Page 1

LUC V I N T S

Beeld van een zending Nieuwepropagandamedia voor de missies

LUC Vints (1960) hoofd van de afdeling audiovisuele documentatie van het Katholiek Documentatie- en Onderzoekscentrum te Leuven.

In 1622 werd in Rome de Congregatie de Propaganda Fide opgericht. Zij werd belast met het bestuur van de kerken in landen waar de katholieke godsdienst officieel verboden was, zoals Engeland, de Noordelijke Nederlanden en Scandinavië. Bovendien werd haar de zorg toevertrouwd voor de kerken van de Spaanse en Portugese koloniën en in de landen waar de islam, het boeddhisme of andere niet-christelijke religies de overhand hadden. De Propaganday zoals ze kortweg werd genoemd, was ook het pauselijke ministerie voor missiezaken. In haar wilde het Vaticaan zijn missiepolitiek centraliseren; via haar wilde het de missie-ijver opwekken. De initiatieven van de Propaganda op dit gebied werden onder meer bemoeilijkt door polhiek-kerkelijke factoren zoals het patronaatsrecht van sommige landen.1 Over de Propaganda als instelling willen we het hier echter niet hebben, wel over de manier waarop de Kerk en vooral de vele al dan niet louter missionaire congregaties en organisaties hebben getracht een zeker missie-elan tot stand te brengen. Dat is vooral een fenomeen geweest van de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw, wanneer diverse nieuwe middelen ('media') werden ontwikkeld die voor dat doel konden worden ingeschakeld.

I. DE DRUKPERS

1 Over de Propaganda, zie o.m. A. Mulders, Missiegeschiedenis (Antwerpen 1957), p. 261-294. 2 Zie L. Vints, 'Produktie en vormgeving van de bidprentjes', in: Ter zaliger

Vanaf het midden van de zestiende eeuw was de drukpers het propagandamiddel bij uitstek dat in het kader van de Contrareformatie (en in de lijn van de Reformatie) werd gebruikt voor de verkettering van de tegenstanders en de verdediging van de eigen zaak. De produktie en verspreiding, tot in de missiegebieden toe, van devotieprentjes moet bijvoorbeeld in dit kader worden gesitueerd.2 Ook de uitgave van de Lettres édifiantes et curieuses past hierin.3 Deze brieven van jezuïetenmissionarissen werden tussen 1702 en 1776 gepubliceerd in 39 volumes. Het zijn getuigenverslagen over de missies, met een stichtende en wetenschappelijke bedoeling. De Lettres hadden veel succes en droegen bij tot een ruimere verspreiding van de missiegedachte. Ze gaven, nagedachtenis (Gtt\ 1988), p. 49-59, met uitgebreide bibliografie. 3 Cf. C. Dujardin, 'Van

pionier tot dienaar. Profiel van de Belgische missionaris in historisch perspectief (1800-1989)', in: R. Bou-

Trajecta, $ (1006), aflevering 4

dens (red.), RondDamiaan (Leuven 1989), p. 115187 (meer bepaald p. 125127) (KADOC-studies7).


370

ook door middel van hun interessante iconografie, een exotisch beeld van de niet-westerse cultuur.4 In de tweede helft van de achttiende eeuw maakte de Kerk een zware crisis door, waarvan ook de missies de gevolgen droegen. De heropleving van het katholicisme vanaf het begin van de negentiende eeuw ging dan weer gepaard met een missionair reveil.5 Dat kwam onder meer tot uiting in de vele herdrukken van de Lettres Edifiantes zn, vanaf het midden van de eeuw, in de uitgave van een massa aan missieliteratuur. Een belangrijke bron voor de studie van het nieuwe missie-elan vormen de Annales de l'Association de la Propagation de la Foi, die vanaf schenen al in de jaren 1830; 1822, werden uitgegeven en in de traditie van de Lettres veelal brieven in België volgden ze drie van missionarissen bevatten. Zoals hun titel aangeeft, vormden de An- decennia later; cf. D. Beken e.a., 'Het oog wil ook wat: nales het orgaan van het Genootschap voor de Voortpanting des Ge- katholieke illustraties', in: loofs dat in het zelfde jaar in Lyon was opgericht. Het was een van de KADOC-Nieuwsbrief, missiewerken die in Frankrijk hun ontstaan vonden en uitgroeiden tot 1990-1991, p. 5, 6-7; 150 jaar de Pauselijke Missiewerken. Vanaf het begin van de jaren 1830 vond pers kijken. Anderhalve het ook zijn weg naar België en Nederland en kregen de Annales een eeuw geïllustreerde informatie in België{Brussel 1980) Nederlandstalige uitgave.6 en U. Eskildsen (red.), De Annales beantwoordden echter na enige tijd niet meer aan de Fotografie in deutschen Zeitsmaak en de nieuwsgierigheid van hun publiek, de opkomende mid- schriften 1024-1033. Stuttdenklasse. In 1868 lanceerde het Genootschap het weekblad Les Mis- gart 1982. In verband met 'panoramische blik'; sions Catholiques. Vier jaar later, in 1872, verschenen er de eerste illus- de L. De Cauter, 'Over traties in. De Nederlandstalige versie, uitgegeven in 's-Hertogenbosch, wereldtentoonstellingen: rolde vanaf 1874 van de pers, de Duitse vanaf 1875. Ze bevatten niet of opkomst en verval van de nauwelijks eigen berichten noch illustraties.7 Het beeldmateriaal panoramische blik', in: De (prenten, later foto's) gaf wel een antwoord op de behoefte van de ne- panoramische droom. Antwerpen en de wereldtentoongentiende-eeuwse (kleine) burgerij aan 'beelden' om de steeds uitdei- stellingen, 1885-1804-1030 nende wereld te kunnen vatten en te kunnen ordenen. De techniek (Antwerpen 1993), p. 37-44. om zo'n 'panoramische blik' te verschaffen, was aanwezig.8 9 Les Missions CatholiHet eerste geïllustreerde nummer van Les Missions Catholiques ver- aueswetd systematisch nascheen op 3 mei 1872, op de vijftigste verjaardag van het Genootschap. gekeken van 1872 tot 1890. Uit dit voorlopige onder"Eindelijk", zo vermeldde het editoriaal dat het doel van de stichting zoek blijkt onder meer de (en van het blad) nog eens samenvatte: "de missies beter leren kennen verspreiding van de neogoen zo op de meest efficiënte manier de inzet voor hen opwekken. (...) tiek vanuit West-Europa De illustratie zal daarbij een machtige hulp zijn". De eerste gravure naar de missies in Afrika en 4 Cf. C. Comby, 'Modes de connaissance de l'activité missionnairc et modeles d'inculturation chrétienne, d'après les relations des xvie-xviiie siècles', in: J. Gadille (red.), La mutation des modèles missionnairesauxXXe siècle. Expérience d'inculturation chrétienne (Lyon 1983), p. 67-81. 5 We gaan hier niet verder op in; zie hiervoor onder meer C. Dujardin, Mis-

sioneringen moderniteit. De Belgische minderbroeders in China (Leuven 1996), P- 33-48(KADOC-studies 19) 6 De ondertitel van de eerste jaargang (1833) luidde: Tydschrift bevattende brieven van de bisschoppen en missionnarissen der missi'én van America en de andere werelddeelen, alsmede alle berigten raekende de zendingen en het Genootschap tot voortplanting des

Gelooft. Vanaf de 25ste jaargang (1858) werd van America en de andere werelddeelen vervangen door van de oude en de nieuwe wereld. 7 Cf. J.M. Hogema, 'De missiebeweging van katholiek Nederland', in: De heiden moest eraan geloven. Geschiedenis van zending, missie en ontwikkelingssamenwerking(Utrecht 1983), p. 19-2.9. 8 De eerste 'illustrés' ver-

Azië (o.m. China, Indië, de Antillen, de Filippijnen, Madagascar, Indochina, Mongolië, Tunesië, Benin). Vaak wordt de neogotiek vermengd met de lokale vormentaal. Verder onderzoek is evenwel noodzakelijk. Cf. ook J. De Maeyer, 'Katholiek reveil, kerken kunst', in: P.A.M. Geurts (teA.ÏJ.A.Alberdingk Thijm 1820-1880. Erflater van de negentiende eeuw (Baarn 1992), p. 81-100 (meer bepaald p. 95).


toont de neogotische Sint-Hubertuskerk in Mandchourije, een kerk met enkele bijgebouwen, alleen in een bergachtig landschap. Kerken, kloosters, seminaries, christelijke monumenten ... blijven ook later een vast onderdeel in de iconografie van Les Missions Catholiques? In het nummer van 20 september 1872 verschijnen de eerste mensen: een groepfoto van dorpsnotabelen uit Oost-Afrika en een inlandse koning met zijn dienaars. Zij vormen het begin van een lange reeks prenten die de bonte missiewereld in beeld brengen. Zij laten over het algemeen het model zien van de negentiende-eeuwse missionaris: een

