Page 1


ODE AAN HET ZWART ODE AAN HET ZWART In de koelhuizen van het Nederlands Fotoarchief in Rotterdam liggen duizenden negatieven en afdrukken van Nederlandse fotografen als verborgen schatten te wachten tot zij worden gedolven. Met enige regelmaat duiken er foto's op, waarvan de krachtige indruk op het netvlies blijft hangen. Het zijn portretten - van beroemde kunstenaars tot volslagen onbekenden - die allemaal hun eigen verhaal hebben te vertellen. De serie 'Fotografisch geheugen' brengt een aantal van deze verhalen in herinnering. De fotograaf Nico Jesse (1911-1976) maakte deze foto in 1953, in opdracht van de NV Maatschappij tot Exploitatie van Limburgse Steenkoolmijnen. De directie had hem gevraagd een jubileumboek te maken over de Oranje Nassau Mijnen in Heerlen. Jesse heeft deze opdracht op een veelzijdige manier vormgegeven. Hij verbeeldde in zijn fotoboek een dag uit het leven van een mijnwerker. Binnen het verhaal van die ene dag - dat langs de vergadertafels van de directie, de tekentafels, de bedrijfsarts en de arbeiderswoninkjes leidt - gebruikte Jesse niet steeds dezelfde fotografische techniek. Hij maakte romantische plaatjes van de landgoederen rond de mijnen en haast abstracte foto's van de machines en attributen die er op het terrein waren te vinden, zoals de kettingen waaraan de schone kleren van de mijnwerkers hingen. Vaak blies hij een detail op, en vestigde zo meer aandacht op de vorm - de schuin naar beneden ratelende schakels van de ketting - dan op de inhoud: een handige manier om spullen op te bergen. Deze koele composities, die duidelijk de sporen dragen van de nieuwe zakelijkheid, wisselde Jesse af met portretten van mijnwerkers.


Jesse, die zijn activiteiten als fotograaf toen nog combineerde met een praktijk als huisarts, interesseerde zich buitengewoon voor mensen. Misschien kon hij daarom zo goed de stemming van zijn, vaak toevallige, modellen vastleggen. “Nico Jesse pakt met het fototoestel het leven bij zijn lurven en het resultaat is: leven,� schreef de beeldend kunstenaar Paul Citroen eens over zijn vriend. En zo was het ook. In Jesses succesvolste fotoboek 'Vrouwen van Parijs', dat hij een jaar na 'Oranje Nassau Mijnen' zou publiceren, toont hij vooral het joie de vivre van al die Parijse dames. Jesses foto van deze mijnwerker bevindt zich op de grens van twee genres. Het is tegelijk een melancholisch portret en een abstracte compositie. Juist omdat de mijnwerker er 'onmenselijk', als een donkere robot uitziet, kweekt Jesse begrip voor de situatie van de arbeider. De man kijkt je recht aan en confronteert je direct met zijn leven in de donkere krochten van het bestaan. Toch is deze foto in laatste instantie een ode aan het zwart. De even sombere als subtiele nuances van het steenkool en de zwartgeblakerde mijnwerker doen denken aan het zwarte vierkant van Malewitsj en, vooral, aan de beroemde foto's van Brassai, waarop een eenzame lantaarn het laatste streepje licht werpt op de donkere straten van Parijs. Nico Jesse heeft in dit portret een glinstering uitgestrooid over het zwart, die zich nog het best laat vergelijken met een handvol fonkelende sterren aan een nachtelijke hemel.

De camera als vlindernet Vrijdag 10 oktober 2003 door MARIANNE VERMEIJDEN


W.F. Hermans heeft aimabel over hem geschreven. `Hem' is de fotograaf Nico Jesse (1911-1976), een huisarts die meer brood zag in de fotografie dan in de geneeskunde en in opdracht van uitgevers en bedrijfsleven zo'n twintig fotoboeken op zijn naam bracht. Hermans leerde bij Jesse thuis, in 1957, de kneepjes van het vak. En hij had niets te klagen: Een landgoed aan de Vecht, een fotografie-leraar met humor, 's avonds kippen roosteren in de open haard en om de haverklap werd de `klassieke roemer' bijgeschonken. Flip Bool, Frans van Berkom e.a.(red.): Nico Jesse 1911-1976.Focus Publishing, 200 blz. geïll. €45,-.

