Page 1


Overzicht Mike Kelley verbrijzelt en loutert Lucette ter Borg Recensie | Zaterdag 15-12-2012 | Sectie: Overig | Pagina: NH_NL01_008 | Lucette ter Borg Beeldende kunst Het is onmogelijk om er niet bij stil te staan. Wie in het Stedelijk Museum in Amsterdam over de vrijdag geopende, reusachtige overzichtstentoonstelling dwaalt van de Amerikaanse


kunstenaar Mike Kelley, denkt ongewild aan die dag in januari 2012 dat de kunstenaar zich van het leven beroofde. Is er iets af te lezen aan het werk van Kelley? Zit er een boodschap in het veelkoppige werk dat de kunstenaar naliet - in een foto, een installatie, een videoperformance, een werk op papier? Het antwoord is: nee. Gelukkig. Maar dat antwoord is niet vanzelfsprekend. Want Mike Kelley - geboren in 1954 in een middenklassengezin in Detroit waar hij regelmatig te horen kreeg dat hij eens 'wat normaler' moest doen -, maakte werk dat persoonlijk is tot op het bot. Iets anders is niet mogelijk, vond Kelley. Wie kunst wil maken, moet zijn eigen angsten en onzekerheden, frustraties en trauma's opgraven, ze onder ogen zien en dan: vooruit, aan de slag. Geen routine, geen werktijden van negen tot vijf, geen voortborduren op eerdere successen: alles alleen maar op het scherpst van de snede. Dat gebeurt even hard in 1974, aan het begin van zijn carri�re, als aan het eind van zijn leven. Op de tentoonstelling in het Stedelijk - waar je via een kermend geluidswerk op de lange roltrap naartoe wordt getrokken - blijkt aan de hand van bijna tweehonderd werken die min of meer chronologisch zijn opgesteld waar dat onderzoek van Kelley in de praktijk toe leidt. Schitterend komt naar voren hoe essentieel het verschil is tussen de bron waaruit een kunstenaar put, en het kunstwerk zelf. Je zou Kelley's werk smadelijk te kort doen door het autobiografisch te noemen, laat staan therapeutisch. Kelley zocht en vond in allerlei genres en media manieren om zijn anarchistische creativiteit tot uitdrukking te brengen. Daarbij nagelt hij het doen en laten van de blanke burger en het kerngezin als ideaal opvoedmodel aan de schandpaal. Heilige huizen worden tot aan de fundamenten afgebroken. Taboes op het gebied van (kinder)seks, religie en patriottisme verbrijzeld. Dat begint al in de eerste zaal op de benedenverdieping van de nieuwbouw, waar een aantal enorme vilten banieren de muur sieren. De banieren zijn opgemaakt als affiches. 'Let's talk about disobeying' staat er furieus boven een knusse pot met koekjes. Het zou het motto van de tentoonstelling kunnen zijn, ware het niet dat je Kelley ook daarmee te kort doet. Want zijn werk gaat ook over falen, mislukking en liefde. Uit die werken spreekt een mededogen en menselijkheid, die ze doet uitstijgen boven activistische pamfletkunst. Er zijn prachtige, secuur getekende, zelden getoonde werken op papier, waarop een huis op de prairie als het ware verstikt raakt door de jaarringen van bomen. Er is een beeld van de jonge 'John-John' Kennedy jr., zoon van de vermoorde president, die Kelley als eenzaam kind in een snoepblauw jasje op een apenrots van kralen neerplant. In performances en films vertolkt Kelley op sensationeel smerige manier het seksuele gekokkerel van het Zwitserse alpenmeisje Heidi, druk doende met grootvader, Peter en een heleboel worsten. Op een vroege film uit de jaren zeventig klampt de kunstenaar zich jammerend vast aan een moederfiguur van metaaldraad. Er zijn verwijzingen naar strips, naar kitsch en esoterie, en natuurlijk zijn er de knuffeldieren, die liggen toegedekt onder een lap, tot lange ritsen aan elkaar zijn genaaid of verwerkt tot kolossale driedimensionale tableaus van kraalogen, wol en zacht vilt.


Alles wat naar goede, maar vooral gev�stigde smaak zweemt, licht Kelley beentje. Hij revolteert tegen het minimalisme en de conceptuele kunst die hij op CalArts, de beroemde kunstacademie vlak bij Los Angeles, krijgt ingestampt. Altijd zoekt hij zijn eigen weg, zijn eigen manier om tot uitdrukking te brengen wat hij denkt en voelt. Deze tentoonstelling is een afdaling in de onderbuik van het onderbewuste. En als je weer boven komt, voel je je gelouterd, vol levenskracht en boordevol inspiratie om nieuwe dingen te maken. Info: Mike Kelley in het Stedelijk Museum, Amsterdam. Di-wo 11-17u, do 11-22u, vr-za-zo 1018u. Inl stedelijk.nl ***** Foto-onderschrift: Installatie John Glenn Memorial Detroit River Reclamation Project, 2001 Garbage Bag V 1989 Mike Kelley Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.

Kelley compleet Sandra Smallenburg Interview | Donderdag 13-12-2012 | Sectie: Cultureel Supplement | Pagina: NH_NL04_002 | Sandra Smallenburg

Morgen opent in het Stedelijk Museum het duizelingwekkende overzicht van de dit jaar overleden Amerikaan Mike Kelley. Ik vond dat er na Mike's dood een soort hoofdlijn nodig was, zegt directeur Ann Goldstein. Niemand had ooit kunnen denken, hij zelf al helemaal niet, dat Mike Kelley een van de grote namen in de hedendaagse kunst zou worden. Als bleekneuzige en langharige tiener, de jongste telg uit een conservatief katholiek gezin uit de buitenwijken van Detroit, luisterend naar de muziek van MC5 en Iggy and The Stooges, was hij ervan overtuigd dat hij gedoemd was te mislukken. Sterker: dat was de reden dat hij koos voor een opleiding tot kunstenaar, zo vertelde hij eens in een interview. In de tijd waarin Kelley opgroeide, de vroege jaren zeventig, werden kunstenaars gezien als werkschuwe nietsnutten. Als je jezelf echt buiten de maatschappij wilde plaatsen, dan werd je kunstenaar, aldus Kelley. Maar Mike Kelley (1954-2012) groeide uit tot een van de beroemdste kunstenaars ter wereld. Aanvankelijk hield hij zich nog voornamelijk op in de alternatieve kunstscene van Los Angeles, waar hij in de jaren zeventig en tachtig ruige optredens gaf met noisebands als The Poetics en Destroy All Monsters. Zijn kunst maakte hij niet om te behagen, maar om weerstand op te roepen. Dat deed hij met performances die refereerden aan plas- en poepseks, met sculpturen van groezelige, aan elkaar genaaide teddyberen en met tekeningen in de stijl van underground comics.