Vendreili 2 Janvier 1874

BULLETIN HEBDOBftDA'RE ILLUSTRÊ DE L'EUVRE DE LA PROPftGATlON DE LA FOI

romantische held, die, vaak alleen, pionierswerk verricht in verre, bij voorkeur exotische landen. Hij staat, soms met een confrater, temidden van een grote groep inboorlingen; hij trekt, gewapend en gevolgd door een hele karavaan, door het oerwoud; hij stapt met paard en kar door een onherbergzaam landschap.10 In vergelijking met algemene geïllustreerde bladen (zoals het Journaldes Voyagesofde Tour du Monde, Franse bladen die ook in België werden verspreid) lijkt het missie10 Het betreft hier een eerste analyse van de jaartijdschrift een meer genuanceerd beeld op te hangen. De vele prenten gangen 1872-1890. Diepvan 'inlandse typen' en hun levenswijze - volgens een telling van Claugaander onderzoek is ook de Prud'homme het grootste deel (ca. 60 % in de jaren 1880-1890) van hier noodzakelijk. de prenten - hebben een zekere ethnologische waarde. Maar indien n Cf. C. Prud'homme, 'La représentation de Pautre andere religieuze systemen aan bod komen, krijgen de prenten een ridans l'iconographie des diculiserend karakter." Kop van het tijdschrift Les Missions Catholiques in 1874. [KADOC, Leuven]

Missions Catholiques a la fin du xixème siècle', in: J. Gadille (red.), Iconographie, catéchisme et missions. Actes du colloque d'histoire missionnaire de Louvain-laNeuve(Lyon CREDIC, 1983), p. 36-39 en B. Salvaing, 'A propos de l'iconographie des revues missionnaires', in: idem, p. 30-35.

2 . F O T O G R A F I E I N D E P I O N I E R S T I J D (CA.

1860-1890)

De illustraties die in het missietijdschrift werden gepubliceerd, waren gravures. De eerste foto verscheen pas in 1888, in het nummer van 5 oktober. Ook later nog illustreerden overwegend prenten de teksten in het blad. Dat wil niet zeggen dat de missiefotografie pas op het einde van de jaren 1880 haar intrede deed, maar wel dat pas rond 1880 de

371


techniek in staat was foto's te drukken. De meeste gravures waren trouwens gemaakt naar een foto die door een ambachtsman vertaald was in een drukvorm. De woorden d'après une photographie, die in vele onderschriften voorkomen, vergrootten het waarheidsgehalte van de gravure. De missiefotografie dateert van ca. 1860 en moet worden gesitueerd in het kader van de reisfotografie die zich onmiddellijk in het spoor van de fotografie ontwikkelde. Zij maakte het eindelijk mogelijk de wereld zoals die was, vast te leggen, te reduceren tot een zakformaat, te bezitten. Door een technische en zogenaamd neutrale ingreep kon een 372 afdruk worden genomen van de werkelijkheid en kon die werkelijk- ii Zie voor de vele asheid worden gekopieerd. De fotografie werd zo een handig instrument pecten (ook technische) voor de expansionistische-kolonialistische politiek van de West-Euro- hiervan de schitterende tentoonstellingscatalogus pese landen.12 Dergeraubte Schatten. Die Ook voor het opwekken en verstevigen van een missionair elan kon Photographie als ethnograpde fotografie worden ingeschakeld. Wie de eerste missonarissen-foto- hisches Dokument. Müngrafen waren en waar en wanneer ze hebben gewerkt, is nauwelijks on- chen 1989; en Etranges étderzocht.13 In algemene werken over fotografie komen ze niet aan bod; rangen. Photographie et exotisme, 1850/1010. Parijs in publicaties over koloniale of exotische fotografie zijn ze zo goed als 1989. Voor meer bibliogra14 afwezig. De eerste priester-fotograaf zou Antonio d'Allessandri zijn, fische verwijzingen: L. de hoffotograaf van paus Pius ix/s Hij behoorde waarschijnlijk tot een Vints, 'Filmen koloniale fotografenfamilie die in de jaren 1860 en 1870 zeer actief was in Rome, propaganda (1895-1960)', in: M. Dumoulm en E. onder meer in zoeavenkringen.10 Stols (red.), La Belgique et Protestantse zendelingen ontdekten het belang van de fotografie al l'étrangerauxXIXe etXXe in het midden van de jaren 1850. De Zwitserse historicus Paul Jenkins sièdes (Louvain-la-Neuve dateerde de eerste sporen van een zendeling-fotograaf in West-Afrika 1987), p. 187-203 (meer bein 1856. De Schotse methodist Daniel West maakte er daguerrotypes paald p. 188-190) en L. Vints, 'Fotografie en ex(zoals de eerste generatie foto's werd genoemd, naar de uitvinder van pansie: Mexicaans avonhet procédé, de Fransman Daguerre). Die foto's werden enkele jaren tuur'belicht", in: De Bellater in het Calwer Missionsblatt als gravure opgenomen. De Basler gen en Mexico. Negen bijMission, met zendelingen in Ghana, toonde vanaf 1857 belangstelling dragen over de Geschiedenis voor de fotografie, terwijl de Norddeutsche Mission in 1863 aan een van van de Betrekkingen tussen België en Mexico (Leuven haar leden een camera bezorgde. Zijn foto's werden in het maandblad 1993), p. 109-118. van de organisatie gepubliceerd én als steunmiddel verkocht. Ook an- 13 Over missiefotografie dere genootschappen, zoals de London Missionary Society, hadden van- verschenen slechts enkele oriënterende artikels die af het midden van de jaren 1850 interesse voor eigen foto's.17 vragen om verder onderUit een analyse van de illustraties in de Missions Catholiques, die zo- zoek: S. Rivoir, 'Lapropaals gezegd ook in de anderstalige uitgaven worden hergebruikt, kun- gazione della fede. Appunnen we afleiden dat (katholieke) missionarissen zeker rond 1870 de fo- ti per una storia delle fototografie hebben ontdekt. Bij de gravures staat regelmatig vermeld dat grafie delle Missioni catde tekening is gemaakt naar een foto van een missionaris. Soms wordt toliche', in: Rivista distoria e criüca della fotografia die zelfs met naam genoemd. Zo bijvoorbeeld in het genoemde num- (1981), 3, p. 51-60; R. Cormer van 20 september 1872 waarin verwezen wordt naar pater Baur, bey, 'Der Missionar, die van de congregatie van de paters van de Heilige Geest, actiefin Oost- Heiden und das Photo. EiAfrika.18 Van dezelfde missionaris publiceert het blad later nog foto s. ne methodologische AnOok in de teksten duikt de naam van de pater-fotograaf op: "Le P. merkung zur Interpretation von Missions-photoBaur a failli y [d.i. in Oost-Afrika] avoir une mauvaise aventure. Place graphien', in: Zeitschrift k six mètres du fleuve, il était occuppé & photographier les charmants für Kulturaustauscb, paysages des bour de l'Ouami, lorsque, tout 4 coup, un enorme croco- (1990), p. 460-465 en W


dile, dont la tête seule avait pres d'un mètre de longueur, s'élance pour Ie saisir. Heureusement... 'V9 Andere paters-fotografen, met naam genoemd, zijn pater Lacombe, een oblaat die bij de indianen in Canada werkzaam was, en pater Le Roy, een confrater van Baur.20

3. M I S S I O N A R I S S E N - F O T O G R A F E N (CA. 1890-1920)

Wagner, 'Missionare als Photographen', in: ibidem, p. 466-474. 14 B.v.: in: E. Baschet, L'Afrique découvre l'Europe. 300 photos sur l'Afrique noire et l'Afrique du Sud. Parijs 1978, staat geen missiefoto; in: Etranges étrangers. Photographie et exotisme, 1850/1910 één foto (op p. 64) en twee in: R. Laffont, L'Exotisme colonial. Centcinquantephotographies du début du siècle. Parijs 1980. 15 Zie Italien sehen und sterben. Photographien der Zeit des Risorgimento. Keulen 1995 (tentoonstelling Römisch-Germanischen Museum). 16 De zoeaven de Hemptinne en Mousty lieten zich door de Fratelli d'Allessandri fotograferen, als ook het echtpaar Arthur Verhaegen en Claire Lammens tijdens hun huwelijksreis in 1872, cf. E. Lamberts (red.), 'De Kruistocht tegen het Liberalisme. Facetten van het ultramontanisme in België in de 196 eeuw', in: KADOC-Jaarboek 1983 (Leuven 1984), p. 93 en J. De Maeyer, Arthur Verhaegen, 1847-1917, De rode baron (Leuven 1994), p. 30 (KADOC-studiesi8). 17 P. Jenkins, 'The Earliest Generations of Missionary Photographers in West Africa: The Porcrayal of Indigenous People and Culture', in: VisualAn-

