Issuu on Google+

De dokter is een ster geworden Vijftig jaar fotojournalistiek verbluffend in beeld gebracht Vrijdag 18 november 2005 door WARNA OOSTERBAAN

De fotojournalistiek wordt van alle kanten bedreigd: door goedkope amateurfoto's, concurrentie van de televisie en de roep om glamour. Het is te zien in een prachtig boek ter ere van het 50-jarig bestaan van World Press Photo. Mary Panzer e.a. (sam.): Things as they are. Photojournalism in context since 1955. World Press Photo, 384 blz. â‚Ź69,99 (geb.)


Het lijken wel stills uit een speelfilm met Gregory Peck. Op het ene moment staat de jonge dorpsdokter Ceriani nog te vissen in de Colarado rivier. Maar dan komen er een paar mannen uit het dorp aangesneld. `Doc, doc! Meisje door paard tegen haar hoofd geschopt. Kunt u komen?' En op de volgende foto zie je hoe Ceriani het gewonde meisje onderzoekt. Haar ouders, de armen om elkaar heen geslagen, kijken bezorgd toe. Op de grootste foto veegt Ceriani het gezicht van het meisje schoon, een diepe wond in haar voorhoofd heeft hij net met naald en draad gehecht. Zijn gezicht is zorgelijk geplooid, een zwarte haarlok hangt over zijn voorhoofd.

Het zijn beroemde foto's uit een al even beroemd foto-essay: Country Doctor van fotograaf W. Eugene Smith. De reportage verscheen op 20 september 1948 in Life, toen nog een weekblad.


In Things as they are, het boek dat ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van World Press Photo uitkwam, staan twee pagina's uit Country Doctor afgebeeld. De samenstellers van het boek hebben het nummer van Life opengeklapt en de fotopagina's gefotografeerd. Die procedure is in het hele boek gevolgd. We zien alle foto's zoals ze toen in Life, Look, Geo, Time, Paris Match en al die andere fototijdschriften verschenen. In de oorspronkelijke opmaak en met de oorspronkelijke bijschriften, met een lichte schaduw aan de zij- en onderkant van het tijdschrift, om je er voortdurend aan te herinneren dat je niet naar foto's, maar naar tijdschriften kijkt. Het is een procédé dat eerder is toegepast – bijvoorbeeld

door Mirelle Thijssen in haar boek over bedrijfsfotoboeken en door Martin Parr in zijn boek over historische fotoboeken – en ook hier werkt het verbluffend goed. Je kijkt mee over de schouder van de tijdgenoten van toen, je wordt er voortdurend op gewezen dat die foto's ook deel van de geschiedenis zijn – precies zo als de gebeurtenissen die ze afbeelden.


De foto van de bewolkte aarde die astronaut Bill Anders in 1968 vanaf de maan maakte, mag dan inmiddels een bekend beeldmerk zijn geworden, het weerzien van die foto op de cover van Life van 20 januari 1969 laat je weer iets van de sensatie van dat moment proeven.


In Things as they are komt zo vijftig jaar wereldgeschiedenis voorbij, maar het boek is gelukkig niet de zoveelste geschiedenis-in-foto's – het is eerder een


geschiedenis van foto's. De samenstellers hebben zich beperkt tot de fotografie in tijdschriften en magazines: Life, Look, Stern, het magazine van de Sunday Times, Rolling Stone, en vele andere. Die werkwijze levert een interessant beeld op van een vorm van fotografie die lang in hoog aanzien stond, maar die het de laatste jaren veel moeilijker heeft: de pagina's lange fotoreportage. Foto-essays als Country Doctor, maar ook de spectaculaire Vietnamreportages van oorlogsfotograaf Larry Burrows, of het fotoverhaal dat de Zweedse fotograaf Anders Petersen van de gestrande levens in het Hamburgse cafĂŠ Lehmitz voor Stern maakte (1979). Mini-documentaires als de reportage van Henri Cartier-Bresson over Moskou (1954, Paris Match) of de reportage van de Amerikaan Bill Eppridge die in Panic in Needle Park het leven van het trieste paar John en Karen in beeld bracht (1965, Life). Beiden zijn aan de heroĂŻne verslaafd en in film-noirstijl vertellen de fotograaf en de vormgevers hun verhaal. We volgen John als hij auto's kraakt, als Karen met een man een goedkoop motel uitloopt, als hij door de politie wordt opgepakt en als Karen probeert af te kicken. De werkelijkheid als fotostrip.


Het meest voorkomende genre in het boek is dat van de oorlogsfotografie, en de Vietnamoorlog is daarin prominent aanwezig. De drie fotografen die de belangrijkste Vietnamreportages op hun naam brachten waren Britten: Larry Burrows, Don McCullin en Philip Jones Griffiths. Burrows stierf in 1971 in een helikoptercrash in Vietnam en hij was de meest traditionele oorlogsfotograaf van dat drietal. Glorie en heldendom waren zijn onderwerpen. In dramatische zwartwitbeelden laat hij zien hoe de bemanning van helikopter Yankee Papa 13 de bemanning van een gecrashte helikopter tracht te redden en hoe de piloot onder hun handen sterft. Burrows rent met de manschappen heen en weer, de Vietcongkogels fluiten langs zijn oren maar hij blijft scherpe foto's van stoere GI's maken. De redactie van Life die in april 1965 zijn reportage afdrukt laat niet na trots te vermelden dat Burrows na de actie een onderscheiding van de helikoptercommandant voor zijn moed kreeg.