Desondanks werd Kelley een held van de gevestigde kunstwereld. Sinds 2005 werd hij vertegenwoordigd door Larry Gagosian, met dertien vestigingen de grootste galerie ter wereld. Hij nam deel aan de Documenta's van 1992 en 1997, de Bi�nnale van Veneti� in 1988 en 1995 en maar liefst acht keer aan de Whitney Bi�nnale in New York. Om al die tentoonstellingen in goede banen te leiden had hij een team van tientallen assistenten in dienst. Op veilingen leverde zijn werken de laatste jaren vele tonnen op. Zijn uit oude troep samengestelde junk-art was opeens smaakvol geworden. Kelley had het daar moeilijk mee. Al in 1992, toen zijn ster begon te rijzen, zei hij tegen de L.A. Times: Het feit dat mensen ontvankelijker worden voor het werk maakt het er niet gemakkelijker op. Ik heb mijn werk nooit voor een publiek gemaakt - sterker, door al die positieve feedback krijg ik het idee dat ik iets verkeerd doe. Ik geef niks om luxe spullen en dinertjes en dat soort onzin. Ik houd ervan over de dingen na te denken. Voor mij is eenzaamheid de ultieme luxe. Tegen journalist Tulsa Kinney van het tijdschrift Artillery klaagde hij er in november 2011 over dat de kunstwereld steeds meer gericht raakte op geld en carri�res. Als hij nu zou moeten beginnen, zei hij, dan was hij nooit kunstenaar geworden. Op 31 januari 2012 pleegde Mike Kelley zelfmoord in zijn huis in South Pasadena. Was de roem hem toch te veel geworden? Liefdadigheidsinstelling In het Stedelijk Museum in Amsterdam, waar de voorbereidingen voor het grote Mike Kelley-retrospectief in volle gang zijn, denkt Mary Clare Stevens lang na over die vraag. De Amerikaanse kunstenares was sinds 2003 Kelley's vaste assistent en is nu medeverantwoordelijk voor de Mike Kelley Foundation for the Arts, de liefdadigheidinstelling die hij in 2008 oprichtte met als doel muzikanten, schrijvers, curatoren en kunstenaars financieel te ondersteunen. Volgens mij had Mike er geen moeite mee dat hij een beroemd kunstenaar geworden was, zegt ze dan. Dat is wat hij altijd had gewild. Het was meer de kunstwereld zelf die hij steeds meer verafschuwde. En hij was niet de enige, vult Ann Goldstein aan. De directeur van het Stedelijk Museum kende Mike Kelley al sinds 1985 en werkte als conservator van het MoCA in Los Angeles vaak met hem samen. Nu hij zo tragisch is omgekomen, is de verleiding groot om van alles achter die zelfmoord te zoeken. Maar iedereen klaagt erover dat de kunstwereld steeds commerci�ler wordt. Ik denk dat voor alle kunstenaars uit zijn generatie geldt dat ze toch ook blij zijn dat hun werk gerespecteerd en getoond wordt. Ook Mike was er trots op dat hij deel was gaan uitmaken van de kunstgeschiedenis. In de jaren zeventig had de kunstwereld weinig met glamour te maken, zegt Goldstein: Voor jongere kunstenaars is dat nu moeilijk voor te stellen. Maar toen Mike naar de academie ging, had hij nooit verwacht dat hij als kunstenaar geld zou kunnen verdienen. Op Cal Arts studeerde


hij bij kunstenaars als John Baldessari en Jonathan Borofsky, die ook niet hadden durven dromen dat ze ooit van hun werk zouden kunnen leven. Voor die generatie was lesgeven een integraal onderdeel van hun werk. Mike had een hele brede definitie van hoe hij als kunstenaar kon functioneren: door kunst te maken, door les te geven, door over kunst te schrijven. Hij was daar heel serieus in en had een heel groot verantwoordelijkheidsgevoel. 'Getting it right' was voor hem heel belangrijk. Maar in de tussentijd zag hij wel hoe de kunstwereld in een razend tempo veranderde en steeds oppervlakkiger werd. Het idee voor een grote tentoonstelling over Mike Kelley werd al in 2006 geopperd door de toenmalige Stedelijk-directeur Gijs van Tuyl, die er het nieuwe museum mee wilde openen. Het oorspronkelijke tentoonstellingsconcept werd bedacht door Eva Meyer-Hermann, die eerder de succesvolle Warhol-expositie maakte voor het Stedelijk. In 2009 kreeg het museum voor dat concept de Turing Toekenning van 450.000 euro. Maar doordat de nieuwbouw grote vertraging opliep, werd de tentoonstelling almaar uitgesteld. Toen Kelley begin dit jaar zo plots overleed, besloot Goldstein dat ze de tentoonstelling zelf wilde maken. Ik heb er een meer chronologische expositie van gemaakt. Ik vond dat er na Mike's dood een soort hoofdlijn nodig was. En dat we het werk moesten bekijken zoals Mike er zelf naar keek. Hij werkte en dacht altijd in grote thema's en projecten. Dus dat was de koers waarop we zijn doorgegaan. Knuffeldieren in seksstandjes Met bijna 200 werken uit de afgelopen 35 jaar is dit het grootste Kelley-overzicht ooit. De tentoonstelling neemt alle zalen van de nieuwbouw in beslag, inclusief de roltrappen, en leidt de toeschouwer langs een duizelingwekkende hoeveelheid tekeningen, sculpturen, installaties, films, foto's, maquettes, teksten en video's. Kelley was een duizendpoot die in bijna alle denkbare media werkzaam was. Een kunstenaar die, zo bewijst deze tentoonstelling keer op keer, ver voor de troepen uitliep. In de jaren zeventig en tachtig, toen minimalisme en conceptualisme de boventoon voerde, maakte hij objecten die verwezen naar het middle-class leven van de doorsnee Amerikaan. Zijn vogelhuisjes of gehaakte knuffeldieren, al dan niet aan elkaar vastgenaaid in allerhande seksstandjes, hadden meer te maken met folklore dan met highbrow kunst. Maar intussen paarde hij dat truttige handwerk wel aan de duistere krochten van de menselijke psyche. Kelley was gefascineerd door Freuds theorie over 'the uncanny', het Unheimliche. Met zijn perverse, jeukende, stinkende installaties werd Kelley al snel een belangrijke vertegenwoordiger van de nieuwe kunstbeweging die aan de Amerikaanse westkust ontstond en waar ook Paul McCarthy en Tony Oursler deel van uitmaakten. Hun 'over the top' installaties vormden een antipool van de gladde kunst die aan de oostkust van Amerika werd gemaakt. Kijk naar Kelley's foto's uit 1990 van volwassenen die seks hebben met reusachtige teddyberen nachtmerrie-achtige beelden die niet gemakkelijk van je netvlies te krijgen zijn. En vergelijk ze dan met de kitscherige softporno die de New Yorker Jeff Koons rond dezelfde tijd maakte voor zijn bekende serie Made in Heaven. Koons schiep een ideaalbeeld van zijn leven en liefde; Kelley schetste ongenaakbaar het echte leven. Autobiografische valstrik