Wanneer verschillende (missie)congregaties vooral vanaf ca. 1890 eigen tijdschriften op de markt brengen, is de fotografie ingeburgerd. Dat heeft uiteraard ook te maken met een technische evolutie: de foto- 373 toestellen werden steeds handiger en comfortabeler. Men moest geen glasplaten en gevaarlijke chemische producten meer meesleuren op reis. Een eenvoudige 'druk op de knop' volstond. In koloniale en missionaire kringen wordt trouwens reclame gemaakt voor reistoestellen, "spécialités pour Missionnaires et Explorateurs".ZI In Misstën in China en Congo, vanaf 1889 uitgegeven door de congregatie van het Onbevlekt Hart van Maria, beter bekend als Scheut, werden in de eerste nummers nog enkele gravures opgenomen, "naar eene teekening van de E.H. ...". Foto's, onder meer genomen door de latere bisschop pater Camille Van Ronslé, overheersten evenwel.22 Ook zijn confraters Eméri Cambier en Alexis Senden, beiden werkzaam in de Kasai-missie, waren in het bezit van een fototoestel. Cambier bleek later zelfs een enthousiast fotograaf, die zijn realisaties in Luluaburg/Mikalai uitgebreid in beeld bracht: de gebouwen die hij optrok, het werk van de zusters, foto's van grote groepen Kongolese kinderen geknield voor een pater, (...). Cambier was zich trouwens bewust van het belang van wat nu een goede public-relationspolitiek wordt genoemd. Zijn foto's moeten waarschijnlijk in die context worden begrepen.23 Alexis Senden, de pionier van de Sint-Trudomissie in de Kasai,24 thropology(iy<)4), p. 115145. Cf. ook'Missionary Photography: Untapped Source for the Study of Christian Missïons', in: International Bulletin of Missionary Research (1995)., P-9718 Missions Catholiques, 20 sept. (1872), p. 567 (citaat); 26dec. 1873. 19 Missions Catholiques, 19 april (1873), p. 190. 20 Missions Catholiques, 20 juni (1873), 21 dec. (1877), 14 nov. (1884). 21 Missiën in China, Congo en de Philippijnen, nov. 1910. Zie ook L. Vints, Kongo made in Bel-

gium. Beeld van een kolonie in film en propaganda (Leuven 1984), p. 20; cf. ook A. Roberts, Photography and the African Past (conf. U.C.Louvain-laNeuve, I7febr. 1989). 22 Missiën in China en Congo, 1898-1900; naar een foto van Van Ronslé wordt verwezen in het nummer van maart 1892. 23 J.-L. Vellut, 'Emeri Cambier (1865-1943), fondateur de la mission du Kasai. La production d'un missionnaire de légende', in: P. Halen en J. Riesz (red.), Images de l'Afrique et du Congo/Zaïre dans les

lettresfran faises de Belgique etalentour (Brussel-Kinshasa 1993), p. 39-74; zie ook V. Meyfroot, Fotografen en de kolonisatie van Congo, 1885-1014 (Leuven 1982), p. 65. 24 De Sint-Trudomissie werd genoemd naar de stad Sint-Truiden waar diocesaan hoofdinspecteur priester Jozef Senden in 1890 het Werk der Oude Postzegels, met afdelingen over het ganse land, had gesticht met de bedoeling de missiepost van zijn broer te ondersteunen. In 1891 werd het werk overgebracht naar het grootsemi-


maakte eveneens foto's, die hij naar zijn ouders stuurde. Op 13 juni 1899 schreef hij bijvoorbeeld: "Ik zal u binnen kort twee lichtprenten zenden: de eene stelt al de bewoners van St. Trudo voor; de andere is een gezicht van de geheele missie." Dat fotografie in de tropen niet altijd even makkelijk was, bleek drie dagen later: "De lichtprent die de groep onzer lieden voorstelt, is mislukt; ik kan u dus voor den oogenblik slechts het gezicht der missie zenden." Zijn ouders voorzagen hem, zoals blijkt uit zijn schrijven van 30 juni 1901, op zijn aanwijzen van het nodige materiaal. "Ik stel hem [d.i. de algemeen overste] ook 374 ^

voor aan u te vragen voor mij vijftig bladjes papier voor de lichtprinterij. (Papier sensible 13 : 18). Die 13 : 18 duidt de grootte aan. Dit kost rond de 7 franken voor de 50 bladjes.... Het is mij 't best dat papier direct te sturen en aan de verzender goed aan te bevelen het goed in te pakken in briefomslag en in papier dat het licht afsluit. De mannen die zulks papier verkoopen, die weten dat toch wel. Hierbij twee lichtprenten van St. Trudo."25

De Sint-Jozefskerk van Kouy-yang-fou (China), "naar een foto".De Westerse neogotiek vermengd met de lokale architectuur. Illustratie uit Les Missions Catholiques, 17aug. 1877. [KADOC, Leuven]

narie van Luik. Zie 'LesMissions Catholiques au Congo et la CharitĂŠ en Belgiue', in: Le Mouvement des Missions Catholiques au Congo, 1906, p. 30 (vooral p. 10-15). 15 De brieven werden gepubliceerd in E.P.Alexis Senden. Missionaris van Scheut - Congo pionier. Sint-Truiden z.d.


7.6 Gent, ArchiefZusters van Liefde, 'Zes j aar in Belgisch-Congo. Eene verzameling van acht-en-veertig brieven geschreven door zusters Maria-Hilda, in de wereld Elisabeth Busschaert, 1894-1900', p. 37 en 40. De brieven werden in het Frans uitgegeven: La Mission des Soeurs de la Charitédejésus et de Marie a Berghe Sainte Marie 1894-1900. Gent 1990. Over de missie van de zusters: zie ook L. Vints i.s.m. Z.A. Etambala, loojaar zusters van Liefde J.M. in Zaïre, 1891-1991. Brussel/Leuven 1992. z/ Gent, ArchiefZusters van Liefde, Brief van zuster Godelieve, Nemlao, 10 jan. 1893; La Mission des Soeurs de la Charité de la Charité dejésus et de Marie au Bas-Congo. Lettres des missionnaires de Moanda, Nemlao et Kinkanda, 18921908 (Gent 1991), p. 104 (citaat brief half-juni 1893); Brieven van zuster Marie-Godelieve Ryckebusch aan haar familie (Gentz.d.), p- 71 en 74 (overige citaten). z8 Over deze bijzondere missie van de Gentse priesters: L. Vints i.s.m. Z.A. Etambala, 100jaar zusters van Liefde].M. in Zaïre, p. 28-30, 43-46.

Of pater Willem Van Leuven, ook een scheutist, een eigen toestel had, weten we niet. Hij was overste in de missiepost Sinte-Maria-Berghe en zorgde alleszins voor een foto van de zusters van Liefde van Jezus en Maria die de paters in die moeilijke missie te hulp waren gekomen. Zuster Maria-Hilda (Elisabeth Busschaert) schreef in januari 1897 aan haar broer dat ze nog geen foto kon opsturen. "Wij hebben nog geene gelegenheid gehad ons te laten trekken, de Fotografes loopen hier zoo dik niet als in België". Enkele maanden later, op de tweede Paasdag, kon ze haar familie meedelen dat ze "vergezeld van negen negerinnekens een bezoek gaat brengen, in een papieren zakje!!!". De foto kreeg ze van pater Van Leuven.26 375 Missiefotografie was niet alleen een mannenaangelegenheid. Ook bij de zusters waren er in deze pionierstijd fervente beoefenaars van de "lichtprinterij". Zo bijvoorbeeld zuster Godelieve (Marie-Louise Rijckebusch), ook van de zusters van Liefde van Jezus en Maria, een van de eerste vrouwelijke missionarissen in Kongo. Zij vertrok in 1891 naar Kongo en was eerst m Nemlao, aan de monding van de Kongostroom, werkzaam. Van daaruit stuurde ze in januari 1893 foto's, ontwikkeld in Boma, naar haar broer aan wie ze ook vroeg haar nieuwe "ingrediënten", aangepast aan het tropisch klimaat, te bezorgen. Zij laat zich kennen als een ervaren fotograaf en wist precies wat ze nodig had: "cinq bouteilles de Cristallos et 3 cartouches d'hyposulfide ... trois boites de plaques Montgoffre, ce sont les meilleures." Ook zij had het niet gemakkelijk. Half juni schreef ze aan haar familie: "En ce qui concerne les photographies, j'ai repris courage, c'est la saïson froide, j'ai nettoyé une vieille cabane et Ie docteur Etienne, qui est un bon photographe, me donna beaucoup de renseigements pour les réussir au Congo car c'est bien plus difficile qu'en Belgique." In september van hetzelfde jaar vertrok zuster Godelieve, samen met vier mede-zusters, naar de missie van pater Cambier in de Kasai. Haar fototoestel overleefde de vier-maandenlange tocht niet: "'t Is ook hij [d.i. God] die wil dat de kist die de voet van onze appareil de photographie bevatte verloren (is) en dat geheel de affaire vaneen en kapot is. ... 'k mag maïs, bonen, vogelzaad, zoete patatten, ananas, papaiebomen en bananiers planten in plaats van portretten trekken". Enkele maanden later kon ze haar hobby opnieuw beoefenen want pater Cambier kocht van een staatsagent "een appareil met nog wat gerief. Ik heb reeds wat gemaakt dat deugt en ben voornemens in het kort uw beschermelingen te portretteren met mij in het midden". Veel foto's zal zuster Godelieve nadien niet meer hebben gemaakt. In 1896 overleed ze. Ze was waarschijnlijk een van de eerste zusters-fotografen.27 In de rijke briefwisseling van zuster Godelieve duikt ook de naam van priester Octaaf D'Hooghe op. Hij was een van de zeven priesters van het bisdom Gent die tussen 1891 en 1899 ^s aalmoezenier werkzaam waren in Kongo. Op het verzoek van bisschop Stillemans verzorgden zij de zielzorg van de arbeiders die de spoorweg tussen Matadi en Leopoldstad aanlegden.28 Niet alleen is hun apostolaat als diocesane priesters in de missies in die tijd uitzonderlijk - zij waren Fidei Donum-priesters avant la lettre —, maar ook de uitgebreide fotodocumen-


