Issuu on Google+

Vrij Nederland, 20­8­55. De foto's komen niet uit het artikel.

In een serie van drie reportages geven Jan Vrijman en Ed van der Elsken hun kijk op de bandeloze, opgeschoten straatjeugd, een probleem niet enkel in Amsterdam, maar van vele andere steden over de gehele wereld. Op deze pagina vindt u hun eerste verslag, waarin deze jongelieden aan het woord komen in hun eigen, rauwe taal. De volgende week bespreken zij de moeilijkheden van de jeugdleiders, die weinig of geen vat hebben op deze jonge mensen. Daarna zullen zij, in hun laatste reportage, trachten het 'vraagstuk der nozems' samen te vatten. Gaarne erkennen zij dat anderen meer bevoegd zijn dan zij om te helpen. Uit hun verslagen blijkt echter hoe dringend een oplossing nodig is.

De nozems van de Nieuwendijk Door Jan Vrijman.


Praten met de Papoea's van Nieuw Guinea is eenvoudiger dan spreken met de jongens van de Nieuwendijk. Zes avonden slenterden we de zeshonderd meter van de Dam naar de Martelaarsgracht heen en weer. Op zaterdagavond riepen de nozems: 'He bril, je hebt wat onder je neus hangen!' Zondagavond: 'Daar heb je die schurftkoppen weer!' Maandagavond schopten ze een lege groentenblik over onze hoofden. Dinsdagavond, beter geluimd: 'He Americano, will you boxen?' Woensdagavond, slecht gehumeurd, liepen ze achter ons aan, trapten op onze hakken en stompten ons tegen de schouders. Donderdagavond, bij een poging tot conversatie: 'Wat wou je? een foto maken? Kom, lazer op, rotsnor. Zeker om in de krant te zetten met d'ronder: het geteisum van de Nieuwendijk. Loop naar je ouwe moer!'. De mensen van mars leken toegankelijker dan de nozems van de Dijk. Maar op vrijdagavond stond er een alleen op de hoek. Hij zag er somber uit, we gingen zonder een woord te zeggen naast hem staan. Zo stonden we daar met z'n drieen op de hoek. Drie nozems van de Nieuwendijk.

Drie knallen Na een paar minuten kijkt hij opzij naar het toestel van de fotograaf. Hij steekt z'n hand uit en pakt de camera. Hij zegt: 'goeie lens, Leica. Me broer heb ook een Leica'. De nozem laat het toestel los, steekt z'n handen weer in zijn zakken en fluit naar een meisje, dat ijverig voorbijloopt.

 'He Kleintje Pils!, verrek je bene niet!'. Hij wijst haar na met zijn hoofd: 'Fijne griet. Heb ik een maand mee gelopen. Nou heb ze het afgemaakt, omdat ik geen vaste baan heb. Ze kan de senuwe krijgen'. Hij grijpt in z'n binnenzak, een portefeuille vol papier komt tevoorschijn; diploma van een boksclub, kaarten voor de speedway, foto's van allerlei meisjes, een circulaire met pin­up plaatjes, en eindelijk een stel portretten vaneen keurige oude vrouw. De nozem laat ze zien: 'Me


moeder. Die heb me broer gemaakt, vlak voor ze dood ging'. De foto's terug in de portefeuille, de handen weer in de zak. Hij fluit naar de meisjes, hij schreeuwd naar voorbijlopende nozems, maar hij blijft alleen. Waar zijn je vrienden? de nozem zegt; 'In de Royal, d'r is een nieuwe film. Ik was wat te laat. De senuwe'. Hij spuugt op de grond. Er komt een soldaat voorbij, de nozem zegt: 'Daar heb ik ook een jaar ingezeten. die rottroep. Ik heb een geweer meegejat naar huis. Ik had liever een Bren meegejat, dat vin­ik het fijnste wapen. Op je buik in de hei achter een Bren, en dan maar kanjere. Vuurstoten van drie. Een keer kreeg ik dertig magazijnen, binnen tien minuten had ik ze allemaal leeggeraffeld. Ik heb ook een revolver'. Hij steekt z'n hand in z'n achterzak en haalt er een kort, massief wapen uit, hij richt het op m'n benen en vuurt drie keer. Drie korte, scherpe knallen op de Nieuwendijk. Mijn knieen trillen, maar ik voel niks. De nozem bergt het wapen weer op. 'Luchtpistool', zegt hij. Twee geuniformeerde mannen zijn op een paar meter afstand blijven staan, ze kijken naar de nozem, de nozem kijkt fluitend langs hen heen. De langste agent zegt: 'Als ik je nog es zie met dat ding zet ik je een nacht in de bak'.

