Issuu on Google+

Beeldcultuur

Hoe kun je als fotograaf opvallen in de beeldcultuur Else Loof 2004/2005

Academie St. Joost, Breda Studierichting FotograďŹ e Studentnummer 98775 elsephoto@hotmail.com www.elseloof.web1000.com


Voorwoord

Als kind was ik altijd al bezig met foto’s en beelden. Alles wilde ik vastleggen. Toen ik eenmaal van mijn ouders een camera had gekregen was er geen stoppen meer aan. Bij gebeurtenissen had ik altijd mijn minolta’tje bij me. Tijdens mijn jaren op de middelbare school zag ik fotograferen nog steeds als een leuke hobby. Gedurende deze jaren werd duidelijk dat ik een creatieve opleiding wilde gaan volgen, maar welk creatief vak was nog de vraag. Pas tijdens mijn oriëntatie jaar in Den Bosch, wat een soort inleidend jaar voor de kunstacademie was, werd duidelijk dat fotografie mij het meeste van alles boeide. Tijdens mijn periode op de kunstacademie heb ik heel veel gezien en geleerd over het vakgebied. Ook tijdens mijn stage bij BN/deStem heb ik veel te maken gehad met beelden in de praktijk. Zo werden er onder andere beelden uit verschillende kranten met elkaar vergeleken en gediscussieerd over waarom er voor een bepaald beeld werd gekozen. Het werd me duidelijk dat er tegenwoordig heel veel beeld in de omloop is en dat het in de huidige maatschappij een zeer belangrijke rol speelt. De reden dat ik tot het onderwerp van deze scriptie ben gekomen is ontstaan uit nieuwsgierigheid naar de hoeveelheid beeld die we dagelijks tegenkomen. Ik had wel eens gehoord over ‘beeldcultuur’ maar hoe het nou precies zat wist ik niet. Dit leek me interessant om te onderzoeken. Des te langer ik over het onderwerp nadacht, des te meer ik me ging afvragen wat voor gevolgen het zou hebben voor ons als fotografen als er steeds meer beeld zou komen. Heeft het nog wel zin om een studie tot fotograaf te volgen? Hebben we tegenwoordig niet alles al een keer gezien? En hoe kunnen fotografen nog een opvallend beeld maken? Dit waren vragen die me bezig gingen houden. Om een antwoord op deze vragen te kunnen geven is het onderwerp van deze scriptie ontstaan.


Inhoudsopgave -

Inleiding

-

1. Het fenomeen beeldcultuur • 1.1 Welke beelden kom je dagelijks tegen? • 1.2 Beeldcultuur • 1.3 Wat is beeldcultuur? • 1.4 Het beeld door de geschiedenis • 1.5 Verliest het woord het van het beeld? • 1.6 De invloed van de visuele media

Pagina 7 Pagina 9 Pagina 10 Pagina 11 Pagina 14 Pagina 18

-

2. Rol van de kunst in beeldcultuur  2.1 Reactie van beeldend kunstenaars op de beeldcultuur  2.2 Wat is kunst  2.3 Verschil tussen kunst en commercie

Pagina 22 Pagina 25 Pagina 27

-

3. Fotografie in de beeldcultuur  3.1 Fotografie in de kunst  3.2 Amateurfotografie en beeldcultuur  3.3 ‘Permanent Food’. Tijdschriften en beeldcultuur

Pagina 32 Pagina 33 Pagina 36

-

4. Mijn eigen ervaring met de beeldcultuur  4.1 Welke beelden blijven er bij mij hangen?  4.2 Hoe kijk ik als fotograaf tegen de beeldcultuur aan?  4.3 Hoe gaan hedendaagse fotografen om met de beeldcultuur?

Pagina 41 Pagina 45 Pagina 47

-

Conclusie

-

Bronnenoverzicht

-

Bijlage

Hoe kun je als fotograaf opvallen in de beeldcultuur?

Pagina 56 Pagina 65


Inleiding ’s Ochtends, je wordt wakker, het journaal, beeld na beeld flitst voorbij over de nieuwste gebeurtenissen, reclame, videoclips.... Op de fiets. Billboard na billboard zoemt langs je heen, beelden op bussen en auto’s. De krant...... Nieuwsfoto’s, portretten, advertenties, reclamefoto’s. Op school nog eens beeld na beeld, want wij zijn niet voor niks beeldenmakers, een videofilm, kaarten, flyers, posters. Het internet.... pop-ups, reclame, webplaatjes, illustraties, covers, foto’s.. Weer thuis de post.... Reclamefolders, krantjes, postzegels. Beelden via tv, video, computerspelletjes, reclamezuilen, mupi’s, lichtkranten en tijdschriften.... Kortom, een knettergekmaakende hoeveelheid aan beelden die je op een dag tegenkomt. En deze hoeveelheid aan beelden zou je inderdaad knettergek maken als je ze ook daadwerkelijk allemaal zou onthouden. Dit is gelukkig niet het geval. Je onthoudt maar een klein deel van de beelden die je op een dag tegenkomt. Maar waarom onthoud je maar een bepaald deel van die beelden? De huidige generatie beeldconsumenten ontwikkelt een mediafilter in het hoofd. De hersenen scannen de beelden en wij onthouden daardoor alleen beelden die ons aanspreken, boeien of emoties bij ons oproepen. Beelden die iets met ons doen. De grote vraag als beeldenmaker is dan natuurlijk: Hoe maak ik een beeld dat bij mensen blijft hangen? Een beeld dat door de dagelijkse filter van beeldenblur heenprikt en opvalt? Wat wordt onthouden? Hoe maak ik iets wat mensen nog nooit hebben gezien? Kortom: hoe maak ik een beeld waar mensen over praten, dat op hun netvlies gebrand blijft staan? Doordat er dagelijks zo’n ruime hoeveelheid aan beelden beschikbaar is, moet je dus van goede huize komen om een beeld te maken dat mensen nog echt boeit, waar ze even de moeite voor nemen om naar te kijken. Als je tegenwoordig een beeld wil zien, hoef je het maar op internet in Google in te tikken en je hebt binnen no-time een grote variëteit aan beelden gevonden. Je kunt het zo gek niet bedenken of het staat op het internet. Van melige amateurkiekjes tot serieuze rampen, en van gemanipuleerde foto’s tot de keiharde werkelijkheid.

1


Door deze overvloed aan visualiteit, en het gemak waarmee het kan worden opgeroepen, krijg je het idee dat iedereen alles al een keer gezien heeft en dat alle beelden al een keer gemaakt zijn. We leven in een beeldcultuur, maar wat houdt dit nou precies in? Wat is een goede definitie van Beeldcultuur? Houdt dit in dat we minder lezen en meer televisie kijken? Of zit er meer achter dan dat? En wat voor een rol speelt het in het dagelijkse leven? Doordat mensen dagelijks zoveel beelden tegenkomen, nemen ze ook niet meer de moeite of de rust om er naar te kijken, zoals ze bijvoorbeeld in een museum zouden doen. Je zou mensen dus moeten overvallen met beelden op momenten, of plaatsen waarop ze het niet verwachten. Of op plekken waar mensen de tijd hebben om ernaar te kijken. Bijvoorbeeld op een toilet of in een wachtruimte. Je dwingt ze dan min of meer om ernaar te kijken. Ik vraag me af of mensen het beeld dan wel zullen onthouden. Kun je op deze manier een eigen Beeldcultuur creëren? De kunst wordt in de huidige beeldcultuur bedreigd. Alles hebben we al een keer gezien. Hoe wil de kunst zich nog onderscheiden van de grote hoeveelheid beelden? Hoe reageren de kunstenaars op die beeldmassa? Gaan de verschillende beeldmedia steeds meer samen? En hoe onderscheiden de verschillende beeldmedia zich nog van elkaar? Staat fotografie op zichzelf? Of komt er vaak grafisch vormgeving of andere soorten nieuwe media bij kijken?

2


Op al deze vragen ga ik in deze scriptie proberen een antwoord te geven. Tevens ga ik het koppelen aan mijn eigen ervaring met de beeldcultuur. Hoe ik er zelf als fotograaf tegen aankijk. Welke beelden er bij mij blijven hangen tijdens de dagelijkse beeldenspervuur en waarom. Ook zal ik het gaan terugkoppelen naar de Journalistieke fotografie, omdat ik daar tijdens mijn stage bij BN/de Stem veel mee te maken heb gehad. Ik denk dat journalistiek een belangrijk deel van de beeldcultuur is. Maar de belangrijkste vraag waar ik antwoord op wil geven is hoe het staat met de rol van fotografie binnen de beeldcultuur, omdat het belangrijk is voor ons fotografen om te weten waar we aan toe zijn. Of we nog de moeite moeten doen om origineel te zijn, om beelden te maken die mensen nog nooit hebben gezien. Of dat we met een opvallende presentatie al een heel eind komen. Kortom: Wat moet een fotograaf doen om nog op te vallen in de hedendaagse Beeldcultuur? In deze scriptie behandel ik het begrip beeldcultuur enerzijds om aan te duiden in wat voor maatschappij we in leven en anderzijds als aanduiding van de beeldenvloed die we dagelijks te zien krijgen. Het is belangrijk te weten hoe we als beeldenmakers in de toekomst hiermee om moeten gaan. Zijn er strategieën waarmee je het beeld kunt laten opvallen? Moet het beeld bijzonder zijn? Zoals een aantal jaar geleden een tot aliën vervormd meisje te zien was in een reclame voor playstation? Of de alom bekende foto van een stervende aids-patiënt in een reclame voor het kledingmerk Benneton?

Of ligt het aan de presentatie? Zoals bijvoorbeeld een reclame voor het automerk Jaguar. De makers van deze reclamespot hebben een Hollywood-achtige actiefilm gemaakt die ongeveer een kwartier duurt, waaruit op het einde blijkt dat het een reclame is voor Jaguar. Reclamemakers maken een film die mensen prikkelt, maar is uiteindelijk bedoeld om hen iets te verkopen. Maar hoe moeten wij als fotografen, die stilstaande beelden maken, met ons werk nog de aandacht trekken van opdrachtgevers? Verder ga ik in deze scriptie onderzoeken hoe het zit met de beeldende kunst. Is zij nog bijzonder genoeg om zich te onderscheiden van de hedendaagse beeldenvloed. Wat maakt kunst nog bijzonder? Gaat kunst niet uiteindelijk op in commercie? En hoe reageren hedendaagse

3


beeldende kunstenaars op de beeldcultuur? Ik ga onderzoeken hoe het zit met fotografie in de beeldcultuur. Wordt professionele fotografie bedreigd door de opkomende amateurfotografie en de overstelpende hoeveelheid beeld op databanken? Ik behandel beeldende tijdschriften, met als uitgangspunt ‘Permanent Food’. Een tijdschrift dat alleen uit beelden bestaat en wat als inspiratie dient voor beeldend kunstenaars. Ik ga bekijken wat ik nou zelf, als fotograaf merk van de enorme beeldenvloed van iedere dag. Welke beelden kom ik op een dag tegen? En welke beelden blijven er bij mij hangen? Ik ga beschrijven hoe ik zelf tegen de beeldcultuur aankijk. Vind ik het overdonderend? Of ben ik er aan gewend en kan ik me er heel makkelijk voor afsluiten? Ik heb een onderzoek gedaan onder enkele hedendaagse Nederlandse fotografen. Hoe kijken zij tegen beeldcultuur aan? Hoe gaan ze ermee om? Wordt hun manier van fotograferen hierdoor beïnvloed? En hoe denken zij dat een fotograaf nog kan opvallen in de huidige beeldcultuur. Tot slot zal ik in de conclusie laten zien hoe je volgens mijn onderzoek als fotograaf zijnde nog kan opvallen in de hedendaagse beeldcultuur.

4


1. Het fenomeen Beeldcultuur

5


6


1.1 Welke beelden kom je dagelijks tegen? Pak een willekeurige dag uit je leven en houdt bij welke beelden je de hele dag tegenkomt. Dit heb ik geprobeerd te doen en het is bijna niet bij te houden. Ik heb heel goed opgelet en volgens mij is nog meer dan de helft aan me voorbijgegaan. Toch heb ik een poging gedaan om de dagelijkse hoeveelheid beeld te omschrijven. Daarbij heb ik vooral naar fotobeeld gekeken. Ik heb dit gedaan op maandag 6 december 2004. De reis begint in Overloon waar mijn ouders wonen. Hier stap ik ’s morgens op de trein en reis naar Breda. De dag eindigt ’s avonds rond 23.00u als ik in slaap val op mijn studentenkamer in Breda: Maandag 6 december 2004. De wekker gaat, de lamp gaat aan en het eerste wat ik zie zijn twee foto’s op mijn nachtkastje van een paar vrienden. Langzaam sta ik op en kleed me aan. Vervolgens zit ik in de auto onderweg naar het station. Langs de weg staat een billboard van een vrouw in haar ondergoed, een reclame voor C&A. In de trein lees ik de Spits, waarin veel beelden te zien zijn: Foto’s van de begrafenis van Prins Bernhard, camerabeelden van een overval, foto’s van een vermist persoon, een lonkende reclameadvertentie van een strandvakantie en een foto van een man met één tand die een ballon vasthoudt. Een glamourfoto van R&B zangeres Oleta Adams die een nieuw tournee gaat maken, scènes uit tv-series die deze avond op televisie te zien zijn, foto van een man met een grote neus tussen de bananen. Dan de sportfoto’s: een zwoegende schaatser, 2 hockeyers in actie, actiefoto van 2 voetballers en een keeper die zijn overwinning viert... Pfoeh dat waren heel wat beelden in een hele korte tijd. Ik pak mijn boek om even niet naar alles om me heen te hoeven kijken. Ik stap uit de trein en loop tegen een billboard aan van Esprit. Loop verder naar de bus. Terwijl ik in de bus zit te wachten totdat hij vertrekt valt mijn oog op een affiche voor het nationaal ballet in een bushokje. Dit vind ik op de één of andere manier een bijzonder affiche. Mijn blik blijft even hangen. De bus gaat rijden en ik verdiep me weer in mijn

7


boek.

Aangekomen op mijn studentenkamer komt er meteen een nieuw bombardement aan beelden op me af: foto’s van vrienden, een schilderij, een poster van een tropisch strand, enkele zelfgemaakte foto’s. Om me heen hangen kaarten, flyers posters die ik er allemaal zelf heb neergehangen. Het is een drukte van jewelste aan beelden om me heen. Even later ben ik op weg naar fotolab ‘de Afdruk’ om m’n films weg te brengen. Hé weer een reclameaffiche van C&A, maar dit keer een ander model in haar ondergoed. Via de stad fiets ik richting school. En onderweg kom ik wéér een affiche van C&A tegen. Ook een paar andere billboards flitsen voorbij. Op school aangekomen zie ik nóg meer beelden, de hele school hangt vol met beelden. Je kunt er niet aan ontvluchten. Maar wat wil je met een gebouw vol beeldenmakers? Weer een groot bombardement aan beelden in een korte tijd. Eenmaal aangekomen op de afdeling fotografie, duik ik de doka in om de contactprints van mijn eigen foto’s te kunnen bekijken, vervolgens bekijk ik de foto’s van medeleerlingen die ook bezig zijn in de doka. In de les bespreek ik de door mij gemaakte foto’s met een leraar, ook kijk ik met mijn klasgenoten mee hoe hun foto’s besproken worden. Dan even naar de bibliotheek, die volhangt met posters en volstaat met boeken en tijdschriften. Ik blader in wat fotoboeken. Vervolgens ga ik even surfen op het internet. Pop-ups, msn-afbeeldingen, plaatjes in je mailbox. Ook bekijk ik nog enkele sites van fotografen. Al gauw zit je weer helemaal volgestopt met beeld. Op de weg terug naar huis, kom ik weer langs al die billboards en bushokjes, alleen nu is alles verlicht door het duister. Eenmaal thuis aangekomen ga ik achter mijn computer zitten. Beeldbewerken van mijn foto’s. Na verloop van tijd ga ik even zitten bladeren in de Rails die ik die ochtend uit de trein heb meegenomen.

