Page 1

Gratie voor de gruwel

ARNO HAIJTEMA − 02/10/98, 00:00

Hij begaf zich tijdens de Tweede Wereldoorlog in de frontlinies, met gevaar voor eigen leven. Vol mededogen legde fotograaf W....


WAAR DE Amerikaanse fotograaf W. Eugene Smith zich met zijn camera vertoonde, schudde de stad zijn alledaagsheid af. De passagier die in een New Yorkse straat uit de taxi stapte, deed dat met een elegantie die hemzelf niet zal zijn opgevallen. Maar Eugene Smith, die de man in 1957 vanuit zijn appartement fotografeerde, zag de glanzende neus van zijn geheven linkerschoen. Hij zag de plooien in de jas en de golvende lijn van de opgezette revers. Voor het moment dat Smith de lens op hem richtte, werd de man zo sierlijk als de glimmende taxi waarvan hij een fractie later de deur zou dichtgooien.


Twee jaar lang liet Eugene Smith de wereld aan zich voorbijtrekken in zijn appartement op 6th Avenue. Een man ploeterde door de sneeuw die tot aan zijn enkels reikte, met een groot boeket bloemen in zijn armen. Vrouwen in zomerjurken lieten hun hakken klikklakken op de trottoirs. Werklieden tekenden met hun handkarren patronen op het besneeuwde wegdek. Een bezorger voerde op de flank van zijn bestelwagen een pas de deux uit met een pie die hij net ging afleveren. En altijd was er wel iemand die midden op straat even in zichzelf verzonken raakte en het razende verkeer om zich heen vergat, ten behoeve van Smiths in het magazine Life gepubliceerde foto-essay As from my window I sometimes glance.


In de Tweede Wereldoorlog vloog Smith mee tijdens een bombardement van de Amerikanen op een Japanse vliegbasis. Diep onder zich zag hij hoe de vijandelijke vliegtuigen een voor een werden verpulverd. Samen vormden ze een patroon van geblakerde kruisjes op het vliegveld, dat onder het oog van Smith veranderde van een stenen vlakte in een abstract, door Malevitsj ge誰nspireerd schilderij. Het Spaanse dorp dat zuchtte onder Franco's dictatuur toonde zich voor Smith van zijn lieflijkste zijde. En toen hij in een van de schaarse parkjes van de industriestad Pittsburgh gadesloeg hoe kadetten werden gedrild, waren de bomen met bloesem getooid.


Wie het vorige week geopende retrospectief bezoekt, dat in het Parijse museum Hotel de Sully is gewijd aan de beroemde Amerikaanse fotojournalist W. Eugene Smith (1918-1978), kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de wereld zich dikwijls plooide naar de wensen van de fotograaf. Dat Smith een duistere kracht bezat om voorbijgangers op straat in zijn choreografie te betrekken, zonder hen hun naturel als voetganger te doen verliezen. En dat de slums van Pittsburgh hun onder roet en stof verborgen waardigheid voor het oog van Smith toch probeerden te tonen. Bijvoorbeeld door het jochie dat in de paal klimt waaraan het naambordje van Pride Street is bevestigd. Vaak lijkt het alsof de wereld die Eugene Smith fotografeerde hem een handje hielp. Maar veel vaker, zo realiseert de bezoeker van de tentoonstelling zich tegelijk, had die wereld geen boodschap aan Smith.


Hij had voor Life net een jaar de oorlog in Japan als frontfotograaf gevolgd, toen hij daar in mei 1945 zwaargewond raakte. Zijn herstel zou twee jaar duren. Ook in minder letterlijke zin botsten de gebeurtenissen die Smith fotografeerde met de menslievendheid die uit zijn werk spreekt. De mensen op zijn foto's zijn meestal slachtoffer - van oorlog, dictatuur, economische achterstelling, vervuiling.


Smith bekommerde zich om hun leed, zo blijkt uit al zijn foto's. Maar hij kon het lijden niet verzachten. Hij kon het registreren en onder de aandacht brengen van de lezers van Life. Dat deed hij met overgave, desnoods met gevaar voor eigen leven. Hij deed het op een manier die ook nu nog gemengde gevoelens oproept. Zijn foto's zijn vaak gruwelijk en tegelijk van een overrompelende schoonheid. Die combinatie schrijnt. Voor zijn reportages uit de frontlinies van de Tweede Wereldoorlog geldt dat wel het meest. De foto's tonen de verstrengeling tussen het mededogen, dat Smith impliciet met elke foto predikte, en de onmenselijkheid waarvan hij in de Pacific getuige was geworden. Filmer Steven Spielberg wordt dezer dagen door oorlogsveteranen geroemd, omdat hij met zijn film Saving Private Ryan het ware


gezicht van de oorlog heeft onthuld. Eugene Smith deed, al tijdens de oorlog, hetzelfde.

Smith fotografeerde een half verkoolde Japanner in zijn schuttersputje op een strand dat bezaaid was met granaathulzen. Hij fotografeerde een gesneuvelde Amerikaan, die zijn helm in de handen had vastgeklemd; in de helm zat het gat van de kogel die zijn hoofd had doorboord. Hij fotografeerde een stervende,


aan zijn lot overgelaten Japanse baby die door een Amerikaanse soldaat in de bossen werd aangetroffen. Hij fotografeerde een panische vrouw en een jongetje, die door een Amerikaanse rookbom waren verdreven uit hun schuilplaats. Het is jammer dat op de expositie in Parijs niet wordt vermeld welke foto's destijds door de censuur zijn gekomen, en welke wegens vermeende ondermijning van het moreel tijdens de oorlog niet in Amerika mochten worden gepubliceerd. Dat Smith de oorlog niet versloeg als een heroïsch gevecht van het goede tegen het kwade, maar als een ramp die over de mensheid kwam, is echter zonneklaar. In de jaren na het herstel van in de oorlog opgelopen verwondingen maakte Eugene Smith voor Life zijn belangrijkste fotoreportages. De eerste van na de oorlog is de serie uit 1948 over de praktijk van een arts op het platteland, in een dorp bij Denver, Colorado. Country Doctor Ernest Ceriani werd er geconfronteerd met het kleine en het grote leed van zijn patiënten. Smith volgde hem daarbij vier weken, twee weken meer dan Life had begroot, en schoot meer dan tweeduizend negatieven.