tatie die over hun werk is bewaard, is opmerkelijk. Zowel in het bisschoppelijk archief in Gent, als in het provinciaal archief van de redemptoristen in Brussel en in het universiteitsarchief van de Katholieke Universiteit te Leuven bevindt zich een collectie van meer dan 600 foto's over hun missie. De Gentse collectie werd omstreeks 1912 aan bisschop Stillemans aangeboden samen met een (verlaat) "Verslag van het werk in Congoland der priesters uit het Bisdom van Gent". De redemptoristen, die in 1899 het werk van de Gentse priesters overnamen, kregen de foto's, vermoedelijk in de jaren 192,0, van een van hen, de priester Ange Buysse. De identieke Leuvense collectie is afkomstig uit 376 de bibliotheek van graaf Hyppolyte d'Ursel, een van de belangrijkste aandeelhouders van de Compagnie du Chemin de Fer du Congo, die een beroep deed op de Gentse priesters. De foto's werden, zo staat in het verslag, "door de priesters zelven getrokken, en gekozen uit een veel grooter getal".29 Hun fotograaf was in vele gevallen priester D'Hooghe. Soms wordt zijn collega Armand Bert genoemd. Zoals gezegd, geven de foto's een uniek beeld van het werk van de priesters in Kongo. Maar ze zijn nog veel rijker: ze maken het mogelijk om een veelzijdige blik te werpen op het leven in Kongo tussen 1890 en 1900. Een greep uit de titels van de foto's - alle foto's zijn inderdaad geïdentificeerd, hetgeen op zich al zeer uitzonderlijk is30 - spreekt voor zich: (4) Route des caravanes pres Matadi, (5) Le départ de la caravane des RR PP Trappistes 1894, (13) Le jardin potager de la ferme du Kinkanda entretenu par les ouvriers chinois, (16) Les soeurs de Kinkanda. La grotte de Lourdes, (19) Tambagadio. Train amenant des Sénégalais, ..,., (120) Intérieur de l'école, (125) Cathéchisme dans Ie jardin, (165) Les boys du R.M. Bert au kilom. 335, (155) Montage de notre maison Danoise, (171) Départ des Soeurs de la Charité avec Ie Père De Deken pour Luluaburg, 19/9/93 (met de reeds vermelde zuster Godelieve !), (180) Petites filles basokos atteintes de dyssenterie baptisées par Mr Behiels nov. 1893 et mortes Ie même jour,..., (227) Village de Gongo dans les monts diamants, (242) Anoine Kulala baptisé. Mars 1894, (258) Deux coiffures, (260) Quatre types Bangala 1896, (277) Mons. Mohin Dr. General de la S.A.B. et son esclave, aoüt 1894,..., (391) Montage du pont en fer de la Simba 1896, ..., (574) Soeur Damienne et les enfants de Moanda a la classe, (588) Missions des Filles a Cabinda, soeurs de Cluny. Verscheidene foto's werden in de jaren 1890 en ook later nog gepubliceerd, onder meer in Caritas, het tijdschrift van de zusters van Liefde van Jezus en Maria, die nauw met de Gentse priesters samenwerkten.31 Het merendeel van de foto's is echter gepubliceerd in twee van de 29 Verslag van het werk in Congoland der priesters uit het Bisdom van Gent (Gent 1912), p. 6. Dit 'algemeen verslag over de missie Matadi-Leopoldstad-Kinkanda in Congo-Vrijstaat, 1891-1899' werd geschre-

ven in juli 1910. Niet alleen deze foto's, maar ook enkele schilderijen, gemaakt naar de foto's, werden aan Stillemans aangeboden. Deze schilderijen bevinden zich eveneens in het Gentse bisschopshuis.

30 In het missiearchief van de redemptoristen in Brussel bevindt zich zelfs een 43 bladzijden tellende gedrukte catalogus van de collectie, met vermelding van het nummer en de titel van de foto. Daaruit leren

we ook dat de foto's netjes volgens thema zijn geordend. Catalogue desphotographiesprisespar les aumoniers du chemin defer du Congo pendant l'existence de la mission de Matadi fondéeparSa Grandeur Monseigneur Stillemans, évèquede Gand, 1801-1809. 31 In het archief van de zusters in Gent worden er eigentijdse afdrukken van bewaard. 32, Zie G. Convents, A la recherche des images oubliées. Préhistoire du cinéma enAjrique, 1897-1918 (Brussel 1986), p. 65-68. 33 Cf. L. Vints, Kongo made in Belgtum, p. 14-26. Zie ookM.-C. Brugaillere, 'Un Journal au service d'une conquête: Le mouvement géographique (18841908)', in: P. Halen en J. Riesz (red.), Images de l'Afriqueetdu Congo/Zaïre dans les lettres francaises de Belgique et akntour, p. 2335 en V. Meyfroot, Fotografen en de kolonisatie van Congo, p. 65-66. 34 Mensen voorbij de Grote Muur. Foto's uitJehol, Oost-Mongolië, China, 1010-1030. Antwerpen


belangrijkste koloniale bladen van die tijd, namelijk Le mouvement géographiquezn. Le Congo Illustré, beide uitgegeven door de Compagnie du Congo pour Ie Commerce et l'Industrie (die in 1897 trouwens betrokken is bij een mislukte poging om het nieuwe filmmedium voor haar Kongozaak te benutten32). De foto's van D'Hooghe en zijn collega's werden op die manier ingeschakeld in de vele pogingen tot de creatie van een koloniale mentaliteit in België.33 Vergelijkbaar met het belang van deze foto's, maar dan in verband met China zijn de opnamen die pater Arthur Segers, een scheutist, cirPater Arthur Segers bij een ketellapper in China. Foto gepubliceerd in zijn boek China, Het volk, dagel ijksch leven en ceremoniën. [KADOC, Leuven]

1990. Deze publicatie verscheen naar aanleiding van de gelijknamige tentoonstelling in het Etnografisch Museum in Antwerpen (die in 1991 hernomen werd op het KADOC in Leuven). De foto's zijn genomen van dia's afkomstig uit het vooroorlogse Schoolmuseum. Op verscheidene foto's is pater Arthur Segers te herkennen die van 1904 tot 1918 in China werkzaam was. Hij publiceerde (over zijn broer) Martyre du reverendpère Joseph Segers. Missionnaire de Scheut h Lao-hou-keou. Antwerpen 1916; en China. Het volk, dagelijksch leven en ceremoniën. Antwerpen/Amsterdam 1932. In beide werken staan gelijkaardige (en dezelfde) foto's als de dia's. 35 Zie hiervoor de analyse van J. Pirotte, Périodiques misstonnaires belges d'expressionfranc,aise. Reflets de cinquante années d'évolution d'une mentalité. 1880-1940. Leuven 1973; en idem, 'Les armes d'une mobilisation. La littérature missionnaire de la fin dus xixe siècle a 1940', in: M. Quaghebeur (red.) Papier

377

ca 1910 in China maakte (of liet maken). Zij geven een goed beeld van de veranderingen die zich in die periode in China voordeden. Deze foto's overstijgen hun missionaire herkomst en geven "een in-menselijk beeld van Chinezen die net buiten de Grote Muur leefden".34 De foto's werden, in de vorm van dia's, in het interbellum gebruikt bij lezingen tijdens missiedagen en -weken, in parochiezalen en scholen. Na 1900 zijn foto's geen uitzondering meer in de steeds talrijker wordende missietijdschriften. Naarmate de jaren vorderen, neemt het aantal illustraties toe.35 Zij sluiten nauw aan bij de inhoud van de bladen, laten realisaties van de missionarissen zien, stellen die tegenover het inlandse, heidense leven dat als het ware wordt gedemoniseerd en waardoor de missie wordt gelegitimeerd. Zij vinden ook hun weg naar prentbriefkaarten die vanaf die tijd massaal worden verspreid en die een nog meer paternalistische en eurocentrische visie op missionering weerspiegelen.36 blanc, encrenoire. Centans de culturefrancophone en Afrique centrale (Zaïre, Rwanda et Burundi) (Brussel 1992), p. 55-89. 36 Cf. J. Nederveen Pieterse, Wit over zwart. Beel-

den van Afrika en zwarten in de Westerse populaire cultuur (Amsterdam/Den Haag 1990), p. 69-75. Over de prentbriefkaarten, zie R. Corbey, Wildheiden beschaving. De Europese

verbeelding van Afrika (Baarn 1989), vooral p. 81104. Zie ook L. Vints, Prentbriefkaarten. Een bron als (g)een ander. Leuven 1996 (Catalogus tentoonstelling in het KADOC).


