Page 1

O

(O

3 (O D

IQ QL cr fD CL

' ) .

I

«/> z 50 9. ua (D

Gemengd bedrijf

•d D e

v e r a n d e r i n g

v a n

h e t

a g r a r i s c h

< (D

'Sr-

. i^v-.

l a n d s c h a p


Gemengd bedrijf

â&#x20AC;˘


Gemengd bedrijf De verandering van het agrarisch landschap

NAi Uitgevers, Rotterdam / SKOR, Amsterdam


Inhoud 6

Voorwoord Wilfried Lentz

9

Het agrarisch landschap in de fotografie Een historische verkenning Frits Gierstberg

29

Gemengd bedrijf Fotografie over het Nederlandse platteland en het boerenleven Maartje van den Heuvel

33

Fotografen en kunstenaars 34

Cas Oorthuys

46

Willem Van Heemskerck DĂźker

59

KoosBreukel Friesland en Noord-Holland

73

Joachim Brohm Flevoland en Zeeland

86

Noritoshi Hirakawa Drenthe

96

Ralph Kamena Noord-Brabant

108

Martin Luijendijk Overijssel en Zuid-Holland

124 Johannes Schwartz Gelderland en Groningen

163

141

SeanSnyder Utrecht

150

Andrea Stultiens Limburg

Wisselende gedaanten van het agrarisch landschap Gerrie Andela

1 78

Achter de januskop Ontwikkelingen in de Nederlandse landbouw Jan Douwe van der Ploeg

185

Nieuwe mengverhoudingen in het landschap Tussen nostalgie en industrie Yttje Feddes

1 98

BiografieĂŤn fotografen en kunstenaars

200

Auteurs


Voorwoord Dit boek gaat over veranderingen die het Nederlandse boerenbedrijf momenteel ondergaat en de gevolgen daarvan voor het gebruik en het beeld van het agrarisch landschap van Nederland. Op uitnodiging van S K O R zijn het afgelopen jaar acht internationaal bekende kunstenaars en fotografen uitgenodigd om deze veranderingen in beeld te brengen. De foto-opdracht, getiteld 'Boerderijgezichten', ontstond in het kader van de manifestatie 'Het Jaar van de Boerderij', waarin aandacht werd gevraagd voor het in hoog tempo verdwijnen van historische boerderijen. Sommigen van de kunstenaars richtten zich op de transformaties die veel boerderijen momenteel ondergaan doordat ze nieuwe bestemmingen krijgen, anderen fotografeerden het veranderende landschap, waarin geen direct verband meer bestaat tussen boerderij en omgeving. Weer anderen concentreerden zich juist op het maken van portretten van boeren, hun kleding en hun dagelijkse rituelen. Een aantal maakte daarbij gebruik van historisch materiaal, dat ze combineerden met eigen foto's. Een van de uitgangspunten voor de foto-opdracht was de omgang met het verleden. Hiervoor is uitgebreid onderzoek gedaan bij het archief van het Nederlands fotomuseum in Rotterdam, dat in het bezit is van interessant historisch materiaal van Cas Oorthuys ( 1 9 0 8 - 1 9 7 5 ) en W.F. van Heemskerck D端ker (1910-1988). Zij legden in de oorlogsjaren en vlak daarna het leven op het platteland fotografisch vast. Omdat enkele fotografen zich bij de opdracht direct of indirect lieten inspireren door deze foto's, treft u een selectie hiervan aan in dit boek. Daarnaast wordt in een aantal essays de problematiek rond het agrarisch bedrijf vanuit diverse invalshoeken belicht. Zo schrijft Jan Douwe van der Ploeg over de sociaal-economische gevolgen die de politieke besluitvorming heeft voor de boer en het boerenbedrijf. Gerrie Andela schetst de ontwikkelingen in het agrarisch landschap ten tijde van de ruilverkavelingen en Yttje Feddes laat zien welke mogelijkheden er bestaan om tot een gedifferentieerder en kleinschaliger inrichting van het Nederlands landschap te komen. Van Frits Gierstberg is een essay opgenomen waarin een aanzet wordt gegeven tot de geschiedschrijving van de

6

VOORWOORD


fotografie van het agrarisch landschap. De opdracht 'Boerderijgezichten' past in een lange traditie waarin fotografen wordt gevraagd het landschap te documenteren en te verbeelden; veelal een landschap dat sterk in ontwikkeling is door menselijk toedoen. In Amerika bijvoorbeeld verzocht de Farm Security Administration, een door de overheid ingestelde organisatie, verschillende fotografen om de erbarmelijke levensomstandigheden vast te leggen van de boeren en plattelandbewoners tijdens de crisisjaren in het westen en midden van Amerika. In Duitsland waren er particulieren, onder wie industriëlen, architecten en uitgevers, die opdracht gaven om het landschap en de gebruikers ervan te fotograferen. Dit werd gedaan door onder anderen August Sander en Albert Renger-Patzsch, die daarnaast ook veel op eigen initiatief fotografeerden. Evenals later het werk van Hilla en Bernd Becher ontstond hun werk vanuit een behoefte om de wereld te vatten in een fotografisch archief van portretten, landschappen, industriële gebouwen, planten en dieren, veelal typologisch gerangschikt. Dit werk is een belangrijke inspiratiebron voor veel hedendaagse kunstenaars, onder wie enkelen die in dit boek worden gepresenteerd. Veel fotografen en kunstenaars richten zich tegenwoordig op het vastleggen van de transformatie van een agrarisch landschap naar een sterk geürbaniseerd landschap. Ook bij de fotografieopdrachten van 'Atelier HSL', een ander project van SKOR, is de aandacht hierop gericht. Elk jaar krijgen twee of drie kunstenaars de opdracht om foto's te maken van de veranderingen in het Nederlandse landschap door de aanleg van de HSL-Zuid. Het is opvallend dat dergelijke foto-opdrachten niet alleen een grote documentaire waarde hebben, maar ook in artistiek opzicht de fotografie sterk hebben beïnvloed, zoals onder meer blijkt uit het artikel van Frits Gierstberg. In de toekomst wil S K O R ook andere onderwerpen die te maken hebben met de sociaal-culturele en ruimtelijke implicaties van ingrijpende veranderingen, fotografisch in beeld brengen. Voor de coördinatie van de opdrachten en de samenstelling van de tentoonstelling ben ik zeer veel dank verschuldigd aan Maartje van den Heuvel. Het was een groot plezier om met haar samen te werken, evenals met de ontwerpers Rianne Makkink en Herman Verkerk, die op professionele wijze per provincie lokale presentaties van de fotoresultaten bij boerderijen verzorgden. Frits Gierstberg wil ik bedanken voor de deskundige leiding van de tentoonstelling in het

7

VOORWOORD


Nederlands fotomuseum in Rotterdam, Arlette Brouwers voor de prachtige vormgeving van dit boek en Liesbeth Melis voor de redactie en samenstelling ervan. Niet in de laatste plaats gaat mijn dank uit naar de fotografen en kunstenaars, die zich in korte tijd hebben ingewerkt in het onderwerp en prachtig werk hebben geleverd. Helaas bevat dit boek slechts een selectie. Het was soms moeilijk de verleiding te weerstaan voor elke afzonderlijke bijdrage een publicatie te maken. Wilfried Lentz, directeur SKOR

8

VOORWOORD


Het agrarisch landschap in de fotografie Frits Gierstberg

Een historische verkenning Het landschap is zonder twijfel een van de belangrijkste genres in de geschiedenis van de fotografie, tot aan vandaag toe. Sinds het einde van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw is het landschap zelfs een brandpunt van nieuwe ontwikkelingen in de fotografie. Dat is geen toeval, en wel om twee redenen niet. Ten eerste: al twee decennia lang verandert in heel West-Europa het landschap in hoog tempo. Daardoor vindt er vanuit uiteenlopende disciplines als de landschapsarchitectuur, de stedenbouw en het natuurbeheer uitgebreid reflectie plaats op zowel de betekenis van het 'oude' land1 Zie bijvoorbeeld Ton Lemaire en Jan Kolen (red.), Landschap in meervoud, Jan van Arkel, Utrecht 1999.

schap voor onze cultuur als op de aard en de betekenis van de veranderingen.1 De tweede reden ligt in de fotografie zelf. De veranderingen in het landschap betreffen de sterke groei van de grote steden in de vorm van steeds verder uitdijende buitenwijken en wildgroei van bedrijventerreinen, alsook de bouw van ingrijpende infrastructurele werken als de aanleg van snelwegen en spoorlijnen en de dijkverhogingen van rivieren. Veel veranderingen op lokaal niveau zijn het gevolg van macro-economische ontwikkelingen die sinds een jaar of tien veelal onder de noemer 'globalisering' worden samengebracht, maar die in feite al veel langer plaatsvinden. Op veel plaatsen in West-Europa zijn traditionele landbouw- en veeteeltmethoden al meer dan honderd jaar bezig te verdwijnen door onder andere de mechanisering, met alle gevolgen van dien voor lokale agrarische gemeenschappen. Met het veranderende gebruik van het land verandert ook het landschap. Andere bedrijvigheid heeft een andere infrastructuur, andere architectuur en een ander arbeidspotentieel (of helemaal geen) nodig - en vaak al helemaal geen 'landschap'. Op het moeizame traject van de Europese eenwording trachten individuele landen hun eigen boeren van de ondergang te redden en zo lang mogelijk met landbouwsubsidies aan het werk te houden. Op evenzovele plaatsen wordt soms zwaar ge誰nvesteerd in het behoud van het landschap ('de natuur'), dat zonder constante bewerking door de boer snel van uiterlijk zou veranderen. Maar naarmate de markten ver-

9

H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN DE

FOTOGRAFIE


der worden geopend voor landbouwproducten van buiten Europa, raakt de agrarische sector verder in het slop. Genetische manipulatie en efficiënte bio-industrie versnellen het proces van inkrimping nog meer. Boerderijen verdwijnen... De tweede reden waarom het landschap in de genoemde periode centraal is komen te staan in de fotografie is gelegen in het feit dat rond 1980 de documentaire fotografie, mede onder invloed van de theorie en kritiek van het postmodernisme, een periode van heroriëntatie doormaakte die leidde tot het opnieuw onderzoeken van de betekenis, in verschillende opzichten, van zowel de fotogra2 Zie Frits Gierstberg en Bas Vroege (red.), Wasteland, landscape from now on, Rotterdam 1992.

fische praktijk als het fotografische beeld.2 Vanuit deze situatie is een hernieuwde aandacht onder fotografen voor het landschap ontstaan, dat als onderwerp in de jaren zestig en zeventig binnen de fotografie naar de achtergrond was verdwenen. Het fotograferen van het landschap is sindsdien, naast een reflectie op het landschap, tegelijkertijd een reflectie op het fotografische beeld zelf gewor-

3 Sprekende Nederlandse voorbeelden hiervan zijn de boeken Hans Aarsman, Hollandse taferelen, Amsterdam 1989, en Wout Berger, Giflandschap, Amsterdam 1992.

den. 3

4 John Brinckerhoff Jackson, Landscape in Sight. Looking at America, New Haven/Londen 1997.

landschap te 'lezen' kunnen we veel leren over een cultuur en haar geschiedenis.

Beeldvorming 'Landscape is culture made visible', schrijft de Amerikaanse publicist, oprichter en redacteur van het tijdschrift Landscape John Brinckerhoff Jackson. 4 Door het Dan moeten we niet alleen het landschap in zijn gelaagdheid lezen, maar tegelijkertijd proberen te zien hoe dat lezen en interpreteren plaatsvindt - rekening houdend dus met het inzicht dat het landschap een visuele constructie is; niet alleen de fysieke wereld binnen ons blikveld, maar ook en vooral een beeld. Het bestaat immers bij gratie van het feit dat het wordt waargenomen, dat iemand ernaar kijkt. Dat kijken is bovendien niet belangeloos, wat wil zeggen: het staat nooit los van de persoonlijke en sociale achtergrond, de culturele bagage, kennis en interesses van de beschouwer. Onder 'culturele bagage' vallen ook tradities in het kijken en waarnemen die bewust of onbewust een rol spelen wanneer we opnieuw naar het landschap kijken. Kunnen wij bijvoorbeeld naar het Hollandse landschap kijken zonder aan Johannes Vermeer, Salomon van Ruysdael of Jan van Goyen te denken? Niet alleen 'culturele bagage' maar ook reclamebeelden of de beeldcultuur in het algemeen beïnvloeden onze waarneming van het landschap en wel zo sterk dat clichématige voorstellingen lang standhouden. Een eerste verkenning van populaire associaties en bestaande vooroordelen levert al snel een beeld vol para-

10

H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN DE F O T O G R A F I E


doxen op. Het platteland en het boerenleven worden geassocieerd met hard werken, met armoede, met grote gezinnen en vruchtbaarheid (van de vrouw, van het land). Maar ook met het goede leven, vol overvloed. Met discipline: leven met de natuur, opstaan met de dieren. Cultuur vind je in de grote stad, maar de échte cultuur op het platteland, waar tradities nog bestaan. Met de eerlijkheid van de aarde, de grond van de voorouders, waar nationale of zelfs nationalistische trots is geworteld. De basis van het bestaan. Het idyllische platteland en dito boerenleven, gezien in reclamespotjes voor Italiaanse olijfolie, Franse kaas, Ierse whisky of Brabants bier. Maar als er een crisis optreedt, bijvoorbeeld M K Z of de vogelpest, dan wordt het beeld omgekeerd, dan wordt het rurale 5 Over de culturele bepaaldheid van de waarneming van het landschap zie o.a. W.T.J. Mitchell (red.), Landscape and Power, Londen/Chicago 1994, en John Taylor, A Dream of England. Landscape, Photography and the Tourist's Imagination, Manchester 1994. Over de hardnekkigheid van collectieve voorstellingen zie: Jan Berting e.a. (red.), De tirannie van het beeld, collectieve voorstellingen en handelen, Amsterdam 1997.

landschap een scène uit Dantes hel. 5 Geschiedschrijving Ondanks het belang van het landschap in de fotografie en het belang daarvan voor zowel de geschiedenis als de recente ontwikkelingen van de fotografie, bestaat er geen échte geschiedschrijving van de fotografie van het landschap, laat staan van het agrarische landschap. In de geschiedschrijvingen van het landschap speelt de fotografie echter geen rol. Dat is opvallend, omdat het landschap als geen ander 'genre' zo nauw is verbonden met de tradities en gewoontes van het kijken en waarnemen. De Amerikaanse fotohistorici Estelle Jussim en Elisabeth Lindquist-Cock publiceerden in 1985 een boek onder de titel Landscape as Photograph, dat als serieuze aanzet tot zo'n geschiedschrijving vooralsnog het enige overzichtswerk over dit onderwerp is gebleven. Ook deze auteurs erkennen dat landschap een constructie is. 'Landscape can only be symbolic... the symbolism of landscape [is] both a construct of the real world and an artifact commu-

6 Estelle Jussim en Elisabeth Lindquist-Cock, Landscape as Photograph, New Haven/Londen 1985.

nicating ideologies about it.' 6 Het landschap, zo stellen zij, is dermate vol van betekenissen dat het waarschijnlijk een onuitputtelijke bron van interpretaties is. In hun boek geven Jussim en Lindquist-Cock een aantal elkaar niet uitsluitende categorieën van landschappen: landschap als artistiek genre, als god, als feit, als symbool, als pure vorm, als populaire cultuur, als concept, als politiek en propaganda. Deze begrippen vormen het gereedschap om de uiteenlopende esthetische opvattingen, werkwijzen en intenties van de fotografen, zoals deze zich in de loop van de geschiedenis hebben voorgedaan, in kaart te brengen. Het agrarische landschap valt echter bij nadere beschouwing in iedere aangegeven categorie onder te brengen, zodat deze indeling niet direct houvast geeft. Deze consta-

11

H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN DE F O T O G R A F I E


tering roept bovendien de vraag op naar de mogelijkheid en het doel van een dergelijke geschiedschrijving. Wanneer één thema in de loop van de geschiedenis met grote regelmaat is gefotografeerd, is het dan mogelijk om aan de hand daarvan een thematische geschiedenis van de fotografie te schrijven? Het is daarbij de vraag of de fotografie van het agrarisch landschap een apart genre of subcategorie is van de landschapsfotografie. In ieder geval omvat de fotografie van het rurale leven veel meer dan alleen het landschap. Fotografen die zich voor het platteland hebben geïnteresseerd, hebben hun camera's vaak ook gericht op de bewoners, het dagelijks leven en 'rituelen', de gebouwen en de dieren. Het gaat dus in ieder geval om een moeilijk af te bakenen categorie. Misschien moeten we daarom beginnen met het verkennen van het historische 'veld' en een paar lijnen uitzetten, die we laten samenkomen bij een aantal belangrijke mijlpalen, knooppunten en ontwikkelingen - op het gevaar af van al te sterke veralgemeniseringen en van overmatige detaillering, kenmerken van iedere beginnende geschiedschrijving. De eerste blik Wanneer is er onder fotografen voor het eerst belangstelling voor het rurale landschap? De belangrijkste landschapsfotografie van de negentiende eeuw is die van de fotografie van de objecten in het landschap, zoals die van de Mission Héliographique in Frankrijk (gericht op het vastleggen van belangrijke monumenten) en van de fotografie van de zogenaamde ingenieursarchitectuur, die meestal in opdracht van ingenieursbureaus en bouwmaatschappijen tot stand 7 De Mission Héliographique was een opdracht van de Franse staat en vond plaats in 1851. Voor inzicht in de Nederlandse fotografie van het nieuwe landschap in de negentiende eeuw, zie Anneke van Veen, Pieter Oosterhuis 18161885, Amsterdam 1993.

kwam. 7 Het betrof in die gevallen het 'nieuwe' landschap van die tijd dat door de aanleg van bruggen en viaducten, spoorwegen en kanalen aan snelle modernisering onderhevig was. Maar ook waren de negentiende-eeuwse fotografen geïnteresseerd in de grote stad en het stedelijk leven - voorzover dat met de grote camera's en langzame emulsies van die tijd vast te leggen viel. Er is één opvallende en haast overbekende uitzondering op dit alles, want de foto's uit het beroemde fotoalbum van de Engelse fotograaf en uitvinder van het negatiefpositiefprocédé William Henry Fox Talbot (1 8 0 0 - 1 8 7 7 ) , The Pencil of Nature uit 1 8 4 4 - 1 8 4 6 - dus vijf jaar na de officiële introductie van de fotografie! - zijn op en rond de boerderij gemaakt: een hooiberg, een ladder tegen een schuur, een kar. Eigenlijk begint de fotografie dus zo ongeveer met de fotografie van het rurale!

12

H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN DE F O T O G R A F I E


Een met betrekking tot 'rurale fotografie' interessant ijkpunt in de geschiedenis is ook elders te vinden in Engeland, aan het eind van de jaren tachtig van de negentiende eeuw. De Britse fotohistoricus John Taylor schrijft zijn boek 8 John Taylor, a.w. (zie noot 5).

A Dream ofEngland. Landscape, Photography and Tourist's Imagination8 over periode waarin het (massa)toerisme opkomt. Taylor beschrijft hoe uiteenlopende, midden- en hogere sociale klassen de grote stad tijdelijk verlaten en elkaar als dagjesmensen, toeristen of reizigers tegenkomen op het platteland, in dit geval de Norfolk Broads, een natuurgebied maar ook een agrarische streek, in het noordoosten van Engeland. Velen gaan er op zoek naar het klassieke pittoreske Engelse landschap. Het gebied heet nog ongerept te zijn, zowel wat natuur als wat klassieke sociale verhoudingen betreft, met name tussen boeren, landarbeiders en landeigenaren. Onder de tienduizenden bezoekers bevindt zich de uit het aristocratische milieu afkomstige P.H. Emerson ( 1 8 5 6 - 1 9 3 6 ) , sociaal antropoloog en reiziger, wiens foto's later terecht zouden komen in de canon van de internationale fotografie en die grote invloed zouden hebben op Amerikaanse fotografen als Alfred Stieglitz ( 1 8 6 4 - 1 9 4 6 ) . Emerson publiceerde diverse fotoalbums, waaronder Life and Landscape on the Norfolk Broads (1887). Taylor beschrijft Emersons invloedrijke werk in termen van de upper class aristocraat die gefascineerd is door de natives (met name door de vrouwen), maar in zijn fotografische werk de sociale afstand tussen hem en de lokale bevolking verder cultiveert (terwijl hij tegelijkertijd afstand houdt van de middle class toeristen). In zijn binnen de klassieke fotohistorie ongewone lezing van Emersons werk plaatst Taylor de beroemde Engelse fotograaf midden in zijn eigen tijd, die wordt gekenmerkt door snelle en voor velen verwarrende maatschappelijke veranderingen, waar de popularisering van de fotografie deel van uitmaakte. Grote aan-

P.H. Emerson, rietsnijder, uit: Life and Landscape on the Norfolk Broads archief Rijksmuseum

tallen professionele fotografen trekken met hun enorme camera's en statieven de wereld in om de meest exotische plaatsen en volkeren vast te leggen. Aan het thuisfront ontwikkelt zich ondertussen een grote markt voor hun beelden, die de hele wereld in de vorm van kabinetfoto's en stereofoto's de huiskamer in brengen. Maar het exotische lag voor een deel ook 'om de hoek'. Emersons belangstelling is dus goed binnen de sociale en maatschappelijke ontwikkelingen van zijn tijd te plaatsen. Taylors klasse- en ÂŤjender-kritische analyse van het werk van Emerson laat zien hoe de belangstelling voor het rurale landschap (en voor de mensen die daar wonen en werken) ontstaat vanuit een nostalgisch verlangen en een zoektocht naar het pittoreske en het exotische (en bijvoorbeeld niet vanuit

13

H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN DE

FOTOGRAFIE


de wens om met de lokale bevolking in contact te komen). Hij laat daarbij zien dat Emerson niet de 'modernist avant la lettre' is waarvoor zo vele latere fotohistorici hem hebben gehouden. Zijn 'naturalistische fotografie' behoeft een veel complexere analyse dan die welke louter is gericht op de weergave van vorm en licht in zijn foto's. Zijn manier van kijken staat, niettegenstaande zijn artistieke aspiraties, aan het begin van de ontwikkeling van de blik die in de loop van de daaropvolgende eeuw dominant zou worden: de toeristische blik, waarin aantrekking en afstoting, fascinatie en afstand houden samengaan. Deze typering geldt niet alleen voor het werk van Emerson, maar zou blijvend toepasbaar zijn op de fotografie van het rurale landschap in de eeuw daarna. Grote overheidsopdrachten In de twintigste eeuw hebben nationale overheden van verschillende landen geprobeerd het gangbare beeld van het agrarische en rurale landschap bij te sturen, te controleren en te gebruiken ten behoeve van een specifieke landbouw- of een meer algemene politiek. Twee projecten waarin de fotografie een centrale rol speelde zijn 'beroemd' geworden en hebben grote invloed op de fotografie in het algemeen gehad: het FSA-project in de jaren dertig in de Verenigde Staten en het DATAR-project in Frankrijk in de jaren tachtig van diezelfde (twintigste) eeuw. In beide gevallen was het doel om met behulp van de fotografie zowel de beeldvorming als de publieke opinie bij te sturen teneinde steun te vinden voor overheidsmaatregelen ten aanzien van het platteland. Het werk van fotografen werd ingezet om de 'realiteit' van het platteland te tonen die achter het clichĂŠmatige beeld was verdwenen. In andere woorden: om de toeristische blik op te heffen en de betrokkenheid van de burger of de stedeling bij het platteland of bij de agrarische gemeenschap te vergroten. Farm Security Administration In 1935 werd in het kader van president Roosevelts New Deal-politiek de Resettlement Administration opgericht met het doel om ten tijde van de Depressie, die vooral het Zuiden en Middenwesten trof, arme boeren te helpen. Deze Amerikaanse overheidsinstelling werd twee jaar later onderdeel van het