8


Deze staat ook boordevol met mode-, reclame- en kunstachtige foto’s. Hier staan, vind ik, vaak ook hele bijzondere foto’s in. Iedere keer heeft ‘Rails’ een ander onderwerp als thema. Er staan deze keer beelden in van ‘enge’ plekken, plekken waar het zou spoken. Nog even televisie kijken voor het slapen gaan. Ieder kwartier worden series onderbroken door reclame, nog even het journaal, waarin de gebeurtenissen van deze dag in een sneltempo aan je voorbij flitsen. En dan slapen, eindelijk rust...... DROOMBEELDEN

1.2 Beeldcultuur We leven in een tijd waarin het woord het langzaam van het beeld lijkt te verliezen. De tijd die mensen met een boek of krant doorbrengen neemt af, terwijl de tijd met geïllustreerde tijdschriften, voor de televisie of het beeldscherm toeneemt. Mensen documenteren hun leven met foto’s of een videocamera en niet meer door middel van een dagboek. In de reclame is niet langer de slagzin belangrijk, maar wordt het corporatie image (collectief beeld) des te meer gebruikt. De jongerencultuur wordt bepaald door bewegende beelden op TMF en MTV en er zijn telefoons in de omloop waarmee je stilstaande en bewegende beelden kunt maken en kunt oproepen. Er is zelfs al een documentaire gemaakt, geheel opgenomen met een mobiele telefoon. “Cell Stories” regisseur/cameraman Edward Lachman. (VS, 2004).

Voor deze ontwikkelingen zijn vele oorzaken aan te wijzen. Belangrijke factoren zijn de toenemende mogelijkheden om beelden elektronisch te produceren en te reproduceren. Maar beelden hebben blijkbaar ook iets wat in hun voordeel is tijdens de strijd om aandacht. Ze zijn verleidelijker, toegankelijker, directer en universeler dan woorden. Misschien worden daarom de technische mogelijkheden hieromtrent zo veel gebruikt. Maar wat betekenen deze ontwikkelingen voor de samenleving? Waar ontwikkelt deze beeldcultuur zich naartoe? Gaat deze ontwikkeling ten koste van het gesproken en geschreven woord? En wat verliezen we daarmee en wat kunnen we ermee winnen?

9


1.3 Wat is beeldcultuur? “Humans are highly visual animals, and we often think in pictures. From cave paintings, till the computer. The visual image has assisted the human race in describing, classifying, ordering, analysing and ultimately reaching a greater understanding of the world. Images trigger an intellectual response, where the viewer transforms the static image into an intellectual or an emotional experience. Our ability to read visual images demonstrates our power to think in the abstract.” (Richard Bright, 20001) Opeens was het woord er: ‘beeldcultuur’. Het dook overal op, en iedereen wist meteen wat ermee werd bedoeld. Hoewel beeldcultuur nog een vrij nieuwe term is, is het begrip al zo ingeburgerd dat niemand er meer bij stilstaat. Het is een begrip dat een maatschappelijk verschijnsel benoemt, en een hoop lijkt te verklaren. Maar wat ís beeldcultuur nou eigenlijk? Het heeft natuurlijk met de toegenomen hoeveelheid aan beelden te maken. Ook speelt het een rol in het feit dat beelden steeds meer elektronisch worden geproduceerd, vervolgens digitaal worden bewerkt en verspreid. Schriftelijke cultuurproducten zoals boeken, kranten en tijdschriften lijken het te verliezen van het beeld. En er is de angst dat de grenzen tussen beeld en werkelijkheid zullen vervagen, omdat beelden de plaats innemen van werkelijke ervaringen. Dit zijn in het kort de kenmerken, maar eigenlijk bestaat er nog geen heldere definitie van beeldcultuur. Over het algemeen wordt er op drie verschillende manieren gesproken over beeldcultuur. Ten eerste, in beperkte zin. Beeldcultuur verwijst dan naar de manier waarop een specifieke groep met beelden omgaat. Hoe ze gereproduceerd en gebruikt worden, en hoe ze samenhangt met andere kenmerken van die groep. Ten tweede wordt er over beeldcultuur gesproken om het te onderscheiden van woordcultuur. Het gaat, min of meer los van plaats en tijd, om de analyse van de bijzondere eigenschappen van beelden, hun mogelijkheden en hun samenhang met andere cultuurelementen. En tot slot een betrekkelijk nieuwe opvatting. Deze treffen we aan in de zogeheten ‘visual studies’ een onderdeel van de ook betrekkelijk nieuwe ‘cultural studies’. Nicholas Mirzoeff (kunsttheoreticus) introduceert het begrip ‘visual culture’ in zijn boek An introduction to visual culture (1999). Het begrip wordt hier gebruikt als tijdsdiagnostiek: we leven in een tijd van beeldcultuur. De huidige postmoderne wereld, wordt het best visueel verbeeld en begrepen, net zoals de negentiende eeuw op klassieke wijze vertegenwoordigd werd door de krant en de roman. Richard Bright is oprichter en directeur van het Interalia Centre, Briston (UK), een internationaal centrum voor onderzoek naar de relatie tussen kunst en wetenschap 1

10


En daarom is beeldcultuur ook een strategie, een methode om de wereld te onderzoeken en te begrijpen. Volgens Mirzoeff houdt beeldcultuur zich bezig met visuele gebeurtenissen waarin informatie, betekenis of plezier wordt nagestreefd door de consument, met behulp van visuele technologie. Eén van de belangrijkste aspecten van de beeldcultuur is dat de beelden een beroep doen op het individu, en op de individuele belevingen van een beschouwer. Het beeld is overal, we kijken er niet langer alleen naar, maar we worden er ook in ondergedompeld.

1.4 Het beeld door de geschiedenis Sommigen bedoelen met beeldcultuur de visualiteit of de picturaliteit, terwijl anderen het hebben over de mechanische reproduceerbaarheid van beelden, bewegende beelden of het live uitzenden van beelden. Door de verschillende definities is het moeilijk om een revolutie, explosie of versnelling vast te stellen. De geschiedenis van het beeld gaat veel verder terug dan je denkt, en is in feite ouder dan die van het woord. Het is begonnen met eeuwenoude grotschilderingen van de oermens, gevonden in Frankrijk en Spanje. De grotschilderingen van Altamira en Lascaux laten zien dat ook de primitieve

grotschilderingen uit Lascaux

mens behoefte had aan beelden. Zij maakten deze beelden als voorafbeelding van een geslaagde jacht en als rituele poging om greep te krijgen op het leven en op de natuur. Het uitgangspunt van de schilderingen was het geloof in de magische werking van het beeld, om de werkelijkheid te bezweren. De eerste vormen van het schrift zijn rond 3300 v Chr. ontwikkeld en het eerste alfabet dateert pas van ongeveer 1600 v Chr. Communicatie via symbolen, tekeningen, hiërogliefen en

11


andere soorten symbolen daarentegen is minstens 25.000 jaar oud. Onze ‘westerse’ beschaving is er dus altijd een van het kijken geweest. De traditie van het beeld is dus door de hele geschiedenis heen niet ondergeschikt geweest aan het woord. Vooral in de Middeleeuwen werd informatie uit beelden en gesproken woorden gehaald, omdat een groot deel van de bevolking analfabeet was. Zelfs na de uitvinding van de boekdrukkunst in de 15e eeuw, bleef het beeld de belangrijkste vorm van communicatie. Beeld is dus altijd al belangrijk geweest, maar niet overheersend. Niet zoals het woord van de bijbel wel overheersend is geweest. Dit heeft onder andere geleid tot het Calvinisme. In het Islamitische geloof werd het zelfs door de Koran verboden om mensen af te beelden. In de Koran zijn ze bang dat een afbeelding zal leiden tot afgoderij, ook als het afbeeldingen zijn van bijvoorbeeld dieren. Ze zijn bang dat men in de verleiding zou komen om uiteindelijk een afbeelding te maken van God of zijn Boodschapper. Zij gingen zich uitten in het schoonschrift. Volgens Susan Sontag2 is het opvallend dat mensen uit niet-geïndustrialiseerde landen zich nog steeds niet gerust voelen als ze gefotografeerd worden, omdat ze het voelen als een soort overtreding, als iets wat onrespectvol is. Ze zien het als een beroving van iemands persoonlijkheid of cultuur. Terwijl in geïndustrialiseerde landen vinden mensen het juist leuk om gefotografeerd te worden. Zij vinden dat juist doordat er een foto van hen bestaat, zijzelf echt worden. Ze zijn zelf beelden die door foto’s werkelijkheid worden. De foto’s bevestigen dat ze bestaan en van dit soort bevestigingen heeft men er nooit genoeg. Daarom blijven mensen foto’s maken. De industriële revolutie bracht met de uitvinding van de fotografie in 1839 en de uitvinding van de film rond 1900, nieuwe technologische media op de markt, waarmee op grote schaal beeld kon worden verspreid. Het verspreiden van beeld werd helemaal toegankelijk toen in de jaren veertig de televisie in iedere huiskamer verscheen. De jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw werden gekenmerkt door een grootschalige beeldinflatie, wat ook wel ‘visuele hysterie’ genoemd zou kunnen worden. Natuurlijk kwam dit omdat in deze periode de visuele technologieën van internet en digitale beeldreproductie op gang kwamen Beeld is er dus altijd op een continue manier geweest in de geschiedenis, daarom is het moeilijk te bepalen op welk punt in de geschiedenis er ineens een explosie van beeld is ontstaan. Vooral in de Westerse cultuur is beeld altijd heel dominant geweest. “De macht van het beeld is van alle tijden, en is niet exclusief voor het heden.” (José van Dijck3 2002). Overigens beweerde Susan Sontag al in 1977 in haar boek On photography dat een samenleving modern is wanneer het produceren en Susan Sontag is een Amerikaanse publiciste die in haar boek On photography als eerste schreef over de rol van fotografie in de moderne cultuur. 3 Jose van Dijck is hoogleraar Televisie, Media en Cultuur aan de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. Zijn stelt dit in haar essay ‘Geen beelden zonder woorden’ uit De Plaatjesmaatschappij. 2

12


consumeren van beelden een van haar hoofdactiviteiten is. “A society becomes ‘modern’ when one of its chief activities is producing and consuming images, when images that have extraordinary powers to determine our demands upon reality and are themselves coveted substitutes for firsthand experience become indispensable to the health of the economy, the stability of the polity, and the pursuit of private happiness.” Dit wil echter niet zeggen dat we altijd al in een beeldcultuur hebben geleefd. De beeldenvloed die we tegenwoordig kennen is niet te vergelijken met ook maar iets in de geschiedenis. Door de nieuwe media en de mogelijkheid tot het digitaal verspreiden van beelden is de beeldenvloed ineens groter geworden dan ooit te voren. Andersom wordt volgens Frank van Vree4 de geschiedenis aangeduid aan de hand van beelden. Beelden worden gebruikt als historisch bronmateriaal. Iedereen kent de fotografische iconen die een gebeurtenis in de geschiedenis vertegenwoordigen. Bijvoorbeeld de moord op Kennedy, de val van de Berlijnse muur, het meisje tussen de schuifdeuren van een goederenwagon op weg naar de vernietiging en het vliegtuig dat zich in de tweede toren van het WTC boort. Op dit moment is de foto van een man die zijn kind uit het water draagt al een icoon voor de zeebeving in Azië.

Frank van Vree is historicus en hoogleraar Journalistiek en Cultuur aan de universiteit van Amsterdam. Hij stelt dit in zijn essay ‘De sensatie van het beeld’ uit De Plaatjesmaatschappij. 4

13


De vraag is: zal de geschiedenis van onze eigen tijd straks alleen nog maar verteld worden aan de hand van de bekende beelden? Beelden die nu al iconen van een hele episode zijn geworden? Bij het zien van deze beelden gaan we heel even terug in de geschiedenis. Critici zijn het er over eens dat door deze iconen, de geschiedenis wordt gecomprimeerd tot een enkelvoudig verhaal, dat maar één interpretatie toe laat. Ze laten niet de verbanden en de verschillende motieven, vormen en gedachten zien. Het worden clichébeelden. Op deze manier raken we nog verder verwijderd van de werkelijke kennis van geschiedenis. Daarom is volgens critici de visualisering van de cultuur geen goede vooruitgang. “Het verleden loopt gevaar een snel uitdijende verzameling beelden te worden, makkelijk terug te vinden, maar geïsoleerd van tijd en ruimte, beschikbaar in een eeuwig heden door een druk op de knop van de afstandsbediening.” (Anton Kaes5 1990). Volgens Roland Barthes6 komen foto’s in verschillende culturen terecht en dus zal niet iedereen dezelfde betekenis uit een foto halen. Als het publiek niet klaar is voor de boodschap die in de foto zit, dan zal de foto volgens hem helemaal niet gezien worden. Deze zelfde gedachte is ook terug te zien in het boek On Photography van Susan Sontag. Eén van Sontag’s stellingen is dat een foto slechts optimaal invloed op de kijker kan hebben, wanneer de kijker de foto bewust heeft meegemaakt. Wanneer ik dus het beeld voor me haal van de vliegtuigen die in de torens van het World Trade Center vliegen, dan kan ik dit beeld optimaal opnieuw beleven, terwijl mijn kleinkinderen in de toekomst dat volgens Sontag niet zullen kunnen omdat zij de gebeurtenis niet hebben meegemaakt maar ik wel. Iedere generatie zal foto’s dus anders beleven.

1.5 Verliest het woord het van het beeld? Wat is er nou eigenlijk aan de hand met de beelden van de huidige samenleving? Het aanbod van beelden is duidelijk enorm gegroeid. Het is een feit dat er meer beelden in de omloop zijn dan honderd, vijftig of zelfs tien jaar geleden. Dit komt doordat technologische ontwikkelingen de productie, verspreiding en de beschikbaarheid van beelden ingrijpend heeft uitgebreid. Beelden zijn gemakkelijk te bekijken op nieuwe media, dus steeds vaker op beeldschermen. Maar wat voor invloed heeft dit op het gebruik van taal? Gaan we taal steeds vaker vervangen door beeld? Is het beeld werkelijk het woord aan het verdringen?

Anton Kaes is een Duits-Amerikaanse film- en literatuurwetenschapper. Roland Barthes (1915-1980) was een vooraanstaand criticus en in de jaren zestig en zeventig en was hoogleraar semiologie aan het Collège de France. 5 6

14


De toename van het aantal beelden hangt ook samen met de uitbreiding van het visuele domein: Als de kennis over het bestaan toeneemt, neemt het aantal beelden daarvan ook toe. Beelden zijn in dit opzicht praktisch. Beelden vervullen ook een functie in omgevingen waarin schrift niet functioneert. Bijvoorbeeld als de bevolking analfabeet is, of men de taal van het land niet spreekt. In feite vertegenwoordigt alles wat in een afbeelding te zien is, een gebied waar alle andere communicatiemiddelen per definitie tekort schieten. Steeds vaker worden ingewikkelde structuren, kwesties of ontwikkelingen gevisualiseerd, duidelijk gemaakt met diagrammen, schema’s, infographics enz. Hier wordt door vele media, zoals kranten, boeken, tijdschriften maar ook door audiovisuele media steeds vaker gebruik van gemaakt.

