Page 1

Kampvuren langs den evenaar Paul Julien

bron Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar. Pelgrim, Eindhoven 1940

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/juli003kamp01_01/colofon.htm

Š 2008 dbnl / erven Paul Julien


5

Een woord ter inleiding. Het is al meer dan tien jaren geleden, dat ik tijdens een van mijn eerste reizen in het achterland van West-Afrika een planter ontmoette, een Franschman, die lange jaren aan de West-Afrikaansche kust had doorgebracht. Zooals in alle koloniale gebieden der aarde geschiedt, schimpte ook hij op het land, waar hij een groot deel van zijn leven had liggen. En toch voelde ik, dat al wilde hij het zich nauwelijks bekennen, Afrika hem, trots alles, lief geworden was. Ik was destijds nog een vreemdeling op Afrikaanschen bodem, onervaren en hechtte slechts weinig beteekenis aan zijn fatalistische voorspelling: ‘Quand une fois l'Afrique vous tient dans ses griffes, elle ne vous lâchera plus jamais.’ Toen ik echter zelf over eenige Afrikaansche ervaring beschikte, ondervond ik, dat de planter gelijk had. Telken jare, soms meerdere malen 's jaars, ben ik sedertdien, ter voortzetting van een anthropologisch bloedonderzoek, naar Afrika teruggekeerd en ook ik heb moeten ondervinden, dat wie eenmaal het leven der wildernis geleefd heeft, voor altijd de betoovering van den terugkeer in zich omdraagt. Waarom keerde ik terug naar de troostelooze, heete savannen, de donkere, eenzame bosschen, de sombere moerassen van den equatorialen gordel? Ik heb me de vraag dikwijls gesteld, het antwoord nooit gevonden. Maar ook ik heb den tol der tropen betaald en dit land en zijn bont geschakeerde bevolkingen, trots alles, lief gekregen. Dit boek, dat allerminst een wetenschappelijk boek is - wie in de resultaten van het ethnoserologisch en ethnologisch werk belang stelt zij naar de vaklitteratuur verwezen - en evenmin een belletristisch werk wil zijn, heeft slechts de pretentie om eenige - fragmentarische - belevingen vast te leggen en enkele figuren te belichten, die in mijn herinnering een belangrijke plaats innemen. Dr. PAUL JULIEN. Wassenaar, October 1940.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


9

Lijst der platen: De nummers achter den titel hebben betrekking op het hoofdstuk waarbij de afbeelding behoort Naast pag. 20

Dr. Paul Julien met twee pygmeeënkinderen van de Motaba rivier

Hoofdstuk 2

21

Lobi-baby in rieten draagwieg

13

28

Kind van den stam der Mende (Sierra Leone)

8

29

Drijvende brug over de Diani-rivier (Liberia)

7

48

Sprinkhanenzwerm nabij 3 Bor, Boven-Nijl. De wolk aan den horizon is de eigenlijke zwerm

49

Boschwildernis in Zuid-Caméroun

4

64

Haussa-schrijver nabij Lomié (Caméroun)

5

65

Vrouw der Lobi met Labret 13 (lipdoorboring)

80

Lobi-man, de balafon bespelende

13

81

Bevroren kratermeer van den Kilimandzjaro

4

96

Lava-conus in den krater van den Kilimandzjaro

4

97

Landschap in de 13 Lobi-savanne nabij Kampti

132

Twee pantermedicijnen 10 (Borfimah) der Mende uit Dr. Julien's collectie. Rechts de beruchte Neppoh

133

Afbeelding van Gbainie, den Porohduivel der Mende

8

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


140

Meisje, teruggekeerd uit het Bundu-bosch (Sierra Leone)

8

141

Dood meisje van den stam der Dzjem, Zuid-Caméroun

160

Fili, de slangendanser van 9 Ngagboma

161

Man der Téguessié, Zwarte-Volta-gebied

176

Kreek in Z.W. Caméroun 15

177

Gelabretteerde vrouw der 13 Lobi

208

Aan de kust bij Victoria, Engelsch Cameroons. Op den achtergrond de Piraten-eilanden

209

Krijger der Téguessié, Zwarte Voltagebied

224

Sanctuarium der Lobi met 13 opstapeling van hout van den oever der Volta-rivier

225

Moeraswildernis nabij Khakata, Liberia

13

13

7

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


11

ORIテ起TEERINGSKAART VAN AFRIKA De in de afzonderlijke hoofdstukken besproken gebieden zijn op de kaart met het nummer van het hoofdstuk aangeduid.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


13

Hoofdstuk I. De duivels, die God zelf gemaakt heeft. MISSCHIEN is het eentonige bush van Sierra Leone somberder, neerdrukkender dan ergens elders in West Afrika. Misschien ook was het de regen, die, na me twee maanden te hebben doorweekt, soms verkleumd, verkild tot in mijn gebeente, een hartstochtelijk verlangen in me wakker riep het land der Mende te verlaten, zoo spoedig ik het verlaten kon. Maar de felle regens, die week in week uit neergutsten over de ruischende wildernis, vertraagden mijn arbeid, kluisterden me vast aan mijn kamp en veroordeelden me tot lange dagen van werkeloosheid. Langzaam maar onafwendbaar kroop een diepe neerslachtigheid mijn hart binnen. De grauwe eenzaamheid van het bosch drukte me neer. De regen drong door tot in elk hoekje van mijn hut. Overal, tot onder mijn kampbed, stonden modderige plassen. In natte plooien hing het muskietennet om mijn klamme leger, waar de laatste droge dekens al een week geleden waren begonnen te schimmelen. De tijd kroop voorbij en bracht in mijn trieste eenzaamheid slechts ontmoediging. Buiten verdubbelde de regentijd haar woeste vlagen. Zoo geschiedde het dat ik dagen lang op mijn kampbed uitgestrekt te luisteren lag naar den onafgebroken neerkletterenden regen, tot de schemering inviel en groote grijze spinnen uit het strooien dak te voorschijn schoten en hun felle jacht begonnen langs de natte leemen wanden van mijn hut, waar modderig water geruischloos naar beneden sijpelde, dag en nacht. Dan volgden onrustige nachten met weinig slaap. Soms als de donder over het bush rommelde, werd ik wakker, maar ook wanneer het eeuwig ruischen op het palmbladdak even ophield, kon ik opschrikken en ontwaakte dan met zoo'n beklemming, dat ik het onder de natte dekens niet meer uithield, in mijn schimmelige kleeren schoot en heen en weer begon te loopen in de modder van mijn hut tot het eerste licht van den

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


14 morgen door het neergutsende water heenbrak en een groezelige, onzegbaar trieste schemering door de open deur naar binnen sloop. Zoo joeg de tijd langs mijn boschhut voorbij, terwijl ik in doffe neerslachtigheid wachtte tot de regens eindelijk zouden gaan liggen en ik in staat zou zijn mijn werk voort te zetten. Maar de regens bleven vallen en met hen kwam de ontmoediging en met stijgenden angst voelde ik me wegzinken in een fatale cafard1), erger dan de zwaarste dysenterie of malaria kan nalaten. Hoe lang ik zoo gewacht heb in het kleine bushgehucht aan de Taberivier weet ik niet, doch op een ochtend sloop het licht niet als een dief naar binnen, maar trok een stralende morgenzon over het wijde bush en wekte me. Het was volop dag. Buiten glansden de oliepalmen nog van den nachtregen en in de ochtendkoelte vlogen scharen wevervogels af en aan naar hun nesten. Een groote dankbaarheid doorstroomde me. Het deerde me niet meer dat mijn kleeren aan mijn lichaam plakten en mijn doorweekte schoenen zuigende geluiden maakten bij elken stap. Ik wandelde buiten voor mijn hut, waar in de struiken krijschende vogelstemmen klonken en liet mijn oogen gaan over een blijde zonnige wereld. In regen en weer was ik hier gekomen en eerst nu zag ik iets van de omgeving. Het kamp lag op een kleine glooiing, die nauwelijks een heuvel kon genoemd worden, maar zich toch zoo hoog boven het bush verhief, dat er naar drie zijden een vrij uitzicht was. In zacht deinende golvingen strekte het bush zich voor me uit, een welig tapijt van gele en groene linten, waartusschen, als de oogen op het vel van een panter, het donkere groen der oliepalmen glansde. Ik liep de helling een eindweegs op. Beneden lag een Mendegehucht, gehuld in rook. En toen ik boven was, bleef ik plotseling staan. Even vervaagd in de nevelige verte teekende zich een bergprofiel van vreemde schoonheid tegen den blauwen einder af. De berg

1) Tropische melancholie (Fransch-Koloniaal woord).

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


15 scheen steil te zijn en maakte een indruk van groote hoogte, hoewel ik er zeker van was dat toppen van meer dan 700 meter in dit gedeelte van het protectoraat niet voorkwamen. Gezien door het geboomte zag de berg er wonderlijk uit. De langgerekte blauwgrijze rotsmassa vertoonde duidelijk het profiel van een liggend dier. Het was alsof daar te midden van verre bosschen een geweldige groote sfinx lag, de kop naar het zuiden gericht. Ik schatte den afstand op dertig kilometer, maar daar ik helaas mijn kaarten in het basiskamp Dambara had achtergelaten, kon ik niet uitmaken, welke deze top was. Ik liet Karimou, mijn zwarten tolk, komen, die dit gedeelte van het protectoraat goed kende. De berg heet Kunon, vertelde Karimou, maar voegde hij er aan toe: ‘Him be very bad mountain, Doctor.’1) ‘Wat is er voor gevaarlijks aan die berg?’ vroeg ik verwonderd. Karimou's gezicht werd ernstiger, dan het reeds was. Nooit sinds het bestaan van de wereld was er een mensch op dien berg geweest, verzekerde hij. Met mijn kijker zocht ik het blauwige profiel aan den horizon af. De Kunon zag er inderdaad niet gemakkelijk uit. Boven een dicht beboschten voet scheen zich een naakte rotskoepel te welven, die ongetwijfeld bij een bestijging moeilijkheden kon opleveren, maar dat een berg van zoo geringe hoogte onbeklimbaar zou zijn, kon ik me niet voorstellen. ‘Waarom is hij zoo moeilijk te beklimmen, Karimou?’ ‘You no fit waga for hop for that mountain Doctor. Any amount of devils live for top.’2) En Karimou's gezicht liet er geen twijfel over bestaan, dat de duivels van Mount Kunon hem een gepast ontzag inboezemden. ‘Heb je die duivels wel eens gezien?’, was natuurlijk mijn vraag. ‘No massa, me no done look him, but he be very bad devils you sabi, he be devils God done make him himself.’3)

1) Het is een zeer gevaarlijke berg! 2) U kunt niet naar den top van dien berg gaan. Een menigte duivels huist op den top. 3) Ik heb ze niet gezien, maar het zijn zeer kwaaie duivels, weet U, het zijn duivels, die God zelf heeft gemaakt. (Alles Pidgin).

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


16 Eenige weken verliepen, weken van ingespannen arbeid, van trekken her en derwaarts door het land, hoofdzakelijk in noordelijke richting. En ik vergat Mount Kunon. De arbeid, die in het doorweekte gebied buitengewoon hooge eischen aan ons aller uithoudingsvermogen stelde, wischte de herinnering aan het tooverachtig schoone profiel van den duivelsberg uit mijn gedachten. Toen begon de regen opnieuw te vallen en daar het te voorzien was dat de eerstkomende weken niet veel verandering zouden brengen, besloot ik naar de Tabe terug te keeren. Zoo trok ik weer naar het zuiden, volgde tenslotte de vallei van de Sengeye-kreek stroomafwaarts en voor ik er op verdacht was, lag temidden van een gigantisch rijke vegetatie, blinkerend in het rozige licht van een schoonen morgen, de geheimzinnige Kunon opnieuw voor me. Weer trof me de onmiskenbare gelijkenis met een sfinx, een groot, rossig monster op jadegroenen voet, maar nog sterker dan toen ik den berg voor het eerst zag, greep mij het verlangen om dezen nooit bestegen top te beklimmen. De Kunon was ditmaal veel dichterbij. Met mijn kijker zocht ik den top af, zocht er naar Karimou's duivels, maar kon er slechts eenige struiken waarnemen; overigens was de geheele rotsmassa naakt en kaal. Ik kon mijn oogen niet van den berg afhouden. Onweerstaanbaar lokte de Kunon. De geheimzinnige sfeer die den berg omgaf, de angst, dien de inboorlingen er voor koesterden, de grandioze, ongenaakbare koele schoonheid van dezen eenzamen steenklomp boven de eentonige wildernis van midden Sierra Leone, dat alles overrompelde me als een lawine. Een oogenblik aarzelde ik nog, toen besloot ik een poging te doen om den Kunon te beklimmen en veranderde mijn reisplan. In plaats van naar het westen te gaan, zetten we koers naar het zuiden. Ik wist dat nagenoeg zuiver noordelijk van den top een klein Mendedorpje lag, dat den naam Yamandoe droeg en niet meer dan enkele uren gaans verwijderd kon zijn. Zonder een der dragers iets van mijn voornemens te zeggen, gaf ik order de richting naar Yamandoe in te slaan. We bereikten het dorp in den loop van den namiddag.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


17 Karimou was vooruit gegaan om te zorgen dat er voedsel voor de dragers gereed zou zijn, en toen we de eerste kegeldaken van het dorp in het gezicht kregen, kwam het oude hoofd ons met zijn notabelen in statiekleeding tegemoet en begroette me zeer hoffelijk. Onbekend met het werkelijke doel van mijn bezoek, had Karimou het hoofd ingelicht, dat ik, zooals elders, ook bij de inboorlingen van Yamandoe een bloedonderzoek kwam instellen en het hoofd deelde mij mede dat hij zijn best zou doen om den volgenden morgen de inwoners voor het onderzoek naar mij toe te zenden, maar dat hij vreesde, dat er bij de bevolking veel angst voor zou bestaan. Ik nam het Hoofd apart en lichtte hem in, dat ik ditmaal niet voor een bloedonderzoek kwam, want mijn werk was in deze streek af geloopen, maar dat het doel van mijn reis de beklimming van den berg van Yamandoe was. Het ontging me niet, dat de notabelen van het dorp, die het hoofd vergezelden, elkaar aanzagen en hun gezichten eensklaps ernstig werden. Er viel een stilte. Het oude hoofd vertraagde zijn pas en bleef staan. ‘Nooit heeft een mensch den Kunon bestegen, Doctor!’ ‘Dat weet ik, Chief,’ was mijn antwoord, ‘daarom ben ik hier gekomen.’ ‘U kunt niet naar boven gaan, Doctor, het is onmogelijk.’ De beverige stem van den ouden man klonk als een bevel. De tegenstand prikkelde me. ‘Ik ga morgen het terrein verkennen en overmorgen ga ik naar boven,’ antwoordde ik kortaf, ‘en de Chief wil er wel voor zorgen, dat ik morgen twaalf man met goede kapmessen meekrijg.’ Inmiddels waren we in het dorp aangekomen, een van de somberste spelonken, die ik ooit in West Afrika heb aangetroffen, een gehucht van een paar dozijn vervallen hutten, die vlak opeen stonden, zoodat de strooien daken elkaar raakten. Het plaatsje, dat bijna geheel in dichte vegetatie verscholen lag, herinnerde me levendig aan de kleine oerwouddorpjes van het achterland van de Ivoorkust en Noord-Oost Liberia. Het was een van die vergeten hoeken van het West Afrikaansche bush, waarvan de District Commis-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


18 sioner van Bo me eens zei: ‘In these far out of the way villages anything may happen...’ In het dorp heerschee groote bedrijvigheid. Een resthouse was er niet, maar het hoofd had een compound1) voor me in orde laten maken, een zwaar leemen bouwsel aan den rand van het dorp gelegen onder een groote cottontree. In een tweetal kleine hutten werden mijn dragers ondergebracht. Mijn boy sloeg het bed op, zette het muskietennet uit en legde in de hut, die blijkbaar langen tijd had leeggestaan en naar schimmel en rottend hout rook, een vuur aan, dat de sombere sfeer eenigszins verdreef. De omgeving van het dorp was moerassig en toen de avond begon te vallen, zwermden dichte wolken muggen om ons heen. In het dorp werd het donker. Hier en daar in het rond vlamden in de hutten vuren op. De druilerige regen, die ons den ganschen namiddag had begeleid, begon wat te minderen. Gewoonlijk wordt het in Afrika's dorpen tegen zonsondergang rustig. Wanneer de inboorlingen hun geiten en kippen voor den nacht in hokken hebben opgesloten, gaan ook de hutten dicht en blijft het dorp als uitgestorven achter. Soms scharrelen een paar magere honden er nog wat rond in den modder tussen de hutten, maar verder heerscht er stilte en alleen de krekels en cycaden schreeuwen door het eeuwig ruischen van den regen heen. Yamandoe echter kwam dien avond niet tot rust. In een hangmat aan het vuur liggende - de eenige plaats waar de muggen me tenminste met rust lieten - zag ik vanuit mijn hut hoe het hoofd met enkele oudsten in het dorp rondging. Daarop werd in de compound van het hoofd een vergadering belegd, waaraan blijkbaar talrijke dorpelingen deelnamen en waar druk en heftig werd gediscussieerd. Duidelijk kon ik het gemurmel van vele stemmen hooren. Mijn zwarte jager, Sitiané Camara, die zoo juist van een jachtpartij was teruggekeerd, hurkte op enkele passen afstand aan het vuur, bezig met het plukken van een parelhoen. Sitiané was hier eigenlijk een vreemdeling. Hij was afkomstig uit het land der groene

1) Huttencomplex, door leemen wallen verbonden.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


19 bergen in het noorden, Fouta Djallon, maar verstond de taal der Mende goed. ‘Wat gebeurt daarginds, Sitiané?’ vroeg ik hem. ‘Zij willen niet, dat wij naar boven gaan,’ luidde het antwoord, dat ik verwacht had. Het duurde niet lang of de feiten bevestigden Sitiané's uitspraak. Er kwamen lichtjes uit het dorp. Schimmen doken uit het donker op en bleven voor de poort van mijn compound staan. Een groote man, waarin ik den Speaker, het onderhoofd, herkende, vroeg of hij binnen mocht komen en verscheen voor het vuur, dat in den voorhof brandde. ‘Boeah,’ (Goeden avond), klonk het. ‘Woeah,’ beantwoordde ik den groet en ook de dorpsoudsten kwamen de poort binnen. Ik beduidde ze neer te hurken en gaf mijn kampstoel aan den speaker. Op den achtergrond verdrong zich nagenoeg het heele dorp. ‘Massa, you no fit waga for hop for that mountain, too much rain, this be tèèèèh, he be too far, you go tire plenty.’1) ‘Well, Speaker, ik heb het hoofd gezegd, dat ik overmorgen naar boven ga, regen of geen regen.’ Er was even stilte. ‘Er zijn duivels, massa. Ze hebben een van onze mannen gedood, die langs den berg naar zijn rijstveld ging.’ ‘Ik ga overmorgen naar boven.’ ‘Het is onmogelijk. Er zijn leeuwen op de hellingen en buffels.’ Ik keek naar mijn jager en deze scheen er geloof aan te hechten. Buffels, dat was mogelijk, maar ik was er zeker van dat zelfs in het uiterste Noord-Oosten van het protectoraat leeuwen nauwelijks nog konden voorkomen. Maar leeuwen of geen leeuwen, zeker was dat men mij tot elken prijs wilde beletten naar boven te gaan. Er viel iets te verbergen en dat versterkte slechts mijn besluit. ‘Ik geloof niet, Speaker, dat er leeuwen voorkomen in dit gedeelte

1) U kunt dien berg niet bestijgen, te veel regen, het is lang, het is zeer ver, U zult erg moe worden.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


20 van Sierra Leone. En wat buffels betreft: Als ze zich vertoonen, dan schieten we.’ ‘U kunt de dieren van Kunon niet schieten. Als de leeuwen brullen, dan schudt het dorp beneden.’ Dat bewees dus dat de leeuwen slechts in de verbeelding der inboorlingen bestonden. De houding der inboorlingen echter beviel me niet en ik besloot een einde aan de bijeenkomst te maken, voordat een collectief verzet mijn plan zou kunnen verijdelen. ‘Luister hier, Speaker,’ zei ik. ‘Zeg nogmaals tegen het hoofd, dat morgen, een uur voor zonsopgang, twaalf man met kapmessen hier aanwezig moeten zijn. Ik huur ze voor twee dagen, een shilling per dag en een dash toe. Palaver finished.’ Daarmee sprong ik uit mijn hangmat, ging mijn hut binnen en schoof de mat voor de opening. En zooals ik verwacht had, verstomde het stemmengemompel. Langzaam schuifelden vele voeten uit mijn compound en spoedig viel de stilte van den nacht over Yamandoe. Den volgenden morgen voor zonsopgang was inderdaad een aantal kappers aanwezig. Een uitvoerig relaas van mijn nasporingen van dien dag zal den lezer niet interesseeren. We trokken het gebergte om en ik besteedde den geheelen dag aan het zoeken van een punt, vanwaar uit de bestijging zou kunnen worden ondernomen. Het liep al tegen den avond toen ik aan den Noordwestkant een ondiep ravijn vond, waardoor een kleine beek stroomde. Op dat punt reikte het bosch ver tegen de helling omhoog. Van mijn jager vergezeld klom ik door dit ravijn, waar een opvallend groot aantal slangen bleek te huizen, een eindweegs omhoog, totdat de duisternis ons het voortgaan belette. Het leek me, dat, wanneer de Kunon beklimbaar was, hier het eenig mogelijke uitgangspunt moest liggen. Het dorp lag nog in diepe duisternis toen we den volgenden morgen opbraken. Ik had er van afgezien mijn bedienden mee te nemen, want ik kende mijn menschen en wist, dat alleen dreigementen hen er toe gebracht zouden hebben mee te gaan. Meer nog dan de inboorlingen van de streek zelf stonden zij onder den invloed van een magischen angst voor den geestenberg. Zelfs mijn oude

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 20

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 21

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


21 kok Mommoh, een Limbah uit het Noorden, die Mohammedaan was en geen gelegenheid voorbij liet gaan om zijn minachting voor deze bushpeople te luchten, toonde onmiskenbaren angst. Ik besloot ze dus achter te laten en nam alleen mijn jager en den smallboy mee om de instrumenten te dragen. Een zwijgende rij hakkers ging ons vooruit door het nog duistere dorp. Uit enkele hutten staarden ons nieuwsgierige inboorlingen na. Een koude regen viel in stroomen en slechts een vaag schijnsel aan den hemel verraadde waar de maan achter jagende wolken was schuil gegaan. We volgden eerst een pad, dat afwisselend tusschen rijstvelden en oliepalmaanplantingen door voerde. Daarop bogen we naar het westen af en zochten ons een weg dwars door de rijstvelden heen, die den voet van den berg omgaven. Allengs werd het morgen, maar van den berg was nog niets te zien. Tevergeefs trachtte ik door den grijzen schemer het zoo karakteristieke silhouet van den Kunon te ontdekken; ik zag slechts zwaar beboschte hellingen, die zich boven in een nevel verloren. De rijstvelden hielden nu op en struikgewas en bosch, op sommige plaatsen bijna ondoordringbaar, namen hun plaats in. Kapmessen flonkerden door het vage licht van den jongen morgen en de doffe slagen joegen stomme vogels op uit het druipende geboomte. Het was volop dag toen we het kleine ravijn bereikten, dat ik den vorigen dag als uitgangspunt had gekozen. Van hieruit gingen wij, zonder groote moeilijkheden te ontmoeten, in druilenden regen langzaam naar boven. Toen we omtrent een uur gestegen waren, bleef mijn jager staan. ‘Ik hoor de inboorlingen zeggen,’ fluisterde hij, ‘dat ze nu bij hun offerplaats komen.’ Korten tijd later bereikten we inderdaad een klein, schemerachtig plateau dat aan alle kanten door hoog geboomte was omringd. Aan een zijde verhief zich, ongenaakbaar steil, de bergwand. Voor dien wand lag een kleine poel, een vijver van donker water, waarin een buitenmate groot en grillig rotsblok was neergestort. Ter weerszijden van dit blok stonden twee kleine offertempeltjes uit

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


22 gekapte stammen en palmbladen samengesteld en waarschijnlijk reeds lang geleden opgericht, want de tempeltjes waren zeer bouwvallig geworden. Schoon was die plaats, maar van een sombere schoonheid. Het donkere geboomte rondom, waarvan de zware takken zich bijkans over het geheele plateau welfden, en de immer neerzijgende regen schiepen hier een trieste schemering, die den droefgeestigen luister van de plaats nog accentueerde. De kappers gingen naar den vijver, bogen over de donkere diepte neer, waschten zich en bleven met het gezicht naar de rots gekeerd aan het water staan. Een oudere man verhief zijn stem en riep met onderdrukt geluid. Murmelend antwoordden de anderen. ‘Ze roepen hun vaders,’ zei mijn jager. Weer riep de oudste, ditmaal luider en weer klonk het murmelen van de stemmen aan den vijver door den regen heen. De mannen stonden roerloos en staarden in het water. En weer begon het roepen en nogmaals. Toen trad de oude naar voren en wierp eenige handen vol rijst in den donkeren poel; een tweede deed hetzelfde met cassada, een derde met bananen. En opeens scheen er in den vijver iets te zien te zijn. De mannen verdrongen zich op een plek aan den oever en wierpen opnieuw rijst in het water. Voorzichtig kwam ik naderbij en zag wat het was. Donkere schaduwen kwamen met snelle bewegingen onder het rotsblok uit en zwommen op den bodem van den poel rond. Het waren visschen. Drie, vijf, tien, twintig telde ik er, elk omtrent een halve meter lang. De dieren hadden de gestalte van onze meervallen, maar schenen breeder, monstrueuzer. Wanneer ze naar de oppervlakte kwamen, kon ik ze enkele oogenblikken beter waarnemen. Monsterachtige, afkeer wekkende dieren waren het, die daar in de donkere diepte van den bergpoel huisden. Sitiané vertelde mij, dat dit hun voorouders waren. De geesten der afgestorvenen gingen naar dezen poel, waar ze als visschen voortleefden. De dieren waren voor de inboorlingen beneden een voorwerp van vereering en van tijd tot tijd gingen enkele ouden naar den poel op den berg om daar offers te brengen. De vervallen toestand der tempeltjes, waar nog sporen van offers te zien waren

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


23 en de ongebaande weg naar boven toonden echter duidelijk, dat deze bezoeken slechts zelden plaats hadden. Het was mij wonderlijk te moede. Dat was dus wat ik niet had mogen zien, deze grauwe visschen op den bodem van een stillen bergvijver. Geen vreemd oog mocht doordringen waar de voorouders huisden van hen, die beneden leefden. Inderdaad, dacht ik bij me zelf, Afrika heeft zijn geheimen, sommigen zijn angstwekkend, anderen gruwelijk, maar voor ons Westerlingen blijken het wanneer het ons gegeven is den sluier der geheimzinnigheid op te lichten, slechts armzalige, poovere mysteriën te zijn. Ik zat aan den voet van een boom, geheel onder den indruk van de vreemde bekoring van de plaats. Mijn jager riep me tot de werkelijkheid terug en we besloten verder te gaan om zoo mogelijk voor het vallen van de duisternis terug te zijn. De inboorlingen echter schenen van meening te zijn, dat de bestijging hier afgeloopen was. Ze hadden blijkbaar mijn plan om den top te bestijgen als een voorwendsel beschouwd om den vijver te bereiken en maakten nu aanstalten om weer naar het dorp af te dalen. De oudste onder hen, de man, die het eerst aan den vijver had geofferd, kwam naar me toe en wilde me bewegen terug te keeren. ‘Laten we gaan, U hebt de visschen gezien,’ zei de man en in zijn oogen lag onmiskenbare angst, dat ik toch hooger zou gaan. En ik begreep. Wat ik voor een voorwendsel had gehouden om mij te beletten den berg te bestijgen was geen voorwendsel geweest. De inboorlingen hadden mij weliswaar willen verhinderen de heilige visschen te aanschouwen, maar daarnaast bestond bij hen een werkelijke angst voor wat op den berg voorviel. Nu begreep ik ook eerst goed waarom de weg naar den heiligen berg nauwelijks begaanbaar was en mijn kappers voortdurend bezig waren geweest zich met hun kapmessen een doortocht te banen. De angst voor de geesten, die rond den top zwierven was bij de bevolking zoo diep geworteld, dat slechts zelden inboorlingen den gevreesden berg een eindweegs bestegen. Het grootste deel van het jaar bleef het sombere plateau eenzaam en verlaten. Ik zocht eenigen der flinksten uit, liet de overigen aan den vijver

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


24 wachten en ving de eigenlijke bestijging aan, zoo snel ik kon met een sterk gedunde karavaan. Die bestijging zal me mijn leven niet uit mijn gedachten gaan. Moeilijk was ze eigenlijk geenszins. Eenige malen stuitten we aan het einde van een dicht beboschte helling op onklimbare, bijna overhangende, naakte rotswanden, maar wanneer we weer een eindweegs terugkeerden, vonden we steeds een uitweg, geraakten tenslotte in een tamelijk nauwen schoorsteen, die ons gemakkelijk hooger voerde. Met handen en voeten werkten we ons tegen het naakte gesteente op en tenslotte bleek de bestijging, nu ik eenmaal een bruikbare route gevonden had, niet zwaarder te zijn dan van een willekeurigen begroeiden top in de tropen. Tijdens dien tocht leerde ik welken rol de angst speelt in het gedachtenleven van een primitief mensch. Met elke schrede, die we hooger kwamen, nam de vrees der inboorlingen toe en manifesteerde zich als een tastbare, aangrijpende realiteit. De angst verlamde de mannen, deed ze, bevend over al hun leden, stil staan, tastte hun krachten zoo aan, dat ze zich niet meer overeind konden houden, maar schokkend over hun geheele lichaam op de helling neervielen. Het kostte me de allergrootste moeite om de karavaan gaande te houden, die nu met tergende langzaamheid vorderde. Opeens hoorde ik snikken achter me. Een der dragers, een groote kerel, was in tranen uitgebarsten. Hij trilde en klappertandde alsof hij een koortsaanval had en heesche snikken welden op uit een gewurgde borst. Eenige oogenblikken later huilden al de dragers, die ik nog over had, als verkleumde kinderen in een sneeuwstorm. Om ze te toonen, dat er geen gevaren bestonden, was ik gedwongen vooruit te gaan, daarbij riskeerende dat allen de vlucht zouden nemen. Elke vijf of zes meter, die we hooger kwamen, bleven ze achter, wierpen zich op de steenhellingen neer, zoodat ik weer terug moest keeren om ze moed in te spreken, hetgeen me uitermate vermoeide. Tenslotte maakte het aanhoudend gejammer me zoo nerveus, dat ik een van de kerels met geweld aanpakte, om hem te dwingen vooruit te klimmen, maar tot mijn schrik begon de man zoo te gillen, dat ik hem weer los liet. Met een vervaarlijken sprong stortte de zwarte zich in den bijna loodrechten schoorsteen naar beneden,

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


25 sloeg met kletterend geweld op den glibberigen steenen wand en terwijl ik niet anders verwachtte dan hem na dien smak niet meer te zien opstaan, vloog hij overeind, rende alsof een leger van duivels hem achtervolgde, met wilde sprongen in levensgevaarlijke vaart de bijna loodrechte helling af en verdween in het bosch beneden ons. En zonder zich een oogenblik te bedenken, volgden hem de overigen. Zonder een kreet te uiten, waagden allen den sprong. De paniek was daar. Ik zag hun zwarte lichamen een oogenblik boven de bosschen zweven en dan geluidloos neerploffen in de nevelige diepte. Beneden in den schemer klonk nog even het geluid van krakend hout en het wegstervend neerkletteren van angstige voeten. Daarop werd alles weer stil, alleen een paar apen schreeuwden door de middagstilte. Na een korte rust brak ik op en alleen vergezeld van mijn jager legde ik de laatste honderden meters af die ons nog van den top scheidden en bereikte dien omtrent vier uur in den middag. De top van den Kunon bleek uit een klein plateau te bestaan dat gedeeltelijk met lage struiken bedekt was. Er vlogen wilde duiven rond den top, maar verder was er hoegenaamd niets te zien, tot groote opluchting van mijn jager, die al spoedig over zijn angst heen was en niet ophield te herhalen, dat sinds God de wereld gemaakt had, nooit een mensch op dezen berg was geweest. Beneden ons joeg de opstekende avondwind de nevelflarden uiteen. Soms konden we Yamandoe in de diepte zien liggen. De kegelvormige daken van eenige hutten schemerden door de boomen heen en duidelijk konden we het dorpspleintje onderscheiden. Met mijn kijker zag ik menschen loopen tusschen de hutten en onderscheidde zelfs een hond. Enkele inboorlingen schenen van tijd tot tijd op te zien naar den top en soms meende ik den karavaanleider Karimou en den ouden Mommoh te herkennen. SitianĂŠ laadde zijn ouden buffeldooder en stampte een prop gras in den loop om het geluid te versterken. Daverend schalde de knal om den stillen top en uit de bosschen klonk het geschreeuw van opgejaagde vogels en het gesnater van apen. Beneden in het dorp, waar de schemering al viel, zag ik de zwarten schielijk in hun hutten

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


26 verdwijnen. Toen bedekten de nevels alles en een kille avondmist kroop tegen de steile zuidflanken van den Kunon omhoog en omhulde ons. Voor we afdaalden liet ik onder eenige steenblokken een papier op den top achter met een kort relaas van de bestijging. Het document vermeldde den datum, alsmede ons beider namen en gaf tevens uitdrukking aan mijn teleurstelling, dat ik de duivels, die God zelf gemaakt had, boven niet had aangetroffen.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


27

Hoofdstuk II. De Melaatsche van Mbei. IN dit boek komen de pygmeeën, de kleine vaalgele zwervers van de onmetelijke boschwildernis van Equatoriaal Afrika, slechts terloops ter sprake. De dwergen vormen een zoo belangwekkend volkencomplex, en een zoo groot deel van mijn arbeid, en daarmee van mijn heele Afrikaansche leven concentreerde zich op de bestudeering van deze merkwaardige menschenvormen, dat het volkomen verantwoord is hun een speciaal werk te wijden. Aan den anderen kant waren er onder hen figuren die zulk een belangrijke plaats in mijn herinnering innemen, dat, zoodra mijn gedachten teruggaan naar de stille, heete bosschen, die zoo vele jaren mijn horizon begrensden, hun beeld, een beeld van verre, maar trouwe vrienden, weer levend voor me verrijst. Zoo een man was Nguélé, de rampzalige van Mbei. Een modderige boschvallei, een kleine lichte plek in het woud, waar de zon neerfonkelt op de geheel vermolmde resten van een ontzaggelijken plankwortelboom, die tien, vijftien jaar geleden wellicht hier naar beneden stortte en een verwoesting aanrichtte, waarvan de sporen nu nog als een open plek zijn waar te nemen. Merkwaardig is deze kleine lichtoase, omdat in al de jaren die sindsdien verloopen zijn, hier geen nieuw hoog hout is opgeschoten. De plaats wekt zelfs den indruk, dat deze wonde, vroeger in het plantenkleed van het bosch aangebracht, zich nog steeds vergroot en zoo op weg is een werkelijke clairière te worden. Langs den schaduwrijken boschrand zitten de dragers in groepen bijeen. Stam bij stam zitten ze te eten of liggen languit op den grond en rooken. Tusschen hen door reppen zich de vrouwen, som-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


28 migen nog bezig met het klaarmaken van hun maal, anderen water aandragend uit onze meegevoerde watervoorraad, die onder mijn speciaal toezicht staat, want tusschen de Sanga en de Oubangui, althans in de z么ne waar wij passeeren, ligt een gordel van bijna honderd kilometer, waar we geen oppervlakte water vinden. Hier en daar vlammen vuren en trekken dikke gele rookwolken traag weg door het dichte onderhout, want op den boschbodem, tusschen de stammen en het struikgewas, is het altijd bladstil. Zelfs als de storm over de toppen raast, dringt nauwelijks een enkele windstoot in de donkere diepte door. Ons oponthoud aan deze open plek heeft niet alleen de bedoeling de dragers rust te geven. Ik heb dit punt gekozen, omdat ik hier weldra een groep dwergen verwacht, afkomstig uit de bosschen achter Mbei, een klein negerdorp nabij de Motaba-rivier. Tien dagen geleden zijn mijn plantons het bosch ingegaan om ze op te sporen. Ik heb bericht gekregen, dat ze eindelijk gevonden zijn en dat een deel der dwergen vandaag of morgen hier ons pad zal kruisen. De kleine open plek, waar nu de namiddagzon lange schaduwen begint te werpen, is in het oeverlooze bosch als een baken, een vast punt, waar de vlottende bevolking van het oerwoud elkaar rendez vous geeft, een carrefour forestier, zooals de Franschen, de geboren kolonisatoren van het oerwoud, het zoo prachtig uitdrukken, waar verscholen, onvindbaar tusschen het struikgewas, dozijnen kleine boschpaadjes samenkomen, die overal beginnen en nergens eindigen. Ik wacht. Stil is de middag. Het meerendeel der dragers ligt op den grond te slapen of rookt en de vrouwen hangen loom rond de gedoofde vuren. Boma heeft een geweer genomen en is het bosch ingegaan om te trachten een paar apen of ander wild te schieten. Langzaam daalt de zon over de brousse. Dan opeens ontstaat er beweging: een van de boodschappers is teruggekeerd en deelt mee dat er dwergen van Mbei niet ver van hier in het bosch wachten, maar dat ze niet naar het kamp durven komen vanwege de vele negers. De zwarten krijgen dus order om ter plaatse te blijven en alleen

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 28

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 29

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


29 van een tolk en een drager vergezeld ga ik met den boodschapper mee naar de aangegeven plaats. Lang behoeven we niet te wachten, want al spoedig hooren we een eigenaardig gezang uit het bosch komen. Het is monotoon en klinkt eenigszins als het gezang der pygmeeĂŤn van de Itoeri-rivier, waaronder ik vroeger werkte, maar is veel minder melodieus. Het is een rauw geschreeuw, waarbij schrille vrouwenstemmen den hoofdtoon voeren. Het schijnt naderbij te komen, maar verstomt plotseling. Even later flikkeren lansen door de takken en komt een groep kleine, gedrongen figuren, slechts in een lendendoek gekleed, uit het bosch. Alle mannen dragen lansen; sommigen hebben de lanspunten met bladeren omwikkeld. De vrouwen hebben meerendeels kinderen bij zich. Eenige van haar dragen een kleine aan de borst in een lederen draagband, die over de schouders geslagen is. Een paar kinderen die al loopen kunnen, verschuilen zich achter de moeders en zetten groote angstoogen op, wanneer ik ze voorzichtig tracht te naderen. Ik groet de dwergen, vraag wie hun Ngoukouma1) is en deel tabak rond om den eersten schrik weg te nemen, want voor verscheidenen van hen ben ik de eerste blanke dien ze te zien krijgen. Dat geschenk valt in goede aarde, want vele gezichten ontspannen zich. Ik tel de menschen en stel vast, dat het er 26 zijn, alles inbegrepen. En terwijl ik ze zoo een voor een opneem, en bedenk dat dit nu de menschen zijn, waarmee ik den eerstkomenden tijd zal samenleven, valt een der dwergen die zich wat achteraf houdt, mij plotseling op. Ik schrik wanneer ik dezen mensch aanzie, want dit gedrochtelijk wezen heeft eigenlijk niets menschelijks meer. Een monsterachtig groot, geheel met purperkleurige wonden overdekt, kaal hoofd, rust op een romp, die slechts uit een afzichtelijke massa gele, met korsten half-vloeibaren etter bedekte wonden schijnt te bestaan. Uit twee roodontstoken, spleetvormige openingen kijken bloedbeloopen oogen mij aan. Hun uitdrukking is niet gedwee, vreesachtig zooals die der overige dwergen, maar tintelend van ingehouden spot, als lachten ze om mijn ontzetting. Huiveringwekkend is de indruk, dien deze

1) hoofd.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


30 dwerg op mij maakt. Meer dan tien jaar heb ik gewerkt onder de primitiefste inboorlingen van tropisch Afrika en dit leven heeft mij volop in de gelegenheid gesteld kennis te maken met de ziekten en andere abominaties, die de menschheid van het zwarte werelddeel, misschien meer dan ergens anders, teisteren, maar gevallen als dit heb ik nooit ontmoet. De lippen van het monster zijn vervormd, blauw gezwollen en op tallooze plaatsen gebarsten. De neus, half weggeteerd als van een lupuslijder, gelijkt op die van een roofdier en de uitdrukking van het gezicht van den ongelukkige is tegelijk die van een stompzinnige en van een listig en gevaarlijk wild beest. Het gedrocht komt naar me toe. Vlak bij gekomen, stoot hij zijn lans in den grond, spuwt, groet en steekt me een geheel verwrongen en met open wonden verminkten hand toe, die ik aarzelend aanneem. ‘Dit is Nguélé,’ zegt mijn tolk, ‘hij commandeert deze groep.’ Een verpestende stank van rottend vleesch omgeeft de huiveringwekkende figuur. Voor me staat een melaatsche, maar wat voor een melaatsche. In den loop der jaren heb ik in tal van gebieden, vooral in West-Afrika, leprozen gezien. Talrijk waren ze vooral in het achterland van Sierra Leone, waar in sommige streken circa 5 pct. der bevolking er de sporen van draagt, maar ook daar heb ik nimmer zulk een geval voor oogen gehad. Met deernis bezie ik den ongelukkige, die echter tot mijn verbazing tegen een van mijn zwarten een opmerking maakt die blijkbaar als een spot op mij bedoeld is, want de korte, cynisch klinkende woorden, brengen mijn neger een nauwelijks bedwongen lach op de lippen. Dan komt de leproze naar mij toe, wijst op mijn kleeren en zegt iets wat ik niet begrijp. ‘Hij zegt,’ vertaalt de tolk, ‘dat U hem ook zulke kleeren geven moet.’ Intusschen gaat de belangstelling van den melaatsche naar mijn geschenkenkist. Hij heeft met één oogopslag gezien, dat daarin een niet onaanzienlijke hoeveelheid tabak aanwezig is en vraagt onmiddellijk om een flink kwantum daarvan. 's Mans gedrag is zoo driest en zoo vrij als ik nog nooit van een dwerg gezien heb. Ik vraag of hij reeds eerder met blanken in aanraking is geweest.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


31 ‘Ja,’ is het antwoord, ‘aan de Oubangui heb ik er gezien en ze gaven me sigaretten en lucifers en pagnes en kapmessen en kralen voor mijn vrouw.’ ‘Heeft deze man een vrouw?’ vraag ik aan mijn tolk. Het antwoord luidt bevestigend en om zich nog even te overtuigen, vraagt de tolk het aan den dwerg zelf. En Nguélé snauwt den man wat toe. ‘Twee vrouwen,’ zegt de tolk. Ik sta verbaasd. Twee vrouwen heeft dit gedrochtelijk wezen. ‘Waar zijn ze?’ vraag ik. Twee vrouwen komen naar voren, de een al wat ouder, misschien zes-, zeven-en-dertig jaar, de andere een nog jonge vrouw met opvallend innemende trekken, een pygmeeën-schoonheid. De oudste vrouw heeft een kind op den arm, Nguélé's eenig kind. Noch de vrouwen, noch het kind vertoonen sporen van lepra. De jongste vrouw lijdt echter ernstig aan framboesia. Ik ga met de dwergen naar ons middagkamp en niet ver vandaar, aan het Bougounyama-moeras, verrijst al spoedig een groot hutten-complex. Leven en bedrijvigheid heerschen overal. Wijd in de rondte davert het bosch van de bijlslagen en worden kleine stammen geveld voor ons kamp, dat ons geruimen tijd zal herbergen. Op korten afstand, aan de overzijde van een kleinen moerassigen uitlooper van den grooten poel, op een plaats waar de modderige bodem letterlijk doorploegd is met olifantensporen hebben Nguélé en de andere dwergen van Mbei hun huttenkamp opgericht. De hutten van deze Babendzéré zijn opvallend laag en uiterst klein. Meerendeels meten ze niet meer dan 1 meter 25 in doorsnede en de hoogte der meeste bereikt nauwelijks één meter. Nguélé's hutten, voor elk van zijn vrouwen één, liggen het verst van allen van mijn hut verwijderd en staan eigenlijk geheel afzonderlijk. Het is alsof de dwerg er mee wil uitdrukken dat hij wel bereid is een korten tijd in de nabijheid van mijn kamp te leven, maar zich alle rechten op zijn persoonlijke vrijheid, die ik hem overigens in geen enkel opzicht betwist, voorbehoudt. Hij gaat en komt wanneer 't hem goed dunkt. Hij dwaalt door het bosch wanneer hij wil en vervoegt zich aan mijn

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


32 hut wanneer het hem behaagt of wanneer hij meent, dat het oogenblik voor een nieuwe hoeveelheid tabak weer gekomen is. Hij is de minst meegaande van allen en toch is er iets in den melaatsche wat mij boeit. Al spoedig blijkt, dat achter het afgestompte, dierlijke masker van den rampzaligen dwerg zich een scherp verstand verschuilt. Wanneer ik een vraag stel, via een tolk, of direct in de taal der Babendzéré me verstaanbaar tracht te maken, dan begrijpt Nguélé onmiddellijk wat ik bedoel. Bij ondervragingen weigert hij echter bijna steeds in den kring der mannen te komen, niet omdat hij zich daar niet thuis voelt, maar omdat het hem nu eenmaal niet bevalt zoo lang stil te zitten. Inderdaad vermoeit niets primitieve menschen zoozeer als lange ondervragingen en Nguélé is er de man niet naar om uit schuwheid of uit beleefdheid tegenover mij iets te doen, waar hij geen lust in heeft. Hij scharrelt rond de groep der ondervraagden rond en wanneer de antwoorden stokken of de dwergen blijk geven de strekking van de vraag niet te hebben begrepen, dan neemt Nguélé het woord, terwijl hij intusschen aan een stuk hout knutselt of een bot afkluift en zoo constateer ik telkens weer dat de dwerg, hoewel hij den schijn aanneemt van niet mee te doen, toch scherp oplet en geen enkele discussie hem ontsnapt. Wanneer het gaat over gebruiken van den stam of over aangelegenheden het verleden betreffende, dan richten de dwergen dikwijls hun vragen direct tot den melaatsche en deze legt hun de zaak nauwkeurig uit, komt bij ze staan, vertelt ze, verduidelijkt met gebaren, punt voor punt behandelende wat ze weten moeten en dan krijg ik uit de door Nguélé verstrekte inlichtingen het antwoord, tenzij Nguélé zoo welwillend is geweest om zelf te antwoorden, welke eer mij lang niet altijd te beurt valt. Dat is dus zeker: Nguélés woord heeft gezag onder de zijnen. Hij is een autoriteit in zijn groep, de man tot wien men zich wendt om inlichtingen en raad. En hij is zich dat zeer goed bewust. Als hij spreekt, zwijgen de anderen en richten zich aller blikken naar zijn dierlijken kop waarin, haast spottend, twee verminkte oogen fonkelen. Hij is kleiner, gedrongener van bouw dan de an-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


33 deren, die meerendeels een hoofd grooter zijn dan hij, maar er is slechts reverentie in hun houding tegenover den ongelukkigen melaatsche en van eenige verachting of bespotting met zijn ongeluk blijkt nimmer iets. Toeschietelijk is Nguélé dus zeker niet, meegaande nog minder. Als het hem niet bevalt ondervraagd te worden, begint hij demonstratief te gapen of staat hij op, een paar norsche klanken komen uit zijn verwrongen mond en zonder naar verzoek of bevel te luisteren, loopt hij weg naar zijn hut of het bosch in en doet verder zooals hem belieft. Eens bij een ondervraging had hij al eenige malen duidelijk zijn misnoegen te kennen gegeven over den langen duur van het gesprek en terwijl de andere dwergen gedwee en rustig bleven zitten, werd het hem ten slotte te machtig en maakte hij tot mijn verbazing met de woorden: Mon vieux, bonjour hein! een eind aan de discussie, daarmee den geheelen Franschen woordenschat uitputtend, dien hij in dagelijkschen omgang met mijn keukenpersoneel had opgedaan. Maar naarmate de tijd vorderde, werd de ongelukkige dwerg toch gemakkelijker in den omgang. Hij kwam soms op bezoek en de bezoeken duurden langer naarmate ik hem meer zijn eigen gang liet gaan en hem niet dwong aan lange gesprekken zijn aandacht te geven. Tenslotte kwam hij meerdere malen per dag en niet alleen om tabak of in de hoop een of ander kleedingstuk te kunnen bemachtigen. Hij zat aan mijn werktafel en keek toe wanneer ik aan mijn bloedanalyses bezig was en bleek al spoedig graag bereid om me daarmee te helpen. Ik had hem geleerd voor hij daarmee begon, zijn handen met een desinfecteerende zeep te ontsmetten. Hij voerde zijn taak op intelligente wijze uit en zoo geschiedde het, dat Nguélé en ik gedurende al den tijd dat ik in de omgeving van Mbei, te Liganga en verder op de rivier werkte, onafscheidelijk werden. De zieke dwerg ontpopte zich niet alleen als een intelligent man, maar tevens als een trouw mensch, waar ik op kon bouwen. Als ik het plan had om eens een dag op jacht te gaan in de moerassige bosschen langs de Motaba, die tamelijk wildrijk waren, dan was Nguélé altijd bereid om me te vergezellen en de leiding op zich te nemen. Voor dag en dauw was hij dan al voor mijn hut aan-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


34 wezig met blinkend geslepen lans. Eens op een ochtend, toen het den dwerg blijkbaar te lang duurde voor ik te voorschijn kwam werd er luidruchtig op de hut gebonsd en snerpte zijn rauwe, caverneuse stem door de ochtendstilte: ‘Mon vieux, bonjour!’ Werkelijk vriendschappelijk werd hij echter nooit. In mijn herinnering vergeleek ik den ongelukkigen leproze dikwijls met mijn goeden, ouden vriend Nkom, den Bakah-dwerg van de Dzjah-rivier. Nkom kon waarlijk m'n vriend genoemd worden. Nog 2 jaar na mijn vertrek liet hij door negers die door middel van een missie met mij in verbinding bleven, naar mij vragen en zijn groeten overbrengen, deelde bijzonderheden mee over zijn kinderen en zijn vrouwen en de resultaten van de jacht. Niets van dat alles bij Nguélé. Niet alleen uiterlijk had Nguélé niets menschelijks meer, maar ook zijn karakter was dermate verhard, dat elk dieper sentiment er uit gebannen scheen. Dankbaarheid, zelfs blijvende vreugde over een geschenk scheen hij niet te kennen, waarin het overgroote deel der inboorlingen overigens met hem overeenkwam. Toen ik hem op een goeden dag eens een uitstekend stel kleeren gaf, een lange broek, die nagenoeg nieuw was en een fraai groen linnen hemd - een gift die bij mijn boy Jerrimah tot een formeele uitbarsting van jalouzie leidde, want Jerrimah, die mijn garderobe nauwkeurig kende, had allang op beide kleedingsstukken geloerd ging Nguélé, nadat hij haastig en zichtbaar nerveus de kleeren ten aanzien van het heele kamp had aangetrokken, zonder een woord te zeggen, maar blijkbaar als een contraprestatie, in den kring der dwergen zitten, die juist ondervraagd werden. Na een paar minuten aan het gesprek te hebben deelgenomen, stond hij weer op en liep weg, na eerst om lucifers en daarna om tabak te hebben gebedeld. Nguélé was een kundig en moedig jager. Eenmaal in het bosch, veranderde de stugge en ondanks zijn impulsief karakter toch dikwijls apathische dwerg, geheel van wezen. De spottende uitdrukking verdween van zijn geteisterd gezicht en maakte plaats voor een gespannen aandacht. Hij was één met de boschwereld, waarvan hij elk geluid en elk teeken kende en begreep. De in het dwergenkamp

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


35 trage en snel vermoeide man kende zelfs na acht tot tien uren ononderbroken marsch door moeilijk boschterrein geen spoor van vermoeidheid. Zijn arme gehavende lichaam, door dorens en takken opengekrabd, bloedde dan uit tallooze wonden en aasvliegen zwermden bij menigten om de etterige korsten van zijn doorwonden rug, maar dat alles ging aan hem voorbij. Zijn aandacht was bij de jacht. Met één handgebaar legde hij allen deelnemers aan de jacht het zwijgen op. Wanneer het gevolgde dier in zicht kwam, was hij een der eersten en behendigsten. Met vluggen zwaai slingerde hij zich geluidloos over neergestorte stammen heen en verdween onhoorbaar in de wildernis, om een oogenblik later, even onhoorbaar, elders weer op te duiken. Wilde ik Nguélé uit zich zelf aan het praten krijgen - en dat gelukte maar zelden - dan begon ik over de jacht. Dan veranderde de stuursche man en kon hij bijna spraakzaam worden. Dan gebeurde het, dat hij van mijn werktafel opsprong, naar zijn hut holde om een lans te halen en in voor mij onbegrijpelijke termen demonstreerde hoe hij zijn wild zwijn getroffen had, want wilde zwijnen waren Nguélé's specialiteit. Op olifanten jaagde hij niet; dat doen de Babendzéré toch niet veel. De aan hen verwante Bakah van de andere zijde van de Sanga zijn, veel meer dan de Babendzéré, typische olifantenjagers. Wanneer ik Nguélé zoo aan het spreken had gekregen, begon ik voorzichtig over zijn leven en zijn geschiedenis. Nguélé was geboren in de bosschen achter Mbei en daar had hij altijd rondgezworven. Steeds was hij bij de Yekenganegers geweest en sprak de taal van dezen stam vlot. Maar hoewel hij zijn gansche leven in het oerwoud aan de Motaba had doorgebracht, hadden zijn tochten hem toch nooit ver de wildenis ingevoerd. De Sanga kende hij niet. Als kleine jongen was hij eens met zijn vader aan de rivier geweest, maar nadien nooit meer. Altijd had hij gejaagd voor de hoofden van Mbei, waar ook zijn vader en zijn grootvader hadden geleefd. Verder reikte zijn memorie niet, een opvallend feit, want tal van inboorlingen, ook pygmeeën, weten

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


36 namen en geschiedenis van hun familie dikwijls tot tien, vijftien generaties ver te verhalen, verder dus dan vele aanzienlijke geslachten in Europa dat kunnen. En zoo dagelijks met hem omgaande, begon ik te merken, dat ik Nguélé's vertrouwen won en zag ik allengs den stuurschen dwerg ontdooien en vertrouwelijker worden. Dan kwam het wel voor, dat Nguélé mij na het avondeten, wanneer ik buiten voor mijn hut nog aan het werk was of aanteekeningen maakte, gezelschap kwam houden. Zonder een woord te zeggen, dook hij uit het donker op, sleepte een stuk hout aan, blies het vuur op en ging erbij zitten. Het onrustige, flakkerende licht maakte den rampzalige nog terugstootender dan hij reeds was. Als ik van mijn werk opkeek, zag ik de glinstering van zijn open wonden in het rosse schijnsel van het vuur, zag de misvorming van zijn hoofd, waar in diepe kuilen bloederige oogen fonkelden, hoorde zijn rauwe en tevens schelle stem en huiverde onwillekeurig. Dan sprak ik, voorzichtig, ook wel eens over zijn ziekte. Ik verbeeldde me dat hij nerveus werd, wanneer ik erover begon en nervositeit is iets wat de dwergen praktisch niet kennen, hoe opgewonden ze dikwijls ook kunnen zijn. Dan bekeek hij zijn gehavende lichaam, krabde zijn wonden open, trachtte ze te reinigen met een stuk hout of een bos bladeren en stond dan zuchtend op. Wanneer ik den beklagenswaardigen dwerg zoo volkomen hulpeloos zag, kwam bij mij het plan op om, wanneer ik naar de rivier zou terugkeeren, den melaatsche mee te nemen naar een missiestatie of een Franschen medischen post. Genezen zou hij er niet, want melaatschheid is in verreweg de meeste gevallen niet te genezen, maar zijn leed zou toch te verzachten zijn, z'n wonden zouden verzorgd kunnen worden en zich misschien grootendeels kunnen sluiten. Nu waren ze allen open. Zijn rug vertoonde een wond, die meer dan de helft ervan bedekte en op zijn beenen was geen vierkante centimeter meer gaaf. Voorzichtig opperde ik het plan. Ik beloofde hem dat ik hem zelf naar den medischen post zou brengen en persoonlijk den missionaris of den Franschen arts alles over hem zou vertellen en dat ik er voor zou zorgen, dat een van zijn vrouwen mee zou kunnen gaan en er rijkelijk voedsel voor beiden zou zijn.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


37 De andere kon zeer zeker voor zich zelf zorgen, zoolang hij er niet was. Langzamerhand trachtte ik den melaatsche aan de gedachte met mij mee te gaan, te wennen, besprak het als een vaststaand feit en kreeg den indruk, dat zijn gezicht minder schuw stond dan toen ik er voor het eerst over begon. Ik vertelde van de groote kracht van de blanken, toonde hem een onbeteekenend lidteeken op mijn arm en verzon er een verhaal bij van een reusachtige wond, waarvan dat lidteeken de laatste rest was. Het bleek dat Nguélé van de medische prestaties der blanken wel meer wist en er allang van op de hoogte was, dat men met een of twee inspuitingen de zwaarste pian (framboesia) genezen kon en uit de vragen die hij stelde, begon ik te bemerken dat ik zijn belangstelling had gewekt en dat gaf hoop voor de toekomst. Zoo verstreek langzamerhand de tijd en naderde het oogenblik, dat ik naar de rivier moest terugkeeren. Allen in de karavaan wisten dat een zware tocht ons wachtte. Tot Nola zou het ruim acht dagen gaans zijn door een eenzaam bosch. Misschien zouden we twee dagen kunnen winnen, wanneer de rivier door den regen van de laatste weken voldoende gezwollen zou zijn, zoodat de kleine hekwieler van het Gouvernement mij stroomopwaarts te hulp zou kunnen komen. Dat zou dan de eerste stoomer van het jaar zijn, want de laatste was vijf maanden geleden de rivier op geweest en moest toen door den lagen waterstand schielijk naar het Zuiden terugkeeren. Drie dagen later vertrekken we en vangen den langen, eenzamen tocht aan naar Nola, honderdvijftig mijlen bosch en niets dan bosch. In de vroegte is het al druk in het Yekengadorp, vanwaar ik den sprong naar de Sanga waag. Kisten en andere lasten van de karavaan worden in lange rijen gezet en gewogen en aan de verschillende dragers toegewezen. Eenige tientallen pygmeeën zijn met ons naar het dorp gekomen, maar Nguélé is er niet. Ik laat hem roepen. Gaat hij mee? Hij aarzelt, vraagt om tabak en lacht verlegen. De nieuwe kleeren die ik hem gegeven had zijn onherkenbaar van het vuil dat uit zijn wonden stroomt en boezemen zelfs den negers

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


38 afkeer in. Nogmaals vertel ik hem dat hij ginds genezen zal, dat zijn wonden zullen dichtgaan, dat zijn kleeren niet meer aan zijn lichaam zullen plakken. Weer glimlacht hij en ik zie in zijn oogen iets verschijnen van den spot dien ik er vroeger in las. Met strakke gezichten staan zijn vrouwen achter hem. Nguélé keert zich om. Hij gaat niet mee. Hij blijft in het bosch, waar hij geboren is, waar zijn voorouders hebben gejaagd en waar hij zijn gansche leven heeft gesleten. Ik zie dat het doelloos is om aan te dringen, maar toch ligt er een uitdrukking op zijn verminkt gezicht, die me zegt dat hij zeer wel weet dat dit de kans van zijn leven is, de kans die hij laat voorbij gaan, voor altijd. Nog even schemert er een aarzeling in zijn oogen als het oogenblik van het afscheid daar is, dan schudt hij me de hand, haakt mijn vingers in de zijne, ten afscheid. ‘Mon vieux, Bonjour hein!’ zegt de schorre stem. Ik geef bevel de bagage op te laden op de hoofden. De karavaanleider geeft de order door en donderend schallen de commando's door het negerdorp, dat opeens schijnt op te schrikken. Vrouwen loopen nog snel af en aan met haastig klaargemaakt voedsel voor de dragers. Ik overtuig me voor het laatst dat er voldoende voorraden zijn voor die dragers, die ik niet mee kan nemen en de zieken, die hier voorloopig achterblijven en later zullen nakomen. De jagers presenteeren hun geweren en toonen hun patronenvoorraad. Zij gaan vooruit, een blijft er bij mij. Mijn eigen levensmiddelenkisten en mijn watervoorraad vertrekken het laatst onder toezicht van Jerry en mij. Het is Dinsdagochtend. Den volgenden Dinsdag zullen we, zoo God wil, in Nola zijn. Van alle kanten stroomen de inboorlingen toe om het vertrek gade te slaan. De hoofden van de dorpen beneden Mbei verdringen zich om nog geld af te bedelen voor de diensten die zij voor ons hebben verricht en waarvoor ze al lang zijn betaald. Alleen het trotsche hoofd van Liganga bedelt niet. Dan is het oogenblik van vertrek daar. ‘Dus Nguélé?’ De leproze schudt het hoofd. Zijn oudste vrouw heeft zijn bagage

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


39 al klaar gemaakt. Hij keert met haar naar zijn oude kamp terug, op drie dagen gaans van hier. Zoodra ik weg ben, vertrekt hij ook, zegt hij. En dan roffelen de tamtams door het dorp. Dof keert de echo weer van den boschrand, die vlak achter de hutten ligt. De karavaan beweegt en wendt zich naar het eind van het dorp, waar het bosch aanvangt, dat, gloeiend in de morgenzon, zich voor ons uitstrekt. En langzaam gaat de Nederlandsche vlag, die zoo lang boven mijn hut gewapperd heeft, naar beneden. Wij zijn vertrokken. NguĂŠlĂŠ staat midden op het dorpsplein en staart de karavaan na. Hij heeft zijn lot gekozen, hij keert terug in zijn bosschen. Hij is zich bewust dat hij in de wildernis ten gronde zal gaan, dat hij in 't natte woud zal sterven aan wonden, die nooit meer zullen genezen. En zijn oogen weerspiegelen een mengeling van fatalistische berusting en spot. Hij is zich zelf gebleven. Zijn oudste vrouw laadt het kind op haar rug en doet alsof de zaak haar niet aangaat. Het laatste wat ik zie is, dat de melaatsche dwerg een smeulend stuk houtskool opneemt en er zijn pijp mee aansteekt. Dan draait hij zich om en verdwijnt tusschen de hutten, met zijn zwaar beladen vrouwen achter hem aan. En om de karavaan, die davert van een woesten dragerszang, sluit zich het bosch.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


41

Hoofdstuk III. Sudd. MOGHREN al Bbohour, ontmoeting der rivieren, noemen de Arabisch sprekende volken van den Soedaan, het punt, in de onmiddellijke omgeving van Khartoum gelegen, waar de Blauwe Nijl, de Bahr el Azrak, uit het Oosten komend, zich vereenigt met den Witten Nijl, den Bahr el Abiad. Meer nog dan voor Khartoum zelf, dat hoewel historisch van groote beteekenis, als stad slechts weinig belangwekkend is, interesseerde ik mij voor dit punt, waar twee der machtigste stroomen van het zwarte continent zich vereenigen om gezamenlijk den langen tocht door de Nubische woestijn aan te vangen, waar over een afstand van vele honderden kilometers de groote rivier slechts barre woestijnen langs zijn steenachtige oevers ziet. Den avond voor mijn vertrek naar het zuiden - ik was op weg naar den Congo bezocht ik Ras Khartoum voor de laatste maal. Op den modderigen landtong staande, waar in de vallende schemering visschers nog hun netten uitwierpen, liet ik mijn blikken gaan over de beide rivieren, wier wateren zich aan mijn voeten vereenigden. In het oosten hing reeds het duister van den vallenden nacht over Khartoum-Noord, terwijl rechts, aan de met palmen begroeide oevers van Tuti-eiland eenige visschersschuiten in de schemering binnenliepen. Als een dunne warrelende draad was de lijn, die het water der beide rivieren gescheiden hield, nog vele honderden meters ver over het snel voortschietende watervlak te volgen. Ze wees als het ware den weg naar het noorden, waar in de verte de lichtjes van Omdurman begonnen te flonkeren boven de grijze spiegeling van de vereenigde rivieren, die van hier af slechts den naam Nijl voeren tot het einde toe.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