9 Carl Fleischhaueren Beverly W. Brannan, Documenting America 1935-1943, Berkeley/Los Angeles 1988.

ministerie van landbouw onder de naam Farm Security Administration (FSA). 9

14

H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN D E F O T O G R A F I E

Roy Stryker, een econoom, werd ingehuurd om een afdeling te leiden die het leven in de rurale gebieden moest gaan documenteren. Stryker huurde op zijn


beurt een aantal fotografen in, onder wie Walker Evans, Dorothea Lange, Ben Shan, Jack Delano, Carl Mydans, Russell Lee, Arthur Rothstein, Jean Vachon, Marion Post Wolcott en John Collier. Tussen 1937 en 1943 ontstond een archief met meer dan een kwart miljoen negatieven (nu ondergebracht in de Library of Congress in Washington). Stryker zag er op toe dat de foto's zo veel mogelijk werden gepubliceerd in geĂŻllustreerde tijdschriften als U.S. Camera, Life en Look. Zijn doel was de publieke opinie te mobiliseren (ten faveure van Roosevelts politiek) en de Amerikanen bewust te maken van de sociale gevolgen van de economische depressie. De foto's tonen het zware bestaan van de landarbeiders, hun gammele houten huizen en op wat kale meubels na lege interieurs, hun versleten en kapotte kleren en die van hun kinderen, de primitieve landbouwmethoden die langzaam verdwijnen door de mechanisering en de uitdroging van het land dat langzaam verandert in een woestijn van stof (de 'Dust Bowl'). Tienduizenden trekken weg naar CaliforniĂŤ, op zoek naar werk. Het FSA-project is een mijlpaal in de geschiedenis van de fotografie geworden en het vormde lange tijd het ijkpunt voor 'goede documentaire fotografie'. Dat laatste niet alleen vanwege de kwaliteit van het werk van de deelnemende fotografen - waarvan er vele later internationale faam hebben verworven met foto's die tot iconen van armoede en menselijke waardigheid zijn uitgegroeid - maar ook en vooral vanwege het feit dat zij hun betrokkenheid op zo'n intelligente manier uitten door middel van de publicaties die naar aanleiding van de fotoopdrachten tot stand kwamen. In het kader van het FSA-project waren behalve fotografen ook schrijvers en journalisten ingehuurd die samen, in de woorden van een tijdgenoot, 'invented a new kind of literature or art - the documenta10 Geciteerd uit Jan Blokker, 'Het stof op de kamermat', de Volkskrant, 18 oktober 1991.

ry'. 1 0 Met name de boeken die op basis van een samenwerking tussen een fotograaf en een schrijver zijn gemaakt, worden vaak nog steeds gezien als de grote voorbeelden voor iedereen die een document van sociale onrechtvaardigheid voor ogen staat, zoals het boek An American Exodus ( 1 9 3 9 ) van fotograaf Dorothea Lange ( 1 8 9 5 - 1 9 6 5 ) en journalist Paul Taylor (die getrouwd

11 Dorothea Lange en Paul S. Taylor, An American Exodus. A Record of Human Erosion, New York 1939 (reprint Jean Michel Place, Parijs 1999).

waren). 11 Ook een sterk verwante uitgave als You have Seen Their Faces ( 1 9 3 7 ) door fotograaf Margaret Bourke-White ( 1 9 0 4 - 1 9 7 1 ) en Erskin Caldwell behoort daartoe, al was de publicatie van dit boek een eigen initiatief en niet een van de FSA. Walker Evans ( 1 9 0 3 - 1 9 7 5 ) kon zich overigens niet lang vinden in de didacti-

15

H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN DE F O T O G R A F I E


Walker Evans, Zicht op Easton, Pennsylvania on the Lehigh River, 7 935 FSA, Library of Congress

sche missie die Stryker graag in de fotografie zag uitgedrukt en verliet de FSA in 1938. In hetzelfde jaar publiceerde het Museum of Modern Art in New York zijn boek American Photographs,12 waarin Evans weliswaar ook niet zo'n rooskleurig 12 Walker Evans, American Photographs, New York 1988(1938).

beeld van de Amerikaanse Droom weergaf- integendeel - maar waarin hij wel trouw had kunnen blijven aan zijn eigen stijlprincipes: de werkelijkheid vastleggen zoals deze zich aan je voordoet, zonder dramatiek of pogingen tot zelfexpressie, zonder expliciete politieke boodschappen; met oog voor detail en gevoel voor het gewone, alledaagse. Melchior de Wolff schrijf in het nawoord bij de Nederlandse vertaling, die pas in 1991 verschijnt, 'Het paste op zijn persoonlijke uitleg van de term "realisme" en op het aan Flaubert ontleende voorschrift dat een kunstwerk ver uit zou moeten stijgen boven de persoonlijke en

13 Melchior de Wolff, 'Een geneesmiddel tegen blindheid. De foto's van Walker Evans', in: James Agee, Walker Evans: Laat ons nu vermaarde mannen prijzen, Amsterdam 1991, p. 381.

16

toevallige gevoeligheden van de maker, die tegelijkertijd onzichtbaar en tot in de kleinste details voelbaar aanwezig moesten zijn - "comme Dieu dans la CrĂŠation".' 13 Evans reisde in 1936 met journalist-schrijver James Agee in opdracht van het tijdschrift Fortune naar Alabama om daar een reportage over katoenpachters te maken. Zij verbleven een aantal weken bij drie families en

H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN D E F O T O G R A F I E


maakten een uitgebreide reportage die - na de afwijzing door de redactie van Fortune - in 1941 verscheen onder de titel Let Us Now Praise Famous Men. Het was een meer dan 400 pagina's tellend document over een klein stukje ruraal Amerika met een voor die tijd radicale vorm, want het begon met 62 fotopagina's zonder een enkele tekst: foto's en tekst waren gelijkwaardig en de lezer werd aangespoord eerst goed te kijken alvorens hij met lezen begon. Let Us Now Praise Famous Men is zowel in de fotografie als in de journalistiek een beroemd boek geworden. Het is op zijn minst opmerkelijk te noemen dat de basis van de twintigste-eeuwse documentaire fotografie wordt gevormd door een serie opdrachten en publicaties die het rurale en agrarische landschap tot onderwerp hebben, meer specifiek de armoede onder boeren en landarbeiders in de jaren dertig in de Verenigde Staten. DATAR 14 Bernard Latarjet en François Hers, Paysages photographies. La mission photographique de la DATAR, Parijs 1989.

'La Mission photographique de la D A T A R ' 1 4 behoort tot de meest uitgebreide en prestigieuze fotografieopdrachten van de twintigste eeuw waarin alle aandacht uitgaat naar het rurale landschap. D A T A R staat voor de 'Délégation a l'Aménagement du Territoire et a l'Action Régionale', een Franse overheidsinstelling die zich bezighoudt met de ruimtelijke ordening en veranderingen van het Franse landschap in relatie tot economische ontwikkelingen. Tussen 1984 en 1989 kregen 36 fotografen gedurende een halfjaar de tijd om van tevoren geselecteerde delen van Frankrijk te fotograferen, waarbij de aandacht vooral uitging naar gebieden die op afzienbare termijn grote veranderingen te wachten stonden. Deelnemers waren onder anderen Lewis Baltz (USA), Sophie Ristelhueber (F), Gabriele Basilico (l), Christian Meynen (F), John Davies (UK), Robert Doisneau (F), Gilbert Fastenaekens (B) en Raymond Depardon (F). Het doel van deze 'Mission photographique' was om door middel van fotografie 'ondersteuning te bieden bij het herstel van de ruimtelijke ordening en bij het zoeken naar de zingeving daarvan', wat eigenlijk ook de algemene doelstelling van DATAR is. Onderzoek door D A T A R had uitgewezen dat veel Fransen een beeld van hun land hadden dat meer overeenkwam met het landschap van hun voorouders en met oude prentbriefkaarten dan met de alledaagse realiteit, waarin elektriciteitsmasten, flatgebouwen en snelwegen dominant aanwezig zijn. De keuze voor fotografie was daarbij als vanzelfsprekend: projectleider Bernard Latarjet zag fotografen als 'de kunstenaars die de nauwste relatie met de ruimte onderhou-

17

H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN DE

FOTOGRAFIE


Raymond Depardon, La ferme du Garet, DATAR, Magnum Photos Paris

den'. De term 'kunstenaars' is in dit verband van belang omdat het Latarjet nadrukkelijk niet ging om fotografische documentatie: de resultaten van de opdrachten moesten daadwerkelijk nieuw landschapsbeleid ondersteunen door de verbeelding van de eigentijdse ervaring van het landschap. Daarbij was het streven om oude en moderne archetypen te vermijden en te komen tot nieuwe documentaire strategieĂŤn, zonder dat overigens de ontwikkeling van de documentaire fotografie een doel op zichzelf was: het ging tenslotte om 'de weder15 Bemard Latarjet,

geboorte van de landschapscultuur in de ruimste zin van het woord'. 15 Het

M^ssio^Photogi^phique de

DATAR-fotoproject richtte zich niet uitsluitend op rurale gebieden, maar deze vormden wel de hoofdmoot. Het resultaat was zeer gevarieerd en leverde een

la DATAR', Perspektief magazine, nr. 28/29 (juni 1987) pp. 88-102.

spectrum van fotografische stijlen en benaderingen op die echter over de verschillende toegewezen gebieden verdeeld waren en dus niet echt goed vergelijkingsmateriaal boden. Het DATAR-fotoproject heeft uiteindelijk geen sterke stilistische of inhoudelijke impuls gegeven aan de landschapsfotografie. WĂŠl heeft het een impuls gegeven aan de bewustwording omtrent de veranderingen in het rurale landschap en

18

H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN D E F O T O G R A F I E


daarbij, misschien belangrijker in dit verband, als eye-opener gediend voor de mogelijkheden die de fotografie bood om discussies over dit onderwerp te stimuleren. Het project heeft dan ook veel navolging gehad en is daarom alleen al van groot belang voor de geschiedenis van de (rurale) landschapsfotografie. In de loop van de jaren tachtig en negentig zijn er in talloze West-Europese landen soortgelijke grootschalige en internationale foto-opdrachten opgezet die zijn gebaseerd op een vergelijkbare problematiek: de rigoureuze en snelle veranderingen van het rurale landschap en de moeilijkheid om met visie en een breed gesteund beleid deze veranderingen te sturen anders dan richting behoud uit nostalgische overwegingen. Noemenswaard zijn in dit verband de foto-opdrachten van het Franse ministerie van Landbouw en Visserij en het Zweedse Ekodok-project, waarbij het nadrukkelijk ging om agrarische landschappen en de beeldvorming daarover 16 Frits Gierstberg, SubUrban Options. Opdrachtfotografie en het verstedelijkende landschap, Rotterdam 1998.

bij een groter publiek. 16 Van opdracht naar persoonlijke initiatief en de blik van 'binnenuit' De uitbeelding van het platteland en het rurale leven is altijd verbonden geweest met vraagstukken rond ideologie en identiteit. Zelfs binnen Europa hebben verschillende landen weliswaar vergelijkbare maar toch steeds uiteenlopende affiniteiten met hun eigen platteland, die bepaald zijn door historische en culturele achtergronden. De manier waarop een natie zich identificeert met haar eigen land(schap), met andere woorden de manier waarop zij haar identiteit constitueert, is in haar beeldcultuur terug te vinden. De culturele identiteit van Nederland wordt vaak direct gerelateerd aan de relatie van de Nederlanders met

17 Zie voor een dergelijke lezing van de Nederlandse identiteit in relatie tot het landschap: Ann Jensen Adams, 'Competing Communities in the "Great Bog of Europe". Identity and Seventeeth-Century Dutch Landscape Painting' in: W.T.J.Mitchell, a.w. (zie noot 5).

het hun omringende landschap. 17 Het is opvallend hoe vlak na de Tweede Wereldoorlog, een tijd waarin het land zichzelf moest hervinden, de aandacht voor het Nederlandse landschap in populaire fotoboeken een opleving kende. Uitgeverij Contact in Amsterdam was voor de oorlog al gestart met een serie over de Nederlandse cultuur en natuur onder de veelzeggende noemer De Schoonheid van ons land,18 De boekenserie met delen over onder andere de waddeneilanden en het IJsselmeer werden na 1945 aangevuld met delen over 'Het water', 'Het landschap', 'De steden' en andere thema's. Cas Oorthuys

18 Mattie Boom, Frans van Burkom en Jenny Smets (red.), Foto in omslag. Het Nederlandse documentaire fotoboek na 7 945, Amsterdam 1989.

zijn foto's een fraai, fier en opgeruimd (zwart-wit)beeld van het Nederlandse

19

H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN DE

( 1 9 0 8 - 1 9 7 5 ) was in deze fotoboeken de belangrijkste fotograaf. Hij schetst in landschap, dat rijk is aan historie, cultuur en traditie. Boerderijen, het agrarisch

FOTOGRAFIE


Heinrich Riebesehl, Schillerslage (Hannover), oktober 7 978, uit de serie Agricultural Landscape archief Heinrich Riebesehl/Sprengel Museum Hannover

landschap en de koeien, het natuurschoon, het water, de rivieren en de dijken en de historische steden komen ruimschoots in beeld. Zijn boeken De landbouw ( 1 9 4 6 ) en Rundvee (1948), beide gemaakt voor het Agrarisch Fonds, vormen de ultieme (propagandistische) lofzang op het agrarische land en leven, waar traditie en modernisering hand in hand de toekomst ingaan. De mens beheerst de natuur, door hard te werken en met de inzet van zijn technisch vernuft. Pas in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw ontstonden er in Europa 'tegengeluiden' tegen de populaire en romantische jubelfotografie van het agrarisch landschap. Dit werd mede veroorzaakt door de opkomst van meer conceptuele benaderingen van de fotografie, gestimuleerd door ontwikkelingen binnen de beeldende kunst in die jaren (waarin de fotografie als artistiek medium verre van geaccepteerd was). Exemplarisch in dit verband is misschien het werk van de Duitse fotograaf Heinrich Riebesehl (1938), die in 1976 begon met het fotograferen van agrarische landschappen, omdat hij ook in zijn beeldesthetiek in die

20

H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN DE F O T O G R A F I E


19 Heinrich Riebesehl, Agrarlandschaften, Hannover 2000 (1979) en Pool Andries (zonder titel), Fotomuseum magazine, jrg. 8 nr. 27 (september 2000), pp. 72-76.

periode een omslag doormaakt. 19 Riebesehl vond bij zijn eerdere werk aansluiting bij een kleine groep fotografen die in de traditie van de Subjectieve Fotografie werkten maar werkte allengs meer documentair, en zijn Agrarlandschaften, drie jaar later gepubliceerd, getuigen daarvan. In bepaalde opzichten (de neutrale, onderkoelde registratie, de aandacht voor het object, de droge herhaling van thema's) loopt zijn fotoproject parallel aan dat van Bernd (1931) en Hilla (1934) Becher, die in dezelfde periode onder meer veel rurale architectuur maar ook landschappen hebben gefotografeerd. Toch neemt Riebesehl een aparte positie in, niet alleen vanwege zijn minder strenge en systematische werkwijze, maar ook vanwege zijn aandacht voor het agrarisch landschap als zodanig, in een periode van uitgebreide schaalvergrotingen en modernisering van de landbouw. Het was hem te doen om de 'precieze studie van een landschap en zijn economie'. De recente heruitgave van zijn boek uit 1979 getuigt van de herwaardering van zijn werk. Overigens is er van het werk van de Bechers een rechte lijn te trekken naar de landschappen van Simone Nieweg (1962), leerlinge van Bernd Becher. Haar series landschappen en 'Gartenstücke' passen in de zakelijk-documentaire fotografie zoals die door Bernd en Hilla Becher is ontwikkeld en die zich kenmerkt door onder meer het maken van thematische, gelijkvormige reeksen ('typologieën'), waardoor de nadruk komt te liggen op overeenkomstigheid van vorm. Ofschoon de aanpak van Nieweg, wellicht mede door het onderwerp ingegeven, minder streng is dan bij de Bechers, is de weergave van mensen binnen deze

20 Simone Nieweg, Landschaften und Gartenstücke, München 2002.

school in de documentaire fotografie nog steeds een rariteit.20 Hun schatplichtigheid aan de Duitse fotograaf August Sander ( 1 8 7 6 - 1 9 6 4 ) is echter evident. Sander was uitermate geïnteresseerd in de Duitse cultuur en hij richtte zijn camera op zowel mensen als landschap. Hij startte in 1910 zijn ambitieuze project Menschen des 20Jahrhunderts, waarin hij, verdeeld over zeven groepen en 54 portfolio's, een dwarsdoorsnede van de Duitse bevolking wilde fotograferen, gerangschikt naar sociale posities en beroepen. Daaronder waren ook boerenfamilies en landarbeiders, die door Sander in de voor die tijd typerende 'zakelijke' manier zijn geportretteerd, zonder dramatiek en met veel aandacht voor achtergrond en details van bijvoorbeeld de kleding. Sanders' nimmer voltooide project

21 Zie Olivier Lugon, August Sander. Landschaften, München 1999.

21

(de nazi's beletten hem verder te werken) had een (bescheidener) pendant in de 'Rheinlandschaften'. 21 Als fotograaf van de nieuwe zakelijkheid onderscheidt Sander zich dus op dat punt van de culturele interesse van bijvoorbeeld zijn

H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN DE

FOTOGRAFIE


'collega' en (niet minder invloedrijke) tijdgenoot Albert Renger-Patzsch ( 1 8 9 7 - 1 9 6 6 ) , voor wie landschappen een soort portretten waren, maar bijna geheel op vorm gericht. Het is dan ook opvallend dat bij de jongste generatie fotografen de stijl van Sander en de typologische benadering van de Bechers populair is, maar dat daarbij vrijwel alle aandacht uitgaat naar mensen in hun eigen (rurale) omgeving, zoals bij de Tsjechische fotograaf Jitka Hanslova ( 1 9 5 8 ) in haar boek Rokytnik uit 1997 of de Oostenrijkse fotograaf Bernard Fuchs (1971). Hun werk combineert een persoonlijke benadering, die deels berust op een autobiografische band met de plekken en de mensen die zij portretteren, met het afstandelijk-beschouwende van de 'strenge' Becher-schoolleerlingen als Nieweg, bij wie zoals gezegd vorm en morfologie van het landschap op de voorgrond staan. Hanslova en Fuchs nemen dus een middenpositie in. Een échte breuk met de verbeelding van het rurale landschap in de fotografie is misschien te vinden bij de fotografen die zich niet als beschouwers maar meer als vertellers manifesteren. Hun uitgangspunt is de persoonlijke beleving van het landschap en dan met name van plaatsen waar zij zelf hebben gewoond of nog wonen. Hier kijkt de insider, en niet de 'toerist' naar het land. Het resultaat is een gefragmenteerd en complex beeld waarin mens en natuur deel uitmaken van één en dezelfde, zij het veranderende wereld. Autobiografische elementen vermengen zich met meer afstandelijke observaties van de veranderingen in het agrarisch landschap en het rurale leven. Er zijn onderling grote verschillen aan te geven, maar wat deze projecten naast hun visuele rijkdom met elkaar gemeen hebben, is de genuanceerde en liefdevolle visie die de kijker op nieuwe manieren laat kennismaken met het 'platteland' en zijn maatschappelijke en culturele actualiteit, aan de hand van uiteenlopende vormen van documentaire fotografie. De Franse fotograaf Raymond Depardon ( 1 9 4 2 ) was binnen het DATAR-project de enige fotograaf die zich écht waagde aan een meer persoonlijke benadering. Hij keerde terug naar de boerderij van zijn ouders. Het boek La ferme du Garet, waarvoor binnen het DATAR-project de aanzet gegeven was maar dat in 1995 als zelfstandige publicatie uitkwam, is een zoektocht naar wat het rurale landschap en leven waren in zijn jeugd en wat het is geworden; tegelijkertijd is het een geslaagde literaire poging tot autobiografie en een visueel-antropologisch onderzoek. Depardon mengde zijn eigen foto's met jeugdfoto's, familiefoto's, oude prentbriefkaarten, verschillende oude documenten en een door

23 H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN DE F O T O G R A F I E


Jem Southam, Harvest Festival, Condurrow Chapel (1982-1989), uit: The Red River, 7 989

hemzelf geschreven relaas over die zoektocht en over zijn herinneringen. Het resultaat is een intiem document dat deels een heel particuliere geschiedenis vertelt, maar dat deels ook symbool kan staan voor de veranderingen op het

22 Raymond Depardon, La ferme du Garet, Parijs 1995.

Franse platteland.22 Inmiddels heeft hij als 'vervolg' een filmisch drieluik over 'La ferme' gerealiseerd. De Engelse fotograaf Jem Southam (1950) maakte lange wandelingen in de streek Exeter in Zuidwest-Engeland, waar hij woont. Zijn wandelingen doen denken aan die van zijn landgenoot Hamish Fulton, de conceptuele kunstenaar die eindeloze wandelingen door het landschap maakte en zijn persoonlijke beleving en overdenkingen ervan, in fotowerken vastgelegd, tot kunst verhief.

