Page 1

ACHT VERHALEN OVER ONDERZOEK EN ERFGOED EIGHT STORIES ABOUT RESEARCH AND HERITAGE


VOORWOORD

PREFACE

De collecties van de Universiteit van Amsterdam zijn ontstaan in eeuwen van wetenschaps­ beoefening, wetenschappelijk onderwijs en institutionele­­­geschiedenis. Voor veel van die collecties geldt dat ze tegenwoordig een andere betekenis hebben dan vroeger, omdat weten­ schappelijke disciplines fundamenteel van karakter zijn veranderd: ze bewegen zich tegenwoordig eerder op micro- of nanoniveau, ze kijken naar DNA of big data. Dat neemt niet weg dat ‘echte’ objecten – of dat nu boeken, instrumenten, modellen­­­of kunstvoorwerpen zijn – een rijke bron van informatie en inspiratie blijven, al worden ze nu soms door andere disciplines en voor andere typen­­­onderzoek gebruikt. De collecties van de UvA zijn er voor iedereen, maar zijn in de eerste plaats bedoeld voor onderzoekers en onderzoe­ kers in opleiding. Zij zijn de intellectuele erfgena­ men van al dat erfgoed en laten misschien hun eigen sporen na in de collecties. Acht hoogleraren en acht jonge onderzoekers gingen voor Out of the box op onderzoek­­­naar wat hen boeit, inspireert en wat nog steeds nieuwe kennis oplevert. We nodigen u uit voor een verkenning van onze collecties.

The collections of the University of Amsterdam are the product of centuries of research practice, higher education and institutional history. Many of these collections mean something else to us now than they did in the past. Scientific disciplines have changed fundamentally in character: they now operate rather on micro or nano levels, they investigate DNA or big data. At the same time, however, ‘real’ objects – whether they are books, instruments, models or works of art – remain a rich source of information and inspiration, even though it is not uncommon for them nowadays to be used by different disciplines and for other types of research. The collections of the University of Amsterdam are open to everyone, but they are primarily there for researchers and research trainees. They are the intellectual heirs of all this material and they may one day leave their own traces in the collections in turn. For Out of the box, eight professors and eight research trainees went in search of what fascinates and inspires them and continues to generate new knowledge. We welcome you to explore our collections with them. Heritage The long history of the University of Amsterdam is reflected in its heritage collections. The more than a thousand sub-collections containing some two million items range from measuring instruments to old printing presses, theatrical dress, manuscripts, books and prints. Boasting internationally renowned collections in the fields of book history, Jewish culture, church history, cartography, literature, graphic design and zoology, it ranks among the major heritage collections of the Netherlands. Together, the heritage items in the Special Collections, the Artis Library and the Allard Pierson Museum represent a broad range of disciplines in the sciences and the arts and include numerous irreplaceable­­works of museum quality, dating from centuries ago to today.

Erfgoed De lange geschiedenis van de Universiteit van Amsterdam­­­is neergeslagen in haar erfgoed­­ collecties. De ruim duizend deelcollecties met zo’n twee­­­miljoen objecten variëren van meet­ instrumenten tot oude drukpersen, theater­ kleding, manuscripten, boeken en prenten. Met inter­natio­naal vermaarde verzamelingen op het gebied van boekgeschiedenis, joodse cultuur, kerkgeschiedenis, cartografie, letterkunde, grafische vormgeving en zoölogie is dit een van de grote erfgoedcollecties van Nederland. Het erfgoed in de Bijzondere Collecties, de Artis Bibliotheek en het Allard Pierson Museum vertegenwoordigt vele disciplines in wetenschap en kunst en telt tal van onvervangbare werken 3


van museale kwaliteit, van eeuwenoud tot hedendaags. De verzamelingen staan ten dienste van onderwijs en onderzoek, maar ook van een algemeen publiek. Stukken kunnen geraadpleegd worden in de onderzoekzaal en via online beeld­­­banken. Ze worden uitgelicht in tentoonstellingen, lezingen en presentaties.

The collections are vital to education and research, but are also accessible to the general public. All items can be consulted in the reading room and via online databases­­­. They are also taken ‘out of the box’ in another sense, highlighted as they frequently are in exhibitions, lectures and presentations.

Steph Scholten, directeur UvA Erfgoed

Steph Scholten, Director Heritage Collections University of Amsterdam

4


OUT OF THE BOX INHOUDSOPGAVE TABLE OF CONTENT Voorwoord / Preface Steph Scholten

p3

Koop een boek, win een villa Buy a book, win a villa Lisa Kuitert en Eline Kortekaas

p6

 oor de ogen van Anton Pannekoek D Through the eyes of Anton Pannekoek Jeroen van Dongen en Chaokang Tai

p 12

De mythe van de zachte en de harde wetenschap The myth of the soft and hard sciences Rens Bod en Bas Cornelissen

p 17

De wijze koopman The wise merchant Barbara Baarsma en Chris van Merwijk

p 22

The return of the phenotype Amade M’charek en Lisette Jong

p 27

Tussen geest en brein Between mind and brain Damiaan Denys and Eva Tolmeijer

p 32

Van muziek naar muzikaliteit From music to musicality Henkjan Honing en Carlos Vaquero

p 37

De rechtspositie van Nederlandse joden, 1615-1801 The legal position of Dutch Jews, 1615-1801 Marc de Wilde en Emma Rengers

p 41

5


KOOP EEN BOEK, WIN EEN VILLA

BUY A BOOK, WIN A VILLA

Lisa Kuitert en Eline Kortekaas

Lisa Kuitert and Eline Kortekaas

‘In boeken ligt de ziel van de voorbije tijd’, zei de negentiende-eeuwse geschiedschrijver Thomas Carlyle al. Juist die weergave van een vervlogen tijdgeest maakt het boek dat wij voor de tentoon­ stelling hebben gekozen zo interessant. Het was in de tijd van zijn verschijnen (1875-1880) niet alleen een technisch hoogtepunt, het laat tevens zien wat een boek destijds voor het lezerspubliek betekende en hoe boeken werden verkocht en gekocht. De Rijn, van zijn oorsprong tot aan zee werd uitgege­ ven door de Arnhemse uitgeverij Van Egmond & Heuvelink. Het was een groot formaat ‘pracht­ werk’, zoals dat werd genoemd, over de rivier die deels door Duitsland en deels door Nederland stroomt. In hedendaagse termen zouden we het een koffietafelboek noemen. Het was geschreven door een groep Duitse auteurs en ook de illustraties waren van Duitse makelij. Nederlandse uitge­ vers hadden er een handje van om buitenlandse boeken te vertalen, te bewerken en aan te passen aan de Nederlandse markt. Die markt was heel klein – ons land telde rond 1875 circa vier miljoen inwoners, maar evenals tegenwoordig behoorde slechts een fractie daarvan tot de boekenkopers.

