand in de bodem op peil is, komt het erop aan het evenwicht via de bemesting te bewaren. De aanvoer van mineralen moet dus ongeveer gelijk zijn aan de afvoer. Als je werkt met organische meststoffen, is dat niet zo eenvoudig. Opletten dus.

Zaaizaad en plantgoed Het zaaizaad en het vegetatief teeltmateriaal moeten afkomstig zijn van biologische landbouw. Eveneens kan er gebruik gemaakt worden van uitgangsmateriaal afkomstig van een productie-eenheid die zich in de fase van omschakeling naar de biologische landbouw bevindt. Indien de producent kan aantonen dat dit teeltmateriaal niet verkrijgbaar is in biologische kwaliteit, dit wil zeggen dat het niet in de databank http://www.organicxseeds.be staat, kan ontheffing verkregen worden. De producent moet een aanvraag indienen bij zijn controleorganisme en verklaren dat het teeltmateriaal niet verkrijgbaar is in biologische kwaliteit.

| pag 11

je bedrijf uitgaat, blijft het belangrijk deze basisprincipes in het achterhoofd te houden.


o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 12

Voorkomen van ziekten en plagen In de biologische teelt ligt de nadruk op het voorkomen en beheersen van ziekten en plagen. Als planten kunnen groeien in goede omstandigheden dan zijn ze sterk genoeg om hun eigen weerstand op te bouwen. Dat is het uitgangspunt. Een vlotte groei steunt dus op een goede toestand en vruchtbaarheid van de bodem. Daarnaast vermindert een teeltrotatie die ruim genoeg is, de kans op bodemgebonden ziekten. Tevens voorkomt een evenwichtige bemesting (matige N-voorziening, voldoende kalium…) schade door insecten en schimmels. Ziekten en plagen kunnen ook worden vermeden via andere teeltmaatregelen zoals rassenkeuze, plantafstand, zaaitijdstip…. Plagen zoals trips in prei worden in de biologische teelt in beperkte mate getolereerd. Voor plagen die je niet onder controle kunt houden, bestaan er een aantal biologische bestrijdingsmiddelen (voornamelijk pyrethrum en Bacillus thuringiensis) die onder bepaalde omstandigheden gebruikt mogen worden. Het verstuiven van gesteentemelen (o.a. basaltmeel) wordt wel eens gebruikt om planten te versterken.

Slimme onkruidbestrijding In een biologisch bedrijf is onkruidbestrijding een absolute prioriteit. De biologische bestrijding van het onkruid maakt dan ook deel uit van het teeltplan en de arbeidsorganisatie en wordt al in een vroeg stadium aangepakt. Een belangrijk instrument in de biologische onkruidbestrijding is het ‘vals zaaibed’. Bij teelten die niet heel vroeg gezaaid of geplant worden (na april) kan het perceel al enkele weken voor het zaaien of planten klaargelegd worden. Heel wat onkruidzaden uit het zaaibed gaan dan al kiemen. Deze jonge onkruiden kunnen dan in het volle veld bestreden worden met wiedeg, cultivator, brander ... Goed ontwikkelde, meerjarige maaigewassen hebben een reducerend effect op de onkruidpopulatie. Ze zijn erg efficiënt tegen wortelonkruiden. De groei van het onkruid wordt beperkt door de felle loofontwikkeling van het maaigewas en het maaien van zware sneden. In gewassen met een snelle jeugdgroei (maïs, aardappelen, kolen…) gaat de mechanische onkruidbestrijding doorgaans vlot. Door wat later te gaan zaaien kan de jeugdgroei vaak nog versneld worden. Zaaigewassen zoals ui en peen zijn echter wat weerbarstiger. Mechanische onkruidbestrijding moet afgestemd zijn op de teelten en de bedrijfsomstandigheden. Je hebt dus verschillende toestellen en machines nodig:

wiedeg, schoffelmachines, vingerwieder, aanaardploeg … Deze gereedschappen stellen je in staat om het manueel wegschoffelen of wieden van de laatste onkruiden zo veel mogelijk te beperken.

De omschakeling technisch bekeken: akkerbouw Wanneer een landbouwbedrijf omschakelt van de gangbare naar de biologische landbouwmethode vraagt dit een duidelijke koerswijziging van het bedrijf en van de bedrijfsleider(s). Het teeltplan moet aangepast worden in functie van onder andere de ziekte en plaagbeheersing, onkruidbestrijding, bemesting en arbeidsorganisatie. Ook heel wat praktische zaken veranderen. Zo kan je huidige plantgoedleverancier misschien geen biologische planten leveren of heeft de zaadhandelaar geen biologisch of niet-ontsmet zaaizaad in zijn aanbod of moet het zaad veel vroeger besteld worden. Dit betekent dat een aantal nieuwe toeleveranciers nodig zijn. Een aantal van je huidige afnemers is wellicht niet actief in de biologische markt. Om de meerwaarde van je biologische producten te valoriseren, moeten nieuwe afzetkanalen aangesproken worden. Deze koerswijziging is niet vanzelfsprekend te realiseren, vandaar dat we de toekomstige bioteler met deze brochure op weg willen helpen om zich in te leven in de biologische achtergronden en omgevingsfactoren en om zich een beeld te vormen van de omschakeling van een gangbaar naar een biologisch bedrijf. We nemen een gangbaar akkerbouw-groentebedrijf als uitgangspunt om het proces van de omschakeling en de kritische succesfactoren bij de biologische teeltwijze toe te lichten. De motivatie van de bedrijfsleider(s) is ontegensprekelijk een eerste succesfactor en zal een wezenlijk aandeel hebben in het al dan niet slagen van de biologische bedrijfsvoering. Gezien dit persoonsgebonden is, gaan we hier niet verder op in. Binnen de biologische landbouwmethode zijn er tal van varianten mogelijk inzake bedrijfsvoering. Het is heel belangrijk dat de bedrijfsvoering nauw aanleunt bij de persoonlijkheid en de interesses van de bedrijfsleider(s). Alle deelaspecten van het bedrijf komen aan bod in dit deel over de concrete omschakeling: we schetsen een beeld van waar het naar toe kan en hoe de omschakeling kan verlopen. Daarbij houden we rekening met verschillende invalshoeken: landbouwkundige implicaties van de biologische landbouwmethode, de wetgeving, het bedrijf en de persoonlijke interesses van de bedrijfsleider(s).


Perceel A

Perceel B

Perceel C

Perceel D

Perceel E

Perceel F

2010

Maïs

Suikerbieten

2011

Graan (+klaver) Grasklaver

Maïs

Suikerbieten

2012

Bloemkool

Prei

Graan (+klaver)

Grasklaver

Maïs

Suikerbieten

2013

Aardappel

Wortelen

Bloemkool

Prei

Graan (+klaver)

Grasklaver

2014

Grasklaver

Graan (+klaver)

Aardappel

Wortelen

Bloemkool

Prei

2015

Prei

Bloemkool

Grasklaver

Graan (+klaver)

Aardappel

Wortelen

2016

Wortelen

Aardappel

Prei

Bloemkool

Grasklaver

Graan (+klaver)

2017

Graan (+klaver) Grasklaver

Wortelen

Aardappel

Prei

Bloemkool

2018

Bloemkool

Prei

Graan (+klaver)

Grasklaver

Wortelen

Aardappel

2019

Aardappel

Wortelen

Bloemkool

Prei

Graan (+klaver)

Grasklaver

2020

Grasklaver

Graan (+klaver)

Aardappel

Wortelen

Bloemkool

Prei

2021

Prei

Bloemkool

Grasklaver

Graan (+klaver)

Aardappel

Wortelen

2009

- Oppervlakte en percelen Totale oppervlakte: 24 ha, leem Bij het erf staat een plastic serre waarin preiplanten gekweekt worden, de vroegste plantingen worden aangekocht. Teelten 4 ha prei 4 ha bloemkool 8 ha groenten voor industrie (sluitkool, erwten en wortelen, afhankelijk van jaar tot jaar) 4 ha suikerbieten 4 ha aardappelen Afzet De aardappelen en suikerbieten worden van het veld weg verkocht. De prei en bloemkool worden op het bedrijf marktklaar gemaakt en geleverd aan de veiling. De sluitkool, erwten en wortelen gaan naar de industrie, van het veld weg.

Het teeltplan Aan de hand van de aanwezige ervaring op het bedrijf, de gedane investeringen en de nog mogelijke investeringsruimte, de persoonlijke voorkeuren van de bedrijfsleiders, de mogelijke arbeidsinvulling, ... kan volgende vruchtwisseling naar voor geschoven worden: 4 ha graan met onderzaai van klaver 4 ha bloemkool (ten dele dubbele teelt) met een groenbemester erna 4 ha aardappelen 4 ha gras-klaver 4 ha prei (herfst- en winterprei) 4 ha wortelen

(geel: teelt in omschakeling; ongekleurd: biologische teelt) Ook de afzet is een belangrijk aandachtspunt voor de invulling van het bouwplan. De afzetmogelijkheden en eventuele afspraken zullen een grote invloed hebben op de teeltperiode en het areaal. Verschillende afzetkanalen werken met richtinggevende teeltafspraken die bij het begin van het seizoen worden vastgelegd. Dit afzetargument is ook de beslissende reden om de suikerbieten niet op te nemen in de biologische rotatie: momenteel is daar geen afzet voor in België. Suikerbieten biologisch telen (met de extra arbeid voor onkruidbestrijding) en gangbaar verkopen is bedrijfseconomisch weinig realistisch. De suikerbieten lenen zich wel als teelt in het eerste omschakelingsjaar en kunnen zodoende nog tot en met 2012 in het teeltplan ingepast worden. Na die datum kan overwogen worden om het bietenquotum te verkopen en de MTR-rechten op andere gewassen in de rotatie te activeren. Een andere optie is om bieten te telen op gangbare gronden die je in seizoenspacht verwerft. In het eerste omschakelingsjaar met gangbare oogst opteren we voor suikerbieten en maïs. Deze gewassen lenen zich om na een gangbare start, tijdens de teelt om te schakelen. De eigenlijke vooropgestelde rotatie start vanaf het tweede omschakelingsjaar met een extensieve teelt zoals graan of grasklaver. Dit wordt verder nader toegelicht. Met de voorgestelde stapsgewijze omschakeling wordt het bedrijf vanaf 2012 volledig biologisch uitgebaat en zijn vanaf 2014 alle producten volledig biologisch. Andere scenario’s inzake teelten en spreiding in de tijd zijn goed mogelijk.

Opbouw van de rotatie De basis voor het nieuwe biologische bouwplan is dus een zesjarige rotatie waarvan de helft rooivruchten. De afwisseling met één derde maaivruchten is aangeraden voor het behoud, herstel en verbetering van de bodemvruchtbaarheid.

| pag 13

Hoe wordt dit nu praktisch aangepakt? Om het niet te theoretisch te maken, werken we met een concreet voorbeeld: een gangbaar akkerbouwgroentebedrijf met volgende bedrijfsgegevens:


o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 14

Graan heeft vanwege de diepe beworteling een positieve invloed op de bodemstructuur. Met het oog op een goede vastlegging en nalevering van stikstof voor de volgteelt is het aan te bevelen klaver in te zaaien enkele weken voor het sluiten van het gewas. Door het stikstofbindend vermogen van de klaver als groenbemester wordt het perceel optimaal voorbereid op de volgteelt bloemkool die dankbaar gebruik maakt van deze stikstofnalevering. Zowel bloemkolen als aardappelen laten na oogst een stikstofrijke bodem achter, zodat een groenbemester aangewezen is om de nutriëntenefficiëntie op te krikken en het nitraatresidu in het najaar te beperken. Biologische aardappelen kunnen normaliter vroeg worden gerooid (begin september) waardoor de grasklaver nog op een gunstig tijdstip kan worden gezaaid. Indien niet vóór half september kan worden gezaaid, kan beter gewacht worden tot het volgende voorjaar. Naast het graan met klaver onder dekvrucht zorgt tevens een jaar grasklaver voor een rustpauze in het bouwplan met herstel van de bodemstructuur en aanbreng van extra stikstof uit de lucht door de klaver. De teelt van grasklaver biedt ook de kans om een link te leggen met een biologisch veebedrijf dat in ruil biologische mest kan aanleveren. Zo kan via de samenwerking toch een soort van gemengd bedrijfssysteem gerealiseerd worden. Dit is evenwel geen verplichting. Het invoegen van grasklaver in de rotatie lijkt vanuit gangbaar oogpunt onrendabel, maar de positieve invloed op de structuur en de stikstofvoorziening zullen dit zeker compenseren in de volgteelt(en). Een ander voordeel van grasklaver als voorvrucht is dat er minder problemen zijn met onkruid in het volggewas. Een grasklaverweide laat met name geen kans aan zaadonkruiden, waardoor de opbouw van onkruidzaden in de bodem wordt doorbroken. Met het onderwerken van de grasklaverzode in het voorjaar wordt een hoog stikstofleverend vermogen bereikt waar de prei dankbaar gebruik van zal maken. Omdat de prei op tijd het veld moet ruimen voor de wortelen, wordt geen late winterprei geteeld. De opvolging van wortelen na prei is het enige knelpunt in deze rotatie gezien de kans op structuurschade bij het rooien. Na een echt moeilijk najaar of winter is er een risico dat de wortelen pas laat kunnen gezaaid worden. Dit hoeft, als de groeiomstandigheden in het seizoen gunstig zijn, geen probleem te vormen.

De omschakelingsperiode Een product krijgt pas het biologisch label wanneer het werd geplant of gezaaid op een perceel dat minstens twee jaar is aangemeld bij een controleorganisatie voor de biologische teelt. Gewassen die geoogst worden vanaf 12 maand na omschakeling totdat ze het predicaat biologisch kunnen dragen,

worden aanzien als producten in omschakeling naar de biologische teelt. Behalve voor voedergewassen, is de afzet van deze producten vaak moeilijk. Hiermee moeten we rekening houden bij de planning van de omschakeling. Met name de aanmeldingsdatum van de respectievelijke percelen en de teeltkeuze moet hierop afgestemd worden. Het komt er op aan om enkel gewassen te telen in omschakeling waarbij dit saldoverlies zo beperkt mogelijk is en waarbij de onkruidbestrijding zo weinig mogelijk tijd vergt, want deze extra arbeid wordt onvoldoende vergoed. Ten behoeve van de eerste eigenlijke biologische teelt van bloemkool melden we het betreffende perceel half april aan. Hierdoor vervalt de vroegste planting, maar is in het eerste omschakelingsjaar nog een teelt van maïs mogelijk. Deze maïs wordt voor die datum gangbaar bemest en gezaaid. De onkruidbestrijding gebeurt dan mechanisch waarmee reeds ervaring wordt opgedaan. De maïs levert in het eerste jaar alsnog een ‘gangbare’ opbrengst op, maar er wordt wel al een biopremie toegekend voor dit perceel. In het tweede jaar na omschakelen telen we een graangewas waarvan de oogst tegen een meerprijs in de biologische veevoederindustrie kan worden afgezet. Waar de eerste eigenlijke biologische preiteelt komt te staan, moet het betreffende perceel voor half juni, de plantdatum voor herfstprei, worden aangemeld. In het eerste jaar van omschakeling kunnen hier nog bieten worden geteeld. Voor de aanmeldingsdatum kunnen alle teeltzorgen, vnl. onkruidbestrijding, gangbaar gebeuren. Door een ras met goede ziektetolerantie te kiezen is na deze datum geen conventionele gewasbehandeling meer nodig. In voorbereiding op de preiteelt wordt het tweede jaar grasklaver gezaaid. Een aandachtspunt voor de preiteelt is de opkweek van het biologisch plantgoed op het bedrijf. Hierbij zijn twee opties mogelijk: de grond voorbehouden voor het plantbed vroeger (begin maart) aanmelden of het eerste jaar biologisch plantgoed aankopen. Met de voorgestelde gefaseerde omschakeling en teeltplanning wordt het inkomensverlies tijdens de omschakeling geminimaliseerd en kan men tegelijk ervaring opdoen met de mechanische onkruidbestrijding. Deze gefaseerde omschakeling laat ook toe om perceel per perceel in de nieuwe rotatie te stappen. Bij een volledige omschakeling zouden ook hoogsalderende en arbeidsintensieve teelten in omschakeling moeten geteeld worden, wat financieel een harde noot om kraken is. Bij de teeltkeuze van de gangbare gewassen die vanaf 2010 nog tijdelijk aangehouden wordt, is het belangrijk rekening te houden met het verbod op parallelle productie: eenzelfde gewas mag niet én gangbaar én biologisch geteeld worden omdat dit een sluitende controle onmogelijk maakt.


Onkruidbestrijding Onkruid vermijden Een belangrijke troef hierbij is de vruchtwisseling: hoe ruimer, hoe minder kans de onkruidvegetatie de kans krijgt zich aan te passen aan één teelt. Tevens kan men best zomer- met wintergewassen en granen met rooivruchten afwisselen. Ook het inpassen van tijdelijk grasland zal hier een positief effect hebben. Zo worden problemen met aardappelopslag voorkomen door een éénjarige grasklaverweide na aardappelen in de rotatie. Ook de nodige aandacht voor bemesting, grondbewerkingen en het beheer van de perceelsranden (insleep vermijden) spelen hier een grote rol. Door het aanleggen van een vals zaaibed kan reeds onkruid bestreden worden voor het begin van de teelt.

Onkruid bestrijden Onkruid zal men zoveel mogelijk machinaal gaan bestrijden, waar nodig aangevuld met een manuele handeling. De rijafstanden in de verschillende teelten moeten zo veel mogelijk geharmoniseerd worden en afgestemd worden op de beschikbare machines. Een schoffelbalk en wiedeg behoren tot de standaarduitrusting op een akkerbouw-groentebedrijf. De schoffelbalk kan voor of achter op de trekker en kan verder worden uitgerust met schijven, aanaarders, vingerwieders en/of torsiewieders. Andere machines die kunnen worden ingezet maar een grotere investering vragen, zijn:

bij of in de rij die het manueel wiedwerk in belangrijke mate kunnen reduceren.

Wortelonkruiden Wortelonkruiden zijn harde klanten om te bestrijden. Wiedeggen, branden, aanaarden, borstelen en vingereggen heeft geen vat op wortelonkruiden. Door regelmatig schoffelen worden ze uitgeput: om nieuw blad te vormen moeten ze hun reserves uit de penwortel aanspreken. Frezen is te vermijden omdat uit elk stukje wortel een nieuwe plant kan groeien. Waar niet kan geschoffeld worden, bv. in een blijvende weide, moeten ze systematisch handmatig uitgestoken worden. Dit moet om de paar weken gebeuren met een speciale steekvork of op akkerland met een gewone spade. Voor een grondige volveldse bestrijding kan een snijdende cultivator worden gebruikt waarna de grond nog een aantal keer met een triltand opengetrokken moet worden om de ondergrondse wortelstokken zo goed mogelijk bloot te leggen voor uitdroging. De Kvik-up, een nieuwe machine, combineert beide bewerkingen en kan het werk zeer effectief klaren.