Soms is Kelley's werk zwaar op de hand, zoals in een tekening uit 1978 van een man die op een tafel staat waarvan de poten breken, terwijl de 'worldly problems' hard op zijn schouders duwen. 'Man tries to raise himself up', staat eronder geschreven. Ook titels als 'Oh, the Pain of it All' (1980) of 'Half a Man' (1987-1991) doen een zwaarmoedige, depressieve kunstenaar vermoeden. Is Kelley zichzelf altijd als een mislukkeling blijven zien? De valstrik van Mike Kelley is dat je zijn werk autobiografisch ziet, zegt Stevens. De media en ook de toeschouwers dachten vaak bij het zien van die teddyberen dat Mike zelf een slechte jeugd gehad had. Ze projecteerden hun idee�n op de kunstenaar, alsof hij zelf misbruikt was. Toen besloot Mike dat hij dat wel een grappig idee vond om mee te werken. Hij stond open voor wat mensen er maar in wilden zien, en gebruikte die idee�n weer in zijn volgende werken. Zo raakte Kelley ge�nteresseerd in het 'repressed memory syndrome', een aandoening waarbij pijnlijke herinneringen worden weggestopt. Daar speelde hij mee toen hij het pseudobiografische werk Educational Complex (1995) maakte, een serie maquettes van alle scholen die hij ooit bezocht. De klaslokalen die hij zich niet goed meer kon herinneren, liet hij oningevuld. Waardoor de vraag zich opdrong of zich daar wellicht iets naars had voorgedaan. Volgens Goldstein ligt daarin het geheim besloten van het succes van Mike Kelley: Alle grote kunstenaars laten ons iets zien van zichzelf, zonder dat hun werk noodzakelijk over hun eigen biografie gaat. Ze vertellen ons hoe zij een relatie zijn aangegaan met de wereld waarin we leven. Mike heeft dat gedaan op de meest oprechte, creatieve, associatieve, humorvolle en soms ook afstotelijke en grove manier. Hij heeft een ongelofelijke kosmologie geschapen, die voortkomt uit zijn eigen ervaringen, maar die over meer gaat dan die ervaringen. De beste kunstwerken zijn die waar wij als toeschouwer de ruimte krijgen om er een relatie mee aan te gaan. Zodat we ze kunnen verbinden met ons eigen leven. We hebben allemaal wel eens een schoolmusical meegemaakt, een kostuum aangetrokken voor een stukje, in een jaarboek gestaan, met een teddybeer in bed gelegen. Dat is waarom het werk van Mike Kelley ons zo raakt. Als Kelley nu zou moeten beginnen, was hij nooit kunstenaar geworden Info: Mike Kelley. 15 dec t/m 1 april in het Stedelijk Museum, Amsterdam. Di, wo 11-17u, do 1122u, vr,za,zo 11-18u. Inl: stedelijk.nl Foto-onderschrift: Mike Kelley, 'Estral Star #3', 1989. Collectie Ringier AG Persoon: Ann Goldstein;Mike Kelley Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.


Opening Stedelijk komt opeens 'te vroeg' Birgit Donker artikel | Donderdag 29-03-2012 | Sectie: Overig | Pagina: NH_NL01_002 | Birgit Donker

De kunstwereld en Amsterdam halen opgelucht adem: het Stedelijk gaat in september open. Maar niet met de gedroomde expositie. Zo'n beetje alles wat maar mis kon gaan met de verbouwing van het Stedelijk Museum in Amsterdam ging ook mis. De verbouwing liep ruim vier jaar uit, de aannemer ging failliet, de kosten (totaal 127 miljoen) vielen ten minste 20 miljoen hoger uit en er was op het laatst nog onenigheid tussen de gemeente en het museum over de bijdrage in de onderhoudskosten van het door Benthem Crouwel Architekten ontworpen gebouw. En toen overleed ook nog in februari dit jaar onverwacht Mike Kelley (1954), de Amerikaanse kunstenaar met wiens werk het Stedelijk zijn opening zou vieren. Maar gisteren was het eindelijk zo ver. Ann Goldstein, directeur sinds 2010, kon haar favoriete Nederlandse woord 'open' verbinden aan een datum: 23 september. Ze was, zei ze op een persconferentie in het nieuwe gebouw, opgetogen en trots dat ze dit bekend kon maken. Goldstein kondigde aan dat het museum een plek wordt die rond kunst en kunstenaars is georganiseerd. Een plek ook die 500.000 bezoekers per jaar moet trekken: 100.000 meer dan voor de sluiting in 2004. Maar wat blijkt nu? De opening komt te vroeg voor de geplande openingsexpositie met 250 werken van Mike Kelley. Gezien de voorgeschiedenis is dit van een grote ironie. Omdat het zo lang onzeker is geweest wanneer de opening zou plaatsvinden, heeft directeur Goldstein voor de zekerheid de Kelley-expositie Themes and Variations from 35 years vanaf 14 december gepland. En die datum kan niet naar voren worden gehaald, omdat rekening moet worden gehouden met de andere musea waar de expositie later naar toe reist, zoals het Centre Pompidou in Parijs. De openingsexpositie wordt nu Beyond Imagination: werk van twintig kunstenaars die in Nederland werken, die zich bogen over het thema grenzen tussen realiteit en fictie. Het Stedelijk als plek voor nieuwe projecten is iets waar al zo naar wordt gesnakt, dat jonge ontwerpers dit jaar de website temporarystedelijk.nl begonnen met werk van kunstenaars die in Amsterdam wonen. Maar de grote openingsknaller wordt dit niet. Exposities van nieuwe aankopen heeft het museum elke zomer. Wethouder Gehrels (PvdA, Cultuur), die in de afgelopen jaren tegenslag na tegenslag heeft moeten uitleggen, kon gisteren melden dat er een akkoord is over de onderhoudskosten na


de opening. Nu kan bijna de inrichting beginnen van het gebouw dat eind april definitief wordt opgeleverd. Of eigenlijk gaat het om twee gebouwen: het gerenoveerde Stedelijk uit 1895 waar de vaste collectie te zien zal zijn, met voor het eerst een permanente presentatie van design. De beeldende kunst tot 1960 zal er worden opgesteld naar thema's. Voor werk na 1960 zullen er onder meer monografische zalen zijn, gewijd aan bijvoorbeeld Barnett Newman. En daarnaast is er de nieuwbouw, een uitbreiding van 10.000 vierkante meter: een verdubbeling van de totale ruimte. Ann Goldstein heeft nog tijd om zich te bewijzen. De legendarische La Grande Parade in 1985 organiseerde toenmalig directeur Edy de Wilde niet pas bij zijn afscheid, nadat hij 22 jaar directeur was geweest. En de bezoeker? Die kan straks naar binnen, en dat maakt iedereen gelukkig. Het zijn meestal niet hun eerste tentoonstellingen waar nieuwe museumdirecteuren om herinnerd worden. Vaak gaan er wel een paar jaar overheen voordat een directeur zijn of haar draai heeft gevonden en een lijn heeft uitgezet. Wim Beeren was van 1985 tot 1993 directeur van het Stedelijk, maar had voor die tijd al naam gemaakt als conservator. Tijdens zijn directoraat maakte Beeren de tentoonstelling Energie�n (1990), met kunstwerken die in staat blijken onze geestkracht aan het werk te zetten. Achteraf bezien waren dat kopstukken uit die tijd: Anselm Kiefer, Walter de Maria, Bruce Nauman, Sigmar Polke en Jeff Koons. Rudi Fuchs, van 1993 tot 2003 directeur, is vooral geprezen vanwege de manier waarop hij in zijn expositiereeks Coupletten de vaste collectie van het Stedelijk voor het voetlicht wist te brengen, door werken op een ahistorische, associatieve manier te combineren. Gijs van Tuyl bracht zijn directeurschap van 2005 tot 2009 door in het tijdelijke Post CS. Zijn eerste expositie Bock mit Inhalt was destijds een zomeropstelling en werd in deze krant als liefdeloos bestempeld. Zijn meest gedenkwaardige tentoonstelling Heilig Vuur, over spiritualiteit in de kunst, maakte Van Tuyl in 2008 in De Nieuwe Kerk, ook met de Stedelijk-collectie. Foto-onderschrift: Het door Benthem Crouwel Architekten ontworpen nieuwe gebouw van het Stedelijk, gemaakt van 271 panelen van een nieuw, extreem licht soort composietmateriaal. Affiche expositie Couplet I, samengesteld door Fuchs Detail werk Gilbert & George op expositie van Van Tuyl Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.