Technisch bleef het maken van foto's voor de amateur-fotograaf die de missionaris toch was, nog een hele klus. Pater Jean Dohet, een jonge jezuïet die in 1901 naar Ceylon trok, wijdde er in het missieblad van zijn orde enkele bladzijden aan. Dohet maakte al foto's op de boot en ontwikkelde ze met zeewater, vandaar "autant de petites taches". Zijn donkere kamer op zijn missiepost liet aanvankelijk te wensen over. Het warme weer was ook hier spelbreker. Hij experimenteerde met allerlei soorten papier om toch maar het beste resultaat te bereiken, want "j'aime votre Revue comme j'aime notre Mission".37 Ook de jonge benedictijner pater Jean (Felix) de Hemptinne, de latere apostolisch vicaris 378 van Katanga, vertrok in 1910 met een fototoestel naar Kongo. Hij ondervond op zijn beurt moeilijkheden: de meeste van zijn foto's waren overbelicht, want "la lumière est tres forte ici. Bientöt j'espère arriver a de meilleurs résultats".38 Of twee van de eerste scheutisten op de Filippijnen, Leo Quintelier en Constant Jurgens, zoveel problemen hadden met hun foto's, is niet 37 J. Dohet, 'Photograzo waarschijnlijk. In een brief aan zijn ouders schetste pater Quintelier phierenMissions!', in: Miseen plattegrond van de pastorie die ze in Bontok bewoonden. Een van sions Belges de la Compagnie dejésus. Congo-Bengalede bijgebouwen bevatte een "donkere kamer voor fotographie". Daar Ceylan (1902), p. 110-113, ontwikkelden ze de foto's die ze maakten van de Igorotten en naar hun 38 Leuven, KADOC, Arfamilie stuurden: "Ik zend het portret van den eerste, door ons ge- chiefvan defamilie Joseph de doopten Igoroot, (...) . Het Igorottenpijpken steekt achter zijne lin- Hemptinne, 3.2.1., brief van 10/12 sept. 1910 en van 2 keroor, kijkt goed".39 april 1911 (citaat). De voorbeelden van de paters Segers, Dohet, de Hemptinne en 39 Leuven, KADOC, BrieQuintelier tonen aan dat een fototoestel als het ware deel uitmaakte ven E. P L. Quintelier, 21 van de 'uitrusting' van de missionaris. De toestellen werden hoe langer nov. 1908 en i mei 1909 (cihoe eenvoudiger, gemakkelijker te bedienen en ook financieel voor taat). Leuven, KADOC, Archisteeds meer mensen toegankelijk. Het aantal foto's dat in de missies 40 valia K. Raes, brief van 27 werd gemaakt, nam dan ook toe. Pater Quintelier was in 1909 blij twee mei 1923. foto's te kunnen opsturen, terwijl Karel Raes, Witte Pater in Kongo, 41 Kerk en missie (1924), zich in 1923 zelfs niet meer herinnerde hoeveel foto's hij in een vorige p. 171-172. brief aan zijn ouders had gezonden.40 Van bewust propagandame- 42 ZieP.-L. Jordan, Cinéma. Premier contact-premier dium werden de foto's meer en meer familiekiekjes die in kwalitatief regard. Marseille 1992. opzicht vaak te wensen overlieten. Misschien waren daarom ook prak- 43 Over het tentoonsteltische wenken over fotografie opgenomen in de vakantielessen voor len van mensen, zie o.m. R. missionarissen die van 25 tot 29 augustus 1924 in Leuven plaatsvon- Doom, 'De wereldtentoonden.41 Een jaar voordien had de missiefilm in België zijn intrede ge- stellingen en de koloniale propaganda', in: De panoradaan. mische droom. Antwerpen en 4. HET F I L M M E D I U M EN DE KOLONIALE WERELD

Hoewel al zeer populair, was de film nog een jong medium. Ontstaan in 1895, was de cinematografie in vijftien jaar tijd geëvolueerd naar een niet meer weg te denken fenomeen. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was de film voor velen een gewone zaak geworden. Bij de eerste commerciële films van de uitvinders van de cinema, de gebroeders Lumière, waren al beelden van de 'andere'. Het betrof de serie 'Ashanti', die Afrikanen in hun 'traditionele context' beweerde op

de wereldtentoonstellingen, 1885-1804-1030, p. 195-207; Z.A. Etambala, 'Antwerpen en de kolonie: van 1885 tot ca. 1920', in: ibid., p. 173192; P. Faber en S. Wachlin, 'Mensen te kijk', in: Spiegel Historiael, 25(1990), p. 2-6. 44 Voor een overzicht van deze firma's en hun films, zie G. Convents, A la recherche des images oubliées. p. 113-141.


te voeren. In werkelijkheid ging het om filmpjes die op de koloniale tentoonstelling van Lyon van 1897 waren opgenomen.42 In hetzelfde jaar gebeurde trouwens iets gelijkaardigs inTervuren tijdens de grootse koloniale tentoonstelling. Het Kongolese dorp dat bij die gelegenheid rond de plaatselijke vijvers werd opgebouwd, was bevolkt met enkele honderden Kongolezen. Ook zij werden op film vastgelegd.43 Deze eerste bewegende beelden van de 'ander' hadden helemaal geen etnografische pretenties, maar lieten de groeiende belangstelling zien voor het exotische. Op die belangstelling werd de volgende jaren steeds meer ingespeeld. De medewerkers van de Lumières en ook andere cineasten zwermden uit naar alle hoeken van Europa, naar Azië 379 en Noord-Afrika. Vanaf 1905 was Centraal-Afrika aan de beurt. Bijna alle filmmaatschappijen, zowel Britse, Franse, Duitse, Italiaanse, (...) als Belgische, hadden van toen af "beelden van Zwart Afrika" in hun catalogi, die ook effectief in de Belgische bioscopen aan bod kwa44 men. 45 BruxelUs-Exposition (Brussel 1908-1910), II, Ook de koloniale wereld ontdekte rond die tijd opnieuw het filmp, 40; zie verder (en ook medium. In België gebeurde dit eind november 1908, nog geen twee voor wat volgt) L. Vints, weken na de overname van Kongo Vrijstaat. De Cercle Africain toonde Het miskende eldorado op toen Franse opnamen van de Afrikaanse flora en fauna. Een maand lahet zilveren scherm. Exotischefilms en Kongopropater werd in Brussel Le Cinematographe des Colonies opgericht, een ganda, 1895-1040 (Leuven maatschappij die zich speciaal toelegde op koloniale films. Zij opende 1981), p. 33-39 (Licentiaatser een Cinéma Colonial waar "mysterieuze beelden over Afrika" werverhandeling); en G. Conden geprojecteerd. Bruxelles-Exjposition, het officiële orgaan van de wevents, A la recherche des reldtentoonstelling die in 1910 in Brussel plaatsvond en waar films "op images oubliées, p. 76-80. 46 In protestantse zende^ levendige wijze" de Kongo-expositie van Tervuren aanvulden, wees er lingenkringen, meer beop dat filmvertoningen toen al hadden bijgedragen tot een betere kenpaald in de Engelse Church nis van de nieuwe Belgische kolonie.45 Missionnary Society, zou Deze eerste generatie Kongofilms, die vooral in koloniale kringen de film al in 1907 ontdekt zijn als propagandamiddel. werden vertoond, beperkte zich tot wat men het documentaire genre In dat jaar beschikte de ver- zou kunnen noemen. Uit de inhoud en de titels van de bekende films eniging over films van haar blijkt dat doorgaans economische prestaties werden getoond. Vooral missiewerk in Indië. Zie G. Convents, 'Documentaries de spoorwegactiviteiten en de mijnuitbatingen in Katanga waren erg in trek. Daarnaast kreeg ook het leven van de Kongolezen zelfde nodiand propaganda before 1914. A view on early cinege aandacht in "de tres curieuses scènes". Het exotische, mysterieuze ma and colonial history', Afrika kwam veeleer aan bod in de bioscoop. Deze veelal Franse en Enin:W.DeGreefenWHegelse producties zouden bepalend zijn voor de latere koloniale cinema. sling (red.), Image - Reality Van missiefilms is op dat moment nog geen sprake.46 - Spectator. Essays on Documentary Film and TeUvision (Leuven/Amersfoort 1989), p. 33-46. 47 De Dieudonné, 'Van de nieuwere propaganda werking', verslag op het Katholiek Congres van Mechelen, 2,3-26 sept. 1909, 4de afdeling Drukpers en propaganda-werken, Brussel 1909. 48 Gazet van Lommei, j sept. 1913.