The nineteenth-century Scottish historian Thomas Carlyle already said it: ‘In books lies the soul of the whole Past Time.’ It is this very reflection on past times that makes the book we selected for the exhibition so interesting. Not only did it represent state-of-the art typographical technology when it came out (1875-1880), it also makes clear what a book meant to the reading public and how books were sold and bought. De Rijn, van zijn oorsprong tot aan zee (The Rhine, from its origins to the sea) was published by the Arnhem publishing firm of Van Egmond & Heuvelink. It was a large-format luxury edition on the river that runs partly through Germany, partly through the Netherlands. Nowadays we would call it a coffee table book. It was written by a group of German authors, while the illustrations, too, were produced by Germans. Dutch publishers had a habit of translating foreign books and adapting them for the domestic market. That market was very small – around 1875, the population of the Netherlands numbered some four million, but as is the case today, only a tiny section of the public actually bought books. Villa Rhenana De Rijn must have been an expensive book to produce, with its numerous illustrations and its large format. It was published in instalments, a clever publishing strategy to make sure as many people as possible paid in advance – in effect a nineteenth-century form of crowdfunding. With the money obtained from the subscribers, the publisher was able to start production. The advertising brochure displayed in the exhibition offers the details. Every so often the buyers received an instalment, until the book was complete. De Rijn was published in 25 instalments costing one guilder each; the complete work cost 25 guilders, more or less the equivalent of € 300 nowadays.

Villa Rhenana De Rijn moet een duur boek zijn geweest om te maken, met zoveel illustraties en op zo’n groot formaat. Het verscheen in afleveringen. Dat was een slimme uitgeverstactiek om zoveel mogelijk mensen vooraf te laten betalen – eigenlijk een negentiende-eeuwse vorm van crowdfunding. De kopers tekenden in op het boek en met het voor­ uitbetaalde geld kon de productie worden gestart. In de reclamefolder op de tentoonstelling zijn de bijzonderheden te lezen. De kopers kregen om de zoveel tijd een aflevering en spaarden zo het boek bijeen. De Rijn verscheen in 25 afleveringen van één gulden en het boekwerk in zijn geheel kostte 6


Affiche met de aankondiging van de verloting van ‘Villa Rhenana’ bij intekening op De Rijn, 1875. De lithografie werd verzorgd door Emrik & Binger in Haarlem, het drukwerk door G.J. Thieme in Nijmegen.

Poster announcing the lottery of ‘Villa Rhenana’ for subscribers to De Rijn, 1875. The lithograph was produced by Emrik & Binger in Haarlem, the printing was done by G.J. Thieme in Nijmegen.

7


dus f 25, min of meer het equivalent van € 300 in onze tijd. Een van de intekenaars maakte bovendien kans op een grote prijs, een villa ter waarde van f 20.000. Deze premie bij het boek droeg de toepasselijke naam ‘Villa Rhenana’ – Huize de Rijn – en werd verloot onder de intekenaars. De uitgever plaatste advertenties in allerlei bladen, verspreidde strooi­ biljetten, hing affiches op en bracht de prospectus onder de aandacht via boekwinkels overal in het land. Bij de laatste aflevering ontving iedere inte­ kenaar een door de notaris ingevoegde envelop, waarin de gelukkigste koper het winnende lot zou vinden.

On top of that, the subscribers had the chance of winning a substantial prize, namely a villa worth twenty thousand guilders. This bonus that came with the book was aptly called ‘Villa Rhenana’ – Rhine Villa – and was raffled amongst the subscribers. The publisher placed ads in various newspapers, distributed flyers, put up posters and publicized the brochure via bookshops throughout the country. With the final instalment, each subscriber received an envelope that had been inserted in his copy by a notary. One of these envelopes contained the winning lottery ticket. ‘Lottery mania’ Special offers like these were not uncommon. Advertising, especially book advertising, was on the rise in those days. Elsewhere in the country, for instance, a villa ‘Fortuna’ and a country house called ‘Rozenstein’ were raffled to help fund costly publishing projects. Not only houses were offered to tempt book buyers, but also book cases, silverware, watches and a host of other fine prizes. These expensive prizes tell us something about the financial wealth of the book trade and about the fierce competition to woo the favour of the reading public.

‘Loterijmanie’ Zulke verkoopacties kwamen vaker voor. Reclame was in die tijd sterk in opkomst, vooral voor boeken. Zo werden elders in het land een villa ‘Fortuna’ en een landhuis ‘Rozenstein’ verloot bij het op de markt brengen van een duur boekwerk. En behalve om huizen kon het daarbij gaan om boekenkasten, tafelzilver, horloges en nog veel meer fraais. De kostbare prijzen zeggen iets over de kapitaalkracht van het boekenvak en over de concurrentie die er woedde om de gunsten van het lezerspubliek.

Yet another incitement to desire

De begeerlijkheid wordt er alweder door geprikkeld

Such special offers did not go uncriticised. Not only were they thought to stir up greed, they were also believed to harm the standing of the book. De Locomotief, a newspaper published in the Dutch East Indies, wrote on 31 January 1876: ‘Can you imagine – the publishing firm of Van Egmond and Heuvelink has come up with the preposterous idea of offering a lottery ticket for a villa, Villa Rhenana, worth 20,000 guilders, to the subscribers to a fine luxury edition. It is to be built on Velperweg north of Arnhem and, if the plan is anything to go by, it is a villa that appeals to

Er werd ook geklaagd over zulke acties. Ze zouden niet alleen de hebzucht aanwakkeren, maar ook het imago van het boek schaden. De Nederlands-Indische krant De Locomotief schreef op 31 januari 1876: ‘Verbeeld u – de uitgevers van Egmond en Heuvelink zijn op de groteske idéé gekomen om aan de inteekening op een fraai prachtwerk een lot te verbinden voor een onder de inteekenaars te verloten villa, Villa Rhenana, waard f 20.000, gebouwd wordende aan den Velperweg boven Arnhem, en volgens 8


Karl Stieler e.a., De Rijn. Van zijn oorsprong tot aan zee, Arnhem, Van Egmond & Heuvelink, [1875-1880].

Karl Stieler et al., De Rijn. Van zijn oorsprong tot aan zee, Arnhem, Van Egmond & Heuvelink, [1875-1880].

de teekening op het prospectus aan alle eisen van den smaak beantwoordende – tot zelfs de wilde wijngaardranken slingeren zich nu reeds om de balkons in spe! Ge begrijpt, dat deze speculatie op de loterijmanie dezer dagen veel aanleiding geeft tot gelach, tot afkeuring en ook… tot stille deelneming. De begeerlijkheid wordt er alweder door geprikkeld…’ Het liep bij de loterij van De Rijn wat anders dan voorzien. De uitgeverij bleef zitten met enkele overgebleven exemplaren, die werden opgekocht door W.K. Kien, eigenaar van een advertentie­ bureau in Arnhem. Bij deze exemplaren zaten ook de daarbij behorende enveloppen. En ziedaar, de heer Kien was zo kien om in een van de enveloppen het winnende lot te vinden en werd eigenaar van villa Rhenana. We gaan er maar vanuit dat dit geen doorgestoken kaart was...

every bit of modern taste – including the Virginia creeper that is already winding its way around the balconies-to-be! Doubtless you will appreciate that this gamble on our presentday lottery mania gives rise to laughter, disapproval, and also … quiet commiseration. Yet another incitement to desire…’. The lottery for De Rijn did not quite turn out as planned. The publishing firm was left with a number of unsold copies, which were bought up by W.K. Kien, the owner of an advertising agency in Arnhem. These copies, too, came with the promised lottery envelopes. And what a surprise: Mr Kien was keen enough to find the winning lottery ticket in the envelope of one of the remaining­­­copies and so became the proud owner of Villa Rhenana. We can only assume it was all above board... 9


Het boekenvak in 1875

The book trade in 1875

Rond 1875 waren er ongeveer 1150 Nederland­ se firma’s die boeken verkochten. Dat waren niet alleen boekhandels, maar ook gecombi­ neerde bedrijven: een uitgeverij met een winkel, een drukkerij met een binderij en winkel, of een boekhandel annex leesbibliotheek. In Amster­ dam waren 78 boekhandelaren, in Rotterdam 29. Boekhandelaren stonden in aanzien en kwamen geregeld bijeen in hun deftige ‘Vereeniging­­ter bevordering van de belangen des Boekhandels’ – tegenwoordig de Koninklijke Vereniging voor het Boekenvak. Bij feestelijke gelegenheden werd lekker gegeten, getuige de zeer verzorgde menukaarten.