42 Boven Dakin-eiland glansde de hemel in den laatsten bloedrooden schijn van een glorieuzen avond, een schouwspel van vuur en licht, dat alleen vergeleken kan worden met de weergalooze gouden tinten van een zonsondergang boven de stoffige vega's van Andalucia. Dan dwaalden mijn oogen nog even naar het getourmenteerde profiel van Afrika's grootste inboorlingen-stad, Omdurman, waar ik de vage omtrekken trachtte terug te vinden van het graf van den Mahdi, die echter allang verzonken waren in het stoffige duister van den nacht. Daarachter wist ik den Soedaan, Nubië, Egypte, Europa, dat ik alles voor langen tijd vaarwel zegde. Een kleine Arabische dhow stevende met uitgebreide zeilen naar het zuiden, onder de groote brug door, die naar Omdurman voert, den Witten Nijl stroomopwaarts, denzelfden weg dien ik den volgenden dag zou gaan, het land der Niloten tegemoet. En terwijl het troebele donker van den Afrikaanschen nacht zich over Moghren al Bohour uitbreidde, keerde ik naar Khartoum terug, waar luxueuze auto's snorden langs goed geasfalteerde, fraai beplante straten en muziek opklonk uit helverlichte restaurants en dancings. Tien dagen later ben ik nog steeds aan boord van de ‘Omdurman’, een der groote hekwielers, die van uit de hoofdstad den dienst op den Boven-Soedaan onderhouden. Het is maanlichte nacht. Het convooi dat de Omdurman moeizaam den Nijl opstuwt en bij ons vertrek uit Kosti uit zes schepen bestond, is inmiddels verminderd tot vier: de hekwielstoomer zelf, een hulpschip en twee barges. Twee barges zijn achtergelaten in kleine havens langs den stroom. De machine zucht den ganschen nacht door en het eentonig klapperen der hekwielen vult de stilte en belet me de geluiden van den wal waar te nemen. Ik kan niet slapen, sla een jas om en ga aan dek. De Engelsche gezagvoerder heeft nog langen tijd vanuit de stuurhut bovenop den hekwieler de navigatie geleid, maar is tenslotte naar kooi gegaan en de leiding is nu geheel in handen van een drietal inboorlingen, den rivierloods en zijn helpers. De snelheid, die ons schepenpakket maakt, is wel wat grooter geworden, nu we althans twee

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


43 der barges kwijt zijn, maar is toch nog zeer beperkt, hoogstens 7 tot 8 kilometer per uur, zoodat een snelle voetganger ons bij zou kunnen houden. Ze zou trouwens niet veel grooter kunnen zijn, want de bestuurbaarheid van het logge complex vaartuigen is uiterst gering. Vreemd is het nu op de rivier. In het maanlicht zie ik hoe beide oevers zich als donkere gladde strooken lang den stroom uitstrekken tot aan den einder, die nog vaag in het blauwige schijnsel te onderscheiden is. Er is een trillend, ijl zoemen in de lucht. Een wolk van kleine muggen gonst om me heen, volgt me overal; andere insecten dringen onder mijn kleeren door, staan me geen oogenblik rust toe waardoor het verblijf aan dek haast ondragelijk wordt, maar in de hut is het zoo onbarmhartig heet, dat ik er toch de voorkeur aan geef nog wat op het dek te blijven tot de warmte wat afneemt. Zoo gaat een deel van den nacht voorbij. Als nimmer eindigende vormelooze coulissen schuiven de sombere oevers in de duisternis voorbij en wanneer eindelijk de hitte wat minder wordt, keer ik naar mijn hut terug. Het loopt reeds tegen den morgen wanneer ik plotseling door een hevig lawaai gewekt word. Schemerig licht breekt door de met muskietengaas bespannen vensters naar binnen en ik zie hoe met daverend geweld opeens een enorme donkere massa door mijn opengerukte deur naar binnen gesmakt wordt. De boot stopt. Ik maak licht. Een meer dan een meter hooge berg riet en papyrus ligt op den vloer van mijn hut en insecten van allerlei soort krioelen rond over de wanden en de bagage. Zelfs een kleine kikvorsch springt er tusschen het riet en tracht uit den lichtkring te ontsnappen. Buiten is er stemmenrumoer. Snelle voeten draven langs het dek. De Engelsche gezagvoerder komt in een ochtendjas gehuld kijken wat er geschied is en overlegt met den zwarten rivierloods. Met moeite werk ik me door den berg planten heen, die in en voor mijn hut ligt opgestapeld en tracht den toestand te overzien. Het is duidelijk wat er gebeurd is. In een scherpe bocht van de rivier is de loods niet bij machte geweest het schepenpakket onder

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


44 bedwang te houden en heeft de stroom het te pakken gekregen, met als gevolg dat het met geweld tegen den oever is gedreven, waar het in de rietvelden, die ons sedert eenige dagen begeleiden, is vastgeloopen. We zijn in het Sudd-gebied aangekomen, het gebied der papyrusmoerassen, vlakke rietwildernissen, die zich tot ver achter den horizon uitstrekken. Deze rietvelden groeien gedeeltelijk op den vasten bodem van den rivieroever, maar kunnen ook drijvende eilanden vormen, zoodat de begrenzing van de rivier onzeker en wisselend van vorm is. Wat men precies onder Sudd verstaat, is moeilijk onder een enkel woord samen te vatten. In het gebied van de Gazellenrivier, den Witten Nijl en de Sobat komen uitgestrekte moerassen voor, welker omvang van den regenval en den stand van de rivier afhangt. Het grootste van deze moerassen, die, op tallooze plaatsen onderbroken, zich over een totale breedte van ongeveer 400 kilometer aan beide zijden van den Bahr el Dzjebel uitstrekken is het Nomeer, een praktisch open watervlakte gelegen aan de samenvloeiing van de Gazellen-rivier met den Witten Nijl. De oorzaak van het ontstaan van deze moerassen ligt in de groote vlakheid van het land. Vanaf Rejaf in het zuiden van den Soedaan heeft de rivier over een afstand van 770 kilometer slechts een verval van nauwelijks 60 meter. Het gevolg is dan ook dat de stroom een weinig gedefinieerde bedding bezit, vroeger, toen het Gouvernement nog niet regelend optrad, ongetwijfeld zal hebben gemeanderd en thans op diverse plaatsen laguneachtig is verbreed. Deze moerassen, die van de Gazellenrivier en haar zijstroomen zijn het best te vergelijken met enorme langgerekte vijvers, doorsneden door ondiepe stroomen, die met moeite hun weg zoeken door een gigantische moerasvegetatie, welke den stroom zelf nu eens hier, dan weer daar totaal versperren kan. Deze vegetatie bestaat in hoofdzaak uit twee rietsoorten, namelijk Saccharum en Vossia, waarvan het laatste den Arabieren van den Soedaan als Oem Soef (wolmoeder) bekend is. Wanneer de rivier tengevolge van den regenval in de equatoriale zone begint te zwellen, worden deze grasmassa's, waarboven zich dikwijls een dichte vegetatie van papyrusriet heeft gevormd, van

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


45 den bodem losgescheurd en met den stroom meegevoerd. Deze planten vormen dan drijvende eilanden, die wanneer ze in de rivier op een hindernis stooten, zich tot machtige dammen vereenigen en soms tot een hoogte van zes tot zeven meter kunnen worden opgestuwd, terwijl de rivier zich daar onder door een weg moet banen. Wanneer een schip in deze drijvende Sudd-massa's verzeild geraakt kan de druk zoo groot worden, dat het vaartuig geheel in elkaar geperst wordt, zoodat de oude - en totaal onjuiste - legenden over den ondergang van schepen in de wiermassa's van de Sargassozee in den Atlantischen Oceaan, hier verwezenlijkt worden. De plantenmassa's van den eenmaal gevormden vegetatie-dam worden voortdurend door aanvoer van nieuw materiaal van stroomopwaarts versterkt, hetgeen tot gevolg heeft dat de planten onder den druk afsterven, gedeeltelijk tot ontbinding overgaan en tot een turfachtige massa in een worden geperst. Deze turfbruggen kunnen, wanneer niet wordt ingegrepen, de geheele rivier afdammen en de scheepvaart zelfs voor inboorlingenkano's onmogelijk maken. Het is aan deze Sudd-dammen te wijten dat het zoo lang geduurd heeft dat de Nijl, die Zuidelijk van Shabluka geen stroomversnellingen van beteekenis meer heeft tot in het brongebied te bevaren is. Ongetwijfeld zijn het ook deze plantendammen geweest - die mogelijk toen een nog grooter verbreiding naar het noorden hadden dan thans - die den onderzoekenden geest der oude Egyptenaren het verder doordringen naar het Zuiden, naar de streek van de groote meeren en het legendarische Maangebergte, waarmee misschien de Ruwenzori bedoeld was, verhinderden. Zulke Sudd-dammen kunnen enorme afmetingen aannemen. Men heeft er waargenomen, die niet minder dan veertig kilometer lang waren en den rivierarm waarin ze zich ophoopten definitief hebben versperd. De groote druk, die zich allengs in deze dammen ontwikkelt, perst de plantenresten zoodanig samen dat de turfmassa in staat is olifanten te dragen, waardoor deze dieren van de eene zijde van de rivier naar de andere kunnen komen hetgeen dikwijls door inboorlingen is waargenomen. Tenslotte kan de druk van het water op den dam zoo groot worden, dat deze plotseling bezwijkt

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


46 en enorme waterhoeveelheden zich met geweld een weg banen door de vaargeul, onderweg nieuwe plantenmassa's losrukkend, die, wanneer ze zich stroomafwaarts weer vastzetten, opnieuw een afdamming doen ontstaan, waardoor de geschiedenis zich herhaalt. Het geheele verschijnsel van opbouw en ineenstorten der Sudd-dammen herinnert opvallend aan het loskomen en weer gaan ‘zitten’ van een kruiende rivier, waar ook periodiek ijsdammen ontstaan om tenslotte door den stroomdruk telkens weer te bezwijken. De Engelsche administratie van den Soedaan heeft om de navigatie vooral in de streek tusschen de samenvloeiing van de Sobat met den Witten Nijl en de plaats Bor, die ongeveer de zuidelijke begrenzing van het Suddgebied markeert, mogelijk te maken, Suddsnijmachines in werking gesteld, die regelmatig de rivier openhouden en de vorming van dammen verhinderen. Dank zij dezen maatregel is de scheepvaart, die vroeger in den regentijd herhaaldelijk onderbroken werd, thans praktisch voortdurend mogelijk. Ik geloof niet, dat er ergens in Afrika triester landschappen te vinden zijn dan die van het Suddgebied. Wanneer men dagen achtereen langs de eentonige troostelooze rietvelden vaart, die zich bijna zonder eenige onderbreking uitstrekken zoover het oog reikt, komt een ieder onder den invloed van dit uiterst neerdrukkende landschap. Bovendien is het klimaat hier, wanneer het niet regent, uitermate heet en de luchtvochtigheid zoo groot, dat de Europeaan tot geen enkelen arbeid in staat is. De papyrusvelden, die overal den stroom begeleiden, zijn zoo eenvormig en vlak, dat ze als met een mes afgeschoren lijken en men hun hoogte met groote nauwkeurigheid bepalen kan. Herhaaldelijk mat ik deze hoogte en vond ze bijna altijd schommelen tusschen de 4½ en 5 meter boven de rivier. Van het intense dierenleven in deze papyrusmoerassen, dat den ouden Egyptenaren reeds vertrouwd was en waarvan zij ons belangwekkende en gedetailleerde afbeeldingen hebben achtergelaten, neemt de reiziger die vanaf het bovendek van het schepenpakket juist over de sombere moerasvlakte heenziet, zeer weinig waar. Alleen wanneer de avond valt en het gekrijsch van myriaden kleine wezens soms het eentonig klapperen van de machines overstemt, be-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


47 merkt men dat de papyruszee niet zoo levenloos is, als ze zich voordoet. Vuurvliegen verheffen zich uit de plantenmassa's en komen soms tot aan het schip, dat dag en nacht met geringe snelheid en groote moeite tegen den stroom optornt. Van de grootere dierenwereld ziet of hoort men zelden iets. Het heirleger krokodillen, dat in den stroom huist, vertoont zich alleen buiten den regentijd, wanneer hier en daar modderbanken droog vallen, waar de monsters zich dan in de zon liggen te koesteren. Een enkele maal ziet men uit den stroom de logge koppen van nijlpaarden opduiken, die, wanneer de schepen naderen, langzaam in het water wegzinken, om als het convooi voorbij is, weer boven te komen. Eerst in de omgeving van Bor neemt men herhaaldelijk kudden olifanten waar, die echter slechts zelden tot aan de rivier naderen. Troosteloos is dit eenzame, koortsige land, dat vooral in de omgeving van het No-meer slechts een uitgestrekt moeras schijnt te zijn, ongeschikt voor menschelijke bewoning, waar grootere dieren zich niet kunnen handhaven en vogels en insecten de eenige levende wezens zijn, die men dagenlang te zien krijgt. Dit geheele Sudd-gebied, maar in het bijzonder de zuidelijke helft ervan, de streek benoorden Bor, herbergt een der ergste vijanden van den mensch in Afrika, een insect dat nog geen 8 centimeter lang is, dat noch giftig is, noch ziekten verspreidt, maar alleen door de enorme aantallen, waarin het voorkomt en zijn onverzadigbare vraatzucht, dit trieste land nog minder bewoonbaar maakt dan het reeds is. Dit dier is de sprinkhaan. Den volgenden ochtend reeds zouden wij daarmee kennis maken. Na een slapelooze nacht -want de ondragelijke hitte belette praktisch elke nachtrust - was ik vroeg aan dek gegaan. De zon was nog niet op, maar de oostelijke hemel begon reeds helder licht te worden. De Omdurman voer kalm tusschen twee donkergroene hagen van papyrusriet. Langzaam week de duisternis boven de papyruswildernis. De zwarte driekantige stengels glansden in de jonge morgenschemering en toen het wat lichter werd zag ik, dat de witte reigers en de sembryahs, die wij de laatste dagen in toenemende aantallen de rivier stroomopwaarts hadden zien vliegen, hier

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


48 in groote scharen verzameld waren. Enorme vluchten witte vogels fladderden boven de velden of trokken in onafzienbare reeksen verder langs den stroom. Het viel mij echter op dat de papyrusvelden er anders uitzagen dan de vorige dagen. De halfbolvormige pluimen, die den stengel bekronen en die van een afstand bezien den indruk van waaiers maken, schenen van hun kroon beroofd te zijn en toen het daglicht zich steeds verder uitbreidde over de wildernis, die als een grof geweven, donkergroen tapijt zich tot den einder uitstrekte, kon ik waarnemen dat de papyrus kaalgevreten was. Als groote afgebrande lucifers staken de geschonden papyrusstengels boven het moeras uit. Overal waarheen ik ook den blik wendde, naar voren, waar de vaargeul zich in onuitwarbare kronkels door het Sudd slingerde, achteruit, waar de schuimgolf van het hekrad langzaam in de rietmassa's doodliep, links, rechts, overal rondom lag de rietwildernis kaalgevreten om ons heen. Over de ontluisterde papyrusvelden ging nu bloedrood de zon op. Ik zag aan den einder nog geweldige scharen witte vogels, die in lange rijen naar het zuiden vlogen, en toen ik hun vlucht over de wijde donkere velden volgde, werd mijn aandacht getrokken door een vreemde tinteling in de lucht. Even boven den oostelijken horizon, waar gehuld in een floers van optrekkenden dauw, de zon reeds heet boven de wildernis hing, vertoonde zich een roodachtige wolk van vreemden vorm en tamelijk groote uitgestrektheid. Ik meende eerst dat het een rookwolk was, afkomstig van de Suddsnijders van het Gouvernement, die we een dezer dagen hier in de omgeving ontmoeten moesten, maar in de richting waar de wolk hing kon zich geen water bevinden. Terwijl ik met gespannen aandacht de wolk volgde en de mogelijkheid overwoog of het wellicht rook was van een verwijderde steppenbrand, zag ik plotseling op korten afstand, nu in noord-oostelijke richting, een tweede wolk zich verheffen. Deze laatste was veel dichterbij en kon naar mij toescheen, nauwelijks een kilometer ver zijn. De tweede wolk was van diepbruine kleur en nam elk oogenblik in omvang en dichtheid toe. Nu eens hing ze laag over het Sudd, dan steeg ze weer hooger, terwijl voortdurend een eigenaardig trillend flikkeren

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 48

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 49

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


49 in de wolk zichtbaar was, als soms waargenomen wordt bij een groote vlucht vogels, die alle tegelijk op een veld neerstrijken. Binnen enkele minuten breidde de wolk zich langs een groot gedeelte van den noordelijken en oostelijken horizon uit. Soms verhief ze zich, maakte zich van den horizon los en scheen als de opgeheven kop van een slang met vervaarlijke snelheid te naderen. De sprinkhanen waren in aantocht. Gedurende den nacht hadden we hun verspreidingsgebied bereikt en nu omringden ons reeds aan alle kanten uitgebreide zwermen. Den ganschen dag bleven nieuwe zwermen opdoemen, terwijl op sommige oogenblikken naar bijna alle richtingen het eigenaardige, onbeschrijfelijke flikkeren was waar te nemen, dat ik kort na zonsopgang reeds gezien had. Eenige dagen gingen voorbij. We naderden het einde van het Sudd, en nieuwe, ditmaal zeer groote wolken insecten kwamen in zicht. Omstreeks negen uur in den morgen verschenen de eerste groote vlagen, die donkerrose-bruin van kleur waren aan den horizon. De gezagvoerder riep mij toen boven te komen en van de stuurbrug konden we zien, hoe ontzaggelijke wolken in het westen optrokken en allengs de rivier naderden. Een half uur later hadden de eerste sprinkhanen den oever bereikt, even voor ons convooi passeerde. In een enorme, trillende wolk stegen ze uit de kaalgevreten Suddvelden op en staken de rivier over. Een zwarte muur doemde voor ons op als de rookwolk van een zware steppebrand. De lucht rond het schip was gevuld met een diep ruischend geluid, als van een onafgebroken zware branding, die in een heftigen storm een steile rotskust beukt. Met gonzend geweld streek de eene golf na de andere over ons heen en verduisterde het daglicht geheel, zoodat aan boord alle lichten moesten worden ontstoken en de weinige passagiers in een spookachtige schemering rondliepen. En nog steeds was de hoofdmassa van den zwerm niet overgekomen. Omstreeks tien uur in den ochtend begon deze op te stijgen. Het geschiedde onverwachts. Opeens verhief zich een golvende bruinzwarte roetwolk, als een gordijn dat snel wordt opgetrokken, van den oever. Met een bruischend geluid, als van een machtigen waterval, trok de vlucht over den Nijl, hetgeen meer dan drie uren in beslag

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


50 nam. Drie uren lang was de lucht gevuld met het vleugelgeraas van milliarden dieren. Wanneer de zwermen niet al te dicht waren en er eenig licht overbleef om te fotografeeren, probeerde ik de insecten te filmen. Ik stond op de commandobrug. Als een aaneengesloten massa, die naar schatting ongeveer 25 meter dik was, passeerde de zwerm boven mijn hoofd, waarbij de insecten nauwelijks een meter boven me voorbij suisden. Bij duizenden stortten ze bedwelmd door den rook van de ‘Omdurman’ op het dek neer. Ze bedekten onze kleeren, kropen in mijn mouwen, hechtten zich aan mijn camera, die telkens zoo zwaar werd, dat ik mijn arm moest laten zakken om de massa's insecten er af te schudden. Maar immer nieuwe horden doken op, waardoor de lucht zoo werd verduisterd, dat ik van mijn standplaats het schip niet meer kon zien. Soms zakte de onderzijde van de zwerm, die nu ongeveer veertig meter dik was, eenige meters, hetgeen me noodzaakte onmiddellijk mijn uitkijkpost te verlaten, want de snelvliegende dieren botsten met zooveel geweld tegen mijn gezicht, dat ik met spoed dekking moest zoeken. Werd de zwerm even wat dunner, zoodat het zonlicht er door heen kon breken, dan zagen we hoe heirlegers van tienduizenden en nogmaals tienduizenden witte reigers en andere groote vogels luid snaterend en krijschend boven het Sudd vlogen. Ze trachtten de zwermen van beneden af te volgen, waarbij ze zich echter niet temidden van de aaneengesloten massa insecten waagden, wat overigens ook hun onmiddellijke dood ten gevolge zou hebben gehad, daar ze overzwermd door een ontelbare massa sprinkhanen, onmiddellijk in het water zouden zijn gestort. Bij die gelegenheden konden we ook waarnemen dat, hoewel beneden den zwerm een vale rossige schemering heerschte, daarboven een heete zon scheen uit een onbewolkten hemel, maar gedurende uren aaneen drong geen direct zonlicht tot ons door. Het was lang na den middag dat de laatste groote vluchten overkwamen, zoodat, aangezien we ons gedurende dien tijd ongeveer 25 kilometer hadden verplaatst, de zwerm dus een breedte bezat van ongeveer dienzelfden afstand. Naar een zeer globale schatting was ze ongeveer 5 kilometer lang, zoodat deze ruwe becijfering een

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


51 oppervlak van 125 vierkante kilometer oplevert, waaruit blijkt dat de zwerm van middelmatige grootte was. Zwermen, nog vele tientallen malen grooter, zijn in den loop der jaren in verschillende deelen van Afrika waargenomen. Zoo trok er in 1889 een over de Roode Zee, die niet minder dan 5000 vierkante kilometer oppervlakte bezat, dus nog veertig maal grooter was dan boven beschreven zwerm, dien wij beneden Bor zagen passeeren. Men bedenke daarbij dat de eigenlijke zwerm de zwarte massa is, die zich boven den horizon afteekent. De daarboven vliegende insecten zijn slechts voorloopers. Van genoemde Roode-Zee-zwerm heeft men berekend dat zij bijna 43 milliard ton insecten bevatte. Om zich van deze hoeveelheid een voorstelling te vormen, realiseere men zich, dat om de insecten van dezen enkelen zwerm te vervoeren, ruim vier milliard spoorwagens van tien ton elk noodig zouden zijn, dus duizenden malen meer dan alle spoorwegen op de geheele aarde tezamen aan materiaal bezitten. Wanneer dit kwantum insecten per schip zou moeten worden vervoerd, zou een vloot schepen met een laadvermogen van een millioen ton (overeenkomende met 100 groote vrachtschepen van 10.000 ton elk) niet minder dan 40.000 reizen moeten maken. Het aantal insecten levert getallen op van astronomische afmetingen. Aannemende dat elke sprinkhaan circa 10 gram weegt, wat niet ver van de waarheid kan zijn, omvatte deze enkele zwerm dus 4300 biljoen insecten, dat is meer dan twee miljoen maal het totale aantal menschen op aarde, zoodat ieder, bij gelijke verdeeling van dezen insectenvoorraad, meer dan 2 miljoen sprinkhanen zou krijgen. Wanneer men deze insecten achter elkaar zou plaatsen waarbij ik elken sprinkhaan op 8 cM. lengte schat, - dan zou daarmee een afstand van 342 miljoen kilometer gemoeid zijn, hetgeen meer is dan den afstand van de aarde naar de zon en terug (deze afstand is rond 150 miljoen kilometer). De zwerm, die den Boven Nijl passeerde en die hoewel van aanzienlijken omvang geenszins van exceptioneele grootte genoemd mag worden, zou wanneer alle dieren achter elkaar geplaatst werden, toch nog een lengte van meer dan 8 miljoen kilometer beslaan, hetgeen overeenkomt met 200

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


52 maal den aardomtrek. Laat die schattingen nu tien maal, desnoods honderd maal erger zijn dan de werkelijkheid, het is duidelijk, dat de verwoestingen door zoo'n aantal insecten aangericht, ontzagwekkend kunnen zijn. Zoolang ze zich bepalen tot de Suddmoerassen, die voor het grootste deel onbewoond zijn, zijn ze voor den mensch van geringe beteekenis, maar de snelheid waarmee dergelijke zwermen zich kunnen verplaatsen en die naar schatting de 10 kilometer per uur zeker overtreft, maken het den sprinkhanen mogelijk enorme afstanden af te leggen. Daarbij heeft men vastgesteld dat de insecten groote trajecten kunnen vliegen zonder eenige rust te nemen. Dit wordt bewezen door het feit dat in 1869 een aanzienlijk aantal sprinkhanen in Engeland werd waargenomen, waarschijnlijk de rest van een uit West-Afrika afkomstigen zwerm, die dus op zijn minst 1500 zeemijlen of bijna 2800 kilometer over open zee moet hebben afgelegd. De schade door sprinkhanen aan de oogsten der inboorlingen aangebracht, kan dan eveneens astronomische cijfers toonen. Over geheel Afrika genomen, waar vooral het zuiden en het oosten de voornaamste haarden zijn, bedroeg de schade over de jaren 1927-1931 72 miljoen gulden en deze jaren waren nog geenszins de ergste. In het seizoen 1920-1921 werden ruim 27000 zwermen vernietigd, het volgend seizoen meer dan 118000. In het daaropvolgende seizoen was de toestand in Zuid-Afrika nog veel ernstiger, vermoedelijk tengevolge van den opvallend hoogen regenval, die de centrale gebieden van het land, zooals de Kalahari-woestijn, in geweldige broedplaatsen voor de sprinkhanen veranderd had. In April 1923 werden niet minder dan 2½ miljoen vierkante kilometer in Zuid-Afrika door sprinkhanen geteisterd, terwijl onmetelijke oppervlakten in Midden- en Oost-Afrika aan de vraatzucht der dieren ten offer vielen. In Zuid-Afrika alleen werden in de twee seizoenen 1923-1925 bijna 8½ miljoen gulden uitgegeven aan sprinkhaanbestrijding, wat tot resultaat had, dat in dien tijd bijna twee miljoen zwermen werden vernietigd. Dat ook voor dichter bij Europa gelegen gebieden de sprinkhanen ernstige gevaren kunnen opleveren, blijkt uit de cijfers,

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


53 gepubliceerd in een officieel rapport over de bestrijding van de plaag op het eiland Cyprus, waar in 1881 1300 ton eieren van deze insecten werden vernietigd, een hoeveelheid, die 130 spoorwagens van 10 ton elk zou vergen voor het transport... Ook Europa kent overigens sprinkhanenzwermen hoewel ze in de gematigde luchtstreken zelden ernstige afmetingen aannemen. De bestrijding der sprinkhanen kan op verschillende wijzen geschieden, doch vereischt steeds enorme middelen. Het meest afdoende middel is het besproeien of bestuiven der zwermen vanuit vliegtuigen met arsenicumverbindingen. Deze bestuiving kan plaats vinden op twee momenten, verband houdende met de verschillende ontwikkelingsstadia van het insect, dat alvorens den gevleugelden toestand te bereiken, eerst geruimen tijd als ongevleugeld, onvolkomen dier doorbrengt. Deze ongevleugelde vormen, die zich springend voortbewegen, worden door de Engelschen hoppers genoemd, welk woord als internationale term in bijna alle deelen der wereld ingang gevonden heeft, terwijl de Boeren, onze taalverwanten in Zuid-Afrika, ze met het karakteristieke woord ‘voetgangers’ aanduiden. Zoolang de sprinkhanen zich nog in het voetgangerstadium bevinden, kan men een door hen geinfesteerd terrein zuiveren door het graven van diepe greppels, waarin ze zich kunnen verzamelen en ze desnoods met vuur vernietigd worden. Zijn ze reeds gevleugeld, dan komt spoedig het trekinstinct tot uiting en vormen zich door vereeniging van kleinere groepen, de groote zwermen. Deze kunnen met genoemde chemische middelen slechts in den vroegen ochtendstond bestreden worden, omdat de dieren in het duister niet zwermen en zich dus des morgens vroeg nog op den bodem bevinden. Eenmaal opgevlogen zijn de zwermen praktisch onkwetsbaar, terwijl bovendien het vliegtuig, dat in zoo'n zwerm terecht zou komen, kans loopt door de wolken insecten onklaar te worden, vooral wanneer het laag vliegt, wat voor een afdoende bestrijding noodzakelijk is. De bestrijding van de sprinkhanen met genoemde vergiften heeft echter ook groote nadeelen, want het is gebleken dat de vluchten vogels, die de zwermen overal heen

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


54 volgen en als de natuurlijke vijanden der insecten te beschouwen zijn, groot gevaar loopen door het eten van de vergiftigde dieren eveneens te gronde te gaan, waardoor deze bestrijdingsmethode een zeer bedenkelijken kant krijgt. Van bestrijding in het voetgangerstadium kan in de Suddmoerassen, die over enorme uitgestrektheden geheel ontoegankelijk zijn en waarin men alleen door de rivieren en kreken te volgen een eindweegs kan doordringen, natuurlijk geen sprake zijn, zoodat alleen het vliegtuig hier uitkomst kan brengen. Gezien echter de geweldige oppervlakten en de groote gevaren die noodlandingen in deze moerasgebieden voor de bemanningen opleveren, zal het zeker nog langen tijd duren vooraleer aan dezen grooten geesel der Afrikaansche menschheid paal en perk is gesteld. Tijdens mijn reis den Nijl stroomopwaarts, was er verscheidene malen gelegenheid den fatalen invloed der sprinkhanen op het leven der bevolking waar te nemen. Zeer duidelijk bleek dat te Tonga. Tonga is een katholieke Missiepost aan den Noordelijken oever van den Nijl gelegen, niet ver van de plaats waar de Girafferivier, een zijtak van den Witten Nijl, die zich even ten Noorden van ShambĂŠ heeft afgesplitst, zich weer met den hoofdstroom vereenigt. Tonga ligt aan den rand van het Suddgebied in strikten zin, dus in de streek waar de onafzienbare papyrusmoerassen beginnen, doch bezit in de omgeving nog veel droog gelegen terreinen waar de inboorlingen van den stam der Shilloek hun velden hebben. Hoofdzakelijk wordt hier durrah verbouwd, dat in groote gedeelten van den Soedaan het hoofdvoedsel vormt. De missionarissen te Tonga vertelden mij met zorgvolle gezichten hoe al hun schamele middelen nu al vijf jaar lang besteed moesten worden om in Egypte of NubiĂŤ durrah te koopen, die aan de hongerende bevolking verdeeld werd. Het schepencomplex, waarmee ik arriveerde, had eveneens een zending durrah voor de Missie aan boord, hetgeen de opvallend groote belangstelling van de zijde der bevolking bij aankomst aan den kleinen steiger te Tonga verklaarde. De heele streek scheen uitgeloopen om bij den aankomst van de langverwachte voedselzending aanwezig te zijn. De missio-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


55 narissen stonden langs den oever toen de Omdurman, moeizaam tegen de sterk gezwollen rivier optornend, in zicht kwam. Toen de zakken durrah ontladen moesten worden, waren honderden en nogmaals honderden Shilloeks ter beschikking om de zware vrachten uit het schip te dragen en hoewel er geen millième mee te verdienen was, vochten ze er om wie de zakken aan land zou brengen. Aan den oever, waar een groot aantal vrouwen was komen toezien hoe de kostelijke durrahzending arriveerde, was een gedruisch van opgewonden stemmen te hooren. Toen alles aan land was, vertrok een lange optocht naar de Missie. Voorop gingen de vrouwen, daarachter een rij mannen, die de zware durrahzakken naar de missieschuren torsten, terwijl daarachter de witte figuren der missionarissen den stoet sloten. Het was ontroerend het gejuich van de kinderen te hooren, die om den stoet heen dansten en van vreugde in de handen klapten. De kleintjes, met magere zwarte snoetjes, snaterden om de twee witte missionarissen heen, die met ernstige gezichten naar de missie terugkeerden en zich afvroegen, hoelang deze voorraad toereikend zou zijn. De toestand, vertelden zij, is hier dikwijls bijna hopeloos en benadert dien van voortdurenden hongersnood. Daar komt nog bij dat de Niloten van den Midden-Nijl, de Shilloek, Dingka, Nuer etc., in hoofdzaak veetelers zijn en zich slechts op zeer beperkte schaal aan den landbouw wijden. Hun velden zijn klein en zelfs in goede jaren nauwelijks toereikend om in hun onderhoud te voorzien. Vooral de zorgeloosheid der Dingka op landbouwgebied is haast spreekwoordelijk, zoodat het weerstandsvermogen der bevolking tegen misoogsten uiterst gering is, terwijl de veeteelt door de verwoestingen der sprinkhanen al evenzeer wordt bedreigd, daar de weideplaatsen van het vee door de insecten in enkele uren volkomen kaalgevreten worden, hetgeen den ondergang van den geheelen veestapel tengevolge kan hebben. Ik bracht een kort bezoek aan de missie, waar ik me met eigen oogen kon overtuigen van de armoede van dit land dat nooit rijk geweest is, maar door de insectenplagen der laatste jaren - want de sprink-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


56 hanen dringen steeds meer naar het Noorden op - tot gruwelijke ellende vervallen was. ‘Hadden we maar vliegtuigen,’ zuchtten de missionarissen, ‘met drie of vier vliegtuigen en de noodige bestrijdingsmiddelen zouden we de plaag wellicht volkomen kunnen keeren in het heele district.’ Mijn bezoek aan Tonga ligt nu reeds jaren achter me. Ik weet niet of de zwermen insecten nog steeds de ongelukkige Sudd-gebieden van den Midden- en Boven-Nijl in dezelfde mate komen teisteren als toen. Maar elken dag, wanneer ik in m'n studeerkamer zit, komen er vliegtuigen over, Engelsche of Duitsche, ik weet het niet. Europa heeft vliegtuigen bij duizenden, Amerika bouwt ze bij honderdduizenden, maar men kan ze niet missen, heeft ze hier noodig, voor andere doeleinden... ‘Hadden we maar drie, vier vliegtuigen,’ zuchtten de missionarissen in de hongergebieden van den Midden Nijl.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


57

Hoofdstuk IV. De Geschiedenis van den Gevangene. WANNEER ik terugzie op de twaalf jaren, die ik in allerlei gebieden van Afrika achter me heb liggen en de balans opmaak der bijzondere gebeurtenissen, vreugdevolle en treurige, die mijn deel werden in het land, dat mijn tweede vaderland geworden is, dan mag ik met een groot gevoel van dankbaarheid vaststellen, dat tot nog toe, ondanks de vele gevaren van verschillenden aard, die onvermijdelijk aan 'n leven als het mijne verbonden zijn, deze onderzoekingen nimmer een enkelen mensch 't leven hebben gekost. Dit is mij een reden tot diepe vreugde en - ik herhaal het - van innige dankbaarheid jegens Hem, die van al deze tochten, te talrijk dan dat ik ze mijzelf alle nog in details zou kunnen herinneren, de uiteindelijke leiding in handen had. Mijn menschen, m'n zwarte reisgenooten van vele jaren, waaronder ik vrienden heb gekregen aan wie ik in stille oogenblikken van herinnering met warmte terugdenk, hebben in den loop der jaren de dreiging van menige bekende, maar nog meer onbekende gevaren getrotseerd. Hoe gemakkelijk hadden er van hen niet kunnen omkomen in de wilde versnellingen der West-Afrikaansche rivieren, wanneer we, tot de borst in het water, de schuimende boschkreken doorwaadden? Op de ijshellingen van den Kilimandzjaro bleef de een na den ander onbeschut in de doodelijke koude van den bergnacht achter en toch keerden we allen naar ons kamp terug. Toen een van mijn kano's in de Taberivier kapsijsde en een groot deel der bagage in de woeste wielingen verloren ging, kampten velen met den dood, maar allen kwamen aan land. Dysenterie en malaria, longontsteking en slaapziekte woedden onder mijn menschen, maar allen herstelden. En hadden ze niet bij dozijnen

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


58 kunnen verongelukken, toen we de vermolmde lianenbruggen overtrokken, die hoog boven het donkere water van Liberia's sombere stroomen waren gespannen? Vluchtten mijn dragers niet bij tientallen, toen de Anyotas van Abemoe hen bedreigden, tijdens den zenuwsloopenden tocht naar Chamunonges dorp? Hadden mijn jagers niet gedood kunnen worden toen ze in de regenachtige bosschen achter Yokadouma plotseling met ongeladen geweren op een troep gorilla's stootten? En dan herinner ik me weer dien ontzettenden nacht in de bosschen langs de beneden-Oubangui, toen op nog geen vijftig meter afstand een geweldige kudde olifanten ons kleine kamp passeerde, waar de vuren waren gedoofd. Dat alles en veel meer nog had slachtoffers kunnen kosten, maar allen bleven gespaard, dank zij Hem, die ons veilig door de gevaren heen gevoerd heeft. Maar toch valt er een schaduw over deze herinneringen. Soms zie ik weer voor me het beeld van den wanhopigen strijd van een door honger en ellende uitgeputten zwarte tegen het bosch, het meedoogenloos vijandige woud, dat dagen lang zijn taaien kamp tegen afmatting en honger zag en tenslotte het tooneel werd van zijn doodstrijd in de eenzaamheid der wildernis. Ik herleef die tragische gebeurtenis, die altijd in mijn geheugen geprent is gebleven als de geschiedenis van den gevangene. Het was einde Augustus 1938, toen ik vanuit het gebied der BangoumbĂŠ definitief naar de Sanga terugkeerde. De herinneringen aan deze reis door Equatoriaal Afrika zal mij lang bijblijven, want het was een sombere tocht, een terugtocht als van een verslagen en ontmoedigd leger. Met dezen terugtocht boekte ik een der meest gevoelige nederlagen in mijn Afrikaansche leven. Voedselgebrek en overmatige zware vermoeienis van mijn dragers noodzaakten me het plan op te geven om binnendoor Yokadouma te bereiken en voerden ons terug naar de Sanga, vanwaar ik vertrokken was. Zelf was ik in een zeer ontmoedigde stemming. Sedert eenige dagen was de regentijd in zijn volle heftigheid over de karavaan losgebarsten en de dagenlange marschen door het kille woud, waar in den grauwen schemer geen straaltje licht doordrong, waren

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


59 afmattend en uiterst neerdrukkend. Het duurde 's avonds uren voor de vermoeide en lustelooze dragers een bladerhut voor me hadden opgezet, die elk moment nog kon instorten om mij onder natte takkenmassa's te begraven. Uren gingen er ook mee heen, voor mijn kok, dien ik uit de Engelsche Cameroons had meegenomen, mijn eten klaar had. Ik wist dat Jerry, hoezeer hij ook aan mij gehecht was, den dag vervloekte dat hij zijn koel dorp in de blauwe bergen van Bamenda had verlaten om mij te volgen naar dit wilde land, waar tot zijn ontzetting de inboorlingen ‘chop gras and people’1), zooals hij zich in kleurrijk Pidgin uitdrukte. Hij had heimwee naar zijn land. ‘If me look my country again,’ verzekerde de jongen me dikwijls, ‘I go cry too much!’2) Maar Jerry hield zich flink. Ergens in de struiken had hij zich spoedig een keuken ingericht, waar hij zoo goed en zoo kwaad als het ging boven een rookerig vuur van vochtig hout mijn eten kookte. Wanneer hij dan twee maal zijn helper, den smallboy3) Biyongo, een Ngoundi met wien hij geen woord wisselen kon, de keuken uitgesmeten had, was dat voor mij het signaal dat spoedig zijn nasale stem met een: ‘Massa, chop ready!’4), zou aankondigen, dat ik me aan tafel kon zetten. Ik raakte het eten veelal nauwelijks aan, zond de rest naar de keuken, waar Jerry en Biyongo thans in broederlijke eensgezindheid het overschot deelden, trok mijn natte kleeren gedeeltelijk uit en probeerde onder de klamme dekens te slapen, voorzoover tenminste de brulkrekels me niet wakker hielden met hun oorverdoovend geschreeuw, dat gansche nachten door kon razen en zelfs met een schot hagel in het geboomte niet tot zwijgen te brengen was. Des ochtends nam ik snel een bad in groezelig bruin moeraswater, dat huiveringwekkend kil was en waarvan een petroleumblik voldoende organismen bevatte om een aquarium van een volledige zoetwater-fauna te voorzien, at snel een paar borden halfgare havermout, gekookt in water, want de voorraden melk

1) 2) 3) 4)

Rauwe bladeren en menschenvleesch aten (Pidgin). Als ik mijn land terugzie, zal ik hard huilen (Pidgin). Keukenjongen (Pidgin). Mijnheer, het eten is klaar! Massa is waarschijnlijk een verbastering van master.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


60 in blik waren al onheugelijke tijden geleden opgeraakt sedert een voorraadkist op onverklaarbare wijze verloren ging. Daarna volgde de bagagecontrole en dan op weg, een nieuwe dagreis door een bosch, dat steeds hetzelfde schijnt en steeds een ander wordt, een nieuwen avond in gietenden slagregen tegemoet, totdat, Gode zij dank, op een vroege ochtend de rivier weer voor ons lag. Alsof een hoornsignaal het commando had gegeven, smijten de dragers hun lasten neer. Sommige kisten zijn lek geworden en water druipt er uit. De mannen leggen zich neer op den modderigen bodem en rooken met gulzige trekken de tabak, die ik heb uitgedeeld om den terugkeer aan de Sanga te vieren. Met een paar man tracht ik door de haast ondoordringbare struiken den oever te naderen. Ik herken het punt, waar we de Sanga bereikt hebben, niet. De rivier maakt stroomopwaarts een lichte bocht naar het westen, die ik op mijn schetskaart tevergeefs tracht te localiseeren. Naar mijn berekening moet de kano met levensmiddelen en andere voorraden, die ik uit Nola heb laten komen, vandaag tegen den middag hier voorbij komen. Een oogenblik bekruipt me de angst, dat hij gisteren al gepasseerd zou kunnen zijn, maar ik bedenk dat men dan te Lidschombo zal bemerken, dat ik daar nog niet gearriveerd ben en de kano dan ongetwijfeld zal terugkeeren. Vurig hoop ik dat dat spoedig zal zijn, want ik geef vandaag het laatste maniokmeel uit en vleesch is er al sedert drie dagen niet meer. Ik heb een paar man aan den oever geposteerd om naar de kano uit te zien en de bemanning te waarschuwen waar we tusschen het geboomte kampeeren. Het is even na den middag wanneer de wacht aan de rivier naar het kamp roept. Onder de dragers, die in allerlei apathische houdingen rond het vuur liggen, ontstaat een opschudding. De kano komt. Allen haasten zich naar den oever, houden zich aan overhangende lianen vast om over het water uit te kunnen zien. Door de struiken zie ik een kleine kano naderen met een man of zes aan boord. Daarachter volgen de twee groote kano's, die ik stroom-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


61 opwaarts heb achtergelaten en met het convooi meekomen. De mannen hebben onze verblijfplaats reeds gevonden en voorzichtig tusschen takken en neergestort hout heenpagaaiend meeren de kano's aan den modderigen oever, waar slijkspringers een snel heenkomen zoeken. De groote belangstelling, die de mannen voor de lading hebben, is volop verklaarbaar. Allen weten dat het convooi geboucaneerd vleesch meebrengt en vleesch is de groote passie van den neger. Voor en achterin, afgedekt met bananenbladeren, ligt de kostbare lading, waarvan de geur, een terugstootende walm van half rottend, half schimmelend vleesch ons reeds tegemoet waait. Een oude man, het hoofd der pagayeurs, komt naar voren en overhandigt me een groezelig papier, den inventaris. Ik vlieg de lijst even door om me te overtuigen dat er inderdaad weer voor twee weken vleesch is, want de jacht in het doorweekte bosch heeft den laatsten tijd erbarmelijke resultaten opgeleverd. Dan wordt de lading ontscheept. Mijn kok telt elk stuk dat gelost wordt en rappe handen dragen de brokken vleesch, die donkerbruin zijn met zwarte randen en brokkelig als steenkool en hier en daar wit schimmelend uitslaan in het kamp en beginnen den voorraad op te slaan op de eenige plaats, die men voor een dermate kostbare collectie voldoende veilig acht: onder mijn bed. Voor ik het kan verhinderen liggen daar, keurig geordend, reeds eenige sterk geurende stapels halve antilopen, bouten wildzwijn en ander moeilijker te bepalen gedierte, waaronder ik intusschen ook eenige honden herken, sommigen met de huid er nog om. Jerry, de kok, die aller vertrouwen geniet, turft de collectie. De dragers nemen elk stuk in hun handen, betasten het, wegen het op de hand, knijpen er in, krabben er aan om het onderliggende vleesch bloot te leggen, kortom keuren het op alle mogelijke manieren. Alleen de geur, dien de zending in alle richtingen profuselijk verspreidt en die voor mij, trots veeljarige oefening, nog altijd overweldigend is, interesseert ze in het geheel niet. Een geur is voor den neger iets onstoffelijks, en daarmee van geen beteekenis, want men eet tenslotte het vleesch en niet den geur. Opeens ontstaat er een nijdige woordenwisseling tusschen den

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


62 chef der pagayeurs en Jerry, die beweert, dat er maar 25 halve antilopen zijn en geen 26, zooals op de factuur staat. De pagayeur windt zich op, voelt zich in zijn eer getast en schreeuwt verdachtmakingen aan het adres van zijn mannen. Het conflict spitst zich toe en maakt een hertelling in mijn aanwezigheid noodzakelijk. Er zijn er inderdaad 26, hetgeen tot resultaat heeft dat de ruzie van den anderen kant opnieuw opvlamt, maar gelukkig kan ik de kwestie beslechten door op het juiste oogenblik een ruime hoeveelheid sigaretten uit te deelen. Dien avond is er een feestmaal. Ik geef twee halve antilopen uit en een hond, alsmede een halve mand maniok, met als dessert een ongelimiteerde hoeveelheid tabak. En werkelijk: er is een feeststemming. De nieuw aangekomen mannen zitten temidden der dragers en pagayeurs en tot laat in den avond klinkt er gelach en druk gepraat rond de vlammende vuren aan de rivier. Mijn avondmaaltijd is ditmaal ook weinig conventioneel. Boma, mijn tolk, is tegen den avond uit het bosch teruggekeerd met een grooten, mij onbekenden vogel, waarvan het eenigszins tanige vleesch bruikbaar blijkt en een welkome afwisseling oplevert op het menu dat sedert meer dan een maand slechts het gerecht kip vermeldt. Deze jachtbuit is des te welkomer, aangezien tijdens den marsch der laatste dagen het meerendeel van mijn kippen door den regen is omgekomen en de voorraad dus sterk geslonken is. Het is diep in den nacht voor de vuren dooven en de stemmen zwijgen aan de rivier. De regen, die ons dezen geheelen dag heeft gespaard, is nu weer gaan vallen. Als een ruischende sprinkhanenzwerm is hij boven het bosch komen aandrijven en nu ritselt het alom en vallen van het trillend gebladerte koude druppels in het blauwige nachtlicht neer. Wanneer ik eindelijk inslaap, ben ik kil tot in mijn gebeente. Den volgenden morgen vertrekken we. De regen plast neer. Het bosch is als een druipende tuin, waar trage druppels schitteren in de witte schemering van den tropenmorgen en overal een kleine vijver welt, waar menschen hun voetstappen zetten. Van den waterkant klinken stemmen. In gietenden regen worden de kano's

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


63 leeggehoosd. Voorzichtig zich aan takken en lianen vasthoudend, schepen dragers en pagayeurs zich in. De bagage is al aan boord. Te midden van een neergutsende bui vertrokken we. Het eerst zet een kano met dragers af, die 26 man aan boord heeft. Dan volgt mijn kano met 20 man en dan de derde, die tamelijk oud is, nogal veel lekken heeft en hoogstens vijftien man kan hebben. We zijn nu met ongeveer zestig man op de rivier, de nieuwgekomenen inbegrepen. Wonderlijk is de rivier in den regen. Ik weet wel dat het water hoog staat in mijn kano. Zelfs onder mijn simbek1) klotst het heen en weer zoodat de bagage op stokken gezet is, maar ik troost me met de gedachte, dat we bij dit weer geen last zullen hebben van de babi, de tsetses, die ons anders in ontelhare horden lastig vallen. Ik geniet van de wijde wereld om me heen. De boschrand waar onherkenbaar geboomte zich over het grijze water welft, is nu schuil gegaan in een ijlen schemer, die alles hult in een onbestembaar floers. Uit de eerste kano, die voor ons uit ligt en slechts als een flauwe schim te onderscheiden is, hoor ik den rhythmischen zang der pagayeurs. Men zingt niet veel in de sombere wildernissen aan de Sanga, maar het gezang zegt mij, dat de mannen blij zijn, dat ze uit de hel van het natte bosch bevrijd zijn. Ze hebben gegeten zooveel ze wilden, ze hebben in het goede kamp aan de rivier warmte gehad en hun kleeren kunnen drogen en nu deert het ze niet dat de regen op ze neergutst, dat om hun kruin en schouders een aureool hangt van uiteenspattend water. Met woeste slagen drijven ze de kano voort. Er ontstaat een stomme wedstrijd, welke de voorste zal zijn, en de derde kano, die een veel kleinere bezetting heeft, raakt daardoor achter. Met mijn kijker zie ik Boma voorin staan. Hij heeft een geweer in de hand, want we moeten op onze hoede zijn voor nijlpaarden. De pagayeurs van mijn kano werken als lastdieren. We halen de eerste boot, die langzaam voor ons

1) Rieten woonhut aan boord van een kano.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


64 uit den regen opduikt allengs in. Tien glanzende naakte gestalten plonsen hun pagaaien door het schuimende water. Met mijn kijker zoek ik de eerste kano af, die als een spookschip voor ons uit schiet. Hoog spat het water tegen den boeg. En opeens zie ik iets waarop ik blijf turen: voor in de eerste kano zit een man, een jongen nog bijna, van misschien twintig jaar, dien ik niet ken. Dat is op zich zelf niets bijzonders, want het komt wel meer voor dat vreemdelingen meereizen in de karavaan. Maar die man heeft een touw om zijn nek en is aan de simbek, waaronder de bagage opgetast ligt, vastgebonden. Ik stel nog eens goed scherp om te zien of het geen vergissing is. Neen, daar zit een geboeide man in mijn eerste kano. Ik geef order om den voorligger in te halen. Mijn kano, die de langste van de drie is, schokt van de pagaaistoten en langzaam komen we dichterbij, maar de groote bezetting van den voorligger roeit zoo hard dat we ze haast niet kunnen inhalen. Ze beantwoorden ons roepen met verdubbelde pogingen om voor te blijven. Ik roep ze toe, wat dat te beduiden heeft. De mannen begrijpen me niet. Mijn stem gaat verloren in den regen, die van elke kano een eigen wereld gemaakt heeft. ‘Haal ze in,’ beveel ik. Met groote moeite hebben we ze vijf minuten later langszij. Vanwege den steenachtigen bodem van de rivier durf ik niet vlakbij te komen want mijn kano heeft meer diepgang dan de eerste en deze vaart dicht onder den wal. We naderen tot op eenige tientallen meters. Inderdaad, glimmend van den regen zit een jonge kerel voor in de kano met een zwaar touw om zijn nek. ‘Wat is dat daar?’ roep ik. Ik kan het antwoord niet verstaan. ‘Maak dat koord los! Als de kano kapsijst, verdrinkt de kerel als een hond! Elk oogenblik kan er een hippo uit de rivier opduiken! Wat moet dat beteekenen?’ Verwarde stemmen roepen er over het water. Ik beduid de pagayeurs dat ze 't koord moeten doorsnijden. Er schijnt 'n protest uit de kano te komen. De karavaanleider roept me wat toe. Ik vang slechts een paar woorden op: foutre le camp. Ik begrijp, dat hij me wil

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 64

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 65

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


65 uitleggen, dat de man zich uit de voeten zal maken als hij het koord losmaakt. Ik maak me kwaad. ‘Couillon, coupe la corde,’ brul ik over het water en men snijdt het koord door. Ik zie de schichtige blikken van den jongen man naar mij gaan en dan weer naar den karavaanleider. Voorloopig laat ik de zaak zoo. Ik zal vanavond wel onderzoeken wat er aan de hand is. De snelle voorligger, die veel ranker is dan de mijne, verdwijnt weer in den regen. We zijn weer alleen. Langzaam valt nu de schemering over de wijde rivier. Het bosch aan de oevers lost zich nu geheel op in een blauwen mist, die vanuit de rivier schijnt op te stijgen. Ik krijg den indruk dat de Sanga hier zeer breed is, hetgeen niet klopt met mijn schetskaart. De ligging der dorpen langs de rivier is overigens ook geheel anders dan de kaart vermeldt. Vijf uur is het nu. Over een uur zal het duister zijn bij dit weer en dan moeten we een behoorlijk kamp hebben klaar gemaakt. Ik laat de derde kano langszij komen en overleg met Boma. We zijn het er over eens dat we binnen een kwartier een landingsplaats moeten hebben, want anders zullen we de hutten in het duister moeten bouwen en dat kost onnoemelijk veel tijd. De keus is spoedig gemaakt. Aan den rechteroever vertoont zich 'n open plek, waar vermoedelijk vroeger een dorp heeft gelegen. Daar varen we heen. Het schemert al. Blauwig, onwezenlijk licht valt er over de rivier. De voorligger is zelf niet meer te zien, maar de gelige schemering van een petroleumlamp verraadt dat ze nog steeds voor ons uit ligt. Ik laat roepen dat we hier voor den nacht aan land gaan. De kano's zijn te nat om op de rivier te overnachten. De eerste kano keert daarop terug. Ik hoor stemmen in den mist en het plonzen van pagaaien. Dan duikt de voorligger uit den schemer op. De dragers springen aan wal en leggen de booten vast. Als mijn plaatsbepaling juist is, hebben we vandaag 65 kilometer afgelegd, een behoorlijken afstand. Ik ga naar de bemanning van den voorligger en vraag wat dat geval te beduiden heeft. ‘Er is een gevangene,’ zegt de karavaanleider en toont me een

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


66 uiterst schichtigen, niet geheel normaal uitzienden jongen neger. ‘Wat gevangene?’ vraag ik. ‘Ik heb hem gisteren gevangen,’ zegt de karavaanleider. ‘We zoeken hem al twee jaar.’ Ik begin iets te begrijpen. De karavaanleider, dien de Fransche regeering mij ter beschikking heeft gesteld, is eigenlijk een garde. Hij heeft een gevangene gemaakt in de uitoefening van zijn ambt. ‘Wat heeft de man gedaan?’ vraag ik. ‘Hij heeft geen belasting betaald over drie jaar,’ zegt de garde. ‘Hij leeft in de dorpen langs de rivier, nu eens hier, dan weer daar. Ik ben hem al eens wezen zoeken, maar heb hem toen niet kunnen vinden. Gisteren zag ik hem in een dorp, toen ik met de vleeschkano naar Uw kamp kwam.’ Aha, ik begrijp het. Hij is met het vleeschconvooi meegekomen. ‘Heeft hij nog meer uitgevoerd, gestolen?’ vraag ik. ‘Neen, alleen geen belasting betaald.’ De jonge neger, die aan een boom vastgebonden zit, is ontzettend schuw wanneer ik hem nader en lijkt in zijn reacties meer een dier dan een mensch. Hij is bijna geheel naakt en klappertandt; waarschijnlijk is hij slaapziek, waarop ook zijn opvallende magerheid wijst. Ik maak het touw van zijn nek los, breng hem in mijn bladerhut, die inmiddels is opgericht en geef hem tabak, die hij gretig aanneemt. Hij durft me niet aan te zien. Ik ga op een boomwortel naast hem zitten en klop hem op zijn schouder. De jongen huivert en kijkt schuw rond. ‘Ik zal je niets doen kerel, wees niet zoo bang!’ Dan roep ik Boma er bij. ‘Boma, kun jij uit hem krijgen wat zijn stam is en hoe hij heet?’ Na veel aarzelen komt er een fluisterend, bijna onverstaanbaar antwoord: ‘Ik heet Diepando en ben een Ngoundi.’ ‘Waarom betaal je je belasting niet, Diepando? De “garama” is toch niet veel!’ Schuw vliegen zijn oogen rond. Geen antwoord. ‘Als je twee of drie dagen rubber gaat zoeken in het bosch, heb je de heele garama bij elkaar.’

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


67 De gevangene antwoordt niet. Slechts zijn oogen vliegen heen en weer, nauwelijks schijnt hij te luisteren naar wat ik ik hem zeg. In zijn wilde blikken ligt maar een gedachte te lezen: Vluchten, vrijheid, weg van hier! Ik roep den garde erbij. ‘Hoeveel belasting moet hij betalen?’ De garama blijkt zes franc per jaar te zijn, dus achttien francs, nog geen gulden. ‘Luister eens, Diepando,’ zeg ik tot den man, ‘luister eens goed. Ik zal je achterstallige belasting betalen onder voorwaarde dat jij van nu af regelmatig werkt en je garama betaalt. En voor deze reis ga je nu maar met me mee, want hier in de wildernis kun je toch niets uitvoeren. Boma zal je wel zeggen wat je moet doen. Je krijgt het loon van een drager.’ De garde aarzelt. ‘Docteur,’ zegt hij, ‘ook wanneer U de belasting betaalt, moet ik hem toch meenemen, want hij heeft verzet gepleegd, toen 'n dorpshoofd hem in hechtenis wilde laten nemen verleden jaar.’ ‘Is daar niets aan te doen, garde?’ vraag ik. ‘Neen,’ zegt de garde, ‘het zijn mijn orders.’ Dat zijn Gouvernementszaken, waar ik me niet mee te bemoeien heb. Zoolang echter de kerel in mijn karavaan is, zal hij behoorlijk behandeld worden. Dat zeg ik tegen den garde. ‘Maar als ik hem niet bind, vlucht hij weg!’ is het antwoord. ‘Hij vlucht niet,’ zeg ik, ‘waarheen zou hij moeten vluchten hier in het bosch? Maar hoe ook, in mijn karavaan wordt geen mensch gebonden tenzij het een misdadiger zou betreffen. En als je daar niet mee accoord gaat, dan moet je zelf maar voor het transport zorgen, maar dan reist hij niet meer in mijn karavaan.’ De garde gaat er accoord mee. Tegen Diepando zeg ik, dat hij met Boma mee moet gaan, die hem te eten zal geven en een slaaphut zal aanwijzen. ‘Boma zorg er voor, dat hij behoorlijk te eten krijgt en een deken om onder te slapen.’ Mijn kok roept uit de keuken dat het eten klaar is. ‘Breng het op, Jerry!’