Kleintje pils Met zware passen lopen ze door, de nozem zegt uit z'n mondhoek: 'Krijg de ziekte'. Even later: 'De smerissen van de Dijk zijn het grootste tuig dat er rondloopt. Ze slaan je rot met hun

knuppels'. Hij zwijgt opeens en doet twee  stappen vooruit, hij houdt een meisje staande, hetzelfde meisje van daarnet, het grietje waar hij een maand mee gelopen heeft. Ze heeft een nylon bloesje met een everglazerok aan.'Lamelos', zegt het meisje. De nozem heeft zijn voet voor de hare gezet, hij zegt: 'Morgenmiddag gooi ik me motor uit elkaar'. 'Moet jij weten', zegt Kleintje Pils. 'Zondagmiddag gaan ik een end rije, naar de Veluwe'. 'Je doet maar', zegt ze. 'Je ken mee, achterop', zegt de nozem. 'Met jou niet', zegt het meisje, ze duwt hem opzij en spankert door.


De nozem komt weer bij ons staan en spuugt op de grond, hij neemt een sigaret aan. Hij zegt: 'De senuwe voor die meid. Ze wil alleen met me gaan als ik me verloof. Als ik een vaste baan heb'. Waarom doe je dat dan niet, nozem? 'Ik zal wel uitkijken. Ik ga me daar doodwerken voor een baas. Allemaal uitzuigers. Nou willen ze je graag hebben, maar als ze je kwijt kunnen trappen ze je de straat op. Me vader is vroeger drie jaar achter mekaar werkloos geweest, geen baas wou hem hebben. Toen was het hun tijd. Als het me bij een baas niet bevalt zeg ik aju, en ik heb morgen een andere. Al die gozers die zo hard werken en studeren belazeren hun eigen. Met de crisis kunnen ze ook gaan steuntrekken! Ik laat me niet smousen, door niemand, het is toch allemaal een grote zwendel'. De nozem is onrustig geworden, hij loopt een eind de Dijk op om op een klok te kijken, hij komt terug, neemt nog een sigaret aan en zegt: 'Vorige week was hier een vent van een clubhuis met van die biljartjes, of we op een feestavondje wouen komen. Voor de gein ben ik er naar toe gegaan. Je kon er biljarten en pingpongen en weetikveel. Maar d'r is geen avontuur te beleven en ze proberen je meteen naar de kerk te krijgen. Allemaal niks!'.

Amerikaantje Het is kwart over negen, de Cinema Royal loopt uit, het wordt druk op de Nieuwendijk. En opeens is de nozem niet meer alleen, hij staat tussen tien andere nozems. 'Wat was het voor een film?' 'Een kolerefilm'. Er wordt niet verder over de film gepraat, ze staan in een kluit op de hoek. Ze praten, ze roepen, ze

zingen. Ze schreeuwen elkaar in korte zinnen de gebeurtenissen toe, die ze de afgelopen dag hebben meegemaakt. Ze nemen elkaar in de maling. Ze spelen voor komiek, ze doen schijngevechten. Ze schreeuwen naar voorbijgangers, ze leveren commentaar op alles wat ze zien. De keurige bebop jongens met korte haren en smalle broekspijpen: 'He, swingnozems, hoog water!'. Ze schouwen de meisjes die gekunsteld voorbijdribbelen, ze roepen ze aan, ze houden ze op, ze treiteren goedaardig. De meisjes laten zich ringeloren, daar zijn ze voor gekomen. Soms krijgt een nozem een meisje apart, hij smoest wat met 'r, ze lopen samen weg, de Dijk op, dan begint een romance van drie dagen.


De nozems vervelen zich niet, ze zijn druk in de weer, ze rumoeren op de hoeken van de Nieuwendijk, koppels agenten slenteren voorbij en bemoeien zich er niet mee. De nozems amuseren zich, ze spelen. 'Jongens, effe een Amerikaantje'. Een nozem legt zijn linkerhand op zijn rechterbovenarm, drie anderen gaan achter hem staan, een van hen geeft de voorste een lel, de nozem moet raden wie dat deed. De nozem raadt mis, hij raadt nog eens mis, hij raadt raak, er wordt gelachen, er wordt gegierd, er wordt gebruld. De nozems vervelen zich niet, ze hebben avontuur, ze leven. Ze leven vandaag, dit moment, nu. Maar morgen, nozem, denk je dan nooit eens aan de dag van morgen? De nozem haalt zijn schouders op, spuugt op de grond en zegt: 'Morgen komt er weer een dag'.