Around 1875 there were some 1,150 Dutch firms that sold books. These included not only bookshops, but also mixed businesses: a publishing firm with a shop, a printing house with a bindery and a shop, or a bookshop with a lending library. Amsterdam had 78 book dealers, Rotterdam 29. The book dealers, members of a highly regarded profession, regularly convened in their dignified ‘Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels’ – nowadays the Koninklijke Vereniging voor het Boekenvak. Its members dined well at festive functions, as the sumptuous menus that have been preserved­­­ indicate.

De gemiddelde boekenprijs was in 1875 een gulden, min of meer overeenkomend met het dagloon van een arbeider. Luxe uitgaven kon­ den tien gulden of meer kosten, een goedkope ‘volksuitgave’ ging voor vijftig cent over de toonbank. Boeken waren dus relatief duur en het lezerspubliek was beperkt, te meer omdat destijds bijna een kwart van de bevolking analfabeet­­­was. De leerplicht werd pas in 1900 ingevoerd.

The average price of a book in 1875 was a guilder, more or less the same as a labourer’s day’s wages. Luxury editions could easily cost ten guilders or more, a cheap ‘popular edition’ sold for fifty cents. Books were therefore a relatively expensive commodity, and the reading public was small, the more so because almost a quarter of the population was illiterate at  the time. Compulsory education was not introduced until 1900.

Oplagen bedroegen 500 à 1000 exemplaren, bij schoolboeken en populaire romans kon dat oplopen tot 5000. Schrijvers kregen niet, zoals tegenwoordig, een percentage van de opbrengst van de verkochte exemplaren. Uitgevers betaalden hun ongeveer f 1,30 per bladzijde – meer dan een arbeider verdiende met een dag werken.

The size of an edition ranged from 500 to 1,000 copies, running up to 5,000 in the case of school books and popular novels. Unlike today­­­, authors did not receive a percentage of the proceeds of copies sold. Publishers paid them about f 1,30 per page – more than a labourer earned on an average day.

10


Lisa Kuitert is hoogleraar Boekwetenschap en voorzitter van de vakgroep Boekwetenschap en Handschriftenkunde. Zij is gespecialiseerd in de geschiedenis van uitgeverijen vanaf de negentiende eeuw, in het bijzonder van literai­ re uitgevers. In 2015 verscheen van haar hand Het boek en het badwater. De betekenis van papieren boeken. Momenteel werkt ze aan een geschiedenis van de boekhandel en uitgeverij in Nederlands-Indië.

Eline Kortekaas is student Boekwetenschap en Handschriftenkunde, met een specialisatie in kinderboeken. Zij doet op dit moment onderzoek naar Villa Rhenana, het huis dat wordt beschreven in dit onderdeel van de tentoonstelling. Daarnaast verdiept zij zich in de grafische vormgevers Neville Brody en Ken Garland. Eline Kortekaas is a student in the department of the History of the Book and Manuscript Studies, specialising in children’s literature. She is presently engaged in research on Villa Rhenana, the house described in this section of the exhibition. In addition, she is investigating the graphic designers Neville Brody and Ken Garland.

Lisa Kuitert is professor of the History of the Book and chair of the department of the History of the Book and Manuscript Studies. She is a specialist in the history of publishing since 1800, of literary publishing houses in particular. In 2015, she published Het boek en het badwater. De betekenis van papieren boeken. [The book and the bathwater. The significance of paper books.] She is currently working on a history of the book trade and publishing in the Dutch East Indies.

11


DOOR DE OGEN VAN ANTON PANNEKOEK

THROUGH THE EYES OF ANTON PANNEKOEK

Jeroen van Dongen en Chaokang Tai

Jeroen van Dongen and Chaokang Tai

De objecten die wij hebben uitgekozen illustreren het Melkwegonderzoek van de astronoom en marxist Anton Pannekoek (1873-1960). Zijn on­ derzoek is vanuit astronomisch, maar ook vanuit wetenschapshistorisch oogpunt interessant. Het illustreert een ontwikkeling binnen de wetenschap rond het begin van de twintigste eeuw. Vóór de eeuwwisseling heerste in wetenschappelijke kringen de gedachte van ‘mechanische objectivi­ teit’: wetenschappers streefden ernaar de natuur voor zichzelf te laten spreken, zonder hun eigen subjectieve ideeën mee te laten wegen. De ideale wetenschapper was als het ware een machine die de werkelijkheid reproduceerde. Na 1900 kwamen steeds meer wetenschappers in opstand tegen deze mechanische opvatting. Volgens hen kon samenhangende kennis alleen ontstaan door interpretatie en analyse, terwijl het ontbreken daarvan de wetenschap reduceerde tot een verzameling­­losse feitjes. Die nadruk op interpreta­ tie zie je ook in Pannekoeks Melkwegonderzoek. Tegelijk komt daarin het verband tussen zijn marxistische filosofie en zijn wetenschappelijke methode naar voren.

The objects we selected illustrate the studies of the Milky Way carried out by the astronomer and Marxist Anton Pannekoek (1873-1960). His research is interesting not only from an astronomical viewpoint but also from that of the history of science, illustrating as it does a trend in science around the beginning of the previous century. Before­­­1900, the idea of ‘mechanical objectivity’ was commonplace in scientific circles: scientists strove to let nature speak for itself, without throwing their own subjective ideas in the balance. The ideal scientist, therefore, behaved like a machine that reproduced reality. After 1900, more and more scientists began to oppose this mechanistic view. According to them, coherent knowledge could only be achieved through interpretation and analysis and without these, science was reduced to an array of disjointed facts. That same emphasis on interpretation is also evident in Pannekoek’s studies of the Milky Way. At the same time it highlights the connection between his Marxist philosophy­­­and his scientific method.

Pannekoek’s solution was the ‘mean subjective image’

Pannekoek bedacht ‘het gemiddeld subjectieve beeld’

Already as a sixteen-year-old Pannekoek was busy observing the Milky Way, as the notes in his diary make clear. He devised techniques to record the appearance of the Milky Way and soon came to the conclusion that photography was not a fit medium for this. According to him, the Milky Way was an optical illusion, the effect of the light of numerous stars which our eyes fuse into the

Als zestienjarige jongen hield Pannekoek zich al bezig met het observeren van de Melkweg, ge­ tuige aantekeningen in zijn dagboek. Hij bedacht technieken om de aanblik van de Melkweg vast te leggen en kwam al snel tot de conclusie dat fotografie daarvoor ongeschikt was. Volgens hem 12


Tekening waarin Pannekoek het ‘gemiddeld subjectieve beeld’ samenstelde, 1926. Instituut Anton Pannekoek, FNWI/UvA.