23

HET A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN DE F O T O G R A F I E


Manfred Willmann, Untitled, 7 987, uit: Das land 1981-1993 Camera Austria

24

H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN D E F O T O G R A F I E


Southam maakte van zijn wandeltochten voor The Red River (1989) en A Raft of Carrots ( l 992) een soort onderzoek met de camera, waarbij hij inzoomt op 23 Jem Southam, The Red River, Manchester Cornerhouse, 1989 en Jem Southam,The Raft of Carrots, Londen1992.

allerlei details die hij in het rurale landschap tegenkomt. 23 Zijn foto's hebben daardoor een intieme sfeer. Zij kunnen symbool staan voor de relatie tussen de mens en het land, met de aarde waarop hij loopt en waarvan hij eet. Southam vermijdt de panoramische opname, het overzicht dat eerder voortkomt uit een afstandelijke, observerende en niet-betrokken blik. Hij kiest daarentegen voor de kleine, menselijke schaal die ook de schaal is van de planten en de dieren. Soms zijn zijn foto's vanuit een heel laag standpunt genomen. Niet zelden gaat hij met zijn camera bijna het water van een sloot of een beekje in. Het zogenaamde 'kikvorsperspectief' is in zijn foto's heel letterlijk genomen, alsof we inderdaad niet door de lens van de camera maar door de ogen van een over de grond kruipend dier kijken. De Oostenrijkse fotograaf Manfred Willmann ( 1 9 5 2 ) publiceerde in 2000 onder de titel Das Land een relatief kleine maar indrukwekkende selectie foto's die hij tussen 1981 en 1993 had gemaakt op het platteland ten zuiden van zijn

24 Manfred Willmann, Das Land, Salzburg 2000.

woonplaats Graz. 24 Voor in het boek geeft Willmann precies aan waar de plekken in de kleine gemeenschap waar hij met grote regelmaat verblijft, zich bevinden : de twee huizen nr. 26 en 14 (Kleinwuggitz respectievelijk Grosslieschen) in het gehucht Grossradl, in het district Deutschlandsberg, dat ligt in het zuidelijke deel van de provincie Weststeiermark, nabij de grens met SloveniĂŤ (de precieze aanduiding wijst naar de specificiteit van de plek!). De foto's vormen de neerslag van een jarenlang verblijf, af en aan, in dit rurale gebied, en van de kennismaking met de families en hun vrienden, met de dagelijkse gewoontes en rituelen, het leven op het land, met de feesten, de dieren, met de huizen en de kroegen. Het zijn fragmenten, details in de vorm van interieurs, ongeposeerde portretten, een boom, een omgevallen asbak op tafel, een geslacht konijn, eten op tafel, wilde bloemen, sneeuw, een hond, een dode vogel op de grond, een emmer kersen, een bord soep op tafel, bomen in de sneeuw, de familie op de tractor, een werkpaard, de kelnerin, forellen in een teiltje. De bijna-insider Willmann schept in talloze fragmenten en momentopnamen - die door het ingeflitste licht, de scherpte en de weelderige kleuren een monumentale status krijgen - een liefdevol en rijk beeld van het dagelijkse leven in deze rurale gemeenschap. In het boek Bouwlust - The urbanization ofa polder doet fotograaf Theo Baart

25

H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN DE F O T O G R A F I E


K

links en rechts Theo Baart, Haarlemmermeer, 7997, uit: Bouwlust. The urbanization of a polder, Rotterdam 7 999

S

( 1 9 5 7 ) verslag van de haast revolutionaire veranderingen die hebben plaatsgevonden (en nog steeds plaatsvinden) in het 'geĂŤxplodeerde' dorpje Hoofddorp, dat gelegen is in het midden van de grootste droogmakerij in Nederland, de Haarlemmermeer, op kleine afstand van luchthaven Schiphol. 25 De grote econo-

25 Theo Baart, Bouwlust. The urbanization of a polder, Rotterdam 1999.

mische voorspoed van het gebied rond Hoofddorp - als gevolg van de nabijheid van het vliegveld - heeft gestalte gekregen in de vestiging van veel moderne bedrijven die zich behalve met logistieke zaken bezighouden met software, verzekeringen, consultancy, accountancy en andere activiteiten van de 'nieuwe economie', die de oude agrarische dorpsgemeenschap verdringen. Het traditionele, vlakke landschap met de eindeloze akkers en verre horizonten is bezig in hoog

26

H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN D E F O T O G R A F I E


tempo te verdwijnen. Baart heeft dit alles uitvoerig in beeld gebracht met een combinatie van kleuren- en zwart-witfoto's, recente en oude opnamen - deels vanuit de verbazing van iemand die een groot deel van zijn jeugd in Hoofddorp heeft doorgebracht. Conclusie Ofschoon het belang en de mogelijkheden van de fotografie voor de documentatie en de verbeelding van het (agrarische) landschap in de loop van de geschiedenis steeds weer worden onderkend, is de geschiedenis van de fotografie van het landschap nog nauwelijks geschreven. Slechts een enkel hoofdstuk heeft uit-

27

H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN DE F O T O G R A F I E


gebreid aandacht gekregen van (foto)historici, zoals de grote (overheidsopdrachten van de negentiende en twintigste eeuw, naast het werk van enkele 'grote' fotografen uit de canon van de geschiedenis. Ook in Nederland is er op dat gebied nog veel werk te doen, juist ook vanwege de bijzondere relatie die de Nederlanders van oudsher met hun landschap hebben. In hoeverre is die relatie in de Nederlandse fotografie aanwijsbaar? Het werk van individuele fotografen die het agrarisch landschap uit eigen beweging of in opdracht hebben gefotografeerd (van Martien Coppens tot Willem van Heemskerck D端ker en van Willem Diepraam tot Ed van der Elsken en Martin Luijendijk, om er maar een paar te noemen), behoeft nadere bestudering en moet in een kunst- en cultuurhistorische context worden geplaatst. Daarnaast zijn er in ons land talloze (foto)archieven van overheidsinstellingen, agrarische bedrijven en landbouworganisaties die een schat aan materiaal herbergen, doch tot op heden onontsloten zijn gebleven. Nu het agrarische landschap zo snel verdwijnt, is er haast geboden, willen wij later nog kunnen zien hoe wij door onze relatie met het land zijn geworden wie we zijn.

29 H E T A G R A R I S C H L A N D S C H A P IN DE F O T O G R A F I E


Gemengd bedrijf Maartje van den Heuvel

Fotografie over het Nederlandse platteland en het boerenleven Acht verschillende binnen- en buitenlandse fotografen zijn door S K O R gevraagd om naar eigen inzicht een aspect van het veranderende Nederlandse platteland en het boerenleven per provincie te verbeelden. Dit boek laat de resultaten zien van deze foto-opdracht. Daarnaast is het Nederlandse boerenlandschap en de boerencultuur te zien, zoals deze halverwege de vorige eeuw werden gefotografeerd door de twee Nederlandse fotografen Cas Oorthuys en Willem van Heemskerck Düker. De aanleiding voor de foto-opdracht was de manifestatie '2003 het Jaar van de Boerderij', die werd georganiseerd om de aandacht te vestigen op het razendsnel 1 Historische Boerderijen in Nederland (rapport Stichting Historisch Boerderij Onderzoek), Amsterdam/Arnhem 2001.

verdwijnen van historische boerderijen in Nederland. 1 Van de 200.000 historische boerderijen die er voor de Tweede Wereldoorlog nog konden worden geteld, zijn er momenteel nog maar zo'n 90.000 over. Slechts 40 procent (38.000) hiervan heeft nog daadwerkelijk de functie van een agrarisch bedrijf. Reden om publieke aandacht te vragen voor de gevolgen van deze veranderingen voor het agrarisch bedrijf, de boerencultuur en het Nederlandse agrarisch landschap. Voordat de fotografen aan hun opdracht begonnen, hebben zij kennisgemaakt met de fotografie over het Nederlandse platteland en het boerenleven van Cas Oorthuys en Willem van Heemskerck Düker. De archieven van deze beide fotografen bevinden zich in de depots van het Nederlands fotomuseum in Rotterdam. Anders dan het werk van Cas Oorthuys, is het werk van Van Heemskerck Düker min of meer vergeten. De nationaal-socialistische sympathieën van deze fotograaf hebben hierin ongetwijfeld een rol gespeeld. Had Oorthuys een belangstelling voor de mens vanuit een socialistische levensovertuiging, Van Heemskerck Düker werkte vanuit een volkskundige interesse.

29

GEMENGD

BEDRIJF

i


Gezien hun verschillende opvattingen en achtergrond is het opvallend hoeveel overeenkomsten hun werk vertoont. Beidentonen een optimistisch beeld: ze verheerlijken het arbeidsethos en laten trotse arbeiders zien. Veel van hun werk heeft de ondertoon van de modernistische vooruitgangsgedachte. Voordat de Tweede Wereldoorlog als katalysator had gediend voor hun opvattingen, hadden beide fotografen in de jaren dertig nog in het blad Wij gepubliceerd. Pas daarna zijn hun wegen uiteengegaan. Het is opmerkelijk hoe het 'rechtse' nationaal-socialisme met zijn voorkeur voor het volkseigene en het 'linkse' sociaalrealisme met zijn human interest, tot eenzelfde beeldtaal kunnen komen. 2 Het 2 Deze verwantschap werd voor het eerst gesignaleerd in: Flip Bool en Kees Broos (red.), Geschiedenis van de Nederlandse fotografie 1920-1940, Den Haag 1979, p. 87.

zou interessant zijn om te onderzoeken hoe de politieke geschiedenis de waardering van deze fotografische oeuvres heeft be誰nvloed. Als we de resultaten van de hedendaagse foto-opdrachten vergelijken met de foto's van Oorthuys en Van Heemskerck D端ker, vallen de enorme veranderingen op die de boerderijen en het boerenleven, de boerenarbeid en het boerenland hebben doorgemaakt. Daarnaast laten de resultaten goed de ontwikkeling zien die de fotografie in de laatste vijftig a zestig jaar heeft doorgemaakt. Halverwege de vorige eeuw werd de fotografie gekarakteriseerd door zwart-wit reportagefotografie waarin de mens centraal stond. Veelal in serie afgedrukte foto's vertelden een beeldverhaal over de mens en diens leven, werk en omgeving. Inhoudelijk en stilistisch toonde de fotografie nog de sporen van de Arbeidersfotografie en de Nieuwe Fotografie uit de jaren dertig. Arbeid en industrie werden ge誰dealiseerd afgebeeld en foto's kregen dynamiek door de grafische werking van harde zwart-witcontrasten, dramatische composities en regelmatige patronen vanwege slim gekozen standpunten en uitsneden. Tegenwoordig bedienen fotografen zich van uiteenlopende beeldtalen. Kleurenfotografie is de norm geworden, zwart-wit is een stilistische keuze. Fotografie wordt steeds minder voor tijdschriften of boeken gemaakt, en steeds vaker voor het kunstcircuit en voor museale presentaties. Daarmee samenhangend zijn fotografen andere narratieve structuren gaan hanteren. De klassieke fotoreportage maakte plaats voor andere vormen. In de resultaten van de onderhavige foto-opdracht is dit bijvoorbeeld terug te vinden in de tweeluiken van Martin Luijendijk, de typologische reeksen van Johannes Schwartz, de installaties van Sean Snyder en Ralph Kamena en het samplen van historische en eigen foto's door Andrea Stultiens. Ook in de opvattingen van een breed publiek heeft

30

GEMENGD

BEDRIJF


de fotografie inmiddels de status van kunstmedium verworven. De resultaten van de foto-opdracht laten onmiskenbaar de autonome positie zien van waaruit de fotografen te werk zijn gegaan. Bij de keuze van fotografen was het van belang dat deze professioneel werkzaam waren in de autonome documentaire fotografie. De opdrachtresultaten van de groep fotografen dienden een representatief beeld te geven van de hedendaagse ontwikkelingen in de fotografie. Waar mogelijk of relevant, werd bij de keuze van de fotografen en bij de verdeling van fotografen over de provincies tevens rekening gehouden met het feit dat zij zich al eerder op de thematiek of op het boerenleven van een bepaalde streek hadden gericht. De opdrachtresultaten vormen een waardevolle momentopname van het Nederlandse platteland in een overgangsfase. De uitgenodigde fotografen laten zien dat het Nederlandse platteland als een land met een expliciete agrarische cultuur aan het verdwijnen is. Zij laten in uiteenlopende en persoonlijke visies de een meer expliciet dan de ander - tekenen van de teloorgang van de b贸erencultuur en het daarbij horende landschap zien. Verval, verschraling en kunstmatige instandhouding of reconstructie zijn hierbij terugkerende thema's. De oude boerin uit de historische foto's van Andrea Stultiens komt in dezelfde serie in de hedendaagse foto's terug als wassen beeld in een streekmuseum. De kinderen van de boerenfamilie die door Noritoshi Hirakawa werd gefotografeerd, zullen het bedrijf niet voortzetten. Het idyllische boerenlandschap uit de oude streekschilderijen die Ralph Kamena citeert, bestaat nog slechts als mentaal beeld voor toekomstige reconstructie. Het type boeren dat Koos Breukel fotografeerde, werd in de jaren dertig al afgebeeld in een boek met de titel 3 R. Houwink, Verdwijnend volk, Amsterdam 1935, met foto's van Hans Gilberg. Koos Breukel vond dit boek in bezit van een van de boeren die hij in Noord-Holland fotografeerde.

Verdwijnend volk.3 De ru茂nes van boerenschuren van Johannes Schwartz spreken voor zich. De tevens door Schwartz gefotografeerde brandstapels voor paasvuren zijn laatste nog levende tekens van een oude boerenvolkscultuur. De foto's die Martin Luijendijk in Overijssel maakte, laten de enorme schaalvergroting van de melkveehouderij zien en daarmee samenhangend de zuivelindustrie. Zijn herfotografie van Zuid-Hollandse boerderijen en erven toont, net als de serie van Andrea Stultiens, voorbeelden van de vele Nederlandse boerderijen die een nieuwe bestemming hebben gekregen. Een aantal foto's verwijst voorzichtig naar nieuwe functies van het landschap met een ander aanzien en een andere identiteit als gevolg: toerisme, dienstverlening,

31

GEMENGD

BEDRIJF


recreatie en het landschap als drager van de steeds dichtere infrastructuur voor onze toegenomen mobiliteit. De tekenen hiervan zijn te zien in het hedendaagse landschap zoals Joachim Brohm het vastlegde. Sean Snyder ten slotte, benadrukt het sterkst een alternatief beeld en een nieuwe identiteit van het platteland: hij beeldt de provincie Utrecht af als landschap zoals de reiziger het ervaart en zoals het vanuit de trein of de auto aan het oog voorbijtrekt.

33 G E M E N G D

BEDRIJF


Fotografen en kunstenaars

Cas Oorthuys Willem van Heemskerck D체ker Koos Breukel Friesland en Noord-Holland Joachim Brohm Flevoland en Zeeland Noritoshi Hirakawa Drenthe Ralph K채mena Noord-Brabant Martin Luijendijk Overijssel en Zuid-Holland Johannes Schwartz Gelderland en Groningen Sean Snyder Utrecht Andrea Stultiens Limburg

33


Cas Oorthuys De fotograaf Cas Oorthuys (1908-1975) behoeft nauwelijks toelichting. Hij wist met zijn reportagefotografie over de mens in allerlei gebieden, een betrokken en optimistisch beeld neer te zetten van het leven tijdens de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Velen kennen inmiddels bijvoorbeeld zijn foto's van bedrijvige schepen op golvende havenwateren uit Rotterdam, dynamische stad.i Het werk dat hier wordt getoond, vormt een relatief onbekend deel van Cas Oorthuys' fotografische nalatenschap. Oorthuys fotografeerde gedurende de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog en vlak na de oorlog het leven op het Nederlandse platteland. Hij deed dit in opdracht van Uitgeverij Contact, de uitgeverij waarmee hij nog jaren zou blijven samenwerken. Contact bracht in 1946 het boek Landbouw uit.2 Het was het allereerste fotoboek van Cas Oorthuys. Contact kon het boek na de oorlog uitbrengen door goede relaties met de Nederlandse overheid. De boeken pasten in het overheidsbeleid in de wederopbouwperiode, waarin volksopvoeding en cultuurspreiding belangrijke aandachtspunten waren. Ze moesten optimisme uitdragen en de Nederlandse trots op het eigen land en de eigen cultuur voeden. Voor Oorthuys bood dit een goede gelegenheid om zijn fotografie te financieren en te publiceren. Het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening gaf tijdens het eerste naoorlogse kabinet Schermerhorn de opdracht voor een aantal fotoboeken over agrarisch Nederland. 3 Naast Landbouw verschenen in 1948 nog drie publicaties met foto's van Oorthuys: Trekpaarden, Rundvee en Vijftig jaar Nederlandse fruitteelt. Cas Oorthuys legde zich toe op human interest: fotografie met als onderwerp de mens en zijn door politieke en economische ontwikkelingen bepaalde omgeving. Niet alleen geven zijn foto's een beeld van het Nederlandse naoorlogse landschap gedurende de wederopbouw. Door Oorthuys' actieve opstelling als fotograaf was zijn fotografische stijl ook van invloed op wat door een generatie van Nederlandse naoorlogse fotografen als goede fotografie werd gezien: zwart-wit human interest reportagefotografie, stilistisch beĂŻnvloed door de Nieuwe Fotografie en inhoudelijk links georiĂŤnteerd.

34

CAS OORTHUYS


Oorthuys verbrak tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn banden met opdrachtgevers die gehoor gaven aan de aanpassingen die de Duitse bezetter vereiste, zoals de Arbeiderspers. Hij fotografeerde vanuit het verzet en sloot zich aan bij 4 Zie Flip Bool en Veronica Hekking, De Illegale Camera, Naarden 1995.

een groep die zich later De Ondergedoken Camera zou gaan noemen. 4 Met onder anderen mensen uit deze groep richtte hij na de oorlog de fotografenvereniging GKf op, die in de decennia daarna van grote invloed was op een hele generatie Nederlandse fotografen. Mede door hun toedoen werd in het naoorlogse Nederland de human interest-fotoreportage als het hoogste goed beschouwd en heerste de opvatting dat een goede fotograaf een linkse fotograaf was.

Foto's en originele bijschriften uit de publicatie Landbouw (1946) Alle foto's Š Cas Oorthuys/Nederlands fotomuseum PAG 36

Door sterke handen wordt bouwland geschapen PAG 37

Het gebied van de rivierklei PAG 38

Heerenboerderij in Groningen, strak en zakelijk PAG 39

Uit het goede hout PAG 4 0

Eggen PAG 41

Machinaal eggen in de Wieringermeer: schijveneg en zigzageg PAG 42

De zomer in het weiland PAG 43

Tondeuse van de maaimachine PAG 4 4

Een moderne kloek: trommel met broedeieren in een moterbroeder PAG 45

Tuinbouwindustrie: warenhuizen in het glasdistrict

35

CAS

OORTHUYS


37

CAS OORTHUYS


38

CAS OORTHUYS


39

CAS OORTHUYS


41

CAS OORTHUYS


42

CAS OORTHUYS


43

CAS OORTHUYS


44

CAS OORTHUYS


45

CAS OORTHUYS


Willem van Heemskerck Düker

Het fotografisch oeuvre van Willem van Heemskerck Düker (1910-1 988) bevindt zich in de depots van het Nederlands fotomuseum: stellingen vol negatieven, contactvellen en fotoafdrukken, door hemzelf nauwkeurig geordend op onderwerp, soort en locatie. Maar anders dan de foto's van Cas Oorthuys is het werk van Van Heemskerck Düker, die het Nederlandse platteland en de bóerencultuur systematisch fotografeerde, vrijwel onbekend gebleven. Van Heemskerck Düker was in Wageningen opgeleid tot landbouwkundig ingenieur, maar hij werd uiteindelijk fotograaf. Hij richtte zijn eigen 'Fototechnisch laboratorium' op en publiceerde regelmatig in onder meer Boer en tuinder, Ons platteland en De Boerderij. Vanuit zijn voorliefde voor Nederlandse volkscultuur was hij lid van het bestuur van het Openluchtmuseum in Arnhem. Volgens zijn bedrijfsfolder van circa 1949 was hij gespecialiseerd in wetenschappelijke, technische en culturele onderwerpen waaronder microfotografie, bedrijfs- en landschapsfotografie. Vanuit deze verschillende invalshoeken zien we het Nederlandse platteland en het boerenleven zowel vanuit vogelvlucht als van dichtbij de revue passeren. Hoewel veel beelden vooral utilitair zijn - op een aantal fotoafdrukken gaf hij aan dat deze uitsluitend voor archiefgebruik bestemd waren - heeft ook hij prachtige stillevens, portretten, landschappen en reportagefoto's nagelaten. Op tientallen doosjes met afdrukken zijn keurig met de hand geschreven de rubrieken te zien waarin hij zijn foto's ordende. Naast topografisch ingedeeld werk (de provincies, een aantal grote steden en havens) zijn er rubrieken zoals mechanisatie, rundvee zwartbont, rundvee roodbont, kippen, boerderijen, boerenfamilie, 'mensch en dier', mannen- en vrouwenkoppen, 'jongens tot 16 jaar', klederdrachten en feesten zoals Pasen en sinterklaas. Willem van Heemskerck Düker werkte tijdens de Tweede Wereldoorlog voor de Duitse bezetter. Hij werd lid van de Nederlandse SS en fotografeerde voor de Volksche Werkgemeenschap, die bij de Duitse bezetting was overgenomen door de SS. Deze had als doel 'het Nederlandsche Volk het Volkseigene bij te brengen, en het vertrouwd te maken met de Groot Germaansche gedachte.'1

46

W I L L E M VAN H E E M S K E R C K

DÜKER


Van Heemskerck Düker specialiseerde zich voor de Volksche Werkgemeenschap in archeologie, antropologie en volkskunde en deed onderzoek naar onder meer klederdrachten en boerenbouwkunst. Tijdens de oorlog maakte hij enkele fotoboeken en -tentoonstellingen waaronder Zinnebeelden in Nederland en Wat aarde bewaarde. Van Heemskerck Düker was als fotograaf zeer actief - hij heeft een omvangrijk archief nagelaten en hij publiceerde veel - en zijn onbekendheid is dan ook vooral toe te schrijven aan zijn opstelling in de Tweede Wereldoorlog. Lange tijd is interesse voor het 'volkseigene' met argwaan bejegend, omdat het hoorde bij het verguisde nationaal-socialisme. Pas sinds kort is er meer interesse aan het ontstaan voor fotografen die vanuit een belangstelling voor volkskunde en het 'volkseigene' cultuuruitingen vastlegden. 2 Tegen de achtergrond van deze herlevende interesse zou de fotografie van Van Heemskerck Düker opnieuw gewaardeerd kunnen worden. Zijn jarenlange productie leverde een schat aan beelden op, waarin inmiddels verdwenen boerenlandschappen en -gebruiken tot in detail te zien zijn. Selectie uit zijn archief Alle foto's © Willem van Heemskerck Düker/ Nederlands fotomuseum PAG 48

PAG 54

Kunstmeststrooien Wernhout (Noord-Brabant), 1951 Uit rubriek 'Landbouwbewerkingen'

Kampereiland (Overijssel), 1 953 Uit rubriek 'Boerderijen' PAG 49

Echtpaar uit Marssum (Friesland), 1 945 Uit rubriek 'Portretten'

PAG 55

Boerenfamilie, Woubrugge (Zuid-Holland), Uit rubriek 'Boerenfamilie'

PAG 50

Openluchtmuseum Bokrijk, met o.a. Nederlandse typen boerderijen, Genk (B), 7 965 Uit rubriek 'Boerderijen' PAG 51

Schoonmaak op de boerderij te Nieuwveen (ZuidHolland), april 7 959 Uit rubriek 'Boerenfamilie' PAG 52

Het Zeeuwsche volk is een boeren volk (Zeeland), 1944 Uit rubriek 'Zuivel'- 'Melken' 47

WILLEM VAN HEEMSKERCK

PAG 53

Paarden werkpaarden, Udenhout, (Noord-Brabant), 7 954 Uit rubriek 'Paarden' - 'Trekpaarden'

DÜKER

1957

PAG 56

Diepploegen bij Vrouwenakker (Zuid-Holland), 1960 Uit rubriek 'Landbouw bewerkingen' PAG 57

Walcheren (Zeeland), 1944 Uit rubriek 'Walcheren'


48

WILLEM VAN HEEMSKERCK

DÜKER


49

WILLEM VAN HEEMSKERCK

DÜKER


50

WILLEM VAN HEEMSKERCK

DÜKER


53

WILLEM VAN HEEMSKERCK

DÜKER


54

WILLEM VAN HEEMSKERCK

DÜKER


55

W I L L E M VAN H E E M S K E R C K

DÜKER


57

W I L L E M VAN H E E M S K E R C K

DÜKER


Koos Breukel Portretten van boeren Koos Breukel heeft zich in zijn fotografie tot nu toe altijd op de mens gericht. In fotoboeken als Photo Studio Koos Breukel1 en in zijn recente reizende overzichtstentoonstelling 'Generation' zijn monumentale portretten bijeengebracht. De portretten zijn indringend en getuigen van contact met de gefotografeerde. Samen met het gebruik van diepzwart zijn dit kenmerken die Breukels' fotografie deelt met het werk van een van zijn inspirators: Ed van der Elsken. Maar in vergelijking met de carpe diem-zwierigheid van het werk van Van der Elsken zijn Breukels foto's genuanceerder en terughoudender, op het sombere af. De hier gepubliceerde typologisch opgezette reeks portretten vertoont ook verwantschap met een andere fotograaf die Breukel erg bewondert: August Sander.2 In Noord-Holland en Friesland maakte Koos Breukel portretten van boeren. Rond zijn woonplaats, het Noord-Hollandse Bergen, was hij hiermee al begonnen voordat hij de opdracht kreeg. Om in Friesland in contact te komen met boeren, reisde Breukel enige tijd mee met een dierenarts tijdens diens bezoeken aan boerderijen. Behalve een aantal karakteristieke boerengezichten is hier ook een nieuwere variant van de boer te zien, die meer zakelijk en minder als een natuurmens oogt dan de meer clichĂŠmatige boer die we uit de traditie kennen. Meer dan een arbeider in de natuur is de hedendaagse boer een manager die zich uit oogpunt van winst of zelfs puur overleven flexibel aanpast aan de veranderende economische omstandigheden.