Vrij Nederland, 27­8­55. De foto's komen niet uit het artikel.

De nozems en de jeugdleiders Door Jan Vrijman. De nozems staan op de hoeken van de Nieuwendijk. De nozems staan in alle grote steden op de hoeken van straten en pleinen, ze schreeuwen en tieren, ze gooien en smijten, ze bemoeien zich met iedereen. Maar wie bemoeit zich met de nozems? Niemand. Zich bemoeien met de jeugd is in de mode. Vroeger was het paedagogisch pionierswerk, tegenwoordig is het vaak paedagogische liefhebberij. Overal zijn schoolonderwijzers, dominees, paters, verenigingsmensen en clubleiders die zich met de jeugd bemoeien. Met de asfaltjeugd. Met de massajeugd. Met de grotestadsjeugd. Met de opgeschoten jeugd. Maar niet met de nozems, want die behoren tot de 'ongrijpbare' jeugd. Gelukkig maar, zeggen de nozems.

Ze komen niet Overal in de grote steden vindt men protestants­christelijke of katholieke of 'neutrale' verenigingen en clubhuizen. die ook de opgeschoten jeugd van de straat willen houden. Die clubhuizen zijn heus niet kinderachtig. De leiders van die clubhuizen zijn joviale sergeant­majoors, die best een stootje kunnen hebben. Want ze weten: we moeten de jongens op hun eigen manier aanpakken, geen halfzacht gedoe, dan komen ze helemaal niet. U moet niet denken, dat u in protestant­christelijke clubhuizen een bijbel ziet liggen of een vrome scheurkalender ziet hangen. Niets daarvan. Wel ziet u de inventaris van een buurtcafe: een biljart, een tafel met klaverjaskaarten en soms een buffet waar je coca­cola en flesjes bier kunt


krijgen. Als een van de jongens aan het biljart vloekt bij het missen van een carambole, is er geen pater die een kruis slaat, geen dominee die achterover valt. Nee, de kerk heeft weer de taal geleerd van het gemene volk. De kerk wil niet naar de hel en stuurt daarom zijn heiligen naar het vagevuur om de brandenden ter plaatse te bekeren. Zo is het gesteld met de club ­en verenigingstehuizen voor de straatjeugd in onze grote steden. Maar de nozems komen er niet. Ik heb ook niet de indruk, dat de kerkelijke of humanistische jeugdleiders zich erg druk maken om de nozems. Ze hebben het druk genoeg met de opgeschoten jongens, die wel in hun clubhuizen komen, die wel pingpongen, sjoelbakken, biljarten of knutselen in 'verantwoorde omgeving'. Wat zijn dat dan voor jongens? Dat zijn prima jongens, uit degelijke socialistische, communistische of kerkelijke gezinnen. Het zijn 'positieve' jongens, die van huis of van nature het geloof in de maatschappij hebben meegekregen. Het zijn jongens die in die maatschappij iets willen worden: een goed bankwerker op de fabriek, een goed lasser op het dok, een goed timmerman, een goed monteur ­en stellig allemaal een goed huisvader met een brave vrouw en lieve kinderen. Het zijn fijne opbouwende jongens, die hun plaats in de samenleving begrijpen, die beseffen dat de straat niets voor hen is, dat ze er alleen kunnen komen als ze goed werken en flink leren. Het is de Hoop der Natie, en daarmee hebben de jeugdleiders het verschrikkelijk druk: feestavondjes in elkaar zetten, jeugdmoeilijkheden behandelen, gesprekken van man­tot­man, kampeerkampen orgeaniseren. Maar wie maakt zich druk om de Wanhoop der Natie, om de nozems op de hoek van de straat? Niemand.