Drawing made by Pannekoek to compose the ‘mean subjective image’, 1926. Anton Pannekoek Institute, FNWI/UvA.

was de Melkweg namelijk een optische illusie, het gevolg van het licht van vele sterren dat door onze ogen wordt samengevoegd tot Melkwegwolken. Toch vond hij deze illusie waardevol, omdat zij een intuïtieve structuur aanbrengt in de verdeling van de sterren. Bij een fotografische opname wordt het licht van individuele sterren opgelost tot afzonderlijke stippen op de glasplaat. Hierdoor verdwijnt het effect van de Melkwegwolken.

nebulous band of the Milky Way. He nevertheless thought the illusion had its value, because it created an intuitive structure in the distribution of the stars. In a photographic image, the light of individual stars resolve into separate dots on the glass plate. This causes the effect of the Milky Way clouds to disappear. ‘The mean subjective image’ An alternative to photography was drawing, but a single drawing by a single individual would lead to a highly personal and subjective image. Due to the weak light of the Milky Way, it is easy to project our own prior knowledge and expectations into the shape of the Milky Way clouds. Pannekoek’s solution was the ‘mean subjective image’, a composite­­of observations made by several ob-

‘Het gemiddeld subjectieve beeld’ Een alternatief voor fotograferen was tekenen, maar één enkele tekening van één individu gaf een zeer persoonlijk en subjectief beeld. Door het zwakke licht van de Melkweg is het namelijk gemakkelijk je eigen voorkennis en verwachtingen in de vorm van de Melkwegwolken te projecteren. 13


Portret van Anton Pannekoek, 1919. – Portrait of Anton Pannekoek, 1919.

servers independently of each other. By averaging these observations, the personal subjective factors were filtered out, leaving the general subjective ones which could be regarded as a product of human physiology. The exhibition shows drawings that represent this mean subjective image. Pannekoek’s emphasis on interpretation and intuitive analysis in the Milky Way research is also typical of his idiosyncratic, radical left version­­­of Marxism. He was opposed to the influence of political parties and trade unions, convinced as he was that it was up to the workers themselves to carry out the revolution. They would have to interpret the way things worked in the political universe by themselves. He also warned them not to be led by preconceptions about how the revolution would progress.

Als oplossing bedacht Pannekoek ‘het gemiddeld subjectieve beeld’, samengesteld uit waarnemingen die onafhankelijk van elkaar door verschillende waarnemers waren gedaan. Door deze waarne­ mingen te middelen verdwenen de persoonlijke subjectieve effecten en bleven de algemene subjectieve over, die beschouwd konden worden als een uitvloeisel van de menselijke fysiologie. Op de tentoonstelling zijn tekeningen te zien die dit gemiddeld subjectieve beeld weergeven. Pannekoeks nadruk op interpretatie en intuïtieve analyse in het Melkwegonderzoek kenmerkt ook zijn eigenzinnige, radicaal linkse versie van het marxisme. Hij wees de inbreng van partijen en vakbonden af, omdat hij vond dat arbeiders de revolutie zelf moesten voltrekken. Zij moesten op eigen kracht de verhoudingen in het politie­ ke universum interpreteren. Ook waarschuwde hij hen dat ze zich niet moesten laten leiden door vooropgezette ideeën over het verloop van de revolutie. 14


Anton Pannekoek studied astronomy at Leiden University, from where he obtained his doctorate degree in 1902. He was a dedicated Marxist and published several works expounding his political views. From 1918 he worked as astronomer at the University of Amsterdam, where he worked on the structure of the Milky Way, later also on stellar atmospheres. He investigated the pressures and temperatures in the outer layers of the stars and their chemical composition. It made Pannekoek the founding father of astrophysics in the Netherlands, and the astronomical institute of the University of Amsterdam which he founded now carries his name.

Anton Pannekoek studeerde sterrenkunde in Leiden, waar hij in 1902 promoveerde. Hij was een overtuigd marxist en publiceerde meerdere werken waarin hij zijn politieke visie uitdroeg. Vanaf 1918 was hij werkzaam aan de Universi­ teit van Amsterdam waar hij zich bezighield met de structuur van de Melkweg, later ook met steratmosferen. Hij onderzocht de druk en de temperatuur in de buitenste lagen van sterren en hun chemische samenstelling. Hiermee was Pannekoek de grondlegger van de astrofysica in Nederland. Het door hem opgerichte sterrenkundige instituut van de UvA draagt tegenwoordig zijn naam.

Opzettelijk onscherp Uiteindelijk ontwikkelde Pannekoek toch een fotografische methode om de Melkweg weer te geven, namelijk door opzettelijk onscherpe opnamen te maken. Daarbij werd de fotografische glasplaat niet precies in het brandpunt van de telescoop gelegd, maar iets erachter of ervoor. Dankzij deze extrafocale positie werden de sterren niet als punten, maar als ronde schijven zichtbaar op de fotografische plaat. Doordat deze schijven elkaar konden overlappen, creëerde Pannekoek het effect van Melkwegwolken. Deze platen werden­­­vervolgens minutieus uitgemeten met behulp van de Hartmann microfotometer en omgezet in een tekening van de Melkweg. De voorstelling die hieruit ontstond was heel anders dan het gemiddeld subjectieve beeld, veel grilliger en gedetailleerder. Het fotografische beeld is in deze benadering een aanvulling, niet een vervanging, van het Melkwegbeeld zoals wij het met onze eigen ogen zien.

Deliberately out of focus Eventually Pannekoek did develop a photographic method to represent the Milky Way, by taking photographs that were deliberately out of focus. To achieve this, the photographic plate was not placed exactly in the focus of the telescope, but slightly behind or in front of it. Thanks to this extrafocal position, the stars emerged on the photographic plate not as dots, but as round discs. These discs could also overlap, which made it possible for Pannekoek to create the effect of Milky Way clouds. The plates were then meticulously measured using the Hartmann microphotometer and converted into a drawing of the Milky Way. The resulting representation differed radically from the ‘mean subjective image’, being much more erratic and detailed. In this approach, the photographic image was a complement to, not a replacement of, the image of the Milky Way as we see it with our own eyes.

15


Jeroen van Dongen is hoogleraar Wetenschaps­ geschiedenis aan de Faculteit der Natuurweten­ schappen, Wiskunde en Informatica. Zijn thema’s zijn wetenschap in de context van de Koude Oorlog, leven en werk van Albert Einstein en diens tijdgenoten (zoals de astronoom Anton Pannekoek, samen met Chaokang Tai), en de geschiedenis en filosofie van het onderzoek naar quantum­ gravitatie.

Chaokang Tai is promovendus in de wetenschaps­geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, in samenwerking met de Universiteit­­­Utrecht. Zijn onderzoek richt zich op het sterrenkundig werk van Anton Pannekoek en de wijze waarop zich dit verhoudt tot zijn eigenzinnige marxistische ideeën. Chaokang Tai is a doctoral student in the History of Science at the University of Amsterdam, in cooperation with the University of Utrecht. The subject of his research is the astronomical work of Anton Pannekoek and its relationship to his idiosyncratic Marxist ideas.

Jeroen van Dongen is professor of the History of Science in the Faculty of Science. His subjects are science in the context of the Cold War, the life and work of Albert Einstein and his contemporaries (like the astronomer Anton Pannekoek, cooperating in this with Chaokang Tai), and the history and philosophy of research on quantum gravity.

