Issuu on Google+

1

Scriptie: Foto:

Roos van Genderen, Breda 2005 Rineke Dijkstra


2


3


Engagement en de GKf 4


Engagement en de GKf

5

Januari 2005 Academie voor beeldende kunst en vormgeving St. Joost, Breda. Studienummer: 000095865 Roos van Genderen Delpratsingel 5a, Breda rvangenderen@hetnet.nl


Voorwoord:

Voorafgaand aan deze scriptie zou ik graag een aantal mensen bedanken die mij geholpen hebben bij het tot stand komen van deze scriptie, die ik heb geschreven onder begeleiding van Rik Suermondt. Een deel van mijn literatuur onderzoek is gebaseert op onderzoek van Rik Suermondt. Allereerst bedank ik Han Singels voor zijn hulp. Hij kwam met goede aanknopingspunten en informatie om aan mijn scriptie te beginnen. Veder dank ik drs. Josephine van Bennekom voor haar gastvrijheid en het uitlenen van een deel van haar archief voor mijn scriptie. Ik heb het erg leuk gevonden om de oude interviews te lezen en te kunnen gebruiken. Alle GKf leden die mij de interviews hebben teruggestuurd, de aspirant-leden en Lizet: bedankt. Ook wil ik Arie van Genderen en Floris Hazemeijer bedanken voor het meelezen en nakijken van deze scriptie. Met deze scriptie heb ik veel geleerd over de geschiedenis van de fotograďŹ e en hoe dingen in de tijd staan. Ik ben uiteindelijk toch minder zwart-wit gaan denken over het begrip engagement en hoe dit een rol kan spelen in je werk als fotograaf. Het is een complex begrip: engagement. Ik ben blij dat ik de GKf als vereniging beter heb leren kennen en nu meer van haar bestaansgeschiedenis af weet.

6


Inhoudsopgave

7

Voorwoord

6

Inhoudsopgave

7

Inleiding

9

Hoofdstuk 1: engagement en de fotograďŹ e

10

Hoofdstuk 2: De geschiedenis van het engagement en de GKf

21

Hoofdstuk 3: GKf-fotografen aan het woord in 1985

33

Hoofdstuk 4: Hoe is het nu met het engagement binnen de GKf 39 Conclusie

49

Bronvermelding

57

Bijlage 1: interviews 1985/86

61

Bijlage 2: interviews 2004

81

Bijlage 3: Gesprek in het ACF vrijdag 17 december 2004.

91


8


Inleiding: Nu is het dan zo ver, na drie jaar studie het schrijven van een scriptie als onderdeel van mijn eindexamen aan de afdeling fotografie van de Academie St. Joost te Breda. Ik ben altijd al geïnteresseerd geweest in de wereld om mij heen. In de geschiedenis, in de toekomst, in het nu.

9

Ik heb het altijd fascinerend gevonden hoe mensen samenleven, hoe dingen op elkaar volgen en ‘hoe dingen ophouden te bestaan’, zoals fotograaf Han Singels dat mij later een keer zou zeggen. Toen ik dus een onderwerp voor mijn scriptie moest bedenken besloot ik dat het wel iets te maken moest hebben met die wereld om mij heen. `Betrokkenheid’ was daarbij een begrip dat voortdurend door mijn hoofd spookte. Hoe betrokken zijn mensen nog bij de hen omringende wereld en is dat anders voor fotografen? En hoe sta ik daar zelf in? Tijdens de derdejaarsstage kwam ik veel in contact met leden van de vakgroep Fotografie van de GKf, een beroepsvereniging van Fotografen. Ik liep stage bij Reinier Gerritsen. Hij huurt samen met drie andere fotografen een studio in Amsterdam. Naast met hem samen op pad te gaan, ben ik ook met de andere fotografen meegegaan. Ook heb ik een boekje gemaakt over fotografen, waardoor ik met GKf fotografen in contact kwam. Deze in 1945 in Amsterdamse opgerichte vereniging, heeft van oorsprong het maatschappelijke engagement hoog in het vaandel. Vele jaren speelde de GKf een grote rol in de Nederlandse fotografie en bestond uit prominente leden zoals onder andere Ed van der Elsken, Cas Oorthys, Carel Blazer, Emmy Andriesse, Eva Besnyö

en Paul Huf. Niet alleen kwaliteitseisen, maar ook de mate van betrokkenheid bij maatschappelijke vraagstukken speelden een rol bij de toelating als lid van de vereniging. Het is een complex thema, engagement. Moeilijk te vatten in een paar woorden en het kent vele vormen. Om mijn scriptie toch concreet te houden heb ik daarom besloten dat ik onderzoek wil doen naar het engagement binnen de GKf. De scriptie is een zoektocht naar wat engagement voor mij persoonlijk betekent, hoe fotografen ermee omgaan en welke rol het speelt binnen de GKf. De vraagstelling luidt: Wat is engagement? En welke rol speelt maatschappelijke betrokkenheid bij de GKf, toen en nu? De scriptie bestaat uit een viertal hoofdstukken en daarna volgt de conclusie. De opbouw is als volgt: � In hoofdstuk 1 wordt een literatuuronderzoek beschreven over de geschiedenis van het engagement en hoe dit een plaats heeft gekregen in de fotografie. � Hoofdstuk 2 is een onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van de GKf en haar plaats in de naoorlogse fotografie. � In hoofdstuk 3 wordt een samenvatting gegeven van een serie interviews die in 1985 met toenmalige leden zijn gehouden. Hiermee wordt een beeld gegeven over hoe deze leden de GKf tot dan toe hebben ervaren. � Hoofdstuk 4 bestaat uit een aantal interviews die zijn gehouden met huidige leden van de GKf. In deze interviews wordt geprobeerd te ontdekken waarom deze fotografen lid zijn geworden van de vereniging. Hoe zij nu tegen de vereniging aankijken en wat het begrip engagement voor henzelf betekent.


10


11

Hoofdstuk 1: Engagment in de fotograďŹ e


Sociale kwestie: Als in de jaren dertig van de achttiende eeuw, de eerste foto’s worden gepresenteerd, kan niemand vermoeden dat fotografie de belangrijke positie zal krijgen die zij vandaag de dag heeft. Na haar uitvinding wordt fotografie in eerste instantie vrijwel alleen gebruikt Een van de eerste foto`s voor traditionele genres als het portret en landschap. Maar in 1854 trekken fotografen als Roger Fenton voor het eerste erop uit om te fotograferen wat er in de wereld gebeurt. Samen met een aantal van zijn tijdgenoten fotografeert Fenton de Krimoorlog, waar op dat moment de Fransen, Britten en Russen onder barre omstandigheden hun geschillen uitvechten.

Roger Fenton

Fenton maakte er niet de schokkende oorlogsfoto’s die wij nu gewend zijn, maar voornamelijk portretten van Britse generaals of groepsfoto’s van militairen.

Door de lange belichtingstijden die toen nog nodig waren, kon hij technisch het vechten niet vastleggen. Maar voor de eerste keer kregen de mensen thuis te zien wat er in een oorlog als deze gebeurde. Documenterend fotograferen was in de

negentiende eeuw nogal ongebruikelijk. Het was een groot risico voor de fotograaf om naar een oorlogsgebied te trekken en niet eenvoudig om er te werken. Kranten en tijdschriften werden in de tijd nog geïllustreerd door houtgravures die werden gemaakte door de zogeheten ‘special artist’. Het grote nadeel was dat bij het maken van de gravures vaak de ‘artist’ zijn afbeelding met veel verbeelding en fantasie maakte, zo waren ze uiteindelijk nauwelijks meer een weergave van de werkelijkheid. Eind 1800 werden er naast fotografische documentaires van materiele zaken, bijvoorbeeld de opkomst van de industrie en de spoorwegen, ook steeds meer foto’s gemaakt van de mens in zijn omgeving. Door deze ontwikkelingen ontstond er een vorm van documentaire fotografie die aansloot bij het begrip, dat men in de negentiende eeuw de ‘sociale kwestie’ zou gaan noemen. Onder die ‘sociale kwestie’ verstond men de zorg om het welzijn en de educatie van grote groepen van de bevolking in de industrialiserende grote steden en in de ingrijpend veranderende samenleving. Vanaf het moment dat Roger Fenton naar de Krimoorlog was getrokken, vormde zich een hele generatie fotografen die zich langzamerhand realiseerden hoe groot Roger Fenton de sociale impact van de fotografie kon zijn op de samenleving. John Thomson (1837-1921) is een van de reizende

12


fotografen in die tijd. Hij documenteerde onder andere uitgebreid het leven in China.

13 Johen Thomson

Toen hij terug kwam uit Azië maakte hij een serie over het leven in Londen met de naam ‘Street Life in London’. Thomson is een voorbeeld van een fotograaf die we voor het eerst echt een geëngageerde fotograaf kunnen noemen.

Maar ook Thomas Annan (1837-1921) kunnen we in deze context noemen. Hij fotografeerde in opdracht in 1868 de sloppen en stegen van de stad Glasgow. De serie droeg de naam ‘Glasgow City Improvement Trust’. Een fotogaaf als John Thomson fotografeerde niet zozeer vanuit artistieke ambitie, maar had nieuwsgierigheid als drijfveer voor het fotograferen. Hij vertelt over zijn beweeg redenen tamelijk nuchter: “During the ten months I spent in Penang and Province Wellesly, I was chiefly engaged in photography – a congenial, profitable and instructive occupation, enabling me to gratify my taste for travel and to fill my portfolio, as I wanted over Penang settlements and the mainland hard by, with an attractive series of characteristic scenes and types, which were in constant demand among the resident European population.”1

Jacob Riss

weer aanleiding tot nieuwe toepassingen. Binnen korte tijd was fotografie een medium met een enorme verspreiding en met een vrijwel onbegrensd beeldend vermogen.

Portretten, reisfoto’s, topografie, landschappen, genretaferelen, oorlogsfoto’s, kunstreproducties en boekillustraties werden gemaakt. De opkomende burgerij was in de begin jaren vooral een afnemer van foto’s.2

Sociale hervormers Naast John Thomson en Thomas Annan, was ook Jacob Riis (18491914) een belangrijke sociale hervormer van die tijd. Riis was een Lewis Hine Deense immigrant die zich op zijn 21ste in Amerika vestigde. Hij werkte voor de New York Tribune, maar leidt een zwaar leven met weinig geld.

De ene noviteit volgde op de andere en de technische ontwikkeling van de fotografie gaf steeds

Rond 1880 begon fotografie goedkoper te worden en zette Riis het idee door om via de fotografie meer aandacht te vragen voor de arme Amerikaanse bevolking.

1 John Thomson, The Straits of Malacca, Indo-China ans China, Ten Years’Travel,

2 150 jaar fotografie, Mattie Boom, Rijksdienst Beeldende Kunst, Den Haag 1989

Adventures and Residence Abroad, London 1875. p.8.


Daarbij richtte hij zich hoofdzakelijk op de immigranten. Riis was een zeer toegewijde fotograaf. Hij ging lesgeven op een zondagsschool. Samen met zijn leerlingen zette hij zich in voor vele goede doelen. Hij werkt zelfs uiteindelijk samen met Theodore Roosevelt, die toen hoofd van de New York Politie was, maar uiteindelijk president van Amerika zou worden. Riis werkte bijna alleen met kunstlicht. Hij flitst met een zelfgemaakte flitser, waarbij hij twee keer een brand veroorzaakt die hem bijna het leven kost.

Lewis Hine

Hij maakte verschillende fotoboeken waarin hij een beeld schetste van de erbarmelijke omstandigheden waaronder het armere deel van de bevolking in die tijd leefde.3 Lewis Wickes Hine (1874-1940) was een Amerikaanse socioloog die in 1905 begon met fotograferen en de fotografie gebruikte als een documentair gereedschap om de misstanden om hem heen vast te leggen. Hij richt zijn camera vooral op de kinderarbeid en fotografeerde immigranten na hun aankomst op Ellis Island in de Verenigde Staten. Hine legde dingen bloot die nog nooit eerder aan het licht waren gekomen en was een van de 3 Gebaseerd op tekst van Robert Laggat. 1999 4 Tekst van Robert Leggat, 1999

mensen die uiteindelijk bijdraagt aan de regelgeving betreffende kinderarbeid.4 Lewis Hine behoort samen met Arnold Genthe (1868-1942) en hun voorgangers (de hiervoor genoemde fotografen), tot een groep fotografen die de grondslag leggen voor het maatschappelijke engagement in de fotografie. ‘De verwevenheid van ambachtelijkheid en artistieke ambitie enerzijds en massaproductie anderzijds, kortom van kunst en industrie, leverde een vorderende discussie op over de status van het nieuwe medium fotografie’.5 Al vanaf het begin van de fotografie heeft de discussie gewoed of fotografie nu kunst is of niet. In de beginjaren van de fotografie waren er al fotografen die vonden dat hun werk thuis hoorde op tentoonstellingen. Andere fotografen zagen het voornamelijk als een vak waarmee zij brood moesten verdienen. Naast dat de fotografen onderling over dit onderwerp discussieerden, mengde ook het publiek zich in de discussies. Dit kwam voornamelijk doordat fotografie niet binnenskamers beleef. In 1839 was de daguerreotypie uitgevonden, wat het betrekkelijk makkelijk maakte om iets te vereeuwigen. Het vastleggen van familie, vrienden of omgeving werd nog makkelijker door de uitvinding van de Kodak rolfilm door George Eastman in 1888. Het was vanaf dat moment tamelijk simpel voor iedereen om een camera te bedienen, als je het kon betalen. Voor het eerste werden er fotoalbums volgeplakt. ‘Uit het leven gegrepen beelden van mensendie voor de fotograaf belangrijk waren.’6 Wat het vanzelfsprekend maakte dat ook het 5 150 jaar fotografie, Mattie Boom, Rijksdienst Beeldende Kunst, Den Haag 1989 p. 40 6 Documentaire Fotografie, Life de Fotografie, Time Life boeken, 1973

14


publiek zich mengde in de discussies over kunst of geen kunst.

naar het negentiende-eeuwse, etnografische- en omgevingsportret.

Langzamerhand zou blijken dat de fotografen die het kunstenaarsvak ambieerden zich zouden afsplitsen van de ‘documentaire’tradities. Terwijl zij zich afsplitsten, gaven andere fotografen op hun eigen wijze inhoudt aan de al langer bestaande genres in de fotografie.

Walker Evens (1903-1975), Dorothea Lange (1895-1965) en Roy E. Stryker (1893-1976) trokken door het mid-westen van Amerika en fotografeerden daar de arme boeren en hun families.

Documentaire tradities

15

Een voorbeeld van deze benadering is het fotoboek van August Sanders (18761964) Antlitz Zeit, dat hij in Duitsland maakte. In het boek grijpt Sanders terug op een al eerder gemaakt boek uit de negentiende eeuw over de Javaanse bevolking: ‘Woodbury en Page’.

Walker Evens

Dorothea Lange (18951965) “You put your camera around your neck along with putting on your shoes, and there it is, an appendage of the body that shares your life with you. The camera is an instrument that teaches people how to see without an camera.”

Het boek van Sanders, dat hij maakt in de jaren twintig van de 20ster eeuw, bevat portretten van alle lagen van de Duitse bevolking. Mensen met uiteenlopende beroepen en van verschillende leeftijden, seksen en rassen poseerden voor de Duitse fotograaf. De foto’s van Sanders toonde een hele eigen opvatting over documentaire fotografie.

De Amerikaanse fotografe Dorothea Lange begon te fotograferen in 1910 en werkte tot aan het begin van de jaren ’60. Na een opleiding bij Arnold Genthe en Clarence H. White, opende zij in 1919 in San Francisco een portretstudio. De studio, waar Lange de upper class van de stad fotografeerde, had onmiddellijk succes en bestond meer dan 10 jaar.

Sanders wilde zijn foto’s zo samenbrengen dat het geheel een analyse werd. Zo toonden de foto’s op hun eigen wijze de samenstelling van en hiërarchie in de samenleving. Sanders benaderde zijn fotografie tamelijk traditioneel in vergelijking met zijn tijdgenoten. Statische portretten van poserende mensen of groepjes mensen, vastgelegd in hun specifieke woon- of werkomgeving. Maar August Sanders in Duitsland was niet de enige die teruggreep op de vroege fotografie. Ook in Amerika waren er fotografen die terug gingen

Een korte periode in een lange carrière vormde de basis voor haar reputatie: van 1935 tot 1939 maakte Dorothea Lange (1895-1965) deel uit van het legendarische team van fotografen, dat verbonden was aan de U.S. Farm Security Administration, die de benarde situatie van de landarbeiders tijdens de Grote Depressie van de jaren ’30 beschreef. Na haar werk voor de Farm Security Administration, stelde Dorothea Lange haar talenten steeds meer in dienst van de minderheden; Lange


geloofde dat zij met haar portretten de situatie kon verbeteren van diegenen, die in de maatschappij het hardst werden getroffen. Zo fotografeerde ze in 1942 Amerikanen van Japanse afkomst in interneringskampen en tussen 1955 en 1957 het wel en wee van de jonge pro deo advocaat Martin Pulich, waarmee ze de verborgen kanten van het Californische rechtssysteem blootlegde.7 Robert Cappa

pelijke studies. Ze resulteerden veelal in boeken of tentoonstellingen. Een nieuwe generatie documentaire fotografen vond werk bij kranten, tijdschriften en persbureau’s. Robert Capa (1903-1954), Margaret Bourke-White (1904-1971), William Klein (1928) en Henri Cartier-Bresson (1908-2004) zijn allemaal voorbeelden van fotografen die fotoreportages maakten voor Amerikaanse bladen als Life en Look.

Dorothea Lange

Werken voor bladen en tijdschriften

De fotoprojecten die onder ander Dorothea Lange en Walker Evans maakten waren bijna wetenschap 7 Kunsthal archief Rotterdam

Deze fotografen waren allemaal actief in actualiteiten van die tijd zoals: de Spaanse burgeroorlog, William Klein de 2de Wereldoorlog, de oorlogen in Korea en Vietnam, en in India en Pakistan na de onafhankelijkheid. Vooral de maatschappelijke gevolgen van deze gebeurtenissen waren een drijfveer voor deze fotografen om te fotograferen. De hierboven genoemde ontwikkelingen spelen in dezelfde tijd ook in Nederland een belangrijke rol. Waarbij ik voor het eerst in deze scriptie

16


fotografen noem die uiteindelijk in de GKf actief zullen worden. Fotografen als Cas Oorthuys (19081975) Emmy Andriesse (1914-1953) en Carel Blazer (1911-1980) gaan in Nederland ook voor bladen en tijdschriften werken en zijn in de oorlog in het geheim actief. Meer over de Nederlandse ontwikkelingen in hoofdstuk 2.

Engagement 17

Voor de opkomst van het massamedium de televisie in de jaren ‘70, was engagement synoniem met reportage- en journalistieke fotografie. De Amerikanen vatten dit in boeken en exposities samen onder de noemer ‘Concerned Photography’. De ‘Concerned Photographer’ is een geëngageerde fotograaf, zijn rol is de ‘fotograaf als ooggetuige’. De iconen van dit soort geëngageerde fotografie zijn de al eerder genoemde Robert Capa, maar ook W. Eugene Smith. Bij deze fotografen W. Eugene Smith lijkt het erop dat het kiezen van het onderwerp belangrijker is dan de manier waarop zij het uiteindelijk behandelen. De foto’s zijn veelal edelmoedig in de wijze van behandelen, humanistisch en er straalt een voortdurende wil vanaf om te getuigen en om betrokkenheid en aandacht te vragen voor oorlogen, sociale onrechte en alle goede bedoelingen. Terecht of niet terecht, wordt de tijd waarin deze generatie fotografen leefde vaak het “gouden tijdperk” van de fotojournalistiek genoemd. Deze fotografen hebben geschiedenis geschreven door gebeurtenissen te documenteren. 8 Positions Attitudes Actions, 2000 gebaseerd op een stuk van Christian Caujolle, p. 102 9 Frits Gierstberg, Positions Attitudes Actions, 2000, p. 12

Sinds dat zogenaamde ‘gouden tijdperk’, dat duurde van ongeveer de jaren 20 tot aan ongeveer de jaren 70 van de vorige eeuw is de wereld sterk veranderd. De opkomst van de televisie, Internet en het toerisme, wat onze wereld veel kleiner heeft gemaakt, heeft tot gevolg dat het toch al vage begrip engagement in een ander daglicht is komen te staan.8 In de loop van de afgelopen twintig jaar is er op het gebied van de documentaire fotografie veel veranderd. Frustraties over de mogelijkheden om met het medium maatschappelijke veranderingen teweeg te brengen, het verdwijnen van de gedrukte podia om te publiceren en de verlokkingen van de kunstwereld betekenden het einde van een periode in de historie van de fotografie, waarin engagement als vanzelfsprekend werd gezien.9 Naast deze ontwikkelingen op het gebied van televisie, de globalisering van de economie, het einde van de koude oorlog enzovoort, wordt ook de objectiviteit van de fotograaf onder de loep genomen. Steeds vaker komen er geluiden dat fotografie alleen de buitenkant laat zien en dat de visie van de fotograaf altijd ideologisch is bepaald en dus dat deze altijd invloed heeft op het werk. Het lijkt erop dat als gevolg van deze discussie in de fotografie een verschuiving plaats aan het vinden is. Zo lijkt de documentaire-, journalistieke -fotografie steeds meer de richting van de kunstfotografie op te gaan en de kunstfotografie steeds meer richting documentaire fotografie. Regelmatig ontstaan er verwarrende situaties die aanleiding geven tot discussie over ethische en esthetische kwesties over de documentaire fotografie in het algemeen en de nieuwsfotografie in 10 Frits Gierstberg, De kunst van het beschrijven voorbij: ontwikkelingen in de documentaire fotografie in stilstaande beelden. Ondergang en opkomst van de fotografie, Amsterdam 1995.


het bijzonder.10 Hoe je ook aankijkt tegen vernieuwingen op het gebied van documentaire fotografie en ook dat van andere fotografische ‘genre’s’ en praktijken, het valt niet te ontkennen dat veel van de vernieuwingen zich juist binnen de context van de galerieën en de musea hebben voorgedaan. Er wordt veel meer geëxperimenteerd met onder andere presentatievormen, maar ook wordt er meer gewerkt met bijvoorbeeld de reflectie op de geschiedenis en de plaats en het functioneren van het medium fotografie.

politieke, sociale of culturele engagement dat de drijfveer vormt voor het handelen van de fotograaf lijkt nog maar zeer beperkt aanwezig. Niet de behoefte om te getuigen over onrecht in de wereld maar individualisme en pragmatisme lijken de toon te zetten’12. Dit maakt mij nieuwsgierig om eens te gaan kijken hoe dat dan bij de GKf een rol speelt en heeft gespeeld. Tot slot wil ik nog een klein stukje weiden aan de ‘kunst of geen kunst’ discussie, omdat dit voor de GKf zeker van belang is geweest.

Tot slot

Zoals al bleek in het voorgaande stuk is er door de geschiedenis heen altijd een discussie geweest over de vraag of fotografie nu kunst is of niet. Deze discussie is dus al zo oud als het medium zelf. Ook in Nederlands steekt de discussie vanaf de Tweede Wereldoorlog geregeld de kop op. Hij krijgt een extra impuls op het moment dat de Kunstacademies door heel het land fotografen op gaan leiden en fotografie als zelfstandig medium een sterkere positie krijgt binnen de Nederlandse samenleving.

Wat is engagement? Betrokkenheid, aandacht voor het maatschappelijke leven en onderwerpen onder de aandacht. Er zijn verschillende fotografen langsgekomen, die door de geschiedenis heen zich hiermee hebben bezig gehouden. Voor deze tijd geldt waarschijnlijk de volgende uitspraak, wat betreft de beweegredenen van de fotograaf: ‘Het

Deze positie hield in dat er steeds meer subsidies kwamen voor fotografie maar ook dat het aantal Podia waar fotografie kon komen te hangen, sterk toenam. Inmiddels hebben wij in Nederland vier fotomusea, te weten Huis van Marseille, Foam Amsterdam, het Nederlands fotomuseum Rotterdam, en het Fotomuseum Den Haag. Ook hebben we verschillende fotofestivals zoals het Groningse fotofestival Noorderlicht, in Breda bijvoorbeeld Breda Photo en eens in de 2 jaar Fotofestival Naarden, om maar eens een greep te doen. De discussie over de positie van de fotografie is voornamelijk gericht op de vraag of fotografie

11 Bron Frits Gierstberg, engagement in de fotografie, Positions Attitudes Ac-

12 Positions Attitudes Actions, Engagement in de fotografie p. 6. Foto biënnale

Fotografen die hiermee bezig zijn mensen zoals onder andere Allan Sekula, Alfredo Jaar en Martha Rossler. Hen kan nog steeds betrokkenheid en een kritische houding worden toegedicht, al is hun manier van werken aanzienlijk veranderd in vergelijking met hun voorgangers.11

In het voorgaande heb ik (beknopt) een beeld geschetst over de ontstaansgeschiedenis van het engagement in de fotografie. We hebben kunnen zien dat het engagement voornamelijk genesteld ligt in de documentaire en journalistieke fotografie en dat zij na de jaren zeventig van de twintigste eeuw steeds minder duidelijk te herkennen is.

tions, 2000

Rotterdam 2000

18


onderdanig moet zijn aan de opdracht, dat het dus niet met de intentie wordt gemaakt om kunst te zijn. Of dat het autonoom wordt gemaakt en dus kunst is. Verschillende critici laten zich hierover uit. Het bekendste is het artikel van Hans den Hartog Jager, dat op 26 september 2003 in het NRC Handelsland verscheen getiteld ‘Luie Schilders’.

19

Ook voor de GKf is deze discussie belangrijk geweest. In de jaren waarin de kunstfotografie haar intrede deed, heeft zij binnen de vereniging voor veel discussie gezorgd. Wel opvallend is dat de vereniging nooit heeft willen reageren op de discussie met betrekking tot het artikel van Den Hartog Jager, terwijl hij toch krasse uitspraken deed met betrekking tot het vak fotografie en haar positie in Nederland. Toen de kunstfotografie binnen de GKf opkwam heeft dit de vereniging zoals zij van oorsprong bestond sterk veranderd. Deze veranderingen komen vooral doordat de documentaire en journalistieke fotografie, die zo nauw verbonden waren met het engagement, opeens plaats moest maken voor het autonome.Een genre dat niet meer per definitie verbonden was met engagement. De van oorsprong zo politiek getinte vereniging moest haar overtuigingen op de achtergrond plaatsen om de eenheid te bewaren.