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


68 Ik ben gedwongen in mijn bladerhut te eten, want buiten giet het. Onzegbaar somber is nu het bosch. Als een reusachtige grauw-violette slang schuift de Sanga langs de zwarte wildernis aan den oever. Ik heb in elke kano een waker achtergelaten, hoewel bewaking eigenlijk overbodig schijnt, want er is geen mensch in de omgeving te vinden. Naar schatting is het naaste negerdorp nog twintig kilometer ver, maar ik moet voorzichtig zijn, want als mijn kano's gestolen werden of wegdreven, zou dat een ramp beteekenen, die ons allen het leven zou kunnen kosten, want we zouden niet meer weg kunnen. Na het eten maak ik nog wat aanteekeningen in orde, tot opeens een woest misbaar ontstaat onder de dragers, die op enkele tientallen meters afstand kampeeren. Er is een vechtpartij gaande, waarbij zware klappen vallen. Ik laat mijn werk in den steek en ga er heen. Het blijkt een ruzie tusschen de dragers en den garde te zijn. Deze laatste, een forsche krachtige kerel, heeft twee dragers bij de keel en sleept ze naar het bosch. Een algemeen gevecht dreigt. Uit het woeste geschreeuw begrijp ik wat er gebeurd is. De gevangene, die schijnbaar rustig zat te eten, is gevlucht, het bosch in. Hij heeft van een oogenblik van onoplettendheid van den garde gebruik gemaakt en deze eischt nu dat mijn dragers hem in het donker zullen achtervolgen. Deze verzetten zich natuurlijk met alle geweld. Mijns inziens terecht en ik verbied ze dan ook Diepando te gaan zoeken. Zij, zoowel als ik, staan buiten het geval. Het is overigens ook volkomen doelloos om in den nacht bij dit weer een vluchteling te gaan achtervolgen in het bosch, waar men geen hand voor de oogen kan zien. De garde is ziedend van drift. Telkens laait de twist weer op en dreigt een nieuw handgemeen, maar tenslotte keert in het opgewonden kamp de rust terug. Duister en maanloos is de nacht. Ik zoek mijn hut op maar de gedachte aan den vluchteling laat me niet los. Ik roep Boma. ‘Wat bezielde den kerel om te vluchten, Boma?’ ‘Ah,’ zegt Boma, ‘hij zal misschien probeeren om door het bosch naar Yokadouma of naar Moloundou te ontkomen.’ ‘Maar de kerel moet toch weten dat hij meer dan 150 kilometer

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


69 te gaan heeft voor hij een mensch kan ontmoeten. Er is geen enkel dorp, geen enkel pad. Met dit weer vindt hij niemand in het bosch, geen jagers, geen rubberzoekers, niemand.’ ‘Ah,’ zegt Boma kalm en zonder ontroering, ‘hij zal ook nooit aankomen. Il est foutu. Hij zal in het bosch omkomen.’ ‘Zou hij Yokadouma niet kunnen halen, Boma?’ ‘Ah Docteur, hij heeft niets te eten, hij zal ook niets vinden, niets, niets, water, brousse zal hij vinden.’ En Boma spuwt op den grond. ‘Hij zal verrotten als een doode antiloop.’ Ik weet dat Boma gelijk heeft en een pijn kruipt op naar mijn hart. De man is verloren en ben ik daarvoor niet verantwoordelijk? Als ik hem gebonden had gelaten was hij niet gevlucht. Ja, zeg ik bij me zelf, maar wie had ook kunnen voorzien, dat de jongen hier zou vluchten in deze afgrijselijke wildernis? De kerel moet toch geweten hebben dat hij één kans had op de honderd om het er levend af te brengen. Ik zoek mijn hut op. Mijn kampbed is droog gebleven maar de dekens zijn klam. Met open oogen lig ik in het donker. Slapen kan ik niet. Met woest geweld gutst de regen neer over ons kamp. Mijn gedachten zijn bij den vluchteling. Ik zie hem in het donker schuilen aan den voet van een boom. Hij rilt. Ik herinner me dat hij koorts had. Den heelen nacht hurkt hij tusschen boomwortels in den modder. Bij het eerste daglicht staat hij op, waadt het eene moeras na het andere door, slingert zich heen over neergestorte stammen, die zooals bijna alle boomen hier, met bastdorens zijn bezet, wondt zich zijn voeten en zijn naakte lichaam. Hij scheurt een stuk uit zijn lendendoek en omwikkelt er zijn gezwollen voeten mee. Den ganschen dag regent het. Geen oogenblik zwijgt het suizen boven de toppen. Weer wordt het nacht. Den derden, den vierden dag zijn z'n krachten door honger en vermoeienis uitgeput. Hij struikelt telkens, valt, bezeert zich. Voortdurend zoekt hij voedsel, vindt wat gistende vruchten, verder niets, niets. Een vogel vliegt voor hem uit. Voorzichtig tracht hij het dier te bereiken, tevergeefs. Met klepperende slagen wiekt het dier weg tus-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


70 schen de struiken. Tegen den middag vindt hij wat rupsen, die hij gulzig verslindt. Hij dreigt ineen te zakken en gaat zitten, staat weer op, valt voorover in een poel, waadt uitgeput naar den oever. Hijgend probeert hij zich aan een tak op te hijschen. Tevergeefs. Zijn gewonde handen zijn ontstoken en verstijfd. Zijn oogen vallen dicht. Reutelend klemt hij zich aan den tak vast en probeert opnieuw uit het water vrij te komen. Dan breekt de tak en met een doffen plof stort Diepando achterover in de modder, die zich zuigend en borrelend om hem sluit. Alleen de loerende oogen van een gevlekte boschkat hebben van uit het gebladerte zijn laatsten val gezien. ‘Hij zal verrotten als een doode antiloop,’ zei Boma. Ik huiver. Buiten ruischt eindeloos de regen over het bosch en dof rolt de donder over de wijde, zwarte Sanga. Boma's voorspelling werd bewaarheid. Diepando heeft men nimmer meer terug gezien. Voorzoover ik heb kunnen nagaan is hij nooit te Yokadouma of te Moloundou gesignaleerd, noch in het Zuiden langs de rivier, noch in een van de dorpen van het Mbimougebied, die hij misschien had kunnen bereiken. Het bosch, de verraderlijkste vijand van den mensch in Afrika, heeft zich van hem meester gemaakt en alleen de groote Houtvester der wildernis weet, waar op den jongsten dag zijn vermolmd gebeente zal herrijzen.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


71

Hoofdstuk V. De brand van Gbarnga. DE Europeaan, die tropisch Afrika bereist en zich tracht in te werken in de mentaliteit en het gedachtenleven der inboorlingen, die even bont zijn als de veelheid van stammen en talen van dit interessant gebied, bemerkt in den aanvang weinig van het feit dat in het bijzonder West Afrika, maar ook bepaalde gedeelten van Centraal en Oost Afrika het terrein vormen van een hardnekkigen strijd, die men de strijd om de ziel van den Afrikaan zou kunnen noemen. Het duurt gewoonlijk geruimen tijd voor hij zich ervan bewust is dat hier twee groote wereldbeschouwingen botsen in hun streven om Afrika's menschheid in hun expansie op te nemen. Deze strijd, die van beide zijden met kalme, maar verbeten energie wordt gevoerd, en die door de felle tegenstellingen in methode en techniek een der interessantste problemen van het zwarte werelddeel oplevert, is de kamp tusschen het Christendom in den vorm van Katholieke Missie en Protestantsche Zending eenerzijds en den Islaam anderzijds. Merkwaardig is allereerst de geographische positie der beide belligerente groepen. De Islaam kampt als het ware over een aaneengesloten front, dat zich dwars over geheel Afrika uitstrekt en vanuit het eigen verspreidingsgebied, waarvan Noord-Afrika heden ten dage een integreerend deel uitmaakt. De richting van den kamp is dus van Noord naar Zuid. Het Christendom, dat sedert het reeds voor het einde van het eerste millennium Noord-Afrika aan Mohammeds volgelingen moest afstaan, aan den Afrikaanschen oever van de Middellandsche Zee geen steunpunten meer bezit, tracht vanuit het Zuiden een barricade op te slaan tegen den opdringenden invloed van den Islam en moet hierbij arbeiden op een terrein dat geenszins een samenhangend geheel vormt, tegen een numeriek veel

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


72 sterkeren tegenstander en onder omstandigheden, die grootendeels ten gunste van den Islaam zijn. Ik sprak van een opdringenden invloed. Inderdaad, de Islaam dringt althans in bepaalde gedeelten van Afrika angstwekkend op. De heilige oorlog, het groote verspreidingsmiddel van het Mohammedanisme, behoort sedert lang tot de historie. De tijd dat een machtige golf Mohammedaansche krijgers van uit het reeds onderworpen Spanje, geheel Frankrijk onder den voet trachtte te loopen en eerst bij Poitiers tot staan werd gebracht, is niet meer. De Islaam bezigt thans andere methoden, vooral de langzame economische penetratie en deze methode is nog veel doeltreffender gebleken dan het geweld. Al is het reeds verscheidene jaren geleden, toch herinner ik me nog levendig, hoe ik voor het eerst met deze Islamitische penetratie in aanraking kwam. Ik was met een kleine karavaan op marsch tusschen Sanequelleh in Noord-Liberia en Nzérékoré, destijds nog een verloren oerwoudpost in het Zuiden van Fransch-Guinea. Het groote, in uitgestrekte gebieden nog ongerepte oerwoud van Liberia's Noordgrens omringde ons. Mijn karavaan marcheerde snel, want ik wilde zoo mogelijk binnen een week Nzérékoré bereiken en had intusschen nog veel arbeid te verrichten. Zonnig was het bosch. Op dezen afstand van de kust had de regentijd veel van zijn heftigheid verloren, en konden er dagen voorbij gaan dat er nauwelijks een uur regen viel. Het liep tegen den middag en het was drukkend warm. De karavaan, die den geheelen ochtend luidruchtige dragerszangen had doen hooren - nergens in Afrika zingen dragers zoo veel als in Liberia - was naarmate de warmte toenam stiller geworden en toen tegen den middag het terrein wat heuvelig werd, verstomde het gezang geheel en al en maakte plaats voor een hijgend zwoegen, slechts onderbroken door het ruischen van de takken langs de kisten. Het middaguur is wellicht het eenige moment van den dag dat de Afrikaansche boschwereld werkelijk stil is. In den vroegen ochtend is er in de kruinen der boomen een oorverdoovend kwinkeleeren van myriaden vogelstemmen. Wanneer de zon stijgt, wieken de vogels weg naar de schaduwrijke diepte van het woud, maar dan

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


73 is er nog altijd het drukke gesnater en gestoei van apen in de boomen. 's Avonds, als de zon laag aan den horizon daalt, beginnen eerst kleine fluitende krekels hun teer concert in het lage struikgewas op den boschbodem, een geluid zoo ijl, zoo ragfijn, dat ik dikwijls stil bleef staan, niet wetend vanwaar het ontsprong, terwijl het voortkwam uit de struiken aan mijn voet. Vaak klonk het als het slaan van een vlucht nachtegalen in een ver ravijn. Dan zetten al heel spoedig de grootere krekels in. In allerlei toonen, schor tjilpend en fluitend, snerpend en krijschend schreeuwt dit onmetelijke koor den ganschen nacht door, begeleid door een naamloos leger ander gedierte in de kruinen en de poelen van den boschbodem, waar padden brullen in den schemer en hoog in de takken langs het water vleermuizen hun klaterende triangeltoonen slaan. Zoo heeft elk uur der wildernis zijn eigen geluid. Alleen omtrent het middaguur vertoont de partituur van den grooten Toonzetter eenige maten rust. Loom sleept de vermoeide karavaan zich voort. En opeens is het of heel in de verte menschelijke stemmen te vernemen zijn. Nauw hoorbaar boven het suizelend gerucht van het bosch wordt het duidelijker. Het is een geluid uit vele kelen. Er kan geen twijfel mogelijk zijn: menschen komen ons tegemoet. Een dragerszang klinkt door het bosch en weinige oogenblikken later duiken de eerste dragers van een karavaan, die ons tegemoet komt uit de struiken op. Ik verbaas me over de afmeting van deze karavaan. Massa's dragers, waarschijnlijk GuerzĂŠ of Toma, bijna geheel naakt, met zware vrachten op het hoofd, komen in hijgende vaart nader. Hun lichamen druipen van het zweet. Rauw klinkt een wild uitgestoten rhythme uit oververmoeide kelen. De twee karavanen stuiten op elkaar. Dan opeens bemerken de vreemdelingen dat dit de karavaan van een blanke is en schuw treden ze op zij. Er komen niet veel blanken naar de sombere bosschen van dit gebied. Hun vrachten op het hoofd balanceerend, zoeken ze terzijde van het smalle pad zich staande te houden in de struiken om mijn menschen te laten voorbijgaan. Tusschen twee hagen hijgende zwarten trekken we voorbij. Er worden enkele woorden gewisseld. Het valt me op

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


74 hoe uitgeput deze menschen zijn. Velen van hen trillen over het geheele lichaam. Van mijn menschen verneem ik dat ze lang voor zonsopgang vertrokken zijn. Hun lichamen zijn van boven tot onder met modder bespat en plantenresten kleven aan hun druipende huid. Een slecht vooruitzicht denk ik bij me zelf. De mannen roepen mijn dragers in het voorbijgaan toe, dat ze de moerassen zes uur geleden gepasseerd zijn. Wij zullen ze dus tegen het vallen van den nacht bereiken en er zijn weinig dingen in Afrika, waarvoor ik zoo grondig respect heb als voor moerassen in den nacht. Intusschen vraag ik me af wat dit voor een karavaan is. We zijn de laatste dagen herhaaldelijk groepjes inboorlingen tegengekomen, die op weg waren naar het Zuiden, naar de kust, om daar rijst of palmkernen te verkoopen om de belasting te kunnen betalen. De vrachten van deze menschen zijn echter niet de bekende kainjies, de lange inlandsche draagmanden, waarin landbouwproducten worden vervoerd. Ze lijken veel meer op regelmatig verpakte balen koopwaar, die intusschen voor een man veel te zwaar zijn. Het raadsel is spoedig opgelost. Aan het einde van de zwoegende karavaan komt een draagstoel in zicht. Een draagstoel bestaat in dit deel van Afrika slechts uit een langgerekte houten kap, die door vier man op het hoofd of op de schouders wordt gedragen en waaronder een inlandsche hangmat is uitgespannen. In die hangmat ligt een neger. Het is een forsche, statige figuur, gekleed in een lang, blauw gewaad, zooals in het Noorden, in de savannen van Fransch-Guinea en in den Soedaan gebruikelijk is. Onder zijn blauwe overkleed draagt hij een welverzorgde witte boubou, een lang wit katoenen hemd, dat practisch tot de enkels reikt en met wit borduurwerk is versierd. Een zwart fluweelen fez, afgezet met goud brokaat siert zijn hoofd en aan zijn voeten draagt hij fraai bewerkte gele leeren babouches, waarop geen spat te zien is, ten bewijze dat hij den ganschen dag geen voet op den grond heeft gezet. Liggend in zijn hangmat, het kaalgeschoren hoofd rustend op een leeren kussen, keurt hij mij, terwijl ik voorbij kom, nauwelijks een blik waardig. Mogelijk verwondert hij zich er over dat er geen

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


75 draagstoel in mijn karavaan is en ik dus de heele reis te voet afleg. Ik merk op dat hij een kralensnoer in de hand houdt, een soort rozenkrans, zooals de Mohammedanen gebruiken bij het reciteeren der dagelijksche gebeden. Achter hem komen nog een paar dragers, die blijkbaar zijn particuliere bagage vervoeren. Ik stel dus vast dat er geen reservedragers in zijn karavaan zijn, hetgeen beteekent dat zijn hammockboys den geheelen dag in touw zijn, zonder te kunnen worden afgelost. Iedereen, die met deze wijze van reizen in Afrika bekend is, weet dat draagstoeldragers recht op aflossing hebben, zoodat men voor elken hammock, die in verschillende gedeelten verschillende namen dragen maar veelal met den naam tipoy worden aangeduid, tenminste zes, maar liefst acht dragers moet hebben. Geheel achterin gaan een drietal vrouwen, welker lasten nauwelijks lichter zijn dan die der dragers. Zij zijn goed gekleed in bonte katoenen kleeren, waarover ze een wijd wit bovenkleed dragen en zijn blijkbaar zijn eigen vrouwen. Enkele oogenblikken later is de karavaan voorbij en de opnieuw aangeheven dragerszang sterft langzaam tusschen het geboomte uit. De man, die ons zoo juist passeerde, was een Mandingo. De Mandingos vormen een stam, juister wellicht een complex van stammen in het achterland van de Guineakust, van vrij heterogene samenstelling. Hun woongebied strekt zich uit van de Casamancerivier tot in het Noorden van de Ivoorkust. Het zijn meerendeels groote krachtige figuren, forscher en tevens slanker dan de bewoners van de oerwoudzone, waarvan ze ook door hun regelmatiger en minder grove trekken verschillen. De Mandingo's zijn dus hier in de oerwoudzone vreemdelingen, maar vreemdelingen van bijzondere beteekenis. Men zou ze het best kunnen karakteriseeren als een volk van reizende handelaars, een volk dat onophoudelijk van het eene oord naar het andere trekt, hoewel ze ongetwijfeld in de door hen bezochte streken ook min of meer vaste nederzettingen stichten. In elk dorp van eenige beteekenis van Zuid Fransch Guinea, van Noord en Midden Sierra Leone, van Liberia, treft men min of meer permanente kolonies van

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


76 Mandingohandelaars aan. Op elke inlandsche markt, vooral in die van Liberia zijn ze vertegenwoordigd, in 't bijzonder in den tijd dat de inboorlingen door den verkoop van kolanooten, rijst, palmkernen of andere producten over geld beschikken. In dien tijd wordt het levendig in het bosch. Bij dozijnen komt men dan hun dragerskaravanen, gerecruteerd uit inlanders, die voor hun diensten slechts een schamel - if any - loon ontvangen, langs de boschpaden tegen en zelfs in de kleinste gehuchten, de afgelegenste spelonken van het groote West-Afrikaansche woud dringen zij dan door. De Mandingos hebben een fijnen neus. Wanneer wij in het bosch de geuren der wildernis opsnuiven, dan speuren we de molmende dampen van het woud of hoogstens den ijlen, bitteren rook van een ver dorp. De Mandingos ruiken niets van dat alles. Zij ruiken geld. Zij ruiken de zilveren shillings van Liberia en de koperen van Sierra Leone, de ijzeren guenzés van het Tomaland en de oude zilveren munten van het Noordelijke Guerzégebied, waar men nog heden zilveren Louis van vóór de Fransche revolutie, zilveren vijffrancstukken van het Napoleontisch tijdperk en oude Nederlandsche guldens van Koning Willem I in omloop vindt, tesamen met moderne Fransche francs en de bronzen centen van de negerrepubliek, die als officieele munt den dollar voert, waarvan ik echter nimmer één enkel exemplaar ben tegen gekomen. De handelstochten van dit ondernemend volk stralen uit vanuit de savanne en steppegebieden van het achterland tot in de boschzone en dit merkwaardig verschijnsel is niet alleen tot dit deel van West-Afrika beperkt. Langs de geheele Guineakust vindt men het onder andere vormen terug. Wat de Mandingos zijn voor de West-Afrikaansche kust tot en met Liberia en enkele deelen van de Boven Ivoorkust, dat zijn de Dioulahs voor de Ivoorkust en het wijde achterland van deze kolonie. Verder naar het Oosten nemen Mossi hun taak over en dringen tot diep in de Goudkustkolonie door, terwijl nog meer Oostelijk het verspreidingsgebied begint van de belangrijkste en grootste groep van deze handelsvolken, de Haussa. Al deze groepen zijn Mohammedanen en men overdrijft niet wanneer men hun invloed, zoowel economisch als religieus als zeer

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


77 groot beschrijft. Het overgroote deel van den kleinhandel is in handen dezer Islamieten. Aangezien zij slechts geringe eischen aan het leven stellen, slagen zij praktisch overal, ook wanneer zij moeten concurreeren tegen machtiger mededingers. Waar door armoede van een streek of door een ontoereikend aantal bewoners Europeesche handel zich geen vasten voet verwerven kan, daar vindt de Syrische handelaar of de Griek, die een lageren levensstandaard aanvaarden kan, dikwijls nog wel een grondslag voor een bestaan. Heeft in zulk een gebied ook deze categorie geen kans van slagen, dan komt de Mandingo, de Dioulah, de Mossi, de Haussa of hoe de tallooze kleinere Soedangroepen heeten mogen en strijken neer en slagen omdat zij nagenoeg hetzelfde levenspeil hebben als dat der inboorlingen van de streek. De Mandingo's houden zich zoowel met den in- als export bezig. De in te voeren artikelen zijn zeer uiteenloopend en omvatten van buiten af geimporteerde artikelen, zooals goedkoope en zeer inferieure emailwaren van Japanschen oorsprong, Japansche of Russische katoenen stoffen, ijzerwaren van de eenvoudigste soort, zooals kookpotten, gereedschap, spijkers en duizend en een andere snuisterijen, gedeeltelijk van Engelsch, gedeeltelijk van Japansch fabrikaat, suiker in paketten, in Marokko vervaardigd, goedkoope Japansche vischconserven van zeer eenvoudige kwaliteit, door de Franschen als saumon de traite aangeduid, en vele andere zaken meer. Ook voeren ze artikelen in uit hun eigen vaderland, die in de boschzone ontbreken of althans weinig voorkomen, zooals aardnoten, tabak, gierst, leerwaren, enz., terwijl ook de uitvoer voor een aanzienlijk deel in handen der Mohammedaansche kooplieden is. Bijna overal beheerschen zij den handel in palmkernen, die vooral in Sierra Leone van groote beteekenis is, den handel in kolanooten, die weliswaar voor den uitvoer buiten Afrika niet van groote beteekenis is, maar die in het land zelf een zeer gezocht artikel vormen, zoodat er tallooze kooplieden zijn, die uitsluitend in kolanooten handelen. De handel in kolanooten heeft een eigenaardigheid, dat zij een zeker decorum geeft. Onder kolaverkoopers treft men niet zelden leden aan van aanzienlijke families, die het verre beneden

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


78 zich geacht zouden hebben zich voor andere artikelen te interesseeren. Velen van hen zijn zoons van Alimamis, dus is het niet verwonderlijk dat men opvallend veel ontwikkelde en geletterde mannen onder hen vindt. De Islamieten koopen deze nooten op in de oerwoudzone, die de voornaamste productrice ervan is en transporteeren ze vandaar naar de groote markten in het achterland, zooals Kankan, om ze vandaar uit over geheel West Afrika te verspreiden. Overal vormen ze een veel gevraagd genotmiddel, dat in de inlandsche maatschappij ongeveer denzelfden rol speelt als in Europa de koffie, n.l. die van een opwekkend middel. De nooten zijn door de groote vraag, die er naar bestaat, vrij duur, zelfs van uit een Europeesch standpunt bezien. In den kleinhandel kosten ze nooit veel minder dan 50 centimes, dus ca. 2½ cent per stuk, waarbij men bedenken moet, dat een neger in de besproken gebieden van twee tot zes franc per dag verdient, overeenkomende met tien tot dertig cent. In de Ivoorkolonie en verder Oostelijk, is een groot gedeelte van den handel in cacaoboonen, voorzoover die van de bevolkingsculturen afkomstig zijn, in hun handen. De handelsmethoden der geislamitiseerde negers van West en Centraal Afrika zijn evenals die van praktisch alle Mohammedaansche volken listig en sluw en meerendeels weinig geschikt om onze bewondering op te wekken. Zonder de methoden en de mentaliteit der Europeesche commercieele wereld als een toonbeeld van deugdzaamheid ten troon te willen verheffen, moet men toch vast stellen, dat de handelsgeest der Islamieten ons in doortrapte trucs en gebrek aan scrupules nog de baas is. Wanneer de Mandingos komen om in een streek inkoopen te doen, dan verschijnen zij in den tijd dat de bevolking geld noodig heeft, bijvoorbeeld voor 't betalen van de belastingen, die al naar gelang van de streek uit hut- of hoofd-belastingen bestaan. Zij weten, dat de inboorlingen dan gedwongen zijn hun waren tegen een minimumprijs af te staan en wanneer de prijs, dien de Mandingo er voor wil geven, zoo laag is, dat de inboorlingen den verkoop weigeren, gaan ze heen. Dan komen later anderen, die een nog lageren prijs bieden

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


79 en onder geen omstandigheid bereid zijn dien te verhoogen. Het gevolg is dat 't dorp, dat eenmaal door zoo'n prijsdaling gedupeerd is, zich een volgende maal wel zal bedenken, voor het de Mandingos onverrichterzake laat vertrekken. Dan, onmiddellijk na den verkoop van de producten, wanneer er geld in het dorp is, verschijnen andere handelaars in de streek, met tal van begeerenswaardige artikelen: bonte katoenen pagnes voor de vrouwen, telken jare zoo mogelijk van een geheel andere tint als het vorig seizoen in gebruik was, petroleumlampen, petroleum, zout, emailwaren, ijzerwaren en de vele andere artikelen waarin de neger nu eenmaal van vreemden import afhankelijk is geworden. Zij bedingen prijzen zoo hoog dat de Grieksche en de Libaneesche handelaars van de kust er een kleur van zouden krijgen. En de bevolking verdringt zich om hun waren, waarvan de Islamieten nooit groote hoeveelheden uitstallen, om den indruk te wekken dat ze spoedig in het artikel uitverkocht zullen zijn. Het resultaat is dat de bevolking koopt en dikwijls het geld uitgeeft dat eigenlijk voor de belasting bestemd was, hetgeen tot gevolg heeft, dat velen bij de Mandingos weer geld leenen, waartegenover ze zich natuurlijk moeten verplichten een volgende maal zoo en zooveel palmkernen of cacaoboonen of kolanooten enzoovoorts tegen dien en dien lagen prijs te zullen leveren. Dan zit de inboorling in het net en is gewoonlijk voor jaren een willoos slachtoffer van den handelaar. De Mandingos weten heel goed dat alleen 'n monopolistische werkwijze deze voordeelige positie voor hen kan handhaven. Met alle mogelijke middelen trachten zij dan ook het opkomen van een inlandschen handelsstand te verhinderen. De hierbij toegepaste middelen zijn ook weer typeerend. Wanneer zij in een streek aardnoten invoeren, die beter in de savanne groeien, maar ook in sommige gedeelten van de boschzone zich wel zouden kunnen ontwikkelen, dragen zij er zorg voor, dat de noten tevoren gekookt zijn, waarna ze natuurlijk weer gedroogd worden, een en ander om te beletten dat de bevolking ze als zaad voor een aanplant zou willen gebruiken. Treffen zij in een dorp aardnotenplantages aan, dan koopen ze tegen hoogen, onweerstaanbaren prijs den geheelen

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


80 aanplant op om de verspreiding van de cultuur tegen te gaan. En aangezien zij steeds over eenig kapitaal beschikken en de bevolking meestal permanent geldgebrek heeft, slagen deze methoden bijna steeds en blijft hun monopolistische positie ongeschokt. Met hoornvee handelen zij op overeenkomstige wijze. In tegenstelling met de savanne van het achterland waar groote hoeveelheden runderen worden aangetroffen, is het oerwoud zelf zeer arm aan deze dieren, die het vochtige, lichtlooze klimaat van den boschgordel niet verdragen kunnen en daar spoedig tegronde gaan. Waar echter groote open plekken in het oerwoud voorkomen, en in de omgeving van grootere dorpen, is dat meestal wel het geval, trachten de inboorlingen dikwijls vee uit het Noorden in te voeren en zou een veeteelt op beperkte schaal niet uitgesloten zijn. In dat geval verkoopen de Mandingos alleen stieren of onvruchtbare koeien om de vorming van een inheemschen veestapel te beletten. Gewoonlijk bezitten ze in zulke gebieden wel zelf een kleinen veestapel, waarmee ze zich tevens de rol van vleeschhandelaren verzekeren. Het is geen wonder dat tegen deze en dergelijke methoden diverse Koloniale Besturen stelling hebben genomen. Zoo functionneert in sommige gedeelten van Fransch West Afrika de Société de Prévoyance, een der meest zegenrijke instellingen van het Fransche koloniale bewind. In groote trekken komt de werkwijze der vereeniging, waarvan het lidmaatschap verplicht is, op het volgende neer. De leden betalen een zeer geringe contributie van enkele francs per jaar. Voor dit geld, waar het Gouvernement dan nog een bedrag aan toevoegt, koopt de Chef Supérieur of een andere functionaris zaaigoed op van verschillenden aard, mais, gierst, rijst etc., alles in overleg met den Europeeschen bestuursambtenaar, die tesamen met de voornaamste hoofden in het Bestuur van de vereeniging zitting heeft. Het zaaigoed wordt opgeslagen in speciaal daarvoor opgetrokken loodsen, die onder onmiddellijk toezicht staan van het Europeesche bestuur en niet zelden op het erf van den Bestuurspost liggen. Tegen den zaaitijd kunnen de inboorlingen uit dezen voorraad tegen uiterst lagen prijs zaad bekomen, dat alleen voor dit doel gebruikt

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o.80

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o.81

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


81 mag worden. Door dezen wijzen maatregel wordt de inboorling op de eerste plaats beschermd tegen de praktijken der reizende handelaars en bovendien tegen zich zelf, daar het hun nu onmogelijk is om in de periode tusschen twee oogsten den zaadvoorraad aan te spreken, zelfs wanneer er voedselschaarste mocht heerschen. In korte, natuurlijk zeer onvolledige trekken geeft het bovenstaande de economische rol der Islamieten in de boschzone weer. Hun religieuze werkzaamheid is echter van nog diepere beteekenis. Al spoedig nadat de handelaars zich in een streek hebben neergezet - en door de verbeterde verkeersomstandigheden breidt hun arbeidsterrein zich nog voortdurend uit - stichten zij in de dorpen, waar ze gewoonlijk tot een aparte wijk vereenigd zijn, eenvoudige moskeeën. Simpel en dikwijls ontroerend van soberheid zijn deze Mohammedaansche bedehuizen. Naarmate de moslems in aantal toenemen, worden de moskeeën grooter en beter verzorgd. In streken waar de Islam reeds lang is doorgedrongen, zooals in Noord en Midden Fransch Guinea, kunnen deze moskeeën, die veelal den vorm van een groote Foulah-hut hebben, met hun forsche zuilen, uit van ouderdom zwart geworden boomstammen bestaande en hun enorme koepeldaken van een bijzondere charme en een austeere schoonheid zijn. Vooral de oude, eerbiedwaardige Moskee van Labé in Fouta Djallon laat niet na op den bezoeker grooten indruk te maken. De bedehuizen in kleine dorpen en nieuwe nederzettingen zijn dikwijls niets anders dan gewone hutten. Van de drie essentieele deelen, die aan geen enkele volwaardige moskee ontbreken: de Mihrab, of nis dier de richting van Mekka aangeeft, de Minbar of predikstoel, die vooral in de Egyptische moskeeën van uitzonderlijker luister kan zijn en de Minar of gebedstoren, is veelal slechts de Mihrab als een eenvoudige nis in den leemen wand aanwezig, terwijl de minar soms door een op ruwe palen rustend plankier naast de moskee is aangeduid. Op verschillende momenten van den dag komen de Islamieten hier te samen, waarbij de avondgodsdienstoefening, onmiddellijk voor en na zonsondergang, door praktisch alle geloovigen wordt bijgewoond. Ook voor ons Christenen is het beeld van een Islamiet, die

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


82 zonder zich om de omgeving te bekommeren, zijn godsdienstplichten vervult door de meermalen daags voorgeschreven gebedshandelingen te verrichten, een ontroering en - laten we eerlijk zijn, een voorbeeld. Helaas moet men echter over de heele linie constateeren, dat naast dezen streng nagekomen vormendienst een diepere belevenis dikwijls ontbreekt en dat vooral van 's menschen grootste plicht op aarde, de naastenliefde te beoefenen, in de Islamitische wereld haast nog minder terecht komt dan in onze Europeesche maatschappij, waar thans ook de laatste schijn van Christendom overboord geworpen wordt. Kort voor ik in den zomer van 1939 naar Europa terugkeerde, maakte ik kennis met een groot stamhoofd in Fouta Djallon, een Foulah van adellijken huize, een grijsaard van waardige houding en fijne trekken. De oude man, wiens naam hier niet ter zake doet, doch die in geheel Fouta bekend is, was evenals zijn familie die reeds geslachten geweest was een vurig en ongetwijfeld overtuigd Mohammedaan, die in zijn dorp behalve zijn wereldlijke positie, ook den religieuzen rang van Alpha bekleedde. Zijn tweede zoon, dien de Fransche Regeering mij als tolk had toegevoegd en die naar alle waarschijnlijkheid zijn opvolger zou worden, vertelde mij dat zijn vader zijn gansche leven niet een enkele maal het gebed in de Moskee bij het opgaan der zon had verzuimd. In zijn statige witte overkleed begaf hij zich elken morgen in de vroege ochtendschemering naar het bedehuis, waar hij een menschenleven lang dus niet een enkele maal had ontbroken, onverschillig of de regen neerkletterde over de savanne of de heete stormwind over de vlakte gierde. Nimmer ontbrak hij ook bij het avondgebed, wanneer de zon op het punt stond onder te gaan. Verscheidene malen nam ik zelf waar hoe hij, voor de moskee binnen te gaan, aan de dorpsjeugd bevel gaf om de gieren, die in de groote fromagers, welke de moskee overschaduwden, neergestreken waren, te verjagen, omdat de aanwezigheid van deze onreine dieren de baraka, de inhaerente heiligheid van de plaats schaadden. De Alpha was dus ongetwijfeld een vroom moslem. Ten zeerste trof het mij dan ook dat het Fransche Gouvernement in bepaalde handelingen van den

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


83 Alpha aanleiding had gevonden om hem met eenige familieleden naar Conakry te ontbieden. In een verhoor bleek daar dat de grijsaard reeds langen tijd de onder zijn hoofdschap ressorteerende, primitieve Bassari-negers, die het voornaamste studie-object van mijn expeditie van genoemd jaar vormden, op alle mogelijke manieren uitzoog. Zoo hief hij tweemaal belastingen van deze arme weerlooze inboorlingen, die hem als gedweĂŤ slaven dienden, de ene maal voor het Gouvernement, de andere maal voor zich zelf. Verder bleek hij nog aan diverse andere knevelarijen schuldig. En toch was deze Alpha geen huichelaar. Men gaat geen menschenleeftijd lang bij het eerste krieken van den morgen op ten gebed om tegenover anderen een schijn van vroomheid te redden. Ons noorderlingen lijkt zulk een gedrag paradoxaal. Men bedenke echter, dat de vroomheid van den Afrikaanschen Islamiet culmineert in een rigoureuzen vormendienst. Daarnaast is echter een ontstellend manco aan gevoel en begrip voor algemeen menschelijke waarden aanwezig en de Islaam laat nu na een brug te slaan tusschen het formale van de religie en de menschelijke waarden, de onverbreekbare verbinding, die door Christus zelf wordt geeischt en zoo duidelijk is aangegeven door Zijn simpele woorden: en het tweede gebod is daaraan gelijk... Het formale van den eeredienst, de overgave van het individu aan den dienst van het Opperwezen vinden echter in den Islaam een uitdrukking, die het Christendom slechts nauwelijks benadert. Deze overgave beteekent tevens een van de weinige zijden van den Islaam, die ons Christenen kan ontroeren, hoewel ze zich dikwijls uit op wijzen, waarvoor wij geen begrip bezitten. Het eigenaardige van dezen vormendienst - ik spreek hier alleen over den Afrikaanschen moslem - is dat ze op merkwaardige wijze aansluit aan de negermentaliteit, waar animistische opvattingen nog altijd den achtergrond vormen van elke religiositeit. Deze aansluiting is een der factoren, die de snelle verbreiding van den Islam onder de Afrikaansche volken verklaart. Een typisch voorbeeld van dezen animistischen inslag van den Afrikaanschen Islaam constateerde ik eenige jaren geleden in Zuid

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


84 Caméroun. Een vijftal jaren geleden keerde ik van een langen tocht in het machtige oerwoudgebied van het uiterste Zuid-Oosten van Caméroun terug te Lomié. Lomié is een kleine bestuurspost geheel in het woud verscholen en slechts door een enkelen weg via Abong-Mbang met de buitenwereld verbonden. Er resideert een Fransche Bestuursambtenaar, terwijl in de omgeving zich een katholieke missiepost bevindt, tesamen de geheele blanke bevolking van het gebied uitmakend. Zuidelijk van Lomié wonen in het geheel geen Europeanen. De dichtstbijzijnde blanken treft men eerst zeven dagen gaans Zuidelijk van de plaats aan, in Noord-Gabon, dat men uitsluitend te voet kan bereiken. Het dorp Lomié zelf is van geringe beteekenis en zonder eenig interesse. Niet ver buiten de nederzetting lag een klein huttencomplex dat zich door afwijkenden bouwtrant van de omgeving onderscheidde. Ook de bewoners van dit gehucht verschilden van de inboorlingen van de streek zelf. Lange, rijzige, goed gekleede figuren schreden door het dorp, in schrille tegenstelling met de armelijke inboorlingen, die voor het grootste gedeelte bijna naakt gingen. Deze afzonderlijke nederzetting was een Haussa-dorp. De eenzame post diep in het groote oerwoud van West Equatoriaal Afrika vormde een der meest vooruitgeschoven punten waartoe dit handelsvolk van den Centralen Soedan is doorgedrongen op zijn tocht naar het Zuiden, want tijdens reizen in de bosschen ten Zuiden van Lomié, trof ik Haussa's aan tot aan de Dzjah-rivier, doch niet verder, zoodat naar mijn meening deze rivier momenteel hun Zuidelijkste verspreidingsgrens markeert. Zooals praktisch alle Haussa, waren ook deze handelaars Mohammedanen. Midden op het plein van hun dorpje, dat ontegenzeggelijk netter onderhouden was dan het eigenlijke inboorlingendorp, verhief zich een eenvoudige moskee: een leemen hut, die zich door haar wat grootere afmetingen van een woonhut onderscheidde. Dikwijls bezocht ik tegen den avond hun dorp, omdat eenige Haussa de streek Zuidelijk van Lomié, waar ik nog een onderzoek hoopte in te stellen, goed kenden en ik van deze handelaars inlichtingen over land en volk verkreeg, die voor dit toekomstig onderzoek van groote waarde konden zijn.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


85 Wanneer de avond viel, galmde een trillende stem over de daken. Een der Haussa, die de taak van muezzin vervulde, had een houten stelling beklommen naast de moskee en riep de geloovigen op tot het gebed. Even later gingen de mannen het bedehuis binnen en ving het avondgebed aan, dat voortduurde tot de schemering reeds over de nederzetting streek. Bij mijn avondwandelingen door het dorp viel mij steeds een Haussa op, die nabij de moskee onder een klein afdak gezeten was en dien ik telken avond bezig vond met het schrijven van Arabische teksten op schrijfplanken, zooals in Koraanschooltjes bij het godsdienstonderricht worden gebruikt. Ik hield hem eerst voor een godsdienstleeraar, die de leerplanken voor de lessen van den volgenden dag in orde maakte, maar op een goeden dag viel mij op, dat het geschrevene slechts een voortdurende herhaling van eenzelfde woord inhield. Elken avond trof ik den schrijver weer op dezelfde plek aan, waar hij den ganschen dag aan zijn schrijfarbeid bezig was tot de duisternis viel en hij in de moskee verdween. Gedurende zijn arbeid zag de man nauwelijks van zijn werk op. Ernstig, wereldvergeten, schreef hij dag in dag uit verder, eenzelfden tekst. Eenige dagen later vernam ik van een van mijn Haussagidsen de beteekenis van wat hier geschiedde. Elken dag schreef deze Haussa zevenduizend malen Allah's gezegenden naam op de schrijfplanken en volvoerde dit werk zeventig dagen lang. En wanneer hij des avonds gereed was met zijn taak en de naam zevenduizend malen op zijn planken voorkwam, nam hij water en waschte het geschrevene uit, ving het waschwater voorzichtig in een bekken op en kort voor hij de moskee binnenging, dronk hij dan deze donkere vloeistof, die zevenduizend malen den Naam vertegenwoordigde van den ‘genadevollen en meedoogenden God’ - woorden waarmee elke Surâh van den Koraan aanvangt - uit, zeventig avonden lang. ‘Hij is een vroom man,’ zei mijn Haussagids. Onweerstaanbaar dringt met deze handelaars de Islaam het land binnen. Niet alleen richten de moslems overal waar zij zich vestigen moskeeën op, maar stichten ook, waar dit slechts even mogelijk is,

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


86 Koraanschooltjes, die in eerste instantie voor hun eigen kinderen bestemd zijn, maar al spoedig ook de jonge zoons van de meer aanzienlijke inboorlingen opnemen, hetgeen praktisch beteekent, dat deze Mohammedanen zullen worden. De vooruitgang van den Islaam is een zeer snelle, want tal van factoren werken ze in de hand. Behalve de natuurlijke verwantschap van de negermentaliteit met de geesteshouding van Islaam, zijn tal van omstandigheden van socialen aard ten gunste van het Mohammedanisme. Daarbij behoort op de eerste plaats te worden opgemerkt, dat de overgang naar de nieuwe religie voor den zwarte niet alleen - juister: niet op de eerste plaats - een religieuse kwestie is, maar minstens evenzeer een probleem van maatschappelijken aard. De geislamiseerde neger beschouwt zich als ontwassen aan het bosch, hoog verheven boven zijn heidensche stamgenooten, als een man van beschaving. Dan is er, evenzeer belangrijk, de kwestie der polygamie. Terwijl de overgang naar het Christendom van den convertie een rigoureuze monogamie eischt, hetgeen in Afrikaansche milieux ingrijpende veranderingen in de sociale en economische structuur van de samenleving meebrengt, tolereert de Islaam de polygamie, zoodat de overgang naar de nieuwe religie van die zijde geen enkele moeilijkheid oplevert. Wanneer men bedenkt dat de polygamie op de eerste plaats een economische kwestie is, want het bezit van meerdere vrouwen beteekent de beschikking over meervoudige arbeidskrachten en dus een middel om tot rijkdom te geraken, dan is het duidelijk dat het afstand doen van polygame gewoonten voor den beter gesitueerden Afrikaan een zeer moeilijke schrede vertegenwoordigt. Slechts zelden ziet men dan ook hoofden naar het Christendom overgaan en het is ook geen zeldzaamheid wanneer kinderen van hoofden, die op een missiepost een christelijke opvoeding hebben genoten, later het Christendom ontrouw worden, omdat wanneer ze eenmaal zelf hoofd geworden zijn, hun sociale positie zich slecht vereenigen laat met het bezit van slechts een vrouw. Nog andere omstandigheden werken ten gunste van den Islaam. Ik noem de veel gehoorde meening, die eigenlijk een sommeering van diverse factoren omvat, dat het Christendom

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


87 de godsdienst van den Europeaan, de Islaam die voor den gekleurden man is. Deze stelling wordt door de zwarte apostelen van den Islaam gretig onder de Afrikaansche volken verspreid en het is slechts door het superieure onderwijs van Missie en Zending, waar de zeer eenzijdige opleiding van de Koraanschooltjes verre bij achter blijft, dat het Christendom den overigens zeer ongelijken strijd kan blijven voeren. En dan - last not least - is er de steun, die de Islaam soms direct, soms indirect van de zijde der koloniseerende mogendheid geniet. Zoo constateerde ik eenige jaren geleden dat de belangrijke school voor zoons van hoofden en notabelen, die de regeering van het Protectoraat Sierra Leone te Bo in genoemd land heeft gevestigd, het Arabisch als verplicht vak op den schoolrooster voerde, ook voor kinderen afkomstig uit gebieden, waar de Islaam van geen beteekenis is. Deze ‘arabiseering’ van de heerschende klasse beteekent in West Afrika niets anders dan een Islamiseering, daar het Arabisch in dit gedeelte van de wereld uitsluitend religieuze beteekenis heeft. Uit gesprekken met Engelsche autoriteiten bleek mij dan ook duidelijk, dat men van gouvernementszijde deze islamiseering niet ongaarne zag, aangezien geislamiseerde volken over het algemeen geacht worden meer voor ontwikkeling vatbaar te zijn dan heidenen. Dat men van de zijde der Zending en der Missie deze ‘bias towards Islam’ betreurt, behoeft geen betoog, want nog altijd is het helaas een feit dat - zeldzame uitzonderingen daargelaten - in een eenmaal geislamiseerd gebied het Christendom geen wortel meer schieten kan. Noord Afrika is daarvan een der sprekendste voorbeelden. Zooals boven terloops reeds is vermeld, krijgt men over het algemeen bij de beoordeeling van de Islamieten in Afrika sterk den indruk dat slechts in uitzonderingsgevallen de Afrikaansche moslem zijn godsdienst werkelijk beleeft. Dat tal van zwarte moslems fanatici zijn, doet hier niets aan af, bevestigt slechts den regel dat fanatici steeds slechte kenners zijn van hun religie. Men stelt over het algemeen vast dat de beleving van den zwarten Mohammedaan, enkele meer ontwikkelden daargelaten, door-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


88 gaans niet uitgaat boven den voor hem ijdelen vormendienst, die zooals boven besproken, dikwijls een sterk animistisch gekleurden inslag behouden heeft. Het zou ook moeilijk anders kunnen zijn, want nagenoeg de geheele religieuze vorming van den zwarten moslem heeft bestaan in het als kind domweg uit het hoofd leeren van voor hem onverstaanbare arabische teksten, waarvan de gewone man zelfs de belangrijkste woorden niet eens vertalen kan. Merkwaardig is dat men dit veelal niet als een bezwaar voelt. Als aan het korannieke gebod: ‘Iqrah! Zeg op! Reciteer!’, door den Engel aan Mohammed gegeven, voldaan is, beschouwt de zwarte de fundamenteelste eisch van den nieuwen godsdienst vervuld. Het gevolg is dan ook dat, zooals ik reeds terloops opmerkte, de neger, hoewel hij gemakkelijk adept wordt van het Mohammedanisme, voor de zedelijke waarden van zijn godsdienst over het algemeen een zeer gering begrip toont. Men zou geneigd kunnen zijn dit niet aan de religieuze vorming, maar aan de mentaliteit van den neger zelf toe te schrijven. Ik moet daar ten sterkste tegen opkomen, want dezelfde zwarte, die onder Islamitischen invloed een sterk materialistisch georienteerd mensch wordt, zich met alle kracht op den handel werpt en in zijn leven slechts een interesse kent: rijk te worden, verandert onder den invloed van het Christendom in een harmonisch denkend mensch, die ons soms als imitatie-europeaan wat karikaturaal kan aandoen, doch wiens godsdienstbeleving van werkelijke vroomheid doortrokken is. Ik heb daarvan op tientallen Missieposten overtuigende voorbeelden ontmoet. Een typeerend voorbeeld, hoezeer de vroomheid van den zwarten moslem dikwijls materieel is ingesteld toont een evenement dat plaats had kort voor ik in 1932 te Gbarnga in Midden-Liberia aankwam. Gbarnga is een vrij groot dorp der Kpelle en een belangrijk marktcentrum in de zwarte Republiek, waar tevens een Bestuurspost is gevestigd. Op eenigen afstand van het dorp, dat in een vrij monotone omgeving gelegen is, treft men, min of meer afgezonderd van het eigenlijke inboorlingencentra, de woon- en zakenwijk der Mandingohandelaars aan, die zich, behalve door wat ruimere hutten,

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


89 in geen enkel opzichte van het inboorlingendorp onderscheidt. Tijdens mijn verblijf te Gbarnga, waar ik een belangrijk deel van mijn onderzoek ten uitvoer wilde leggen - hetgeen intusschen door de schuwheid der Kpelle ten deele mislukte - bracht ik ook een bezoek aan het Mandingokwartier. Het viel me op dat een aantal der hutten pas gebouwd was, terwijl tusschen deze nieuwe bouwwerken, die geheel uit leem waren opgetrokken, de ruĂŻnen van andere te zien waren. Dit wekte den indruk dat op de puinen van een oude nederzetting een nieuw dorp aan het verrijzen was, hetgeen inderdaad juist bleek te zijn. Een ramp had Gbarnga kort te voren getroffen: De Mandingowijk was door een geweldigen brand geheel in asch gelegd. Het was een triest schouwspel, die geblakerde ruĂŻnen van leemen hutten in den regen te zien liggen, maar daartusschen verrezen weer als jonge paddestoelen in een geveld bosch, de nieuwe hutten, waarvan vele een voorloopig karakter droegen en alleen als noodhutten te beschouwen waren. Deze brand, die alle Islamieten van de plaats dakloos had gemaakt, doch gelukkig geen slachtoffers had geeischt, was geen gewone brand. Korten tijd later vernam ik wat hier geschied was. De zaken der Mandingos in Gbarnga gingen den laatsten tijd zeer slecht. Liberia bevond zich destijds op het hoogtepunt van een economische crisis, waardoor het land tot groote armoede vervallen was. De staatsfinanciĂŤn, die nooit zoo brillant geweest zijn, vertoonden een schrikbarend deficit en de betaling der Gouvernementsambtenaren was vele maanden, in sommige districten bijna anderhalf jaar ten achter, zoodat het land praktisch alleen van de eigen voortbrengselen leven moest en voor importartikelen geen middelen ter beschikking waren. Dat deze stand van zaken ook op den handel der Mandingos drukte, is zonder meer duidelijk. De Islamieten zagen hun middelen met den dag slinken, zaten met onverkoopbare voorraden, aangezien in het binnenland praktisch geen geld meer in omloop was. De door hen ingekochte artikelen brachten aan de kust en op de markten van het achterland geen loonende prijzen meer op en gingen veelal met verlies van de hand. Kortom het verval

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


90 was algemeen en verbetering scheen er voorloopig niet te zullen komen. In dezen nood besloten de Mandingos tot een uiterste middel. Zij offerden al hun bezit aan Allah, in de hoop dat Hij hun dit veelvoudig zou terugbetalen en dus staken zij het dorp in brand. Het was aan het eind van den drogen tijd. Op tien, twaalf punten lekten op een heeten namiddag de vlammen langs de strooien kegeldaken die door de blakende zon van de voorafgaande weken geheel uitgedroogd waren en weldra stond het heele dorp in lichterlaai. De handelaars wierpen de onverkoopbare voorraden in het vuur, dat steeds hooger opvlamde. Dikke grauwe rookwolken stegen bolderend omhoog en trokken langzaam weg naar het Noorden. Tegen het vallen van den avond was de Mandingowijk van de aarde verdwenen. Alleen een paar hutten, waar blijkbaar veel brandbaar materiaal lag opgeslagen, brandden door en hier was diep in den nacht het vuur nog niet gebluscht. Akelig lekten de geelroode vlammen door het rookerig duister van het bosch. Een groot aantal inboorlingen stond eerst op een afstand toe te zien, niet begrijpend wat hier geschied was. Daarna, toen de vlammen gingen liggen, waagden ze zich naderbij en trachtten uit de smeulende puinhoopen nog wat te redden. Met stokken gewapend doorzochten vrouwen de asch, in de hoop nog bruikbare voorwerpen, zooals emaille-schalen en dergelijke terug te vinden, maar iets van waarde kwam er niet meer uit de puinen te voorschijn. De Mandingos hadden hun voorzorgen, dat niets van hun offer in handen der inboorlingen vallen zou, goed genomen. Terwijl hier en daar nog wat rook opkringelde en kleine vlammen soms weer oplekten naar den hemel, waar de eerste vlagen van den regentijd in aantocht waren, trokken de inboorlingen af en de uitgebrande Mandingowijk bleef verlaten achter in het vale schemerlicht van den komenden nacht, terwijl een traag neerzijgende regen de laatste smeuling trachtte te dooven. De Mandingo's zelf hadden den algeheelen ondergang van hun bezittingen niet afgewacht. Toen overal de vlammen uit de hutten sloegen en blusschen niet meer mogelijk was, waren zij naar elders

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


91 vertrokken, terwijl de vrouwen, met huisraad zwaar beladen hen reeds waren vooruitgegaan. Het hoofd van NgumbĂŠ, een dorpje niet ver van Gbarnga, vertelde mij later van dezen uittocht der Mandingo's. Van de heuvels nabij NgumbĂŠ had men den brand van Gbarnga gezien. Groote rookwolken stegen op uit het bosch in de verte. Eenigen tijd later kwamen de Mandingo's in een langen stoet voorbij, de vrouwen met de kinderen voorop. Met uitdrukkingslooze gezichten trokken de handelaars naar het Noorden, terwijl de kralen der gebedssnoeren door de vingers gleden. En terwijl het heele dorp uitliep om vanaf den rand van het bosch den grooten brand in de verte waar te nemen, zagen de Mandingo's niet eens om naar de rookwolken, die de plaats aangaven waar zij, om meer te ontvangen, hun bezittingen hadden geofferd.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


93

Hoofdstuk VI De geschiedenis van den Vreemdeling IN het bosch zijn alle dagen als de kralen van een snoer. Er zijn er bij die, glad en rond, den beschouwer haast ongemerkt door de vingers glijden, er zijn er ook, die hoekiger zijn en een oogenblik tusschen de vingers toevend, meer aandacht vragen, maar even later zijn ze voorbij en de herinnering is niet in staat nog een onderscheid te vinden in de kleurlooze veelheid die achter ons ligt. Maar toch herinner ik me levendig het oogenblik van dien zonnigen dag in de bosschen aan de Sanga, dat ik den vreemdeling in de karavaan voor het eerst ontmoette. Mijn jager en ik waren de zwoegende dragers ver vooruit gegaan om voor onze menschen, die langzamerhand vermoeid raakten en dringend een afwisseling in hun voeding noodig hadden, wat vleesch te schieten. Gedurende een uur of drie zwierven Mbango en ik door het natte, warme bosch, waar de druppels van den nachtregen nog in de struiken flonkerden, maar het geluk was niet met ons. Slechts een paar apen joegen we in de middagstilte op, die Mbango zelfs geen patroon waardig achtte en zoo keerden we zonder een schot te hebben gelost, moe en doorweekt, de geweren zwaar neerdrukkend op onze pijnlijke schouders, naar het pad terug. Sporen van menschenvoeten waren er in de zwarte modder van het pad niet te zien. De karavaan kon dus nog niet gepasseerd zijn en op een molmigen boomstronk liggend, wachtten we de komst van mijn menschen af. Het liep al tegen den namiddag toen de voorhoede arriveerde. Ik maakte van de gelegenheid gebruik nog eens na te gaan, hoeveel menschen er precies in de karavaan waren, daar vanuit Bayanga-Sanga diverse hulpdragers ons hadden begeleid, die, nu de regentijd definitief heer en meester ging worden over de boschwildernis, voor een deel weer naar de rivier waren teruggekeerd.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


94 Bovendien varieerde met elk dorp, dat we den laatsten tijd waren doorgetrokken, het aantal vrouwen dat meereisde. Sommigen gingen door tot Impfondo, anderen zouden in Mbei achter blijven, weer anderen wachtten in Liganga, om dan in de veilige beschutting van de karavaan weer naar de Sanga terug te keeren. Zoo trok dus de heele dragersstoet aan ons voorbij. Voorop kwam de immer grijnzende Avion, een jonge kerel van nog geen achttien jaar, de paljas van de karavaan, die sedert hij eens in Bangui een Fransch vliegtuig had gezien, dermate enthousiast was geworden voor de luchtvaart, dat zijn mond er niet van stil stond en hij in de karavaan slechts als Avion bekend was. Avion's functie was tweeledig. Behalve drager was hij helper bij het bloedonderzoek en vaak bij de nachtelijke analyse mijn eenige en steeds zuchtende arbeidsgenoot. Daar hij dus dikwijls nachtwerk had, was zijn draaglast van geringer omvang en beperkte zich gewoonlijk tot een petroleumlamp en een camera. Na Avion volgde de bijna onoverzienbare stoet der Kaka-dragers, stoere, pezige gestalten, stugge menschen met wie ik weinig contact had en die tot het einde toe eigenlijk vreemdelingen bleven. Dan kwamen vrouwen, zwetend, zwaar beladen met duizend en een dingen, die ze voor eigen gebruik van de eene rivier naar de andere sleepten en sommigen nog kinderen meetorsend in een schouderband. Daarop volgden weer andere dragers, meerendeels Mbimou, gemoedelijke kerels, gedrongen van bouw, schuw en onbestendig van temperament, kinderen van het onmetelijke woud, in lichamelijk zoowel als geestelijk opzicht. De karavaan had zich in den loop van den dag in gedeelten gesplitst, want voor mijn bedienden in zicht kwamen, ging lange tijd voorbij. Toen werd het stil. Ik wachtte echter nog op Boma, die blijkbaar ver achter was en de karavaan sloot. Na eenigen tijd kwamen stemmen nader. Ik zag een drietal dragers naderen met kisten op het hoofd en daarachter liep met veerkrachtigen tred een oude magere man met grijzend haar en puntigen kinbaard. Zijn rimpelig gezicht ging bijna geheel schuil onder een breedgeranden hoed. Toen hij mij zag, groette hij vluchtig en de eigenaardig sluwe en tevens hooghartige uitdrukking in zijn oogen

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


95 trof me onaangenaam. Toen ik hun draaglasten wilde controleeren, maakten de zwarten me er op attent, dat het niet mijn kisten waren, maar die van den ouden man, en verbaasd liet ik ze gaan. Zonder een woord te zeggen ging de oude verder. Ik herinnerde me thans zijn gezicht meer gezien te hebben, maar had hem voor een hulpdrager gehouden. Deze menschen wisselden elk oogenblik en door den grooten omvang van de karavaan, die de zestig koppen overtrof, was het ondoenlijk op de vlottende bevolking der hulpdragers volledig het oog te houden. Blijkbaar had ik me vergist De man reisde in mijn karavaan met eigen bedienden en was dus zeker geen drager. Even later kwam Boma voorbij, vergezeld van zijn zoontje, dat door een oude Mbimouvrouw, een van Boma's bedienden, gedragen werd. Boma bleek groote haast te hebben, passeerde zonder ons op te merken en toen ik even later zelf weer opbrak, liepen Boma en de vreemdeling in druk gesprek gewikkeld naast elkaar. Tegen den middag, toen we aan 'n kleine kreek halt hielden, zaten beide mannen onder een boom en aten gezamenlijk uit den voorraad van den vreemdeling, die een welvoorziene provisiekist bij zich bleek te hebben. Ik besloot daaruit dat het een man van eenige beteekenis moest zijn, want anders zou Boma, die ook met eigen bedienden reisde en in zijn dorp een grooten staat voerde, er niet aan denken op dezen voet met hem om te gaan. Ik kwam te weten, dat de vreemdeling Boukah heette en tot den stam der Bomboumah behoorde. Dien avond nam ik waar, dat Boukah een kamp liet slaan niet ver van het onze. Zijn drie bedienden waren druk bezig met den bouw van een comfortabele hut, die aanzienlijk beter was dan de mijne. Den volgenden ochtend vroeg was Boukah's hut reeds verlaten. De vreemdeling was voor dag en dauw vertrokken. Hij ging zijn eigen gang, vertrok wanneer hij wilde, kampeerde met zijn menschen waar het hem goeddacht, maar bleef intusschen voortdurend in onze omgeving. Weinig vermoedde ik toen, dat de man een belangrijke functie in mijn karavaan te vervullen had. We waren al verscheidene dagen onderweg en zouden dien avond

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


96 een klein moeras bereiken, dat den naam Beba Koloungou droeg, toen ik ontdekte wat Boukah in mijn karavaan deed. Op dien ochtend was het zeer somber weer toen we vertrokken. De regen kon elk oogenblik doorkomen en dus nam ik maatregelen om de bagage zoo goed mogelijk te beschermen. Een voor een inspecteerde ik de dragers voor ze vertrokken en controleerde of ze de hun toevertrouwde bagagestukken, zooals hun was opgedragen, waterdicht hadden verpakt, waarvoor stukken zeildoek waren uitgereikt. Van een twaalftal dragers waren de stukken niet in orde en het waterdichtmaken van die lasten nam zeer veel tijd in beslag. Boma, mijn karavaanleider, was met een deel van de mannen vooruitgegaan, maar toen ik achterbleef, keerde hij terug en vond ons bezig met het herzien van de bagage. ‘Docteur,’ zei hij, ‘dat hoeft U niet te doen, het gaat vandaag niet regenen.’ Ik glimlachte en ging door met de stukken een voor een na te zien en van een waterdicht dek te voorzien. ‘Hoe weet je, dat het niet gaat regenen, Boma? Kijk maar eens naar de lucht, die daar aankomt, dan zul je er wel anders over denken.’ ‘Het gaat vandaag niet regenen, want Boukah zal ook vandaag nog den regen niet laten vallen.’ Ik keek verrast op. ‘Wat zal Boukah doen?’ ‘Hij heeft een medicijn tegen den regen,’ was het antwoord. ‘Heeft U niet bemerkt, dat zoolang hij in de karavaan is, er overdag geen regen gevallen is? Dat doet Boukah!’ En mijn verbazing ziende, voegde hij er aan toe: ‘Dat doet hij altijd: Daarvoor is hij hier.’ ‘Is Boukah daarvoor meegegaan?’ ‘Ja Docteur,’ was het antwoord, ‘daarvoor heb ik hem meegenomen. Hij heeft een sterk medicament tegen den regen. 's Nachts kan hij den regen niet tegenhouden, maar overdag wel.’ Ik stond verstomd. Op de eerste plaats drong het tot me door, dat het inderdaad niet geregend had sedert de oude man met het lis-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 96

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 97

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


97 tige, trotsche gezicht met ons was meegereisd, maar tevens viel het me op, dat men mij van het doel van zijn aanwezigheid niets gezegd had. ‘Wat is dat voor een medicament?’ vroeg ik. ‘Ik weet het niet,’ zei Boma ontwijkend. ‘Boukah spreekt daar nooit over, maar U hebt gezien, dat het een goed en sterk medicament is. Al verscheidene malen heeft hij het voor mij gedaan.’ ‘Dus Boukah reist zoo maar weken lang mee? Wie betaalt hem daarvoor?’ Ik kende mijn zwarte vrienden te goed om te begrijpen dat Boukah's diensten niet pro Deo werden verricht. Boma aarzelde even. ‘Ik betaal hem. Ik heb hem gehuurd en geef hem daarvoor een geschenk, want ik wil niet dat de regen valt wanneer we in het bosch zijn.’ Maar trots deze verzekering was ik er niet van overtuigd, dat het Boma was, die den regenbezweerder betaalde. Zonder twijfel zat de zaak anders in elkaar. Ik vroeg voorzichtig verder en kwam er tenslotte achter, dat deze regentegenhouderij van Boukah uiteindelijk door de dragers werd bekostigd. Het kwam in het kort hierop neer: Boma huurde den man, die in de heele omgeving voor deze kunst bekend stond. De dragers, die vast aan zijn groote kracht geloofden, waren wel te bewegen om een deel van hun loon aan den regenbezweerder af te staan, om daardoor bevrijd te blijven van de ellende en last, die de immer neergutsende regen hun op een langdurigen tocht door onbewoond boschgebied zeker zou berokkenen. Hoe groot dat deel was, kon ik niet te weten komen. Boma gaf voor het zelf ook niet te weten, maar een eenvoudige berekening vertelde me, dat zelfs wanneer het slechts een vierde deel van het loon der dragers betrof, en ik vermoedde dat het nog wel aanzienlijk meer zal zijn geweest, Boukah voor zijn bemoeiingen toch nog rijkelijk werd beloond, gezien den grooten omvang van de karavaan. Alles tesamen genomen kwam dus, daar was ik van overtuigd, een belangrijk deel van het door mij uit te betalen dragersloon in Boukah's zak terecht, hetgeen verklaarde, dat de man er eigen bedienden op na hield en in zichtbaren welstand leefde.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


98 Het was me nu ook duidelijk, dat er voor Boukah geen enkele aanleiding bestond mij deelgenoot te maken van het doel van zijn aanwezigheid in mijn karavaan. De dragers betaalden hem voor zijn bemoeiingen en het was veeleer zijn belang, dat ik daarvan zoo weinig mogelijk bemerkte. ‘Maar,’ vroeg ik aan Boma, ‘wat gebeurt er nu wanneer een van de dragers niet betalen wil?’ Weer aarzelde de sluwe neger. ‘Dan,’ zei hij langzaam, ‘betalen de anderen voor hem, want als ze niet allen betalen, laat Boukah den regen komen en loopen ze weken lang in het water en worden ze ziek.’ Nu was de heele toestand mij duidelijk. De dragers moesten wel betalen, want eerstens was hun er natuurlijk veel aan gelegen droog weer te hebben tijdens den eenzamen tocht door het woud, waar voor hen het leven hard was, waar ze zich 's avonds niet behoorlijk konden drogen en feitelijk in een toestand van voortdurende verkleuming leefden, maar bovendien had Boukah ze zoodoende geheel in zijn macht. Wanneer ze zich verzetten, kon hij de sluizen van den hemel openen en wraak op ze nemen zooveel hij wilde. De bagage was klaar gekomen en we gingen op weg. Ik liep in gedachten. Er restten me nog twee vragen, waarvan ik er een voor me hield. Die niet uitgesproken vraag was deze: Speelde Boma met den regenbezweerder onder een hoedje? Ik heb daar nooit zekerheid van gekregen. Boma, hoe voortreffelijk hij zich ook kweet van zijn taak als tolk en gids, was - dat wist ik uit persoonlijke ervaring - een sluw mensch, die nimmer zijn belangen uit het oog verloor, en weinig gemoedsbezwaren kende, wanneer die belangen in het geding kwamen. Ik twijfel er echter geen oogenblik aan of Boma was in het complot en stak natuurlijk een deel van de opbrengst in zijn zak. De andere vraag was of Boukah zelf in zijn bijzondere kracht geloofde. Boma's antwoord op deze vraag bestond uit een wedervraag: ‘Hoe zou de oude ooit in staat zijn om te doen wat hij deed als hij er zelf niet aan geloofde?’