- kooirolhakken - strokenfrees - borstelmachine - thermische brander

Een gepaste opeenvolging van de verschillende bewerkingen in functie van de gewasstand en de onkruiddruk is van groot belang voor een geslaagde onkruidbestrijding. De onkruid- en gewasontwikkeling moet dus nauwgezet worden opgevolgd teneinde over de gepaste maatregelen te beslissen. Met branden, het dwarsvelds wiedeggen, schoffelen met vingerwieders en aanaarden kan men een goede onkruidbestrijding in de rij bekomen. Onkruid klein aanpakken, met name in het ‘witte draadjes’ stadium, is hierbij een basisprincipe. Verder hangt de efficiëntie van de mechanische onkruidbestrijding vooral af van de bodemomstandigheden, de vakkundigheid en de precisie waarmee gewerkt wordt. Een goede afstelling van de machine is van groot belang om gewasschade zo veel mogelijk te vermijden. Ook automatische stuursystemen met behulp van sensoren, camera’s of RTK-GPS zijn hierbij een goed hulpmiddel, in het bijzonder bij bewerkingen dicht

| pag 15

- innovaties voor onkruidbestrijding in de rij zoals diverse types wiedharken, de Pneumat onkruidblazer en een rijenbrander


Speciale teeltzorg Het gebruik van biologisch zaaizaad is verplicht. Wanneer dit na consultatie van de databank www. organicXseeds.be niet of slechts in beperkte mate (geen geschikte rassen), verkrijgbaar blijkt te zijn, kan je ontheffing aanvragen bij de controle-instelling voor het gebruik van niet-ontsmet gangbaar zaad.

o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 16

Granen: zomertarwe of triticale Voor biologische baktarwe wordt best zomertarwe geteeld gezien de teeltomstandigheden voor zaai, onkruidbeheersing en bemesting gunstiger zijn dan bij wintertarwe. Wil men toch wintergranen zaaien, dan gaat de voorkeur uit naar triticale. Triticale is evenwaardig aan voedertarwe terwijl de teelt gemakkelijker is en hogere opbrengsten mogelijk zijn.

Rassen Bij de rassenkeuze moet vooral gelet worden op gevoeligheid voor ziektes, legering en onkruidonderdrukkend vermogen. Voor de teelt van baktarwe is ook het eiwitgehalte van belang. Regionale rassenproeven geven hierover goede en objectieve informatie.

Bemesting Gezien de voorteelt in de voorgestelde rotatie weinig of geen stikstof nalevert, is een bemesting met 50 à 100 (voor bakkwaliteit) kg werkzame N/ha nodig. Dit kan onder de vorm van een lichte drijfmestgift zodra de bodem het toelaat in het voorjaar. Deze zal de groei op gang brengen en de uitstoeling bevorderen. Organische handelsmeststoffen kunnen worden gebruikt om het eiwitgehalte te verhogen maar zijn duur en daarom niet altijd rendabel in granen.

Zaai Voor wintergraan geniet een relatief late zaai van eind oktober tot begin december de voorkeur omdat op die manier de herfstkiemende onkruiden vermeden worden. Door de iets latere zaai vermijdt men ook de migratie van parasieten (oa. bladluizen) vanop de suikerbieten en de maïs die na de oogst hiervan een nieuwe voedingsbron zoeken. Om verliezen door wiedeggen, kiemschimmels en vogels te compenseren, is het aangewezen meer zaad te gebruiken dan gangbaar. Voor zomertarwe is 450 à 500 zaden/m2 een courante zaaidichtheid. Voor triticale is de zaaidichtheid iets lager, variërend van 350 tot 450 zaden/m2 in functie van de zaaidatum en het bodemtype, gezien triticale meer uitstoelt. Om een goede en regelmatige bodembedekking te krijgen is een kleinere rijafstand aanbevolen (10 à 15 cm), tenzij men tussen de rijen wil schoffelen. In dat geval kiest men een rijafstand van 20 cm of meer.

Onkruidbestrijding Naast de genoemde preventieve maatregelen moet tijdens de teelt het onkruid verwijderd worden door weideggen en/of schoffelen. Door een volveldse bewerking met de wiedeg wordt op een efficiënte manier het kiemend onkruid losgetrokken. Dit kan vanaf het begin van het uitstoelen tot het oprichten van het gewas. Afhankelijk van de onkruiddruk zijn twee tot vier bewerkingen nodig. Op percelen met een hoge onkruiddruk of met wortelonkruiden is een combinatie met schoffelen aanbevolen. Hiervoor moet evenwel op een ruimere afstand tussen de rijen worden gezaaid. Handmatig wieden is meestal niet nodig, tenzij voor de verwijdering van wortelonkruiden zoals distels of ridderzuring. Bij de laatste wiedegbeurt kan voor het sluiten van het graangewas witte klaver in dekvrucht worden ingezaaid. Na de oogst zal deze klaver snel de bodem bedekken waardoor zaadonkruiden in de stoppel goed worden onderdrukt.

Gewasbescherming Door de lagere bemesting en zwakkere uitstoeling heeft biologisch graan veelal een ijlere stand dan gangbaar. Hierdoor is de druk van schimmelziekten ook lager. Indien ze toch voorkomen, is curatief optreden niet mogelijk. Rassenkeuze is hier een belangrijke preventieve maatregel om de opbrengstderving door ziekte te beperken. De lagere ziektegevoeligheid is ook een van de redenen waarvoor in de biologische teelt bij voorkeur zomertarwe of triticale wordt geteeld in plaats van wintertarwe. Bladluizen en graanhaantjes komen vaak voor in biologisch graan maar worden doorgaans goed onderdrukt door de aanwezige natuurlijke vijanden. Het graanhaantje kan in mei-juni soms wat schade aanrichten.

Oogst en opbrengst Biologische triticale kan gelijk geoogst worden met de gangbare wintertarwe. De gemiddelde opbrengst bedraagt 6 à 7 ton. Positieve uitschieters zijn mogelijk. Biologische zomertarwe kan vroeger geoogst worden dan gangbaar door de ijlere gewasstand. Gemiddeld kan 5 à 6 ton worden gedorsen.

Nazorg voor de bodem Indien geen klaver werd ingezaaid onder het graan, wordt best na de oogst nog een vlinderbloemige groenbemester ingezaaid, zodat er bodembedekking is tijdens de winter en om het perceel voor te bereiden op de volgende teelt. Wanneer er doorlevende onkruiden aanwezig zijn op het perceel is het aanbevolen eerst een stoppelbewerking uit te voeren. Hierna kan er zonder ploegen klaver of een andere vlinderbloemige groenbemester ingezaaid worden.


Zaaien Hoewel klavers tot 15 september kunnen gezaaid worden, moeten ze voor 20 augustus gezaaid worden voor een goede ontwikkeling in het najaar. Na zomertarwe kan dit soms een probleem zijn. Daarom wordt bij voorkeur witte klaver in het graan ondergezaaid bij het oprichten van het gewas eind april - mei. Er wordt dan ca. 10 kg/ha gezaaid bij de laatste wiedegbeurt. Zaaien onder dekvrucht spaart een stoppelbewerking uit na de oogst.

Onkruidbestrijding Bij zaai onder dekvrucht is er geen onkruidbestrijding nodig. In de vestigingsfase van de klaver zorgt het graan voor een goede onkruidonderdrukking. Eens het gewas goed gevestigd is, heeft klaver een goed onkruidonderdrukkend vermogen en krijgen zaadonkruiden geen kans meer. Enkel wortelonkruiden moeten dan eventueel nog pleksgewijs bestreden worden. Naarmate klaver later wordt gezaaid in de stoppel, neemt de najaarsgroei sterk af en is de onkruidonderdrukking onvoldoende.

Oogst en opbrengst Klaver wordt in de rotatie opgenomen als groenbemester om extra stikstof op de akker de brengen, dus niet als ruwvoeder. Witte klaver gezaaid onder dekvrucht realiseert de hoogste DS-opbrengst en legt een grote hoeveelheid stikstof vast. Per ton DS klaver wordt 30 tot 45 kg N per ha gefixeerd uit de lucht. Onder graan als dekvrucht heeft men na de winter 3 à 4 ton klavermassa (wortelstel inbegrepen). Dit geeft een totale stikstofopbrengst van gemiddeld 150 kg N/ha. Hiervan komt 50 % beschikbaar tijdens het eerste jaar na de klaver en 30 % tijdens het tweede jaar. Bij inzaai van klaver na de graanoogst worden de beste resultaten behaald met rode klaver en incarnaatklaver. Deze nemen weinig stikstof op in het najaar maar weten door hun goede voorjaarsgroei toch een hoge droge stof -en stikstofopbrengst te realiseren. Na het onderwerken van de klavermassa in het voorjaar resulteert dit in een verhoogde nitraatbeschikbaarheid voor de volgteelt.

Bloemkool De eisen inzake bodemomstandigheden en rassenkeuze zijn sterk vergelijkbaar met de gangbare teelt. We gaan hier niet dieper op in.

Bemesting Een richtcijfer voor de totale stikstofbehoefte van bloemkool is 180 kg N/ha. Hiervan wordt in goede omstandigheden meer dan 50 kg voorzien door de ingewerkte klaver. Verder kan het stikstoftekort worden ingevuld met 20 à 30 ton/ha stalmest of compost. Voor een voldoende stikstofbeschikbaarheid vroeg in het seizoen of ten behoeve van de dub-

belteelt kan nog worden bijbemest met drijfmest of organische handelsmeststoffen. De pH en K worden gecorrigeerd in functie van het bodemadvies.

Planten Het planttijdstip moet net als in de gangbare teelt afgestemd worden op de voorziene oogstdatum. Vanwege de vaak tegenvallende mineralisatie in het vroege voorjaar zijn de vroegste lentebloemkolen moeilijker op zware of trage bodems. Er kan wel een dubbele teelt worden geplant. Bij het planten moet verder de afstand tussen de plantrijen afgestemd worden op de mechanische onkruidbestrijding.

Onkruidbestrijding Door hun snelle jeugdgroei en goede bodembedekking volstaat het twee à drie keer te schoffelen, eventueel gecombineerd met vingerwieders. Bij de laatste schoffelbeurt net voor het sluiten van het gewas, worden de kolen ook aangeaard. Het manueel wiedwerk is normaal beperkt tot 10 à 20 uren per ha.

Gewasbescherming Schimmelziekten zorgen in de biologische koolteelt zelden voor problemen mede door de ruime vruchtwisseling. Enkel kiemschimmels zoals Rhizoctonia solani (zwartpoten) kunnen door uitval op het zaaiof plantbed leiden tot opbrengstverlies. Gebruik van voldoende afgehard plantgoed en een goede bodemstructuur zijn de belangrijkste preventieve maatregelen. Maden van koolvlieg en rupsen van diverse vlinders zijn de belangrijkste plaaginsecten. Preventie of bestrijding van deze koolplagen vraagt de nodige aandacht. Van koolvlieg is de eerste generatie - vanaf half april tot eind mei - het meest schadelijk. Deze kan voor grote plantuitval zorgen tijdens de opkweek en bij jonge plantingen. Afdekken met insectengaas (maaswijdte 1,35 mm) of microklimaatdoek is in deze periode in de meeste gevallen een noodzaak. Deze afdekking moet direct na het planten worden aangebracht en gedurende 3 à 4 weken over het gewas blijven liggen. Latere plantingen kunnen een lichte aantasting van koolvlieg verdragen en behoeven doorgaans geen bescherming. Aanaarden helpt hierbij doordat de vorming van nieuwe wortels wordt bevorderd. Sinds 2008 zijn ook middelen op basis van Spinosad toegelaten in de biologische landbouw. Deze bieden een goede bescherming tegen koolvlieg. Rupsen van koolmot en koolwitjes kunnen bestreden worden met toegelaten middelen op basis van micro-organismen, met name een selectief bacteriepreparaat op basis van Bacillus thuringiensis (Bt) en de middelen op basis van Spinosad dat wordt geproduceerd door de bodembacterie Saccharopolyspora spinosa. Rupsen van kooluil die het meest voorkomen van augustus tot oktober, zijn moeilijker te bestrijden met Bt-preparaat. Spinosad is tegen deze rupsen effectiever. Afdekken met wildnet

| pag 17

Klaver als groenbemester


o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 18

Biologische landbouwers kunnen, wanneer nodig, beroep doen op een aantal toegelaten ‘natuurlijke’ gewasbeschermingsmiddelen om hun teelten te beschermen. Deze middelen zijn opgenomen in een positieve lijst die als bijlage is opgenomen bij het lastenboek voor biologische landbouw. Deze lijst wordt Europees bepaald. Daarnaast dienen deze middelen uiteraard erkend te zijn overeenkomstig de algemeen geldende Belgische bestrijdingsmiddelenwet. (maaswijdte 5 x 5 mm) biedt voor deze soort een goed ecologisch verantwoord alternatief om schade te vermijden. Dit wildnet kan ook worden gebruikt om duiven te weren.

Oogst Voor de verse markt van biologische bloemkool wordt vaak een kleinere sortering gevraagd dan in de gangbare teelt. Voor de industrie zijn de afzeteisen vergelijkbaar. De opbrengst en oogstpercentages kunnen sterk verschillen naargelang de teeltperiode, de bestrijdingsmaatregelen en de afzet. Gemiddeld over het volledige seizoen is een oogstpercentage van 70 à 80 % goed haalbaar.

Aardappelen Bemesting Een matige bemesting met (gecomposteerde) stalmest volstaat veelal. Een weelderig gewas moet in de biologische aardappelteelt worden vermeden gezien dit een gunstiger klimaat biedt voor de aardappelplaag en aanleiding geeft tot een latere knolzetting. In functie van de bodemvoorraad en de mestsamenstelling moet eventueel nog een extra kalibemesting uitgevoerd worden.

Poten Het gebruik van voorgekiemd pootgoed beperkt de loofgroei en vervroegt de knolzetting. Op die manier wordt de teelt vervroegd waardoor het risico op opbrengstverlies door Phytophtora beperkt wordt. Consumptieaardappelen worden bij voorkeur geplant tussen 15 april en 1 mei. De plantdichtheid hangt af van de maat en de kwaliteit van het pootgoed, van de afzetmarkt en van het ras. De afstand tussen de ruggen is 75 of 90 cm afhankelijk van het materiaal dat voorhanden is.

Onkruidbestrijding Met wiedeggen en aanaarden kan je het perceel meestal proper houden. Bij het planten wordt slechts lichtjes aangeaard. Zodoende kunnen nog twee of drie aanaardbeurten worden uitgevoerd om het onkruid te bestrijden. Naast het aanaarden als belangrijkste onkruidbewerking kan ook de wiedeg ingezet

worden, zowel voor als na opkomst. Soms worden ook vingerwieders gebruikt. In zwaardere gronden volstaat vaak één passage met de rijenfrees tijdens de opkomst. Doorgaans is geen manueel wiedwerk nodig. Bij het einde van de teelt kan een bewerking met een onkruidbrander, behalve voor de loofdoding ook wenselijk zijn om veronkruiding van het perceel te voorkomen.

Gewasbescherming Naast een goede bedrijfshygiëne zijn voorkiemen en rassenkeuze de belangrijkste maatregelen in de strijd tegen aardappelplaag. Regionale rassenproeven geven een goede informatie over de beschikbare plaagresistente en kwaliteitsvolle rassen. Met koperverbindingen kan de plaagaantasting wat uitgesteld en afgeremd worden. Alleen koperzouten zijn als fungicide toegelaten tot maximaal 6 kg Cu/ha/jaar. Hierbij moet preventief behandeld worden op advies van waarschuwingsberichten. Met het oog op een verdere beperking of verbod op koper wordt gezocht naar alternatieve, meer natuurlijke middelen. Wordt de plaagaantasting te ernstig, dan moet met loofklappen, en indien mogelijk ook branden, vermeden worden dat de knollen aangetast worden.

Oogst en bewaring Na afrijpen worden de aardappelen geoogst zoals in de gangbare teelt. Meestal gebeurt dit al begin september. De opbrengst varieert van 20 tot 35 ton/ha. Voor de bewaring kunnen geen kiemremmers gebruikt worden. Tot februari kunnen biologische aardappelen in een gewone aardappelloods worden bewaard. Voor langere bewaring moeten biologische aardappelen in een gekoelde ruimte worden bewaard bij 4°C. Natuurlijke kiemremmers zijn in ontwikkeling, maar nog niet erkend in België.

Grasklaver De uitbating van de grasklaver maaiweide gebeurt best in nauw overleg en met de veehouder die de geoogste sneden afneemt. De uitbating heeft immers een zeer grote impact op de productkwaliteit.

Zaai De uiterste zaaidatum is 15 september teneinde een voldoende ontwikkeling van de klaver voor de winter te waarborgen.

Bemesting Doorgaans wordt in het voorjaar, van zodra de bodem het toelaat, een lichte drijfmestgift toegediend om de grasgroei op gang te trekken. Na de eerste snede zet de klaver fors door en hoeft niet meer bemest te worden.

Onkruidbestrijding Bij hoge onkruiddruk kan in het voorjaar worden gebloot of maait men de eerste snede licht. Daarna


krijgt het onkruid onder de grasklaver geen enkele kans meer.

Oogst Meestal worden 4 snedes gemaaid. In het voorjaar, voor de volgende teelt, wordt de grasklaver tijdig vernietigd en wordt in geen geval nog een snede gemaaid.

Prei Prei wordt geteeld in zomerteelt, herfstteelt en/of winterteelt. Naar zaaidata, plantdata en oogstmodaliteiten verschilt dit niet van de gangbare teelt.

Bemesting Prei is N- en K-behoeftig. De grasklaver levert minimaal 50 kg N/ha voor de prei. Dit moet in rekening worden gebracht bij de basisbemesting met dierlijke mest of compost. Rekening houdend met de nalevering van de grasklaver en de eerder late stikstofbehoefte van de prei, volstaat 25 à 30 ton stalmest als basisbemesting. Wanneer de planten door minder goede bodemcondities in groei achterblijven kan bijbemest worden met organische handelsmeststoffen. Hiertoe kan een bodemmonster voor stikstofanalyse tijdens de teelt aangewezen zijn. In functie van de bodemvoorraad en de mestsamenstelling moet eventueel nog een extra kalibemesting uitgevoerd worden.