Stedelijk Museum rouwt om 'uitzonderlijke' Mike Kelley artikel | Donderdag 02-02-2012 | Sectie: Overig | Pagina: NH_NL01_002 De Amerikaanse kunstenaar Mike Kelley (1954) is dinsdag dood aangetroffen in zijn huis in South Pasadena. Volgens de politie heeft de kunstenaar zelfmoord gepleegd. Een vriend van de kunstenaar, die zich zorgen om hem maakte, was naar zijn huis gegaan en belde vervolgens de politie. Een expositie van Kelley staat op het programma als openingstentoonstelling van het Stedelijk Museum in Amsterdam, dat later dit jaar na een verbouwing sinds 2003 weer opent. Het nieuws van Kelleys dood is hard aangekomen in het museum. Over de voortgang van de expositie worden geen mededelingen gedaan. Kelley was een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Amerikaanse West Coast kunstscene. Hij maakte ruimtevullende, anarchistische installaties die op chaotische wijze gevuld waren met video's, foto's, sculpturen, tekeningen en vooral veel speelgoed. In een verklaring zegt de directeur van het Stedelijk, Ann Goldstein, die Kelley persoonlijk kende: Het Stedelijk Museum rouwt om het onbeschrijfelijke verlies van ��n van de meest uitzonderlijke kunstenaars van onze tijd. Mike Kelleys overweldigende talent, zijn verreikende invloed en zijn grote bijdrage aan de kunstgeschiedenis zullen resoneren tot ver in de toekomst. Hij laat ons allen een exceptioneel oeuvre na, en daarmee ook de verantwoordelijkheid om zijn unieke nalatenschap recht te doen. Het was een bijzonder voorrecht om, samen met gastcurator Eva Meyer-Hermann, nauw met Mike samen te werken aan het geplande retrospectief in het Stedelijk. De studio van Kelley meldt in een verklaring op de website van de krant Los Angeles Times: Mike was een onweerstaanbare kracht in de hedendaagse kunst. We kunnen niet geloven dat hij er niet meer is. Necrologie: pagina 22 Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.


Recalcitrante punkkunstenaar Necrologie Mike Kelley (1954-2012) Sandra Smallenburg Necrologie | Donderdag 02-02-2012 | Sectie: Overig | Pagina: NH_NL01_022 | Sandra Smallenburg

De Amerikaan Mike Kelley was een kunstenaar met een punkmentaliteit. Altijd schoppen tegen heilige huisjes en nooit vast te pinnen op ��n medium. Het bekendst waren zijn installaties met speelgoedbeesten, pluche of gebreide exemplaren, die verspreid door een museumzaal op kleedjes lagen of aan touwtjes in de lucht bungelden. De knuffels waren vaak groezelig en versleten en praatten op hoge toon met elkaar, over familieproblemen of relatiecrisissen bijvoorbeeld. Als kijker werd je er altijd een beetje ongemakkelijk van, van dit zwartgallige inkijkje in het Amerikaanse gezinsleven. 'Uncanny' noemde de Amerikaanse kunstenaar Mike Kelley zijn werk, naar de freudiaanse term 'Unheimlich'. Voor hem ging het over het verdrukken van herinneringen aan een akelige jeugd. Dat pluche, zo meende hij, was een broedplaats voor neuroses en angsten. Dinsdag pleegde de 57-jarige kunstenaar zelfmoord. Volgens Helene Winer van de New Yorkse galerie Metro Pictures, die de kunstenaar in 1982 als jong talent oppikte en hem zijn eerste soloshow gaf, leidde Kelley al langere tijd aan depressies. Zijn leven lang heeft Kelley geschopt tegen bestaande conventies. Tegen de goede smaak, tegen de christelijke moraal, en vooral tegen het ideaalbeeld van het Amerikaanse gezinsleven. Neem zijn fotowerk Nostalgic Depiction of the Innocence of Childhood uit 1990, waarin twee volwassenen zich compleet te buiten gaan aan seksuele handelingen met knuffeldieren. Of kijk naar zijn video Singles Mixer uit 2004, waarin de hoofdpersoon maar door blijft ratelen over een ras van zwervers die op de bodem van een vijver leven. Absurde, taboedoorbrekende kunstwerken zijn dat, die ieder begrip van schoonheid omver trekken. Kelley voelde zich aangetrokken door het afstotelijke, het groteske, het irrationele. Daarmee was hij een belangrijk vertegenwoordiger van de 'abjecte kunst'-stroming die vanaf de jaren tachtig vooral aan de westkust van Amerika opkwam en waartoe ook Jason Rhoades en Paul McCarthy gerekend worden. Zelf groeide Kelley op in een buitenwijk van Detroit, als het typische zwarte schaap van de familie dat in de jaren zeventig volledig opging in de punkbeweging. Hij luisterde naar bands als MC5 en Iggy and the Stooges, las de gedichten van William S. Burroughs, bewonderde


de strips van Robert Crumb. Tijdens zijn studententijd aan de Universiteit van Michigan richtte hij met zijn medestudenten de invloedrijke herrieband Destroy All Monsters op. En toen hij na zijn afstuderen in 1976 naar Los Angeles vertrok om aan het California Institute of the Arts te studeren, begon hij ook daar een band: Poetics, met collega-kunstenaar Tony Oursler. Be�nvloed door zijn docenten Laurie Anderson en John Baldessari weigerde Kelley zich te beperken tot ��n specifiek medium. Hij schilderde, tekende, schreef, deed performances, maakte video's en installaties. Hij werkte samen met muzikanten, onder wie de band Sonic Youth, voor wie hij in 1992 de legendarische elpeehoes van Dirty ontwierp, met een oranje gebreide knuffel op de cover. Het grote succes kwam in de vroege jaren negentig, met solotentoonstellingen in het Whitney Museum en het Los Angeles County Museum. Samen met Tony Oursler maakte Kelley in 1997 een indrukwekkende installatie - een ode aan punk - tijdens Documenta X in Kassel. Ook hield hij zich bezig met kunstkritiek en het maken van tentoonstellingen. Ondanks zijn altijd recalcitrante houding jegens de kunstwereld, vond Kelleys werk gretig aftrek onder verzamelaars. Het afgelopen jaar brak de kunstenaar meermalen zijn eigen veilingrecords. Zijn werk Ahh... Youth, een serie kleurenfoto's van teddyberen uit 1991, werd in november bij Christie's verkocht voor ruim 900.000 dollar. Kelleys werk zal in maart - voor de achtste keer - vertegenwoordigd zijn op de Whitney Bi�nnale in New York. Op het moment van zijn dood was de kunstenaar druk bezig met de voorbereidingen van de tentoonstelling waarmee het Stedelijk Museum in Amsterdam dit najaar heropend zou worden. Foto-onderschrift: Mike Kelley De hoes die Mike Kelley in 1992 ontwierp voor de lp Dirty van Sonic Youth Persoon: Mike Kelley Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.


