Page 1

KUNST&ANTIEK JOURNAAL • JUNI 2001

Van statement tot staalmacaroni Rob Driessen

Rond 1930 nam de toepassing van staalbuis in de moderne interieurinrichting en op tentoonstellingen snel toe. Allerlei fabrieken en ontwerpers wierpen zich op het nieuwe materiaal en gingen naar hartelust buigen met buizen, hetgeen leidde tot de meest wonderlijke modellen. ‘Staalmacaroni’, noemde Mart Stam de modieuze buismeubels minachtend en enigszins afgunstig. Stam moest opnieuw toezien hoe zijn ‘uitvinding’ door anderen te gelde werd gemaakt. De vrijzwevende stoelen van Stam, Mies van der Rohe en Breuer werden overal in Europa geplagieerd. De Oostenrijkse firma Thonet bezat weliswaar de auteursrechten op deze modellen, maar slaagde er niet altijd in deze in het buitenland te doen gelden.

Gispen In Nederland zou de firma van Willem H. Gispen (Rotterdam 1916-1934, Culemborg - heden) zich in korte tijd ontwikkelen tot J.J.P. Oud voor Metz & Co, ‘ontwerp voor stoelen’, 1933. Coll. A. Oud-Dinaux

een geduchte concurrent van Thonet. Gispen had al naam gemaakt met zijn moderne ‘Giso’lampen. Deze toonde hij ook op de baanbrekende tentoonstelling ‘Die Wohnung’ te Stuttgart in 1927. Hier maakte Gispen kennis met de voorhoede van het internationale functionalisme en met de achterpootloze stoelen van Stam en Mies van der Rohe. Teruggekeerd in Nederland ging Gispen meteen experimenteren met stoelen uit stalen buis. In november 1927 presenteerde hij, op een door hemzelf georganiseerde tentoonstelling te Rotterdam, getiteld ‘Kunstlooze Gebruiksvoorwerpen’, zijn zogenaamde ‘diagonaalstoel’. Hier plaatste Gispen zijn stoel letterlijk op één lijn met een stoel naar ontwerp van Gerrit Rietveld en de Freischwinger van Mies van der Rohe. Gispen combineerde een goed gevoel voor vormgeving met zakelijk vernuft, technisch inzicht en machinale productiemogelijkheden. Zijn diagonaalstoel was afgeleid van de ‘beugelstoel’ van architect en meubelmaker Rietveld, die al enige tijd experimenteerde met staal als nieuw materiaal voor stoelen. Gispen deed met de stoel van Rietveld wat Mies van der Rohe had gedaan met de stoel van Stam. Hij maakte het van een avantgardistisch ‘statement’ tot een industrieel

serieproduct. Gispen versmolt de twee beugels van Rietveld tot één continue lijn en accentueerde de open vorm van het frame. In 1929 kreeg Gispen van de architecten Brinkman & Van der Vlugt de belangrijke opdracht voor de inrichting van de kantoren van de nieuwe Van Nelle fabriek te Rotterdam. Dit gebouw stond destijds volop in de (internationale) belangstelling als een baanbrekend voorbeeld van het nieuwe bouwen, evenals de door dezelfde architecten ontworpen woningen van de fabrieksdirecteuren Van der Leeuw en Sonneveld. In deze hypermoderne, functionalistische villa ’s stonden Gispens stalenbuisstoelen gebroederlijk naast beroemde thonetmodellen van Marcel Breuer en Le Corbusier. Gispens ster was rijzende en vele belangrijke opdrachten volgden. Naast de beugelstoel, die in diverse varianten werd gemaakt, bracht Gispen rond 1930 vrijzwevende modellen op de markt. Toen de firma vervolgens door Thonet voor de rechter werd gesleept, wegens schending van het auteursrecht van Stam, ging Gispen met succes de strijd aan om het in Duitsland geldende auteursrecht van Stam in Nederland nietig te verklaren.