16


DE MYTHE VAN DE ZACHTE EN DE HARDE WETENSCHAP

THE MYTH OF THE SOFT AND HARD SCIENCES

Rens Bod en Bas Cornelissen

Rens Bod and Bas Cornelissen

Naast een mechanisch hoofdstel voor spraakanaly­ se laten we op de tentoonstelling twee mecha­ nische rekenmachines zien. Wat hebben deze objecten met elkaar te maken? Het hoofdstel werd gebruikt voor fonetisch onder­ zoek rond 1920 en registreert de bewegingen van lippen, kaak en luchtstroom tijdens het spreken. Tientallen jaren hebben taalkundigen, in het bijzonder fonetici, zich gestort op het meten en testen van stemklanken. Deze experimenten, voor­ namelijk uitgevoerd door het Fonetisch Instituut in Amsterdam, hebben bijgedragen tot onze huidige kennis van de fonetiek van het Nederlands. Een eeuw later hebben ze bovendien de basis gelegd voor de ontwikkeling van de eerste automatische spraakherkenningssystemen – een toepassing die indertijd nog ondenkbaar was.

In addition to a mechanical headgear for speech analysis we are contributing two mechanical calculators­­­to the exhibition. What do these objects­­­ have in common? The headgear was used for phonetic research purposes­­­around 1920 and recorded the movements of the lips, the jaw and the airflow during speech. Linguists, especially phoneticians, were busy measuring and testing vocal sounds for decades. These experiments, which were mainly carried out by the Phonetic Institute in Amsterdam, have contributed to our current knowledge about the phonetics features of Dutch. A century later they also provided the basis for the development of the first automatic voice recognition systems – an application inconceivable at the time.

Figures may seem ‘hard’ and impersonal, but this is rarely the case

Cijfers lijken misschien ‘hard’ en onpersoonlijk, maar zijn dat zelden

The dance of man and machine The headgear demonstrates that the humanities, which are commonly regarded as ‘soft sciences’, make use of empirical approaches as well as interpretive methods. The research into music, language and speech, but also into art and literature, involves an empirical aspect that can lead to unexpected results. The mechanical calculators dating from around 1950 are symbolical of mathematics, the language of ‘hard’ science. Naturally, mathematics amounts to more than just arithmetic, but one of its virtues is that it enables physicists and other scientists

Dans van mens en machine Het hoofdstel laat zien dat de ‘zachte’ alfawe­ tenschappen naast een interpreterende methode een empirische aanpak hanteren. Onderzoek naar muziek, taal en spraak, maar ook naar kunst en literatuur heeft een empirisch aspect dat tot onverwachte uitkomsten kan leiden. De rekenmachines uit circa 1950 staan symbool voor de wiskunde, de taal van de ‘harde’ weten­ schap. Natuurlijk is wiskunde méér dan rekenwerk, maar het is haar verdienste dat ze de natuurweten­ schappen en andere disciplines in staat stelt alles 17


Hoofdstel voor fonetisch onderzoek uit 1898. Het werd vervaardigd door Dirk Barend Kagenaar (1842-1924), instrumentmaker van het Physiologisch Laboratorium van de Universiteit Utrecht, naar een ontwerp van de foneticus Hendrik Zwaardemaker (1857-1930). Een aluminium band maakte bij de kaakhoeken en op de kin contact met de huid. Het apparaat registreerde de bewegingen van onderkaak en bovenlip tijdens het spreken en bracht die over op beroet papier.

Headgear for phonetic research dating from 1898. The instrument was made by Dirk Barend Kagenaar (1842-1924), instrument maker for the Physiological Laboratory of the University of Utrecht, after a design by the phonetician Hendrik Zwaardemaker (1857-1930). An aluminium strap made contact with the skin near the mandibular angles and on the chin. The device recorded the movements of the lower jaw and the upper lip during speech and transferred them to sooted paper.

18


Foto van de rekenafdeling van het Mathematisch Centrum met de rekendames. Bibliotheek Centrum voor Wiskunde en Informatica, Amsterdam.

Photograph of the arithmetic department of the Mathematical Centre with the computing ladies. Library of the Centre of Mathematics and Computer Science, Amsterdam.

uit te rekenen. Sinds een jaar of veertig wordt dat rekenwerk gedaan door steeds betere en snellere computers. Daaraan voorafgaande zaten bij het Mathematisch Centrum in Amsterdam vingervlug­ ge dames met rekenmachines dag in dag uit te rekenen­­­aan statistieken, vliegtuigen of Deltawer­ ken. Het was een dans van mens en machine: rekenen was mensenwerk. Zelfs de rekendames maakten wel eens fouten, in tegenstelling tot computers. Tegenwoordig maken we vooral fouten bij het interpreteren van berekenin­ gen, of het nu gaat om studierendementen, klimaat­ modellen, migratiecijfers of economische voorspellin­ gen. Cijfers lijken misschien ‘hard’ en onpersoonlijk, maar zijn dat zelden. Ze vragen om interpretatie, net zoals een oud handschrift. Daar herinneren de rekendames en hun rekenmachines ons aan.

to calculate everything. These past forty years or so, computations are carried out by increasingly better and faster computers. Before that, nimble ladies in the Mathematical Centre in Amsterdam were busy day after day providing calculations for statistics, aeroplanes or the Delta Works. It was a dance of (wo)man and machine: arithmetic was the work of humans. Even the computing ladies sometimes made mistakes, unlike computers. Nowadays we mainly make mistakes interpreting calculations, whether they relate to academic performance figures, climate models, migration statistics or economic forecasts. Figures may seem ‘hard’ and impersonal, but this is rarely the case. They require interpretation in the same way as an old manuscript. The computing ladies and their calculators serve to remind us of this. 19


Phonetics is the branch of linguistics that studies the production and interpretation of the sounds of speech. Louise Kaiser (1891-1973), the first female lecturer at the University of Amsterdam, was a pioneer in that field. Her research methods were ahead of her time. She experimented with audio equipment and was the first to make use of a large number of test subjects. In 1933, she established the Experi­ mental-Phonetics Laboratory, which was the predecessor of the University of Amsterdam’s Institute for Phonetic Sciences. The ‘Kaisereffect’, an irregularity in pitch in the pronunciation of certain vowels, was named after her.

Fonetiek is de tak van de taalkunde die het voortbrengen en verstaan van spraakgeluid be­ studeert. Louise Kaiser (1891-1973), de eerste vrouwelijke lector aan de UvA, was een pionier op dit gebied. In haar onderzoeksmethoden was zij haar tijd vooruit. Zij experimenteerde met geluidsapparatuur en maakte als eerste ge­ bruik van talrijke proefpersonen. In 1933 richtte zij het Experimenteel-Phonetisch Laboratorium op, waarvan het Instituut voor Fonetische Wetenschappen van de UvA een voortzetting is. Naar haar werd het ‘Kaiser-effect’ genoemd, een onregelmatigheid in toonhoogte bij de uitspraak van bepaalde klinkers.

Geen radicaal onderscheid Het is een mythe dat alfawetenschap zacht en bètawetenschap hard zou zijn. Alle weten­ schap, alfa, bèta en gamma, is mensenwerk. De interpreterende en historische aanpak is kenmer­ kend voor alfawetenschappen, maar zij maken ook gebruik van instrumenten; de wiskundige en experimentele aanpak is kenmerkend voor de bètawetenschappen, maar zij maken ook gebruik van interpretaties en historische analyses, bijvoorbeeld in de evolutiebiologie en de geologie. Nergens is een radicaal onderscheid te vinden tus­ sen de wetenschappen. Hooguit staan sommige alfawetenschappen aan het ene uiteinde van het wetenschappelijke spectrum en sommige bèta­ wetenschappen aan het andere. Maar de meeste wetenschappers staan er ergens tussenin. Om antwoorden op hun vragen te krijgen, gebruiken ze wat hen van pas komt — of dat nu instru­ menten, filosofische overwegingen of ellenlange berekeningen zijn.