Mike Kelley maakt geen emoties meer los Door JANNEKE WESSELING Recensie | Zaterdag 01-07-2000 | Sectie: Kunst | Pagina: 11 | Janneke Wesseling

Het Van Abbemuseum verwierf recentelijk twee werken van Mike Kelley (Los Angeles, 1954): Categorical Imperative, bestaande uit 32 objecten met een toelichting door Kelley op audio guide, en Morgue, 39 collages. De twee werken vullen nu samen de grote achterzaal van het gebouw aan de Vonderweg. Meubelachtige constructies met allerlei spullen erop en eromheen gerangschikt staan gelijkmatig verspreid door de ruimte: een tienerbureau met een blauwe helft voor een jongen en een roze helft voor een meisje, met knipselboeken, prullenmand, fotoalbum; een tafel met daarop een knuffelkikker en een tv met een video van een Star-Trekaflevering; een roze lap op de grond met een uitstalling van roze sokken, een roze kussen en een roze strik van garen, enzovoort. De collages hangen rondom aan de wanden. Ze zijn samengesteld uit tekeningen en knipsels, en hebben ieder een bepaald thema hebben zoals revolutie, de Venus van Willendorf, of het Amerikaanse middenklasse-interieur. Voor deze twee werken gebruikte Kelley, zoals hij zelf uitlegt in een begeleidende tekst, alles wat hij nog in opslag had aan dingen die hij ooit in winkels en op rommelmarkten had gekocht om er kunst mee te maken. Het is een soort grote schoonmaak, met als doel om `een aantal van de eigen artistieke vooroordelen onder ogen te zien'. Nadat hij alle dingen verwerkt had tot constructies, voegde hij er een tekst aan toe waarin hij uitlegt hoe en waarom hij aan al die spullen gekomen was. Kelley is bekend geworden met installaties waarmee hij het publiek wist te provoceren en het verschijnsel `museumkunst' wist te ondermijnen. Met knuffelbeesten, tapijten, meubels, met nagebouwde grotten en nauwe gangen en met beelden van monsters en geslachtsdelen maakte hij nachtmerrie-achtige Freudiaanse ruimtes die verhalen suggereerden over geweld, seksueel misbruik en onderdrukte jeugdherinneringen. Hij wil, zei hij in een interview, de mensen alert maken op de wereld van beelden om hen heen. Zijn kunst gaat over `fa�ades, over re-presentatie en over visuele taal'.


Het werk van Kelley zou je kunnen omschrijven als anti-kunst, anti-schoonheid, anti-vorm en anti-inhoud. Geen bijzonder origineel programma, maar zolang hij het overtuigend wist vorm te geven, dat wil zeggen zo rauw en extreem mogelijk, slaagde hij erin zijn installaties een lading, een gevoel van urgentie, mee te geven. Het is ook een zeer mager programma, en te oordelen naar de twee werken in het Van Abbe begint de inspiratiebron op te drogen. Ze zijn saai en eenvormig, en de monotone stem van Kelley met de eindeloos lange uitleg bij de objecten doet vermoeden dat bij de Amerikaanse kunstenaar een dodelijke verveling heeft toegeslagen. Kelley deelt aan het eind van zijn toelichting mee dat een theorie van kleine geschiedenissen belangrijker is dan een `Grote Geschiedenis', wat een politiek correct standpunt is, en geheel in lijn met de heersende postmoderne opvattingen. Inderdaad iedereen is ook een mens, en even belangrijk. Maar dat wil nog niet zeggen dat al die kleine geschiedenissen interessant zijn voor een publiek. Een kunstenaar moet op zijn minst een poging ondernemen om een samenhang tussen die geschiedenissen te ontdekken, of een inhoud. Als hij daar zelf geen zin meer in heeft, kan hij moeilijk van zijn publiek verwachten dat het de moeite neemt zich te verdiepen in al die kleine geschiedenissen. En als een kunstenaar niet meer in staat is om een emotie of verlangen over te brengen is zijn werk volkomen futiel. Info: Mike Kelley: Categorical Imperative and Morgue, installatie in het van Abbe Museum, Vonderweg 1, Eindhoven. Tot 3 september. Di zo 11-17 uur. Foto-onderschrift: Mike Kelley, Categorical Imperative and Morgue, 1999. Collectie Van Abbemuseum. (Foto Peter Cox) Trefwoord: Kunst;Musea en galerie�n;Kunst en Cultuur Organisatie: Van Abbemuseum Persoon: Mike Kelley Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.


Mike Kelley wil toeschouwer niet behagen; Een grammatica die bestaat uit monsters Door HANS DEN HARTOG JAGER Recensie | Zaterdag 26-07-1997 | Sectie: Kunst | Pagina: 6

Tentoonstelling: Mike Kelley, Werken 1985-1996. Van Abbemuseum Entr'acte, Vonderweg 1, Eindhoven. Di t/m zo 11-17u. T/m 14 september. Het schilderij lijkt op een plaatje uit een stripverhaal. We zien een grot, geschilderd in zwartwit, die veel weg heeft van een spelonk uit Kuifje: een donkere ruimte, moeilijk begaanbaar, vol met stalagmieten en stalactieten die dreigend naar alle kanten uitsteken. In het zwart ontwaar je een Engelse tekst: 'Tijdens het grotklimmen moet je soms bukken; soms moet je op handen en voeten, soms zelfs kruipen...' - en plotseling sta je als toeschouwer voor de keuze. Onder het schilderij wordt een gat zichtbaar, formaat open haard; daarboven, op het doek, staan de woorden 'CRAWL WORM!!' Wat te doen? Doorlopen en een deel van de tentoonstelling missen, of door de knie�n gaan, en vernederd worden door de kunstenaar? Niet veel toeschouwers op de Mike Kelley-tentoonstelling in het Van Abbemuseum zullen tot het laatste besluiten, want op het moment dat ze bij Plato's Cave, Rothko's Chapel, Lincoln's Profile (1985-'96) zijn aangeland, heeft Kelley ze al stevig tegen zich in het harnas gejaagd. Hij heeft ze een duivel met enorme ballen voorgeschoteld, een installatie, bestaande uit een buitensporige prop aluminiumfolie waar een hoop onbestemde herrie uitkomt, en een anderhalf uur durende video waarin twee gemaskerde mannen een pop worsten laten poepen. Recalcitrante kunst, waarvan je als toeschouwer zeker zo recalcitrant wordt - reden genoeg om rug en benen recht te houden. Mike Kelley (Detroit, 1954) heeft het zichzelf dan ook niet gemakkelijk gemaakt. Zelden is er in zijn werk iets 'mooi'; hij verleidt zijn toeschouwers niet, en weigert ze te behagen of te koesteren. Daarmee heeft hij zichzelf in een paradox gemanoeuvreerd: hij wil zijn toeschouwers uitdagen, omdraaien en door elkaar schudden, maar faalt regelmatig omdat de meesten zich meteen na de eerste blik afwenden. Dat komt vooral doordat Kelley appelleert aan het 'datkan-mijn-neefje-ook gevoel'. Dat zit 'm niet alleen in zijn preoccupatie met poep, pies, kut en lul maar ook in al die andere parafernalia van de ontluikende puber: Kelley maakt aan de lopende band oude idolen belachelijk - van Christus en Mark Rothko tot Heidi - en er is veel horror en 'hardcore': samen met collega Paul McCarthy speelt Kelley in de popgroep Destroy


