Issuu on Google+

1991–1997

4 EEN UITGAVE VAN DIENST WONEN IN VIJF DELEN

Mekka van de architectuur De Amsterdamse volkshuisvesting 1970–2005


Menno Boermans/Hollandse Hoogte

Zelfbouwkavels in de Scheepstimmermanstraat in het Oostelijk Havengebied, 1999. Voor het eerst kregen eigenaar-bewoners hier de kans zelf een huis van hun dromen te ontwerpen.


De Amsterdamse volkshuisvesting 1970–2005 in vijf delen

Deel 4: Mekka van de architectuur (1991–1997) Voor de oorlog zorgden de sociaal-democraten in het stadsbestuur voor een gestage stroom van sociale woningbouw, grotendeels in de knusse stijl van de Amsterdamse School. Het mekka van de volkshuisvesting werd Amsterdam toen genoemd. In de naoorlogse jaren domineerde eerst het functionalisme. De Bijlmer en de Westelijke Tuinsteden waren daar het weinig succesvolle resultaat van. Na 1990 brak echter weer een bloeiperiode aan voor de architectuur in Amsterdam. In het Oostelijk Havengebied kwam een wonderschone nieuwe woonwijk tot stand. In de jaarboeken Architectuur in Nederland was Amsterdam vanaf de aflevering 1991–1992 toonaangevend. De jaren negentig waren ook de periode van de stelselwijziging van staatssecretaris Heerma. De bouwsubsidies werden afgeschaft. Corporaties kwamen op eigen benen te staan. Ze bleken hun aloude sociale opgave goed te kunnen verenigen met deze verzakelijking. In het woningaanbod nam het aandeel koop en duurdere huur toe, niet alleen door nieuwbouw, maar meer nog door omzetting van huuretages in koopwoningen. Wijken als de Jordaan en de Pijp raakten in de lift. Amsterdam klom definitief uit het dal, waarin ze in de jaren zestig was beland. Deze gouden jaren staan centraal in de vierde aflevering van ‘De Amsterdamse volkshuisvesting 1970–2005 in vijf delen’. Deze uitgave in tijdschriftvorm van de Dienst Wonen is gebaseerd op een manuscript van Egbert Ottens, van 1972 tot 2007 directiesecretaris bij deze dienst. De journalisten Hansje Galesloot en Johan van der Tol hebben zijn manuscript bewerkt en aangevuld. Reacties op de teksten, in de vorm van eigen herinneringen of kritische commentaren, zijn welkom op www.wonen.amsterdam.nl.

2

Groeiende vitaliteit op woningmarkt Vanaf 1990 raakte de verlamming in de volkshuisvesting doorbroken. De overheid trok zich terug en gaf vrij spel aan de markt. Corporaties werden zelfstandig en sloegen hun vleugels uit. Mede dankzij de aantrekkende economie braken voor Amsterdam betere tijden aan.

10

Trendy, maar met een prijskaartje Wie midden jaren tachtig door de Pijp liep, kon niet vermoeden dat dit een van de geliefdste wijken van Amsterdam zou worden. Een proces van ‘gentrification’ trekt sindsdien door de oude wijken binnen de ring, waarbij mensen met hogere inkomens zorgen voor nieuwe impulsen.

14

Architectuur komt weer tot bloei Sobere en saaie flatgebouwen hadden na de oorlog de fraaie baksteenarchitectuur van de Amsterdamse School vervangen. Maar in de jaren negentig vond Amsterdam weer aansluiting bij die stijl. Tegelijk ging de Bijlmer op de schop.

En verder

Omslagfoto

7

In het Oostelijk Havengebied kreeg het ideaal van de compacte stad, al in 1978 geformuleerd, pas goed gestalte. Dit is Java-eiland in 2000.

Sterke huurstijging door Heerma’s stelselwijziging 8 Corporaties financieel op eigen benen 21 Referendum over stadsprovincie fiasco voor B&W 22 Woonruimteverdeling bevrijd uit keurslijf

Maartje Geels/Hollandse Hoogte


Emile Luider/Hollandse Hoogte

Ooit was er een Olympisch dorp gepland. Maar toen Amsterdam de Spelen van 1992 niet kreeg, verrees hier Nieuw Sloten. Amsterdam had er eindelijk weer slag van om mooie uitbreidingswijken te realiseren.

2 |

DE AMSTERDAMSE VOLKSHUISVESTING 1970–2005


In jaren negentig klimt Amsterdam uit het dal

Groeiende vitaliteit op woningmarkt Vanaf 1990 raakte de verlamming in de volkshuisvesting doorbroken. Staatssecretaris Heerma bracht een ingrijpende paradigmaverschuiving teweeg. De overheid trok zich terug, verloor haar subsidiÍrende en vandaaruit sturende positie. Ze werd partij naast andere partijen. Het initiatief kwam bij de markt te liggen, corporaties werden zelfstandig. Mede dankzij de aantrekkende economie braken voor Amsterdam betere tijden aan. DEEL 4: MEKKA VAN DE ARCHITECTUUR, 1991–1997

| 3


Mariëtte Carstens/Hollandse Hoogte

In Nieuw Sloten, gebouwd vanaf 1990, is soms gekozen voor hoogbouw, maar de wijk bestaat merendeels uit laagbouw. De eengezinswoningen bleken bijzonder geliefd.

D

e jaren negentig kenmerkten zich door een groeiende vitaliteit op de woningmarkt. Corporaties en projectontwikkelaars eisten een actieve rol in de woningbouw voor zich op. Om hun afzet te garanderen realiseerden zij een variëteit aan woningtypes met een veel aansprekender architectuur. Het sloot aan bij de eveneens veranderende wensen van veel bewoners. Het monotone functionalisme, dat het aanzien van de Westelijke Tuinsteden, de Bijlmermeer en een deel van Noord had bepaald, was geschiedenis geworden. Het zou niet lang duren voor de eerste sloopplannen ter tafel kwamen. Dan bleek de stedenbouwkundige structuur van de negentiende-eeuwse wijken en de oude binnenstad heel wat beter bestand tegen de tand des tijds. Deze buurten konden zich in de jaren negentig in een groeiende populariteit verheugen. Wonen in de stad was weer helemaal in. Hogere inkomens bleken wel degelijk geïnteresseerd in woningen in de oude wijken op voorwaarde dat er een op hen gericht aanbod was. En de nieuwe stedelingen, zoals studenten, hadden minder moeite met de relatief kleine en minder comfortabele woningen in de stad. Vooral het gevarieerde voorzieningenniveau dat bij de stad hoort, trok hen aan.

4 |

DE AMSTERDAMSE VOLKSHUISVESTING 1970–2005

Kiezen voor kwaliteit In 1991 publiceerde wethouder Genet een vervolg op zijn manifest Wonen naar wens onder de titel Kiezen voor kwaliteit. Daarin gaf hij een doorkijk naar de zijns inziens meest gewenste samenstelling van de bouwproductie in de jaren negentig. Jaarlijks moesten er volgens deze nota 5500 woningen worden opgeleverd, waarvan nog maar 900 in de sociale huursector. De verdeling van de rest was als volgt gedacht: 20 procent sociale koop, 55 procent gesubsidieerde markt en 25 procent vrije sector. De gemeentelijke Projectgroep Marktsector werd ingesteld met als belangrijkste taak om de woningbouw in de marktsector te bevorderen. Niet alleen aan de veranderende bevolkingssamenstelling en de aantrekkende economie was de transformatie van Amsterdam af te lezen. Visueel veranderde er veel door de introductie van een veel gedurfdere architectuur in de stad. In de oude stad deden zich nieuwe kansen voor door het vrijkomen van industriële terreinen, soms op toplocaties. Beter dan op de priegelige bouwlocaties in de stadsvernieuwingswijken kon daar met allure gebouwd worden. Met zijn plannen voor het adm-terrein in Noord (voorheen een scheepswerf) won

Rem Koolhaas in 1984 de Parool-architectuurprijs, hoewel de internationale jury verdeeld was. Twee leden kozen voor het plan van Koolhaas, twee voor een ontwerp van Theo Bosch in de Nieuwmarkt, dat ook van hoge kwaliteit was en bovendien een prachtig voorbeeld van creatieve inpassing in de historische context. Koolhaas had in samenspraak met wethouder Schaefer voor rigide democratische principes gekozen: iedere woning dezelfde bezonning en alle bewoners een beetje uitzicht op het water. Van een robuust ‘waterfront’ was daardoor geen sprake. Jurylid Bekaert schilderde de uiteindelijke keuze af als ‘de winst van de sociale woningbouw’. Nog wel, maar niet meer voor lang.

Ratjetoe Tot eind jaren tachtig werd voor de nieuwbouw in de stad voornamelijk gekozen voor de stereotiepe bouwhoogte van vier verdiepingen. Tegenwoordig kunnen de panden uit deze periode weinig bewondering meer oogsten. Volgens architectuurhistoricus Vincent van Rossem wisten de merendeels in Delft, in de traditie van het functionalisme opgeleide architecten zich aanvankelijk geen raad met de inpassing van nieuwbouw in historische straatwanden. “Alle kennis van het traditionele bouwblok was na een halve eeuw strokenbouw verdwenen.” Maar de logica van het functionalisme paste in het geheel niet bij de logica van een historische stad als Amsterdam. De stadsvernieuwing uit het Schaefer-tijdperk, hoe belangrijk ook in andere opzichten, heeft op architectuurgebied tot “een ratjetoe” geleid, aldus Van Rossum. Pas vanaf de jaren negentig vonden jongere architecten een vormentaal die soepel aansloot bij de architectuur van de negentiende-eeuwse wijken en de gordel ’20–’40. Aan de randen van de stad werden intussen eengezinswoningen gebouwd die met de overloop moesten concurreren en die inderdaad bijzonder geliefd bleken. Met de


Nieuwbouw op het terrein van de Oranje Nassaukazerne, hier gezien vanaf de Mauritskade. Door het vrijkomen van bedrijfslocaties kreeg Amsterdam unieke kansen om nieuwbouwwijkjes binnen de stad te realiseren.

Groot aandeel sociale huur In november 1990 overschreed het Amsterdamse inwonertal eindelijk weer de 700.000. Het aantal woningen was inmiddels toegenomen tot bijna 337.000, waarvan de corporaties er 142.000 bezaten en het Gemeentelijk Woningbedrijf 34.000. Bij elkaar genomen betekende dit dat ruim de helft van de woningvoorraad in 1990 onder sociaal beheer stond. Veertig jaar eerder lagen de verhoudingen nog heel anders. In 1950 hadden corporaties en woningbedrijf samen 40.000 woningen, 18 procent van de toenmalige voorraad. Het aandeel sociale huur nam sindsdien fors toe door de grote aantallen corporatiewoningen die in de uitbreidingswijken gereedkwamen. Het aantal huizen in Amsterdam nam in veertig jaar tijd eveneens stevig toe, met bijna eenderde: van 223.000 in 1950 naar 337.000 in 1990. Het aandeel eigen woningen bedroeg rond 1990 acht procent van de voorraad, het percentage

ontwikkeling van Nieuw Sloten, dat aanvankelijk voor de bouw van een Olympisch dorp voor de spelen van 1992 was gereserveerd (Amsterdam had die spelen willen binnenhalen), werd de verandering voor het eerst in de uitleggebieden merkbaar. Een supervisor, architect Lodewijk Baljon, bewaakte de stedenbouwkundige samenhang en de architectonische kwaliteit. Het was voor het eerst dat de gemeente deze constructie toepaste. Toen inderdaad een fraaie wijk tot stand kwam, besloot men dezelfde methode toe te passen voor het Oostelijk Havengebied en IJburg. Van de vijfduizend woningen in Nieuw Sloten was zeventig procent laagbouw. Slechts één op de tien woningen viel in de vrije sector, vier van de tien waren zwaar gesubsidieerd (sociale huur en koop), terwijl de helft licht gesubsidieerd was (premiehuur en -koop). Dat zou later wel anders worden, na de stelselwijziging van Heerma. In 1990 ging de bouw van start.