No radical distinction It is a myth that the humanities are soft and the exact sciences are hard. All science, whether it involves the humanities, social sciences or the exact sciences, is down to the people doing them. The interpretive and historical approach is typical of the humanities, but they, too, make use of instruments. Conversely, the mathematical and experimental approach characterizes the natural sciences, but they, too, avail themselves of interpretations and historical analyses, for instance in evolutionary biology and geology. A radical distinction­­between the various sciences is nowhere to be found. At most some of the humanities find themselves at one end of the scientific spectrum and some of the exact sciences at the other. Most scholars and scientists, however, are somewhere in  between. To find answers to their questions, they use whatever serves their purpose – whether instruments, philosophical considerations or endless calculations.

20


Rens Bod is hoogleraar Digitale Geesteswe­ tenschappen en publiceert op het terrein van de taalkunde, muziekwetenschap, kunstmatige intelligentie en geschiedenis. Hij schreef boeken als Beyond grammar (1998), Data-oriented parsing (2001), Probabilistic linguistics (2003), The making of the humanities (2008-2012) en De vergeten wetenschappen (2010), dat in vijf talen is vertaald.

Bas Cornelissen volgde in zijn bachelorstudie een hoofdrichting wiskunde en studeert nu logica aan het Institute for Logic, Language and Computation. Daarnaast richtte hij met medestudenten­­­ De Omslag op, een open discussieplatform over de universiteit. Bas Cornelissen concentrated, during his bachelor­studies, on mathematics and is now studying logic at the Institute for Logic, Language and Computation. In addition, he and fellow students founded De Omslag, an open discussion platform about the University.

Rens Bod is professor of Digital Humanities and publishes in the area of linguistics, musicology, artificial intelligence and history. His publications include Beyond grammar (1998), Data-oriented parsing (2001), Probabilistic linguistics (2003), The making of the humanities (2008-2012) and De vergeten wetenschappen [The Forgotten Sciences] (2010), which has been translated into five languages.

21


DE WIJZE KOOPMAN

THE WISE MERCHANT

Barbara Baarsma

Barbara Baarsma

Economen wordt wel verweten dat ze de crisis niet hebben voorspeld. Los van de vraag of dat waar is, het is wel pijnlijk duidelijk geworden dat de economische wetenschap slechts een beperkte voorspellende waarde heeft. Gekscherend wordt wel gezegd dat weermannen, eveneens notoir onbetrouwbare voorspellers, er alleen toe dienen om economen in een beter daglicht te stellen. Naar mijn stellige overtuiging kunnen economen betekenisvollere uitspraken doen over hedendaag­ se vraagstukken, als ze de geschiedenis van het economisch denken kennen. Wat overigens niet betekent dat de economie ooit een exacte weten­ schap zal worden die nauwkeurige voorspellingen kan doen – het blijft een maatschappijweten­ schap.

Economists are sometimes blamed for not having predicted the recent crisis. Leaving aside the question of whether this is true, it has become painfully clear that economic science only has a limited predictive value. It is sometimes jokingly said that weathermen, also notoriously unreliable forecasters, are only there to make economists look better. It is my firm conviction that economists would be far better placed to make more significant claims about present-day issues, if they were familiar with the history of economic thought. Which, incidentally, is not the same as saying that economics will one day evolve into an exact science able to make accurate predictions – it will always remain a social science.

Economen kunnen betekenis­ vollere uitspraken doen over hedendaagse vraagstukken, als ze de geschiedenis van het economisch denken kennen

Economists would be far better placed to make more significant claims about present-day issues, if they were familiar with the history of economic thought

Tot mijn verrassing bleken de Bijzondere Collecties van de UvA prachtige exemplaren te bezitten van de boeken van oude economische denkers. Wij hebben er een aantal mogen selecteren voor Out of the box. De eerste is bekend bij economen en ook bij een breder publiek: An inquiry into the nature and causes of the wealth of nations, waar­ mee Adam Smith in 1776 de fundamenten legde voor de economische wetenschap. Van On Liberty, het meesterwerk uit 1859 van mijn favoriete econoom John Stuart Mill, bleken de Bijzondere Collecties een unieke volksuitgave uit 1865 te bezitten. Een andere kers op de boekentaart is

To my pleasant surprise I came across some wonderful copies of works by economic thinkers of the past in the Special Collections of the University of Amsterdam, some of which we were able to select for the Out of the box exhibition. The first one is familiar to both economists and the larger public: An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations, Adam Smith’s seminal work of 1776 which laid the foundation for economics. Special Collections also turned out to own a copy of a unique popular edition of 1865 of On Liberty, the masterpiece written by my favourite economist John Stuart Mill and originally published in 22


Adam Smith, An inquiry into the nature and causes of the wealth of nations, 2 delen, Londen 1776. Smith (1723-1790) geldt als grondlegger van de economische wetenschap.

Adam Smith, An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations, 2 parts, London 1776. Smith (1723-1790) is regarded as the founding father of economics.

23


een mooi exemplaar van de eerste editie van Friedrich Hayeks Preise und Produktion uit 1931, een van de redenen om hem in 1974 – samen met Gunnar Myrdal – de Nobelprijs voor economie toe te kennen.

1859. Another cherry on the book pie is a fine copy of the first edition of Friedrich Hayek’s Preise und Produktion of 1931. This book was one of the reasons why he was awarded the Nobel Prize in Economy in 1974, together with Gunnar Myrdal.

Inzichten Naast deze standaardwerken bleken de Bijzondere Collecties talrijke economische parels te bezit­ ten. Wat te denken van Het groote tafereel der dwaasheid, een grandioos prentenboek over de windhandel van 1720? Wie zich hierin verdiept, kan inzichten opdoen die ook voor de financiële crisis van 2008 en daarna van belang zijn. Leer­ boeken voor kooplieden illustreren op verrassende wijze dat Amsterdam een handelsstad was: men kon daaruit leren wisselkoersen en kortingspercen­ tages te berekenen en maten en gewichten om te rekenen. Tot slot kozen wij de rede over de Wijze Koopman, die Caspar Barlaeus in 1632 uitsprak bij de opening van het Athenaeum Illustre aan de Oudezijds Voorburgwal, de voorloper van de UvA. Barlaeus was van oordeel dat handel, wetenschap en filosofie hand in hand moeten gaan, een gedachte die ook de hedendaagse econoom ter harte kan nemen.

Insights In addition to these classics, Special Collections holds a great many more economic gems, such as Het groote tafereel der dwaasheid (The Great Mirror of Folly), a magnificent picture book dealing with the Bubble of 1720. Delve into this book and you will gain insights that are still relevant to the financial crisis of 2008 and beyond. Manuals for merchants illustrate in an unexpected way that Amsterdam was a city of trade: they were used to calculate exchange rates and reduction percentages and convert measurements and weights. We completed our selection with the lecture on the Wise Merchant, delivered by Caspar Barlaeus in 1632 at the opening of the forerunner of the University of Amsterdam, the Athenaeum Illustre on Amsterdam’s Oudezijds Voorburgwal. Barlaeus believed that trade, science and philosophy should join forces, an idea which modern economists might also take to heart.