all Monsters, die muziek maakt waarvoor de gemiddelde vijftien-jarige zich niet zou hoeven schamen. Dat Kelley's werk zich daardoor vooral tot 'ingewijden' richt is jammer, want wie de tijd neemt om de beelden wat langer op zich te laten inwerken merkt dat de lelijkheid voor Kelley geen doel is, maar een taal, waarvan de grammatica uit monsters en geslachtsdelen bestaat. Er is bij Kelley dan ook veel meer dan platte puber-cultuur: hij verbindt zijn beelden met de kunstgeschiedenis, met religie, politiek en psychologie, zoals in een serie knuffelbeesten die strak gegroepeerd op tafeltjes liggen, en zo enerzijds een groot knuffelkerkhof vormen en anderzijds aan de psychiatrische poppen-methode doen denken, ondanks de vrolijke kleuren en de olijke bekken. Het is niet de enige installatie waarbij Freud op de achtergrond heerst: Kelley's werk barst van de grotten, palen, gaten en holen. Maar daarin is hij nooit voorspelbaar: de video Fresh Acconci (naar videopionier Vito Acconci) bijvoorbeeld, waarin we een fotomodel naakt op een berenvel zien kronkelen (brandende open haard op de achtergrond), is vooral een geilige belofte waarin seks nauwelijks aan de orde is. De film blijft steken in de fantasie van een puber die weet waarvoor zulke beelden staan, maar niet weet wat hij er zelf mee aanmoet. Als het werk van Kelley dan ook ergens mee is te vergelijken dan is het een lange Freudiaanse sessie bij de psychiater - maar die interpretatie weet hij weer te ontlopen door nergens persoonlijk te worden. De tentoonstelling in het Van Abbe is weliswaar verre van perfect (veel van de echte topwerken ontbreken; het geheel staat te krap en is te braaf op thema gehangen), toch is het lang geleden dat ik het zo benauwd kreeg bij een expositie, me zo gevangen voelde in een wereld waarin ik me uit mezelf nooit zou begeven. Dat bleek opnieuw toen ik eenmaal op mijn knie�n zat, door het gat kroop en in een donkere gang belandde. Vooraan hing een groot wit doek met een rood geverfde scheur erin. Daarachter, waar je weer kon staan, gloeide een klein elektrisch open haardje. Aan het einde van de gang, achter twee nieuwe doeken, stond nog zo'n apparaat, maar nu zo hoog dat het bijna een altaar werd. Wat het ook moest voorstellen, de grot van Plato, de kapel van Rothko of de baarmoeder van Mike Kelley, het was er warm en rustig - een plaats van contemplatie, die door dat nadrukkelijke symbool aan de ingang ook meteen weer werd ge�roniseerd. Maar op dat moment had Mike Kelley iets anders allang duidelijk gemaakt: dat het in de wereld van de kleine neefjes ook niet altijd even lollig is, en dat je, om dat te kunnen laten zien, toch echt eerst zelf volwassen moet zijn. Onderschrift: Foto: Mike Kelley: Craft Morphology Flow Chart, 1991 (Foto Peter Cox);Mike Kelley: The Little Side Cave #1, 1985 Persoon: Mike Kelley Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.


Sonsbeek '93 RENEE STEENBERGEN Recensie | Vrijdag 23-07-1993 | Sectie: Overig | Pagina: 9

The Uncanny, door Mike Kelley. Catalogus bij de tent. Sonsbeek '93. 56 blz. 115 zwart-wit afb. Prijs: f 25,De interessantste bijdrage aan Sonsbeek '93, de beeldenmani- festatie in Arnhem, is de tentoonstelling die Mike Kelley nu presenteert in het Gemeentemuseum. Onder de aan Freud ontleende titel 'het Unheimische' zijn daar levensgrote, hyperrealistische sculpturen opgesteld naast opgezette dieren, opblaasbare sekspoppen, anatomische modellen, een afgehakte voet op sterk water en allerlei ander gruwelijks op het grensvlak tussen levend en niet-levend. Elk beeld of object ontlokt de bezoeker een schok die in eerste instantie fysiek van aard is. Het griezelige is namelijk dat een bijna-menselijk object een moment een soortgenoot lijkt, een dubbelganger, maar tegelijk een dood ding is en ons volgens Kelly daardoor herinnert aan onze eigen sterfelijkheid. Bij de expositie verscheen een boek dat grotendeels bestaat uit plaatjes; krantefoto's,opnames van wetenschappelijke experimenten en reprodukties van kunstwerken zijn zonder onderscheid door elkaar heen afgedrukt. Tezamen vormen ze een soort prikbord van beelden waaruit Kelley zijn ideeen voor de museale presentatie opdeed, maar ook een staalkaart van indrukken die wij dagelijks op ons netvlies krijgen. Bijvoorbeeld de bekende foto's uit het voormalige Oostblok van de van zijn sokkel getrokken reus Lenin, maar ook een wassen beeld van de Engelse prinses Fergie en stand-ins, levensechte poppen die in stuntfilms de plaats innemen van bekende acteurs. Frankenstein poseert naast het danseresje van Degas, King Kong wordt geflankeerd door de aangerande meisjespoppen die de surrealist Bellmer vervaardigde. Net zo gevarieerd en aanstekelijk nieuwsgierig is Kelleys Engelstalige essay dat voorin de uitgave is opgenomen. Hij springt van Egyptische grafsculpturen naar de lugubere collectie special effect-objecten die een Hollywoodster in zijn bezit heeft (waaronder de borsten van Jane Fonda in Barbarella), van de lichaamsfragmenten die Rodin tot zelfstandige sculpturen verhief naar de tragische aapjes die bij wijze van experiment een moeder van ijzerdraad kregen. Alleen de pornografie komt niet aan bod, terwijl Kelley in het museum zijn eigen collectie Penthouse's aan het publiek toont. De kunstenaar concludeert, deels analoog aan Freud, dat de fascinatie van beelden (verzamelen) is terug te voeren op de fetisj die hij in dit geval omschrijft als de 'esthetiek van het gemis'. Een opwindend thema, dat in de fysieke confrontatie met de beelden in het museum zelf echter heel wat beter werkt dan in de slechte kwaliteit zwart-wit afdrukken in dit interessante boekje. The Uncanny, door Mike Kelley. Catalogus bij de tent. Sonsbeek '93. 56 blz. 115 zwart-wit afb. Prijs: f 25,-


Persoon: Mike Kelley Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.

Het knuffeldier wordt onderdrukt; Gesprek met de Newyorkse popgroep Sonic Youth door Hester Carvalho artikel | Vrijdag 17-07-1992 | Sectie: Overig | Pagina: 4

De leden van de New-Yorkse popgroep Sonic Youth bespelen hun gitaren met schroevedraaiers, drumstokjes en bierflessen. Op hun binnenkort te verschijnen cd Dirty klinken de gitaarriffs als optrekkende motoren. Het thema van Dirty is de repressie die volgens de groepsleden Amerika beheerst. "Ik vind het vervelend dat ik een nummer moet zingen over politieke leugens, over deze zogenaamd "vrije' samenleving", zegt zanger Thurston Moore. Dirty van Sonic Youth verschijnt 21 juli bij BMG-Ariola. Aan Houston Street, de brede weg in Downtown Manhattan die SoHo van Greenwich Village scheidt, ligt de Knitting Factory. Onder het primitief geschilderde uithangbord leidt een trapje naar een lange kelder waar een bar is en versleten stoelen staan. Het plafond is bespannen met aan elkaar genaaide truien, ter illustratie van de naam. Achter in de kelder is de toegang naar de een verdieping hoger gelegen concertzaal. De Knitting Factory, die zes jaar geleden werd opgezet als een avontuurlijke jazzclub, heeft zich ontwikkeld tot een locatie voor groepen in alle genres. Zeven avonden per week spelen er jazzbands, hardrockgroepen, singer/ songwriters, avantgardisten en gitaarvirtuozen. Op deze avond is de zaal, waar volgens een bordje boven de deur precies 152 mensen in kunnen, helemaal vol. Het publiek verdringt zich om te zien wat zich op het kniehoge podium afspeelt. Er staan twee vrouwen, allebei hebben ze een gitaar om en een honkbalpetje op. Beiden dragen een leren minirok en plateaulaarzen. Zo te horen gaat er in de uitvoering van de nummers wel wat mis, maar het duo laat zich er niet door van de wijs brengen. De een gaat beurtelings op en onder haar gitaar liggen en de ander roept haar toe: "Hey Kim! As our mothers used to say: If you wanna be a star, you'd better play guitar!" De blonde vrouw knikt.