Een foto van de fotograaf Arthur H. Fellig of wel Weegee


20


21

Hoofdstuk 2: De geschiedenis van het engagement en de GKf


De Nieuwe fotografie: In het voorgaande hoofdstuk is de opkomst van de fotografie behandeld en zijn er fotografen genoemd die we ‘geëngageerde fotografen’ kunnen noemen. In dit hoofdstuk maken we kennis met de GKf. De GKf is na de Tweede Wereldoorlog opgericht en heeft een belangrijke positie in de naoorlogse Nederlandse fotografiegeschiedenis. Aan haar oprichting, na de oorlog, gaan een aantal gebeurtenissen vooraf. In de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw is er binnen de beeldende kunst, de architectuur en de toegepaste kunst over heel de westerse wereld een grote drang naar vernieuwing. Fotografen buiten ons land zijn al langer bezig met experimenten in de fotografie, bijvoorbeeld Moholy-Nagy, Man Ray, André Kertész en Edward Steichen. Het is opvallend dat deze drang naar vernieuwing en een groot plezier in experimenteren, in de

De jonge generatie fotografen die in hun voetsporen zouden gaan treden, zijn tevens de oprichters van de GKf zoals wij die kennen. Eva Besnyö (1910-2003), Emmy Andriesse, Cas Oorthuys, John Fernhout en Carel Blazer verrijkten in de jaren dertig, het repertoire van de Nieuwe Fotografie en verlegde haar grenzen.13 Ter introductie wil ik de eigen website van de GKf aan bod laten komen. Deze tamelijk klassieke site, met een traditioneel lettertype, opent met een tekst die ik even wil noemen. De tekst is over het algemeen erg optimistisch, maar verklaart uiteindelijk niet waar de GKf nu voor staat. Er wordt een beschrijving gegeven van het roemrijke verleden, maar er wordt een willekeurige lezer niet uitgelegd wat de GKf te bieden heeft. Ook geeft de site geen verdere informatie over fotografen die vandaag de dag lid zijn. Zij staan slechts op alfabetische volgorde onder een apart kopje de fotografen. Wel wordt elk jaar een Jaarboek uitgegeven met daarin foto’s en teksten van een geselecteerde groep leden. Hierna, enigszins ingekort, de tekst van de website. Voor het volledige verhaal verwijs ik door naar: www.gfk-fotografen.nl. -De GKf is een beroepsvereniging van fotografen en bestaat

Emmy Andriesse

Nederlandse fotografie pas laat op gang komt. In Nederland zijn de fotografen die uiteindelijk de Nieuwe fotografie in Nederland inluiden onder andere Paul Schuitema, Gerrit Kiljan en Piet Zwart.

inmiddels bijna zestig jaar. Het is een kleine vereniging, (gezeteld in Amsterdam) die haar stem en invloed op diverse fotografieverwante terreinen heeft laten klinken. Bekende, beroemde en minder tot de verbeelding sprekende namen bevolken de ledenlijsten van de afgelopen jaren. Het huidige ledenbestand vertegenwoordigt inmiddels een veel breder scala van de fotografische beroepspraktijk dan 13 De Nieuwe Fotografie in Nederland, Kees Broos en Flip Bool, Amsterdam 1989

22


de oprichters ooit voor ogen stond; zij vonden elkaar in de verwantschap met de geëngageerde documentaire fotografie. In 1948 trad de Vakgroep Fotografie van de Vereniging van Beoefenaars der Gebonden Kunsten in de Federatie (GKf) voor het eerst met haar werk naar buiten. In het Stedelijk Museum van Amsterdam werd de tentoonstelling Foto ‘48 geopend.

23

Tegelijkertijd verscheen er een speciale editie van het tijdschrift Kroniek van Kunst en Kultuur; het ‘voorwoord’ gold als het credo van de GKf-fotografen: ‘De fotografen van de GKf willen met de tentoonstelling Foto ‘48 een beeld geven van de hedendaagse fotografie. Het doel van de fotografie is niet het mooie plaatje, maar mededeling door middel van de camera. De fotografie vervult een dienende functie en is in de praktijk gebonden aan de opdracht.’ Een aantal van de fotografen kende elkaar al van vóór de oorlog doordat zij lid waren van andere verenigingen. Sommigen waren tijdens de bezetting betrokken bij illegale activiteiten zoals de Persoonsbewijzen-centrale en De Ondergedoken Camera. Hoewel de start van de Vakgroep Fotografie enigszins diffuus is, bleek al snel uit welk hout deze fotografen gesneden waren. Sem Presser, gevraagd naar een karakterisering van de GKf-fotografen, trok een vergelijking met de NvF: ‘De NvF behartigde de journalistieke belangen van de fotografen, dus onderhandelingen met dagblad-uitgevers, politie-doorlatingsbewijzen, treinkaarten en reductiekaarten voor journalisten, terwijl de GKf altijd de kant van de kunst is uitgetrokken.’ De discussie over afsplitsing door de afzonderlijke Vakgroepen die bij verschillende gelegenheden aan de orde was gesteld, leidde op 20 april 1968 tot de ontbinding van de Vereniging van Beoefenaars der Gebonden Kunsten in de Federatie. De verschillende Vakgroepen vormden vijf nieuwe beroepsverenigingen. De fotografen besloten de afkorting GKf te blijven gebruiken.

Onder voorzitterschap van Kors Van Bennekom streefde het bestuur naar samenwerking met andere beroepsorganisaties van fotografen. Gezamenlijk optreden op het gebied van auteurswethandhaving, onderwijs, sociale en economische zaken, het beleid van CRM en de BKR zou meer effect sorteren dan individuele acties van de GKf. In 1974 werd er gesproken over de oprichting van een Fotografen-federatie waarvan GKf, BFN en NvF deel zouden uitmaken. De drie verenigingen werkten al langer samen in de Amsterdamse Kunstraad en bereidden op dat moment een advies voor met betrekking tot de oprichting van een Fotografisch Centrum (FC). Dit ‘fotohuis’ zou verschillende taken krijgen: het zou plaats moeten bieden aan de archieven van fotografen, een centrale documentatie aanleggen van alle in Nederland bestaande fotoverzamelingen, informatie verstrekken over de werkterreinen van werkende fotografen, de geschiedschrijving van de Nederlandse fotografie ter hand nemen, een contrôle-orgaan zijn ter bescherming van het auteursrecht op foto’s evenals een ontmoetingscentrum voor fotografen worden. Ondertussen werkte de GKf hard haar gezicht naar buitenwereld duidelijker te profileren. In 1976 overhandigde Paul Huf het eerste exemplaar van een geïllustreerde ledenlijst aan Emile Meijer, directeur van het Rijksmuseum Vincent van Gogh. Het persbericht schetste een optimistisch beeld van de stand van zaken. De samenwerking met de tijdschriften Foto en Nieuwe Revu mondde in 1976 en ‘77 bijvoorbeeld uit in maandelijkse fotoseries door verschillende GKf-fotografen. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw won de fotografie aan status. Frans De la Cousine vond in 1982 dat de GKf zichzelf had overleefd en hij startte daarom met enkele gespreksrondes met als doel de leden een standpunt te ontfutselen en organisatorische veranderingen door te voeren. Het ‘Heukelum-initiatief’, genoemd naar de woonplaats van bestuurslid


Toon Fey, mondde uit in het voorstel de GKf op te splitsen in drie werkgroepen, die op inhoudelijke gronden de fotografie in drie uitingen onderverdeelde: kunstuiting (autonoom), sociaal engagement (documentair) en toegepast (reclame of wervende fotografie). Vanzelfsprekend kon niemand toen vermoeden dat de vereniging elf jaar later in 1995 zou zijn uitgegroeid tot een volwassen organisatie met bijna 200 leden, twee betaalde bureaumedewerkers, een professioneel eigen tijdschrift Hollands Licht en een scala aan jubileumactiviteiten in het kader van het 50-jarige bestaan. De GKf organiseerde thema-avonden die aansloten bij de actuele stand van zaken op fotografiegebied.

van de Duitse bezetter niet meer gefotografeerd worden. Toch blijven er nog fotografen actief, zij organiseren zich in het geheime collectieven, zoals de Ondergedoken Camera.

24

Ter introductie van nieuwe leden werden de ‘De GKf ontmoet zichzelf’-avonden georganiseerd en in informeel overleg met het Nederlands Foto Instituut uitte de GKf haar wensen en ideeën. Daarnaast bleef de GKf op haar qui-vive als het ging om auteursrechten. Zij sloot zich aan bij de in 1984 opgerichte Stichting Foto Anoniem. Het bestuur en de GKf-commissies lieten en laten hun invloed op diverse terreinen gelden. Desondanks blijft de vraag actueel wat de GKf-leden nu precies bindt. Wellicht kwam Carel van Hees het dichtst bij de waarheid toen hij zijn motivatie als volgt samenvatte: ‘Ik ben lid geworden van de GKf en niet van de BFN of de NVF omdat ik me met de mensen verbonden voelde die al lid waren -uitgaande van uitspraken van die mensen, maar ook van hun foto’s. GKf-mensen stáán ergens voor, ze staan op een bepaalde manier in het leven en daar voel ik me bij thuis.’-

De Gebonden Kunsten Federatie:

Aan het begin van dit hoofdstuk is bekeken hoe het klimaat was met betrekking tot de fotografie in Nederland in de jaren twintig en dertig. Een voorzichtige drang naar vernieuwingen en experimenteren. Dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Alles wordt anders en in principe mag er,

Cas Oorthuys

De Ondergedoken Camera werd in de loop van 1944 in Amsterdam onder leiding van Fritz Kahlenberg opgericht. Doel van dit collectief, dat ongeveer 35 medewerkers telde, was enerzijds voor later de geschiedenis van bezetting en verzet vast te leggen en anderzijds om de regering in Londen te informeren over de toestand in bezet Nederland. Toen de oorlog ten einde was, sloten Carel Blazer, Ad Winding, Emmy Andriesse, Cas Oorthuys, Cok de Graaff, Hans Wolf, Kryn Taconis, Eva Besnyö, Lood van Bennekom en Jaap d’Olivieira zich meteen aan bij de Vakgroep Fotografie binnen de Vereniging van Beoefenaars der Gebonden Kunsten in de Federatie (de GKf).


Deze ‘grote’ GKf had op zijn beurt, organisatorisch gezien, zijn wortels in de van 1904 tot 1941 bestaande Nederlandse Vereniging voor Ambacht- en Nijverheidskunst (VANK). De VANK was van oorsprong een belangenorganisatie voor ontwerpers en beoefenaars van de toegepaste kunst.

25

ook ontbonden werd. Toch zouden de fotografen de afkorting GKf blijven houden. Samen met de Nederlandse vereniging van Fotojournalisten (NvF) en de Beroeps Fotografen Nederland ( BFN) vormen deze beroepsverenigingen de driepoot van de fotografenfederatie.

In 1948 trad de Vakgroep Fotografie van de GKf voor het eerst met haar werk naar buiten. In het Stedelijk Museum van Amsterdam werd de tentoonstelling Foto ‘48 geopend.

Ad Winding

Carel Blazer

Tegelijkertijd verscheen er een speciale editie van het tijdschrift Kroniek van Kunst en Kultuur; het ‘voorwoord’ is gaan gelden als de lijfspreuk van de GKf-fotografen: ‘De fotografen van de GKf willen met de tentoonstelling Foto ‘48 een beeld geven van de hedendaagse fotografie. Het doel van de fotografie is niet het mooie plaatje, maar mededeling door middel van de camera. De fotografie vervult een dienende functie en is in de praktijk gebonden aan de opdracht.’ De fotografen splitsten zich op 20 april 1968 uiteindelijk af van de Vereniging van Beoefenaars der Gebonden Kunsten in de Federatie die meteen

Toen de fotografen Carel Blazer, Ad Winding, Emmy Andriesse, Cas Oorthuys, Cok de Graaff, Hans Wolf, Kryn Taconis, Eva Besnyö, Lood van Bennekom en Jaap d’Olivieira, zich aansloten bij de toen nog ‘grote’ GKf, kenden de meeste elkaar al van voor de oorlog. Sommige van hen waren al actief geweest in de Ondergedoken Camera. Het was een vriendenclub, die in informele sfeer bij elkaar kwam.

Naoorlogse Nederlandse fotografie:

In het hierna volgende stuk wil ik proberen aan te geven hoe de naoorlogse fotografie in Nederland zich ontwikkelde en in welk klimaat de GKf zich staande moest houden.


De Tweede Wereldoorlog heeft op heel Nederland natuurlijk een stempel gedrukt. Zo ook bij de fotografen. Naast de hiervoor genoemde fotografen waren vlak na de oorlog mensen als Piet Zwart (1885-1977), Ed van der Elsken (1925-1990) en Dolf Toussaint (1924- ) prominente leden van de GKf. De GKf is op dat moment een zeer linkse vereniging. Wat uiteraard veel te maken had met het oorlogsverleden van de meeste fotografen.

en het maken van stedenboeken en toeristische reisreportages. Engagement kon in de jaren vijftig ook in de zin van het existentialisme worden opgevat. Jean Paul Sartre (1905 - 1980) was een Frans filosoof en schrijver. Aan hem wordt de ontwikkeling van het existentialisme toegeschreven. Sartre inspireerde in die periode veel kunstenaars.

De fotografen die in die periode lid zijn, willen zich niet langer laten leiden door de Bauhaus esthetiek van de jaren twintig. Ze willen met de sociale documentaire hun visie op de mens tot uiting laten komen.

26

Bij het formuleren van die visie op de mens, richten zij zich in die tijd op de historische aspecten van de gemeenschap en op de sociale omstandigheden waarin men op dat moment leeft. Een voorbeeld van deze manier van werken is het boek ‘Een staat in wording’ (1947) van Cas Oorthys, lid van de GKf. Cas Oorthuys en Eva Besnyö (ook lid van de GKf) waren fotografen die zich sterk bezighielden met sociale kwesties. Zo maakten zij zich hard voor onder andere de hongersnood in China door folders rond te delen. Na het uitbreken van de Koude oorlog in 1947 en onder druk van de wederopbouw lieten de meeste GKf-fotografen hun links-politieke engagement vallen voor een a-politieke ‘human interest’. De betrokkenheid bij internationale politieke en sociale kwesties verdween grotendeels. Cas Oorthuys, Carel Blazer, Emmy Andrissie en andere stortten zich in de jaren vijftig op bedrijfsfotografie

Ed van der Elsken

Ed van der Elsken, lid van de GKf sinds 1949 is een van de fotografen die hierdoor wordt gegrepen. Van der Elsken pleitte voor ‘volledig engagement’, dat niet gebonden is aan een bepaalde zaak


of actie en hij pleitte voor permanent verzet tegen het heersende systeem. Ed van der Elsken fotografeerde midden jaren vijftig een groep rondzwervende jongeren in de Parijse wijk Quartier Latin. De reportage resulteerde in een beeldroman Een liefdesgeschiedenis in Saint Germain des Prés.

27

Van der Elsken was vooral gegrepen door de opvattingen van Sartre, omdat ze hem een manier boden om, zonder te vervallen in politiek en religie, toch het engagement met het leven aan te kunnen gaan. Na Parijs trekt Van der Elsken een tijd door Afrika waar hij, zoals hij dat zelf achteraf enigszins beschaamt toegeeft, als ‘een blanke jager met de camera’ de oerkrachten van Afrika probeert vast te leggen, zonder oog voor de politieke realiteit.

zou moeten worden…..” Door de aansporingen van Marcuse en Habermas, gingen fotografen zich meer verdiepen in het marxistische denken van dit tweetal. Binnen de GKf trad een nieuwe generatie van sociaal-kritische documentaire fotografen op de voorgrond. Koen Wessing (1942 - ), Oscar van Alphen (1923 - ) en Willem Diepraam zijn voorbeelden van fotografen die op deze manier hun onderwerp gingen benaderen.

Die politieke realiteit brengt hem ertoe om een 1958 een ironisch commentaar te schrijven waarin hij het zogenaamde ‘engagement’ van de GKf-fotograaf op de hak neemt ‘….. toegepast, aangepast rijden wij in fraaie automobielen door de maatschappij die wij verachten. …..’. Koen Wessing

De filosofen Marcuse (1898-1979) en Habermas (1929) sporen in publicaties gedurende de jaren zestig van de vorige eeuw, een jonge generatie fotografen aan, om tot een maatschappijkritische houding te komen en de ‘human intrest’geest enigszins los te laten. “…Marcuse schetste het beeld van de ‘eendimensionale mens’ wiens spontaniteit en creativiteit werd weg gedrukt door het rationalisme en de commercie van de consumptiemaatschappij. Engagement hield in dat de mens eigen keuzes moest maken. Er ontstonden radicale opvattingen over individuele vrijheid, die voor iedereen geldig

-Koen Wessing is een Nederlands fotograaf en GKf lid. Wessing werd geboren in Amsterdam, als zoon van de binnenhuisarchitect Han Wessing en beeldhouwster Eva Eisenloeffel. Op de lagere school bleek dat hij woordblind was. Rond 1957 leerde hij de fotograaf Ed van der Elsken kennen. Wessing besloot fotograaf te worden, en volgde in 1961 het eerste jaar van het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam, de latere Gerrit Rietveld Academie, waar zijn moeder docente was. Vervolgens werd hij assistent van Van der Elsken. Vanaf 1963 is hij freelance fotograaf. Hij fotografeerde ondermeer het Mei-oproer van 1968 in Parijs; de Deltawerken


(1969); de bezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam (1969); Chili direct na de militaire coup in 1973; en de Nieuwmarktrellen in 1975. Later fotografeerde hij in Ierland, GuineaBissau, Nicaragua, El Salvador, China, en Kosovo. Wessings foto’s zijn meestal politiek van aard. Steevast neemt hij het op voor de paupers, de losers, de verdrukten. Zijn idool is de Amerikaanse fotograaf William Klein. In 1989 ontving Wessing de Alblasprijs. In 2000 organiseerde het Amsterdams Historisch Museum een overzichtstentoonstelling. Oscar van Alphen is het pseudoniem van Cees Nieuwenhuizen. Hij studeert, na beëindiging van de Zeevaartschool, enige jaren sociale geografie en werkt vervolgens bij een handelsmaatschappij. Heeft aanvankelijk vooral belangstelling voor technische fotografie maar richt zich gaande weg steeds meer op de sociale kant van de fotografie. In de jaren vijftig en zestig fotografeert hij vooral de wederopbouw van Nederland. Vanaf 1970 worden zijn foto’s journalistiek van aard en meer sociaal bewogen. In zijn werk combineert hij beeld met woord. In 1973 won hij in de categorie “features” van de World Press Foto de eerste prijs.-

middelpunt van de belangstelling. In 1968 wordt het boek The Concerned Photographer met fotografen als Seymour, Robert Capa en Bischof gepubliceerd. In de inleiding van dit boek beschrijft Cornell Capa het type fotograaf dat vanuit een persoonlijke betrokkenheid bij het onderwerp verslag doet van het sociale en maatschappelijke misstanden en deze aan de kaak stelt. Het uitkomen van dit boek had ook veel invloed op de Nederlandse GKf fotografen. De maatschappelijke ontwikkelingen van jaren zestig en de fotografie zijn sterk met elkaar verbonden. Zo raakten de fotografen van die tijd betrokken bij de hippiecultuur, de anti-Vietnam demonstraties, de vrouwenbeweging en het verzet tegen discriminatie van homo’s en tal van andere minderheden. Eva Besnyö is een voorbeeld van die tijd, zij was naast huisfotografe van de Dolle Mina, ook een medeactiviste. Haar ‘aangeboren’ gevoel voor esthetiek legde zij eind jaren zestig naast zich

Het is inmiddels eind jaren zestig van de twintigste eeuw. De Provo bom was in Amsterdam gebarsten. Anarchistische jongeren combineerden ludieke acties met maatschappelijk verzet. Er kwam binnen de Nederlandse samenleving een streven naar sociale hervorming. Men wilde meer zeggenschap op politiek gebied. Binnen de GKf leidde dit er toe dat niet langer meer de mens een centraal thema was, maar de maatschappelijke structuur waarin de mens functioneert.14 In deze tijd staat geëngageerde fotografie in het

Eva Besnyö

14 Rik Suermondt, `Het sociale aspect van de tijd. Engagement in de naoorlogse

Nederlandse fotografe´. In: Positions, Attitudes and Actions, Rotterdam 2000, pp. 291-330

28


neer, om in haar reportages de aandacht niet af te leiden van haar feministische boodschap. In deze tijd speelt engagement een grote rol in de GKf. De jaren zeventig, het zijn roerige tijden in Nederland. De geëngageerde fotografie moest leiden tot meer politieke bewustwording. Gkf-lid Koen Wessing maakt een reportage waarin dit standpunt naar voren komt. 29

De reportage ‘Djarama PIAG. Beelden uit Guinee-Bissau’ wordt in 1975 door hem gemaakt. De opbrengst van het boekje werd gebruikt om een vertaling te maken die mensen in gekoloniseerde landen moest informeren over hun situatie. Dit onderwerp, de kolonisatie, of liever gezegd de strijd voor dekolonisatie, was voor een aantal fotografen van de jaren zeventig een belangrijk thema. Inmiddels is Bertien van Manen (1942 - ) lid geworden van de GKf. Zij maakt in 1977 het boek ‘Vrouwen te gast’. Van Manen was erg betrokken bij de vrouwen van de gastarbeiders die in de jaren zeventig naar Nederland werden gehaald. De vrouwen herenigden zich met hun mannen om voor

hen te zorgen of zelf hier te komen werken. Vaak raakten zij geïsoleerd in dit vreemde, kille, afstandelijke land. Van Manen fotografeerde de vrouwen thuis, in hun eigen omgeving en met aanvullende interviews wilde zij begrip kweken voor de dubbele achterstand van islamitische vrouwen. Het engagement van Nederlandse fotografen bestreek eind jaren zestig en begin jaren zeventig een breed terrein. Wereldwijd vinden er bevrijdingsoorlogen plaats en in Nederland voelden veel fotografen zich betrokken bij allerlei democratiseringsprocessen. Dit ging niet aan de GKf-fotografen voorbij. Verschillende leden sloten zich aan bij de standpunten van de arbeiders, studenten en tal van actiegroepen. Ze richten hun camera tegen de politiek en de machthebbers. Werd eind jaren zeventig de term ‘sociale fotografie’ nog als aanduiding gebruikt voor politiek-geëngageerde fotografie, onder het tweede kabinet Van Agt en het no-nonsens kabinet van Ruud Lubbers raakt de sociale beweging begin jaren tachtig in de slop. Na de demonstraties tegen de kernwapens in 1981 in Amsterdam ontstaat er een omslag in de politiek stellingname. In 1983 startten Hans Aarsman (1951 - ) en Harry Meijer (1952 - ) samen met een dertigtal fotografen en grafisch vormgevers het tijdschrift Plaatwerk dat een vrijere invulling van de sociale fotografie nastreefde. “Plaatwerk is geen (foto)blad voor beelden van de zoveelste demonstratie, de volgende knokpartij tussen actievoerders en overheid òf de plaatjes van mensen in zielige omstandigheden.” - Het blad Plaatwerk was min of meer een reactie op het strakke keurslijf van de sociale fotografie. Een voorbeeld van die sociale fotografie was De kater van het gelijk (1982), een


reportage in boekvorm van Michel Pellanders en auteur Jeroen Terlingen over de sluiting van de Ford-fabriek in Amsterdam.15 De fotografie in dit boek bracht Hans Aarsman tot de uitspraak dat hij niets meer moest hebben van een fotografie van ‘bedoelingen en boodschappen’. Het blad heeft niet lang bestaan. Eind jaren ’80 was het meer een blad voor kunstfotografie geworden. Een ander voorbeeld is de publicatie Sociale Fotografie, eveneens uit 1982. Dit boek was het resultaat van een verzoek in 1980 van het Gronings Foto Kollektief aan de Commissie voor het Studium Generale van de Rijskuniversiteit Groningen om een serie te organiseren over het thema ‘Sociale Fotografie’. Het verzoek resulteerde in een lezingenserie, een workshop en de hiervoor genoemde publicatie. Het boek lezend is duidelijk uit welke hoek het komt. Het staat bol van het linksactivistisch proza en men verdedigt de ‘bewuste keuze voor een bepaald onderwerp, opname, kader, afdrukverwerking, vorm, sequentie, context en gebruik van foto’s’ met het argument dat de politieke keuze die de fotograaf maakt als uiteindelijk doel heeft de verbetering van de eigen situatie en die van anderen. Uitgewerkt zijn reportages over ‘The horror of Bloody Brixton’, de ramp bij Aagrunol, de sluiting van bedrijven als de Domo melkfabrieken in Groningen en de Ford-fabriek in Amsterdam.-

uit een collage van foto’s en tekstfragmenten die op indirecte wijze verwezen naar ‘terreur van het kapitalisme en de consumptiemaatschappij’ waar de westerse wereld zich schuldig aan zou maken. Van Alphen liet met het project blijken dat hij geen heil meer zag in het ‘toedichten van schoonheid aan de actualiteit’. Halverwege de jaren tachtig gaat het engagement over in een soort empathie met het lijden van de mens. Met de postmoderne en poststructuralistische cultuurkritiek verloren einde van de jaren tachtig begrippen als ‘werkelijkheid’ en ‘objectiviteit’ aan betekenis. Binnen de westerse cultuur gaat de mens zich steeds meer als een superieur wezen voordoen. Kunst en wetenschap worden hieraan gerelateerd. De blik van de westerse mens wordt verdacht, immers was gebleken dat deze ‘onlosmakelijk verbonden was met onderdrukking en uitbuiting’. Deze ontwikkelingen zijn ook voor de leden van de

Begin jaren tachtig werden er nieuwe posities ingenomen ten aanzien van geëngageerde fotografie. Zo ging een fotograaf als Oscar van Alphen (GKf) zich meer richten op het ‘conceptueel engagement’. Een goed voorbeeld hiervan is Het moment voorbij uit 1982. Boek en installatie werden opgebouwd 15 Sociale fotografie, Studium generale, zomer 1982/Rijksuniversiteit Groningen

Ad van Denderen

30


GKf erg bepalend. De nieuwe en de oude generatie fotografen komen in denkbeelden over bijvoorbeeld documentaire fotografie tegenover elkaar te staan. -Ad van Denderen (1943 - ) voelt de nieuwe omslag binnen

31

de fotografie aan en maakt in 1991 het boek Welkom in Suid-Afrika. Hierin geeft hij een brede kijk op de apartheid. Zonder direct geweld in beeld te brengen weet hij toch goed te laten zien wat er op dat moment speelt tussen de blanken en zwarte Afrikanen. Wel spreekt Van Denderen in zijn boek een duidelijke voorkeur uit richting de zwarte bevolking. ‘Hij schroomt er niet voor om stereotypen neer te zetten en heeft in zijn boek ‘nog altijd de hoop dat het nog goed zal komen’.

toenemende mate het aandachtsgebied van kunstenaars, fotografen en tv-programmamakers geworden. Fotografen worden van af dat moment teruggeworpen op zichzelf en zijn gedwongen om zich vanuit een subjectieve stellingname te engageren met de medemens. Halverwege de jaren negentig krijgt het ‘persoonlijke engagement’ een nieuwe uitwerking door het boek van GKf lid Bertien van Manen.