59

KOOS BREUKEL

N O O R D - H O L L A N D EN F R I E S L A N D


60

KOOS BREUKEL

FRIESLAND


66

KOOS BREUKEL

NOORD-HOLLAND


67

KOOS BREUKEL

NOORD-HOLLAND


68

KOOS BREUKEL

NOORD-HOLLAND


Joachim Brohm Beelden van het platteland De landschapsfotografie van Joachim Brohm uit de jaren zeventig en tachtig is sterk geïnspireerd door de beschrijvende, topografische landschapsfotografie uit de Verenigde Staten in die tijd.1 In de jaren daarna distantieert hij zich hiervan en ontwikkelt een vorm van fotografie die eerder als een reactie hierop gezien kan worden. Mede doordat Brohm les kreeg aan de Universität Essen/ Folkwang, waaraan eerder de fotograaf Otto Steinert verbonden was, wordt zijn werk wel geassocieerd met de Subjectieve Fotografie. Deze richting, die de weergave van persoonlijke waarneming onderzocht, wordt beschouwd als een tegenhanger van de meer 'objectieve', beschrijvende fotografie, die vanuit Düsseldorf door de Becher-school werd verbreid. In zijn recente werk deconstrueert Joachim Brohm het landschap tot een verscheidenheid aan waarnemingen, die tezamen een veelzijdig beeld van de gefotografeerde plaats geven. Het grote aantal indrukken van verschillende aard weerspiegelt de complexiteit van de wijze waarop herinneringen in ons hoofd zitten. Onlangs verscheen Brohms boek Areal, waarvoor hij gedurende tien jaar de veranderingen van een klein stukje Duits stedelijk gebied vastlegde.2 Voor deze opdracht fotografeerde Joachim Brohm Flevoland en Zeeland. Hij keerde terug naar de meest pure vorm van fotografie: hij trok er rond en fotografeerde wat hij zag. Hij maakte een groot aantal opnamen op kleinbeelddia. We zien de twee provincies voorbijkomen in landschappen, stillevens en details. De beelden gaan werken in hun veelheid. Brohm bouwt geen retorisch beeldverhaal op, maar geeft een gefragmenteerd beeld van het platteland en de boerenerven van de twee provincies, zoals hij het heeft waargenomen.

73

JOACHIM BROHM

F L E V O L A N D EN Z E E L A N D


75

JOACHIM BROHM

FLEVOLAND


r'

/

/ *

r

4

r

r

.

/ X

X

r b

/ *

i

u

S

;b

X

S

/

/

,\ f

X X


78

JOACHIM BROHM

FLEVOLAND


79

JOACHIM BROHM

FLEVOLAND


80

J O A C H I M B R O H M FLEVOLAND


81

J O A C H I M B R O H M FLEVOLAND


Noritoshi Hirakawa

The dawn of felicity: scènes en rituelen uit het dagelijkse leven van een boerenfamilie De Japanse fotograaf Noritoshi Hirakawa is van huis uit socioloog. De onderwerpen van zijn foto's betreffen vaak menselijk gedrag of omgangsvormen en raken niet zelden taboes. Zo maakte hij eerder een reeks ensceneringen van Japanse vrouwen die zich afschminken na een avond uit. Hij verwees daarmee naar het taboe van 'overblijven' wanneer een vrouw op een bepaalde leeftijd nog geen partner heeft. Maar ook fotografeerde hij in Zwitserland een aantal plaatsen waar mensen zelfmoord hebben gepleegd door van een hoog punt af te springen. Hij fotografeerde deze vanaf de 'springplek' naar beneden. Als telg uit een boerengeslacht heeft Hirakawa een persoonlijke interesse voor het boerenleven. Hij interpreteerde de foto-opdracht op eigenzinnige wijze. Hij nam tijdelijk zijn intrek bij een boerderij in het Drentse plaatsje Ansen, waar een boerenfamilie met drie generaties bij elkaar woont. De familie runt een middelgroot melkveebedrijf met ettelijke tientallen koeien. Hirakawa wilde momenten van geluk en genoegen fotograferen die voortkomen uit het leven op het ritme van de natuur. In de stroom van de dagelijkse gebeurtenissen zocht hij naar poÍtische momenten waarin deze zich manifesteerden: de dagelijkse maaltijden van de familie, de terugkerende werkzaamheden van de grootvader en de vader in het boerenbedrijf, de hond die bij de poort wacht op het van school terugkeren van de kinderen, het opengaan van bloesem in de ochtend, et cetera. Hirakawa verbaasde zich erover dat hij bij de bewoners weinig bewust ervaren plezier over het contact met de natuur aantrof. Eerder zag hij een zekere mate van onthechting. Dit was geen loze observatie: de kinderen van de boer hebben te kennen gegeven dat zij het boerenbedrijf niet willen voortzetten. Ze zijn allang deelgenoot van de geglobaliseerde cultuur waarmee zij via media als televisie en internet in aanraking komen. Zij werken ook niet meer mee in het

86

NORITOSHI HIRAKAWA

DRENTHE


boerenbedrijf. Het lijkt alsof voor deze familie het einde van de boerentraditie in zicht is. Daarmee is hun situatie kenmerkend voor het lot van zo veel boerenfamilies in Nederland op dit moment. PAG 88-89

Boerderij in de ochtend, 2003 kleinbeelddia PAG 90-91

De lunch, 2003 kleinbeelddia PAG 92-93

De hond wacht de kinderen op die uit school komen, 2003 kleinbeelddia PAG 94-95

Drinkende koe, 2003 kleinbeelddia PAG 95

De grootouders in gesprek, 2003 kleinbeelddia

87

NORITOSHI HIRAKAWA

DRENTHE


88

NORITOSHI HIRAKAWA

DRENTHE


89

NORITOSHI HIRAKAWA

DRENTHE


90

NORITOSHI HIRAKAWA

DRENTHE


91

NORITOSHI HIRAKAWA

DRENTHE


92

NORITOSHI HIRAKAWA

DRENTHE


93

NORITOSHI HIRAKAWA

DRENTHE


94

NORITOSHI HIRAKAWA

DRENTHE


95

NORITOSHI HIRAKAWA

DRENTHE


Ralph Kamena Vervanging van varkens- en pluimveehouderij door historiserende reconstructie van Brabantse landelijkheid Het werk van Ralph Kamena kan tot dezelfde traditie van beschrijvende landschapsfotografie worden gerekend als dat van Martin Luijendijk. Kamena fotografeert vaak met een technische camera, wat foto's met een grote detailscherpte oplevert. Hij werkte veel voor publicaties over architectuur en stedenbouw voordat hij ook voor het kunstcircuit ging fotograferen. Kamena concentreerde zich voor deze opdracht op het boerenlandschap in het zuidoosten van Noord-Brabant. Van het idyllische landschapsbeeld, dat bijvoorbeeld de fotograaf Martien Coppens ( 1 9 0 8 - 1 9 8 6 ) nog van deze streek maakte, is weinig meer over. Grootschalige varkens- en kippenboerderijen, die met de hun omringende terreinen een soms bijna surrealistisch bedrijvenlandschap vormen, karakteriseren nu het landschap. Deze vorm van intensieve veehouderij staat op haar beurt ook weer onder druk. Economische verschuivingen in Europa en toenemende milieuproblemen, zoals het mestoverschot, maken dat veel van de grootschalige varkens- en pluimveehouderijen zullen worden afgestoten. In een poging om iets van de landelijke identiteit van het Brabantse landschap uit de periode van vóór de intensieve veehouderij terug te krijgen, zal een aantal oude landschappen worden gereconstrueerd. Voor de presentatie van de foto-opdracht maakte Kamena een installatie waarin hij op deze recente ontwikkelingen zinspeelt. Twee bewegende beelden worden naast elkaar geprojecteerd. In de ene projectie is te zien hoe een gebied in het Brabantse landschap wordt afgetast. Het is een animatie die Kamena maakte van fragmenten van vijf panoramafoto's. In de andere projectie worden vanuit een vormeloze onscherpe massa heel langzaam achtereenvolgens twee geschilderde landschappen zichtbaar. Het zijn twee reproducties van streekschilderijen uit

96

RALPH KÄMENA

N O O R D" B R A B A NT


Noord-Brabantse regionale musea, waarin op idyllische wijze het historische 1 Het betreft de schilderijen Bernard Blommers ( 1 8 4 5 1914), Landschap te Heeze, olieverf op doek, 40 x 49 cm, collectie Museum Jan Cunen, Oss en Victor De Buck (1855-1914), Boerderij tussen geboomte, olieverf op paneel, 3 7 x 5 4 cm, collectie Museum Kempenland, Eindhoven.

landschap van Zuidoost-Brabant te zien is.1 Deze historische beelden zijn, doordat het voorbije landschap als inspiratiebron voor reconstructie optreedt, tegelijkertijd een visioen van de toekomst. Het omzetten van stilstaand in bewegend beeld en het presenteren van fotografie in een installatie, zoals Kämena dat doet, passen in de recente ontwikkeling waarin beeldmakers meer gericht zijn op het creëren van een ruimte waarin het publiek iets ervaart, dan op het maken van zelfstandige beelden. 2

2 Een aantal voorbeelden van deze ontwikkeling waren bijeengebracht in de laatste editie van de Foto Biënnale Rotterdam, getiteld 'Experience' (Nederlands fotomuseum, 2003). PAG 98-99 EN 104-105

Panoramafoto's die ten grondslag liggen aan de digitale animatie PAG 101, 103, 107

De Kempen en De Peel, Noord-Brabant, 2003 still uit digitale animatie PAG 1 0 0 , 1 0 2

Digitale animatiebewerking van schilderij Landschap te Heeze van Bernard Blommers, Museum Jan Cunen Oss still uit digitale animatie PAG 106

Digitale animatiebewerking van Boerderij tussen geboomte, Victor De Buck, Museum Kempenland Eindhoven still uit digitale animatie Video editing: Pingels.nl: Inge Braat Technische realisatie: Carlos de Boer Ver Voorn Met dank aan: Museum Kempenland, Eindhoven

97

RALPH KÄMENA

N O O R D" B R A B A NT


98

R A L P H K Ä M E N A IM O 0 R D - B R A B A N T


99

RALPH KÄMENA

IM O 0 R D - B R A B A N T


RALPH KÄMENA

NOO RD- BRA BA NT


101

RALPH KÄMENA

NOORD-BRABANT


102

RALPH KÄMENA

N O O R D - B R A B A NT


103

RALPH KÄMENA

NOORD-BRABANT


104

RALPH KAMENA

NO O RD- BRA BA N T


105

RALPH KÄMENA

NOORD-BRABANT


RALPH KÄMENA

N O O R D - B R A BA N T


107

RALPH KÄMENA

NOORD-BRABANT


Martin Luijendijk Oud versus nieuw beeld van de melkveehouderij Martin Luijendijk fotografeert in een beschrijvende, topografische stijl die een traditie heeft die teruggaat tot de negentiende eeuw. Ook toen al werkten fotografen met groot formaat negatieven en maakten zij overzichtsfoto's met veel details. In deze landschapsfotografie was het fotograferen van steden en civiele projecten, zoals de aanleg van spoorwegen, even populair als het afbeelden van 'pure' natuur. Terwijl in de twintigste eeuw deze topografische fotografie in het 1 Zie bijvoorbeeld de tentoonstelling 'New Topographics' van curator William Jenkins in het International Museum of Photography, Rochester (NY), in 1975. 2 In 1992 werd meer topografische fotografie getoond in Rotterdam in de internationale manifestatie 'Wasteland, landscape from now on'. Hierin was ook werk van Theo Baart en Jannes Linders opgenomen. 3 Bernd en Hilla Becher gaven aan de kunstacademie van D端sseldorf les aan een aantal jongere geestverwanten die, hoewel in andere opzichten zeer verschillend, met de Bechers de typologische benadering en de grote detailscherpte in hun beelden delen.

buitenland al veel eerder populair werd 1 , pakten in Nederland fotografen als Jannes Linders, Hans Aarsman en Theo Baart deze stijl als eersten pas in de jaren tachtig op. 2 De uitgebalanceerde composities en monumentaliteit in de foto's van Luijendijk herinneren aan monumentale schilderijen en getuigen van een verwantschap met het werk van Becher-Schuier zoals Andreas Gursky en Thomas Struth. 3 Martin Luijendijk richtte zich in Overijssel op de melkveehouderij. Door zijn werk te beschouwen tegen de achtergrond van de foto's van Cas Oorthuys en Willem van Heemskerck D端ker, worden de verregaande schaalvergroting en automatisering van de zuivelindustrie zichtbaar. Waar bij Oorthuys en Van Heemskerck D端ker naast de opkomende mechanisatie nog altijd melkende boeren en boerinnen te zien zijn, zijn mensen in de foto's van Luijendijk afwezig en is het mechaniserings- en automatiseringsproces schijnbaar voltooid. Behalve foto's maakte hij een film-/oop van een glas van een melkmachine waarlangs melk stroomt.

Herfotografie van boerenerven Martin Luijendijk is geboren en getogen in Zuid-Holland. Hij bezocht een aantal boerenerven en -interieurs die hij tien jaar geleden in deze provincie fotografeerde, en fotografeerde deze opnieuw vanuit exact hetzelfde standpunt. De

108

MARTIN LUIJENDIJK

O V E R I J S S E L EN Z U I D - H O L L A N D


herfotografie kent in het buitenland grote voorbeelden, zoals het onuitputtelijke 1 www.thirdview.org.

project Third View van Mart Klett.1 Hierin wordt The American West opnieuw gefotografeerd, een eeuw nadat negentiende-eeuwse fotografen als Edward Muybridge en Timothy O'Sullivan dat deden. In Nederland legt Siebe Swart zich toe op het herfotograferen van landschappen die aan sterke veranderingen

2 www.swartamsterdam.nl/erven.

onderhevig zijn. 2 Naast elkaar geplaatst zijn veelzeggende verschillen te zien tussen de oude en de nieuwe foto's van Martin Luijendijk. De meeste boerderijen zijn inmiddels van functie veranderd. Ze zijn woonhuis geworden, galerie of kantoor, of ze staan er nog precies zo, alleen zonder de voorwerpen die op agrarische bedrijvigheid wijzen: het boerenbedrijf is zoals in zo veel Nederlandse boerderijen opgehouden te bestaan. PAG 118-119

Melk, 2003 filmstill uit 1 6mm-filmloop PAG m

Weiland voor grasproductie, Balkburg, 2003 kleurendruk PAG 112

Op de grond liggen meloenen uit BraziliĂŤ voor goedkope bijvoedering van het rundvee. Maasland, Kwakelweg, 1992/2003. Uit de serie 'Boerenerven' (#67) kleurendruk PAG 120-121

Stal verbouwd tot drie woningen Maassluis, Zuidbuurt, 1992/2003 Uit de serie 'Boerenerven' (#12) kleurendruk

Grasbalen, Kampen, 2003 kleurendruk PAG 113

Mestbassin, Balkburg, 2003 kleurendruk

PAG 1 2 2 - 1 2 3

PAG 114

Loopstol, permanent verblijf voor het melkvee, Balkbrug, 2003 kleurendruk PAG 115

Het boerenbedrijf is niet meer in functie. De boerderij wordt verbouwd tot woonhuis. Maassluis, Zuidbuurt, 1991/2003. Uit de serie 'Boerenerven' (#25) kleurendruk

Melkrobot, Balkbrug, 2003 kleurendruk PAG 116

Kaasfabriek Frico, Balkbrug, 2003 kleurendruk PAG 117

Kaasrijping, Frico, Balkbrug, 2003 kleurendruk

109

MARTIN LUIJENDIJK

O V E R I J S S E L EN Z U I D - H O L L A N D


110

MARTIN LUIJENDIJK

OVERIJSSEL


III

M A R T I N LU IJ E N D IJ K

OVERIJSSEL


112

MARTIN LUIJENDIJK

OVERIJSSEL


113

MARTIN LUIJENDIJK

OVERIJSSEL


114

MARTIN LUIJENDIJK

OVERIJSSEL


115

MARTIN LUIJENDIJK

OVERIJSSEL


116

MARTIN LUIJENDIJK

OVERIJSSEL


117

MARTIN LUIJENDIJK

OVERIJSSEL


118

MARTIN LUIJENDIJK

ZUID-HOLLAND


119

MARTIN LUIJENDIJK

ZUID-HOLLAND


120

MARTIN LUIJENDIJK

ZUID-HOLLAND


121

MARTIN LUIJENDIJK

ZUID-HOLLAND


123

MARTIN LUIJENDIJK

ZUID-HOLLAND


Johannes Schwartz 7. Interieurs van boerderijen 2. RuĂŻnes van boerenschuren Johannes Schwartz neemt als fotograaf de positie in van autonoom kunstenaar. Schwartz komt uit Duitsland maar woont en werkt in Amsterdam. Hij werd bekend met een serie zwart-witfoto's van woonkamers van blinde mensen en interieurs van jagershutten. In zijn foto's komen geen mensen voor. De interieurs beeldt hij niet volledig af, met het doel ze te portretteren. In plaats daarvan fotografeert hij details, die zich laten lezen als cryptische stillevens. In Twente in de provincie Gelderland fotografeerde hij in de dagen voorafgaand aan Pasen 2003 de brandstapels die klaarlagen voor de traditionele paasvuren. Het ritueel ontsteken van grote hopen hout als lentevreugdevuren op een van de paasdagen vindt plaats in een gebied dat zich uitstrekt van Twente tot in Duitsland ten oosten van het Harzgebergte en van Denemarken tot in Oostenrijk. Het is een openbaar en sociaal gebeuren en een typisch voorbeeld van levend erfgoed in de plattelandscultuur. In zijn typologische benadering van de 'paashopen' citeert Johannes Schwartz de meesters van de typologische fotografie uit Duitsland: Bernd en Hilla Becher. De Bechers zijn beroemd geworden met hun fotografie van industriĂŤle architectuur van Noordoost-Europa. Zij maakten overzichts- en landschappelijke foto's, maar vooral de typologische reeksen van frontaal genomen graansilo's, hoogovens, olieraffinaderijen, et cetera, zijn bekend geworden. Ook Johannes Schwartz hanteert steeds een frontaal camerastandpunt, waarbij de brandstapels 'ten voeten uit' zijn afgebeeld. Door de gelijkvormige afbeelding leggen de foto's niet zozeer de nadruk op de overeenkomsten van de hopen, maar nodigen ze juist uit tot het bestuderen van de verschillen, zoals een wetenschappelijke verzameling dat doet. Bij de presentatie van de beelden wordt het seriematige karakter benadrukt. Ze worden niet getoond als losse beelden, maar als reeks of in een grid.

124

JOHANNES SCHWARTZ

G E L D E R L A N D EN G R O N I N G E N


Typologische foto's van brandstapels voor paasvuren In Groningen maakte Schwartz twee soorten foto's: gestileerde zwart-witbeelden met zacht contrast van een aantal interieurs van boerderijen, en daarnaast kleurenfoto's van ru誰nes van boerenschuren. Sommige interieurs van traditionele boerderijen herinneren aan de befaamde rijkdom en grandeur van de Groningse boerenstand. Daarnaast zien we moderne interieurs die in niets verschillen van hun stedelijke tegenhangers. Alleen het uitgestrekte landschap dat door het raam te zien is, wijst erop dat we met een boerderij van doen hebben. De boerenschuren die Schwartz fotografeerde zijn in een verre staat van verval. Het zijn dramatische beelden. Dergelijke karkassen staan her en der in het Groningse landschap. In Nederland, waar ordelijkheid en opgeruimdheid heersen, is het ronduit vreemd dat dergelijke vervallen gebouwen te zien zijn. En het is nog vreemder dat deze ru誰nes daar schijnbaar blijven staan. Alsof niemand het over zijn hart kan verkrijgen de restanten van deze oude boerenarchitectuur op te ruimen.

125

JOHANNES SCHWARTZ

G E L D E R L A N D EN G R O N I N G E N


127

JOHANNES SCHWARTZ

GELDERLAND


129

JOHANNES SCHWARTZ

GELDERLAND


131

JOHANNES SCHWARTZ

GELDERLAND


132

J O H A N N E S S C H W A R T Z GELDERLAND


134

J O H A N N E S S C H W A R T Z GELDERLAND


136

J O H A N N E S S C H W A R T Z GELDERLAND


138

J O H A N N E S S C H W A R T Z GELDERLAND


Sean Snyder Utrecht als infrastructureel knooppunt, in historische en hedendaagse fotografie De fotograaf Sean Snyder richtte zich op een nieuwe identiteit van het Utrechtse landschap. Hij benaderde het landschap vanuit het idee van mobiliteit: Utrecht als knooppunt van wegen. Snyder kijkt naar het landschap vanuit een historisch perspectief. Hij is ge誰nteresseerd in de manier waarop de inrichting van het landschap in de loop der jaren verandert onder invloed van de heersende ideologische en politieke omstandigheden. Snyder presenteert zijn werk altijd in een installatievorm. Naast foto's en videofragmenten of videostills van eigen hand verwerkt hij in deze installaties bestaande beelden die hij aan verschillende media en archieven onttrekt. Zo maakte hij een installatie over Shanghai waarin hij de koloniale overheersing belichtte aan de hand van een mix van eigen en historische beelden. Voor deze opdracht verbeeldde Snyder Utrecht als infrastructureel knooppunt van Nederland. Hij maakte vanuit de auto en de trein videoopnamen van het landschap zoals het aan de reiziger voorbijtrekt. Daarnaast koos hij uit het archief van de Topografische Dienst in Emmen enkele luchtfoto's die op geabstraheerde wijze de functionaliteit van het landschap laten zien. Hij maakte een installatie waarin hij zijn eigen en de topografische beelden met historische foto's uit het archief van Cas Oorthuys combineerde. Deze vertegenwoordigen voor hem een oudere, meer statische manier waarop het landschap werd waargenomen.

PAG 142-145

PAG 148-149

Utrechts landschap vanuit auto, 2003 videostills PAG 146-147

digitale montage van videostills, 2003

141

SEAN SNYDER

UTRECHT

Westzijde Utrecht (stad) met Amsterdam-Rijnkanaal, 7 999 luchtfoto's Topografische Dienst, Emmen nr. 31722


143

SEAN SNYDER

UTRECHT


144

SEAN SNYDER

UTRECHT


145

SEAN SNYDER

UTRECHT


146

SEAN SNYDER

UTRECHT


147

SEAN SNYDER

UTRECHT


Andrea Stultiens 7. Historische boerderijen met een nieuwe functie 2. Historische foto's van het leven op de boerderij Andrea Stultiens richtte zich op de nieuwe bestemming van een aantal historische boerderijen in Limburg, de provincie waar zij is geboren en opgegroeid. EĂŠn boerderij was veranderd in een 'zorgboerderij', waar psychiatrische patiĂŤnten onder begeleiding licht agrarisch werk verrichten. In andere voormalige boerderijen trof zij een streekmuseum, een pottenbakkerij, een manege, een groepsaccommodatie, een kuuroord, een voetbalvereniging en zelfs een kunstskibaan aan. Deze nieuwe functies zijn typerend voor de overgang van het Nederlandse platteland als productielandschap naar consumptielandschap, waar recreatie een steeds belangrijkere rol speelt.1 Andrea Stultiens laat zich in haar fotografie inspireren door de zeventiendeeeuwse Nederlandse genreschilderkunst. Ook zij neemt alledaagse taferelen tot onderwerp en versterkt door kleine formaten te kiezen de intimiteit in haar foto's. Als echo van het verleden voegde Stultiens historische foto's toe die zij vond in een fotoantiquariaat en in de fotoalbums en dozen met kiekjes van twee Limburgse families. Andrea Stultiens samplet haar eigen foto's met bestaande beelden. Evenals bijvoorbeeld de fotografen Julian Germain en Larry Sultan herwaardeert zij historische foto's door werk te maken waarin ze deze vermengt met haar eigen foto's. Het duidelijkst deed zij dat in haar recente, deels autobiografische tweeluik over twee Nederlandse dorpen: Kerkdorp - Polderdorp. Stultiens' manier van werken is vergelijkbaar met die van een dj. Al spelend met inhoud, sfeer en beeldverkleuringen van de oude foto's maakt ze met deze 'autochtone herinneringen' een nieuw geheel. 2 Zo is het boerenleven van destijds te zien in de historische foto's die zij verzamelde, naast datzelfde leven in gemusealiseerde vorm in het streekmuseum De Locht in Melderslo.

