Page 1

AFSCHEIDSFOTO Dit is een foto van mijn moeder. Ze zal op dit plaatje rond de twintig zijn geweest. In elk geval niet ouder dan 21. Zij is geboren in 1920 en in 1942 vertrok deze foto in de bagage van mijn vader naar Berlijn, waar hij als dwangarbeider aan het werk was gezet. Hij verbleef in de hoofdstad van het Derde Rijk van voorjaar 1942 tot 25 april 1945. Op die dag vluchtte hij en dat was kort voor de inname van de stad door de Russen. Op de tweede dag van zijn vlucht naar huis (naar Nederland, Delft om precies te zijn) dacht hij dat zijn dagen geteld waren. De Russische legers hadden Berlijn in een wijde omsingeling genomen, maar de Duitsers wisten nog steeds niet van opgeven en vochten als bezetenen voor elk huis en elke meter grond. Blijkbaar raakte mijn vader met zijn medevluchters klem tussen de strijdende partijen en de avond of nacht waarvan hij dacht dat het de laatste was, haalde hij de foto van mijn moeder tevoorschijn en schreef haar zijn afscheid. Mijn vader was toen 21.

Het afscheid was voorbarig. Hij kwam weken later veilig thuis, trouwde in 1948 met mijn moeder en zette met haar een hele stoet kinderen op de wereld, van wie er vier levensvatbaar bleken. Ik ben de jongste van hen. En is mijn moeder geen beauty op deze foto? Als kind wilde ik alles weten over de oorlog, over de tijd in Berlijn, of hij ook gevochten had, waarom hij daar eigenlijk naartoe was gegaan, of hij mijn moeder ook had gemist, wie nou precies Frau Philipsthal was geweest en die Margitt, een naam waarvan mijn moeder tot op de dag van vandaag chagrijnig wordt. Vragen, vragen, vragen van een nieuwsgierig en leergierig jongetje dat helemaal bezeten is van de Tweede Wereldoorlog. Antwoorden kwamen er mondjesmaat en ongestructureerd. Soms, als we met z’n tweeën waren en ik over de oorlog begon, dan zei hij wel eens dat hij mij wél wat wilde vertellen, omdat hij besefte dat ik oprecht geïnteresseerd was en bovendien inmiddels zó veel van die oorlog wist dat hij me zijn verhaal waardig achtte. Zijn ouders daarentegen heeft hij nooit iets verteld over Berlijn. Mijn vader kwam uiteindelijk thuis, was een tijdje losgeslagen, pakte de draad weer op en zweeg. Dat patroon volgden de meesten. De shit kwam er pas in de jaren zestig, zeventig uit. Hij werd dus voor de Arbeitseinsatz opgeroepen in 1942. Of liever gezegd: hij had zichzelf aangemeld, maar hij was geen collaborateur. Mijn vader werkte als elektricien op de Gistfabriek in Delft, hij was 17. Op een dag kwamen de Duitsers: 50 man van het personeel moesten de volgende dag klaar staan om naar Berlijn te worden afgevoerd: werken voor de Führer! De mannen met gezinnen deden een beroep op de jonge pikkies: ‘Jongens, jullie hebben nog geen vrouw en kinderen!’ Deze begreep ik nooit. Voor mijn vader was het toch


ook erg met al die bombardementen (ik had inderdaad ook nog niet echt vat op de chronologie van het verhaal). Pas vele jaren later begon het te dagen. Mijn vader was opgegroeid als tweede zoon in een streng katholiek arbeidersgezin. Het feit dat-ie tweede was, was erg belangrijk. Oudste broer Jan mocht en kreeg alles, voor de rest waren er de kruimels. Niks gelijke kansen. Mijn vader wilde avontuur; als kleine jongen reed hij op de fiets naar de Rotterdamse havens om weg te dromen bij schepen die zich klaarmaakten voor vertrek. Kon hij maar… En nu kon hij. Wat zal hij nou van politiek en gevaar hebben geweten. In mei 1940 had hij uit zijn slaapkamerraam Duitse parachutisten zien landen op Ypenburg en Rotterdam zien branden. Dat was kicken natuurlijk, maar daarna werd het leven weer net zo saai als voor de bezetting. En nu kreeg hij de kans van zijn leven: naar Berlijn, naar dé stad van Europa die sinds de roaring twenties al bekend stond als the place to be. Dichters, schilders, musici, cultuur, vrouwen, hoeren & snoeren, zuipen en feesten: dat was Berlijn. Natuurlijk had hij - eenvoudige katholieke jongen - daar allemaal geen weet van, maar ongetwijfeld zal iets van de glamour en de verleiding van Berlijn zelfs in Delft zijn doorgedrongen. Hij kon zijn vleugels uitslaan, met wijdopen neusvleugels het avontuur tegemoet gaan, de wijde, wijde wereld in. Hij begreep dan ook niets van de tranen van zijn moeder en de angst van zijn vader. Fluitend ging hij naar het station en zelfs de tranen van zijn meisje Hennie hielden hem niet op zijn plek. Zijn meisje… het –je is misplaatst: Hennie was vier jaar ouder (20) toen zij elkaar leerden kennen. Als zestienjarige papte hij aan met een bijna volwassen vrouw. Het zegt veel over hen beiden en de tijd waarin ze leefden. De volgorde van zijn leven in Berlijn is mij nooit helemaal duidelijk geworden. Eerst woonde hij bij mensen in (de familie Philipsthal, die overigens half-joods was, maar blijkbaar aan vervolging kon ontsnappen), en had een fling met hun dochter Margitt. Later woonde hij met andere Nederlandse dwangarbeiders in een barak buiten Berlijn en op het laatst ergens in een half ingestort en verlaten huis, waar hij en zijn maten zich na het werken vooral bezig hielden met jenever stoken. Hij werkte onder andere in een fabriek waar hij ‘kaders draaide’: iets aan een werkbank ten behoeve van de oorlogsindustrie. Geen idee wat ik me erbij moet voorstellen. De eerste tijd genoot hij volop van Berlijn dat nog steeds op volle culturele toeren draide, ook al waren de Geallieerden al met hun bombardementen begonnen, maar in die jaren was dat alleen nog maar ’s nachts. Hij ging naar opera’s en films, muziekuitvoeringen en wat al niet meer. Blijkbaar was het geen enkel probleem dat hij ‘slechts’ een dwangarbeider was, ondanks zijn vrij donkere uiterlijk (zwart haar en ogen, ietwat olijfoliekleurige huid en een neus om u tegen te zeggen); hij had de genen van zijn moeder, een Roemeense die als jong meisje naar Nederland was gevlucht.