Hermans' herinnering, verschenen in Boze Brieven van Bijkaart, sluit nu Nico Jesse af, een monografie uit de serie van Nederlandse fotografen die het Prins Bernhard Cultuurfonds financiert. Temidden van Sanne Sannes, Pieter Oosterhuis, Piet Zwart en Jacob Olie blijft Jesse een intrigerende zonderling. Hij werd in 1954 wereldberoemd met zijn door de schrijver André Maurois ingeleide fotoboek Vrouwen van Parijs – Parisiennes van alle soorten en maten in alle mogelijke beroepen en omstandigheden –, maar moest mede door gebrek aan zakelijk inzicht toch de dokterstas weer oppakken. Tijdens zijn studie in Utrecht in de jaren dertig was Jesse dankzij vrienden als Paul Citroen en Gerrit Rietveld al in de kunst en fotografie verzeild geraakt. Net als Citroen experimenteerde hij wel, maar hij koos er toch voor om `de mens te tonen in een flits, zoals hij is, zonder masker, zonder etiket', zoals hij schreef. Grote en kleine mensen `flitsen' vaak letterlijk in zijn onafscheidelijke flitslamp voorbij, alsof de camera een vlindernet was waarin alle vlindersoorten welkom waren. Voor Jesse was leven bewegen, bezig zijn, bouwen en dansen, en dat de fixatie daarvan soms onscherp was, maakte hem geen zier uit. Wantrouwen bij Parisiennes die hij met die flits te zeer op de huid zat, wiste hij weg door zich als `arts' te introduceren. Dat hielp. Na Parijs reisde Jesse voor uitgeverijen naar Rome, Londen en naar het verscheurde Berlijn, de enige stad waar architectuur, of liever het na-oorlogse gebrek aan architectuur, prominent op zijn foto's staat. Ook het bedrijfsleven wist hem te vinden, voor de meer statische, degelijk gecomponeerde bedrijfsreportages, zoals die over de Oranje Nassau Mijnen en de textielindustrie. In de monografie doen deze opdrachten er beduidend minder toe dan de onbevangen portretten van de bezige medemens, betrapt op straat, terrassen en modeshows. Tóch geeft het boek een afgerond beeld van Jesse als observator van een brede horizon, die er heilig in geloofde de mens met een camera te kunnen doorgronden. Hoe bezig en bezeten hijzelf was wordt ook doeltreffend geïllustreerd met de gedetailleerde


weergave van contactafdrukken en zelf in elkaar geflanste dummies. In de jaren zestig raakte Jesse's humanistische visie uit de mode. Een rauwere, meer illusieloze fotografie deed zijn intrede. Door de liefde voor een andere vrouw had hij intussen dat landgoed moeten verruilen voor een Parijse caravan. Uiteindelijk zou hij weer arts worden, in Oss, waar hij plotseling aan een hartaanval kwam te overlijden. Het Nederlands Fotoarchief in Rotterdam beheert nu zijn nalatenschap. En dat is maar goed ook. `Absolute' momenten als deze zullen door het fervente digitaliseren en manipuleren alleen maar aan historische ĂŠn artistieke waarde winnen.

Een levensgenieter Een levensgenieter Eerst is hij huisarts, dan wordt hij langzaam maar zeker fotograaf: Nico Jesse richt zijn blik in stad en land liefst op vrouwen, verliefde stelletjes, fabrieksarbeiders en kunstenaars. Nico Jesse (1911-1976) stelde fotoboeken samen, getiteld 'Vrouwen van Parijs' (1954), 'Spanje, land en volk' (1955), 'De Franse Riviera' (1956) en 'Mensen in Londen' (1960). Het Europa in de jaren vijftig was, door de ogen van Jesse, zo slecht nog niet. Jesse was van oorsprong huisarts. Jarenlang combineerde hij dit werk met zijn passie voor fotografie. In 1950 verschijnt zijn eerste fotoboek. 'Utrecht as it is - Zo is Utrecht'. Hij maakt in opdracht van de Maatschappij tot Exploitatie van Limburgse Steenkoolmijnen zijn - in mijn ogen - mooiste fotoboek 'Oranje Nassau Mijnen' (1953). Na het grandioze succes een jaar later van 'Vrouwen van Parijs' (met tekst van Andre Maurois een van de beroemde, veelvuldig vertaalde Bruna-fotopockets) besluit hij zijn huisartsenpraktijk neer te leggen en zich uitsluitend aan de fotografie te