150

ANDREA STULTIENS

LIMBURG


PAG 152

PAG 153 A

Streekmuseum en nationaal asperge- en champignonmuseum De Locht, Melderslo, 2003 kleurendruk PAG 154

Client (Jo) in de schuur van zorgboerderij en boerderijwinkel Boer Hans, Heide, 2003 kleurendruk PAG 157

Zwembad en Kneipp kuuroord in de voormalige stallen van kloosterboerderijcomplex Chateau St. Gerlach, Valkenburg, 2003 kleurendruk PAG 158

Doorkijkje naar skibaan in Sport Inn, hoeve Moerland, Oost-Maerland, 2003 kleurendruk PAG 159

Paardenstal, voorheen koeienstal. Paardenhouderij Straterhof, Roermond, 2003 kleurendruk

Spelen op de binnenplaats van Hoeve Moerland van familie Meertens, Oost-Maerland, begin jaren 1970 kleurendruk co//, familie Meertens, Oost-Maerland PAG 153 B

Kinderen van familie Willems, de stal van de boerderij in Kronenberg, ca. 1 980 kleurendruk co//, familie Willems, Kronenberg PAG 155 A

fotograaf en locatie onbekend Sterke werkers, 37 maart 1939 4x5 inch glasnegatief waarschijnlijk in opdracht van uitgeverij Spaarnestad gemaakt co//, fotoantiquariaat ICM (Instituut voor Concrete Materie), Haarlem PAG 155 B

fotograaf en locatie onbekend Limburg, jaren dertig 4x5 inch glasnegatief waarschijnlijk in opdracht van uitgeverij Spaarnestad gemaakt coll. fotoantiquariaat ICM, Haarlem PAG 156 A

fotograaf onbekend Boerenvrouwtje op de trap voor haar huis, Maastricht, 2 maart 1934 4x5 inch glasnegatief waarschijnlijk in opdracht van uitgeverij Spaarnestad gemaakt coll. fotoantiquariaat ICM, Haarlem PAG 156 B

fotograaf onbekend, Heerlen, jaren dertig 4x5 inch glasnegatief waarschijnlijk in opdracht van uitgeverij Spaarnestad gemaakt coll. fotoantiquariaat ICM, Haarlem

151

ANDREA STULTIENS

LIMBURG


152

ANDREA STULTIENS

LIMBURG


153

ANDREA STULTIENS

LIMBURG


154

ANDREA STULTIENS

LIMBURG


155

ANDREA STULTIENS

LIMBURG


156

ANDREA STULTIENS

LIMBURG


157

ANDREA STULTIENS

LIMBURG


158

ANDREA STULTIENS

LIMBURG


159

ANDREA STULTIENS

LIMBURG


Twentse boerderij vlak voor de Tweede Wereldoorlog, nog de tijd van paard en wagen. Š Cas Oorthuys, Nederlands fotomuseum

161

W I S S E L E N D E GEDAANTEN VAN HET A G R A R I S C H

LANDSCHAP


I

Drentse platteland omstreeks 1940, met kleine, vaak armoedige bedrijven. Š Cas Oorthuys, Nederlands fotomuseum

162

W I S S E L E N D E GEDAANTEN VAN HET A G R A R I S C H

LANDSCHAP


Wisselende gedaanten van het agrarisch landschap G e r r / e ' Andela

Kort na de Tweede Wereldoorlog verscheen het boek Landbouw, geschreven door ir. D.J. Maltha en geĂŻllustreerd met foto's van Cas Oorthuys. Het was bedoeld om de landbouwsector meer bekendheid te geven en te promoten. Opvallend is de toonzetting. Op haast lyrische wijze wordt een beeld geschetst van de ontwikkeling van de landbouw en het boerenbedrijf in Nederland. Maltha beschrijft wat de foto's van Oorthuys verbeelden: landleven, ambachtelijkheid en trots. Een bloemrijk citaat waarin de pastorale sfeer met krachtige penseelstreken wordt geschilderd. Hier straalt de romantiek van het boerenbedrijf: 'In het land staan de boerderijen in de beschutting van hun boomen. Op de erven is het stil. De hond ligt aan den ketting en slaapt met den kop op de voorpooten, genietend van het zonnetje, de kat sluipt rond op zoek naar een veldmuis, en een paar kippen krabben nerveus naar een graankorrel, een worm. De zon glijdt over het donkere stroodak, over den ouden gevel, over de bloemen in het voortuintje. De schuurdeuren staan open. Op de schemerige deel staat nog wat gereedschap, een eg, een ploeg, wat schoppen en schoffels, er hangt een paardentuig, er staan een paar kruiwagens en een kar. In het varkenshok ligt vadsig lui de zeug met haar biggen. De paardenstal is leeg, in de ruif een sliertje hooi, de stalhalsters hangen aan den voerbak, een verse hoop vijgen geurt nog 1 D.J. Maltha, Landbouw, Amsterdam 1946, p. 165.

na.'1

Vernieuwing van de landbouw Het was een achterhaald beeld. Nederland likte zijn oorlogswonden. Er waren ingrijpende maatregelen nodig op het gebied van voedselvoorziening, economie en herstel van materiĂŤle schade. Het bedrijfsleven was ontwricht. Complete fabrieksinstallaties en machines van bedrijven als Philips, Unilever en Shell waren door de bezetter naar Duitsland afgevoerd. De infrastructuur was zwaar beschadigd, talloze bruggen en spoorwegen waren vernield en wegen onbegaanbaar geworden. Hoewel de schade in vergelijking met andere sectoren min-

163

W I S S E L E N D E GEDAANTEN VAN HET A G R A R I S C H

LANDSCHAP


der groot was, had ook de landbouw ernstig geleden. De veestapel was aanzienlijk verminderd. Ongeveer 375.000 hectare vruchtbare landbouwgrond stond onder water, onder andere in Zeeland, Zuid-Holland, de Wieringermeer en de Kop van Overijssel, terwijl ook andere gebieden, in Noord-Brabant, Limburg en het rivierengebied zwaar waren getroffen. Het aantal vernielde boerderijen bedroeg ongeveer 8.000. Ook was er de enorme staatsschuld, die gedurende de oorlogsjaren bijna was verzesvoudigd. Herstel van deze situatie vereiste daarom allereerst reconstructie van het binnenlandse productieapparaat, een proces dat moest plaatsvinden in samenhang met een loonbeleid en sociaal beleid. De ontwikkeling van de landbouw was hierbij van grote betekenis met het oog op de nationale voedselvoorziening. Maar ook vanwege de export, om zo deviezen te verkrijgen voor het herstel op andere gebieden. Voor het eerst kreeg de sector een belangrijke politieke betekenis, wat zich manifesteerde in een zelfstandig departement voor Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening. Minister werd S.L. Mansholt, afkomstig uit een toonaangevende Groningse SDAP-familie en tijdens de oorlog actief in de illegale voedselvoorziening in de Wieringermeer. Hij kende het boerenbedrijf van binnenuit en stelde een ingrijpende modernisering voor. Mansholt: 'Wil men niet dat de landbouw eeuwigdurend steun nodig zal hebben, dan zullen de boeren moeten kunnen produceren voor de wereldmarkt, en daarvoor zal rationalisatie nodig zijn. Ook in Engeland, Amerika en ArgentiniĂŤ is men deze weg gegaan en met deze landen zal Nederland moeten concurreren. Wat de arbeidsproductiviteit betreft staat de Nederlandse landbouw ver achter. Men moet hier te lande veel te hard werken in verhouding tot de opbrengst. Om daarin verbetering te brengen is mechanisatie nodig en deze is niet mogelijk bij de huidige perceelsindeling. (...) Het is dus nodig op grote schaal herverkavelingswerkzaamheden uit 2 Verslag van inleiding S.L. Mansholt, 'Landbouw en natuurbescherming', Natuur en Landschap, (1947) nr. 4, pp. 98-99.

te voeren (...). 2 Afgezien van de akkerbouwgebieden in Groningen en Zeeland was de Nederlandse landbouw kleinschalig van karakter. Door de voortdurende splitsing en oprichting van eigen bedrijfjes vanaf het eind van de negentiende eeuw waren vooral op de zandgronden veel kleine boerenbedrijven met naar verhouding te veel arbeidskrachten. Bovendien hadden veel boeren te kampen met slechte productieomstandigheden; percelen waren klein en lagen her en der verspreid. Goede, verharde toegangswegen tot de stukjes land ontbraken veelal, 's Zomers had men te kampen met droogte en in de herfst en winter met wateroverlast. Door middel van het rechttrekken van beken, het verharden van wegen

164

W I S S E L E N D E G E D A A N T E N VAN HET A G R A R I S C H

LANDSCHAP


en incidentele ruilverkavelingen waarbij verspreid liggende percelen werden uitgeruild en samengevoegd, houtwallen geruimd, wegen verbreed en verhard en sloten werden opgeheven of uitgediept, probeerde men hierin wel enige verbetering aan te brengen, maar dit gebeurde nog op vrij beperkte schaal. Niet alleen werd de noodzaak minder gevoeld, ook ontbraken de middelen. Na de bevrijding veranderde dit alles. Er werd een landbouwbeleid geformuleerd met als oogmerk: productieverhoging, kostprijsverlagingen intensivering. Er moest meer worden geproduceerd tegen een lagere prijs. Sleutelbegrippen werden rationalisatie en mechanisatie. Ter voorkoming van armoede op het platteland werd dit streven gekoppeld aan het algemene sociale beleid, wat betekende dat de boeren ook een voldoende inkomen uit hun bedrijf moesten kunnen genereren. Tevens was er sprake van een flankerend industrialisatiebeleid van het ministerie van Economische Zaken, dat was gericht op het tot stand brengen van lichte industrie in achterblijvende gebieden. Hier konden door de mechanisatie overbodig geworden landarbeiders, boerenzoons en vaak ook -dochters nieuw emplooi vinden. De regeringsvoornemens werden ondersteund door de vaak invloedrijke belangenorganisaties van boeren en tuinders, terwijl de toenmalige Landbouwhogeschool in Wageningen en onderzoeksinstituten als het Landbouw-economisch Instituut een wetenschappelijke bijdrage leverden. Voorbeeldig landschap De aangekondigde maatregelen hadden verstrekkende gevolgen voor de inrichting van het platteland. Er kwam een herinrichtingspraktijk op gang die zijn weerga niet kende. Een belangrijke rol was hierbij weggelegd voor het toenemend aantal landbouwingenieurs; de rijkslandbouwvoorlichters en de cultuurtechnici. Vooral de voorlichters probeerden boeren te overtuigen van het nut van technische vernieuwingen als de melkmachine, de landbouwtractor, de maaidorser, de bieten- of aardappelrooimachine. Bij enigszins bemiddelde en vooruitstrevende boeren vonden ze dikwijls gehoor. Op hun bedrijven deed langzaam maar zeker de mechanisatie haar intrede en verdween het handwerk naar de achtergrond. Het gebruik van de machines vroeg, zoals Mansholt al opmerkte, om aanpassing van de aard van de percelen, zowel vanwege de omvang van de nieuwe apparaten als het economisch voordeel dat grotere oppervlakten een snellere beweging van de machines mogelijk maken en dus tijdwinst opleveren. Bovendien was een beperking van producten noodzakelijk, ofwel specialisatie.

165

W I S S E L E N D E G E D A A N T E N VAN HET A G R A R I S C H

LANDSCHAP


In veel gevallen namen de boeren zelf het initiatief om, met financiĂŤle steun van de rijksoverheid, hun percelen te vergroten en te egaliseren. Daarnaast bleek echter de ruilverkaveling een krachtig instrument om deze veranderingen door te voeren. Een kader bood de Ruilverkavelingswet (1924), terwijl de coĂśrdinatie in handen lag van de Cultuurtechnische Commissie ( 1 9 2 4 ) en de uitvoering bij de Cultuurtechnische Dienst (1935). Beide organisaties ressorteerden onder het ministerie van Landbouw, Voedselvoorziening en Visserij. In verschillende gebieden zoals in het Noord-Limburgse Mook-Middelaar en Blitterswijk en het Gelderse Hedel-Ammerzoden vonden de eerste naoorlogse ruilverkavelingen plaats in wederopbouwverband. De bouw van nieuwe boerderijen, in de geest van de bestaande, werd gefinancierd met behulp van herstelgelden. Opzien baarde de reconstructie van Walcheren, na de inundatie door de geallieerden in 1944. Dankzij de ooit rijke beplanting van meidoornhagen langs wegen en percelen en statige buitens achter de duinrand stond dit Zeeuwse schiereiland voor de Tweede Wereldoorlog bekend als de 'Tuin van Zeeland'. Als uitgangspunt voor het herstel diende het reeds in voorbereiding zijnde streekplan. Dit maakte dat niet alleen de omvang van het gebied veel groter

166

W I S S E L E N D E G E D A A N T E N VAN HET A G R A R I S C H

LANDSCHAP


werd en een geografische eenheid vormde, ook de aanpak kreeg een veelzijdig karakter. De verbeteringen op het gebied van de landbouw werden verbonden aan de wensen op het gebied van werkgelegenheid, stedenbouw, recreatie en de inrichting van het landschap. Ten aanzien van dit laatste aspect was vooral op aandringen van natuurbeschermingsorganisaties, die door de beekkanalisaties en ontginningen talrijke waardevolle landschappen verloren zagen gaan, tijdens de oorlogsjaren bedongen dat bij de uitvoering van cultuurtechnische werkzaamheden zowel een inventarisatie zou plaatsvinden naar de natuurwaarden in het gebied als aandacht zou worden besteed aan het aanbrengen van nieuwe beplanting. Verantwoordelijk voor deze taken werd het Staatsbosbeheer, dat eveneens onder het landbouwministerie viel. De herinrichting van Walcheren vond plaats op basis van de speciale Herverkavelingswet Walcheren (1947). Deze maakte onteigening mogelijk, wat de voortgang van het proces aanzienlijk vergemakkelijkte. Voor een optimale herinrichting van het agrarisch gebied was het noodzakelijk dat boeren uit de kernen, waar ze geen uitbreidingsmogelijkheden bezaten, verhuisden naar de 'lege', onderbezette delen elders op het schiereiland. Voor een gezond bedrijf

Links de kanalisatie van de Molenbeek bij Roosteren (L) in de jaren dertig van de twintigste eeuw. De landschappelijke gevolgen waren zeer ingrijpend. Rechts het eindresultaat. Algemeen Rijksarchief, Heidemij

167

W I S S E L E N D E G E D A A N T E N VAN HET A G R A R I S C H

LANDSCHAP


ging men uit van een gemiddelde grootte van ongeveer 12 hectare. Dit betekende dat er bedrijven werden samengevoegd, waarbij de allerkleinste zonder toekomstmogelijkheden in deze nieuwe setting werden uitgekocht en opgeheven. De nieuwe boerderijen - in feite nog steeds klein vergeleken met latere ruilverkavelingsboerderijen - werden aangepast aan de moderne eisen op het gebied van de bedrijfsvoering en boden bijvoorbeeld mogelijkheden tot elektrisch melken. Maar evenals elders in de eerste naoorlogse jaren was hun verschijningsvorm traditioneel. Zoals de meeste oude Zeeuwse boerderijen bezaten ook de nieuwe een dwars geplaatste deel met zwart geteerde deuren. Voor een aantal bedrijven bleek geen ruimte meer op Walcheren zelf. Deze boeren konden een nieuwe start maken in de nieuwe Noordoostpolder, mits ze voldeden aan eisen van vakbekwaamheid, gezond waren en over voldoende financiĂŤle middelen beschikten. Waarmee een deel van het 'nieuwe land' dienstbaar werd gemaakt om de problemen op het oude land op te lossen. Bij de inrichting van het landschap streefde ontwerper N. de Jonge zowel naar een voortzetting van het vooroorlogse karakter van een besloten landschap als naar een vernieuwing van het beeld dat de doorgevoerde schaalvergroting liet zien. Hij handhaafde daartoe de hoofdstructuur van het gebied, bepaald door de hoger gelegen kreekruggen en de open poelgebieden met de nieuwe kavelindeling. De meeste hoofdwegen voorzag hij van een laanbeplanting, terwijl de nieuwe secundaire wegen op de kreekruggen een boom- en struikbeplanting kregen. De landwegen in de poelgebieden bleven onbeplant. Evenmin keerde uit oogpunt van doelmatigheid de perceelsbegrenzing van meidoornheggen terug, waarmee ook hier een belangrijke ruimtelijke karakteristiek uit het landschap verdween. Overigens waren deze heggen op veel plaatsen al ruim voor de Tweede Wereldoorlog door de boeren weggehaald vanwege het onderhoud dat ze vergden. De kreken, ontstaan bij de stroomgaten bij Rammekens, Veere, Westkapelle en Vlissingen, kregen een recreatieve betekenis en werden voorzien van bosstroken. De gekozen opzet kreeg vooral in kringen van landschapsarchitectuur veel waardering. Door aan te sluiten op het bestaande occupatiepatroon was een antwoord gevonden op het vaak moeizame samengaan van behoud van landschappelijke kenmerken en de als noodzakelijk gevoelde vernieuwing van het agrarisch cultuurlandschap.

168

W I S S E L E N D E G E D A A N T E N VAN HET A G R A R I S C H

LANDSCHAP


Gestandaardiseerde boerderijbouw De omvattende benadering van de inrichting van Walcheren brak een lans voor een verbreding van de ruilverkavelingsaanpak in andere gebieden. Bijvoorbeeld in het Gelders Rivierengebied. Al jarenlang streefden welvaartsstichtingen hier naar een verbetering van de leef- en werkomstandigheden in de streek. De kale en lagere, tussen de rivieren gelegen komgronden waren slecht ontsloten en vaak te nat of te droog. De armoede was er groot; talrijke mensen woonden in krotwoningen langs de dijken, zonder aansluiting op het waterleidingnet en de elektriciteitsvoorziening. Ze moesten zich behelpen met een pomp. Boeren in de dorpen bezaten geen uitbreidingsmogelijkheden en waren lang onderweg om hun verder weg gelegen percelen te bereiken. Uit oogpunt van een rationele bedrijfsvoering was hun situatie zeer ongunstig. De eerste veranderingen werden doorgevoerd in het kader van de wederopbouw, maar mede dankzij de inzet van zeer betrokken personen uit het gebied, onder wie de cultuurtechnicus J.E. Stuvers en landbouwer J. Roseboom, kwamen weldra ook andere, niet door de oorlog getroffen delen in aanmerking voor grootscheepse vernieuwing. Zoals het Land van Maas en Waal, dat vooral bekendheid kreeg vanwege het grote aantal boerderijverplaatsingen. Met het oog op een effectief gebruik van de gronden en een goede ontsluiting verhuisden hier 96 bedrijven van de dijkdorpen naar het lege midden van het gebied. De landschappelijke gevolgen waren immens. Waar eerder een landweg met 77 bochten kronkelde, ontstond een nieuwe rechte 'boerderijstraat' met op gezette afstand aan weerszijden nieuwe boerderijen in een carré van erfbeplanting. De percelen waren alle goed bereikbaar en afgestemd op een mechanische bewerking. Ook was de waterhuishouding gereguleerd door een nieuw slotenstelsel en drainagesysteem. Voor de bouw van de bedrijven, waarbij voor het eerst gebruik werd gemaakt van een nieuwe speciale subsidieregeling, werd uitgegaan van een beperkt aantal ontwerpen waaruit de boeren konden kiezen. Dit om enerzijds de kosten zo laag mogelijk te houden en anderzijds eentonigheid te voorkomen. De voorstellen varieerden van een traditionele langgevelboerderij tot een nieuw soort kophals-romptype met een stadse woning van twee bouwlagen en licht hellend dak. In alle gevallen ging het nog om een gesloten boerderij, dat wil zeggen met de stal en de deel onder één kap. Wel was het bedrijfsgedeelte afgestemd op een rationele bedrijfsvoering en het woongedeelte ingericht volgens moderne inzichten op het gebied van de woonhuisarchitectuur. Ook op het gebied van de

169

W I S S E L E N D E G E D A A N T E N VAN HET A G R A R I S C H

LANDSCHAP


170

W I S S E L E N D E G E D A A N T E N VAN HET A G R A R I S C H

LANDSCHAP


boerderijbouw deed het ideaal van voldoende licht, lucht en ruimte zijn intrede. Er kwamen afzonderlijke slaapkamers, de keuken bezat een aanrecht en keukenkastjes op de juiste hoogte en meestal was er een douche. Voorts waren er ruimbemeten vensteropeningen. De gestandaardiseerde aanpak in het Land van Maas en Waal vormde een schril contrast met een experiment dat in dezelfde tijd in Eersel in Noord-Brabant plaatsvond en waarbij binnen het scala van de traditionele boerderijen werd gezocht naar het meest geschikte type voor de toekomst. Zowel bij de wederopbouw als ruilverkavelingsnieuwbouw was de Brabantse langgevelboerderij toegepast, maar dat bleek ondanks de aanpassingen niet goed te voldoen. Daarom koos men in enkele gevallen voor de bouw van een gemoderniseerde Saksische boerderij met zijn karakteristieke wolfseinddak. Een dubbele aanbesteding door architect Anton Pieck wees uit dat dit type het goedkoopst was. De variant bood de mogelijkheid om in deze context van verandering en vernieuwing niet alle traditie overboord te zetten. Reden waarom dit type ook elders werd toegepast. In de loop van de jaren vijftig besloot de regering echter dat er gestreefd moest worden naar goedkopere bouwmethoden. De streekeigen boerderij bleek in de

Links de nieuwe boerderijstraat in het voorheen 'lege' midden van het Land van Maas en Waal, 7 959. Fotoarchief Dienst Landelijk Gebied Rechts een moderne ruilverkavelingsboerderij in het Land van Maas en Waal, 1957. Fotoarchief Dienst Landelijk Gebied

171

W I S S E L E N D E GEDAANTEN VAN HET A G R A R I S C H

LANDSCHAP


praktijk toch vaak duur. Daarbij schatte men het aantal nieuw te bouwen boerderijen voor de volgende dertig jaar op 10.000. De overkoepelende organisatie van de landbouworganisaties, het Landbouwschap, was het hiermee roerend eens, om principiĂŤle redenen. Het achtte de traditionele manier van bouwen volstrekt achterhaald: 'Wat is eigenlijk streekeigen? Waaruit is dit ontstaan? Uit de bepaalde manier van bedrijfsvoering welke de boer in een bepaalde streek toepaste, daartoe gebracht door de grondsoort en de economische mogelijkheden. En vooral niet te vergeten: uit het bouwmateriaal dat de boer in de omgeving vinden kon. Nu de bedrijfsvoering revolutionair verandert, zou de boer het moeten blijven doen met de streekeigen boerderij die 100 jaar geleden verantwoord 3

was, maar nu niet meer.'3 Het schap wilde visie en vooruitgang, zeker gelet op

w. van Eyck, 'Wat is een

n M ^ p ' ^

8 0

"

1

"

c

'

e

toen

P a s 0 Pg e r i c hte Europese Gemeenschap met haar zowel voor de boeren

als de consumenten gunstige prijsvoorwaarden. Hoewel de neiging tot streekeigen bouwen hardnekkig was, bleek de tendens tot efficiĂŤnter bouwen onontkoombaar. Dat kwam duidelijk naar voren bij de nieuwe boerderijen in Tielerwaard-West, de grootste ruilverkaveling in het rivierengebied. Met hun gelede opzet van een eenvoudig, twee lagen hoog woonhuis, dat via een tussenlid met een door golfplaten bedekt bedrijfsgedeelte was verbonden, toonden die een veel soberder beeld. Van differentiatie was geen sprake meer. Zoals ook elders bij bouw van de nieuwe boerderijen werd ook in het rivierengebied het hele gezin intensief begeleid bij de ingebruikneming van zijn nieuwe onderkomen; de boeren door landbouwvoorlichters en de boerinnen door huishoudelijk voorlichtsters van de standsorganisaties en van specifieke voorlichtingsorganisaties. Beide groepen moesten leren effectief om te gaan met de technische verworvenheden en mogelijkheden van hun nieuwe onderkomen. Verantwoordelijk voor de landschappelijke inrichting was ook hier landschapsarchitect De Jonge. Hij streefde naar het scheppen van grote open 'landbouwruimten', die het gebied moesten geleden en de bewoners beschutting boden, maar die tegelijk herinnerden aan de oorspronkelijke openheid van de komgronden. Samen met de nieuwe kavelindeling, het nieuwe wegen- en slotenpatroon, de talrijke nieuwe boerderijen gaf dit patroon van nieuw beplante wegen de voorheen 'troosteloze' ruimten een geheel ander aanzien. Met inmiddels een geheel eigen schoonheid, zoals blijkt uit het feit dat het landschap van het Land van Maas en Waal tegenwoordig uit oogpunt van momentenzorg wordt beschouwd als een van de meest gewaardeerde naoorlogse landschappen van Nederland.