Kadir van Lohuizen (1963 - ) koestert begin jaren negentig niet langer hoop dat het allemaal nog wel goed zal komen. In verschillende projecten laat hij zien wat er gebeurd in de wereld maar met de bittere ondertoon dat hij niet verwacht dat men nog deel wil nemen aan het onrecht.

Bertien van Manen

Kadir van Lohuizen

‘….Het is een paradoxaal gegeven dat de westerse mens vandaag de dag steeds meer van de wereld te zien krijgt, maar het steeds moeilijker voor hem wordt om betrokken te zijn en daadwerkelijk ergens aan deel te nemen…’-

Met het verdwijnen van politieke en sociale idealen is in de jaren negentig het privé-leven in

In 1994 komt zij met het boek A hundred summers, a hundred winters. Haar boek gaat over Rusland en geeft een beeld van de ‘gewone’ Russische mens. Gewapend met kleine cameraatjes maakte van Manen intieme portretten waarbij de mensen haar heel dichtbij lieten komen. Toch werd later de vraag gesteld of van Manen niet een (te) bevestigend beeld gaf van de Russische (arme) bevolking. In het voorgaande heb ik in het kort een beeld geschetst van de naoorlogse Nederlandse fotografie met nadruk op de fotografen die lid zijn of waren


van de GKf. Veel GKf-leden hebben een belangrijke rol hebben gespeeld in de Nederlandse fotogeschiedenis en daarvan zijn sommige nog steeds actief. De maatschappelijke ontwikkelingen die Nederland na de oorlog heeft doorgemaakt zijn belangrijk geweest voor het engagement van de GKf fotografen. In het volgende hoofdstuk zullen er verschillende fotografen van het eerste uur aan het woord komen. 32

Foto van CĂŠline van Balen, GKf Lid


33

Hoofdstuk 3: GKf-fotografen aan het woord in 1985


Interviews In het kader van deze scriptie wilde ik een aantal GKf-leden interviewen en hen ondervragen over de GKf.

in samenvatting in bijlage 1. Hieronder een impressie van deze interviews. Daarbij geef ik letterlijke uitspraken cursief weer. Verder doe ik in mijn eigen woorden verslag van wat er in de interviews wordt gezegd. De uitspraken die ik heb uitgekozen zijn gebaseerd op dingen zoals, hoe de leden bepaalde ontwikkelingen hebben ervaren, grappige of krasse uitspraken die zij doen en op het tijdsbeeld wat zij met zich meedragen. “…het is een verrekte moeilijk vak, het is een rotvak…” (Sem Presser ’85)

Kors van Bennekom

Tijdens het onderzoek stuitte ik op de naam Josephine van Bennekom, dochter van fotograaf Kors van Bennekom (geb.1933). Bij een bezoek aan haar komen verschillende mappen met informatie te voorschijn. Eén van de mappen bevat een groot aantal interviews met verschillende GKf fotografen van het eerste uur. In die interviews doen een aantal bekende leden krasse uitspraken over de eigen organisatie en het vak van fotograaf. De interviews komen allemaal uit midden jaren tachtig en moeten dan ook in dit perspectief worden gezien. De interviews zijn gehouden door Josephine van Bennekom en Tineke de Ruiter. De interviews staan

Bij het nalezen van de interviews uit 1985 maar ook na het onderzoek wat vooraf is gegaan aan hoofdstuk 2, vallen een aantal zaken direct op. Ten eerste dat de Tweede wereldoorlog en de opbouwperiode daarna, een belangrijk gegeven was voor het ontstaan van de GKf. Dit wordt door onder meer Oscar van Alphen verwoord in het interview uit 1985, waarin hij stelt dat de GKf voor hem een onderkomen bood, een houvast gaf en hem stimuleerde om zich verder te ontwikkelen. Ook de andere leden uit de begintijd, zoals Eva Besnyö, Emmy Andriesse en Carel Blazer uiten zich in dezelfde trant. Naarmate de GKf groeit, zou dit wel gaan veranderen.

Maria Austria

De GKf was dus na de oorlog begonnen met de al genoemde fotografen: Emmy Andriesse, Carel

34


Blazer, Eva Besnyö, Maria Austria en Jonker. Jonker, Albert Helman en Austria kwamen uit de Particam (camera) groep, een clubje fotografen uit de oorlog. Particam was al in de oorlog actief geweest en zou nog een tijdje na de oorlog blijven bestaan, het was veelal theaterfotografie wat zij deden. Particam foto

35

Ook kwamen er dus, zoals genoemd een aantal uit de Ondergedoken Camera. Uit het interview met Aart Klein blijkt dat hij niet meteen vanaf het begin lid was van de GKf. Klein werd in eerste instantie afgewezen voor het lidmaatschap. Na een jaar of vier, vijf wordt hij alsnog toegelaten als lid.

foto überhaupt wel thuis hoort in een museum en hoe je deze dan moet presenteren. Zo waren Klein en de meeste fotografen, zeker die van het eerste uur, het er in principe over eens dat fotografie geen kunst is, ‘maar als iemand het wil inlijsten en ophangen vind ik dat prima’ (Oscar van Alphen, 1985). Van oorsprong waren de GKf fotografen echte reportage fotografen. Ze hadden altijd hard gewerkt om zichzelf te kunnen onderhouden en moesten het hebben van opdrachten. Toen de eerste fotografen van de Gerrit Rietveld Academie kwamen en meteen in de ‘kunst’-fotografie wilden beginnen was dit dus even slikken voor de oude GKf-ers . Van Alphen vertelt in zijn interview over de Rietveld Academie en ontwikkelingen in de moderne tijd (1985) zoals videoclips enz. Dat er veel is veranderd met betrekking tot beeld, maar dat de GKf er niet genoeg in mee is gegaan. Dolf Kruger heeft weer andere kritiek. Hij richt zich meer op het feit dat mensen die van een kunstacademie af komen en fotografie hebben gestudeerd, meteen in het ‘kunst’-hokje worden geplaatst. Hij heeft er bezwaar tegen dat het meteen kunst moet zijn. Hij verwacht dat fotografie nooit echt beeldende kunst wordt, je kunt het zo behandelen, maar het is het niet.

Aart Klein

Een tweede opvallend punt in de interviews is de eindeloos doorgaande discussie over de vraag of fotografie kunst is of niet. Aart Klein: “…ik ben sterk tegen een praatje bij een plaatje...” Er werden sterke uitspraken gedaan over of een

Zijn ideeën over de GKf zijn wel veranderd in de loop van de tijd. Toen er kunstfotografen bijkwamen veranderde er veel vertelt hij: “Tot dan toe hadden de meeste GKf-fotografen nog wel zo iets als betrokkenheid bij het maatschappelijke leven. Nou, toen ontstonden er wel heftige discus-


sies over de kunstfotografie en de reportagefotografie.” Lid worden van de GKf ging in de beginjaren heel anders dan nu. Voor de verplichte ballotage kwam je met je portfolio langs bij een van de leden thuis. Alle foto’s werden dan op de grond uitgespreid en alle aanwezige leden liepen er vervolgens tussendoor en overheen. In principe waren alle leden betrokken bij het balloteren. Voorwaarden die werden gesteld aan het lidmaatschap waren onder andere dat je links moest zijn. Dat was zeker in de beginperiode een absolute voorwaarde. Besnyö weet niet meer zo goed wie het zei, maar kan zich de uitspraak: ‘de enige goede fotografie, is linkse fotografie,’ nog goed herinneren. En verder was het vanzelfsprekend dat alleen fotografen die in de oorlog ‘goed’ waren geweest lid konden worden. De politiek heeft dus vooral in de beginjaren van de GKf een duidelijke rol gespeelt in de verenging. Maar zelfs in de jaren ‘80 zetten de linkse fotografen binnen de GKf de toon. De reportages over bedrijfsbezettingen zijn hier een voorbeeld van. De manier van ballotage veranderde in de jaren vaak, maar was lange tijd een gegeven bij het lid worden. Toch is de ballotage ook een periode weg geweest. De reden hiervoor was dat de vereniging wilde groeien om zo een belangrijkere plaats in de maatschappij veroveren. In 1974 is onder Pieter Boersma de ballotage

afgeschaft, maar werd in 1976 weer ingesteld. Kors van Bennekom wilde ongeveer rond 1970 de vereniging sterk laten groeien. De GKf zat erg krap bij kas, de contributie was erg laag en werd bovendien door weinig leden betaald. Met thema avonden, bulletins ledenvergaderingen-met-eten-na, ludieke acties, tentoonstellingen en federatie feesten trachtte het GKf bestuur de betrokkenheid van de leden te vergroten en meer leden te winnen. Omdat de GKf inmiddels wel uit 50 leden bestond moest er heel wat geregeld worden. Door te groeien zou er meer geld via contributie binnen komen en zou er een bureau opgezet kunnen worden. Ook vond later Frans de La Cousine het een té Amsterdamse club, er moesten meer leden komen uit de rest van Nederland. Je kon ook best een heel goede fotograaf zijn zonder uit Amsterdam te komen. Toch ging het houden van de ledenvergadering in andere provincies de meeste leden te ver. Ze vonden het te duur en te veel tijd kosten. “We waren zo’n kleine elite groep, dat moeten we niet willen zijn. We werden ook met de nek aangekeken, zo van dat zijn die aristocraten van de fotografie of zo iets, en toen zeiden we: laten we er een hele boel mensen inhalen. En toen hebben we gelijk, ja twintig leden aangenomen of zoiets, en van een aantal was dat volgens mij niet terecht. Maar het was echt de bedoeling. Wij zijn klein, we hebben daardoor weinig zeggingskracht, de mensen hebben daardoor een heel ander idee over ons, ze vinden ons veel te exclusief dat is echt niet de bedoeling en daardoor zijn we gaan uitbreiden en toen kwamen er later ook niet materi-

36


ele kwesties bij.” Besnyö Groeien als vereniging riep uiteraard vragen op over het behouden van de fotografische kwaliteiten binnen de GKf.

37

De criteria waarom iemand werd toegelaten zijn altijd een beetje vaag gebleven, vaak kwam het neer op intuïtie en gevoel, vertelt Frans de La Cousine die in 1976 lid werd en gelijk ook in het bestuur van de GKf kwam. In 1981 werd hij voorzitter en heeft zich in die functie lange tijd ingezet voor het ontwikkelen van kwaliteitsnormen en criteria voor de ballotage. Het is hem uiteindelijk nooit gelukt. Frans de La Cousine:“Als je die niet formuleert naar binnen, voor jezelf, met wat voor verhaal moet je dan naar WVC gaan en naar de Kunsten Federatie? Als je niet weet wat je wilt en wat er moet gebeuren, wat wil je dan gaan claimen? Dan kun je iedere keer wel weer aan de bel trekken van wij zijn er ook, maar je moet wel kunnen zeggen wie je bent”. Ook Sem Presser’s beeld van de GKf is dat er nooit echt een doelstelling of een karakter naar

voren is gekomen, maar dat er wel sprake was van een algemene sfeer van sociale belangstelling. Ook hij komt met het verhaal over het linkse gedachtegoed van de GKf, waar hij zich persoonlijk altijd tegen heeft verzet. “Als je als fotografen je organiseert dan moet je de politiek er buiten laten. Want politiek is politiek. Niemand is lid geworden van de GKf met de vraag; wat is je politiek overtuiging. Je kan dus niet zomaar, namens alle leden een politiek standpunt innemen.” In alle interviews wordt de fotografen voorgelegd of ze onderling concurrentie voelde. Iedereen zegt in eerste instantie nee, maar toch zaten er onderhuids vaak wel wrijfpunten. Het duidelijkste voorbeeld hiervan was de verhouding tussen Carel Blazer en Cas Oorthuys. ‘Carel vond dat Cas niet fair was…’, vertelt Eva Besnyö in haar interview: ‘…in die concurrentiestrijd heeft Carel hem dat ontzettend kwalijk genomen want wij hebben in de oorlog en voor de oorlog altijd Cas proberen te ondersteunen. Omdat hij een gezin had in en na de oorlog. Twee gezinnen zelfs en daardoor hebben we ook altijd geprobeerd hem dingen…. Ik heb hem opdrachten verschaft.’ In de interviews komt wel naar voren dat de fotografen geregeld voor de zelfde opdracht bij een opdrachtgever kwamen. Binnen de GKf probeerde ze om het geen rol te laten spelen tijdens vergaderingen of gemeenschappelijke projecten.

Sem Presser


Coppens geeft in dit artikel een eigen interpretatie van de geschiedenis van de fotografie. In het stuk over de jaren vijftig zegt hij: “vanaf rond 1950 krijgen we aardige, rustige, onschadelijk lijkende reportage fotografie die zo goed als niets laat zien. Niets over bijvoorbeeld woningnood of een Oost-Europees vluchtelingen probleem. Daarnaast zien we hoe de fotografie opnieuw gehanteerd worde als een kunstzinnig uitdrukkingmiddel, als een ‘fotografie omwille van fotografie’. Hieraan doen ook de GKf-fotografen mee.” Kors van Bennekom

Kors van Bennekom vertelt evenals de anderen dat de GKf-leden van oorsprong linkse mensen waren. Het was een elitair clubje en het waren de enige fotografen in Nederland die wat te fotograferen hadden. Ze waren naar hun eigen gevoel in die tijd dé fotografen. Ook Oscar van Alphen beaamt dit, de GKf was toch een linkse organisatie, maar Van Alphen vindt dat ze soms wel eens wat te ver gingen. Vooral bij Blazer zat de oorlog erg diep. Toch waren de leden niet vies van geld verdienen, vertelt hij. In dat opzicht viel het linkse wel mee. Veel van de leden werkten ook voor commerciële opdrachtgevers. In het GKf-bulletin nr. 1, van juli 1987 schrijft Jan Coppens een artikel over de GKf en de geschiedenis. Het artikel is onderdeel van een polemiek in het GKf-bulletin en het blad FOTO, tussen hem en Josephine van Bennekom en Tineke de Ruiter.

Dit verbaast Coppens waarbij hij verwijst naar een uitspraak van Wim Brusse die namens de GKffotografen in 1950 op een congres in Eindhoven oproept tot:“blijvend doordrongen zijn van het opsporen en openen van nieuwe perspectieven in de algemene strijd om omvorming van onze eigen wereld.” Deze uitspraak van Brusse was een van de weinige keren dat de GKf zo expliciet een mening ventileerde. In allerlei artikelen kom je wel vaak de mening van individuele leden tegen, maar het wordt nooit echt duidelijk waar de GKf nu staat. Zoals De La Cousine ook als constateerde.

38


39

Hoofdstuk 4: Hoe is het nu met het engagement binnen de GKf


In maart 1995 was er een discussie in het Amsterdams Centrum voor de Fotografie het ACF. Er wordt een beeld geschetst over de tegenstelling tussen de kunstwereld, die niet veel op heeft met harde nieuwsfoto’s, en de fotojournalisten die niets zien in foto’s van ‘bloemkoolblaadjes in een doos’. In het verslag over deze bijeenkomst in Hollands Licht 2/1995 schrijft redacteur Ton Hendriks dat hij niet veel snapt van de discussie. De tegenstelling is al oud, ongeveer zo oud als de fotografie zelf. In de 19de eeuw had je de documentaristen en de pictoralisten. Die laatste wilden volgens Hendriks kunst maken met fotografie en de documentaristen vonden het vastleggen van de werkelijkheid al fascinerend genoeg. Susan Sontag begon als een van de eersten met een frontale aanval op de vermeende ethiek van de fotograaf. “De fotograaf wil helemaal niet zo graag betrokkenheid tonen, hij wil zich de wereld toe-eigenen, voor zichzelf bezitten, al is het maar in de vorm van een beeld”. Haar kritiek werd door vele andere conceptueel ingestelde fotografen gedeeld, zoals Allan Sekula en Victor Burgin. De vraag is of deze kritische geluiden terecht zijn. Het lijkt erop alsof er twee kampen ontstaan binnen de documentaire fotografie. Aan de ene kant heb je de oude rotten die zich niet van de wijs laten brengen zoals: Ad van Denderen, Wubbo de Jong, Kadir van Lohuizen, Leo Erken. Jan Banning, en anderen.

Kadir van Lohuizen

Zij houden niet zo van de zware intellectuele discussies over de ondergang van de reportage, en volgens Hendriks ‘reizen zij gestaag voort over de ellendige aarde’. Aan de andere kant heb je Oscar van Alphen, die in het verleden de Capi-Lux Alblasprijs ontving en Koen Wessing die de prijs eerder al won. Van Alphen maakt zich al jaren kwaad over de achtergeblevKoen Wessing en houding van de fotografie in ons land. Hij ziet weinig perspectief in de manier waarop de documentaire fotografie functioneert en evenmin in sommige hedendaagse vormen. Tegenover de oude rotten, staan mensen als Wout Berger, Bart Sorgedrager, Sander Venema en misschien ook Taco Anema en Hannes Wallrafen die in hun vorm meer autonoom werken. Hendriks concludeert in zijn artikel dat er in Nederland weinig discussie is over de inhoud van de fotografie. Ook is er (te) weinig drang tot experimenteren. Hoewel dat volgens hem in 1995 al sterk aan het veranderen is.

Han Singels

40


41

Verschillende fotografen van de GKf, die ik heb geïnterviewd in het kader van mijn scriptie bevestigen dit tot op zekere hoogte. De discussie is wel enigszins veranderd, de vraag is nu meer of fotografie kan leiden tot kunst of dat het echt bedoeld is als kunst bij het maken van het beeld.

Als je dus wacht op de galeries en musea is de kans veel kleiner dat je er komt als fotograaf. Naar zijn mening kun je beter je nieuwsgierigheid uitbuiten door er midden in te springen en dus te beginnen als, wat Merlijn Doomernik (lid van de GKf) ‘fotoboer’ noemt.

Mensen als Han Singels, die in de jaren zeventig lid werd van de GKf, bijvoorbeeld vinden dat de fotografen vandaag de dag via de verkeerde kant binnen komen in de GKf. De kunstacademies zorgen ervoor dat veel beginnende fotografen meteen in de kunstwereld willen beginnen, in plaats van in de toegepaste fotografie.

Merlijn Doomernik, praat in dit soort termen over zijn vak in het interview met hem. Hij rekent zichzelf onder de categorie van fotoboeren en werkt dus heel veel voor veel verschillende opdrachtgevers. (Zie bijlage 2 voor interview Doomernik.)

Hij vertelt dat toen hij begon je gewoon via het harde werken voor kranten en tijdschriften jezelf moest profileren. Pas nadat je een naam had gevestigd, kon je misschien een keer een solotentoonstelling krijgen. Maar nu willen al die mensen van de academie meteen in een galerie hangen. ‘Dat is jammer’, zegt hij, ‘de wereld van de galerieën en musea is veel langzamer dan die van de kranten en tijdschriften’. Hij is van mening dat je als fotograaf maar een korte tijd in je leven kunt pieken.

In het artikel in het NRC Handelsblad van 26 september 2003, dat ik al eerder aangehaald heb, schrijft Hans den Hartog Jager dat fotografen luie schilders zijn. Volgens hem wordt het publiek overstroomd door een golf aan fotografie waardoor langzaam de indruk dreigt te ontstaan dat ieder plaatje al een zweem van artisticiteit bevat. En musea en galeries springen daar opportunistisch op in en proberen zo meer bezoekers naar hun exposities te trekken. Het provocerende artikel vraagt natuurlijk om een weerwoord (al genoemd in hoofdstuk 1) en dat komt van Frits Gierstberg en Ruud Visschedijk, resp. curator en directeur van het Nederlands fotomuseum. Zij stellen dat de kritiek van Den Hartog Jager op de fotografie hype ‘overkomt als van iemand die door de bomen het bos niet meer ziet en vervolgens de bomen daarvan de schuld geeft’. Vervolgens erkennen zij dat er sprake is van een zekere hype en dat daardoor kwaliteitscriteria dreigen onder te sneeuwen. Ook stellen zij dat fo-

Merlijn Doomernik


tografie opzich geen kunst is. Het is een medium, een middel dat op velerlei manieren kan worden ingezet en onder meer gebruikt kan worden om kunst te creëren. Den Hartog Jager zegt het met betrekking tot het afstuderen van een academie keihard: “Nu het de trend is om iedere sukkel met drie jaar kunstacademie, een Hasselblad en een goed werkende lichtmeter een solo-expositie te geven, degraderen galeriehouders en museumconservatoren de kunst tot een betekenisloos consumptiegoed.”

In het interview (december 2004) met Merlijn Doomernik leg ik hem voor dat de oude garde, in de interviews uit 1985 zegt dat het linkse gedachtegoed van de GKf, samen met de passie voor een relatief moeilijk vak, namelijk fotografie de verbintenis is tussen de leden. Hij vertelt dat dit waarschijnlijk nog steeds wel een beetje zo is. Het zou hem niet verbazen als het nog steeds voornamelijk fotografen zijn met linkse uitgangspunten die lid worden van de GKf.

Terwijl het tegenartikel van Visscherdijk en Gierstberg juist zegt: ‘fotografie is geen kunst’. Als ik deze uitspraken voorleg aan Han Singels is zijn reactie, dat je best drie jaar kunstacademie kunt doen zonder een sukkel te zijn. Maar moet je ook niet meteen denken dat je er dan bent, dat het dan meteen allemaal goed zit (zie bijlage 3 interview bijlage ACF). Wat Han zegt is dat je jezelf als het ware kunt opwerken binnen de fotografie en dat je uiteindelijk, als je het ambieert, wel kunstfotograaf kunt worden. Dan leid je werk dus in wezen tot kunst. Maar hij vind ook dat je niet zo van de academie kunt komen en denken dat je kunstenaar bent. Je kunt het wel worden. Naar mijn mening zit hij met deze opvatting eigenlijk een beetje in tussen wat Den Hartog Jager en wat Frits van Gierstberg en Ruud Visschedijk zeggen. Om maar bij de uitspraak van Sem Presser te blijven: “Het is een verrekte moeilijk vak, het is een rotvak”. Maar natuurlijk wel het leukste wat er is.

Daria Scagiola

Ik vroeg in een schriftelijk interview aan Daria Scagliola, lid van de GKf: “Kan volgens jou de GKf op dezelfde manier door blijven gaan, met dezelfde idealen en doelen als de afgelopen jaren en waarom wel/niet?” Zij antwoorden hierop: “De huidige doelen en idealen zijn mij niet duidelijk, volgens mij is het een vereniging die voornamelijk zich baseert op een verleden, die nu echt geschiedenis is geworden. De leden die dit deel van de geschiedenis hebben meegemaakt zijn bijna allemaal overleden en de jongere generatie heeft niet dezelfde saamhorigheid omdat zij deze niet nodig hebben.

42


deze fotografie een belangrijke plaats geven in de samenleving.” In een e-mail zegt Will van Iersel (ook lid van de GKf) over het engagement binnen de GKf het volgende: “Wat ik je duidelijk wil maken is, dat de GKf en het engagement een mythe is die menig lid graag aanhangt; zoiets als: ik ben lid van de GKf en daarmee een bevestiging van zijn of haar fotograafschap.” 43

Alex Ten Napel

Om die reden heeft de GKf (Lizet) vaak zo’n moeite om de leden tot een zekere actie te bewegen. Aan de andere kant het is een vereniging waar de, zoals ik ze noem, de ‘vuile eenzamen’, want dat zijn fotografen over het algemeen, blijkbaar een plek hebben. De andere federaties zoals de BFN worden bevolkt door voornamelijk mannen, die het vak op een heel zakelijke manier bekijken.” Aan Alex ten Napel, die pas sinds 2004 lid is van de GKf, vroeg ik waarom hij voor deze beroepsvereniging koos? “Door verbondenheid met andere fotografen voel ik me niet alleen bij het voor het voetlicht brengen van Nederlandse fotoprojecten en documentaires. Alle leden van de GKf werken naast hun fotografie ‘om hun brood’ te verdienen, ook aan eigen producties. Ze hebben een verhaal wat ze willen vertellen en dat spreekt me aan. Met de GKf wil ik

Will van Iersel

Ook zegt van Iersel in een e-mail: “De eerste twintig leden van de GKf (zo’n beetje alle toenmalig fotografen van Nederland) zaten samen aan tafel om vooral over fotografie, techniek en opdrachtgevers te praten. Volgens mij is er niet veel veranderd.” Reinier Gerritsen is 3 jaar voorzitter en zat 6 jaar in het bestuur, hij organiseerde menig tentoon-

Reinier Gerritsen


stelling. Ik vroeg hem het zelfde als Scagliola: kan volgens jou de GKf op dezelfde manier door blijven gaan, met dezelfde idealen en doelen als de afgelopen jaren en waarom? Hij antwoordde hierop: “Eigenlijk denk ik van niet, maar het ledental is stijgend, dus daar heb ik blijkbaar geen gelijk in.”

Juist de aspirant-leden staan voor de vraag wat de GKf nu te bieden heeft, vandaar dat zij als in eerste instantie uitgenodigd zijn. Uiteindelijk is de vraag rond gegaan of iedereen die binnen de GKf belangstelling had voor een dergelijk gesprek ook aanwezig wilden zijn, helaas komt daar weinig reactie op. In het kringgesprek dat plaats vond in het Amsterdams Centrum voor de Fotografie (ACF), zit ik om de tafel met verschillende aspirant-leden van de GKf.

Anne-Marie Trovato

Anne-Marie Trovato vroeg ik: vind je dat je eigen werk geëngageerd is? En in welk opzicht dan? Zij antwoordt: “Ja, voor mij was dit ook een duidelijke reden om juist van de GKf lid te worden. Ik laat het leven zien van mensen die het vaak minder hebben, sociale posities aan anderen overbrengen dus. Daarbij voel ik me ook betrokken bij mijn onderwerp.”