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


99 Ik besloot den man in het bijzonder in het oog te houden en aan zijn doen en laten speciale aandacht te schenken. Het werd dien avond laat voor we ons kamp in het bosch betrokken en opeens realiseerde ik me, dat het, trots een uiterst dreigenden hemel, dien dag weer niet geregend had. En nauwelijks stonden onze hutten in het sombere grauwe licht van den snel vallenden nacht of een eigenaardig suizend ruischen, een niet te beschrijven droefgeestig geluid, kwam aangedreven boven de kruinen. Dikke druppels vielen uit het geboomte naar beneden. Er waren schreeuwen hoog in de boomen, van vogels, die in de schemering snel wegvluchtten. Bladeren dwarrelden neer, losgerukt door de windvlagen, die langs den evenaar altijd het losbarsten van den regen begeleiden en het bladerdak van mijn hut, die op een tamelijk open plek stond, klapperde in den killen nachtwind. Toen brak de regen los. Bruisend als de versnellingen van een woeste bergbeek, die zich opeens uit zijn ijsdek bevrijdt, streek het noodweer over het bosch. In een kleine hut aan het eind van het kamp zag ik Boukah zitten. Hij rookte en keek het bosch in, waar nu alles zich oploste in vormelooze, zwarte duisternis. Hier en daar klonken nog schelle stemmen van vrouwen, die elkaar door den regen toeriepen en haastig hun nog niet voltooide hutten gereed trachten te maken. Dan opeens hoorde ik kindergehuil. Een negermoeder was met haar kleintjes in het bosch achtergebleven, waar de regen haar had overvallen en nu kwam ze pas aan in het kamp. Het moedertje was geheel doorweekt en droeg het eene kleintje op haar rug, terwijl het andere doodmoe achter moeder aanstrompelde. Er was geen hut voor hen klaar. Ik stuurde de vrouw naar de keukenhut, die wat verder in het bosch lag en hield de kleintjes bij me. Hun donkere lijfjes glommen van den regen en dikke tranen rolden langs hun wangen. Ik wikkelde ze elk in een deken, zette ze op den rand van mijn bed neer, zoodat ze zich konden warmen aan het vuur, dat in de hut te smeulen lag, en een paar klontjes suiker deden de rest. Een kwartier later sliepen de twee kinders al. Den ganschen nacht raasde de regen over het kamp. Een waterige morgen brak aan.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


100 Boma verscheen voor mijn hut terwijl ik me aan het scheren was. ‘Morgen Boma, niet natgeregend vannacht?’ ‘Non Docteur, maar we zullen den heelen dag regen hebben vandaag. Boukah is weg. Hij is vanmorgen heel vroeg vertrokken, lang voor het licht werd. Gisteren avond, toen U al sliep, heeft hij ruzie gemaakt met de dragers. De dragers hebben hem beleedigd en nu is hij kwaad weggegaan en zullen we den heelen dag regen hebben, want Boukah houdt natuurlijk vandaag den regen niet tegen.’ Bijgeloovig ben ik allerminst. Het kwam niet in me op om ook maar een oogenblik aan te nemen, dat de oude man werkelijk over het vermogen beschikte den regen te bezweren, maar ik herinner me dat op dat moment me toch een onbehagelijk gevoel bekroop. Bijna wenschte ik dat Boukah niet vertrokken was, en ik zou in staat geweest zijn den man terug te roepen, had ik hem kunnen bereiken, zoozeer zag ik op tegen de ellende van een dag vol regen in het bosch. Maar Boukah was en bleef weg. Tenslotte vertrokken we. En de regen kwam, gutste den ganschen morgen over het bosch. De dragers trokken hun bovenkleeren uit en het neerplassende water spatte van hun schouders uiteen. Tegen den middag ging de regen liggen, maar later begon het weer opnieuw en doorweekt en in sombere stemming arriveerden we dien avond in ons volgende kamp. Tot mijn verbazing zag ik eenigen tijd later Boukah daar aankomen. Een goede bladerhut, door zijn eigen menschen gebouwd stond al voor hem klaar. De avond bleef droog en ik besloot de gelegenheid te benutten eens nader met den merkwaardigen man kennis te maken. Binnen drie dagen zouden we naar alle waarschijnlijkheid ons voorloopig reisdoel bereikt hebben en wellicht was er daarna geen gelegenheid meer hem te spreken. Na het avondeten, waarbij ik de twee kleine negerkinders als gast had, ging ik naar Boukah's hut. Ik had den indruk, dat de man me verwacht had, er was althans geen spoor van verwondering op zijn gezicht te lezen. Ik gaf hem tabak, die hij in dank aannam, en begon een gesprek met hem over het doel van zijn reis.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


101 De stugge man werd spraakzamer dan ik verwacht had. Hij vertelde dat hij tot de Bomboumah behoorde, een stam, die nauw verwant was aan de Bougongo, en dat hij op weg was naar Doungou. Voorzichtig begon ik over zijn medicijn tegen den regen. Hij gaf toe dat hij er een had, maar vermeed het er nader op in te gaan. Ik hield echter aan en zei hem na eenigen tijd ronduit, dat ik de medicijn wilde zien. Het kwam me voor dat Boukah deze vraag zeer onwelkom was en dat hij zich duidelijk onbehagelijk voelde. Hij aarzelde en antwoordde, dat dat onmogelijk was, want wanneer iemand anders haar zag, de medicijn haar kracht verliezen zou en de regen heftiger zou vallen dan ooit, zoodat we allen ziek zouden worden. Toen ik echter nadrukkelijk aandrong en zelfs op geld zinspeelde, veranderde hij van tactiek. Hij had de medicijn wel bezeten, gaf hij toe, maar had ze thans niet meer in zijn bezit. Toen de dragers hem beleedigd hadden, was hij kwaad geworden en had de medicijn in het bosch geworpen. Hij moest nu een nieuwe maken, maar dat kon alleen in zijn dorp geschieden. Hier in het bosch was dat onmogelijk. Ik begreep dat ik toch niets verder zou komen en drong niet verder aan. ‘Maar,’ vroeg ik, ‘wie heeft je geleerd die medicijn te maken?’ En als antwoord stroopte Boukah zijn mouw op en toonde me zijn linker arm. Ik zag dat de man invalide was. Zijn arm was geatrophieerd en mager als een skelet; zijn hand was eveneens verminkt en droeg nog slechts drie vingers. ‘Dat heeft de bliksem gedaan,’ zei Boukah. ‘Toen ik een jonge man was en op het veld werkte, viel opeens de bliksem op me en doodde me. Toen ik weer levend werd, was mijn arm lam en twee vingers waren verbrand. Ik heb toen een medicament gemaakt tegen den bliksem en daarom kan ik den regen tegenhouden.’ Tevergeefs poogde ik te weten te komen wat de bestanddeelen van het medicament waren en wie hem daartoe een aanwijzing had gegeven. Op die vragen kreeg ik zulke onduidelijke en ontwijkende antwoorden, dat ik van een verder onderzoek afzag. Het was duidelijk, dat Boukah niet wilde of niet kon vertellen, wat ik wenschte

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


102 te weten. Had ik verder aangedrongen, dan had hij mij zonder twijfel leugens opgedischt. Nog denzelfden avond bleek echter, dat mijn vermoedens juist waren geweest. Toen ik in mijn hut was teruggekeerd, kwam een aantal dragers naar me toe met het verzoek om een voorschot. Ik vroeg me af waarvoor de menschen hier in de wildernis, waar we meer dan twee dagen gaans van de dichtstbijzijnde menschelijke nederzetting verwijderd waren, geld moesten hebben. Dat raadsel was echter spoedig opgelost. Het was Boukah, die het geld noodig had. De dragers bleken, haast meer nog dan Boukah zelf, terughoudend te zijn en het kostte me veel moeite voor ik uit ze had, wat er den vorigen avond was gebeurd. Maar ik had het reeds begrepen. Boukah had geld willen zien voor zijn prestaties en aangezien zijn aanwezigheid in onze karavaan ten einde liep - hij zou immers niet met ons terugkeeren - drong de tijd. De dragers hadden geweigerd, want het einde van de reis was nog niet daar. Het was tot woorden gekomen en Boukah, die blijkbaar had voorzien dat er regen op komst was, had een twist uitgelokt, was woedend weggeloopen, en had uit wraak de karavaan den volgenden dag in den regen gelaten. En nu, murw gemaakt door de doorstane ellende, en bevreesd voor wat nog zou kunnen volgen, kwamen de dragers bij hem terug om hem te betalen, want vermoedelijk waren voor het geval er nog tegenstand zou dreigen, nog zwaardere bedreigingen geuit. En dus kwamen ze naar mijn hut om een voorschot. Ik wilde ze het gevraagde geld niet geheel weigeren, beperkte het bedrag echter in hun eigen belang tot de helft, zoodat ze den regenbezweerder niet geheel tevreden konden stellen. Toen de dragers met het geld aftrokken, bleef ik in mijn hut en zag enkele oogenblikken later Boukah opstaan. Ik zond Jerry erheen om te rapporteeren wat er zich ginds afspeelde en de kok kwam nog juist op tijd om te zien, dat het grootste deel van het voorschot in Boukah's tasch verhuisde. We zagen Boukah niet meer terug. Den volgenden ochtend was de man reeds vertrokken en ook dien avond en de komende dagen

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


103 verscheen hij niet meer in het kamp. Hij was doorgereisd naar Doungou en liet zich aan ons niets meer gelegen liggen. Tot zijn eer moet ik echter vermelden, dat het de laatste twee dagen van onzen tocht naar de Motaba praktisch niet regende. Toen de rivier in zicht kwam, brandde de zon uit een wolkeloozen hemel neer over het heete dampende bosch, zoodat de karavaan in volle middaghitte en bij glorierijken zonneschijn de eerste hutten van Liganga bereikte, waar we voorloopig ons basiskamp zouden inrichten.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


105

Hoofdstuk VII. Een Missionaris te hulp. NOG alsof het gisteren gebeurde, herinner ik me het afscheid van de gastvrije Missie te Monrovia, toen ik na een uitvoerige voorbereiding tenslotte den sprong waagde van de Liberiaansche kust naar Kankan, een afstand, die hemelsbreed gemeten wellicht wat korter is, maar door de vele, deels gedwongen, tochten in zijwaartsche richting elfhonderd kilometer te voet vergen zou. Ik was begin Juli met een klein Spaansch schip in Monrovia gearriveerd, komende van het eiland Tenerife waar ik geruimen tijd aan de voorbereidingen van den tocht had gewerkt. Het doel was vanuit Monrovia een reis te maken in noord-oostelijke richting en te probeeren de zeer weinig bekende stammen der Manoh, Geh en Gió ver in het achterland, nabij de grenzen van Fransch Guinea te onderzoeken. Monrovia is van alle plaatsen aan de kust van West Afrika - en er zijn er niet veel die ik niet ken - weliswaar niet de mooiste, maar toch zeker de schilderachtigste. De ‘waterkant’, waar loodsen en kantoren en een bijna onafzienbare rij van factorijen gevestigd zijn, is er misschien vuiler en rommeliger dan elders aan de kust, maar de bovenstad, het eigenlijke Monrovia, heeft onmiskenbaar een eigen charme. De stad bezit behalve de Regeeringsgebouwen, die hoewel bescheiden van opzet en uitvoering, toch interessant zijn, vele pittoreske door Americo-Liberianen bewoonde huizen, die hoewel bijna allen zonder uitzondering vervallen, een eigen stijl hebben, welke duidelijk herinnert aan die der oude kolonistenwoningen van het zuiden der Vereenigde Staten. Op een stil punt boven Krutown, een nederzetting van Kruvisschers en zeelieden aan de kust, ligt het complex der R.K. Missie, een

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


106 groepje gebouwen van uiterst bescheiden omvang en van zeer modeste, om niet te zeggen schamele uitvoering, naast een simpel, onaanzienlijk missiekerkje. De missie, een der nederigste, die ik ooit in Afrika heb gezien, huisvestte ten tijde van mijn verblijf in Monrovia, drie Missionarissen, allen Ieren, leden der Missions Africaines de Lyon, en stond onder leiding van Mgr. John Collins, destijds nog Vicar Apostolic, thans Bisschop van Liberia en was in al haar bescheidenheid tevens een Gezantschap. Immers Mgr. Collins vertegenwoordigde het Vaticaan bij de Liberiaansche Regeering. Tevergeefs zal men op de geheele wereld een Legatie zoeken, zoo pretentieloos, zoo poover haast als deze Missie aan de West Afrikaansche kust. Maar nimmer in mijn heele Afrikaansche leven ben ik met grooter hartelijkheid en hulpvaardigheid opgenomen en voortgeholpen dan door deze Ieren, die - anderen niet te na gesproken - voor mij altijd als het ideaal van den Missionaris hebben gegolden. Het waren priesters met een hart vol warme menschelijkheid en daadkrachtige godsvrucht, welke trots vele moeilijkheden en ontelbare teleurstellingen onvermoeid hun werk voortzetten met ongebluscht, jeugdig apostolisch vuur, want nergens in Afrika is de arbeid van den missionaris zwaarder en zijn taak ondankbaarder dan aan de Westkust met haar volkerengewoel en stammenmengeling. Ik ben er zeker van dat mijn reis naar den verren Niger, een weg die geheel te voet moest worden afgelegd tijdens het hoogtepunt van den regentijd, nooit zonder ongelukken verloopen zou zijn, wanneer ik niet het onschatbare voorrecht had gehad de gastvrije missiepost van Monrovia als basis te kunnen bezigen en te mogen putten uit de groote kennis en ervaring van Mgr. Collins. De Vicaris had, zij het langs een anderen weg het eerste deel van de reis, tot Sanequelleh, zelf afgelegd, hetgeen voor mij van bijzondere waarde was, aangezien tot op den huidigen dag van Liberia's binnenland nog slechts schetskaarten bestaan, die zeer onbetrouwbaar zijn en waarop men zelfs belangrijke plaatsen niet vermeld vindt. En toen ik met Mgr. Collins de mogelijkheden besprak om nog verder door te dringen, wees hij me er op, dat wanneer ik er in slagen zou den

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


107 Niger te bereiken, ik de eerste Europeaan zou zijn, wien dat langs dien weg gelukte. Het was toen Juli 1932 en v贸贸r datzelfde jaar ten einde was, had ik den Niger bereikt, tot niet geringe verbazing der autoriteiten in Fransch Guinea, die vanuit het Zuiden nooit een Europeaan hadden zien komen. Er zijn weinig perioden van mijn Afrikaansche leven, waaraan ik zulke sterke en diepe herinneringen heb bewaard als aan mijn verblijf op de missie te Monrovia. Het was me bekend dat de dappere missionarissen het zeer karig hadden - och, waarom zal ik niet zeggen dat er eigenlijk armoede was - en dat het den pastoor, Father O'Leary, moeite kostte de sobere huishouding op gang te houden, maar de opgewekte geest die er heerschte en de vitaliteit en hartelijkheid, die er van Mgr. Collins uitstraalden, deden elk gebrek aan luxe vergeten. Overdag werkte ik aan de voorbereidingen van mijn onderzoek, deed inkoopen bij Europeesche handelaars aan den waterkant en maakte, als het weer het eenigszins toeliet, korte tochten in de omgeving, naar Vaitown of het kleine Perseverance-eiland dat uitermate schilderachtig voor Monrovia in Mesuradoriver ligt, waar in de schaduw van een oude, gehavende cottontree, een aantal hutten beschutting schijnt te zoeken tegen den zwaren gang van de rivier, die voortdurend het kleine historische eiland tracht te overspoelen. Op de missie was het tijdens mijn verblijf een betrekkelijk kalme tijd, aangezien de schoolkinderen, bijna allen van den stam der Kru, met vacantie waren, maar toch hadden de missionarissen nog de handen vol arbeid. Ik was overdag met mijn eigen werk bezig en ontmoette de goede Ieren meestal eerst 's avonds aan den maaltijd, die het gezelligste oogenblik van den dag vormde. Kort na tafel maakten wij dikwijls nog een wandeling in de omgeving, langs de schilderachtige, met gras begroeide straten van Monrovia, waaronder Ashmunstreet een der bekoorlijkste is, klommen tegen het vallen van de schemering naar den vuurtoren, vanwaar we een prachtig vergezicht hadden op de kust, waar een schuimende branding het strand beukte en waar langs den horizon in het Noorden de blauwe profielen van het oerwoud opdoemden, dat de eerstkomende maan-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


108 den mijn verblijf zou vormen. Vroeg, zooals op elke missie, gingen allen ter ruste, nadat eerst gemeenschappelijk het avondgebed was gebeden. Om half negen kwam het gezamenlijke personeel, uit een aantal jongens van 15 tot 18 jaar bestaande, die respectievelijk als kok, koksjongen, boy, koster, etc. fungeerden, bijeen op de donkere bovengallerij, die door een enkele petroleumlamp spaarzaam werd verlicht. Elk knielde voor een stoel en Father O Leary, Pastoor van Monrovia of Mgr. Collins baden het rozenhoedje voor en de zwarten, waaronder zich ook enkele inboorlingen-onderwijzers van de missieschool bevonden, antwoordden, terwijl buiten de tropenregen over het dak raasde en in de verte de donder gromde over Mesurado County. Zelden heb ik mijn rozenhoedje met zooveel aandacht gebeden als daar op die bovengallerij te Monrovia. Eerlijkheidshalve moet ik bekennen dat het kon voorkomen dat ik met een zekeren argwaan den donkeren houten vloer en de stoel waarvoor ik geknield lag, in het oog hield, sedert op een avond plotseling een zwarte spin van bijna twintig centimeter lengte uit mijn stoel te voorschijn kwam. Spinnen, die zich zulke afmetingen permitteeren, kan ik nu eenmaal niet uitstaan. Ze hebben geen gevoel voor proporties. Met het oog op mijn aanstaande reis door het achterland van de Republiek, bracht ik verder officieele bezoeken aan den Staats-Secretaris, Mr. Grimes en den Minister van Binnenlandsche Zaken en werd kort daarop in audiĂŤntie ontvangen door Z.E. den President, die me met groote hoffelijkheid bejegende en met wien ik een interessant gesprek had, waaruit bleek dat de President zeer wel op de hoogte was van diverse Nederlandsche toestanden. Aangezien ik mijn domicilie had ter R.K. Missie, die zooals gezegd te Monrovia den rang van een Pauselijke Legatie bezat, bracht de Staatssecretaris mij den volgenden dag namens den President een tegenbezoek. Aldus vorderden de voorbereidingen en zoo kwam dan eindelijk de dag van vertrek. Ik had een twaalftal dragers, grootendeels behoorende tot de stammen der Manoh en Geh, die zich toevallig

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


109 aan de kust bevonden, voor de geheele reis tot aan Sanequelleh aangeworven en met een deel van de bagage vooruitgezonden naar Khakata, het toenmalige eindpunt van den eenigen autoweg, dien Liberia bezat en die ca. 35 kilometer lang was. Het was mijn bedoeling het kostelijke stuk berijdbare weg niet ongebruikt te laten en zelf twee dagen later per auto na te komen, daar ik intusschen nog diverse aangelegenheden te Monrovia te behandelen had. Vanuit Khakata wilde ik dan den tocht naar den Niger wagen, en op een Zondagmorgen vertrokken zoo mijn dragers zonder mij naar het noorden. Mijn kok, Moses, werd tijdelijk met de leiding en de verantwoordelijkheid belast. Den avond voor mijn vertrek organiseerden de missionarissen nog een klein afscheidsfeestje, waarop wederzijds hartelijke woorden werden gesproken. Na afloop riep Mgr. Collins mij apart in zijn werkkamer en verzocht me of ik me wilde belasten met een delicate zending. Het betrof een medemissionaris, die zich als eenige blanke te Sanequelleh, in het verre achterland bevond en de opdracht had onder de Manoh aldaar een missie te stichten. Father Manning was sedert anderhalf jaar alleen in dit eenzame gebied werkzaam en had gedurende het grootste deel van dien tijd geen enkel contact met de kust gehad. Kortelings had hij echter een bode naar Monrovia gezonden met het bericht, dat hij zich in moeilijkheden bevond. O.a. waren zijn middelen uitgeput, hetgeen den afbouw van het leemen kerkje, waaraan hij met een klein aantal inlandsche arbeiders werkte, onmogelijk dreigde te maken. Aangezien hij aan velerlei dingen gebrek had en spoedige hulp noodig was, vroeg Mgr. Collins mij dus of ik me er mee durfde belasten behalve de omvangrijke post van den missionaris, die alleen reeds een kist vulde en een zending conserven en geneesmiddelen, ook een bedrag aan geld naar Sanequelleh mede te nemen. Ik zou daarmee de missie 'n grooten dienst bewijzen, want men durfde het geld niet aan een zwarten koerier toe te vertrouwen en de kans dat een Europeaan binnen afzienbaren tijd naar het binnenland zou vertrekken, was nihil. Daarbij valt op te merken, dat de missionaris in het verre noorden bankpapier niet gebruiken kon, zoodat de geldzending bijna

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


110 geheel uit zilveren munten bestond, alsmede uit eenig kopergeld en dus een aanzienlijk gewicht vertegenwoordigde. Liberia was destijds, meer nog dan tegenwoordig, een moeilijk te bereizen land en ik zag op tegen de verantwoordelijkheid voor deze zending, doch begreep dat wanneer ik weigerde, Mgr. Collins gedwongen zou zijn zelf naar het noorden te vertrekken en dus besloot ik de taak op me te nemen. Het geld werd in blikken bussen verpakt, zoodanig dat het geluidloos was en de blikken werden tesamen met andere artikelen, in eenige kisten ondergebracht, die ik mijn bijzondere aandacht zou geven. Een moeilijkheid vormde echter de tijd. Ofschoon een ervaren looper den afstand naar Sanequelleh, die ca. 300 kilometer bedroeg, gemakkelijk in twaalf, als het moest in tien dagen zou kunnen afleggen, zou ik met Father Manning's post eenige maanden onderweg blijven, aangezien mijn arbeid me onderweg zou ophouden en ik bovendien geenszins linea recta naar Sanequelleh ging. De missionarissen begrepen dit echter volkomen en onder die voorwaarde nam ik dus de volle verantwoordelijkheid voor de zending op me. Den volgenden ochtend vertrok ik per vrachtauto met de rest van de bagage en de bewuste kisten, ontmoette mijn menschen te Khakata, engageerde aldaar nog eenige hulpdragers en ging na een bijzonder hartelijke ontvangst op de gastvrije protestantsche Zending aldaar waar ik korten tijd verbleef, met een kleine karavaan van ongeveer 20 dragers naar het Noorden. Wanneer men eenmaal in het bosch is en aangewezen op dragerstransport, dan wordt elke tijdberekening fictief en denkt men slechts in weken of maanden. Alleen de korte aanteekeningen in mijn dagboek en het merkwaardig goede geheugen van Moses stelden me in staat om bij benadering te bepalen hoelang het geleden was dat ik de missie aan de regenachtige kust verlaten had en nauwelijks realiseerde ik me dat toen we voor de tweede maal de St. Paulsrivier overstaken dat oogenblik al meer dan een maand achter ons lag. Het leven in het bosch heeft, ondanks de vele zorgen waarmee men den ganschen dag vervuld is, een neerdrukkenden invloed en ondermijnt de geestkracht van den reiziger, vooral wan-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


111 neer hij voortdurend alleen is en geen mensch heeft om zijn bekommernissen mee te bespreken. Een zeker fatalisme komt dan onvermijdelijk als een reactie op de tallooze zorgen van het karavaanleven, dat vele moeilijkheden en weinig bekoorlijkheden heeft, vooral in een land als het achterland van Liberia, dat in materieel opzicht aan het uithoudingsvermogen van een Europeaan hooge eischen stelt. Zoo stompt men tenslotte in het bosch voor alles min of meer af. Na verloop van eenige weken gaat men geringer eischen stellen aan de prestaties van den kok, aan de verzorging en de netheid van de tafel in het kamp, aan de uitgebreidheid van het menu. Op gevaar af, deze lichtzinnigheid met een zware dysenterie te bekoopen, begint men minder streng op de hygiënische toestanden in de ‘keuken’ te letten en op de zorg van den smallboy of den marmiton voor 't schoonhouden van het vaatwerk. Den eersten tijd zoekt men in een dorp lang rond voor een bruikbare hut gevonden is en zou men bereid zijn om zelfs, wanneer alle bagage er reeds is uitgepakt en de boy het bed al heeft opgesteld, nog naar een betere hut te verhuizen wanneer die gevonden werd. Na een paar weken, zeker na eenige maanden is men al gauw tevreden en is de eenige eisch, welke men aan een behuizing stelt, dat het er niet te hard lekt, wanneer het regent en tenslotte legt men zich ook daarbij neer, als het bed tenminste maar droog blijft, wanneer des nachts de regen over de trieste eenzaamheid van het dorp gutst. Zoo schrompelen de eischen van het leven tenslotte in tot het absolute minimum. Ik geloof dat zulks op den duur niet alleen onvermijdelijk, maar ook noodzakelijk is, wil men een langdurig verblijf in het bosch - eigenlijk het eenige milieu waarin de Europeaan zijn levenspeil op den langen duur niet kan handhaven - kunnen volhouden. Maar ook op hygiënisch gebied wordt men tenslotte zorgeloos en dat is wel de bedenkelijkste kant van het ruwe leven in de boschkampen der tropische wildernis. In den eersten tijd greep ik bij de geringste ongesteldheid of vermoeden van koorts naar den ther-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


112 mometer. Langzamerhand blijft ook dit achterwege, waarschijnlijk uit een onderdrukten angst voor ziekte. Herhaaldelijk stelde ik bij me zelf vast, dat, wanneer ik me ziek voelde, ik wel bereid was kinine in te nemen, maar er daarentegen een onoverwinnelijken afkeer van had na te gaan of ik koorts kon hebben, hetgeen tenslotte niets anders is als hygiĂŤnische struisvogelpolitiek. Met dat al verliet de zorg voor de mij toevertrouwde zending me nimmer en ik verweet me zelfs, dat ik de kisten voor Father Manning met zooveel angst bewaakte, dat het den negers duidelijk moest worden, dat ze van meer waarde waren dan de overige bagagestukken. Daar kwam nog bij dat de dragers dikwijls zoo ver uiteen liepen, dat het onmogelijk was beide kisten tegelijk in het oog te houden, om van de rest van de bagage, die soms over een afstand van een half uur gaans verspreid was, maar niet eens te spreken. Zoo gemakkelijk als de controle is op 'n karavaan in de steppe en in de savanne, zoo moeilijk is deze in het woud, waar telkens een aantal dragers, door een of andere hindernis opgehouden, achterblijft en een overzicht over de geheele karavaan practisch nooit mogelijk is. Het was eind Augustus toen we voor de tweede maal de Manoh bereikten. Toen we aan de rivier kwamen was het reeds bijna donker. Een ijle blauwgrijze schemer hing over het wijde water, dat geluidloos voorbijgleed, maar boven ons twinkelde het sterrenlicht door de takken heen, die roerloos boven den stroom hingen. Doodstil was het. Geen blad bewoog er in het zwarte loover dat als een fijngesneden silhouet was uitgespannen tegen het laatste schemerlicht van den nachthemel. Er was daar ter plaatse een veer, waar regelmatig inboorlingen overstaken. Een klein vlot van het in Liberia gebruikelijke en hoogst ondoelmatige type, een aantal balken samengebonden tot een raamvormig geheel dat zelfs bij geringe belasting gedeeltelijk onder water wegzinkt, waardoor opvarenden en bagage in het water komen te staan, lag er onder de struiken langs den dichtbeboschten oever. In groepen van vier gingen de dragers telkens met een deel

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


113 van de bagage op het vlot, zoodat het overzetten in het duister langen tijd in beslag nam. Wanneer belangrijke kisten werden overgezet, ging ik mee en keerde, als alles veilig aan den andere kant was gekomen, weer terug om een volgende lading te halen. Het was geheel nacht geworden en 't laatste hemellicht begon schuil te gaan onder dichte wolken. Wanneer het vlot midden op de rivier was, konden we niets meer zien. Aan alle kanten gaapte een donkere afgrond om ons heen. Alleen de vage omtrek van de bosschen aan den oever wees ons de plaats waar de rest van de dragers op onzen terugkeer wachtte en vanwaar soms verwijderde stemmen over het watervlak tot ons doordrongen. Verder was alles stil. Alleen het schreeuwen van de krekels in de struiken langs de rivier en zoo nu en dan het merkwaardig heldere en tegelijk schrille triangelgeluid van vleermuizen, die langs den oever rondfladderden, sneed door den nacht heen. Om het vlot, dat haast onhoorbaar door het kalme water voortgleed, was soms het plonzen te hooren van groote visschen, waarschijnlijk siluren, die in het duister op jacht waren. En terwijl ik naar de wachtende dragers terugkeerde, bereikte me van den oever een geluid dat me deed verstijven van schrik. Met onmiskenbare duidelijkheid hoorde ik hoe het slot van een van mijn bagagekisten dichtsloeg, een slot, waarvan ik alleen den sleutel had. Ik was nog ongeveer veertig meter van den oever verwijderd, maar in de stilte van den nacht was het geluid zoo duidelijk, dat ik me niet vergissen kon. Behalve enkele bagagestukken van mindere beteekenis, bevonden zich onder de achtergebleven lasten de twee kisten met zilvergeld en ik dacht niet anders of de dragers hadden den inhoud ontdekt en maakten van mijn gedwongen afwezigheid gebruik om me te bestelen. Ik had in dien tijd nog geringe ervaring in den omgang met zwarten en het was eigenlijk de eerste keer dat ik met een grootere karavaan reisde, zoodat ik me allerminst op mijn gemak voelde. Het was duidelijk, dat ik onmiddellijk na aankomst moest handelen, daar anders de gevolgen niet te overzien waren. Nauwelijks schoof het vlot tegen den zandigen oever of

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


114 ik sprong aan land. Het was zwarte nacht onder het geboomte. Een der dragers rookte een pijp waardoor ik de plaats waar de mannen zaten terugvond. ‘Steek een lantaarn aan, Garry,’ beval ik. ‘Matches done go for spoil,’1) was het antwoord uit het donker. Ik hoorde, hoe onderdrukte, argwanende opmerkingen werden gemaakt. Terwijl ik zelf drooge lucifers opzocht, rekende ik uit hoeveel man nog aan dezen kant van de rivier konden zijn. Tien of elf dacht ik. Met moeite kreeg ik 'n lantaarn aan. Tien kerels zaten met argwanende gezichten op de bagagekisten, maar deden overigens of er niets aan de hand was, doch hun houding bewees dat er wel degelijk iets was gebeurd. ‘Wie heeft er zooeven een kist opengemaakt?’ vroeg ik. Geen antwoord, doodsche stilte. ‘Ik vraag nogmaals wie er zooeven een kist heeft geopend?’ De dragers werden ietwat onrustig. ‘Winterfield kom hier.’ Traag stond een groote kerel op. Ik betastte zijn zakken, maar vond niet wat ik zocht: sleutels. ‘Garry kom hier.’ Geen succes. ‘Next one!’ Onderwijl lette ik scherp op de anderen, daar ze natuurlijk de sleutels konden verdonkeremanen. De vierde, dien ik onderzocht, was Johnny, de reus van de karavaan, een dom uitziende, doch onbetrouwbare Bassa, die door het leven aan de kust geheel bedorven was. Ditmaal had ik succes. Uit zijn zak kwam een touwtje met twee sleutels er aan en een hangslot. Met één oogopslag zag ik dat de sleutel op een van mijn bagagekisten paste. Ik opende deze, een van de zendingen die voor Sanequelleh bestemd waren, welke behalve het geld ook tabak bevatte, die ik in het achterland als ruilmiddel gebruikte. De blikken met geld waren echter ongeschonden. Blijkbaar had de zwarte ze niet opgemerkt en ging zijn hebzucht alleen uit naar de tabak.

1) De lucifers zijn nat geworden.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


115 ‘Waar is de tabak, die je eruit gehaald hebt?’ vroeg ik kortaf. Even was er stilte. Dan kwam er aarzelend een ontkenning van den sloomen zwarte. ‘Notting.’ Ik greep den kerel in zijn blouse, rukte die open en een groote bundel tabakshoofden - aan de kust wordt importtabak veelal in bundels, zgn. heads van vijf tot tien bladeren elk verkocht - viel eruit, ter waarde van ongeveer vijf shillings. Het volgende oogenblik had de zwarte een afstraffing te pakken, die geen schijn van twijfel bij hem kon overlaten, hoe ik over de zaak dacht. Een oogenblik vreesde ik, dat de andere dragers het voor hem zouden opnemen, maar er gebeurde niets, wat vermoedelijk hieraan toe te schrijven was, dat Johnny door zijn twistziek karakter niet populair was in de karavaan. Alsof er niets gebeurd was, pakte ik de tabak weer in de kist en gooide de sleutels in de rivier. Wie met Afrikaansche toestanden en het karavaanleven minder op de hoogte is, zal mij wellicht dit optreden verwijten en mij voorhouden dat dit niet de juiste methode is om een dief te straffen. Ik heb daarbij op te merken, dat ik inderdaad zelf handtastelijkheden verfoei, maar dat deze - verdiende - afstraffing op het psychologische moment, aan een werkelijken schuldige, die zooals later bleek met voorbedachten rade gehandeld had, toegediend, noodig was om mij uit groote moeilijkheden te redden. Het was de eerste maal, dat ik hiertoe overging en tevens de laatste, en ik geloof nog steeds dat ik onder de gegeven omstandigheden niet anders had kunnen handelen dan ik deed, omdat er eenvoudig geen andere mogelijkheid overbleef. Zonder verdere wederwaardigheden bereikten we tenslotte den overkant en drie kwartier later het dorp waar ik wilde overnachten. Het was inmiddels reeds diep in den nacht, maar voor ik mijn kampbed opzocht, liet ik Johnny bij me komen en gaf hem te verstaan dat ik het ditmaal hierbij zou laten, maar dat wanneer er nog maar iets gebeurde, wat me niet aanstond, ik er voor zou zorgen dat hij bij zijn terugkeer te Monrovia een big palaver zou krij-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


116 gen, een money-palaver, dat hem eenige malen zooveel zou kosten als de heele reis hem had opgebracht. Hoezeer de kerel de straf verdiend had, bleek wel uit het feit, dat hij den sleutel vóór zijn vertrek met de karavaan had aangeschaft in dezelfde factorij te Monrovia, waar ik mijn sloten had gekocht, met bedoelingen, waarover uit te weiden overbodig is. Johnny, die zich nu betrapt zag, hield zich gedurende de verdere reis rustig en ik trok mijn leering uit het geval en zorgde er bij latere expedities voor de benoodigde kistsloten reeds uit Europa mee te nemen. Drie weken later, na een zeer inspannende en avontuurlijke tocht naderden we het voorloopige doel van de reis, Sanequelleh, het voornaamste dorp van den stam der Manoh. Ik herinner me die aankomst nog in de kleinste bijzonderheden. Heet was het dien dag. Regen was er bijna niet gevallen en hoewel het tegen het middaguur liep, besloot ik geen rust te nemen, doch door te marcheeren, want elk oogenblik konden we nu Sanequelleh bereiken. Ik snakte ernaar weer eens een blank gezicht te zien, weer eens met een Europeaan te kunnen spreken. Bijna twee maanden geleden had ik Monrovia verlaten, tallooze moeilijkheden ondervonden en eindelijk scheen het doel nabij. Dat achter Sanequelleh nog de schier eindelooze weg naar den Niger op me wachtte, telde ik niet. De hoofdstad der Manoh was, althans voorloopig, voor mij het eindpunt. ‘Het is niet ver meer,’ zei Moses. ‘Die boom in de verte staat op het terrein van de missie.’ Boven de lage bosschen aan den horizon verhief zich een groote boom, waarvan ik den afstand op drie kilometer schatte. We zwoegden verder in de brandende zon, want het pad was open en slingerde zich nu bijkans zonder schaduw door mais- en rijstvelden heen, waartusschen hier en daar zich reeds de spitse kegeldaken van hutten vertoonden. Na een maandenlangen tocht naderden we Sanequelleh. Dan opeens opende zich het landschap en een glooiende vallei, waar in de diepte een beekje kabbelde, lag voor ons. Een groote ontroering kwam over me. Beneden aan het ruisschende water hoorden we stemmen. Kinderen dansten er rond,

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


117 vrouwen waren er bezig met het wasschen van kleeren en vaatwerk. Aan de overzijde lagen onder een groep zwaar geboomte eenige leemen gebouwen. ‘Dat is de missie,’ zei Moses. Enkele minuten later bereikten we ons doel. Het was koel onder het hooge geboomte. Ik liep rond, maar geen mensch vertoonde zich, alles scheen als uitgestorven in de middaghitte. Was dit de missie? Ik zag een leemen loods van uiterst bescheiden afmetingen, die nog in aanbouw was en waaraan blijkbaar op het oogenblik niet gewerkt werd. Er was nog geen dak op en de muren waren geheel verregend. Daarnaast stonden drie of vier hutten, met gras gedekt, armelijk, ellendig. Ik stootte er een open, ze was leeg, de tweede eveneens. In de derde lag een jongen, een kind haast nog, op een mat op den grond en sliep. Ik wekte hem en verschrikt sprong de jongen op, wisselde snel een paar woorden met mijn dragers. ‘Me boy for Father,’ verklaarde de jongen, die een der Bassa's bleek te zijn, die destijds met Father Manning waren meegegaan. ‘Waar is Father Manning?’ informeerde ik vol spanning. ‘No saby,’ zei het kind. ‘Father done go for bush. He be far.’1) Ik schrok. De missionaris was dus weg; wellicht was hij, toen de hulp, waarop hij wachtte, steeds maar uitbleef, zelf naar de kust teruggekeerd. ‘Is Father naar Monrovia gegaan?’ ‘No,’ zei de jongen, ‘he live for bush.’ Ik herademde. Mijn angst, dat onze wegen elkaar gekruist zouden kunnen hebben en alle moeite tevergeefs zou zijn geweest, bleek gelukkig ongegrond. In een hoek van de hut rees langzaam een andere figuur overeind, een oude neger met witten baard. Het was de timmerman, die de leiding had bij den bouw van het kerkje. Van hem vernamen we dat de missionaris drie dagen geleden Sanequelleh verlaten had en zich nu waarschijnlijk in een klein dorp eenige uren gaans achter Sakrapieh bevond.

1) Ik weet het niet. Father is naar het bosch gegaan. Hij is ver weg.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


118 ‘Wanneer komt hij terug?’ vroeg ik. Hij wist het niet. Over een dag of vijf misschien. Zoo lang kon ik niet wachten. Na zoo lang geen blank gezicht te hebben gezien, scheen elk uitstel om den missionaris te ontmoeten me ondragelijk. Ik gaf order de bagage weer op te laden, liet echter een gedeelte te Sanequelleh achter onder de hoede van den boy. Met zichtbaren tegenzin namen de dragers in de hitte van den middag de lasten weer op de hoofden. Voort ging het weer, ditmaal in oostelijke richting. Het land was weinig bewoond. We passeerden slechts een enkel klein dorpje temidden van een neerdrukkende wildernis gelegen, dat geheel uitgestorven scheen te zijn. Tegen vijf uur in den middag kwamen de hutten van Sakrapieh in het gezicht. Een paar verbaasde inboorlingen vertoonden zich, blijkbaar van den stam der Gió. ‘Is de blanke hier?’ vroeg Moses, die de taal der Gió eenigszins machtig was. De Giós antwoorden met een gebaar en wezen naar het dorp. ‘Men zegt, dat hij in de compound van den King is,’ antwoorden ze. We liepen het dorp door, waar honden bij onze nadering blaffend wegstoven in de hutten en het eentonig rhythme der rijststampers door de middaghitte klonk. Aan het einde van het dorp lag, op een verhevenheid, onder een kleine groep palmboomen, een huttencomplex, dat blijkbaar de woonplaats van het hoofd vormde. Het was door een wal omgeven en terwijl ik met snelle passen op den ingang toeschreed, kwam een slanke blonde man, in een geheel versleten witte toog gekleed, onder het laagafhangend afdak vandaan me tegemoet. Hij had diepblauwgrijze oogen, en een zeldzaam energiek gezicht, dat echter duidelijke sporen droeg van ziekte en uitputting. Deze man was de missionaris Manning, de moedige stichter der Manohmissie. We begroetten elkaar en even viel er 'n stilte. Beide waren we onder den indruk van deze ontmoeting in het eenzame achterland. ‘Ik hoorde gisteren al dat U komen zou,’ zei Father Manning, ‘de dorpelingen hier wisten het van inboorlingen uit het zuiden

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


119 die Uw karavaan in het bosch hadden gezien, maar ik kon U niet tegemoet komen, want ik had een koortsaanval en ben daarom ook niet naar Sanequelleh teruggegaan.’ We gingen den compound binnen, waar het opperhoofd ons hangmatten aanbood. ‘Ik kom van Monrovia,’ bracht ik verslag uit, ‘en breng Uw post mee.’ De kisten werden binnen gedragen en vol belangstelling vloog de Ier de stapels brieven en de bijna acht maanden oude couranten uit Europa door. Aangezien het te laat was geworden om nog naar Sanequelleh terug te gaan, werd een hut naast dien van Father Manning voor mij in gereedheid gebracht, maar het duurde lang voor de twee blanken dien avond hun kampbedden opzochten. Nog diep in den nacht zaten we bij een petroleumlamp in gesprek. De missionaris vertelde van z'n moeizamen pioniersarbeid en van z'n eenzaam leven in het achterland, waar hij al die anderhalf jaar geen enkelen Europeaan had gezien. Eenmaal was hij, toen hij dringend hulp behoefde, naar het noorden gegaan en had in een geforceerden marsch van vier dagen de zuidelijkste post in Fransch Guinea bereikt, Nzérékoreh, waar ik zelf later ook passeeren zou en daar den Griekschen handelaar Mengrelis aangetroffen, die den missionaris gastvrij opgenomen en verzorgd had. Van Nzérékoreh, lichtte hij me in, was het 5 à 6 dagen gaans door zwaar oerwoud en heuvelterrein naar Macenta, waar ik de eerste Franschen zou vinden. Hij had die reis zelf niet gemaakt, maar wist dit van den Griek, die langs dezen weg naar Nzérékoreh was gekomen. Ging ik oostelijker - en dat was mijn bedoeling - dan moest ik er op rekenen dat het terrein uitgesproken bergachtig zou worden en praktisch geheel zonder paden. Vanaf Macenta echter zou ik weer een vrij goeden weg vinden, die in den drogen tijd voor auto's toegankelijk was, nu echter naar alle waarschijnlijkheid door den regenval versperd zou zijn en waarlangs ik in negen à tien dagen naar Kankan aan de Milorivier zou kunnen komen. Vandaar zou ik op verschillende manieren den Niger kun-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


120 nen bereiken en desnoods langs den Nigerspoorweg naar de kust kunnen terugkeeren. Ik bracht den missionaris de laatste berichten mede van Monrovia en uit Europa, waar hij met gretigheid naar luisterde en zoo werd het zeer laat voor we ons ter ruste begaven. Vroeg in den namiddag van den volgenden dag keerden we gezamenlijk naar Sanequelleh terug. Het was mijn plan om onder de Manoh en Gi贸 mijn onderzoek voort te zetten en Father Manning noodigde me uit om gedurende den tijd dat ik te Sanequelleh zou blijven, op de missie mijn intrek te nemen. Zoo werd dan een kleine hut in gereedheid gebracht waar ik zoo comfortabel, als hier mogelijk was, wonen kon. Eerst den volgenden dag bemerkte ik, dat de missionaris mij zijn eigen verblijf had afgestaan en zelf een bijna onbewoonbare hut had betrokken. Er zijn missies en missies. Er zijn er, waar de missionarissen een - relatief comfortabel leven leiden, zij het dan dat toch maar zelden dit comfort dat van een ambtenaar of kolonist evenaart. Er zijn er ook waar elke dag een worsteling beteekent op materieel en geestelijk terrein. Zoo was Sanequelleh. De taak van Father Manning was er onbeschrijfelijk moeilijk en eischte de kracht van 'n held en de zelfopoffering van een heilige. Het leven op de missiepost was zoo armzalig en zoo zwaar dat - ik moet dat eerlijkheidshalve mededeelen - ik, die uit de wildernis zelf kwam en alle ontberingen achter me had, die nu eenmaal aan het leven in het bosch verbonden zijn, het er onmogelijk zou hebben kunnen uithouden. Father Manning leefde er temidden van een primitieve bevolking, die nauwelijks ontwassen was aan het kannibalisme, dat in de eenzame dorpjes van de omgeving zeker niet uitgestorven was. Hij stond er alleen voor z'n taak, was slechts vergezeld van 'n paar negerjongens, meerendeels nog kinderen, christenen van de kustmissie, die z'n huishouden deden, zijn eten kookten, zijn kleeren in stand hielden en al die anderhalf jaar lang zijn eenige aanspraak en zijn geheele gemeente vormden. Hij leefde er in een hut, die met droog weer bewoonbaar was, zooals een bladerafdak in het woud bij droog weer bewoonbaar is, maar in den regentijd - en ik ben niet in staat om U de trieste

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


121 wereld van West-Afrika's binnenland af te beelden als de vlagen van den regentijd over de wouden strijken en maandenlang het bosch slechts een modderpoel is onder een grauwen hemel - als menschelijk verblijf onbruikbaar was. Father Manning was echter een man met een moed en een offervaardigheid, die eerbied afdwongen. De spaarzame middelen, die hij ter beschikking had, stelden hem slechts in staat 茅茅n ding tegelijk uit te voeren, 贸f de kerk, een leemen loods met strooien dak, 贸f de pastorie, zijn toekomstig eigen verblijf. Voor dezen missionaris was dat geen keus. Hij begon met de kerk en behielp zich al dien tijd met een zoo primitief verblijf, dat een inboorling er nauwelijks in zou kunnen wonen. Wanneer de kerk, waaraan hij dagelijks zelf timmerde, klaar zou zijn, moest een school aan de beurt komen, want missiewerk in Afrika zonder school, is even ondenkbaar als een reederij zonder schepen. En dan, dan kwam zijn eigen huis aan de beurt. De hut, die hij me had afgestaan en zijn eigen woning geweest was, fungeerde tevens als kapel zoolang de kerk zelf nog niet bruikbaar was. Elken morgen werd hier de H. Mis opgedragen. Om zes uur in de vroegte kwam de kleine Matthias, die behalve als kok, ook als koster fungeerde, me wekken en maakte, terwijl ik mij aankleedde, het altaar gereed, wat alleen maar mogelijk was, wanneer mijn veldbed afgebroken werd. Een wrakke, door termieten aangevreten tafel op drie pooten, die slechts te gebruiken was als ze tegen een muur steun vond, diende als altaar. Daarop werd uit een roestige miskoffer een altaarsteen te voorschijn gehaald waarover het linnen werd uitgespreid. Om half zeven ving de H. Mis aan. Ik geloof niet dat er tijdens mijn verblijf te Sanequelleh een ochtend voorbij ging zonder stortregen. De middle-dry, de korte onderbreking, die de West Afrikaansche regentijd tegen het begin van den herfst toont, was voorbij en het natte seizoen hernam met volle kracht zijn rechten. Onder de beschutting van een gehavende parapluie haastte de missionaris zich dan door den modder waarin hij tot over zijn enkels wegzakte naar mijn hut en kleedde zich voor de H. Mis. Nog weet ik hoe de ontroering mij aangreep toen ik zag hoe uit

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


122 den miskoffer verschoten miskleeren en een totaal beschimmeld en verregend kasuifel te voorschijn kwamen. ‘Ze hebben den koffer destijds in de rivier laten vallen,’ verklaarde Father Manning. ‘De boy gleed uit bij het waden.’ Bij die gelegenheid was ook een groot deel van de hosties verloren gegaan en tot groote teleurstelling van den missionaris waren er bij de vele dingen, die mijn karavaan uit Monrovia meegebracht had, geen hosties... Dan kwamen de missiejongens binnen. De jongste der boys, Joseph, was misdienaar. Met hun vijven vormden ze de eenige christenen met wien Father Manning anderhalf jaar lang in aanraking was gekomen. Ze knielden op den grond neer en reikten me een plankje toe, opdat mijn knieën niet zouden wegzakken in den vochtigen leembodem van de hut. De vijf missiejongens baden luidop de misgebeden en soms gingen hun murmelende stemmen verloren in het geruisch van den regen op het dak. Alle zes communiceerden we onder de H. Mis. Daarna onbeten Father Manning en ik tesamen waarbij ons ontbijt uit gekookte cassada en een paar eieren bestond. Vervolgens ging ieder aan zijn eigen werk. Des Zondags was de schare geloovigen uitgebreider, want dan verscheen in een wijdsche oranje zijden jurk een groote negerin, een Americo-Liberiaansche, vrouw van den plaatselijken belastingontvanger van het Gouvernement, die een Christin was. Deze vrouw begreep de ellende waarin de missionaris leefde en ontfermde zich van tijd tot tijd over den eenzamen blanke. Ze voorzag hem van groenten uit haar tuin en leende hem pannen en keukengerei, toen het zijne tijdens een tocht door de wildernis verloren ging. Soms ook zond ze hem een of ander door haar klaar gemaakt gerecht en bereidde wanneer de Mandingkolonie in het dorp uit het noorden een rund liet komen om het te slachten, voor hem een stuk vleesch, dat anders slechts zelden op zijn tafel kwam. Om het eenigen tijd goed te houden, trachtte ik voor den missionaris een methode te vinden om het vleesch te drogen en te rooken. Ik liet daartoe een leemen oven bouwen en nam daarmee proeven met verschillende houtsoorten, maar het resultaat was zoo slecht,

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


123 dat zelfs de weinig eischende zwarten het niet wilden eten. Tenslotte droogden we het vleesch, wanneer het ten minste niet regende, in de zon, zooals overal in Centraal Afrika geschiedt, waardoor een donker, taai en zeer weinig aantrekkelijk geurend, schimmelig, geboucaneerd product ontstond, dat voor een blanke, wanneer hij er tenminste in slaagde tijdens het eten alle details der bereiding te vergeten, wel bruikbaar was. Father Manning en ik werden al spoedig dikke vrienden, maar naarmate mijn werk vorderde, naderde ook de tijd dat ik weer vertrekken moest. En zoo kwam ook hier de dag van het afscheid. Mijn dragers, die ik van de kust had meegebracht, waren onder leiding van Moses reeds lang weer naar Monrovia vertrokken, na een hartelijk afscheid, waarbij zelfs Johnny, zichtbaar gegeneerd, me de hand kwam drukken. Later ontving ik uit Monrovia bericht, dat ze na een lange afwezigheid, zoo lang dat men niet anders meende of ik had ze meegenomen op mijn verderen tocht naar den Niger, allen behouden waren teruggekeerd. Ik vormde dus een nieuwe karavaan, gedeeltelijk uit eenige Bassa, die ik ter plaatse vond, gedeeltelijk uit Manoh, gedeeltelijk uit boys van de missie zelf en vertrok op een zonnigen dag naar het noordoosten, met de bedoeling om na een onderzoek in het Guerzé-gebied de richting naar Nzérékoreh in te slaan, dat vanuit Sanequelleh gerekend praktisch noord-westelijk gelegen is. Ik nam brieven van Father Manning mee voor Europa, die via Fransch-Guinea waarschijnlijk sneller hun doel bereiken zouden dan langs het boschpad, dwars door geheel Liberia naar de kust. Father Manning begeleidde me een dag gaans ver, tot aan het punt waar de eerste heuvels van het Limbagebergte tot aan de vlakte reikten. Daar namen we afscheid. Veel woorden werden niet gesproken. Een warme handdruk, een glimlach. ‘Well, Doctor, I hope you will never forget our young Mission among the Manohpeople!’ Mijn karavaan wachtte, de vrachten op de hoofden. Ik geloof dat ik niet veel geantwoord heb, maar herinner me niet, dat ooit een

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


124 afscheid me zoo ontroerd heeft als dit simpel vaarwel aan den voet van het Limba-gebergte. Mijn dragers wendden zich bergopwaarts naar het noord-oosten, door een glorierijke bergnatuur, waar bruischende beken door dicht beboschte, nevelige valleien schuimend naar de vlakte joegen. De missionaris daalde den heuvel af om naar zijn stille regenachtige bosschen terug te keeren, een nieuwe verlatenheid tegemoet. Toen hij beneden gekomen was, zag ik de witte figuur zich nog even omwenden tot een laatsten groet en eerbiedig wachtte ik tot de eenzame gestalte in het bosch verdwenen was. Dan, diep onder den indruk en vervuld van bewondering, ging ik snel mijn dragers achterna.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


125

Hoofdstuk VIII. Poroh EEN boek, waarin over land en volk van West-Afrika gesproken wordt, zou wel zeer onvolledig zijn, wanneer althans niet met enkele woorden de Poroh ter sprake kwam, want de Poroh, een geheime, maar uiterst wijd verspreide organisatie, is in tal van gebieden oppermachtig, zelfs zoo dat men kan zeggen dat ze dikwijls de alles beheerschende factor in het land is, de koloniale regeering ten spijt. Wat is deze Poroh? De vraag is moeilijk te beantwoorden en wel om verscheidene redenen. Eerstens is het genootschap, of eigenlijk zijn de genootschappen zeer gesloten - zeer diep zegt de neger - hetgeen de leden, die dikwijls het grootste gedeelte van den stam omvatten, tot absolute geheimhouding van alles wat de Poroh aangaat verplicht, maar tevens - en dat is iets wat door hen, die speciale studie maken van de geheime genootschappen van West-Afrika maar al te dikwijls vergeten wordt heeft elke stam, elke streek, ja elk dorp zijn eigen Poroh en de gebruiken, de riten, de strekking, de werkwijze, kortom het geheele wezen van het genootschap varieeren van plaats tot plaats in zoo enorme mate, dat het haast onmogelijk is om over ‘de’ Poroh als zoodanig iets mee te deelen. Het volgende is dan ook een samenvatting - voor zoover zulks mogelijk is - van wat in den loop der jaren bekend is geworden over de Poroh in haar meest typischen vorm, zooals die in Liberia, Sierra Leone en enkele gedeelten van de midden-Ivoorkust voorkomt. De Poroh-organisatie schijnt, in tegenstelling met vele andere geheime genootschappen, waarvan men er in recenten tijd verscheidene

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


126 heeft zien ontstaan, zeer oud te zijn. Zij schijnt reeds bekend geweest te zijn aan den beroemden Grieksch-Egyptischen mathematicus-astronoom en geograaf Ptolemaeus, die in de tweede eeuw na Christus - nauwkeurige jaartallen van zijn geboorte en dood zijn niet bekend - in Canopus bij Alexandrië werkte en ongetwijfeld een der grootste geesten is geweest die de menschheid heeft voortgebracht, zoodat de Poroh dus waarschijnlijk reeds eenige tientallen eeuwen bestaat. Haar oorsprong is geheel onzeker. Mogelijk bestaan er associaties met den panter, hetgeen op een totemistischen grondslag zou duiden. Sommige verschijnselen wijzen erop, dat in vroeger tijd haar taak een andere kan zijn geweest dan tegenwoordig. Hoe dit ook zij, momenteel is, voor zoover we het kunnen overzien, de Poroh een genootschap dat in hoofdzaak opvoedende strekking heeft. Men zou het vrij juist als een religieus-opvoedend genootschap kunnen karakteriseeren. De Poroh markeert den overgang van kind tot volwassene en voltrekt dien onder een bepaald ritueel, levert dus een soort tegenhanger en wellicht een parallel op met het leeftijds-klassensysteem, dat onder de Halfhamieten van Oost-Afrika algemeen is. Wanneer de jonge inboorling den leeftijd bereikt heeft, dat men voorbereidingen kan treffen om hem als lid van den stam aan te nemen, treedt de Poroh in functie. De oudere leden komen te samen en het besluit wordt genomen, dat een Poroh-bosch zal worden gehouden. Als het dorp, van waaruit het initiatief genomen wordt, en dat als het ‘bed’ van den Poroh bekend staat, voldoenden omvang heeft, is er voor elk dorp afzonderlijk een bosch. Is de streek slechts dun bewoond, dan vereenigen een aantal dorpen zich om gemeenschappelijk een Poroh-bosch in te stellen. Dan gaan er boden door het land en roepen de gegadigden, wier zoons voor opname in de Poroh in aanmerking komen, op om hun kinderen hieraan deel te doen nemen. Aangezien een Porohbosch in verreweg de meeste gevallen lang niet elk jaar wordt ingesteld - bij de Kpelle van Midden-Liberia, waar de Poroh in een zeer typischen vorm voorkomt, geschiedt dit bijvoorbeeld eenmaal in de zeven jaar - zijn de leeftijden der aspi-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


127 rantleden uiteenloopend, maar bewegen zich gewoonlijk tusschen de elf en vijftien jaar. Intusschen wordt ergens in het bosch, een enkele maal dicht bij een dorp, maar veelal ver weg in de wildernis, een kamp gereed gemaakt, een zoogenaamd Porohbush. Soms is de plaats waar de plechtigheden plaats zullen hebben steeds dezelfde, zooals bij de Mende; bij andere stammen daarentegen kiest men telkens een nieuw terrein uit. Op de ruw opengekapte plek in het bosch verrijzen 'n aantal hutten, een grootere voor den ‘Heer van de Poroh’, de Poroh-namoe, die het bevel over het kamp zal voeren, daarnaast een aantal voor zijn helpers, en verder een kleine ruwe hut voor elken wijdeling. Hier zullen de jongens al den tijd dat zij in het bosch zijn, wonen. De plaats wordt voor elken onbevoegde geheim gehouden en een streng verbod verbiedt zelfs den toegang tot de smalle boschpaadjes, die, na zich vele mijlen door dicht oerwoud te hebben geslingerd, tenslotte naar het kamp voeren. Wie bij toeval of met opzet zich in een Porohbush waagt, kan gedwongen worden tot den geheimbond toe te treden, en moet dan aan de inwijding, die soms jaren in beslag neemt, deelnemen. Zonder twijfel werden nog in een recent verleden zulke indringers zonder vorm van proces ter dood gebracht. Dat oningewijden, die met een in functie zijnde Poroh in aanraking komen, gedwongen worden als lid toe te treden, komt nu nog regelmatig voor. De District-Commissioner Warren maakte zelf gevallen mee dat bedienden van Europeanen, die in het dorp verbleven waar 'n Poroh ‘zat’, gedwongen werden in het Porohbosch te gaan en aan de inwijding deel te nemen, alle protesten van hun Europeesche meesters ten spijt. Het Engelsche Gouvernement, dat de Poroh-organisatie erkent, beschouwt deze gedwongen deelname als wettig, zoodat de Europeaan verstandig doet zich bij zoo'n geval neer te leggen, om erger te voorkomen. In bepaalde streken bestaat het gebruik om elken vreemdeling, die ten tijde dat een Poroh ‘zit’, zelfs maar in de omgeving vertoeft, bijvoorbeeld binnen de gren-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


128 zen van het hoofdschap, tot inwijding te dwingen, zelfs wanneer zijn stam geen enkele relatie met de Poroh heeft. Groote feestelijkheden gaan de opname van de kinderen vooraf. Er wordt gedronken en luidruchtige danspartijen hebben plaats in de dorpen, terwijl de jongens, die straks voor langen tijd, wellicht voorgoed verdwijnen, want menigeen keert niet meer uit het Porohbosch terug, de helden van den dag zijn. Dan vertrekken de kinderen naar het bosch en de stilte keert in het dorp weer. Wat in het bosch geschiedt, is slechts fragmentarisch bekend en varieert bij de verschillende stammen zeer sterk. Hoewel verscheidene malen Europeanen zelf het lidmaatschap van den Poroh hebben verworven, is toch zeer weinig definitiefs bekend geworden. Een ieder die geinitieerd is, dus ook de Europeesche leden, zijn tot geheimhouding verplicht en reeds hierdoor is het aantal inlichtingen van deze zijde zeer gering. Daar komt nog bij dat in verreweg de meeste gevallen het toelaten van Europeanen tot de Poroh slechts een middel is om hun hinderlijke nieuwsgierigheid aan banden te leggen. Men kan als vaststaande aannemen dat Europeanen, bijvoorbeeld Districts-Commissarissen, missionarissen, zendelingen, etc., die den wensch te kennen hadden gegeven om tot de Poroh toe te treden en in naam tot lid werden gemaakt, zelfs een soort inwijdingsplechtigheid ondergingen, hoewel slechts bij uitzondering in het bosch, in werkelijkheid slechts een schijnvertooning bijwoonden, waarbij het essentieele, de werkelijke Poroh-geheimen hen toch niet werden bekend gemaakt. Aangezien ze tot totale geheimhouding gedwongen en in zekeren zin als Poroh-lid aan de jurisdictie van de Poroh-hoofden onderworpen zijn, is de toelating van zulke Europeanen een geschikt middel om zich van lastige dwarskijkers te ontdoen. Ik kon dit bij verschillende gelegenheden persoonlijk vaststellen. Toen ik eens met een hoofd van een Kpelledorp, waar ik geruimen tijd werkte, over opname in de Poroh sprak, en hem hierover ronduit zijn meening vroeg, antwoordde de oude man rustig: ‘Zij zullen U iets vertellen, maar niet alles; zij zullen U iets toonen,

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


129 maar niet alles; U zult iets kennen, maar niet de diepte van de Poroh’... Ik ken slechts één geval van een niet-inboorling, die inderdaad tamelijk goed op de hoogte was van hetgeen in de Poroh geschiedde. Het was een Syriër, die bijna veertig jaar als handelaar in kleinere dorpen van het achterland van Sierra Leone geleefd had, de taal der Mende vlot sprak en het vertrouwen der inboorlingen bezat. De Poroh-leerlingen staan in het bosch onder leiding van den reeds genoemden Poroh-namoe. Deze man, een der hoogste waardigheidsbekleeders van de Poroh, is niet zelden in zijn dagelijksch leven de smid van het dorp. Er bestaan trouwens meer associaties van de Poroh met bepaalde beroepen, waarvan de oorsprong duister is. Het is goed er hierbij aan te herinneren dat het smidsberoep in tal van culturen een geheel afzonderlijke plaats inneemt. De smeden vormen meestal een min of meer verachte, in elk geval een gevreesde kaste, hetgeen wellicht terug te brengen is tot primitieve vrees voor het vuur zelf. Bekend is bijvoorbeeld dat smeden in de Mohamedaansche wereld veracht worden, zelfs in die mate dat het woord smid een scheldwoord vormt en de woorden: haddad ben haddad: smid, zoon van een smid, een der grofste beleedigingen is, die men iemand kan toevoegen, hetgeen misschien ook tot prae-islamitische geheimbonden onder de volken van den Islam terug te brengen is. De Poroh-leerlingen kunnen den Namoe niet zien. Wanneer hij zich aan hen vertoont, is hij steeds gemaskerd en draagt een speciale kleeding, die zijn geheele lichaam omhult. Hij voert den naam Gbainie, doch wordt gewoonlijk als de Poroh-duivel aangeduid. De wijdelingen kennen de identiteit van Gbainie dus niet, worden althans geacht hem niet te kennen, maar zijn er ongetwijfeld reeds lang over ingelicht. Om echter den schijn van onbekendheid tot het uiterste vol te houden, spreekt de namoe nimmer tot hen, doch brengt onder zijn masker een vervormd geluid voort, dat door zijn helpers, die soms ook gemaskerd zijn, wordt verduidelijkt. Over den oorsprong van dit merkwaardige gebruik bestaan ver-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


130 schillende legenden. Onder de Mende van Sierra Leone, die, zooals bijna elke stam van West-Afrika, voor zich de eer opeischen de oorspronkelijke stichters van den machtigen geheimbond te zijn, verklaart men dit gebruik als volgt: Het eerste hoofd der Mende was een buitengewoon machtig en invloedrijk man. Toen hij stierf, vreesden de grooten van zijn rijk, dat, wanneer zijn dood bekend werd, er moeilijkheden zouden ontstaan en de Mende-stam zich in verschillende deelen zou kunnen splitsen en daarom besloot men den dood van het hoofd geheim te houden. Nu wilde het toeval dat het overleden hoofd een gebrek had, waardoor hij door zijn neus sprak, zoodat men op zoek moest gaan naar een vervanger, die deze eigenaardigheid kon nabootsen. Toen men een hiervoor geschikten man gevonden had, moest deze op het lijk van het hoofd en op vele krachtige medicijnen zweren, dat het geheim bij hem veilig zou zijn. Dit gebruik ging van den eenen Namoe op den anderen over, en aldus zeggen de Mende, ontstond het gebruik dat niemand de werkelijke stem van den Namoe hooren mag, noch ook zijn gezicht mag zien. Het wil mij voorkomen, dat we de verklaring in dit geval niet verder behoeven te zoeken, dan in den voor de hand liggenden wensch de identiteit van den Namoe geheim te houden. Het is zeker dat alle toekomstige Porohleden onmiddellijk na hun aankomst in het bosch worden besneden, hetgeen door speciale functionarissen, Betieli of Ayunkoli genaamd, plaats heeft. Bij deze gelegenheid dragen de functionarissen en de leerlingen soms beide maskers. Korten tijd daarna heeft de ‘teekening’ plaats. Dit teekenen geschiedt midden op de open plek van het Porohkamp waar een houten kruis in den vorm van een X staat opgesteld. De wijdeling wordt over dit kruis gebogen en met handen en voeten eraan vastgebonden, zoodat hij zijn rug naar boven keert. Met een scherp mes worden hem dan de teekens van de Poroh ingegrift aan de basis van de rug. Deze teekens bestaan soms uit een reeks insnijdingen in den vorm van een driehoek, zooals ik in zuid Sierra Leone vond, doch ook andere teekens komen voor.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


131 Deze bewerking is door het aantal insnijdingen, dat soms meer dan honderd bedragen kan en ook door de daarop volgende wondbehandeling, zeker niet zonder gevaar, zoodat niet zelden wijdelingen korten tijd later aan bloedverlies of infectie sterven. Het is de bedoeling dat de insnijdingen als lidteekens zichtbaar blijven, zoodat de geteekenden een speciale behandeling moeten ondergaan om dat te bereiken. Zij worden nabij het vuur op bladeren gelegd, nadat de wonden met bijtende plantensappen zijn ingewreven, waardoor ze zich open spalken en niet dadelijk kunnen sluiten. Deze behandeling heeft de vorming van hard, glanzend lidteekenweefsel tengevolge, dat, wanneer de wond gesloten is, als koorden op de huid ligt en het geheele leven lang aanwezig blijft. Wie eenmaal geteekend is, is een osimore, een novice, maakt onherroepelijk deel uit van de Poroh en is voor zijn gansche leven gebonden aan haar wetten en aan den plechtigen eed, dien hij op de medicijn van de Poroh, die evenals die der nog te bespreken pantergenootschappen Borfimah, bole fimah = medicijnbuidel genoemd wordt, heeft afgelegd. Deze eed op de borfimah is zoo heilig, dat geen zwarte er aan zal denken hem te breken. Wat op de borfimah beloofd is, wordt gehouden, ten koste van alles. We zouden ons, naar mijn meening, vergissen, wanneer we hier hoogere motieven, zooals trouw aan het gegeven woord, verantwoordelijkheidsgevoel etc. aanwezig achten; de reden, waarom een eed op de borfimah niet gebroken wordt, is slechts vrees, want eedbreuk brengt onfeilbaar zeker onmiddellijken dood of zware ziekte mee, die nooit genezen kan. Hoezeer de borfimah gevreesd wordt, blijkt wel uit het feit - dat tevens demonstreert dat alleen angst de bewaarder is van de borfimahgeheimen - dat men meerdere gevallen heeft geconstateerd, dat Christen-inlanders, die, als getuigen in een proces gehoord, in alle gemoedsrust een meineed op den Bijbel hadden afgelegd, de waarheid spraken, toen zij op den eed op een borfimah werden gevorderd. De tijd dien de wijdelingen in het bosch verblijven, is in verschil-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


132 lende streken varieerend. Zij kan tot vier jaar bedragen, zooals bij de Kpelle het geval is. Gedurende al dien tijd mogen de jongens geen enkel contact met de buitenwereld onderhouden. Voor hun ouders, voor hun verwanten, zijn ze dood. Zij zorgen voor zich zelf. Soms kookt een oude vrouw voor hen eten, wanneer ze zelf daartoe niet in staat zijn. Alleen in maanlooze nachten wagen ze zich in groepen tot aan den rand van het dorp, waar ze vroeger hebben gewoond, en rooven er levensmiddelen weg, die dikwijls speciaal voor dit doel worden gereed gezet. Niet overal echter is deze regeling even streng. Onder de Mende bijvoorbeeld, hangt de tijd dat de wijdeling in het bosch verblijft af van den welstand van zijn ouders. Wie geld heeft, kan zijn kinderen de weelde van een langere en ‘betere’ opvoeding schenken, tout comme chez nous. Wat omvat deze opleiding in het bosch? Ook daarover zijn we slechts fragmentarisch ingelicht. Zeker is dat het Porohbosch een opvoeding geeft, die trots al het kwaad dat men de Poroh vroeger heeft verweten, onmiskenbare waarde bezit. Het jonge stamlid leert er de geschiedenis en de lore van zijn stam, de beteekenis der gebruiken, de inrichting der maatschappij. Hij leert er de opvattingen over eigendom en erfrecht, koop en verkoop kennen. Ook direct-practische scholing heeft er plaats. Hij leert, voorzoover hij dit niet reeds wist uit ervaringen opgedaan op de landerijen van zijn vader, wanneer en hoe de verschillende gewassen worden geteeld, hoe men het gewas beschermt tegen vernietiging door dieren, hoe men vallen zet, hoe men oogst. Hem wordt getoond hoe een hut gebouwd wordt, hoe men een graansilo metselt uit leem, hoe een tamtam wordt gehakt of een slaapmat wordt gevlochten. Aan de rivier wordt den jongens getoond hoe men een kano hakt, hoe de boom daarvoor moet worden gekapt opdat ze juist komt te liggen om er een kano van te maken, en hoe een brug wordt geslagen over een kreek of rivier. De grootste beteekenis van de Poroh ligt echter in de moreele scholing, die het bosch geeft. Zelfbeheersching wordt aangekweekt, eerbied voor de ouden van den stam, gehoorzaamheid aan de Poroh, respect voor de gebruiken der vaderen. Daarnaast