172

W I S S E L E N D E G E D A A N T E N VAN HET A G R A R I S C H

LANDSCHAP


Nieuwe productielandschappen Ook in andere delen van Nederland veranderde het beeld drastisch. Zoals in Noord-Holland, waar het ten noordoosten van Alkmaar gelegen Geestmerambacht werd getransformeerd van een vaarpolder tot een 'rijpolder'. Al jarenlang kampten de boeren en tuinders in dit 'land van de duizend eilanden' met zeer tijdrovende arbeidsomstandigheden die weinig inkomsten opleverden. Het belangrijkste product, kool, werd geteeld op de talrijke langwerpige door sloten omzoomde percelen en op platbodems naar de veiling vervoerd. Ook lieten de woonomstandigheden veel te wensen over. Riolering ontbrak veelal. Daarbij bezaten de dorpen vrijwel geen uitbreidingsmogelijkheden. Zowel van landbouwzijde als van politieke en planologische zijde achtte men ingrijpen onont-

De polder het Geestmerambacht. Links van de lintbebouwing is het landschap van na de ruilverkaveling te zien, rechts daarvan is het landschap nog in oude staat en dus van v贸贸r de ruilverkaveling. Fotoarchief Dienst Landelijk Gebied

173

W I S S E L E N D E GEDAANTEN VAN HET A G R A R I S C H

LANDSCHAP


beerlijk. Vanaf de tweede helft van de jaren zestig ging het gebied volledig op de schop. Sloten werden gedempt, percelen vergraven en samengevoegd. In plaats van de vaarwegen kwamen er rijwegen, waarlangs de nieuwe, gelede boerderijen werden gesitueerd met woonhuizen, naar de mode van die tijd, in de trant van een bungalow met een laag dak. De dorpen werden aangesloten op de nutsvoorzieningen en kregen mogelijkheden voor nieuwbouw. De zandwinplas, benut voor het dempen van de sloten, de aanleg van de verkeerswegen en het ophogen van de bouwlocaties, kreeg een recreatieve bestemming en werd aan de randen voorzien van beplanting. Met forse bomen en struiken langs de belangrijkste wegen trachtte men het gebied te geleden. Een dergelijke omvangrijke transformatie onderging ook de polder Het Grootslag ten westen van Enkhuizen. In een periode van nog geen dertig jaar veranderde ook deze waterrijke streek in een modern productielandschap met een efficiĂŤnte perceelsindeling geschikt voor een mechanische bedrijfsvoering en met een nieuw stelsel van doorgaande wegen en sloten. Wel waren er voorzieningen voor recreatie aangebracht, wat in deze jaren ook bij andere ruilverkaveling dikwijls het geval was. Door de toenemende welvaart en vrije tijd en het stijgend auto- en brommerbezit trokken steeds meer mensen er een dagje op uit. Hoewel deze elementen, die konden variĂŤren van visstekken en picknickbankjes tot in het groen gehulde zandwinplassen en kampeerterreinen, in principe landbouwgrond innamen, zagen de landbouwkundigen er wel degelijk voordeel in. Ze kwamen immers ook de leefbaarheid op het platteland ten goede. Talrijk waren de herinrichtingprojecten op de zandgronden in het oosten en zuiden van het land, waarbij voor de boeren weliswaar gunstige productievoorwaarden ontstonden, maar waarbij tegelijk talloze landschapselementen als houtwallen, bosschages en beken verloren gingen. In verschillende streken in Drenthe en de Gelderse Achterhoek verdween de ruimtelijke samenhang tussen de door beplanting omzoomde essen met hun dorpsbebouwing, de open ontginningsgronden en de beekdalen met hun randbeplanting en dwarswallen. Overigens was deze samenhang op veel plaatsen al aangetast doordat steeds meer boeren deze perceelsbegrenzingen vervingen door een goedkopere en gemakkelijker te beheren prikkeldraadafrastering. Bovendien verloor de houtwal zijn functie als geriefhout. Nieuwe boerderijen situeerde men veelal in de open ontginningsgebieden, die hierdoor en vanwege de aangebrachte bermbeplanting langs de nieuwe wegen een verdichting ondergingen.

174

W I S S E L E N D E G E D A A N T E N VAN HET A G R A R I S C H

LANDSCHAP


In enkele gebieden, zoals in het Drentse Vries, wist landschapsconsulent H.W. de Vroome de oorspronkelijke ruimtelijke opbouw juist weer herkenbaar te maken door het consequent aanbrengen van beplanting op de overgangen tussen de verschillende landschappelijke eenheden. Hier ontstond een nieuw productielandschap, verwant aan het oude. Intensieve veehouderij In de loop van de jaren zestig kwamen de omvangrijke ruilverkavelingen onder druk te staan, niet alleen vanwege de toenemende kritiek van de kant van natuur- en landschapsbeschermers en milieudeskundigen, maar ook vanwege het feit dat gebieden als Twente en delen van de Achterhoek juist door hun fraaie landschappen een belangrijke recreatieve functie hadden en deze functie door ruilverkavelingen teniet zou kunnen worden gedaan. Dit erkenden ook de landbouwingenieurs. Het traditionele instrument van de ruilverkaveling was niet langer toereikend om de agrarische structuur van deze waardevolle gebieden te vernieuwen zonder de recreatieve en landschappelijke betekenis aan te tasten. Daarbij drukten de kosten van de inmiddels omvangrijke en tijdvergende ingrepen zwaar op de rijksbegroting en riep ook de overproductie ('boterberg', 'melkplas') steeds meer protesten op. Er kwam een nieuwe regeling, de Landinrichtingswet (1985), die beter was afgestemd op het ruimtelijk-ordeningsbeleid (streekplannen) en meer rekening hield met belangen op het gebied van recreatie en natuur- en landschapsbescherming. Inmiddels werden ook de ruimtelijke gevolgen van een ander proces zichtbaar. Een Europese steunmaatregel uit het begin van de jaren zeventig, die voorzag in het verstrekken van rentesubsidies op bepaalde investeringen, stelde boeren in de gelegenheid op persoonlijke wijze de rentabiliteit van hun bedrijf te verhogen. In graslandgebieden leidde dit tot de bouw van talrijke ligboxstallen, meestal naast de oude behuizing, terwijl op de zandgronden met name de voorheen 'kleine' boeren, die weinig grond voor uitbreidingsmogelijkheden bezaten, grote varkensstallen lieten neerzetten. Een stimulans vormde de relatief lage prijs voor krachtvoer (topioca, soja en melasse) in deze jaren. Als aanvulling op dit menu voor de duizenden biggen en varkens gingen veel boeren over op de teelt van ma誰s. Vooral in Brabant en Limburg, maar ook in Gelderland en Overijssel kwamen vele nieuwe stallen tot stand, terwijl eindeloze ma誰svelden de plaats innamen van de vroegere akkers met uiteenlopende producten

175

W I S S E L E N D E G E D A A N T E N VAN HET A G R A R I S C H

LANDSCHAP


als tarwe, peulvruchten en voederbieten. In het Westland, maar ook in andere tuinbouwgebieden, maakten tuinders van de subsidiemaatregel gebruik voor de bouw van nieuwe 'warenhuizen', vooral voor bloementeelt. De economische resultaten waren verbluffend. Ondanks de geringe stijging van de Nederlandse economie in het algemeen verdubbelde de land- en tuinbouwproductie in de jaren zeventig bijna. De keerzijde manifesteerde zich echter ook steeds duidelijker. Intensieve veehouderij leidde tot een verdere verschraling en verarming van de flora en fauna in Nederland. Er traden problemen aan het licht die zich lieten omschrijven als verdroging, vermesting, verontreiniging en versnippering. De milieumaatregelen werden aangescherpt, ook door de Europese gemeenschap vanuit Brussel. Daarnaast ontstond er een actief natuurbeleid, door hetzelfde ministerie dat zich eerder zo slagvaardig had ingezet voor een drastische landbouwkundige vernieuwing van het landschap. Ruggengraat werd de Ecologische Hoofdstructuur, een netwerk van bestaande en nog te realiseren natuurgebieden over heel Nederland. Tevens pakte 'Brussel' de nog steeds bestaande overproductie aan door een productiebeperkend en meer marktconform landbouwbeleid, met prijsverlagingen als gevolg. Gedifferentieerd landschap Dit alles miste zijn uitwerking op de boerenstand in Nederland niet. Die zag en ziet zich nog steeds gedwongen zich voortdurend aan de veranderende omstandigheden aan te passen. De zekerheid voor agrariĂŤrs van een toekomst in de landbouw behoort tot het verleden. Boeren die zich gedwarsboomd voelen door alle regelgeving en door de beperkte uitbreidingsmogelijkheden, mede vanwege de hoge grondprijzen, zoeken hun heil elders en emigreren naar landen als Denemarken het oosten van Duitsland en Polen. Anderen spelen in op het ruimere bestedingspatroon van menig Nederlander en zoeken een bijverdienste in de recreatieve sfeer (minicampings, restaurants, maneges) of in de productie en verkoop van zelfgemaakte (biologische) waren. Ook zijn er boeren die zich werpen op de zorgsector met arrangementen voor managers, gehandicapten of ontspoorde jongeren. Evenzeer blijkt het door de overheid gesubsidieerde natuurbeheer een aantrekkelijk bron van neveninkomsten, wat hier en daar zichtbaar resulteert in weer bloemrijke graslanden. Voor een groot aantal boeren, vaak zonder bedrijfsopvolger, rest evenwel geen

176

W I S S E L E N D E G E D A A N T E N VAN HET A G R A R I S C H

LANDSCHAP


andere uitweg dan hun bedrijf van de hand te doen, waarbij ze hun rechten (melkquotum, varkensrecht) doorverkopen aan collegae, die zich wel kunnen handhaven. De gebouwen komen dikwijls in handen van stedelingen, die er hun eigen stempel opdrukken. Soms door opzichtige verbouwingen, waarbij de deel wordt voorzien van grote vensteropeningen en glazen aanbouwen, terwijl de tuin wordt gelardeerd met in onbruik geraakte landbouwattributen. Anderen gaan over tot een zorgvuldige restauratie of zoeken juist het experiment en laten de opstallen verbouwen tot een nieuw woon- en werkgebouw met een eigen architectonische expressie. Na een jarenlang overheidsbeleid dat was gericht op de totstandbrenging van een efficiĂŤnt en rationeel ingericht productielandschap ontwikkelt zich langzaam maar zeker weer een meer gedifferentieerd landschap, waarin ruimte is voor toeval en vindingrijkheid, waar zich een nieuw soort gemengd bedrijf vestigt met andere functies en ander gebruik. Een langzaam verstedelijkend landschap waarin natuur weer een kans krijgt en waarin boeren op uiteenlopende wijze een bestaan zoeken.

177

W I S S E L E N D E G E D A A N T E N VAN HET A G R A R I S C H

LANDSCHAP


Achter de januskop Jan Douwe van der Ploeg

Ontwikkelingen in de Nederlandse landbouw De lijnen lijken getrokken, de verhalen verteld. Het verleden is over en voorbij. Alles is anders en in de nabije toekomst zal het afscheid van het vertrouwde en het bekende alleen nog maar ingrijpender worden. Visuele representaties accentueren de breuk. Stonden bij Cas Oorthuys de twee voornaamste actoren nog centraal: de mens en de levende natuur- in de beelden van nu lijkt landbouw als coproductie, dat is de voortdurende ontmoeting en wederzijdse verandering van het natuurlijke en het sociale, al welhaast verdwenen. Naast de koele dominantie van technologie en de eindeloze vlakken van rechtgetrokken landschappen lijken slechts enkele oases van onoverzichtelijke verrommeling te resteren. Landbouw en platteland zijn niet meer. Alles werd groter, vlakker, intensiever en steeds meer uiteengelegd in technologische deelprocessen die elders op vaak onzichtbare wijze worden gerecombineerd. Het werd ook allemaal zakelijker, anoniemer en steeds meer ontkoppeld van eens zo vertrouwde bakens als lokale ecosystemen, landschappen, cultuurpatronen en identiteiten. De stoere en tegelijkertijd verfijnde architectuur verdween. Getekende koppen maakten plaats voor inwisselbare hoofden. En de eens zo kleurige hooilanden zijn omgebouwd tot blauwgroene 'spinazievelden' of mottige ma誰sbulten. Afgaande op de onvermijdelijke scenariostudies zal het verhaal genaamd landbouw en platteland zich onvermijdelijk en in versnelde mate langs dezelfde lijnen voortzetten. Het is, zo zeggen sommigen van mijn Engelse collega's, 'a race to the bottom'. Een race naar een dieptepunt. Conform ons westerse waardenstelsel spreken we bij voorkeur over de ontwikkeling van landbouw en platteland. Het is een term die op bijna genetische wijze, zo kan ik in dit verband wel zeggen, verbonden is met de notie van vooruitgang, van een gestage toename van kwaliteit en waarde. Eenmaal aangekomen op de al genoemde 'bottom' zal men evenwel concluderen dat dat wat ontwikkeling leek, uiteindelijk vooral een proces van meerledige degradatie was.

178

A C H T E R DE J A N U S K O P


Hoe is het, voorbij alle sentimenten en onlustgevoelens, daadwerkelijk met landbouw en platteland gesteld? Vanaf het midden van de jaren vijftig van de vorige eeuw heeft zich inderdaad een proces voltrokken, aanvankelijk aarzelend, later massaal, dat niet alleen een forse breuk met de voorgaande ontwikkelingen representeerde, maar ook een onmiskenbaar en niet altijd even positief stempel heeft gezet op althans een deel van het platteland en de landbouw zoals we die nu kennen. Dit proces, dat door de initiators ervan werd geduid als 'modernisatieproces' (alsof de geschiedenis tot dan toe had stilgestaan) verliep langs enkele, onderling nauw verbonden assen. De belangrijkste daarvan waren een massale sanering van al die boerenbedrijven die als te klein of anderszins als ondeugdelijk werden beschouwd en daaraan gekoppeld een omvangrijke vergroting van de resterende bedrijven. Daarnaast waren specialisatie (oftewel het verdwijnen van de aanvankelijk veelal gemengde bedrijven), intensivering (het opvoeren van de opbrengsten per koe en per hectare), een verdergaande vervlechting met de agro-industrie (die steeds meer taken overnam die aanvankelijk op het boerenbedrijf waren gelokaliseerd) en rationalisatie van het landelijk gebied (door ruilverkaveling, diepontwatering, eliminatie van 'storende objecten', enzovoort) evenzeer strategische onderdelen van ditzelfde modernisatieproces, dat tot een daadwerkelijke herordening van platteland en landbouw leidde. Uiteraard maakt elke tijd zijn eigen balans van een dergelijke herordening - en uiteraard zijn daarbij uiteenlopende perspectieven in het geding. Toch laten zich wel enkele, nauwelijks omstreden hoofdlijnen onderkennen. Aanvankelijk tekenden zich, naast het evidente economische belang (Nederland geldt als agrarische grootmacht en de macro-economische betekenis van de sector is, voor de Nederlandse economie als geheel, essentieel), steeds meer onbedoelde consequenties af. In dat verband kan worden verwezen naar het omvangrijke en uitermate taaie milieuvraagstuk, naar de onmiskenbare degradatie van aanvankelijk fraaie cultuurlandschappen, naar de reductie van biodiversiteit, naar de sterk regressieve gevolgen die deze vorm van landbouwbeoefening had voor derdewereldlanden en naar de aanvankelijk exponentieel stijgende budgetlasten die ermee waren verbonden (met name op het niveau van 'Brussel'). Later voegde zich daar een breed verspreid ongenoegen aan toe omtrent de wijze waarop de diergezondheid moest worden bewaakt (door massale stamping out van levende dieren). Ook de kritiek op het dierenwelzijn nam toe. Belangrijker misschien was

179

A C H T E R DE J A N U S K O P


nog wel dat ook de kwaliteit van het geleverde voedsel geleidelijk aan suspect werd bevonden: de rij van voedselschandalen werd zo lang en de ernst van met name de mad cow disease (die als Creutzfeldt-Jacob overspringt naar de mens) was zo groot dat een bijna structureel wantrouwen de plaats innam van het vroegere vertrouwen in de kwaliteit van voedsel. En ten slotte, en daarmee zijn we dan ook in het heden aangeland, kwam steeds meer de vraag naar voren of de wijze waarop de landbouw in Nederland is georganiseerd en verder wordt ontwikkeld in economisch opzicht eigenlijk wel de slimste was. Immers, de kwetsbaarheid (uitgerekend ook de economische kwetsbaarheid) van de sector is enorm toegenomen - mede door een voortgaande liberalisering van de wereldhandel in agrarische producten en voedsel, maar ook door de verhoudingsgewijs extreem hoge prijzen van de productiefactoren hier ten lande en door de veranderende consumentenpreferenties. Dit reflecteert onder meer in hoge schuldenlasten, in een afgenomen ruimte om op tegenslagen te kunnen reageren (mede door de regelgeving die de ergste uitwassen moest voorkomen) en in een niet te negeren armoedevraagstuk. Was degradatie, met andere woorden, een term die aanvankelijk vooral werd verbonden aan bepaalde gevolgen van de hier gevolgde landbouwontwikkeling (gevolgen die, na een aanvankelijk negeren werden begrepen als corrigeerbaar) - in het maatschappelijk debat evolueerde dit naar een steeds breder gedeelde visie waarin juist bij de kern van die ontwikkeling steeds meer vraagtekens werden gezet. Was de ontwikkeling van landbouw en platteland niet als zodanig verworden tot een degradatieproces? Waarbij overigens zij aangetekend dat dit in de ogen van velen voor bepaalde vormen van landbouw (als de intensieve veehouderij of bio-industrie) méér gold dan voor andere takken, zoals bijvoorbeeld de grondgeboden melkveehouderij. Dit beeld van degradatie tout court wordt, op dit moment althans, mede gevoed door de al genoemde scenariostudies. Daarin worden beelden geschetst van melkveehouderijbedrijven met 1.000 koeien of meer - koeien die niet meer buiten komen in de wei maar permanent binnen staan. Bij een dergelijke bedrijfsomvang zou Nederland kunnen volstaan met zo'n 1.000 melkveebedrijven, terwijl dat er nu nog een dikke 25.000 zijn. De ruimtelijke consequenties zullen dus, hoe dan ook, ingrijpend zijn. Andere iconen zijn de varkensflat, het agroindustriële bedrijvenpark en de protein highway (van Amersfoort, door de Gelderse Vallei en de Achterhoek, zo Duitsland in). Hoe bekoorlijk ook in de

180

A C H T E R DE J A N U S K O P


ogen van de betrokken technocraten, voor de gemiddelde burger en ook in het publieke debat markeren dergelijke beelden toch bovenal een breuk met de Nederlandse beschaving. Een breuk, het moet worden aangetekend, die niet eens bij voorbaat kan worden uitgesloten. Hetzelfde debat kent, goed beschouwd, ook een essentieel winstpunt. En dat is dat het niet meer zozeer gaat om de voorheen wel aanwezige patstelling van vóór of tégen landbouw - alsof landbouw een niet-differentieerbaar gegeven zou zijn en alsof een simpele eliminatie van landbouw in Nederland niet ook een serie geheel nieuwe problemen zou creëren. Waar het hedendaagse debat gelukkig steeds meer over gaat, is de vraag welke vorm van landbouwproductie en -ontwikkeling gewenst en mogelijk is. De principiële aard van deze vraag, en de concrete mogelijkheid haar voortdurend te stellen, vloeien beide met name voort uit de aanwezigheid en groei van de biologische landbouw. Dat is dan ook, afgezien van de eigen merites, de grote verdienste van de beweging waaruit de biologische landbouw is voortgekomen: aangeven dat het de facto anders kan. En met het stellen van die vraag is vervolgens ook een herwaardering van de landbouw als empirisch verschijnsel geïnitieerd. Want weliswaar was het hiervoor geduide modernisatieproces lange tijd beeldbepalend, mede door de representaties die binnen en vanuit het kennisstelsel rond de landbouw waren gecreëerd - in de praktijk van de landbouw waren evenwel tal van contrasterende antwoorden en praktijken ontwikkeld. Het modernisatieproces was in dat opzicht beslist niet alomvattend en evenmin exclusief. Om tal van uiteenlopende redenen zochten boeren en tuinders, soms individueel, soms gezamenlijk, naar meer bevredigende alternatieven. Daarmee ontstond een waaier van aanvankelijk niet opgemerkte en veelal ook doelbewust genegeerde bedrijfsstijlen, die in allerlei opzichten afweken van het normatief verklaarde patroon van modernisering. In het laatste decennium is die 'waaier' zelfs nog aanmerkelijk vergroot en verrijkt, met name door allerlei nieuwe activiteiten die plaatsvonden onder de verbindende term van 'plattelandsontwikkeling'. De kern van die veelsoortige vernieuwingen was steeds een dubbele: nieuwe relaties opbouwen die maatschappij en landbouw (en voedselproductie en het beheer van de groene ruimte) wederom met elkaar verbinden en wel op zo'n wijze dat tegelijkertijd het inkomensgenererende vermogen - dat binnen en door het modernisatieproces steeds verder is versmald - wordt versterkt en uitgebouwd.