Amsterdams Centrum voor de Fotografie: (zie ook bijlage 3 voor de het hele stuk.)

Om meer duidelijkheid te krijgen over engagement binnen de GKf heb ik een kringgesprek georganiseerd met, in eerste instantie de aspirant-leden van de GKf.

De vraag vanuit de aspirant-leden is om hun namen niet te noemen. Ze hebben het gevoel dat ze nog bezig zijn met voor zichzelf uit te zoeken hoe zij tegenover de GKf staan. Ze hebben wel ideeën over de GKf, maar zijn bang dat ze iemand voor het hoofdstoten als zij nu een negatieve uitspraak doen terwijl ze daar uiteindelijk misschien wel weer van terug willen komen. We zitten in een zaaltje met op de achtergrond het eindexamen werk van Nancy Lee die in 2004 is afgestudeerd op St. Joost en die ik dus ook ken. We hebben eerst met elkaar afgesproken in het FOAM waar die avond een opening was. Van het FOAM zijn we naar de Bethaniënstraat gelopen. Ik ben zelf wat onzeker over of er nog meer mensen komen dan het viertal dat wij nu vormen. Uiteindelijk zou blijken dat het bij dit gezelschap blijft. We zijn dus met zijn vieren. Twee aspirant-leden, fotograaf Han Singels (geb. 1942) en ik. Han Singels ken ik al van mijn stage en sindsdien hebben we zo nu en dan contact. Ik kan het goed met hem vinden.

44


Ik leg mijn gezelschap de vraag voor of ze denken dat de GKf een beschermer kan zijn van kwaliteit binnen de fotografie. Eerder vertelden de aspirant-leden mij dat ze vinden dat er bij de GKf ook hobbyfotografie te vinden is.

45

Han Singels

-Han Singels begon als vormgever en fotograaf bij de Nieuwe Linie. In 1975 verhuisde hij naar De Groene Amsterdammer. Jarenlang was hij de beeldbepalende fotograaf van dit weekblad. Als ‘sociaal fotograaf’ richtte Singels zich vooral op maatschappelijke onderwerpen zoals arbeidsverhoudingen. Midden jaren tachtig stopte hij met het jachtige ‘krantenwerk’ en werkt sindsdien als freelancer voor uiteenlopende opdrachtgevers. Met zijn afgewogen en beschouwelijke werk mag Singels een ‘klassiek fotograaf’ genoemd worden. Zijn stijl is documentair van aard zonder dat het feitelijke karakter ervan ten koste gaat van het visuele en artistieke gehalte. In NRC Handelsblad (2000) merkte hij over zijn werkwijze op: “Je verliest je bij een onderwerp maar al te gemakkelijk in het uitzonderlijke en het theatrale. Maar daarmee doe je het geen recht. Want het gaat over leven, over wat er is, en niet over wat je daar als fotograaf voor moois van kunt maken.” Hoewel de toon van zijn werk in de loop der jaren is veranderd, is de documentaire inslag ervan onmiskenbaar gebleven. “Ik ben er nu eenmaal van overtuigd dat goede fotografie van nature conservatief is. Alleen dan behoudt het ook na jaren zijn kracht”, aldus Han Singels .-16 16 /www.digischool.nl/ckv1/film/beach/han_singels.htm

Beide aspirant-leden zijn het er over eens dat het weldegelijk een taak is van de GKf om aan kwaliteitsbewaking te doen. Maar vinden ook dat om te beginnen de hand eigen boezen gestoken moet worden. Eén van hen zegt: “Misschien moeten ze zelfs onderscheid maken tussen leden die nog actief in de fotografie zijn en de mensen die niet meer actief zijn. Misschien moeten ze de niet actieve leden een soort erelid maken ofzo.” Dit komt bekend voor, 1985 verzuchte een gedesillusioneerde Frans de La Cousine al dat het hoog tijd werd om te omschrijven waar de GKf voor staat en wat het begrip kwaliteit zou moeten inhouden. Blijkbaar is er in die twintig jaar nog niet zo veel veranderd. (zie bijlage 1) De aspirant-leden vinden dat de GKf vaak niet genoeg te herkennen is als ze deelneemt aan initiatieven en dat ze daarom ook vergeten wordt. De beide leden hebben ook zo hun vraagtekens bij de uitwerking van initiatieven. Áls de GKf dan al iets doet, komt het er niet echt uit vinden zij. Eén van de leden vindt dat je toch juist lid wordt van een bepaalde vereniging om wat ze nu doen. Als je als ‘jonge’ fotograaf aan het begin staat van alles, dan wil je wel weten waar een verenging voor staat. Als dat niet meteen duidelijk is, hoop je dat te ontdekken als je aspirant lid wordt. Maar in de beleving van beide leden is het nog steeds


onduidelijk. Han Singels vertelt over de strijd die de GKf heeft gevoerd in de jaren ‘60 en ‘70 met betrekking tot zaken als een beleid betreffende fotografie en bijvoorbeeld subsidies. “Het is toch wel belangrijk je dat te beseffen.” Toen hij lid werd stond hij ook voor de vraag: ‘wat moet ik ermee’. Hij is van mening dat een club uiteindelijk toch gemaakt moet worden door haar leden. Dat geldt voor elke club. Of het nu een voetbalvereniging is of een fotoclub. “Een vereniging moet een gezellige club zijn. Of de GKf een geslaagde club is heeft dus niets te maken met het bestuur, maar met de leden. Je moet binnen zo’n club je organiseren in groepjes. Mensen die je aanspreken om je heen verzamelen”, zegt Han. “Het is niet meer zoals vroeger, toen we als collectief moesten vechten voor een plek in de maatschappij”. De uitspraken van Han leidden tot een discussie. Met zijn vieren concluderen we dat contacten met andere leden van de GKf toch een beetje moeten groeien. Fotografen zijn over het algemeen heel erge individualisten, er is een grote desinteresse. Je moet toch maar proberen om iets op te bouwen met de mensen die je bij elkaar krijgt. Het is toch even zoeken hoe je met een verenging omgaat. Er is geen logica in hoe je ermee omgaat. Op het moment is het toch voornamelijk een gezelligheidsvereniging, waar goede fotografen bij zitten, maar waar ook hobbyfotografen tussen zitten. Han vindt dat we het gewoon puur egoïstische moeten bekijken. “Je haalt er gewoon uit wat er voor jou uit te halen is. En daarom zullen verschil-

lende fotografen ook verschillende motivaties hebben om lid te zijn,”. We komen nu bij de vraag wat het gezelschap vindt van de GKf op dit moment. Alledrie denken ze dat de GKf nog steeds een imago heeft dat gebaseerd is op de documentaire traditie. Autonome fotografie wordt nog steeds niet zo direct vertegenwoordigd. Vooral de aspirantleden denken dat de krantenjongens, om ze zo maar te noemen, het toch nog steeds makkelijker hebben bij de GKf dan de autonome fotografen. Daarbij vinden zowel de aspirant-leden als Han, dat meespeelt dat de grens tussen autonome fotografie en documentaire fotografie steeds vager begint te worden. Agentschappen als Solar dragen hieraan bij, zegt een van de aspirant-leden. Solar is een agentschap dat fotografen die over het algemeen uit de artistieke hoek komen, inzet voor commerciële doeleinde. Met zijn vieren hebben we een korte discussie over de vraag of bijvoorbeeld Bertien van Manen nu een documentaire fotografe is, of een autonome. Han vindt haar gewoon een goede fotografe. Eén van de aspirant-leden vind haar meer een autonome fotograaf, omdat zij met haar eigen projecten bezig is en doet wat zij zelf wil: ze vaart haar eigen koers zonder opdrachtgever die haar vertelt wat ze moet doen. Hieruit blijkt weer hoe moeilijk het is een strakke grens te trekken tussen de verschillende disciplines. Sociale betrokkenheid vinden wij alle vier toch nog

46


steeds wel belangrijk. Alle vier verbinden we dit toch nog steeds aan de documentaire fotografie. Maar wel hebben we het gevoel dat die sociale betrokkenheid niet meer zo erg te vinden is binnen de GKf.

47

De twee aspirant-leden hebben toch het gevoel dat als je jezelf wilt verenigen, je dat beter kunt doen met mensen die je kent, waar je al een band mee hebt, waar je naar wil en kan luisteren. Han vertelt dat van oorsprong dat bij de GKf ook zo was. “…dat je elkaar tegen kwam op straat en dat je zo langzamerhand bedacht van, ‘hé misschien is het leuk om me te verenigen met die mensen, want die spreken mij aan, die vind ik aardig’”. “Nu ontmoet je mensen op een academie en daar bouw je al iets mee op”, zegt een van de aspirant-leden. “Dus is de drempel veel lager om te zeggen, met die mensen heb ik iets, daar wil ik me mee verbinden”. Een van de laatste vragen gaat over de toekomst. Is er nog een toekomst voor de GKf? Han vindt dat dingen in de tijd staan en dat je er dus ook zo naar moet kijken: “…maatschappelijke betrokkenheid is wel een verbinding tussen al die individualisten die zichzelf fotograaf noemen, omdat het over het algemeen heel aardige mensen zijn, ‘betrokken halve zolen’. Dat is dan ook wat de GKf bindt en zolang er mensen zijn die zo in het leven staan moet de GKf kunnen blijven bestaan”. Toch geeft hij toe dat het een grote club is en dat niet iedereen daarvan lid hoeft zijn. Je kunt best een eigen clubje mensen zoeken en je daarmee verenigen. Binnen de GKf kan je dat ook doen, een eigen clubje vormen met mensen die je aanspreken.

De aspirant-leden hebben hierbij wel de nodige vraagtekens. Zij blijven zitten met het gevoel dat de GKf te weinig te bieden heeft. De contributie is hoog voor een beginnende fotograaf. Nieuwe mensen zoeken binnen de club kost tijd en energie, terwijl ze om zich heen al hun eigen mensen hebben verzameld waar ze het goed mee kunnen vinden. Het stoffige imago helpt ook niet echt, vinden ze. Beide aspirant-leden vertellen dat ze lid zijn geworden om eens te kijken hoe het in zijn werk gaat bij de GKf. Eén van hen vertelt als motivatie om lid te worden, dat het toch een eer is om je aan te mogen sluiten bij een vereniging waar grote voorbeelden (als Eva Besnyö) lid van zijn geweest. Toch vinden beiden leden dat ze er te weinig van het lidmaatschap profiteren. Wat ze allebei als heel positief hebben ervaren tijdens hun (aspirant)lidmaatschap, zijn de lezingen tijdens aspirant-avonden. Dat vonden beide leden heel erg inspirerend. Het verhaal horen van andere fotografen en hun werk bekijken. Dat zien beiden ook als een belangrijk punt waar de GKf een grote rol in kan spelen. Het organiseren van avonden waarbij de aspirant-leden in contact komen met de vaste leden van de GKf.


48

Foto van Rieneke Dijkstra, GKf lid


Conclusie 49


In het voorgaande heb ik geprobeerd een overzicht te geven van de ontstaansgeschiedenis van de Gebonden Kunsten federatie: GKf. Een naam die vrijwel meteen toen de fotografen zich afscheidden van de Kunsten federatie beperkt werd tot de afkorting: GKf.

De complexiteit blijkt al uit het boek Positions Attitudes en Actions, dat is verschenen bij de Biënnale in Rotterdam in 2000. Een bijna 400 pagina’s dik boek beschrijft welke vormen van engagement er zijn te onderscheiden en hoe deze van toepassing zijn op de loop van onze geschiedenis en op de toekomst. Het engagement van de GKf-leden van het eerste uur is voor een belangrijk deel gevormd door de Tweede Wereldoorlog. De insteek was uiterst links en dat uitte zich vooral in de jaren eind zestig, zeventig en begin jaren tachtig in een zeker maatschappelijk verzet en actiegerichtheid, betrokkenheid of zelf identificatie met de underdog.

Pieter Boersma

Gebonden Kunsten federatie wordt eigenlijk nooit meer gebruikt. Tot op de dag van vandaag is er discussie over het kleine f-je en het feit dat de F van fotografie niet in de naam voor komt. Om antwoord te geven op de vraag naar engagement binnen de GKf, gesteld in deze scriptie, heb ik een literatuuronderzoek gedaan, een aantal oudere interviews met leden van het eerste uur gelezen en heb zelf interviews gehouden met leden van nu en een kringgesprek georganiseerd. Een van mijn conclusies in het onderzoek naar de maatschappelijke betrokkenheid van de GKf fotografen is dat het begrip engagement een complex geheel is. Er zijn veel soorten engagement te onderscheiden en het is een tijdgebonden begrip.

In de tweede helft van de jaren tachtig en de jaren negentig ontstaat er toch een soort splitsing tussen een groep nog steeds uiterst linkse fotografen en een groep fotografen die zoekt naar andere artistieke oplossingen om hun boodschap uit te dragen. Deze laatste groep lijkt de sociale documentaire te vervangen door de aandacht voor de eigen sociale omgeving. “Niet de behoefte om te getuigen over onrecht in de wereld, maar individualisme en pragmatisme lijken de toon te zetten.” 17 Dit laatste is van toepassing op de gehele Nederlandse fotografie, maar geldt eveneens voor de GKf-leden. Met betrekking tot de gehele Nederlandse fotografie is een aardig detail dat, de GKf-leden van de begin jaren zichzelf, als clubje van een man of 10, beschouwden als dé fotografen van Nederland. 17 Loek van der Molen, directeur Nederlands foto museum, boek Positions Attitudes Actions

50


Zij vonden dat zij de enige echte fotografen waren. Zowel wat betreft het engagement, de politieke kleur van de groep, als de artistieke kwaliteit. Op deze gedachte heeft men binnen de GKf lange tijd geteerd.

51

Voor veel aspirant-leden was dat imago van de GKf een van de redenen om lid te willen worden. Een andere reden was dat men zich wilde verenigen met mensen die op de zelfde manier over fotografie dachten, samen sterk staan tegenover de buitenwereld. Naarmate de jaren verstrijken raakt de oorlog meer en meer op de achtergrond. Voor jonge leden is de oorlog en een linkse politieke stellingname niet langer Foto van Roy Lee, GKf Lid meer een directe reden om lid te worden van de GKf. Eind jaren zeventig ontstaan nieuwe doelen met betrekking tot de positie van fotografie in Nederland. De GKf is klein, volgens het bestuur te klein om echt een vuist te maken. Wel willen ze een sterkere positie in de kunstwereld. Volgens veel van de mensen die in 1985 geïnterviewd zijn was de enige manier om sterker te worden, te groeien en dus meer leden aan te nemen.

Hij zegt in een interview: “…als je die niet formuleert naar binnen, voor jezelf, met wat voor verhaal moet je dan naar WVC gaan en naar de Kunsten Federatie? Als je niet weet wat je wilt en wat er moet gebeuren, wat wil je dan gaan claimen? Dan kun je iedere keer wel weer aan de bel trekken van wij zijn er ook, maar je moet wel kunnen zeggen wie je bent”. Het is hem echter nooit gelukt om dit van de grond te krijgen. Toen de La Cousine afscheid had genomen van het bestuur en alleen nog maar lid was van de GKf, voelde hij zich behoorlijk gedesillusioneerd. In een interview zegt hij over hoe hij uiteindelijk is vertrokken als bestuurslid: “Ik wil niet klagen, maar het was wel pijnlijk. Gebrek aan fatsoen.” Hij is nooit echt bedankt voor alle moeite die hij heeft gedaan bij zijn pogingen om de GKf mee te laten gaan met de tijd. Ondanks dat de La Cousine geen duidelijke beleidslijn met betrekking tot de GKf van de grond kreeg, bleef de GKf groeien. Om de groei te versnellen wordt de Ballotage zelfs nog een tijdje afgeschaft. Volgens sommige leden ging dit ten koste van de kwaliteit.

Maar door de aanwas van nieuwe leden ontstond er ook behoeften aan een betere omschrijving van de doelstellingen van de GKf en een andere manier van ballotage. Iemand die dit duidelijk verwoorde was Frans de La Cousine, bestuurslid van de GKf eind jaren zeventig, begin jaren tachtig.

Foto van Rogier Fokke, GKf Lid


Een voordeel van de groei was dat er meer financiële middelen ter beschikking kwamen, waardoor de vereniging een eigen kantoor kon oprichten en zich verder kon professionaliseren.

Met deze maatschappelijke ontwikkelingen veranderen ook de interesses van de fotografen in Nederland. Ze keren zich naar binnen en hun eigen leven wordt onderwerp voor hun fotografie.

Wel ging de GKf zich steeds meer bezig houden met het belangenbehartigen en het verkrijgen van subsidies. Dit riep echter ook weer kritiek op bij een deel van de leden, omdat het vriendschappelijke samenkomen hiermee onder druk kwam te staan.

Men gaat zich bezig houden met gearrangeerde fotografie en ook de fotomanipulatie wordt belangrijker. Het engagement lijkt meer en meer op de achtergrond te geraken. Een aantal fotografen, zoals Ad van Denderen, Bertien van Manen en Kadir van Loohuizen zoeken het sociale engagement nog elders in de wereld en op veel kleinere schaal in Nederland.18

In de jaren zeventig en tachtig worden de kunstopleidingen als de Gerrit Rietveld Academie, steeds belangrijker en wordt een hele nieuwe lichting fotografen losgelaten in de Nederlandse fotografie. Deze fotografen van de academies kregen meteen het labeltje kunstfotografen. Er ontstond een heftige discussie tussen de kunstfotografie en de reportagefotografie. Ook de GKf moest eraan geloven en ook zij raakte verdeeld.

En hoe is het nu met het engagement binnen de GKf ?

Na het houden van een aantal interviewers en mijn eigen onderzoek kom ik tot de conclusie dat de vereniging als zodanig niet langer een ‘geëngageerde vereniging’ is.

De kunstacademie opleidingen in Nederland hadden ook tot gevolg dat het aanbod aan ‘goede’ fotografen groter werd. Deze fotografen wilden niet meer allemaal bij de GKf horen. Zij kozen ervoor om zelf op eigen benen te staan of zich aan te sluiten bij andere collectieven. De GKf verloor haar exclusiviteit met deze ontwikkelingen. Midden jaren tachtig, de periode waarin de interviews zijn gehouden die in de bijlagen staan samengevat, zet de individualisering steeds verder door. De maatschappelijke onderwerpen waar men in de jaren zeventig nog zo hard voor had gevochten, zijn behaald en vragen niet meer zoveel aandacht.

Reinier Gerritsen

Wel zijn er nog altijd individuele leden die vinden dat ze niet zonder een mate van betrokkenheid tot beeld kunnen komen. Zoals Anne-Marie Trovato dit bijvoorbeeld al in hoofdstuk 4 aangeeft. Ook noemen ze vaak nog andere leden binnen de GKf 18 Rik Suermondt, `Het sociale aspect van de tijd, engagement in de naoorlogse Nederlandse fotografie´, in Positions Actions Attitudes, Rotterdam 2000 pp. 291-330

52


die naar hun mening geëngageerd zijn. Namen als Kadir van Lohuizen en Ad van Denderen worden in dit verband veel genoemd. De meeste leden zijn niet of nauwelijks actief binnen de verenging. In het interview wat ik hielt met Daria Scagliola, lid van de GKf, wordt deze conclusie verwoord: volgens mij is het een vereniging die voornamelijk zich baseert op een verleden, die nu echt geschiedenis is geworden. 53

De leden die dit deel van de geschiedenis hebben meegemaakt zijn bijna allemaal overleden en de jongere generatie heeft niet dezelfde saamhorigheid omdat zij deze niet nodig hebben. Om die reden heeft de GKf (Lizet) vaak zo’n moeite om de leden tot een zekere actie te bewegen. In mijn onderzoek bleek het verleden van de GKf nog steeds voelbaar. Het blijkt toch dat, Foto van Maarten Brinkgreve, GKf Lid als je lid wordt van de GKf, het een eer is dat je bij die club mag horen. Een club waar ooit al die grote namen binnen de fotografie bij hoorden. Na zestig jaar hangt dat gevoel nog steeds rond de GKf. De belangrijkste reden om lid te worden is voor veel fotografen dat ze het een goede club mensen vinden. Voor een deel is het een vriendenclub, dat wordt vaak genoemd. Dat was het natuurlijk van oorsprong ook al zo. Mijn observatie is dat de jonge generaties het niet

zullen zoeken binnen de GKf. De huidige GKf is onbekend en voor zover wel bekend wordt zij gezien als een stoffige club. Er is niet veel duidelijkheid over wat zij nu doen. Dit is vooral gebleken uit het interview wat ik heb gehouden in het ACF. Wel is er blijkt onder andere door wat Reinier Gerritsen zegt dat er nog steeds veel aanwas is. Ik vroeg hem: Kan volgens jou de GKf op dezelfde manier door blijven gaan, met dezelfde idealen en doelen als de afgelopen jaren en waarom? Hij antwoordde: “Eigenlijk denk ik van niet, maar het ledental is stijgend, dus daar heb ik blijkbaar geen gelijk in.” De aspirant leden die ik gesproken heb, die dus een jaar of twee hebben meegekeken weten nauwelijks wat de GKf doet of wat ze in het verleden hebben gedaan voor de Nederlandse fotografie. Dat is een slechte zaak. Dat je geen promoteam de staat opstuurt kan ik wel begrijpen, maar als je jonge aspirant-leden niet eens duidelijk laat weten wat de GKf doet en wat zij hebben gedaan lijkt me dat geen goede zaak. Ik vind het jammer dat de contributie voor jonge leden zo hoog is. En dat het dus niet zo toegankelijk is om lid te worden. Toch denk ik wel dat ze ook niet iedereen moeten aan nemen en de ballotage moeten opheffen. Maar wat de aspirant-leden al zeiden en waar ik het wel mee eens ben, is dat er ook mensen binnen komen via vriendjes politiek, die gewoon gevraagd worden en dan denken, ja, dat is best. Dat zouden ze eindelijk niet moeten doen. De motivatie is dan heel laag om enige actie binnen de club te ondernemen, denk ik.


Als belangenvereniging lijkt de GKf weinig te bieden. De organisatie is slecht bereikbaar, duur en nauwelijks bekend in de buitenwereld.

foto van Corine Noordenbos, GKf lid

De aspirant-leden zeggen zelfs: “Misschien moeten ze zelfs onderscheid maken tussen leden die nog actief in de fotografie zijn en de mensen die niet meer actief zijn. Misschien moeten ze die niet meer actief zijn een soort erelid maken ofzo.” Dat vind ik moeilijk om te hier iets over te zeggen en weet niet of ik het daar nu zo mee eens ben. Han Singels denkt dat deze, veelal oude fotografen, dan gewoon hun lidmaatschap opzeggen. Dat vind ik persoonlijk dan ook wel weer zonde. Je kunt juist ook veel leren van de oudere generatie, als je met ze gaat praten. Als ze dan op dit moment niet meer zoveel, of zo goed fotograferen is dan niet belangrijk. Zij hebben ervaring. Ik heb mij, tijdens het maken van deze scriptie geregeld afgevraagd: ‘zou ik nog lid willen worden van de GKf?’ Als ik straks afgestudeerd ben, wat heb ik dan aan deze club mensen? Dit even los van alle andere collectieven die natuurlijk ook een belangrijke plaats in nemen in de Nederlandse fotografie.

De meeste opdrachtgevers zullen ook niet onder de indruk zijn als je zegt dat je lid bent van de GKf. Wellicht dat in de sfeer van de ‘kunstfotografie’ de naam GKf nog wat deuren kan openen. De leden die ik heb gesproken zijn aardige, toegankelijke mensen, die open staan voor jonge mensen, maar je moet wel een ingang hebben wil je ze leren kennen. Heb je die ingang eenmaal gevonden dan kun je als jong, aankomend fotograaf natuurlijk veel leren van mensen die al jaren professioneel met het vak bezig zijn. Overigens hebben veel fotografen de neiging om erg individualistisch te opereren. Ook ik zie, net als de aspirant-leden uit hoofdstuk 4 het toch nog steeds wel als een eer, als je erbij zou mogen horen. Er hangt toch nog steeds wel iets in de lucht van, ‘die GKf daar zit kwaliteit’. Of dit nu op traditie of op feiten is gebaseerd maakt me dan ook niet zoveel uit. Gevoelsmatig zou ik er nog steeds wel bij willen horen. Op het gebied van engagement zou ik zeggen dat ze op dit moment niet meer te bieden hebben dan andere collectieven. Wel concludeer ik dat je bij de GKf eerder kans hebt om maatschappelijk bewuste mensen tegen te komen dan bij bijvoorbeeld de NvF. Het is mij opgevallen dat onder jonge fotografen, zoals mijn medeleerlingen van de academie, maar ook de aspirant leden van de GKf, een behoefte

54


aanwezig is om zich te verenigen. Bij voorkeur in een collectief dat toch een zekere mate van maatschappelijk engagement kent. Ik denk ook dat de tijd er weer rijp voor is. In de tweede helft van de jaren tachtig en de jaren negentig is die behoefte een tijd lang helemaal weggeweest, maar sinds het aanbreken van het nieuwe milenium lijkt deze weer terug te komen. 55

Als reactie op de huidige ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving ontstaat een vraag naar nieuwe vormen van saamhorigheid. Voorbeelden van deze ontwikkelingen zijn de ingezakte economie, de sterke opkomst van de islam, het geweld tegen bekende mensen zoals Theo van Gogh. Maar ook natuurlijk het economische- en cultuurbeleid van de huidige overheid. Die herleving van behoeften tot verenigen zou een nieuwe toekomst kunnen betekenen voor de GKf. Maar dan moeten ze die doelen wel duidelijker onder woorden gaan brengen. Met duidelijke actiepunten zoals, bijvoorbeeld: ‘wij zijn voor behoud van subsidies op fotografie’. Dat zou al een reden kunnen zijn voor fotografen om zich aan te sluiten. Houdt er een forum over op de site. Presenteer het als stelling en laat mensen erover in discussie gaan. De Gkf heeft in mijn ogen, voor het opbouwen van een netwerk binnen de fotografie wel een functie.

Aanbevelingen:

Na het onderzoek wat ik gedaan heb, wil ik bekijken of ik een aantal ideeën kan bedenken die wellicht de GKf kunnen helpen om haar imago wat op te poetsen.