5. DE K E R K EN DE C I N E M A

De houding van de Kerk tegenover het filmmedium was aanvankelijk hoofdzakelijk negatief. Het medium was op zich goed, maar werd door slecht gebruik "een school van verderf" genoemd.47 De katholieke Gazet van Lommei vatte in 1913 het dilemma als volgt samen: "De cinéma's kunnen door wetenschappelijke, onderwijzende en zedelijke vertoningen een oneindig goed stichten, doch hoevelen zijn er niet die tot het bederf van de jeugd leiden?"48 Hooger Leven, sinds 1906 in Leu-


ven uitgegeven als "algemeen weekblad voor ontwikkelde Katholieke Vlamingen", somde in 1912 het "repertorium der kinemaschouwburgen" op: "moord, vergiftiging, brandstichting, bandieterij en andere door het wetboek gestrafte misdrijven; zedelooze gruwels, echtbreuk en schunnige liefdehistories, schrikwekkende tafereelen van ongelukken en rampen en dan nog allerlei fantasie, fantasmagorie, spookhistories en onmogelijke avonturen". Bovendien lieten de omstandigheden waarin de projecties plaatsvonden, te wensen over: "Het meerendeel der toeschouwers bestaat inderdaad uit aankomende jongens en meis-

380

PHOTOGRAPHIE - OPTIQUE. Appareils, Objectifs, Plaques et Papiers Photographiques de premier choix. Spécialités pon r /VHssiotinaircs et Explorateurs.

Advertentie gepubliceerd in Missiën in China, Congo en de Philippijnen, nov. 1910. [KADOC, Leuven]

Jumeiles, lunettes, lon^ue-vucs. houssoles, etc. TmvaiLX poiir Amateurs^

D. AVANZO, Successeur 86 Marché aux Herbes 86 i-: 1582

jes, die daarenboven de gelegenheid niet laten te loor gaan om eens duchtig te vrijen".49 In 1913 en opnieuw 1914 namen de bisschoppen zelfs openlijk stelling tegen de "losbandige vertooningen en de hartstochtelijke prikkelingen, welke het Cinema maar al te dikwijls voor de bedorven nieuwsgierigheid van het publiek oplevert".50 Terzelfdertijd groeide ook de idee om de vijand met de eigen wapens te verslaan. Hier en daar werd de aanzet gegeven tot een meer positieve benadering van het medium. Maar het bleef bij verspreide, individuele initiatieven, zoals die van priesters die zelf een cinemazaal gingen uitbaten of 'goede films' projecteerden voor werkmanskringen en patronaten.JI Van een eigen productie werd enkel gedroomd, zoals

49 H. Deckx, 'De Kinema-plaag', in: Hooger leven, 25 mei 1912. 50 Uit de herderlijke brief van 20 juni 1913, citaat in Vrouwenbeweging (1913), p. 8. 51 Cf. L. Schokkaert en R. Stallaerts, Onderdak. Een eeuw volks- en gildehuizen(Gent 1987), p. 197198.


52 De Dieudonné, 'Van de nieuwere propaganda werking'. 53 I. v. m. het voortleven van de 'mijdende houding', zie b.v. P.G. Hoornaert, De strijd, om de kuischheid! Een boek voor onze twintigjarige jongelingen (Brussel/Leuven 1924), p. 149-155: 'In de cinema's draagt alles bij tot zondenval'; cf. ook A. Lion, De volksmissies in de twsenoorlogseperiode. De missieactiviteiten van de redemptoristen in Oost-Vlaanderen (Gent 1982), p. 193-194 (Licentiaatsverhandeling). Voor de hier volgende beknopte schets van de ontwikkeling naar een 'controlerende houding', zie o.m. L. Vints, 'Le film missionnaire: histoire, conservation, analyse', in: J. Gadille (red.), Iconographie, catéchisme et missions(Lyon 1984), p. 92105, meer bepaald p. 9294, en J.-P. Wauters, '50 jaar K.F.A. in België', in: Film en Televisie, (1980), 282, p. 21-43. 54 OCIC, CompteRendu desjournées internationales d'études (Brussel 1933), p. 82-87, 94-105 (citaat p. 85).

door baron de Dieudonné op het Katholiek Congres van Mechelen van 1909: "Eh wel! Mijne Heeren, ontnemen wij hunne eigene wapens om hun de zielen onzer kinderen te ontrukken. Vertoonen wij voor dezen de geschiedenis van den Kristelijken Godsdienst, de glorierijke daden van onze vaderlandsche geschiedenis. Doen wij voor hunne kuische oogen leerrijke en zedelijke platen verschijnen. Stellen wij tegenover de vertooningen, die te dikwijls het leger, den godsdienst, de pastoors belachelijk maken, beelden die onze groote mannen de verdedigers van onze onafhankelijkheid, onze missionarissen, voorstellen".52 Die bewegende beelden van 'onze missionarissen' kwamen er vooralsnog niet. Wel groeide er naast de mijdende en afwijzende houding van de Kerk na de Eerste Wereldoorlog, toen het filmmedium nog aan populariteit won, langzamerhand een meer controlerend optreden.53 De centrale, coördinerende figuur was daarbij kanunnik Abel Brohée van het Algemeen Secretariaat voor Katholieke Actie in Leuven. Hij was onder meer betrokken bij Brabo-fïlms, een initiatief uit 1920 van Antwerpse katholieken, dat 'deftige films' wil leveren aan 'deftige zalen'. Begin 1914 roept Brohée in een omzendbrief op alle krachten te bundelen en de film meer positief te benaderen, een idee dat hij in 192,7 uitgebreid verdedigde in de brochure Les catholiques et Ieprohlème du cinéma. De acties van Brohée en van de dominicanen Felix Morlion en Leo Lunders leidden uiteindelijk in het begin van de jaren 1930 tot de oprichting van het Middenbestuur van de Katholieke Film Actie, kortweg KFA, en de Katholieke Filmliga (of KFL). Op het Katholiek Filmcongres dat in 1932 in Brussel plaatsvond, kreeg deze ontwikkeling de zegen van kardinaal Van Roey. Met zijn encycliek Vigilanti cumzorgde paus Pius xi in 1936 voor de definitieve erkenning van de katholieke filmactie op wereldvlak en de "waakzame aanwezigheid" van de Kerk in de filmwereld.

6. DE M I S S I E F I L M ( 1 9 2 0 - 1 9 4 0 )

De internationale Katholieke Filmactie was sinds 1928, onder meer onder impuls van Brohée, georganiseerd in het Office Catholique International du Cinéma, het OCIC. Dat hield in 1933 zijn derde congres in Brussel. Het 'probleem van de missiefilm' stond op de agenda. In feite ging het om een tweevoudige problematiek: enerzijds de invloed van de film in de missielanden (waarop we hier verder niet zullen ingaan) en anderzijds de mogelijkheid om de film in te schakelen in de missïepropaganda. Aan missiefilms werden drie kwaliteiten toegeschreven: zij leerden het werk van de missionarissen kennen en waarderen, droegen bij tot het opwekken van missieroepingen en vergrootten de vrijgevigheid van de toeschouwers. Naast hun eventuele wetenschappelijke waarde konden de missiefilms zelfs een artistieke pretentie hebben. Op dat ogenblik telde men een veertigtal missiefilms, die voor het grootste deel werden omschreven als "een verzameling van mooie en onderhoudende prentjes van een bedenkelijke filmtechnische kwaliteit".54