181

A C H T E R DE J A N U S K O P


Zo is, al met al, de situatie ontstaan waarvoor de 'januskop' de meest treffende metafoor is. Landbouw en platteland kennen, in allerlei opzichten, steeds twee onderling sterk contrasterende gezichten: mooi en lelijk, verrijkend en verarmend, innoverend en sleets, kermend en tevreden, open en gesloten. De landbouw is tegelijkertijd de 'bulldozer' waarmee aantrekkelijke landschapselementen worden geĂŤlimineerd, maar ook de boerenvereniging die systematisch en consequent nieuwe boomwallen, elzensingels en vleermuiskelders aanlegt. Er zijn 'natuurboeren' die niet toevalligerwijs Spaanse ruiters in hun velden en zwanenbloemen in hun sloten hebben staan - er zijn er ook volop voor wie geldt dat hun velden niet veel meer dan ecologische woestijnen zijn. Ziedaar de verwarring - een verwarring die zich weerspiegelt in het huidige debat: eenieder immers kan de referentiepunten vinden die hij of zij behoeft. Daarbij komt dat wat een nieuwe beweging, zo niet een kentering, is in de ogen van sommigen, niet veel meer is dan 'gepriegel', sterker nog, een overbodig obstakel op de vereiste weg voorwaarts, in de ogen van anderen. Dat geldt ook, en wellicht zelfs met name, voor het debat onder boeren zelf. Op het niveau van het Europese beleid bakent zich ondertussen een geleidelijke, maar consistente koerswijziging af, die weliswaar via kleine, soms verwarrende en chaotisch ogende aanpassingen verloopt, maar die, als trend, evident en irreversibel is. Mijlpalen waren de Conferentie in Cork (1996), waar de route van 'rural development' helder werd neergezet, de zogeheten Mid Term Review en de daarna volgende beleidsaanpassingen in het voorjaar en de zomer van 2003 en, ten slotte, de recente Conferentie van Salzburg, waar het belang van de nieuwe koers andermaal werd geĂŤtaleerd. Centraal in deze nieuwe trend is de stap voorbfj de onmiddellijke belangen van de sterk gemoderniseerde landbouw (en de veronderstelde noodzaak van een versnelde modernisering zoals tot uitdrukking gebracht met de vigerende scenariostudies). Dat is tegelijkertijd een stap naar een nieuwe landbouw die niet alleen kwalitatief hoogwaardig en gevarieerd voedsel voortbrengt, maar daarnaast ook een breed scala aan zogeheten 'groene diensten' levert. De omschakeling van prijsondersteuning voor de productie van bulkgoederen naar de levering van groene diensten is een voornaam vehikel voor deze omslag. De geduide verandering wortelt niet alleen in de sfeer van de ideeĂŤn, maar vloeit mede voort uit de veranderende (internationale) context. Want ook al mislukte

182

A C H T E R DE J A N U S K O P


'CancĂźn' (alwaar begin september 2003 de wereldhandelsconferentie over landbouw plaatsvond), aan de noodzaak om meer ruimte voor de ontwikkeling van de derdewereldlandbouw te creĂŤren valt niet te ontkomen, zoals ook op de onmiddellijk erop volgende informele ministersconferentie in Taormina werd onderstreept. Dat betekent onder meer dat voor het sterk expansieve landbouwtype dat door middel van het modernisatieproject was opgebouwd steeds minder plaats is. Daarnaast impliceerde de vergroting van de Europese Unie dat continuering van datzelfde, op gesubsidieerde expansie berustende model zijn eigen grens, te weten de betaalbaarheid ervan, drastisch zou overschrijden. Ook dat noopte dus tot drastische veranderingen. Dit voegde zich bij sterke socio-politieke pressies, met name in het mediterrane en het Scandinavische blok, om boeren en landbouw, ter wille van een leefbaar platteland, te blijven beschermen (niet meer zoals voorheen, maar met een drastisch hervormd beleid). En ten slotte was er de algemeen maatschappelijke noodzaak om landbouw en natuur opnieuw te koppelen en massale transporten van dieren en voedsel althans enigszins te reduceren (mede met het oog op de insleep van ziektes). Al met al maakten deze parameters de geduide omslag noodzakelijk en ook tot een irreversibel fenomeen. Het nieuwe beleid interacteert met nieuwe bedrijfsvormen - nieuwe landbouwbedrijven die 'complex' en 'spannend' zijn (oftewel multifunctioneel, zoals het jargon van de sector wil). Het zijn bedrijven waar van alles gebeurt. Ze zijn veelal opnieuw 'gemengd' van aard: akkerbouw, lelieteelt, melkveehouderij en, bijvoorbeeld, een varkenstak worden zo gecombineerd dat allerlei ecologische cycli weer worden hersteld en benut. Daarmee gaat de ziektedruk naar beneden, worden de emissies sterk gereduceerd en kunnen de verdiensten worden verbeterd. Daarnaast zijn er nieuwe vormen van gemengde bedrijvigheid. Op het geschetste bedrijf zullen het beheer van natuur en landschap, het bieden van agrotoeristische faciliteiten, de productie van energie, de retentie van water, de verwerking en vermarkting van althans een deel van de productie en/of het bieden van zorgfaciliteiten op enigerlei wijze deel uitmaken van de bedrijfsvoering. Vaak ook zijn deze bedrijven een onderdeel van samenwerkingsverbanden die op een hoger aggregatieniveau opereren (een streek, een nichemarkt) en waarmee additionele voordelen worden gegenereerd. Het complexe karakter van deze nieuwe bedrijven blijkt ook uit de verschijningsvorm ervan. Zowel in de velden, op het erf alsook in de architectuur is men de monotonie en versimpeling

183

A C H T E R DE J A N U S K O P


van weleer voorbij. Het maakt deze bedrijven ook weer 'spannend': er is opnieuw iets aan te ontdekken, te zien en te ontcijferen. Net zoals de laaggeplaatste ramen van de kaaskelder, de koeienruitjes in de stal, de hoogte van de hooizolder, de aard van de bijgebouwen en de elzensingels in het veld vroeger een heel verhaal vertelden, zo worden er nu weer nieuwe verhalen verteld. Verhalen die uitnodigen en doen verlangen naar meer. De Nederlandse landbouw was, door de bank genomen, de meest gemoderniseerde van heel Europa. Dat wreekt zich nu als een remmende voorsprong, met name ook op het ministerie van Landbouw, waar het uitermate moeilijk blijkt de virtuele beelden en institutionele routines mĂŠĂŠr in lijn te brengen met de (veranderende) werkelijkheid en het nieuwe Brusselse beleid - temeer ook daar de erfenis van een paar pijnlijke 'dossiers' uit de modernisatieperiode (met name het mestvraagstuk) als een loden last op de toekomst blijft drukken. Ondanks dat is men op meer dan de helft van de professionele boerenbedrijven de nieuwe weg ingeslagen. Daar op voort te bouwen, ook door de nieuwe realiteiten die zo ontstaan adequaat te verbeelden, geldt nu als de grote uitdaging.

184

A C H T E R DE J A N U S K O P


Nieuwe mengverhoudingen in het landschap Yttje Feddes

Tussen nostalgie en industrie Acht fotografen kregen de opdracht om in twaalf provincies agrarisch Nederland in beeld te brengen. Het resultaat is een breed palet aan impressies-van interieurs tot landschappen, van mensen tot machines, van vruchtbaarheid tot verval. Maar geeft dit beeld een doorkijkje naar de toekomst? Komt er uit het rangschikken van de foto's een voorspelling naar voren ? Iedereen zal een andere betekenis aan de beelden toekennen. Wat mij trof was de serie van Noritoshi Hirakawa over het dagelijks leven van een gezinsbedrijf. Daarmee laat hij zien dat deze realiteit ook nog steeds aanwezig is, met beide benen op de grond, te midden van de beelden van nostalgie en industrie uit een aantal andere series. Het gezinsbedrijf wordt in de meest gerationaliseerde sectoren van de landbouw, zoals de intensieve veehouderij en de grootschalige akkerbouw, nog steeds als ideaalbeeld gezien. Het vormt de basis voor de onmisbare persoonlijke betrokkenheid van de ondernemer, voor een goed imago bij de consument, voor flexibiliteit en voor sociale verbanden. Eigenlijk zou de helft van de portrettenreeks van boeren dan ook uit foto's van boerinnen moeten bestaan. Ook in het toekomstperspectief dat Jan Douwe van der Ploeg voor de sector schetst is het gezinsbedrijf nog springlevend. Misschien nog wel meer dan ooit nu nieuwe vormen van menging aan de orde zijn, waarbij niet alleen agrarische producten worden bedoeld, maar ook andere diensten en samenwerkingsvormen. Van der Ploeg betoogt al jaren dat de Nederlandse landbouw vele bedrijfsstijlen kent en dat daarin juist de kracht schuilt van de landbouw in een verstedelijkte samenleving. In de regionale plannen die momenteel veel door landschapsontwerpers worden gemaakt, speelt die opvatting een grote rol. Door de standaardisatie in de landbouw los te laten, ontstaat een herkansing voor het landschap. Op de grote

185

N I E U W E M E N G V E R H O U D I N G E N IN H E T L A N D S C H A P


schaal kunnen dan opnieuw verschillen worden aangebracht door de eigen identiteit en de ecologische kwaliteit van een landschap te benutten. Er ontstaan mogelijkheden om op de microschaal nieuwe aansprekende details toe te voegen, die het beeld verlevendigen en het landelijk gebied letterlijk en figuurlijk toegankelijker maken. Na de ruilverkaveling De inzet van de overheid in het landelijk gebied was er vijftig jaar lang op gericht de productieomstandigheden voor alle boeren zo veel mogelijk gelijk te trekken, ongeacht het feit of de bedrijven nu op de klei, in het veen of op het zand lagen. De inrichtingsopgaven die zich nu aandienen, ontstijgen echter het ruilverkavelingsblok. Het gaat nu om ruimtelijke processen op een andere schaal en met een andere culturele achtergrond. In de eerste plaats is er het algemeen gedeelde besef dat de waterhuishouding in Nederland anders moet worden aangepakt. Het zo snel mogelijk afvoeren van het regenwater, via beken en rivieren naar de zee, veroorzaakt watertekort in droge tijden en overstroming na hevige regenval. De keuze om water langer vast te houden op de hogere gronden en tijdelijk te kunnen bergen in lagere gebieden is dan ook een trendbreuk ten opzichte van het principe 'alle boeren gelijke kansen'. Er zouden in de toekomst wel eens grote verschillen kunnen ontstaan tussen de agrarische bedrijfsvoering op de kleigronden, waar de ondergrond weinig beperkingen met zich meebrengt en de 'watermachine' efficiĂŤnt in werking kan worden gesteld, en de bedrijven op het zand en in het veen. In de zandgebieden is het watersysteem een gegeven waaraan de landbouw zich meer en meer zal moeten aanpassen om aan de milieueisen te kunnen voldoen. In de veenpolders daarentegen kan het water technisch wel goed worden beheerst. Al sinds de Middeleeuwen wordt dat door de waterschappen geregeld. Maar daar wordt juist het probleem van het inklinken van de veenbodem urgent. Als we doorgaan met het verlagen van het waterAgrarisch Nederland: de stippen van de agrarische erven laten de verschillende patronen van het Nederlandse cultuurlandschap oplichten. Bron: Ontwerpatelier Reconstructie Zandgebieden, Dienst Landelijk Gebied en H+N+S landschapsarchitecten, 2001-2002.

187

peil zal het veen in deze middeleeuwse polders binnen een eeuw vrijwel zijn verdwenen. De tweede trendbreuk is van culturele aard en heeft te maken met de verstedelijking van Nederland en de groeiende vrijetijdseconomie. Het landelijk gebied is niet alleen meer van de boeren, maar ook van de groeiende groep burgerbewoners, van de bezitters van een zomerhuis, van de organisaties voor natuuren landschapsbeheer. En het is het geestelijk eigendom van de grote groepen

N I E U W E M E N G V E R H O U D I N G E N IN H E T

LANDSCHAP


wandelaars en fietsers, die toegankelijkheid willen en afwisseling. Vijftig jaar planmatige aanpak van de landbouw heeft bewezen dat de economische ontwikkeling van de landbouw onvoorspelbaar is. Zoals Gerrie Andela in haar essay beschrijft, hebben de succesvolle landschapsplannen uit het ruilverkavelingstijdperk op die onzekerheid ingespeeld door een ruime jas voor de landbouw te ontwerpen. Enkele goed getroffen lijnen legden daarbij de karakteristiek van het landschap vast. Nu de landbouwkundige weersvoorspelling 'differentiëren' aangeeft, is de opgave voor het landschapsontwerp niet wezenlijk veranderd. Het gaat er nog steeds om een raamwerk voor het landschap te maken dat mooi en stevig genoeg is om verschillende programma's in zich op te nemen. In discussies over de toekomst van de Nederlandse landbouw worden vaak twee strategieën tegenover elkaar geplaatst: óf moderniseren en produceren voor de wereldmarkt, óf inzetten op een verbrede landbouw die neveninkomsten dankt aan recreatie en natuurbeheer. Het is echter ook mogelijk dat beide koersen naast elkaar worden uitgezet. De denkbare veranderingen in het landschap ten gevolge van deze verschillende koersen roepen per bodemkundig landschap een verschillend beeld op, met elk een eigen grafische kwaliteit. Zo kan het toekomstige veenlandschap het beste worden getypeerd als een kleurige collage van verschillende poldereenheden met een verschillend gebruik: de zeepolders als een litho met stevige lijnen en grote vlakken; het zandlandschap als een fijnmazige pentekening. Bij het schetsen van een mogelijk toekomstbeeld van het Nederlandse cultuurlandschap is het interessant twee uitersten te kiezen: de grote vlakken en stevige lijnen van de zeekleipolders - met de beste kansen voor een modern productielandschap - en het fijne lijntjespatroon van het zandlandschap, dat vooral kansen 1 De visie op de toekomst van de zandgebieden is ontleend aan: Ontwerpatelier Reconstructie Zandgebieden 2001-2002, Dienst Landelijk Gebied en H+N+S Landschapsarchitecten; Landschapsbouw door landelijk wonen, H+N+S Landschapsarchitecten en Palmboom van den Bout stedenbouwkundigen, 2003, in opdracht van de stedendriehoek ApeldoornDeventer-Zutphen.

188

biedt om landbouw en andere vormen van grondgebruik met elkaar te verweven. De zandgronden en de dynamiek van de kleinste module 1 In de twintigste eeuw zijn de grote ruimtelijke contrasten uit de zandlandschappen van Oost- en Zuid Nederland verdwenen. Het verschil tussen de uitgestrekte woeste gronden en de intensief bewerkte akkertjes bij de dorpen, het verschil tussen nat en droog, het verschil tussen bewoond en leeg is vervaagd of verdwenen. Wat overbleef is een 'middenschalig' landschap met een gespreid bebouwingspatroon, waarin slechts enkele natuurgebieden zijn uitgespaard. Er liggen maïsakkers in de beekdalen, die ooit nat waren, en er liggen intensief gebruikte

N I E U W E M E N G V E R H O U D I N G E N IN HET

LANDSCHAP


graslanden op de dekzandruggen, die ooit droog en voedselarm waren. Deze ontwikkeling werd niet alleen veroorzaakt door de uitvinding van de kunstmest, maar vooral door de beheersing van het watersysteem. Vanaf het begin van de jaren vijftig was het credo 'beheersen en afvoeren'. Er werd een dicht netwerk van sloten gegraven en de afvoercapaciteit van het bekenstelsel werd indrukwekkend vergroot. Inmiddels is men genuanceerder gaan denken over de mogelijkheden om het watersysteem te kunnen beheersen. Om de actuele problemen van wateroverlast en verdroging het hoofd te kunnen bieden, is het motto nu veranderd in 'vasthouden, bergen en dan pas afvoeren'. De ruimtelijke planning is er momenteel sterk op gericht om het watersysteem in de zandgebieden opnieuw als sturende basislaag te beschouwen. Dit heeft echter tot gevolg dat het grondgebruik moet worden aangepast aan de natuurlijke omstandigheden. Voor de zandlandschappen zou dat betekenen dat grote delen van het oppervlak, namelijk zowel de regionale kwelgebieden als de grote infiltratiegebieden, niet meer geschikt zijn voor intensieve vormen van landbouw. Immers, in de infiltratiegebieden moet het grondwater schoon blijven. Het vasthouden van water in de bodem staat intensief landbouwgebruik dan in de weg. Bovendien moet er in de lagere delen van het landschap ruimte zijn om water 'op het maaiveld' tijdelijk of langdurig te bergen. In Brabant bijvoorbeeld zou er op de schaal van de hele regio verschil ontstaan tussen kwetsbare stroomgebieden en 'neutrale' stroomgebieden. In deze laatste categorie is intensieve landbouw minder schadelijk, omdat mogelijke vervuiling alleen lokaal effect heeft. Het hele Nederlands-Belgische grensgebied waar de beken ontspringen, zal daarentegen moeten worden gevrijwaard van intensieve veehouderij en wordt een aaneengesloten strook bos- en natuurgebied. Meer naar het noorden gaan de natte beekdalen weer lange meanderende lijnen door het craquelĂŠpatroon van het landschap trekken. Alle duizend overgebleven varkensboeren van de provincie Brabant worden in strips langs de Oost-Brabantse kanalen geplaatst. Vanuit de waterhuishouding gezien kan de intensieve veehouderij hier geen kwaad en de logistiek van aan- en afvoer kan efficiĂŤnt worden georganiseerd. Grote melkveebedrijven worden beeldbepalend voor de gebieden waar de landbouw moet extensiveren. Het lijkt een prachtig toekomstbeeld met karakteristieke verschillen op grote schaal. Maar in de reconstructieplannen die nu voor de intensieve veehouderij in

189

N I E U W E M E N G V E R H O U D I N G E N IN H E T

LANDSCHAP


voorbereiding zijn, is voor een dergelijke ingrijpende herschikking van het agrarisch grondgebied vooralsnog geen plaats. Het is, hoe dan ook, een langetermijnperspectief. Het is daarom realistischer om het toekomstig landschap van de zandgebieden vanuit een nader perspectief te bekijken: vanuit de dynamiek van onderop. Daarbij is het zinvol om enkele reparaties aan het watersysteem uit Bestaande situatie

te voeren. Het vergroten van het oppervlak met nat gebied is op korte termijn op veel plaatsen wel realistisch en is een ingreep met een positief effect op het watersysteem als geheel. Een combinatie van waterberging en natuurgebied en een waterbeheer dat door boeren in de beekdalen wordt uitgevoerd, maakt deze lange lijnen van de beekdalen tot de nieuwe dragers van het landschappelijk

Voorstel koe in

raamwerk. Binnen dat raamwerk liggen kansen voor de verfijning van de schaal van het landschap. De zandgebieden veranderen meer en meer in een woonlandschap. Wie er rondrijdt ziet overal agrarische erven verkleuren tot burgerbewoning. En dat is nog maar het begin: als we uitgaan van de aanname dat jaarlijks 4 procent van de agrarische bedrijven in deze regio's stopt, dan betekent dat dat over vijftien jaar

Voorstel koe op stal

de helft van de agrarische erven de directe relatie met de aanliggende gronden heeft verloren. Sommige boeren zullen gewoon op hun erf blijven wonen en misschien nog wat vee houden, waardoor ze in beleidstermen gesproken in de

Transformaties van een melkveebedrijf in het zandgebied: voorbeeld in de Hilver. Bron: workshop 'Ontwerpen aan het agrarisch landschap van de toekomst' van het Ontwerpatelier Reconstructie Zandgebieden, Dienst Landelijk Gebied en H+N+S Landschapsarchitecten, 2001-2002.

categorie 'hobbyboeren' terechtkomen. Anderen beginnen in hun vroegere stallen en schuren een ander soort bedrijf, variĂŤrend van de verkoop van grenen meubelen tot een fitnesscentrum, zoals door Andrea Stultiens in beeld is gebracht, en weer anderen zullen erf en bebouwing aan een 'burger' verkopen. De overheid reageert tot nu toe vooral met restricties op dit proces. Maar daarmee ziet ze over het hoofd dat het introduceren van een paar eenvoudige spelregels veel zou kunnen opleveren voor de kwaliteit van het collectieve landschap. Als bijvoorbeeld zou worden toegestaan om op een voormalig agrarisch erf meerdere nieuwe woningen te bouwen, dan zou ter compensatie een vastgesteld oppervlak beplanting in het landschap moeten worden aangebracht, een nieuw zandpad worden aangelegd, of een bepaalde oppervlakte grond worden aangekocht die door het waterschap voor waterberging kan worden gebruikt. Afhankelijk van de karakteristiek van het landschap kan het toevoegen van deze nieuwe landschapselementen at rondom plaatsvinden of juist gebundeld worden in landschapsontwikkelingszones. Een andere mogelijkheid zit in het beschikbaar komen van de grond van de agra-

190

N I E U W E M E N G V E R H O U D I N G E N IN H E T

LANDSCHAP


rische bedrijven die ermee stoppen. De grond kan door de overblijvende melkveebedrijven worden opgekocht, zodat deze voldoende land hebben om een redelijk inkomen te verdienen en aan de richtlijnen te kunnen voldoen. Laten we als voorbeeld een melkveehouder nemen in het gebied de Hilver, ten zuidoosten van Tilburg. Deze veehouder heeft 28 hectare land, verspreid over enkele kavels tussen een bosgebied op de hoger gelegen zandrug en een lager gelegen beekdal. De veestapel bestaat uit 70 koeien en 50 stuks jongvee. Vanuit het oogpunt van de maximaal toegestane veebezetting per hectare is het bedrijfsoppervlak nu feitelijk al te klein. Om op den duur een redelijk inkomen te kunnen verdienen, zou de veehouder zijn bedrijf nog verder moeten uitbreiden tot ongeveer 110 koeien en 77 stuks jongvee. Volgens de 'rnineralenboekhouding' en de nitraatrichtlijn moet hij dan 63 hectare land hebben. Een verdubbeling van het bedrijfsoppervlak, in een gebied dat onder druk van de stad staat en waar de grondprijs hoog is. De veehouder heeft dus paradoxaal genoeg het totale grondoppervlak nodig om administratieve redenen, maar niet voor de feitelijke uitvoering van zijn bedrijf en kan de extra grondaankoop zelf waarschijnlijk niet financieren. Het koppelen van het privĂŠ-belang van de veehouder met het algemeen belang van een mooi en toegankelijk landschap zou tot een oplossing kunnen leiden. Natuurorganisaties, waterschappen en recreanten kunnen het Omvorming agrarische erven tot cluster landelijk wonen. Bron: 'Landschapsbouw door Landelijk wonen', ontwerponderzoek door H+N+S landschapsarchitecten en Palmboom van den Bout stedenbouwkundigen in opdracht van het Stedelijk Netwerk Stedendriehoek Apeldoorn-DeventerZutphen, 2003.

belang gaan inzien van investering in een 'grondbank' voor de aankoop van agrarische grond als ze er zelf iets voor terugkrijgen. Dat kan een recreatief padennetwerk zijn of de mogelijkheid een zomerhuis te plaatsen. Maar ook het waterschap heeft ruimte nodig voor waterberging en de natuurbeheerder wil graag meer ruig terrein in het boerenland. Het profijt is wederzijds en natuurlijke marges worden zo toegevoegd aan het agrarische landschap. Bij een bedrijfsvoering waarbij de koeien het hele jaar door op stal staan, krijgen die marges de vorm van ruige stroken grasland, struweel en boombeplanting rond de grote kavels van de agrarische hooilanden. Als de koeien 's zomers in de wei lopen, zullen de gronden dicht bij de boerderij als huiskavel in gebruik zijn. Verder bij het erf vandaan, in de richting van het beekdal, is de grond meer geschikt als hooiland of als weide voor het jongvee. Daardoor zal er een verschil ontstaan tussen de intensief gebruikte landbouwpercelen op de drogere gronden en de lager gelegen natte graslanden. Zowel bij 'koe in de wei' als bij 'koe op stal' kan de toegankelijkheid van het landschap verbeteren. Een nieuw netwerk van zandpaden, hagen en bosschages is een belangrijke toe-

191

N I E U W E M E N G V E R H O U D I N G E N IN H E T

LANDSCHAP


Het Tuinenrijk, afstudeerproject van Ruut van Paridon en Karen de Groot aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam, 2003. Op de zandgronden in ZuidTwente zijn op dit moment evenveel boeren- als burgererven. Boeren en burgers hebben verschillende functionele en esthetische motieven om het landschap vorm te geven. Met de landerijen wordt in Zuid-Twente een nieuwe landschapsstructuur geïntroduceerd, die voortkomt uit een veelheid aan individuele erven. Geleidelijk zullen de landerijen een netwerk van tuinen laten uitgroeien over het landschap.

192

\ y

J

x V

--

/

c.