Om te beginnen zouden leden met een gevestigde reputatie regelmatig langs de Academies moeten gaan. Zoals de aspirant-leden ook al vertelden, een lezing kan echt heel erg inspirerend werken. Stuur een GKf fotograaf, of een paar, naar een Academie en laat ze gewoon eens vertellen waar ze mee bezig zijn. Houdt clinic’s, lezingen of workshops. Dan zullen de studenten uiteindelijk een veel levendiger beeld kijken van de leden van de GKf en dus van de vereniging. Ook met tentoonstellingen zou de vereniging er goed aan doen om wat meer de publiciteit op te zoeken en zichzelf wat meer te profileren. Je zou ook ‘visuele tentoonstellingen’ kunnen opzetten via het internet. De website. Ik heb gehoord van Will van Iersel dat de vereniging op het moment bezig is met het GKf kwartaalschrift over fotografie: Hollands Licht, te digitaliseren en op het Internet uit te brengen. Ik weet niet of dit klopt, maar het lijkt me een heel goed plan. Maak het toegankelijk voor iedereen in plaats van een duur blad uit te geven wat alleen de mensen die de GKf al kennen kopen. De huidige Internet site van de GKf vind ik niet goed. Hij is te klassiek en draagt juist bij aan het stoffige imago van de GKf. Een vlottere site met stukjes over de fotografen en met duidelijke statements over wie ze zijn, zal het imago probleem zeker tegen gaan. Ook een forum op de site, of chatsessies met prominente leden zou denk ik leuk zijn. Een plek waar mensen via het Internet in discussie kunnen gaan over fotografie. Zo kan de GKf ook bijhouden


waar vraag naar is en wat ze ermee kunnen doen. Ook zullen misschien leden die niet vaak naar de vergaderingen komen het wel leuk vinden om via een forum in discussie te gaan, gewoon vanuit hun eigen studio of huis. Zo creĂŤer je misschien meer betrokkenheid naar de vereniging toe. Wat betreft het engagement denk ik dat de vereniging er goed aan doet om wel leden te blijven aantrekken die in ieder geval wel meer met en van de GKf willen, dan alleen een beroepsvereniging. Mensen die uiteindelijk wel belang zien in een visie over de maatschappij om zich heen zoals, bijvoorbeeld Anne-Marie Trovato of Alex ten Napel dat belangrijk vinden. Maar laat dit dan ook zien, vertel dit aan de nieuwe generaties zodat die zien wat er te vinden is bij de GKf.

Anne-Marie Trovato

56


Bronvermelding 57


1. Mirrors and Windows, America photography since 1960, John Szarkowski, Museum of modern Art, New York, Distributed by New York Graphic Society, Biston 1974 2. Position Attitudes Actions, Engagement in de fotografie, Social and Political commitment in photography, Foto Biëneale Rotterdam 2000. Editor Frits Gierstberg. 3. Sociale fotografie, Studium generale, zomer 1982 / Rijksuniversiteit Groningen. Uitgeverij en Boekhandel Van Gennep B.V. 4. Vijftig Jaar fotografie GKf 1945-1995, tekst Jospine van Bennekom, uitgeverij De Verbeelding Amsterdam 1995. 5. Artikel Noem het alsjeblieft geen kunst, door Frits Gierstberg en Ruud Visschedijk, curator en directeur van het Nederlands fotomuseum.

van Bennekom, Frans de La Cousine en Aart Klein. 10. Teksten van Robert Leggat, 1999 internet bronnen met betrekking tot fotografen als Lewis Hine en Dorothea Lange. 11.

Kunsthal archief Rotterdam

12. GKf-bulletin nr. 1 juli 1987, tekst van Jan Coppens Eindhoven 29 december 1986. 13. GKf-bulletin nr. 4 November 1986, tekst van Josephine van Bennekom en Tineke de Ruiter 14. GKf-bulletin nr. 3 Juli 1986, tekst van Josephine van Bennekom 15.

GKf-bulletin maart 1984

16. De ogen van de GKf, voorwoord door Ton Hendriks onder het zwarte doek.

6. Artikel Luie schilders, NRC Handelsblad vrijdag 26 september 2003, door Hans den Hartog Jager

17. Photography: Acritical introduction, second editions, edited by Liz Wells 2000, London en New York. Photography as Art.

7. Artikel ‘Ik houd niet van ensceneren’, door Ton Hendriks Hollands Licht 2/1995, GKf kwartaalschrift over fotografie. Drukkerij de Raddraaier, Amsterdam.

18. Photoresearcher, Issue Number One, October 1990, Documentary Photography and Social Change, by Ross Murray

8. Doctoraalscriptie rijksuniversiteit Groningen, door Bernike Pasveer Groningen Amsterdam juli/augustus 1985, Dat de dingen nooit zwart of wit zijn. 9. Interviews gehouden door Josephine van Bennkom en Tineke de Ruiter gehouden in 1985 en 1986, interviews met: Eva Besnyö, Ad Winding, Sem Presser, Oscar van Alphen, Dolf Kruger, Kors

19. NRC Handelsblad, Maart 2000 Van engagement tot infotainment door H.J.A. Hofland 20. Noorderlicht 1995 GKf, 50 Jaar van toekomst, interview. Internetbron. 21. Frits Gierstberg, De kunst van het beschrijven voorbij: ontwikkelingen in de documentaire fotografie in stilstaande beelden. Ondergang en

58


opkomst van de fotografie, Amsterdam 1995. 22. Allan Bullock (red.), The Fontana Dictionary of Modern Thought, London 1980, p. 205 23. Documentaire fotografie, Life de Fotografie, Time-life international (Nederland) B.V. 5de druk 1980.

59

24. De Nieuwe Fotografie in Nederland, Kees Broos en Flip Bool, 1989 Fragment Uitgeverij Amsterdam. 25. 150 jaar Fotografie, Mattie Boom, Rijksdienst beeldende Kunst, SDU uitgeverij, ’s-Gravenhage 1989 26. Fotografie Compact, Dave Yorath, Atrium, Alphen aan de Rijn 27. W. Eugene Smith, Aperture Masters of Photography, Könemann, New York 1999 28. 100 x Foto, 100 Foto’s uit de collectie Stedelijk Museum Amsterdam, Uitgeverij THOTH Bussum 1996 29. Icons, Fotografie van de 20ste eeuw Museum Ludwig Keulen, Taschen Keulen 2001. 30. Rik Suermondt, `Het sociale aspect van de tijd, engagement in de naoorlogse Nederlandse fotografie´, in: Positions Actions Attitudes, Foto Biënale Rotterdam 2000 pp. 291-330. Social and Political commitment in photography.


60


Bijlage 1: interviews 1985/86 61


Aart Klein, interview op 24 oktober 1985:

“Wij zijn dus een stel vrij harde, links gerichte fotografen geweest. Dat is de oprichting geweest en wij hebben dus een manier van fotograferen gehad en dat vind je in de foto’s van Carel Blazer en van Eva Besnyö ook, maar we begonnen allemaal met reportage fotografie. En de laatste tijd is daar een tendens ingekomen, ook bij de ballotage van mensen die gewoon goede foto’s maken. Dan gaat het naar, zegt men dan, kunst. En fotografie dat hoeft geen kunst te zijn. Het is fotografie.” “Maar ik bedoel, binnen de GKf is er nu zo’n stroming van -en die zijn ook aangetrokken hoorjongens die echt heel goed fotograferen, maar die met reportage of publicaties nauwelijks iets te maken hebben. En ja, daar is denk ik het klimaat heel moeilijk voor in Nederland, om nou ja, je brood er in te verdienen. Maar er zijn op het moment eigenlijk twee groeperingen. Dat is heel duidelijk.” Klein doelt met deze twee stromingen op de reclamefotografie en de reportagefotografie (dit wel in zijn tijd). Hij noemt bij de reclamefotografie Paul Huf, die hij een typisch iemand noemt. Bij de reportagefotografie noemt hij Dolf Kruger. Klein vertelt dat de kracht van de GKf in eerste instantie toch is geweest dat ze allemaal begonnen zijn als reportagefotografen. Wat nieuw was, was dat ze op een gegeven moment niet langer, bijvoorbeeld in de fabrieken alleen de machines fotografeerden, maar ook de mensen die daar werkten. De GKf heeft een heel grote invloed gehad in die

verandering, dat was heel bijzonder, aldus Aart Klein. Toen het interview met Aart Klein werd gehouden waren er al veel nieuwe fotografen bij de GKf gekomen waarvan ook veel geen reportagefotografen meer waren. Op zichzelf heeft hij daar geen moeite mee. Maar wel zou hij het vervelend vinden als dat soort nieuwe fotografen het beleid zou gaan bepalen. Klein vertelt dat hij een goede kant van de GKf vindt, dat hij ooit is opgericht door mensen uit het verzet, die uit de oorlog kwamen en gewoon dingen meegemaakt hadden en daardoor een soort vriendenkring waren, een verbondenheid hadden. “Dat is heel erg bepalend geweest.” Ook waren het mensen die dezelfde ideeën hadden over fotografie. Volgens Klein is dat op dat moment (midden jaren ’80, RvG) wel aan het veranderen. Er is een scheiding der geesten aan het ontstaan, zo verklaart hij. Klein wordt niet meteen vanaf het begin lid van de GKf. Het begint met Emmy Andriesse, Carel Blazer, Eva Besnyö, Marie Austria en Jonker. Jonker, Albert Helman en Austria kwamen uit de Particam (camera) groep, een clubje fotografen uit de oorlog. Particam was al in de oorlog actief geweest en zou nog een tijdje na de oorlog blijven bestaan, het was veelal theaterfotografie wat zij deden. Klein werd in eerste instantie afgewezen voor het lidmaatschap van de GKf. Na een jaar of vier, vijf

62


wordt hij alsnog toegelaten als lid. Lid worden ging toen heel anders dan nu. Voor de verplichte ballotage kwam je met je portfolio langs bij een van de leden thuis. Alle foto’s werden dan op de grond uitgespreid en alle aanwezige leden liepen er vervolgens tussendoor en overheen. In principe waren alle leden betrokken bij het balloteren. 63

Aart Klein wordt uiteindelijk lid en zal na enige tijd ook secretaris worden en een actieve rol in het bestuur spelen. Op het moment dat het interview met hem wordt gehouden, heeft hij het gevoel dat het de GKf aan goede reportagefotografen ontbreekt. Wel vindt hij dat het in heel Nederland wat aan het verbeteren is, maar ze zitten over het algemeen dan niet meer bij de GKf. Hij noemt nog wel even Koen Wessing, die hij goed vindt, hoewel die op dat moment veel in het buitenland zit. Op dat moment zijn er in Nederland drie organisaties voor fotografen en dat levert, volgens Klein vanzelf verdeling op. Hij vertelt het een en ander over hoe het balloteren in de loop van de tijd is gegaan. Het is nog al eens veranderd. Het begon heel hecht, in de huiskamer dus, maar later zijn er echte ballotagecommissies geweest die mensen selecteerden. In het begin was een van de ballotage criteria dat het werk van het aspirant lid in lijn moest zijn met het werk van de rest van de leden. Maar ook vorm en inhoud waren belangrijke punten. Klein legt uit dat het lid worden van de GKf voor veel mensen ook een stimulans was om je eigen

kwaliteit te verbeteren als fotograaf. “Je voelde je verplicht naar de anderen toe goed werk te maken.” Carel Blazer had binnen de GKf een belangrijke rol. Hij werd wel eens ‘Keizer der fotografen’genoemd. Hij wist heel erg veel van techniek en iedereen kom altijd bij hem terecht met vragen. Iedereen keek een beetje tegen hem op. “Ik denk dat het gelukkige van de GKf altijd geweest is, dat de mensen allemaal verschillend waren. Allemaal totaal verschillende opvattingen, maar er zat ook een soort iets wat bindt. Want als je het mij vraagt dan vind ik een van de grootste fotografen van de GKf die wij hadden Emmy Andriesse. Haar manier van fotograferen.” Klein wordt de vraag voorgelegd of zijn opvattingen rondom de GKf erg zijn veranderd. Hij antwoordt daarop dat het wel het geval is. Het begon allemaal met een klein groepje in de huiskamer. Inmiddels zijn dat er op het moment van het interview al zo’n 150. Dat maakt verschil, het is minder intiem. Niet iedereen is meer bevriend met elkaar en je komt elkaar niet meer zo vaak tegen. In het begin waren er ook wel eens onenigheden, maar die werden in een vriendschappelijke sfeer opgelost. Nu is het niet meer zo selectief. “De GKf, dat waren de jongens met een goede linkse opvatting, met een opvatting over stijlen en over fotografie. Dat wordt steeds minder, ook omdat de buitenwereld steeds beter wordt.” Klein is het ook niet zo erg eens met de fo-


tografieopleidingen die in die jaren een steeds belangrijkere rol gaan spelen. Zij gaan in tegen het revolutionaire karakter van de beginjaren van de GKf, vind Klein. Dan wordt hem de vraag voorgelegd of hij vindt dat de GKf nog bestaansrecht heeft. Hij is daar, zoals blijkt uit zijn antwoord wat dubbel over: “In het algemeen niet. Ja, ze hebben wel iets in de melk te brokkelen.” Klein is op dat moment, samen met Pieter Boersma bezig met geld los te peuteren bij de overheid. Ze willen een fotomuseum opzetten. Hij en Pieter Boersma komen weliswaar allebei uit de GKf, maar op dat moment is het losmaken van geld geen initiatief van de GKf. Volgens Klein moeten ze, als ze willen blijven bestaan, meer ondernemen, meer actie voeren. Dan kunnen ze in leven blijven. Hij vindt ook dat ze eens heel goed moeten kijken naar het systeem van ballotage. Er zijn nu 150 leden, dat betekent dat je niet op dezelfde manier kunt balloteren als toen het er 20 waren. Van oudsher was de GKf toch een beetje een elitaire club. “De mensen die je nu aanneemt hoeven niet persé elitair te zijn maar moeten wel iets bijzonders hebben. Zo houdt je de club exclusief. Ze moeten niets met pasfotografie of studiofotografie te maken hebben het moet puur om te fotografie gaan.” Zo’n groep vormen, dat vind Klein nog wel een taak voor de GKf. In dat opzicht heeft zij nog wel bestaansrecht. Kunst en realiteit mogen best tegenover elkaar bestaan, maar hij vind dat de mentaliteit moet verbeteren.

Dolf Kruger, interview op 17-10-1985

Dolf Kruger komt in contact met de fotografie via Ad Winding. Van het begin af aan was fotografie voor hem de GKf omdat Winding lid was van de vereniging. Kruger wilde fotograaf worden, maar toen hij dit aan Winding voorlegde zei deze: ‘dat is goed, maar bij mij kan je niet terecht. Probeer het maar eens bij Particam.’ (=eerder genoemd interview Aart Klein.) In 1959 wordt Kruger dan toch lid van de GKf. Meestal was het zo dat je als nieuw lid werd voorgedragen. Kruger is echter zelf met zijn foto’s naar Aart klein gestapt en zo lid geworden. Het balloteren was toen nog met de huiskamer bijeenkomsten. Kruger vond dit in eerste instantie wel een beetje wonderlijk. Ook vertelt hij dat de meeste leden zich een beetje geneerden om hun mening over de foto’s te geven. Ze waren een beetje bang, vooral voor Carel Blazer. Als die zijn mening gaf zei niemand meer iets. Pas later kwam er een ballotage commissie. Kruger vertelde dat hij lid wilde worden van de GKf omdat het erkenning gaf. Hij geeft toe dat hij erbij wilde horen, nog steeds. Lidmaatschap van de GKf is voor hem, op het moment van het interview nog steeds, in bepaalde opzichten erkenning en hij voelt nog steeds dat hij erbij wil horen. Kruger heeft van ongeveer 1946 tot 1947 bij Particam gewerkt.

64


Daarna is hij voor zichzelf begonnen. Het was een rare tijd vlak na de Tweede Wereldoorlog en met de Koude Oorlog die steeds dreigender werd. Kruger raakt in een isolement.

65

Doordat hij uiteindelijk lid wordt van de GKf komt hij weer een beetje uit het isolement. Binnen GKf werd in die tijd goed samengewerkt met Grafisch ontwerpers. Het contact was erg belangrijk voor de fotografen. Kruger profiteerde hier ook van en kon zo in opdracht gaan werken. Lid zijn van de GKf was voor Kruger niet alleen status, het was ook een mentaliteit tegenover het fotografische werk. “GKf mensen denken meer aan de opdracht dan aan de opdrachtgever”. Kruger weet niet meer wie dit ooit zij, maar hij beaamt het wel. Of er inhoudelijk veel over de foto’s werd gesproken weet hij niet meer zo goed, het is toch wel erg lang geleden. Wel weet hij te vertellen dat er in het eerste begin wel erg veel rekening met elkaar gehouden werd. Wat niet altijd tot een objectief beeld leiden. Zijn ideeën over de GKf zijn wel veranderd in de loop van de tijd. Toen er kunstfotografen bijkwamen veranderde er veel. “Tot dan toe hadden de meeste GKf-fotografen nog wel zo iets als betrokkenheid bij het maatschappelijke leven. Nou, toen ontstonden er wel heftige discussies over de kunstfotografie en de reportagefotografie.” Er wordt Kruger gevraagd of de GKf nu nog een functie heeft. Hij vindt dat een lastige vraag omdat hij in de tijd dat het interview wordt gehouden al geruime tijd in Zweden woont. Dus hij volgt het allemaal niet meer zo erg.

“Toen Dolf in het bestuur kwam, kwam er een einde aan de huiskamer vergaderingen. Hij besloot toen dat ze een vergaderruimte nodig hadden.” Een belangrijke en noodzakelijke verandering was volgens Kruger dat de GKf een echte belangenvereniging moest worden. Daarom moesten er meer leden bijkomen, want een grote groep kon immers veel meer bereiken dan een kleine groep Ze moest op gaan komen voor de fotografen. Toen is de ballotage een tijdje weggeweest... In deze periode is Kruger wel eens bang geweest dat het peil van de GKf erg zou dalen. “Er kwamen toch mensen bij waarvan je later dan zo iets had van…?” Per saldo vindt Kruger dat de GKf wel moet blijven bestaan. Maar dan moet ze toch wel een bepaald niveau van fotografie proberen te bewaken.

Frans de la Cousine, interview op

17- 02-1986 Toen De la Cousine lid van de GKf wilde worden, had hij drie handtekeningen nodig van drie leden van de GKf. Er werd hem verteld dat die handtekeningen zo te krijgen waren, maar dat viel toch een beetje tegen. Uiteindelijk werd hij op een tentoonstelling voorgesteld door Pieter Boersma en werd toen zelf door de GKf gevraagd. Hij kwam in 1976 bij de GKf en werd meteen bestuurslid. Opvallend is dat De la Cousine helemaal niets van de GKf-geschiedenis afwist. Hij kende de fotogeschiedenis uit zijn hoofd, maar van de vereniging wist hij weinig.


Dit leverde rare situaties op en veel misverstanden. Hij kreeg daarbij weinig hulp en niemand hielp hem door te vertellen hoe bepaalde zaken in elkaar staken.

mensen was die allemaal op een vergelijkbare intensieve manier met fotografie bezig was zoals hij met fotografie bezig wilde zijn. Hij zocht naar geestverwanten.

Het was een hechte club van vrienden die veel met elkaar belden en elkaar briefjes schreven, maar De la Cousine werd hier in het begin niet in betrokken.

Vrienden met wie hij over fotografie kon praten, over het vak. “Ik was vreselijk verliefd op de fotografie en ik wilde niets liever dan contact met mensen die daar ook mee bezig waren. Dat hoopte ik bij de GKf te vinden.”

Eén van de eerste dingen die hij dus verandert wilde zien was meer openheid. Hij vond het te veel een Amsterdams clubje. Zo probeerde hij de vergaderingen ook eens in andere provincies te houden, maar daarmee stuiten hij op veel verzet. De Amsterdamse leden vonden het te ver, te duur. Ook wilde hij de vereniging laten groeien. De GKf zat erg krap bij kas, de contributie was erg laag, maar omdat de GKf inmiddels wel uit 50 leden bestond moest er heel wat geregeld worden. Door te groeien zou er meer geld via contributie binnen komen en zou er een bureau opgezet kunnen worden. Ook vond De la Cousine het een té Amsterdamse club, er moesten meer leden komen uit de rest van Nederland. Je kon ook best een heel goede fotograaf zijn zonder uit Amsterdam te komen. De la Cousine wordt gevraagd wat de GKf hem te bieden had. In het begin was dat niet zo duidelijk voor hem. Hij had in het buitenland gestudeerd en kende niemand op het gebeid van fotografie in Nederland. Wat hij zo begreep was dat de GKf een groep

En?! “…dat viel een beetje tegen. Omdat ik snel merkte dat het aspect van belangen behartigen een grote rol speelde. Ik kreeg de indruk dat de GKf een soort slapende kat was, die als ze gestoord werd in haar slaap de nagels uitsloeg en als ze honger had ging staan miauwen bij haar bakje. Dat gevoel kreeg ik en dat vond ik jammer.” De la Cousine kon het op individuele basis wel goed vinden met veel van de leden van de GKf. Als club samen had hij wel moeite met ze. Hij vond ze niet goed nadenken over het grotere geheel. Alleen foto’s met nieuwswaarde vonden ze belangrijk. De leden waren, volgens hem totaal niet bereid om zich genuanceerd op te stellen tegenover hun vakgebeid. Er wordt hem gevraagd of dit misschien een generatieconflict was. Volgens hem was dit nauwelijks het geval. De oude generatie wilde weldegelijk vernieuwingen, bijvoorbeeld fotogalerieën en algehele erkenning van het vak. Maar ze stonden toch anders in de fotografie dan hijzelf. De la Cousine had zelf een kunst achtergrond. Hij had de academie gedaan. De meeste oude GKfleden hadden dat niet. “Ze wilden er gewoon niet

66


aan”. Hij denkt dat het toch een soort angst was, bang voor een accentverschuiving. Dat zou consequenties kunnen hebben voor de oude generatie en dus moesten ze een manier zien te vinden voor vernieuwing, zonder zelf buitenspel komen te staan.

67

De la Cousine was er van overtuigd dat veranderingen noodzakelijk waren. Hij stelde vragen voor zichzelf zoals: wie of wat zijn wij met de GKf? Wat willen we met de GKf? Wat zijn onze doelstellingen, wat onze uitgangspunten? “Als je die niet formuleert naar binnen, voor jezelf, met wat voor verhaal moet je dan naar WVC gaan en naar de Kunsten Federatie? Als je niet weet wat je wilt en wat er moet gebeuren, wat wil je dan gaan claimen? Dan kun je iedere keer wel weer aan de bel trekken van wij zijn er ook, maar je moet wel kunnen zeggen wie je bent”. Kortom, tijd voor een fundamentele herbezinning. De la Cousine vertelt: wat een belangrijke verandering in de geschiedenis van de GKf was, op het moment dat hij in het bestuur kwam, was dat de nieuwe leden geen oorlogsverleden meer hadden, zoals de oude kern dit wel had gehad. Veel leden stonden inhoudelijk inmiddels lijnrecht tegenover elkaar. Er moest dus een soort lijfspreuk komen om de groep te binden, maar dat lukte niet. De la Cousine voelde dat de hele wereld rond 1980 was veranderd, behalve de GKf. Er kwamen veel nieuwe fotografen vanuit het kunstonderwijs bij de GKf en die vonden dat de inhoud niet aanbod

kwam. Wat wel een opmerkelijke dubbele lading van de GKf was, zo vertelt De la Cousine, was dat de GKf ervoor zorgde dat de reclamejongens die lid waren van de GKf een beetje kunstenaar werden, en dat opdrachtgevers ervan uit konden gaan dat ze de kunstenaars om een boodschap konden sturen. Het bracht die werelden toch een beetje dichter bij elkaar. Iedereen leek er dus belang bij te hebben dat de GKf niet werd opgedeeld, ondanks de grote verschillen. De la Cousine was in die tijd echter wel voor een interne opsplitsing. Volgens hem lagen er appels, peren en druiven op een schaal, ‘ga daar maar eens mee in discussie’. Op het moment van het interview vertelt De la Cousine dat hij wel een beetje is afgeknapt op het apparaat, het instituut GKf. Hij heeft weinig kunnen samenwerken met andere GKf fotografen. “Het is een groep uitgesproken individualisten”. Het was knokken voor alle fotografen van de GKf, dat begrijpt hij natuurlijk maar al te goed. “Het is geen vetpot, het soort fotografie wat wij bedrijven”. Dat betekent dat je altijd met verschillende belangen te maken hebt en dat is niet makkelijk. Toch heeft De la Cousine ook veel lol gehad binnen de GKf, maar dan meer in de informele sfeer. “Er was toch teveel rivaliteit anders.” Hij vertelt dat hij het jammer vindt dat hij nooit een keer werd bedankt toen hij voorzitter was voor wat hij deed binnen de GKf. Toen hij ermee stopte besloot hij dan ook om niet zo vaak meer naar verga-


deringen te gaan. “Ik wil niet klagen, maar het was wel pijnlijk. Gebrek aan fatsoen.” Er wordt hem gevraagd waarom hij dan nog wel lid is van de GKf. “De dingen die gebeurd zijn tijdens mijn bestuurstijd zijn voor een deel toch te wijten aan de tíjd waarin ze zijn gebeurd”, legt hij uit, “aan de omstandigheden”. “Het was een tijd van crisis, mensen waren aan het verharden naar elkaar toe, het was een dieptepunt in economisch en maatschappelijk opzicht, dus het was sowieso een heel moeilijke tijd voor de GKf.” Nog steeds vind hij het merendeel goede en aardige mensen en hij voelt zich verwant met ze. Wel is hij van mening dat, als je lid bent van een vereniging, je je niet alleen als een individualist moet opstellen, anders ben je een blok aan het been. De la Cousine wordt gevraagd wat hem is bijgebleven van het balloteren van nieuwe leden. Volgens hem was er van oudsher geen sprake van bepaalde kwaliteitsnormen waaraan je moest voldoen. Het was een linkse houding die je moest hebben en je moest je geëngageerd opstellen. Als je dat had werd je vaak wel aangenomen. Later werd het meer intuïtie of iemand geschikt was of niet. Men keek elkaar dan aan en dat was dan genoeg. De normen over het toelaten van iemand zijn voor alle leden van de GKf verschillend, vertelt hij. Alle leden denken anders over wat ze belangrijk vinden. Neem bijvoorbeeld Paul Huf tegen over Paul den Hollander. De la Cousine hoopt wel dat het niveau van de

GKf niet in gevaar komt. “Vraag maar eens aan de leden: waarom heb je deze foto gemaakt? Dat weten volgens mij een heleboel niet. Als je dat als criterium neemt om iemand toe te laten zal de helft afvallen.” Tijdens zijn voorzitterschap wilde hij heel graag doelstellingen en uitgangspunten geformuleerd hebben. Maar er waren toen te veel misverstanden, meningsverschillen en te weinig geld. “Veel van de leden zijn inactief en reactief. Je hoort ze niet totdat er iets aan de hand is, dan zijn ze er opeens.” oen er sprake was van een apart fotomuseum was De la Cousine daar erg op tegen. Hij vond dat de fotografen eerst maar eens de hand in eigen boezen moesten steken. Eerst moest alles maar eens op orde gebracht worden binnen de instituties die er al waren. Toen hij bij de GKf kwam heeft hij er zich eigenlijk altijd ook een beetje tegen verzet. Hij vond dat de GKf stil stond, terwijl hij juist zocht naar iets dat bewoog. Tot slot concludeert De la Cousine dat de gemeenschappelijke noemer van de GKf is, dat iedereen in het vak zit, fotograaf is. Dat bindt alle uiteenlopende individuen tot een vereniging.