Het is duidelijk dat beelden hier functies vervullen die vroeger door woorden werden vervuld. Hierdoor ga je jezelf afvragen of het toegenomen aanbod aan beelden heeft geleid tot verdringing van het woord? Het lijkt erop dat dit inderdaad zo is. In de gedrukte media neemt het aantal foto’s en andere afbeeldingen toe. Maar wordt het woord nu echt bedreigd? Dit is niet zeker. De aanslag in 2001 op het WTC had een hoog visueel gehalte. Ook nu kun je de beelden nog herinneren. Maar de gebeurtenis bestond niet alleen uit beelden. Over achtergronden, oorzaken, verdenkingen, maar ook over gebeurtenissen die zich niet voor de camera afspeelden, kon alleen in woorden verslag worden gedaan, en dat is dan ook veel gebeurd. Tekst speelt dus nog steeds een belangrijke rol, ook in een modern medium als internet. Een scène uit de documentaire Fahrenheit 9/11 (2004) van Michael Moore, die gaat over deze aanslagen, is een voorbeeld van het beeld dat verliest van het geluid. Regisseur Michael Moore laat in deze film de bekende beelden van de instorting van de twin towers weg. Er is alleen maar zwart. Het geluid van gillende mensen laat je huiveren. Na de gebeurtenissen van 11 september ontstond het idee dat beelden nu definitief de plaats van de werkelijkheid zijn gaan innemen. Dat we datgene wat we van de wereld weten niet meer zelf meemaken, maar we krijgen het te zien via beelden. Beelden kunnen ons een beeld geven van wat er om ons heen gebeurd, ze kunnen ons informeren. Maar vaak dreigt hier het gevaar van eenzijdige informatie. Er wordt gedacht: ‘Het is maar een beeld’. Beelden kunnen dus een belangrijke bron van informatie zijn, maar ze vervangen zeker niet de werkelijkheid. De echte, authentieke werkelijkheid

15


zullen wij als mensen zelf moeten ervaren, daar kan een beeld nooit aan tippen. Het beste voorbeeld van beeldcultuur is misschien wel het internet. Ruim twintig jaar lang bestond internet uit alleen tekst en werd het bestaan ervan nauwelijks opgemerkt. Maar toen werd het mogelijk om ook plaatjes te laten zien en in een tijdsbestek van enkele jaren wist het internet een grote maatschappelijke positie te veroveren. Overigens bestond die beeldcultuur natuurlijk al langer, de digitale media fungeerden meer als verspreider. Descartes zei: ‘ik denk dus ik ben’, maar sinds enige tijd is het niet meer belangrijk wat je denkt, het gaat om je image, het beeld dat je oproept. Ontwikkelingen als bijvoorbeeld MTV, het wereldwijde massamedium dat alleen maar draait om beeld en klank, vormt daarvoor het bewijs. Het mooie van digitale media is dat ze je in staat stellen op relatief eenvoudige wijze zelf beeld te maken. Sterker nog: de digitale media hebben in hoog tempo de tekst achter zich gelaten ten gunste van beeld. Een revolutie is pas echt geslaagd als de oude macht niet alleen volledig is overwonnen maar als ook haar functies zijn verenigd in de nieuwe verhoudingen. En daar leek volgens Fransisco van Jole7 sprake van. Maar op een revolutie, volgt altijd een tegenrevolutie. Zo gauw een cultuur wereldwijd is, is het vaak interessanter om de eigen omgeving opnieuw te waarderen. En in plaats van beeld richt men zich op de taal. Bijvoorbeeld de slogans van de Amerikaanse kunstenares Jenny Holzer (waar ik later op terug zal komen in het hoofdstuk ‘reactie van de kunst’), wijzen ook in de richting van een tegenreactie. Waarom worden woorden populair als beeldende kunst, juist in een tijd dat het beeld lijkt te overheersen? Want een beeld zegt toch meer dan duizend woorden? En dat is precies het probleem, volgens Van Jole. Vaak wil je geen duizend woorden zeggen. Wie bijvoorbeeld stop wil zeggen, zegt dat beter en krachtiger met een woord dan met een beeld. Daarom staat het woord STOP tegenwoordig uitgeschreven op verkeersborden. 7 Francisco van Jole is internetdeskundige. Tevens is hij mediacolumnist voor de Volkskrant en co-presentator van TROS radio Online. Hij stelt dit in zijn essay De opkomst (en ondergang) van de digitale beelcultuur, in November 2001.

16


Hetzelfde geldt voor woorden als liefde, macht en haat. Alleen een woord als oorlog wordt verslagen door de beelden van zichzelf. En daar zien we na Vietnam dan ook steeds minder beelden van. Wat overigens een vreemde ontwikkeling is, als er sprake is van een allesoverheersende beeldcultuur die sinds die tijd is opgerukt. Misschien zijn mensen ook wel minder gefixeerd op beeld dan we voortdurend denken als het gaat om digitale media? Er is onderzocht dat de aandacht van mensen tijdens het bekijken van webpagina’s veel meer aandacht besteden aan de tekst dan aan het beeld. Ook bleek dat foto’s in bijvoorbeeld tijdschriften veel beter bekeken worden dan foto’s op het web. Hoezo digitale beeldcultuur? Het is daarom waarschijnlijk niet voor niets dat het grootste deel van de virtuele wereld die internet geschapen heeft bestaat uit tekst. Zelfs in veel online spelletjes, die een belangrijk onderdeel van de beeldcultuur zijn, zit bijvoorbeeld een mogelijkheid tot chatten ingebouwd. En zelfs als het beeld oppermachtig is, dan is de kans nog groot dat ze uiteindelijk opgenomen wordt in de taal. De smiley zou het bijvoorbeeld tot leesteken kunnen schoppen. Het is dan een beeld dat aangepast is in de taal en niet andersom. Ook volgens Hans van Driel8 lijkt er van een strijd tussen een woord- en beeldcultuur nauwelijks sprake. De beide culturen hebben altijd naast elkaar bestaan en functioneren vanuit hun eigen kenmerken. De woordcultuur kent een langere traditie, maar beide culturen worden al jaren vanuit verschillende wetenschappelijke disciplines bestudeerd en beschreven. Maar wat maakt beelden dan uniek? Net als woorden verwijzen beelden naar iets. Waar ze naar verwijzen hangt af van de aard van het beeld. Soms verwijzen ze naar een reële werkelijkheid, soms naar een idee in het hoofd van bijvoorbeeld een kunstenaar. En alles daartussen is ook mogelijk. Alle mogelijke sferen in beelden kunnen ook met woorden worden aangeduid, maar de belangrijkste voorsprong die beelden op woorden hebben is dat ze op een veel directere manier naar de werkelijkheid verwijzen. Ze geven minder mogelijkheid tot een verkeerde interpretatie of een misverstand. Beelden zijn iconische tekens. Ze lijken op de werkelijkheid waarnaar ze verwijzen. De angst is er bij velen dat het beeld het gaat verliezen van het woord. Bang dat de mensen steeds dommer worden, doordat ze steeds meer t.v. kijken en van andere nieuwe media gebruik maken. Deze angst is niet terecht volgens José van Dijck “Mensen maken media, en media zijn zo intelligent als we ze gebruiken. De nostalgie naar het schrift lijkt op het verlangen naar een overledene die nog springlevend is.” Mensen die het woord als machtsmiddel gebruiken zouden ook moeten leren om andere mediavormen kritisch in te zetten, in plaats van zich er van af te keren. Plato zat immers ook gevangen in een paradox: hij verafschuwde het geschreven woord, maar dankt er wel zijn beroemdheid aan.

8

Hans van Driel is universitair docent aan de Faculteit der Letteren van de Universiteit van Tilburg.

17


1.6 De invloed van visuele media Overal om ons heen verschijnen steeds meer verschillende media. Deze media worden vaak met elkaar gecombineerd om ons een zo optimaal mogelijke beleving te laten ondergaan. Wat voor invloed heeft dit nou op ons visuele vermogen? Kunnen wij hier nog aan ontsnappen? Of worden we er onbewust in ondergedompeld? Ons wereldbeeld, ons gedrag en ons denken wordt dus steeds vaker beïnvloed door visuele media. In de tijd waarin wij leven krijgen we steeds grotere hoeveelheden aan beelden en mediaboodschappen te verwerken: van kunst tot entertainment en van nieuws tot reclame en alles wat daartussenin zit. Deze beeldcultuur wordt geholpen door economische en technologische ontwikkelingen. Iedereen moet steeds harder op zoek naar manieren om met de overvloed aan (visuele) informatie om te gaan. Daarmee groeit de behoefte aan hulpmiddelen die ons helpen de beelden die we dagelijks te zien krijgen te filteren. Maar wanneer wij ons bewust of onbewust steeds beter weten af te sluiten van informatie, immuun of verveeld raken van het dagelijkse bombardement aan beelden, zijn er nieuwe technieken en strategieën nodig om de consument te bereiken en te beïnvloeden. Dat geldt natuurlijk niet alléén voor commerciële beeldmakers. Ook autonome filmers, fotografen, beeldend kunstenaars, architecten, televisiemakers en (grafisch) vormgevers willen hun publiek blijven bereiken. Ook zij worden gedwongen om rekening te houden met de toenemende impact van de beeldcultuur en de reactie daarop van hun publiek. Dat wil niet zeggen dat ze minder beelden hoeven te maken want de hedendaagse mediamens is inmiddels behoorlijk vaardig geworden en kan veel informatie tegelijkertijd verwerken. De consument wordt steeds vaker ondergedompeld in een geheel door elektronische media gecreëerde omgeving, die meerdere zintuigen tegelijkertijd aanspreekt. Immersie (onderdompeling) is een strategie die inmiddels op steeds meer gebieden wordt toegepast. Onze hersenen moeten dus steeds vaker en sneller onderscheid maken tussen wat voor ons persoonlijk belangrijk of interessant is, en wat niet. Wij hebben daarvoor onbewust een filter ontwikkeld dat ongewenste, oftewel voor ons persoonlijk niet belangrijke, visuele indrukken buitensluit. De keuzes die wij daarbij maken, hangen af van onze gemoedstoestand, onze kennis, onze interesses en de omstandigheden. In het verkeer bijvoorbeeld maken we andere keuzes dan voor de televisie. Maar ook het medium of de mediale context (bijvoorbeeld met tekst of muziek, in de krant of in het museum) waarin de beelden tot ons komen zijn bepalend voor onze openheid ervoor en voor de manier waarop wij het aangereikte beeldmateriaal beoordelen en waarderen. Die mediale context is overigens snel aan het veranderen door de onderlinge ‘versmelting’ van verschillende media. (Bijvoorbeeld van film, video, fotografie, telefonie, televisie, radio onderling en/of met digitale netwerken). Deze versmelting is kenmerkend voor het tijdperk van de ‘postmedia’. Het idee van het

18


filteren van beelden is natuurlijk niet nieuw, net als de behoefte aan hulpmiddelen daarbij. De JA/NEE sticker op de brievenbus is waarschijnlijk het meest eenvoudige voorbeeld.

In de reclame en marketing is een ontwikkeling gaande in het ‘immersief’ maken van de media omgeving, zodat er aan de boodschap niet meer valt te ontsnappen. Bij het mogelijk maken van die immersieve campagnes worden reclame- en marketingbureaus flink geholpen door de snelle ontwikkeling van de mediatechnologie. De komst van internet en van de mobiele telefonie (naast de reclamebillboards op straat die langzaam worden vervangen door grootformaat videoscreens met bewegend beeld) maakt het voor hen mogelijk om de consument op vele uiteenlopende en liefst ook onverwachte plaatsen en momenten te bereiken en onder te dompelen in reclameboodschappen. Alleen een advertentie in een tijdschrift of het spotje op de televisie is niet meer genoeg, alle media worden zoveel mogelijk tegelijkertijd ingezet en het liefste op een manier waarop er in het dagelijks leven niet aan te ontsnappen valt. Je leert je hele leven lang met media omgaan. En door een instinctieve kennis kun je alle media leren gebruiken, ook de media die tijdens je leven nieuw op de markt worden gebracht. Nieuwe media overwinnen de technische beperkingen van de oude media. En we snappen deze nieuwe media ómdat ze gebaseerd zijn op oude media. We zitten ons hele leven in de media en zullen erin blijven vanuit een verlangen op een gegeven moment door deze media de echte, authentieke werkelijkheid te beleven. “‘This is visual culture. It is not just a part of daily life, it is your daily life” (Nicholas Mirzoeff, An introduction to visual culture 1999)

19


2. Rol van de kunst in de Beeldcultuur

20


21


2.1 Reactie van beeldend kunstenaars op de beeldcultuur In de gehele kunstwereld is hetzelfde probleem gaande als waar wij fotografen mee worstelen, namelijk: Hoe kan ik me als beeldenmaker en kunstenaar nog onderscheiden in de enorme hedendaagse beeldenvloed? Wat moet ik doen om mijn werk bijzonder te maken? Zo bijzonder dat het duidelijk tot beeldende kunst en niet tot beeldenvloed wordt gerekend? Ik heb een onderzoek gedaan naar de manier waarop hedendaagse beeldende kunstenaars bezig zijn zich te onderscheiden van al het andere aangeboden beeld. Beeldend kunstenaars presenteren hun werk steeds vaker in driedimensionale installaties, waar de bezoeker kan binnentreden en het kunstwerk kan ervaren. Soms worden er zelfs complete tentoonstellingen als ‘ervaring’ aangeboden. Discussies over het museum als ‘ervaringsplek’ worden steeds heviger, onder andere doordat het onderscheid tussen het (kunst)museum en de entertainmentindustrie steeds moeilijker te maken is. Het hedendaagse museum wordt gedwongen te concurreren met andere aanbieders van vrijetijdsactiviteiten zoals natuur- en pretparken, winkelcentra, bioscopen en evenementen als concerten en themadagen, die allemaal met hun tijd mee moeten gaan om te overleven. Aantrekkelijke totaalconcepten voor de tentoonstellings vormgeving en hands on exposities zijn nieuwe manieren om meer publieksgroepen naar het museum te lokken. Aan het ‘ouderwetse’ museum kan voor de generatie die met het playstation is opgegroeid niet zo veel meer worden beleefd. Toch moet het museum ook een plek blijven die juist reflecties biedt op onze huidige samenleving, en kunstenaars toont die daar uitspraken over doen. Het museum zou dus een reflectie moeten geven op de huidige beeldcultuur. Opvallend is dat het tentoonstellingsconcept van de beleving, vanuit de kunst zelf is ontstaan. Als reactie op een veranderende maatschappij, waarin de media en de entertainmentindustrie een centrale rol spelen. Beeldend kunstenaars raakten geïnteresseerd in de film. Daarom was de videokunst in de jaren negentig zo populair. Steeds vaker maakten kunstenaars gebruik van projecties. Tegelijkertijd zochten kunstenaars door middel van het bouwen van installaties naar nieuwe, vaak rauwe expressievormen. De laatste jaren worden deze twee manieren van tentoonstellen steeds meer in elkaar verwikkeld en leiden tot zowel ingewikkelde als suggestieve totaalomgevingen, waarin audiovisuele middelen een belangrijke plaats innemen. Wie in de huidige mediamaatschappij mensen nog een nieuwe ervaring wil aanreiken, of het nu een commerciële of een artistieke intentie heeft, moet in staat zijn verwachtingspatronen te doorbreken, het ‘mediasurvival filter’ van de hedendaagse mediamens te ontregelen of te overweldigen. Steeds meer beeldenmakers lijken zich dit te realiseren en reageren met hun werk op deze ontwikkelingen. Dat geldt voor fotografen, filmers, beeldend kunstenaars, grafisch ontwerpers, architecten, designers, modeontwerpers en reclamemakers.

22


In hun aanpak vallen grofweg drie posities te onderscheiden. Als eerste de positie van ‘communicator’. Deze zet alle mogelijke technische hulpmiddelen in om een omgeving te creëren die kan concurreren met de media realiteit. Hij kiest ervoor om iemand onder te dompelen in nieuwe media. Deze strategie heet immersie (onderdompeling). Een voorbeeld hiervan is Alfredo Jaar.

Alfredo Jaar “The Eyes of Gutete Emerita” 1996, Multi-media lightbox

Aan de andere kant is er de positie van de beeldenmaker die kiest voor verassing, het ontregelen van de mediafilter. Dat kan op vele manieren. Maar in een tijd waarin onderdompeling en een opeenstapeling van prikkelingen de overheersende strategie lijkt te zijn, is niets zo effectief als het creëren van oorverdovende stilte, door te kiezen voor één soort media: alleen beeld, geluid of wat dan ook, met minimale, zo transparant mogelijke omgeving. Een voorbeeld hiervan is Rineke Dijkstra.

Rineke Dijkstra ‘Hilton Head Island’ en ‘Tiergarten Berlin’

23


De derde positie is die van de beeldmaker als criticus van de mediamaatschappij. Dat gebeurt op een andere manier dan tien, vijftien jaar geleden: de duidelijke stellingen en revolutionaire praktijken lijken verdwenen. De beeldmaker kiest zijn eigen middelen, maar is nu meer een behendige mediagebruiker dan een activist. Voorbeelden hiervan zijn de werken van Jenny Holzer.

Jenny Holzer ‘Mother and Child’ en ‘Baltic’

Door kunstenaars en cultuurwetenschappers zijn uitspraken gedaan dat de kunst -en dus ook beeldcultuur- in de toekomst onder de massacommunicatie zullen gaan vallen, in plaats van een autonome positie. Wat staat de creatieve geest in de 21ste eeuw te wachten, en wat voor gevolgen heeft dit voor de beeldcultuur? Volgens Henck van Dijck9 is het commercialiseringproces al een tijdje gaande. Kunst is ook leven en communicatie. Het kunstwerk is al een bron voor vele commerciële activiteiten zoals de productie van kunstboeken, posters, en andere gadgets. Hooguit kan er worden gezegd dat de kunst zich inhoudelijk op een ander niveau afspeelt. Maar ook dit is relatief en afhankelijk van de beschouwer en de bedoeling van de maker(s). Zeker tegenwoordig wordt er door sommige ontwerpers ‘goede’ reclame gemaakt. Is er sprake van een soort “overlapping” tussen Kunst en reclame? Zij gebruiken over en weer dezelfde middelen en materialen. Ook het publiek is meer gelijkwaardig geworden. Het zou niet verwonderlijk zijn als kunst in de massacommunicatie opgaat als stijlvorm en specialisatie. 9

Henck van Dijck is beeldend kunstenaar, hij stelde dit in mei 2004 op het discussie forum op www.beeldcultuur.nl

24


De vraag is alleen, hoe de musea en de verzamelaars hierop zullen reageren, en ook de kunstcriticus, de historicus en het kunstwereldje? In feite ligt ieder terrein of materiaal open voor de kunstenaar om vorm en inhoud aan te geven. Kwaliteit, en aandacht voor moderne tijdsaspecten zijn dus belangrijk. Iedere tijd is immers behoefte aan onafhankelijke, creatieve denkers, zelfs de massamedia zijn ervan afhankelijk en zullen waarschijnlijk ook blijven.