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 132

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 133

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


133 heeft de Poroh echter ook zeker een geheime leer. Zij bezit een geheimtaal, waarvan verschillende woorden bekend geworden zijn. Het meerendeel van de in dit hoofdstuk gebezigde termen behooren hiertoe. De leden leeren in het bosch ook een eigenaardigen toon in hun stem te leggen, waaraan zij later medeleden zullen herkennen. Hun wordt dikwijls voedsel voorgezet dat een magische samenstelling bezit, die uitermate gecompliceerd is en waarin allerlei afkeerwekkende en walgelijk smakende stoffen worden verwerkt. Last not least, ontvangen zij een nieuwen naam. Deze Porohnaam zal later, wanneer zij in de wereld terugkeeren, hun eigen naam vervangen. Wij zullen zien dat dit onmiddellijk samenhangt met een weder-geboorte-symboliek, die alle geheime genootschappen eigen is, en dus ongetwijfeld het diepste wezen van het verschijnsel raakt. Vier jaren in het bosch vormen een langen tijd en als de initiatie ten einde loopt, is de herinnering aan die wijdelingen, die aan de beproevingen der eerste dagen ten gronde zijn gegaan en wier graven allang door het woud zijn overwoekerd, reeds lang verbleekt. Dan eindelijk komt de dag dat de kinderen, die nu jonge mannen geworden zijn, naar het ouderlijke dorp zullen terugkeeren. In een maanloozen nacht in de overgangsperiode tusschen drogen en regentijd verlaten de wijdelingen onder leiding van den Namoe het bosch. Het kamp wordt neergebrand. De hutten der osimore, die reeds meerdere malen zijn vernieuwd, gaan in vlammen op en tenslotte tast het vuur ook de groote hut van den Namoe aan, die zich midden in het kamp verheft. De Poroh ‘zit’ niet meer. Thans vangt de wedergeboorte der adepten aan. Het oude leven is gestorven en nu heeft de overgang naar een nieuw leven plaats. Aan de kinderen, die in het dorp zijn achtergebleven, wordt verteld dat hun broers ginds in het woud door den Namoe verslonden zijn. Vier jaar blijven zij in zijn lichaam, tot ze in een donkeren nacht zullen worden herboren. De teekens van de Poroh op hun rug zijn niet anders dan de indrukken, die de tanden van den Namoe op hun lichaam hebben achtergelaten en de nieuwe naam dien zij dragen, geeft weer, dat de mannen, die uit het bosch zullen

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


134 terugkeeren, niet dezelfde zijn als de knapen, die er jaren geleden in verdwenen zijn. Een donkere zwijgende stoet van jonge mannen trekt door het stille woud, dat jaren lang hun woonplaats is geweest en nadert den boschrand, waar de schildwachten van de Poroh voor het laatst hun posten hebben betrokken. Zij passeeren de toegangspoort of ‘kana’, die in die jaren door een wilde vegetatie is overwoekerd en nagenoeg onherkenbaar is geworden. Achter die ‘kana’ ligt de nieuwe wereld, waarin ze als nieuwe, pasgeboren menschen binnengaan. Dan breekt een gehuil door den nacht heen. Een akelig gillen trilt door het woud en weerkaatst tegen het bosch. Vogels schrikken in het duister op. De Namoe schreeuwt in barensnood. Zijn uur is gekomen, de weeën kwellen zijn lichaam. In dit uur worden de osimore herboren. Het gehuil klinkt als dat van een gewonde hyaena, strijkt door de nachtdonkere bosschen heen, giert als een rauwe stormwind door het ravijn en bereikt, nauw hoorbaar nog, het verre dorp. Vreeswekkend is het. De weinige inboorlingen die nog niet in het dorp zijn teruggekeerd, vluchten naar hun hutten, waar de vrouwen, wien het streng verboden is iets van den Namoe te zien, angstig bij de vuren hurken. De Namoe en zijn donkere stoet bereiken nu het dorp. In het duister van den nacht trekken ze in een grooten boog rond de hutten, die ze steeds meer naderen en tenslotte verraadt het nabije gehuil, dat zij het dorp zelf zijn binnen getrokken, maar niemand waagt het zich te vertoonen voor het dag is. Dien nacht slaapt er geen mensch in het dorp, de ouders der kinderen zijn vol spanning voor wat de volgende morgen brengen zal en de overigen waken angstig aan het vuur, want in het donker trachten onzichtbare handen de hutten te openen en schrille, vreemde geluiden, als van rondgaande geesten, worden in het dorp gehoord. Wanneer dan eindelijk het daglicht aanbreekt, wagen de bewoners zich naar buiten en vinden aan den rand van het bosch den stoet der wijdelingen opgesteld, met een aantal oudere porohleden aan het hoofd. De Namoe is verdwenen en keert niet meer terug.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


135 Het gansche dorp loopt uit en onder ademlooze belangstelling der dorpelingen wordt bekend gemaakt welke stamleden heden nacht herboren zijn, en ook welke voor goed in den buik van den Namoe zijn achtergebleven. Dan barst allerwegen het feest los, maaltijden worden aangericht, vee wordt geslacht, verwanten uit naburige dorpen komen op bezoek, geschenken worden aangeboden. Intusschen voltrekt zich een merkwaardige plechtigheid. De herboren stamleden kennen de wereld waarin ze herboren zijn niet meer terug. Alles is hun vreemd. Zij herkennen hun ouders niet meer, noch hun broers en zusters. Zij weten niet meer waar de rivier is, waar zij zich plachten te baden, noch de plaats waar het gebeente van hun voorouders rust. Wee den wijdeling, die zich zoo vergeten zou, dat hij bij het terugzien van zijn familie teekenen van herkenning zou geven of ontroering zou laten blijken. Het zou hem streng worden aangerekend. Ten einde ze in te lichten voeren vrienden en bekenden hen rond. ‘Deze man, deze vrouw zijn je ouders, begroet ze! Dit zijn je broer, je zuster, je vaders kinderen. Dat gebouw daar is de hut waarin ze wonen, ga binnen, zet je aan het vuur en eet! Daar staan aarden schalen en kalebasvaatwerk. Daarin kookt je vaders vrouw het eten voor haar familie. Zij is een goede vrouw, zij heeft het eten voor haar familie tijdig gereed, het is rijkelijk en goed bereid! Ginds liggen de netten waarmee ze ter vischvangst gaat en de manden waarmee de rijst wordt gewand. Kom mee! Ginds is de rivier, waar je zusters water scheppen en zich baden. Zet je in die kano! Zij dient om je over te zetten naar den anderen oever of om langs de rivier op jacht te gaan. Daar in de verte, waar de rook opstijgt boven het bosch, ligt het dorp van het hoofd Mangabah, die verleden jaar gestorven is, toen zijn twee zoons nog in de ingewanden van den Namoe leefden...’ Zoo vergaat de dag in vreugde en in de roes van het feest vergeet men het leed van de families, waarvan de zoon in den stoet ontbrak, omdat hij niet herboren werd. De nieuwe stamleden genieten de eerste dagen na hun terugkeer

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


136 in het leven bijzondere voorrechten. Zij mogen door het dorp gaan en voedsel dat ze vinden, voor zich opeischen, zelfs kippen, geiten, schapen laten slachten, zoodat allerwege de stallen gesloten worden gehouden. Niets is veilig voor hun baldadigheid. Maar dan verstommen allengs de danstrommen, het maisbier, de palmwijn zijn uitgedronken, en het leven van elken dag herneemt zijn rechten. De nieuwe stamleden hervatten den arbeid, leggen eigen plantages aan en beginnen langzamerhand aan een huwelijk te denken. Over zeven jaar zal het dorp opnieuw het ‘bed’ van een Poroh zijn. De Poroh is essentieel een mannelijke organisatie, waarvan alle plechtigheden voor vrouwen een streng verboden schouwspel vormen. Afgezien van de oude vrouw, die somtijds het eten voor de jongens in het bosch klaar maakt, is de toegang voor vrouwen tot het bosch dan ook geheel verboden. Ongelukkig de vrouw, die op een zwerftocht door het bosch in de nabijheid van een Poroh komt. Zij loopt het grootste gevaar door gemaskerde mannen mishandeld te worden, en werd in vroeger tijden nooit meer vrijgelaten. Waar echter een Poroh is, kan men met zekerheid ook het bestaan van een vrouwelijke parallelorganisatie verwachten, die eveneens zeer wijdvertakt is, maar in elk geval van minder groote beteekenis dan de Poroh. Deze geheime vrouwenbonden dragen al naar de streek waar ze voorkomen verschillende namen. In Sierra Leone heeten ze meerendeels Bundu, terwijl men ze bij verschillende Liberiaansche stammen Zande noemt. De Bundu verzorgt de opvoeding der meisjes en heeft daarvoor vrouwelijke dignitarissen, waaronder de Bundu-devil een voorname plaats inneemt. Evenals de Poroh organiseert de vereeniging een Bundu- of Zandebosch, soms in aansluiting aan de Poroh-initiatie. Er bestaat, zooals te verwachten is, zeer veel overeenkomst met de mannelijke organisatie, maar de Bundu is veel minder geheim en heeft ongetwijfeld ook minder nevendoeleinden dan de Poroh. Een Zandebush kan tot drie jaar omvatten, maar in de meeste gevallen duurt de initiatie der meisjes korter, hetgeen ook weer

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


137 een geldkwestie is, want de neger is over het algemeen niet bereid om aan de opvoeding van zijn dochters zooveel ten koste te leggen als aan die van zijn zoons, alweer tout comme chez nous. Niet zelden is de initiatie beperkt tot een paar weken, soms nog korter. Ook in ander opzicht zijn de regels van de Bundu veel minder streng dan die van de Poroh. Dikwijls mogen de meisjes reeds spoedig na den aanvang der initiatie, waarbij ze ook met lidteekens gemerkt en somtijds besneden worden, des avonds naar huis terugkeeren om daar te slapen. De Bundu-Namoe draagt evenals de Poroh-dignitaris een masker, dat echter nauwkeurig bekend is en waarvan ik verscheidene exemplaren heb gezien. Het is uit zwart geverfd hout gemaakt en wordt als een kap over het hoofd gedragen. Het masker stelt een vrouwenhoofd voor met fijn besneden trekken en is gesierd met een hoofdtooi waaruit twee horens naar boven steken. Om de horens is gewoonlijk een witte doek gewonden. Aangezien de draagster het geheel als een klok over het hoofd stulpt, is de onderkant van het masker wijder dan het bovenstuk. De hals vertoont een aantal horizontale ribbels, die eenigszins herinneren aan de halsversieringen uit koperdraad der Masai- en Akikuyu-vrouwen van Oost-Afrika. Beneden het masker draagt de Bundu-devil een mantel van zwartgeverfde raphiavezels, waardoor het geheel bijzonder indrukwekkend is. In het Bundubosch worden de jonge meisjes onderricht in allerlei zaken, die de vrouw aangaan. Zij worden onderwezen in huishoudelijke bezigheden, zij leeren de producten van het land en de wildernis kennen. Soms worden ze met een blad van een bepaalde struik of boom het bosch ingezonden, om de plant, waarvan het blad afkomstig is te leeren kennen. Oudere vrouwen lichten hen in over de geboorte en de verzorging der kinderen en hun plichten als vrouw en moeder. Na terugkeer der Bundumeisjes, die veel minder dramatisch verloopt dan die der Porohleerlingen, treden de meisjes gewoonlijk bijna onmiddellijk in het huwelijk.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


138 Terloops sprak ik reeds over andere doeleinden van de Poroh. Want inderdaad is de taak van dit genootschap veel en veel meer omvattender dan die der opvoeding alleen. Het zijn deze andere facetten van het Poroh-probleem, waarachter de meeste geheimen schuilen. Men zegt wel eens dat de Poroh in bepaalde gedeelten van West Afrika een staat in den staat vertegenwoordigt, en hoewel de uitdrukking de verhoudingen wat te sterk accentueert, is zij toch niet ver van de waarheid. Enorm is de invloed van de Poroh en zij oefent deze voornamelijk uit door het bijna onbeperkt hanteeren van verboden, van taboe's, juister wellicht door praktisch op elk gebied het recht van veto voor zich op te eischen. Slechts zelden is het optreden van de Poroh van positieven aard; zij verbiedt meer dan zij gebiedt, doch door het groot aantal veto's dat zij uitspreekt is haar conservatieve, regelende invloed toch op bijna elk terrein voelbaar. Zoo zal wanneer in een rivier de vischstand achteruitgaat en er gevaar voor leegvisschen van het water bestaat, het genootschap een Poroh leggen op de rivier, waardoor het visschen aldaar verboden wordt. Zijn de oogsten tegengevallen en dreigt er voedselschaarste, dan verbiedt de Poroh den inboorlingen naar de velden te gaan anders dan in groepen, om te voorkomen dat de enkeling zich te veel van het voedsel zou kunnen toeĂŤigenen. Het optreden van de Poroh kan in sommige gevallen de taboe's, zooals we die in Nederlandsch IndiĂŤ en in bepaalde deelen van den Pacific kennen, benaderen en ontaarden in een systeem van (momenteel) zinlooze verboden, die ook economisch niet verantwoord zijn, en de bevolking schade veroorzaken.Tegen het einde der vorige eeuw namen dergelijke tyrannieke Porohs op voedsel zoo toe, dat de regeering van het protectoraat elke taboeĂŤering van voedsel verbood. Met dat al heeft de Poroh ook thans nog grooten invloed op het economische leven, en hiermede ook op politiek terrein. Zij brengt hoofden die zich niet naar haar wenschen gelieven te schikken, ten val of verhindert hun benoeming. Dat zij onder omstandigheden ook in de politieke betrekkingen tusschen de bevolking en het Gouvernement een rol kan spelen, ligt voor de hand, en men heeft

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


139 de Poroh dan ook wel verweten, in binnenlandsche troebelen de hand te hebben gehad. Zoo wordt de Mende-opstand van 1898, die in elk geval voor het grootste deel aan het invoeren van de hut-belasting te wijten was, dikwijls aan agitatie van de Poroh toegeschreven, waarschijnlijk echter ten onrechte. De Poroh heeft dus behalve een opvoedend-religieuse, ook een economisch-politieke kant en van zelf rijst de vraag: Moeten de afzonderlijke Porohbonden gezien worden als afdeelingen van een grooter lichaam met centraal bestuur? Mijns inziens is het antwoord op deze vraag volkomen ontkennend. Hoewel sommige Porohgenootschappen ongetwijfeld samenhangen, moet men de nu eens hier, dan weer daar opduikende uitingen van den geheimbond niet beschouwen als uitgaande van een gecentraliseerd bestuur, doch als verschijnselen van localen aard. De verschillende Porohs zijn geen afdeelingen van een groot genootschap, doch veeleer parallel-verschijnselen van geheel autonoom karakter. Elk opperhoofd kan met de onder hem ressorteerende hoofden een Poroh leggen om een bepaald doel te bereiken, en wellicht is het ook niet juist om de politieke en economische functies van de Poroh zonder meer te vereenzelvigen met de religieuze, opvoedende Poroh, m.a.w. het is nog de vraag of het Genootschap dat in een bepaalde streek een Porohbosch organiseert, hetzelfde is als dat, hetwelk in die zelfde streek voor een of andere rivier een vischverbod uitvaardigt. Dat onder omstandigheden anti-blanke tendenzen naar voren kwamen, kan geen verwondering wekken, hoewel ze in de Poroh nimmer een zoo groote rol speelden als bij de Borfimahgenootschappen der menschelijke panters. Hoe dit alles ook zij, wanneer men de Porohverschijnselen onpartijdig en in hun structureelen samenhang met de West-Afrikaansche maatschappij beschouwt, dan moet de Poroh, hoewel ook kanten vertoonend, die ons ongewenscht voorkomen, toch in zijn geheel een nuttige instelling worden genoemd, die onder omstandigheden zelfs een weldadigen invloed op de samenleving uitoefent en voorloopig in dit milieu niet kan worden gemist. Al is de Poroh nog zoo geheim, toch is er voor een onderzoeker,

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


140 die gedurende een reeks van jaren zijn arbeid heeft onder diverse stammen van West-Afrika, en zich voor hetgeen er in de bevolking omgaat interesseert, menigmaal gelegenheid om iets omtrent het genootschap te weten te komen. Zoo was het ook in mijn geval en hoewel mijn persoonlijke ervaringen geenszins sensationeel zijn, kon ik soms toevallig, soms ook opzettelijk met Poroh-aangelegenheden in aanraking komen. Het is verscheidene jaren geleden, dat ik in een afgelegen dorp van het Kpellegebied in Midden-Liberia, niet ver van de Manohrivier, mijn eerste ervaring opdeed. Ik was, zooals de lezer elders in dit boek vernomen heeft, met een betrekkelijk kleine karavaan op weg van Monrovia naar den Niger. Na mijn vertrek uit Ngumbe begaf ik mij in noord-oostelijke richting op zoek naar een paar kleine Kpelle-dorpen, die mij een geschikt arbeidsterrein leken voor mijn werk. Ik bracht in genoemde streek, die slechts dun bevolkt was, en door zwaar, hoog opgaand oerwoud was bedekt, eenige dagen door en keerde, toen de onderzoeksresultaten teleurstellend bleken te zijn, naar mijn oude route terug, met de bedoeling Gahanta te bereiken, dat ik ongeveer anderhalve dag gaans verwijderd wist. We waren laat vertrokken. Ik voelde me niet geheel wel en vreesde dat een koortsaanval op komst was, zoodat ik besloot zoo snel mogelijk, desnoods ook 's nachts, door te reizen. We hielden een lange middagrust in het bosch, waarbij de dragers rijkelijk van voedsel werden voorzien, en ik deelde de mannen toen mee, dat we gedwongen waren den nacht door te marcheeren. Een dergelijke order geeft over het algemeen weinig moeilijkheden, aangezien een nachtelijke marsch dubbel loon beteekent met nog een dash1) toe bovendien. Bovendien was het terrein niet bovenmate moeilijk en het weer droog. We braken dus weer op. Traag kroop de karavaan door het warme bosch. Ik was meer vermoeid, dan ik me bekennen wilde en had moeite de mannen bij te houden, zoodat

1) cadeau, fooi (Pidgin).

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 140

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 141

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


141 ik tenslotte met mijn boy Moses alleen was achtergebleven en de dragers ver vooruit waren geraakt. Toen we zoo voortgingen, viel eensklaps mijn oog op een tweetal twijgen, die op een merkwaardige manier tesamengeknoopt boven het pad hingen, dat nagenoeg geheel door dicht gebladerte werd overkoepeld. Ik hield het eerst voor een bericht, door de dragers aan ons achtergelaten, maar vermoedde, naderbij gekomen er een teeken in van een of anderen geheimbond, mogelijk van de Poroh. Zonder iets te laten blijken, liep ik een eindweegs verder, gaf voor dat ik wat wilde rusten, en stuurde Moses door met het bevel, dat de dragers aan de eerste de beste kreek moesten wachten tot ik ze had ingehaald. Nauwelijks waren de voetstappen van mijn boy in het bosch verklonken, of ik keerde naar de plaats, waar de twijgen over het pad hingen terug. Mijn vermoeden bleek juist geweest te zijn. Toen ik het omringende struikgewas afzocht, vond ik op nog geen twintig meter afstand van het pad een merkwaardige constructie. Het was een lage poort uit ruwe takken en met weinig zorg samengesteld, waarachter een nauw zichtbaar pad zich in het bosch verloor. De eigenlijke doorgang, zoo laag dat men ze slechts gebukt passeeren kon, was met een voorhangsel van palmbladvezels afgesloten. Er kon geen twijfel aan zijn of ik stond hier voor den ingang van een Porohbush, een kana of kamela (kana is de eigenlijke opening, terwijl kamela de schermvormige omkleeding van het geheel beteekent). Ik naderde behoedzaam, want ik wist dat dergelijke ingangen waarvan elk Porohbush gewoonlijk er slechts een heeft, door gewapende schildwachten worden bewaakt, tuurde door het gebladerte, stond stil en luisterde gespannen. Maar niets bewoog zich, er was geen ander gerucht te hooren dan het ritselen van insecten in den boschbodem, of het hier en daar neervallen van vruchten, verder was alles stil. Hoewel de zon reeds laag aan den hemel stond en het licht in het bosch snel afnam, besloot ik het pad achter de kana een eindweegs te volgen. Ten einde de constructie, die, te oordoelen naar den toestand der palmvezels, nog niet zeer lang geleden gebouwd kon zijn,

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


142 niet te beschadigen, en mijn bezoek daardoor te verraden, brak ik eenige tientallen meters verder door 't struikgewas heen en bereikte, me voorzichtig een weg banende door de bijna ondoordringbare plantenmassa's, het pad achter de kana. Behoedzaam voortgaande, volgde ik het pad ongeveer tien minuten ver, toen ik op een kleine kreek stuitte, die ik doorwaadde. Aan den overkant trof ik in den modder indrukken van naakte voeten aan, maar de sporen waren onduidelijk en zeker al geruimen tijd oud. Ik stond hier langen tijd stil, en toen ik geen enkel geluid hoorde, ging ik verder. Enkele minuten later vond ik een aantal vermolmde stammen langs het pad, die de totaal vergane resten van een grooten panterval bleken te vormen. De val moest zeker al jaren geleden verlaten zijn. Hij was leeg, doch in een hoek vond ik gedeeltelijk door schimmels overdekte beenderresten, waarschijnlijk van een geit, die als lokaas had gediend. Nog geen honderd schreden verder bleef ik plotseling stil staan, want aan het pad, dat zich daar ter plaatse verbreedde, lag een kleine ronde hut met kegelvormig strooien dak. Ik aarzelde of ik verder zou gaan, maar toen ook hier alles rustig bleef, naderde ik de hut en keek voorzichtig naar binnen. Ze was leeg. Het gelige avondlicht speelde door de boomen heen en viel door de deuropening, zoodat ik het inwendige goed kon opnemen. Ik trad binnen. Langs den wand stond een eenvoudig rustbed en middenin lag de asch van een uitgebrand vuur met er naast een kleine houtvoorraad. Snel keek ik rond. In de palmbladbedekking van het dak stak een mes van Kpellemaaksel met bontbewerkte leeren schede en een ruw gesneden houten pijp. Bij den ingang hing op een stok een muts van pantervel. Verder was er niets in de hut aanwezig. Ik stak mijn hand in de asch. Het wilde me voorkomen dat de bodem er onder niet geheel koud was. Misschien had het vuur den vorigen nacht gebrand en werd in de hut alleen 's nachts de wacht betrokken. Buiten werd het donker. Ik gaf me er rekenschap van, dat in dat geval de wachter elk oogenblik kon terugkeeren, en aangezien het met het oog op de vallende duisternis te gevaarlijk was het pad nog verder te volgen, besloot ik terug te gaan. Mogelijk

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


143 was het Porohkamp nog ver af, maar de aanwezigheid van een wachtpost maakte het waarschijnlijker dat het niet ver meer verwijderd kon zijn. Een half uur later was ik terug aan het pad, waar intusschen de duisternis begon te vallen. Ik haastte me om de dragers in te halen, want in deze nagenoeg onbewoonde streek kan een eenzame wandelaar na het vallen van de schemering voor onaangename verrassingen komen te staan. Bovendien had ik geen licht bij me en wilde de dragers niet te lang met de bagage alleen laten, aangezien er eenige typen bij waren, die ik niet vertrouwen kon. Gelukkig scheen de maan en was het niet volkomen duister. Na een klein uur voortgegaan te zijn, schemerde een lichtje door de boomen heen, dat ik - ik kom er eerlijk voor uit - met hartgrondige vreugde begroette, want ik ben vreesachtig van aard en een eenzame nachtelijke wandeling door onbewoond bosch dat allerlei gedierte herbergt en waar we meerdere malen des nachts het heesche schreeuwen van panters hoorden, behoort niet tot mijn favoriete genoegens, vooral niet wanneer ik geen lantaarn bij me heb. Even later vond ik Moses langs het pad, die mijn lang wegblijven niet begreep, en mij met den smallboy tegemoet was gegaan. Het was inmiddels nacht geworden en alleen de maan twinkelde door het zwarte gebladerte heen. De smallboy ging met de lantaarn voorop, dan volgde ik, dan Moses. Wanneer het eenmaal nacht is in het bosch, verliest men alle begrip van tijd en ruimte. Steeds nieuwe boomen verschijnen in den lichtkring van den lantaarn en verdwijnen weer. Machtige donkere profielen, sommige fantastisch en gedrochtelijk, andere angstwekkend als hurkende dieren, gereed voor den sprong, doemen uit het duister op, lossen zich op tot doode takken, verwrongen lianen of wilde bladermassa's, en verliezen wanneer het licht ze beroert hun vreemde betoovering, maar daarachter duiken steeds nieuwe grillige schimmen op wanneer de lantaarn wisselende flakkerende schaduwen in het bosch werpt. Het is of achter struiken loerende oogen ons aangluren en snel en geluidloos wegsluipen in de poelen naast het

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


144 pad wanneer we naderen, maar het zijn slechts natte bladeren, die glanzen in het onzekere schommelende schijnsel van de lamp. Dan slingeren zich monstrueuze slangen traag uit het geboomte te voorschijn, kronkelen hun schubbige windingen door den modder of hangen roerloos boven het pad. Ik weet dat het lianen zijn, eeuwenoude strengen slingerplanten, die als in vertwijfeling om hun duizendjarigen, vruchteloozen kamp om het licht, zich ter aarde hebben gestort. Ik zie op mijn horloge. Het is nu elf uur. Binnen een half uur moeten we aan de rivier zijn, en spoediger dan we verwachten, bereiken we de plaats waar de dragers bijeen zitten en de bagage ligt opgestapeld. ‘De rivier is vlak bij,’ zegt een van de zwarten, ‘maar het vlot is aan den overkant.’ Ik tel de mannen: allen zijn aanwezig. Zwoel en drukkend is de nacht. De donkere lichamen van de dragers glanzen van het zweet. Ik ben huiverig, laat een vuur aanleggen en deel tabak rond, die zwijgend wordt geaccepteerd. De mannen zetten zich in een kring rond het vuur; sommigen liggen languit op den grond en rooken. Er wordt luidruchtig gepraat, een bewijs dat de dragers niet uitgeput zijn. Voorzichtig probeer ik Moses aan het spreken te krijgen over de kana, die ik onderweg gevonden heb, want Moses kent de streek. ‘Zeg Moses,’ vraag ik, ‘zit er op het oogenblik een Poroh in de streek waar we vanavond doorgekomen zijn?’ Moses, die aan het vuur zit te rooken, kijkt opeens op. Ik kan zijn gezicht niet zien, maar zijn houding verraadt verrassing. ‘No massa,’ klinkt het in het donker, ‘Zit er dan een Bundubush daarginds?’ ‘No massa,’ herhaalt de stem. ‘Je moet je vergissen,’ dring ik aan. ‘Ik heb de samengevlochten twijgen boven het pad zien hangen toen de schemering viel, en heb de kana in het bosch gevonden en daarachter de hut van den waker met de panterkap.’ Nu bemerk ik duidelijk, dat deze vraag Moses in hooge mate onwel-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


145 kom is. Hij is zelf Porohman, zooals bijna alle dragers aan het vuur. Wanneer ze baden in de rivier zie ik hun teekens. ‘No massa, no poroh sit down for this country,’ klinkt het kort af. Maar op hetzelfde oogenblik, na enkele woorden onder elkaar gewisseld te hebben, worden de dragers stil. Sommigen, die languit op den grond liggen, richten zich half op om beter te kunnen luisteren. Slechts enkelen kennen wat Pidgin of Engelsch, maar ze hebben een paar woorden opgevangen die hun bekend zijn en begrijpen waar het over gaat. En ik voel, voel haast tastbaar, wat deze vijandige stilte wil zeggen: Blanke man, bemoei je niet met de zaken van het bosch! Ik ben niet op mijn gemak. Pas een paar dagen geleden heb ik die diefstal gehad aan de rivier, zoodat het zaak is met deze dragers, waaronder verschillende ongure typen voorkomen, de onbetrouwbaarste karavaan, die ik ooit heb gehad, voorzichtig te zijn. Wanneer ik den kring rondkijk, zie ik vijftien, twintig paar oogen op me gericht, sommige spottend, andere argwanend, als wilden ze me ondervragen wat ik achter die kana heb gezien, wat ik weet... Een enkele maakt onderdrukt een opmerking en ijzig koel gegrinnik volgt in den kring. Het kan zijn dat ik koorts krijg, maar ik voel me haast physiek onwel. Als ze me hier willen verdonkeremanen, zeg ik bij me zelf, zal er nooit een haan naar kraaien. Ze kunnen, als ik niet terugkom, later zeggen dat ik ben omgekomen, dat ik verdronken ben bij het oversteken toen die lianenbrug voor onze oogen brak en niemand zal ooit weten waar ik ergens in het moeras lig. Wat zijn dat voor gedachten, vraag ik mezelf af. Je hebt koorts, je krijgt malaria, voel maar hoe je pols jaagt. De schrik hier in deze wildernis ziek te worden, geeft me nieuwe kracht, jaagt me op, hoewel mijn hoofd bonst en koude rillingen mijn lichaam schokken. ‘Opbreken!’, beveel ik. Even dreigt er traag verzet, maar dan tillen de dragers zwijgend de kisten op de hoofden. Het gevaar is voorbij. We dalen af naar het water dat op korten afstand in een blauwe mist voor ons ligt. Het vlot is inderdaad aan den anderen kant.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


146 ‘Sixpence voor den man, die het haalt!’ Twee plonsen volgen, het geluid van zwemslagen, die zich verwijderen in het donker. Een paar minuten later klinkt het plassen van een vaarboom in het water en duikt het vlot uit den mist op. We gaan in drie groepen over. Moses en ik blijven het laatst achter met de voornaamste bagage. De boy is ernstig. Mijn slapen bonzen van koorts. Zegt hij wat? Ja, terwijl hij een der draaglasten opnieuw vastbindt, waarschuwt hij me: ‘Porobush very bad place. He be deep too much.’ ‘Mij een zorg. Maak die kist open, Moses. Ik moet kinine hebben.’ Ik ben bereid te erkennen, dat ik me in den loop der jaren meerdere malen bewust bemoeid heb met geheimbondzaken wanneer de gelegenheid zich voordeed. Ik zeg: ik erken dit, want dergelijke pogingen van onbevoegden om zich met deze dingen in te laten, worden door de inboorlingen als een onhebbelijkheid, op zijn minst als een onhoffelijke daad beschouwd. En ik erken ook, dat tegenover de weinige malen dat mijn pogingen succes hadden, veel talrijker andere stonden, die een echec beteekenden. Met dat al geloof ik niet, dat er in de door mij bestudeerde gebieden veel geheimbonden zijn, welker devils en andere officials ik niet heb gezien. Tot nog toe zijn echter mijn pogingen om Gbainie, den Porohdevil te zien te krijgen, op niets uitgeloopen. Eens vertoefde ik in de omgeving van een dorp der Guerzé van den boschgordel van het uiterste zuiden van Fransch-Guinea, waar ik toevallig - van een Griek, die land en bevolking goed kende - vernam, dat in de omgeving een Poroh zat. De Guerzé zijn óf identiek aan de Kpelle van Liberia, óf er ten nauwste mee verwant - ik geloof zelfs dat de woorden Kpelle - ook wel Kpwessi op Kpessi geschreven - en Guerzé slechts twee schrijfwijzen, beide slechts ruwe benaderingen zijn van een en denzelfden stamnaam. Men verwachtte dat deze Poroh spoedig zou eindigen, en daarmee deed zich dus een gelegenheid voor om iets naders van den zeer

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


147 diepen Poroh der Kpelle te weten te komen en wellicht Gbainie zelf te zien te krijgen. Ik begaf me dus naar het dorp en begon er een bloedonderzoek, dat in een dag had kunnen afloopen, maar waarmee ik niet de minste haast maakte. Maar de dagen verstreken en niets wees er op dat de Poroh binnenkort eindigen zou. Zelfs kreeg ik den indruk, dat men met de sluiting zou wachten tot ik weer verdwenen was, zoodat ik eenige dagen later mijn vruchtelooze pogingen opgaf en de reis naar het noorden voortzette. Een zeldzaam toeval speelde mij echter eenige jaren later een werkelijke afbeelding van den Gbainie in handen. In den herfst van 1934 keerde ik uit Zuid Sierra Leone, waar ik een uitvoerig bloedonderzoek onder de Mende had uitgevoerd, terug naar de kust. De reis, die bijna geheel in gietenden slagregen, want de regentijd naderde zijn hoogtepunt, was afgelegd, had me tamelijk vermoeid, zoodat ik besloot om niet dadelijk naar Freetown door te reizen, maar me eerst nog eenigen tijd op te houden in Moyamba, aan den Pendembu-spoorweg. Ik was hier eenige dagen de gast van den Senior-District-Commissioner, Mr. Hollins, wiens studies op het gebied van het recht der Mende in koloniale kringen bekendheid hebben gekregen en maakte er tochten in de omgeving, die tamelijk dicht bewoond was en een vriendelijk, aantrekkelijk natuurschoon bood. Tijdens mijn verblijf bezocht ik verscheidene malen het hoofd van Moyamba. Deze Chief was een zeer ontwikkelde, nog betrekkelijk jonge man, die uitstekend Engelsch sprak, Christen was en uitgesproken Westersche, aan het bush ontgroeide, ideeĂŤn huldigde. Zijn erf, dat zich langs de rivier uitstrekte, was wel onderhouden, op haast Europeesche wijze met bloemen gesierd, en telde een vrij groot aantal in Mendestijl opgetrokken hutten, met palmbladstroo gedekt. Deze uitgestrekte compound bezat een fleurig terras, dat aan het water gelegen was en een der vriendelijkste inboorlingen-woningen vormde, die ik ooit heb aangetroffen. Hoewel natuurlijk ook hier Europeesche artikelen hun intrede hadden

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


148 gedaan, bezat deze opperhoofdwoning toch een eigen inlandschen stijl. Op een goeden dag wandelde ik in den compound rond en vond eenigszins achteraf gelegen een groote ronde hut, die ik tevoren niet had opgemerkt en geheel gesloten was. In de meening dat de hut wellicht bruikbaar zou zijn als laboratorium voor het onderzoek, probeerde ik ze binnen te gaan, en ontdekte tot mijn verwondering dat de geheele binnenwand in het rond van muurteekeningen was voorzien. Deze teekeningen waren in kleuren uitgevoerd en bevonden zich in zoo goeden staat, dat ze slechts eenige jaren oud konden zijn. Er waren afbeeldingen bij van steltloopers, van slangenbezweerders, die met hun leerlingen in feestelijken optocht naar het geheimbosch marcheerden en meer dergelijke voorstellingen. Ook was er een fraai gestyleerde en met onmiskenbare, naieve gratie geteekende afbeelding van een Mende-dorp, als uit de lucht gezien, maar het meest trof me een teekening, die een groote gemaskerde figuur weer gaf, die in gebogen houding dansende voorwaarts scheen te gaan. Toen ik aan de duisternis gewend was, zag ik tot mijn verbazing dat ik een afbeelding van den Gbainie voor me had. Dit bleek niet alleen uit de uitrusting van den devil, maar ook reeds uit een opschrift, dat merkwaardigerwijze in Pidgin-Engelsch was aangebracht. Hoewel de belichting zeer ongunstig was, slaagde ik er in een dragelijke foto van het geheel te nemen. Ik heb nooit begrepen hoe het mogelijk was dat een hoofd der Mende een afbeelding van den geheimen Poroh-Namoe op een zoo voor bijna ieder bereikbare plaats in zijn compound had laten aanbrengen. De eenige verklaring, die ik er voor kan bedenken, is dat de man, die zooals ik reeds opmerkte, in elk opzicht Europeesche en Christelijke ideeĂŤn had, in zijn persoonlijk leven met alles gebroken had, wat hij als resten van een heidenschen tijd beschouwde. Of hij zelf Porohlid geweest was, heb ik niet kunnen ontdekken. Zeker moet echter de teekenaar der afbeeldingen, een jonge, artistiek begaafde Mendeneger, den Gbainie uit eigen aanschouwing hebben gekend.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


149

Hoofdstuk IX. De Slangendanser van Ngagboma. ZOOJUIST verhaalde ik hoe een zeldzaam toeval op een plaats waar ik het allerminst verwacht zou hebben, mij een afbeelding in handen speelde van Gbainie, den Porohduivel der Mende. Die vondst, in een afgelegen hut op het erf van het hoofd van Moyamba, bleek echter van nog meer waarde te zijn, dan ik aanvankelijk dacht. Oorspronkelijk had ik alleen op die muurschildering gelet, waarop de geheimzinnige Gbainie was afgebeeld, maar toen ik eenige dagen later op het terrein van de Chiefs-compound een laboratorium had ingericht, waar ik mijn bloedonderzoek, dat in de vallei van de Taberivier aangevangen was, wilde voltooien, keerde ik nogmaals naar de hut terug om de andere fresco's te bestudeeren. Naast een afbeelding van een steltdanser, die ten aanschouwe van een geheel dorp zijn acrobatische kunsten vertoonde - zooals men deze in dit gedeelte van Sierra Leone dikwijls kan waarnemen, - was mij reeds bij mijn eerste bezoek een teekening opgevallen, die ik nader wenschte te bestudeeren. Het was een voorstelling van een soort slangenbezweerder, althans van een inboorling die met slangen omging. Met kunstvaardige hand en een na誰even, hoewel uitgesproken artistieken smaak, had de jonge Mende die deze muurteekeningen had aangebracht, een vreemd tooneel afgebeeld. Het midden van de teekening werd gevormd door de merkwaardige figuur van een man, die om zijn wilde, ongesneden haar, dat in lange tressen was gevlochten, een witten hoofddoek gewonden had, en in een fantastisch costuum gehuld was. Een bonten leeren gordel, die met stukken panterhuid was versierd en van eigenaardig gevormde, uitstaande leeren schilden was voorzien, omgaf zijn lendenen. Om zijn beenen waren reeksen ijzeren dansschellen

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


150 gebonden van het type zooals ze bij tal van geheime bonden in Afrika in gebruik zijn. Verdere details te onderscheiden stond de teekening niet toe, maar wel was er op te zien, dat de man een monsterachtige donkere slang in zijn handen hield. Het dier was, te oordeelen naar de grootte van de menschelijke figuur, ongeveer twee en een halve meter lang en stelde waarschijnlijk een Afrikaansche cobra voor. De slang kronkelde zich alsof ze den bezweerder wilde aanvallen en beroerde met haar bek zijn gezicht. Een tweede slang viel den man in den rug aan, terwijl een derde zich om zijn hals gestrengeld had. De man vormde het middelpunt van een stoet. Een tiental kleine figuren, allen bijna naakt, vermoedelijk jongens voorstellend, ging voor hem uit. Allen droegen slangen om den hals. Uit het onderschrift, dat in het Engelsch was aangebracht, bleek, dat het hier een optocht gold die georganiseerd was ter viering van den feestdag van een slangengenootschap. De stoet was op weg naar het geheimbosch, dat met het woord varhun werd aangeduid. Dat varhun was eveneens op een zeer na誰eve wijze afgebeeld en bestond uit een ingang, die sterk herinnerde aan die van een Porohbosch, waaraan men duidelijk het kamela of kamehra-scherm met de toegangspoort (kana) kon onderscheiden, waarachter het eigenlijke bosch aanving. Een kleine gedrongen figuur, die volgens een aanwezig opschrift den naam Nugbama droeg, ging den stoet vooraf. Nugbama werd gevolgd door eenige leden van het genootschap, waarachter de lange reeks der wijdelingen begon. Terzijde van den stoet ging merkwaardigerwijze een vrouw met name Mangoma, die een medicijnflesch droeg, die op de figuur als jujubottle werd aangeduid, doch in werkelijkheid bakadjani heet, terwijl ze verder een kist met slangen op het hoofd balanceerde. Achter den bezweerder, die volgens de inscriptie den naam Gbondo Gomeh voerde, volgde 'n aantal musici, die de typische rinkeltrom van Sierra Leone bespeelden, en andere inboorlingen, die blijkbaar geen lid van het genootschap waren, doch den stoet ter opluistering begeleidden. De teekening interesseerde me bijzonder door het feit dat de inscrip-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


151 ties namen vermeldden, die naar het me voorkwam geen fictieve personen konden aanduiden, doch slechts werkelijk bestaande. Ik vroeg me af of deze personen, die naar alle waarschijnlijkheid deel uit maakten van de Kali-sale, den geheimen slangenbond, nog in leven waren. Kon ik deze opsporen, dan zou dat een gelegenheid opleveren om iets naders te weten te komen over dezen slangenbond, die wel is waar niet zoo ‘diep’ als de Poroh, doch ongetwijfeld zeer moeilijk te benaderen was. Ik besloot dus pogingen te doen om met den slangenbezweerder in contact te komen. Helaas deed zich hierbij de moeilijkheid voor dat het hoofd, die me waarschijnlijk hierover wel gegevens had kunnen verschaffen, inmiddels vertrokken was, en al spoedig bleek dat er in de compound niemand te vinden was die eenige inlichting kon geven. Derhalve begon ik - zonder echter een te opvallende belangstelling te toonen - navraag te doen bij een aantal oude inboorlingen van het dorp of ze een man gekend hadden, die Gbondo Gomeh heette, maar overal kreeg ik hetzelfde antwoord: dat niemand zich herinnerde ooit dien naam te hebben gehoord. Ik begon reeds te gelooven, dat Gbondo Gomeh een fictieve persoon was, toen een oude Mende mij vertelde, dat deze reeds jaren geleden was gestorven, maar zijn beroep door een ander was overgenomen. Op mijn vraag, hoe die opvolger heette en waar hij woonde, kreeg ik ten antwoord, dat hij dat niet wist. Ik begreep uit een en ander dat de bezweerder blijkbaar niet uit de streek zelf afkomstig was geweest, want zelfs de oudste bewoners van het dorp konden mij niet inlichten. Toen liet ik in den omtrek nasporingen doen en zond speciaal daarvoor enkele van mijn menschen naar dorpen in de omgeving, doch niemand keerde met berichten terug. Een dag of wat later geschiedde er echter iets dat mij op het spoor van den bezweerder bracht. Terwijl ik op een avond aan mijn onderzoek zat te werken, hoorde ik voor mijn hut plotseling een heftige woordenwisseling en toen ik naar buiten kwam om te zien wat er aan de hand was, bleek dat een man naar binnen had willen gaan, maar dat mijn kok Mommoh hem dit wilde verhinderen. In het schemerige avondlicht kwam een armelijke figuur nader en

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


152 ik herkende de ellendige gestalte van een ouden melaatsche, dien ik reeds eerder in het dorp had opgemerkt, een van die ongelukkigen, die in sommige gedeelten van West Afrika opvallend talrijk zijn. ‘Die man wilde Uw hut binnengaan, maar ik heb hem gezegd, dat hij buiten moet blijven, hij is een leproze,’ zei Mommoh. De melaatsche protesteerde heftig en dreigde den kok zelfs met een stok te lijf te gaan. Toen ik hem vroeg wat hij wilde, kreeg ik een stortvloed van woorden aan te hooren, waaruit zelfs Mommoh niet wijs kon worden, maar opeens ving ik een bekend woord op: Gomeh. ‘Heeft de man berichten over Gbondo Gomeh?’ vroeg ik belangstellend. Na een lange discussie met Mommoh, die zooals alle Mohammedanen een hartgrondigen afkeer van melaatschen had, bleek dat de leproze Gbondo Gomeh vroeger gekend had, doch dat deze inderdaad reeds lang geleden overleden was. Hij wist echter ook dat zijn opvolger, die den naam Fili droeg, nog leefde. Ik gaf den melaatsche tabak, wees hem een plaats aan bij het vuur dat in de compound brandde, want de avond was kil en mistig, en slaagde erin uit zijn verhalen nog meer belangrijke inlichtingen te krijgen. Fili, vertelde de leproze, was een man, die met slangen door het land reisde. Waar hij vandaan kwam, wist hij niet. Vermoedelijk was het geen Mende, maar een man uit het noorden. Hij leefde van zijn kunst en van het zand slaan.1) Hij had zeer groote en zeer gevaarlijke slangen en woonde momenteel te Ngagboma, een plaats, die ongeveer vijf uren gaans verwijderd was. Wanneer de bezweerder niet in zijn dorp was, zei de leproze, kon hij toch nooit ver weg zijn, want vier dagen geleden was hij er wel.

1) Zandslaan of zandsnijden is een vorm van waarzeggerij, die zeer verbreid is onder de geislamiseerde negers van West Afrika. De zandsnijder teekent, gewoonlijk in een hut, een lijnenfiguur in het stof van den bodem en leest hieruit, als uit een orakel, de antwoorden op vragen die hem worden voorgelegd.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


153 Of hij Ngagboma kende? informeerde ik. Ja, hij was er nog niet lang geleden geweest, kende den weg erheen goed en was bereid om me als gids te dienen. Gezien het feit dat Fili een zwervend bestaan leidde, leek het me het beste zoo spoedig mogelijk naar Ngagboma te vertrekken. Hoewel de dag reeds ten einde liep, besloot ik toch nog den zelfden avond te vertrekken, en stelde in allerijl een kleine karavaan samen. Alleen de hoognoodige bagage: een kampbed, een muskietennet en een kleine keukenuitrusting gingen mee. Tegen acht uur, toen het inmiddels geheel donker was geworden, braken we op, onder geleide van den melaatsche. Het weer was dien avond buitengewoon ruw. De regentijd scheen zijn hoogtepunt te bereiken en het onweerde voortdurend. In wilde vlagen gierde de wind om ons heen, zoodat de lantaarns van onze kleine karavaan telkens uitwoeien. De bliksem was niet van de lucht en wanhopige slagregens stroomden den geheelen avond op ons neer. Ik liet de leiding aan den melaatsche over. Soms voerde het pad door open terrein, soms ook was er dicht bush om ons heen en hoorde ik het loeien van den storm door de kruinen der palmen. Van een pad was dikwijls geen sprake meer. Heel het vlakke land scheen één enkel moeras geworden te zijn en met groote moeite bereikten we eenige uren later een klein gehucht, waar we den nacht doorbrachten. Den volgenden morgen ging het verder op weg naar Ngagboma. Tegen den middag, toen de regen was gaan liggen, kwamen we aan een dorp, waar we van den zoon van het hoofd vernamen, dat de slangendanser kort geleden zijn dorp verlaten had, niemand wist echter waarheen. Er bleef me slechts één middel over en ik zond dan ook in verschillende richtingen inboorlingen uit om den bezweerder te zoeken, met de toezegging, dat wie hem vond een extra dash zou krijgen. Intusschen reisde ik met de karavaan door naar Ngagboma, een klein vervallen dorp, verscholen in het wijde bush, en kwam daar in den namiddag aan. De hut van den bezweerder was leeg. Alleen een oude doove vrouw hurkte aan het vuur, maar we konden geen woord uit haar krijgen. Ook hier wist niemand waarheen Fili ver-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


154 trokken was. Eenige dagen geleden was hij, vergezeld van zijn bedienden en eenige jongere adepten, weg gegaan, vermoedelijk om andere leden van het genootschap een bezoek te brengen, zei men. Des nachts kwam echter een der boden terug met de mededeeling, dat hij den danser gevonden had. Hij was niet ver af, maar weigerde te komen. Ik begreep dat het verstandig was den man niet te prikkelen en zond hem een geschenk, wat succes had. Den volgenden avond verscheen Fili in het dorp, vergezeld van een menigte volks. Alleen al zijn bedienden en adepten vormden een indrukwekkenden stoet, waartegen mijn kleine karavaan armoedig afstak. Omstuwd door zijn menschen kwam de gevierde bezweerder langzaam nader, groette hooghartig en zweeg. Daar ik de taal der Mende niet machtig was, beproefde ik een gesprek met hem te beginnen in het Engelsch, waarbij een van mijn dragers als tolk fungeerde. Met ondoorgrondelijke oogen keek de man me aan, keerde zich om, en een van zijn begeleiders, die een groote, bont beschilderde kist droeg, antwoordde in zijn plaats. ‘Wilt U de slangen zien?’ vroeg de adept, die zich in gebroken pidgin kon uitdrukken. Op mijn bevestigend antwoord traden de slangendanser en eenige van zijn leerlingen de poort van de compound binnen waar ik mijn kamp had opgeslagen. De kist, die een vreemde, uit driehoekige ornamenten bestaande versiering droeg, en met een zwaar koord dichtgeknoopt was, werd geopend. Eenige oogenblikken lang geschiedde er niets, alleen een opmerkelijke duffe geur verspreidde zich in de hut. Toen opeens rezen geluidloos twee groote donkere slangen tegelijk uit de kist op. Hun schubben flonkerden in het schijnsel van de lantaarns, die de hut, welke zeer somber was, spaarzaam verlichtten. Mijn bedienden weken tot aan de deur terug, en ook ik ging een schrede achteruit, want de slangen, die zacht wiegend zich boven de kist verhieven, behoorden tot de gevaarlijkste van geheel Afrika. De eene was een zwarte mamba, ongeveer twee meter lang, door haar kwaadaardigheid, haar geconcentreerd gif en haar uiterst snelle wijze van aanvallen waarschijnlijk de meest

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


155 redoutabele gifslang der geheele wereld. De ander, die iets kleiner was, bleek een zwartkraag-naja te zijn, een Afrikaansche cobra dus, een slang, die misschien wat trager is in den aanval dan de verschrikkelijke mamba, maar welker beet evenzeer doodelijk is. Een der adepten trachtte de slangen tot meerdere activiteit te prikkelen, maar na korten tijd kropen beide dieren weer in de kist terug, die zorgvuldig gesloten werd. De slangendanser zelf was tijdens deze demonstratie op den achtergrond gebleven en had geen woord gesproken. Toen de adept de kist weer opnam en zich gereedmaakte om te vertrekken, voegde hij me toe: ‘Morgen zal Fili voor U dansen,’ waarna de bezweerder met zijn gevolg de hut verliet en in het schemerige dorp verdween. De volgende morgen brak aan. In alle vroegte kwam een der adepten me wekken met de boodschap dat Fili gereed was en mij wachtte. Het was buiten nog schemerig. De zon was nog niet op en de dauw druppelde uit de palmen voor mijn compound. Niet ver van mijn hut, op een kleine open plek aan den rand van het dorp, wachtte Fili. De kleeding die hij thans droeg, week geheel af van die, welke ik den vorigen avond had gezien. Een wijdmazig net, dat met kaurischelpen was afgezet, spande zich om zijn lichaam. Daaronder droeg hij een bonten lendendoek, waarom de merkwaardig versierde gordel was aangebracht, dien ik reeds op de muurschildering te Moyamba had gezien, en die afgezet was met schilden van leer en strooken van apenhuid. Om zijn kuiten had hij een groot aantal dansschellen gebonden, die bij elke schrede rinkelden. Zijn begeleiders waren ook reeds aanwezig, en nog voor de zon opging, had zich het grootste deel van het dorp aan den boschrand verzameld, en verhief zich een wilde muziek. Trommen en tamtams raasden als bezetenen, rinkeltrommen huilden met oorverdoovend geluid door den ochtendnevel heen. Alsof de heele zaak hem niet aanging, zat Fili op zijn kist en staarde voor zich uit. De zon kwam nu boven den einder, en een rossig licht brak zich baan over het dorp. Opeens kwam er leven in den bezweerder. Hij stond op, en terwijl de muziek over het bush raasde, opende hij de kist. Alleen de naja, donker olijfgroen van kleur, angstwek-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


156 kend heftig in haar bewegingen, stak haar kop omhoog. De mamba scheen als verdoofd door het geraas rondom. Fili pakte de cobra vast en slingerde het dier met een geweldigen zwaai om zijn lichaam, onder den bijval van de toeschouwers. Langzaam wiegend op de cadens van de trommen, ving de bezweerder nu een dans aan. Met vreemde gebaren, de slang, die onrustig over zijn lichaam kroop, streelende, alsof hij het dier liefkoosde, danste de man heen en weer, waarbij hij geen oogenblik het publiek ook maar een blik waardig keurde. De slang werd levendiger. De afzichtelijke kop van het monster, welks hals nu begon op te zwellen, streek langs het gezicht van den danser, beroerde zijn lippen. Het volgende oogenblik wikkelde de slang zich om den hals van den zwarte, alsof ze hem wurgen ging. Dan weer stiet ze zich in een bliksemsnellen stoot van den man af en bewoog het lange glanzende lichaam zich met slingerende bewegingen heen en weer door de lucht, daarbij wiegende op het rhythme van de muziek, alsof ze zich op de omstanders wilde werpen. De danser wenkte. Een kleine jongen kwam in den kring, een kind haast nog, een van zijn jongste leerlingen. Een andere kist werd geopend, en met een vervaarlijken sprong rees daaruit op een tweede cobra, glanzend zwart, met dreigend gezwollen hals. Met duidelijk zichtbaren angst greep het kind de slang, die het trachtte te ontwijken. Deze cobra, die iets korter was dan de andere, slingerde zich onmiddellijk om hals en armen van den jongen heen. Het rumoer nam toe. De menigte werd steeds talrijker en volgde de verrichtingen der beide slangenbezweerders met onverholen belangstelling. Luider en luider speelde de muziek. Plotseling werd de dans gestaakt en met een krachtige beweging wierpen de dansers de slangen in de lucht, waarop het publiek angstig terugweek. De grootste der twee slangen werd nu heftiger in haar bewegingen. Het scheen alsof het aanhoudende geraas het dier veeleer prikkelde dan dat het er door verdoofd werd. Opeens hief de groep adepten, die terzijde stond opgesteld, een geschreeuw aan. De slang trachtte den danser aan te vallen. Adepten en muzikanten gingen achteruit en het lawaai steeg tot een waanzinnige

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


157 hoogte. Bliksemsnel pakte Fili de eigenaardig versierde bakadjani en smeerde van den inhoud der medicijnflesch op zijn armen en gezicht, waarna ook de leerling aldus behandeld werd. Het kind sidderde, maar de danser legde het zijn hand op het hoofd en dadelijk werd het rustiger. De woede van de slang was nu tot een hoogtepunt gestegen, en toen het dier met wijd geopenden bek uitviel, greep Fili het achter den kop. En inplaats van het af te weren, drukte hij den gapenden bek op zijn naakten arm, rukte de slang los, liet het dier weer aanvallen en zich vastbijten zonder zich te verzetten, waarna hij het dier tenslotte met een wild gebaar van zich afslingerde. Een adept ving het op. Fili was gebeten. Vier diepe groeven hadden de giftanden in zijn arm gekerfd. Had hij de slang niet weggerukt, dan waren het waarschijnlijk ronde bijtwonden gebleven, maar nu waren ze tot sneden verlengd. Langzaam druppelde wat bloed naar beneden. De muziek, die eenige oogenblikken gezwegen had, hernam nu haar dreunend rhythme, terwijl Fili den dans hervatte. Met ijzige kalmte bestreek hij al dansende de gewonde plek met de medicijn uit de bakadjaniflesch. Ik lette scherp op wat er nu gebeurde. De behandeling bleek zeer oppervlakkig te zijn. De wonden werden nauwelijks of in het geheel niet door de medicijn geraakt. Toen hij met deze verzorging klaar was, waarbij de wonden zelf noch uitgezogen, noch op eenige wijze geopend werden, gaf hij den spelers een teeken, en onmiddellijk zweeg de muziek. Daarop kwam een der adepten naar mij toe en zei: ‘Als de slang U bijt, sterft U. Fili is gebeten en sterft niet.’ Ik kwam naderbij, want ik wilde zekerheid hebben dat de man inderdaad door de slang gebeten was, dus dat ik hier niet te maken had met een gifslang waarvan de tanden waren uitgetrokken, zooals zoo dikwijls in Britsch Indië gebeurt, waar de giftanden dan vervangen worden door ivoren stiften, voorzien van kleine mesjes, om bij de toeschouwers den indruk te wekken dat een werkelijke beet heeft plaats gehad. ‘Heeft de slang zijn tanden nog?’ vroeg ik dus.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


158 Het antwoord was verrassend. Zonder een woord te zeggen, maakte Fili de kist weer open, greep de cobra eruit, en reikte mij de slang die nu als verdoofd scheen toe, met het verzoek het dier zelf te onderzoeken. Ik week vanzelfsprekend achteruit, maar de danser had reeds een mes gegrepen en brak den bek van de slang open, waarbij het dier zich hevig verzette. Onmiddellijk sprongen twee groote giftanden naar voren. Er kon dus geen twijfel aan mogelijk zijn: de tanden waren aanwezig. Des avonds vertrok Fili, uitgeleide gedaan door het gansche dorp. De beet van een der gevaarlijkste slangen van de geheele wereld had blijkbaar niet den minsten invloed op hem gehad. Alleen een paar bloedige schrammen vormden het bewijs dat de slang hem inderdaad gebeten had. Zijn pols was niet versneld en in geen enkel opzicht maakte hij den indruk ook maar eenigszins onwel te zijn. Mijn aanbod zijn wonden tegen mogelijk infectiegevaar te verbinden, wees hij koel van de hand, en toen ik hem vroeg mij een hoeveelheid van de bruine olie, die de bakadjaniflesch bevatte te verkoopen, weigerde hij dit rustig, doch beslist. Het eenige wat ik van dit middel te weten kon komen was, dat, zooals te verwachten het voornaamste bestanddeel uit palmolie bestond, en dat bij de bereiding van de medicijn verschillende bladeren gebezigd worden. Welke bladeren dit waren of hoe de inlandsche namen van de gebruikte planten luidden, was niet uit hem te krijgen. Hij volhardde in zijn zwijgen zelfs toen ik hem dit onder vier oogen vroeg en beloofde het geheim aan geen enkelen inboorling te zullen meedeelen. Welke verklaring kan men nu voor dit feit geven? Ik stel hierbij voorop, dat inderdaad de man door de slang gebeten was en haar giftanden intact waren. Ik had de gelegenheid het gebeurde van zeer nabij op een film vast te leggen, zoodat ik later het geheele verloop van de gebeurtenis nogmaals nauwkeurig kon volgen, waarbij zich inderdaad geen enkele twijfel voordoet aan de realiteit van de waarneming, dat Fili door de slang meermalen gebeten werd. Men zou nu kunnen veronderstellen dat men te voren bij de slang de gifklieren had leeggedrukt. Daarbij is echter op te merken, dat

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


159 ook wanneer dit geschied zou zijn, het zich laten bijten een hoogst gevaarlijke onderneming is, want een kleine hoeveelheid achtergebleven of nieuwgeproduceerd gif zou den man het leven kunnen kosten. Het gif van de Naja is zoo geconcentreerd, dat reeds een zeer klein quantum voldoende is om een mensch te dooden. Dat de medicijn eenige ontgiftende werking kan hebben gehad, is natuurlijk geheel uitgesloten. Op de eerste plaats kon ik vaststellen dat de oliemassa zeer oppervlakkig werd toegepast en zelfs een deel der wonden niet raakte. Maar vooral dient men hier te bedenken dat het uitgesloten is dat 'n uitwendig tegengif, onverschillig van welke samenstelling, onverschillig of het op zich zelf werkzaam is of niet, in staat zou zijn om een injectie van cobragif onschadelijk te maken. Een geĂŻnjecteerde stof is binnen enkele tientallen seconden, uiterlijk binnen weinige minuten, reeds door den bloedstroom door het lichaam verspreid, zoodat een uitwendig toegepast middel gesteld dat het ontgiftende werking zou bezitten - zeker te laat komt, aangezien het zeer langen tijd vordert voor het in noemenswaardige mate opgenomen is. Aannemende, dat hier geen werkelijke magie in het spel was, blijft ons dus slechts de onontkoombare conclusie over, dat de man zelfs voor groote hoeveelheden cobragif ongevoelig moet zijn geweest. Hoe kan deze immuniteit verkregen zijn? Het antwoord hierop kan slechts luiden: door langzame gewenning, te beginnen met kleine giften. Het is mij niet gelukt hierover gegevens te verzamelen, hetgeen ook geen wonder is, want juist in deze ongevoeligmaking schuilt natuurlijk het geheim van het vak, dat een bezweerder, die zich door niet-ontwapende slangen laat bijten, onder geen beding prijs geeft, en alleen aan zijn discipelen - natuurlijk tegen overeenkomstige betaling! - onthult, wanneer hem dat goeddunkt. Vermoedelijk echter begint men met het inwrijven van kleine hoeveelheden slangengif in zeer lichte, ondiepe huidwonden, bijvoorbeeld in oppervlakkige ontvellingen. Nadat de reactie, die ongetwijfeld heftig zal zijn, voorbij en de patiĂŤnt hersteld is, volgt een nieuwe, grootere doseering, totdat tenslotte de bezweerder in zijn lichaam zooveel antistoffen heeft opgehoopt, dat een

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


160 directe beet van de slang zonder levensgevaar kan worden verdragen. Dit alles is natuurlijk louter hypothese, maar ik zie geen mogelijkheid om dit met zekerheid vastgestelde feit langs een anderen natuurlijken weg te verklaren.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 160

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 161

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


161

Hoofdstuk X. Borfimah. NU bijna dertig jaren geleden doorleefden de kolonie en het protectoraat van Sierra Leone een reeks merkwaardige, zelfs sensationeele gebeurtenissen. De feiten die in Europa bekend werden, spraken sterk tot de volksverbeelding en overtroffen inderdaad in lugubere details verre den inhoud van spannende sensatieromans, maar waren tevens zoo ernstig, dat ze een leger van Gouvernementsambtenaren zware zorgen veroorzaakten. Het was de tijd van de luipaardmoorden-processen. Uit verschillende deelen van het Protectoraat kwamen berichten binnen over een sterke activiteit van een geheim genootschap, juister van geheime genootschappen, die ervan beschuldigd werden menschenoffers te brengen en zich aan kannibalisme schuldig te maken, de zgn. Borfimah-genootschappen. Wat is deze Borfimah? Het woord Borfimah of bole fimah beteekent slechts medicijnbuidel en inderdaad is de medicijn in zijn klassieken vorm een leeren buidel, veelal uit antilopenhuid gemaakt, soms ook een kalebasschaal gevuld met de vreeswekkende materie, die de kracht er van uitmaakt. De inhoud kan zeer gevarieerd zijn: luipaardklauwen, menschenbeenderen, menschelijk vet en bloed, gedeelten van menschenoffers, nagels, haar, schorpioenschilden, etc. Van de meeste borfimahs is de inhoud niet na te gaan, daar ze slechts geopend kunnen worden door het voorwerp op te offeren. Hoewel sommige auteurs van meening zijn dat de borfimahgenootschappen ongeveer een eeuw geleden ontstaan zijn, kan men toch als vaststaande aannemen, dat sommige borfimahs zelf veel en veel ouder zijn. De groote overeenstemming tusschen deze verschijnse-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