Kors van Bennekom, interview op

27-01-1986 Als eerste wordt hem de vraag gesteld, waarom hij lid is geworden van de GKf. Hij was al lid van de fotojournalisten, maar na eigen zeggen wilde hij bij de goede fotografen behoren. Het was een soort test voor jezelf, vond hij, als je er bij mocht dan wist je dan je een zekere mate van kwaliteit had.

68


Ook een reden was natuurlijk er gewoon bij willen horen. “Toen je dat eenmaal wist, was dat ook eigenlijk weer afgelopen, want voor de rest bleef er weinig over.” Ook bij van Bennekom wordt duidelijk dat de GKfleden linkse mensen waren. Het was een elitair clubje en het waren de enige fotografen in Nederland die wat te fotograferen hadden. Ze waren naar hun eigen gevoel in die tijd dé fotografen. 69

Toen van Bennekom erbij kwam veranderde de GKf van een sudderend groepje in een belangenvereniging. Er kwamen subsidies, maar dit ging niet helemaal vlekkeloos. Vooral de oude garde was er tegen. Zij stonden kritisch en sceptisch tegenover het veranderen in een belangenvereniging. Zij waren gewend zelf voor hun geld te zorgen, daar hadden ze de GKf niet voor nodig. Van Bennekom: “Omdat mijn gedachten altijd is van die GKf moet niet zo kleinzielig blijven, zo eenduidig of hoe noem je dat, dat je te klein bent als groepering om naar buiten toe een front te vormen, of een vuist te maken. En dat is nu ook weer gebleken, of vorig jaar dat je ook met andere fotografenvereningen samen of met fotoreportages rapporten kunt maken naar WVC toe. Rotterdam is daar een voorbeeld van en ook dat rapport wat we samen met de federatie hebben gemaakt.” Van Bennekom heeft altijd gepleit voor een belangenvereniging, een grote vereniging die ook tegenover de overheid zich sterk kan opstellen. Zo kun je ook dingen gezamenlijk regelen, zoals ziektekostenverzekeringen bijvoorbeeld. Een aantal zaken vielen Van Bennekom op toen hij

betrokken raakte bij de GKf. Zo vertelt hij dat de GKf ooit van de Raad van de Kunst had gehoord dat fotografie kunst was, dit was in 1953. Jarenlang heeft de GKf geteerd op deze uitspraak, zo van: ‘zie je wel…’ Maar ze hebben volgens van Bennekom nooit de consequenties van zo’n uitspraak aanvaard. Toen deze erkenning er was, hadden ze meteen actie moeten ondernemen. Subsidies aan moeten vragen enzovoort. Volgens van Bennekom hebben ze daar nog lang een tik van gehad. Van Bennekom zat ook een tijd in de ballotagecommissie. Onder zijn toezicht wordt het allemaal strenger en strakker geregeld. Toch zegt hij over het balloteren: “Als je een beetje goed kan fotograferen waarom zou je dan geen lid van de GKf worden? En als je er dan nog een visie over had, dan was het natuurlijk helemaal voor elkaar. En als je daarnaast nog vakmanschap had dan was het natuurlijk dubbelop. En als je het één had en het andere nog niet, dan kon je dat er nog wel bijleren natuurlijk.” Het was allemaal dus niet zo hard dat je elkaar het licht in de ogen niet gunde. Over de ziel van de GKf zegt van Bennekom op dat moment: “De enige manier om je sterk te voelen als fotograaf, om voor jezelf te kunnen opkomen, is als je sterk bent, georganiseerd in een club, dat je als club iets kunt organiseren en dat je als club iets kan waarmaken.” Van Bennekom heeft wel wat frustraties opgebouwd met betrekking tot de vereniging. Hij vond toch dat de GKf te weinig open stond voor


vernieuwingen en te log was. Maar ondanks dat heeft hij er toch een heel leuke tijd gehad en vind hij dat de GKf niet moet ophouden te bestaan.

Sem Presser, interview op 14-11-1985

Vanaf 1951 tot en met 1965 woont Sem Presser in Frankrijk. Hij blijft in deze periode wel lid van de GKf. Zijn algehele beeld van de GKf is dat er nooit echt een doelstelling of een karakter naar voren is gekomen, maar dat er wel sprake was van een algemene sfeer van sociale belangstelling. Ook hij komt met het verhaal over het linkse gedachtegoed van de GKf, waar hij zich persoonlijk altijd tegen heeft verzet. “Als je als fotografen je organiseert dan moet je de politiek er buiten laten. Want politiek is politiek. Niemand is lid geworden van de GKf met de vraag; wat is je politiek overtuiging. Je kan dus niet zomaar, namens alle leden een politiek standpunt innemen.”

hij. Er wordt Presser gevraagd waarom hij lid werd van de GKf. Hij vertelt dat dit voornamelijk voortkwam uit affiniteit met de mensen van het eerste uur. Hij kende iedereen goed en ze hadden andere denkbeelden dan Voque, wat hij wel fijn vond. Hij vertelt dat hij de fotografen kende van de straat, gewoon van het elkaar tegenkomen bij allerlei gelegenheden. Hij vindt wel dat er veel is veranderd tussen toen en nu. Ze begonnen heel klein en nu zijn ze met zoveel. “De kwaliteit was onmiskenbaar, maar de GKf had ook altijd een hoop kapsones, die misschien niet altijd terecht was. En dat superioriteitsgevoel werd aangewakkerd door de goede relatie die de GKf met Sandberg had.” (= de relaties met goede grafici in die tijd waren erg belangrijk voor de GKf fotografen.)

Presser is niet betrokken geweest bij de oprichting van de GKf, maar hij wordt wel vrij snel daarna lid. Hij vertelt dat hij zowel lid was van de vereniging van fotojournalisten als van de GKf.

Presser verteld dat hij een slecht lid is geweest en dat hij daardoor weinig zicht heeft op de organisatie. Hij had altijd een beetje een kunstenaarshouding en wilde nooit een bestuursfunctie. Wel weet hij te vertellen dat hij op een gegeven moment merkte dat het bestuur verjongde.

Het belang hiervan van dat beide verengingen voor verschillende belangen opkwamen. De NvF kwam op voor de journalistieke belangen en de GKf voor de kunstbelangen. Dat is nog steeds zo vertelt hij tijdens het interview.

Dat er een ander filosofie ontstond en dat er links en recht zomaar mensen werden aangenomen. Dit had een snelle groei tot gevolg. Er kwamen mensen in het bestuur die niets van de organisatie afwisten of pas heel kort lid waren.

Het was wel zo dat in de GKf over het algemeen alleen maar reportage fotografen zaten maar die hadden duidelijke kunstzinnige aspiraties. Ook was de GKf bezig met het krijgen van erkenning van de fotografie, wat later zelfs tot acties leidde, vertelt

In de ballotagecommissie heeft Presser nooit gezeten. Hij houdt niet van jureren. In het begin balloteerde iedereen gezamenlijk, maar later werd dit een commissie.

70


71

Hij vindt dat hij het niet kan, het werk van iemand anders beoordelen. Wel weet hij te vertellen dat Carel Blazer een bepaald gezag had tijdens de ballotages. De hele groep luisterde mee als Blazer iets zei, hij had een natuurlijk gezag.

fotografiewereld vonden mensen de GKf wel een elite groep en ongetwijfeld zullen er alle mogelijke mensen beïnvloed zijn door de afzonderlijke leden van de GKf. Maar of de GKf in zijn totaliteit veel invloed heeft gehad dat weet ik niet.”

De GKf-mentaliteit, zoals Presser dit noemt, is wel bij hem binnen geslopen. Deze mentaliteit bestond niet bij de NvF, vertelt hij.

Verder vertelt Presser dat het contact tussen Grafici van die tijd en de GKf heel intensief was. Zelf heeft hij er echter niet veel van kunnen profiteren. Met een lach vertelt hij dat toen hij lid werd hij zich een onderdeel van de elite voelde en een heel eind op weg.

Wel vindt hij dat hij niet zo’n heel grote invloed heeft gehad op de GKf, niet zo groot als op de NvF. Wat Presser vooral deelde met de GKf leden was een hunkering naar erkenning. Hij vond het interessant om met hen te praten over de ontwikkelingen binnen de fotografie en vond de erkenning die het lidmaatschap van de GKf met zich meedroeg naar buiten toe belangrijk. Presser vertelt dat in het begin de GKf leden veel bij elkaar kwamen in huiskamer vergaderingen. Daar liet iedereen dan werk zien. Het waren toen allemaal Amsterdammers en als ze iemand nieuw wilden aannemen werd dat met iedereen besproken. Ook moesten zoveel mogelijk leden voor zijn. “Het was niet zo van, de helft plus 1. Bijna iedereen moest het er mee eens zijn.” Er wordt Presser gevraagd of hij denkt dat de GKf veel sporen heeft nagelaten in Nederland. Maar dat betwijfelt hij. “Ik zou het geen sporen willen noemen, ik geloof ook niet ’t direct door de GKf beïnvloed zijn omdat de GKf toch in wezen weinig naar buiten trad. Behalve bij tentoonstellingen, maar dat ze een groot aantal leden hebben beïnvloed, dat betwijfel ik niet. Want in de

Toch was de GKf toen Presser er lid van werd nog geen belangenvereniging. Eigenlijk was het in het begin gewoon een groepje vrienden, die bij elkaar kwamen. Ze hadden geen materiële belangen toen. Pas later werd het echt een belangenvereniging, vertelt hij. Presser wordt gevraagd of de GKf nog wel bestaansrecht heeft. “Zeker heeft zij nog bestaansrecht, zeker omdat het de derde poot is van de fotografen federatie. Daar hebben de gezamenlijke fotografen van Nederland belang bij. De andere groepen kunnen dat niet, dat zit niet in hun doelstelling, niet in hun aard en wat dat betreft vervult de GKf een zeer belangrijke functie. En zal zeker weer terugslaan op de bestaansmogelijkheid van de GKf.’t Zal daardoor eerder blijven bestaan dan als een groepje dat alleen maar in de lucht zweefde, zonder touwtjes.” Presser legt uit dat het organiseren van mensen rondom een onderwerp, in zijn optiek al een bestaansreden is. Maar wat het voor de GKf extra belangrijk maakt is de derde-poot-functie in de federatie.


Ze moeten daar de boel in balans houden. Er was op een gegeven moment sprake dat de GKf uit de federatie wilde stappen. Presser vertelt dat hij zich hier toen heel heftig tegen heeft verzet. Als dit was gebeurd was het gewoon nog maar een groepje willekeurige fotografen zonder fundamentele betekenis, zo legt hij uit.

ing, dat moet je bij elkaar brengen. Ook moet je beseffen dat er veel voor je gedaan wordt.”

Wel vind Presser dat de GKf moet blijven vernieuwen en blijven veranderen, maar dan wel in een lijn met de oorspronkelijke opzet, voorzover mogelijk. Hij vind dat de GKf de jonge generatie de mogelijkheid moet geven om dingen anders te willen.

Eva Besnyö zegt dit na aanleiding van de vraag wat ze er van vind dat de GKf op dat moment naar de 150 leden toe gaat. Ze is bang dat de kwaliteit toch zal verwateren. Ze vond het dan ook een zeer slechte zaak dat de ballotage een tijdje is weggeweest. Ze was er overigens niet op tegen dat de GKf zou groeien.

De GKf vond zichzelf van oorsprong wel een unieke vereniging, niet zozeer beter dan andere maar wel uniek, vertelt Presser. De leden hadden een samenhorigheidsgevoel, ze zochten elkaar op. In het begin was het makkelijk om je betrokken te voelen bij elkaar omdat het maar zo’n kleine groep mensen was. Dat is op het moment van het interview al een stuk moeilijker. Toch vindt Presser het goed dat de GKf nu een beroepsvereniging is geworden, maar daar moet je dan ook wel geld voor willen neerleggen, anders oefen je geen beroep uit. Je moet gewoon betalen zodat je elkaar kunt helpen en mensen kunt betalen om voor de vereniging te werken. Het principe is volgens Presser: “…je hebt een beroep. Wat hebben vakbondsmensen ook in de ergste tijden niet opgebracht om hun vakbond groot te krijgen dus daar heb ik niet zo’n pijn aan. En natuurlijk, jonge mensen hebben het moeilijk en het is een verrekte moeilijk vak, het is een rot vak, maar ik vind dat je er vanuit moet gaan anders blijf je nergens, een beroepsverenig-

Eva Besnyö, interview op 31-10-1985

“Het gaat om de kwaliteit, niet om de kwantiteit. Ik begrijp dat het materieel beter uitkomt maar… Ik vind niet dat dát verstandig van ze is”.

“We waren zo’n kleine elite groep, dat moeten we niet willen zijn. We werden ook met de nek aangekeken, zo van dat zijn die aristocraten van de fotografie of zo iets, en toen zeiden we: laten we er een hele boel mensen inhalen. En toen hebben we gelijk, ja twintig leden aangenomen of zoiets, en van een aantal was dat volgens mij niet terecht. Maar het was echt de bedoeling. Wij zijn klein, we hebben daardoor weinig zeggingskracht, de mensen hebben daardoor een heel ander idee over ons, ze vinden ons veel te exclusief dat is echt niet de bedoeling en daardoor zijn we gaan uitbreiden en toen kwamen er later ook niet materiele kwesties bij.” Besnyö vertelt dat het een beetje een vicieuze cirkel is. Groter worden betekent ook meer werk, iemand in dienst nemen om het werk te doen en die ook betalen. Ze heeft niets tegen groter worden, maar de GKf moet wel exclusief blijven. Besnyö is ook een tijdje bestuurslid geweest, sa-

72


men met Pieter Boersma. Ook zat ze in het begin van de GKf in de ballotage. Op het moment van het interview is Besnyö weer in de ballotage commissie gegaan. Het is altijd haar idee geweest dat je goede fotografen gewoon moet vragen om lid te worden van de GKf.

73

Alleen jonge onbekende fotografen moet je balloteren. Zo hou je de vereniging wel exclusief. Er wordt Besnyö gevraagd waar ze op let bij het balloteren. ‘Op alles’, zegt ze. Ze vind houding heel erg belangrijk. De mentaliteit. Ze legt uit dat ze het heel slecht vindt als iemand kunstmatig kunst wil maken, als ze zo iemand voor zich krijgt, kan ze niets anders zeggen dan dat ze dit artistieke would-be fotografen vind. Dit is een soort onuitgesproken norm die heel erg doorslaggevend kan zijn bij het balloteren. Toch vind Besnyö balloteren een vreselijk ondankbare taak. In de beginjaren moest zij ook vaak afwijzingen doorgeven aan de mensen in kwestie. Vaak werd zij hierdoor nog jaren met de nek aangekeken, terwijl het een besluit was van de hele ballotagecommissie. Gelukkig is dat nu anders, vertelt ze. Nu krijg je een brief en een motivatie thuis gestuurd. Politieke achtergrond is voor Besnyö heel erg belangrijk. “Ik zou nooit een rechtse fotograaf aannemen,” zegt ze. Die hoort volgens haar gewoon niet thuis in de GKf. Toch mag ze dat eigenlijk niet meer zeggen. Politiek zit in die tijd niet meer bij de GKf, maar ze vindt nog steeds: “Goede fotografie is linkse fotografie.”

Ook vindt ze dat dit in de GKf van dat moment, nog steeds wel naar voren komt. Het is nog steeds belangrijk hoe iemand in de maatschappij staat. De leden van de GKf hebben Besnyö eigenlijk altijd gezien als het politiek geweten van de Gkf. Besnyö zelf noemt meteen Carel Blazer, die zo’n grote rol heeft gespeelt in de GKf. Blazer was een goede fotograaf, maakte goede fotografie. Hij had enorme kennis van het vak en was heel erg collegiaal, zo vertelt ze. Hij is een heel belangrijk figuur geweest voor de GKf en toch was hij volgens haar niet dominant. Besnyö vertelt in het interview over de relatie tussen Carel Blazer en Cas Oorthuys. Dat ze in het begin met zijn drieën zulke goede vrienden waren, maar dat na de oorlog de verhouding tussen Oorthys en Blazer steeds moeilijker werd. Ze waren toch, onderhuids teveel concurrenten van elkaar. Hierop wordt Besnyö gevraagd of dat niet altijd een beetje scheef is. Dat je binnen de GKf als vrienden bij elkaar zit en dat je daarbuiten toch elkaars concurrenten bent. “Daar namen we afstand van. Het ging niet om persoonlijke dingen of opdrachten, het ging om algemene dingen en daarin kun je elkaar altijd vinden, ook al ben je concurrenten van elkaar.” Ook vertelt ze dat er op de vergaderingen geen concurrentiestrijd was, wel waren er wel eens frustraties. Besnyö heeft altijd tijd vrijgemaakt voor de GKf vergaderingen, hoe moeilijk dat soms ook was. “Ik ben ook de GKf zeer dankbaar, moet ik zeggen. Ik geloof dat er maar weinig zouden zeggen dat ze dat zijn. Die zouden zeggen, ach het was wel aardig en zo, maar ja, zonder de GKf was ik er ook


wel gekomen.” Er wordt Besnyö gevraagd of haar kijk op de GKf is verandert in de loop van de tijd. “Ja, ja, ik ben veranderd, maar mijn kijk ook natuurlijk. Ten eerste is dus die GKf in die tijd een zeer stimulerende factor geweest. En ook met het gevoel van: Daar zit de echte fotografie. Dat is een beetje verwaterd. We zijn nu met 130 leden geloof ik en ik denk dat er heel wat kaf onder het koren zit. En je kijkt er niet meer tegenop. Ik ben niet meer zo’n directe collega. Ik bedoel met die 8 en 12 en 16 waren we écht collega’s die altijd bij me konden aankomen van kan je dit, of wil je dat? Het kwam niet zo vaak voor maar het kwam wel eens voor en dan stond je voor elkaar klaar. Nou of ik nou voor die 125 zo klaar sta…. Ik weet het niet, het is een heel andere verhouding.” Ze vertelt dat ze veel mensen niet eens meer kent en dan kan het ook niet anders dan dat de verhoudingen veranderen. Over de invloed van de GKf op de fotografie in Nederland zegt Besnyö dat naar haar idee de GKf een grote rol heeft gespeeld. De beste fotografen waren toch lid van de GKf, zo zegt ze. Ook vind ze dat de GKf het aanzien van fotografie sterk bevorderd heeft. We hebben toch met zijn allen gevochten voor de status van de fotografie, dat was toch anders dan bij de BFN en de NvF, die hadden toch andere belangen. Wij waren zuiver fotografisch bezig, vertelt Besnyö. Besnyö is duidelijk een erg linkse fotograaf. Ze vertelt een anekdote van een fotograaf die ze uiteindelijk uit de GKf hebben gezet omdat hij affiches had gemaakt voor de politie. Dat kon niet in die tijd, vond ze, toen was je gewoon tegen de

politie en daarmee uit. Besnyö wordt tot slot nog gevraagd of ze denkt dat de GKf nog bestaansrecht heeft. Zij vindt van wel. “Ze spelen toch op veel gebieden een sterke rol en die moeten ze ook blijven spelen”, vindt ze. Ze moeten wel samen met de federatie blijven, samen staan we toch sterker. Ook vindt ze dat de GKf uit heel andere mensen bestaat dan de rest van de federatie en ze vindt het dus belangrijk dat zij elkaar aanvullen.

Ad Winding, interview op 31- 07-1985

Ad Winding is buitengewoon lid geworden van de GKf na 1971-1972, toen hij langzamerhand ophield met het uitoefenen van zijn beroep. Hij fotografeert op het moment van het interview nog wel, maar niet meer met de Hasselblad. Hij heeft nog wel een kleinbeeld camera, maar die gebruikt hij na eigen zeggen ook niet meer zoveel. Winding was vlak na de oorlog betrokken bij de oprichting van de GKf. “Ja, ik kan me niet zo verschrikkelijk goed herinneren maar… Die fotografen die voor de oorlog bij de VANK zaten (de Vereniging van Ambacht en Nijverheids Kunsten), die meteen in het begin van de oorlog is opgeheven, werd na de oorlog weer opgericht. Volgens het stukje van Els Barents komt het er op neer dat die VANK, of die fotografen van voor de oorlog, erg ketterden tegen het verleden en dat die GKF fotografen dat niet meer deden maar zich meer op de toekomst richtten. Zo van, nou gaan we een nieuwe club beginnen. Maar dat was wel op de grondslag van de VANK. En daar zaten nou ook niet zo vreselijk veel fotografen in, ik denk alleen Hans Sibbelee mis-

74


schien, Eva Besnyö, Carel Blazer, Cas Oorthuys, Emmy Andrisse en nog een paar. Ik was intussen ook fotograaf geworden en ik ben er meteen ingerold zonder dat ik geballoteerd werd, want niemand werd geballoteerd, die eerste club die pakte mekaar gewoon op vanaf die vooroorlogse periode.

75

Toen kwam Kryn Taconis erbij. Maar wel zijn alle mensen die vlak daarna lid zijn geworden, geballoteerd, zoals Annelies Romein en Maria Austria, Henk Jonker, noem maar op. En iedereen die had zo zijn eigen mensen. Lood van Bennekom, dat was ook een van die ouderen. Carel Blazer.., Ed van der Elsken is er toen bijgekomen. Cock de Graaf is ook een van die ouderen. Paul Huf is er bijgekomen. Ik herinner me nog dat die geballoteerd werd. En Henk Jonker is er via Maria Austria ingekomen. Jaap d’Oliviera zat er ook al in van voor de oorlog. Cas Oorthuys, Sem Presser is er ook bijgekomen en Hans Wolf, die was er ook al in. Dus geballoteerd zijn: Ed, Paulf Huf, Henk Jonker Sem Presser, Annelies Romein. In totaal waren er dus 16 GKf leden.”

werkt liever alleen. Als fotograaf kan dat, dan heb je hooguit iemand nodig om je negatieven te ordenen en je brieven te schrijven. In het begin had het lidmaatschap van de GKf geen financieel voordeel voor de leden, vertelt Winding. Ook speelden ze elkaar geen opdrachten toe. Maar wat was die club dan wel voor hem, wordt hem gevraagd. Hij vertelt dat hij in 1941 begint met fotograferen. Hij krijgt les van Emmy Andriesse voor het esthetische gedeelte en van Carel Blazer op het gebied van techniek. Voor hem bestond in het begin de hele Nederlandse fotografie dan ook uit Eva Besnyö, Cas Oorthuys, Carel Blazer en Emmy Andiesse. Daar wilde hij zich gewoon graag bij aansluiten. Nog een reden om lid te willen worden was idealisme:

Winding herinnert zich niet heel veel meer van de allereerste beginjaren. Wel weet hij nog te vertellen dat ze altijd met kleine clubjes waren en dat ze het heel erg vanzelfsprekend vonden dat ze zo als fotografen bij elkaar kwamen. Toch zou later blijken dat dit vrij uniek was. In Duitsland of België gebeurde dit niet.

“Maar ik had er, ook door de oorlog, een heel idealistische gevoel over, die mensen speelden elkaar opdrachten toe, die zeiden: ‘Ga jij dat doen, dan doe ik dat’. En je dacht ook dat je in een soort communistische gemeenschap, een soort, hoe noem je dat, een soort gezin, maar niet….” Toch komt Winding er achter dat dit eigenlijk na de oorlog onmiddellijk is afgelopen. “We gingen allemaal naar een uitgever toe, met het idee van daar kunnen we allemaal werk krijgen. Maar eigenlijk was er maar eentje die dat allemaal inpikte. Terwijl wij daar allemaal om de tafel hadden gezeten. Die ene was Cas.”

Van oorsprong wilde Winding eindelijk gaan filmen, zo vertelt hij. Maar al snel merkt hij dat je met filmen heel erg afhankelijk bent van andere mensen. Je moet veel organiseren, afspraken maken en wachten. Dat viel hem toch een beetje tegen. Hij

Aan de hand van deze uitspraak wordt Winding gevraagd of er dan een sterke concurrentie was binnen de GKf. Volgens Winding probeerde men tijdens de vergaderingen en bijeenkomsten toch een zekere distantie te houden. Er hing toch een


huiselijke sfeer, je was bij iemand thuis, dan ga je niet zitten stoken, vertelt hij. Ze wilden in het begin ook niet echt groeien. Juist die huiselijke sfeer vonden de eerste leden belangrijk. Winding wordt gevraagd of ze tijdens die bijeenkomsten wel eens inhoudelijk over elkaars werk spraken. Dat toch niet heel erg, vertelt hij. Iedereen was erg geneigd om zijn werk voor zichzelf te houden. Er is ook nooit een archief gekomen. Er was een tijd dat mensen in het bestuur een archief wilden gaan aanleggen met het werk van de leden erin. Maar er zijn nooit foto’s ingeleverd door de leden. Zo was het, ieder voor zich, vertelt Winding. Het was volgens hem een soort angst, angst om af te gaan misschien. Ook denkt hij dat men ook een beetje bang was voor nieuwe mensen die dan beter waren. Hij weet te vertellen dat die ook een beetje werden afgehouden heel in het begin, mensen die heel goed waren. Stel je voor dat iemand anders beter is… Winding heeft zelf ook in de ballotage commissie gezeten. Er wordt hem gevraagd hoe hij mensen dan beoordeelde: “Je zag eigenlijk meestal al snel dat het prima was”, zegt hij. Onder zijn ballotage zijn er ook heel veel leden aangenomen vertelt hij. Er zou in de GKf sprake zijn van een erecode. Maar Winding heeft het idee dat dit wel meevalt. Er wordt hem gevraagd of zijn ideeën over de GKf in de loop der jaren zijn veranderd. “Het was op een heel gunstig moment dat de GKf een zelfstandige vereniging werd. Dat we dus geen gelden hoefden af te staan aan die kleine f-.