2.2 Wat is kunst? Waarom is kunst kunst en is het niet ‘gewoon een beeld’? Waarin onderscheidt kunst zich van alle andere beelden? Waarom krijgt een beeld een bepaalde ‘kunststatus’? Wat maakt zo’n beeld bijzonder? En bovenal: Wie bepaalt of het kunst is of niet? Het is belangrijk te weten waarom het ene beeld wél tot de kunst behoort en een ander beeld niet. Zo kun je zien wat je moet doen om je als kunstenaar te onderscheiden. Wat onder kunst wordt verstaan verandert volgens Kitty Zijlmans10 per tijd en cultuur. Ook de hedendaagse kunst slaat steeds weer nieuwe wegen in. De grenzen van de kunst moeten steeds opnieuw worden benoemd en ook weer opnieuw ter discussie worden gesteld. Tegenwoordig wordt gekeken naar kunst in de breedste zin van het woord, namelijk de gehele artistieke productie van een tijd. Er wordt niet alleen nog maar naar het verleden gekeken, maar ook naar het heden. In deze tijd zijn de begrippen beeldcultuur en visualiteit (‘visuality’) erg actueel. Wat is de rol van kunstgeschiedenis in deze discussie? En wat is de rol van de beeldcultuur in de kunst? Kunst is een typische uitdrukkingsvorm van de cultuur en dus ook een product van de cultuur. Visuele kunst en beeldende kunst hebben veel met elkaar te maken, maar vallen niet direct samen. Het verschil zit hem in het gehanteerde kunstbegrip. Het kunstbegrip staat op het moment onder druk door de vele wisselwerkingen tussen de beeldenstroom en de combinatie tussen kunst en andere visuele media. Het aantal producenten van beeld wordt zowel in de privé-sfeer als op professioneel gebied steeds groter. Kunstenaars moeten tegenwoordig het beeldgebied delen met andere professionele beeldproducenten, onder andere in de pers, de media, de reclamewereld, uitgeverijen en het internet. Dan hebben we het nog niet over de beelden die in privé-sfeer gemaakt worden. Deze privé-sfeer is overigens behoorlijk openbaar geworden door de komst van het internet. Kitty Zijlmans is kunsthistoricus en is hoogleraar moderne en hedendaagse kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Leiden. Zij stelt dit in haar essay ‘Het ene beeld is het andere niet’ uit De Plaatjesmaatschappij.

10

25


Maar welke invloed heeft het bombardement aan beeld op ons onderscheidingsvermogen? Beelden die tot kunst worden gerekend, verschillen over het algemeen van zeggingskracht en waarde dan ander beeldmateriaal. Beeldend kunstenaars zijn immers specialisten in het toepassen van andere betekenissen in het beeld. Maar bestaan deze verschillen nog écht? Kunst is een begrip wat een bepaalde norm vormt, het is een waardetoekenning. Wanneer een object als kunst wordt beschouwd, wordt het in een bepaald perspectief geplaatst. Er gaan dan andere criteria gelden. ‘Gewone’ objecten kunnen dan een hele andere betekenis krijgen. Zoals Marcel Duchamp deed met zijn gesigneerde urinoir.

Marcel Duchamp ‘Fountain’

Kunst is beeld zonder beelden. Maar hoe hangt ze samen met die andere beelden een waarin onderscheidt ze zich? Op welke manier zijn kunstwerken anders van betekenis dan overige visuele producten? Ook kunstwerken zijn te plaatsen in een sociale omgeving, ze hebben allerlei verschillende onderwerpen als thema. Van het heden tot het verleden. Ze zijn dus vaak heel actueel. Kunstwerken worden beoordeeld binnen het domein van de kunst zelf. Het voldoet aan de artistieke tradities en verwijst en zet zich tegelijkertijd af tegen de daarbinnen heersende codes en regels. En juist dit spanningsveld maakt het volgens Kitty Zijlmans zo boeiend. Behalve de artistieke traditie en de ‘framing’ van het kunstwerk, speelt er nog een criterium mee en dat is kwaliteit. En kwaliteit is een lastig begrip. Het hangt af van de context, traditie en cultuur van een tijd en is niet altijd objectief. Kunstwerken zijn geen neutrale afbeeldingen van de werkelijkheid, maar door tijd, plaats en cultuur bepaalde representaties.

Het gangbare kunstbegrip lijkt momenteel achter te lopen bij de ontwikkeling van de media. Kunstenaars gebruiken tegenwoordig allerlei nieuwe technische snufjes en experimenteren met digitale beeldmanipulatie, computersimulaties en internet, terwijl het kunstbegrip van de meeste nog is gebaseerd op de traditionele kunstvormen, met kenmerken als oorspronkelijkheid, authenticiteit, individualiteit en het handschrift van de meester. Hier zijn we immers mee opgevoed. Wij willen het meesterschap kunnen zien en dat is lastig bij nieuwe media, waarvan de criteria nog niet duidelijk zijn uitgeschreven. Kunst heeft een andere waardering. Van kunst verwachten wij iets anders, een andere werking, een schok, even stil moeten staan, een nieuw inzicht, een bepaalde kwaliteit, een andere ervaring.... Digitaal geproduceerd of niet, deze eigenschappen blijven van belang. De kunstenaar is immers degene die van zijn message meer maakt dan van zijn medium.

26


2.3 Verschil tussen kunst en commercie In deze beeldcultuur ontstaat de vraag, wanneer is iets nou kunst en wanneer is iets nou commercie? Verschillende kunstenaars verdienen hun brood met commerciële doeleinden. Is dat wat ze in opdracht maken dan geen kunst? En kan iemand die commerciële beelden maakt geen kunstenaar zijn? Is er nog een grens tussen deze twee gebieden? Of is deze eigenlijk al verdwenen? In de postmoderne jaren ‘80 en ‘90 werden de verschillen tussen kunst en kitsch, kunst en design en kunst en reclame geminimaliseerd en zelfs opgeheven. Dit had grote consequenties voor de beeldcultuur, waar ineens allerlei soorten afbeeldingen zich gingen opdringen. De beeldtaal van de reclame werd een inspiratiebron voor ‘autonome’ kunstenaars en fotografen. En andersom werd de ‘autonome’ kunst een inspiratiebron voor reclamemakers. Tegenwoordig zijn kunst en cultuur nog steeds populair en krijgen belangstelling van een steeds breder publiek. Tegelijkertijd wordt de cultuur steeds meer ‘gekoloniseerd’ door commercie. Ze wordt een commercieel product. Het meest in het oog springende kenmerk van het postmodernisme is het in twijfel trekken van lang gekoesterde begrippen als waarheid en authenticiteit. In de beeldende kunst resulteert die twijfel vaak in eclecticisme met een flinke dosis ironie. Postmodernisten spelen een spel met citaten uit ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur, die ze met elkaar laten botsen. Er wordt ook gespeeld met verschillende stijl(element)en uit verschillende historische perioden. Daardoor wordt de kenbaarheid van de wereld ter discussie gesteld. Het elitaire karakter van de beeldende kunst werd vanaf toen steeds vaker bekritiseerd. Verschillende kunstenaars hebben zich in hun werk hiertegen verzet. Walter Benjamin geldt wel als één van de meest bekende critici die over de veranderende rol van de beeldende kunst schreef. Hij voorspelde dat door de toenemende mogelijkheden van reproductie, de waarneming en de maatschappelijke functie van het kunstwerk zouden veranderen. Het kunstwerk zou zijn aura verliezen. Het idee van authenticiteit waarmee de kunst van oudsher was omgeven, werd minder belangrijk. De cultus rond kunstbeschouwing zou definitief tot het einde behoren. De postmoderne cultuur wil de oude grens tussen autonome kunst en commerciële massakunst uitwissen. De schaalvergroting zorgt ervoor dat de cultuur het leven van elke dag beïnvloed, maar ook steeds sneller als koopwaar circuleert in een wereldwijde cultuurindustrie. Dit heeft geleid tot een waardering - en in sommige gevallen tot een ontdekking - van de massacultuur. De ideeën van de Franse cultuurfilosoof Pierre Bourdieu zijn interessant volgens René van 10 Erven . In enkele studies analyseert Bourdieu een aantal verschillende ‘culturele praktijken’. René van Erven stelt dit in zijn essay ‘Paradox van de Kunst’ gepubliceerd op het discussieforum www.beeldcultuur.nl in Maart 2004 10

27


Bourdieu noemt de kunstwereld ‘een praktijk waarbij de werkelijke economische krachten worden ontkend’. De hedendaagse economie wordt gekenmerkt door vraag en aanbod. Aanbieders van koopwaar zijn in de regel op zoek naar zoveel mogelijk kopers en maken daarom publiekelijk reclame. De kunsteconomie wordt daarentegen bepaald door ‘de productie van geloof’. Kunst heeft niet een zo groot mogelijke kopersgroep, maar een klein gezelschap van intimi die de kunst op zijn ‘echte’ waarde kan beoordelen. Deze waarde wordt bepaald door de kunstproducent. Het werk van ‘gemusealiseerde kunstenaars’ kan rekenen op een blijvende culturele waardering, maar ook een vaste en hoge commerciële waarde. Daarbij vindt een constant gevecht plaats om culturele erkenning. De door Jameson genoemde ‘vervaging van de oude grens’ tussen hoge en lage cultuur heeft niet geleid tot het verdwijnen ervan. Het postmodernisme in de beeldende kunst, met de vele knipogen naar de massacultuur, resulteert eerder in een reproductie van de grenzen tussen hoge en lage cultuur. Roy Lichtensteins gebruik van afbeeldingen uit stripboeken is immers ook opgenomen in de kunstwereld.

Roy Lichtenstein “No woman has ever changed the face of art history.”

Bourdieu beweert dat er binnen het gebied van de kunst te weinig over de inhoud wordt gediscussieerd. Deze kritiek is onterecht volgens René van Erven. Binnen de kunstwereld vinden op allerlei niveaus inhoudelijke discussies plaats. Zowel in de hoge cultuur als daarbuiten. Het continue gevecht om culturele erkenning in een tijd van een beeldenovervloed, stimuleert de inhoudelijke discussies binnen het gebied van de kunst. Zo blijft kunst iets aparts.

28


3. FotograďŹ e in de Beeldcultuur

29


30


Volgens internetdeskundige Francisco van Jole12 is de ontwikkeling van de belevingscultuur in 1888 in gang gezet, In dit jaar introduceerde George Eastman namelijk de Kodak boxcamera. Hij wilde de fotografie bereikbaar maken voor de gewone consument, maar tot zijn verbazing bleek er weinig interesse te zijn. De camera was makkelijk te gebruiken, maar niemand kon een reden bedenken om er een aan te schaffen. Wat of wie moesten ze fotograferen? Eastman startte hierop een marketingcampagne om het verschijnsel fotoalbum te promoten. Hij bedacht momenten die geschikt waren om vast te leggen voor het nageslacht, zoals kerstfeesten, verjaardagen en vakanties. Het resultaat is bekend: het is een soort van sociale plicht geworden om deze gebeurtenissen te fotograferen. Het fotoalbum als synoniem voor iemands leven leidt er toe dat het leven een aaneenschakeling van belevenissen is. Foto’s zijn het bewijs van een belevenis. Ze bevestigen het eigen bestaan. Hoe meer beleving, hoe rijker het leven. De opkomst van de digitale fotografie versterkt deze opvatting. De financiële beperkingen van het fotograferen worden opgeheven omdat de opnames niets meer kosten. Daarnaast is er meteen resultaat te zien, net als bij een polaroid. Deze techniek vraagt natuurlijk om snapshots. Als je hierbij de mogelijkheid van een digitaal fotoalbum voegt, ontstaat er een soort minisamenvatting van iemands leven. “The urge to have new experiences is translated into the urge to take photographs: experience seeking a crisis-proof form.” (Susan Sontag On Photography 1977) De industrie geeft deze ontwikkeling nog een extra impuls door de digitale camera te combineren met mobiele telefoons. Je maakt onderweg foto’s en stuurt deze direct door vanaf je mobiele telefoon, naar je eigen internetsite. Het is een ultieme manier om je leven als beleving te presenteren. Tekst is geheel overbodig. Of deze trend zich nog lang zal voortzetten is de vraag, maar het geeft wel aan dat er behoefte is aan nog meer belevenissen in nog minder tijd. We gaan door het leven als een stel Japanse toeristen, die voortdurend bezig zijn met het vastleggen van belevenissen. Zo blijft er weinig aandacht over voor het leven zelf. “Visual culture does not depend on pictures themselves, but the modern tendency to picture or visualize existence.” (Nicholas Mirzoeff An introduction to visual culture 1999) 12

Hij beweert dit in zijn essay ‘De scriptloze samenleving’ in Experience de catalogus van de Foto Biënnale Rotterdam 2003

31


3.1 Fotografie in de kunst Als gevolg van de beeldcultuur, staat de kunstfotografie onder druk. Doordat er zoveel variatie aan beeld is, interesseert men zich niet meer alleen voor de zaligmakende klassieke fotografie, die vroeger tot de kunstcollecties behoorde. Toch is er behoefte aan kunstfotografie, dat blijkt uit de grote hoeveelheden fotografie in de musea en aan de speciale musea die (vooral de laatste tijd) voor fotografie worden opgericht. Waarom willen fotografen benoemd worden tot kunstenaars? Is het plaatsen van fotografie in musea een manier om foto’s te onderscheiden van de dagelijkse beeldenvloed? Wordt op deze manier toch nog onderscheid gemaakt tussen ‘professionele’ fotografie en ‘amateur’ fotografie? Denken fotografen door hun foto’s te benoemen tot kunst, een hogere waardering te krijgen? En wanneer is fotografie dan wél en wanneer is het geen kunst? Veel fotografen werken tegenwoordig graag voor bladen om zo via internet een massale verspreiding van hun fotobeelden te bereiken. Kunst kun je namelijk ook in de vorm van bijvoorbeeld mode maken. Internet is daarom een belangrijk podium voor fotografen om hun werk aan de wereld te laten zien. In de musea zie je dan ook allerlei soorten fotografie hangen, van reclamefotografie tot documentaire fotografie, van modefotografie tot persfotografie. Vaak gaat het ook niet meer alleen om de esthetische uitstraling van een foto, maar om wat er op de foto te zien is. Het onderwerp van een foto is dus belangrijk geworden. Een voorbeeld hiervan zijn de foto’s van Ari Versluis en Elli Uytenbroek die in een serie van 12, verschillende modetrends onder jongeren en ouderen laten zien. Ari Versluis en Elli Uytenbroek Exactidudes

Een belangrijke oorzaak van de behoefte om fotografie tot kunst te rekenen, is denk ik te vinden in de maatschappelijke waardering voor fotografie en film. Deze twee media hebben in Nederland lange tijd een gevecht moeten voeren voor hun erkenning als vorm van beeldende kunst. En toen dat eenmaal gebeurde lag ook meteen vast onder welke voorwaarden dit tot

32


beeldende kunst kon worden gerekend; namelijk alleen de films en fotografie waarin een ‘esthetische’ behandeling van ritme en lichtval te zien was, zoals de bovengenoemde klassieke foto’s. Fotografen hoeven zich tegenwoordig dus niet meer zozeer bezig te houden met het maken van ‘kunst’. Een mooie modefoto, of een geslaagde foto uit de krant kan ook in een museum komen te hangen. Maar de foto’s zullen hoe dan ook meer aandacht krijgen als ze in een museum als kunst tentoongesteld worden. Kunst is iets bijzonders, kunst heeft een status. Een foto wordt in een museum uit zijn oorspronkelijke context getrokken en krijgt bijzondere aandacht. Zo is het niet meer een opvallend beeld in bijvoorbeeld een modeblad of in een krant, maar een kunstwerk. Wat voor soort fotograaf je ook bent, als je goede beelden maakt kun je dus eveneens een kunstenaar zijn. Dit is volgens mij de reden waarom fotografen hun werk graag in een museum tentoonstellen.