In de smiezen Soms is er een jeugdleider die zijn gewetenvoelt knagen, hij probeert er achter te komen wat de nozems bezielt. Wat bezielt jullie, vraagt hij, en ze houden hem voor de gek, ze lachenhem uit,


ze joelen hem weg.  Een pater hoeft zich op de Nieuwendijk niet te vertonen, de nozems draaien zich om als hij ze aanspreekt. Als het nou een motorkampioen was, of een bokser, maar zo'n vrome kraai... En met de dominee en humanistische jeugdleider vol idealen is het hetzelfde gesteld, de nozems lachen ze uit, ze hebben die halfgare smoesjesmakers in de smiezen. Pater, dominee en humanistische jeugdleider keren gedesillusioneerd terug naar hun clubhuis en verwarmen zich aan het hartelijke onthaal, dat hen daar door hun eigen vertrouwde jongens wordt bereid. En de nozems blijven ongrijpbaar. Ze staan op de hoeken van de straat, ze zitten op de vensterbanken, ze hangen in portieken. Ze pronken met hun mooie pakken, maar ze deugen nergens voor. Ze zijn te ellendig om een goed vak te leren, ze halen allerlei wandaden uit, ze vervallen van kwaad tot erger. Dat zeggen de teleurgestelde paters, dominees en humanistische jeugdleiders. En ze hebben het mis. De nozems zeggen: niet wij, maar jullie zijn fout. Jullie kunnen de nozems niet grijpen, omdat jullie de nozems niet begrijpen. Omdat jullie niets begrijpen van die nieuwe, na­oorlogse nozemtijd.

Vrij Nederland, 3­9­55. De foto's horen niet bij het artikel.

DE NOZEMS EISEN HET VOLLE POND Een reportage door Jan Vrijman. In de drie reportages, waarvan deze de laatste is, werd getracht de beschreven en uitgebeelde jeugd te begrijpen. Vrijman en Van der Elsken hebben niet geoordeeld. Wij hebben dit in ons nummer van 20 Augustus 1955, waarin de eerste reportage werd opgenomen, in alle duidelijkheid naar voren gebracht. Nietemin hebben twee der met hun goedvinden gefotografeerde jongelieden gemeend een proces tegen Vrij Nederland te moeten beginnen, daar zij zich gegriefd en beledigd achten. Het spreekt vanzelf dat grieven of


beledigen ons, die niet hebben willen oordelen, volkomen vreemd is geweest.

ze willen avontuur Wie begrijpt iets van de lanterfantende nozems die op de hoeken en straten en pleinen staan, in alle grote steden van het land? Niemand begrijpt ze, ze begrijpen zichzelf het minst. Je krijgt geen vat op ze. Zijn het rotjongens, die gewoon niet deugen? Nonsens: op een avond zitten ze met z'n allen op de vensterbank van een kledingmagazijn, ze hangen wat tegen een pui, ze stoeien ­en opeens tuimelen er een paar achterover door een winkelruit. Groot kabaal op de Nieuwendijk, helse winkeliers bellen vijf maal acht, de politiewagen komt aanloeien maar de nozems zijn hem gesmeerd.

Twee dagen later ligt er een envelop in de bus van dat kledingmagazijn: inhoud honderd gulden. Lang niet genoeg voor een nieuwe spiegelruit, maar de goede wil was aanwezig. Zijn de nozems dus ruwe bolsters met blanke pitten? Kom nou. De nozems zijn niet goed of slecht, ze zijn niet dit of dat, ze zijn alleen maar. Het zijn horde­mensen, ze zijn niets zonder hun troep. Verdwijnt die troep, dan houden de nozems op nozem te zijn. Dan worden het gewone mensen, normale huisvaders. Maar zolang de troep bestaat, zijn het nozems. Hoe worden die groepen van tien, twaalf knapen, die zich op vaste straathoeken hebben gevestigd, gevormd? Meestal komen ze uit een buurt, soms vinden ze elkaar doordat ze een gemeenschappelijke belangstelling hebben. De nozems van de Nieuwendijk wonen geen van allen op de Nieuwendijk. Ze wonen in de Jordaan. Ze wonen op de Eilanden. Ze wonen in de Vinkenstraat. Zelden komen ze uit de 'donkere buurt' van de Burgwallen ­dat is een andere clan, die zich op de Zeedijk of de Nieuwmarkt verzamelt. Allemaal verschillende clans, die elkaar soms opzoeken en elkaar ­groep tegen groep­ aftuigen, maar allemaal dezelfde nozems. Allemaal jongens die geloven dat het stuk vandaag speelt, en dat er morgen weer een dag komt. Op de Nieuwendijk heeft elke troep z'n eigen hoek. De nozems vinden elkaar daar, zoals zakenmensen en kunstenaars elkaar vinden op hun societeit. Een clan staat op de 'Royalhoek'. Een tweede clan heeft zich genesteld op de hoek van de Kolksteeg tegenover cafe Van Beeren. De derde heeft de Bocht van de Nieuwendijk als standplaats. Ze komen afzonderlijk of in kleine groepjes uit hun straat, ze vinden elkaar op hun hoek. Kom niet