Eten was wel een probleem. Al snel barstte hij elke dag van de honger. Die kon je bestrijden met roken en heel veel spuitwater drinken. En zorgen dat je altijd een lepel bij je hebt, want je weet nooit waar en wanneer je weer wat te eten kunt bemachtigen. Naarmate de tijd vorderde, werd het met de dag gevaarlijker in Berlijn en omstreken. De laatste oorlogsjaren werd de stad dag en nacht gebombardeerd – dicke Luft noemden de Berlijners dat. De Russen kwamen er vanuit het Oosten aan, maar de gruwelverhalen over wat zij allemaal deden als er eenmaal een Duitse stad was veroverd, maakte niet dat je hen als bevrijders zag. Wie wilde overleven moest wegwezen. Naar het Westen, de Amerikanen en andere Geallieerden tegemoet. Op zich was het geen probleem om de benen te nemen. De chaos in de stad die als middelpunt van het Derde Rijk op instorten stond, was enorm. Maar o wee, als je gepakt werd als vluchteling. SS’ers en Nacht- und Nebel Kommandos stonden klaar om je neer te schieten dan wel op te knopen (Nacht- und Nebel Kommandos waren groepjes ongeorganiseerde burgers die één van Hitlers laatste bevelen ten uitvoer brachten: de vijand zou niets anders dan verbrande aarde aantreffen en iedereen die niet was gesneuveld in de strijd was het sowieso niet waard om in leven te blijven). Hij heeft ze dan ook bij bosjes (letterlijk) zien hangen op zijn lange weg naar huis. Mannen en vrouwen aan bomen en lantaarnpalen met borden om hun geknakte nekken: ‘Ich bin ein Deserteur’ of ‘Ich bin ein Verräter’. Dat waren dingen waar ik mijn vader niet over kon laten spreken: dan kwam er onrust en al gauw kapte hij zo’n gesprek af. Eén keer heb ik hem zelfs het huis uitgejaagd. Hij vertelde me bij die gelegenheid dat hij ooit een keer was opgepakt door de SS of de Gestapo en voor verhoor was meegenomen. In een stoel gezet, bureaulamp op zijn ogen gericht en barse vragen. Hij vertelde me dat hem, als hij iets te lang in fel licht keek, nog steeds het angstzweet uitbrak. Ik wilde natuurlijk weten waarom hij was opgepakt en wat ze precies wilden weten, maar hij stond op en ging bier drinken bij de overbuurman. Toen één van mijn neefjes, Jeroen, zeventien was geworden en echt zo’n lekker joch was dat met heel z’n stoere bek amper de moederschoot was ontgroeid, zat ik hem zo eens te bekijken en dacht: ‘Zo oud en zo’n knulletje was Pa dus toen hij in ’42 op de trein naar Berlijn stapte. Als een groot kind erheen, als een beschadigde volwassen man weer terug. Heel vaak vroeg hij mij wanneer we samen nou eens naar Berlijn zouden gaan; dan zou hij me alle ouwe plekken wel eens laten zien. Met mijn in boekjes opgedane kennis antwoordde ik dan dat hij er niets zou herkennen, omdat alles van de grond af aan afgebroken en herbouwd was. Natuurlijk had ik gelijk. Toen we twee jaar na het vallen van de muur dan eindelijk naar Berlijn gingen, zocht hij maar naar herkenpunten. Al was het maar één huis of één bekend gezicht. Niets. Het enige wat hem vergund was te herkennen, waren de namen van de UBahn stations en verder was Berlijn net zo’n vreemde stad voor hem als elke willekeurige stad waar hij nooit eerder was geweest.


Hennie is dus op hem bljven wachten, heel die lange oorlog en bezetting. Het is maar één verhaaltje uit de miljarden verhalen die er over WO II te vertellen zijn en dit verhaaltje is nog erg goedmoedig en loopt prima af. Vijftig miljoen andere verhalen eindigden met de dood van de hoofdpersoon. En dat is de reden - maar dat wordt eigenlijk al weer een heel nieuw verhaal - waarom ik elk jaar op 4 mei met een diep en grenzeloos respect denk aan al die jongens uit de States die als broekies van over de Atlantische Oceaan kwamen om op een strand in Normandië ontvangen te worden met kogels en granaten.

afscheidsfoto  

verhaal over mijn vader

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you