ECONOMIE EN FILOSOFIE

ECONOMICS AND PHILOSOPHY

Chris van Merwijk

Chris van Merwijk

Ik loop al een tijdje rond met een vraag: als onze kennis over de werking van economieën steeds toeneemt, waarom zou je dan nog tijd steken in een oud boek van een econoom uit een ver verleden? Levert een hedendaags boek over zulke voorgangers niet betere inzichten op? De meeste natuurkundigen hebben bijvoorbeeld nooit de Principia Mathematica van Isaac Newton gelezen, omdat zijn theorieën op heldere en beknopte wijze verwoord zijn in moderne tekstboeken. Sommige economen lezen de oude boeken omdat

For some time now I’ve been pondering this question: if our knowledge about the workings of economies continues to increase, why spend time reading an old book written by an economist many years ago? Would a contemporary work dealing with these economic predecessors not yield more valuable insights? Most physicists, for instance, have not actually read Isaac Newton’s Principia Mathematica, because his theories are explained clearly and succinctly in modern textbooks. Some economists read the classics of 24


Het groote tafereel der dwaasheid: vertoonende de opkomst, voortgang en ondergang der actie-, bubbel en windnegotie…, Amsterdam 1720. Prachtig prentenboek over de grote windhandel van 1720. – [The great theatre of folly: representing the rise, progress and ruin of the action, bubble and wind speculation…], Amsterdam 1720. A magnificent picture book about the Bubble of 1720.

economics because they are intrinsically interested in intellectual history. It’s certainly a legitimate motivation, but it’s not one I share. I’m primarily interested in reality and less in ideas about reality.

zij een intrinsieke interesse hebben voor de geschiedenis van het denken. Dat is een legitieme motivatie, maar niet de mijne. Ik ben primair geïnteresseerd in de werkelijkheid en minder in ideeën over die werkelijkheid.

Less tangible I believe, however, that there is a qualitative difference between economics and physics and that neglecting the classics is not justified in the case of economics. While Newton’s ideas can be presented unambiguously, economics often deals with topics that are less tangible and transparent. It is in the nature of the discipline that it is practically impossible to make a statement without generating controversy – not only about the correctness of these statements, but even about their very meaning. Modern physics has questioned the validity of Newton’s theory, yet it is still clear to all what it entails. This is not so in the case of economics: the debate not only focuses on the correctness of the statements made by Adam Smith or

Minder grijpbaar Ik denk echter dat de economie kwalitatief anders is dan de natuurkunde en dat het negeren van oude werken in haar geval niet gerechtvaardigd is. Terwijl de ideeën van Newton eenduidig te verwoorden zijn, gaat de economie vaak over onderwerpen die minder tastbaar en overzichtelijk zijn. De aard van het vak brengt met zich mee dat het praktisch onmogelijk is uitspraken te doen zonder onenigheid te creëren – niet alleen over de juistheid van die uitspraken, maar zelfs over hun betekenis. De natuurkunde heeft de juistheid van Newtons theorie ter discussie gesteld, maar voor iedereen is duidelijk wat deze inhoudt. Bij de economie ligt dat anders: de discussie gaat niet alleen over de 25


juistheid van uitspraken van Adam Smith of John Stuart Mill, maar ook over de vraag hoe we die moeten interpreteren. De economie staat in dat opzicht dichter bij de filosofie dan bij de natuurkunde. Dat is één reden, zou ik zeggen, waarom iemand die geïnteresseerd is in de wer­ king van economieën er goed aan doet om naast de moderne ook de klassieke teksten te lezen.

John Stuart Mill, but also on the question of how to interpret them. In that sense economics has more in common with philosophy than with physics. It’s one reason, I would say, why anyone interested in the workings of economies would do well to read the classic texts in addition to the modern ones.

Barbara Baarsma is per 1 april 2016 directeur Kennisontwikkeling bij de Rabobank. Verder is zij hoogleraar Marktwerking en Mededingings­ economie aan de Universiteit van Amsterdam, kroonlid bij de Sociaal Economische Raad (SER) en lid van de Monitoring Commissie Corporate Governance. Voor haar overstap naar de Rabobank was zij directeur van SEO Economisch Onderzoek en lid van verschillende Raden van Commissarissen.

Chris van Merwijk is student en haalde zijn bachelor in zowel economie, politicologie als sociologie­. Hij hoopt nu een onderzoeksmaster in de economie te doen, waarbij hij zich wil verdiepen in de macro-economische rol van het financiële systeem. Chris van Merwijk is a student and earned his bachelor’s degrees in economics, political science and sociology. He is hoping to be accepted into the research master’s in the economics programme, in which he will investigate the macro-economic role of the financial system.

Barbara Baarsma has been director of the Development of Knowledge at the Rabobank since April 1, 2016. She is also professor of Market Forces and Competition Issues at the University of Amsterdam, crown-appointed member of the Social and Economic Council of the Netherlands (SER) and a member of the Monitoring Committee on Corporate Governance. Before accepting her position at the Rabobank, she was director of SEO Economic Research and a member of various boards of supervisory directors.

26


THE RETURN OF THE PHENOTYPE

THE RETURN OF THE PHENOTYPE

Amade M’charek en Lisette Jong

Amade M’charek and Lisette Jong

In juni 2000 werd de ruwe versie van de genetische kaart van de mens aan de wereld gepresenteerd. Toenmalig president van de Verenigde Staten Bill Clinton, toenmalig premier van Groot-Brittannië Tony Blair, de directeur van het Human Genome Project Francis Collins en de CEO van het com­ merciële bedrijf Cellera Genomics Craig Venter kondigden de kaart aan. Het feit dat de eerste genetische kaart van de mens door dit illustere gezelschap aan ons werd gepresenteerd, geeft te kennen dat het ergens over ging: het ging om niets minder dan de ‘road map to who we are’! Bij deze gelegenheid werd ook uit de doeken gedaan dat mensen in genetische zin zeer op elkaar lijken: in genetische termen zijn alle mensen voor 99,9% aan elkaar identiek. Hiermee werd het genetische bewijs geleverd dat ras niet bestaat.

In June 2000 the draft version of the human genome was presented to us by Bill Clinton, then President of the United States, Tony Blair, then Prime Minister of Great Britain, Francis Collins, Director of the Human Genome Project and Craig Venter, CEO of the commercial firm Cellera Genomics. That the first human genetic map was launched by such an illustrious quartet already indicates it was a momentous occasion, concerned with nothing less than the ‘road map to who we are’! On this occasion it was also explained that people are very much alike: in genetic terms, all human beings are 99.9 % identical. The genetic proof that race does not exist had been offered.

Is race really a closed chapter in history?

Geschiedenis is zelden een gesloten boek

Biologisation of external differences This post-racial claim made by genetics, however, is a topic of debate. The biomedical and forensic sciences, for instance, are greatly concerned with the 0.1 % of the genome in which human beings differ from each other. Social scientists argue that this type of research postulates differences on a molecular level which often seem to resonate with racial categorizations. In the RaceFaceID project we demonstrate that the molecularisation of differences on the level of the genotype coincides with a renewed attention for the phenotype, and for the biologisation of physical differences accordingly. To analyse this phenomenon, we examine forensic face making technologies that aim to give a face to unknown perpetrators and victims.

Biologisering van uiterlijke verschillen Deze post-raciale claim van de genetica kan echter ter discussie gesteld worden. Zo is er in de biomedische en forensische wetenschap juist enorm veel aandacht voor de 0,1% van het genoom waarin mensen van elkaar verschillen. Sociale wetenschappers laten zien hoe in deze praktijken op het moleculaire niveau verschillen worden verondersteld die verdacht vaak op raciale categorieën lijken. In het RaceFaceID project tonen we aan dat het moleculariseren van verschil op het niveau van het genotype hand in hand gaat met een hernieuwde aandacht voor het fenotype en daarmee voor de biologisering van uiterlijke verschillen. Om dit te onderzoeken kijken we naar 27


Blikje met ogen in oogleden voor oogkleurmeting volgens de Martin-Saller schaal, jaren dertig. Museum Vrolik, AMC/UvA.