Plantgoed Bij het zelf opkweken van biologische preiplanten is de onkruidbestrijding een belangrijk aandachtspunt. Voor opkweek van herfstprei blijkt zaaien op een laag potgrond van 5 cm onder plastiektunnel de meest zekere en rendabele methode. Bij deze teeltwijze moet slechts beperkt worden gewied. Het zaaien van winterprei kan in open lucht gebeuren. Een vals zaaibed kan de onkruiddruk reeds voor zaai gevoelig reduceren. Net voor opkomst kan worden gebrand. Om na opkomst te kunnen schoffelen, moeten de rijen voldoende ruim worden gezaaid. De mogelijkheid om het zaaibed af te dekken met een dunne mulchlaag van potgrond of compost voor een betere onkruidonderdrukking, wordt nog onderzocht. Dit zou tevens het risico op verslemping van de bodem beperken. Er kan ook geopteerd worden om de planten aan te kopen bij een biologische plantenkweker. Het planten gebeurt op dezelfde wijze als in de gangbare teelt. De voorkeur gaat niettemin uit naar het vlakvelds planten omdat dit meer mogelijkheden biedt inzake onkruidbeheersing. Hou inzake rijafstand ook rekening met de beschikbare schoffelmachines en de andere teelten op het bedrijf.

en aanaarden. Van zodra het eerste onkruid kiemt, moet worden geschoffeld. Een eerste schoffelbeurt moet daarom reeds een tiental dagen na planten gebeuren. In jong gewasstadium kan eventueel ook de wiedeg ingezet worden voor een efficiënte volveldse bewerking. Voor het onkruidprobleem in de rij zijn een aantal machines ontworpen die goed inzetbaar zijn in prei zoals de Octopus wiedhark en de Pneumat onkruidblazer. Deze kunnen het resterend aantal handwieduren in belangrijke mate beperken en laten ook intensief wiedwerk toe na een langere natte periode. Het aanaarden volgt vanaf 1,5 maand na planten. Over het gehele seizoen moet gerekend worden op 6 à 7 bewerkingen. Mits een nauwgezette mechanische onkruidbestrijding zijn nog 30 tot 50 handwieduren per ha nodig om het perceel geheel onkruidvrij te maken.

Gewasbescherming De belangrijkste plaaginsecten zijn trips en preimot. Rupsen van preimot kunnen op gewaarschuwde tijdstippen bestreden worden met Bt of Spinosad. Tripsschade wordt tot nog toe in de handel getolereerd. Ook de rassenkeuze is bepalend voor de mate waarin de aantasting door trips effectief zichtbaar is. Een goede rassenkeuze is de enige, maar voldoende maatregel om schade door de schimmelziekten roest, purpervlekkenziekte en papiervlekkenziekte beperken. Rassenonderzoek uitgevoerd door regionale proefcentra’s geven hierover de nodige informatie.

Oogst De oogst en het marktklaar maken van de prei zijn gelijklopend als in de gangbare teelt. Het schonen van de prei kan in de biologische teelt meer tijd vergen afhankelijk van het gebruikte ras, de teeltperiode en de gezondheid van de prei. Om sleet te voorkomen, wordt bij voorkeur iets jongere prei gerooid. In de winterperiode moet rekening worden gehouden met de helft meer werk (per ha) als in de gangbare teelt. De opbrengst per ha hangt sterk af van de teeltperiode en de rassenkeuze. Ook in de biologische landbouw wordt vooral met hybrides gewerkt omwille van het schoningsgemak en de opbrengst. Bij herfstprei mag gerekend worden op een opbrengst van 25 à 30 ton/ha. De opbrengst van winterprei hangt af van het tijdstip van levering. Januari en februari is een moeilijke periode voor het aanleveren van kwalitatieve prei met voldoende opbrengst. In die periode kan de opbrengst teruglopen tot 15 à 20 ton. Vanaf maart hergroeit het gewas en kan opnieuw 25 tot 30 ton prei/ha gehaald worden.

Met het oog op een goede mechanische onkruidbestrijding wordt best vlakvelds geteeld. Dit laat toe het meeste onkruid te bestrijden door een combinatie van schoffelen met vinger- of torsiewieders

| pag 19

Onkruidbestrijding


Wortelen voor de industrie Bemesting Wortelen hebben een heel lage stikstofbehoefte en vragen dan ook weinig of geen bemesting. Gebruik van verse mest is bovendien af te raden gezien dit aanleiding kan geven tot meer schade door de wortelvlieg en een minder goede wortelkwaliteit. Een kalibemesting zal in de meeste gevallen wel nodig zijn gezien met wortelen veel kalium wordt afgevoerd.

o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 20

Zaaibedbereiding Om in de tweede helft van mei de wortelen te kunnen zaaien, worden de ruggen begin april getrokken zodat er enkele weken een vals zaaibed kan aanliggen. Op die manier krijgt het onkruid de kans om te kiemen en kan het voor zaai van de wortelen mechanisch of thermisch worden bestreden. Een geslaagd vals zaaibed kan de onkruiddruk en zodoende het aantal uren handwieden met meer dan de helft reduceren.

Onkruidbestrijding De onkruidbestrijding is in de biologische wortelteelt het belangrijkste punt van zorg. De aanleg van een vals zaaibed werd reeds aangehaald bij de zaaibedbereiding. Na zaai, net voor de opkomst van de wortelen, moet worden gebrand op de ruggen. Hiermee wordt alle onkruid dat sneller kiemt dan de wortelen afgedood. Na opkomst is het van belang om zeer nauwkeurig te schoffelen op de ruggen of langs de gewasrijen van zodra de rijen zichtbaar zijn. Elke centimeter die nauwkeuriger wordt geschoffeld, levert aanzienlijke winst op inzake het noodzakelijke manueel wiedwerk. Na een schoffelbewerking moet opnieuw worden aangeaard. Het onkruid in de rij moet handmatig worden verwijderd. Het gebruik van een wiedbed is hierbij zeer efficiënt en ergonomisch. Hoewel soms minder uren nodig zijn, moet bij de arbeidsplanning rekening worden gehouden met 150 à 200 uren/ha ten einde niet onaangenaam verrast te worden. Belangrijk is ook dat dit wiedwerk zo snel mogelijk na opkomst moet gebeuren want jong onkruid wiedt gemakkelijker. Eventuele spreiding van dit wiedwerk kan gebeuren door in meerdere keren te zaaien. Bij zaai eind mei, kan het wiedwerk ook met jobstudenten gebeuren.

Gewasbescherming De wortelvlieg verdient als plaag de meeste aandacht. Laat zaaien en tijdig rooien zijn twee efficiënte maatregelen om belangrijke aantasting te vermijden en blijken in de praktijk voldoende om aantasting te voorkomen. Vroeg rooien voorkomt ook het risico op slechte rooiomstandigheden of vorstschade. Kleinere en beschutte percelen lopen een hoger risico op schade en kunnen best beschermd worden door een vliesdoek of insectengaas. Afdekking gedurende de eerste generatie in de periode april tot juni helpt reeds de cyclus van de wortelvlieg te doorbreken. Door middel van plakvallen kunnen de vluchten op het perceel gedurende de teeltperiode worden opgevolgd. Bladluizen worden onder controle gehouden door de aanwezigheid van natuurlijke vijanden. Ook problemen met aaltjes en bodemgebonden ziekten komen in de bioteelt nauwelijks voor dankzij de ruime vruchtwisseling. Voor loofziekten als Alternaria en witziekte is vooral een goede rassenkeuze met aandacht voor stevig en gezond loof van belang.

Oogst en bewaring Verschilt niet van de gangbare teelt. De opbrengst bedraagt ca. 70 à 80 % van deze behaald in de gangbare teelt. Dit is vooral het gevolg van de kortere groeiperiode (latere zaai, vroegere oogst).

Bemesting en bodemzorg Bemesting en zorg voor de bodem gaan samen in de biologische landbouw want de bodem is drager van de bodemvruchtbaarheid. Een goede bodemstructuur en een actief bodemleven is van belang voor een efficiënte water- en mineralenhuishouding in de bodem en een goede gewasopname. Structuurgebreken of -schade als gevolg van bv. bodembewerkingen onder slechte omstandigheden komen in biologische gewassen des te meer tot uiting omdat ze voor hun nutriëntenvoorziening in grote mate afhankelijk zijn van de mineralisatie uit de organische mest, gewasresten en de bodem. Voor een goede bodemstructuur is in de eerste plaats het organisch stof gehalte van de bodem belangrijk. Om dit te verbeteren of op peil te houden moet voldoende organische stof worden aangevoerd door gewasresten, groenbemesters en vaste mest of compost. Daarnaast spelen ook type en timing van grondbewerkingen een belangrijke rol in het handhaven van een goede bodemstructuur. In de voorgestelde rotatie dragen de gewasresten van het graan, de groenbemesters na graan en bloemkool en de tijdelijke grasklaverweide bij aan het behoud van het organisch stof gehalte op het bedrijf. Om het humusgehalte verder op te bouwen is ook een bijdrage uit de bemesting noodzakelijk. Daartoe wordt gekozen voor een basisbemesting met rundveestalmest.


teelt

jan

feb

graan

mrt

apr

mei

Z

M

M+B

B+P+M

M

M+O

B+P

M

M

bloemkool aardappelen grasklaver wortelen

O

O

O

jul

aug

sep

okt

M+ H + O

O

nov

dec

O

O

O H+O+P

M

M+O+B

O

O

Z

Z+M

B+M+H

P+M

P+M+H

M+H

M

Z

Z+M

M

M+H

M+H

O

O

Z = zaaien, incl. zaaibedbereiding P = planten B = bodemzorg (grondbewerkingen, bemesting, inzaai groenbemesters, …) M = mechanische onkruidbestrijding H = handmatig wieden O = oogst + marktklaar maken

wortelen prei grasklaver aardappalen bloemkool zomertarwe

(Bronnen: teeltregistratie biologisch proefbedrijf PCBT 2006-2008, Rumbeke en proefproject ‘Generieke steun en bedrijfsomkadering bij Vollegrondsgroenten’ 1998-2002, Rumbeke) Naast het voeden van de bodem moet de bemesting ook gericht zijn op het gewas met minimale verliezen naar het milieu. Daartoe wordt vooral in de vroege teelten bijbemest met drijfmest of snelwerkende organische handelsmeststoffen. De toe te dienen hoeveelheden dierlijke mest en korrelmeststoffen moeten worden afgestemd op de nalevering door de voorvrucht, de mineralisatie uit de bodem (humusvoorraad) en de gewasbehoefte. Hierbij moet ook rekening gehouden met een maximale stikstofaanvoer van 170 kg N uit dierlijke mest per hectare per jaar, overeenkomstig het lastenboek voor de biologische landbouw en het mestdecreet. De bemesting werd verder toegelicht bij de teeltbeschrijvingen. De klaver na de tarwe en de grasklaver in dit voorbeeld zorgen enerzijds voor het vastleggen van het stikstofoverschot na de oogst van het graan en de aardappelen en anderzijds voor aanvoer van extra stikstof uit de lucht. De hoeveelheid stikstof

die beschikbaar komt voor de volgteelt is afhankelijk van het onderwerktijdstip. De combinatie van klaver met het gras en de graanstoppel zorgt in elk geval voor een goede stikstoflevering met beperkt uitspoelingsrisico. Dit zorgt voor een lagere mestbehoefte waardoor ook eventuele fosfaatoverschotten gemilderd worden. Standaard grondanalyses van alle percelen geven een zicht op de chemische bodemvruchtbaarheid van de bodem. Indien deze suboptimaal blijken, zal specifiek bemestingsadvies per teelt en perceel nodig zijn om overal een optimale bodemvruchtbaarheid te bereiken. Door de lagere opbrengsten in de bioteelt en afhankelijk van de vruchtwisseling zal 60 tot 80 % van het advies volstaan. De pH kan op peil worden gehouden door bekalking met schuimaarde of natuurlijke bronnen van calciumcarbonaat zoals mergel, krijt en zeewierkalk. Met gebruik van dierlijke mest vormen de kali- en fosfaatvoorziening over het algemeen geen probleem. In geval van kalitekort

| pag 21

prei

O

jun


kan Haspargit速 of Patentkali速 worden gebruikt.

o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 22

Belangrijk bij de keuze van de bemesting is een strategie te kiezen die jaar na jaar gevolgd wordt. Dit bevordert de opbouw van een actief en divers bodemleven dat essentieel is voor een goede bodemvruchtbaarheid en ziekteonderdrukking. Dit leidt tot een stabiel systeem waarin de meeste voedingsstoffen uit de bodem komen.

Arbeid Na omschakeling zal de arbeidsbehoefte hoger zijn. De biologische landbouw heeft een arbeidsintensief karakter. Vooral in de onkruidbestrijding en de afzet kan extra tijd kruipen. Landbouwers met interesse voor omschakeling zien dit vaak als een knelpunt. Want arbeid is duur en goede arbeiders zijn bovendien moeilijk te vinden. Anderzijds is de voorgestelde biologische rotatie iets extensiever dan de gangbare rotatie waarvan werd uitgegaan. De voorgestelde rustgewassen brengen ook rust in de arbeidsplanning. Een exacte inschatting van de nodige arbeid is moeilijk. Deze verschilt van jaar tot jaar en van bedrijf tot bedrijf. Grosso modo kan gesteld worden dat de arbeidsbehoefte gelijk is als deze in de gangbare teelt op het marktklaar maken (afhankelijk van gewas en bestemming) en de onkruidbestrijding na. Bij het overzicht van de teelten werden afwijkende arbeidsbehoeftes reeds vermeld.

In dit teeltplan zijn vooral de onkruidbestrijding in wortelen, de opkweek van de preiplanten, het planten van de prei en het oogsten en marktklaar maken van prei en bloemkool arbeidsintensief. Dit zijn tevens werkzaamheden die geen uitstel dulden, een goede organisatie zal dus onontbeerlijk zijn. De kritische periode wordt juni-juli waar de oogst van de zomerteelt bloemkool samenvalt met de onkruidbestrijding in andere teelten en het planten van prei. Voldoende arbeidsbeschikbaarheid is dan noodzakelijk. Hiervoor kan men beroep doen op jobstudenten. Bovenstaande tabel brengt per maand een overzicht van de noodzakelijke werkzaamheden. Het beheer van grasklaver gebeurt volledig in loonwerk of door een biologische veehouder in onderling overleg. Voor de meeste taken kan de tijdsbehoefte worden ingeschat vanuit de gangbare bedrijfsvoering op het bedrijf. Rekening houdende met de beschikbare krachten op bepaalde tijdstippen kan men aanpassingen aan de vruchtopvolging doorvoeren om de arbeid beter te verdelen over het jaar, om een vakantieperiode in te bouwen,... Een vaste arbeidskracht heeft als voordeel dat een deel van de arbeidsorganisatie van de losse krachten en de jobstudenten van je overgenomen wordt, zodat je extra aandacht kunt schenken aan de mechanische onkruidbestrijding. Een andere mogelijkheid is dat je de mechanische onkruidbestrijding aan deze vaste werknemer toevertrouwt. De losse arbeidskrachten en de jobstudenten zoek je


Economische doorrekening De productiekosten bij de biologische teeltwijze liggen hoger dan bij de gangbare productie. De belangrijkste oorzaken zijn: • de hoge arbeidskosten voor de onkruidbestrijding die de kosten van de chemische onkruidbestrijding overstijgen; • de lagere opbrengsten: om de ziektedruk zo laag mogelijk te houden zal men de N-gift beperken en zal de N in een minder snel opneembare vorm aangeboden worden; ook zijn de middelen om bij optredende ziekten en plagen de opbrengstderving te beperken minder talrijk aanwezig en indien aanwezig vaak trager werkend dan de chemische bestrijdingsmiddelen; door gebrek aan onderzoek of voorlichting worden, vooral door omschakelende boeren, ook soms nog teelttechnische fouten gemaakt of productiemiddelen ondoeltreffend aangewend, wat ook de opbrengsten drukt; • door de ruime vruchtwisseling die moet worden toe-

gepast, is het moeilijker om zich te specialiseren in de verwerking van bepaalde teelten. Om tot eenzelfde bedrijfssaldo te komen als in de gangbare landbouw moet men dus een hogere verkoopprijs verkrijgen. Meestal wordt die ook verkregen en in het algemeen halen de biologische landbouwer een gelijk bedrijfssaldo als hun gangbare collega’s. Het biologisch graan gaat naar de groothandel of kan rechtstreeks aan een biologische veehouder worden verkocht. De biologische prei en bloemkool kunnen marktklaar afgezet worden via de groothandel, de veiling of een telersvereniging. Ook de verwerkende industrie is vragende partij naar deze groenten. Bio-aardappelen vinden ofwel hun afzet in de groothandel of in de verwerkende industrie. Voor de wortelen kan een contract worden afgesloten met een diepvriesbedrijf of een wortelwasserij die biologische wortelen wast en verkoopt. Afzet van de ruwvoederproducten stro en grasklaver gebeurt best via een lange termijn afspraak met een biologische veehouder die zelf te weinig land heeft om hierin te voorzien. Daar kun je dan ook biologische mest betrekken. Het is van groot belang om voor de start van het teeltseizoen reeds duurzame afspraken te maken met je toekomstige afnemers. De kleinschaligheid van de biologische markt laat geen speculatie toe. Overleg met collegabioboeren helpt hierbij. Ook de afdeling Landbouw van BioForum kan je op weg helpen. Voor namen en adressen van afnemers en leveranciers verwijzen we naar onze online databank www.biobedrijvengids.be, onder de tab ‘boer zoekt’.

| pag 23

best vooraf want op het ogenblik zelf kunnen ze moeilijk te vinden zijn. Het kan niet genoeg benadrukt worden dat bij de onkruidbestrijding het tijdig ingrijpen zeer belangrijk is. Even te laat ingrijpen kan een enorm pak extra arbeid betekenen. Indien je moet kiezen tussen twee dringende werken, stel dan zeker niet te vlug de onkruidbestrijding uit!


De omschakeling technisch bekeken: fijne groenten Ook hier gaan we uit van een concreet voorbeeld om de technische kant van de omschakeling op een tuinbouwbedrijf met open lucht teelt van fijne groenten toe te lichten. We schakelen een bedrijf om met volgende gegevens:

Oppervlakte en percelen: Totale oppervlakte: 4,5 ha lemig zand

o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 24

Alles in huiskavel. - Teeltplan van vorig jaar:

1 ha courgette 1 ha sla 1 ha kolen 1 ha aardappelen 0,5 ha met een 15-tal teelten voor de thuisverkoop. Afzet: De courgetten, sla en kolen werden hoofdzakelijk via de veiling verkocht. De aardappelen werden voor een groot deel particulier verkocht, de rest ging van het veld weg. In die 5 jaar is een bloeiende thuisverkoop opgebouwd met een hoevewinkel.