3.2 Amateurfotografie en beeldcultuur Een opvallend verschijnsel wat zich voordoet in de digitale fotografie wereld is de toestroom van amateurkiekjes. Wat er ook gebeurt, er is altijd wel iemand in de buurt die het vast kan leggen. Eén op de drie Nederlanders heeft een digitale camera en met steeds meer mobiele telefoons kunnen foto’s worden gemaakt. Als er iets gebeurt zie je meteen een hoop mensen hun mobiel in de lucht steken om een foto van het voorval te maken. Een voorbeeld hiervan is de treinramp in Amsterdam in 2004, waar passagiers digitale foto’s maakten nog voor de schermen werden opgezet om de slachtoffers uit beeld te houden. Dit is vooral voor de fotojournalistiek een bedreiging. Fotograaf zijn is een open beroep geworden, iedereen kan zich tegenwoordig fotograaf noemen. Zo werd er op 22 augustus 2004 in de Noorse hoofdstad Oslo een kunstroof vastgelegd door een amateur. Deze was toevallig in de buurt van de auto, waarmee de dieven zich uit de voeten wilden maken. kunstroof Oslo

Op de foto zie je een hoop overbodige details (zoals een prullenbak, verkeersborden), maar je ziet ook 2 mannen lopen met ingelijste werken en een derde man die de achterklep van de auto open doet. Het is een foto die professionele nieuwsfotografen niet gauw zullen maken. Deze zouden een ‘goede’ foto maken, die scherper van beeld is en zonder overbodige elementen.

33


Dit is een voorbeeld uit een groeiend aantal fotografen dat geschiedenis gaat schrijven, namelijk de amateurs. De vliegtuigspotters bestonden al langer, zij legden incidenteel een vliegramp vast. Sinds kort hebben we dus ook treinreizigers die na hun ongeluk de gecrashte wagons fotograferen en als hoogtepunt waren er natuurlijk de honderden bewijzen van het Amerikaanse wangedrag in de Iraakse Abu Ghraib gevangenis. Deze foto’s verschenen eerst in een digitaal fotoalbum op internet, van een teruggekeerde Amerikaanse soldaat. Toen deze foto’s ontdekt werden door de pers en gepubliceerd werden, werd dit natuurlijk een schandaal. Deze amateurfoto’s gaan vervolgens de archieven in, maar ook in de mappen met historische momenten. De kracht van deze beelden is flink toegenomen door de onbegrensde toegankelijkheid van het internet en door de snelheid van de digitale fotografie.

Amateurbeelden gemaakt in de Abu Ghraib gevangenis in Irak

Het meest recente voorbeeld is de foto die in de Telegraaf werd geplaatst na de moord op Theo van Gogh. De foto werd door een voorbijganger gemaakt met zijn mobieltje. Op deze foto is het lijk van van Gogh te zien waar het mes nog in vast steekt. Maar door een amateur gemaakt of niet, de Telegraaf was deze dag wel de meest verkochte krant. Hieruit blijkt dat de lezer kiest voor de sensatie van wat er op de foto staat afgebeeld en niet voor de kwaliteit van de foto, die in dit geval te wensen over laat. Amateurbeelden duiken dus meer en meer op in de media. Ze laten de lezer of kijker meestal spectaculaire gebeurtenissen zien die ze anders niet zouden zien. En zijn daardoor ook realistischer

34


en geloofwaardiger. Maar ze roepen ook vaak vragen op. “Het is geen toeval dat er meer amateurbeelden opduiken in de media”, zegt professor Luc Pauwels13. “Ook op het Internet zie je meer websites verschijnen met eigen beelden. De grens tussen het private en het publieke wordt doorbroken. Het toont ook aan dat het de wens is van de massa om meer het publieke forum te gebruiken. Nieuwsbeelden van amateurs gaan daar nog een stapje verder in: ze worden zelf een beetje journalist.’’ Anton Groothuis stond op een dag in mei 2000 met zijn camera op het balkon van zijn Enschedese woning toen hij een zware explosie zag. Zijn snel gemaakte foto van de vuurwerkramp, waarop achter een flatgebouw enorme rookwolken zijn te zien, haalde diverse kranten. Deze foto werd gepubliceerd in De Telegraaf, de dag na de moord op Theo van Gogh

Wat moet de journalistiek met die ontwikkeling? Het ANP heeft besloten erin mee te gaan. Ze hebben een overeenkomst gesloten met www.nu.nl om foto’s te gebruiken die bezoekers van de nieuwssite kunnen opsturen als ze denken dat ze iets bijzonders hebben gemaakt met hun digitale camera. Amateurs van wie de foto door het ANP wordt opgepikt, krijgen een beloning van 65 euro. ‘Meer dan vroeger kunnen passanten nieuwsfoto’s maken ‘, zegt Leo Blom, chef van de fotoredactie van het ANP. De samenwerking met Nu.nl is een proef van enkele maanden. ‘Er moet wel een paar keer een echt succes zijn geboekt, willen we hiermee verder gaan.’ Grote concurrentie dus door de opkomst van de amateurfotografie. Dit is iets waar professionele fotografen, en vooral persfotografen mee moeten leren omgaan. Volgens Hans Aarsman (fotograaf) is het gevolg hiervan dat professionele persfotografen zich nu meer en meer gaan richten op esthetiek in hun foto’s. Hij ziet als een aanduiding hiervan dat World Press Photo zijn laatste winnaar author noemde in plaats photographer. Gelukkig voor de persfotografen zijn amateurkiekjes die écht iets te betekenen hebben vaak incidenteel. 13

Luc Pauwels doceert beeldcultuur aan de universiteit van Antwerpen.

35


Maar door de opkomst van dit soort nieuwe media als digitale camera’s en telefooncamera’s komen de grenzen tussen professionele fotografie en amateurfotografie vooral binnen de journalistiek onder druk te staan. Door de straks overweldigende aanwezigheid van mobiele camera’s kunnen straks bijvoorbeeld misdadigers makkelijker op heterdaad worden betrapt, zoals in Oslo is gebeurd. Ook kunnen zo de meest gruwelijke details van een gebeurtenis worden weergegeven, die persfotografen uit ethische overwegingen niet zullen maken, zoals bij de moord op Theo van Gogh. Mensen zullen vaker hun getuigenis vast kunnen leggen. Dit is een groot voordeel voor de misdaadbestrijding. Niet alleen zullen gebeurtenissen nog vaker vastgelegd worden, maar ze kunnen ook snel verspreid worden via het internet. Dit zal ook deel van de privacyrechten aantasten, vooral van misdadigers. Deze zullen dan met foto en al op het internet verschijnen. Al met al zal deze ontwikkeling de beeldcultuur weer een stapje verder helpen: Nóg meer opvallende beelden van ‘schokkende’ gebeurtenissen met een nóg snellere verspreiding hiervan. Dit wordt smullen voor de sensatiebeluste maatschappij.

3.3 ‘Permanent Food’. Tijdschriften en beeldcultuur Tegenwoordig komen er steeds meer tijdschriften op de markt die alleen maar uit beelden bestaan. Deze tijdschriften geven een beeld van de tijd waarin wij leven. Je hoeft niet meer te lezen, alleen nog maar lekker te kijken, zoals bij een ouderwets prentenboek. Ondertussen kun je je fantasie de vrije loop laten. Voorbeelden van deze tijdschriften zijn Purple, TANK, More Food, Permanent Food, sec, Wish u where here xxx, Commons & Sense, enz. Deze zijn typerend voor de ontwikkeling van de beeldcultuur. Ze bieden alleen nog maar beeld, beeld en nog eens beeld. Je hoeft niet meer op zoek naar enige samenhang of betekenis in de klassieke vorm. Je kunt naar een beeldenstroom kijken zonder te interpreteren. Je kunt kijken zonder het zien. De eerste die hiermee begonnen is, is Ed van der Elsken. In zijn boekje Hallo uit 1978 heeft hij beelden uit zijn eigen archief met elkaar gecombineerd. Een nieuw concept dat toen het uitkwam niet werd begrepen, maar inmiddels erkend wordt als een belangrijke inspiratiebron voor een aantal hedendaagse fotografen. Ed zette steeds twee foto’s naast elkaar die een associatieve relatie met elkaar hebben, afgewisseld met enkele foto’s over een dubbele pagina. Een geestig, ontroerend en verrassend boekje, waar de kijker zijn eigen invulling aan kan geven. Hallo werd in de tijd dat het werd uitgegeven (1978) niet als een volwaardig boek van Ed van der Elsken gezien, maar als iets wat hij tussendoor heeft gemaakt. Het is een beetje in de vergetelheid geraakt. Opvallend is dat er nu met hetzelfde concept door tijdschriften als ‘Permanent

36


Food’ wordt gewerkt met bestaande beelden. ‘Permanent Food’ wordt samengesteld door de Italiaanse kunstenaars Maurizio Cattalan en Dominique Gonzales-Foerster, en bestaat alleen uit beelden. De beelden in het boek worden vaak geselecteerd op een bepaald thema, zoals bijvoorbeeld het thema ‘filmsterren’, Met dit onderwerp in gedachten wordt het boek in elkaar gezet. Een verzameling van alleen maar beelden die iets met het onderwerp te maken hebben. Soms zijn het dezelfde ‘soort’ beelden, dus bijvoorbeeld alleen krantenknipsels, wat het heel collageachtig maakt. Een andere keer worden totaal verschillende beelden met een verschillende komaf, dus bijvoorbeeld film-stills, modefoto’s, reclamebeelden en illustraties met elkaar gecombineerd.

De beelden in Permanent Food, bestaan uit tijdschriftpagina’s van over de hele wereld, die Cattalan en Gonzales-Foerster per post ontvangen. Zij vragen kunstenaars afbeeldingen in te sturen die hen fascineren. Op die manier krijgen foto’s uit allerlei tijdschriften en folders en soms ook eigenhandig gemaakte tekeningen een tweede leven in Permanent Food, dat zo weer fungeert als inspirerende beeldverzameling voor anderen. ‘Er is al zoveel, waarom alsmaar meer maken?’ vinden zij. ‘Waarom zou je in onze wereld van veel-meer-meest alsmaar nieuwe dingen blijven produceren?’ Het magazine gaat in op deze ontwikkelingen en bekijkt het fenomeen hergebruik van verschillende kanten. Zo ontstaan als vanzelf dwarsverbanden. En hyperlinks natuurlijk. ‘Wat is het verschil met het huidige hergebruik ten opzichte van het aloude ‘je laten inspireren door?’ vinden zij. ‘Wat is er nu anders dan vroeger, toen architecten ook keer op keer met variaties op de Palladiaanse villa op de proppen kwamen? Collages zijn van alle tijden: de San Marco in Venetië is van stukjes originele Griekse en Romeinse resten in elkaar gepuzzeld. Hergebruik is doodgewoon.’ aldus Cattelan en Gonzales-Foerster.

37


Het frequente hergebruik wat tegenwoordig veel gebruikt wordt is mede een gevolg van massareproduktiemiddelen zoals het kopieerapparaat en de computer en van het postmoderne denken, dat in feite pas nu echt goed in onze cultuur geworteld begint te raken. Het postmodernisme , dat in de loop van de jaren tachtig opkwam, maakte een eind aan het streven naar nieuw-nieuwernieuwst-denken, de obsessie van de avant-garde van deze eeuw. Sindsdien is onze blik op de werkelijkheid veranderd. Schilder Rob Scholte schopte nog tegen zere schenen door ‘reproductie verplicht’ te roepen en in zijn schilderijen naar hartelust te kopiëren. Een beetje zoals door de Amerikaanse Jeff Koons werd gedaan.

Rob Scholte ‘Mondriaan revisited’ en ‘copyright’

Toch worden filosofen als Walter Benjamin en Paul Virilio, die beweerden dat er niets gaat boven een origineel en solide (kunst)werk, dat de zogenaamde reproductiemedia (fotografie, film, video en nieuwe media) slechts producten leveren die zich op een vluchtige en oppervlakkige manier tot de werkelijkheid verhouden, worden ook nu nog altijd te pas en te onpas geciteerd. Maar onze waarneming is al veranderd. Hergebruik en reproductie zijn doodgewoon, ook om originele creaties mee te maken. Het verlangen om ‘met andere ogen te kijken’ en ‘met andere oren te luisteren’ naar reeds bekende zaken, speelt een belangrijke rol bij het maken van deze tijdschriften.

38


4. Eigen ervaring met de Beeldcultuur

39


40


4.1 Welke beelden blijven er bij mij hangen? Zoals ik aan het begin van mijn scriptie heb beschreven, kun je natuurlijk lang niet alle beelden onthouden die je op één dag tegenkomt. Van alle beelden die ik die dag gezien heb, zijn er een paar blijven hangen. Ik vraag me af waarom ik nou juist deze beelden heb onthouden. Komt het omdat ik ze overal zie en er eigenlijk niet meer omheen kan? Heeft het met een persoonlijke interesse in het onderwerp te maken? Zit er humor in het beeld? En waarom blijven sommige beelden bij meer mensen hangen en wordt er over gesproken? Zit er dan iets universeels in het beeld, wat bij ieder mens iets oproept? Of is het beeld gewoon zo bijzonder, zo uniek dat het opvalt omdat niemand zoiets ooit heeft gezien? Ik heb geprobeerd te analyseren waarom bepaalde beelden mij zijn bijgebleven. Om te beginnen deze foto uit de krant: Deze foto viel me op, omdat het een beeld is wat je niet dagelijks in een krant ziet. Het is een vrolijke foto met veel kleur en straalt iets positiefs uit. Ook zit er een esthetisch mooi perspectief in de foto. De bomvolle trein met mensen ziet er daarentegen niet echt comfortabel uit en het lijkt alsof hij het ieder moment gaat begeven. Ook heeft de trein iets weg van een transporttrein uit de tweede wereldoorlog, waarmee ze joden vervoerden omdat hij zo volgepropt zit. Toch zijn de mensen die op de foto staan allemaal vrolijk aan het zwaaien, alsof ze verlost zijn van een gevangenschap. Het is dus een beetje een tegenstrijdig beeld, wat het voor mij interessant maakt. Vervolgens bleef het affiche van het nationaal ballet bij mij hangen. Ik heb zelf veel aan klassiek ballet gedaan vroeger en ik vind het nog steeds heel erg mooi om te zien. Ik vind het heel sierlijk en het heeft ook iets nostalgisch, als iets wat niet meer bestaat, niet meer van deze tijd is. Ook straalt het een bepaalde rust uit. Ik heb er een tijdje naar zitten kijken. Deze poster is mij dus bijgebleven vanuit een

41


fascinatie voor hetgeen wat er werd afgebeeld. De C&A affiches zijn mij bijgebleven omdat ik ze zo vaak tegen ben gekomen. Weliswaar telkens een andere variant, maar toch vielen ze me iedere keer op. Misschien was het nog erger geweest als ik een man was, want de vrouwen staan er sexy op en dat voor een reclame voor het degelijke

merk C&A! C&A is dus duidelijk bezig hun stoffige imago op te vijzelen. Ook vallen ze op door het rode in de achtergrond, waaraan je ze meteen weer herkend als een C&A affiche. De affiches bleven hangen door de herhaling. Overal waar je kwam zag je telkens weer dat affiche, maar dan nét iets anders. Doordat je deze zo vaak ziet worden ze onthouden. In de Rails staan ook altijd interessante beelden, die mijn aandacht trekken: Dit beeld, dat komt uit een modeserie van een vrouw op een vreemde plek waar ze zich absoluut niet op haar gemak voelt en gespannen om zich heen kijkt, heeft iets afwijkends, iets mysterieus en ook wel kunstzinnigs. Het zijn beelden die je niet dagelijks tegenkomt, die je ook niet zo snel zou verwachten als je een tijdschrift in een trein openslaat. Je verwacht denk ik niet zulke enge beelden. Je verwacht minder ‘zware’ beelden. Toch zijn deze beelden niet alleen

42


zwaar, maar ze hebben ook iets esthetisch. De tweede serie van twee vechtende vrouwen in het water vond ik opvallend door het onderwerp. Ook het heldere, contrastrijke zwart-witbeeld spreekt me aan. Eerst denk je dat het gaat om 2 vrouwen die lol hebben in het water, maar als je goed kijkt zie je aan hun gezichtsuitdrukkingen dat ze ruzie hebben. Een niet alledaagse serie, die opvalt door de thematiek en de vormgeving. Ook heeft het wel een beetje humor. Waarom beeld je in godsnaam een serie over vechtende vrouwen af? Zoals het affiche van het nationaal ballet me opviel, zo worden er heel veel posters gemaakt. Deze kom je overal tegen. Bij mij viel het op door een persoonlijke voorkeur voor hetgeen wat er op werd afgebeeld. Maar wat zijn nou affiches die bij iedereen opvallen? Iemand die opvallende affiches maakt is grafisch ontwerper Anthon Beeke. Hij drukt al decennia zijn stempel op het vormgeven in Nederland. Hij ontwierp affiches voor onder andere Toneelgroep Amsterdam en het Stedelijk Museum. Ook ontwierp hij boekomslagen en heeft hij bladen vormgegeven zoals het culturele magazine Hollands Diep, Forum, Quote en Partner. Op deze manier heeft hij zich kunnen opwerken tot één van de meest gevraagde ontwerpers van Nederland. In het boek ‘Affiches van Anthon Beeke, verteld aan Pieter Brattinga14’, expliceert Anthon Beeke hoe hij tot zijn ontwerpen is gekomen en wat de achterliggende gedachte van het affiche is. Een affiche moet volgens hem aantrekkelijk zijn. De afbeelding moet dusdanig groot en uitdagend zijn dat men al vanaf een behoorlijke afstand uitgenodigd wordt om het affiche nog beter te bekijken en eventueel te lezen. Per slot van rekening wil men dat de illustratie prikkelt om tot aanschaf over te Pieter Brattinga is redacteur en artdirector van de Kwadraat-Bladen. Het boek ‘Affiches van Anthon Beeke, verteld aan Pieter Brattinga’ is het verslag van een interview met Anthon Beeke.