Kr—

V

scenic walk: langs de landschapselementen via het erf. recht van overpad erfensemble: nieuw- en oudbouw, 3 - 8 woningen privétuinen beek bos, beplanting

f?—

p

\ y r^

;

<b

-Sji

N I E U W E M E N G V E R H O U D I N G E N IN H E T

landbouwruimte openbare weg overige bebouwing

LANDSCHAP


voeging aan de agrarische gebruiksruimte. Deze kan tot stand komen door regels te stellen aan het bouwen op de erven en aan de schaalvergroting van agrarisch bedrijven. Daarmee wordt het zandlandschap voor recreanten beter bruikbaar en aantrekkelijker. Het ooit aanwezige dichte zandpadennetwerk van v贸贸r de ruilverkavelingen kan in ere worden hersteld. Het mes snijdt aan twee kanten: meer recreanten betekent ook meer afzetmogelijkheden voor de verbrede landbouw. Robuust raamwerk op de zeeklei 2 De jonge zeekleipolders in Noord- en West-Nederland en in de voormalige Zuiderzee zijn landbouwgebieden met veelzijdige mogelijkheden. De bodem is vruchtbaar en draagkrachtig. Het watersysteem kan hier in sterke mate worden gemanipuleerd om het dienstbaar te maken aan de landbouw. De polderlandschappen met de monumentale beplante dijken en de lange rechte landbouwwegen, met akkers van vette klei tot aan de horizon en met grote landbouwschuren tonen met kracht het verhaal dat het landschap maakbaar is. De zee is bedwongen en alleen enkele relicten van het getijdenlandschap, in de vorm van ingedijkte kreken, herinneren nog aan de strijd tegen het water. Toch heeft de maakbaarheid zijn grenzen. De zee ligt weliswaar achter de dijk, maar in de delta komt de bedreiging ook van de achterzijde in de vorm van het water van de rivieren. De afvoer hiervan vraagt dan ook meer ruimte. Bovendien hebben de afgedamde zeearmen te kampen met milieuproblemen. Een vervuilde onderwaterbodem en ecologische verarming door het wegvallen van eb en vloed zijn hiervan de belangrijkste oorzaak. Maar ook het opwellen van brak kwelwater zorgt ervoor dat in sommige delen van de landbouwpolders ondergronds de invloed van de zee voelbaar is. Ook is in economische zin de maakbaarheid te ver doorgeschoten door het landbouwgebied homogener te maken dan wenselijk is. Dit probleem doet zich voor zowel in de zeer grootschalige Zuiderzeepolders als in de kleinere opwas- en aanwaspolders van WestNederland. Niet alleen uit het oogpunt van waterbeheer of vanwege de toenemende verstedelijking en de daarmee samenhangende veranderende culturele

2 De visie op de toekomst van de zeekleigebieden is ontleend aan: 'Blue Surprise', inzending H+N+S Landschapsarchitecten in het kader van de manifestatie 'AIR-Zuidwaarts, waar het landschap begint. Hoeksche Waard'(1999).

tiatie, bijvoorbeeld voor de tuinbouw of de bollenteelt, of voor het opnieuw

193

N I E U W E M E N G V E R H O U D I N G E N IN H E T

behoeftes wordt de noodzaak gevoeld van meer verschillen in inrichting. Om economische redenen heeft ook de akkerbouw zelf behoefte aan meer differeninvoeren van het gemengde bedrijf.

LANDSCHAP


Het Zuid-Hollandse eiland de Hoeksche Waard, op het snijvlak van de stedelijke as Rotterdam-Antwerpen en de zeearmen van de delta, is een goed voorbeeld van een zeekleigebied waaraan enkele nieuwe condities toegevoegd moeten worden om te kunnen inspelen op veranderende behoeftes en functies. Op het eerste gezicht liggen de landbouwpolders er onverstoorbaar bij, maar de stedelijke dynamiek bedreigt het gebied zowel vanuit het noorden als vanuit het zuiden. Vanuit het noorden dringt het stedelijke gebied zich in de vorm van een bedrijventerrein en woningbouw op aan de landbouwpolders. Aan de zuidkant komt het getemde Haringvliet opnieuw tot leven. Deze voormalige zeearm wordt door het op een kier openzetten van de sluizen naar de Noordzee weer zout en krijgt een deel van zijn getijdenwerking terug. Ook zijn delen van de Hoeksche Waard als 'overloopgebied' aangewezen omdat het toenemende hoogwater vanuit de rivieren niet meer volledig in het buitendijkse gebied kan worden opgevangen. De toenemende druk van de verstedelijking kan met een meervoudige strategie

194

N I E U W E M E N G V E R H O U D I N G E N IN H E T L A N D S C H A P


Blue Surprise: links watermachine, rechts plankaart nieuw stadje nieuwe marges: dubbel lint van woningen wilgentenen & datsja's aire hoeksche waard

â&#x20AC;˘ ffH

gemengd bedrijf nieuwe stijl extensieve veehouderij & waterboeren agro-raffinaderij op bedrijventerrein

vermarkten van de geografie agro-lab

projectvestiging glastuinbouw

Blue Surprise: nieuw landschappelijk raamwerk en invulling met een gevarieerde agrarische legenda in de Hoeksche Waard. Bron: inzending H+N+S Landschapsarchitecten voor de manifestatie AIR Zuidwaarts, 7 999.

195

N I E U W E M E N G V E R H O U D I N G E N IN H E T

LANDSCHAP


te lijf worden gegaan. Naast het sterk maken van de landbouw, moet nieuwe bedrijvigheid en woningbouw op een goede plaats in het landschap kunnen landen. Tegelijkertijd is het tot expressie brengen van de verborgen schoonheid van dit stoere landschap een belangrijke voorwaarde om het eiland een emotionele betekenis voor de stadsbewoners te geven. In dit licht gezien bieden de ontwikkelingen rondom het Haringvliet interessante mogelijkheden en kansen voor een meer gedifferentieerd landschap met nieuwe gebruiksmogelijkheden. Langs de hele zuidkust kunnen de zeearm en het eiland met elkaar worden vervlochten. De dijk wordt teruggelegd om nieuwe schorren en slikken langs de getijdenrivierte laten ontstaan en om het buitendijkse gebied te verruimen. Enkele markante poldertjes worden als eilanden in dit getijdenlandschap uitgespaard, met de kans om de hier geteelde producten als zeer exclusief op de markt te brengen. Bovendien wordt een polder aan de zuidkant van de Hoeksche Waard als overloopgebied voor hoogwater aangewezen. Het verbouwen van voedselgewassen is daar niet meer mogelijk, maar biomassaproductie in de vorm van griendteelt is een goede optie. Het extensiveren van de landbouw langs de zuidkust lijkt op het eerste gezicht misschien onproductief, maar is het op de lange termijn waarschijnlijk niet. Het nieuwe natuur-recreatie-woonlandschap dat hier ontstaat, kan het imago van de Hoeksche Waard gaan bepalen en biedt tegelijkertijd de mogelijkheid dat de rest van het eiland een grote maat kan krijgen. Daar is de strategie gericht op het versterken van een vorm van akkerbouw, die profiteert van de nabijheid van de havens: de zogeheten agrochemie. Door het verwerken van alle onderdelen van het gewas ('ge誰ntegreerde plantconversie') kunnen er uit beproefde vezelgewassen als vlas en hennep niet alleen vezels en eiwitten worden gewonnen, maar ook energie in de vorm van biomassa en olie. De voorwaarde voor het slagen van deze vorm van landbouw is de nabijheid van agro-industrie, die kan zorgen voor de verwerking van de landbouwproducten. Bij de havens aan de noordkant van de Hoeksche Waard ligt bijvoorbeeld zo'n bedrijfsterrein. Een tweede voorwaarde is de aanleg van een vertakt hoogwatersysteem dat de verschillende teelten naar behoefte van zoet water kan voorzien, nu het Haringvliet zijn functie als zoetwaterbekken voor de landbouw heeft verloren. Dit hoogwatersysteem, met zijn kades, rietoevers en recreatiepaden, heeft niet alleen praktisch nut maar versterkt ook het landschapspatroon. Al met al ontstaat het beeld van een modern, gedifferentieerd landbouwgebied

196

N I E U W E M E N G V E R H O U D I N G E N IN H E T L A N D S C H A P


binnen het robuuste raamwerk van de zeekleipolders, waarbij het waterbeheer op de grote schaal voor verschillende condities zorgt. Nieuwe mengverhoudingen De twee hierboven beschreven toekomstbeelden, voor het zandlandschap en voor de zeekleipolders, laten een verschil zien in de manier waarop landbouw en andere vormen van grondgebruik gemengd kunnen worden. Op het zand is een toenemende verweving hiervan kansrijk, terwijl op de zeeklei een strategie van het behoud van grote eenheden lijkt te passen. Op het zand moet de landbouw zich op de lange termijn aanpassen aan het watersysteem; op de klei kan de waterhuishouding binnendijks als een machine worden afgesteld. Daarmee wordt geen toekomstvoorspelling gedaan in de richting van een verbrede landbouw of een landbouw die zich oriĂŤnteert op de wereldschaal. De toekomst van de landbouw is immers in hoge mate onvoorspelbaar. In de beide beschreven ontwikkelingsbeelden is plaats voor verschillende vormen van landbouw - alleen zullen de mengverhoudingen per landschapstype gaan verschillen. Afhankelijk van de natuurlijke condities, stedelijke programma's en de vitaliteit van de landbouw houden de ontwikkelingskansen voor de andere landschappen (de veenweidepolders, het rivierengebied, de droogmakerijen, de hoogveenontginningen) het midden tussen de menging van grote eenheden op de zeeklei en de fijnmazige vervlechting in het zandlandschap. Na een halve eeuw van standaardisatie lijkt het er op dat het Nederlandse cultuurlandschap in de nabije toekomst gekleurd zal worden door een grote diversiteit in de ontwikkeling van de landbouw.

197

N I E U W E M E N G V E R H O U D I N G E N IN H E T L A N D S C H A P


biografieën fotografen en kunstenaars Koos Breukel 1962, Den Haag 1986 diploma School voor Fotografie, Den Haag 1994 publicatie The Wretched Skin (Amsterdam) 1999 'Human Conditions/Intimate Portraits', i.h.k.v. 'Mois de la Photo', Montreal (groepstentoonstelling) 2000 'Still/Moving, Contemporary Photography, Film and Video from The Netherlands', Museum of Modern Art, Kyoto (groepstentoonstelling) 'Faro. Serie portretten van overlevenden van de vliegtuigramp', Galerie Van Zoetendaal, Amsterdam (solotentoonstelling) 2001 'Photo Studio Koos Breukel', Gemeentemuseum Den Haag (solotentoonstelling), met publicatie (Amsterdam) 2003 'Generation. Portretten van generatiegenoten', Nederlands fotomuseum, Rotterdam, daarna reizend (solotentoonstelling) Joachim Brohm 1955, Dülken ( D ) 1983 diploma fotografie, Universität Essen/Folkwang 1984 Master of Arts, Ohio State University, Columbus 1990 publicatie Industriezeit, Museum Folkwang Essen, 1990 1990 Perspektief Gallery, Rotterdam (solotentoonstelling); Museum Folkwang, Essen (solotentoonstelling) vanaf 1993 docent fotografie Hochschule für Grafik und Buchkunst, Leipzig 1995 monografie Kray (Leipzig/Oberhausen)

198

2002 Frehrking Wiesehöfer, Keulen (solotentoonstelling) publicatie Areal, Göttingen 2003 'Areal', Stadtmuseum, München; Westfälischer Kunstverein, Münster; Fotomuseum Winterthur; Luisotti Gallery, Santa Monica (Ca) (solotentoonstelling)

Willem van Heemskerck Diiker 1910, Hilversum-1988, Zeist 1936-1944 werkt als fotograaf voor Nederlands Openluchtmuseum, Arnhem; in deze periode ook opdrachtfotografie voor o.a. weekblad Wij vanaf midden jaren dertig lid van 'Der Vaderen Erfdeel', vereniging voor genealogie, boerenbouwkunst, dialectiek en 'andere uitingen van het volkseigene' 1937 diploma landbouwkunde, Landbouwhogeschool Wageningen 1940-1945 wordt lid van de Nederlandse SS werkt o.a. voor Hamer (blad van de Volksche Werkgemeenschap) 1941 'Eeuwig leevende teekens', Den Haag (groepstentoonstelling) publicatie met H.J. van Houten, Zinnebeelden in Nederland, Amsterdam publicatie met P. Felix, Wat aarde bewaarde. Vondsten uit onze vroegste geschiedenis, Amsterdam 1942 'Wie kent Germanje?', Den Haag (groepstentoonstelling) publicatie met S.J. van der Molen, Friesland Friezenland, Den Haag vanaf 1947 werk in eigen Fototechnisch Laboratorium, Den Haag, voor onder meer Boer en tuinder, Ons Platteland, De Boerderij 1948 foto's in Elsa van Heusden, Bonte kleren en blanke kappen, Den Haag

Noritoshi Hirakawa 1960, Fukuoka (JA) 1993 'Prospect 93', Schirn Kunsthalle, Frankfurt (groepstentoonstelling) 1995 'Feminin, Masculin', Centre Georges Pompidou, Parijs 1995 Galerie d'Eendt, Amsterdam (solotentoonstelling) 1996 'Playpen & Corpus Delirium', Kunsthalle Zürich (groepstentoonstelling) 1997 'Heaven-Public View', P.S.1 Contemporary Art Center, New York (groepstentoonstelling) 1997,1998 'Deitch Projects', New York (solotentoonstelling)

2000

'Cold Burn', Museum of Contemporary Art Tokyo (groepstentoonstelling) 2001 'The Beauty of Intimacy', Gemeentemuseum Den Haag (groepstentoonstelling) 2003 'Das Lebendige Museum', Museum für Moderne Kunst, Frankfurt (groepstentoonstelling) Ralph Kamena 1968, Gouda 1995 diploma fotografie, St. Joost Academie, Breda 1999 overzichtstentoonstelling, Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam (solotentoonstelling) 2000 opdracht rijksbouwmeester voor permanent bevestigd monumentaal fotowerk in ministerie van VWS, Den Haag 2002 'Tot nut en genoegen', Nederlands Foto Instituut, Rotterdam (groepstentoonstelling)


'Binnen/Buiten', CBK Dordrecht (solotentoonstelling) 2003 installatie 'Sliding', Tent./CBK Rotterdam i.h.k.v. 'Experience', Foto Biënnale Rotterdam (groepstentoonstelling) Martin Luijendijk 1958, Maassluis 1992 'De Sterrenwacht', i.h.k.v. 'Wasteland', Fotografie Biënnale Rotterdam (groepstentoonstelling) 1999 'Paysages Urbains', l'Ecole d'Architecture, Lille (groepstentoonstelling)

2000

overzichtstentoonstelling, Gemeentemuseum, Maassluis (solotentoonstelling) 2001 'Sense of Space', fotofestival 'Noorderlicht', Groningen (groepstentoonstelling)

2002

'Interior delight'. Galerie Van Kranendonk, Den Haag (groepstentoonstelling) 'Film Lounge', films van fotografen, Nederlands Foto Instituut, Rotterdam (groepstentoonstelling) 2003 'Global Detail', fotofestival 'Noorderlicht', Groningen (groepstentoonstelling) Cas Oorthuys 1908, Leiden-1975, Amsterdam 1926-1930 studie architectuur, Haarlem 1930-1932 werk als architect voor Gemeente Amsterdam 1936 wordt professioneel fotograaf, o.a. in dienst van het tijdschrift Wij 1937 'Foto '37', Stedelijk Museum, Amsterdam (groepstentoonstelling) 1944 199

verzetsfotografie met groep De Ondergedoken Camera 1945 medeoprichter fotografenvereniging GKf 1946 fotografeert Neurenberg-processen voor ABC Press 1947-1965 diverse fotoreizen naar o.a. Europa, Indonesië, Congo, Nieuw-Guinea 1955 'The Family of Man', Museum of Modern Art, New York (groepstentoonstelling) 1969 'Mensen/People', Stedelijk Museum, Amsterdam (solotentoonstelling), met publicatie Johannes Schwartz 1970, München 1989 diploma fotografie, Rietveld Academie, Amsterdam 1998 'Cut and Paste', Galerie Ulrich Fiedler, Keulen (groepstentoonstelling) 2001 'Nicht lieferbar', Galerie Ulrich Fiedler, Keulen (solotentoonstelling) 2002 'Förderkoje', Art Cologne, Keulen (solotentoonstelling) Colette, Parijs (solotentoonstelling) vanaf 2002 docent fotografie, Rietveld Academie, Amsterdam 2003 'Urban Dramas', curator Moritz Küng, DeSingel, Antwerpen (groepstentoonstelling) 'Link', Voorstel tot gemeentelijke aankopen, Stedelijk Museum Amsterdam (groepstentoonstelling) Sean Snyder 1972, Virginia Beach (Va, VS) 1999 Diploma Master of Art, Staedelschule,

Frankfurt am Main 1998 'Manifesta 2', European Biennale of Contemporary Art, Luxemburg (groepstoonstelling) Galerie Neu, Berlin (solotentoonstelling) 1999 'ars viva 98/99', Portikus, Frankfurt am Main (groepstentoonstelling)

2000

Another Place', Tramway, Glasgow (groepstentoonstelling) 2001 Galerie Chantal Crousel, Paris (solotentoonstelling) 2002 'Haunted by Detail', De Appel, Amsterdam (groepstentoonstelling) Gwangju Biennale, Gwangju, Korea (groepstentoonstelling) 2003 'GNS', Palais de Tokyo, Paris (groepstentoonstelling) 'Living Inside the Grid', New Museum, New York (groepstentoonstelling) 'Terretories', Witte de With, Rotterdam (groepstentoonstelling)

Andrea Stultiens 1974, Roermond 1999 diploma fotografie, Hogeschool voor de Kunsten, Utrecht

2000

'Andere Uitzichten', Nederlands Foto Instituut, Rotterdam (solotentoonstelling), met publicatie 2001 Master of Fine Arts, Fotografie, PostSt. Joost Fotografie, Breda 'Gebruikers van Rotterdamse parken', MK Galerie, Rotterdam (solotentoonstelling)

2002

'Op zoek naar de werkelijkheid, Nooit meer denken', Andrea Stultiens en Hans Aarsman, Universiteitsmuseum, Utrecht 'Kerkdorp - Polderdorp', Nederlands Architectuurinstituut, Rotterdam (solotentoonstelling), met publicatie (Amsterdam)


auteurs

colofon

Gerrie Andela ( 1 9 5 3 ) is onderzoeker op het gebied van architectuur, stedenbouw en landschap. Haar promotieonderzoek naar de inrichting en vormgeving van het Nederlandse landschap na de Tweede Wereldoorlog is gepubliceerd onder de titel Kneedbaar landschap, kneedbaar volk. De heroïsche jaren van de ruilverkavelingen in Nederland (2000).

Deze publicatie verschijnt bij de tentoonstelling Gemengd bedrijf in het Nederlands fotomuseum in Rotterdam van 28 februari tot en met 20 juni 2004.

Yttje Feddes ( 1 9 5 3 ) is landschapsarchitect bij H+N+S Landschapsarchitecten in Utrecht. Frits Gierstberg ( 1 9 5 9 ) is kunsthistoricus en hoofd tentoonstellingen van het Nederlands fotomuseum Rotterdam. Hij publiceert met regelmaat over fotografie in binnen- en buitenland. Enkele titels van zijn hand zijn SubUrban Options. Opdrachtfotografie en het verstedelijkende landschap, Rotterdam 1998 en De plaatjesmaatschappij. Essays over beeldcultuur, Rotterdam 2002. Maartje van den Heuvel ( 1 9 6 7 ) is kunsthistoricus en coördinator van de Mastersopleiding Post-St.Joost Fotografie in Breda. Met haar stichting Alia (Amsterdam) maakte zij de fotoboeken en tentoonstellingen: Andrea Stultiens, KerkdorpPolderdorp ( 2 0 0 2 ) en Civilians in Uniform (2003). Jan Douwe van der Ploeg ( 1 9 5 0 ) is hoogleraar rurale sociologie aan de Universiteit van Wageningen. Zijn visie over de toekomst van de agrarische sector is verwoord in de publicatie De Virtuele Boer (2000).

Tentoonstelling Opdrachtgevers: SKOR, Amsterdam en Nederlands fotomuseum, Rotterdam Projectleider: Frits Gierstberg, Nederlands fotomuseum, Rotterdam Curator tentoonstelling: Maartje van den Heuvel, Amsterdam Ontwerp: Herman Verkerk en Rianne Makkink, SLOOM, Amsterdam Foto-opdracht De foto-opdracht kwam tot stand in het kader van het Jaar van de boerderij, 2003. Opdrachtgever: Brains Unlimited namens Stichting Historisch Boerderijonderzoek Concept: Wilfried Lentz, SKOR, Amsterdam Coördinatie : Maartje van den Heuvel, SKOR, Amsterdam Vormgeving tentoonstelling Boerderijgezichten: Herman Verkerk en Rianne Makkink, SLOOM, Amsterdam Hedendaagse foto's uit de foto-opdracht © de fotografen. Courtesy SKOR, Amsterdam Historische foto's Cas Oorthuys en Willem van Heemskerck Düker © Nederlands fotomuseum, Rotterdam Publicatie Samenstellingen redactie: Liesbeth Melis, SKOR, Amsterdam (met adviezen van Dirk Sijmons en Hubert de Boer) Eindredactie: Els Brinkman, Amsterdam Beeldredactie: Maartje van den Heuvel en Liesbeth Melis, SKOR, Amsterdam Teksten in beeldkatern: Maartje van den Heuvel Vormgeving: Arlette Brouwers, Ernst Druk en lithografie: Die Keure, Brugge Productie: Brecht Bleeker, NAi Uitgevers, Rotterdam Uitgever: Simon Franke, NAi Uitgevers, Rotterdam Deze uitgave kwam tot stand met ondersteuning van SKOR.

200

© 2004 NAi Uitgevers, Rotterdam. Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 h Auteurswet 1912 dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.reprorecht.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.cedar.nl/pro). NAi Uitgevers is een internationaal georiënteerde uitgever, gespecialiseerd in het ontwikkelen, produceren en distribueren van boeken over architectuur, beeldende kunst en verwante disciplines. www.naipublishers.nl info@naipublishers.nl S K O R is een landelijk opererende organisatie, die tot taak heeft om bijzondere beeldende kunstprojecten in de (semi-)openbare ruimte te realiseren. www.skor.nl info@skor.nl Deze uitgave verschijnt ook in een Engelse editie: Mixed farming. Changing the agrarian landscape ISBN 90-5662-380-X Nederlandse editie: ISBN 90-5662-379-6


Het agrarisch landschap verandert in hoog tempo. Per jaar verdwijnen er in Nederland ongeveer tienduizend boerenbedrijven. Ze raken langzaam in verval of worden afgebroken. De boerenbedrijven die blijven bestaan mechaniseren, worden groter, zoeken nevenfuncties of specialiseren zich. Andere worden omgebouwd tot beautyfarm of museumboerderij. Deze veranderingen in het boerenbedrijf hebben ingrijpende gevolgen voor de ruimtelijke inrichting van Nederland. Het boerenland wordt teruggegeven aan de natuur, krijgt een gedifferentieerder aanzien of wordt ingelijfd door de stad. Niet alleen het boerenbedrijf en het daarbij behorende landschap zijn in de afgelopen decennia snel veranderd. Ook de landschapsfotografie heeft een grote ontwikkeling doorgemaakt. Dit boek biedt met vier boeiende essays en ruim tweehonderd prachtige foto's een nieuw perspectief op beide. De historische foto's van Cas Oorthuys en Willem van Heemskerck Düker tonen heroirA ische beelden van een florerende bedrijfstak. Hoe gevarieerd boer, boerderij en landschap tegenwoordig worden gedocumenteerd en verbeeld, blijkt uit werk v i n achtinternationaal bekende fotografen' eri kunstenaars. Dozijn- Koos PreukeV)oajWfn Broh'm, Noritosbi Hirakawa, jj^tfhr.' < Kameng, Martin Luïjendijk, Johannes SchWartz én Andrea-Stultiens. In de bégelejdende essays belichten Gerïïfe " Andera, Y t t j i Feddes, Frits »ü^ c'

i.

>r

V

Giêrstbefg ën Jap Dou"we van der 1 Plóegiow^lhetverandere^^^-^'^ • boereïfbedrrff jin he landschap, en c|e betekenis yaird B e e l d v ö r i f f i r t g~ - J L- fotografie.voor fotografie voor de beeldvorming van dit landschap, als de mogelijke <c " irtvlöed daarvan op de toekomstige v róimtelijkeinricHVo^an ' ' Nederland, ^ n g d bedrijf is fotobafk ove^ v^deden; hede'nirr tóekomst van het Nederlands agrarischlandsch^p. * _

<

' 3

i

''

'

v

N A i t ^ e r s ^ O R 'Jé

^

"ai - . ' •

. -r

Gemengd bedrijf F o t o g r a f i e / F o t o b o e k e n elaemeen

De Slegte

B7

ANDELA» 6. [e.a.]> PB

. '• ?

" r 3 O

> / • ••?=?>.>

' ' \ T f p '

V . •!>. <

2

. '

•/

" -«C.-/'"

Gemengd bedrijf  

Gemengd bedrijf

Gemengd bedrijf  

Gemengd bedrijf

Advertisement