Het teeltplan Aan de hand van de aanwezige ervaring op het bedrijf, de gedane investeringen en de nog mogelijke investeringsruimte, de persoonlijke voorkeuren van de bedrijfsleiders, de mogelijke arbeidsinvulling,... kan op 3 ha van het bedrijf volgende vruchtwisseling naar voor geschoven worden, gericht op een afzet naar de groothandel:

50 are sla 50 are vroege courgette + 50 are aardbei 50 are aardbei + 50 are late courgette 50 are grasklaver 50 are spruitkool 50 are busselwortel + bladselder

Daarnaast wordt op het resterende areaal (1 ha) van het bedrijf een reeks aan gewassen voor de thuisverkoop geteeld zoals vroege aardappelen, prei, sluitkool, ui, andijvie, prinsessebonen, erwten, knolselder, ... Tijdens de omschakelingsjaren kunnen hier ook de hoofdteelten in worden opgenomen. Waar mogelijk wordt na de vroegste teelten, een tweede teelt geplaatst. Waar geen tweede teelt mogelijk is, wordt zoveel mogelijk een groenbemester ingezaaid. De voorkeur gaat hiervoor uit naar een vlinderbloemige zoals klaver en wikke, maar ook groenbemesters als phacelia, rogge en haver zijn geschikt.


(geel: teelt in omschakeling; rest: biologische teelt) Perceel A

Perceel B

Perceel C

Perceel D

Perceel E

Perceel F

Perceel G

Perceel H

2008 2009

Rode klaver Rode klaver

2010

Teelten voor thuisverkoop

Teelten voor thuisverkoop

Rode klaver Rode klaver

2011

Spruitkool

Vroege courgette + aardbei

Teelten voor thuisverkoop

Teelten voor thuisverkoop

Rode klaver Rode klaver

2012

Busselwortel + bladselder

Aardbei + late courgette

Sla

Spruitkool

Teelten voor thuisverkoop

Teelten voor thuisverkoop

Rode klaver Rode klaver

2013

Sla

Grasklaver

Vroege courgette + aardbei

Busselwortel + bladselder

Sla

Spruitkool

Teelten voor thuisverkoop

Teelten voor thuisverkoop

2014

Vroege courgette + aardbei

Spruitkool

Aardbei + late courgette

Sla

Grasklaver

Busselwortel + bladselder

Teelten voor thuisverkoop

Teelten voor thuisverkoop

2015

Aardbei + late courgette

Busselwortel + bladselder

Grasklaver

Vroege courgette + aardbei

Spruitkool

Sla

Teelten voor thuisverkoop

Teelten voor thuisverkoop

2016

Grasklaver

Sla

Spruitkool

Aardbei + late courgette

Busselwortel + bladselder

Vroege courgette + aardbei

Teelten voor thuisverkoop

Teelten voor thuisverkoop

2017

Spruitkool

Vroege courgette + aardbei

Busselwortel + bladselder

Grasklaver

Sla

Aardbei + late courgette

Teelten voor thuisverkoop

Teelten voor thuisverkoop

2018

Busselwortel + bladselder

Aardbei + late courgette

Sla

Spruitkool

Vroege courgette + aardbei

Grasklaver

Teelten voor thuisverkoop

Teelten voor thuisverkoop

2019

Sla

Grasklaver

Vroege courgette + aardbei

Busselwortel + bladselder

Aardbei + late courgette

Spruitkool

Teelten voor thuisverkoop

Teelten voor thuisverkoop

2020

Vroege courgette + aardbei

Spruitkool

Aardbei + late courgette

Sla

Grasklaver

Busselwortel + bladselder

Teelten voor thuisverkoop

Teelten voor thuisverkoop

Opbouw van de rotatie De basis voor het nieuwe biologische bouwplan is dus een zesjarige rotatie waarbij een intensieve teelt van fijne groenten is afgewisseld met een rustjaar van grasklaver. Het aandeel rooivruchten is zeer beperkt, zodat er weinig of geen structuurproblemen verwacht worden. Bovendien zal er ook niet met zware machines worden geoogst. Een jaar grasklaver zorgt niet alleen voor rust in het bouwplan, voor herstel van de bodemstructuur, maar ook voor extra stikstof die de klaver via bacteriĂŤn uit de lucht fixeert. De teelt van grasklaver biedt tevens de kans om een link te leggen met een biologisch veebedrijf dat in ruil biologische mest kan aanleveren. Zo kan via de samenwerking toch een soort van gemengd bedrijfssysteem gerealiseerd worden.

Het invoegen van grasklaver in de rotatie lijkt vanuit gangbaar oogpunt onrendabel, maar de positieve invloed op de structuur en de stikstofvoorziening zullen dit zeker compenseren in de volgteelt(en). Een ander voordeel van grasklaver als voorvrucht is dat er minder problemen zijn met onkruid in het volggewas. Een grasklaverweide laat met name geen kans aan zaadonkruiden, waardoor de opbouw van onkruidzaden in de bodem wordt doorbroken. Met het onderwerken van de grasklaverzode in het voorjaar wordt een hoog stikstofleverend vermogen bereikt waar de spruitkool dankbaar gebruik van zal maken.

De omschakelingsperiode Een product krijgt pas het biologisch label wanneer het werd geplant of gezaaid op een perceel dat minstens twee jaar is aangemeld bij een controleorganisatie voor de biologische teelt. Gewassen die geoogst worden vanaf 12 maand na omschakeling totdat ze het predicaat biologisch kunnen dragen, worden aanzien als producten in omschakeling naar de biologische teelt. Behalve voor voedergewassen, is de afzet van deze producten vaak moeilijk. Hier-

| pag 25

Met de voorgestelde stapsgewijze omschakeling wordt het bedrijf vanaf 2012 volledig biologisch uitgebaat en zijn vanaf 2014 alle producten volledig biologisch. Andere scenario’s inzake teelten en spreiding in de tijd zijn goed mogelijk.


o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 26

mee moeten we rekening houden bij de planning van de omschakeling. Met name de aanmeldingsdatum van de respectievelijke percelen en de teeltkeuze moet hierop afgestemd worden. Het komt er op aan om enkel gewassen te telen in omschakeling waarbij dit saldoverlies zo beperkt mogelijk is en waarbij de onkruidbestrijding zo weinig mogelijk tijd vergt, want deze extra arbeid wordt onvoldoende vergoed. In dit voorbeeld worden de percelen aangemeld voor omschakeling net vóór de vroegste teelten gezaaid of geplant worden. Op de percelen in omschakeling wordt eerst rode klaver geteeld en vervolgens teelten voor de thuisverkoop. De teelt van rode klaver vraagt weinig arbeid en is positief voor de bodemvruchtbaarheid. Het tweede jaar na omschakeling kan voor de producten ‘biologisch in omschakeling’ een zekere meerprijs verkregen worden via de thuisverkoop. Met de voorgestelde gefaseerde omschakeling en teeltplanning wordt het inkomensverlies tijdens de omschakeling geminimaliseerd en kan men tegelijk ervaring opdoen met de mechanische onkruidbestrijding. Deze gefaseerde omschakeling laat ook toe om perceel per perceel in de nieuwe rotatie te stappen. Bij een volledige omschakeling zouden ook hoogsalderende en arbeidsintensieve teelten in omschakeling moeten geteeld worden, wat financieel een harde noot om kraken is. Bij de teeltkeuze van de gangbare gewassen die vanaf 2009 nog tijdelijk aangehouden wordt, is het belangrijk rekening te houden met het verbod op parallelle productie: eenzelfde gewas mag niet én gangbaar én biologisch geteeld worden omdat dit een sluitende controle onmogelijk maakt.

Onkruidbestrijding Onkruid vermijden Een belangrijke troef hierbij is de vruchtwisseling: hoe ruimer, hoe minder kans de onkruidvegetatie de kans krijgt zich aan te passen aan één teelt. Ook het inpassen van gras/klaver zal hier een positief effect hebben. Door het aanleggen van een vals zaaibed kan reeds onkruid bestreden worden voor het begin van de teelt. Vooral bij de wortelen in deze rotatie is dit aangewezen. Het vals zaaibed moet na twee of meer weken ondiep bewerkt worden om het onkruid te verwijderen. Dit kan door eggen, schoffelen of branden. In gezaaide gewassen kunnen deze bewerkingen ook nog net voor opkomst worden uitgevoerd.

Onkruid bestrijden Onkruidbestrijding is op kleine tuinbouwbedrijven geen evidentie. Omwille van de grote diversiteit

aan gewassen moet er, naast de aandacht voor een minimale mechanisatie, speciale aandacht gegeven worden aan een gepaste bedrijfsorganisatie en –planning. Ook standaardisatie van rijafstanden, mede afgestemd op het trekkerspoor, is een belangrijk aandachtspunt. Dit is zowel bij manueel (rolschoffel / wielschoffel) als bij mechanisch schoffelen van belang. Verder kiest men beter voor een ruimere rijafstand en plant of zaait men wat dichter in de rij. Bijzonder handig op kleine tuinbouwbedrijven is de teelt op (verhoogde) bedden. Alle machines moeten dan aangepast worden aan de breedte van de bedden. Op het bed wordt vervolgens gekozen voor één of twee verschillende rijafstanden, waarvoor telkens één schoffelmachine beschikbaar is. Een combinatie van vlakvelds en beddenteelt is mogelijk met een gepaste trekkerbreedte. De basisregel bij mechanische onkruidbestrijding alsook bij manueel schoffelen is dat onkruid moet bestreden worden als het klein is, met name in het witte-draadjes-stadium tot maximaal eerste echt blad. Dit houdt in dat frequent in het gewas moet worden gewerkt, eventueel anticiperend op slechte weersomstandigheden. Uitstel van onkruidbestrijding betekent eerder meer werk dan afstel doordat het onkruid te groot wordt voor een efficiënte mechanische bestrijding en zich minder snel en gemakkelijk laat plukken. Met een schoffelmachine, een rolschoffel of een wielschoffel wordt het onkruid tussen de rijen gewied. Belangrijk is zo dicht mogelijk bij de gewasrij te schoffelen waarbij machinaal moet gelet worden op een gepaste keuze van schoffelmessen en een goede positiesturing van de schoffelbalk. Bij de manuele toestellen is een gepaste werkbreedte in functie van de rijafstanden van belang. De vingerwieder en de torsiewieder zijn twee instrumenten voor onkruidbestrijding in de rij die op de schoffelbalk kunnen worden gemonteerd. Ook door aan te aarden, kan heel wat onkruid in de rij worden ondergedekt. Een wiedeg heeft een volveldse werking en is inzetbaar in grovere teelten en bij zaai van de grasklaver. Een onkruidbrander tenslotte is ondanks zijn hoge kostprijs een verantwoorde investering op een bedrijf met fijne teelten. Naast onkruidbestrijding op het vals zaaibed en voor opkomst in gezaaide gewassen, kan het ook gebruikt worden voor loofdoding in aardappelen. Wat niet machinaal kan gebeuren, moet met de hand of met handwerktuigen verwijderd worden. Hiervoor is er keuze uit diverse handmatige schoffels, haktoestellen en handbranders. Voor het resterende handwerk kan bij voldoende arbeidsbeschikbaarheid een (zelfrijdend) wiedbed overwogen worden.


Sla De eisen inzake bodemomstandigheden en rassenkeuze zijn sterk vergelijkbaar met de gangbare teelt. We gaan hier niet dieper op in.

Bemesting De stikstofbemesting bij krop- en ijssla varieert van 70 tot 140 kg N per hectare. Voor een dubbelteelt op zand- of leemgrond is een combinatie van stalmest en drijfmest toegediend in het voorjaar een goede optie. De tweede teelt wordt dan meestal voldoende voorzien door nalevering uit de gewasresten van de eerste teelt en uit de voorjaarsmestgift. Met de dierlijke mest wordt normaal ook de P- en K-behoefte gedekt.

Planten Er wordt geplant van april tot half augustus. Voor de vroege teelten wordt een plantafstand van 30 x 30 cm aangehouden. Omwille van de hogere ziektedruk wordt aanbevolen in de herfst ruimer te planten voor een betere uitdroging van het gewas. Eventueel moet in functie van de mechanisatie een ruimere rijenafstand en nauwere afstand in de rij worden genomen. De plantdiepte is afhankelijk van de vochttoestand van de bodem. Hierbij wordt de perspot maximaal 3/4 in de grond gestopt om het risico op smet door contact van het jonge blad met de bodem te beperken.

Onkruidbestrijding Tot het gewas dichtgegroeid is kan geschoffeld worden in combinatie met vinger- of torsiewieders. Om gewasschade door het lostrekken van de perspotjes te vermijden is een goede afstelling van de machines belangrijk. Resterende grote onkruiden moeten manueel geschoffeld worden. Dit kost 15 tot 25 uren per ha.

Gewasbescherming Problemen met smet, veroorzaakt door Rhizoctonia, Botrytis en Sclerotinia kunnen worden beperkt door een ruime vruchtwisseling, wat hoger te planten, regelmatig te schoffelen en een goede ontwatering. Doordat Sclerotinia in de grond overblijft en ook andere gewassen als wortelen, selder en kolen aantast, is er een hoger besmettingsrisico op dit voorbeeldbedrijf. Bij problemen zal eventueel een aanpassing van de rotatie nodig zijn. Besmette planten dienen in elk geval te worden verwijderd. Ter bestrijding kan een middel met sporen van de parasitaire schimmel Coniothyrium minitans worden ingezet. Dit middel moet in de grond worden ingewerkt voor zaai of planten van de gevoelige gewassen. Om aantasting door valse meeldauw te voorkomen, is het gebruik van gezond plantmateriaal en resistente rassen noodzakelijk. Verder is het belangrijk gewasresten zo snel mogelijk op te ruimen. Ook tegen bladluizen zijn er resistente rassen op de markt. Men kan

bladluizen behandelen met een natuurlijke pyrethroĂŻde, maar omwille van de weinig selectieve werking wordt het gebruik liever vermeden en beperkt tot noodgevallen. De belangrijkste maatregelen tegen rand zijn een goede bodemstructuur, voldoende maar niet overmatig beregenen, een matige bemesting en een tijdige oogst.

Oogst en opbrengst De oogstspreiding moet worden afgestemd op de arbeidsbeschikbaarheid en voorafgaande afspraken met de afnemers. Biologische sla wordt aan een lichter kropgewicht geoogst. Het oogstpercentage varieert naargelang het gewenste stukgewicht, de teeltperiode en de ziektedruk.

Vroege courgette Bemesting Als basisbemesting kan 25 ton/ha stalmest of een dosis compost worden gegeven. Aanvulling met drijfmest of snelwerkende organische meststof. Met het oog op de volgteelt aardbei kan bemesting met een kalileverende meststof nodig zijn.

Planten Voor de vroege teelt wordt begin mei geplant. Een 6-tal weken voor het planten worden de ruggen aangelegd om een vals zaaibed aan te leggen. Nadat het onkruid gekiemd is, wordt de grond een aantal keren oppervlakkig bewerkt. Dit kan met een wiedeg, rolschoffel of onkruidbrander. Na het planten worden de ruggen best afgeschermd tegen vorst met vliesdoek of onder aardbeitunnels.

Onkruidbestrijding Net als in de gangbare teelt is afdekking van de ruggen met een mulchlaag of een plastiekfolie een optie om onkruiden te onderdrukken. Hiervoor zijn ook folies van bioplastiek beschikbaar die na oogst mee ondergewerkt kunnen worden. Met deze folie kan Ttape meegelegd worden voor een efficiĂŤnte irrigatie. Tijdens de teelt moet tijdig tussen de ruggen worden geschoffeld en moet het plantgat onkruidvrij gehouden worden.

Gewasbescherming Meeldauw kan vermeden worden door voor een regelmatige groei te zorgen.

Oogst en opbrengst Oogst vanaf half juni tot half juli. Biologische courgette worden kleiner geoogst dan gangbaar. Meest gegeerd zijn vruchten van 20 cm lang en een diameter van 4 cm (200-250 gram). Hiervoor moet driemaal per week geoogst worden. Gemiddeld kan men voor de versmarkt zo’n 300 kg per are verwachten.

| pag 27

Speciale teeltzorg


Aardbeien (junidragers)

Bemesting

Bemesting

De stikstofbindende grasklaver voorvrucht kan tot 75 kg stikstof per hectare naleveren. Dit moet verder aangevuld worden tot 180 à 200 kg N/ha. Hiervoor kan een gift met vaste dierlijke mest volstaan, eventueel in combinatie met een drijfmestgift. Bijbemesting met handelsmeststoffen is mogelijk in functie van de gewas- en bodemtoestand. Fosfaat en kali zijn met de dierlijke bemesting meestal voldoende voorzien.

Aardbeien hebben een stikstofbehoefte van 70 kg/ha. Aan deze behoefte kan voldaan worden door mineralisatie van de stalmest gegeven in het voorjaar en de gewasresten van de voorteelt spruitkool.

Planten

o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 28

De aardbeien wordt geplant vanaf eind juli tot half augustus, na het opruimen van de courgetteteelt.

Onkruidbestrijding Tussen de ruggen moet regelmatig worden geschoffeld. Er kan ook een antiworteldoek tussen gelegd worden. Er moet dan geen of een derde van de hoeveelheid stro gebruikt worden. Schors, houtsnippers of vormen van mulching kunnen ook maar zijn soms nadelig voor de volgteelten. Onkruiden in het plantgat moeten manueel worden verwijderd. Door een correcte planttechniek toe te passen kan dit tot een minimum beperkt blijven. Tijdens het wieden worden ook de uitlopers verwijderd.

Gewasbescherming Starten met gezond plantmateriaal, ruim en ondiep planten, een matige stikstofbemesting en stro leggen zijn de belangrijkste voorzorgsmaatregelen tegen ziekten en plagen. Tegen witziekte kan eventueel spuitzwavel worden gebruikt. Indien het najaar ziektevrij verloopt zijn er tijdens het voorjaar meestal geen grote problemen met bladziekten. Bladluizen zorgen meestal voor weinig problemen. Plagen zoals kasspintmijt en trips worden met gepaste teelttechnieken en natuurlijke vijanden onder controle gehouden. Kevers kunnen met een insectengaas worden geweerd of via behandeling met biologische preparaten onder controle gehouden worden. Aandacht voor correcte teelttechnieken en gepaste omgevingsfactoren kunnen veel plagen onder de economische schadedrempel houden.

Oogst en opbrengst De planten geven een hoge productie gedurende een korte periode vanaf begin juni tot half juli. Tunnels over het gewas vervroegen de oogst met een maand en beschermen tegen weersinvloeden. Hierdoor heeft men een hogere oogstzekerheid.

Late courgette Na de oogst van de aardbeien wordt in de tweede helft van juli nog een late teelt courgette geplant voor oogst van augustus tot oktober.

Spruitkool De eisen inzake bodemomstandigheden, plantgoed en rassenkeuze verschillen niet van de gangbare teelt en worden hier niet verder besproken.