14

43


gaan van het aangebodene: het entreekaartje. ‘Affiches’, zegt ontwerper Anthon Beeke in 2002, ‘zijn een van de weinige dingen uit de cultuur met een grote C die op straat komen. Ze vormen een stukje fantasie op straat.’ Vele affiches van Anthon Beeke hebben nogal eens voor opschudding gezorgd als ze geplaatst werden. Een voorbeeld hiervan is zijn ontwerp voor de Toneelgroep Globe, van het stuk ‘Troilus en Cressida’ uit 1980. Hieronder legt hij uit waarom hij het affiche op deze manier heeft gemaakt. ‘Troilus en Cressida’ is een deel uit Shakespeares cyclus over de Trojaanse oorlog, verteld Beeke. Cressida en Helena zijn gevangenen van het Griekse en het Trojaanse leger. ‘De Grieken gaan naar Troje om Helena – ‘de mooiste vrouw van Griekenland’ - te bevrijden, maar deze wordt als een hoer gebruikt. Deze vrouwen laten zich ook als hoer gebruiken omdat ze geen andere keuze hebben, om te overleven moeten ze hun lichaam aanbieden. Het is het eeuwenoude beeld van de vrouw: vaak hebben ze niet meer dan hun lichaam, omdat hun andere kwaliteiten niet of nauwelijks worden bekeken en aanvaard door mannen. Maar Helena had behalve haar lichaam nog een andere mogelijkheid: ze kon verkeerde informatie geven over de Grieken.’ Dat is waar Anthon Beeke het metafoor van het Paard van Troje in zag. ‘Wellicht wás zij het Paard van Troje, maar zeker voor mij is ze het symbool daarvan.’ Dit affiche heeft hij gemaakt in de periode dat de vrouwenbeweging erg actief was en daar heeft hij ontzettend veel last van gehad. Vrouwen vonden dat het affiche helemaal niet kon. Maar Anthon Beeke vond dat het juist hét affiche voor de vrouwenbeweging van die tijd was, die altijd stelde dat ze allemaal maar ‘voor hun kont gebruikt werden, als enig recht het aanrecht hebben, dat het bed er is om kinderen te baren’ en dat ze er verder niet aan te pas kwamen. Dit is volgens hem een cliché, maar schandalig genoeg vaak waar. “Maar als dat in beeld gebracht wordt, breekt de pleuris uit, zeker als het door een man gedaan wordt,” aldus Beeke Zodra dit beeld als affiche naar buiten gebracht werd, riep men: ‘Schandalig, zoiets kunnen we op straat niet verdragen.’ Door de actrices werden er rode stickers op geplakt. Hierop heeft Anthon Beeke zeer verontwaardigd gereageerd, omdat hij vond dat het daardoor pornografie werd, en hij daar helemaal niet mee bezig was. De discussie over dit affiche ging eindeloos door en iedere keer werden dezelfde vragen gesteld. Zo heeft men er moeite mee dat de vrouw in riemen zit, dat vinden ze vernederend. Anthon Beeke: ‘Maar de riem is de klem van de samenleving die om haar heen zit. Dat is vernederend, maar dat willen ze niet zien. In wezen is het dus het beeld dat ze zelf beschrijven, maar dat hen tureluurs maakt als ze het zien.’ Anthon Beeke heeft dus enorm geprovoceerd met dit affiche. Zijn affiches zijn in opspraak. Op deze manier is er veel discussie ontstaan, maar wordt wel telkens zijn naam genoemd. Vaak zijn Beekes affiches nogal mysterieus en een beetje hysterisch of gestoord, wat het interessant maakt. Opvallend is dat Anthon Beeke in zijn affiches veel gebruik maakt van naakt. Dit is denk ik vaak ook een manier

44


om te provoceren, vooral door de manier waarop hij het gebruikt. In zijn affiches wil hij een metafoor laten zien van wat er wordt aangekondigd, vooral bij affiches voor theater. Dat is wat het ontwerpen van theateraffiches volgens hem ook zo interessant maakt. Hij wil een boodschap brengen aan de dominante stadscultuur. Als je eenmaal naar de aangekondigde voorstelling bent geweest en je bekijkt nogmaals het affiche, dan wordt je pas duidelijk wat voor statement Anton Beeke met zijn affiche maakt. Hoe val je nog op tussen al die honderden affiches en graffiti in de stad? Dat is de uitdaging die Beeke iedere keer weer aangaat.

4.2 Hoe kijk ik als fotograaf tegen de beeldcultuur aan? Door de huidige beeldcultuur en mijzelf als beginnend fotograaf, ga je toch bij jezelf afvragen wat voor een invloed de enorme beeldenvloed nou op mij heeft. Een korte analyse van de beelden die me op één dag bijblijven is hierboven al aangeduid. Je onthoudt ze door een persoonlijke interesse, een herhaling of een bijzonderheid van het beeld. De vraag is hoe lang die beelden dan ook werkelijk blijven hangen. Ben ik ze binnen een paar weken alweer vergeten? Of worden ze opgeslagen in mijn onderbewustzijn en komen ze af en toe in fracties van herinneringen aan de oppervlakte drijven? Ik denk dat het laatste het geval is. Vaak heb ik een foto gemaakt, en die doet me dan achteraf aan een foto denken die ik al eerder heb gezien. Ik denk dus dat de beeldenvloed voor een groot een inspiratie voor mij is. Wel denk ik dat ik behoor tot de generatie met een ‘mediafilter’ in het hoofd. Ik pik alleen de beelden eruit die mij boeien, die iets bij mij oproepen. Dit kunnen verschillende emoties zijn. De ene keer vind ik het beeld mooi of ontroerend, een andere keer roept het een herinnering op en soms is het simpelweg de humor in het beeld wat me aanspreekt. Als ik tijdschriften of een krant lees en bekijk ga ik op een zelfde manier te werk. Ik ‘scan’ de beelden die erin staan. Als ze me aanspreken, knip ik ze vaak uit om een archief aan te leggen van beelden die ik interessant vind, zodat ze misschien nog ooit als inspiratie kunnen dienen. Ik hou van kijken, ik hou van beeld. Wat dat betreft vind ik het ook niet erg om ondergedompeld te worden in beeld. Zo vind ik het eerder beschreven tijdschrift ‘Permanent Food’ ook een inspirerend blad. Altijd als ik er doorheen blader krijg ik kriebels om zelf ook beelden te maken. Niet alleen raak ik geïnspireerd door tijdschriften, eigenlijk van alle soorten beelden, maar met name van foto’s. Ik bekijk graag websites van andere fotografen maar ook naar foto’s van medestudenten. Ik vind het mooi om te zien wat een verschillende kijk iedereen op dingen heeft. Susan Sontag heeft in haar boek On Photography al in 1977 mooi omschreven waarom wij nooit genoeg krijgen van beeld: “As we make images and consume them, we need still more images; and still more. But images are not a treasure for which the world must be ransacked; they are precisely what is at hand wherever the eye falls. The possession of a camera can inspire something akin to lust. And like all credible forms of lust, it cannot

45


be satisfied: first, because the possibilities of photography are infinite; and, second, because the project is finally self-devouring.” Een nadeel van de huidige beeldcultuur vind ik dat je het idee krijgt dat alles al een keer gedaan is. Dat we alles al een keer gezien hebben. Er is zoveel beeld, hoe kan iemand anders het nog niet gedaan hebben? Maar aan de andere kant denk ik ook dat dit niet zo is. Iedere fotograaf doet het toch weer op zijn eigen manier, en ieder onderwerp is in een andere tijd, op een andere plaats toch weer anders. Heel vaak is het zo dat een fotograaf geïnspireerd is door zijn voorgangers, maar als je hetzelfde bijvoorbeeld 10 jaar later zou doen, ziet het er toch weer anders uit, omdat het een heel ander tijdsbeeld is. Rineke Dijkstra heeft bijvoorbeeld veel gekeken naar August Sander en is door hem geïnspireerd. Toch zien haar foto’s er heel anders uit. August Sander Country girls

Om op te vallen in de beeldcultuur begin ik het idee te krijgen dat je er óf heel erg in mee moet gaan, door behendig allerlei soorten nieuwe media samen met je fotografie te gebruiken, óf je moet juist het tegenovergestelde doen door een foto te maken die een esthetische rust en kracht uitstraalt, zodat hij op zichzelf al genoeg opvalt. Aan het eind van mijn onderzoek zal blijken of dit klopt. Het zijn wel twee totaal verschillende strategieën, waar je als fotograaf een keuze tussen zal moeten maken en waar ik me in de toekomst ook mee bezig zal moeten houden.

46


4.3 Hoe gaan hedendaagse fotografen om met de huidige beeldcultuur? Nu ik bij mezelf heb geanalyseerd hoe ik als beginnend fotograaf met de beeldcultuur omga, werd ik nieuwsgierig hoe hedendaagse fotografen, die eveneens midden in de beeldcultuur zitten ermee omgaan en wat ze er van vinden. Om op deze vraag een antwoord te kunnen geven heb ik enkele fotografen een vragenlijst gestuurd, om te kunnen inventariseren hoe zij er over denken. Uit de antwoorden die ik van hen heb gekregen heb ik een selectie gemaakt van de meest opvallende uitspraken die zij deden omtrent de vraagstelling. Wat merkt u van de enorme hedendaagse beeldenvloed? Bas de Meijer: “Overal verschijnt beeld. En heel veel mensen zijn met beeld bezig. Kijk om je heen en je ziet mensen met hun GSM in de lucht om ergens een foto van te maken. En overal waar je kijkt zie je wel een poster of iets met een beeld erop. En op internet word je doodgegooid met fotologs. Meestal van belabberde kwaliteit overigens, want het gaat de maker lang niet altijd om kwaliteit, maar om het puur vastleggen van een herinnering.” John Lambrichts: “Ik word er moe van. Sla steeds minder een krant of tijdschrift open. Ik geloof het allemaal wel. De media zijn bijna allemaal de weg kwijt.” Melanie Rijkers: “Overdonderend! Dat men mij nog kan vinden en kiest (als opdrachtgever) ..!” Robbert Maas: “De grote hoeveelheid beeldmateriaal is de oorzaak van een zeer snel breder wordende markt. De prijzen voor digitale fotografie dalen met de dag. Zowel camera’s, computerprogramma’s als afdrukken worden steeds goedkoper. Iedereen kan tegenwoordig goedkoop zijn eigen beeldmateriaal vergaren. Gelukkig voor ons heeft niet iedereen kijk op een goede foto en daar onderscheiden we ons dan nog in.” Jeanette Bos: “Als ik je wil vertellen wat ik merk van de enorme beeldenvloed, moet ik al een keuze maken waar ik het over wil hebben en kan ik je dus maar een klein stukje vertellen van wat ik er van merk. Ik zal beginnen met wat me het meest treft aan de toegenomen beeldenvloed, en dat is de commercie. Beelden zijn meestal niet (meer) bedoeld om te informeren of te vermaken maar om te verleiden, wat een mooi woord is voor manipuleren, geld uit de zak kloppen. Zelfs politieke beelden

47


hebben die functie gekregen, want politiek is ook business geworden. Het principiële verschil tussen de regering Bush en de maffia is niet zo groot meer. Beelden zijn “embedded” geraakt, en niet alleen in Irak. Kijk om je heen, kijk tv, tel eens gedurende vijf minuten de beelden die je ziet, als dat al mogelijk is, en tel dan hoeveel daarvan een directe of indirecte commerciële intentie hebben. Ik schat 98%. Minstens. Niet alleen de journalistiek is embedded geraakt, maar de hele cultuur. Een recente ontwikkeling is het oprukkende beeldscherm in semi-openbare ruimten. In wachtkamers van artsen, ziekenhuizen, sociale diensten, in trams en op andere plekken vind je beeldschermen die vaak nog wel wat ogenschijnlijk nuttige of relevante informatie geven (in de ARBO-wachtkamer: hoe voorkom je RSI) maar die met hun duidelijke huisstijlen en logo’s al vooruitlopen op verdere commercialisering, wat ook logisch is, want ook die semi-openbare ruimten behoren bij instellingen die geprivatiseerd zijn of worden, en die dus ook commerciële belangen hebben. Veel beeldschermen vertonen ook al expliciete reclame. Die beeldschermen zijn bijzonder indringend als de beelden flitsend bewegen en zeker als er ook geluid bij komt. De muzak heeft een beeldpendant gekregen en het zal niet lang meer duren voor die twee definitief fuseren tot een krachtig reclamekanaal dat onontkoombaar bombardement op onze zintuigen uitvoert en ons permanent probeert op te geilen: “Koop! Koop! Koop! Dit is lekker glad!” Dat het beeld zo sterk ingebed is geraakt in de commercie, heeft duidelijke consequenties voor de aard van beelden. En voor de contemporaine kunstopvattingen en museale praktijken.” Ziet u dit als een beperking of een verhindering voor uw werk? Bas de Meijer: “Nee. Hoewel het lastiger is om je foto’s te slijten. Waar ik meer last van heb is dat veel opdrachtgevers (met name bladen) denken dat iedereen met een digitale camera ineens kan fotograferen.” Peter Verduin: “Eerder als inspiratie” Eljee Bergwerff: “Het houdt je scherp. Je moet alles er in stoppen om goed of opvallend beeld te maken.” Richard Hulsshof: “De verlaging van normen in kwaliteit is een commerciële hindernis voor de goede vakfotograaf die reële prijzen rekent. Daar liggen wel kansen, maar die zijn denk ik minder als de drempel / vervlakking die het oplevert.”

48


Wordt uw manier van kijken en denken erdoor beïnvloed? Eljee Bergwerff: “Jazeker, het is je referentiekader. Wat maken anderen, waarom enz, zijn belangrijke vragen voor me. Ook om na te gaan waarom je zelf beeld maakt zoals je het maakt.” Frank Muller: “Ja, ik moet me onderscheiden. Dat doe ik door kwaliteit te leveren tegenover alle digitale troep die door bladen tegenwoordig zelf wordt gefotografeerd. Ik maak foto’s BEWUST. Niet een plaatje, maar een FOTO. Een journalist die met een camera op pad wordt gestuurd kan wel schrijven maar hoeft niet ook te kunnen fotograferen. Ik moet steeds weer bewijzen dat ik meerwaarde kan leveren ten opzichte van een goedkopere foto.” Marie Cécile Thijs: “Ik blijf altijd kijken. Er wordt veel opgeslagen in bewustzijn en onderbewustzijn. Dat is prettig, komt ooit wel weer van pas.” Richard Hulshof: “Ja, je gaat eerder commercieel denken en bent ook sneller bereid water bij de wijn te doen wat weer een creatieve remming is.” Catrien Ariëns: “Ja, dat denk ik wel, maar dat is wel o.k.. Ik kan me bijvoorbeeld niet meer voorstellen in zwart-wit te fotograferen.” Gaat u hierdoor op een andere manier fotograferen? Bas de Meijer: “Ik maak wel gebruik van beelden om weer een foto te maken, een poster op de achtergrond kan weer een apart effect opleveren. En ik laat me ook wel inspireren door beeld van anderen” Jeanette Bos: “Mhwah, dat kun je eigenlijk nooit weten want je kunt je onbewuste invloeden niet zo maar analyseren. Ik probeer heel sterk mijn eigen gang te gaan en mijn eigen keuzes te maken op inhoudelijke gronden” Frank Muller: “Ja, in ieder geval bewuster. Ik probeer gewoon goede kwaliteit te leveren. Niet extreem, vervreemdend of `vrij`. Ik sta in dienst van het blad waarvoor ik díe specifieke opdracht maak. Ik moet me dus conformeren aan de stijl van dat blad en daarbij mijn eigenheid en mijn stijl tonen.” Hans-Peter van Velthoven: “Nee….hooguit een techniek jatten of je raakt geïnspireerd. (ook al is het mega slecht wat je ziet).” Marcel Minnée: “Dat denk ik niet, het is het beste je gevoel voor beeld en je werkwijze niet te veranderen, in je eigenzinnigheid schuilt je grote kracht.”