162 len, in zoo wijd uiteenliggende gebieden als het uiterste westen van Afrika en de Congo-Nijl-waterafscheiding, waar bijvoorbeeld de Anyotabonden een volkomen parallel vormen van de borfimahgenootschappen van de Guineakust, wijst er op dat beide in een ver verleden wortelen, daar in historischen tijd tusschen beide gebieden geen contact heeft bestaan. Er zijn bepaalde borfimahs - het woord wordt uitgesproken met den klemtoon op de middelste lettergreep - die meer dan locale beteekenis bezitten, er zijn er zelfs die in uitgestrekte gebieden worden gevreesd. Deze laatste zijn zeer zeldzaam. In mijn collectie bevindt zich een bijzonder exemplaar, dat in haar tijd een der meest gevreesde was, en die tegen tegenstanders met onfeilbaar doodelijk succes werd gehanteerd. Deze borfimah, die onder den naam Neppoh bekend was, is afkomstig uit de streek van Bumpeh. Zij kwam door een bijzonderen samenloop van omstandigheden, waarover ik helaas geen nadere mededeelingen kan doen, in mijn bezit. Vermoedelijk is deze Neppoh-borfimah, die wijde gebieden van het Mende-land in terreur hield, in de 16de eeuw samengesteld en dus ongeveer 4 eeuwen oud. Het is bekend dat zij twee ‘kinderen’ heeft gehad, hetgeen zeggen wil, dat de inhoud van den buidel, al dan niet met toevoegingen, over twee andere is verdeeld. Van die kinderen is er een spoorloos verdwenen, terwijl de ander nog in het land in gebruik moet zijn, mogelijk in Pujehun, en haast even gevreesd wordt als de moeder. Inderdaad ziet de Neppoh er weinig opwekkend uit. Het is een peervormige stijve buidel van 16 cM. lengte met een grootsten diameter van 7 cM. Vijf reeksen van acht of negen kaurischelpen omringen hem en komen als de armen van een zeester in een ring aan den voet samen. Verder is de medicijn door vier ijzeren staven, vermoedelijk groote vischhaken, omgeven. Van den oorspronkelijken buidel is praktisch niets meer waar te nemen, daar ze overdekt is met een dikke laag van een grijzige substantie, die grootendeels uit gedroogd bloed bestaat. Aan den top is nog te zien, dat de buidel door een wirwar van waarschijnlijk katoenen draden - mogelijk een latere toevoeging - is omhuld, waardoor het onmogelijk

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


163 is de borfimah te openen zonder het voorwerp geheel te vernielen. Aan den voet bevindt zich een met zilver omwikkelde koperen ring, die eveneens van lateren oorsprong is. Het voorwerp is met een koord omwikkeld, blijkbaar om de vischhaken, die met de punten onder in de Borfimah gestoken zijn, bijeen te houden. Vermoedelijk zijn er van de Neppoh later copieën ontstaan, althans het model is onder de bevolking bekend, terwijl het kind van de Neppoh gezegd wordt van geheel denzelfden vorm te zijn, doch van iets grooter formaat. Merkwaardig is verder dat het kind van de Neppoh, dat eveneens zeer gevreesd wordt en nog ‘levend’ moet zijn, zijn kracht geheel verliezen zal, wanneer het de moeder-Neppoh ontmoet. Mijn inlandsche zegslieden verzekerden mij dat wanneer beide borfimahs met elkaar samenkomen, een groot ongeluk zou plaats hebben en de kracht van het kind daarna verdwenen zou zijn, terwijl de moeder sterker zou zijn dan ooit. Hierdoor ontstaat dus een belangentegenstelling tusschen de bezitters van de Neppoh en haar kind: terwijl de eersten bij deze ontmoeting hun borfimah tot ongekende sterkte zullen zien stijgen, verliezen de bezitters van het kind door deze samensmelting hun kostbare medicijn geheel. Dit zou, aldus mijn zegsman, een der oorzaken zijn waarom verschillende borfimah-genootschappen hun werkzaamheden afzonderlijk uitvoeren en contact met andere genootschappen vermijden. Het borfimahkind, dat ongeveer twee eeuwen geleden geboren werd, verlangt echter nog steeds naar hereeniging met de moeder, waarvan het vroeger zoo gewelddadig is gescheiden. Toen ik het voorwerp reeds geruimen tijd in mijn bezit had en zonder er verder acht op te slaan in een van mijn koffers had weggeborgen, wilde het toeval dat ik het bij de herziening van de bagage eens achteloos op mijn werktafel liet staan. Mijn oude bediende Mommoh, een Limbah van Noord Sierra Leone, was bezig de instrumenten op te ruimen en toen hij het voorwerp, waarvan hij niet wist dat ik het in mijn bezit had, in het oog kreeg, gaf hij op eens een vervaarlijken schreeuw, stormde de hut uit, waarbij hij mijn werktafel met instrumenten en al omver wierp. Trillend van schrik

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


164 bleef hij op veiligen afstand buiten staan. De oude kerel dien ik als een tamelijk apathisch en zelfs min of meer cynisch mensch kende, was zoo ontdaan, dat ik naar hem toeging en hem vroeg waar hij nu eigenlijk bang voor was. ‘This,’ stotterde de oude man, ‘be very bad, very bad medicine! This be strong too much!’ Ik lachte hem ronduit uit. ‘Mommoh, jij bent een Mohammedaan, jij bent toch niet bang voor deze native medicines!’ De oude Mommoh was echter niet te overtuigen. Hij werd obstinaat. Als ik die medicine niet wegdeed, kon hij niet binnenkomen om mijn avondeten klaar te zetten. Hij ging aan den rand van het bosch zitten. En of ik wilde of niet, ik moest de borfimah wel uit mijn hut halen en legde ze buiten op een boomstronk neer, maar hield het ding intusschen goed in het oog. Op Mommoh's geschreeuw waren de overige bedienden en een paar dragers komen toeloopen en stonden op een afstand toe te zien hoe het gevaarlijke ding werd weggebracht. Andere dorpelingen kwamen erbij en enkele oogenblikken later had zich zoo'n volksmenigte rondom de hut verzameld, dat de belangstelling min of meer pijnlijke afmetingen begon aan te nemen. Ik toonde het voorwerp aan de menigte, die intusschen op veiligen afstand bleef, en dit had tot gevolg, dat een aantal vrouwen onder luid misbaar wegvluchtten en er zelfs onder de mannen beweging ontstond. Toen het ding weg was, waagde Mommoh het weer binnen te komen. Zuchtend zette hij zijn werk voort en zei: ‘If Doctor go lev us, me go back for Limba country. Too much medicine here! Plenty medicine live for Mende-country.’ Toen het donker werd, haalde ik de borfimah weer binnen en zette het ding tot ontzetting van den ouden bediende onder mijn bed. Het bleek dat ik intusschen van de gevreesde eigenschappen van de Borfimah een praktisch gebruik kon maken en wel om mijn bagage tegen diefstal te beschermen. Mommoh's hulp, de tweede boy, die Tamba heette, - 'n jonge kerel met opvallend lichte huidskleur, die zeer veel op een mulat geleek, - bleek een hoogst onbe-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


165 trouwbaar mensch te zijn. Niet alleen bestal hij me, zooals later bleek, verscheidene malen, maar dreef zijn brutaliteit zelfs zoo ver dat hij de inboorlingen van de dorpen waar wij passeerden, kippen en andere levensmiddelen afhandig maakte, die zoogenaamd door mij waren opgevorderd, en natuurlijk niet werden betaald. Wanneer de menschen daarover bezwaar maakten, bedreigde hij ze dat er nog veel erger dingen gebeuren zouden wanneer zij mij er over lastig vielen. Toen deze klachten tenslotte tot mij doordrongen, was de reis helaas reeds bijna ten einde en ontsloeg ik den vlegel, die overigens nog in ander opzicht voortdurend aanleiding tot moeilijkheden had gegeven, daar hij overal de vrouwen lastig viel, hetgeen herhaaldelijk tot heftige scènes leidde. Voor het echter zoover was, wantrouwde ik den man reeds lang, daar ik verschillende kleedingstukken miste en hij praktisch de eenige was die de diefstallen gepleegd kon hebben. Om mijn bagage tegen zijn hebzucht te beschermen, kwam ik op het idee om de bewaking aan de Borfimah over te laten. Toen Tamba eens in mijn hut aan het werk was, opende ik dus den koffer waarin de Neppoh was weggeborgen, haalde het ding er demonstratief uit en legde het, na het eenige malen met een riem te hebben geslagen, in mijn kleeren-koffer, die Tamba's speciale aandacht genoot. De neger week zonder een woord te zeggen terug tot aan de deur, zijn oogen strak op de medicijn gericht, en waagde het niet meer den kleerenkoffer te naderen. Om de proef op de som te nemen, liet ik den koffer ongesloten, hetgeen aan Tamba's aandacht zeker niet ontsnappen zou, en ging op jacht. Toen ik des avonds terug kwam, was alles onaangeroerd en sedert liet Tamba mijn bagage met rust. Toen later met zekerheid kwam vast te staan, dat hij me te voren reeds bestolen had, joeg ik hem weg en vernam van mijn andere boys, dat hij tegenover zijn medebedienden meermalen het voornemen had geuit zich van de borfimah meester te maken, doch dat de vrees voor het medicament hem steeds weerhouden had. Sommige auteurs hebben de mogelijkheid naar voren gebracht, dat de borfimah oorspronkelijk een oorlogsmedicijn is geweest, een too-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


166 vermiddel om dus bij strijd tusschen verschillende stammen zich de overwinning te verzekeren. Waarschijnlijker is, dat zij oorspronkelijk een fetisch was van totemistischen aard, daar de oorsprong der pantergenootschappen, welker grootste bezit zij uitmaakt, ongetwijfeld tot totemistische grondslagen terug te voeren is. De pantermenschen hebben allen ‘een panter achter zich’ hetgeen wil uitdrukken dat zij zich allen in zulk 'n dier kunnen veranderen, aangezien zij van 'n panter afstammen en weer tot dien toestand kunnen terugkeeren. Hoe dit ook zij, het is zeker dat de medicijn reeds lang een andere beteekenis heeft gekregen. Toen de Europeesche wereld van haar hoorde, was de borfimah reeds een fetisch die in zekeren zin het vruchtbaarheidsprincipe materialiseerde. In elk geval is ook nu nog het voornaamste doel der pantergenootschappen de verzorging der borfimah. Deze medicine, die als een bezielde materie wordt gedacht, oefent groote kracht uit, ten kwade, maar ook ten goede, en op de eerste plaats ten behoeve van zijn bezitter. Zooals elk levend wezen groeit en voedsel noodig heeft, en anders verzwakt en sterft, zoo moet ook de borfimah regelmatig van voedsel worden voorzien, want van het welzijn der borfimah hangt het welzijn van de bezitters af. De pantermannen kunnen slechts gezond zijn, hun oogsten slechts gedijen, wanneer het der medicijn goed gaat. Lijdt deze gebrek, dan weerspiegelt zich dat in een algeheelen achteruitgang en komt er ongeluk over de leden van het genootschap, over het dorp, waarin ze leven, zelfs over den geheelen stam. De oogsten verdorren dan op de velden, antilopen komen en verwoesten de akkers, vogels dalen in zwermen neer en vreten de rijstvelden leeg, kortom de honger zal over het land neerstrijken. Nog meer rampen kunnen komen. Ziekten zullen het dorp teisteren, in elke hut zal de koorts huizen, en de dooden zullen zoo talrijk worden, dat men ze niet meer begraven kan. De vrouwen brengen geen kinderen meer ter wereld, het zieke vee komt om in de stallen, en de rivieren zullen vischloos worden wanneer men de kwijnende borfimah niet voedt. De associatie tusschen de borfimah en het vruchtbaarheidsprincipe

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


167 staat dus buiten twijfel, zooals trouwens ook uit andere verschijnselen blijkt. Wanneer dus een borfimah teekenen van afnemende sterkte heeft gegeven, doordat bijv. een onderneming die onder de bescherming van deze medicijn begonnen werd, mislukte, is het noodig dat de menschelijke panters samenkomen om toekomstige rampen af te wenden. Ook wanneer beslissingen van groote beteekenis voor het genootschap genomen moeten worden, kan zulk een bijeenkomst noodig zijn. Een bode, den leden meestal persoonlijk bekend, gaat rond en kondigt de aanstaande zitting van het genootschap aan. Soms geeft hij mondeling uitleg, veelal ook volstaat hij met het toonen van 'n bijzonder teeken, een gestrikt koord, een luipaard-klauw, een bijzondere medicijn. Op dien en dien dag, op dat en dat kruispunt, onder dien en dien boom. En de bode gaat verder. Waar leden wonen die hem niet mochten kennen, legimiteert hij zich door het teeken van het genootschap te ontblooten op zijn heup, een langwerpig litteeken, dat in zijn vorm aan den klauw van een panter herinnert. In volgende dorpen nemen andere boden zijn taak over, want niemand kent alle leden van het genootschap. Intusschen hebben nog andere voorbereidingen plaats. Een slachtoffer moet worden uitgekozen, liefst door overleg, door overreding van de familie, kan het niet anders, dan door geweld of bedreiging. Voorzichtig worden bepaalde inboorlingen gepolst. De een heeft een kreupel kind, een jongen, die later toch zijn familie ten last zal zijn, een meisje, dat wanneer het huwbaar is geworden, geen man zal vinden, een ander een zwakzinnigen broer of zuster, een derde een kindsche moeder, waarvan hij zich wel zal willen ontdoen. Er wordt gezinspeeld, geboden, bedreigd. En men wordt het eens. Met de pantermenschen wordt men het altijd eens. Vanzelfsprekend geschiedt dit alles in het strikste geheim. De daders weten, dat, wanneer de zaak aan het licht komt, het voor hen een halszaak beteekent, want het Engelsche Gouvernement kent voor de moordenaars en hun medeplichtigen geen genade. Van tijd tot tijd komen staaltjes aan het licht, die door de koude gevoel-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


168 looze berekening die er uit blijkt, toonen, hoe weinig menschelijk gevoel de daders bezitten. De Engelsche arts Burrows vertelt van een zaak, waarin twee mannen terecht stonden wegens het vermoorden van een kind. Het was een uitgesproken pantermoord, doch de aanwijzingen tegen de daders waren zeer zwak en de beschuldigden zouden waarschijnlijk wegens gebrek aan overtuigend bewijs vrijgesproken zijn, wanneer niet op het laatste moment een oude vrouw kwam opdagen, die meedeelde, dat zij een klacht wilde indienen tegen de twee mannen die terecht stonden. Nadat zij den eed had afgelegd, gaf zij de volgende verklaring: ‘U heeft deze twee mannen. Zij hebben mijn kleindochter gedood. Het was een ziek kind, maar ik hield van haar. Ze kwamen bij me en vroegen of ze het kind mochten hebben voor een offer. Ik weigerde. Toen vroegen ze het weer en boden vijf shillings. Ik weigerde weer. Toen zeiden ze dat ze er een kist jenever bij zouden doen en toen werd mijn hart week en gaf ik mijn toestemming. Maar ze hebben hun woord gebroken. Ze hebben me wel de kist jenever gegeven, maar niet de vijf shillings! Nu heeft U ze te pakken en zult U ze ophangen, maar laat ze eerst mij de vijf shillings betalen! Aanklacht afgeloopen!’ Een haast nog brutaler geval, door Beattie beschreven, geef ik hieronder in Beattie's eigen woorden: ‘Drie mannen, die alle drie belangrijke posities aan het hof van het Opperhoofd innamen, werden ervan beschuldigd, een veertienjarigen jongen, zoon van een der drie beklaagden, te hebben omgebracht. Het slachtoffer was tegelijk met drie andere jongens in het Porohbosch geweest en deze drie jongens verklaarden voor het gerecht het volgende: Op een avond kwamen drie mannen bij hen met het bevel dat ze - in lijnrechten strijd met het Porohgebod - den volgenden nacht niet in het bosch moesten slapen, maar in een open hut van het nabijgelegen gehucht, die aan den vader van het slachtoffer toebehoorde. Kort voor het aanbreken van den dag werden ze door een lawaai gewekt, en zagen dat een van de drie mannen den jongen bij zijn beenen vasthield, terwijl een tweede,

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


169 wiens hoofd en rug door een pantervel waren bedekt, zich over het lichaam van het kind bukte. De jongens begonnen te schreeuwen, en toen de drie mannen weg liepen, hoorden ze het getrappel van talrijke voeten, alsof een groote menschenmenigte ijlings op de vlucht sloeg. Kort daarop verscheen de vader van het slachtoffer, wiens plan door het te vroeg ontwaken van den jongen mislukt was, weer op de plaats van de misdaad, en deed alsof hij over den dood van zijn zoon ontroostbaar was. Daarna kwamen ook de beide helpers, die met behulp van andere mannen het lijk in het Porohbosch sleepten. Aangezien op dat moment het onderzoek door de Engelsche autoriteiten reeds begonnen, en dus inmenging van die zijde te duchten was, besloot men na kort beraad het lijk onmiddellijk te verdonkeremanen. Men bedreigde de jongens, dat, als ze iets over de aangelegenheid vertelden, het hun slecht zou vergaan. De oudste moest bovendien op de medicijn van den bond een eed van geheimhouding afleggen.’ Wanneer de dag nadert, begeven de leden zich op pad. Sommigen komen van ver, hebben verscheidene dagreizen af te leggen. Zij komen als reizende kooplieden, zij zijn op weg naar een familiebijeenkomst, voor het bezoek aan een zieke, om een palaver te beslechten, om geiten te koopen, om een huwelijksfeest bij te wonen. En wanneer de dag daar is en de duisternis over het woud ligt, zijn ze verzameld op de tevoren bepaalde plaats, soms diep in het bosch, soms nabij een dorp gelegen. Waar hun attributen bewaard worden, weet niemand, maar deze zijn aanwezig: een korte mantel van pantervel, voorzien van een puntige kap, die 't geheele hoofd omhult, met een paar gaten voor de oogen, is het voornaamste deel der uitrusting. Maar behalve dat zijn er wapens uit de schuilhoeken in het bosch te voorschijn gehaald. Niemand weet wie ze hierheen vervoerd heeft, maar ze zijn er. Gruwelijk zijn deze wapens. Het zijn ringvormige bussen die om de vingers heen sluiten en eindigen in lange, gekromde haakvormige messen, die de klauwen van een panter moeten nabootsen, want al de mannen die hedenavond in het bosch verzameld zijn, hebben ‘een panter achter zich’. In hun rechterhand dragen zij een stok, waarvan de voet den vorm heeft

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


170 van een panterklauw en die eenzelfden indruk in den boschbodem nalaat, alsof een werkelijk roofdier daar voorbij gekomen is. Dan wordt onder een voorwendsel het slachtoffer in het bosch gelokt. Een merkwaardig schril gefluit klinkt over het woud, een waarschuwing dat de panters uit zijn. En de dorpelingen begrijpen. Er zijn den laatsten tijd reeds geruchten rond gegaan over wat er te gebeuren staat, en men weet dat het uur gekomen is. De hutten sluiten zich, en geen levende ziel waagt zich meer buiten den lichtkring van het vuur. Luid brullende bespringen de menschelijke panters hun slachtoffer. Er is een korte worsteling, maar voor de ongelukkige zich te weer kan stellen, is hij reeds neergeworpen. Met een ruk van hun vingermessen scheiden ze het hoofd van het lichaam. Oogenblikkelijk wordt het gezicht van den schedel verwijderd, om herkenning onmogelijk te maken. Diegenen in het dorp, die aan den moord medeplichtig zijn, zullen weten te zwijgen, en de daders zijn overtuigd, dat het bezit van de borfimah hen bovendien tegen elke ontdekking beschermt. Dan wordt het lichaam geopend. De ingewanden, de lever, de nieren worden er uitgehaald en op voorteekenen bestudeerd, en het bloed wordt op de borfimah gebracht die gebrek leed. Het kostbaarste deel van het slachtoffer is het niervet. Een deel ervan wordt gebruikt voor de versterking der oude borfimah, een ander deel vindt toepassing bij de samenstelling van nieuwe medicijnen, die elders benoodigd zijn. Evenals bij de menschelijke alligators en andere terroristische organisaties, komt bij de borfimah-genootschappen kannibalisme voor. Men kan echter als vaststaande aannemen, dat ook hier niet het nuttigen van het vleesch de hoofdzaak is - want de hoeveelheid, die gegeten wordt, is gewoonlijk zeer gering - maar dat het een symbolische beteekenis heeft, en tevens een garantie tegen onderling verraad der medeplichtigen vormt. Het deel van het slachtoffer, dat gebraden en opgegeten wordt, is gewoonlijk een arm of been. Andere gedeelten worden onmiddellijk door boden naar belangrijke medeleden gezonden die niet aanwezig konden zijn. Burrows, aan wiens mededeelingen wij interessante inlichtingen over

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


171 het wezen en de werkwijze dezer organisatie danken, deelt mede, dat zulke zendingen denzelfden nacht, voor het daglicht aanbreekt, 75 kilometer kunnen hebben afgelegd, terwijl het aan niemand, zelfs niet aan den ontvanger bekend is vanwaar de zending komt, wie ze gezonden heeft, of langs welken weg ze hem heeft bereikt. Een uiterst gecompliceerde estafettedienst is dien nacht in het bosch in werking geweest. Op bepaalde aflosplaatsen staan mannen verborgen, die op het geluid van een papagaai of een uil te voorschijn komen en zonder een woord te wisselen de zending van den vorigen bode overnemen. Elders liggen kano's onder de struiken gereed, die onmiddellijk na ontvangst van het pakket van wal steken en in het holst van den nacht vele kilometers ver de rivier volgen, om de zending stroomafwaarts weer aan andere wachtende boden door te geven. Zoo gaat het spoor volkomen verloren. Elke bode is slechts 'n anonyme schakel in den langen keten, waarvan geen hunner weet waar ze begonnen is of eindigen zal. Wanneer de dag aanbreekt, en wellicht in het bosch de plaats van de misdaad wordt teruggevonden, zijn de geheime zendingen al over een afstand van eenige dagen gaans verspreid. Er zijn gevallen gesignaleerd, dat dergelijke zendingen uit het Manohgebied reeds den nacht, volgende op dien van den moord, tot in de omgeving van Monrovia doordrongen en terzelfdertijd dorpen bereikten, diep in de boschzone van Fransch Guinea gelegen. Waarschijnlijk wordt op dezelfde wijze gehandeld met de attributen van het genootschap, die altijd op geheime plaatsen in geheel andere, ver verwijderde streken worden bewaard. Nog denzelfden nacht worden ze in alle richtingen verspreid en nooit heeft men ze dan ook teruggevonden. De terroristische werkzaamheid der pantergenootschappen nam een dertig jaar geleden in bepaalde deelen van Sierra Leone en omgeving zulk een omvang aan, dat het Gouvernement tot grondige maatregelen overging. Tal van pantermenschen die zich door de beschermende werking van de borfimah voor elke ontdekking veilig achtten, werden gearresteerd, waaronder zelfs dorpshoofden en notabelen van groot aanzien. Een aanzienlijk aantal doodvonnissen

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


172 werd uitgesproken. Sommige veroordeelden onttrokken zich door zelfmoord aan de berechting, anderen werden terechtgesteld of boetten hun schuld door langjarige gevangenisstraffen en men kreeg den indruk dat de organisatie in het hart getroffen was en de menschelijke panters voortaan tot de geschiedenis zouden behooren. Maar de ervaring leerde anders. Al kwamen na de krachtige campagne tegen de borfimahgenootschappen pantermoorden niet meer in zulke groote aantallen voor, het verschijnsel behoorde allerminst tot het verleden. De hardnekkige kamp van het Gouvernement tegen de terroristische organisaties kreeg meer en meer den steun der bevolking, die allengs haar angst voor de wraak der pantermenschen overwon, en meer en meer bereid werd om inlichtingen te geven, hetgeen tot gevolg had, dat de pantermenschen meer nog dan voorheen hun werkzaamheden in het uiterste geheim volvoerden. Het zich verschaffen van slachtoffers door koop of bedreiging werd hoe langer hoe moeilijker en dus grepen de terroristen naar een ander middel: roof. In Augustus 1934 maakte ik zulk een geval van nabij mee in de onmiddellijke omgeving van Bo, in Sierra Leone. Bo is een station van den Pendembusspoorweg, zetel van 'n District-commissioner en van een Katholieke Missie. Het bezit een belangrijke hoogere inlandsche school, hoofdzakelijk voor kinderen van hoofden, alsmede diverse factorijen, en is dus 'n plaats van eenige beteekenis, waar zich een niet onaanzienlijke handel en een vrij druk verkeer concentreeren. Tijdens mijn verblijf aldaar woonde ik in een comfortabele inboorlingenhut, even buiten de plaats, misschien een halve mijl van den spoorweg verwijderd. Op een goeden dag, terwijl ik zelf een tocht door de omgeving maakte, werd op klaarlichten dag een meisje van ongeveer twaalf jaar door een panterman aangevallen. De overval had plaats op nog geen 300 meter van mijn hut. De dader sprong uit de struiken te voorschijn en trachtte het kind, dat, luid gillend, zich heftig verzette, en den aanvaller in zijn arm beet, in het bosch te sleuren. De man droeg een panterkap op het hoofd. Of hij ook messen aan de vingers had, kwam uit de verklaringen van ooggetuigen niet met zekerheid vast te staan. Doordat inboorlingen

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


173 op het geschreeuw van het kind te hulp schoten, moest de man zijn slachtoffer loslaten en verdween in de struiken. Het eigenaardige van deze historie was, dat het bericht van den aanslag den Britschen Commissioner eerst eenige dagen later bij geruchte bereikte, niettegenstaande de Districts Offices nog geen kwartier gaans van de plek verwijderd waren. Door de bevolking werd geen aanklacht ingediend, hoewel zooals mijn inlandsche zegslieden mij verzekerden, geheel Bo wist, wie de dader was. Aangezien ik kort daarop de streek verliet, is het mij onbekend gebleven, hoe de zaak verder verloopen is. De groote reeks pantermoord-processen van 1912 en 1913 was niet het eerste bewijs voor de activiteit der borfimahmannen. Reeds veel eerder kwamen pantermoorden voor en vanzelfsprekend werden ook van inlandsche zijde reeds vroeg pogingen ondernomen, om het land van deze lugubere tyrannie te bevrijden en aan de gruwelijke activiteit van de pantermenschen, die soms geheele landstreken in den ban van hun terreur brachten, een einde te maken. Zoo ontstond in het Mende-land het genootschap der Tongospelers. Wanneer dit genootschap ontstond, is onbekend, doch waarschijnlijk reikt de oorsprong van deze merkwaardige organisatie, die voorbestemd was op haar beurt een geheim genootschap te worden, niet veel verder terug dan 1880. Zeker is dat het een halve eeuw geleden, omstreeks 1890, het hoogtepunt van zijn invloed bereikte, en nu praktisch tot het verleden behoort. Is het tijdstip waarop de Tongospelers ontstonden niet bekend, wel weten we in welk gebied hun oorsprong lag. De Tongospelers waren mannen van den stam der Mende, die al van ouds bekend staat om de groote rol, die geheime genootschappen er spelen, en behoorden waarschijnlijk tot de centrale groep van den stam of de Gbah-Mende. Het schijnt dat de plaats Bumpeh, een interessant dorp aan de Tabe-rivier gelegen, hun bakermat is geweest. De Tongospelers werden zoo genoemd, zegt men, omdat ze een fluit, ‘Tongo,’ bij zich droegen, waarvan ze zich bij hun magische handelingen bedienden, en die ze gebruikten om hun nadering in het bosch aan te kondigen. Deze fluiten maakten 'n angstwekkend geluid,

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


174 dat veel overeenkomst had met het nachtelijk schreeuwen van uilen, en werden zeer gevreesd. Volgens een andere verklaring is de naam afkomstig van de tongora-knotsen, die de hoofdmannen van de vereeniging met zich mee voerden. De Tongospelers droegen een soort jagerskleeding van zwarte of bruine inlandsche katoen vervaardigd. Op hun hoofd hadden ze groote kappen van panterhuid, die van breede zijstukken waren voorzien om het gezicht af te dekken. Ze hadden korte jassen aan, die soms ook geheel van panterhuid gemaakt waren. Om hun ellebogen, polsen en enkels waren eveneens strooken huid bevestigd, terwijl hun overkleed van achteren in een panterstaart eindigde, waaraan een bel was bevestigd, zooals ze nog heden ten dage veel bij geheime bonden in West Afrika worden aangetroffen. De organisatie was eenhoofdig. De hoogste rang in het Genootschap bekleedde de Buamor Neppor. Deze centrale figuur had twee helpers, Akawa en Bojuwa geheeten, welke beide uitdrukkingen ongeveer met ‘het groote ding’ kunnen worden weergegeven. Zij hielden jaarlijksche bijeenkomsten, die Korbangai genoemd werden, terwijl hun verzamelplaats Mashunda heette. Hun optreden bepaalde zich in hoofdzaak tot Zuid-Sierra-Leone. Wanneer in een streek misdaden geschiedden, waarvoor pantermenschen aansprakelijk werden gesteld, dan riep men deze Tongospelers te hulp. Men huurde ze van de Hoofden in wier gebied ze woonden of zond ze er eenvoudig heen. Hun taak bestond dan in het aanwijzen van de schuldigen, hetgeen met behulp van een krachtige medicijn geschiedde. In den eersten tijd schijnt hun optreden succes te hebben gehad. Zij slaagden er inderdaad in pantermenschen te ontmaskeren en verrichtten dus nuttig werk. Hun aantal was toen nog gering. Ze vormden een kleine kaste, waarin men vertrouwen stelde, en hun strijd tegen de borfimahmannen had den steun van de bevolking. Gaandeweg nam echter hun invloed toe en groeide uit tot een geweldige macht. De Tongospelers werden om de uiterst belangrijke taak waarmee ze belast waren, met groot ontzag behandeld en zooals te voorzien was, had deze machtspositie tot gevolg, dat tal van min-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


175 derwaardige en misdadige elementen in hun rangen doordrongen met het doel persoonlijk tot grooten invloed en macht te komen. Zoo ontaardde het genootschap, dat als 'n nuttige instelling was gesticht, allengs tot een bond van misdadigers, die geheele gebieden onder terreur hield. Het schrikbewind der Tongospelers was in feite nog veel erger dan dat der pantermenschen. De kans een slachtoffer der borfimahmannen te worden, was slechts gering, maar wie in de corrupte klauwen der Tongospelers viel, was reddeloos verloren, aangezien de organisatie meer en meer invloed begon te krijgen en alle openbare en bestuursfuncties langzamerhand door haar werden beheerscht. De bestuursambtenaar W.B. Stanley deelt enkele feiten mede, hem door hoofden van zijn district verstrekt betreffende de activiteit der Tongospelers in de jaren 1890-1892, die het hoogtepunt van hun gruwzamen invloed vormden. Een der aanvoerders van het genootschap Neppoh genaamd - het woord is vermoedelijk identiek met den naam van den Buamor Neppor - kwam toen naar 't dorp Imperri in Zuid Sierra Leone, om daar de pantermenschen onder de bevolking aan te wijzen. Wanneer zoo iets geschiedde, werden de inwoners van het verdachte dorp gedwongen zich in een kring op te stellen, waarbij ieder onder een afzonderlijk afdak van gras en bladeren plaats nam. De Tongospeler verscheen dan, voorzien van al zijn attributen en vergezeld van zijn helpers, midden in den kring. Hij droeg een staf, die versierd was met huiden van allerlei wilde dieren en boven aan van een kop voorzien was, die een ring van ijzeren nagels droeg. De gevreesde medicijn voerde hij in een antilopenhoorn mede. Wanneer alle verdachten verzameld waren, begon Neppoh zijn onheilbrengenden dans. Van tijd tot tijd ondervroeg hij al dansende de medicijn door den geur ervan op te snuiven, aangezien de aanwezigheid van een panterman hem bekend werd door een eigenaardige verandering van den geur van den medicijnhoorn. Dan hield de dans op en wees hij onder ademlooze stilte een der inboorlingen in den kring als schuldig aan, door hem met de Tongoraknots op het voor-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


176 hoofd te slaan, waardoor de beschuldigde meestal onmiddellijk gedood of althans zwaar gewond werd. Soms ook bezigde men 'n andere methode om de Borfimah-mannen te ontdekken. De Tongospelers brachten een gier mee, die tijdens den dans der genootschapsleden op den schouder van den Buamor zat. Wanneer de gier zijn kop in een bepaalde richting strekte, hield de dans op en werd de man, die zich in de door den roofvogel aangewezen richting bevond, neergeslagen. Zoo wees de Buamor Neppor in 1891, in het gebied van het Opperhoofd Imperri, waar hij op verzoek van Imperri zelf gekomen was om de schuldigen aan pantermoorden op te sporen, meer dan negentig inboorlingen als moordenaars aan. Een der eerste aangewezenen was Imperri zelf, die op aandringen van de bevolking den Buamor naar zijn dorp had geroepen. Door een Tongospeler aangewezen te worden, beteekende een onherroepelijk doodvonnis, want de schuldigen werden, wanneer ze na den slag met de Tongora nog leefden, onmiddellijk na den dans van den Buamor in een geweldig vuur verbrand. Zoo ook te Imperri. Het groote Hoofd werd met meer dan tachtig van zijn dorpelingen in het vuur geworpen, waarbij velen der aangeklaagden, zonder het oordeel van den Tongospeler af te wachten, zichzelf in de vlammen stortten. Nog jaren later was de beenderhoop die de rechtspleging van den Buamor had achtergelaten, aanwezig. Toen Alldridge de plaats later bezocht, vond hij er een kegelvormige hoop verkoolde beenderen en schedels, die meer dan vier voet hoog was. Het is mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat de terechtstelling te Imperri schuldigen betrof, of althans grootendeels schuldigen. Dat deze wijze van bestrijding der pantermenschen echter tot onhoudbare toestanden moest leiden, is zonder meer duidelijk. Niemand was tenslotte meer veilig voor de bende. Waren de Tongospelers in den aanvang wellicht te goeder trouw, later toen de organisatie politieke macht kreeg en dus een dankbaar arbeidsterrein opleverde voor allerlei obscure en heerschzuchtige elementen van den stam, bleek herhaalde malen, dat de Tongospelers gaarne bereid waren voor een som gelds willekeurige personen, die hun daartoe om politieke

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 176

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 177

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


177 of persoonlijke redenen werden aangewezen, ten ondergang te doemen. Ten einde aan deze daden van willekeur en verraad een schijn van rechtvaardigheid te geven, werden te voren bewijzen tegen den verdachte klaargemaakt. Nabij de hut van het slachtoffer of op zijn rijstveld werden stukken vleesch met menschenhaar vermengd of beenderen begraven. Ook stopte men wel een pot met bloed gevuld onder den grond. Wanneer dan het slachtoffer ‘uitgeroken’ werd en men zijn erf onderzocht, kwam daarmee zijn ‘schuld’ vast te staan en was zijn lot bezegeld. Zooals de geschiedenis leert voltrekt het einde van dergelijke gangsterorganisaties zich gewoonlijk zoo dat de leden tenslotte elkaar uit den weg gaan ruimen, waarmee het genootschap tot verval komt, een ontwikkeling waarvan de geschiedenis van de twintigste eeuw voorbeelden te over kent. Toen tenslotte de terreur van de Tongospelers zoo op het land drukte, dat velen het gebied verlieten, werden klachten ingediend, en de grondige maatregelen van het Gouvernement om de Tongospelers met de pantermenschen tesamen uit te roeien, vonden allerwege instemming onder de bevolking. Aldus werden in de jaren 1903-1912 186 personen wegens moord (grootendeels in dienst van een pantergenootschap, enkelen in dienst van een krokodilgenootschap, door de Engelsche rechtbanken in Sierra Leone aangeklaagd, waarvan 87 schuldig bevonden en terecht gesteld werden. De Tongospelers behooren sedert dien tot het verleden. De pantermenschen echter bestaan nog heden ten dage, hoewel hun activiteit uiterst zelden aan den dag treedt en nog slechts van geringe, locale, beteekenis is.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


179

Hoofdstuk XI. KunkubĂŠ. WANNEER men afziet van de kleine Gambia-kolonie, die slechts een onbeteekenende enclave in Fransch West Afrika omvat, is Sierra Leone de dichtst bij het moederland liggende Engelsche bezitting. Haar hoofdstad, het schilderachtige en levendige Freetown, is inderdaad slechts tien dagen varens van de voornaamste havens van het Vereenigd Koninkrijk verwijderd. Een intens scheepvaartverkeer concentreert zich op de reede van deze stad, die door praktisch alle lijnen naar West- en Zuid-Afrika wordt aangeloopen en hoewel Freetown niet het bijna Europeesche uiterlijk heeft van het nauwelijks een etmaal noordelijker gelegen Dakar, doet het levendig karakter van de stad den bezoeker bijna vergeten, dat hij hier reeds den evenaar nadert. Langs goed geasfalteerde straten, waar de talen van alle stammen van Afrika's Westkust worden gesproken, beweegt zich een druk verkeer. Temidden van een dichte vegetatie rijen zich de huizen, die meerendeels witgekalkt zijn, maar waarvan ook veel uit hout opgetrokken zijn. Ze worden omgeven door galerijen, die de stad een eigenaardig karakter geven, terwijl ze veelal gedekt zijn met gegolfd plaatijzer, 't karakterlooze cultuurproduct dat langzamerhand overal in de tropen is doorgedrongen en door zijn hartverscheurende leelijkheid de onmiskenbare charme van deze fraaie stad dreigt te vernietigen. De omgeving is heuvelachtig en zeldzaam bekoorlijk. Dichtbeboschte steile hellingen sluiten in het zuiden den horizon af en wekken den indruk dat het achterland zeer bergachtig moet zijn, hetgeen onjuist is, want afgezien van de onmiddellijke omgeving van Freetown, waar inderdaad hoogten van beteekenis voorkomen, is het grootste deel van het land tamelijk vlak.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


180 Sierra Leone bestaat uit twee historisch en administratief streng gescheiden gedeelten, de kolonie en het protectoraat. De kolonie omvat de stad Freetown met het aangrenzende Sierra Leone-schiereiland en enkele kustgedeelten, en wordt bewoond door een uiterst gemengde bevolking van zwarten, afkomstig van vroegere slaventransporten uit allerlei gedeelten van West-Afrika, die hier een tweede vaderland gevonden hebben, de zgn. Creoles. Zij spreken neger-Engelsch (pidgin), zijn meerendeels Christenen en behooren tot een aantal protestantsche secten, die veelal hun zwaartepunt in de Vereenigde Staten hebben. Uit dit mengelmoes van stammen is een min of meer gedefinieerd type ontstaan, dat zeer intelligent is, hoewel daarnaast niet ontkend kan worden dat zich bij de zwarten van Freetown ook eigenschappen ontwikkeld hebben, die wij minder kunnen waardeeren. Veel meer dan de inboorlingen van het binnenland is de kustneger diefachtig van aard. Ik herinner me tenminste nog levendig, hoe ik destijds, na acht jaren Afrikaansche ervaring, binnen enkele uren tweemaal door deze heeren bestolen werd. Het protectoraat omvat de rest van het gebied, dus het achterland, dat door een aantal zeer belangrijke stammen, waaronder de Mende, Timene en Sherbro de voornaamste zijn, bewoond wordt. Het zuiden van Sierra Leone dat ons thans bezig zal houden, is geografisch een der meest gecompliceerde gebieden van West Afrika. Een groot aantal rivieren van respectabele afmetingen, zooals de Jong, de Sewa, de Malen, de Waanje, de Masau en de Moa doorstroomen deze streek. Verschillende van deze rivieren, die traag hun troebel water naar het zuiden stuwen, verbreeden zich plaatselijk tot uitgestrekte meren, of vertakken zich tot een onontwarbaar systeem van zijarmen, waardoor bijna alle stroomen onderling samenhangen. Geen enkele van bovengenoemde rivieren, slechts de Moa in het zuid-oosten uitgezonderd, bereikt direct den open Oceaan. Alle loopen ze uit in een netwerk van kreken en lagunes, waardoor het land in een archipel van grootere en kleinere eilanden wordt verdeeld, en eindigen tenslotte in het breede water van Sherbro-river, dat zich tusschen het vlakke drassige eiland Sherbro en

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


181 het nog waterrijkere vasteland uitstrekt en in Straat Shebar den Atlantischen Oceaan bereikt. Het lagunegebied is zoo ingewikkeld dat alleen de inboorling, die in de streek zelf geboren en getogen is, er eenigszins den weg weet te vinden, want behalve de kronkelige rivierarmen die zich elders weer met den hoofdstroom vereenigen en aan alle zijden kleine kreken opnemen, bezit het gebied een groot aantal onbestemde moerassen, die zich soms verwijden tot meren van zeer verschillende grootte, waarvan de streek er eenige dozijnen telt. Het behoeft geen betoog dat deze doolhof van kleinere en grootere stroomen een enorm obstakel voor het verkeer te land oplevert. Geen enkele groote weg bereikt dan ook tot nu toe de zuidkust en de karavaanpaden, die het land doorsnijden, worden onophoudelijk onderbroken. Veren of overzetvlotten vervaardigd uit uitgeholde boomstammen, die door balken worden tesamengehouden, soms ook gewone eenstam-kano's onderhouden dan de verbinding met den anderen oever. Het land is door een dichte vegetatie overdekt, die slechts in het uiterste zuid-oosten, waar de Mano-rivier de grens met Liberia vormt, werkelijk oerwoud genoemd kan worden. Het is het typische ‘bush’ van Sierra Leone, een dichte boschrijke savanne, voortdurend afgewisseld door kleine vlakten met hoog gras, struikgewas en laag geboomte, een landschap van onrustig type dat weinig van de grootsche schoonheid van het oerwoud bezit. Langs de rivieren en rond de meren vindt men dicht galerijwoud, dat nagenoeg met oerwoud overeenstemt, terwijl in de omgeving van de kust mangrove-wildernissen de rivieren omzoomen. Hier ligt een der ongezondste deelen van geheel Afrika. Er is misschien in de gansche wereld geen tweede gebied aan te wijzen dat zulk een berucht klimaat heeft als deze streek, waar gele koorts, moordende malaria en zwart-waterkoorts inheemsch zijn. Hierdoor heeft het land de trieste reputatie gekregen, welke het tot het einde van de vorige eeuw bezat en die haar uitdrukking vindt in den onheilspellenden naam waaronder Sierra Leone vroeger bekend was: the white mans grave, der blanken graf.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


182 Ontelbare blanken vonden gesloopt door malaria, uitgemergeld door blackwaterfever of dysenterie, een ontijdig einde in dit heete koortsige land, waarvan de naam den Engelschen ambtenaren, die er gedetacheerd werden, als een doodvonnis in de ooren klonk. Toen men nog geen nauwkeurig inzicht had in de verspreiding en het wezen der malaria, waarde de dood rond langs de moerassige kust, en gelukkig hij, die eenmaal ziek geworden, nog in staat was Engeland te bereiken. De meesten echter die in de kolonie of in het achterland door de gevreesde koorts werden aangetast en zich naar de kust sleepten, om vandaar naar Engeland terug te keeren, bereikten het moederland nimmer. Vóór de Canarische eilanden in zicht kwamen, bezweek het meerendeel aan boord, werd in zee begraven of vond een laatste rustplaats op een stil kerkhof van Las Palmas of Santa Cruz de Tenerife, waar nog heden den naam Cementerio Ingles1) aan deze tijden herinnert. Sedert echter de hygiënische omstandigheden in de tropen verbeterden, en het preventieve gebruik van kinine de gevaren der malaria en daarmee van ‘blackwater’ aanzienlijk verminderden, heeft de tragische bijnaam van de Kolonie gelukkig slechts historische beteekenis. Met dat al blijft dit gedeelte van West Afrika 'n gevaarlijk gebied, hoewel het in hygiënisch opzicht weinig gevaarlijker genoemd kan worden dan andere gebieden van 't zwarte continent. Wie er echter jaar in, jaar uit arbeiden moet, krijgt, hoe voorzichtig hij ook is, vroeg of laat 'n koortsaanval, en wie 'n West-Afrikaansche carrière achter den rug heeft en van dysenterie verschoond bleef, mag dat als een uitzonderlijk geluk beschouwen, om van andere tropische kwalen van mindere beteekenis maar te zwijgen. De kans om een tropische malaria op te loopen bestaat overal in West Afrika, maar is in Zuid Sierra Leone inderdaad zeer groot. Ontzaglijk zijn de muggenzwermen die zich tegen het vallen van den avond uit de moerassen verheffen. Als trillende grijze wolken

1) Engelsch kerkhof.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


183 teekenen ze zich tegen den lichtenden avondhemel af en wee hem, die gedwongen is onbeschut den nacht in de wildernis door te brengen. De malariamuggen behooren tot het geslacht Anopheles en zijn over het algemeen kleiner en feller dan onze Europeesche muggen, terwijl hun gezoem ijler, hooger van toon is. Zoolang men in beweging blijft, is de kans om gestoken te worden gering, maar nauwelijks staat men even stil, of gansche zwermen zetten zich binnen enkele seconden neer over het geheele lichaam en laten zich door niets verjagen. Verscheidene malen heb ik een nachtelijke jachtpartij op moeten geven, daar de gonzende insectenwolk, die ons omzwermde tenslotte zoo dicht werd, dat er niets anders over bleef dan de vlucht te nemen. Wanneer men in een kampement of in een inlandsche hut slaapt, natuurlijk onder een goed muskietennet, want zulks na te laten staat gelijk met zelfmoord - dan hoort men de donkere ruimte van de hut den ganschen nacht gevuld met het ijle, trillende geluid van ontelbare muggen, die tot den morgenstond toe door de mazen van het net pogen door te dringen. Ze ontdekken er met feillooze zekerheid het kleinste gaatje in, om dan bij dozijnen binnen te dringen, wat in elk geval het einde van de nachtrust beteekent en in vele gevallen met zekerheid tot infectie leidt, die enkele dagen later tot uitbarsting komt. De groote gevaren der tropen worden dus ongetwijfeld gevormd door de kleine dieren, maar ook andere verschrikkingen kent dit gebied. De kreken en moerassen, vooral de grootere rivieren en rivierarmen, wemelen van krokodillen. In den drogen tijd, wanneer het water laag is en langs den tragen stroom de modderige oevers droog vallen, kan men de monsters dikwijls waarnemen terwijl ze op een boomstronk liggend, met wijd geopenden muil, zich in de zon koesteren. In den regentijd vertoonen de krokodillen zich zelden, maar zijn ze des te gevaarlijker. Een neger, die 's avonds van zijn rijstfarm terugkeert en zich in de schemering in de rivier verfrischt,

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


184 bemerkt de donkere schaduw van het ondier niet, dat onder water aangezwommen komt, het slachtoffer met een slag van zijn geklauwden poot of zwaar geschubden staart omverwerpt en snel met zijn prooi in de diepte verdwijnt. Soms is het slachtoffer een man, vaker een vrouw, die zich in de rivier baadde of er haar kleeren kwam wasschen, een kind dat door de moeder uitgezonden was om water te halen. Een gil, een plons, een paar opstijgende luchtbellen, wat omhoog dwarrelende modderflarden in 't woelige water, en alles is voorbij. Geen menschelijk oog is getuige geweest van de wanhopige worsteling van het slachtoffer tegen de dubbele bedreiging van dood door verdrinking in de donkere rivier, en verbrijzeling tusschen opengesperde kaken, die geen genade kennen. Niemand heeft gezien dat enkele tientallen meters verder stroomafwaarts het rustig voortschuivende water plotseling rood is geworden. Alleen andere riviermonsters hebben van uit hun schuilplaatsen onder overhangende takken of vermolmende stammen den overval bespeurd en schieten met vraatzuchtige vaart te voorschijn om den buit voor zich op te eischen, want aan de rivier heerscht het recht van den sterkste. Wanneer het slachtoffer vermist wordt en de waarschijnlijkheid veld wint dat een krokodil zich van hem meester heeft gemaakt, zoekt men de rivier een eindweegs af, ondervraagt visschers en jagers langs den stroom, doet onderzoek in de omringende dorpen, tevergeefs. Dan, aarzelend als de eerste herfstwinden over het bosch, steekt er een gerucht op. Eerst bedekt, daarna openlijk wordt er gefluisterd, dat er een menschelijke krokodil in het spel is. Immers bij de meeste stammen van West- en Centraal-Afrika heerscht de opvatting dat de gewone krokodil als regel voor den mensch ongevaarlijk is. Die dieren die menschen aanvallen en verslinden, de men-eaters, zijn in de volksverbeelding zelf menschen, die zich in krokodillen veranderd hebben. En na de geruchten volgen beschuldigingen. Deze zijn pertinent. Bepaalde met name genoemde dorpelingen worden er van verdacht te behooren tot het geheime genootschap der

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


185 menschelijke krokodillen. Zij zijn verantwoordelijk voor het gebeurde. Het bestaan van dergelijke genootschappen is in Sierra Leone en andere gedeelten van West-Afrika sedert lang bekend. De Engelschen noemen deze misdadigers, waarvan de bevolking dus gelooft dat ze zich naar willekeur in krokodillen kunnen veranderen: human alligators, een onjuiste naam, want alligators komen in Afrika niet voor, doch zijn beperkt tot Amerika en een klein gedeelte van Zuid-AziĂŤ. Vast staat, dat deze menschelijke alligators en leden van andere dergelijke vereenigingen, zooals die der menschelijke panters, menschelijke apen, zich aan kannibalisme schuldig maken, meestal echter niet met het doel zich vleesch te verschaffen, maar veeleer met magische oogmerken. Hoewel dus het voorkomen van dergelijke organisaties reeds lang is vastgesteld, zijn concrete gevallen van hun misdadige activiteit eerst enkele tientallen jaren geleden bekend geworden. De bestuursambtenaar W.B. Stanley, naamgenoot van den grooten explorateur van het Congobekken, geeft een gedetailleerd verslag van een in 1911 door hem berecht geval. In dat jaar verdween in het hoofdschap Tonko-Limba van het Karene-district, in West-Sierra-Leone een jongen. De publieke opinie wees een groep inboorlingen, die ervan verdacht werden menschelijke krokodillen te zijn, als de schuldigen aan. Een van hen bekende en men slaagde erin een deel van het skelet van het vermoorde kind op te sporen. Zelfs werden in de wildernis de resten van de vuren teruggevonden, waar het slachtoffer gekookt en opgegeten was. Vier inboorlingen verschenen voor het gerecht. Tijdens de behandeling van deze zaak werd van inlandsche zijde een getuige naar voren gebracht, een meisje van zeven of acht jaar, dat in het dorp bekend was om haar eigenschap van het ‘tweede gezicht’ te bezitten en dat een zeer merkwaardige mededeeling deed. Kalm en rustig legde zij tegenover den Engelschen rechtsambtenaar de verklaring af dat zij gezien had, dat een der vier beklaagden, toen zij hem eens zijn avondmaal bracht, plotseling in zijn hut in een groote krokodil veranderde, hetgeen haar zeer deed schrikken. De vier

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


186 beklaagden werden op grond van bovenvermelde bekentenis ter dood veroordeeld, waarbij de getuigenis van het helderziende kind natuurlijk buiten beschouwing bleef. Dezelfde ambtenaar geeft nog andere voorbeelden waaruit het diep gewortelde geloof der inboorlingen blijkt, dat bepaalde menschen ‘een krokodil achter zich hebben’. Wij, nuchtere noorderlingen, halen tegenover deze verzekeringen onze schouders op. Dat echter inboorlingen zich tot geheime bonden vereenigen of met het doel deze vurig gewenschte eigenschappen door magische praktijken te verwerven, of, wat ook denkbaar is, om op deze wijze een man van beteekenis te worden, iemand die ontzag inboezemt en gevreesd wordt, is een feit, waarmee elke gouvernementsambtenaar in West Afrika heeft rekening te houden. Op grond van diverse waarnemingen ben ik tot de slotsom gekomen dat de leden van deze geheime genootschappen bijna steeds menschen zijn, die een diepgeworteld minderwaardigheidscomplex paren aan een uitgesproken misdadigen aanleg, psychische typen dus, zooals die ook in de blanke samenleving niet ontbreken. Deze onevenwichtigen trachten door het toetreden tot illegale, in het verborgen werkende organisaties van uitgesproken asociaal karakter, zich te wreken op de maatschappij voor de denkbeeldige of werkelijke grieven, die zij tegen de samenleving hebben, waarvan de voornaamste is dat deze hun niet toestaat hun machtsstreven uit te leven. Daarnaast kunnen hebzucht en andere egoistische motieven een rol spelen, maar ik herhaal, dat veelal gedwarsboomd machtsstreven de groote factor is, die de aspirantleden in de armen der geheime genootschappen stuwt. Duidelijk ligt dit uitgedrukt in een geval, eveneens door W.B. Stanley vermeld. In 1916 kreeg deze ambtenaar een zaak te berechten, waarin 'n aantal inboorlingen van inlandsche zijde beschuldigd werd van ‘misdadige handelingen met een krokodil’. De beklaagden hadden een jonge krokodil gekocht en deze aan verschillende geheime ceremonies onderworpen, waarbij ze onder andere op het dier trapten. Daarna werd het beest weer in de rivier geworpen, met de uitgesproken bedoeling, dat het woedende dier, uit wraak

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


187 over de ondergane mishandelingen, andere krokodillen er toe zou brengen om men-eaters te worden. De opzet van het ‘complot’ was, om op deze wijze, dus door het verdwijnen van inboorlingen uit te lokken, het gebied onder verdenking te brengen van ‘menschelijke krokodillerij’, als ik het zoo mag uitdrukken, en - hier lag de quintessence van het geval - daarmee te bereiken dat het hoofd, waartegen men een grief koesterde, werd afgezet. Het geheele geval is een typisch staaltje van een handeling waarin wij moeilijk iets strafbaars zouden kunnen ontdekken, maar die in de mentaliteit van den neger een zwaar vergrijp tegen de geordende samenleving vormt en dus ten strengste moet worden gestraft. De inboorlingen bekenden volledig en gaven toe, dat het hun oogmerk was geweest het hoofd ten val te brengen. Stanley deelt uitdrukkelijk mee, dat de beklaagden hoogst intelligente negers waren, hetgeen trouwens uit het ingewikkelde complot voldoende blijkt. Hoe de uitspraak in dit geval luidde, is mij niet bekend. Van een veroordeeling door een blanken rechter kan op genoemde gronden moeilijk sprake zijn, en Stanley zal wel hebben volstaan met de beklaagden een terechtwijzing toe te dienen. In hetzelfde jaar deed zich nog een geval voor van nagenoeg dezelfde strekking. Op klaarlichten dag werd een jong kind onder de oogen van de moeder vermoord. De dader vluchtte en hoewel de zaak niet geheel werd opgehelderd, bleek dat ook hier de bedoeling voorzat om de streek in discrediet te brengen en op die manier het hoofd onmogelijk te maken. Men zal geneigd zijn op te werpen dat het feit dat menschelijke krokodillen hun praktijken over het algemeen in het verborgen uitvoeren, er toch op wijst, dat zij niet als zoodanig bekend willen zijn. Hoewel er ook gevallen voorkomen waarin inboorlingen openlijk pochen op hun macht zich in dieren te kunnen veranderen, kan dus over het algemeen het verwerven van een reputatie van gevaarlijkheid en geheimzinnigheid niet het onmiddellijke doel der leden zijn. Welke drijfveer vereenigt dan deze desperados? Wat beoogen ze? Meenen ze werkelijk, dat ze het vermogen bezitten zich in een dier te kunnen veranderen of dat eens zullen verwerven? Het voort-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


188 durend mislukken van hun pogingen moet hen toch tot nadenken brengen. Het antwoord is: Het voornaamste doel van deze genootschappen is het maken van zgn. medicijnen, toovermiddelen, die op eenige wijze den bezitter in staat moeten stellen zijn uiteindelijke doeleinden, zooals macht uit te oefenen, zich te verrijken, veel vrouwen te bezitten, wraak te nemen, etc. te bereiken. Dergelijke medicijnen we hebben ze ook bij de menschelijke panters ontmoet - kunnen slechts door adepten worden samengesteld, waarbij over het algemeen deze regel geldt: hoe bloediger en gruwelijker de wijze is, waarop de medicijn bereid wordt, des te ‘sterker’ zal deze zijn. Medicijnen, die voor hun samenstelling of voor hun verzorging - want de ‘kracht’ van sommige van deze toovermiddelen neemt af evenals de ‘kracht’ van elk levend wezen - menschenoffers eischen, staan dan ook bij hun bezitters het hoogst in aanzien en worden door de bevolking het meest gevreesd. Van de organisaties die ontstonden om deze ‘medicines’ te maken, zijn de Bon Ilendei of Kunkubé-genootschappen wel de merkwaardigste. Ze toonen niet alleen dat ook de zwarte menschheid in technisch opzicht zeer zeker tot bijzondere prestaties in staat is, maar tevens dat gruwzame uitvindingen niet alleen het privilege zijn van die volken, die zich zelf zoo gaarne als cultuurvolken aandienen. In het Zuiden van Sierra Leone, in de Districten Bonthe en Pujehun komt een genootschap voor, dat over een uiterst merkwaardig vaartuig beschikt. Dit vaartuig, dat door de Mende Bon Ilendei, door de Sherbro Kunkubé wordt genoemd, is een soort kano en bestaat uit twee uitgeholde boomstammen van dezelfde lengte en breedte, die met de holle zijden op elkaar geplaatst zijn, als de twee doppen van 'n noot. De bedoeling van deze constructie is, dat het vaartuig onder water varen kan, waarbij slechts een klein gedeelte van de bovenste kano boven de oppervlakte uitsteekt. Dit uitstekende deel is in den vorm van den snuit van een krokodil gesneden en draagt een paar gaten, die van kleine glazen vensters voorzien zijn om uitzicht mogelijk te maken.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


189 Nauwkeurige details over bouw en de inrichting van de kunkubé zijn niet beschikbaar, daar voor zoover mij bekend, nooit een Europeaan er een heeft gezien, maar de inlichtingen van inlandsche zijde, hoofdzakelijk door den missionaris Summer verzameld, zijn toch tamelijk volledig. Halverwege tusschen boeg en achtersteven van het vaartuigg bevinden zich aan beide zijden twee of drie gaten, om de riemen of peddels door te laten. Deze zijn ca. 1 meter lang en herinneren in hun vorm aan de pooten van een zwemvogel. Sommige kunkubé's schijnen zelfs voortbewogen te worden door een soort raderkast aan den achtersteven. Het gevaarte wordt nadat het houtwerk voltooid is door leerwerkers met leer, was en hars waterdicht gemaakt. Wat betreft de wijze waarop de bemanning, die vier tot zes man omvat, tot het inwendige van de boot toegang heeft, zijn geen gegevens beschikbaar, maar men moet aannemen dat er in den bodem van de onderste kano een opening is, die geopend kan blijven, waardoor men onder water zwemmende het inwendige kan bereiken. De roeiers zitten vermoedelijk gedeeltelijk in het water, maar met hun romp en hoofden in de lucht, die de bovenste kano vult, zoodat het geheel, dat op het eerste gezicht op een onderzeeboot lijkt, veeleer een soort varende duikerklok genoemd zou kunnen worden. Over den bouw dier kunkubé's doen tal van verhalen onder de inboorlingen de ronde. Vanaf het oogenblik dat de boomen, waaruit de kano vervaardigd zal worden en die vanzelfsprekend van grooten omvang dienen te zijn, worden geveld, tot het moment dat het voltooide vaartuig aan het water wordt toevertrouwd, draagt een medicijnman er zorg voor dat alles geheim blijft en niemand te weten komt wat er in het bosch geschiedt. Mijn eigen zegslieden verzekerden me, dat als werf voor den bouw steeds een dichtbeboscht eiland gekozen wordt in een moerassige omgeving, zoo gelegen, dat de plaats alleen over water te bereiken is, hetgeen de bouwers tegen plotselinge overvallen door onbevoegden beschut. Slechts ingewijden zijn dan in staat in de bijna ondoordringbare moeraswildernis met haar eindeloozen doolhof van modderige donkere kreken de plaats te vinden, waar de boot wordt gebouwd. En

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


190 zelfs wanneer het bosch, waar de geheimzinnige werkzaamheden plaats vinden, dicht bij de bewoonde wereld ligt, zorgt de medicijnman er voor dat het dorp de hamerslagen niet hooren kan. Volgens anderen wordt alleen in het holst van den nacht aan het vaartuig gearbeid. Is eindelijk de kunkubé klaar, dan wordt een offer gebracht en laat men de boot te water, waarna ze in een afgelegen onvindbare kreek, diep in het bosch bewaard wordt, tot ze voor haar afschuwelijke taak in gebruik wordt genomen. Een der leden van de bemanning, die zooals gezegd tot een half dozijn koppen kan tellen, is gewoonlijk iemand van groote physieke kracht en wordt de grijper genoemd. Op hem komt een groot deel van het ‘vuile’ werk van het genootschap neer. Het is zijn taak de slachtoffers te overweldigen en zijn rol is dus van de grootste beteekenis. Beschikt het genootschap zelf niet over een dergelijke kracht, dan tracht men door het aanbieden van een groote som gelds een vreemde daarvoor te winnen. Stemt de gevraagde toe, dan wordt van hem gevorderd, dat hij op een zeer sterke medicijn een eed van geheimhouding aflegt en hij behoort dan voortaan tot de bemanning van de boot. Die geheimhouding is verzekerd, want de man weet, dat de geringste indiscretie inzake de aangelegenheid van de organisatie waartoe hij toegetreden is, feilloos zeker zijn dood zou beteekenen. De kunkubé opereert voornamelijk in een omgeving waar veel verkeer te water bestaat, zoodat het zuiden van Sierra Leone met zijn ontelbare veren en overzetplaatsen een uitgezocht arbeidsterrein voor het genootschap vormt. Tegen de schemering wordt de kunkubé met geluidlooze pagaaislagen uit haar schuilplaats naar de rivier geloodst, waar het vaartuig langzaam met den stroom meedrijvende, onhoorbaar en onopgemerkt de rivier afzakt, tot een tevoren uitgekozen plaats. Dan verlaat de grijper door de opening in den bodem het vaartuig en zwemt onder water naar het veer, dat in de schemering met een aantal inboorlingen oversteekt. Niemand op het water bemerkt iets van zijn nadering. Opeens duikt in het half duister naast het vlot een figuur uit het water op, slingert zich op het vaartuig, grijpt een

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


191 der opvarenden, man, vrouw of kind, en verdwijnt met zijn slachtoffer weer in de donkere rivier. Alles is het werk van enkele seconden geweest. Voor de opvarenden zich rekenschap kunnen geven van het gebeurde, en van den schrik bekomen zijn, is de grijper met zijn prooi reeds lang in de kunkubé teruggekeerd, die rustig met den stroom mee de rivier afdrijft, de vergaderingsplaats tegemoet. Niemand heeft het vaartuig opgemerkt dat op enkele tientallen meters afstand het vlot passeerde. Slechts enkele inboorlingen hebben een grooten krokodil gezien, die zonder zich aan de aanwezigheid van menschen te storen, met den snuit gedeeltelijk boven water onbewegelijk voorbijdreef. Enkele dagen later herhaalt de geschiedenis zich, ditmaal worden kort na elkaar twee kinderen geroofd en een panische angst maakt zich van de bevolking meester. Een gevreesd woord gaat van mond tot mond: De kunkubé is in de rivier. Vrouwen waarschuwen elkaar; de veren zijn zelf wanneer ze op klaarlichten dag oversteken bewapend, moeders houden hun kinderen thuis en de bewoners van die hutten, die dicht aan het water liggen, ontruimen ze en zoeken elders een toevlucht. Alleen onder geleide en in groepen gaan de vrouwen naar de rivier en niet meer dan strikt noodig is. En de beklemming van de terreur ligt over het bush. Voorzoover mij bekend, heeft men nooit een kunkubé in handen gekregen. Wel zijn gedeelten ervan in verschillende streken van Sierra Leone door inboorlingen gezien, maar inlichtingen uit de eerste hand, van ooggetuigen, zijn niet te bekomen, daar degenen, die ze zouden kunnen verstrekken, zich wel wachten iets mee te deelen, uit angst voor de wraak van het genootschap. Wat er met de slachtoffers van de kunkubé geschiedt, weet men dan ook slechts vaag. Soms worden ze in leven gelaten en als slaven verkocht, maar in de meeste gevallen worden ze gedood en gedeeltelijk opgegeten, waarna men de rest verwerkt op medicijnen, die in hoog aanzien staan en tegen grof geld worden verkocht. Van die slachtoffers die als slaven worden verkocht, of in zeldzame gevallen er in slagen uit de klauwen van het genootschap te