Kapers op de kust Gispens positie van marktielder in Nederland bleef echter ook niet onbetwist. Toen het stalenbuismeubilair aansloeg bij een groter publiek, schoten nieuwe bedrijfjes op dit gebied als paddestoelen uit de grond. De ontwerper Paul Schuitema, die enige tijd de grafische vormgeving voor de firma Gispen had verzorgd, richtte in 1932 in Rotterdam, samen met Ir. van Ettinger en P. Dekker, de verkoopcoöperatie D3 op. In 1935 ging dit bedrijf op in de nieuwe fabriek Fana (Rotterdam 1935 -1976). Samen met Thonet was Fana in de jaren dertig Gispens grootste concurrent op de Nederlandse markt voor stalenbuismeubilair voor de woning. Naast de modellen van de oprichters werden bij Fana ontwerpen uitgevoerd van de architecten H. van Loghem, Ch.J.E Karsten en B. Merkelbach en van de binnenhuisarchitect-ontwerpers Cor Alons en Arie Verbeek. Daarnaast voerde men incidenteel ontwerpen van andere architecten uit. Een andere firma die speciaal werd opgericht voor de vervaardiging van stalenbuismeubilair was N.V. De Cirkel (Amsterdam 1934 Zwanenburg/Halfweg 1967), van Jan Schröfer en Jacobus Ahrend. De bedrijfsnaam De Cirkel verwees naar de eigenschappen van de stalen buis. Naast Schröfer en Ahrend ontwierpen H. Kunst en E. Mendel eveneens voor deze firma. Stalen buisstoelen op de tentoonstelling

‘Kunstlooze Gebruiksvoorwerpen, Rotterdam 1927 Van links naar rechts: G.Rietveld, ‘Beugelstoel’ W.H. Gispen, ‘diagonaalstoel’ L. Mies van der Rohe, ‘Freischwinger’. Foto: P. Schuitema, Rijksprentenkabinet, Leiden


Een paar Gispen nummer 412 fauteuils, ontwerp 1935. Foto Sotheby’s

De meeste van de nieuw opgerichte bedrijven richtten zich, net als Gispen, grotendeels op kantoormeubilair. Dit zou uiteindelijk een belangrijker en meer stabiele markt voor stalen menbilair vormen dan de woninginrichtingsbranche. Reeds bestaande firma’s op het gebied van kantoormeubilair, zoals Oosterwoud en Ahrend, maakten op hun beurt incidenteel meubels voor gebruik in de huiselijke kring. Ook andere bedrijven, variërend van de beddenfabrikant Auping tot de Koninklijke Verenigde Touwfabrieken, waagden zich aan het stalenbuismeubel. Natuurlijk konden de diverse meubelfabrieken en speciaalzaken voor woninginrichting niet achterblijven. De Utrechtsche Machinale Stoel- en Meubelfabriek (UMS, 1913 - heden) bracht in 1932, in samen-werking met de fietsfabriek HOPMI, een serie stalen meubels op de markt naar ontwerp van H. R Mertens. De bekende Haagse meubelfabriek H. U. Pander & Zonen had aanvankelijk afwijzend gestaan ten opzichte van het functionalisme, maar nam rond 1934 toch verchroomde buismeubels (mogelijk naar ontwerp van J. E Semey) in haar assortiment op. Het luxueuze warenhuis Metz & Co speelde een belangrijke rol in het ‘salonfähig’ maken van de moderne stalenbuismeubels. Naast de bekende modellen van binnen- en buitenlandse ontwerpers, waren bij Metz speciaal voor het warenhuis ontworpen stalen-buisstoelen te koop van onder andere Rietveld, Vilmos Huszar en J.J.P. Oud.

Een kwestie van smaak Het moderne buismeubilair voor de woning bleef echter grotendeels voorbehouden aan de ‘Nieuwe Mensch’: Jong, modern en welgesteld. Uit gegevens uit 1933 blijkt dat een eenvoudige, houten thonetstoel te koop was voor rond de acht gulden, terwijl men voor een verchroomde buisstoel van Gispen ongeveer achttien gulden betaalde. De Freischwinger van Mies van der Rohe kostte meer dan het dubbele. Ter vergelijking: in 1937 verdiende een arbeider in een meubelfabriek negentig gulden per maand. Niet alleen de prijs van het buismeubilair was bezwaarlijk, veel mensen vonden het buismeubilair te ‘kil’ voor gebruik in het interieur. Aanvankelijk sloten veel critici zich hierbij aan. Naar aanleiding van een tentoonstelling, in 1928, van eigentijdse kunst en vormgeving in het Stedelijk Museum te Amsterdam, schreef een verslaggever van Het Volk: ‘de vernikkelde stoelgeraamten doen een sympathiek aangelegd mensch jodoform ruiken. Je reinste operatiekamer-geval en verduiveld leelijk.’ De invloedrijke binnenhuisarchitect en criticus Paul Bromberg noemde de beugelstoel van Rietveld ‘stuntelig dilettantisch’ . In de loop van de jaren dertig liet Bromberg zich echter een stuk positiever uit over de nieuwe lichting stalen-buismeubels en plaatste hij modellen van Gispen in zijn interieurs. Het grote publiek bleef echter een voorkeur houden voor grotendeels gestoffeerde modellen die nog dicht bij de ‘gezellige’ clubzetel stonden.