38i


De eerste missiefilms dateerden van het begin van de -jaren 1920. Kerk en Missie, het blad van de Priester-Missiebond, verwees in 1923 naar films in Ierland, Duitsland, Italië en Nederland.55 Daar, meer bepaald in Tilburg in september 1921, waren de paters van Mill-Hill de eersten om een missiefilm te vertonen: "Werden op missieavonden tot nu toe vaak series lichtbeelden vertoond, toegelicht door een missionaris, die de zwaarte van den dag in de tropische landen had gevoeld, nu kan men die opofferende taak van nabij beschouwen en komt 't filmbeeld ons verbeelding te hulp en rolt er in werkelijkheid een stuk missiearbeid aan ons oog voorbij".56 382 Deze film, die door de Amerikaans-Nederlandse explorator Van den Bergh in Kongo en Oeganda was opgenomen, werd ook de eerste missiefilm die in België werd vertoond. Dat gebeurde meer dan twee jaar later op de Antwerpse missieweek, rond Allerheiligen 1923. De anderhalf uur durende film was er, met een dertigtal voorstellingen, een groot succes. Het programmaboekje geeft een idee van de inhoud en de opbouw van de film. Na een kaart van het actieveld van de missionarissen, toonden de eerste beelden de "zwarte heidenen, die slechts leefden voor zichzelf, lui of bloeddorstig" waren. Dan volgden scènes waar de negers samen werkten aan een kerk. "De missionarissen zijn aangekomen". De verschillende facetten van hun werk en leven kwamen vervolgens aan bod: de bekeringen, het onderwijs en de ziekenzorg.57 De film van de Mill-Hill-congregatie, in België verder verspreid door de Witte Paters, werd het begin van een lange traditie. De grote stimulans ging evenwel uit van de Vaticaanse missietentoonstelling van 1925.j8 Ter voorbereiding van deze grootse expositie werd in 1924 een oproep gelanceerd aan de verschillende missionerende orden en congregaties om naast foto's, kaarten, boeken en dergelijke meer ook fonoplaten en filmopnamen ter beschikking te stellen. De oproep was een officiële goedkeuring van het gebruik van de film voor de missiepropaganda.59 Eind 1924 al stelden de salesianen een eigen film voor over hun Kongomissie. Een jaar later was het de beurt aan de jezuïeten met een documentaire over hun Indische missie, terwijl in 1926 de paters van de Heilige Harten, de picpussen, konden beschikken over beelden van hun Hawaïaanse missies. Ook andere congregaties volgden, zodat op het einde van de jaren 1930 de belangrijkste missiecongregaties over een eigen film beschikten. Het ging doorgaans om een documentaire, om 'reële' beelden van de missieactiviteiten, waarbij in de meeste gevallen het heidense leven en de wilde gewoonten van de primitieve bevolking werden geplaatst tegenover het leven en werk van de katholieke missionaris.60 Naast documentaire beelden behoorden ook speelfilms tot de mogelijkheden van de missiepropagandisten. De eerste Belgische film in dit genre was Gebroken ketens van. de jezuïet pater Dumoulin uit 1927. De film vertelt de geschiedenis van de Indische pottenbakker Ram, een heiden en een dronkaard, die de hutten van zijn dorpsgenoten berooft terwijl de cholera woedt. Hij wordt gepakt en komt tot inkeer als

55 Kerk en Missie(1923), p. 113 ('Propaganda door de Missiefilm'). 56 Kunst en amusement, 23 sept. en 6 okt. 1921 (met dank aan dr. Bert Hogenkamp); cf. ook Het missiewerk (1921-1922), p. 59» 122. 57 Antwerpsche Missieweek. 28 October-4 November. Missie-Dag, MissieTentoonstelling, MissieFilm, Missie-Voordrachten (Antwerpen 1923), p. 2126; cf. ook 'Een Missieweek te Antwerpen', in: Lenteleven(i<)23), 12, p. 4558 Over het belang van deze expositie: C. Dujardin, Missioneringen moderniteit, p. 84. 59 Esposizione Missionaria dell'Anno Santo MCMXXV(Rome 1924), p. 28; cf. Bulletin de VUnion de Clergéen faveurdes Missions(1924), p. 113. 60 Zie hiervoor L. Vints, Het miskende eldorado op het zilveren scherm, p. 6874,114-120.


hij ziet hoe de missionarissen zich ontfermen over zijn vrouw die ook door de ziekte wordt getroffen. Hij bekeert zich. Zijn zoon wordt priester, zijn dochter treedt in het klooster.01 Dezelfde 'ingrediënten' - het heidense inlandse leven, de heldenmissionarissen, de bekering na moeilijkheden - vinden we bijvoorbeeld terug in Tokozile, de stralende, een speelfilm uit 1935 van een Duits oblaat die tot in de jaren 1960 door zijn Vlaamse confraters in talloze parochiezaaltjes werd vertoond. Tokozile is de dochter van een Zoeloekoning die zich heeft neergelegd bij het meesterschap van de Kaft van de reclamefolder van de "eerste sprekende missiefilm" Tokozile, de stralende. [KADOC, Leuven]

383

TOKOZILE,

DE STRALENDE

De eerste sprekende Missïefilm

61 Cf. Gedenkboek der dekanale missieweek (Poperinge 1928), p. 17. 62 Deze film bevindt zich in de uitgebreide missiefilmcollectie van het KADOC in Leuven.

blanke beschaving. Opgevoed bij blanke zusters, keert ze voor het huwelijk naar haar geboortedorp terug. Ten onrechte wordt ze door de tovenaar, die met lede ogen de macht van de Kerk aanschouwt, beschuldigd van de vergiftiging van haar bruidegom. Ze kan ontsnappen en vlucht naar de zusters. Jaren later wordt haar dorp door malaria getroffen. 'Zuster' Tokozile zet zich in voor haar familie en dorpsgenoten, maar wordt zelf ziek en sterft. Het hele dorp wordt door haar levensoffer bekeerd.62 Parallel met documentaires en speelfilms van duidelijk missionaire signatuur werden in deze vooroorlogse jaren ook koloniale en — wat men toen noemde - exotische films geprogrammeerd op missietentoonstellingen en tijdens missieweken. Tot de aanbevolen films behoorden onder meer kwaliteitsproducten als Nanook of the North van Robert Flaherty (192,2) en Tabu van EW. Murnau (1929), naast het succesvolle La Croisière Noire (1925) of ronduit zwakke realisaties als Congorilla, een film over "grote apen en kleine mensen" van Martin


Johnson (1932,), en Trader Horn van W.S. Van Dyke (1931).Ö3 De criteria die werden gehanteerd om koloniale films in het missionaire circuit op te nemen, zijn niet bekend. De Belgische film Terres Bru.leesfVerbra.nde aarde van de experimentele cineast Charles Dekeukeleire (1934-1935) bijvoorbeeld hangt terloops een positief beeld op van het missiewerk, maar werd niet vertoond als missiefilm. 4 Het oordeel over al deze films - missie-, koloniale en exotische films - was niet eensluidend. Over het algemeen werden aan de documentaire beelden de grootste propagandistische kracht toegeschreven. Over de speelfilms waren de meningen zeer verdeeld. De jezuïet pater 384 Uten oordeelde in 1938 het meest negatief: "Een film kan een totaal valsch beeld vertoonen van de eigenlijke missietoestanden en toch ontroeren, de portemonnaies doen openen, ja zelfs roepingen verwekken. Is dat niet min of meer het geval voor het meeste wat in de laatste jaren als missiefilm werd vertoond? Eerste deel: 'de ellende van de heidenwereld'. Tweede deel: 'maar de missionaris kwam' en, als bij toverslag, wat een heerlijke verandering!' De formule is al tot op den draad versleten. " 6j

7 . E I G E N P R O D U C T I E (1940-1960)

Na de Tweede Wereldoorlog werden er niet onmiddellijk andere inhoudelijke accenten gelegd. Wel was in tegenstelling met vroeger het overgrote deel van de missiefilms van 'eigen makelij'. De missionarissen vertolkten nu zelf via het filmmedium hun visie op de missie. Vooral de Witte Paters en de scheutisten telden met Roger De Vloo, Eric Weymeersch, Albert Van Haelst en Alexander Van den Heuvel enkele 'filmpaters' in hun rangen. Via eigen productiemaatschappijen als Africafilms en Luluafilm bereikten hun films een ruim publiek. Deze filmpaters maakten in grote mate educatieve films bestemd voor de inlandse (i.c. Kongolese) bevolking. Zij wilden via de films op een moraliserende of humoristische wijze westerse, christelijke waarden overbrengen.66 Voor hen was de film een middel tot evangelisatie. Verscheidene van deze films werden ook in België vertoond en confronteerden de Belgische bevolking met problemen waarmee de zwar63 Lijst van aanbevolen films in LesMissions Catho%««(1933), p. n$-117; i.v.m. de beoordeling van deze films: Vints, Het miskende eldorado, p. 101-106. 64 Terres brülées (op 16 okt. 1996 in het Antwerpse filmmuseum vertoond tijdens een retrospectieve van koloniale films) was een groot publiek succes, maar werd niet of nauwelijks vertoond in koloniale kringen, omdat hij enkele kritische

geluiden liet horen en geen aandacht had voor de Belgische realisaties; de film bevat ook vele suggestieve beelden van naakte vrouwenborsten, misschien de reden waarom hij niet werd vertoond bij missiemanifestaties? 65 L. Uten, 'De moderne grootmachten en de missie: missiepropaganda door pers, toneel, film en radio', in: ProApostolis(i^}, p. 114-120 (citaat p. 118).