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


192 ontsnappen, heeft de kunkubĂŠ-organisatie niets te vreezen, want al wie levend de kunkubĂŠ verlaat, zegt men, is krankzinnig of stom geworden, zoodat hij noch over de identiteit van de leden, noch over de plaats van samenkomst eenige mededeeling kan doen. De eenige maal dat ik persoonlijk iets hierover vernam, was in een dorp nabij de noordgrens van Pujehun. Niet ver van daar waren herhaalde malen inboorlingen op geheimzinnige wijze verdwenen en de verdenking viel op de kunkubĂŠ-mannen. Een betrouwbare court-messenger, een bode in dienst van het Gouvernement, die in tal van Afrikaansche gebieden, waar autoverkeer nog niet mogelijk is, het verkeer tusschen de Administratie en de hoofden onderhoudt en ook politiewerk verricht, werd in het geheim met wachtdienst langs de rivier belast. De man droeg vanzelfsprekend geen uniform, doch de gewone inboorlingenkleeding, uit lange strooken inlandsch katoenen weefsel samengesteld. Vermomd als jager en visscher hield hij zich aan de rivier op, zonder dat de bevolking van het nabijgelegen dorp hem kende en sliep des nachts ook in de omgeving. De messenger had de uitdrukkelijke order om bij dag en bij nacht zonder waarschuwing te schieten op alles wat hem verdacht voorkwam. Drie weken gingen voorbij. Er gebeurde niets verdachts en geen enkele klacht kwam meer binnen. De courtmessenger werd teruggeroepen en nauwelijks was hij van de rivier weg, of onder verdachte omstandigheden verdween een vrouw. Twee dagen later werd een kind vermist, dat in de nabijheid van het water op een veld gewerkt had. Toen werd een andere messenger naar het terrein van de misdaad gezonden. Deze man kwam als een rondtrekkend koopman in kolanoten, een van die Mandingohandelaars, die overal in West Afrika te vinden zijn en de veelbegeerde en kostbare noten van de markten van den Soedan en Fransch Guinea naar de kust vervoeren. Niemand in de dorpen langs de rivier kende den man, die uit een andere streek afkomstig was. Zelfs het hoofd van het dorp, waar hij tijdelijk zijn verblijf vestigde, was van zijn geheime opdracht niet op de hoogte. De kolahandelaar was vergezeld van een bediende, die in een groote kainji, een langwerpige draagmand, een rijke voorraad

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


193 roze en gele kolanoten meetorste, maar niemand in het dorp vermoedde, dat de kainji behalve de noten ook een repeteergeweer bevatte en een respectabele hoeveelheid munitie. De kolahandelaar interesseerde zich in het geheel niet voor de rivier, maar zijn bediende zwierf soms lange uren door de wildernis, op zoek naar jonge kolaboomen. Intusschen legde de handelaar zijn oor te luisteren in het dorp en in de plaatsen in de omgeving, die hij met zijn voorraden bezocht. En de moorden langs de rivier hielden op. De streek herademde. Meer dan twee maanden reisde de messenger het gebied af en toen geen enkel verdacht feit zich voordeed en hij niets anders kon rapporteeren dan dat alles rustig was aan de rivier, werd ook de Mandingo teruggeroepen. En terwijl hij nog op weg was naar de bestuurspost begonnen de aanslagen opnieuw. Een jonge man werd, toen hij op een avond naar huis terugkeerde, aangevallen door een geweldig grooten neger, die hem trachtte neer te steken en naar de rivier te slepen. De jonge man, die deerlijk werd gewond, ontkwam, maar was niet in staat een beschrijving te geven van den aanvaller en een onmiddellijk ingesteld onderzoek leverde, behalve voetsporen die naar de rivier leidden, geen enkel resultaat op. Een andere court-messenger, die enkele dagen later vuurde op een donkere massa, die de rivier afdreef, smaakte het genoegen een geweldigen krokodil met een enkel schot te hebben gedood. Het monster dat grooter was dan eenig exemplaar dat zelfs de oudste inboorlingen ooit hadden gezien, zonk, maar men vond het later in de versnellingen stroomafwaarts terug. Door deskundigen werd de leeftijd van het dier op tenminste twee honderd jaar geschat. De autoriteiten gaven toen, althans voorloopig, den strijd tegen de kunkubĂŠ op, maar voor de krokodilmenschen schenen de vele naspeuringen toch aanleiding te zijn om het terrein van hun werkzaamheden naar elders te verleggen, want sindsdien hielden de aanslagen op en nam de terreur langs de rivier een einde. De schuldigen echter werden nimmer gevat, en hoe de kunkubĂŠ-mannen zoo nauwkeurig op de hoogte werden gebracht van het in alle stilte tegen hen geopende onderzoek, is nooit bekend geworden.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


195

Hoofdstuk XII. Majoor Beaghey's Panterhuid. FATHER Cummins1) wiegde langzaam in zijn hangmat op en neer en klopte zijn pijp uit. ‘I daresay the man is a leopardman himself,’2) zei hij. Ik was bezig met mijn bloedanalyses, die me geheel in beslag namen, maar deze mededeeling deed me toch verrast van mijn werk opzien. ‘Majoor Beaghey zelf een panterman?’ ‘I am all but sure,’ zei de missionaris ernstig en keek voor zich uit. ‘Ik kan niet zeggen, hoe ik het weet, maar ik weet het uit goede bron. Er is haast geen twijfel aan mogelijk.’ Father Cummins' mededeeling deed me werkelijk verstomd staan. Dat ik den man in kwestie goed kende is wellicht wat teveel gezegd, maar ik was toch verschillende malen met hem in aanraking geweest en had hem zelfs daags tevoren nog gesproken. Beaghey was geen Afrikaan van geboorte. Hij was afkomstig van een der West-Indische eilanden en duidelijk van gemengd ras, waarbij het negerbloed overheerschte. De man sprak goed, beschaafd Engelsch, ging Europeesch, bijna zwierig, gekleed en maakte een verzorgden indruk. In gesprekken, waaraan hij op levendigen toon en met onmiskenbare intelligentie deelnam, vergat men geheel met een ‘coloured man’ te doen te hebben. Beaghey een panterman, ik kon het me haast niet indenken. ‘Er wordt in dit land zooveel beweerd, Father!’ ‘Wel,’ zei Father Cummins, ‘U denkt natuurlijk: hij is zoo gecivi-

1) De hier beschreven gebeurtenis beleefde ik tegen het einde van 1932 in een niet nader aan te geven deel van West Afrika. De naam van den missionaris en van de andere figuren van deze geschiedenis zijn om begrijpelijke redenen veranderd. Ook de plaatsnamen zijn door gefingeerde vervangen. 2) Ik geloof dat de man zelf een panterman is.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


196 liseerd, zoo Europeesch in zijn manier van doen, hij heeft een Amerikaansche opvoeding gehad, zoo'n man kan geen panterman zijn. Maar die beschaving is, ik ben er bijna zeker van, maar schijn. Ik ken inboorlingen hier in de omgeving, die bereid zouden zijn op een borfimah1) te zweren, dat ze Beaghey in het bosch hebben gezien met een panterhuid om en ijzeren klauwen aan zijn vingers.’ De lezer vergeve me dat ik in dit geval vaag moet blijven, althans wat plaats- en persoonsaanduidingen betreft. Ik moet volstaan met mee te deelen, dat Majoor Beaghey een Gouvernementsambtenaar was in Dungoba, laten we hem Province-Commissioner noemen. Zooals gezegd, was de man duidelijk van negerafkomst en had hij ongetwijfeld meer zwart bloed in zijn aderen dan de doorsnee-mulat, wat zijn golvend en tevens kroezig haar onmiddellijk verraadden. Een breede neus met wijd uitstaande neusvleugels contrasteerden opvallend met dunne lippen, die steeds eenigszins spottend gekruld waren. Zijn huidskleur was een diep bassanÊ, lichter dan die van de inboorlingen in dit deel van West Afrika, maar aanzienlijk donkerder dan de vale tinten dien men gewoonlijk bij mulatten aantreft. Maar wat vooral opviel waren zijn oogen. Fel, doordringend, tintelend van ingehouden spot, schenen ze geheel bij Beaghey's levendige persoonlijkheid te hooren en gaven ze hem een volkomen Europeesche uitdrukking. Er waren echter momenten, dat in die oogen de Afrikaan naar voren kwam. Beaghey vertoonde in hooge mate het geelachtige oogwit, dat voor den neger zoo typeerend is, maar had daartegenover weer lichtgrijze oogen, die fel contrasteerden met het donkere gezicht. Vanuit de hut, waar Father Cummins en ik tijdens ons verblijf in Dungoba woonden, konden we Beaghey's compound zien liggen. Ze lag ongeveer driekwart mijl buiten het dorp op een heuvel, vanwaar men een schitterend gezicht had op de bosschen en de heuvels van Eastern Province, waarover Beaghey den scepter zwaaide. In de compound die nog juist tegen het vallende duister van den avondhemel te zien was, brandde licht, dat naar de helder-

1) Zie Hoofdstuk X.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


197 heid te oordeelen, van een petroleumpersgaslamp afkomstig moest zijn. ‘De P.C. is blijkbaar thuis, Father,’ onderbrak ik de stilte. ‘Gisteravond was hij niet thuis,’ zei Father Cummins. ‘Waarschijnlijk is hij op jacht geweest en vanmorgen terug gekomen. Ik hoorde dat hij hier vlak bij, aan de Ngoba-creek twee panters heeft neergelegd, en er een van zijn boys had achtergelaten om ze te bewaken tot het ochtend werd. Hij heeft een prachtige collectie panterhuiden, en de panterjacht schijnt zijn groote hobby te zijn.’ ‘Zooals U weet, Father, moet ik voor ik vertrek nog een bespreking met hem hebben over de voeding van de dragers. Bovendien heeft hij me uitgenoodigd om eens een whisky bij hem te komen drinken. Na wat U over hem verteld hebt, voel ik er veel voor om aan zijn uitnoodiging gevolg te geven en te probeeren eens wat naders van die geschiedenis te weten te komen. Overmorgen, als ik met het werk hier klaar ben, ga ik er heen en vertrek dan in den loop van den volgenden ochtend naar het noorden.’ ‘Well, Doctor,’ lachte de missionaris, ‘I hope you will enjoy your evening, but I dont think you will be able to catch your man. I am afraid he is too clever for it!’1) En zoo geschiedde. Twee dagen later strompelden mijn boy en ik den heuvel op naar Beaghey's compound. Ik had des middags den smallboy naar boven gestuurd om belet te vragen en de P.C. had me in een hoffelijk briefje laten weten, dat hij me graag ontvangen zou. Halverwege den heuvel kwam Beaghey's boy me met een lantaarn en een parapluie tegemoet, want het pad was ruw en modderig, haast onbegaanbaar zelfs. Zonder een woord te spreken ging de zwarte ons voor. Regen joeg om ons heen. De lantaarn flakkerde en dreigde telkens uit te waaien. Toen we boven waren, stroomde de regen omlaag. Beaghey kwam me aan de gallerij tegemoet, begroette me op hoffelijken, zelfs jovialen toon, hielp me uit mijn natte jas en

1) Ik hoop dat U een genoeglijken avond zult hebben, maar ik denk toch niet dat de man zich laat vangen. Daar is hij te slim voor.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


198 leidde me naar binnen, terwijl mijn boy beneden bij de bedienden bleef wachten. De ruimte waar ik binnen trad was vrij helder verlicht en tamelijk groot. Beaghy was niet alleen. Toen ik binnen kwam, rees traag een groote Europeesche gekleede neger uit een hangmat overeind en werd mij voorgsteld als Mr. Fox. Het was een al wat oudere man met somber en stuursch voorkomen, die naar ik me meen te herinneren, Commissioner was van 'n naburig district. ‘Wel, Doctor,’ begon Beaghey, toen we allen in onze hangmatten zaten, die aan de zoldering waren opgehangen, ‘hoe is uw reis tot nu toe verloopen?’ Ik vertelde dat ik vrij goede resultaten had met mijn werk en de bevolking me buitengewoon interesseerde. Beaghey bleek heel goed van de eigenaardigheden der diverse stammen op de hoogte en wist er menige interessante mededeeling over te doen. Een boy bracht whisky binnen. Ik begon een gesprek over de jacht. ‘Ik ben maar een gelegenheidsjager!’ lachte Beaghey, ‘mijn hobby is de panterjacht. De panter is volgens mij het eenige dier, dat de moeite van het jagen waard is.’ ‘Het schijnt dat het gevaar U lokt, Commissioner, want de panterjacht blijft toch altijd een riskant bedrijf. Als U het ongeluk hebt het dier te wonden......’ ‘Inderdaad,’ zei Beaghey, ‘het eerste schot moet het dier zoo niet dooden, dan toch buiten gevecht stellen, anders heb je het volgend oogenblik den panter op je rug. Maar dat is me tot nu toe niet overkomen.’ ‘Heeft U een bijzondere reden om op panters te jagen?’ ‘Well,’ zei de P.C. langzaam en het wilde me voorkomen, dat er tusschen de twee Commissioners een blik gewisseld werd, ‘he is so interesting, so cunny, so clever!’1) ‘Ik ken een missionaris, die zelf veel op panters jaagt en die vertelde me,’ zei ik, ‘dat een opgejaagde panter een bijna menschelijke intelligentie vertoonen kan. Hoe is Uwe ervaring hieromtrent?’

1) Hij is zoo interessant, zoo listig, zoo slim.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


199 Weer was er iets als een blik die heen en weer gleed tusschen de twee zwarten en ik kreeg den indruk, dat Beaghey probeerde het gesprek op een ander onderwerp te brengen. Ik voelde echter dat ik op het goede spoor was en hield voorzichtig aan. ‘Ze zijn zeer listig,’ zei de P.C. langzaam. ‘Bestaat ook in deze streek het geloof, dat sommige menschen zich in een panter veranderen kunnen en dat deze menschelijke panters de gevaarlijkste zijn, juister gezegd, eigenlijk de eenig gevaarlijke zijn?’ ‘Onder de inboorlingen hier werden vroeger veel legenden verteld over de panter en het is ook mogelijk dat zij er geloof aan hechtten, maar al die verhalen behooren tot het verleden.’ ‘En de leopardmen? Wat denkt U daarvan? Bestaan ze nog?’ Ditmaal meende ik duidelijk een reactie bij beiden op te merken. ‘Och,’ zei Beaghey luchtig, ‘de laatste pantermenschen zijn in dit district al meer dan twintig jaar geleden veroordeeld. Dat was dus lang voordat ik hier kwam. Zelf heb ik er nooit iets van gemerkt.’ Er viel een ietwat pijnlijke stilte. Fox die tot nu toe praktisch niet aan het gesprek had deelgenomen, hoestte, nam een teug van zijn gin and bitters, hoestte weer en zei toen: ‘Vroeger bestonden ze ook in mijn district en het Gouvernement had er heel wat moeite mee om ze in handen te krijgen, maar,’ en een eigenaardige schorre lach klonk door de kale ruimte en scheen te dooven in het ruischen van den regen op het dak, ‘dat is allemaal bygone time. Hier en daar is zelfs de herinnering aan de human leopards aan het uitsterven.’ ‘But let us discuss more enjoyable things,’ lachte Beaghy, en zijn prachtige tanden schitterden in het lamplicht, ‘what about another gin and bitters, doctor? Your country is famous for this stuff, I dare say.’1) En met een handigheid die een volbloed Engelschman hem niet verbeteren zou serveerde hij Fox en mij another gin and bitters. Het

1) Maar laten we over prettiger onderwerpen spreken. Wat denkt U van nog een gin and bitters, Doctor? Uw land is beroemd om dat goedje zou ik zeggen.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


200 was duidelijk dat de twee zwarten mij er van wilde overtuigen dat pantermenschen tot het verleden behoorden. De rest van den avond verliep zonder dat zich verdere bijzonderheden voordeden. Ik trachtte nog een enkele maal het gesprek in de gewenschte richting te brengen, maar trots het feit dat Fox onder den invloed van den alcohol duidelijk spraakzamer werd, slaagde ik er niet in om wat meer te vernemen over de zaak die mij zoo interesseerde. Beaghey bleef bijna den geheelen avond aan het woord, vertelde van zijn jeugd op de Antillen, debiteerde eenige zeer geestige aardigheden over wat hij noemde black fathers - zwarte zendelingen uit de Vereenigde Staten - demonstreerde zijn geweren, waarvan hij de constructie grondig bleek te kennen en waarbij voortreffelijke wapens waren, die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigden, kortom hij ontpopte zich als een gezellig causeur, die zijn gast uitstekend wist te onderhouden. Intusschen was de regen gaan liggen en Fox geeuwde zoo onmiskenbaar, dat ik van de gelegenheid gebruik maakte om afscheid te nemen. Beneden wachtte mijn boy. Beaghey, hoffelijk als altijd, riep een van zijn bedienden, die ons met een brandende lantaarn een eindweegs zou begeleiden. ‘Wanneer ik U morgen voor Uw vertrek niet meer zie, wensch ik U een goede reis. Misschien zend ik U morgen nog een klein geschenk als herinnering aan Uw verblijf in Dungoba.’ Buiten gierde de wind door het geboomte. De maan was schuil gegaan achter dichte wolken, die als logge olifanten langs den donkeren hemel trokken. Het was mij wonderlijk te moede dien avond. Beneden aan den heuvel keerde Beaghey's bediende terug. Mijn boy, Elyjah, werd tot mijn verwondering opeens spraakzaam. ‘Ik hoorde dat U met den Commissioner sprak over Leopardmen,’ zei hij. ‘In mijn dorp zijn menschen die zich in panters kunnen veranderen en als men zoo'n panter doodt, sterft de man hetzelfde uur.’ ‘Zoo, Elyjah, en geloof je dat zelf ook?’ ‘Yes massa, me believe that. Mijn oom, de broer van mijn moeder, was een panterman. Op een nacht doodden de mannen van mijn

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


201 dorp een groote panter, die een vrouw had geroofd dicht bij het dorp. Er kwam een schreeuw uit de hut van mijn oom en den volgenden morgen vonden ze hem dood. Zijn handen had hij gesloten als de klauwen van een panter en hij lag dood op den vloer, in een houding alsof hij zoo kon opspringen.’ ‘Heb je dat gezien, Elyjah?’ ‘No massa, ik was toen nog maar een pikin1), maar mijn vader heeft het me later dikwijls verteld. Ik hoorde van den boy van den Peecee dat de Commissioner van nacht weer op jacht gaat. In het dorp Memequareh hebben ze veel last van panters die 's nachts de geitenstallen openbreken en zelfs op klaarlichten dag rondom het dorp zwerven. Hij gaat daar jagen.’ ‘Waar ligt Memequareh?’ ‘Niet ver van hier. We komen er morgen langs als we afreizen.’ Graag had ik den neger gevraagd of ook hij gehoord had dat de P.C. zelf een panterman was, maar ik vond het beter dat vermoeden voor me te houden. Toen we mijn hut bereikten was het al laat. De smallboy die de wacht moest houden, dommelde bij een roetende olielamp en was zichtbaar blij dat hij zijn slaapmat mocht opzoeken. In Beaghey's compound waren de lichten uit. ‘Peecee done go for Bush,’ zei Elyjah.2) Het werd den volgenden morgen laat voor we konden vertrekken. Father Cummins nam afscheid en keerde met zijn kleine karavaan naar de kust terug. Voor echter mijn karavaan kon opbreken, was er nog veel te regelen. De dragers slenterden nog wat rond over de markt, die juist dien dag gehouden werd en het duurde lang eer ik alle dragers bij elkaar had, alles in orde was en de bagage op de hoofden kon worden geladen. Toen ik het sein tot vertrek gaf, hing de drukkende middaghitte reeds over Dungoba. Het heele dorp was samengestroomd om ons uitgeleide te doen. In lange rijen stonden de Mandingohandelaars in hun blauwe en witte kleeren langs den weg. Hun hoofd, een oude man met fijn besneden trekken, die sterk aan die van een Foulah herinnerden, trad waardig naar

1) Kind (pidgin). 2) De P.C. is naar het bosch gegaan.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


202 voren en reikte me de hand tot afscheid. Toen verlieten we het dorp en sloegen het pad in naar het noorden. Aan beide zijden strekten zich rijstvelden uit en ver daar achter, lag trillend in de heete middaglucht, een sombere blauwgroene wal, als van een betooverd koninkrijk: het bosch. Juist toen we de laatste hutten van het dorp passeerden, daar waar het pad naar Beaghey's compound afboog, hielden de dragers in. ‘Some boy live for come for massa,’ verklaarden ze.1) In de verte lag Beaghey's compound in de blakende zon. Langs het pad, hetzelfde dat ik den vorigen avond gevolgd had, repte zich tusschen de struiken een lange gestalte. Het was Beaghey's boy. Hij droeg een groot paket en had de dragers gewenkt te wachten. ‘Peecee dash you this,’2) zei de man een briefje uit de plooien van zijn boubou te voorschijn halend. In het briefje deelde de P.C. mij mede, dat hij me ter herinnering de huid van een panter schonk, die hij dienzelfden nacht nabij de Ngoba kreek had neergelegd. De boy ontrolde de huid, die nog nat was en bloederig. Ze was die van een prachtig geteekend, kolossaal groot dier, in afmetingen nauwelijks voor een tijger onderdoend. ‘This leopardskin be fine too much,’3) meende Elyjah met begeerige oogen, waarschijnlijk intusschen becijferend, dat de huid op een markt aan de kust twee tot drie pond zou kunnen opbrengen. Gezeten op een bagagekist, schreef ik een dankwoord aan den P.C. die, naar ik van zijn boy hoorde, eerst 's ochtends was thuisgekomen en nu sliep. Dan braken we op en enkele minuten later lag Dungoba voor altijd achter me. Het eerste dorpje dat we passeeren zouden, was een onbeteekenend gehucht van een dertig hutten. Het lag ruim twee en halve mijl verder, dus een klein uur gaans. Langs het pad dat wij volgden, rijde zich het eene rijstveld aan het andere, soms onderbroken door

1) Er komt een man aan voor U. 2) De P.C. schenkt U dit. 3) De huid is prachtig.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


203 mais- en cassadafarms. Het liep tegen één uur, toen we het dorp bereikten. Het was geenszins mijn plan om me in het gehucht op te houden, maar ik werd getroffen door de opvallende drukte die in het dorpje heerschte. Het hoofd, een groote zware neger, kwam ons met zijn notabelen tegemoet en begroette me. De dragers hadden hier blijkbaar veel bekenden, want verscheidene inboorlingen kwamen aangeloopen en begroetingen over en weer hadden plaats. Het viel me op, dat vele inboorlingen naar mijn panterhuid kwamen kijken, die opgerold op een kist was gepakt. Een panter, dacht ik, moet voor menschen uit deze streek, waar die dieren zoo talrijk zijn, dat ze een werkelijke plaag vormen, toch een alledaagsch schouwspel zijn. Maar toen Elyjah opmerkte: ‘Peecee done kill leopard here,’1) drong het opeens tot me door, dat dit Memequareh was, het dorp waar Beaghey in den af geloopen nacht was gaan jagen. En toen ik hoorde, dat de plaats waar het dier gedood was, niet ver buiten het dorp lag, besloot ik er heen te gaan. De chief ging ons voor. Vlak buiten het dorp voerde een klein pad door een cassadafarm, en na dit pad ongeveer een driekwart mijl te hebben gevolgd, kwamen we op een kleine open plek, waar Beaghy het dier had neergelegd. Tusschen vertrapte plantenmassa's en gebroken takken lagen daar de bloederige resten van den panter, die ter plaatse gevild was en waarvan de P.C. me 's morgens de huid ten geschenke had gezonden. Ik boog me over het cadaver, dat een intense roofdiergeur verspreidde en een heirleger van aasvliegen had aangetrokken. De schedel vertoonde een groot gat. Beaghey's kogel had hem midden tusschen de oogen getroffen en de panter was blijkbaar voor hij zijn sprong had kunnen nemen, gedood. De chief en Elyjah wisselden op onderdrukten toon een paar woorden. ‘De chief zegt,’ zei Elyjah, ‘dat in zijn dorp vannacht een man

1) Hier heeft de P.C. den panter geschoten.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


204 gestorven is, op denzelfden tijd dat de P.C. hier den leopard doodde.’ Ik kon mijn ooren niet gelooven. ‘Is dat zoo, Chief?’ Het hoofd bevestigde het en zei dat de doode nog in zijn hut lag en vanmiddag begraven zou worden. Met spoed keerden we terug. Onderweg vertelde Elyjah me, dat de gestorven man als een witchdoctor1) bekend had gestaan en in het dorp algemeen gevreesd was. Op mijn vraag of hij een panterman was geweest, antwoordde de chief, dat hij dat niet geweten had. De woning van den doode lag buiten het dorp, aan den rand van een onooglijke slecht onderhouden cassadafarm. Twee armzalige hutten stonden er in de schaduw van een grooten cottontree. Toen we naderbij kwamen, hoorden we uit een van deze hutten een zacht geweeklaag opstijgen. We traden binnen. Donker was het en rookerig. Bij het wisselende licht van een flakkerend vuur zag ik enkele vrouwen in stomme gelatenheid om een rustbed van palmstokken gehurkt. Op het bed lag 't lijk van een ouden man, met wijd open mond en gebroken oogen. De oude was mager als een skelet en zijn trekken hadden iets zeldzaam terugstootends. In het onrustige schijnsel had het geheele tooneel iets zoo huiveringwekkends, zoo onzegbaar lugubers, dat het mij te moede was of een ijskoude tocht om mijn hart streek en het stil deed staan. Niemand sprak een woord; alleen de vrouwen, wier gezicht ik in het duister niet kon zien, steunden zachtjes. De rook in de hut was verstikkend en deed mijn oogen tranen, zoodat ik ze nauwelijks open kon houden. Een magere hond lag op den grond met den kop tusschen zijn voorpooten en jankte zachtjes. Misschien is het verbeelding geweest, maar met een huivering werd ik gewaar, dat vaag en onbestembaar dezelfde geur hier in de lucht hing, als ik enkele oogenblikken te voren bij Beaghey's panter had bespeurd. Wanneer ik mijn oogen even sloot, zag ik het geschonden pantercadaver weer voor me met den verpletterden schedel, waar uit den wijd open bek een groote

1) Toovenaar.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


205 bloedplas langzaam neergedropen was op den modderigen grond, hoorde ik weer het gonzen van steeds grooter wordende zwermen aasvliegen, die als trillende wolken van groene vonken in de heete lucht boven het doode roofdier hingen en zonder dat ik het me bewust was, vloeide het beeld van den afzichtelijken dooden witchman, die hier voor de laatste maal in zijn vervallen hut rustte, samen met dat van het bloedig cadaver in het bosch, tot een gruwzame, obsedeerende identificatie, die me zoo physiek onwel maakte, dat ik de buitenlucht in moest om te herademen. Ik voelde het als een bevrijding, toen korten tijd later de dragers, de kisten op hun hoofd, voor me uit marcheerden de wildernis in, waar in het noorden langzaam de lucht betrekken ging en de eerste vlagen van een opstekend onweer door de buigende kruinen voeren. En het duurde lang voor ik me los kon maken van de beklemming van dezen luguberen dood. Dat alles is geruimen tijd geleden nu. Ik weet zelf nauwelijks meer hoeveel malen ik sinds dien ben teruggekeerd naar de laaiende vlakten en de stille bosschen van dat continent, dat mijn tweede vaderland geworden is. En nu ben ik weer terug, in mijn studeerkamer, in mijn vredig huis in Wassenaar. Het is barre winter buiten en sneeuwvlokken jagen langs mijn venster. Ik trek mijn bureau open en neem mijn reisjournaal van het jaar 19... eruit, een versleten schrijfboek, dat duidelijke sporen nog vertoont van een moeizame en bewogen reis, misschien de zwaarste van mijn Afrikaansche leven. Ik blader erin en vind spoedig wat ik zoek. Een klein visitekaartje valt eruit en ik herlees: Major L. Beaghey Commissioner of Eastern Province Dungoba Westafrica Aan de keerzijde van het vergeelde stukje karton staan enkele regels schrift, wat verbleekt door de vochtige lucht der tropen, maar nog goed leesbaar, geschreven in sierlijk handschrift, onmiskenbaar de hand van een beschaafd man.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


206 Moet ik ze lezen als den afscheidsgroet van een vriend of als een nauwelijks bedekt dreigement? Dear Dr. Julien, I am sending you this leopardskin as a keepsake. I killed the brute near the Ngobacreek and I hope it will guide you safely thru our remarkable country, the population of which interests you so very much. Thanks for the interesting chat we had last night, but dont worry about leopardmen. They are extinct nowadays. Besides it might lead you into serious difficulties. Good luck! Very truly yours L. Beaghey. P.S. The leopardskin has all its claws retained.1) Dan vallen mijn oogen op een groote panterhuid, die in mijn studeerkamer den vloer bedekt. De huid is er in den loop der jaren niet mooier op geworden en is rijkelijk door de motten aangevreten. Maar soms is het of ik in de doode oogen van het dier de huiveringwekkende expressie terugvind van het lijk van den ouden witchman, die dienzelfden nacht het leven liet in zijn eenzame hut aan den rand der wildernis. Major Beaghey leeft nog steeds, maar ik heb hem en Dungoba nooit teruggezien.

1) Geachte Dr. Julien, Ik zend U deze panterhuid als een souvenir. Ik doodde het monster nabij de Njobakreek en hoop dat het U veilig moge voeren door ons merkwaardig land, welks bevolking U zoozeer interesseert. Ik dank U voor het interessante gesprek dat wij gisterenavond hadden, maar maak U geen zorgen over pantermenschen. Die zijn hedentendage uitgestorven. Bovendien zou het U in ernstige moeilijkheden kunnen brengen. Veel succes! Met vriendelijke groeten, L. BEAGHEY. P.S. De panterhuid bezit nog al haar nagels.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


207

Hoofdstuk XIII. Het beest van de Rivier. VREEMD en onherbergzaam, vijandig haast, is het land der Lobi. Hier en daar zich verheffend tot flauw gebogen heuvelreeksen, in het zuiden wat bergachtig, is het voor het grootste deel vlak als de spiegel van een meer. In den regentijd, die hier guur en kil kan zijn, vervloeit het eentonige land tot een uitgestrekt moeras, waar het water nauwelijks in den harden bodem dringen kan. In den drogen tijd echter, wanneer de boomen dorrend in de heete savanne staan, is het eenzame land in een laaiende vlakte herschapen, waar het stof in dikke wolken opwarrelt als de storm over de wildernis giert. Het land der Lobi ligt hemelsbreed gerekend ongeveer 600 kilometer noordelijk van Grand Bassam, in de streek onmiddellijk ten westen van de Zwarte Volta, en maakt deel uit van den Bestuurskring Gaoua van de voormalige kolonie der Boven-Volta, die sedert eenige jaren in de Ivoorkust is opgenomen. Het is een arm gebied, dat in zijn geheel tot de savannez么ne behoort. Werkelijke bosschen zijn er zeldzaam, en eigenlijk alleen langs de rivieren in het zuiden als zwak ontwikkeld gallerijwoud aanwezig. De bodem, die voor een groot gedeelte uit roode laterietmassa's bestaat, is er weinig vruchtbaar, en zelfs de sobere savanne-vegetatie vindt er in uitgestrekte gebieden nog maar een karig bestaan, zoodat de Lobi-savanne veelal slechts een vlakte vormt, die met hoog opgaande geel-groene grassen, waarin men tot de heupen of soms nog verder wegzinkt, is overwoekerd. Wanneer men vanaf den heuvel, waarop de bestuurspost van Gaoua gelegen is, rondziet over deze grasvlakte, die, vergeleken met de oerwouden van het zuiden, van de boschz么ne van de Ivoorkust,

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


208 wellicht de dichtste van geheel West-Afrika, een uiterst armelijken indruk maakt, dan komt het den toeschouwer voor, of daar beneden een kudde reusachtige donkere dieren al grazend door de savanne trekt. Zoover de blik reikt, liggen kleine boomgroepjes of enkele losstaande struiken als uitgestrooid over de vlakte, zoodat het landschap als geheel genomen, den indruk maakt van een verwilderd en slecht beplant park. En daar tusschen door, regelloos verspreid over de onmetelijke savanne, liggen 'n aantal ongeveer rechthoekige leemen constructies van 4 tot 5 meter hoogte, die op het eerste gezicht den indruk maken van kleine versterkte forten en inderdaad met hun kanteelen en bastions en hun merkwaardige afgeronde vormen voor een bedriegelijke imitatie - zij het op zeer verkleinde schaal - van onze vroegmiddeleeuwsche versterkingen zouden kunnen doorgaan. Deze geheel uit leem opgetrokken bouwwerken zijn de woningen van de bevolking van deze streek, en worden gewoonlijk met het Dioula-woord soukkala aangeduid. De soukkala's zijn leemen forten van meestal zeer uniforme, weinig varieerende afmetingen, waarvan de muren bestaan uit ongeveer zes horizontale leemen banden van ca. ½ meter hoogte en omstreeks gelijke dikte. Deze zijn zoo aangebracht, dat elke volgende laag tegenover de onderliggende iets naar binnen inspringt, waardoor de constructie een eenigszins pyramidalen vorm krijgt, die door de afslijpende werking van het klimaat weldra tot een conischen wordt afgerond. De soukkala's zijn gedekt met platte daken uit hard aangestampte aarde, die op een steunwerk van stammen en rijshout rusten. Een enkele lage poortvormige opening, die met balken en stammen kan worden afgesloten, geeft toegang tot het inwendige, dat duister is en rookerig, en gewoonlijk door leemen wanden in een aantal kleine vertrekken is verdeeld. Het interieur der soukkala's is doorgaans uiterst bedompt, en herbergt, naar ik uit persoonlijke ervaring herhaaldelijk kon vaststellen, behalve zijn menschelijke bewoners en eenige runderen, die in een afzonderlijk als stal dienend vertrek zijn ondergebracht - een niet te tellen leger van ongedierte, te gevarieerd om te beschrijven,

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 208

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 209

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


209 maar dat in zijn veelheid van soorten en vormen één eigenschap gemeen heeft, n.l. geschapen schijnt te zijn om den mensch - en vooral den blanken mensch - te kwellen. De inboorlingen van het gebied, die zich in een aantal scherp onderscheiden stammen laten verdeelen, waarover hieronder nader gesproken wordt, vormen een volk van landbouwers, die met de hak het veld bewerken en hoofdzakelijk mil en mais verbouwen. Daarnaast komt echter op vrij groote schaal veeteelt voor, en zooals ik reeds opmerkte, treft men zelfs in de kleinste soukkala's, behalve een hoeveelheid kleiner vee, dat schapen, geiten en soms zelfs varkens omvat, altijd nog wel een of twee runderen aan. Men krijgt echter sterk den indruk, dat de veeteelt in dit savannegebied niet van ouden datum is. Het valt namelijk op dat er eigenlijk van het vee geen gebruik gemaakt wordt. Slechts zelden - praktisch alleen bij feesten en plechtigheden - worden runderen geslacht, en ook de melk wordt door de inboorlingen zelf niet gewonnen. Gewoonlijk is de toestand namelijk zoo, dat de runderen die in de savanne grazen, gehoed worden door vreemde herders, Foulas, die in dienst der inboorlingen zijn, en als loon voor hun diensten het recht hebben de dieren te melken. Het vee vertegenwoordigt voor de Lobi dus een soort rustend kapitaal. De Lobivolken, waaronder ik in 1935 een uitgebreid onderzoek uitvoerde betreffende den samenhang van dit stammencomplex met andere groepen, bestaan uit een aantal stammen, waarvan de Lobi zelf de voornaamste genoemd kunnen worden. Nauw verwant met hen zijn vooral de Birifor, doch ook de Oulé, de Dorossié, de Gan en de Téguessié of Lorhon behooren tot dezelfde groep. In totaal omvatten deze stammen nagenoeg 150.000 zielen, waarvan de Lobi om en nabij de helft uit maken. Na hen volgen de Birifor met ongeveer 45.000 zielen. Wanneer men de Lobi-savanne doortrekt, hetgeen alleen met behulp van een dragerskaravaan mogelijk is, valt het den reiziger op, dat de Lobi - en hetzelfde geldt voor de overige ‘Lobiden’ - eigenlijk geen dorpen bezitten, maar in letterlijken zin in diaspora leven, verstrooid over hun woongebied. Hun soukkala's zijn zonder eenige

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


210 regelmaat over het land verspreid, en slechts zelden ontmoet men een begin van woninggroepeeringen die men met eenig recht een dorp zou kunnen noemen. De oorzaak van deze verspreiding - die echter voorbestemd is allengs te verdwijnen en zich in de vorming van werkelijke dorpen op te lossen - ligt in de merkwaardige, hoogst individualistische mentaliteit der Lobi. Het Lobivolk bezit - terecht - een zeer ongunstige reputatie. Een menschenleven telt niet veel in de savannen langs de Volta en wanneer men deze stammen als wreed en moordzuchtig afschildert, dan doet men hen geen onrecht, integendeel, benadert men slechts een klein gedeelte van de rauwe waarheid. Het is een feit dat door alle koloniale autoriteiten wordt toegegeven, dat in het Lobigebied een moord niet of nauwelijks als misdaad wordt beschouwd. Zoo ruw zijn de zeden onder deze wilde Voltastammen, dat een jonge man er geen enkel bezwaar in ziet, en het zelfs als een eervolle verrichting beschouwt, om een willekeurigen medemensch, met wien hij twist, noch ongenoegen heeft gehad, hetzij iemand uit zijn omgeving, hetzij een vreemdeling dien hij niet eens kent, en die toevallig in de streek verzeild is geraakt, met eenige pijlschoten uit den weg te ruimen. De drijfveer van dergelijke daden is de zucht zich te onderscheiden, en de veelbegeerde reputatie van een menschendooder, van een belangrijk mensch, te verwerven, waarbij het den moordenaar geheel onverschillig laat, of een man, vrouw of kind zijn slachtoffer is. De archieven van de bestuursposten van deze streek memoreeren tal van dergelijke feiten, waartegen de Fransche Administratie, die genoemde gebieden eerst sedert korten tijd onder direct - militair - Bestuur heeft geplaatst, met tact, doch tevens met onverbiddelijke gestrengheid optreedt, wanneer ze haar worden medegedeeld. Van al de Afrikaansche volken, die ik in den loop der jaren heb leeren kennen, is er geen een, welks handelswijze en opvattingen op bijna elk zedelijk gebied zoodanig in botsing komen met onze christelijke begrippen van recht en moraal. Het is geen zeldzaamheid, dat een Lobiman zich alleen of vergezeld van een paar vrienden, op weg begeeft met het vooropgezette plan een daad van

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


211 geweld te stellen. In den loop van den nacht verlaten zij hun soukkala en begeven zich, gewapend met hun groote houten bogen voorzien van zware met ijzer gepunte pijlen, naar een naburige woning. Het kost een geoefend inboorling slechts weinig moeite deze te beklimmen, en boven gekomen, op het platte dak, waar in den drogen tijd de inboorlingen dikwijls in de open lucht overnachten om de drukkende hitte van de benauwde leemen vertrekken beneden te ontkomen, schieten de indringers den eersten den besten mensch dien zij er aantreffen, met hun pijlen neer, waarbij ze in het duister gewoonlijk niet eens kunnen onderscheiden wie hun slachtoffer is en dit eerst den volgenden dag van anderen moeten vernemen. In triomf trekken zij dan naar de eigen woning terug, en leggen op het platte dak een groot vuur aan, om de gansche omgeving in hun glorie te laten deelen en den volke te berichten, dat zij een mensch hebben gedood. Kort voor mijn aankomst in Galgouli, in het zuidelijkste deel van het Lobigebied, deed zich een geval voor, dat duidelijk de bloeddorstige mentaliteit van deze inboorlingen, die waarschijnlijk van alle Afrikaansche volken het laagste moreele niveau innemen, tot uitdrukking brengt. Twee jongelieden waren op jacht in de omgeving van hun ‘dorp’ en merkten nabij een beek een vreemdeling op, een Birifor, die daar eveneens op jacht was. Ze legden zich in hinderlaag, en toen de man binnen hun bereik kwam, doorschoten ze hem met hun zware pijlen. Ze lieten hun slachtoffer, dat ze niet kenden, liggen, en keerden terug naar hun soukkala. Daar aangekomen, vertelden ze hun daad, waarop een aantal jonge meisjes van den stam, gewapend met stamphouten, naar de plaats van den moord gingen, het lijk van den Birifor met de knotsen bewerkte tot het in een onherkenbare massa veranderd was, om het vervolgens aan een touw naar het dorp te sleepen waar een groot feest werd aangericht. Door een toeval kwam de zaak ter oore van de Fransche Autoriteiten, die vanzelfsprekend een streng onderzoek instelden, waarvan ik den uitslag niet meer heb vernomen. Niet alleen de mentaliteit van den jongen man is op bloedvergieten

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


212 ingesteld, doch merkwaardigerwijze blijkt ook de vrouwelijke psyche van dezelfde gedachte doordrongen. Het Lobimeisje laat er tegenover haar vereerders geen twijfel over bestaan, dat zij slechts dien man haar gunsten waardig zal keuren, die zich door bloedige daden onderscheidt en zich een reputatie als dooder van menschen gevestigd heeft. Dat het voor de administratie buitengewoon moeilijk is om in zulke toestanden verbetering te brengen, spreekt van zelf, temeer daar het individualistische, onafhankelijke karakter der inboorlingen en de uiterst losse structuur der samenleving - als men deze hier nog met dit woord mag aanduiden - de naspeuringen belemmert en bovendien tal van moordgevallen nimmer aan de autoriteiten bekend worden gemaakt. De inboorling, wien het begrip gezag geheel vreemd is, geeft er de voorkeur aan zulke zaken in eigen beheer af te handelen, en aldus ontstaan familieveeten, die soms meer dan een eeuw oud zijn, en waarvan dikwijls niemand meer den oorsprong kent. In de laatste jaren is onder den invloed der missie, die hier echter nog in een beginstadium verkeert, en vooral door een tactvolle en tevens krachtige administratie, reeds een duidelijke verbetering merkbaar, hetgeen zich bovendien in een verheffing van den algeheelen socialen en economischen toestand der bevolking weerspiegelt. Het Lobi-gebied kenmerkte zich vroeger door de bijna volledige afwezigheid van zulke cultuuruitingen, die de samenwerking van een belangrijk aantal individuen vereischt. Een centraal gezag was geheel onbekend. Stamhoofden kende men niet; de maatschappij bestond in feite slechts uit los samenhangende families, die zich door geen enkel gezag of hoofd gebonden achtten. De tegenwoordige hoofden, en de heele administratieve hiĂŤrarchie van het gebied zijn dan ook creaties van de Fransche administratie, en meer en meer ordent de samenleving zich nu onder den pacificeerenden invloed der kolonisatie. In dit opzicht is de ontwikkeling der markten een merkwaardig criterium. Nu de toestanden allengs rustiger worden - maar nog verre van het ideaal verwijderd zijn! - en de publieke veiligheid minder te

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


213 wenschen overlaat, komen de inboorlingen, die enkele tientallen jaren geleden er onder geen beding toe te brengen waren hun streek te verlaten en zich zelfs van hun naaste omgeving nauwelijks een voorstelling konden vormen, er meer toe zich te verplaatsen, zelfs te reizen. De markten, die vroeger wel bestonden, doch alleen locale beteekenis hadden, worden nu meer bezocht en op sommige ervan zag ik zelfs inboorlingen van verschillende stammen tesamen komen, wat vroeger veelal onmogelijk zou geweest zijn. Daden van geweld op deze markten zelf behooren tot het verleden, en men krijgt den indruk, dat de inboorlingen allengs zelf het rustiger leven beginnen te waardeeren. Historisch is van de Lobiden uitermate weinig bekend. Geschreven berichten over hen, bijvoorbeeld van oude zeevaarders, ontbreken, aangezien het gebied ver van de kust verwijderd ligt; maar zelfs wat het recente verleden aangaat, zijn de eenige gegevens waarover men beschikt, mondelinge overleveringen, waarbij de inboorlingen een zeer goed ontwikkeld geheugen blijken te bezitten voor namen, feiten en verwikkelingen, doch waarbij men vaststelt dat elk begrip van exacte dateering hun volkomen ontbreekt. Men kan echter als vaststaande aannemen, dat de Lobi in het gebied waar ze nu wonen vreemdelingen zijn, en eerst ruim anderhalve eeuw geleden zich in deze streek hebben neergezet, komende uit het oosten, van de andere zijde van de Zwarte Volta, uit het gebied, dat men heden ten dage kent als de Northern Territories van de Gold Coast Colony. Het zal omstreeks 1780 geweest zijn, dat de voorouders der huidige Lobi, door voedselgebrek, en wellicht ook door het opdringen van andere stammen gedreven, de Volta overtrokken. Van hun geschiedenis v贸贸r dien gedenkwaardigen overtocht is, afgezien van enkele namen, niets hoegenaamd bekend. Ze kwamen, zegt hun overlevering, aan in een onbewoond gebied, waar ze echter sporen van vroegere bewoning vonden, in den vorm van ru茂nen van steenen woningen, een bouwwijze, die hun zelf vreemd was. Het is wellicht goed er hier eens op te wijzen, dat over het algemeen de negers niet de kunst verstaan van het bouwen in steen, zoodat zelfs de allereerste beginselen van de eigen-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


214 lijke bouwkunst-in-strikten-zin hun onbekend zijn. Geheel afgezien van de Egyptische en andere Noord-Afrikaansche beschavingen, zijn er slechts enkele punten in Afrika aan te wijzen, waar deze regel niet opgaat en men resten van steenen bouwwerken heeft aangetroffen of nog in gebruik vindt, die met eenige zekerheid aan negers kunnen worden toegeschreven. Op de eerste plaats behooren hiertoe de algemeen bekende en uiterst belangrijke Rhodesiaansche ruïnes, waarvan die van Zimbabwé, die mogelijk aan de Monomotapa's moeten worden toegeschreven, de voornaamste zijn. Daarnaast echter zijn de over het geheele gebied der Lobi verspreide ruïnes te noemen, die noch in omvang, noch in bouwtrant, noch in beteekenis met de Rhodesiaruïnes vergeleken kunnen worden - en evenmin een hoogen ouderdom kunnen bezitten - doch voor de geschiedenis van de streek zelf een groote historische waarde hebben. De Fransche geleerde Labouret, die jaren lang als bestuursambtenaar in de streek heeft gewoond, en wiens oordeel toonaangevend is, schrijft de Lobi-ruïnes toe aan den stam der Coulango, die thans zuidelijk van de Lobi wonen, doch vroeger een meer noordelijke woonplaats moeten hebben gehad. Zonder mij in deze een oordeel te willen aanmatigen waar op mijn geringe persoonlijke studie van het onderwerp zeker geen aanspraak geeft, meen ik toch te moeten opmerken, dat, met aan te nemen dat de Coulango de bouwers van deze geheimzinnige ruïnen zijn, niet alles is verklaard. Op de eerste plaats blijft het opvallende feit bestaan, dat de tegenwoordige Coulango, die nu in een streek huizen die in tal van opzichten aan hun vroegere woonplaats gelijk is, thans niet meer in steen bouwen. Daarnaast valt op te merken, dat er behalve de Lobiruïnes, nog andere sporen van steenen bouwwerken in West Afrika worden aangetroffen, die in de litteratuur nog niet zijn vermeld. Tijdens de expeditie die mijn vrouw en ik in 1939 ondernamen door het eenzame gebied der Oostelijke Tendavolken, gelegen aan de noordflanken van het Fouta Djallon-gebergte in het noorden van Fransch Guinea, troffen wij in verschillende dorpen van den stam der Bassari leemen hutten en verdere gebouwen aan, sommige

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


215 in den vorm van ru誰nes, andere echter van recente constructie, die opgetrokken waren op soubasementen van opgestapelde steenen, gewoonlijk meer dan een meter hoog, welker bouw opvallend herinnerde aan de ru誰nen van het Lobiland, die ik eenige jaren vroeger kon bestudeeren. Er is echter nog meer. Te Boussoura, waar het hoofd Mamadou Alpha resideert, vonden wij in de onmiddellijke nabijheid van zijn woningcomplex de resten van een groot steenen gebouw, dat, naar ik van diens familie vernam, vroeger de woning was geweest van Tyerno Ibrahima, vader van den tegenwoordigen regent te Boussoura, een Foulah, die deze behuizing van zijn voorouders had ge谷rfd. Daar dus zoowel de Foulah als de Tenda, althans de Bassari, in dezelfde streek het bouwen in steen hebben gekend, krijgt het probleem der Lobiru誰nes een ingewikkelder aspect dat men het tot nog toe heeft toegekend. Het passeeren van de Voltarivier, nu anderhalve eeuw geleden, schijnt in het bestaan dezer stammen een keerpunt te hebben gevormd, een feit, dat voor hen in beteekenis gelijk stond met het vertrek uit Egypte van het volk der Joden. De rivier de Volta, die in hun denken langzamerhand een min of meer goddelijk karakter heeft aangenomen, speelt nog heden ten dage een uiterst belangrijke rol in het gedachtenleven dezer stammen. Nog steeds knoopen zich al hun religieuze plechtigheden aan aan dezen overgang van de Rivier. Op de leemen altaren, die in geen enkele soukkala ontbreken, sommige op onmiddellijk opvallende plaatsen en van grooten omvang, andere alleen vindbaar voor den aandachtigen bezoeker, ontbreekt zelden een aarden pot met water en leem afkomstig van de Volta, en voor den ingang der soukkalas treft men dikwijls een offerplaats aan, bestaande uit een steenen pot met een merkwaardig decor van uitstekende steenen doorns, waaromheen zich een opstapeling bevindt van takken en hout, dat gesprokkeld of gesneden werd aan de oevers van de Heilige Rivier. Van uitzonderlijk belang zijn de plechtigheden en gebruiken, die men samenvat onder den naam Dyoro. Onder de Lobi, de Birifor en eenige der met hun verwante stam-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


216 men bestaat een organisatie, die den naam van Dyoro draagt. Wat over de Dyoro bekend geworden is, dankt men bijna geheel aan de onderzoekingen van den reeds genoemden geleerde Labouret, die gedurende zijn jarenlange verblijf in het gebied er in geslaagd is het vertrouwen te winnen der uiterst wantrouwende en, zooals we reeds geconstateerd hebben, sterk asociaal georiĂŤnteerde Volta-volken. Wat hier over deze ingewikkelde aangelegenheid wordt meegedeeld, berust voor een klein deel op geringe persoonlijke ervaringen tijdens mijn onderzoek in het Lobigebied opgedaan, doch in hoofdzaak op de resultaten van Labourets studies. De Dyoro is een organisatie, welker plechtigheden wel is waar niet voor iedereen zonder meer open staan, maar die - zoo denkt Labouret er tenminste over - den naam van geheim genootschap toch niet verdient. Deze kwestie latende voor wat ze is, wil ik echter opmerken, dat de Dyoro, naast aanzienlijke verschillen, toch ook onmiskenbare overeenkomsten vertoont met 'n geheime organisatie die wij boven hebben leeren kennen, en die haar zwaartepunt veel westelijker heeft dan het Lobigebied: de Poroh. De overeenkomst is zelfs zoo groot, dat men zich afvraagt of zelfs niet de naam Dyoro met dien van de Poroh samenhangt, een kwestie die africanisten moeten uitmaken. Hoe dit ook zij, de Dyoro is evenals de Poroh een initiatiegenootschap, welker riten culmineeren in een zevenjaarlijksch wijdingsfeest aan de oevers van de Zwarte Volta. Het begin van de DyoroceremoniĂŤn, die zich over vele maanden uitstrekken, schijnt immer hetzelfde te zijn: een jonge man, daartoe door de Ouden van de Dyoro aangewezen, huwt een meisje van zijn stam, en zoodra hun een kind geboren is, gaan boden door het gansche land om de komende plechtigheden aan te kondigen en de wijdelingen op te roepen. De jonge vrouw symboliseert de rivier, en de mare die de boden door het land rondbrengen, is dan ook deze: dat de Rivier heeft gebaard. Ik houd het voor waarschijnlijk, dat de jonge man de verpersoonlijking is van de Aarde, die met de Rivier de voornaamste godheden van het uitgebreide Lobipantheon vormen, en dat dit ritueele huwelijk, de vereeniging

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


217 van de Rivier en de Aarde, als een fertiliteitsrite kan worden opgevat, hoewel, ethnologisch bezien, aan de aarde daarbij veeleer een vrouwelijke rol toekomt, dan een mannelijke. Ik baseer deze veronderstelling op het door Labouret vastgestelde feit, dat de jonge man steeds gekozen wordt onder de nakomelingen van die families die het eerst de Volta overstaken en zich als eersten in het nieuwe gebied neerzetten, en aldus meesters werden van het land. Deze ‘meesters van het land’ spelen in het Lobigebied nog altijd 'n belangrijke rol. Nog steeds worden zij beschouwd als diegenen wien het beschikkingsrecht over den grond toekomt. Wil een Lobi een bepaald stuk land, dat schijnbaar aan niemand toebehoort, in gebruik nemen, dan is daartoe de toestemming van deze families noodig. Nadat zich verschillende plechtigheden van meer locale beteekenis hebben afgespeeld, trekken de toekomstige wijdelingen, die zich bij de plaatselijke Dyoropriesters hebben aangemeld, vergezeld van hun gansche familie, en geĂŤscorteerd door nagenoeg de geheele bevolking van de streek, in optocht naar de rivier. Het is of in dezen tijd, waarin de Lobi hun hoogste religieuze feesten vieren, iets herleeft van een oude saamhorigheid. Gedurende de Dyorofeesten heerscht er een Godsvrede over het land. Oude veeten tusschen families en soukkalas worden tijdelijk - opgeschort en hij, die het wagen zou in dezen tijd een bloedige daad te stellen, zou zeker de wraak van de Aarde te duchten hebben, waardoor hij met een ongeneeselijke ziekte bedreigd wordt. De tocht naar de rivier, die voor de meeste dorpen - waarmee in overeenstemming met het bovenbesprokene, de wat dichtere agglomeraties van de soukkalas bedoeld worden - slechts enkele tientallen kilometers verwijderd is, beteekent niet alleen een religieuze plechtigheid, maar tevens een feest. Alleen de toekomstige wijdelingen, die zoowel uit jongens als meisjes bestaan, wier leeftijd varieert van 7 tot 16 jaar, nemen met een angstig hart aan den tocht deel. De oudere geinitieerden trachten ze zooveel mogelijk bevreesd te maken door lugubere verhalen. Al maanden lang hebben ze niet anders gehoord dan over het Beest van de Volta, een monster dat in de Rivier huist en dat bij elke Dyoro een aantal wijde-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


218 lingen verslindt. Oude geschiedenissen gaan van mond tot mond over geinitieerden, die naar de nachtelijke riten aan de oevers van de Heilige Rivier overtrokken, maar nimmer terugkeerden, en nu de beproeving nadert, zien allen met angst en beven de komende verschrikkingen tegemoet. Deze zijn intusschen nog ver, want alvorens de definitieve wijding aan de rivier plaats heeft, ondergaan de wijdelingen nog een periode van afzondering, waarin aan hun uithoudingsvermogen hooge eischen worden gesteld. Zij mogen den eersten tijd slechts op den naakten grond slapen en zijn aan tal van andere strenge verboden en geboden onderworpen. Wanneer deze periode voorbij is, begeven zij zich naar de rivier, waar de eerste plechtigheden zullen plaats hebben. Elke streek heeft haar eigen plaats aan den oever en van alle kanten trekken de Dyoropriesters met hun wijdelingen, die nu den naam dyorebu of silinsi dragen en vergezeld worden door lange stoeten verwanten, naar de hun door de traditie aangewezen plek aan de Volta. Terwijl dit geschiedt, brengen een aantal Dyoropriesters offers aan de Rivier, die gewoonlijk uit hoenders bestaan, doch vroeger ongetwijfeld menschenlevens eischten. Deze offers hebben tot doel de nijlpaarden, die de Rivier symboliseeren, te bewegen zich te vertoonen. Men zal zich wellicht afvragen of met het Beest van de Rivier het nijlpaard wordt bedoeld. Naar mijn meening is dat niet het geval. De volksverbeelding stelt zich het Beest veeleer als een soort rund voor, een vurig dier, dat vreeswekkend en verscheurend tevens is. Tegen elf uur in den ochtend spreekt de Dyoropriester de kinderen toe en noodigt de silinsi uit de Rivier te groeten, waarop onder daverend handgeklap, uit honderden kelen de roep Su, ya, ya, ya, ya, Su, ya, ya, ya, ya, weerklinkt. Onophoudelijk galmt deze groet langs de rivier, totdat eindelijk eenige nijlpaarden, die in dit gedeelte van de Volta vrij talrijk, doch van tamelijk kleine afmetingen zijn, hun loggen kop boven den waterspiegel verheffen en den groet der silinsi beantwoorden. Nadat een of meer nijlpaarden zich vertoond hebben, verlaten allen den oever en begeven zich naar een dorp in de omgeving, BatiĂŠ genaamd. Een nieuwe periode van beproevingen vangt voor de

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


219 kinderen aan. Gedurende die dagen mogen zij geen enkel contact met vreemdelingen hebben. Weer slapen zij op den onbedekten leembodem, hetgeen een des te hardere beproeving is, aangezien de Lobi praktisch geheel naakt gaan. Zij zijn nu van boven tot onder besmeurd met modder van de Volta, die elke wijdeling van den oever heeft meegebracht, hetgeen ongetwijfeld op een wedergeboortesymboliek wijst, op een straks opnieuw herboren worden uit de rivier, die ze eerst verslonden heeft. De silinsi spreken nu nauwelijks meer met elkaar. De angst voor wat komen gaat verteert en verlamt ze, want de nacht van de wijding nadert nu snel. Intusschen is de tijd gekomen waarin ze van speciale versieringen worden voorzien. Strengen kaurischelpen slingeren zich om hun kapsel, om borst en ledematen. Van boven tot beneden zijn ze met kletterende kettingen behangen. In de stille savannes achter Galgouli heb ik zulke silinsi gezien, wier wijdelingsperiode intusschen reeds achter hen lag, maar toen ze zich tooiden voor den dans - de vreemdste, onwezenlijkste dansen, die ik ooit op Afrikaanschen bodem heb gezien - en de schitterende, fel witte schelpenparures aanlegden, schenen hun trekken te verstarren in gruwzame herinnering aan de vreeselijke nachtelijke uren, waarin ze uitgestrekt onder den blooten hemel aan de rivier, het woedende beest hoorden voorbijkomen, wegdraven en weer terugkeeren... De silinsi zijn, hoewel opgesmukt als voor een feest, dus geenszins in feeststemming. Nog weinige uren scheiden hen van het oogenblik dat het Beest zal oprijzen uit de nachtdonkere rivier om ze te verslinden, want bij elke Dyoro keeren er verscheidene wijdelingen niet meer terug... Wanneer het middernachtelijk uur nadert, dooft men de vuren en wordt het stil aan de oevers, waar de wijdelingen, sidderend van angst, in lange rijen hun noodlot afwachten. Opeens verscheurt een diep brullend geluid de stilte van de savanne. Het gehuil herinnert aan dat van een woedenden buffel, sterft uit, zwelt aan, verwijdert zich, om weer met angstwekkende vaart te naderen. In doodsangst verdringen de kinderen, die aan den oever

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


220 uitgestrekt liggen, zich bij elkaar. De ouden bedekken ze met matten, en scherpen ze in geen geluid te geven, want het Beest gaat zoekend en speurend rond en zal ze anders zeker vinden en verslinden. Weer zwelt het vreeselijke geluid aan, nadert, om weer uit te sterven alsof het Beest wegdraafde door de savanne of al snuivende onderdook in de donkere rivier. Het volgend oogenblik hoort men het vlakbij, dwaalt het rond de angstige kinderen, die, tesamengehurkt onder een paar slaapmatten, rillend van angst, wezenloos van verbijstering, de beproevingen over zich laten gaan. Dan eindelijk draaft het Beest weg en komt niet weer terug. Men weet thans wat het Beest van de Volta is. Zooals ik vroeger reeds heb opgemerkt en herhaaldelijk bij ervaring heb vastgesteld, zijn de geheimen van Afrika's menschheid wel angstwekkend voor 'n primitieve mentaliteit, maar zelden in staat om hooger ontwikkelde volken ontzag of zelfs maar vrees in te boezemen. De verschrikkelijke mysteriĂŤn der primitieven kunnen ongetwijfeld ruw en bloedig zijn, maar hun inhoud blijkt, van nabij bezien, steeds een zeer povere te zijn. Zoo is het ook gesteld met het vreeselijke Beest van de Volta. Het gebrul van het dier, waarvan geen mensch in de volledige duisternis van den maanloozen nacht iets kan waarnemen, wordt voortgebracht door een bromhout, dat in zijn vorm vagelijk aan een langgerekte ruit herinnert. Deze heilige ruit wordt door een aantal jongelieden aan een koord of een stok rondgeslingerd, en veroorzaakt daarbij een gonzend geluid. Soms gaan de bedienaars langs den oever rond, soms ook varen ze op een vlot op de nacht-donkere rivier af en aan, heen en weer... Wanneer de laatste geluiden van het Beest in het nachtelijk duister zijn uitgestorven, hebben de voornaamste beproevingen voor de silinsi een einde genomen. Er volgen echter nog tal van plechtigheden en gebruiken, die zoo belangwekkend zijn, juist in vergelijking met wat wij elders van andere initiatiegenootschappen hebben leeren kennen, dat een en ander niet onvermeld mag blijven. Op de eerste plaats wil ik er nogmaals op wijzen, dat ook hier de voorstelling, zelfs de uitbeelding van een wedergeboorte aanwezig is, zooals we ook bij de Poroh hebben aangetroffen. Het Beest sym-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


221 boliseert ongetwijfeld de vernietiging van het oude leven, het besmeuren met klei en het afwasschen daarvan de opstanding tot een nieuw bestaan. Nauw hiermee verband houdend, is de naamsverandering, die de silinsi onmiddellijk na de wijding ondergaan. De nieuwe naam wordt hun door een priester der Dyoro of een anderen functionaris opgelegd, nadat de oude naam, die merkwaardigerwijze gematerialiseerd wordt gedacht in een kaurischelpje, dat de silinsi tijdens de plechtigheid in den mond heeft, onder een steen in 'n kuil begraven wordt, tesamen met een hoeveelheid afgeschoren hoofdhaar. Op hetzelfde oogenblik spreekt de Dyoropriester den nieuwen naam uit welke de wijdeling zijn geheele leven lang zal dragen. De nieuwe stamgenooten keeren echter nog niet dadelijk in het gewone leven terug. Voorzien van een speciaal rieten masker worden zij naar een kamp gevoerd, waar zij in de open lucht den nacht doorbrengen en waar zij den volgenden dag door de Ouden van de Dyoro in verschillende gebruiken van den stam worden onderwezen. Deze opleiding, - die dus 'n parallel van de Porohscholing vormt, - welke laatste echter ongetwijfeld 'n veel hoogere moreele en karaktervormende waarde bezit dan de Dyoroplechtigheden, die tenslotte culmineeren in een bangmakerij op groote schaal, - omvat tevens de leer der verschillende taboes waaraan de nieuwe leden voortaan onderworpen zullen zijn en bovendien eenige kennis van de geheime Dyorotaal. Zooals Labouret heeft vastgesteld, is deze blijkbaar nauw verwant aan de taal der Pougouli, hetgeen er op zou kunnen wijzen dat 贸f de Dyoro van de Pougoli afkomstig is, of dat de huidige Lobi vroeger 'n taal spraken, verwant aan die der tegenwoordige Pougouli, waarmee dan wederom een geval bekend zou geworden zijn van het meestal archaiseerend karakter van geheimtalen. Helaas ben ik niet in staat geweest om deze veronderstellingen aan de verschijnselen zelf te toetsen, zooals ik me had voorgesteld. Een der meest frappante punten van overeenstemming tusschen de Dyoro en de Poroh treft men aan in de gebruiken bij den terugkeer der wijdelingen in hun dorp. Deze terugkeer voltrekt zich onder een eigenaardige symboliek. De wijdeling, eigenlijk reeds het jonge