aan hun hoek. Nozems die ergens anders thuis horen, worden op hun hoek niet geduld. Op de Nieuwendijk vind je nozems van judo ­en boksclubs, op de Haarlemmerdijk die van de wieler ­en motorsport. Op andere hoeken van andere straten tref je de nozems van voetbalclubs of zwemverenigingen. En overal vind je nozems zonder club of vereniging. Maar het zijn allemaal dezelfde nozems: uitgekookte jongens die iets anders van het leven verwachten dan een keurige betrekking, een degelijk huwelijk en fatsoenlijk aanbelanden bij Drees. Ze geloven dat het leven iets ingrijpenders, iets absoluters te bieden heeft: dat is de fout van de Nozems. Daarom zeggen de mensen: 'Ze verlengen alleen maar sensatie". Als de nozems konden tegenspreken ­dat kunnen ze niet, ze kunnen nauwelijks spreken­ zouden ze zeggen: 'Wij vervullen een volstrekte levensvervulling'. Dat zijn dan eigenlijk twee verschillende woorden voor hetzelfde verlangen. De maatschappij geeft de nozems geen 'volstrekte levensvervulling', geen 'sensatie'. Ze hebben geen 'taak'. Ze geloven niet aan een roeping, dat is allemaal bedrog. Een betere maatschappij? Zwendel. Een goed huwelijk? Op je kop gezten word je, door je vrouw. Jeugdverenigingen? Kinderachtig gedoe en karretjesspannerij van een partij of een kerk. Communisme? Het grootste boerenbedrog, kijk maar naar Rusland waar de arbeiders zich ook uit de naad moeten werken voor lauw loenen. Al die fraaie woorden en mooie ideeen zijn niets dan oplichterij.

ze komen 'goed terecht' Daarom vinden de nozems hun eigen levensvervulling, hun eigen sensatie, hun eigen avontuur.


Een motor, dat is wat. Honderdtwintig kilometer per uur rijden, de wind op je kop voelen, je leven hangt af van je stuur. Boksen en judo en jiu jitsu, zelfverdediging. Je meten aan een tegenstander, elke seconde op je hoede zijn en zorgen dat hij je niet vloert: dan voel je dat je leeft. Een partij knokken met andere nozems of met de politie: dan brandt je hart je in je donder. Dat is avontuur. Dat is je reinste geluk De rest is verveling, maar geen leven. Werken, dat is ook verveling. Maar je moet toch leven, je gezin in stand houden, je kinderen opvoeden, je brood verdienen. Vele nozems weigeren dat. De nozems wijzen het compromis met het leven van de hand. Ze werken precies zoveel als nodig is om zoveel geld te verdienen als ze nodig vinden. Het zijn bijna allemaal ongeschoolde arbeiders, ze zitten op een bakfiets, ze werken bij een groenteman, ze sjouwen in de haven, ze lopen als krantenbezorger, ze staan met tijdschriften op de stations. De meest echte nozems werken helemaal los, ze scharrelen hier en daar hun kost bij elkaar, bijvoorbeeld op de Hallen, 's morgens vroeg. En als het ze niet meer bevalt, zeggen ze: tabe, en ze nemen de benen. Als hun geld op is, vinden ze meteen een andere baas.