wijden. Dat gaat een hele tijd goed, maar in 1962 neemt hij - vanwege te weinig opdrachten - zijn oorspronkelijke beroep als huisarts weer op; hij wordt bedrijsarts in Cuijk en later in Venlo. Bij zijn dood laat Nico Jesse een omvangrijk archief na, dat tot aan de overdracht aan het Nederlands Fotoarchief in 1990 vrijwel in vergetelheid was geraakt. Wie langs de geexposeerde foto's slentert, krijgt een onweerstaanbare behoefte om direct zijn koffer te pakken en in Jesse's voetsporen te treden, zoals deze - op zijn beurt - in 1956 met zijn camera in die van Rembrandt trad. De beelden zijn sfeervol en direct. Jesse interesseerde zich nauwelijks voor de toeristische bezienswaardigheden van een stad of streek. Zijn voornaamste interesse lag bij de mens, of specifieker: de vrouw. Hij fotografeerde kinderen, verliefde stelletjes, zigeuners, fabrieksarbeiders, maar ook schrijvers, acteurs en kunstenaars. Bij hen vond hij de zorgeloze sfeer waarin hij zich thuisvoelde. In die zin verschilde hij van Jaap Romijn bij voorbeeld, die de tekst verzorgde voor 'De Franse Riviera'. Romijn raakte niet echt in bekoring van het leven in de mondaine badplaatsen. Enigszins gemelijk merkt hij voorin dit boek op: "Die avond hadden we ons gewijd aan het nachtleven van Juan-les-Pins. Je (hij doelt op Jesse) had met je camera een rondgang gemaakt over het lawaaiige pleintje met zijn vele cafes; we hadden een kijkje genomen in het Casino, waar rolschaatsers, muzikanten en jongleurs wat landerig diner-gasten probeerden op te vrolijken, die later misschien bij een gokspelletje, wat meer uit de plooi zouden; we waren de Vieux Colombiers binnengelopen, Maxim's en nog heel wat andere vermaaksinstituten, en toen jij tenslotte bij Maxim's je slag meende te moeten slaan, had ik er de brui aan gegeven en was ik met al dat lawaai in de rug op een bankje aan zee gaan zitten." De samenwerking met de tekstschrijvers verliep vaak stroef. Nico Jesse was geen gemakkelijke man. Toch kon hij mensen - ongeacht patienten op


zijn spreekuur of mannequins in de kleedkamer - in het algemeen snel voor zich winnen. Zijn werk krijgt daardoor een ongedwongen karakter. Jesse werkte snel en had een enorme produktie. Aan zijn negatieven kun je aflezen dat een onderwerp soms tientallen keren werd gefotografeerd. Uiteindelijk was slechts een klein aantal opnamen scherp. Hij nam zelden de tijd om rustig 'het moment' af te wachten, om zich op zijn gemak te verdiepen in de opdrachten die hij kreeg voor fotoboeken. Zijn angst om tot de kern door te dringen liet overigens - behalve in zijn werk - ook sporen na in zijn priveleven. Jesse verliet tot twee keer toe zijn echtgenotes, van de ene dag op de andere. Zijn derde vrouw erfde uiteindelijk zijn fotografisch oeuvre. Ooit zei Jesse tegen Willem Frederik Hermans - die in 1957 zijn dokaassistent was - dat je het publiek niet met sombere visies lastig moest vallen. Hij heeft zijn leven lang woord gehouden. Š Trouw 2010, op dit artikel rust copyright.

Ode aan het Zwart Nico Jesse  

Ode aan het Zwart Nico Jesse

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you