Het is Kim Gordon, de bassist van Sonic Youth. Na het volgende nummer meldt Gordon: "We are Kitten, and you suck!", en de twee vrouwen verlaten het podium. In de zaal staat Gordons echtgenoot Thurston Moore, zanger/gitarist van Sonic Youth. Hij vertelt dat de groep zojuist de opnamen van een nieuwe cd voltooid heeft en dat de leden zich nu vermaken met andere musici. Kim Gordon heeft Kitten opgericht met de vroegere bassist van Pussy Galore, Julie Cafritz, drummer Steve Shelley heeft een hardcoreband met zanger/gitarist Jad Fair, Mosquito, en Thurston Moore speelt zelf samen met jazzdrummer William Hooker. Erupties Sinds het begin van de jaren tachtig is Sonic Youth voor de Newyorkse muziekscene wat The Velvet Underground was in de jaren zestig en Television in de jaren zeventig: een aanzet tot vernieuwing, eerst omstreden, daarna ge�miteerd. De manier waarop de gitaristen Lee Ranaldo en Thurston Moore (beiden "leerlingen' van de Newyorkse gitaarmagi�r Glenn Branca) hun instrument laten klinken, is revolutionair. Geholpen door een meedogenloos volume bedwelmen ze bij optredens het publiek met kaatsende boventonen en gewelddadige erupties. Ze bespringen hun gitaren en bespelen ze met schroevedraaiers, drumstokjes en bierflessen. Ondertussen zingt Kim Gordon, de Madonna van de alternatieve muziek, met omfloerste stem over haar verlangens, afgewisseld door Thurston Moore die cool en ironisch blijft. Tot 1990 bracht Sonic Youth cd's uit via onafhankelijk opererende platenmaatschappijtjes. De nieuwe cd Dirty verschijnt echter net als de voorganger Goo bij de grootschalige David Geffen Company, de maatschappij die vorig jaar plotseling zo succesvol was met de undergroundgitaarrock van Nirvana. Het was op aanraden van de leden van Sonic Youth dat Geffen de band uit Seattle contracteerde. Van Nirvana's cd Nevermind zijn inmiddels zeven miljoen exemplaren verkocht en in Amerika worden orgelversies van de hit "Smells like Teen Spirit' als begeleiding van ijshockeywedstrijden gedraaid. In het luxe Geffen-kantoor op Broadway, waar het enige tijd kost om het in de muur weggewerkte liftknopje te vinden, vertellen Steve Shelley, Kim Gordon en Thurston Moore over Dirty, hun elfde cd. Voor het eerst werkte de band met een producer, Butch Vig, bekend van Nevermind. "We hebben Butch gekozen omdat hij wist hoe wij live klinken. Hij vond dat dat het geluid van de cd moest worden", zegt Steve Shelley. Anders dan Nirvana's Nevermind, dat helder en "open' klinkt, maakte Vig Dirty chaotisch en opwindend. De structuur van de nummers is losser en laat zich pas na enkele keren luisteren ontdekken in het opdringerig gemixte gitaarspel. In plaats van de hypnotiserende dissonanten van vorige cd's heeft Dirty een gemeen hardrockgeluid. Gitaarriffs klinken als optrekkende motoren en Kim Gordon zingt met zoveel verbeten razernij dat het luisteren soms pijn doet, zoals in het nummer "Swimsuit Issue', genoemd naar de jaarlijkse speciale uitgave van het tijdschrift Sports Illustrated. Hierin tonen bekende modellen de nieuwe badmode in opwindende poses en zorgen daarmee voor de


best verkochte editie van het blad. Ge�nspireerd door foto's als in het Swimsuit Issue vallen manlijke werknemers hun vrouwelijke collega's lastig, zegt Gordon. "Mannen trekken zich af boven de tafel van hun secretaresse of steken hun pik in haar oor", somt Gordon glimlachend de misdragingen op. Maar in "Swimsuit Issue', als ze zich verplaatst in een secretaresse, is haar verontwaardiging hoorbaar: Don't touch my breast I'm just working my desk. Don't put me to test I'm just doing my best. Hoewel onvrede met sociale en politieke omstandigheden in Amerika al eerder een rol speelde in het werk van Sonic Youth (met de titel van de cd Daydream Nation uit 1988 werd bij voorbeeld Amerika aangeduid), was deze niet eerder zo direct als op Dirty. Gevangen in een patroon van zenuwachtige gitaren geeft Thurston Moore in het nummer "Youth Against Fascism' een opsomming van de rotte plekken in het Amerikaanse systeem: de Ku Klux Klan, het leven in de getto's, het bewind van Bush. In het refrein komt steeds een regel terug: "This is the song I hate'. Moore: "Ik vind het vervelend dat ik een nummer moet zingen over politieke leugens, over deze zogenaamd "vrije' samenleving. Eigenlijk is er hier een oorlog aan de gang, tussen de domoren en de democraten." Knuffeldieren Om aan te geven dat de repressie die volgens de leden van Sonic Youth het land beheerst, het belangrijkste thema van de cd is, werd de oorspronkelijke titel, My Life to Live, vervangen door Dirty. Op de hoes zal een foto te zien zijn van de Californische kunstenaar Mike Kelley, met daarop een versleten knuffeldier. "Knuffeldieren vertegenwoordigen het ideale kind, net zoals filmsterren de ideale volwassenen zijn. Ouders kopen een knuffeldier voor hun kind, maar zodra het menselijke trekjes van het kind overneemt, zoals de geur, wordt het minder aantrekkelijk voor de ouders. Dus dan gooien ze het weg en kopen een nieuwe. Voor ons is deze foto h�t symbool van onderdrukking", zegt Kim Gordon. Voor het hoesontwerp van hun platen vraagt de groep altijd een kunstenaar, zoals Richard Kern voor Evol en Raymond Pettibon voor Goo. Lee Ranaldo en Kim Gordon hebben beiden op een academie voor beeldende kunst gezeten. Ranaldo houdt zich nog zijdelings bezig met video en film. Gordon heeft de beeldende kunst achter zich gelaten. Gordon: Veel beeldend kunstenaars "lenen' van de populaire cultuur. Ik werk zelf liever met een kunstvorm die deel uitmaakt van de populaire cultuur, dan met een die er gebruik van maakt.'' Trefwoord: Popmuziek;Kunst en Cultuur;Kunst;Muziek Organisatie: Sonic Youth Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.


Sonic Youth - “100%” I can never forget you - the way you rock the girls They move a world and love you - a blast in the underworld I stick a knife in my head - thinking ‘bout your eyes But now that you been shot dead - I’ve got a new surprise I been waitin’ for you just to say He’s off to check his mind But all I know is you got no money


But that’s got nothing to do with a good time Can you forgive the boy who - shot you in the head Or should you get a gun and - go and get revenge? A 100% of my love - up to you true star It’s hard to believe you took off - I always thought you’d go far But I’ve been around the world a million times And all you men are slime It’s goin’ to my head, goodbye I am dead Wastewood rockers is time for cryin’, hey!