9.000 8.500 8.000 7.500 7.000 7.500 6.000 5.500 5.000 4.500 4.000 3.500 3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 0 1970

Bron: O+S Amsterdam

ONTWIKKELING OPLEVERINGEN NIEUWBOUW AMSTERDAM (1970 T/M 2007)

1975

1980

1985

1990

1995

2000

2005

Doriann Kransberg/Stadsarchief Amsterdam

Een hele bevrijding In deze periode deed zich ook de omslag voor van stadsvernieuwing naar stedelijke vernieuwing. In de jaren zeventig en tachtig stonden in de stadsvernieuwing de fysieke verbetering van oude woningen en het streven naar zo laag mogelijke huren centraal. De woningen werden opgeknapt voor zittende bewoners volgens het adagium ‘bouwen voor de buurt’. Eind jaren tachtig maakt die visie plaats voor een ‘woningmarktoriëntatie’, zoals men dit wel noemt. In deze manier van denken is niet de kwaliteit van de woningen het probleem, maar hun positie op de woningmarkt. Men probeert dan door het verbeteren van de woonomgeving een algehele positieverbetering van een wijk te bewerkstelligen. Ook wil men door variatie in aanbod de mobiliteitsmogelijkheden voor zittende bewoners vergroten. Het aandeel koopwoningen en dure huurappartementen nam toe.

particuliere huurwoningen was tot onder de veertig gedaald. Tegenwoordig (2005) is het aandeel koop 24 procent (een aanzienlijke toename dus), terwijl de particuliere huur op 22 procent staat. Het aandeel sociale huur is stabiel gebleven op 54 procent; verrassend misschien voor critici die menen dat Amsterdam op dit gebied zijn idealen aan de wilgen heeft gehangen. De gemiddelde woningbezetting was in 1990 afgenomen tot 2,07. Tegenwoordig is dat zelfs nog maar 1,97. En dat terwijl er in 1950 nog gemiddeld 3,74 Amsterdammers in een huis woonden. Daardoor zijn er steeds meer huizen nodig om hetzelfde aantal inwoners te huisvesten: een belangrijke oorzaak van de nog steeds aanwezige wachtlijsten. In de nieuwbouw (zie grafiek) is een piek te constateren rond 1984, de Schaeferperiode. Vanaf 1996 en opnieuw vanaf 2000 zakt de productie in: gevolg van het afschaffen van de subsidies door Heerma.

DEEL 4: MEKKA VAN DE ARCHITECTUUR, 1991–1997

| 5


Martin Alberts/Stadsarchief Amsterdam

Woningen van Rem Koolhaas aan het IJplein in Noord, gebouwd volgens strenge democratische principes waardoor geen mooi waterfront is ontstaan.

‘Het leek een nieuwe gouden eeuw’ Heerma probeerde tegelijk met zijn stelselwijziging het idee ingang te doen vinden dat de stadsvernieuwing nagenoeg klaar was. Daar gingen de grote steden en de corporaties fel tegenin. Duco Stadig, in deze jaren achtereenvolgens federatiesecretaris en wethouder, denkt met plezier en met enige zelfspot aan die strijd terug. “Dat lobbyen voor stadsvernieuwingsgeld is ons behoorlijk goed gelukt. Nu is het bijna weg, voor de prachtwijken van Vogelaar komt moeizaam het geld bij elkaar. Maar toen! In de eerste vier jaar dat ik wethouder was, ik had een geld, dat was niet te geloven. We waren überhaupt heel erg rijk. Mijn eerste twee periodes, van 1994 tot 2000, was een tijd van ontzettend veel geld. Landelijk werd de verdeelsleutel voor stadsvernieuwingsgelden ook gunstiger voor de grote steden. We moesten ons best doen om het uit te geven. Mensen zeiden tegen mij: je moet alles willen als wethouder, het is een gouden eeuw.”

6 |

DE AMSTERDAMSE VOLKSHUISVESTING 1970–2005

besluit van de Amsterdamse gemeenteraad over de jaarlijkse verdeling van huisvestingssubsidies dateert van 1999. En een jaar later was er nog een verdeelbesluit voor de laatste restjes. Pas toen werden de gevolgen van het nieuwe beleid goed merkbaar. De jaren negentig zijn een overgangstijdperk tussen sturing door de overheid en sturing door de markt. Maar begin 21ste eeuw was het volkshuisvestingsbeleid dan toch 180 graden gekanteld. Terwijl in het verleden de sociale sector de marktsector trok, moest van toen af aan de marktsector de sociale trekken. Het aantal sociale huurwoningen in de bouwprogramma’s, nu dertig procent, was te gering om grote bouwlocaties vlot te trekken. Daarmee had de economische conjunctuur grote invloed gekregen op de bouwstroom. In de eerste acht jaar van het wethouderschap van Duco Stadig kun je spreken van een gouden eeuw voor Amsterdam. Maar in 2005 constateerde Stadig in een lezing dat daaraan een einde was gekomen. De kantorenmarkt was in een dip beland, de stad had minder te besteden. De tijd dat alles mogelijk leek, was alweer voorbij. I

ties en overheid wordt vaak gerelateerd aan de bruteringsoperatie van 1995, toen staatssecretaris Heerma in één klap de subsidieverplichtingen van de overheid wegstreepte tegen de aflossingsverplichtingen van de corporaties. Maar het is een veel langduriger proces geweest. En het begon op eigen kracht, zelfs tegen de zin van de overheid in.

Loterij Vanaf 1985 gingen de Amsterdamse woningcorporaties en het Gemeentelijk Woningbedrijf er op grote schaal toe over hoogrentende rijksleningen vervroegd af te lossen. De rente op de kapitaalmarkt stond toen zo laag, dat het onderbrengen van deze leningen bij banken belangrijke financiële voordelen opleverde. “Aanvankelijk waren de corporatiekoepels en het ministerie daartegen,” vertelt Duco Stadig, toen secretaris van de Amsterdamse federatie van woningcorporaties. “Die vonden het onfatsoenlijk. Maar een paar corporaties hadden ontdekt dat nergens in de voorwaarden stond dat het niet mocht. Dus die gingen dat doen. Na verloop van tijd brak de dijk door en ging iedereen het doen. En toen kreeg je een soort loterij, want niet elke corporatie had overheidsleningen. In Amsterdam had je corporaties die toevallig kapitaalmarktleningen hadden gekregen, in het kader van afspraken met de gemeente. Die hadden dus mooi pech. Dat was ook de reden dat niet iedereen ervoor was, want het gaf ongelijkheid, sommige corporaties werden ineens heel erg rijk. En het ging echt om grote bedragen, hoor. Het rijk wilde het niet, maar kon het niet tegenhouden.” Landelijk was al vanaf medio jaren tachtig de tendens dat de bouwsubsidies van jaar op jaar minder werden, aanvankelijk in het kader van bezuinigingen, vanaf 1990 in de context van Heerma’s nieuwe visie. Met de brutering van 1995 volgde een nieuwe, drastische stap. Maar het laatste raam-

Siebe Swart/Hollandse Hoogte

Eind 1994 werd de nota Investeringsstrategie voor woningbouw en woningverbetering door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin stonden afspraken tussen de in de volkshuisvesting werkzame partijen over kwaliteitsniveaus. Subsidies zouden slechts worden ingezet om investeringen uit te lokken, niet langer om de exploitatie van projecten rond te krijgen. Wethouder Duco Stadig ervaarde dit nieuwe beleid als “een hele bevrijding. Want kijk, met die kostendekkende subsidies krijg je altijd discussie over de kosten, de bonnetjes. Maar als je zegt: nee, wij stimuleren alleen maar, per woning krijg je tienduizend gulden, dan hoef je alleen te kijken: is die woning gebouwd. Dus het haalde veel bureaucratie weg.” De bouwsubsidies werden dus niet meteen helemaal afgeschaft. Het doorsnijden van de financiële banden tussen corpora-

Foto onder: Middenveldsche Akerpolder, 1997.


N

a een decennium van felle huuracties in Amsterdam waren de actievoerders eind jaren tachtig moegestreden. Maar juist toen brak een tijdperk aan waarin de huren volgens staatssecretaris Heerma moesten toegroeien naar een marktconform niveau. Dat leidde in de eerste helft van de jaren negentig tot jaarlijkse huurstijgingen van 4,5 tot zes procent. Na 1995 vlakte het iets af tot minder dan vier procent. Bij woningverbetering kon de huur zelfs met een sprong omhooggaan. Het beroep op de huursubsidie nam toe. En dus keerde voortdurend de discussie terug of dit stelsel nog wel betaalbaar zou blijven. En of niet te veel mensen te duur of juist te goedkoop woonden. De term ‘scheefwonen’ is afkomstig van Heerma. Zijn ministerie kwam eind jaren tachtig met de bewering dat landelijk gezien zo’n 45 procent van de sociale woningbouw werd bewoond door mensen met te hoge inkomens, terwijl een kwart van de dure woningen aan lagere inkomens was toegewezen. Volgens de staatssecretaris moest doorstroming de oplossing brengen. Zijn beleid om de objectsubsidies voor nieuwbouw af te schaffen, leidde tot hogere nieuwbouwhuren. Die wat duurdere huurwoningen konden dan mooi

worden betrokken door de mensen die te goedkoop woonden. Hun woningen kwamen vrij voor de lage inkomens die te duur woonden. Simpel toch? De vier grote steden spraken prompt van een karikatuur en een opgeklopt probleem. Alsof je iedereen ’s ochtends op het strand kunt neerzetten en ’s avonds een andere, passende woning kunt laten betrekken. Bovendien verandert de inkomenssituatie van veel mensen gedurende hun wooncarrière. Mensen gaan meer, maar soms ook minder verdienen. Zouden ze dan bij elke inkomensverandering moeten verhuizen? Volgens de grote steden woonde maar vijftien procent van de huurders te goedkoop. In hun ogen zou Heerma’s strijd tegen scheefwonen bovendien leiden tot een uiterst ongewenste segregatie van wijken op inkomens. Amsterdams onderzoek, eind jaren negentig, nuanceerde inderdaad de cijfers van het ministerie. Als de huurders al te veel verdienden, was dat meestal maar weinig. En bovendien waren de meeste woningen aan de kleine kant vergeleken met de landelijke voorraad. Het was dus niet onlogisch dat daar minder voor werd betaald. Het Sociaal en Cultureel Planbureau legde de vinger op een heel andere zere

plek. In een onderzoek naar de verdeling van de ‘overdrachtsuitgaven’ in de volkshuisvesting (huursubsidie en hypotheekrenteaftrek samen) werd berekend dat veertig procent van deze uitgaven bij de twintig procent hoogste inkomens terechtkwam en slechts zeven procent naar de twintig procent laagste inkomens ging. Misschien dat de staatssecretaris ook iets aan die scheefheid wil doen, opperden de vier grote steden in een cynisch commentaar. Amsterdam stelde een Noodfonds in, waaruit jaarlijks voor de meest schrijnende gevallen twee miljoen gulden kon worden geput. Het kabinet daarentegen was in 1988 met nieuwe bezuinigingen op de huursubsidie gekomen. Het inkomensplafond waarbij nog subsidie kon worden verkregen, werd stapsgewijs verlaagd van 36.000 naar 30.000 gulden. De huurgewenningsbijdrage werd beperkt en vervolgens afgeschaft. De aparte huursubsidietabel voor jongeren verdween en daarmee, volgens kritiek van de Raad van State, het woonrecht voor jongeren. De maatregelen leidden nergens tot grote beroering; de hete actiejaren waren voorbij. Een jaar later werd het gemeenten en corporaties verboden om woningen toe te wijzen

Serge Ligtenberg/Hollandse Hoogte

Huren stegen pijlsnel door Heerma’s hervormingen

waarvoor de huurder meer dan 250 gulden huursubsidie per maand kon ontvangen. Boetes werden in het vooruitzicht gesteld van beheerders die zich daar niet aan hielden. Wethouder Genet vroeg tevergeefs om een verruiming van de regeling voor grote gezinnen, omdat die op grote en daardoor dure woningen aangewezen waren. In een emotioneel stadsgesprek in de Zuiderkerk over de woonlastenkwestie, in 1991, toonde staatssecretaris Heerma zich ongevoelig voor de reacties van het publiek op zijn huurbeleid. Maar in 1994 braken in de Haagse politiek nieuwe tijden aan met het aantreden van het eerste paarse kabinet. Onder D66–staatssecretaris Tommel kwam jaarlijks extra geld beschikbaar voor de huursubsidie om te zorgen dat de lagere inkomens de stijgende huren nog konden

Demonstratie op de Dam in mei 2003 tegen aanslagen op de sociale huisvesting. De huurstrijd is minder fel dan in de jaren zeventig en tachtig, maar actievoerders zijn er nog steeds.

opbrengen. De gemeente Amsterdam voerde bovendien een eigen Woonlastenfonds in. De laagste inkomens konden zo tot enkele tientjes per maand korting krijgen op enkele gemeentelijke lasten. Eerst verstrekte de Dienst Wonen deze subsidies, maar vanaf 2006 voert de gemeentelijke belastingdienst de regeling uit. De woonlasten zijn minder dan voorheen een issue. Vooral de stijgende welvaart bracht verlichting van dit probleem, dat in Amsterdam drie decennia lang de agenda beheerste.