Metaalmoeheid In deze periode toonde J.J.P. Oud bij Metz een serie stalen-buisfauteuils, die volgens de architect afstand namen van de verwerpelijke

‘haarspeldvormgeving’ en in plaats daarvan ‘behaaglijk en stabiel’ zitcomfort boden. Ook Gispen zocht al langere tijd naar een compromis tussen comfort en moderne vormgeving. Na 1930 bracht hij diverse fauteulis uit met een dik gestoffeerde zitting en rug, gemonteerd op een vrijzwevend stalenbuisframe. Gispen slaagde het best in zijn opzet met de fauteuil ‘no. 412’ uit 1934: een model dat het paradepaardje van de firma zou worden. De fauteuil, met zijn ruime, verende zit en de karakteristieke, lange armleggers met opkrullend uiteinde, werd tot 1975 vrijwel onveranderd geproduceerd en is ook heden ten dage nog zeer geliefd. Een dergelijke knieval voor comfort en huiselijkheid was een ware functionalist als Stam natuurlijk een doorn in het oog. Zowel het functionalisme als de stalenbuisstoel voor de woning hadden echter hun langste tijd gehad. Na de tweede helft van de jaren dertig kreeg een meer traditionele en decoratieve smaak de overhand binnen de architectuur en de interieurinrichting. Een mooie illustratie hiervan vormen de stalenbuisstoelen met bizarre, barokke curven, die architect Sybold van Ravesteyn, ooit een overtuigd functionalist, in 1936 introduceerde. Zowel bij de ontwerpers als bij het publiek trad gaande-weg een soort ‘metaalmoeheid’ op. Goedkope en eenvoudig te bewerken, gelaagde houtsoorten als triplex en multiplex wonnen snel aan populariteit. Maar hierover meer in een volgend artikel. Paul Schuitema voor D3, circa 1930-1931.

Veilingprijzen De huidige waarde van vooroorlogse, Nederlandse stalenbuis-stoelen is afhankelijk van - zeer voor de hand liggende - criteria als de naam van de ontwerper en de oplage van de productie. Zeldzaam en (dus) kostbaar zijn de voor Metz ontworpen stoelen van Oud, Huszar en Rietveld. Van de laatste verschijnen bij tijd en wijle varianten van de beugelstoel op de markt, die tienduizenden guldens kunnen opbrengen. In 1994 werd bij Sotheby’s Amsterdam een door Rietveld voor Metz & Co ontworpen armstoel, met een verchroomd stalenbuisframe, verkocht voor ruim vijftigduizend gulden. De ‘fabrieksmeubels’ zijn minder kostbaar; voor rond de duizend gulden kan men nog leuke stoelen op de kop tikken. Het is echter niet eenvoudig het kaf van het koren te scheiden; de stoelen zijn zelden gemerkt en de variëteit aan modellen is groot. Een ‘architectenmodel’ van Fana is natuurlijk een betere investering dan een ‘gewone’ Auping. Gispenstoelen zijn er te kust en te keur, vanwege de decennialange serieproductie van veel modellen. Naast de vroege diagonaalstoel is de 412-fauteuil (en de ‘dames’variant 414) het meest gezochte model van Gispen. Vorig jaar bracht een paar 412’s bij Sotheby’s Amsterdam bijna drieduizend gulden per stuk op.

Van statement tot staalmacaroni  

Van statement tot staalmacaroni

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you