49


Denkt u dat alles al een keer gedaan is, dat we alles al een keer gezien hebben? Rob Philip: “Ja en nee, Alles is al wel een keer gedaan maar met mooie is dat we er elke keer op een andere manier naar kijken.” Jeanette Bos: “Het probleem is eerder dat we ons het nieuwe en ongeziene nooit echt voor kunnen stellen. Iedereen is voor zichzelf bezig een stapje verder te komen, plus de techniek staat bepaald niet stil. In de loop der tijd leidt dat dus gegarandeerd tot dingen die we nog niet gezien hebben. Daar zullen trouwens waardevolle (beelden die ons aan het denken zetten) en waardeloze (beelden die ons aan het kopen zetten) ontwikkelingen bij zitten. Dus nee, als het er op aan komt, denk ik niet dat we alles al een keer gezien hebben, maar ik denk wel dat vernieuwing en verandering kwesties zijn van een heel lange termijn en dat voor de korte termijn de veranderingen bijna per definitie klein zijn en het gevoel wekken dat we het al eens gezien hebben. Vernieuwingen kun je meestal het duidelijkst achteraf constateren. Maar dit is natuurlijk een dooddoener?” John Lambrichts: “Nee! Persoonlijke en integere fotografie is en blijft uniek, zal zich altijd onderscheiden.” Melanie Rijkers: “Ja, maar het is de kunst om het nu te doen op de manier waardoor je wéér de aandacht hebt c.q. krijgt. Ik heb een heel simpel voorbeeld: ik ben een paar jaar geleden naar Capri (eiland in Italië) geweest en heb er een foto gemaakt die iedereen als goed fotograaf, zou maken leek me. Hangend over de reling, de kunstlijn volgend met rotsen waaruit een trap naar beneden kronkelde, en doordat je er recht bovenop kijkt wordt het dan een surreëel schouwspel van lijnen en geen trap meer. Kijk ik later in een P/F zie ik een fotograaf dezelfde foto heeft gemaakt, maar dan al meer dan 80 jaar geleden!! (ook op Capri, ook van bovenaf enz.) Ik kende de goede man echter niet, dus ik denk dat de beeldende kijkwijze hetzelfde blijft, want we zijn allemaal beeldverslaafde fotofielen immers (denk ik, je bekijkt als fotograaf de wereld vaak vanuit je eigen verbeelding). De manier waarop we nu foto’s maken en eventueel presenteren kan echter wel vernieuwend zijn, denk dan aan de nieuwe digitale technieken etcetera.” Hans-Peter van Velthoven: “Je blijft ontelbare stijlen met elkaar mengen en mengen en mengen. Het is net zoiets als muziek…….er komt steeds weer iets nieuws.” Catrien Ariëns: “We raken steeds meer gewend aan beelden. En ik heb ook vaak een déjà vu gevoel. De beelden die dat niet geven zijn er des te sterker door.”

50


Wat denkt u dat de beeldcultuur voor gevolgen heeft voor de kunst? Rob Philip: “Veel, het hele begrip kunst is natuurlijk al zo’n tig keer bijgesteld. En zal dat ook wel blijven doen.” Jeanette Bos: “De techniek ontwikkelt zich nog steeds sterk en blijft zich ontwikkelen. Dat zal gevolgen hebben voor de kunst, er zullen meer media komen, vormtalen veranderen, etc. En de commercie zal haar greep op de gehele samenleving en dus ook op de cultuur verder versterken. Maar hoe die twee convergerende tendensen uiteindelijk zullen uitpakken voor de kunst, kun je eigenlijk niet voorspellen. Dat hangt af van een andere factor: de mentaliteitsontwikkeling. In een sombere bui kun je voorzien dat de toenemende marktgerichtheid van kunstenaars en het overweldigende aanbod van verleidelijke media tot steeds meer verkoopbare of commercieel dienstbare gladjanusserij zal leiden. Maar je kunt je ook voorstellen dat kunstenaars een tegenbeweging op gang weten te houden en de nieuwe mogelijkheden weten te benutten op eigenzinnige en oprechte manieren, zonder direct te willen scoren of verkopen. Maar ja, verkopen zul je moeten, dus...???? Het dictaat van de markt zal alleen maar sterker worden. En toch zullen er onvoorstelbare en interessante beelden komen!” John Lambrichts: “Kunst zal langzaam maar zeker weer ergens over gaan (engagement), maar zal nu vooral een weerspiegeling zijn van de persoonlijke beleving van wat er gaande is in plaats van een registratie. Over de plaats die de fotograaf inneemt in dit gebeuren.” Frank Muller: “Dat kunstfotografen denken dat ze alleen nog maar iets onderscheidens kunnen maken door zo `lelijk mogelijk` te werken. Lelijke, flets geflitste beelden, die technisch slecht zijn. Of technieken hergebruiken die al jaren geleden uitgeprobeerd zijn. Vaak levert dat weer iets verassends op voor het korte moment, maar omdat het niet iets eigens of origineels is, is het snel weer vergeten.” Peter Stigter: “Kunst bestaat volgens mij niet, dat is een classificatie systeem dat we toekennen aan een heel scala van creatieve uitingen, die in wezen een ambacht zijn.” Richard Hulshof: “Puur voor de kunstzinnige fotografie dat je van goeden huize moet komen om je te onderscheiden. De vraag is alleen op welk vlak. Commercieel, kunstzinnig of beide.” Catrien Ariëns: “Kunst, in dit geval fotografie, moet bij de tijd blijven maar vooral eigenzinnig blijven. Niet te veel met bepaalde stromingen meegaan, dat gevaar is er altijd een beetje.”

51


Wat kan een fotograaf toevoegen aan de beeldcultuur? Bas de Meijer: “Beelden maken die de kijker prikkelen en aanzetten tot nadenken. Foto’s kunnen rustpunten zijn in een hectische maatschappij waar alles snel moet en niemand meer tijd heeft.” Jeanette Bos: “Daar denk ik niet over na, want ik geloof het wel met die beeldcultuur. Ik wil gewoon mooie en interessante beelden maken en zien. En zelfs daar kun je niet altijd tevoren criteria voor opgeven. Vaak moet je gewoon afwachten of je getroffen wordt door een beeld en dan kun je gaan uitzoeken wát je nu eigenlijk precies treft.” John Lambrichts: “In deze snelle en oppervlakkige tijd, vooral rust en diepgang.” Corinne Noordenbos: “Laten ZIEN in wat voor tijd wij leven.” Richard Hulshof: “Alles, de maatschappij kan de beeldcultuur vormen, maar de beeldcultuur kan ook de maatschappij vormen. De meest extreme vorm is hierbij de persfotografie, maar dit geldt voor alle vormen van fotografie.” Wat moet een fotograaf doen om op te vallen in de huidige beeldcultuur? Bas de Meijer: “Origineel zijn en niet bang zijn om nieuwe wegen te betreden. Niet voor de veilige weg kiezen die iedereen ook loopt. En vooral ook niet te halsstarrig terug kijken naar het verleden, waar je als fotograaf meer kon dan nu en er minder concurrentie was.” Jeanette Bos: “Dat is nou echt een vraag waarover ik niet na wil denken omdat je als fotograaf dan al verwijderd raakt van je authenticiteit. Dan ben je bezig met je marktstrategie en je verkoopcijfers en niet met wat je nu eigenlijk te vertellen hebt of zou willen laten zien.” Frank Muller: “Zelf een stijl ontwikkelen. Je vastbijten in een item en dat uitdiepen. Zorg dat je goed wordt gevonden en daardoor gevraagd wordt om meer te doen.” Robbert Maas: “Voor mij is iedere dag een andere en vaak verras ik de saaie menigte met weer iets opzienbarends. Vaak wordt er gezegd: “Jeetje, wat heeft hij nou weer”. Of het positief of negatief is: er gebeurd weer iets en mijn naam is weer gevallen. Gelukkig is het meestal positief. Toen ik drie jaar geleden twintig dames op het circuit rond liet lopen met een rood shirtje met de tekst erop: ‘Ook ik

52


ben gefotografeerd door Robbert Maas’ was dat een geweldige stunt. Niemand had dat ooit gedaan. Omdat ik dat concept heel sterk heb uitgebreid zal iemand die dat na doet altijd te horen krijgen. Dit is het idee van Robbert Maas. Het is heerlijk om iedereen vaak net het juiste stapje voor te zijn. Lekker creatief denken dus en doorgaan waarmee je gestart bent!!!” Marie Cécile Thijs: “Eigen werk blijven maken, en in deze tijden niet teveel het oor laten hangen naar opdrachtgevers, hetgeen een moeilijk spanningsveld is. Veel opdrachtgevers staan door de economische recessie onder druk. De kunst is geïnspireerd en standvastig te blijven, en een eigen visie goed met hen te communiceren. Uiteindelijk word je daar ook voor gevraagd door diezelfde opdrachtgever.” Richard Hulshof: “Beter, sneller en creatiever…. Meer zijn / haar eigen lijn vormen. Zich minder laten vormen door de bestaande fotografie, dan ben je geen trendsetter. Voor alle duidelijkheid, zorg wel dat je de klassiekers kent, dat is altijd een goede bagage.”

53


Conclusie

54


55


Hoe kun je nou als fotograaf opvallen in de beeldcultuur? De huidige beeldcultuur heeft een enorme invloed op ons denken en ons creatief vermogen. Er is zoveel beeld. Toch worden beelden onbewust in ons hoofd opgeslagen, hoe slecht we ze misschien ook vinden. De beelden die je dagelijks tegenkomt, scan je met een ‘mediafilter’ in je hoofd en uiteindelijk blijven er maar een paar daadwerkelijk hangen. Welke beelden je onthoudt, ligt aan een persoonlijke interesse en aan de manier waarop je het beeld op dat moment ervaart. De angst bestaat dat het woord het zal verliezen van het beeld, maar dit zal niet gaan gebeuren. Deze twee culturen hebben altijd naast elkaar bestaan en zullen dit altijd blijven doen, omdat er aan beide culturen behoefte is. Ook in de kunstwereld hebben beeldend kunstenaars moeite om nog iets te maken wat boven de beeldenblur uitsteekt. Zij gaan experimenteren met presentaties waarbij zoveel mogelijk nieuwe media tegelijk worden gebruikt, zodat de toeschouwer erin wordt ondergedompeld en er niet meer omheen kan. Aan de andere kant zetten ze zich af tegen de beeldcultuur en gaan zich uitten in woorden en slogans. In de fotografie zie je dat men probeert een beeld te creëren wat een rustpunt is tussen de overvloed aan beeld. Veel fotografen maken gebruik van het internet en nieuwe media om hun werk aan de wereld te laten zien. Professionele fotografen maken hun foto’s digitaal, of scannen de negatieven in. Zo kan het werk beter en sneller verspreid worden. Nieuwe media zijn dus belangrijk geworden voor de hedendaagse fotograaf. Wil je de moderne cultuur nog een beetje kunnen bijbenen is het moeilijk om er nog onderuit te komen. Doordat steeds meer mensen een digitale camera hebben, of een ingebouwde camera op hun telefoon, worden er steeds meer foto’s gemaakt, omdat men niet meer de kosten heeft van analoge fotografie. Deze foto’s worden vervolgens op een persoonlijke internetsite gezet en op die manier krijg je een minisamenvatting van iemands leven. Een ander gevolg van de toename aan digitale camera’s is dat mensen in staat zijn hun getuigenis van bijvoorbeeld een ongeluk of een misdrijf vast te leggen. Vooral in de journalistiek is de opkomst van amateurfotografie een probleem geworden. Om een conclusie te kunnen maken over hoe fotografen kunnen opvallen in de beeldcultuur heb ik een aantal fotografen als voorbeeld genomen die, al dan niet de laatste tijd, erg zijn opgevallen met hun foto’s en hun manier van presenteren. Een voorbeeld van iemand die de laatste tijd op een aparte manier is opgevallen in de beeldcultuur is Tarek Al-Ghoussein. Zijn foto’s heb ik gezien op Noorderlicht. Het zijn zelfportretten van de fotograaf. Hij draagt op deze portretten een sjaal om zijn hoofd en voor zijn gezicht. Deze sjaal

56


is stereotyperend voor de palestijnen, oftewel terroristen. Het is een serie foto’s waarbij je telkens het stereotype terrorist ziet in bepaalde situaties. Al snel krijg je associaties bij deze foto’s

Tarek Al-Ghoussein self-portrait 2003

In deze serie zelfportretten bekritiseert Tarek Al-Ghoussein het cliché van de Palestijnen dat, zeker na 11 september, is ontstaan in de media. Hij creëert in de stijl van Levi’s en Marlboro een denkbeeldige reclamecampagne. Tijdens het maken van deze foto’s heeft hij zelfs een tijdje in de Arabische gevangenis gezeten, wat laat zien dat het stereotype van de terrorist, zelfs in de Arabische wereld geldt. Ik moet zeggen dat toen ik de foto’s op Noorderlicht zag hangen ik niet echt doorhad waar het nou over ging. In het museum zie je de foto’s als een serie en zie je ze dus in een hele andere context dan dat je ze bijvoorbeeld apart van elkaar ziet in bijvoorbeeld een krant. Zodra het namelijk in de krant komt te staan heeft de foto een veel meer documentaire insteek. Het beeld van een

57


terrorist wekt angst op.Hij staat dan ook nog eens in het zwart-wit, waardoor het meer intimiderend overkomt dan in kleur. Kunst in de krant bij een artikel krijgt zo een hele andere context. Tarek Al-Ghoussein heeft deze zwart-wit foto in de krant geplaatst en onderzocht wat dit beeld bij mensen oproept. De meeste kregen bij de zwart-wit foto in de krant het beeld van een terrorist. Maar bij de foto in kleur, kreeg lang niet iedereen dit gevoel. Om dat het op die manier een vele ‘zachtere’ uitstraling heeft. Plus het feit dat een foto in de krant altijd een soort van nieuwswaarde heeft en dus eerder wordt gelooft. Dit is een hele aparte manier om op te vallen met je foto’s. Het lijkt een documentairefoto. Hij wekt de suggestie op van een terrorist door stereotypering. Maar in het echt zou een terrorist zich natuurlijk nooit zo laten fotograferen. Door beelden in een andere context te laten zien kun je dus opvallen in de beeldcultuur. Dit is een manier van een verrassende presentatie. Met je manier van presenteren kun je een statement maken door de kijker even in de war te brengen over de interpretatie van de foto. Een andere strategie om op te vallen in de beeldcultuur is het aan de kaak stellen van een taboe. Je brengt iets in beeld waar mensen eigenlijk niet bij stilstaan, of niet bij willen stilstaan. Iets waar mensen het liever niet over willen hebben of over willen nadenken. Dit vind ik een hele effectieve manier om op te vallen in de beeldcultuur. Een taboe doorbreken is heel vernieuwend. Je laat mensen even schrikken. Het is een taboe, maar je laat het zien als iets heel natuurlijks, waardoor mensen inzien dat het eigenlijk helemaal geen taboe is. Iemand die dit vrij recent heeft gedaan is Marrie Bot. Zij maakte een fotoserie genaamd Geliefden – Timeless Love, waarin zij bejaarden heel intiem met elkaar heeft gefotografeerd. Ze legde vast hoe paren tussen de 50 en 85 elkaar thuis beminnen. Bot laat zien dat de manier waarop zij genieten van liefde en erotiek niet raar of vies is, maar heel natuurlijk. Ze verbreekt hierdoor een maatschappelijk taboe op erotiek bij ouderen. De meeste mensen moesten ook even slikken bij het zien van deze foto’s. Marrie Bot is iemand die altijd grenzen opzoekt. Haar fotografie is een middel om ons bezig te laten zijn met dingen van het leven zelf. Zo maakt zij met haar foto’s de thematiek van het leven voelbaar15. Dit werd gesteld door Josephine van Bennekom in het artikel ‘Taboe op tederheid ouderen doorbroken.’ uit ‘Foto’ November 2004 15

58


Marrie Bot Geliefden – Timeless Love

Andres Serrano is ook iemand die een taboe heeft doorbroken met zijn foto’s. Alleen op een iets minder subtiele manier. Hij heeft een taboe doorbroken door het publiek keihard te confronteren met shockerende beelden. Serrano laat in zijn werk “A History of sex” een stuk van zichzelf zien in katholieke symbolen en confronteert daardoor de toeschouwer met de grenzen van zijn eigen tolerantie. De onderwerpen die Serrano bij de kop pakt leveren vaak erg rauwe beelden. Serrano wil met zijn werk aangeven dat er ruimte is om schoonheid en tederheid te zien in de minder aantrekkelijke onderwerpen van het leven. In 1997 is er een fikse rel ontstaan toen het Groninger Museum een expositie hield van de Amerikaanse fotograaf Andres Serrano. Het Groninger Museum toonde van 23 februari tot en met 19 mei 1997 de tentoonstelling A History of Sex. De expositie geeft een overzicht van Serrano’s oeuvre én toont een reeks erotische werken. Deze reeks begon hij in Rome en voltooide hij destijds op uitnodiging van het Groninger Museum in Nederland. De series van Serrano kenmerken zich door grote foto’s die willen verleiden. Ondanks de heftige thema’s weet Serrano de toeschouwer te boeien. Een deel van de foto’s toont extreme seksuele handelingen, maar ook hier weet Serrano het onderwerp boven iedere platheid uit te tillen en ligt de nadruk op de esthetische sereniteit.