Wel bleven we aangesloten bij de grote F dat is nu ook nog zo. Nou, dat zelfstandig worden dat was een hele belangrijke stap, dat was heel gunstig voor ons eigenlijk. Je moet aan Kors vragen wanneer dat was, die weet dat precies. Maar het is onder voorzittersschap van Kors meer in de richting gegaan van een FNV, zal ik maar zeggen. Cas Oorthuys kon dat niet zo goed zetten, die zei; ‘Kors, dat is zo’n soort vakbondsleider’. En Kors die werd daar altijd woedend om. Nou dat is een hele tijd, Kors als voorzitter, Onno Meter, ik als secrataris en Ine als secretaresse.” Toch heeft Winding niet lang in het bestuur gezeten. Hij heeft ook wel een aantal frustraties opgelopen. Zo is hij erg direct betrokken geweest bij de poging om de GKf een actieve rol te laten spelen in het kunstonderwijs op de Gerrit Rietveld academie. Hij heeft hier heel veel tijd ingestoken en dat werd helemaal niet gewaardeerd en dat heeft hij wel moeilijk gevonden. Hij vertelt dat, zodra iemand zijn nek uitsteekt voor de club, hij een soort boeman wordt en dat is heel erg ondankbaar. Maar die activiteiten, zoals het Fotografenportret, het schrijven van rapporten naar de minister toe, dat zijn toch wel dingen die de GKf-of individuele leden aankaarten. Vind je nou dat dat resultaten heeft opgeleverd? “Misschien niet direct, maar toch wel indirect op de één of andere manier. De erkenning van het feit dat er een club bestaat van fotografen, die de moeite waard zijn en waarvan het werk bewaard moet worden, de negatieven geregistreerd moeten worden, voor als ze er niet meer zijn: Carel Blazer, Emmy Andriesse.

76


Dat is toch gaan leven en dat bestond daarvóór geloof ik niet. Als de GKf er niet was geweest dat kon je niet wijzen op dat kleine groepje eerlijk werkende fotografen, dan was het zoeken in het wilde weg. En dat is toch schitterend.. Een fotografenportret. Ik weet niet meer wie dat bedacht heeft, maar, daar hebben, dat hebben geloof ik alle kamerleden gekregen,.. Verdomd ja. Jullie hoeven nog maar even te praten en ik begin weer… dan begin ik weer…” 77

Oscar van Alphen, interview op 27-11-1985

Het interview met van Alphen begint met de uitleg, waarin hij stelt dat wij in Nederland nooit zo erg goed zijn geweest in het formuleren van een eigen taal voor de fotografie. Onderzoek naar het wezen van de GKf is dan ook wel moeilijk, zegt hij naar aanleiding van het interview. Van Alphen heeft nooit een fotografieopleiding gevolgd. Dat heeft hij wel als een gemis gezien. Bij zijn ontwikkeling heeft hij veel aan Carel Blazer gehad. Carel had volgens Van Alphen een groot relativeringsvermogen, maar “hij wist wel wat kwaliteit was, dat wist hij verdomd goed en hij zat niet vast aan oude traditionele regels”.

Alphen vindt dat ze soms wel eens wat te ver gingen. Vooral bij Blazer zat de oorlog erg diep. Toch waren de leden niet vies van geld verdienen, vertelt hij. In dat opzicht viel het linkse wel mee. Veel van de leden werkten ook voor commerciële opdrachtgevers. Van Alphen erkent dat hij binnen de GKf eigenlijk alleen met Carel Blazer echt een goede band had, voor de rest stond hij toch een beetje op de zijlijn. Hij had bewondering voor Ad Winding. “Zijn werk eigenlijk niet zozeer, het was mij allemaal te mooi en te esthetisch. Maar ik vond Ad Winding als persoon een interessant figuur. Die heb ik ook wel gevolgd. Maar verder eigenlijk niet zoveel hoor.” Over de vraag wat voor hem de reden was om lid te worden van de GKf is hij heel duidelijk: “Nou ja god, het was de enige organisatie, die er voor in aanmerking kwam. Je wou in ieder geval proberen om niet helemaal geïsoleerd te staan.

Van Alphen vertelt hoe de ballotages gingen in het begin. Dat het kleine huiskamer bijeenkomsten waren, waar een hoop gegiecheld werd en iedereen zich een beetje geneerde om zijn zegje te doen. Ook was het zo, dat in het begin de meeste mensen die werden geballoteerd al bekenden waren van leden van de GKf.

Het was sowieso al moeilijk genoeg om het leven te houden als fotograaf. Dus enige steun kon je daar best bij gebruiken. En dan was de GKf, die lag gewoon in de lijn van… Nou ja, als je inderdaad wat anders wilde dan alleen maar nieuws fotograaf te zijn of in dienst te treden bij een krant of iets dergelijks… En als je freelance was en meende zelf het te moeten doen, nou ja goed, dan was dat de enige wat er overbleef. En nou ja natuurlijk, het had een klank, het had een naam.”

Blazer wilde altijd weten, als die gene de oorlog had meegemaakt, of hij dan goed was geweest in de oorlog, anders maakte je geen schijn van kans. De GKf was toch een linkse organisatie, maar Van

Hij vertelt verder nog dat het tegenover opdrachtgevers goed klonk als je kon melden dat je uit de GKf-stal kwam, dus dat hielp wel bij het krijgen van opdrachten. In dat opzicht had de verenig-


ing zelfs in het begin al een beetje de functie van een belangenverering. Hij vindt het ook goed dat de GKf, op het moment van het interview is uitgegroeid tot een echte beroepsvereniging. Je moet toch meegaan met de veranderingen van de tijd, zo zegt hij.

“Het is nu een belangenvereniging, een voorzieningenfonds, het geeft verzekeringsmogelijkheden, noem maar op… Dat zijn allemaal dingen die van belang zijn, waardoor je wel degelijk lid blijft, ja. Maar waarom, waarom, ik hoef toch niet met 150 mensen om te gaan..”

Van Alphen wordt gevraagd of hij vindt dat de GKf een belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis van de Nederlandse fotografie. Hij denkt niet dat de vereniging als zodanig zoveel verschil heeft uitgemaakt, maar de individuele fotografen wel.

“…ja vanuit die oorlog was er natuurlijk een bepaalde solidariteit, maar ook een gedwongen. Ook in die zin van: ja je moest wel, want stel je voor zeg. In die oorlog kon je het je al helemaal niet permitteren natuurlijk om het op je eentje te manoeuvreren. Dat was sowieso al nodig door de omstandigheden… dat was eer natuurlijk inderdaad. En vanuit de gedachte dat dát de binding was van de houding die je ten opzichte van dat werk, werd overgenomen van de houding die je in de oorlog had tegenover wat zich toen afspeelde. Dat is duidelijk. Dat is de basis geweest en in de grond van de zaak is dat, voor de ouderen zeker, nog steeds de basis van de GKf…”

Het interview gaat nog even door over de ballotage. Er wordt van Alphen gevraagd of er tijdens het balloteren in de vroege jaren altijd dezelfde mensen waren die hun menig gaven over de ingezonden foto’s. Van Alphen legt uit dat dit per inzending verschilde. Degene die het werk kende vanuit zijn eigen werkveld die reageerde. Wel vond iedereen mentaliteit belangrijk. Als iemand de verkeerde mentaliteit had dan kon hij het wel schudden. In de tijd van het interview zijn ze met 150 man. Dan is de mentaliteit per lid een stuk moeilijker te pijlen. Maar van Alphen vindt het gewoon heel erg belangrijk. Vooral toen ze nog een kleine groep waren, was het heel erg belangrijk omdat je toen veel met elkaar deelde. Je trok toch veel met elkaar op. Dan was het belangrijk dat je het kon vinden met elkaar. Van Alphen wordt gevraagd waarom je dan nog lid zou worden van een dergelijke club, als je toch een heleboel mensen niet meer kent.

Van Alphen vermoedt dat dit voor de jongere generatie wel anders is. Hij denkt dat het hen ook een beetje zal tegenvallen in de GKf. Zij vinden het onderlinge contact ongetwijfeld te beperkt. Dat kan hij zich wel voorstellen. Zij moeten zich, volgens hem maar eens bundelen, iets anders verzinnen. Van Alphen heeft niet veel direct samengewerkt met leden van de GKf, ook heeft hij niet veel voor vormgevers gewerkt via de GKf. Hij ziet fotografie echt als een medium, hij ziet het niet als kunst. Maar als mensen bereid zijn om er geld voor neer te tellen, dan vind hij dat prima, dan wil hij het best inlijsten en ophangen.

78


Hoewel kunst dus geen doel is zoekt hij wel steeds naar de grenzen van het medium fotografie, “Omzetten van taal in beeld of van beeld in taal. Dat zijn processen die ik interessant vind.” Van Aphen vertelt dat hij dit een stuk interessanter vind dan esthetisering. Op de vraag of het stimuleren van een theorievorming of een taal voor de fotografie, belangrijk is binnen de GKf antwoordt hij: 79

“…de GKf als hoeder van kwaliteit, nou dat is in zekere zin waar. Ik geloof daar nog steeds in. Het is ook zo álles wat binnen de GKf zit, wel degelijk kun je spreken van een bepaalde kwaliteit. Maar het is niet meer zo dat het zo exclusief is ten aanzien van datgene wat zich buiten de GKf afspeelt. Ook daar zit kwaliteit. Dat zie je om je heen, overal. Alleen al in Nederland, zeker in het buitenland nog veel meer…” Volgens Van Alphen is de GKf niet alleen de hoeder van kwaliteit, maar ook van bepaalde opvattingen. “Ik vind de GKf in principe een hele conservatieve behoudende vereniging. Ja, die in de grond zaak eigenlijk heel weinig geïnteresseerd zijn in het medium zelf. In de fotografie.” Van Alphen vertelt over de Gerrit Rietveld Academie en ontwikkelingen in de moderne tijd zoals videoclips enz. Dat er veel is veranderd met betrekking tot beeld, maar dat de GKf er niet genoeg in mee is gegaan. Ook heeft hij kritiek op het feit dat mensen die van een kunstacademie af komen en fotografie hebben gestudeerd, meteen in het ‘kunst’-hokje worden geplaatst. Hij heeft er bezwaar tegen dat het meteen

kunst moet zijn. Hij verwacht dat het nooit echt beeldende kunst wordt, je kunt het zo behandelen, maar het is het niet. Er wordt gevraagd of de GKf Van Alphen heeft gestimuleerd bij het fotograferen. In eerste instantie zegt hij nee. Maar uiteindelijk geeft hij toe dat er in het begin toch wel een zekere stimulans uitging van het lidmaatschap: “Je had een soort onderkomen. En impliciet werd je wel gestimuleerd om je te ontwikkelen. Maar uiteindelijk moest je het behoorlijk alleen doen.” Hij heeft zich dikwijs best geïsoleerd gevoeld.


80


Bijlage 2: interviews 2004 81


Merlijn Doomernik,

telefonisch interview op 14-12-2004 We vallen met de deur in huis. Doomernik legt uit dat hij, bij wijze van spreken tot de fotoboeren behoort. Hij is toegepast fotograaf en is lid van zowel de NvF als van de GKf. Onder fotoboeren verstaat hij fotografen die in een hoge productiviteit veel fotograferen voor veel verschillende opdrachtgevers. Hij heeft stage gelopen bij de Volkskrant en werkt nu zelf veel voor kranten en tijdschriften. Hij maakt hoofdzakelijk portretten. Doomernik is lid is van de GKf. omdat hij het een goede club vindt. De origine is daarbij belangrijk, de traditie. Hij legt uit dat zijn moeder ook nog steeds de Volkrant leest vanuit een linkse traditie. Dat was van oorsprong een goede krant. Zo is het met de GKf ook een beetje. Daar krijg je toch nog steeds een links gevoel bij. Niet echt vanuit een overtuiging, maar vanuit traditie. Doomernik geeft toe dat je inmiddels wel steeds meer over een mythe kan spreken. Het lidmaatschap is Doomernik ook min of meer een beetje overkomen. Hij vertelt dat er twee manieren zijn om lid te kunnen worden van de GKf. De eerste manier is door aspirant-lid te worden en dan via een ballotage commissie lid te worden.

“Het klink misschien een beetje nuchter, maar het is dus eigenlijk gewoon een toevalligheid geweest dat ik lid ben geworden.” De GKf als hoeder van kwaliteit roept wat vraagtekens op bij Doomernik. Als voorbeeld neemt hij het jaarboek van de GKf. Daar zitten toch aardig wat fotografen bij waar hij zo zijn vraagtekens bij heeft. Hij noemt het zelf hobbyfotografen die in het boek staan. Dus of ze kwaliteit behoeden…? Als excuus voert hij aan hij dat ik me moet realiseren dat de GKf zelf eigenlijk alleen bestaat uit een kantoor, waar één parttime medewerkster zit. Het kantoor is alleen op maandag en dinsdag geopend. De beroepsvereniging, bestaat uit het collectief van de leden. Alle bestuurstaken worden gedaan door leden van de verenging op vrijwillige basis. Doomernik vind dat eigenlijk iedereen lid moet kunnen worden van een beroepsverenging, als je maar beroepsfotograaf bent. In dat geval zou de GKf dus ook eigenlijk helemaal niet moeten balloteren en gewoon alle beroepsfotografen aannemen. Ik vraag hem of het lid zijn van de GKf een bevestiging is van zijn fotografie. Hij vindt van niet.

De tweede manier is, dat je wordt voorgesteld door twee leden van de GKf. Hij is lid geworden via de laatste manier. Dit betekent dat er gewoon twee leden waren die het op dat moment een beetje rustig hadden en die toen vrijwillig hebben besloten tijd te stoppen in het lid maken van Doomernik.

Misschien was het vroeger zo, dat kan hij zich heel goed voorstellen, maar nu is dat niet meer. Soms helpt het wel om lid te zijn, vooral bij het maken van boeken en tentoonstellingen. Toch is die invloed algemeen geworden en niet meer zo specifiek gericht op de GKf, vertelt hij.

Zo is het hem een beetje in de schoot geworpen.

Hij vindt dat het begrip kwaliteit van de GKf ook

82


erg relatief is geworden. Fotografen die lid worden en een goed niveau hebben bij binnenkomst zouden, volgens Doomernik, eigenlijk in de loop der jaren moeten worden blijven geballoteerd. Zo kun je echt eens kijken hoe het niveau is. Nu blijven veel fotografen nog tijden teren op werk wat ze jaren geleden hebben gemaakt, met als gevolg dat de kwaliteit bij bestaande leden ook niet erg hoog blijft. Zo behoed je kwaliteit, denk hij. 83

Ik vraag Doomernik of hij wel eens naar de vergaderingen gaat. Hij is nog niet zo heel erg lang lid, maar hij moet toegeven dat hij nog niet naar de vergaderingen is geweest. Hij wil wel, maar het is er nog niet van gekomen. Hij heeft het te druk met fotograferen. Ik vraag hem waarom hij dan lid is, als hij toch ook niet naar de vergaderingen gaat. En waarom vindt hij het dan een leuke groep mensen als hij geen contact met ze heeft? Maar hij vertelt dat er leuke projecten zijn waar hij aan mee doet die de GKf organiseert, zoals het jaarboek, waarbij iedereen een foto inlevert en de groepstentoonstellingen. We raken aan de praat over dat er wel vijf beroepsverenigingen voor fotografen zijn in Nederland en dat best heel veel is. Doomernik denkt dat de GKf wel de minst professionele is van het stel. Bijvoorbeeld de reclame jongens van Panl. Daar zit toch wel geld. Die zijn rijker en bij het maken van hun foto’s is inhoud eigenlijk niet van belang. Ook de NvF is veel professioneler dan de GKf. Zij zijn ten eerste al

veel groter. Hebben advocaten in dienst en hebben een professioneel bestuur. “De GKf had recentelijk het idee om collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekeringen te sluiten”, vertelt Doomernik. “Maar dat kan natuurlijk bijna niet. In de GKf zitten fotografen die net boven de uitkeringsgrens zitten, maar ook zitten er jongens die goed rond kunnen komen. Het is een heel diverse club, daar kunt je niet zomaar collectieve overeenkomsten voor sluiten.” Doomernik stelt zelf, aan de hand hiervan de vraag wat de GKf dan bindt. “In geld is er teveel verschil.” Ik vertel hem dat de oude garde, in de oude interviews zegt dat dit het linkse gedachtegoed van de GKf is, samen met de passie voor een relatief moeilijk vak, namelijk fotografie. Hij vertelt dat dit waarschijnlijk nog steeds wel een beetje zo is. Het zou hem niet verbazen als het nog steeds voornamelijk fotografen zijn met linkse uitgangspunten die lid worden van de GKf. Ik vertel ook dat er in de interviews wordt gesproken van een concurrentie gevoel. Dat de oude garde vertelt dat ze nooit echt openlijk ruzie maakten, maar dat ze wel frustraties voelden als iemand anders er met de opdracht vandoor ging. Doomernik is een beetje verbaasd, “dat hebben wij onderling helemaal niet. Ja, je denkt wel eens, die opdracht had ik ook wel willen doen. Of dat had ik beter gedaan, maar je gunt het elkaar.”


We praten verder over het bestuur. Doomernik vertelt dat het heel erg belangrijk is, wie er in het bestuur zitten. Het zijn altijd vrijwilligers uit de leden. Deze mensen zijn bijna altijd amateurs als het gaat om besturen. Het zijn vaak mensen die op dat moment niet zoveel te doen hebben als het gaat om fotografie, want als je veel werk hebt, dan heb je geen tijd om in het bestuur te gaan. “Het zijn echt amateurs, dan gaat het bij de NvF een stuk professioneler,” zegt hij Ik vraag of de GKf dan niet groter moet worden en ook een professioneel bestuur moet nemen. “Ja, natuurlijk moet het groter wil je professioneler kunnen worden.” Of de GKf als club er ook gezelliger op wordt dat betwijfeld hij. Ik maak de opmerking dat als ze groter worden het nog moeilijker is om een mate van kwaliteit te behouden. Maar Doomernik vindt dat die kwaliteit toch al niet zo hoog is. “Als ze naar buiten toe een kwaliteit willen waarborgen, dan moeten ze dat naar binnen toe ook doen en dus, zoals ik al zei steeds hun leden blijven balloteren. Ook tien jaar later nog.” Doomernik concludeert dat het eigenlijk geen club meer is van deze tijd. Maar juist dat vindt hij er ook zo leuk aan. Bij de NvF is het niet leuk, daar zijn de vergaderingen vreselijk, vertelt hij. Er is gewoon niet meer zoveel reden om betrokken te zijn bij een club als de GKf. De meeste doelen zijn wel behaald. Er is redelijk werk voor iedereen. Er is meer geld in omloop, meer vraag naar beeld,

dus de noodzaak om samen te spannen in een verenging is er niet meer zo erg, legt Doomernik uit. Wel vindt hij het gewoon erg gebroederlijk bij de GKf, gezellig en dat is dan misschien ook het bestaansrecht van de GKf. Ik vertel hem dat wij als jonge fotografen op een academie eigenlijk nauwelijks horen van de GKf. De GKf wat is dat? Wie zijn dat, waar staat dat voor? Hij begrijpt dat gevoel wel. Er zijn veel mensen die niet eens weten waar de afkorting GKf voor staat. De F van fotografie zit er niet eens in. Toch ziet hij de GKf niet met folders langs de academies gaan, dat past toch niet echt. Wel zouden ze zich meer moeten profileren en zich niet in zaaltjes achteraf moeten laten stoppen. Ze zouden wel meer moeten kunnen vertellen wie ze nu zijn en waar ze staan, denkt hij. Dat de GKf amateuristisch is vindt Doomernik eindelijk ook wel erg leuk aan de GKf. Toch heeft dit tot consequentie dat je er als beroepserkenning weinig aan hebt. Alleen al dat ze maar twee dagen per week open zijn is al onprofessioneel. Als je rechtsbijstand nodig hebt dan moet je eerst een halve week wachten voor je überhaupt iemand kunt bellen, vertelt hij. Om die reden moet je dus geen lid worden van de GKf. Wat dan wel de reden is? Het gezellige samenkomen. Het lachen met elkaar en samen dingen doen. Ik vraag hem wanneer hij dit soort dingen dan meemaakt. “Met tentoonstellingen, bij bijeenkomsten van de aspirant leden en dat soort dingen, dan merk je het gebroederlijke heel erg.”

84


Anne-marie Trovato,

schriftelijk interview 06-12-2004 Mijn eerste vraag is waarom ben je lid van de GKf?

En speelt dit dan een rol in je werk?

Tweede vraag: ben je actief lid van de GKf? En zo ja, wat doe je zoal binnen de vereniging?

Trovato: “Ja, maar aan de foto’s is dit niet direct te zien . Je voert wel meer gesprekken met mensen en indirect zoek je dan weer naar een onderwerp om te fotograferen, die dan uit deze gebeurtenissen voortkomen.”

“Ik was heel erg actief. Heb de aspiranten een paar jaar geleid”

Denk je dat je publiek nog wordt geraakt door jou beeld? En zo ja; waarom?

Vraag: wat is jouw lijfspreuk, met betrekking tot het engagement van de GKf?

Trovato: “Dat hoop je natuurlijk altijd. En als je een onderwerp belicht wat nog niet zo vaak of zo intensief is gefotografeerd vergroot je de kans.”

Trovato antwoordt, “Om ervaringen te delen, te overleggen. Om over “Fotografie” te praten.

85

Fortuyn en de recente moord op Theo van Gogh?

Trovato: “Lijfspreuk niet, maar gedachte: Er zijn mensen die nog heel erg geëngageerd werken. Ook is er een nieuwere stroming die dat minder doet. Die het meer hebben “over” het beeld, de betekenis van een foto.” Werd je bij het lid worden gevraagd hoe je stond tegenover engagement? Trovato: “Weet ik niet meer.” Vraag: vind je dat je eigen werk geëngageerd is? En in welk opzicht dan? Trovato: “Ja, voor mij was dit ook een duidelijke reden om juist van de GKf lid te worden. Ik laat het leven zien van mensen die het vaak minder hebben, sociale posities aan anderen overbrengen dus. Daarbij voel ik me ook betrokken bij mijn onderwerp.” Vraag: Wordt jij als fotograaf geraakt door maatschappelijke gebeurtenissen als 11 sept. , Pim

Maak je beeld puur voor jezelf of voor je kijker? En waarom? Trovato: “Ik probeer in eerste instantie beeld voor mezelf te maken, maar meestal laat ik me toch ook een beetje lijden door “mooi”, “esthetisch” en zelf “trends” in de fotografie. Hoe zie jij de toekomst van het engagement binnen de GKf? Trovato: “Tja, die zal blijven schommelen tussen meer/minder. Ik geloof niet dat het verdwijnt.” Kan volgens jou de GKf op dezelfde manier door blijven gaan, met dezelfde idealen en doelen als de afgelopen jaren en waarom wel/niet? Trovato: “wat mij betreft wel, omdat ik juist om die samenstelling en werkwijze lid ben geworden.”

Alex ten Napel,


schriftelijk interview op 15-12-2004 Waarom ben je lid van de GKf? Ten Napel: “Door verbondenheid met andere fotografen voel ik me niet alleen bij het voor het voetlicht brengen van Nederlandse fotoprojecten en documentaires. Alle leden van de GKf werken naast hun fotografie hun ‘om brood ‘ te verdienen ook aan eigen producties. Ze hebben een verhaal wat ze willen vertellen en dat spreekt me aan. Met de GKf wil ik deze fotografie een belangrijke plaats geven in de samenleving.”

een antenne voor de tijd en menselijke gevoelens en gedachten. Alleen ik ben geen dominee. Ik verbeeld mijn gedachten over een onderwerp en houd het de toeschouwer voor.” Word jij als fotograaf geraakt door maatschappelijke gebeurtenissen als 11 sept., Pim Fortuyn en de recente moord op Theo van Gogh? En speelt dit dan een rol in je werk?

Ten Napel: “Ik ben pas lid, dus nog niet zo erg actief. Bovendien heb ik het even razend druk.”

“Als persoon wel, als fotograaf niet. Het heeft geen invloed op mijn werk, ik ga gewoon door met waar ik gebleven was. Mijn serie over kinderen van de Elout en hun families, blijft de zelfde uitgangspunten en boodschap houden. Het is niet zo dat ik er nu een draai aan geef om de samenleving een spiegel voor te houden.”

Wat is jouw lijfspreuk, met betrekking tot het engagement van de GKf?

Denk je dat je publiek nog wordt geraakt door jouw beeld?

Ten Napel: “Vertel je eigen verhaal en voeg dit toe aan het fotoalbum over onze tijd.”

“Ja zeker, dat merk ik aan de reacties en ik zou niet zonder kunnen.

Werd je bij het lid worden gevraagd hoe je stond tegenover engagement?

Maak je beeld puur voor jezelf of voor je kijker? En waarom?

Ten Napel: “Neen, het is ook niet een vooropgezette bedoeling van mij om met mijn fotografie geëngageerd mededelingen te doen over deze tijd. Het is meer zoiets van: ‘ik stond erbij en keek ernaar’ en oordeel jij zelf nu maar”

“Voor mezelf en de kijker. Ik kan geen beelden maken waar ik zelf niets bij voel. Ik kan geen beelden maken die de toeschouwer niet raken. Dat is voor mij belangrijk in de evaluatie van een project.”

Ben je actief lid van de GKf?

Vind je dat je eigen werk geëngageerd is? En in welk opzicht dan? Ten Napel: “Zie boven, eerder doe ik mededelingen in portretten over het menselijk bestaan in al zijn facetten. Dat kan niet zonder gevoel voor en dus

Hoe zie jij de toekomst van het engagement binnen GKf? “Engagement is ouderwets. Je moet niet de verwachting hebben de wereld te kunnen veranderen met je beelden. Dat is wel gebleken na een eeuw fotografie. Je kan wel, met je fotografie

86


87

mededelingen doen over je tijd en de mensen die toen leefden.Dat is leuk voor later. Kunnen ze over honderd jaar zich rot lachen in het Historisch museum.”

gierigheid naar andere mensen, ‘human interest’.”