DEEL 4: MEKKA VAN DE ARCHITECTUUR, 1991–1997

| 7


Corporaties slaan vleugels uit In april 1995 stemde de Tweede Kamer in met de bruteringsoperatie. Het was de kroon op de stelselwijziging van Heerma. Het toekennen van nieuwe bouwsubsidies was al van jaar op jaar minder geworden. Nu verevende de staatssecretaris de uitstaande leningen van de rijksoverheid met het totaal aan objectsubsidies die de corporaties nog tegoed hadden. Een mijlpaal.

V

olgens ramingen was met de operatie meer dan 50 miljard gulden (23 miljard euro) gemoeid. De corporatiesector stond ineens financieel op eigen benen. De taken waren voortaan anders verdeeld: corporaties zijn er voor bouw en beheer, het rijk is er voor huurstelling en huursubsidie, gemeenten voeren de lokale regie maar vrijwel zonder geld. Heerma’s stelselwijziging was een goed voorbeeld van ontbureaucratisering en vergroting van de efficiency. Toch waren de gemeente Amsterdam en de hoofdstedelijke corporaties vanwege de grote risico’s aanvankelijk fel tegen. De corporaties in de grote steden en de groeikernen waren bang erbij in te schieten, omdat zij veel sociale huurwoningen via de kapitaalmarkt hadden gefinancierd. Corporaties met weinig bouwinspanningen, zo verweten zij de staatssecretaris, werden slapend rijk. Maar de ongekend grote stelselwijziging pakte uiteindelijk ook voor de Amsterdamse corporaties positief uit, doordat de economische omstandigheden meezaten. “In de hoogtijdagen kreeg het Gemeentelijk Woningbedrijf 110 miljoen gulden subsidie per jaar van het rijk en 10 miljoen gulden van de gemeente. Die banden werden ineens doorgesneden,” aldus Lex Pouw, indertijd bestuursvoorzitter van Woningbedrijf Amsterdam en tot 1 juli 2008 topman van de latere fusiecorporatie Ymere. Het Gemeentelijk Woningbedrijf onderging een tweevoudig proces van verzelfstandiging. De corporatie werd in 1994 financieel en bestuurlijk losgemaakt van de gemeente. En dan was er de afbouw van rijkssubsidies. In het kader van de bruteringsoperatie kreeg het Woningbedrijf driehonderd miljoen gulden van het rijk voor de afkoop van lopende subsidierechten. Pouw: “Die centen hebben we toen gebruikt voor onze

8 |

DE AMSTERDAMSE VOLKSHUISVESTING 1970–2005

investeringen; hoefden we twee of drie jaar niet te lenen. Een deel, zo’n veertig miljoen, is weggezet tegen acht procent rente. Dat geld staat er nog steeds. Het is een potje voor slechtere tijden, net als vroeger moeder de vrouw had; we waren opeens een huishouden geworden.”

Sociaal én zakelijk In 1994 sloten de gemeente en de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties voor het eerst een convenant met prestatieafspraken. Een geheel nieuwe manier van werken. Het begrip ‘kernvoorraad’ werd geïntroduceerd – het behoud van voldoende goedkope woningen werd gevoeld als een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Pikant detail: federatiesecretaris Stadig werd in 1994 wethouder (en bleef dat tot 2006). De lijnen bleven kort. Een van de eerste dingen die het Woningbedrijf na de privatisering en het wegvallen van de subsidies deed, was het doorvoeren van een grondige reorganisatie. De ‘cash flow’ was negatief: bij de normale bedrijfsvoering ging er meer geld uit dan er binnenkwam. Er werd bezuinigd op onder meer personeel en onderhoudsmiddelen. En ondanks protesten voerde het Woningbedrijf forse huurverhogingen door. “We zaten indertijd met onze huren zo’n vijftig gulden per woning per maand onder het gemiddelde Amsterdamse niveau en wilden de exploitatie gezond maken,” aldus Pouw. Het Woningbedrijf en later Ymere heeft zich hierin altijd zakelijk opgesteld. De reorganisatie, de huurverhogingen en de lage inflatie zorgden ervoor dat de bedrijfsvoering bij het Woningbedrijf binnen enkele jaren weer op orde was. “Dat heeft uiteindelijk een financieel gezond Ymere opgeleverd dat juist zijn sociale taken goed kan realiseren,” aldus Pouw.

Bont bezit De stelselwijziging had tot gevolg dat de corporaties in betrekkelijk korte tijd tot professionele woningbeheerders en ontwikkelaars uitgroeiden. Vrijwel alle Amsterdamse corporaties zetten een eigen of gezamenlijk ontwikkelbedrijf op, veelal ondergebracht in een aparte bv om een strikt onderscheid aan te brengen tussen commerciële en volkshuisvestelijke activiteiten. Het Woningbedrijf koos ervoor de ontwikkelingstak in de organisatie op te nemen. Pouw: “Dat werkt sneller en daarmee blijft het ontwikkelen onderdeel van de cultuur en van de sturing. In plaats van naar één of enkele projecten kun je met een brede blik kijken naar het hele gebied waar je bezit hebt. Dat bleek vooral goed te werken bij de wijkontwikkeling. Je ziet dat

Overal groene coaxkabels uitgerold

wfa

Verzakelijking staat sociale taken niet in de weg

Rond 1975 nam de gemeente een beslissing waardoor ze het zichzelf op volkshuisvestingsgebied in de jaren negentig een héél stuk makkelijker maakte. Maar daar had toen niemand ook maar een flauw vermoeden van. Ooit was het woud van televisieantennes op de Amsterdamse daken gezichtsbepalend voor het uiterlijk van de stad. Om aan die lelijke chaos een einde te maken kwam in 1975 de bv Kabeltelevisie Amsterdam tot stand, met een meerderheidsbelang voor de gemeente. Twee jaar later begon de aanleg van het op dat moment grootste net ter wereld, een klus die in vijf jaar werd geklaard. Overal in de stad werden de groene coaxkabels uitgerold. Als eerste stad in Nederland kreeg Amsterdam een centraal antennesysteem. Een gouden greep, dit grotendeels door de overheid geïnitieerde project, zo bleek later. Want toen het kabelnet in 1995 werd verkocht, leverde dat de Amsterdamse schatkist honderden miljoenen guldens op. Dat bedrag kwam in zijn geheel aan de woningbouw ten goede. De helft is aan IJburg besteed, de andere helft kwam in het Volkshuisvestingsfonds terecht waaruit nog jarenlang subsidies voor woningbouwprojecten zijn toegekend.


andere Amsterdamse corporaties hun ontwikkeltak ook weer in de eigen organisatie onderbrengen.” Overigens had het Gemeentelijk Woningbedrijf, vanuit zijn specifieke taak om te doen wat andere corporaties lieten liggen, al aardig wat ervaring met veelsoortige projectontwikkeling. Dit had naast de ruim 35.000 reguliere woningen een bont bezit opgeleverd van buurthuizen, bedrijfsruimten, parkeergarages, panden voor jongerenhuisvesting en woongroepen, voorzieningen op woonwagenterreinen en zo’n negentig voormalige kraakpanden, waaronder beruchte als de Groote Keijser, Lucky Luyck en het Handelsbladgebouw. Het Woningbedrijf schrok ook niet terug voor het ontwikkelen van commercieel vastgoed. “Omdat anderen het liever niet deden, hebben we in de jaren tachtig winkelruimten in de Kinkerstraat, Dapperbuurt en de Bijlmermeer ontwikkeld, samen met een commerciële partij.” Maar dat gebeurde allemaal nog niet voor eigen risico. De eerste keer dat dat wel het geval was, ging het prompt mis. Het was kort na de stelselwijziging en gelukkig betrof het maar een klein koopwoningenproject. Een typische fout van een beginnend ondernemer: vergeten btw te calculeren. “Dat was erg leerzaam,” zegt Pouw nu.

Onrendabele toppen Met het wegvallen van de subsidies moest bij de nieuwbouw het aandeel sociale huurwoningen worden teruggebracht van zestig naar dertig procent – het minimum dat nodig wordt geacht om de sociale voorraad op peil te houden. Het marktaandeel, van koop- en duurdere huurwoningen, moest omhoog van veertig naar zeventig procent. Maar de markt was daar nog niet aan toe, amper zeven jaar nadat wethouder Louis Genet met het revolutionaire plan was gekomen om ook in de vernieuwingsgebieden koopwoningen te bouwen. Ontwikkelaars, waaronder nu ook de corporaties,

Jean-Pierre Jans/Hollandse Hoogte

Wethouder Duco Stadig kijkt op de fiets rond op het opgespoten land van IJburg tijdens een open dag, 20 mei 2002.

begonnen pas met bouwen als het grootste deel van de koopwoningen van tevoren was verkocht. Bovendien konden de corporaties de ‘onrendabele toppen’ moeilijk gefinancierd krijgen – dat deel van de stichtingskosten van sociale huurwoningen dat niet wordt terugverdiend met de latere verhuur. Geen wonder dat de bouwproductie na de brutering drastisch verminderde. In 1995 werden slechts 1900 woningen in aanbouw genomen en in 1996 werden maar 2600 nieuwbouwwoningen opgeleverd. Dat was de laagste productie sinds 1980 en een schril contrast met de 4500 woningen die er in de voorgaande jaren gemiddeld bij waren gekomen. In 1997 en 1998 leefde de productie weer iets op, om vervolgens tegen het eind van de eeuw weer dramatisch terug te vallen tot rond tweeduizend woningen per jaar. Dit was de helft van wat wenselijk werd geacht om de Amsterdamse woningmarkt goed te laten functioneren. De daling hield niet alleen verband met afschaffen van de laatste bouwsubsidies, maar ook met een explosieve groei van de bouwkosten. De onrendabele top op een sociale huurwoning kwam daarmee op

zo’n honderdduizend gulden. Een aantal jaren hebben de corporaties nog wel geprobeerd de onrendabele top van de sociale huurwoningen af te dekken door dure koopwoningen te bouwen. Maar toen de vraag daarnaar instortte, was de crisis in de woningbouw begin 21ste eeuw compleet. Over de oorzaken werd volop gezwartepiet. Wethouder Duco Stadig verweet de corporaties risicomijdend gedrag en noemde hen subsidiejunks. De corporaties op hun beurt wezen op de hoge grondprijzen die de gemeente vroeg, de opgeschroefde kwaliteitseisen, de bemoeienis van de gemeente met de programmering en de stortvloed aan landelijke en Europese regels die de voorgaande jaren was losgekomen. Rond 2000, vijf jaar na de voltooiing van de stelselwijziging, was dan ook een negatief gevolg goed duidelijk geworden: de woningbouwproductie was cyclisch geworden en deinde mee met de economische conjunctuur. De invloed van de gemeente en het rijk op het woningbouwprogramma was, ondanks het nog aanzienlijke woningtekort, tot een minimum teruggebracht. De stad leek opeens een stuk minder maakbaar. I DEEL 4: MEKKA VAN DE ARCHITECTUUR, 1991–1997

| 9


De dynamiek van de hippe buurt

Trendy, maar met een prijskaartje Wie midden jaren tachtig door de Pijp liep, kon niet vermoeden dat dit een van de geliefdste wijken van Amsterdam zou worden. Vooral in het deel ten noorden van de Ceintuurbaan voltrok zich een proces van ‘gentrification’: een vervallen volks- of middenstandsbuurt die weer in trek raakt bij mensen met een ruimere beurs. Met als gevolg een explosieve stijging van de huizenprijzen, maar ook een toename van fleurige cafés en winkels. 10 |

DE AMSTERDAMSE VOLKSHUISVESTING 1970–2005


DEEL 4: MEKKA VAN DE ARCHITECTUUR, 1991–1997

| 11

Katrien Mulder

Het Van Hogendorpplein in stadsdeel Westerpark, 1998. In de jaren negentig zaten wijken als de Staatsliedenbuurt en de Pijp in de lift. Terrassen, winkels en cultureel aanbod fleurden de boel op.