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


222 stamlid, overschrijdt den drempel van zijn of haar soukkala achteruitloopend, dus met het gezicht naar buiten gekeerd. Op het moment dat hij binnentreedt, werpen zijn verwanten een hoeveelheid water over den weg, dien hij zoojuist heeft afgelegd met de bedoeling om zijn spoor uit te wisschen en daardoor den geesten, die hem wellicht vanuit de andere wereld, waarin hij vroeger leefde, gevolgd mochten hebben, het spoor bijster te doen worden. Nu is de wijdeling in het leven teruggekeerd en het is wel zeer treffend, dat ook hier de wijdelingen een totale onbekendheid simuleeren met alles wat ze vroeger hebben geweten. Geen enkele band verbindt ze meer met het vroegere leven. Zelfs de eenvoudigste, de meest elementaire dingen weten of kennen ze niet meer en moeten hun opnieuw onderwezen worden. Bij het eten probeeren ze bijvoorbeeld hun voedsel door hun ooren naar binnen te brengen. Wanneer ze den grond moeten bewerken, gebruiken ze daarvoor den steel van de hak en niet het hakijzer enzoovoorts. De heele volgende dag is gewijd aan deze nieuwe instructie, die door de dwaze situaties, die er natuurlijk uit ontstaan, tenslotte in klucht en vroolijkheid ontaardt, waarin alle aanwezigen deelen. Eerst maanden later wordt hun tenslotte het geheim van het Beest onthuld en kunnen zij de bromhouten, die hun zooveel angst hebben berokkend, met eigen oogen aanschouwen. De Dyoroplechtigheden zijn dus alles tesamen genomen tamelijk onschuldig. Het lijkt mij juist ze als een gedegenereerde rest van een initiatie op zedelijken grondslag te beschouwen, hoewel ik me zeer goed bewust ben dat ook het omgekeerde mogelijk zou kunnen zijn, namelijk dat de moreel ontegenzeggelijk hooger staande Poroh zich ontwikkeld heeft uit een initiatie, die evenals de Dyoro oorspronkelijk op angst gebaseerd was. Het is echter geen wonder, dat onder deze wilde savannevolken, waar het besef van menschelijke waarden wellicht verder zoek is dan bij eenig ander - Afrikaansch - volk, nog in een recent verleden bloedige riten de Dyoroplechtigheden begeleidden of inluidden. Men kan als vaststaande aannemen, dat nog weinige jaren geleden bloedige offers aan het mystieke huwelijk tusschen Aarde

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


223 en Rivier voorafgingen en nog in den laatsten tijd werd de jonge vrouw, die de Rivier verbeeldde, ter dood gebracht wanneer ze niet in staat bleek spoedig een kind ter wereld te brengen. Ook bij de wijdingsplechtigheden deden zich gewelddaden voor, die zeker nog niet geheel tot het verleden behooren. Inderdaad keerden, in overeenstemming met de verhalen, die men den dyorebu voor den wijdingsnacht aan de oevers van de rivier vertelt, tot voor korten tijd een aantal silinsi nooit terug van de plechtigheden aan de Volta. Wat hun of haar lot werd, is onzeker. Mogelijk werden sommigen aan den Oostelijken oever als slaven verkocht, zeker werden anderen op ritueele wijze ter dood gebracht om een goeden afloop van de Dyoro te garandeeren. Herhaaldelijk werden vroeger jonge meisjes aan de Rivier geofferd. Een aantal dezer silinsi, rijk getooid met kaurisnoeren, werd door de Dyoropriesters des nachts naar een punt aan de rivier geleid, waar een rotsige steile oever zich hoog boven de steenachtige bedding van de Volta verheft. Wanneer de stoet boven op de rots was aangekomen, werden dansen gehouden die den geheelen nacht voortduurden tot de eerste stralen van den nieuwen morgen over de savanne streken. En zoodra de zon opging en de oevers van de Volta door het licht van den jongen dag werden aangeraakt, wierp men de wijdelingen van de rots naar beneden, waar ze op den steenachtigen bodem van den stroom te pletter vielen, terwijl de krokodillen in den stroom vanuit hun schuilplaatsen te voorschijn schoten om elkaar dezen onverwachten buit te betwisten.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 224

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


t.o. 225

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


225

Hoofdstuk XIV. Jacht. HET zou me niet verbazen wanneer sommige lezers van dit boek min of meer teleurgesteld zijn, als hun uit den titel van dit hoofdstuk blijkt dat hier een aantal jachtavonturen ter sprake komen. Ze beschouwen de jacht waarschijnlijk met een zekeren afkeer, als een weinig verheffend bedrijf, waarvoor ze slechts afkeuring over hebben. Ik wil hierbij dadelijk opmerken, dat ook ik in hoofdzaken hun bezwaren deel en het is natuurlijk overbodig hen er op te wijzen dat ik al die jaren niet naar Afrika gegaan ben om er te jagen. Ook ik keur het af dat de dierenwereld in de weinige gebieden der aarde, die nog een ongerepte, oorspronkelijke fauna bezitten, tot een amusementsobject wordt gedegradeerd. Inderdaad schijnt het wel dat het eenige interesse dat tegenwoordig nog iemand naar Afrika's wildernissen, die wat landschappelijk schoon betreft zich inderdaad niet meten kunnen met wat andere gedeelten van den aardbol hebben aan te bieden, roepen kan, gevormd wordt door het verlangen om actief deel te nemen aan de uitroeiing van de fauna van dit continent. Elke jacht echter zonder meer af te keuren is mijns inziens onjuist. Men dient ook hier wel te onderscheiden en geen oordeel uit te spreken voor men het land en zijn omstandigheden kent. Herhaaldelijk ben ik, of alleen, of met een paar zwarte jagers de wildernis ingegaan, om te trachten voor mijn menschen wat vleesch bij elkaar te schieten, maar ik erken, dat ik ook wel eens mijn geweer van den haak genomen, en de patronen in mijn tasch geordend heb, wanneer de noodzaak om mijn karavaan vleesch te verschaffen niet aanwezig was. Zij die het leven in de wildernis niet kennen, zullen dit wellicht afkeuren. Zij echter, die zelf een tropische carrière

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


226 achter den rug hebben - en daarmee bedoel ik niet diegenen, die in een comfortabele stad hun Indische jaren gesleten hebben, maar zij, die de vele moeilijkheden en de weinige charmes van den eenzamen buitenpost hebben geproefd, - zij zullen mij begrijpen. Zij weten dat een afleiding, een tijdpasseering die belangstelling wekt en de aandacht gespannen houdt, van tijd tot tijd absoluut noodzakelijk is in het leven in de wildernis, waar men anders op den duur met feillooze zekerheid aan een lustelooze melancholie - de gevreesde cafard der Fransche kolonisten - ten offer valt. Ik herinner me nog de woorden van dien ijverigen, vromen, actieven Bretonschen missionaris, eigenaar van twee goede geweren, maar nimmer houder van een geldig jachtbrevet, begraven in de eenzaamheid van een monotoon land zonder eenige schoonheid, temidden van een moeilijke bevolking, die hem veel zorgen en weinig voldoening schonk: Quand j'ai mon jour de cafard, je prends mon fusil et je sors dans la brousse...... Geloof me, dan is het geweer, de attractie van het jachtavontuur, zelfs als er geen schot gelost wordt, dat wat voor een ander de whiskyflesch is: afleiding, vergetelheid, ontspanning en het staat nog te bezien welke keuze de slechtste is, al kan de jacht, vooral die op grof wild, ongetwijfeld ook gevaren met zich meebrengen. Een van mijn eerste ervaringen op jachtgebied was alleszins geschikt om me daarvan te overtuigen. Verscheidene jaren geleden keerde ik terug uit het gebied van de Congo-Nijl-waterscheiding, waar ik onder de pygmeeĂŤn van de Itoeririvier een uitvoerig bloedonderzoek had uitgevoerd. De lange tocht, die tal van onvoorziene ontberingen had meegebracht en gedurende welke me eigenlijk geen enkele moeilijkheid, tot muiterij van mijn dragers toe, bespaard was gebleven, had mijn weerstandsvermogen zeer aangetast, zoodat ik afzag van mijn oorspronkelijk plan, om na het bereiken van de Itoeririvier westwaarts te gaan, en via Stanleyville het pygmeeĂŤngebied van het Leopold II-meer te onderzoeken. Ik veranderde mijn reisplan en sloeg een oostelijke richting in, die naar het Albert-meer voerde en zoo kwam ik eenigen tijd later te Kasenye aan, de voornaamste plaats aan den westoever

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


227 van Albert Nyanza, met de bedoeling daar eerst eenigen tijd te arbeiden onder de Bahemastammen van de omgeving en dan naar Uganda over te steken. Het Albert-meer is, wanneer men de noordoostelijke voortzetting van den grooten Afrikaanschen slenk buiten beschouwing laat, het noordelijkste van de meerenreeks, die de Riftvallei van zuid naar noord begeleidt. Het ligt praktisch geheel buiten het oerwoud, dat, wanneer men van uit het oosten komt, reeds voor Irumu plotseling eindigt. De westelijke oever van Albert Nyanza, dat opvallend aan het Tobameer herinnert, bestaat grootendeels uit een eentonige savanne, een vlakte van schriel, hoog gras, waarin verspreide boschjes en boomgroepen liggen, een gebied dat landschappelijk bezien, weinig aantrekkelijk, maar zeer wildrijk is. Toen ik met mijn arbeid te Kasenye gereed was gekomen, arriveerden daar een tweetal Belgen uit Irumu, met het doel een jachttocht te ondernemen in de savannen aan den zuid-westoever van het meer en ik nam gaarne hun uitnoodiging aan om aan deze jacht deel te nemen. Met een klein aantal dragers vertrokken wij naar een punt, ongeveer een dertigtal kilometers van Kasenye verwijderd, sloegen daar een kamp op, lieten er onze voorraden en uitrusting achter en gingen op een vroegen ochtend de savanne in. Het was heet en drukkend weer en de tocht, die voortdurend door open terrein voerde, matte me zeer af, daar ik eerstens gedurende eenige maanden in de schemering van het Itoeriwoud gewerkt had, waar werkelijk hooge temperaturen uitzondering waren en ik bovendien nog lang niet hersteld was van de doorstane ellende van den tocht. Ons gezelschap bestond uit vier personen, de twee Belgen, een inlandschen drijver en ik. We waren nog geen uur de savanne ingegaan, of we vonden talrijke wildsporen, die, naarmate we zuidelijker kwamen, nog steeds in aantal toenamen. Binnen het verloop van een half uur passeerden we sporen van wilde zwijnen en verscheidene antilopen, waarnaast ook indrukken van groote hyaena's zichtbaar waren. Naarmate we vorderden werd het gras hooger en steeg de temperatuur in de laaiend heete vlakte tot een ondragelijk peil. Toen het tegen den middag liep, hadden we ongeveer twintig

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


228 kilometer te voet afgelegd en kwamen we in lager terrein, waar in het lange gras zich talrijke dierenpaden afteekenden. Kort daarop vonden we olifantssporen die echter reeds 24 uur of meer oud waren. We gingen nu westelijk, de eene mijl na de andere afleggend door de savanne, waadden soms tot de schouders door het hooge gras, dat een onnoemelijke hoeveelheid insecten herbergde en waar op den steenachtigen bodem tal van schorpioenen huisden. Overal vonden we wildsporen, maar wild kwam er niet in zicht. Blijkbaar waren de dieren, nu de streek in den drogen tijd waterarm geworden was, naar het Zuiden getrokken. Opeens klonk achter ons een zwak, maar doordringend fluiten. Op eenigen afstand was onze drijver in het gras weggedoken en beduidde ons het zelfde te doen, daarbij wijzend in de richting van een klein boschje, dat op enkele honderden meters afstand voor ons lag. Inderdaad, nog geen driehonderd passen verwijderd, merkten we twee antilopen op van middelmatige grootte, van een soort die ik op dezen afstand niet nader kon bepalen, temeer daar de dieren bijna geheel in het hooge gras schuil gingen. Alleen de fijne kop met gracieuse horens en spitse ooren stak er boven uit. We besloten de dieren te volgen en verdeelden ons daartoe in twee groepen. Ik nam den inlandschen drijver mee. De antilopen, die onze nadering blijkbaar bemerkt hadden, trachtten met snelle bewegingen naar het boschje te ontsnappen, en bereikten dit voor we de dieren onder schot konden krijgen. Mijn drijver en ik trokken links om het boschje, dat ongeveer tweehonderd meter lang geweest kan zijn, terwijl de anderen aan de rechterzijde trachtten te passeeren. Behoedzaam voortsluipend door het hooge gras, waarin we bijna geheel verscholen gingen, ontmoetten we elkaar een half uur later aan de andere zijde om te constateeren dat de antilopen verdwenen waren. Hun sporen waren echter in het gras gemakkelijk te volgen en leidden naar een kleine terreinzinking, die een halve mijl verder lag en zich door hoog riet en tamelijk dicht geboomte verraadde. Heet brandde de namiddagzon over de savanne. Een lichte wind, zooals in de nabijheid van de groote meeren dikwijls optreedt, streek over de golvende grasvelden en woei ons tegemoet, zoodat we de

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


229 dieren tegen den wind in konden naderen, Met den trekker aan het geweer daalden we naar de kleine pan af en baanden ons met moeite een weg door het dichte gras, dat op vele plaatsen op olifantenriet begon te lijken en een geduchte hindernis vormde. Tenslotte bereikten we het diepste gedeelte van de pan, waar een half uitgedroogde waterplas lag, door hoogopgaand struikgewas en rietvelden omzoomd. Op het oogenblik dat we aan den plas kwamen, klonk ineens zwaar hoefgetrappel op van het water en hoorden we twee groote dieren wegdraven. Enkele oogenblikken later kwamen ze uit het riet te voorschijn en toen zagen we dat we twee kolossale zwarte buffels hadden opgejaagd. De dieren draafden door een boschje heen, tegen de helling van den poel op en kwamen toen op veertig Ă vijftig meter afstand in open terrein, waar ze trachtten te ontsnappen. De beide Belgen deden toen iets zeer onvoorzichtigs. Zonder zich rekenschap te geven wat het volgend oogenblik gebeuren kon, legden ze aan en schoten op de dieren, die in dreunenden galop vluchtten. Ik zeg onvoorzichtig, want ieder die in Afrika gejaagd heeft, weet, dat van alle dieren der wildernis, de buffel de gevaarlijkste is, niet alleen door zijn snelheid en de brute kracht, waarmee hij zijn slachtoffer met zijn machtige horens tegen den grond te pletter stoot, maar ook door het feit, dat de buffel een der weinige dieren is, die dikwijls verraderlijk en zonder provocatie aanvalt, een eigenschap die hij op Afrikaanschen bodem eigenlijk slechts deelt met den mensch. Het antwoord op de schoten kwam onmiddellijk. Een van de buffels die blijkbaar getroffen was, draaide zich oogenblikkelijk om, stiet een woedend heesch gebrul uit, gooide met zijn hoeven groote massa's aarde omhoog, strekte zijn staart en stortte zich daarop, den machtigen kop met de gigantische koolzwarte horens omlaag gericht, in den aanval. Onmiddellijk na de schoten besefte ik dat er levensgevaar dreigde. Mijn drijver droeg mijn geweer en was te ver verwijderd, dan dat ik hem nog bereiken kon. Tesamen met een der Belgen vluchtte ik naar een boom. De Belg trachtte aan den eenen kant naar boven te komen, ik aan den anderen, maar de tak waaraan ik me probeerde

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


230 omhoog te trekken, brak af en ik plofte achterover in de doornenstruiken, aan den voet van den boom, waarbij ik nog het geweer van mijn kameraad op mijn hoofd kreeg, dat hij uit den boom naar beneden liet vallen. Half verdoofd door den val bleef ik liggen; een oogenblik later drong echter het gevaarlijke van mijn toestand tot me door en ik stond op het punt weer naar boven te klimmen, toen de buffel reeds in brieschende vaart op den boom toerende. Eigenaardigerwijze viel hij ons niet aan, maar stoof op nog geen drie meter afstand aan me voorbij, liep langs den boom, stiet een blazend geloei uit, keerde zich om, bleef even staan en chargeerde weer. Met dreunend geweld stoof de grauwzwarte massa opnieuw aan me voorbij, om verder in de savanne weer tot staan te komen. Ik zat nu inmiddels op den boom, echter in een uiterst ongemakkelijke positie. Ik hing meer tegen den stam dan ik zat, trachtte mij zoo goed als het ging aan den ruwen bast vast te houden en wachtte een derden aanval af. Zoover kwam het echter niet. Het woedende beest, dat nu een heesch, huilend geluid maakte, stormde voor een derde maal voorbij, blijkbaar, zonder ons te zien, in het wilde weg chargeerende, draafde een heel eind door en viel toen met een zwaren smak neer. Nog even bewogen de machtige pooten, toen was de buffel dood. We hadden inmiddels den anderen Belg uit het oog verloren. Het laatste wat ik van hem gezien had was, dat ook hij achter een stam dekking had gezocht. Enkele oogenblikken was het stil. Toen klonken achter elkaar twee zware schoten en even later meenden we opeens het schreeuwen van een mensch te hooren. Het geroep scheen van den anderen kant van den vijver te komen en gaf ons den indruk, dat onze makker zich in gevaar bevond. We laadden het eenige geweer waarover we op dat moment beschikten opnieuw, daalden van den boom af en gingen in de inmiddels invallende schemering in de richting van het geluid, den vinger aan den trekker. Ongeveer driehonderd meter verder vonden we den man aan den voet van een boom zitten met ernstig gewonde rechterhand. Hij vertelde, dat hij den tweeden buffel was gevolgd, en toen hij het dier

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


231 onder schot kreeg, twee maal met zeer zware kogels op hem geschoten had. De buffel riposteerde met een furieuzen aanval, die onzen makker bijna het leven had gekost, want toen hij nogmaals op het chargeerende dier wilde vuren, ketste zijn geweer, en hoewel hij zich zijn handen stuk beukte op den grendel, weigerde deze open te gaan, zoodat hij dus ongewapend stond tegenover het monster, dat nog maar enkele meters van hem verwijderd was. Hij wierp zijn geweer weg en een snelle sprong opzij redde hem het leven. Na dezen aanval draafde het dier voorbij, verdween in noordelijke richting in de struiken en keerde niet meer terug. Waarschijnlijk was het slechts licht geraakt. Inmiddels viel de duisternis over de savanne. De weg terug naar ons kamp was nog zeer lang, zoodat het hoog tijd werd terug te keeren. Met eenige bezorgdheid stelden we vast, dat de buffel juist in die richting verdwenen was, waarin ons kamp lag. De mogelijkheid bestond dat het dier gewond was en opnieuw zou chargeeren, wat uiterste voorzichtigheid gebood. Onze drijver, die inmiddels ook terecht gekomen was, ging in het vallende duister behoedzaam vooruit. Boven ons welfde zich een wijde, violetgrijze hemel, waarin hier en daar sterren begonnen te twinkelen, zoo flonkerend als alleen de tropen dat kennen. Met het geweer in de hand volgden wij, gereed op elke bewegende schaduw te vuren. Ik moet toegeven dat deze tocht, die bijna vier uur duurde een der penibelste was van mijn geheele Afrikaansche leven. Binnen een uur was het zoo donker, dat we bijna niets meer konden onderscheiden en van schieten haast geen sprake meer kon zijn. Bovendien waren we alle vier uiterst vermoeid. Opeens bleef de zwarte drijver stilstaan en beduidde ons voorzichtig te zijn. ‘Daar voor ons beweegt een groot dier,’ fluisterde hij. We hielden krijgsraad en besloten iets ter rechterzijde voort te gaan, daar de mogelijkheid groot was, dat de buffel in het donker niet chargeeren, maar vluchten zou. Stap voor stap vorderden we door het hooge gras, steeds het noorden aanhoudend. Opeens was er een druk getrappel van vluchtend gedierte voor ons

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


232 uit. Naar het geluid te oordeelen, waren het verscheidene dieren, zeker vier of vijf. ‘Wilde zwijnen,’ meende de drijver, ‘ze zijn op weg naar den poel, waar wij vandaan komen.’ Nog driemaal joegen we in het donker dieren op. Een ervan was zeer groot en vermoedelijk een paard-antilope, maar de gevreesde buffel vertoonde zich gelukkig niet. Het was ver na middernacht toen, nadat we een kleine glooiing hadden bestegen, plotseling een lichtje voor ons opdoemde, het kamp, waar onze zwarten bij een petroleumlamp de wacht hielden. Toen we den volgenden dag naar de plaats terugkeerden, waar de buffel neergestort was, vonden we het cadaver reeds ernstig door hyaena's geschonden, terwijl de huid door hun woedende vraatzucht geheel was vernield. Een jacht bij daglicht kan zeer avontuurlijk zijn, in het duister heeft een jachtexpeditie echter een geheel eigen charme, hoewel het element van onzekerheid, dat aan een nachtelijken tocht in de wildernis steeds verbonden is, altijd aanzienlijke gevaren voor den jager meebrengt. Men jaagt des nachts met de lamp. De jager is daartoe uitgerust met een sterke lichtbron, die men met een riem op het voorhoofd bevestigt en die met behulp van een lens een smallen, intensen, scherpen bundel vooruitwerpt. Ik gebruik, al naar omstandigheden, òf een speciaal daartoe ingerichten acetyleenschijnwerper - die echter het nadeel heeft van vrij warm te worden en waarvan men het reservoir aan een gordel op den rug draagt, òf - praktischer, maar lichtzwakker - een electrische jachtlamp, waarvan de tamelijk zware batterijen eveneens op den rug gedragen worden. Men richt den lichtbundel dus met het hoofd en na eenige oefening leert men vrij spoedig de kunst om, zelfs in ruw boschterrein, den lichtstraal al voortgaande op een bepaald punt gericht te houden. Daar de jager behalve de kleine lichtvlek voor hem uit, absoluut niets kan waarnemen en dus ook niet kan zien waar hij zijn voeten zet, is het wenschelijk ook nog

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


233 een electrische zaklamp ter beschikking te hebben, die echter alleen den bodem belichten mag. De jager Ă la lampe, die altijd alleen is, hoogstens vergezeld van een enkelen inlander, welke geweer en patroontasch draagt, gaat langzaam voort, daarbij het hoofd heen en weer bewegende, zoodat hij met de lamp het terrein kan afzoeken. Treft de lichtkegel nu het oog van een dier, dan ziet men dit oplichten, daar het netvlies het licht reflecteert, wat zelfs op grooten afstand is waar te nemen. Niet alle oogen lichten. Die van den mensch en van vele apen lichten praktisch niet. Roofdieren vertoonen het verschijnsel allemaal, verder de meeste knaagdieren en praktisch alle antilopen en runderachtige dieren. De kleur van het licht is verschillend. Van roofdieren is het groenachtig, vaak met rooden weerschijn en des te fonkelender, naarmate het dier kleiner is. Bij sommige kleine katten kan het uitgesproken vlammend rood zijn. Geiten hebben een groen licht, dat der overige dieren is gewoonlijk geelachtig, zoodat de jager eenigszins kan uitmaken, welk soort dier hij voor zich heeft. Een van de interessantste jachttochten met de lamp maakte ik in de dichte bosschen westwaarts van Agboville in de Ivoorkustkolonie. Er was in de omgeving een aantal paardantilopen gesignaleerd die op de velden der inboorlingen groote schade aanrichtten. Dit was voor mij aanleiding te probeeren een van deze dieren, die overdag zeer moeilijk te benaderen zijn, neer te leggen, hetgeen ook mijn keuken ten goede zou komen, daar antilopenvleesch tamelijk bruikbaar is, en in elk geval van tijd tot tijd een welkome afwisseling oplevert. Met mijn jager Lisongo ging ik er op uit, naar een maniokveld, dat een uur gaans van ons kamp verwijderd was. Het was elf uur toen we vertrokken en stikdonkere nacht. Gelukkig mistte het niet, want dan is een jacht met de lamp onmogelijk, door het reflexlicht, dat de nevel terugzendt en alle uitzicht verhindert. Hier en daar fonkelden dauwdruppels, die men gemakkelijk voor lichtende oogen kan aanzien, in den lichtbundel, soms ook glansde het vochtig opper-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


234 vlak van een blad in den straal, maar dieren vertoonden zich niet. Ik doofde dus mijn lamp en ging een eindweegs verder het bosch in. Lisongo kende het terrein en het boschpad was goed. De streek bleek tamelijk open te zijn. Vermoedelijk hadden er vroeger maniokvelden gelegen langs het pad, dat we volgden. In de verte doemde, nauw zichtbaar tegen den vagen nachthemel, een donkere wal voor ons op. We naderden den boschrand, die voor een nachtelijke jacht gewoonlijk een gunstig terrein oplevert. Lisongo fluisterde me toe, dat hier dikwijls antilopen kwamen, vooral wanneer het droog was, want nabij den boschrand was er een kleine kreek, waar de dieren van het bosch 's nachts kwamen drinken. Zijn vader, vertelde hij, had hier dikwijls wilde zwijnen gedood. Behoedzaam voortgaande naderen we de rivier. Ik ontsteek nu de lamp en even flonkeren voor onze voeten, als glinsterende kralen, twee kleine lichtjes op, vermoedelijk een rat. Ik kan het dier enkele seconden lang volgen, dan is het in de dichte vegetatie verdwenen. Voort gaat het weer. In de verte is reeds het zacht kabbelende geluid van de kreek te hooren. Dan hoor ik opeens achter me het waarschuwend fluiten van Lisongo. Ik blijf staan. ‘Wat is er Lisongo?’ ‘Ik geloof,’ fluistert de gids, ‘dat ik daar rechts twee oogen heb zien lichten, toen Uw lantaarn even dien kant uit gericht was.’ Voorzichtig zoek ik het terrein af, doch vind niets. Ik doof de lamp weer en behoedzaam gaan we voort, in de richting, waar Lisongo iets gezien meent te hebben. Enkele minuten later houden we halt. De maan, die in zijn laatste kwartier is, gaat nu langzaam over het bosch op en het natte gebladerte glinstert in het nevelige blauwe licht. ‘Hier ongeveer was het,’ fluistert de zwarte. Voorzichtig ontsteek ik het licht weer en laat den bundel snel in de rondte strijken. Er zijn geen lichtjes, maar nauwelijks hebben we honderd schreden verder gedaan of opeens duiken twee heldere gele lichten voor me op. Blijkbaar is het een groot dier. Ik sta stil, laad voorzichtig met zware chevrotines, schouder en leg aan, maar het volgend oogenblik hoor ik hoe Lisongo heesch naast me fluistert:

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


235 ‘Kijk naar links, beneden!’ en behoedzaam laat ik den bundel iets zakken, daarbij trachtende het reeds in het licht gevangen dier in den kegel te houden. Lisongo heeft gelijk. Enkele meters naast, vermoedelijk ook achter de groote gele lichten, zeker die van een groote antilope, zijn twee nieuwe schijnsels verschenen, die echter aanzienlijk lager liggen. Deze zijn bleekgroenachtig met rooden weerschijn, fel, wijd uiteenliggend, enorm. Soms wordt een der beide oogen iets verduisterd, misschien door een blad of grashalmen, die er voor hangen. Het dier hurkt waarschijnlijk in het gras. Ik richt mijn geweer, vinger aan den trekker, op het nieuwe doel, maar dan aarzel ik, want de oogen zijn me te dichtbij, te groot, vrees bekruipt me. ‘Niet schieten, Massa!’ fluistert Lisongo snel, ‘ik geloof dat het een panter is. Als U hem mist, springt hij op het licht en gebeurt er een ongeluk!’ Seconden verloopen, die een eeuwigheid schijnen te duren. Dan plotseling is er het krakende geluid van takken, gevolgd door het doffe geruisch van een krachtigen sprong en snel wegdravende pooten. De antilope, vrijgekomen uit den lichtkegel, heeft het dubbele gevaar bemerkt dat hem bedreigt en is met een snellen sprong terzijde ontsnapt. De groene lichten bewegen even, ik tracht ze te volgen, verlies ze uit den bundel en wanneer ik het punt weer tracht op te sporen waar het roofdier, gereed voor den sprong, gelegen heeft, vind ik slechts duisternis. Een verwijderd heesch snuiven aan den boschrand bevestigt ons echter dat het inderdaad een panter geweest is, dien we juist op het moment, dat hij de antilope wilde bespringen, hebben verrast. Was ik eenige seconden later gekomen, dan waren we waarschijnlijk getuige geweest van een verwoed tweegevecht, waarvan de uitslag tevoren niet te bepalen was, want de paardantilope, met zijn scherpe, gekromde horens en zijn enorme kracht, is het eenige dier, dat met succes den strijd met den boschpanter kan aanbinden. Enkele minuten later bereiken we de kreek, waar onder zwaar geboomte donker modderig water pletscherend voortschuift. Dieren

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


236 zijn er niet meer te vinden. Langs een andere route keeren we naar ons kamp terug. Het terrein is nu moerassig geworden. In ondiepe ravijnen, waar bijna ondoordringbare plantenmassa's ons hinderen, klinkt het gebrul van kikvorschen in de poelen en weergalmt duizendvoudig door het nachtdonkere woud. In het struikgewas ratelen krekels en uit de verte klinkt het langgerekte, droefgeestige huilen van nachtapen. Naarmate we vorderen wordt het stiller. Het koor der krekels sterft uit. Uit hooge toppen schreeuwt nog een enkel insect door de nachtelijke stilte heen, maar daarna wordt alles stil, zoo stil, dat als ik staan blijf, ik het trage vallen van dauwdruppels op het struikgewas in het bosch hooren kan. Geen dierengeluid is er meer te hooren dan het eigenaardige ruischende ritselen van mierennesten, welker bewoners nimmer rusten, waar dag en nacht ineenvloeien tot een enkelen geluidenstroom van arbeid, die als een symbool der eeuwigheid is. En terwijl we zoo voortgaan zie ik opeens een lichtje fonkelen op eenige hoogte boven den grond. Voorzichtig naderen we en het lichtje verdubbelt zich. Het beest ziet me dus aan. Schitterend is dit licht. Als geslepen steenen in een zonnestraal fonkelt het tegen den onpeilbaren achtergrond van het woud. Naar de kleur te oordeelen, vlammend groen met roode flonkering van zeldzame vurigheid, moet het een katachtig dier zijn. Ik tracht den afstand te schatten. Misschien is het vijftig meter. De hoogte van de lichtjes boven den grond maakt het waarschijnlijk, dat het dier zich op een boomtak bevindt. ‘Wat denk je, Lisongo, is het een boschkat?’ Lisongo is van dezelfde meening, hij gelooft dat het een groote kat is, veel grooter dan een genette. Ik leg aan en het schot davert door den nacht, weergalmt honderdvoudig door het bosch, waar met een wilden schreeuw een opgeschrikte pepervogel wegvliegt. Traag trekt de rook op, zoodat het even duurt voor ik weer wat zien kan. Zorgvuldig houd ik den lichtbundel op de zelfde plaats en tuur, met den vinger aan den trekker, in de nachtelijke diepte voor me. Ik heb het dier gemist. De oogen zijn nog steeds op dezelfde plaats en flonkeren fel en dreigend door

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


237 het zwarte gebladerte heen, een betooverend gezicht. Het beest is blijkbaar veel dichterbij dan ik gedacht heb, en dus ook kleiner. Dan zie ik een wonderschoon schouwspel. Vlak er naast zijn twee andere oogen verschenen en op korten afstand gloeien weer vier andere door het gebladerte heen, roerloos als wilden ze me uitdagen. Ik richt den lichtstraal hooger. Ook daar duiken lichtjes op. Minstens drie paar dieren zien mij vanuit hun hooge schuilplaats aan en daarboven en daarneven verschijnen weer andere. Ik zoek den boom af, waarvan ik de aanwezigheid alleen maar raden kan. Van bijna alle takken glinsteren me lichtjes tegemoet. Een wonderlijke betoovering ligt er in dit schouwspel, dat zwijgend fonkelen door het roerlooze gebladerte. Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen nog een schot te lossen, maar toch wil ik de dieren van naderbij bezien. Voorzichtig naderen we den boom, die aan de overzijde van een diep ravijn blijkt te staan, dat ons het verder voortgaan belet, maar duidelijk kunnen we nu het heesche blazen van groote katten hooren. Ik weet niet hoe lang ik daar gestaan heb, geheel onder den indruk van de fantastische schoonheid van dit grootsche lichtspel. Dan ontlaad ik mijn geweer en met onverschoten patronen, vermoeid en zonder jachtbuit, keeren we naar het boschpad terug. In het oosten begint de hemel op te lichten. De dageraad kan niet ver meer zijn en wanneer we eindelijk na een langen tocht ons kamp naderen, gaat, gehuld in rozige nevels, glorierijk de zon op over de boschwildernis.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


239

Hoofdstuk XV. Nzjok. WIJ noorderlingen, bewoners van de gematigde z么ne, waar het leven in materieel opzicht ons zwaar voorkomt, zijn maar al te zeer geneigd om aan te nemen dat tropische volken een min of meer paradijselijk bestaan voeren. We stellen hen ons voor als wonend in gebieden, die, al erkennen we hun gevaren en bezwaren, toch feitelijk als een hof van Eden beschouwd moeten worden, waar alles welig tiert en de bodem zoo vruchtbaar is, dat ze haast van zelf alles oplevert, wat de tropische mensch voor zijn bestaan noodig heeft. Velen zijn er nog die, al geven ze er zich geen rekenschap van, toch min of meer geringschattend op de tropenbewoners neerzien om het gemak waarmee hun leven verstrijkt, en zelfs in wetenschappelijke kringen treft men nog dikwijls de meening aan, dat de relatief gemakkelijke landbouw de voornaamste oorzaak is, dat vele tropische volken hun cultuur nauwelijks boven de eischen van het naakte bestaan hebben weten te verheffen. Ik geloof dat niets minder waar is. Zwaar, bovenmate zwaar, is de taak van den tropischen landbouwer. Ongetwijfeld is de wasdom van vele vegetatievormen in de tropen rijker, voltrekt de groei zich sneller dan die van overeenkomstige gewassen in de getemperde z么ne, maar men vergeet dat het gemak waarmee een gewas zich ontwikkelt en vruchten draagt, zeer zeker niet alleen den meerderen of minderen eenvoud van den landbouw bepaalt. Te weinig geeft men er zich rekenschap van dat eerstens in de tropen de ontginning van een terrein, hetzij bosch of savanne - de waterarme tropische steppe komt in verreweg de meeste

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


240 gevallen niet voor landbouw in aanmerking - onevenredig zwaarder arbeid kost, dan in de gematigde zone. Wie ooit bij het vellen van een perceel oerwoud aanwezig is geweest, zal daarvan ten volle overtuigd zijn. Maar ook de ontginningsstrijd, dien de landbouwer in de gematigde luchtstreek voor een bepaald stuk land hoogstens slechts eenmaal te voeren heeft, is voor den tropenbewoner een steeds weerkeerende kamp. Met ongeloofelijke snelheid groeit op een terrein, dat korten tijd braak heeft gelegen, een nieuwe, secundaire vegetatie op, die in enkele jaren den omvang van zwaar bosch heeft bereikt, en dan een hernieuwde, moeizame ontginning noodig maakt. Maar er is meer. In de tropen hebben jonge en rijpende gewassen oneindig veel meer dan in onze streken te lijden van ziekten en insectenplagen, vorderen dus meer zorg en geven, bij het ontbreken daarvan, geringere of in het geheel geen oogsten. Verder is, meer nog dan in de getemperde zone, een tropisch gewas afhankelijk van den regenval of zijn cultuursubstituut: kunstmatige bevloeiing. Bovendien zijn over het algemeen de geoogste producten door hun aard of klimaatsfactoren meer aan bederf onderhevig en dus in mindere mate bewaarbaar, wat grootere verliezen meebrengt, en dus meer overbodige arbeid vereischt dan bij ons. En dan is hier tenslotte nog geen rekening gehouden met moeilijkheden, waarmee de landbouw in de gematigde z么ne in het geheel niet of hoogstens op zeer beperkte schaal te kampen heeft, maar die voor vele tropische gebieden een voortdurende bedreiging beteekenen: de verwoestingen die de groote fauna kan aanrichten. Wie ooit het heirleger vogels van allerlei aard heeft waargenomen, dat tegen den oogsttijd in een Indisch rijstveld huist, kan zich een voorstelling vormen van de onmetelijke schade, die de vogelwereld aan den tropischen landbouw toebrengt. Ook de knaagdieren en hoefdieren van allerlei soort, ratten en antilopen bijvoorbeeld, vormen, elk naar zijn aard en elk in zijn eigen levensgebied, een natuurlijken vijand voor den Homo oeconomicus, daar ze den primairen vorm van elke cultuur, den landbouw, bedreigen. Zoo kunnen ook de allergrootste dieren der wildernis een bron

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


241 van gevaren voor de vitale belangen van den tropischen landbouw beteekenen. Ik herinner me hoe ik, na jaren in tropisch Afrika te hebben doorgebracht, eigenlijk eerst laat de destructieve rol die olifanten in de volkshuishouding spelen, ten volle leerde overzien, niettegenstaande ik herhaalde malen in gebieden werkte waar olifanten zeer talrijk waren. Het was in 1937 dat ik naar het uiterste zuid-westen van Caméroun vertrok om in het gebied van de Midden-Lobé-rivier, een zeer dun bevolkt boschgebied, niet ver van de grenzen van Spaansch Guinea, een onderzoek in te stellen naar het voorkomen van pygmeeën, die in deze gebieden tot nog toe niet waren gesignaleerd, doch waarvan ik het bestaan vermoedde en ook inderdaad heb kunnen aantoonen. Over deze hoogst merkwaardige dwergen zal ik later spreken. De fauna van de streek was rijk aan groote dieren. Herhaaldelijk stuitten we in het zuidelijk deel van het gebied op sporen van gorilla's. Tijdens nachtelijke tochten door de bosschen in de omgeving van de Lobé hoorden we de dieren herhaaldelijk schreeuwen door de stilte van het bosch. Ook buffels waren er talrijk. Toen een van mijn jagers eens op wilde zwijnen uit was, omdat de karavaan ernstig gebrek begon te krijgen aan vleesch, stond hij plotseling tegenover twee zwarte buffels, die voor hij in staat was aan te leggen, chargeerden. De man kon zich slechts redden door in de rivier te springen, waar de woedende dieren, die nog eenigen tijd snuivend en trappend aan den oever bleven staan, hem gelukkig niet volgden. Buitengewoon talrijk waren de olifanten in dit gebied. Ik herinner me dat ik eens op een boschpad tusschen Campo en Mabiogo, niet minder dan achttien malen versche olifantensporen vond over een afstand van nog geen half uur gaans. Zelfs in de naaste omgeving der dorpen troffen we hun sporen aan. Zonder zich aan de nabijheid van menschelijke woningen te storen, trokken de dieren naar de plantages om deze te plunderen. Het was in de onmiddellijke omgeving van Ebodié dat we de eerste

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


242 ernstige verwoestingen door olifanten te zien kregen. Buiten het dorp lag, eenigszins afzonderlijk, een klein gehucht, slechts uit een paar hutten bestaande. Langs het boschpad dat we volgden, troffen we maniok en bananenaanplantingen aan, alle door zware heiningen van gevelde stammen omgeven, om ze tegen nachtelijke aanvallen van buffels en olifanten te beschermen. Geen honderd pas verder stuitten we op een tooneel van verwoesting zooals ik in Afrika slechts zelden heb aanschouwd. Een jonge klappertuin was in den afgeloopen nacht door olifanten bezocht. De logge dieren hadden de heining van stammen, sommige meer dan een halven meter dik, ter zijde geworpen en verbrijzeld, en van den aanplant, die eenige honderden jonge boomen, naar schatting ongeveer twee jaren oud omvatte, niets overgelaten. Overal in het rond lagen de geheel vertrapte resten van de jonge planten verspreid, vernietigd. In den modderigen bodem gaapten groote kuilen, die vol troebel water stonden. Het was alsof een bijna menschelijke demon van verwoesting in de dieren gevaren was, een geest van opzettelijke destructie, dien de Afrikaansche olifant dikwijls demonstreert. Een paar inboorlingen van het gehucht stonden triest temidden der verwoesting. Van den eigenaar van het veld, een ouden Mvae-neger, vernam ik, dat hij meer dan twintig dagen gewerkt had aan het opwerpen van de stammenheining rondom zijn veld, tevergeefs. Ontmoediging sprak uit zijn oogen. De hoop van jaren was vernietigd. Naarmate we zuidelijker kwamen, namen deze verwoestingen toe. Bij Mabiogo en op het eiland van Dipikar heerschte een ware olifantenplaag, en kon men wanneer men een boschpad insloeg, er zeker van zijn binnen een half uur olifantensporen te vinden. Van uit het gebied van Mabiogo voerde mijn weg mij in oostelijke richting naar het dorpencomplex Afan Samabang. De route, die nagenoeg evenwijdig verliep aan de grens van Spaansch Guinea, waarvan we slechts enkele uren gaans gescheiden waren, voerde bijna ononderbroken door zwaar oerwoud, waarin als spaarzame kralen aan een snoer, hier en daar kleine dorpjes der Mvae lagen. In een daarvan, dat den naam Ndoum droeg - een der vele plaat-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


243 sen van dien naam in het zuidwesten van CamĂŠroun - hoorde ik van het ongeluk dat, enkele dagen te voren, een klein gehucht in de omgeving had getroffen. Het hoofd van het geteisterde gehucht, een grijsaard, Ngane VoulĂŠ geheeten, bleek juist in Ndoum aanwezig te zijn. Ik zocht den ouden man op en vernam dat de ramp drie dagen geleden plaats had gevonden. De inwoners, vertelde Ngane VoulĂŠ, hadden het dorp dien dag reeds vroeg verlaten. De mannen waren naar hun velden gegaan, die op vrij grooten afstand in het bosch lagen, waar juist een nieuw stuk woud geveld werd, en de vrouwen waren met fuiken in de rivier gaan visschen, zoodat er, behalve een paar ouden van dagen en enkele kinderen, bijna niemand aanwezig was. Midden op den dag, kort nadat de zon in het zenith was gekomen, kwam plotseling een kleine kudde olifanten, niet meer dan zes of zeven dieren groot, uit het bosch. Zij plunderden eerst een bananenaanplanting, die aan het dorp grensde en begonnen toen tot ontzetting der inwoners de hutten te verwoesten. Alles op hun weg vernietigend, trokken de kolossen door het kleine boschgehucht, rukten de daken van de hutten en joegen de verschrikte bewoners op de vlucht. Zij liepen dwars door de hutten heen, wat voor een olifant geen bijzondere moeite oplevert, aangezien de hutten in deze streek slechts uit een aantal houten stijlen bestaan, waartusschen platen boombast als wanden zijn aangebracht. De olifanten voerden de verwoestingen zoo systematisch en met zoo kennelijk genoegen uit, dat het haast menschen leken. De inboorlingen, die niet over geweren beschikten, stonden natuurlijk volkomen machteloos, en moesten toezien, hoe de eene hut na de andere in elkaar werd getrapt, hoe de bananenaanplant, de maniok- en de makabovelden onder de logge pooten der indringers werden vernietigd. Maar toen gebeurde wat te verwachten was. In een van de hutten brandde 'n vuur. Het ineengestorte dag vatte vlam, met als gevolg, dat binnen enkele oogenblikken een heele huttenrij in brand stond. De wind droeg de vonken over naar naburige woningen en zoo ging het gansche dorp, dat ongeveer 40 hutten telde, in vlammen op. Een uur later was er geen enkele meer over. Toen de brand uitbrak en een reusachtige

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


244 rookwolk zich langzaam boven het geteisterde dorp verhief, trokken de olifanten af, verschrikt door het vuur en de geweldige rookontwikkeling. De inboorlingen, die ver weg waren in de velden, hadden niets bemerkt en vonden bij hun terugkeer woning en bezit vernietigd. Gelukkig had niemand letsel gekregen, alleen een paar geiten, die in een stal zaten opgesloten, waren in de vlammen omgekomen. Ik liet mijn dragers in het dorp achter en ging met het oude hoofd en een paar inboorlingen naar de plaats van de ramp, die op ongeveer twee kilometer afstand lag. Reeds voor we de plek naderden, verraadde een sterke brandgeur wat er gebeurd was en na een kromming van het boschpad lag het gehucht voor ons. Het dorp was verlaten. De bewoners hadden bij vrienden en familie in de omgeving een onderkomen gezocht, want inderdaad was er, zooals ik kon vaststellen, geen enkele hut gespaard gebleven. Nog een paar verkoolde stijlen staken omhoog, maar verder was alles platgebrand. Hoe groot de ontwikkelde hitte geweest was, bleek wel uit het feit dat de rond het dorp staande boomen geheel verdord en hier en daar zelfs verbrand waren. Een gedeelte van de puinhoopen rookte nog. Niemand die er aan dacht het smeulende vuur te blusschen, want er viel niets meer te redden. In het stervende daglicht maakte het geheel een zeldzaam luguberen indruk. De eenige mensch, dien ik in het verbrande gehucht aantrof, was een jonge vrouw, die tusschen het puin of juister de asch van de hutten ronddwaalde en klaarblijkelijk moeite had de plaats terug te vinden, waar haar hut had gestaan. Ze scharrelde wat tusschen de aschmassa's en vond tenslotte wat ze zocht: 'n mes, dat ze blijkbaar niet had kunnen redden. Een paar kinderen van het verbrande dorp waren met ons meegegaan, en terwijl ik met het oude hoofd de aschhoopen van Ndoum in oogenschouw nam, vermaakten de kleintjes zich uitstekend. Ze speelden tusschen de ru誰nen, waar ze drie dagen te voren nog hadden gewoond en sleepten daarbij onder luid gejuich iets zwarts achter zich aan. Toen ik naderbij kwam, zag ik dat het een verbrande geit was, die ze uit het puin van een der stallen hadden gehaald. Het verkoolde cada-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


245 ver diende nu als speelgoed en werd tot groote vreugde van de jeugd aan een stuk liaan door het dorp gesleept. In gezelschap van het hoofd keerde ik naar Ndoum terug. Hoewel de ramp tenslotte geen menschenlevens had gekost en de schade vermoedelijk snel hersteld kon worden, daar het materiaal, waaruit de hutten en het huisraad bestaan, tenslotte geheel door het woud wordt geleverd, voelde ik toch diep medelijden met de inboorlingen, die zoo weerloos aan de destructieve krachten van de natuur waren overgeleverd. ‘Waarom,’ vroeg ik, ‘maken de inboorlingen geen jacht op de olifanten?’ ‘Ze hebben geen geweren en als ze ze hebben, dan mogen ze toch maar bij uitzondering een olifant dooden,’ antwoordde het hoofd. Ik wist het. De olifant is overal in Afrika een beschermd dier en tot op zekere hoogte terecht. Wanneer de jacht op deze machtige kolossen geheel vrijgegeven werd, dan zou deze diersoort bijna overal spoedig verdwenen zijn. Vooral in de Fransche koloniën en mandaten is de jacht aan uiterst strenge en nauwkeurig omschreven voorwaarden gebonden en het is tegenwoordig practisch uitgesloten, dat men zelfs in afgelegen streken op olifanten jaagt zonder dat dit spoedig bij het bestuur bekend wordt. Een zware boete, zoo niet erger, is het onvermijdelijk gevolg van deze overtreding. Natuurbescherming is een eerezaak voor den kolonisator, maar er zijn grenzen. Wanneer de menschelijke bewoners van deze, soms te ver doorgevoerde, bescherming het slachtoffer worden, is het evenwicht verbroken en in die streken, zooals onder andere het uiterste zuid-westen van Caméroun, waar de olifanten door hun aantal of hun bijzonderen aard een plaag worden, dient men de bestaande regeling te herzien en de bevolking in staat te stellen zich ertegen te beschermen. Ik besprak deze kwestie herhaaldelijk met hooge Fransche mandataire autoriteiten en kon vaststellen, dat ook deze mijn opvattingen deelden. In hoeverre echter sedert mijn laatste bezoeken aan het

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


246 zuid-westen van Caméroun de toestanden zich hebben gewijzigd, is mij tot nu toe niet bekend geworden. De vooruitstrevende geest, het groote gevoel voor realiteit en de instelling op de belangen der inboorlingen, die het Fransche koloniale beleid in Afrika kenmerken, zijn er echter garant voor, dat men ook voor dit probleem een bevredigende oplossing vinden zal. Een week later had ik het gebied van Ndoum weer verlaten en bevond me op weg naar het noorden, waarbij ik een boschpad volgde, dat van de streek van de Camporivier naar de Lobérivier voert. De streek, die wij doorreisden, was buitengewoon woest en grootendeels onbewoond. Slechts langs het pad, het eenige in dit deel van het mandaat, ligt een reeks meerendeels onbeteekenende dorpen der Mvae, die duidelijk in verval zijn. De Mvae vormen een uitstervenden stam. Kinderen worden er slechts weinig geboren, zoodat de dorpen meerendeels nog slechts door oudere menschen worden bewoond. Waaraan deze geringe vruchtbaarheid der Mvae moet worden toegeschreven, is nog niet opgehelderd. Misschien speelt daarbij de omstandigheid, dat de landbouwgemeenschappen der Mvae te klein zijn om met succes den strijd tegen het oerwoud aan te binden, mede een rol, hetgeen tot een vicieuzen cirkel leidt. Hard was hier inderdaad deze strijd. De wildernis was in dit gebied zoo neerdrukkend en eenzaam, dat ik de streek zoo spoedig mogelijk wilde verlaten. Voor zoover de toestand der gezwollen rivieren dit toeliet, trok ik in snelle marschen naar het Noorden, naar de vallei der Midden Lobé, waar de bevolkingsdichtheid grooter was, en zoo bereikte ik op een donkeren avond tenslotte het dorp Bouema. Bouema is een nederzetting der Mvae, weinige kilometers noordelijk van de plaats waar het boschpad naar het noorden de Lobe overschrijdt, een typisch Pangwe-dorp, gevormd door een zeer langgerekt, rechthoekig dorpsplein, aan de beide lange zijden geflankeerd door een reeks vierkante hutten, terwijl de woning van het hoofd een der korte zijden van den rechthoek uitmaakt.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


247 Ik had gehoopt in deze streek eveneens sporen van pygmeeën aan te treffen, maar trots omvangrijke nasporingen kon ik er geen vinden, nietegenstaande de omgeving wildrijk was, zelfs in die mate, dat ik op een vroegen ochtend eens een viertal gorilla's aantrof in de aanplantingen aan den rand van het dorp zelf. Het bleek mij later, dat de armelijke toestand der bevolking oorzaak was van het ontbreken der dwergen in dit gebied. De pygmeeën immers leven bijna steeds met de negers in een soort belangengemeenschap, die min of meer symbiotische vormen kan aannemen. De pygmee jaagt voor de negers, juister voor de negerhoofden en ontvangt in ruil daarvoor landbouwproducten, zooals bananen, manok, makabo, etc. Is de negermaatschappij nu dermate arm, dat zij zichzelf nauwelijks in het leven kan houden, dan vervalt daarmee tegelijk de mogelijkheid van het ‘houden’ van pygmeeën. Ik werkte eenige dagen te Bouema en onderzocht er een vrij groot aantal Mvae. Bijna elk dorp van het Pangwe-type heeft een soort vergaderingsgebouw, een groote uit leem of boombast opgetrokken open hut, waar de notabelen van het dorp bijeenkomen, en dit gebouwtje had ik voor het onderzoek ingericht. Daar ik noordelijk van Bouema waarschijnlijk nog veel arbeid zou vinden, besloot ik ook 's avonds door te werken. En zoo was ik op een kalmen, drukkend warmen avond bezig met het onderzoek van een aantal inboorlingen. Het was bladstil. Soms flitste er weerlicht aan den horizon en rommelde in de verte het doffe dreunen van een verwijderd onweer. Ik zat met mijn zwarte helpers onder het strooien dak van het vergaderingsgebouw, terwijl op eenige meters afstand nog een vrij groot aantal inboorlingen hurkte, in afwachting van het oogenblik dat ik ze bloed zou afnemen voor het onderzoek, dat natuurlijk bij het zwakke schijnsel van petroleumlampen niet zoo vlot verloopt als bij daglicht. Langen tijd hadden de inboorlingen geduldig gewacht, maar tenslotte werden ze onrustig. Een aantal mannen kwam onder aanvoering van het hoofd van hun dorp - want ze kwamen van een dorp zuidelijk van Bouema - naar me toe.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


248 ‘Massa, de mannen willen naar hun dorp terugkeeren,’ zei het hoofd, ‘want het is bijna nacht.’ ‘Ik zal ze zoo spoedig mogelijk helpen,’ antwoordde ik, ‘dan kunnen ze terug gaan. Je ziet dat we zoo hard mogelijk voortmaken.’ Het was even stil en het hoofd wisselde een paar woorden met een der hurkende zwarten. ‘Massa,’ hernam hij toen, ‘in de bosschen rond ons dorp zijn veel olifanten en er zijn nu geen menschen op de aanplantingen om ze te verjagen als ze de maniokvelden en bananenplantages komen plunderen. Ze kunnen elk oogenblik komen als het donker is. Gisteren hebben ze alle heiningen verbroken.’ Ik keek op en zag in den schijn van mijn lamp de gezichten van de negers om me heen, gezichten vol zorg, en voelde hoe allen zaten te hunkeren om terug te keeren om hun velden te beschermen. En ik besefte, dat, als ik ze niet liet gaan, het wellicht aan mijn schuld te wijten zou zijn, wanneer in deze arme streek, waar bijna doorloopend gebrek is en de hongersnood eigenlijk steeds voor de deur staat, opnieuw het gebrek zijn intrede zou doen, wanneer de olifanten de onbeschermde velden zouden komen plunderen. Natuurlijk moeten die menschen zonder een oogenblik te wachten naar hun dorp terug. Ik geef dus order, dat ieder die wil, dadelijk vertrekken kan, en om de menschen te helpen, stel ik petroleumlampen te hunner beschikking, waardoor ze in het bosch sneller kunnen vooruitkomen, want ze hebben ruim een uur gaans voor den boeg. Verder geef ik tien van mijn dragers bevel onmiddellijk mee te gaan en aan het dorpshoofd te gehoorzamen, als die ze gebruiken wil voor het beschermen van de velden. Het hoofd neemt afscheid. Ik zeg hem, dat ik, zoodra ik klaar ben met mijn werk, zelf naar het dorp zal komen. En de zwarten trekken weg. Het dorp sterft uit. In de verte, daar waar het pad naar de Lobé afdaalt, zie ik de lantaarns een voor een in het bosch verdwijnen. Dan wordt het stil in Bouema. De maan schijnt over het dorp, de strooien daken van de hutten glanzen in den nachtelijken dauw. Ik werk door, verlies alle begrip van tijd. Naast me hurken mijn zwarte helpers, maken de instrumenten schoon en ordenen ze in de

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


249 kisten. Aan den boschrand jankt een hond. Wanneer het onderzoek klaar is en alle analyses verricht zijn, - de bloedmonsters blijven onder deze omstandigheden hoogstens eenige uren goed, - dragen de bedienden de instrumenten in mijn hut, steken de petroleumlampen aan en gaan we op weg. Het loopt al tegen middernacht. Als we ons haasten, kunnen we om half twee in Akom zijn. Dan sluit zich het nachtelijke bosch om ons heen. We zijn met z'n drieĂŤn. Voorop gaat als gids een drager met een lantaarn, dan komt mijn boy, dan ik. De lichtbundel van de lantaarn strijkt langs een onafgebroken reeks struiken en stammen. Takken zwiepen ons in het gezicht. Soms keert de gids op zijn schreden terug. Het pad is versperd, want de laatste dagen zijn tal van boomen door de zware regens ondermijnd en omgevallen. Het pad voert ons over neergestorte lianenmassa's en door ravijnen, waar in de diepte het ruischen van water klinkt. De drukkende avondhitte heeft plaats gemaakt voor een kouden mist. Er hangt een roerlooze nevel in het bosch en telkens wanneer de mist dichter wordt, beteekent dit, dat we een kreek of een moeras naderen. Dan hoor ik in het duister het aarzelend plonzen van naakte voeten in het water en zoekt mijn lantaarndrager een plaats waar we kunnen oversteken. Boven het pad tintelt in een diepblauw-opalen schemering, het open uitspansel door de takken heen en in de struiken flonkert aan elk blad een druppel als de glinsterende schijn van de lantaarn ze aanraakt. Vaak is het of de lichtende oogen van een dier op ons gericht zijn en door de struiken ons aangluren, maar het zijn slechts dauwdruppels, die als fonkelende sterren opvlammen in het naderende licht, om snel weer te dooven wanneer we voorbij zijn. Overal ritselt het nu in het struikgewas. Het is het uur dat God Zijn tuin begiet, Zijn eigen tuin, Gods wijde wildernis. En een legioen van kleine dieren, van nietige, naamlooze boschbewoners, verzamelt zich op dit uur langs de eindelooze heirbanen van het woud. Wanneer ik in het voorbijgaan mijn hand uitsteek en langs het donkere gebladerte laat strijken, dan vind ik er een wereld van kleine wezens in kleuren en vormen, die ik nooit heb gezien, wezens snel of traag, gevleu-

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


250 geld of kruipend, luidruchtig of stom, al naar de Groote Tuinman ze geschapen heeft en een plaats aanwees in Zijn wereldplan. Zoo gaan we voort, tot opeens, door de boomen heen, een lichtschijn nadert. Het dorpshoofd van Akom komt ons tegemoet en begroet ons. Neen, de olifanten zijn er nog niet. De maan is wassend, zegt hij en tegen den tijd dat zij ondergaat, zullen ze wel uit het bosch komen. De helft van de menschen van zijn dorp is nu op de velden of aan den boschrand. De andere helft slaapt en waakt den volgenden nacht. Wanneer dat niet geschiedt, plunderen de dieren in een enkel uur de aanplantingen van het heele dorp leeg en slechts een troostelooze verwoesting, waarin men zelfs geen aanplant meer herkent, blijft dan achter. Ik volg het hoofd. In den nacht gaan we de verschillende velden af. De groote bladeren der bananen suizelen en klapperen boven ons in den wind. In elken aanplant vinden we onder een klein bladerdakje een of twee zwarten hurken bij een smeulend vuur. Sommigen rooken inlandsche tabak, zoodat de plaats waar de inboorlingen in het duister waken, haast op den geur af te vinden is. Opvallend groot is het aantal kinderen dat de wacht houdt, soms samen met ouderen, doch meerendeels alleen. Elders zitten moeders met kleintjes aan de borst. Zoo waakt Afrika over de vruchten des velds. Een diepe ontroering bevangt me, en ik verwijt me dat, hoewel ik nu al tien jaar in Afrika arbeid, tien jaren dagelijks zwarten om me heen heb, ik toch nog zoo weinig van deze menschen, mijn menschen, weet en begrijp. Hoe weinig, zeg ik bij me zelf, beleef ik de moeilijkheden, hoe weinig besef ik van de problemen van die menschen, waarmee ik dagelijks werk, die me vergezellen door de wildernissen van dit armzalig werelddeel, van deze zwarten, die in honderdtallen mijn dragerskaravanen vormen. Onze paden kruisen zich en ondanks alles blijven we vreemdelingen, leven we elk in een andere wereld. Maar hier, aan den rand der wildernis, waar de zwarte menschheid kampt om haar bestaan, vecht tegen de vernietigende machten der

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


251 natuur, die aan alle kanten opdringen, hier leer ik mijn medemenschen beter begrijpen. In één nacht aan de smeulende wachtvuren in de aanplantingen, ben ik Afrika's menschdom nader gekomen, dan in jaren arbeid naast hen. Hier zijn we broeders; vannacht hurkt geen vreemde aan hun vuren, vannacht ben ik een van hen. En het is mij een diepe vreugde wanneer ik zie dat deze eenvoudige zwarte landbouwers mij als een der hunnen aanvaarden. In de verte verheft zich een woest geschreeuw. Daar zijn ze. Het is aan den zuidkant van het dorp. Ik zie brandende takken door de lucht geslingerd. Trommen donderen in de verte. Een oorverdoovend geschreeuw raast over het bosch. Mijn adem stokt. Het geschreeuw komt nader. Ik hoor het gillen van vrouwen, van kinderen. Minutenlang duurt het gehuil, dan wordt alles stil. De olifanten zijn in het bosch teruggekeerd. Verschrikt door het geraas zijn ze afgetrokken, maar zullen zeker elders hun kansen nog eens beproeven. Een half uur vergaat. En opnieuw breekt een gehuil los, nu van zeer nabij. De mannen rennen naar de vuren, blazen ze aan, grijpen een opvlammend stuk hout en haasten zich naar den boschrand. Het tumult duurt lang, maar er is niets te zien. De kolossen houden zich blijkbaar nog schuil onder de beschutting van de boschvegetatie. Ik neem een brandenden tak en ga naar den boschrand, zie niets, alleen een zwarten gapenden afgrond. Terwijl de trommen rondom razen, richt ik mijn lantaarn overal in het rond, maar kan in de duistere wildernis niets onderscheiden. ‘Daar staan ze,’ schreeuwt het hoofd. Ik zie niets. ‘Het is een heele kudde,’ schreeuwt hij opnieuw. Nog zie ik niets als duisternis, maar nu hoor ik ze. Op eenigen tientallen meters afstand worden takken met ruw geweld verbrijzeld, hoor ik 't geschuif van logge lichamen door de struiken, en weer gekraak, dat langzaam aan zwakker en zwakker wordt. Ze gaan weg, het geluid verwijdert zich. Ik hoor plonsen van water, het zuigen van machtige pooten in den boschbodem, weer 't breken van zwaar hout

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


252 in de verte. Een oogenblik meende ik drie, vier donkere massa's achter de struiken te zien voorbijschuiven, dan ligt het bosch weer zwijgend in den nacht. Maar hier aan onze voeten liggen de tastbare bewijzen. De heining van het maniokveld is over een lengte van tientallen meters in elkander getrapt. Diepe kuilen gapen in den modderigen grond, vullen zich langzaam met opwellend troebel water. Hier is het gevaar geweken, maar nu worden de aanplantingen bedreigd, die dieper het bosch in liggen. De olifanten zijn in die richting weggetrokken. ‘Er zijn ginds maar weinig menschen, bijna uitsluitend kinderen,’ zegt het hoofd. Snelle voeten reppen zich door het bosch, walmende fakkels flonkeren door de struiken, overal in 't rond klinken haastige stemmen, dan bereiken we de open plek. Als een diep-blauw schemerig meer ligt de maniokaanplanting in het schijnsel van de wassende maan, omgeven door de zwarte dreiging van het bosch. Aan het einde van het veld is er beweeg van fakkels en brandende takken door de lucht, krijschen vrouwen en kinderen, schreeuwen schorre mannenstemmen. En terwijl ik me haast het terrein van den strijd te bereiken, treft mij een fel bewogen tafereel. Op een afzonderlijk veld, afgelegen van den grooten aanplant, verheft zich een klein platform van takken, een paar meter boven de rijpende maniok en op dat platform, scherp afgeteekend tegen den neveligen hemel, waar het eerste licht van den morgen reeds zichtbaar gaat worden, staat een kind, een meisje van misschien tien jaar, een dun doekje om het magere lichaam, dat rilt in den killen nachtwind. Zij is geheel alleen in dezen stillen hoek van het groote veld, houdt er de wacht over den aanplant van haar vader. En uit volle macht gilt het kind over het veld, zwaait een brandend hout in de tengere armen. ‘Benzjoá wabá!’1) gilt de kleine stem door den nacht. ‘Benzjoá wabá?’, en weer ‘Benzjoá wabá!’

1) Nzjok, meervoud benzjoá = olifant; wabá = twee (Ngumba).

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar


253 Het kind heeft aan den rand van de aanplanting twee olifanten ontdekt en schreeuwt dit haar vader toe, die elders een ander veld tegen de dieren verdedigt. Zij staat geheel alleen tegenover de boschreuzen, die in toom gehouden door het wilde roepen van het kind, de beschutting van het woud niet wagen te verlaten, maar langs den boschrand trekkend, meer en meer het platform naderen. De kleine gestalte boven het veld denkt niet aan wijken en roept voort met trillende stem, tot dorpsgenooten haar te hulp komen en de dieren verjagen. Het is al haast ochtend wanneer de olifanten verdreven zijn en ik naar mijn dorp terugkeer. Ik zoek mijn kampbed op voor een korte rust, maar de slaap komt niet over mijn vermoeide gedachten. Opnieuw doorleef ik het nachtelijk visioen van rook en mist en strijd tegen de dieren der duisternis. En het ontroerend beeld van die kleine rillende gestalte, hoog boven het maniokveld, het huiverend negerkind dat wild de magere armpjes zwaait tegen den mistigen sterrenloozen hemel wijkt niet uit mijn herinnering. Nog hoor ik de gillende kleine stem roepen over het veld, dat aan haar bewaking is toevertrouwd en begrijp waarom dit beeld mij zoo diep getroffen heeft, dat ik het niet meer uit mijn gedachten bannen kan: Heel de strijd der zwarte menschheid, heel haar hoop en verwachting ligt er in besloten. Ik zag een levend symbool van Afrika, dat schamele erfdeel van het zwarte menschdom, arm aan schoonheid, rijk aan kwellingen, het werelddeel, dat, toen het mij eenmaal in den ban van zijn betoovering gevangen had, mij nooit meer heeft losgelaten en me tenslotte ondanks alles lief, drievoudig dierbaar geworden is.

Paul Julien, Kampvuren langs den evenaar

Kampvuren langs den evenaar Paul Julien  

Kampvuren langs den evenaar Paul Julien

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you