Planten Er wordt tweede helft mei geplant, na de eerste vlucht van de koolvlieg. De plantafstanden zijn vaak ruimer dan in de gangbare teelt.

Onkruidbestrijding Kort na planten kan worden geëgd om het kiemende onkruid te bestrijden. Nadien kan men met schoffelen en aanaarden de onkruiddruk de baas. Ook vingerwieders kunnen worden ingezet. Aanvullend kan voor het onkruid in de rij nog een hakbeurt nodig zijn waarvoor 20 tot 40 uur/ha zal volstaan.

Gewasbescherming Vraatschade door duiven aan de jonge plantjes is dikwijls een probleem. Om schade te vermijden is afdekking met een wildnet de enige zekere methode. Diverse afschrikmiddelen helpen maar bieden vaak onvoldoende bescherming. Knolvoet zorgt gezien de ruime vruchtwisseling voor weinig problemen. Is toch knolvoet aanwezig, dan moet aandacht besteed worden aan het teeltplan, de pH en vochttoestand van de bodem en de rassenkeuze. Een directe bestrijding is niet mogelijk. Andere belangrijke beschadigers zijn de koolvlieg, rupsen en slakken. Van koolvlieg kan vooral de derde generatie schade aanrichten aan de spruiten. Rassen met gladde spruiten hebben minder kans op aantasting. Eventuele bestrijding is mogelijk met erkende middelen op basis van Spinosad. Ook rupsen van koolmot, koolwitjes of kooluil kunnen vraatschade aan de spruiten veroorzaken. Hiervoor kunnen naast Spinosad ook middelen op basis van Bacillus thuringiensis worden ingezet. Om slakkenschade aan de jonge plantjes en later aan de spruiten te voorkomen, kan regelmatig gestrooid worden met de toegelaten middelen op basis van ijzerfosfaat. Verder kunnen ook eggen en schoffelen effectief zijn. Bladluizen worden in belangrijke mate onder controle gehouden door een korps natuurlijke vijanden maar kunnen in een warm droog najaar wel sterk uitbreiden. Ingrijpen met een natuurlijk pyrethroïde kan, maar is eerder af te raden.

Oogst en opbrengst Voor kleinere oppervlakten worden de spruiten met de hand geplukt. Een netto-opbrengst van 10 à 15 ton/ ha is haalbaar.


Busselwortel

Oogst

Bemesting

Verschilt niet van de gangbare teelt.

Zaaien

Bladselderij Bemesting Voor deze kortdurende selderteelt moet 120 kg N/ ha beschikbaar zijn. Dit kan voorzien worden door een basisbemesting met gecomposteerde stalmest in het voorjaar. Het tekort kan aangevuld worden door organische handelsmeststoffen. Verder moet gelet worden op voldoende beschikbaarheid van boor, gezien een tekort van dit spoorelement kan leiden tot ernstige gebreksverschijnselen.

De teelt van busselwortelen gebeurt op bedden. Zaaien kan vanaf maart tot april. Hierbij moet worden afgedekt met vliesdoek als bescherming tegen vorst en voor teeltvervroeging. Indien de mogelijkheid zich voordoet, wordt best een vals zaaibed aangelegd. Op die manier krijgt het onkruid de kans om te kiemen en kan het voor zaai van de wortelen mechanisch of thermisch worden bestreden. Een geslaagd vals zaaibed kan de onkruiddruk en zodoende het aantal uren handwieden met meer dan de helft reduceren.

Planten

Onkruidbestrijding

Onkruidbestrijding

De onkruidbestrijding is in de biologische wortelteelt het belangrijkste punt van zorg. Na zaai kan voor opkomst van de wortelen één of twee keer volvelds worden gebrand. Hiermee wordt alle onkruid dat sneller kiemt dan de wortelen afgedood. Na opkomst is het van belang om zeer nauwkeurig te schoffelen langs de gewasrijen van zodra de rijen zichtbaar zijn. Bij het begin van de teelt kan dit best met een rolschoffel. Elke centimeter die nauwkeuriger wordt geschoffeld, levert aanzienlijke winst op inzake het noodzakelijke manueel wiedwerk. Bij een goed ontwikkeld gewas kan eventueel voorzichtig worden geëgd. Het onkruid in de rij moet verder handmatig worden verwijderd. Het gebruik van een wiedbed is hierbij zeer efficiënt en ergonomisch. Hoewel soms minder uren nodig zijn, moet bij de arbeidsplanning rekening worden gehouden met 150 à 200 uren/ha teneinde niet onaangenaam verrast te worden. Belangrijk is ook dat dit wiedwerk zo snel mogelijk na opkomst moet gebeuren want jong onkruid wiedt gemakkelijker. Eventuele spreiding van dit wiedwerk kan gebeuren door in meerdere keren te zaaien. Bij zaai eind mei, kan het wiedwerk ook met jobstudenten gebeuren.

Gewasbescherming De wortelvlieg verdient als plaag de meeste aandacht. Kleinere en beschutte percelen lopen een hoger risico op schade en kunnen best beschermd worden door een vliesdoek of insectengaas. Afdekking gedurende de eerste generatie in de periode april tot juni helpt, net als late zaai, reeds in belangrijke mate de populatieopbouw en aantasting later op het seizoen te beperken. Bij een vroege oogst van busselwortelen zal er weinig schade zijn door de wortelvlieg. Bladluizen worden onder controle gehouden door de aanwezigheid van natuurlijke vijanden. Ook problemen met aaltjes en bodemgebonden ziekten komen in de bioteelt nauwelijks voor dankzij de ruime vruchtwisseling.

Er wordt geplant begin juli, na de oogst van de busselwortelen. De plantdichtheid varieert van 15 x 20 cm tot 40 x 50 cm, afhankelijk van de gewenste steeldikte.

Vanaf 7 dagen na planten tot het gewas is dichtgegroeid, moet geschoffeld worden. Dit kan in combinatie met vingerwieders om het onkruid in de rij te bestrijden. Aanvullend moet manueel met de hak gewerkt worden, wat 20 - 35 uren per ha aan arbeid kost.

Gewasbescherming Septoria apiicola is de belangrijkste ziekteverwekker in deze teelt. De bladvlekkenziekte die deze schimmel veroorzaakt, kan worden beperkt door goede rassen en een ruime rijafstand te kiezen. Biologische ontsmetting van het zaaizaad is mogelijk door een warmwaterbehandeling.

Oogst en opbrengst De gemiddelde opbrengst is ongeveer 600 stuks per are. Verder zijn er geen opmerkelijke verschillen met de gangbare oogst.

Bemesting Bemesting en zorg voor de bodem gaan samen in de biologische landbouw want de bodem is drager van de bodemvruchtbaarheid. Een goede bodemstructuur en een actief bodemleven is van belang voor een efficiënte water- en mineralenhuishouding in de bodem en een goede gewasopname. Structuurgebreken of -schade als gevolg van bv. bodembewerkingen onder slechte omstandigheden komen in biologische gewassen des te meer tot uiting omdat ze voor hun nutriëntenvoorziening in grote mate afhankelijk zijn van de mineralisatie uit de organische mest, gewasresten en de bodem. Voor een goede bodemstructuur is in de eerste plaats het organisch stof gehalte van de bodem belangrijk. Om dit te verbeteren of op peil te houden moet voldoende organische stof worden aangevoerd door gewasresten, groenbemesters en vaste mest of compost. Daarnaast spelen ook type en timing van grondbewerkingen een belangrijke rol in het handha-

| pag 29

Wortelen hebben een heel lage stikstofbehoefte en vragen dan ook weinig of geen bemesting. Gebruik van verse mest is bovendien af te raden gezien dit aanleiding kan geven tot meer schade door de wortelvlieg en een minder goede wortelkwaliteit. Een kalibemesting zal in de meeste gevallen wel nodig zijn gezien met wortelen veel kalium wordt afgevoerd.


ven van een goede bodemstructuur.

o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 30

In de voorgestelde rotatie dragen de tijdelijke grasklaverweide en de gewasresten van de spruitkool en de groenbemesters bij aan het behoud van het organisch stof gehalte op het bedrijf. Om het humusgehalte verder op te bouwen is ook een bijdrage uit de bemesting noodzakelijk. Daartoe wordt gekozen voor een basisbemesting met vaste mest of compost. Naast het voeden van de bodem moet de bemesting ook gericht zijn op het gewas met minimale verliezen naar het milieu. Daartoe wordt vooral in de vroege teelten bijbemest met snelwerkende organische handelsmeststoffen. De toe te dienen hoeveelheden vaste mest en korrelmeststoffen moeten worden afgestemd op de nalevering door de voorvrucht, de mineralisatie uit de bodem (humusvoorraad) en de gewasbehoefte. Hierbij moet ook rekening gehouden met een maximale stikstofaanvoer van 170 kg N uit dierlijke mest per hectare per jaar, overeenkomstig het lastenboek voor de biologische landbouw en het mestdecreet. De bemesting werd verder toegelicht bij de teeltbeschrijvingen. De grasklaver in dit voorbeeld zorgt enerzijds voor het vastleggen van het stikstofoverschot na de courgetteteelt en anderzijds voor aanvoer van extra stikstof uit de lucht. Na het onderwerken van de zode in het voorjaar komt 75 kg stikstof beschikbaar voor de spruitkool. Hierdoor moet minder mest worden aangevoerd voor deze stikstofbehoeftige teelt waardoor ook eventuele fosfaatoverschotten gemilderd worden. Standaard grondanalyses van alle percelen geven een zicht op de chemische bodemvruchtbaarheid van de bodem. Indien deze suboptimaal blijken, zal specifiek bemestingsadvies per teelt en perceel nodig zijn om overal een optimale bodemvruchtbaarheid te bereiken. Door de lagere opbrengsten in de bioteelt en afhankelijk van de vruchtwisseling zal 60 tot 80 % van het advies volstaan. De pH kan op peil worden gehouden door bekalking met schuimaarde of natuurlijke bronnen van calciumcarbonaat zoals mergel, krijt en zeewierkalk. Met gebruik van dierlijke mest vormen de kali- en fosfaatvoorziening over het algemeen geen probleem. In geval van kalitekort kan Haspargit® of Patentkali® worden gebruikt. Belangrijk bij de keuze van de bemesting is een strategie te kiezen die jaar na jaar gevolgd wordt. Dit bevordert de opbouw van een actief en divers bodemleven dat essentieel is voor een goede bodemvruchtbaarheid en ziekteonderdrukking. Dit leidt tot een stabiel systeem waarin de meeste voedingsstoffen uit de bodem komen.

te vinden. Anderzijds is de voorgestelde biologische rotatie iets extensiever dan de gangbare rotatie waarvan werd uitgegaan. De voorgestelde rustgewassen brengen ook rust in de arbeidsplanning. Een exacte inschatting van de nodige arbeid is moeilijk. Deze verschilt van jaar tot jaar en van bedrijf tot bedrijf. Grosso modo kan gesteld worden dat de arbeidsbehoefte gelijk is als deze in de gangbare teelt op het marktklaar maken (afhankelijk van gewas en bestemming) en de onkruidbestrijding na. Bij het overzicht van de teelten werden afwijkende arbeidsbehoeftes reeds vermeld. In dit teeltplan zijn vooral de handmatige oogst van aardbei, courgette en spruiten, en de onkruidbestrijding in wortelen arbeidsintensief. Ook het oogsten en marktklaar maken van busselwortelen, selder en sla vragen veel arbeid. Dit zijn tevens werkzaamheden die geen uitstel dulden; een goede organisatie zal dus onontbeerlijk zijn. Juni en juli zijn piekmaanden maar ook van augustus tot oktober is er nood aan een goede arbeidsbeschikbaarheid. In deze periode juli – september kan men beroep doen op jobstudenten. Voor juni en oktober moeten losse krachten aangetrokken worden. Bijgaande tabel brengt per maand een overzicht van de noodzakelijke werkzaamheden, waarbij de teelten voor thuisverkoop buiten beschouwing zijn gelaten. Voor een aantal taken kan de tijdsbehoefte worden ingeschat vanuit de gangbare bedrijfsvoering op het bedrijf. Voor andere zullen eerst enkele leerjaren nodig zijn. Rekening houdende met de beschikbare krachten op bepaalde tijdstippen kan men aanpassingen aan de vruchtopvolging doorvoeren om de arbeid beter te verdelen over het jaar, om een vakantieperiode in te bouwen, ... Een vaste arbeidskracht heeft als voordeel dat een deel van de arbeidsorganisatie van de losse krachten en de jobstudenten van je overgenomen wordt, zodat je extra aandacht kunt schenken aan de teeltorganisatie, de mechanische onkruidbestrijding en/of de verkoop. Eén of meerdere van deze taken zoals de thuisverkoop of de mechanische onkruidbestrijding kunnen ook aan de vaste werknemer worden toevertrouwd. De losse arbeidskrachten en de jobstudenten zoek je best vooraf want op het ogenblik zelf kunnen ze moeilijk te vinden zijn. Het kan niet genoeg benadrukt worden dat bij de onkruidbestrijding het tijdig ingrijpen zeer belangrijk is. Even te laat ingrijpen kan een enorm pak extra arbeid betekenen. Indien je moet kiezen tussen twee dringende werken, stel dan zeker niet te vlug de onkruidbestrijding uit!

Arbeid

Economische doorrekening

Na omschakeling zal de arbeidsbehoefte hoger zijn. De biologische landbouw heeft een arbeidsintensief karakter. Vooral in de onkruidbestrijding en de afzet kan extra tijd kruipen. Landbouwers met interesse voor omschakeling zien dit vaak als een knelpunt. Want arbeid is duur en goede arbeiders zijn bovendien moeilijk

Bij de bedrijfseconomische doorrekening is het aangewezen een opsplitsing te maken tussen de tuinbouwactiviteit en de thuisverkoop.


De tuinbouwactiviteit De productiekosten bij de biologische teeltwijze liggen hoger dan bij de gangbare productie. De belangrijkste oorzaken zijn: • de hoge arbeidskosten voor de onkruidbestrijding die de kosten van de chemische onkruidbestrijding overstijgen; • de lagere opbrengsten: om de ziektedruk zo laag mogelijk te houden zal men de N-gift beperken en zal de N in een minder snel opneembare vorm aangeboden worden; ook zijn de middelen om bij optredende ziekten en plagen de opbrengstderving te beperken minder talrijk aanwezig en indien aanwezig vaak trager werkend dan de chemische bestrijdingsmiddelen; door gebrek aan onderzoek of voorlichting worden, vooral door omschakelende boeren, ook soms nog teelttechnische fouten gemaakt of productiemiddelen ondoeltreffend aangewend, wat ook de opbrengsten drukt; • door de ruime vruchtwisseling die moet worden toegepast, is het moeilijker om zich te specialiseren in de verwerking van bepaalde teelten. Om tot eenzelfde bedrijfssaldo te komen als in de gangbare landbouw moet men dus een hogere verkoopprijs verkrijgen. Meestal wordt die ook verkregen en in het algemeen halen de biologische landbouwer een gelijk bedrijfssaldo als hun gangbare collega’s. Voor de eigen producten die via de thuisverkoop aan de man gebracht worden, wordt een meerprijs toegekend van 15%. Tevens wordt extra arbeid aangerekend die te wijten is aan de kleinere oppervlaktes die per werkgang gedaan worden, omwille van de thuisverkoop. Nodige investeringen: • schoffel inclusief extra toebehoren: € 3000 (1) • wiedeg: € 3000 (1) • brander 1,5 m: € 9000 (1) (1) afschrijven op 5 jaar, 5% rente, 2% onderhoud

verkoop, investeringen en rendabiliteit zuiverder in beeld gebracht worden. Ook belangrijk: om tot een zekere omzet te komen zal eerst een brede klantenkring moeten aangetrokken worden (reclame, promoties, ...). Veel bedrijven met thuisverkoop merken tevens dat ze bij de omschakeling toch deels een nieuw doelpubliek moeten aanspreken. Wat niet in cijfers kan uitgedrukt worden, is de appreciatie en de steun die men ontvangt door het directe contact met de consument. Deze meerwaarde kan voor het bedrijf belangrijker zijn dan de financiële winst.

Afzet De groenten voor thuisverkoop zijn vanaf 2010 verkoopbaar als omschakelingsproducten. Daarnaast kunnen ook nog de gangbare groenten van het bedrijf worden verkocht op voorwaarde dat het niet om dezelfde producten gaat. Vanaf 2014 zijn alle producten geoogst op het bedrijf volledig biologisch. (zie tabel p. 25) De groenten uit de hoofdrotatie kunnen marktklaar afgezet worden via de groothandel, de veiling of een telersvereniging. Een gedeelte wordt via de hoevewinkel op het bedrijf verkocht. Voor de teelten die voor de groothandel bestemd zijn, moet zo veel mogelijk gestreefd worden naar een continue afzet. Afzet van de grasklaversneden gebeurt bij voorkeur via een lange termijn afspraak met een biologische veehouder die zelf te weinig land heeft om hierin te voorzien. Daar kan je dan ook biologische mest betrekken. Het is van groot belang om voor de start van het teeltseizoen reeds duurzame afspraken te maken met je toekomstige afnemers. De kleinschaligheid van de biologische markt laat geen speculatie toe. Overleg met collega-bioboeren helpt hierbij. Ook de afdeling Landbouw van BioForum kan je op weg helpen. Voor namen en adressen van afnemers en leveranciers verwijzen we naar onze online databank www. biobedrijvengids.be, onder de tab ‘boer zoekt’.

Je kan ook rekenen op hectaresteun. Dit is een reconversiesteun: bedoeld om de omschakelingsperiode naar de biologische landbouwmethode enigszins te verlichten. Hiermee kun je ten dele de investeringen bekostigen en ten dele je arbeidsinkomen dat tijdens de omschakeling iets lager ligt, wat aanvullen. Waak er echter over dat deze premie je bedrijf structureel ten goede komt.

Het lijkt ons belangrijk om een strikte scheiding te maken, in elk geval bedrijfseconomisch, tussen de teelten en de thuisverkoop. Door een aparte boekhouding bij te houden van de thuisverkoop kunnen

| pag 31

De thuisverkoop


o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 32

De omschakeling technisch bekeken: glasgroenten De omschakeling van een glasgroentenbedrijf naar een biologische bedrijfsvoering vraagt een duidelijke koerswijziging, zowel van het bedrijf als van de bedrijfsleider. Het teeltplan moet aangepast worden om gewasbescherming, onkruidbeheersing, bemesting en arbeidsorganisatie werkbaar te maken. Daardoor veranderen tal van praktische zaken. Zo zal waarschijnlijk de huidige plantgoedleverancier geen biologische planten kunnen leveren en mogelijk kan ook de huidige zaadhandelaar geen niet-ontsmet zaad leveren of moet men het veel vroeger bestellen. Ook moet er uitgekeken worden naar afnemers die de meerwaarde van de biologische producten vergoeden. Deze koerswijziging is niet vanzelfsprekend te realiseren, laat je adviseren door een erkend centrum voor bedrijfsbegeleiding en lees deze brochure goed door.