59


Andres Serrano A History of Sex (Leo’s Fantasy) 1996

Andres Serrano A History of Sex (The Fisting) 1996

Aanvankelijk zou de tentoonstelling overal op stations en in bushokjes worden aangekondigd met affiches. De voorstelling die men daarvoor had uitgekozen - een foto van plasseks - zorgde echter al bij voorbaat grote onrust. In de media barstten heftige discussies los over goede zeden, artistieke vrijheid en censuur. Bijna kwam het zo ver dat de rechter zelfs een oordeel over de publiciteitscampagne moest vellen. Om de zaak niet nog verder op de spits te drijven besloot de directeur van het museum zelf op het laatste moment zelf van de omstreden affiches af te zien. Als je het plaatje ziet kun je je onmiddellijk indenken dat het op straat voor nogal wat opwinding zou hebben gezorgd. Dat is ook precies waar Serrano naar streeft. Hij houdt zich bezig met de vraag welke choquerende beelden het menselijk oog kan verdragen. Met zijn fotoseries probeert hij uit te vinden wat mensen nog als taboe ervaren. Hij hoopte dat iedereen in ons land van hem zou hebben gehoord tegen de tijd dat zijn tentoonstelling weer uit Groningen vertrok. Dat laatste lijkt hem in ieder geval te zijn gelukt. Eigenlijk is Serrano op twee manieren opgevallen. Door taboe doorbrekende beelden te maken én door een heftige discussie te laten losbarsten omtrent de affiches die het werk moesten aankondigen. Doordat er veel over zijn werk gediscussieerd werd, heeft hij zichzelf in de picture gezet. Waardoor zijn werk dus extra is opgevallen. Zelfs nu kunnen veel mensen zich de discussie herinneren. Ik zelf weet nog dat ik in het Groninger museum reproducties van zijn werk heb gezien en

60


ook wel even onder de indruk was. Uit mijn onderzoek onder hedendaagse fotografen waarbij ik me afvroeg hoe zij omgaan met beeldcultuur is vast te stellen dat als je wilt opvallen in de huidige beeldcultuur, je volgens hen vooral je eigen ding moet blijven doen en niet geforceerd moet willen opvallen. Doordat je je eigen bijzondere stijl hebt val je uiteindelijk vanzelf op. Iedere fotograaf maakt beelden op zijn eigen manier, beelden met een eigen visie en stijl die nog nooit iemand heeft gezien. Wel moet je als fotograaf bijblijven met moderne technieken en nieuwe media om je hoofd boven water te houden. De fotografen uit mijn onderzoek werken zowel analoog als digitaal. De meeste fotografen werken nog wel gedeeltelijk analoog, maar verwerken en bewerken hun foto’s grotendeels digitaal. Hedendaagse fotografen merken van de beeldenvloed dat er veel meer fotografen zijn. Zij worden eveneens ondergedompeld in een overschot aan beeld waarvan zij de kwaliteit vaak slecht vinden. Ze merken dat ze steeds meer hun best moeten doen om goede foto’s te leveren en voelen de drang zich daarin te onderscheiden. Op het gebied van de journalistiek gaat de komende jaren veel veranderen. Als omstanders meteen een foto kunnen maken van een gebeurtenis, is de persfotograaf vaak al te laat. Hij zal dus meer aandacht moeten besteden aan een esthetisch interessante foto, zodat hij zich op dit gebied nog kan onderscheiden. Ook zal hij zich niet moeten laten afleiden door amateurs met hun digitale camera’s of hun mobiele telefoons met camera’s. Of een persfotograaf zal toestemming moeten krijgen om ‘schokkende foto’s’ te maken en te publiceren, waar nu nog een ethische beroepscode voor geldt. Dan zal een krant geen ‘schokkende foto’ van een amateur plaatsen zoals bij Theo van Gogh, maar van een professionele fotograaf. In de reclame- en modewereld zal niet veel veranderen op het gebied van fotografie. Deze zullen moeten blijven opvallen om iets te verkopen. Zij zullen telkens nieuwe manieren moeten bedenken om de aandacht van mensen te trekken, zoals ze nu doen. Ook in de kunst zal er niet veel veranderen. De kunst moet blijven inspelen op dingen die zich in de maatschappij afspelen. En daar reflecties op bieden zoals Tarek Al-Ghoussein heeft gedaan door in te spelen op de angst jegens het terrorisme. Amateurs zullen geen bedreiging gaan vormen voor de kunst. Het zal niet zo ver komen dat men foto’s die gemaakt zijn door amateurs met een mobiele telefoon aan een museumwand gaat hangen. Voor documentaire- en reportagefotografie zal gelden dat zij op zoek moeten gaan naar bijzondere en vernieuwende onderwerpen, die een goed beeld geven van de tijd waarin wij leven. Ook zij zullen dus goed moeten kijken naar wat er zich in de maatschappij afspeelt en dat proberen vast te leggen.

61


Als eindconclusie zou ik willen stellen dat er meerdere manieren zijn om als fotograaf op te vallen in de beeldcultuur. Het kan liggen aan het onderwerp van je foto’s. Je moet ervoor zorgen dat mensen jou foto zien als een rustpunt tussen de drukte van het overschot aan beelden. Je zou dan een foto moeten maken waar mensen even bij stilstaan, er even van kunnen genieten. Wat niet meegaat in alle beelden die je dagelijks al over je heen krijgt, maar die iets bijzonders uitstralen, een esthetische rust. Een tweede manier is om juist iets te fotograferen wat mensen niet graag willen of kunnen zien, iets wat mensen shockeert, zoals de twee bovengenoemde fotografen hebben gedaan, door een taboe aan de kaak te stellen. Toeschouwers schrikken even, maar worden op deze manier gedwongen na te denken over een taboe. De manier van presenteren is ook een belangrijke factor om op te vallen. Je zou ervoor kunnen zorgen dat jou foto met behulp van meerdere media opvalt. De toeschouwer moet in jou beelden worden ondergedompeld, zodat ze er niet meer omheen kunnen en op die manier het beeld wel móeten ervaren. Een andere manier van een opvallende presentatie van je foto’s kan zijn door ze in een andere context te plaatsen zoals Tarek Al-Ghoussein heeft gedaan. Als ze namelijk uit hun context worden getrokken, kunnen de foto’s een hele andere betekenis krijgen. Hierdoor ontstaat verwarring bij de toeschouwer en deze gaat nadenken over de betekenis van je foto. Dit is een manier om de kijker te dwingen om wat langer naar je foto te laten kijken. Het vak fotografie is een specialisatie en zolang je goed werk levert zul je gevraagd worden door opdrachtgevers en deze zullen bij je terugkomen. Iedere fotograaf heeft een persoonlijke stijl en een eigen visie. Zolang je aan die stijl en visie blijft vasthouden dan zullen je beelden vanzelf opvallen in de beeldcultuur en daarmee onderscheidend van de rest.

62


Bronnenoverzicht

63


64


Boeken Frits Gierstberg en Warna Oosterbaan, De plaatjesmaatschappij, essays over beeldcultuur, Rotterdam 2002 Frits Gierstberg en Bas Vroege, Experience, the media rat race Foto Biënnale Rotterdam, Rotterdam 2003 Arjen Mulder, Het fotografisch genoegen, beeldcultuur in een digitale wereld, Amsterdam 2000 Pieter Brattinga, Affiches van Anthon Beeke, verteld aan Pieter Brattinga, Amsterdam 1993 Susan Sontag, On Photography, London 1977

Teksten Kevin Robins, ‘The death of photography’ uit ‘The photographic image in digital culture’ edited door Martin Lister, London 1995 Don Slater, ‘Domestic photography and digital culture’ uit The photographic image in digital culture edited door Martin Lister, London 1995 Nicholas Mirzoeff ‘What is visual culture’ uit An introduction to visual cultur’ , London 1999

Artikelen Frits Gierstberg en Ruud Visschedijk, Noem het alsjeblieft geen kunst René van Erven, Paradox van de kunst, Maart 2004 Francisco van Jole, De opkomst (en ondergang) van de digitale beelcultuur, Rotterdam, November 2001 Edie Peters, Overal ogen, maar waar zit het verstand? uit ‘De Journalist’, Amsterdam, September 2004

65


Josephine van Bennekom, Taboe op tederheid ouderen doorbroken. Uit ‘Foto’, Utrecht, November 2004 Joop Bromet, Anthon Beeke, uit ‘BLAD’, Amsterdam, December 1988

Websites www.beeldcultuur.nl www.ediepeters.nl www.photoq.nl www.bruisvat.nl www.edvanderelksen.nl www.fotografenfederatie.nl www.idfa.nl www.volkskrant.nl www.kunstbus.nl www.nrc.nl

66


Mijn dank gaat uit naar: begeleidend docent Rik Suermondt Fotografen die hebben meegewerkt Catrien AriĂŤns Eljee Bergwerff Jeanette Bos Alexandra Brand Albert Brunsting Gon Buurman Eugene van Hoof Richard Hulshof John Lambrights Robbert Maas Bas de Meijer Marcel MinnĂŠe Dennis Moet Frank Muller Corinne Noordenbos Rob Philip Melanie Rijkers Don van Rooy Peter Stigter Marie Cecile Thijs Hans-Peter van Velthoven Peter Verduin Taalcorrecties Patric van Amerongen Ontwerp kaft Bram Heldens


Catrien Ariëns Catrien Ariëns is momenteel woonachtig op Curaçao, waar het volgens haar lekker rustig is. Ze is gespecialiseerd in documentaire fotografie en werkt zowel digitaal als analoog. Naast fotografie is zij gaan filmen. Dit is voor haar een andere manier van fotograferen, maar het geluid voegt veel toe. Ze vind het belangrijk om met fotografie een verhaal te vertellen. Eljee Bergwerff Portretfotografie, fotojournalistiek en documentaire fotografie zijn de specialismen van Eljee Bergwerff afkomstig uit Ede. Hij werkt voor 90% digitaal en doet dit al zo’n 4 jaar. Hij heeft in 1995 tentoongesteld op Noorderlicht in Groningen. ‘Iedere fotograaf heeft een andere manier van kijken, zo is iedere foto uniek.’ www.eljee.nl Jeanette Bos Landschapsfotografie en documentaire fotografie zijn de specialisaties van deze Utrechtse fotografe. Jeanette Bos heeft voor haar dagboekproject de landschappen die ons iedere dag onopvallend omringen gefotografeerd. Ze werkt zowel analoog als digitaal en doet dit laatste als sinds een jaar. Ze vind fotografie het mooiste wat er is en het is helemaal haar medium. ‘ Ik wil gewoon mooie beelden maken en zien.’ Richard Hulshof Richard Hulshofs specialisaties zijn portretfotografie, glamour fotografie, mode fotografie, reclamefotografie, publiciteitsfotografie en bedrijfsfotografie en runt hierin een bedrijf. Hij werkt zowel digitaal als analoog en doet dit al zo’n 10 jaar. Hij vind fotografie het mooiste vak wat er is. www.fotorh.nl John Lambrights John Lambrights is afkomstig uit Maastricht en is gespecialiseerd in documentaire fotografie. Hij fotografeert analoog, maar bewerkt en verwerkt de beelden digitaal. Voor hem moet fotografie meteen communiceren, niet pas na tekst en uitleg. www.johnlambrights.nl


Robbert Maas Robbert Maas is gespecialiseerd in autosportfotografie. Sinds hij in 1991 de Mobil 1 photo-award heeft gewonnen (geld en een nieuwe digitale camera) werkt hij digitaal. “Zonder fotograaf zal er nooit een cultuur zijn. De fotograaf is de enige die beslist wat voor materiaal er voor handen is.” www.robbertmaas.nl Bas de Meijer De specialismen van deze fotograaf uit Den Dolder zijn documentaire en sociale fotojournalistiek, redactionele portretten, straatfotografie, muziek en theater. Mensen staan in zijn fotografie centraal. Zowel tijdens als na de opname manipuleert hij zo min mogelijk. “Ik fotografeer de dingen zoals ik ze aantref.” www.ic4u2.net Marcel Minnée Marcel Minnée is afkomstig uit Den Haag en gespecialiseerd in documentaire fotografie. Hij kocht in 2003 zijn eerste digitale spullen, en is sindsdien aan het leren er mee om te gaan . Zijn analoge archief is hij aan het digitaliseren. “In eigenzinnigheid schuilt je grote kracht als fotograaf.” Frank Muller De specialisaties van de Nijmeegse Frank Muller zijn fotojournalistiek en documentaire (reis)fotografie. Hij werkt voor 90% digitaal en doet dit sinds 4 jaar. Hij ziet de enorme stroom aan beelden eerder als een aanwinst dan een beperking. “Fotografie is een belangrijk medium, omdat beelden veelal het ‘bewijs’ van een situatie bepalen.” www.frankmullerfotografie.nl Corinne Noordenbos Corinne Noordenbos is afkomstig uit Amsterdam. Ze is gespecialiseerd in portretfotografie, documentaire en autonome fotografie. Haar opnames verlopen analoog, maar de negatieven worden ingescand. Desalniettemin vindt ze zwart/wit fotografie via de doka het mooist. ‘De kracht van het medium fotografie ligt in het documentaire karakter ervan.’


Rob Philip De in Deventer woonachtige fotograaf Rob Philip heeft als specialismen: Portretfotografie Documentair en Autonome fotografie. Hij werkt zowel analoog als digitaal. Het laatste doet hij sinds 5 jaar. Zijn visie op fotografie is dat het gaat om het beeld en de context. “Iedere fotograaf moet zijn eigen verhaal vertellen.” www.philip.nl Melanie Rijkers Melanie Rijkers is geboren en getogen in Bakel, maar woont en werkt tegenwoordig in Breda. In 1996 haalde zijn haar diploma op academie St. Joost richting fotografie. Ze maakt naast haar autonome werk ook portretten, bedrijfs- en huwelijksfotografie in opdracht. Fotografie is voor haar hét medium om als kunstenaar te kunnen werken en ze voelt zich prima thuis in deze snelle beeldenwereld. www.mery.nl Peter Stigter Peter Stigter is gespecialiseerd in mode- en catwalkfotografie en is woonachtig in Tilburg. Sinds 2000 werkt hij uitsluitend digitaal. Door de mogelijkheden van digitale fotografie neemt hij meer risico en heeft hij meer controle over het proces. De enorme beeldenvloed ziet hij als een uitdaging. www.fashiontalk.nl Marie Cecile Thijs Is een Rotterdamse fotografe, gespecialiseerd in portretfotografie, documentaire en autonome fotografie. Ze werkt zowel digitaal als analoog, digitaal werkt ze sinds 4 jaar. “Ik fotografeer wat ik zie. De manier van kijken is persoonlijk en bepaalt mijn eigen stijl.” www.mariececilethijs.com Hans-Peter van Velthoven Deze Nijmeegse fotograaf heeft als specialisaties portretfotografie, glamour fotografie, mode fotografie, reclamefotografie en bedrijfsfotografie. Hij werkt zowel digitaal als analoog. Zijn visie op fotografie is dat je moet blijven schieten, creëren, fotograferen, kijken en communiceren. “Dan blijft het een schitterend medium.” www.hanspeter.nl


Peter Verduin Deze Amsterdamse fotograaf heeft als specialismen: Portretfotografie Glamour fotografie Mode fotografie Reclamefotografie Allround Publiciteitsfotografie. Hij werkt zowel digitaal als analoog. Digitaal werkt hij sinds 4 jaar. Voor hem is fotografie het vastleggen van een gevoel op een bepaald moment, met behulp van fotografische techniek. www.peterverduin.com


Beeldcultuur Hoe kun je als fotograaf opvallen in debeeldcultuur