Met Country Doctor maakte Smith het zwoegen van de gewetensvolle Ceriani exemplarisch voor het werk van iedere met zijn patiënten begane arts. Zie hem piekeren, wanneer hij zich realiseert dat een gewond meisje op zijn behandeltafel het zicht in een oog zal moeten missen. Hoe vertelt hij dat de ouders, die in dezelfde ruimte ontzet toekijken? Zie de arts in zijn operatietenue, ontgoocheld leunend tegen het aanrecht in de keuken, nadat hem zojuist een patiënt is ontglipt. Met Country Doctor had Smith de stijl gevonden die zijn foto-essays ongevoelig


maakt voor de tand de tijds. De angst in de ogen van de oude man wiens been moet worden geamputeerd, is van alle tijden. Zoals ook het van pijn vertrokken gezicht van een jongetje wiens hand wordt onderzocht, dat is. In 1950 versloeg hij de herverkiezingscampagne van de Engelse Labour-premier Clement Attlee - hoewel van de politieke activiteiten die daar bijhoorden in zijn reportage uiteindelijk niet veel is terug te vinden. Niet in de vergaderzalen, maar bij de achterban van Labour vond Smith het verhaal dat hij wilde vertellen. Hij trok naar de mijndorpen in Wales, waar de arbeiders leefden in treurige rijtjeshuizen, temidden van de grauwe heuvels.

De reportage over Groot-BrittanniĂŤ werd - achteraf onbegrijpelijk - niet door Life


gepubliceerd, maar Smith revancheerde zich een jaar later met Spanish Village (1951). Twee maanden reisde hij door Spanje, totdat hij het dorp had gevonden dat model zou staan voor het door dictator Franco met harde hand geregeerde Spanje. In Deleitosa, in de EstrĂŠmadura, legde Smith de bijna middeleeuwse leefomstandigheden vast van de bevolking - de vrouwen met hun weefgetouwen, de ezels en de handkarren van de boeren, hun tochtige hutjes, en Franco's gevreesde, zwaarbewapende Guardia Civil. De foto's hebben een schitterende, Rembrandteske verdeling van licht en donker. Alvorens de reportage in april 1951 in haar geheel te publiceren, bracht Life de belangrijkste foto's al in een portfolio. SMITHS DIENSTVERBAND bij Life hield maar stand tot 1954. Hij maakte in dat jaar in Afrika een reportage over de met de Nobelprijs gelauwerde dokter Albert Schweitzer en diens werk in het door hem gestichte ziekenhuis van LambarĂŠne. Smith kon het niet vinden met Schweitzer - hij vond de man autoritair en bemoeizuchtig. Liever concentreerde hij zich met zijn fotografie op de Afrikanen. Woedend nam Smith ontslag, toen Life zijn reportage publiceerde onder de titel Man of Mercy en - zonder instemming van de fotograaf - de beelden selecteerde die pasten bij het gewenste portret van een blanke weldoener in donker Afrika.

Voor het beroemde fotopersbureau Magnum maakte Smith nog een groot aantal monumentale reportages. Daaronder zijn een deprimerend verslag van het


leven in een gekkenhuis op Haïti (1958/'59), het harde leven van de arbeiders in smokey city Pittsburgh (1955/'56) en de vanuit het appartement in New York gefotografeerde straatbeelden uit 1957/'58.

Zijn laatste grote essay werd drie jaar voor zijn dood in 1978 in boekvorm gepubliceerd. Twee jaar lang fotografeerde Smith de gevolgen van de misdadige milieuvervuiling door de chemische industrie in het Japanse Minamata. Hij volgde de lijkverbranding van de slachtoffers met kwikvergiftiging, registreerde de machteloze woede van de nabestaanden jegens de fabrieksdirecteuren en de gruwelijke misvormingen die de vergiftiging bij de bevolking veroorzaakte. Het zijn harde en directe foto's, waaruit de woede van Smith onverholen spreekt. Alleen in de foto met de moeder die haar mismaakte dochter in bad tilt, spreekt nog het mededogen dat zijn oeuvre kenmerkt. Smiths actieve carrière als fotojournalist eindigde in het land waar zij dertig jaar eerder was begonnen. Van een land in oorlog had Smith Japan zien veranderen in een moderne industriële samenleving. Zijn onderwerpkeuze veranderde met de tijd mee, maar zijn manier van werken bleef in wezen onveranderd. Nooit met de machthebbers, maar met hun onderdanen vereenzelvigde Smith zich. Om de gratie van mijnwerkers, boeren en stedelingen te kunnen fotograferen, wachtte Smith geduldig af. Voor hen nam hij alle tijd.


Retrospectief W. Eugene Smith, t/m 3 januari in Hotel de Sully, Parijs. Di-zo 1018.30 uur. Monografie Du cotĂŠ de l'ombre FF 590, na de expositie FF650.

Gratie voor de gruwel W. Eugene Smith Photography  

Gratie voor de gruwel W. Eugene Smith Photography

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you