De Jordaan maakte als eerste Amsterdamse wijk een proces van ‘gentrification’ door. Hier de Tweede Tuindwarsstraat in 1997. Rechterpagina: Surinamers hebben iets met zangvogeltjes. De Indische buurt kan zo’n vrolijke noot wel gebruiken. Javaplein, 1998.

12 |

DE AMSTERDAMSE VOLKSHUISVESTING 1970–2005

Mariëtte Carstens/Hollandse Hoogte

I

n de Jordaan voltrok zich al in de jaren zeventig een vergelijkbaar proces van gentrification, zoals sociaal-geografen deze ontwikkeling hebben gedoopt. De term is in 1964 gelanceerd door de Engelse sociologe Ruth Glass. Zij refereerde ermee aan het ontstaan van een nieuwe stedelijke gegoede klasse (de gentry), die niet geïnteresseerd was in een verblijf in de suburbs maar vervallen arbeidershuizen begon op te kopen. In het Nederlands sprak men vroeger ook wel van het ‘Jordaaneffect’. In die volksbuurt immers deed zich wat Amsterdam betreft dit proces voor het eerst voor. Vanaf eind jaren zestig keerden de oorspronkelijke Jordaan-bewoners de verpauperde en in hun ogen bedompte woninkjes massaal de rug toe, om zich te vestigen in nieuwbouw in de buitenwijken en de overloopgemeentes. De vrijgekomen woningen, vooral die van particuliere verhuurders, boden kansen aan nieuwe groepen: studenten, jonge academici, kunstenaars en krakers. In een coalitie met monumentenbeschermers verzetten zij zich rond 1970 met succes tegen de grootschalige sloopplannen die de gemeente indertijd nog voor de Jordaan had. Tal van nieuwkomers begonnen zelf met het opknappen van huizen en voormalige bedrijfspanden tot comfortabele woningen. Naast de traditionele cafés met de Perzische tafelkleedjes kwamen er horecazaken die op een jonger publiek waren gericht. De mengeling van aloude Jordaan-romantiek en het nieuwe, hippe imago dat de nieuwkomers de wijk verleenden, zorgde ervoor dat ook mensen met meer geld zich er wilden vestigen. Aannemers en projectontwikkelaars sprongen hierop in en investeerden gretig in de aankoop en verbouwing van panden – aan de verkoop van de woningen kon immers flink worden verdiend. Verkoop per etage leverde het meeste op, maar daarvoor moesten de panden eerst juridisch worden gesplitst in apparte-

mentsrechten. De gemeente wilde niet dat er goedkope woningen verloren zouden gaan. Ze wilde het splitsen op alle mogelijke manieren tegenhouden, maar werd door de rechter en rijksoverheid teruggefloten.

Allergisch voor sloop De Pijp, nog zo’n vervallen volksbuurt, werd midden jaren tachtig grotendeels bevolkt door jonge één- of tweepersoonshuishoudens met weinig geld. Net als de nieuwkomers in de Jordaan in de jaren zeventig waren het veelal studenten of pas afgestudeerden, kunstenaars en krakers. Voorzover er nog gezinnen in de Pijp woonden, waren dat vooral migranten. Door de betaalbare huren en de ligging nabij het stadscentrum was het een aantrekkelijk woongebied voor jongeren. En de wijk had ook eigen uitgaansmogelijkheden: nieuwe cafés als Carels en Quinto openden hun deuren op plekken waar ooit buurtwinkels zaten. De stadsvernieuwing in de Pijp was aardig op dreef, mede door het opkoop- en aanschrijvingsbeleid van de gemeente. Tussen 1980 en 1989 werd bijna de helft van de 19.000 vooroorlogse woningen in de wijk opgeknapt. Het gedeelte boven de Ceintuurbaan, de Oude Pijp, kwam pas te-

gen het einde van de jaren tachtig aan de beurt. Volgens de plannen zou hier slechts vier procent van de geïnspecteerde huurwoningen worden gesloopt. Het ging om in totaal tweehonderd slechte huizen, maar de buurt was allergisch voor sloop. In de jaren zeventig had men al fel weerstand geboden tegen de cityvormingsplannen en ook nu waren de actievoerders redelijk succesvol in hun verzet. Ook het voorstel om bij nieuwbouw tien procent premiekoopwoningen neer te zetten viel slecht in de buurt. De weerstand tegen een gevarieerder woningaanbod bleef nog lange tijd bestaan.

Soepel terrassenbeleid Zo rond 1990 kregen tal van jonge huishoudens in de Pijp behoefte aan meer woonruimte, mede doordat er kinderen waren gekomen. Ze waren inmiddels verknocht aan de buurt, met zijn vele restaurants, de Albert Cuijpmarkt en de nabijheid van culturele voorzieningen als het Rijksmuseum. Koopappartementen waren er nauwelijks, splitsen werd door het stadsdeel zoveel mogelijk tegengegaan. Maar wel waren er mogelijkheden een heel pand te kopen om dat deels zelf te bewonen. De nieuwe eigenaren waren dan noodgedwongen huisbaas voor de etages die ze niet zelf bewoonden.


Katrien Mulder

Veryupping Particuliere eigenaren, kleine aannemers en projectontwikkelaars zagen de mogelijkheden van deze ontwikkeling. Grote projectontwikkelaars waren er niet bij betrokken. Het particuliere bezit was te versnipperd en daardoor niet aantrekkelijk voor hen. De waarde van de panden begon flink te stijgen, terwijl de opbrengst uit de huren door wettelijke beperkingen achterbleef en de noodzakelijke onderhoudskosten hoog waren. Bij horizontale verkoop van etagewoningen waren de splitsingsregels nog steeds een flinke hindernis om te nemen: grondige verbouwingen en vaak ook funderingsherstel waren vereist. Maar de geboekte winsten wogen daar ruimschoots tegenop. De zittende huurders genoten huurbescherming, maar de particuliere huiseigenaren hadden er veel voor over om ze uit te kopen. Bovendien kwamen er woningen

vrij doordat met name migrantengezinnen uit de wijk wegtrokken. Zij verzilverden hun woonduur met ruimere nieuwbouw in bijvoorbeeld de Westelijke Tuinsteden. De kopers van de appartementen kwamen meestal van buiten de buurt. Het was een manier om snel een plek te verwerven in een van de gewildste wijken van de stad. De prijzen stegen in rap tempo. Een gemiddelde koopwoning in de Pijp was in 1996 twee keer zo duur als in 1990. Tegen het eind van de eeuw gingen er in de stad stemmen op om de splitsingsregels binnen de ring voor particuliere verhuurders te versoepelen. Toen die verruiming in 2002 werd doorgevoerd, leidde dat niet meteen tot meer splitsingen in de Pijp. Dit kwam door de economische malaise van die jaren, maar ook door de nieuwe, strenge regels die het stadsdeel aan splitsen had verbonden.

Olievlek Stadsgeograaf Jaco Boer, die vergelijkend onderzoek deed naar de gentrification van de Jordaan en de Pijp, noemt het opvallend dat de gemeente in beide buurten een geringe rol in dit proces speelde. De opwaardering voltrok zich op eigen kracht. Zo wilde de gemeente in de jaren zeventig het splitsen van particuliere panden ontmoedigen, maar deze ontwikkeling zette toch door. En toen ze het splitsen vanaf 2002 juist wilde aanmoedigen, had dat ook weinig direct effect. Gentrification blijkt een eigen dynamiek te hebben – wat niet wil zeggen dat het niet een handje geholpen kan worden. Overheidsbeleid heeft er wél voor gezorgd, aldus Jaco Boer, dat het proces niet zover is doorgeschoten als in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Nog steeds zijn er in de Jordaan en de Pijp vrij veel betaalbare huurwoningen – dankzij de huurbescherming én dankzij het ruimschoots bijbouwen van dit soort woningen. ‘Oude-

Verse tagliatelle in plaats van garen en band Caro Bonink/Hollandse Hoogte

Geleidelijk aan werd de buurt ook steeds aantrekkelijker voor mensen met geld uit andere delen van de stad en voor niet-Amsterdammers. Het stadsdeel versterkte de aantrekkingskracht door het toestaan van geveltuintjes, het invoeren van eenrichtingsverkeer en het voor auto’s afsluiten van winkelstraten als de Ferdinand Bolstraat en de Tweede van der Helststraat – aanvankelijk tot chagrijn van winkeliers en marktkooplui van de Albert Cuijp. Door het soepele horeca- en terrassenbeleid ontstond een levendig uitgaansgebied dat jonge carrièremakers aansprak. Oude buurtwinkels maakten plaats voor delicatessenwinkels of hippe modezaken die de nieuwe bewoners bedienden. De media versterkten het bruisende imago van de wijk. Was het in de jaren zeventig en tachtig de Jordaan die werd vergeleken met Quartier Latin, in de jaren negentig werd de Pijp steeds vaker opgevoerd als Amsterdamse tegenhanger van de populaire Parijse wijk.