Vruchtwisseling De basis van een succesvolle biologische bedrijfsvoering is een uitgekiende vruchtwisseling. Aangezien de glasgroenteteelt zeer divers is, gaan we nader in op 3 verschillende bedrijfstypes: • intensieve vruchtgewassen (zware stook) • vrucht- en bladgewassen (lichte stook) • bladgewassen (koude serre) • Rotatie voor de intensieve teelt van vruchtgewassen Regelmatig voorkomend is een driejarige rotatie die bestaat uit een doorteelt van tomaat, een teelt van komkommer gevolgd door een bladgewas of een groenbemester en tenslotte paprika, waarna de rotatie hernomen wordt. Praktisch wordt de serre dus opgedeeld in 3 compartimenten en ziet het schema er als volgt uit (zie tabel 1)

Als variant wordt komkommer soms vervangen door courgetten (als vroege voorjaarteelt) of wordt tomaat of paprika vervangen door aubergines. Aangezien er op de markt van biologische vruchtgewassen relatief weinig spelers zijn en de teeltkosten in dit intensieve bedrijfstype hoog oplopen wordt de rotatie strikt gevolgd. Tomaat en paprika behoren tot dezelfde familie. Omdat bij tomaat met geënte planten kan worden gewerkt, volgt eerst de paprika op de komkommer. De geënte tomatenplanten zijn immers minder gevoelig voor bodemziekten zodat tomaat na paprika beter is dan omgekeerd. Als bladgewassen behoren selder, peterselie, kropsla, alternatieve sla,... tot de mogelijkheden. Wordt er gekozen voor groenbemesters dan krijgen phacelia, rode klaver of tagetes vaak de voorkeur. Aangezien de vruchtgewassen eind december tot januari aangeplant worden, moet er gestookt worden om de gewassen aan de groei te houden.

Rotatie van vrucht- en bladgewassen Bij dit gemengde rotatietype worden in de winter teelten gezet die ook in koude omstandigheden blijven groeien en worden in de zomer gewassen aangelegd die warmte nodig hebben om te produceren. Dit kan bijvoorbeeld in een tweejarige rotatie met tomaat, komkommer, kropsla en veldsla (zie tabel 2). Tabel 2

Compartiment 1

Compartiment 2

Jaar 1

Maa-sep: tomaat Okt-dec: veldsla

Jan-ma: kropsla Apr-aug: komkommer Sep-nov: kropsla Nov-feb: veldsla

Jaar 2

Jan-maa: kropsla Apr-aug: komkommer Sept-nov: kropsla Nov-feb: veldsla

Maa-sep: tomaat Okt-dec: veldsla

Jaar 3

Maa-sep: tomaat Okt-dec: veldsla

Jan-maa: kropsla Apr-aug: komkommer Sep-nov: kropsla Nov-feb: veldsla

Tabel 1

Compartiment 1

Compartiment 2

Compartiment 3

Jaar 1

Tomaat

Komkommer + bladgewas of groenbemester

Paprika

Jaar 2

Komkommer + bladgewas of groenbemester

Paprika

Tomaat

Mogelijke varianten zijn: andere bladgewassen inpassen, een herfstteelt van tomaat of komkommer inpassen, komkommer vervangen door courgetten.

Jaar 3

Paprika

Tomaat

Komkommer +bladgewas of groenbemester

Rotatie zonder vruchtgewassen

Jaar 4

Tomaat

Komkommer + bladgewas of groenbemester

Paprika

Nogal wat glasbedrijven specialiseren zich in bladgewassen. Hierbij wordt een rotatie opgesteld met voornamelijk selder, veldsla, peterselie, spinazie en allerlei slatypes. Dit kan aangevuld worden met bijvoorbeeld winterpostelein, radijs, pijpajuin,... Tevens kunnen groenbemesters ingepast worden.


Om de ziekten en plagen te vermijden en om de hoogste onkruiddruk te ontlopen, wordt in dit bedrijfssysteem zeer vaak een zomerrust ingelast: tussen half juni en eind juli/begin augustus blijft de serre dan onbeteeld. In de rotaties met vruchtgewassen stelt vooral het probleem van de onkruiddruk zich veel minder omdat het onkruid daar veel vlotter kan bestreden worden. Bij een compartimentering in bijvoorbeeld 5 delen kan de rotatie er als volgt uitzien (zie tabel 3):

Jaar 1

Compartiment 1

Compartiment 2

Compartiment 3

Compartiment 4

Aug-okt: selder

Aug-okt: koolrabi

Aug-sep: kropsla

Aug-okt: knolvenkel

Aug-okt: peterselie

Okt-feb: spinazie

Nov-feb: veldsla

Sep-jan: selder

Nov-feb: winterpostelein

Okt-feb: veldsla

Apr-mei: kropsla

Maa-juni: selder

Jan-apr: spinazie

Feb-jun: andijvie

Feb-apr: kropsla

Apr-jun: kropsla Jaar 2

Aug-okt: peterselie

Aug-okt: selder

Aug-okt: koolrabi

Aug-sep: kropsla

Aug-okt: knolvenkel

Okt-feb: spinazie

Nov-feb: veldsla

Sep-jan: selder

Nov-feb: winterpostelein

Feb-apr: kropsla

Apr-mei: kropsla

Maa-jun: selder

Jan-apr: spinazie

Feb-jun: andijvie

Apr-jun: kropsla

Aug-okt: knolvenkel

Aug-okt: peterselie

Aug-okt: selder

Aug-okt: koolrabi

Aug-sep: kropsla

Nov-feb: winterpostelein

Okt-feb: veldsla

Okt-feb: spinazie

Nov-feb: veldsla

Sep-jan: selder

Feb-apr: kropsla

Apr-mei: kropsla

Maa-jun: selder

Jan-apr: spinazie

Feb-jun: andijvie

Apr-jun: lollo rossa Jaar 4

Jaar 5

Apr-jun: kropsla

Aug-sep: kropsla

Aug-okt: knolvenkel

Aug-okt: peterselie

Aug-okt: selder

Aug-okt: koolrabi

Sep-jan: selder

Nov-feb: winterpostelein

Okt-feb: veldsla

Okt-feb: spinazie

Nov-feb: veldsla

Jan-apr: spinazie

Feb-jun: andijvie

Feb-apr: kropsla

Apr-mei: kropsla

Maa-jun: selder

Apr-jun: kropsla

Apr-jun: lollo rossa Aug-okt: selder

Aug-okt: koolrabi

Aug-sep: kropsla

Aug-okt: knolvenkel

Aug-okt: peterselie

Nov-feb: veldsla

Sep-jan: selder

Nov-feb: winterpostelein

okt-feb: spinazie

Jan-apr: spinazie

Feb-jun: andijvie

Feb-apr: kropsla

Apr-jun: kropsla

Apr-jun: lollo rossa

Maa-jun: selder Jaar 6

Apr-jun: lollo rossa

Okt-feb: veldsla Apr-jun: lollo rossa Jaar 3

Compartiment 5

Apr-mei: kropsla

Aug-okt: selder

Aug-okt: koolrabi

Aug-sep: kropsla

Aug-okt: knolvenkel

Aug-okt: peterselie

Okt-feb: spinazie

Nov-feb: veldsla

Sep-jan: selder

Nov-feb: winterpostelein

Okt-feb: veldsla

Maa-jun: selder

Jan-apr: spinazie

Feb-jun: andijvie

Feb-apr: kropsla

Apr-mei: kropsla

Apr-jun: kropsla

Opmerking: Bij vergelijking met de principes van de biologische plantaardige productie (zie pagina 11) vallen onmiddellijk twee zaken op in de voorgestelde rotaties: • de vooropgestelde vruchtwisseling van 1/5 wordt niet bereikt • groenbemesters komen amper voor. Een verklaring hiervoor ligt in het feit dat glasgroentebedrijven verplicht zijn om op hun kleine oppervlakte een leefbaar inkomen te genereren. De hoge

Apr-jun: lollo rossa

wordt, dan moet dit gecompenseerd worden door een verlaging van een kostenfactor. Bijvoorbeeld de extensievere (ten opzichte van doorteelt) herfstteelt van tomaat wordt gecompenseerd door veel lagere stookkosten. Aangezien groenbemesters, en met name vlinderbloemigen, pas echt hun taak kunnen doen als ze langere tijd staan, zijn ze moeilijk in te passen in een teeltsysteem met hoge vaste kosten. Groenbemesters worden dan ook vooral als vanggewas ingezaaid om mineralisatieverliezen te beperken.

| pag 33

Tabel 3

vaste kosten vereisen een grote omzet per m2. Dit kan enkel door te kiezen voor hoogsalderende gewassen. In de eerste plaats zijn dat de vruchtgewassen en in mindere mate ook de bladgewassen die als zeer vers product op de markt moeten komen. Zeker bij de vruchtgewassen zijn ook de markteisen een beperkende factor voor rotatie verbreding: kwaliteit en sortering luisteren zeer nauw en een sorteerlijn is aangewezen. Deze zware investering kan best op een zo groot mogelijke oppervlakte afgeschreven worden. Indien toch voor een iets extensievere teelt gekozen


Bodem

o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 34

Op biologische bedrijven wordt in principe enkel in de grond geteeld. De substraatteelt, waarbij de wortels van de plant zich in een inert groeimedium met oplosbare mineralen en nutriënten bevinden, mag daarom niet worden toegestaan. Teelt op steenwol of andere inerte materialen is dus niet toegelaten. Ook hydrocultuur is uitgesloten door de biologische wetgeving. De enige teelten die momenteel op substraat mogen geteeld worden, zijn de opkweek van plantgoed en sierplanten of kruiden die in pot verkocht worden. Voor de drie beschreven bedrijfstypes is dus grondteelt verplicht! Het bodemleven zorgt voor het vrijmaken van nutriënten in de grond en voor weerstand tegen bodemgebonden ziekten en plagen. Vandaar dat in de biologische teelt hogere eisen aan de bodem gesteld worden dan in de gangbare teelt. Specifiek zijn een hoog organische stofgehalte, een goede bodemstructuur, de pH en een goed vochthoudend vermogen van groot belang. Met deze vier componenten staan of vallen de bemesting en de gewasbescherming.

Bemesting De bemesting in de biologische teelt gebeurt hoofdzakelijk met organisch materiaal. Dit betekent: dierlijke mest, groencompost en organische hulpmeststoffen. De hoeveelheid dierlijke mest die jaarlijks kan gegeven worden is beperkt tot 170 kg/ha. Aangezien een evenwichtig en divers bodemleven in de kasteelt zeer belangrijk is om bodemgebonden ziekten en plagen te vermijden, is het belangrijk enkel met gecomposteerde stalmest te werken. Wanneer met verse mest wordt gewerkt, treedt er fermentatie op in de grond wat verstorend is voor een evenwichtig bodemleven: plaatselijk wordt hierdoor immers het afbrekende (vaak pathogene) bodemleven bevoordeeld. Omwille van het hoge fosforgehalte is zeker kippenmest en in mindere mate ook varkensmest af te raden als basisbemesting. Groencompost bevat relatief weinig stikstof en mineraliseert traag. In de serre gebeurt dit echter een stuk sneller omdat de gemiddelde bodemtemperatuur hoger ligt dan in de buitenteelt. Vandaar dat groencompost een belangrijke meststof is in de biologische kasteelt. Er moet wel rekening mee gehouden worden dat de wetgeving normen oplegt wat betreft de inhoud aan zware metalen in groencompost. De bioteler is verantwoordelijk voor bijkomende analyses. Als organische hulpmeststof kunnen bijvoorbeeld sojameel of bloedmeel gebruikt worden. Sojameel mineraliseert vlug maar is soms moeilijk verkrijgbaar. Voor een goede omzetting van organische meststof-

fen tot voedingsstoffen voor de plant is het bodemleven bijzonder belangrijk. Daarom zijn doorspoelen en ontsmettingssystemen te vermijden (maar niet verboden) in de biologische teelt. Voor een evenwichtig bodemleven is ook de bodemstructuur van groot belang: er moet een goede toevoer van zuurstof in de grond mogelijk zijn. Tenslotte vormt een goed vochthoudend vermogen een natuurlijke waterbuffer. Voor bodemleven, structuur en vochthoudend vermogen is het organisch stofgehalte van groot belang. Bij de omschakeling moet hier zeer veel aandacht aan besteed worden. Ondermeer door hoge compostgiften kan dit gehalte verhoogd worden; professioneel advies is in deze fase ten zeerste aan te raden. De bemesting gebeurt op basis van analyses. Bij de vruchtgewassen wordt de voedingstoestand zeer regelmatig (vaak maandelijks) gemeten met bodem en bladanalyses. Op basis van een bodemanalyse vooraf wordt de basisbemesting bepaald. Daarna wordt indien nodig bijbemest. Bij bladgewassen gebeuren analyses minder frequent: één of twee maal per jaar. Met de basis bemesting wordt meestal het hele teeltjaar gedekt. Eventueel moet voor de laatste teelt een bijbemesting gegeven worden als dit een stikstofminnend gewas is (bv. kropsla); het totale bemestingsniveau voor een teeltjaar met bladgewassen (150 à 200 kg N/ha) ligt ook beduidend lager dan bij de vruchtgewassen (tot 550 kg N /ha). Wel opletten dat er op gemiddeld bedrijfsniveau onder de 170 kg N/ha uit dierlijke mest is gebleven en voldaan is aan de nitraatrichtlijn. Voor bijbemesting van kalium en magnesium is toestemming van de controleorganisatie voor de bioteelt vereist. Voor kaliumbemesting zijn vinasse en ruwe kalizouten (patentkali, kaïniet, ...) mogelijk. Om magnesium toe te dienen wordt vooral kieseriet gebruikt. Bitterzout kan ook en heeft als voordeel dat het een snellere werking heeft. Normaal is fosfor door het gebruik van dierlijke mest voldoende aanwezig. Voor de boordeling van de EC-waarden (zoutgehalte) worden dezelfde normen gehanteerd als in de gangbare teelt. Het is van belang om biologische niet met te lage EC-waarden te telen omdat dit kwaliteitsverlies kan veroorzaken. Bij te lage waarden kan bijbemest worden. Bij al te hoge waarden (bv. door opstijgend grondwater) moet doorspoelen overwogen worden.

Watervoorziening Alle water voor de planten moet in de kas aangevoerd worden door irrigatie. Dit kan via strookberegening of via druppelbevloeiing; bij vruchtgewassen


Bij de vruchtgewassen gebruikt men de strookberegening bij het begin van de teelt, wanneer er bijbemest wordt en om de bodem in het algemeen niet te droog te laten worden. Te droge grond is immers negatief voor het bodemleven en dus ook voor de mineralisatie. Verder wordt met het druppelsysteem gewerkt. Dit heeft als voordeel dat de de luchtvochtigheid in de kas laag blijft en schimmelinfecties minder kans krijgen. Tevens kan met druppelirrigatie beter gestuurd worden naargelang de behoeften van de teelt: zo wordt uitspoeling van voedingsstoffen vermeden en wordt minder water verbruikt. Een nadeel van het druppelsysteem is wel dat de wortelontwikkeling niet gestimuleerd wordt, vandaar dat in het begin van de teelt met strookberegening wordt gewerkt. Bij de vroege stookteelt is het aan te raden te irrigeren met lauw water: de planten slaan dan sneller aan en er is minder schade te vrezen van bodempathogenen. Bij de bladgewassen houdt men in het begin van de teelt de grond goed vochtig. Van zodra het gewas wat dichter groeit, wordt de beregening tot een minimum beperkt. Dit verkleint sterk de kans op ziekten. Zeker bij planten met een dichte krop of veel horizontaal blad is dit zeer belangrijk. Het beregenen kan best ‘s morgens gebeuren, waarna onmiddellijk gelucht wordt zodat de luchtvochtigheid snel daalt en de planten sneller opdrogen.

Kasklimaat De aansturing van het kasklimaat is het belangrijkste instrument voor de biologische glasgroenteteler om zijn gewas gezond te houden: luchten, beregenen, stoken en CO2-regulering. Hierbij moet ook voldoende aandacht besteed worden aan het gewenste klimaat voor de uitgezette natuurlijke vijanden. Het regelen van het kasklimaat in de biologische teelt is vergelijkbaar met de gangbare teelt. Twee bijzondere aandachtspunten zijn echter het vermelden waard: • Het sturen van de luchtvochtigheid is in de biologische teelt belangrijker omdat er geen bestrijdingsmiddelen tegen schimmelziekten voorhanden zijn. • In het voorjaar moet de bioteler alert zijn voor CO2-overmaat daar bij de stijgende bodemtemperatuur de activiteit van het bodemleven enorm toeneemt en er dus veel CO2 uit de bodem vrijkomt.

Onkruidbeheersing De extra arbeid die de biologische onkruidbestrijding met zich meebrengt, varieert sterk van bedrijf tot bedrijf. Bedrijfshygiëne is zeer belangrijk: laat onkruid

niet in zaad komen! Vooral op reeds geoogste percelen is dit een item dat al eens over het hoofd gezien wordt. Bij vruchtgewassen moet 2 tot 3 keer geschoffeld worden, waarbij het belangrijk is de planten niet te raken. Wonden aan wortels of stengels zijn ingangspoorten voor infecties. Er kan ook gebrand worden. Hierbij wordt best een beschermkap gebruikt. Eens de teelt wat verder is, wordt vaak gevogelte (kippen, eenden, kalkoenen, ...) uitgezet om het onkruid te bestrijden. Er wordt ook soms met een bodembedekking gewerkt: anti-worteldoek of houtsnippers. Bij bladgewassen wordt meestal in de zomer een rustperiode (bvb. een groenbemester) ingelast om de hoogste onkruiddruk niet in de teelt te hebben. Tevens kan best geplant worden in plaats van ter plekke te zaaien. Dan kan met een rolschoffel, waar nodig aangevuld met schoffelen in de rij, het gewas onkruidvrij gehouden worden. Wanneer toch ter plaatse gezaaid wordt, kan best vooraf een vals zaaibed aangelegd worden dat vlak voor het zaaien afgebrand wordt. Het onkruidvrij houden van bladgewassen is een must: een gewas met veel onkruid droogt traag en is dus ziektegevoeliger. Bij de fijnere bladgewassen (peterselie, veldsla, spinazie) betekent een onkruidvrij gewas ook dat de oogst veel sneller verloopt.