ze zijn naief Veel geld hebben de nozems nooit. Ze hebben zelden meer dan een paar gulden op zak. Daarom kunnen ze niet veel in cafe's komen. Ze gaan een keer goedkoop naar de film, ze kopen een flesje Cola in een automatiek en zaterdagavond springen ze nog wel eens uit de band door een glas bier te gaan drinken, bijvoorbeeld in 'de Ruteck' of in een dancing. In de andere Nieuwendijkcafe's komen ze zelden of nooit, die zijn er voor de ­buurt en buitenmensen en voor de zeelieden. Zo leven de nozems. Nozems, wat moet er van jullie terechtkomen? Merkwaardig genoeg komen ze bijna allemaal 'goed' terecht. Op een gegeven moment komt er een meisje. Natuurlijk, er zijn altijd meisjes, meisjes van de Dijk, maar daar loop je mee voor de lol, en dat duurt zolang als de wind waait. Maar opeens komt er een 'ander' meisje. Uit de buurt waar ze wonen. Of ze ontmoeten er een op een familiefeestje. Dat meisje doet ze wat. Maar het meisje zegt: 'Ik ga niet met een portieknozem, zorg maar eerst dat je een behoorlijke baan krijgt'. Barst, zegt de nozem, hij draait zich om en gaat naar de Nieuwendijk. Hij is achttien jaar, hij heeft geen zin om zijn vrinden in de steek te laten. Maar hij moet toch steeds aan dat meisje denken. Hij zoekt haar weer op en zegt: 'Doe niet zo flauw'. Het meisje haalt haar schouders op, ze wil hem niet. En dan kan het na een tijdje wel eens gebeuren, dat hij zegt: 'Jij je zin'. Hij zoekt een behoorlijke baan met vooruitzichten, hij gaat met haar op visite en naar de bioscoop, hij laat z'n vrienden op de hoek in de steek. Op dat moment houdt hij op 'nozem' te zijn. Hij raakt verloofd, hij raakt getrouwd, hij raakt in de kleine kinderen, hij zoekt een nog betere betrekking, hij moet wel. Hij is een fatsoenlijk huisvader geworden, hij is 'goed terecht' gekomen. Of hij gelukkig is, dat is een andere vraag. In ieder geval: zijn nozemplaats op de hoek van de Dijk of Straat is leeg. Geen nood, morgen staat er


een nieuwe nozem, het is zijn twee jaar jongere broer. De nozems komen en gaan, de nozem blijft. Hij is link en uitgekookt, maar bovendien argeloos. Dat is het gevaarlijke voor de nozems: ze begrijpen niet veel van wat er te koop is in de wereld. Kracht, spieren, motoren, sportieviteit, robuuste manlijkheid, dat begrijpen ze. Maar komen ze in aanraking met 'cultuur, 'verfijning', 'ontwikkeling' (om niet te spreken van overcultuur, oververfijning, decadentie), dan reageren ze vijandig. Ze reageren vanuit datgene, wat de Nazi's het 'gesundes Volksempfinden' noemden.

ze willen 100% leven Zijn ze dan toch slecht, die nozems? Nee, de nozems zijn eerlijk. Als er perse iets 'slecht' genoemd moet worden, dan is het de samenleving, die hun niet de levensvervulling kan geven waarom ze vragen. Dat is geen vraagstuk van sociale aard. Al kwamen er nog tien Dreesen en honderd Suurhoffs, al kwamen er nog zoveel sociale verbeteringen: de duizenden nozems van Nederland, de tienduizenden nozems van Europa, de honderdduizenden van de wereld, zouden er niet door verdwijnen. Er is geen oplossing voor de nozems, behalve de oplossing die ze zelf vinden. Kijk niet neer op die judoclubs, die boksverenigingen, die motor ­en wielerverenigingen, want die kunnen de 'ongrijpbare' nozems grijpen. Die doen veel meer voor de nozems dan alle kerkelijke en humanistische jeugdclubs bij elkaar. Het vraagstuk van de nozems, van de ongrijpbare jeugd, is eerder een vraagstuk van cultuur en religie, dan een sociaal vraagstuk. Het gaat de nozems niet om een goed loon, om een prettige arbeid, om bestaanszekerheid ­het gaat ze om het volle pond: een volstrekte levensvervulling, iets wat iedere zenuw en hartvezel raakt, een wezenlijke levensfunctie­ of zeg maar domweg geluk. Geluk is voor hen iets anders dan behaaglijkheid. Jarenlang zullen ze dat surrograat blijven weigeren, tot ze het niet meer bolwerken, tot ze capituleren en het grote compromis sluiten met de maatschappij. Dan zijn ze toch nog goed terecht gekomen. Zo zijn de nozems. Met al die andere onaangepaste groepen: de bopjongens ­en meisjes, de Teddyboys, de Zazoujeugd ­en verder: de zware jongens en lichte meisjes, de zwervers, de vagebonden, de rebellen en querulanten (zoek dat maar op in het woordenboek)­ met zijn allen vormen ze de paniekverschijnselen van onze cultuurmachine, die niet zo gesmeerd draait als van buiten lijkt. Wie heilig gelooft, dat die machine deugt, zal zeggen: de nozems deugen niet. Maar ik heb me dikwijls afgevraagd: als ik niet geleerd had over de nozems te schrijven, zou ik er dan niet zelf een geweest zijn?


De nozems van de nieuwendijk