Delicatessenwinkel Mambo in de Eerste van der Helststraat is een goed voorbeeld van de veranderingen die de Pijp in de afgelopen vijftien jaar heeft ondergaan. Eigenaresse Ellen Bernard dreef er tot 2002 een fourniturenwinkel die ze van haar vader had overgenomen. De sinds eind jaren vijftig bestaande zaak draaide niet goed. “Er verdwenen steeds meer kleermakers en grote gezinnen uit de buurt,” aldus Bernard. “Toen leerde ik mijn vriend kennen en kwamen we op het idee om hier een pastawinkel te beginnen. Zoiets was er nog niet en er waren toch al veel nieuwe mensen in de buurt komen wonen.” Bernard kan zich de haveloze toestand van de wijk in de jaren tachtig nog goed herinneren: “Niemand wilde hier wonen. Daar moet je nu eens om komen. Mensen geven een vermogen uit voor een halve etage op de hoek.”

re’ buurtgenoten zijn er niet massaal verdrongen. Dat maakt mede de huidige aantrekkelijkheid van deze buurten uit. De koopmarkt daarentegen is in deze wijken wel elitair geworden. Anno 2008 is een koopwoning in de Pijp vrijwel onbetaalbaar geworden voor middengroepen. Die moeten nu uitwijken naar andere delen van de stad, zoals Oud-West, de Baarsjes, Westerpark, Amsterdam-Noord en de Indische Buurt. Makelaars zeggen dat daar de hot spots van de nabije toekomst liggen. Volgens hen is de gentrification een olievlek die zich vanuit het centrum over de rest van de stad binnen de ringweg verspreidt. Ook corporaties spelen hierop in: ze helpen het proces een handje door het faciliteren van culturele voorzieningen en hippe horeca in gebieden die nu nog als probleembuurten worden beschouwd. Buurten waarvoor voorheen niemand een dubbeltje wilde geven, belanden zo uiteindelijk ook in een prijsspiraal. Critici vragen zich af of buurten dan alleen gerevitaliseerd kunnen worden door mensen met geld binnen te halen. Voorlopig echter bewijst de gentrification haar effectiviteit en vaart Amsterdam er wel bij. I DEEL 4: MEKKA VAN DE ARCHITECTUUR, 1991–1997

| 13


Van de saaie Bijlmer naar het sprankelende Oostelijk Havengebied

Architectuur komt weer tot bloei Tot in de jaren zestig domineerde het functionalisme in de Amsterdamse woningbouw. Die toon was gezet in het beroemde Algemeen Uitbreidingsplan van 1934. Sobere en saaie flatgebouwen hadden de knusse baksteenarchitectuur van de Amsterdamse School vervangen. Maar in de jaren negentig vond Amsterdam weer aansluiting bij die stijl – en daarmee bij hét sterke punt van de eigen stedenbouwkundige ontwikkeling. 14 |

DE AMSTERDAMSE VOLKSHUISVESTING 1970–2005


DEEL 4: MEKKA VAN DE ARCHITECTUUR, 1991–1997

| 15

Siebe Swart/Hollandse Hoogte

Luchtfoto uit 2008 van de vier (schier)eilanden in het Oostelijk Havengebied: Java-eiland (rechtsboven), daaraan vast knsm-eiland (rechtsonder), Sporenburg (midden) met The Whale van Frits van Dongen, en Borneo (links).


Katrien Mulder

I

n het Oostelijk Havengebied hervond Amsterdam haar pretenties op het gebied van stedenbouw en architectuur. Eindelijk kwam de stad los van de massaliteit van de volkshuisvestingsopgave van de twintigste eeuw, die vooral leidde tot sober, doelmatig en goedkoop bouwen. Postmodern en monumentaal werd de invulling van het havengebied. Daarbij was behoud van de oorspronkelijke havenstructuur en gebouwen het uitgangspunt. Zo bleven juweeltjes bewaard als de pakhuizen Maandag tot en met Zondag, het Lloyd Hotel en de aankomst- en vertrekhal van de knsm. Niet zelden was daar trouwens wél pressie van krakers en andere actievoerders voor nodig. Binnenen buitenlandse architecten van naam werden aangezocht en de gezamenlijke creativiteit leidde tot een van de meest inspirerende ensembles die in de afgelopen decennia in de wereld zijn gebouwd. De grandeur van het oude Amsterdam werd hier weer teruggevonden.

Boven het water uitpiepen Wethouder Louis Genet bemoeide zich intensief met het Oostelijk Havengebied, terwijl op ambtelijk niveau stedenbouwkundige Ton Schaap van de Dienst Ruimtelijke Ordening de grote inspirator was. Schaap

16 |

DE AMSTERDAMSE VOLKSHUISVESTING 1970–2005

was zijn carrière begonnen in het oosten van het land bij een bureau met een functionalistische signatuur. “Maar er werkten ook mensen die, voorafgaand aan het ontwerpproces, het landschap grondig analyseerden en daar heb ik veel van geleerd.” In het Oostelijk Havengebied verdiepte hij zich dan ook eerst in de ligging ten opzichte van de centrale stad. “Wij sturen tegenwoordig als gemeente hoofdzakelijk op het realiseren van een bepaalde bebouwingscontour,” blikte Schaap in 2002 terug, toen hij zich inmiddels met IJburg bezighield. “Oude karakteristieken van Amsterdam willen we terugzien in nieuwe woon- en werkgebieden. Wel op een eigentijdse manier, want letterlijk historiseren vind ik verschrikkelijk. De kracht van Amsterdam is samengebald in de binnenstad. Het historisch centrum moet je zien als een zeldzame orchidee, die gekoesterd moet worden. Daar moet je geen hoogbouw vlak naast willen hebben, hoogbouw moet je hier op afstand zetten. De eilanden in het IJ kun je zien als heuvels die boven het water ‘uitpiepen’. Eerdere naoorlogse Amsterdamse stadsuitbreidingen liggen allemaal onder nap, maar het Oostelijk Havengebied en de eilanden van IJburg steken boven het water uit. We hebben bewust met die kwaliteit gespeeld,

Een van de grachten op het Java-eiland, 2002. In dit gebied is aansluiting gezocht bij de stedenbouwkundige structuur van de oude grachtengordel.

‘Het leek het einde van de wereld’ Voormalig kraakster Annegriet Wietsma ervaarde het Oostelijk Havengebied als een openbaring. Zij woonde tot begin jaren negentig in het Handelsbladgebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal. “Toen duidelijk werd dat ik moest verhuizen wegens gezinsuitbreiding, sloeg even de paniek toe. Ik woonde al zo lang in de prachtige grachtengordel, waar de historie op elke straatkei geschreven staat. We konden een appartement krijgen in een van de eerste bouwblokken op Java-eiland, maar dat leek ‘het einde van de wereld’, ver weg van vertier en stadsgewoel, alles nieuw en zonder historie. Niets is minder waar gebleken. Al vanaf dag één blijkt onze woonplek een gebied barstensvol energie, waar toekomst en verleden, rafelrand en stadskern, cultuur en natuur, storm en windstilte elkaar op de meest onverwachte momenten raken.”


Zelf ontworpen woningen aan de Scheepstimmermanstraat op Borneo, hier gefotografeerd vanaf de achterkant. De bonte verzameling huizen vormt een geliefd excursiedoel.

door bijvoorbeeld op Java-eiland de binnengebieden allemaal op drie meter boven nap aan te leggen. Als we dat niet hadden gedaan, zou je vanuit die binnenterreinen het water nu niet kunnen zien. En dat is nu juist heel sfeerbepalend.”

In het Oostelijk Havengebied schrok men niet terug voor innovatie op velerlei gebied. Tekenend daarvoor zijn de zestig zelfbouwkavels in de Scheepstimmermanstraat op het Borneoschiereiland. Voor het eerst liet Amsterdam op grotere schaal eigenaar-bewoners als opdrachtgever optreden. Het succes ervan gaf aanleiding tot nieuwe zelfbouwprogramma’s in IJburg. Theo Tamis en Brigitte van der Linden woonden eerst aan de Veemkade, in een van de eerste gebouwen die in het Oostelijk Havengebied werden opgeleverd. Vanwege gezinsuitbreiding werd de woning al snel te krap. Gebouwd werd er genoeg in de buurt, maar de woningplattegronden waren toch wel erg rechttoe, rechtaan. De zelfbouwkavels op Borneo boden een onverwachte kans een eigen droomhuis te creëren. Van der Linden: “We ontwierpen al zelf onze meubels en als je dan in Amsterdam de kans krijgt je eigen huis te bedenken, dan is dat fantastisch.” Anders dan de meeste andere zelfbouwers hoefden Tamis en Van der Linden niet zelf een aannemer en architect te kiezen. Mede doordat ze pas een jaar na de start instapten, waren er al uitgewerkte tekeningen voor hun woning, compleet met een vijf meter hoge bovenkamer

die aan een staalconstructie hing. “Het sprak ons erg aan, maar het was te mooi om waar te zijn,” aldus Tamis. “In samenspraak met de architect hebben we het ontwerp een stuk praktischer gemaakt.” Het resultaat is een functionele, maar tegelijk warm ogende drive-in-splitlevelwoning van vier verdiepingen met aan de achterkant uitzicht op het water. Ondanks hun enthousiasme verliep de bouw bepaald niet van een leien dakje. Zo’n project trekt een zware wissel op de opdrachtgever. “We hebben aardig wat stellen die in de straat een huis bouwden zien scheiden,” aldus Tamis. “Met name het contact met de aannemer verliep moeizaam. Gelukkig hadden we als een van de weinigen een opleverdatum in het contract staan.” Achteraf gezien hadden ze enkele dingen anders gedaan; hadden ze toch een bredere kavel genomen om meer mogelijkheden te hebben met de indeling. Ze overwegen nu een uitbreiding op het dak. Maar over het algemeen zijn ze nog zeer tevreden. Tamis: “Er wordt gezegd: je eerste huis bouw je voor je vijand, het tweede voor je vriend en het derde voor jezelf. Maar wij hebben die eerste stap overgeslagen.”

Emile Luider/Hollandse Hoogte

Gewild excursiedoel Aanvankelijk werd op het Abattoirterrein, waarvoor staatssecretaris Heerma in 1987 het startsein gaf, nog begonnen met traditionele sociale woningbouw in vier lagen. Maar een jaar later al startte de ontwikkeling van koopwoningen, in bouwhoogte variërend van zeven tot twintig lagen, het

De kans om je eigen huis te bedenken

DEEL 4: MEKKA VAN DE ARCHITECTUUR, 1991–1997

| 17


Afbraak van honingraatflats in de Bijlmermeer in het kader van de ingrijpende vernieuwing, 1995. Bijlmerbelievers betreuren het dat deze hoogbouw zo in diskrediet is geraakt. In de zon op het knsmeiland, met op de achtergrond (rechts) sociale woningbouw, 2001. Ook in dit gebied heeft Amsterdam naar een mix gestreefd.

Harry Meijer/Hollandse Hoogte

stellen luidden: sloop van een kwart van de woningen en herpositionering van nog eens een kwart. Dat laatste hield kwaliteitsverhoging en verhuur in een duurdere categorie of verkoop in. Alleen een ingrijpende sociale en stedenbouwkundige herstructurering kon leiden tot een nieuw, aantrekkelijk woongebied, stelde de werkgroep. De tegenstellingen tussen voor- en tegenstanders van herstructurering, inclusief sloop op grote schaal, verhardden zich. Sloop vonden de tegenstanders volstrekt onnodig – en al helemaal niet om de leegstand omlaag te krijgen, want die was inmiddels gedaald tot 3,5 procent. De situatie raakte snel gepolitiseerd, waardoor de stadsdeelraad en de centrale stad niet afzijdig konden blijven. Veel tijd voor afgewogen besluitvorming was er echter niet. Het negatieve vermogen van Nieuw Amsterdam beliep medio 1990 maar liefst honderd miljoen gulden. De corporatie diende een saneringsplan in bij het Centraal Fonds Volkshuisvesting (de financiële toezichthouder van de corporatiesector) en de gemeente Amsterdam. In juni 1990 stemde het college van B en W in met de voorstellen van de werkgroep. “De zwaarste beslissing die ik ooit heb moeten nemen,” zei wethouder Louis Genet daarover

18 |

DE AMSTERDAMSE VOLKSHUISVESTING 1970–2005

een eengezinswoning, maar wel geheel naar eigen idee vormgegeven. Het Oostelijk Havengebied werd een gewild excursiedoel voor liefhebbers van de moderne architectuur, met de staalkaart van stijlen die zich voor het oog van de bezoekers ontrolde.