Gewasbescherming De basis voor een geslaagde gewasbescherming is ervoor zorgen dat de planten sterk zijn en een regelmatige groei kennen. Veel van de instrumenten hiertoe zijn reeds eerder vermeld: • Een hoog organisch stofgehalte en een goede bodemstructuur, zodat er een rijk en divers bodemleven is dat overheersing van pathogene soorten kan bufferen. • Organische bemesting die een geleidelijke mineralisatie geeft, die mee evolueert met de behoefte van de plant: wanneer de omstandigheden goed zijn voor de plantengroei, zijn ze veelal ook goed voor het bodemleven en dus voor de mineralisatie. • Een gezond kasklimaat: temperatuur, luchtvochtigheid en CO2-gehalte. • Een onkruidarm gewas. Bij het vermijden van ziekten en plagen is ook de raskeuze zeer belangrijk. Zo moet in de tomatenteelt gekozen worden voor geënte rassen (vermijd voetziekten) waarbij zowel de cultivar als de onderstam fusarium-resistent zijn. Komkommer- en slarassen moeten resistent zijn tegen echte meeldauw, curatief optreden is namelijk onmogelijk. Spinazie moet wolfresistent zijn. Bij de vruchtgewassen is bladplukken af te raden. Beter kunnen de bladeren afgesneden worden met een speciaal mesje waarbij onmiddellijk ook wat azijn op het snijvlak gebracht wordt. Zo krijgen schimmels minder kans. | pag 35

worden meestal beide systemen gebruikt, terwijl bij bladgewassen bijna uitsluitend strookberegeningen toegepast worden. Omwille van de vaak korte teeltduur betekent de aanleg van een druppelsysteem bij bladgewassen heel wat extra arbeid.


| pag 36

o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

Indien er toch ziekten of plagen optreden, kan er in zeer veel gevallen biologisch bestreden worden. Biologische bestrijding is ook in de gangbare teelt reeds sterk ingeburgerd. Via monitoringssystemen als vangplaten, ferromoonvallen, signaalplanten (bv. aubergine als signaalplant voor trips in de teelt van komkommer) kunnen tijdig de juiste natuurlijke vijanden uitgezet worden. Zelf het gewas regelmatig aandachtig onderzoeken en de andere arbeidskrachten hier ook toe opleiden en motiveren, draagt ook bij tot het tijdig opsporen van schadeverwekkers. Hoe eerder een aankomende plaag opgespoord wordt, des te doeltreffender zal de biologische bestrijding zijn. Hierbij krijgt men ook professionele begeleiding van de toeleveringsbedrijven. De biologische teler doet tevens zijn best om de natuurlijke vijanden te ondersteunen. Dit kan door overwinteringsmogelijkheden te voorzien (een aantal planten laten staan), door de biodiversiteit rondom de serre te verzorgen zodat de natuurlijke vijanden uitwijkmogelijkheden hebben wanneer de geviseerde plaag niet meer in het gewas voorkomt, door de glaswanden niet in de winter schoon te maken maar wel wanneer de insecten op het gewas zitten,...

Heel wat informatie is reeds aangegeven in het algemene gedeelte. Verder verdienen Phytophtom Infestam en Botrytis extra aandacht. De aardappelplaag wordt vermeden door het gewas droog te houden (een minimumbuis aanhouden en eventueel droogstoken) en door een sterk generatieve opstart te stimuleren. Elke aantasting met Botrytis moet uitgesneden worden. De snijwonden laat men opdrogen. Tegen witziekte kan gezwaveld worden, echter niet zonder vooraf te informeren bij de leverancier van natuurlijke vijanden, want bepaalde soorten kunnen niet tegen zwavel.

Wanneer blijkt dat de natuurlijke vijanden bepaalde haarden niet aankunnen, kan ingegrepen worden met bv. het bacteriepreparaat Bacillus Thuringiensis tegen bladvretende insecten. Daar moet men wel steeds toelating voor vragen bij het controle-organisme voor de bioteelt. Bij de bladgewassen kunnen bladluizen een probleem zijn.

Er moet voor witziekte-resistente rassen gekozen worden. Om bodemziekten te vermijden kan best geënte komkommer aangeplant worden.

Speciale teeltzorg tomaat Bemesting De tomaat in doorteelt behoeft heel wat stikstof: er wordt 300 tot 400 kg N/ha aangevoerd. Deze is afkomstig van gecomposteerde stalmest (max 170 kg N/ha), groencompost en eventuele hulpmeststoffen. Bij de opvolging van de voedingstoestand moet speciale aandacht besteed worden aan kalium.

Planten Zeker in een rotatie met paprika kan best met geënte tomaat gewerkt worden waarbij zowel cultivar als onderstam fusariumresistent zijn en eventueel ook witziekte-resistent. Om de plantkosten te drukken kunnen dubbelkoppige planten gekozen worden. Bij de rassenkeuze zijn ook smaak, sortering, doorkleuring en houdbaarheid belangrijk, afhankelijk van het gekozen afzetkanaal. Bij de aanvang van de teelt moet een sterk generatief gewas nagestreefd worden: dit geeft een vlottere vruchtzetting en het gevaar dat Botrytis optreedt in een later stadium wordt beperkt. Het gewas wordt generatief gestuurd door droog op te kweken.

Bij doorteelt kan ongeveer 40 kg losse tomaat per m2 verwacht worden of 30 kg trostomaat.

Komkommer Bemesting Komkommer behoeft eveneens heel wat N: er wordt 250 tot 300 kg N/ha aangevoerd. Deze is afkomstig van gecomposteerde stalmest (max 170 kg N/ha), groencompost en eventuele hulpmeststoffen.

Planten

Onkruidbeheersing Zoals reeds aangegeven in het algemene gedeelte. Hou er wel rekening mee dat komkommer zeer oppervlakkig wortelt: schoffelen is dus niet aan te bevelen.

Gewasbescherming Heel wat is reeds aangegeven in het algemene gedeelte. Tot de eerste vruchten oogstbaar zijn, moet de teelt zeer vochtig gehouden worden om brandkoppen te vermijden. Ook daarna moet de teelt vochtig gehouden worden, zij het wat minder, om echte meeldauw te vermijden. Later in de teelt zal moeten gewaakt worden of er valse meeldauw en Mycosphaeretta voorkomt. Indien dit het geval is moet er droger geteeld worden, rekening houdend met de eventuele aanwezigheid van echte meeldauw. Verder moet er aandachtig geobserveerd worden op spint en katoenluis: beiden zijn moeilijk te bestrijden en vragen een zeer alerte aanpak,

Oogst en opbrengst Bij vroege teelt kan ongeveer 80 à 100 stuks per m2 verwacht worden. De opbrengst is sterk afhankelijk van de witziekte-druk.

Veldsla Bemesting De bemesting voor veldsla vormt weinig problemen. Dit gewas heeft meestal genoeg aan de voedingsstoffen die de vorige teelten nagelaten hebben.


Planten Onder koud glas wordt van eind september tot eind oktober of van eind januari tot eind februari geplant. Veldsla moet dik gezaaid worden opdat het gewas niet zou uitstoelen. De afstand tussen de rijen bedraagt 15 à 20 cm. Het perspotje wordt half boven de grond gelaten zodat de buitenbladeren in een later stadium nauwelijks in contact komen met de grond.

Onkruidbeheersing Zoals reeds algemeen aangegeven: rol schoffelen tussen de rijen, eventueel aangevuld met schoffelen in de rij. Bij de winterteelt valt echter nauwelijks onkruid te verwachten.

Gewasbescherming Het aantal dierlijke belagers van veldsla is zeer gering. Sporadisch kan er een aantasting van slakken of aardrupsen vastgesteld worden. Wel kan de mineervlieg voor heel wat schade zorgen in veldsla. Verder kunnen bepaalde schimmelziekten (vb. Botrytis) voor problemen zorgen. Ze tasten de voet van de plant aan zodat deze na verloop van tijd wegrot en de plant wegvalt. Dit kan voorkomen worden door te zorgen dat het gewas niet te nat staat en snel kan opdrogen na een gietbeurt.

Oogst en opbrengst De oogst van de kortbladige rassen vindt plaats als ze een bladlengte van ca. 10 cm bereikt hebben. Bij de langbladige zal de bladlengte ca. 14 cm bedragen. De breedte van de bladeren is bij beide rassen ongeveer gelijk (+/- 3,5 cm). Bij de teelt onder koud glas wordt er geoogst vanaf november tot april. Er kan een opbrengst van 80 tot 120 kg per are verwacht worden.

Peterselie Bodem Peterselie groeit op zowat elke bodem, behalve op droge zandgronden en zware kleigronden. Hoofdzaak is dat de structuur en de vochtvoorziening goed zijn. N-bemesting gebeurt naar 150 kg N/ha. Bij bemesting met rundermest wordt hiermee normaal ook de P- en K-behoefte gedekt. Bij een hoog K-gehalte verdient Mg ook aandacht, eventuele bijbemesting kan nodig zijn.

Planten (zaaien) Er wordt geplant van eind april tot eind augustus, op plantverband van 30 op 15 cm. Per perspotje staan een 5-tal planten. Er kan ook ter plaatse gezaaid worden, wat als voordeel heeft dat bespaard wordt op de plantkosten maar als nadeel dat de onkruidbestrijding en de oogst

moeilijker gaan en dat de grond anderhalve maand vroeger reeds bezet wordt.

Onkruidbeheersing Tot het gewas dichtgegroeid is, kan geschoffeld worden. Er moet ook steeds gewied worden: een onkruidvrij gewas is veel sneller te bossen. Zeker bij gezaaide peterselie kan de onkruidbestrijding zeer arbeidsintensief zijn. Een veronkruid gewas is niet meer te oogsten. De benodigde arbeid voor de onkruidbestrijding ligt bij een geplant gewas tussen 2 en 4 uur per are, bij een gezaaid gewas tussen 5 en 10 uur.

Gewasbescherming Schimmelziekten kunnen problemen geven: voornamelijk bladvlekkenziekte en Phytium. Door regelmatig te schoffelen voor een drogere grond en een goede ontwatering krijgen schimmels al heel wat minder kans. In een sterk gewas met een regelmatige groei kan de schimmel zich moeilijk uitbreiden. Tegen bladluizen kan men best behandelen. Door de luizenpopulatie in te perken vermijdt men ook de verspreiding van virusziekten.

Oogst en opbrengst Peterselie wordt in bosjes op de markt gebracht: er kunnen zo’n 1500 bossen van 75 à 100 gram per are venvacht worden. Belangrijk is dat de bossen volledig onkruidvrij zijn.

Spinazie De ideale bodem voor spinazie is een goed doorlatende, luchtige en voldoende vochthoudende zandleemof leemgrond met een hoog humusgehalte en met een minimum pH van 6,5.

Bemesting Als bemesting wordt er veelal een grote hoeveelheid verteerde compost gegeven. Spinazie stelt hoge eisen aan de bemesting, met name aan stikstof (100-150 kg N/ha) en kalium (150-200 kg K2O/ha). Door de organische bemesting zal de fosfaatbehoefte (70 - 110 kg P2O5/ha) voldoende gedekt worden.

Zaaien Spinazie kan op verschillende manieren en tijdstippen gezaaid worden. De teelten onder glas worden op een afstand van 10x5 cm gezaaid, 1 à 2 cm diep. De vroege teelt wordt gezaaid in januari en februari. De lente-, zomer-, herfst- en winterteelt zaait men respectievelijk in maart - april, mei - juli, augustus en september. Zomerteelt wordt het minst toegepast omdat onder zeer warme omstandigheden de spinazie slecht groeit en snel doorschiet. De late teelt, die onder koud glas plaatsvindt, kan van eind oktober tot de jaarwisseling gezaaid worden. Omwille van de onkruidbeheersing moet bij najaarsteelt planten zeker overwogen worden. | pag 37

De enige opmerking die kan gemaakt worden, is de zoutgevoeligheid van dit gewas. De behoefte aan N bedraagt 40 -60 kg/ha, P2Os en K2O respectievelijk 50 kg/ha en 100 - 150 kg/ha.


onkruidbeheersing Om het onkruid te beheersen wordt er een vals zaaibed toegepast. Dit houdt in dat de grond voor het zaaien nog eens geschoffeld, gebrand of gewiedegd wordt om het reeds gekiemde onkruid te vernietigen. Tussen het zaaien en het opkomen van de spinazie kan ook nog gebrand worden. Door de grote groeisnelheid van spinazie in voorjaarsteelt zal de grond snel bedekt zijn, wat ervoor zorgt dat wieden overbodig is omdat het onkruid verstikt wordt. In de zomer en in het najaar zal dit minder het geval zijn.

o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 38

gewasbescherming Wanneer er niet met wolfresistente rassen wordt gewerkt, kan de schade door deze schimmel zeer ernstige vormen aannemen en zal het perceel volledig opgeruimd moeten worden.

oogst en opbrengst Het oogsttijdstip en de opbrengst van de verschillende teeltmethoden zijn in onderstaande tabel terug te vinden: Teeltmethode

Oogsttijdstip

Opbrengst (kg/ are)

vroege teelt

april-half mei

150-250

lenteteelt

mei-begin juni

300-350

zomerteelt

half mei-half augustus

300-350

herfstteelt

half augustusoktober

150-250

winterteelt

eind maarthalf april

250-300

late teelt

eind december- 150-250 maart

Arbeid De biologische landbouw heeft een arbeidsintensief karakter. Vooral in de onkruidbeheersing, het oogsten en de afzet gaat extra tijd kruipen. Telers die willen omschakelen zien dit soms als een moeilijk te nemen hindernis. ‘Want,’ zo zegt men, ‘de kosten lopen op, goede arbeiders zijn moeilijk te vinden en altijd dat vreemd volk op mijn erf, zo heb ik geen privacy meer.’ Tuinbouwers hebben hier vaak reeds ervaring mee, zeker glasgroentetelers. In de praktijk ervaren biologische telers inderdaad dat de kosten oplopen, maar ook dat de baten de kosten waard zijn. Tevens merken ze dat gemotiveerde arbeiders die in de biologische landbouw willen werken niet zo moeilijk te vinden zijn. Door met meerdere mensen samen te werken, geeft rnen inderdaad een stuk privacy op maar daartegenover staat dat er vele ideeën aangedragen worden en dat problemen vanuit meerdere gezichtspunten bekeken worden. Niet onbelangrijk is ook dat het bedrijf op deze manier meer verbonden raakt met de gemeenschap er

omheen. Gezien de specifieke eisen die het verzorgen van vruchtgewassen (oa. observatie op ziekten en plagen) en het oogsten van fijne bladgewassen voor de versmarkt en het oogsten van vruchtgewassen stellen, is het aan te bevelen om zoveel mogelijk met vaste arbeidskrachten te werken of toch met een vaste groep seizoenarbeiders. Om deze extra arbeid goed te organiseren is het belangrijk om van bij de start van het seizoen de hoeveelheid correct in te schatten. Hierbij kan een jaartabel een zeer nuttig instrument zijn: per maand en per teelt heeft men een schatting van de benodigde arbeid. Tenzij er echter nieuwe teelten geïntroduceerd worden op het bedrijf, zal de meerarbeid zeer relatief zijn en hoeft dit ook geen extra druk met zich mee te brengen: op arbeidsintensieve bedrijven zoals glasgroentebedri jven is de benodigde meerarbeid niet zo hoog in verhouding tot de totale arbeid die ook gangbaar reeds moest gepresteerd worden. Een belangrijk aspect dat zeker in de omschakelingsperiode flink kan doorwegen, is het opbouwen van kennis in de biologische teelt. Ook de opleiding van medewerkers zal tijd vergen.

Bedrijfseconomische resultaten Daar er voor de biologische glasgroenteteelt geen representatieve, gemiddelde gegevens bekend zijn voor wat betreft de bedrijfseconomische resultaten, wordt een concrete case-studie weergegeven. Aan de hand van een bedrijf van het gemengde type (vrucht- en bladgewassen, lichte stook) wordt een beeld geschetst van de kostprijsberekening per teelt. De weergegeven kostprijzen zijn dus louter indicatief, zeker de algemene kosten en de afschrijvingen variëren zeer sterk van bedrijf tot bedrijf. Het bedrijf dat onderwerp is van de case-studie omvat 4900 m2 glasgroenteteelt. De belangrijkste teelten zijn tomaat, komkommer, kropsla en veldsla. Voor elk van deze teelten werd een kostprijsberekening gemaakt. Het bedrijf ligt op vruchtbare zandleem. Er werken 3 personen voltijds op het bedrijf. Op piekmomenten worden ook seizoenarbeiders aangetrokken.

Installatie • Serres 1 en 2: 2 x 900 m2 poothoogte: 2,85 m, glasmaat: 80 cm, 2 hete luchtkachels: 170.000 kcal op stookolie. • Serres 3 en 4: 2 x 1550 m2, poothoogte: 3,50 m, glasmaat: 112,5 cm, buisverwarming: 4 buizen van 51 Ø mm per kap. Buis rail systeem. • Beregening: regenwaterreservoir 1,5 miljoen liter, 2 buizen per kap van 3,20 r nieuwe serres: automatische beregening oude serres: manuele bediening


• Drainage aanwezig

Kostprijsberekeningen vier teelten (case-studies) Kropsla voorjaar

Veldsla

Tomaat voorjaar

Komkommer

Plantgoed

0,97

1,2

2,35

1,45

Stookkosten

0,6

0,2

3,84

2,6

• Tomatensorteermachine type visgraat • Koelcel 35 m3 • Vorklift Afschrijving investeringen serres en inrichting: 2,6 tot 3,1 euro/m2 per jaar. Intresten: 1,2 tot 1,4 euro/m2 per jaar.

Afschrijvingen

1,46

1,46

4,64

2,6

Rente

0,7

0,7

1,6

1,16

Algemene kosten (verzekeringen, elektriciteit, grondontleding, voorlichting, controlekosten, rollend materiaal, sociale bijdragen, bureel- en beheerskosten, abonnementen en lidgelden): 12.500 tot 15.000 euro/ jaar.

Meststoffen

0,05

0

0,37

0,25

Gewasbeschermingsmiddelen

0

0

0,29

0,02

Gas voor onkruidbrander

0,02

0,02

0

0

Teeltmateriaal 0 (koord, clipsen,...)