De Vietnamreportages van Don McCullin van de herovering van de historische stad Hue zijn al veel dubbelzinniger. Amerikaanse soldaten die uitgeput tegen een boom


hangen, een gedode Vietcongsoldaat die behalve munitie ook foto's van zijn vrouw en kinderen bij zich blijkt te hebben, een Vietnamees gezin dat gewond uit een bunker strompelt waar de Amerikanen net een granaat in hebben gegooid (1968, Sunday Times). McCullin zegt in de begeleidende tekst dat hij zich zorgen maakt, dat het zelfvertrouwen van de soldaten minder is en dat ze zo onrustbarend jong zijn. Toch blijft hij over `wij' spreken als hij het over de Amerikaanse soldaten heeft. De foto's die zijn collega Philip Jones Griffiths in hetzelfde jaar in Saigon maakte, gaan al een flinke stap verder, ze zijn uitgesproken kritisch. Zijn onderwerp is niet meer de Amerikaanse leger, maar de verwoestingen en de ellende die de oorlog brengt. Met het gevolg dat hij de grootste moeite had zijn foto's gepubliceerd te krijgen. Amerikaanse tijdschriften wilden er niet aan, en uiteindelijk publiceerde het magazine van de Britse Daily Telegraph zijn reportage.

Het bekendste voorbeeld van onwelkome fotografie blijft de reportage van


legerfotograaf Ron Haeberle. Hij liet in 1968 zijn foto's van gedode vrouwen en kinderen in het Vietnamese dorp MyLai aan iedereen zien, maar niemand geloofde dat Amerikaanse soldaten in staat waren om 500 burgers te vermoorden. Pas toen freelance journalist Seymour Hersh zich met de zaak bemoeide begon de waarheid door te dringen, en toen de foto's van Haeberle in december 1969 in Life werden gepubliceerd, keerde de publieke opinie zich definitief tegen het Amerikaanse optreden in Vietnam. Seymour Hersh was overigens ook betrokken bij de ontmaskering van de Amerikaanse goede bedoelingen in Irak. Op 10 mei 2004 publiceerde hij in de New Yorker zijn artikel Torture at Abu Ghraib, ge誰llustreerd met de al langer roulerende foto's van vernederde Iraakse gevangenen. De samenstellers van Things as they are weten daar niet goed raad mee. Kun je die kiekjes nog wel tot de fotojournalistiek rekenen? En wat te denken van de talloze amateuropnamen van de vloedgolven die bijna een jaar geleden op de Thaise stranden beukten en daar dood en verderf zaaiden? De Franse fotografiekenner Christian Caujolle constateert gelaten in een nawoord bij het boek dat de kranten en tijdschriften de amateuropnamen blijkbaar net zo graag afdrukken als de opnamen van gelauwerde professionals. Hij stelt een paar kritische vragen over de betrouwbaarheid van die foto's. Hoe kunnen we, nu de digitale manipulatiemogelijkheden zo zijn toegenomen, de bedriegers en grappenmakers eruit halen? Caujolle geeft er geen antwoord op. Niet verwonderlijk, want dat probleem is nogal breed, en zeker niet uniek voor de amateurfotografie. Vervalsers en bedriegers zijn overal, ook onder professionele journalisten. Maar ongeacht of je de amateurfoto's nu tot de fotojournalistiek rekent of niet, de toekomst van het journalistieke genre is ook zonder dat probleem niet erg rooskleurig. Veel tijdschriften die tien of meer pagina's voor een fotoreportage uittrekken zijn er niet meer en de tijdrovende reportages die vroeger door Eugene Smith, Cartier-Bresson of Bill Eppridge werden gemaakt zijn voor de meeste opdrachtgevers niet meer te betalen. Gedaalde oplagen en de verschuiving van de aandacht van het gedrukte woord naar het televisiescherm zijn daar de belangrijkste oorzaken van.


Maar er zijn meer bedreigingen. De concurrentie van de fictie bijvoorbeeld. Wie de speelfilm Saving Private Ryan heeft gezien, zal toch wat moeite moeten doen om onder de indruk te raken van Robert Capa's grofkorrelige foto's van de landingen bij Omaha Beach. Niet iedereen zal de huivering kennen die voortkomt uit de wetenschap dat die foto's echt zijn, en dat Capa ze met gevaar voor eigen leven maakte. Dan is er nog iets: de verleiding van de kunst. De fotografie heeft de laatste jaren een spectaculaire statusstijging doorgemaakt. Naast de gereproduceerde fotografie in tijdschriften en kranten is er een druk circuit ontstaan van beperkte oplagen, fotografieverzamelaars, fotogaleries en fotomusea. Met als gevolg een nieuw wenkend beroepsperspectief en sterstatus voor fotografen als Nan Goldin, Oliviero Toscani of Annie Leibovitz. Zeker, een beetje extra status kon de fotografie wel gebruiken. Maar het zou jammer zijn als die gepaard zou gaan met een verschuiving in de onderwerpen in de richting van chic, glamour en celebrity, of met een esthetisering en enscenering van de fotografische vormgeving. Dat gevaar is niet geheel denkbeeldig. Wie de tijdschriften en de magazines doorbladert kan het met eigen ogen zien: de dorpsdokter op het Amerikaanse platteland, de verslaafden in New York en het slagveld van Bagdad hebben plaats moeten maken voor scherpe portretten van mediapersoonlijkheden, pubers en andere gewone mensen. Fraai belicht en zonder storende achtergronden, maar wel van mensen die het net zo goed hebben als u en ik.



De dokter is een ster geworden Photojournalism Photography