You Can't Phone Home Again: Thoughts on Mike Kelley, The Power of Influence, Nineties Teenhood and E.T.

Los Angeles artists have been very aware of the influence of their forebears lately. Pacific Standard Time, the ongoing six-month festival of post-war Southern California art has offered an art lover countless opportunities to experience newly refurbished, re-performed and repurposed historical works from the Big Important Movements of SoCal art: feminist art, light and space, performance art, the “Cool School”, etc. For young artists, there have been many opportunities opening up due to PST, most of which involve collaborating or assisting older artists in the reconstruction of their finest moments. The wisdom of the elders seems to be a recurring theme. So it felt particularly strange and shocking that just at the conclusion of the performance-heavy phase of PST, where quite a few under-appreciated artists whose careers may have seemed dormant for decades were commissioned to update and re-perform works from twenty or thirty years ago and bring them to a new audience, an artist who’s been visible, active, and increasingly relevant and powerful since the late 1970’s should take his own life. Mike Kelley is responsible for a lot of the artists in L.A. today, and I am but one humble example. He was a larger than life figure in my mind before I moved to Los Angeles. I never knew him, and only met him once in an autograph-seeking fanboy capacity, but once I lived here a few years I came to understand that he had personally touched the lives of many of my colleagues; as an employer, a collaborator, a teacher, a mentor, or a friend. I probably would not have moved to L.A. in the first place if not for Mike Kelley, as all I knew about CalArts when I applied there was that Mike Kelley went there, and I had hopes that whatever he may have got out of the place would rub off on me a little too. There’s a whole generation of artists in their 20’s and 30’s today who have some variation on the same story. I, like many other alienated/alternative suburban skaters, punks, indie rockers and art damaged teenagers of the ‘90’s, was first exposed to Kelley’s work via the cover for Sonic Youth’s Dirty. As I learned more about him, I came to understand his work as a brand of


post-modernism I could actually identify with. It represented a contemporaneous working class American folk culture that was not represented elsewhere. His most popular doll-and-blanketrelated works (More Love Hours Than Can Ever Be Repaid 1987, Eviscerated Corpse 1989, Dialogue series,1991) had an ineffable pull on myself and many others. From reading Kelley’s writing about his work, it’s now clear that whatever drew me to these pieces had little to do with their intended message or content. It’s something else, and it continues to be a challenge for me to understand. I think some of it had to do with E.T. I recently re-watched E.T. over a holiday vacation. I was a toddler when the film was released and I mostly remember loving E.T. and crying a lot. This time around, I was struck by how incredibly ugly E.T. is. His presence in drag is not so much adorable as perverse and grotesque; like the hot turd in a babydoll dress in Mike Kelley’s “Swaddling Clothes” of 1986. I was raised on Steven Spielberg’s imagery of a mythic and sentimental middle class: afghancovered couches in spacious and dimly lit interiors, splinters of soft electric light through halfopened mini-blinds, a sad-eyed empath goblin hiding amid a horde of mute stuffed toys. Residues of the earth-toned late seventies permeated my early childhood, but by the nineties, the world had gone day-glow and beige. The wilderness in which a young Elliot might find an extraterrestrial in the brush had been bulldozed to make way for a subdivision and a parking lot. In spite of this, I was attached to the relics of the myth of my childhood innocence. The special resonance Mike Kelley has with me is probably largely accidental. After all, I was born two years after Kelley started grad school at CalArts, so I can hardly presume that there was much commonality in our understanding of the American experience circa 1992. Still, Kelley’s Catholicism-induced project about the crushing debt of love owed to hundreds of anonymous home-crafters of handmade dolls overlapped and conveniently fed into the zeitgeist moment of a generation re-assessing the filth that encrusts a childhood whose comforts don’t so much segue as curdle into an underemployed adulthood. You want the comfort. You want the toys and the afghans, but you also want beer, cigarettes, pot, insight, and your sick sense of humor. You live with all of it and you get this weird, sad mess. The combined artwork and music in Dirty cements this relationship. It echoes the soft/hard dynamics of a dysfunctional family. Dirty was released in 1992, when I was fourteen years old. At this time I had a bookshelf filled with Garfield and Bloom County comics, orange walls, a giant poster of the cover of the Pixies’ Surfer Rosa featuring a topless flamenco dancer, which my brother perversely presented to me one Christmas morning, and a poster of Robert Smith from The Cure wearing a floral printed blouse. My closet was filled with abandoned cartoon drawings from elementary school, stuffed animals I was too embarrassed to keep on display and too attached to throw out, back-issues of Muppet magazine, retired Masters of the Universe figures, and a couple of lingerie catalogues I stole from my neighbor’s mailbox. The soul of my closet was one of great melancholy and abject grotesquery; a sad-eyed empath goblin would feel right at home.


The cover of Dirty was a grubby homemade doll, with more crusty stuffed toys pictured inside as well as a creepy dude with long hair, acne, and his shirt buttoned all the way up. I later realized this guy was Mike Kelley. The musicwas atonal guitar skronks and feedback, paired with 4/ 4 beats and pop hooks. The comforts of childhood, the messy disaster of adolescence, the conflicted consciousness of the suburban weirdo, all brought together in a sickly sweet stew. The symbiosis of Kelley’s visuals and the aesthetics of the noise-pop instrumentation led me to respect the thing as a statement; a work from “out there”(New York City, Los Angeles), which recognized the particularities, the twisted psychic space “in here”—-in my suburban American teenhood. Unlike Hollywood, or MTV, or even Sonic Youth itself, Kelley did not romanticize the various cultural vernaculars he mined, nor did he exploit them for trendsetting purposes. He thoroughly investigated and deconstructed his material, bringing his full intelligence and razor sharp wit to bear on his subjects. In the process he unearthed a gold mine of psychic dysfunction in popular and domestic culture. He found the soul of phallic violence at the heart of Sad Sack comics, reconsidered the naive gestural abstraction in his own undergraduate paintings, and extrapolated ornate micro-narratives, absurd yet gripping poetry, and a cornucopia of Americana pastiches from photographs of extracurricular student activities in a high school yearbook. His projects were often tongue in cheek, but executed with a rigor that transcends the “low” origins and reveals great insights into the idiosyncratic forms of expression most art discourse ignores. He brought energy and integrity to a seemingly profane and pathetic range of subject matter. To me, he was an artistic model and a consistent inspiration. There’s a stretch in E.T. where Elliott’s health and mindset is inexplicably linked to that of E.T. When E.T. is dying, Elliott is deathly ill as well, and is separated from the alien by the Secret Service or whatever for his own protection. When E.T. “dies” and is put in some kind of CIA space-coffin, Elliott has regained his strength, and the first thing that kid does is bang on E.T.’s coffin and profess his love. Influence is a tricky thing. It builds you up, shows you a range of possibilities you didn’t think possible, but too much of it can kill you. And unlike E.T., when earthlings die, they don’t get reception from the mother ship and pop back to life. They are gone and there’s nothing left for a kid to do but actually grow up. …By the way, I’m fully aware of how grossly inappropriate, stupid and pathetic that E.T. call back is. I’m hoping Mr. Kelley can appreciate it. -John P. Hogan


Mike Kelley reviews  

Mike Kelley reviews

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you