0

0,25

0,25

Afschrijving en intrest onkruidbrander

0,04

0

0

Algemene kosten 0,6

1,1

3,5

2,64

Arbeid

1,15

1,81

9,87

6,93

Totaal

5,59

6,53

26,71

17,9

Verwarmingskosten (gemiddeld strenge winter): 15.000 euro/jaar De arbeidskosten worden gerekend aan 10 euro/uur. Transport- en verkoopkosten zijn niet in de kostprijs verrekend. Voor het gemiddelde glastuinbouwbedrijf zullen de algemene afschrijvingen en intresten een stuk hoger liggen. Dit wordt nog versterkt als het een kas voor doorteelt van vruchtgewassen is, bv. de intresten stijgen dan tot 5 euro/m2. Verdeling algemene kosten over de verschillende teelten: Teelt

% opper- % omzet gebruikte vlakte verdeelsleutel %

Veldsla

23

17

20

Kropsla lente

12

10

11

Kropsla herfst

12

7

10

Tomaat vroeg

17

25

21

Tomaat laat

7

7

7

Komkommer

12

17

15

Chinese kool

6

5

6

Plantgoed

3

5

5

Diversen

3

3

3

0,04

Afzet Groenten in omschakeling kunnen enkel via de meer directe verkoopskanalen (thuisverkoop, markt, groentepakketten of voedselteams) tegen een meerprijs verkocht worden. Bij de groothandel wordt slechts uitzonderlijk een meerprijs gegeven. De afzet van de groenten in omschakeling moet dus zeer goed voorbereid worden: vooraleer de teelt in de kas komt, moeten reeds afzetafspraken gemaakt zijn. Zeker met vrucht gewassen kan men anders van een kale reis thuiskomen. Biologische groenten kunnen marktklaar afgezet worden via de groothandel, de veiling of coöperatieve afzet. Het is van groot belang om voor de start van het teeltseizoen reeds duurzame afspraken te maken met toekomstige afnemers. Overleg met collega-bioboeren kan hierbij helpen. Voor namen en adressen van afnemers en leveranciers verwijzen we naar onze online databank www. biobedrijvengids.be, onder de tab ‘boer zoekt’.

| pag 39

• Pottenpersmachine


De effectieve omschakeling De omschakeling van een glasgroentebedrijf naar de biologische teelt moet bijzonder goed voorbereid worden.

o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 40

Vooreerst is er de teelttechnische omschakeling: de teler moet zelfkennis opdoen van de biologische teelt en zich voorbereiden op de wijziging van teeltmethodiek. Maar zeker even belangrijk in de glasgroenteteelt zijn de bedrijfseconomische consequenties die de omschakelingsperiode met zich mee brengt. Aangezien de vaste kosten van een glastuinbouwbedrijf hoog zijn, mag de omzet in de omschakelingsperiode niet te fel dalen. Zeker wanneer de glasopstand nog moet afgeschreven worden, kan een forse daling van de omzet liquiditeitsproblemen veroorzaken. Bij het bedrijfstype met bladgewassen en vruchtgewassen en het bedrijfstype met bladgewassen kan deze omzetdaling nog beperkt worden door een gefaseerde omschakeling. Dit houdt in dat enkele jaren na elkaar een deel van de serre in omschakeling gaat. Met uitgekiend puzzelwerk kan men ernaar streven om de laagst salderende gewassen op de percelen in omschakeling te telen en de hoogst salderende gewassen gangbaar te blijven telen tot een deel van de serre uit de omschakelingsperiode is. Aangezien bladgewassen biologisch weinig meerkosten met zich meebrengen en zowel opbrengst als kwaliteit sterk vergelijkbaar zijn met de gangbare productie, zal de bedrijfseconomische consequentie hier meevallen. Het grote probleem bij deze gefaseerde omschakeling is echter dat de wetgeving biologische productie parallelle productie verbiedt: een zelfde teelt mag maar in één teeltkwalificatie voorkomen op het bedrijf: of biologisch, of biologisch in omschakeling, of gangbaar. Wanneer deze oefening gemaakt wordt voor de voorgestelde rotaties dan blijkt al vlug dat nieuwe teelten moeten ingepast worden of dat belangrijke teelten tijdelijk op kleinere oppervlakten moeten teruggebracht worden. Bij het bedrijfstype met hoofdzakelijk vruchtgewassen stelt dit probleem zich nog veel acuter. Tijdens de omschakelingsjaren komt men met een teelt te zitten die gemiddeld 30% minder opbrengst geeft en vaak van een iets mindere kwaliteit is dan men gangbaar gewoon was (door bv. foutjes bij het voor de eerste maal toepassen van puur organische bemesting of door het leren werken zonder chemisch-synthetische gewasbeschermingsmiddelen) terwijl de productiekosten toegenomen zijn (onder meer door duurder plantgoed en extra arbeid voor de onkruidbeheersing). Ook de optie om twee jaar lang lager salderende gewassen te telen ligt zeer

moeilijk omdat een glasopstand voor zware stook een dermate hoge investeringskost betekent dat de afschrijvingen twee jaar uitstellen niet evident is. Toch lijkt dit de enige mogelijkheid om een nog niet afgeschreven serre om te schakelen. Overleg met de kredietverlenende instelling zal hier zeker noodzakelijk zijn. Glasgroentebedrijven die omschakelen, doen dit dan ook vaak bij het bouwen van een nieuwe serre. De grond waarop de serre komt wordt dan twee jaar voor de bouw reeds aangemeld bij de controleorganisatie. Tijdens die twee jaar omschakeling wordt dan een zeer extensieve teelt gezet (en biologisch uitgebaat!) zoals bv. gras of zelfs gewoon braak. Soms wordt gekozen voor luzerne of klaver zodat stikstof gebonden en de structuur verbeterd wordt, maar na het bouwen van de serre is die verbeterde structuur meestal weer kapot gereden. In de nieuwe serre kan dan onmiddellijk met een volledig biologische rotatie gestart worden. Omschakelen vanuit de hydroteelt blijkt nog moeilijker. Enkele knelpunten dringen zich op: * De afschrijvingslast is meestal nog hoger dan bij het gespecialiseerde vruchtgewassenbedrijf, waarbij een deel van de infrastructuur in de bioteelt niet meer bruikbaar is. • Er moet niet enkel ervaring opgedaan worden met de biologische teelt, maar ook met grondteelt. * De bodem die vanonder het plastic komt, is doorgaans arm aan bodemleven. Er zal moeten gediepwoeld worden, het organische stofgehalte zal drastisch omhoog moeten en eventueel zal gedraineerd moeten worden. • Idealiter wordt er strookberegening aangelegd waardoor de klimaatregeling bewerkelijker wordt. Zoals blijkt is de omschakeling van een glasgroentebedrijf geen sinecure. Het vergt een goede bedrijfsleider met een gezond bedrijf om deze stap succesvol te nemen.


Hectaresteun biologische landbouw In België geldt sinds 1994 een systeem waarbij Belgische landbouwers en tuinders, die de biologische productiemethode invoeren of verder toepassen en een aanvraag voor de biologische productiemethode indienen, rechtstreeks kunnen worden gesubsidieerd middels hectaresteun. De producenten, zowel in hoofdberoep als in nevenberoep, kunnen verbintenissen van 5 jaar aangaan voor het verkrijgen van de subsidiebedragen zoals vermeld in Tabel 1. Deze subsidie wordt toegekend voor verbintenisperiodes van 5 jaar. Vanaf het 6de jaar en voor zover de reglementering het op dit ogenblik toelaat, kan een nieuwe verbintenis voor 5 jaar afgesloten worden. De land- of tuinbouwer doet de jaarlijkse aangifte van de percelen biologische productiemethode via de verzamelaanvraag en volgens de richtlijnen en toelichtingen bij de verzamelaanvraag. De verzamelaanvraag geldt tegelijkertijd als aanvraag tot uitbetaling. (Dit is de verzamelaanvraag voor het verkrijgen van de bedrijfstoeslag, voor de agromilieumaatregelen/beheersovereenkomsten en voor de mestbankaangifte.) De formulieren met bijhorende toelichtingsbrochure worden verstuurd door het Agentschap voor Landbouw en Visserij. http://lv.vlaanderen.be De verzamelaanvraag kan ook online ingediend worden via het e-loket. https://www.landbouwvlaanderen.be Voor bijkomende informatie over de subsidiemaatregel biologische productiemethode kan je je richten tot je buitendienst van het Agentschap voor Landbouw en Visserij, Afdeling Markt- en Inkomensbeheer. De omschakeling moet gestart zijn en aangemeld zijn bij een erkend controleorgaan ten laatste op de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag van het betrokken jaar om in aanmerking genomen te worden als eerste jaar.

Subsidiebedragen per Omschaketeeltgroep (euro/ha) ling (1)

Bio (2)

Bio 5+ (3)

Eénjarige akkerbouwen ruwvoederteelten

600

360

240

grasland

450

150

120

Eénjarige groententeelten tot en met 2,50 ha

1000

800

495

Eénjarige groententeelten boven 2,50 ha

1000

700

380

Beschutte teelten

1650

990

790

Meerjarige groentenen fruitteelten (4)

900

620

555

(1) eerste twee jaren na start omschakeling, drie jaren voor meerjarige fruitteelten. (2) derde, vierde en vijfde jaar na omschakeling, vierde en vijfde jaar voor meerjarige fruitteelten. (3) zesde en volgende jaren na omschakeling. (4) De subsidie kan niet worden toegekend als de fruitopbrengst van hoogstammige fruitbomen die meer dan vijf jaar geleden werden aangeplant, niet wordt gecommercialiseerd.

Investeringssteun Investeringssteun: de overheid biedt zowel kapitaalsubsidie (tot 38%!) als rentesubsidie voor investeringen in de biologische landbouw voor zover die gericht zijn op milieuvriendelijkheid, dierenwelzijn of diversificatie. Ook voor het opstarten van samenwerkingsverbanden kan VLIF-steun verkregen worden.

Bedrijfsontwikkelingsplan en bedrijfsbegeleiding Om je een idee te geven van wat de omschakeling naar de biologische productiemethode voor je bedrijf zou betekenen, biedt de Vlaamse Overheid een subsidie aan voor het opstellen van een bedrijfsontwikkelingsplan. Deze subsidie aanvragen verplicht de landbouwer niet tot omschakeling. Deze vergoeding dekt een gedeelte van de kosten en bedraagt (anno 2011) 868 euro per bedrijf. Om na omschakeling de biologische teelt maximale slaagkans te geven biedt de Vlaamse Overheid een subidie aan voor bedrijfsbegeleiding met minimaal drie bedrijfsbezoeken per jaar. Een landbouwer kan maximaal 5 jaar een beroep doen op deze subsidie voor bedrijfsbegeleiding die 496 euro per jaar bedraagt (anno 2011). Indien je hiervoor interesse hebt, contacteer je een erkend centrum voor bedrijfsbegeleiding in de biologische landbouw. Enkel de door de Vlaamse Overheid erkende centra komen hiervoor in aanmerking.

| pag 41

Steunmaatregelen van de overheid


Subsidie controlekost

o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 42

Vlaanderen legt aan de controleorganisaties, erkend voor controle in de biologische productiemethode, bijkomende voorwaarden op voor het uitvoeren van een minimaal aantal analyses en steekproefcontroles omdat dit bijdraagt tot een efficiĂŤnt en sluitend controlesysteem. Deze voorwaarde zorgt echter ook voor een verhoging van de controlekost. Om enerzijds de kwaliteitsgaranties te behouden, maar anderzijds de Vlaamse biologische marktdeelnemers niet langer de meerkost te laten dragen heeft Vlaams Minister van Landbouw beslist om een subsidie toe te kennen. Meer info bij BioForum Vlaanderen of bij de Vlaamse Overheid, afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling. http://lv.vlaanderen.be/


Nuttige adressen Voor een actuele adressenlijst van instanties en van gecertificeerde biologische bedrijven kan je steeds terecht bij de online databank van BioForum Vlaanderen vzw: www.biobedrijvengids.be.

Vlaamse overheid - beleidsdomein landbouw & visserij Ellipsgebouw - Koning Albert II-laan 35, bus 40 • B-1030 Brussel • http://lv.vlaanderen.be Vlaamse Overheid, Duurzame Landbouwontwikkeling (ADLO) - Biologische Landbouw

Strategisch Plan Biologische Landbouw Marie Verhassel Elfi Laridon Malgorzata Szulc Ellipsgebouw 6de verdiep tel 02/552 78 77 • fax 02/552 78 71 marie.verhassel@lv.vlaanderen.be elfi.laridon@lv.vlaanderen.be malgorzata.szulc@lv.vlaanderen.be

Europese Wetgeving biologische productie Elfi Laridon Ellipsgebouw 6de verdiep tel 02/552 79 19 • fax 02/552 78 71 elfi.laridon@lv.vlaanderen.be

Vlaamse wetgeving, importmachtigingen, afwijkingen, controle-organisaties biologische productie Vanessa De Raedt Ellipsgebouw 6de verdiep tel 02/552 78 86 • fax 02/552 78 71 vanessa.deraedt@lv.vlaanderen.be Vlaamse Overheid, Agentschap voor Landbouw en Visserij - Markt- en Inkomensbeheer - Aangiftes

Hectaresteun (verzamelaanvraag) Karla Timmermans Ellipsgebouw 3de verdiep tel 02/552 75 38 • fax 02/552 75 11 karla.timmermans@lv.vlaanderen.be

VLIF - Vlaams landbouwinvesteringsfonds (Structuur en Investeringen) Johan De Schryver Ellipsgebouw 4de verdiep tel 02/552 74 70 • fax 02/552 74 71 johan.deschryver@lv.vlaanderen.be

Beroepsverenigingen en keurmerkbeheer Quellinstraat 42 • 2018 Antwerpen www.bioforum.be voor alle afdelingen Coördinatie Producenten An Jamart tel 03/286 92 65 • fax 03/286 92 79 an.jamart@bioforum.be Coördinatie Biobedrijfsnetwerken Koen Dhoore tel 0494/99 21 85 koen.dhoore@landwijzer.be Coördinatie Verwerkers Elke Denys tel 03/286 92 72 • fax 03/286 92 79 elke.denys@bioforum.be Coördinatie Verkooppunten Marijke Van Ranst tel 03/286 92 67 • fax 03/286 92 79 marijke.vanranst@bioforum.be

BioForum is medebeheerder van het nationale privaatkeurmerk Biogarantie® BioForum Vlaanderen/Biogarantie® Quellinstraat 42 • 2018 Antwerpen Martine Van Schoorisse tel 03/286 92 69 • fax 03/286 92 79 martine.vanschoorisse@bioforum.be

Afzet Bio zoekt Keten Paul Verbeke tel 03/286 92 68 • fax 03/286 92 79 paul.verbeke@bioforum.be www.biozoektketen.be ‘Bio zoekt Keten’ is een project van BioForum Vlaanderen in samenwerking met Boerenbond en ABS.

| pag 43

BioForum Vlaanderen vzw


Controle & certificering Certisys bvba (BE-BIO-01)
 Blaise Hommelen
 K. Maria Hendrikaplein 5-6 • 9000 Gent
 tel 09/245 82 36
 info@certisys.eu • www.certisys.eu

TÜV Nord Integra (BE-BIO-02) 


o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

| pag 44

Annick Cnudde
 Statiestraat 164 A • 2600 Berchem
 tel 03/287 37 60 • fax 03/287 37 61
 info@tuv-nord-integra.com
• www.tuv-nord-integra.com

Quality Partner nv (BE-BIO-03)


Samya Aweis 
 Rue Hayeneux 62 • 4040 Herstal
 tel 04/240 75 00 • fax 04/240 75 10
 info@quality-partner.be • www.quality-partner.be

Control Union (BE-BIO-04)
 Wim Overlaet
 Abtsdreef 10B • 2940 Stabroek
 tel 03/232 49 70 • fax 03/232 75 42
 woverlaet@controlunion.com • www.controlunion. com

Vorming Landwijzer vzw Algemeen vormingscentrum in de landbouw 2-jarige beroepsopleiding biologische landbouw Koen Dhoore Quellinstraat 42 • 2018 Antwerpen tel 03/281 56 00 • fax 03/281 56 01 koen.dhoore@landwijzer.be

Externe bedrijfsbegeleiding Symorganic (Bodemmanagement) Nico Vandevannet tel 0473/20 04 07 symorganic@gmail.com

FarmDevelopment (Bedrijfsontwikkeling & Kleinfruit) Marcel de Jong Kasteellaan 6 • 3450 Geetbets tel 493/50 12 15 marcel.dejong@skynet.be

Wim Vandenberghe (Bedrijfsontwikkeling & Kleinfruit) Valkenberg 11c • 8970 Poperinge tel 0496/10 70 96 wim.vandenberghe5@pandora.be

De erkende centra voor bedrijfsbegeleiding in de biologische landbouw Bio zoekt Boer Sofie Hoste Diestsevest 40 3000 Leuven tel 0494/98 23 69 fax 016/28 61 29 info@biozoektboer.be • www.biozoektboer.be

BioForum Vlaanderen vzw An Jamart Quellinstraat 42 • 2018 Antwerpen tel 03/286 92 65 • fax 03/286 92 79 an.jamart@bioforum.be

BoerenBond-consult Ignace Deroo Diksmuidsesteenweg 406/4 • 8800 Roeselare tel 051/26 03 85 • fax 051/26 03 89 ignace.deroo@boerenbond.be

PCBT - Interprovinciaal Proefcentrum voor de Biologische Teelt vzw Lieven Delanote Ieperseweg 87 • 8800 Rumbeke-Beitem tel 051/27 32 50 • fax 051/24 00 20 lieven.delanote@west-vlaanderen.be

PCG - Provinciaal Proefcentrum voor de Groenteteelt vzw Justine Dewitte Karreweg 6 • 9770 Kruishoutem tel 09/381 86 86 • fax 09/381 86 99 justine.dewitte@proefcentrum-kruishoutem.be

VAC - Vlaams Agrarisch Centrum Ambachtsweg 20 • 9820 Merelbeke tel 09/252 59 19 • fax 09/252 40 66 vac@vacvzw.be

Consumentenorganisatie VELT vzw Jan Van Noppen Uitbreidingstraat 392 C • 2600 Berchem tel 03/281 74 75 • fax 03/281 74 76 www.velt.be


| pag 45


| pag 46

o m s c h a k e l e n n a a r d e b i o l o g i s c h e l a n d b o u w | Akkerbouw & GROENTEN | februari 2011

Biologische landbouw is een landbouwsysteem dat de samenhang tussen plant, dier en omgeving voorop stelt. Centraal staan de bodemvruchtbaarheid, milieu en dierenwelzijn. De interesse van boeren en tuinders voor de bioteelt is er wel degelijk, maar effectief omschakelen vinden ze vaak een te groot risico. Omschakelen naar de biologische teeltmethode is immers een ingrijpende stap in de bedrijfsvoering. Boeiend is het ongetwijfeld. Want wie zich verdiept in de principes van de biologische landbouw, ontdekt een landbouw die aan vele eisen van de moderne maatschappij voldoet. En de boer een enorme voldoening schenkt. Tenminste, als je je goed voorbereidt. Om goed gewapend de omschakeling aan te pakken, is er deze omschakelingsbrochure voor akkerbouw en groenten. Ze biedt een overzicht van de belangrijkste veranderingen die je bedrijf zullen omvormen tot een succesvolle biologische onderneming.


Omschakelbrochure akkerbouw & groenten