Kan volgens jou de GKf op dezelfde manier door blijven gaan, met dezelfde idealen en doelen als de afgelopen jaren en waarom wel/niet?

Scagliola: “Nee.”

“Neen de tijden zijn veranderd. De GKf moet zich sterk maken voor de persoonlijke onafhankelijke fotografie zodat het er kan zijn en blijven bestaan voor ons en onze kinderen. Ik zie fotografie als belangrijk onderdeel van de historie, deze is overigens hetzelfde lot beschoren als de fotografie. Men wil er geen lering uit trekken zo zit de mens nu eenmaal in elkaar.”

Daria Scagliola,

schriftelijk interview op 15-12-2004 Waarom ben je lid van de GKf? Scagliola: “Het was destijds(± 10 jaar geleden) de enige belangenvereniging die in aanmerking kwam voor het soort werk wat ik deed.” Ben je actief lid van de GKf? Scagliola: “Nee. Ik heb het te druk met twee kleine kinderen, bij veel activiteiten komt het er toch op neer dat je naar Amsterdam moet, en ik moet toch al veel reizen. Ik overweeg om daar verandering in aan te brengen...” Wat is jouw lijfspreuk, met betrekking tot het engagement van de GKf? “Ik heb geen lijfspreuk, mijn drijfveer is nieuws-

Werd je bij het lid worden gevraagd hoe je stond tegenover engagement?

Vind je dat je eigen werk geëngageerd is? En in welk opzicht dan? “Toen ik begon als fotograaf, was er wel sprake van en zekere betrokkenheid, ik fotografeerde veel mensen en hun omgeving, maar tegenwoordig doe ik voornamelijk architectuur. Als ik wat meer tijd zal krijgen in de toekomst, hoop ik dat ik weer wat meer me kan bezig houden met verschillende benaderingen.” Wordt jij als fotograaf geraakt door maatschappelijke gebeurtenissen als 11 sept. , Pim Fortuyn en de recente moord op Theo van Gogh? En speelt dit dan een rol in je werk? “Ik ben wel als privé-persoon geraakt door dergelijke gebeurtenissen en in mijn werk ondervind je meer argwaan van iedereen t.o.v. camera’s etc. Ik fotografeer veel op straat en soms in wijken waar veel Marokkanen wonen of in wijken waar veel arme blanken wonen (white trash) in beide gevallen tref je soms een zekere spanning aan.” Denk je dat je publiek nog wordt geraakt door jouw beeld? “Af en toe (echt zelden) maak je een foto die men echt de moeite waard vindt, de meeste foto’s zijn gebruiksgoed, hoe goed gemaakt ook.”


Maak je beeld puur voor jezelf of voor je kijker? En waarom? “Niemand maakt beeld puur voor zichzelf, en ook niet puur voor de beschouwer, het is een communicatiemiddel dus het komt van twee kanten.” Hoe zie jij de toekomst van het engagement binnen GKf? “Ik zie weinig echt engagement binnen de GKf, maar op een wat minder streng gedefinieerd niveau zal het wel blijven bestaan, men zal altijd andere mensen willen blijven vastleggen en situaties in de samenleving zijn inspirerend voor beeldmakers. Of er sprake is van werkelijke belangstelling en of fotograferen de vorm is om daar uiting aan te geven...?” Kan volgens jou de GKf op dezelfde manier door blijven gaan, met dezelfde idealen en doelen als de afgelopen jaren en waarom wel/niet? “De huidige doelen en idealen zijn mij niet duidelijk, volgens mij is het een vereniging die voornamelijk zich baseert op een verleden, die nu echt geschiedenis is geworden. De leden die dit deel van de geschiedenis hebben meegemaakt zijn bijna allemaal overleden en de jongere generatie heeft niet dezelfde saamhorigheid omdat zij deze niet nodig hebben. Om die reden heeft de GKf (Lizet) vaak zo’n moeite om de leden tot een zekere actie te bewegen. Aan de andere kant het is een vereniging waar de, zoals ik ze noem, de ‘vuile eenzamen’, want dat zijn fotografen over het algemeen, blijkbaar een plek hebben.

De andere federaties zoals de BFN worden bevolkt door voornamelijk mannen, die het vak op een heel zakelijke manier bekijken.”

Reinier Gerritsen,

schriftelijk interview op 27-12-2004 Waarom ben je lid van de GKf? “Voor contact met collega’s en om met hun bepaalde zaken in het vak te bespreken c q op te reageren” Ben je actief lid van de GKf? zo ja, wat doe je zoal binnen de vereniging? “Redelijk, was 3 jaar voorzitter en zat 6 jaar in het bestuur, en organiseerde menige tentoonstelling, etc.” zo nee; waarom ben je geen actief lid (meer)? Wat is jouw lijfspreuk, met betrekking tot het engagement van de GKf? “Weet ik niet.” Werd je bij het lid worden gevraagd hoe je stond tegenover engagement? “Nee.” Vind je dat je eigen werk geëngageerd is? En in welk opzicht dan? “Ik voel me betrokken bij maatschappelijke problemen en in een aantal projecten die ik doe komt die visie naar voren.” Wordt jij als fotograaf geraakt door maatschappelijke gebeurtenissen als 11 sept. , Pim Fortuyn en de recente moord op Theo van Gogh? En speelt dit

88


dan een rol in je werk? “Het raakt me zeker, maar of het m’n fotografie beïnvloed, moeilijke vraag.” Denk je dat je publiek nog wordt geraakt door jou beeld?

89

zo ja; waarom wel? “Ja, omdat je dingen kunt laten zien die niet zo bekend zijn.” zo nee; waarom niet? Maak je beeld puur voor jezelf of voor je kijker? En waarom? “Ik werk voor publiek, en niet voor mij zelf.” Hoe zie jij de toekomst van het engagement binnen GKf? “Tanende, als gevolg van de invloed van het ik tijdperk.” Kan volgens jou de GKf op dezelfde manier door blijven gaan, met dezelfde idealen en doelen als de afgelopen jaren en waarom? “Eigenlijk denk ik van niet, maar het ledental is stijgend, dus daar heb ik blijkbaar geen gelijk in.” E-mail Will van Iersel 04-12-2004 “Wat ik je duidelijk wil maken is dat de GKf en Engagement een mythe is die menig lid graag aan hangt; zoiets als ik ben lid van de GKf en daarmee een bevestiging van zijn of haar fotograafschap. Ik ben geen lid van GKf geworden vanwege het en-

gagement, maar om met vrienden en collega’s na te denken over de fotografie en dingen te maken zoals het jubileum boek ‘50 jaar GKf’. Een groepstentoonstelling samen met Raimond Wouda in vijf oude Bijlmerflats en zeven jaar lang in de redaktie van Hollands Licht, het kwartaaltijdschrift van de GKf. Dit alles niet zo zeer uit engagement of betrokkenheid met de maatschappij (zoals gezegd daar heb je de GKf niet voor nodig) maar meer uit liefde voor de fotografie en nieuwsgierigheid naar de historie van de GKf en de Nederlandse fotografie. Hollands Licht is een mooi voorbeeld hoe de GKf werkt. Opgezet door een aantal leden met het idee om een kwartaal blad te maken dat over inhoud gaat en niet over techniek en daarnaast mooi Portfolio van fotografen laten zien. Het blad is na negen jaar ter ziele omdat binnen de vereniging er weinig leden te vinden zijn die hun tijd en energie er in willen steken. Dat is prima, aan alle mooie dingen komt een eind! Er is nu (geloof ik) een aardige website opgebouwd door een nieuw lid en men probeert ieder jaar een boek te maken. En zo rolt de vereniging in de nieuwe tijd. Engagement is niet te vergelijken, we leven veel meer in een beeldmaatschappij dan vijftig/dertig jaar geleden en om aandacht voor je werk te krijgen moet je andere tactiek toepassen. Een fotograaf die in de jaren zeventig foto’s maakt van kinderen die van de honger sterven getuigt van groot engagement met de mensheid.


Zij waren de enig journalisten die dat op dat moment deden. Een hongerend kind nu fotograferen en op de ANP fax zetten om het aan de kranten te verkopen getuigt, naar mijn idee, van cynisme en geld gewin. Maar een hongerend kind fotograferen en de foto���s te gebruiken voor een website om aandacht te vragen voor 8 basis behoeften en daarnaast een marketing techniek toepassen om zoveel mogelijk wereldleiders en mensen te bereiken en naar je site te lokken (zie http://www.first8.org/ ) getuigt van hedendaags engagement en slimheid! De eerste twintig leden van de GKf (zo’n beetje alle toenmalig fotografen van Nederland) zaten samen aan tafel om vooral over fotografie, techniek en opdrachtgevers te praten. Volgens mij is er niet veel veranderd. Ik ben benieuwd naar je gesprekken met, en de antwoorden van, en wens je veel succes!”

90


Bijlage 3: Gesprek in het ACF vrijdag 17 december 2004. 91


Om meer duidelijkheid te krijgen over engagement binnen de GKf heb ik een kringgesprek georganiseerd met, in eerste instantie de aspirant-leden van de GKf. Juist de aspirant-leden staan voor de vraag wat de GKf nu te bieden heeft, vandaar dat zij als in eerste instantie uitgenodigd zijn. Uiteindelijk is de vraag rond gegaan of iedereen die binnen de GKf belangstelling had voor een dergelijk gesprek ook aanwezig wilden zijn, helaas komt daar weinig reactie op. In het kringgesprek dat plaats vond in het Amsterdams Centrum voor de Fotografie (ACF), zit ik om de tafel met verschillende aspirant-leden van de GKf. De vraag vanuit de aspirant-leden is om hun namen niet te noemen. Ze hebben het gevoel dat ze nog bezig zijn met voor zichzelf uit te zoeken hoe zij tegenover de GKf staan. Ze hebben wel ideeën over de GKf, maar zijn bang dat ze iemand voor het hoofdstoten als zij nu een negatieve uitspraak doen terwijl ze daar uiteindelijk misschien wel weer van terug willen komen. We zitten in een zaaltje met op de achtergrond het eindexamen werk van Nancy Lee, die in 2004 is afgestudeerd op St. Joost en die ik dus ook ken. We hebben eerst met elkaar afgesproken in het FOAM waar die avond een opening was. Van het FOAM zijn we naar de Bethaniënstraat gelopen. Ik ben zelf wat onzeker over of er nog meer mensen komen dan het viertal dat wij nu vormen. Uiteindelijk zou blijken dat het bij dit gezelschap blijft. We zijn dus met zijn vieren. Twee aspirant-leden, fotograaf Han Singels (1942 - ) en ik. Han Singels

ken ik al van mijn stage en sindsdien hebben we zo nu en dan contact. Ik kan het goed met hem vinden. Ik weet nog niet zo goed hoe dat gaat, dat aspirant lid zijn. Maar allereerst wordt mij verteld dat tijdens de vergaderingen je in principe je werk kan laten zien. Meestal komen er ongeveer 6 tot 12 leden, waar van niet iedereen aspirant lid is. Al meteen wordt mij verteld dat het met meningen geven op een vergadering tegenvalt. “Er wordt helemaal niet gereageerd als je werk op tafel legt. Je krijgt geen respons” Het is mogelijk om twee jaar lid te zijn bij de aspiranten van de GKf. Daarna kan je meedoen aan een ballotage en als je aangenomen wordt dan ben je echt lid. We beginnen een gesprek over de behoeften om menige te horen over waar je mee bezig bent. Juist om die reden zoek je uiteindelijk ook een collectief. Je wilt kunnen praten over je werk en over je ideeën. Maar het beeld van de aspirant leden die tegenover mij zitten is toch dat de GKf bij de aspiranten hier niet aan voldoet. Tijdens de vergaderingen gevende leden onderling geen mening of durven deze niet te geven. De aspirant-leden die voor mij zitten vertellen mij dat er vaak bijna hobby fotografie tussen zit. Ik leg de aspirant-leden voor of ze denken dat de GKf een beschermer kan zijn van kwaliteit binnen de fotografie, als deze leden het al hobby fotografie noemen, vraag ik me sterk af of zij geloven in het beschermen van kwaliteit.

92


De aspirant-leden vinden het wel een taak van de GKf, maar vinden dat dit dan om te beginnen naar binnen toe eens grondig zou moeten worden herzien. Eén van hen zegt: “Misschien moeten ze zelfs onderschijt maken tussen leden die nog actief in de fotografie zijn en de mensen die niet meer actief zijn. Misschien moeten ze dan die niet actieve leden een soort erelid maken ofzo.” 93

Ik vraag waarom de aspirant-leden lid zijn geworden van de vereniging en wat de motivatie zou zijn om lid te worden van de GKf. Voor één van de leden is dat om dingen met elkaar te kunnen bespreken en van elkaar te kunnen leren. Voor de ander is dat toch vanuit traditie. Een bewondering voor de oude generatie en het belang van het lid zijn van een vereniging. Ook speelt mee dan niet alle verenigingen passen bij hun ideeën over fotografie. Na twee jaar lid te zijn geweest, van de aspiranten vereniging van de GKf. Is nu de keuze belangrijk, wil ik echt lid worden van de GKf of niet? Aan de ene kant zien de aspirant-leden het lidmaatschap wel als een eer. Je mag te toch verbinden aan een groep waar goede fotografen bij aangesloten zitten. Wel hebben de aspirant-leden moeite met het idee dat er ook mensen bij komen die gewoon worden uitgenodigd door twee andere leden. “Dat is gewoon vriendjes politiek.” We praten verder over het gezicht van de GKf. De aspirant-leden vertellen mij dat als ze mensen vertellen: ‘ik ben lid van de aspiranten vereniging van

de GKf’, de reactie vaak is, ‘dat is toch die stoffige club.’ Ik vraag de aspirant-leden wat zij nu vinden van de GKf. “Oude glorie”, is het antwoord. Toch voegen de aspirant-leden er aan toe dat het wel, nog steeds een eer is om er lid van te zijn. Eén van hen vraagt zich af hoe het allemaal zo lafjes is geworden en wat de GKf nu op dit moment nog doet, wie ze nu zijn. Han Singels, die zich nu ook ons gezelschap gevoegd, wil hier even ingrijpen. “De GKf heeft weldegelijk een aantal bijdragen geleverd aan de Nederlandse fotografie,” vertelt hij. “De oprichting van het FOAM bijvoorbeeld, daar is de GKf heel erg belangrijk in geweest. De GKf is niet altijd direct te labelen aan dingen,” geeft hij toe, “maar ze zijn weldegelijk aanwezig. Dingen vinden plaats die niet direct te binden zijn, maar ze zitten op veel verschillende plekken.” De aspirant-leden hebben hier wel een tegen woord op, één van hen vind dat de GKf vaak niet genoeg te herkennen is als ze deelnemen aan initiatieven en dat ze daarom ook vergeten worden. Ook hebben beide aspirant-leden zo hun vraagtekens bij de uitwerkingen van initiatieven. Als de GKf dan wat doet, komt het er niet echt uit. De aspirant-leden vinden dat je toch juist lid wordt van een bepaalde vereniging om wat ze nu doen. Als je als ‘jonge’ fotograaf aan het begin staat van alles, dan wil je wel weten waar een verenging voor staat en als dat niet meteen duidelijk is, hoop je dat te ontdekken als je aspirant-lid wordt.


Maar in hun beleving is dat toch nog steeds onduidelijk. Han Singels verteld over de strijd die de GKf heeft gevoerd in de jaren ‘60 en ‘70 met betrekking tot dingen als een beleid betreffende fotografie en bijvoorbeeld subsidies.

In de jaren ‘60 en ’70, was het de maatschappelijke veranderingen die Nederlands doormaakten die de club bond. In de jaren ‘80 en ’90, werd alles zo individueel.

“Het is toch wel belangrijk je dat te beseffen.”

Er was geld, er waren podia voor de fotografie er waren opleidingen, dat die behoeften om tot elkaar te komen niet meer zo sterk waren. Nu in 2000 neemt die behoeften weer toe.

Toen hij lid werd stond hij ook voor de vraag: ‘wat moet ik ermee’. Hij verteld dat een club uiteindelijk toch gemaakt moet worden door haar leden. Dat geld voor elke club. Of het nu een voetbal vereniging is of een foto club.

De fotografen die nu afstuderen willen opeens weer bij elkaar komen. De aspirant-leden beamen dit omdat zij zelf ook graag zich aansluiten bij een collectief, in welke vorm dit dan ook uiteindelijk zal gebeuren.

“Een vereniging moet een gezellige club zijn. Of de GKf een geslaagde club is heeft dus niets te maken met het bestuur, maar met de leden. Je moet binnen zo’n club je organiseren in groepjes. Mensen die je aanspreken om je heen verzamelen”, vertelt Han ons.

Han verteld ons dat het uiteindelijk wel belangrijk is om bij een verenging te horen. Als je beroepsfotograaf wil zijn is het gewoon goed om bij een club te horen, die je dan ook serieus neemt, dat kan dan ook heel inspirerend werken.

“Het is niet meer zoals vroeger, toen we als collectief moesten vechten voor een plek in de maatschappij”. We praten door over de behoeften om je toch te verenigen met verschillende mensen samen. Er is toch behoeften om, als je met dingen bezig bent er met elkaar over te praten. Han weet te vertellen dat hem opvalt dat er steeds meer nieuwe behoeften ontstaat, onder de jongere generatie, om zich weer te binden tot een collectief. In de begin jaren van de GKf was de drijfveer om samen te komen, de strijd om fotografie überhaupt op de kaart te krijgen.

Ik en de aspirant-leden zijn het wel met hem eens, maar de GKf zou toch, vooral voor nieuwe leden, wat meer moeten organiseren, denken wij. Zoals lezingen, die kunnen echt een bijdragen leveren aan die inspiratie. Han is het daar wel mee eens, maar hij zegt er direct bij, “…dan moet je dan ook organiseren. Je moet niet wachten tot er iets gebeurd. Je moet het zelf regelen. Je moet betrokkenheid toch creëren”. Toch zitten de aspirant-leden met het idee dat de GKf te groot is om betrokkenheid te creëren. Hoe kun je betrokken raken bij de GKf, vragen zij zich af. Eén van de aspirant-leden weet te vertellen dat er

94


leden van de GKf samen komen in een café, om over dingen te praten en werk te bespreken. “ Maar als je als nieuw, jong lid niemand kent, of bijna niemand, dan is het wel een hele stap om naar een café te gaan en dan maar te hopen dat je een beetje een gesprek kunt beginnen. Die drempel is best heel groot voor aspirant-leden die bijvoorbeeld niet eens uit Amsterdam komen”. 95

We concluderen met zijn vieren, dat zulk contact toch een beetje zal moeten groeien. Fotografen zijn toch over het algemeen heel erge individualisten, er is een grote desinteresse. Je moet toch maar proberen om iets op te bouwen met de mensen die je bij elkaar getrokken krijgt. Het is toch even zoeken hoe je met een verenging omgaat. Er is geen logica in hoe je ermee omgaat. “Op het moment is het toch voornamelijk een gezelligheid verenging, waar goede fotografen bij zitten, maar waar ook hobbyfotografen tussen zitten”, vertelt Han. Han vindt dat we het gewoon puur egoïstische moeten bekijken. “Je haalt er gewoon uit wat er voor jou uit te halen is. En daarom zullen verschillende fotografen ook verschillende motivaties hebben om lid te zijn,”. Ik probeer ons gesprek een beetje richting engagement te duwen. Ik vraag naar het politiek bewustzijn van de aspirant leden. Eén van de aspirant-leden weet nog niet zo goed waar ze nu staat. Het werk van het aspirant-lid is nog niet echt geëngageerd. Maar wordt gemaakt

vanuit persoonlijke motivaties, vanuit eigen thema’s. De beelden zijn vaak studiematig. Toch is de bedoeling dat dit een beetje wordt losgelaten in de toekomst. Het werk wordt steeds meer een onderzoek naar het nu. Ze is voor zichzelf bezig met een zoektocht naar waarom ze de dingen zo ziet als hoe ze deze in beeld brengt. Er hoeven niet persé politieke motivaties aan ten grondslag te liggen. Maar ze zoekt er wel steeds meer naar. Voor het andere aspirant-lid is engagement van oorsprong juist heel belangrijk geweest. Die probeert het juist nu een beetje los te laten. In haar opleiding is altijd de documentaire fotografie heel erg belangrijk geweest. Maar zo langzamerhand wordt de zoektocht naar esthetiek voor haar ook erg van belang. Ze verteld dat ze heel erg betrokken kan werken wat beklijfd ligt in de documentaire fotografie. Als ze bezig is niet documentaire projecten, gaat ze toch altijd opzoek naar de theorie er achter. Ik vraag mijn gezelschap of zij beeld maken, puur voor zichzelf, of voor de kijker. Dat is voor beide aspirant-leden heel verschillend. De één maakt beeld en het kan haar daarbij geen bal schelen wat de kijker er van vind. De ander vindt toch dat de kijker altijd om de hoek komt kijken. “Je probeert met je beeld toch iets los te weken uit een enorme brei en daarmee je kijker toe boeien”. Wel is de eerste motivatie om beeld te maken, eigen nieuwsgierigheid, pas dan komt de kijker om de hoek kijken. Dit aspirant-lid wil overigens niet voor bladen werken. De motivatie is dat beeld niet in eerst instantie voor een kijker worden gemaakt


bij bladen en tijdschriften. Bij bladen is vaak het onderwerp de motivatie voor het maken van beeld. Ze wil alleen opdrachten doen vanuit het maken van beeld en dus niet om iemand te behagen. Han is het hier niet erg mee eens. Hij vindt fotografie toch een dienstbaar beroep en juist geschikt voor kranten en tijdschriften. “Fotografie is op zo veel verschillende manieren toepasbaar en dus juist heel geschikt voor bladen”. Ook ziet hij het als een manier om je naamsbekendheid op te bouwen. Het is jouw naam die onder de foto staat. Hij verteld dat er toch iets is omgedraaid in de fotografie sinds dat hij is begonnen. In zijn tijd begon je vanuit de praktijk, vanuit het werken voor kranten en tijdschriften en dan kon je werk uiteindelijk lijden tot grotere opdrachten en tentoonstellingen. Maar door al die kustopleidingen komen al die fotografen van de andere kant. Die willen op de eerste plaats op tentoonstellingen hangen en grote opdrachten krijgen voor ze voor kranten en tijdschriften willen werken. Wat hij daar jammer aan vind is, dat het allemaal veel langzamer gaat in de autonome hoek. Je hebt als fotograaf niet zo heel veel tijd, denkt hij, dus je moet eindelijk niet in de langzame hoek beginnen, maar juist in die dynamiek van de balden en tijdschriften springen. Maar één van de aspirant-leden is het daar niet mee eens. “Als je toch autonoom werk maakt is het gewoon een logisch gevolg dat je het op andere plekken zoekt en dat je gaat kijken hoe je dat

werk kunt toepassen op commerciële opdrachten.” Beide leden vinden dat ze niet gelukkig worden van die snelle opdrachten, ze doen op het moment toch liever hun eigen ding. Ik vraag mijn gezelschap wat ze van de GKf nu vinden. Zowel Han als de aspirant-leden denken toch dat de GKf nog steeds een documentaire traditie heeft. Autonoom wordt nog steeds niet zo direct verdeemoedigd. De aspirant-leden denken dat de krantenjongens, om ze zo maar te noemen, het toch nog steeds makkelijker hebben bij de GKf, dan de autonome fotografen. Daarbij speelt ook mee dat de grens tussen autonome fotografie en documentaire fotografie steeds vager begint te worden. Agentschappen als Solar dragen hier aan bij, zegt één van de aspirant-leden. Met zijn vieren hebben een kleine discussie over of bijvoorbeeld Bertien van Manen nu een documentaire fotografe is, of een autonome. Han vindt haar gewoon een goede fotografe, een van de aspirant-leden vind haar meer een autonome fotograaf. Sociale betrokkenheid vinden zowel de aspirantleden als Han toch nog steeds wel belangrijk voor zichzelf. Alle drie verbinden dit toch nog steeds aan de documentaire fotografie. Maar toch hebben ze alle drie het gevoel dat de die sociale betrokkenheid niet meer vinden binnen de GKf. De aspirant-leden vinden allebei dat als fotografen zich willen verenigen, die dat beter kunnen doen met mensen die ze kennen, waar ze al een bant mee hebben, waar ze naar kunnen luisteren.

96


Han zegt dat van oorsprong dat bij de GKf ook zo was. “…dat je elkaar tegen kwam op straat en dat je zo langzamerhand bedacht van, ‘hé misschien is het leuk om me te verenigen met die mensen, went die spreken mij aan, die vind ik aardig’”.

97

Nu ontmoet je mensen op een academie en daar bouw je al iets mee op. Dus is de drempel veel lager om te zeggen, met die mensen heb ik iets, daar wil ik me mee verbinden. Dit laatste is de mening van de aspirant-leden. Ik vraag mijn gezelschap of er toekomst is voor de GKf? Han vindt dat dingen in de tijd staan en dat je er dus ook zo naar moet kijken. Hij vertelt: ” …maatschappelijke betrokkenheid is een verbinding tussen al die individualisten die zichzelf fotograaf noemen, omdat het over het algemeen heel aardige mensen zijn, ‘betrokken halve zolen’. Dat is dan ook wat de GKf bindt”, vind hij, “en zolang er mensen zijn die zo in het leven staan moet de GKf kunnen blijven bestaan”. Maar hij geeft toe dat het een grote club is en dat niet iedereen juist daarvan lid moet zijn. Je kunt best een eigen clubje mensen zoeken en ja daarmee verenigen. Binnen de GKf kun dat ook doen, je eigen clubje vormen van mensen die je aanspreken. De aspirant-leden daarin tegen hebben toch wel vraagtekens. Zij hebben het gevoel dat de GKf te weinig te bieden heeft. “De contributie is hoog voor een beginnen fotograaf en nieuwe mensen zoeken binnen de club kost tijd en energie, terwijl ze om zich heen al hun eigen mensen hebben ver-

zameld waar ze het goed mee kunnen vinden. Het stoffige imago helpt ook niet echt”, zegt één van de aspirant-leden. Han wil tot slot nog wel even kwijt dat op vergaderingen van de GKf gemiddeld 30 % van de club aanwezig is terwijl gemiddeld bij clubvergaderingen er maar 10% komt opdagen. Maar dat we de GKf niet los moeten zien van de tijd.


98


Engagement en de GKf Photography