Zwaarste beslissing ooit Ondertussen was de nog volgens de oude inzichten opgetrokken Bijlmermeer definitief in zwaar weer beland. Het functionalistische bouwen had een anoniem woonklimaat gecreëerd, waarin criminaliteit, drugsoverlast en andere aspecten van sociale onveiligheid welig tierden. Wat voorheen werd gezien als de kracht van de wijk – het grootse en strakke, met kloeke honingraatflats in een weidse openbare ruimte – bleek nu vanwege het gebrek aan intimiteit op het maaiveld de voornaamste bron van problemen. Begin jaren negentig, met een dreigend faillissement van de Bijlmercorporatie Nieuw Amsterdam in het verschiet, werd de koers uitgezet voor een ingrijpende herstructurering. De conclusies van de in 1989 ingestelde Werkgroep Toekomst Bijlmermeer (met afgevaardigden van overheden, corporaties en bedrijfsleven in Zuidoost) leidden eerst tot felle debatten. De belangrijkste voor-

Herman Wouters/Hollandse Hoogte

laatste naar een ontwerp van Wiel Arets. Op het knsm-eiland sloegen alle bij de ontwikkeling betrokken partijen de handen ineen. Daarna stelde Jo Coenen een stedenbouwkundig masterplan op, met monumentale, robuuste gebouwen en een mix aan huur- en koopwoningen. Na de minder geslaagde bebouwing van Rem Koolhaas aan de Noordoever van het IJ was dit een echt waterfrontplan met veel aandacht voor het contrast tussen land en water. Vanwege het succes van Coenens visie werd voor ieder deelgebied voortaan gewerkt met een basisontwerp van een externe stedenbouwkundige. Coenen zelf ontwierp het Emerald Empire-gebouw op de kop van het eiland in een neoclassicistische stijl. Hans Kollhoff won met zijn ontwerp Piraeus de prestigieuze Merkelbachprijs. In deze lijn werkten Sjoerd Soeters en Christian Rapp hun plannen voor het Javaeiland uit. Soeters liet zich inspireren door de Amsterdamse grachtenstructuur, met kades van wisselende hoogte en bruggen. Op de schiereilanden Borneo en Sporenburg werd een laatste stap in deze ontwikkeling gezet. Adriaan Geuze leverde een ontwerp voor een stadswijk met een ongekende dichtheid van honderd woningen per hectare, gekoppeld aan de charme van


mermeer. In juli 1992 stemden burgemeester en wethouders van de centrale stad, het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost, Nieuw Amsterdam en het Centraal Fonds in met de ingrijpende plannen die waren gemaakt. Daarbij werd een drieslag voorzien die later ook de basis zou blijken voor het landelijke grotestedenbeleid: fysieke maatregelen, sociaaleconomische verbetering en verbetering van leefbaarheid en beheer.

later. Want de voorstellen legden een zware claim op de financiële mogelijkheden van de stad als geheel, terwijl onzeker was of ze succesvol zouden zijn. In november van datzelfde jaar nam de gemeenteraad de voorstellen van het college over.

Scepsis onder bewoners Delftse onderzoekers trokken de veelgeplaagde buurt in om de meningen van de wijkbevolking te peilen. Zullen de plannen van de Werkgroep Toekomst helpen om de problemen in de Bijlmer op te lossen? Ja, meende 22 procent van de ondervraagden. Een veel grotere groep van 41 procent was sceptisch en dacht dat de voorstellen hoogstens “een beetje” konden helpen. En maar liefst 38 procent geloofde er helemaal niet in. Toch steunde bijna de helft van de geënquêteerden de sloopplannen, kennelijk omdat men geen alternatief zag. Over de ‘herpositionering’ was men veel negatiever, ongetwijfeld vanwege de dreigende huurverhogingen. “Het zijn vooral Nederlandse, oudere, al langer in de Bijlmermeer wonende bewoners die de plannen afwijzen, terwijl vooral jongeren, bewoners met een korte woonduur en Surinaamse bewoners positief denken over de plannen,” aldus de Delftse bestuurskundigen. Een Stuurgroep Vernieuwing Bijlmermeer werd ingesteld, waarin de centrale stad en het stadsdeel nauw samenwerkten. Voor de uitvoering van het werk werd de Projectgroep Vernieuwing Bijlmermeer ingesteld, die kantoor hield in Zuidoost. Staatssecretaris Heerma herhaalde nog maar eens dat de Bijlmer een Amsterdams probleem was en dat Den Haag zich in geen enkel opzicht daar medeverantwoordelijk voor voelde. Er was haast bij de plannen: elk jaar uitstel deed het tekort van Nieuw Amsterdam met twintig miljoen toenemen. De gemeente besloot 250 miljoen gulden bij te dragen aan de sanering van de Bijl-

Tineke Dijkstra/Hollandse Hoogte

Nieuwe laagbouw in de Bijlmer, opgetrokken tegen een hoogbouwflat aan, 2000. Door dit soort ingrepen kan een deel van de hoogbouw blijven staan.

Water tot aan de lippen Doorbreking van de monotonie en differentiatie van het woningaanbod waren de centrale doelen van de vernieuwing. Concreet kwamen de plannen neer op de sloop van een aantal flatgebouwen en parkeergarages, vergroting van de dichtheid door het toevoegen van veel laagbouwwoningen, het bijplaatsen van liften en het compartimenteren van flatgebouwen, de verplaatsing van winkelcentrum Ganzenhoef naar het gelijknamige metrostation, verlaging van de Bijlmerdreef naar maaiveldniveau, herinrichting van de binnenterreinen en de aanstelling van tientallen flatwachten en huismeesters. Vooral de voorgestelde sloop van een kwart van de flatgebouwen leidde binnen

het stadsdeel Zuidoost tot een politieke crisis. Bij bewoners konden de emoties heftig oplopen, zelfs als ze de onontkoombaarheid inzagen. “Het ging om het huis waar mijn kinderen zijn geboren, waar buren zijn overleden; de muren hadden alles gehoord. Het voelde alsof er een stuk van mezelf werd gesloopt,” blikte Anne de Haan, bewoonster van de F-buurt en later spil in de vernieuwingsoperatie, in 2003 terug. Toen was inmiddels veel energie gestoken in het voeren van discussies met bewoners; men praatte net zo lang totdat de bewoners van een blok zich in meerderheid in de sloopplannen konden vinden. Het Centraal Fonds liet weten zijn verantwoordelijkheid voor het tekort van Nieuw Amsterdam te zullen nemen. Het water stond deze corporatie inmiddels tot aan de lippen. De centrale stad schold de afbetaling van veertig miljoen gulden rente op door de gemeente verstrekte leningen kwijt, ervan uitgaande dat het Centraal Fonds daarna zou bijspringen. Later ‘adopteerden’ de corporaties Patrimonium en Zomers Buiten duizend Nieuw Amsterdam-woningen. Ook schonken ze vijf miljoen gulden als bijdrage in de exploitatiekosten van de corporatie die zulke grote problemen kende.

DEEL 4: MEKKA VAN DE ARCHITECTUUR, 1991–1997

| 19


Koopwoningen in de vernieuwde Bijlmer. Ook Surinaamse bewoners behoren inmiddels deels tot de middengroepen waarop dit woningaanbod is gericht.

Katrien Mulder

Pathé ArenA en daarachter de Heineken Music Hall, beide van architect Frits van Dongen. Het Arenagebied zorgt voor imagoverbetering van de Bijlmer.

Sloperskogel Een paar maanden na de ramp met het neergestorte El Al-toestel (oktober 1992) en vijfentwintig jaar nadat burgemeester Van Hall de eerste paal voor ‘de stad van morgen’ in de grond geslagen had, werden de plannen tijdens een symposium gepresenteerd. Wethouder Genet noemde bij die gelegenheid de Bijlmermeer het grootste sociale vernieuwingsproject van Nederland. Drie jaar duurde het vervolgens nog voordat de Bijlmerbewoners daadwerkelijk iets van de vernieuwing konden zien. In 1995 maakte de sloperskogel korte metten met de ultieme uitwerking van Le Corbusiers utopie van de ‘verticale tuinstad’. De woningen en parkeergarage Geinwijk kwamen als eerste aan de beurt om plaats te maken voor Gulden Kruis, een project van enkele honderden ‘bebo-woningen’ (beneden- en bovenwoningen) van het architectenbureau Claus en Kaan. Van de honderd koophuizen werden er maar liefst negentig gekocht door bewoners van de Bijlmer of Zuidoost in bredere zin. Daarna werd de hoogbouwflat Hoogoord tot op het casco ‘uitgekleed’. Ter plaatse van de bergingen

Daria Scagliola en Stijn Brakkee

op de begane grond en van de verdwenen binnenstraat op de eerste verdieping kwamen tuinwoningen. De ervaringen met Hoogoord vormden de basis voor soortgelijke ingrepen in andere flatgebouwen. De bewoners die moesten verhuizen werd ook in sociaal-economisch opzicht hulp geboden: cursussen en bemiddeling naar werk. Uit Europese fondsen kwam 26,5 miljoen gulden voor werkgelegenheids-, scholings- en leefbaarheidsprojecten. Ajax was ondertussen de bouw van de Arena gestart. Dit bleek later het begin te zijn van de ontwikkeling van een succesvol kantoren- en uitgaanscentrum aan de westkant van de spoorlijn AmsterdamUtrecht. Later volgden langs de Arenaboulevard de Pathébioscoop, de Heineken Music Hall en een groot woonwinkelcentrum.

20 |

DE AMSTERDAMSE VOLKSHUISVESTING 1970–2005

Uit recalcitrantie Voor de tweede fase van de vernieuwing wist wethouder Stadig zeshonderd miljoen gulden extra van het Centraal Fonds los te peuteren. Corporaties en gemeente legden daar nog eens driehonderd miljoen bij. Ervaren stadsvernieuwingsprojectleiders werden aangetrokken om over de uitvoering met de bewoners te overleggen. Desondanks ontstond spanning tussen de zwarte en de witte bewoners, waarop de gekleurde bevolking zich verenigde in het Zwart Beraad. Onder leiding van stadsdeelvoorzitter Hannah Belliot kwamen de gemoederen weer tot bedaren. Na een evaluatie van de eerste fase van de vernieuwing, over de periode 1992– 1999, werd het beleid aangescherpt. Niet

drieduizend maar maximaal 7.200 woningen kwamen in aanmerking voor sloop. Die opvatting werd, bleek uit een grootscheeps bewonersonderzoek, door tweederde van de bewoners van de hoogbouw gedeeld, ook als het hun eigen woningen betrof. De nieuwe laagbouw bleek buitengewoon geliefd. In het finale Plan van Aanpak voor de tweede fase (2002) valt het eindbeeld van de vernieuwingsoperatie te lezen. Het aandeel hoogbouwwoningen in de Bijlmermeer, dat ooit 95 procent bedroeg, zal in 2010 zijn teruggebracht tot minder dan de helft. Alleen aan de oostkant van de wijk, door de trouwe Bijlmer-believers het ‘Bijlmermuseum’ genoemd, blijft veel bij het oude. Door de verdichting met laagbouw zal de wijk uiteindelijk tien procent meer woningen herbergen dan voor de vernieuwingsoperatie. Overigens is het geplande eindjaar inmiddels verschoven naar 2012. Ook in sociaal-economisch opzicht veranderde er veel. Misschien groeit hier een uniek leefmilieu, dat een aanvulling biedt op het stadse Amsterdam. “Eigenlijk ben ik hier uit recalcitrantie gaan wonen,” zegt kunstenaar Gijs Müller, die een atelierwoning in de F-buurt bewoont. “Ik had geen zin meer in het grote graaien, de jacht op geld die ook in de kunstwereld sterk heerst. Hier maken mensen met weinig middelen zelf de samenleving. Het bijzondere van de Bijlmer is dat de overheersende cultuur er een is van ontheemding. Daardoor ontwikkelen plekken zich op een niet-gangbare manier.” Een paar duiten heeft het allemaal wel gekost. De investeringen in het Arenagebied niet meegerekend, is er vanaf de start van de vernieuwing 1,6 miljard euro in gestoken, waarvan 460 miljoen onrendabel. De helft van dat onrendabele deel heeft de gemeente Amsterdam voor haar rekening genomen. De andere helft is door het Centraal Fonds Volkshuisvesting bijgedragen. I