66 Een voorbeeld van een humoristische benadering is de Matamata-reeks van pater Van Haelst met als hoofdfiguren Matamata en Pilipili, de Kongolese Laurel en Hardy. Over Van Haelst en zijn Matamata-reeks maakte de Brusselse cineast Tristan Bourlard een documentaire: Matamata en Pi//ƒ>//* (prod. Videocam, 1996), op 5 december 1996 uitgezonden door de BRTN (TV2, Tekens).

Uit een reclamefolder van Takende. [Vlaams Filmarchief en -museum, Leuven]

67 De educatieve missiefilms werden uitvoerig geanalyseerd in F. Ramirez en C. Rolot, Histoire du cinéma colonialau Zaïre, au Rwanda et au Burundi. Tervuren 1985. Het merendeel van deze films (onder meer de Matamata-reeks) wordt bewaard op het KADOC in Leuven, dat onder meer de collecties van de Witte Paters, de scheutisten en de jezuïeten herbergt.


ten hadden af te rekenen: de verleidingen van de stad, het inlandse huwelijk, de geestenbezweerders en dergelijke meer. In de films blijft het religieuze element vaak op de achtergrond of is het haast afwezig. Het educatief aspect is van groter belang. Soms werd zelfs een beroep gedaan op de inlandse verhaalkunst, zoals in Van den Heuvels animatiefilm Palabres de Mboloko.67 Daarnaast richtten de filmpaters zich ook tot het Belgische publiek, vooral via documentaires. Die moesten, zoals pater Louis Mestdagh die voor de jezuĂŻeten een aantal films heeft vervaardigd, later verldaar385

Pater De Vloo aan het werk. [Vivant Univers, Namen}

(J8 W. Hendrickx,'Humo sprak met wijlen pater Mestdagh1, in: Humo, 17 april 1980, p. 36-49.

de, "een idealistisch beeld van het missiewerk" geven.68 HĂŠt voorbeeld van zo'n film is Takende, die de leek en ervaren Kongo-cineast Gerard De Boe in opdracht van de katholieke missies in Kongo maakte voor de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Takende hangt een triomfalistisch fresco op van wat de Kerk als instituut in Kongo heeft opgebouwd vooral op het vlak van het onderwijs en de gezondheidszorg om te besluiten met het toekomstperspectief van de eigen Afrikaanse Kerk in Kongo. In tegenstelling tot de meeste andere missiefilms wordt hier echter het missiewerk niet geplaatst tegenover de inlandse beschaving (het heidendom, de tovenaars, ...) en komen de moeilijkheden die de introductie van het geloof in de inlandse maatschappij met zich bracht, niet aan bod. Met de missiehistoricus William Blondeel kan worden gesteld dat Takende "de prestatietrots, het zelfbewustzijn en de complexloze toekomstverwachting confirmeert


die gestalte krijgen in het Belgische project Expo '58". In die zin is de film eerder een koloniale, dan een missiefilm.69

8. L'MPASSE: DE MISSIEFILM VOORBIJ In missionaire kringen werd in de loop van de jaren 1950 steeds meer afstand genomen van de kolonisatie. Er heersten twijfels over de samenwerking met de koloniale macht. Evenmin als Tokende vertolkten 386

Kaft van het bijzonder nummer van Vivante Afrique (1962, 219) over L'impasse. [KADOC, Leuven]

de missiefilms het groeiende ongenoegen of droegen ze bij tot het debat dat langzamerhand in BelgiĂŤ op gang kwam over de toekomst van Kongo.70 Pas op het einde van de jaren vijftig zette de Witte Pater Eric Weymeersch die (uitzonderlijke) stap met Fils d'Imana. La geste du Rwanda van 1958-1959. Deze evocatie van de Rwandese geschiedenis en van het doordringen van het christendom in het land nam afstand van de Belgische koloniale beschavingsmissie. De missionering zelf werd evenwel niet in vraag gesteld.71 Dat deed Weymeersch, samen met zijn confraters De Vloo en Walter Aelvoet, wel in L'impasse, in het Nederlands De geslagen man. De film dateert van 1961 en brengt de fundamentele twijfels van een missionaris in beeld die is gevlucht voor het dekolonisatiegeweld. Hij landt in Rome en gaat in de antieke stad op zoek naar een antwoord. Hij stelt vast dat ook de Kerk in Afrika met de tijd heeft gespeeld, stappen heeft overgeslagen en de zwarte van zijn verleden heeft afgesneden. Hij heeft schrik voor de islam die met zijn betoverende magie dichter bij de Afrikaan staat. Volgens de 'geslagen' missionaris waren hij en zijn collega's toeristen in Afrika die de zwarten niet hebben be-

69 Blondeel maakte een grondige analyse van Tokende, waarvan zich een exemplaar op het KADOC bevindt, in 'Tokende. Een missie-beeld voor Expo '58', in: Verzameling Studies 'Congo 1955-1960' (Brussel 1992), p. 71-80. 70 Zie hiervoor onder meer J. Van Bilsen, Kongo 1945-1965. Het einde van een kolonie. Leuven 1993. 71 Cf. A. Vanparijs, Zwart Afrika op het witte doek. Een studie van de beeldvorming van zwarten blank in de filmcollectie van de Witte Paters. Leuven 1996 (Licentiaatsverhandeling).


72 Over L'impasse, die eveneens op het KADOC wordt bewaard, zie VivanteAfiique(i<)6x)t nr. 219.

grepen. "Hun ziel is ons ontsnapt; zij hebben onze Kerk slechts gekozen omdat ze de Kerk van de blanke heersers was". Ondanks deze donkere visie en het onbegrip dat hij in het Westen vaststelt (hij vindt bijvoorbeeld geen gehoor in het Vaticaan), blijft de missionaris moed hebben, niet voor zichzelf ("In mijn ziel is de dood"), maar voor de jonge Afrikaanse Kerk. De film eindigt symbolisch in het Romeinse Colosseum waar de oud-missionaris gezelschap krijgt van een groot aantal jonge Afrikaanse confraters. Zij zullen de (westerse) problemen waarmee Afrika wordt geconfronteerd, moeten aanpakken.72 Met L'impasse is het tijdperk van de missiefilm afgesloten. Tot op het einde van de jaren vijftig had de film als missiepropaganda-instrument een reden van bestaan. Missiefilms beantwoordden aan de missionaire ingesteldheid van het grote publiek; zij bevestigden het beeld dat door de niet aflatende missiepropagandamachine (en ook door de vele koloniale films) was verspreid over de arme, exotische, heidense (...) man en vrouw die door aanvaarding van het christelijk geloof een nieuw en beter bestaan kreeg. Vanaf circa 1960 en zeker na het Tweede Vaticaans concilie werd missionering minder een eenrichtingsverkeer, minder een triomfantelijk overbrengen van de katholieke boodschap, dan wel een bescheiden aanwezig zijn bij en een identificatie met de armen, de onderdrukten. Dit 'terugtreden' van de missionarissen had geen behoefte aan een massamedium als de film, dat bovendien en vooral in belang en penetratie meer en meer werd verdrongen door een nieuw medium, de televisie.

Summary This article deals with missionary photography and film, two means of propaganda which were developed to support the missions in the nineteenth and twentieth century respectively. Photopgraphy was first used (in the mid-i85Os) in Protestant missionary circles, and also penetrated Catholic circles from 1870 onwards. Especially from about the last decade of the nineteenth century, photography was established there as a means of propaganda and the camera became part of the standara equipment, as it were, of the missionary. The missionary film is of a later date and is partly to bc placed within the overall development of colonial film. As in photography, the Protestant mission came first to the field. From 1920 (In the Netherlands 1921, in Belgium 1923) the Catholic missions also followed. Until the second World War we mainly find documentary pictures which oppose 'pagan' native life to the work of the 'hero-missionaries', with conversion as the final result. It is striking that in this period colonial and exotic films are also on the programmes of missionary exhibitions and weeks. From about 1940 the missionaries used the medium

of film to express their vision on the mission. A new orientation is offered by the production of educational films for the native population. Especially the 'Witte Paters', the 'scheutisten' and the Jesuits reached a wide audience with their film companies. Their propaganda films, intended for the mother country, offer an idealistic picture of missionary work, up to the eve of decolonisation. At the end of the 19505 and the beginning of the 19605, only a few films express the doubts then current in missionary circles about cooperation with the colonial power. Personalia LUC Vints (geb. 1960) studeerde geschiedenis aan de Katholieke Universiteit te Leuven en behaalde er tevens het Bijzonder Diploma in de Audiovisuele Communicatiemedia. Sinds 1982 is hij verbonden aan het Katholiek Documentatie- en Onderzoekscentrum te Leuven, waar hij hoofd is van de afdeling audiovisuele documentatie. Hij publiceerde over (koloniale en missie) film en fotografie, missiepropaganda en missioneringsgeschiedenis en over de christelijke arbeidersbeweging. Adres: P. Bruegelstraat 59, 6-3580 Beringen.

LUC VINTS Beeld van een zending Nieuwepropagandamedia voor de missies  

LUC VINTS Beeld van een zending Nieuwepropagandamedia voor de missies

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you