Referendum stadsprovincie leverde Albanese uitslag op

V

Martin Alberts/Stadsarchief Amsterdam

andaag de dag komen er steeds meer bevoegdheden te liggen bij de Stadsregio Amsterdam, waarin zestien gemeenten samenwerken. Dat betreft vooral verkeer & vervoer – zo heeft de Amsterdamse gemeenteraad al niets meer te zeggen over het eigen openbaar vervoer. Ook op het vlak van ruimtelijke ordening en wonen nemen de taken van de regioraad toe. Rechtstreeks gekozen is dit lichaam echter niet. Deze merkwaardige constructie heeft alles te maken met een bestuurlijk trauma uit 1995. Toen lagen er nog veel ingrijpender plannen voor een regionaal bestuur, gekozen en wel. Nederland zou vier stadsprovincies krijgen rondom de grote steden, zodat deze zouden kunnen blijven meekomen

binnen het zich snel ontwikkelende Europa. Rondom Amsterdam functioneerde sinds de jaren zeventig het Informeel Agglomeratie Overleg, in 1986 omgezet in het roa (Regionaal Overleg Amsterdam, later Regionaal Orgaan Amsterdam). Maar harde bevoegdheden had deze regioraad niet. Op landelijk niveau maakte staatssecretaris De Graaff-Nauta zich hard voor de vorming van stadsprovincies. De overleggen speelden zich echter binnenskamers af en de gewone burger in Amsterdam ontging het allemaal. Totdat binnenstadsbewoner Geert Mak een krantje van de gemeente op zijn deurmat vond. Het lag al bijna bij het oud papier, toen hij de kop zag. Amsterdam had in principe gekozen voor een stadspro-

vincie en in oktober 1995 zou de gemeenteraad naar alle verwachting dit besluit bekrachtigen. De stadsdelen zouden zelfstandige gemeenten worden, die samen met omliggende gemeenten de nieuwe stadsprovincie zouden gaan vormen. Consequentie hiervan was dat de gemeente Amsterdam verdween. Mak ontstak in woede over de geruisloze manier waarop dit ging. Over zo ongeveer elke parkeerhaven in de stad werd een inspraakronde georganiseerd, maar hierover zweeg men in alle talen. In een fel artikel in nrc Handelsblad keerde hij zich in september 1994 tegen “het stille einde van 700 jaar stad”. Van toen af zat het gemeentebestuur in het defensief. Het comité ‘Moet Amsterdam Amsterdam blijven?’ verzamelde dertigduizend handtekeningen en dwong een correctief referendum af. Burgemeester Patijn figureerde in actieliederen als een ongewenste Hagenees die “de tofste stad van ’t land wil elimineren”. Op 17 mei 1995 sprak 93 procent van de kiezers zich uit tegen de stadsprovincie. Ook de opkomst lag ruim boven het benodigde quorum. Een teleurgestelde Patijn erkende onmiddellijk dat hij zich deze “Albanese uitslag” wel ter harte moest nemen. Achter de schermen was wethouder Duco Stadig op-

gelucht. En hij was niet de enige in politieke kringen. Niet dat Stadig de stadsprovincie niet zag zitten – nog steeds betreurt hij de “bestuurlijke spaghetti” die in de plaats is gekomen van dit plan. Maar van de manier waarop het besluit werd voorbereid, deugde niets. “De Graaff-Nauta werd in 1994 opgevolgd door Van de Vondervoort en die zag er niets in. Zij ging onderhandelen met de vier steden om de plannen uit te werken, maar gaf niks weg. Het rijk en de provincie hadden bevoegdheden moeten inleveren, maar dat kwam allemaal niet rond. Daardoor konden wij als gemeentebestuur niet meer uitleggen waar het goed voor was. Anders had je kunnen zeggen: ‘We gaan niet alleen de stad opheffen, nee, we gaan de stad groter maken.’ Maar nu was het symboolpolitiek geworden. Ik dacht zelf ook: als dit het is, hoeft het van mij niet meer.” Voor de binnengemeentelijke decentralisatie had het mislukken van de stadsprovincie ook consequenties. Moest het aantal stadsdelen niet minder worden? En was het wel een gelukkig besluit geweest af te zien van een stadsdeel binnenstad? “In 1994 werd ik niet alleen wethouder bouwen en wonen voor de gemeente, maar ook voor de binnenstad,” aldus Stadig. “In

Alkmaar Purmerend Beverwijk Amsterdam Haarlem Aalsmeer

mijn eerste vier jaar vond ik dat de binnenstad grotelijks werd bevoordeeld ten opzichte van de rest. Er zijn maar weinig bestuurders die twee petten tegelijk op kunnen hebben en het ook nog een beetje eerlijk kunnen spelen. Er waren collega’s die gewoon geld overhevelden van de centrale stad naar de binnenstad, want daar konden ze meer scoren. Ik vond het de spuigaten uitlopen. Wat er bijvoorbeeld niet een geld naar de herprofilering van de Dam is gegaan, dat wil je niet weten.” Uiteindelijk zou het stadsdeel Centrum in 2002 tot stand komen. Doordat van de oorspronkelijke zestien stadsdelen er enkele waren gefuseerd, resulteert vandaag de dag een stelsel met veertien stadsdelen. Op het gebied van stedelijke vernieuwing liggen daar de belangrijkste bevoegdheden, al is de centrale stad de trekker van grote projecten zoals IJburg, de Zuidas of de herstructurering van de Westelijke Tuinsteden.

Boven: De toen beoogde stadsprovincie, nu de stadsregio Amsterdam. Affiches pro en contra de stadsprovincie. Het referendum liep uit op een fiasco voor het stadsbestuur: de Amsterdammers wilden hun gemeente niet kwijt.

DEEL 4: MEKKA VAN DE ARCHITECTUUR, 1991–1997

| 21


Wachttijd voor starters nog altijd veel te lang

Woonruimteverdeling bevrijd uit keurslijf Door de hoge productiecijfers vanaf medio jaren tachtig verdween

De Sibbelpanden op de Hoogte Kadijk, 2005. Deze huizen waren jarenlang inzet van strijd tussen de bewoners en corporatie De Key, omdat deze de goedkope huurwoningen wilde vervangen door duurdere appartementen. De bewoners wonnen.

de grootste krapte op de woningmarkt. En meteen vatten ideeën post om het weinig geliefde distributiesysteem met dienst en al op de helling te zetten. Ook het splitsen van panden en de omzetting van huuretages in koopwoningen – jarenlang door de gemeente en door actievoerders gezien als een snode insteek van speculanten – werd salonfähig, toen bleek dat wijken hierdoor in de lift raakten.

D

vesting om met de corporaties tot een centraal woningzoekendenregister te komen mislukte. Maar het studeren op een ander systeem ging door. Het aantal nieuwe urgenten dat zich jaarlijks bij Herhuisvesting aanmeldde, daalde geleidelijk. In 1990 waren dat er nog 20.000, in 1995 nog maar 12.500. Hun profiel werd ook steeds eenzijdiger. Het waren vooral jonge, alleenstaande starters. Aan de aanbodkant merkte men dat steeds minder goedkope particu-

Aanbodstelsel In corporatiekringen groeide begin jaren negentig het draagvlak voor een aanbodstelsel. In dit systeem konden woningzoekenden zelf reageren op aangeboden woningen. Zo lag het initiatief veel meer bij de gegadigden, al moesten ze wel aan criteria voldoen om een begeerde woning in de wacht te kunnen slepen. Na decennia van strakke woningdistributie was het nieuwe systeem ideologisch een

Jean-Pierre Jans/Hollandse Hoogte

e term woningdistributie alleen al deed te veel denken aan oorlog en woningnood. Daarbij kwam het nieuwe denken vanaf 1990 met Heerma’s omvorming van de volkshuisvestingssector. De burger gold nu als een woonconsument die ruimte moest krijgen voor eigen initiatief, in plaats van door corporatie of gemeente te worden betutteld bij de keuze van een woning. Een eerste poging van de Dienst Herhuis-

liere huurwoningen werden aangemeld. In vijf jaar daalde het aanbod met een derde. Sloop, huurharmonisatie en omzetting van huur in koop waren de belangrijkste oorzaken van deze ontwikkeling.

22 |

DE AMSTERDAMSE VOLKSHUISVESTING 1970–2005


revolutie. Menigeen verwachtte een chaos bij de invoering. Duco Stadig trad in 1994 aan als wethouder en nam dit lastige dossier over van Genet. “Die was er een voorstander van, maar kreeg het niet voor elkaar bij de gemeenteraad. Het stuitte op hardnekkige tegenstand. Op mij kwam dat over als ideologische scherpslijperij. In het oude stelsel zat je met achttien wachtrijen, per corporatie, met allemaal dubbeltellingen want mensen schreven zich op meerdere plekken in om meer kans te maken. Dat kon allemaal veel transparanter en efficiënter. Toen ik wethouder werd, dacht ik: geen gezeur, dat moet gewoon gebeuren. En toen heb ik het eerlijk gezegd doorgedrukt. Ik had voldoende gezag in de raad en mijn eigen PvdA-fractie heb ik met tamelijk veel geweld daarin meegekregen. Ik ben er nog altijd heel trots op dat ik aan de wieg van WoningNet heb gestaan. Het betekende een ontideologisering van de woonruimteverdeling. Het aantal regels is zo minimaal mogelijk, mensen doen het verder zelf. Dan heb je dus geen ideologie meer nodig.”

Geen urgentielijst meer Het aanbodstelsel ging in 1996 van start – en de invoering verliep verrassend soepel. De corporaties hadden nu de woonruimteverdeling in eigen hand. De gemeente bemoeide zich alleen nog met groepen voorrangskandidaten. In het nieuwe stelsel, dat nog steeds van kracht is, worden leegkomende woningen in bladen en op internet gepubliceerd, waarna woningzoekenden hun belangstelling daarvoor kenbaar kunnen maken. Wie de langste inschrijvingsof woonduur heeft, heeft de hoogste rechten en gaat voor. En uiteraard gelden, zolang er schaarste bestaat, regels voor inkomen, passendheid van de woning en regionale binding. Het aanbod werd aanvankelijk in drie segmenten verdeeld. Voor de categorie tot zeshonderd gulden huur per maand gol-

den strikte toewijzingsnormen. In stadsdelen met een overmaat aan goedkope woningen mocht twintig procent scheef worden toegewezen om zo meer inkomensverschillen te realiseren. In het tweede segment, met huren tot 810 gulden per maand, werden de toewijzingsnormen soepeler gehanteerd. Van 810 tot 1007 gulden golden vrijwel geen beperkende regels meer en daarboven was de woonruimteverdeling helemaal vrij. Tegenwoordig is er nog maar één huurgrens van 620 euro, daarboven is alles vrij toewijsbaar. In 1996 werd de gemeentelijke inschrijving van urgenten gestaakt. Ook de corporaties gaven geen nieuwe rangnummers meer uit aan leden (oude rechten golden nog tot 2006). De kleine veertigduizend urgenten uit de bakken van de Woningdienst werden in drie jaar weggeholpen.

WoningNet In het aanbodstelsel werd aanvankelijk nog gewerkt met drie gescheiden clusters van corporaties, maar in 2001 werden die schotten weggenomen en ontstond WoningNet, waarin vrijwel alle verhuurders in de Stadsregio Amsterdam samenwerken. De vrees dat een grote toeloop vanuit Amsterdam naar de randgemeenten zou ontstaan bij het openen van de regionale woningmarkt, werd niet bewaarheid. Ook sindsdien houden de gemeenten binnen de Stadsregio nog een deel van het woningaanbod apart voor de voorrangskandidaten die bij hen ingeschreven staan, zo’n vier- à vijfduizend per jaar. Dat is ruim een kwart, soms bijna een derde van de gemiddeld 16.500 woningen die jaarlijks vrijkomen in de regio. Die voorrangskandidaten bestaan voor bijna de helft uit stadsvernieuwingsurgenten, een groep die bijna helemaal door Amsterdam wordt aangedragen. Daarnaast gaat het om personen met een medische of sociale voorrangsverklaring, erkende vluchtelingen en bepaalde beroepsgroepen waaraan dringend behoefte bestaat (zoals onderwijspersoneel of politiemensen). De eerste evaluaties van het aanbodstelsel lieten alleen maar tevreden gezichten zien. Maar na enkele jaren bleek toch dat starters het moeilijker hadden gekregen door de voorrang van doorstromers. De opnieuw teruggevallen woningproductie en de voor velen te hoge koopsommen deden de gemiddelde wachttijden voor een huurwoning snel oplopen. Pas bij voldoende aanbod hebben ook de starters goede kansen op de woningmarkt. Zes jaar inschrijvingsduur voor een starter en dertien jaar woonduur voor een doorstromer zijn in Amsterdam vandaag

Bert Verhoeff/Hollandse Hoogte

Verkochte koopetages in de Bentinckstraat in stadsdeel Westerpark, 2007. Naar dit soort etages in oude buurten is veel vraag, de prijzen stijgen sterk.

de dag de gemiddelden. Woonduur is overigens niet hetzelfde als wachttijd. Doorstromers wachten bewust jaren voor ze weer de woningmarkt opgaan om meer kans te maken op een woning van hun dromen. Om diezelfde reden weigeren zij ook relatief vaak een aangeboden huis: ze zijn voorzichtig met het verzilveren van de opgebouwde woonduur. De lange inschrijvingsduur van starters is wel een reëel probleem, nog altijd.

Verkoop huurwoningen Niet alleen het bijbouwen van huurwoningen is een oplossing voor het wachtlijstprobleem. De mogelijkheden om een huis te vinden kunnen ook worden vergroot door verruiming van het aanbod aan koopwoningen in verschillende prijsklassen. Amsterdam is vanouds een stad van huurwoningen. Vanaf de jaren negentig is uitdrukkelijk voorrang gegeven aan vergroting van het percentage koopwoningen in de stad, om zo gemengde buurten te creëren of behouden. Rond 1990 opperde Heerma voor het eerst de gedachte om corporaties huurwoningen te laten verkopen. Behalve dat meer mensen dan toegang hebben tot de koopmarkt geeft dit ook het voordeel dat corporaties extra middelen verwerven voor DEEL 4: MEKKA VAN DE ARCHITECTUUR, 1991–1997

| 23


Colofon Bijlage bij nul20, tijdschrift voor Amsterdams woonbeleid, september 2008

In de zomer van 1993 beleefde Amsterdam de splitsingsaffaire. Die was het gevolg van een tijdelijke leemte in de regelgeving. De kort tevoren ingevoerde Huisvestingswet bepaalde dat splitsing van woningen, samenvoeging en woningonttrekking afzonderlijk in de Algemene Plaatselijke Verordening geregeld moesten worden. De gemeente Amsterdam dacht eerst dat kon worden volstaan met de passages die daarover al in de gemeentelijke bouwverordening stonden. Voor het onttrekken van woonruimte moest compensatie worden geleverd of betaald – soms in woonruimte, soms in een bedrag per vierkante meter. Maar nu niet langer op een wettige verordening kon worden teruggevallen, bleek deze compensatie onwettig geworden. Snel werd een nieuwe regeling gemaakt, maar

de bouw van betaalbare huurwoningen. De corporaties en de grote steden wezen het idee fel van de hand. Maar in de jaren negentig ging binnen de gemeente Amsterdam langzaam de knop om. Verkoop van huurwoningen, zowel van corporaties als van particulieren, hoefde niet per definitie slecht te zijn, aldus de nieuwe beleidsopvattingen. Het kan ook bijdragen aan de bevordering van een breed geschakeerd woningaanbod in de verschillende wijken. Mits uiteraard de omvang van de kernvoorraad niet in het gedrang komt. Bovendien kan op deze manier de kwaliteit van de particuliere huurwoningenvoorraad worden verbeterd. Eigenaar-bewoners dragen immers beter zorg voor hun woning dan de gemiddelde belegger.

Strenge regels splitsing In 1998 maakte Amsterdam afspraken met de lokale corporaties om binnen enkele jaren 15.000 huurwoningen onder de huursubsidiegrens te verkopen. Vier jaar later werd dit aantal opgehoogd naar 28.000. Bovendien mochten er tot 2006 ook 19.000 goedkope huurpanden van particuliere eigenaren worden gesplitst en per etage verkocht aan eigenaar-bewoners. Voor dat laatste gelden wel strenge voorwaarden. Zo moeten panden eerst ingrijpend worden opgeknapt en mag er in buurten met veel goedkope huurwoningen meer worden gesplitst dan in gebieden met weinig van dit bezit. Voor elk stadsdeel stelt de gemeente quota vast, terwijl de stadsdelen zelf besluiten mogen nemen over het tempo en de selectie van te verkopen bouwblokken. De verkoop van corporatiewoningen kwam langzaam op gang. In 2004 waren er

24 |

DE AMSTERDAMSE VOLKSHUISVESTING 1970–2005

iisg

Amsterdamse notarissen maakten overuren die kon pas in werking treden nadat ze openbaar gemaakt was. In Amsterdam gebeurde dat door de kennisgeving in een publicatiekastje aan de muur van het stadhuis te hangen. Helaas was de sleutel van het kastje zoek. De Amsterdamse notarissen maakten intussen overuren, want het gat in de regelingen was als een lopend vuurtje in kringen van woningbezitters rondgegaan. In korte tijd werden honderden panden gesplitst, nu dat zonder compensatie kon. Daarna werden de gesplitste panden tegen hoge bedragen per etage verkocht. De gemeente spande een procedure tegen twee eigenaren aan waarin de compensatie alsnog werd opgeëist. De Raad van State stelde Amsterdam in het ongelijk. De gemeente had de regels tijdig moeten aanpassen.

nog maar 3.665 woningen woningen verkocht, maar vanaf dat jaar kwam de vaart erin, vooral in de naoorlogse wijken. Recentelijk is het contingent met nog eens 12.000 woningen uitgebreid. De Dienst Onderzoek en Statistiek zocht in 2005 uit dat eenderde van de verkochte corporatiewoningen van de hand ging voor een prijs die betaalbaar was voor de lage middeninkomens. Bij particuliere huurwoningen die werden verkocht, was dat slechts negen procent – om over bestaande koopwoningen maar te zwijgen. Met de verkoop van corporatiewoningen heeft dus een bredere groep inwoners van Amsterdam een mogelijkheid gekregen voor het doorlopen van een wooncarrière, concludeerde de Dienst. Net als bij de verkoop van corporatiewoningen verliep het proces van splitsing en verkoop van particuliere huurwoningen in de afgelopen jaren trager dan voorzien. Volgens critici gaan de stadsdelen veel te streng met het splitsingsbeleid om. De eisen aan de onderhoudstoestand van de panden liggen zo hoog dat de quota per stadsdeel niet worden gehaald. In 2007 was nog ruimte voor 4.300 te splitsen panden binnen het eerder vastgestelde contingent van 19.000, dat eigenlijk al in 2006 opgesoupeerd had mogen zijn. Die resterende splitsingen zullen vooral plaatsvinden in stadsdelen met een geringere marktdruk: Westerpark, Zeeburg, Bos en Lommer, De Baarsjes en Oost/Watergraafsmeer. Het moge duidelijk zijn: de gemeente Amsterdam bewaakt nog altijd nauwlettend de omvang van de kernvoorraad. Opdat yuppen, immigranten en traditionele Amsterdammers elkaar op de stoep blijven tegenkomen. I

Tekst: Egbert Ottens, Johan van der Tol en Hansje Galesloot Eindredactie: Hansje Galesloot en Johan van der Tol Beeldresearch: Nienke Huizinga Vormgeving: Puntspatie [bno], Amsterdam Druk: Lenoirschuring, Amstelveen

Bronnen De teksten in deze bijlage van nul20 zijn deels gebaseerd op een door Egbert Ottens, voormalig directiesecretaris van de Dienst Wonen, in 2007 samengesteld manuscript. Daarnaast zijn onder meer de volgende bronnen gebruikt: • Abrahamse, Jaap Evert en Rogier Noyon, Het oude en het nieuwe bouwen. Amsterdam, de markt en de woningbouw (2007). • Boer, Jaco, Gentrification van de Oude Pijp en de Jordaan, een onderzoek naar de rol van de overheid en het particulier initiatief (2005) • In éénheid zit kracht. 90 jaar Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties (2007). • Klijn, E.H., ‘De stille revolutie in de volkshuisvesting’, in: Bestuurskunde, 4 (1995) 2, pp. 53–61. • Lans, Jos van der, Kleine geschiedenis van de stadsregio Amsterdam (2006). • Lebesque, Sabine, Langs het IJ. Architectuurtochten door gebieden aan de Zuidelijke IJoever, Amsterdam (2006). • Oudenampsen, Merijn, De glazen stad. De Zuidas en de transformatie van de Amsterdamse stedenbouw. Masterscriptie Universiteit van Amsterdam (2008). • Stadig, Duco, ‘Maakbare stad?’ Lezing Universiteit van Amsterdam, 19 april 2005. Uitgegeven in PlanAmsterdam, 2005 nr. 2.

• Vuijsje, Herman en Jos van der Lans (red.), Het verlangen naar de stad. 25 jaar wonen in Amsterdam (2002). Verantwoording citaten • Citaten Vincent van Rossem: Amsterdams jaarboek monumenten en archeologie 6 (2007), pp. 119–128. • Citaten Duco Stadig: interview door Johan van der Tol, augustus 2007. Of afkomstig uit lezing ‘Maakbare stad?’ (2005), zie boven. • Citaten Lex Pouw: interview door Johan van der Tol, juli 2008. • Interviewkader Ellen Bernard: Jaco Boer, ‘Van achterbuurt tot hotspot, de wonderlijke metamorfose van de Pijp’, in: N.A.P., zomer 2007. • Citaat Annegriet Wietsma uit recensie van haar hand in Ons Amsterdam, mei 2007. • Citaten Ton Schaap: Winfried Janssen en Evelien Brandes, Beeld van een stad. Visie en projecten van Woningbedrijf Amsterdam (2002), pp. 74–75. • Interviewkader Theo Tamis en Brigitte van der Linden: interview door Johan van der Tol, juli 2008. • Citaten Bijlmerbewoners Anne de Haan en Gijs Müller: Hilde de Haan en Jolanda Keesom, Terug naar de straat. De vernieuwing van de F-buurt, Amsterdam Zuidoost (2004), pp. 44 en 104.


Bert verhoeff/Hollandse hoogte

In deel 5 (1998–2005)

IJburg: een paradepaardje

Bouwen voor de markt

Al in de jaren zestig presenteerden de architecten Van den Broek en Bakema hun Pampusplan: woningbouw in het IJmeer om in de grote woningbehoefte van Amsterdam te voorzien. Pas na 1985 werd verder gedacht over dit plan. Eerst zouden er 40.000 woningen komen, later werden dat er 18.000. Een door milieuactivisten afgedwongen referendum gooide bijna roet in het eten. Nu zijn alle kritische geluiden verstomd en is IJburg, net als het Oostelijk Havengebied, een paradepaardje van Amsterdam.

IJburg is het product van de nieuwe rolverdeling in de volkshuisvestingssector. Bouwen voor de markt staat nu voorop. De gemeente beperkt zich tot het aanleggen van een stratenstelsel en het formuleren van een aantal spelregels. Daarbinnen hebben de corporaties en commerciële ontwikkelaars veel ruimte voor invulling. Zij bepalen ook óf er gebouwd gaat worden. Zo is de stad voor de gemeente een stuk minder maakbaar geworden. Maar voorlopig werkt het.

Opbergdoos ‘De Amsterdamse volkshuisvesting 1970–2005’ wordt in vijf delen uitgebracht, steeds als bijlage bij het tijdschrift nul20. U kunt de delen bewaren in een handige, fraai uitgevoerde opbergdoos. Deze is gratis te bestellen via de speciale rubriek over dit project op de website van Dienst Wonen: www.wonen.amsterdam.nl.


ii sg en Stadsarchief Amsterdam

Opland

Opland


Volkshuisvesting Amsterdam 4