Box with eyes with eyelids to measure iris colour according to the Martin-Saller scale, 1930s. Museum Vrolik, AMC/UvA.

hoe in de forensische opsporing een gezicht wordt gegeven aan onbekende daders en slachtoffers. Een van de technieken die in ons project aan de orde komen staat bekend als DNA phenotyping. Het omvat de mogelijkheid om op basis van DNA de geografische herkomst en de haar-, oog-, en huidskleur van een onbekende verdachte te voorspellen. De technologie wordt voortdurend uitgebreid, bijvoorbeeld in onderzoek naar de genetische basis van de vorm van het gezicht. In de wet op uiterlijk waarneembare persoons­ kenmerken op basis van DNA uit 2003 is de toepassing van dergelijke technologie in de forensische opsporing in Nederland geregeld.

One of the technologies discussed in our project is known as DNA phenotyping, a technology that enables the prediction of the biogeographical origin and the colours of the hair, eyes and skin of an unknown suspect on the basis of DNA. This technology is constantly expanded, for instance through research into the genetic basis of facial shapes. In the Netherlands, the use of such technology in forensic investigation has been regulated­­­since 2003 in a law on the inference of externally visible personal characteristics based on DNA. Lombroso Knowledge practices engaging with human appearance, in particular the face, has its roots in history. Physiognomy, establishing a relation between the facial features of people and their inner qualities, was already discussed by the ancient Greek philosophers. In eighteenthand nineteenth-century practices of phrenology, the shape and curves of the skull were seen as indicators­­­of the development of particular regions of the brain, and as such of an individual’s character. Lombroso (1835-1909), who was convinced he could identify criminals on the

Lombroso Kennispraktijken waarin het uiterlijk van de mens en het gezicht in het bijzonder centraal staan, hebben een lange geschiedenis. Zo kent de fysiognomie, het leggen van een relatie tussen gelaatskenmerken van mensen en hun innerlijke kwaliteiten, een geschreven traditie sinds de oud-Griekse filosofen. In de achttiende- en negentiende-eeuwse frenologie werden de vorm en de welvingen van de schedel gezien als een indicator voor de vorming van de daaronder 28


basis of external features, based himself on physiognomy and phrenology­­­ for his theory of the heredity of criminal behaviour. But this practice, which would later be condemned as quackery, was also called upon for a personal ‘check of character’ by prominent men of science like Francis Galton (1822-1911), the founder of eugenics.

gelegen hersenen en daarmee voor het karakter. Lombroso (1835-1909), die op basis van uiterlijke kenmerken criminelen meende te kunnen herkennen, baseerde zich ook op de fysiognomie en frenologie in zijn theorie over de erfelijkheid van misdadigheid. Maar deze later tot kwakzalverij veroordeelde praktijk werd ook aangewend als persoonlijke ‘karaktercheck’ door prominente figuren in de wetenschap als de grondlegger van de eugenetica Francis Galton (1822-1911).

Racial classification The analysis of the human skull and face did not stop after physiognomy and phrenology were denounced. Craniometry, the practice of measuring the skull, together with anthropometry, the practice of measuring physical features of living persons, obtained a place in anthropology. Anthropology was (and still is) concerned with mapping and classifying differences between people. In the nineteenth and early twentieth centuries­­, the practice was also concerned with the search for ‘racially pure’ peoples. In this context anthropologists examined and measured people in relatively isolated regions in the former Dutch colonies and in the Netherlands, for instance on the island of Urk. Anthropologists produced extensive and detailed reports of their measurements, including photographs of individuals who were thought to display traits considered to be typical of a certain population. To make these measurements and take photographs efficiently, instruments and protocols were developed which also served to standardize the methods. By quantifying the physical features of people on the basis of hair and eye colour charts and by taking measurements, the findings could be subjected to statistical analyses. Populations could thus be ‘typologized’, compared and ranked. This method of racial classification became discredited after the Second World War, when the practices described above came to be known as a period of racist science that had contributed directly and indirectly to legitimizing the atrocities in Europe and the former colonies.

Raciale classificatie Het analyseren van de menselijke schedel en het gelaat hield echter niet op met het afschrijven van de fysiognomie en frenologie. De praktijk van het meten van schedels, de craniometrie, kreeg naast de antropometrie, het meten van uiterlijke kenmerken van levende mensen, een plek in de antropologie. De antropologie hield (en houdt) zich bezig met het in kaart brengen en classificeren van verschillen tussen mensen. In de negentiende en vroege twintigste eeuw stond deze praktijk onder andere in het teken van de zoektocht naar ‘pure’ of ‘raszuivere’ volken. In dit kader werden door antropologen mensen bestudeerd en gemeten in relatief geïsoleerde gebieden in de koloniën en in Nederland, bijvoorbeeld op Urk. De antropologen produceerden uitgebreide en gedetailleerde rapportages van hun metingen, voorzien van foto’s van individuen die de voor een bepaalde bevolkingsgroep typerende kenmerken zouden vertonen. Voor het uitvoeren van metingen en fotografie werden instrumenten en protocollen ontwikkeld die tevens dienden ter standaardisatie van de methoden. Het vertalen van het uiterlijk van mensen in getallen middels haar- en oogkleurstalen en het doen van metingen, maakte dat de bevindingen onderworpen konden worden aan statistische analyses. Populaties konden aan de hand hiervan ‘getypeerd’, vergeleken en gerang­ schikt worden. Deze wijze van raciaal classificeren raakte na de Tweede Wereldoorlog in diskrediet. De hierboven beschreven praktijken kwamen te boek te staan als een periode van racistische wetenschap­­, die direct en indirect had bijgedragen 29


It is too easy, however, to say that race has become scientifically irrelevant after the Second World War. Is it really a closed chapter in history? The current mapping and documenting of physical features exists in an uncomfortable relationship with past practices. Even if this history is not present in words, it might be articulated in objects. Not only in the objects that end up in a repository of history, but also in the altered practices and instruments which are employed in contemporary laboratories and clinics.

aan het legitimeren van de gruwelijkheden in Europa en de koloniën. Met het idee dat ras na de Tweede Wereldoorlog wetenschappelijk irrelevant is geworden, maken we ons er te gemakkelijk van af. Geschiedenis is zelden een gesloten boek. Zo onderhoudt het in kaart en in beeld brengen van uiterlijke kenmerken een ongemakkelijke verhouding met de praktijken uit het verleden. Deze geschiedenis bestaat niet alleen in de woorden, maar ook in de dingen. Niet alleen in de dingen die in een depot van de geschiedenis geraken, maar ook in praktijken en instrumenten die in veranderde vorm dienst doen in hedendaagse laboratoria en klinieken.

C. Lombroso en G. Ferrero, Das Weib als Verbrecherin und Prostituierte…, Hamburg 1894. Lombroso classificeerde criminelen op grond van uiterlijke kenmerken en baseerde zijn theorie over de erfelijkheid van misdadigheid op de fysiognomie en frenologie.

C. Lombroso en G. Ferrero, Das Weib als Verbrecherin und Prostituierte… [Woman as criminal and prostitute...], Hamburg 1894. Lombroso classified criminals on the basis of external characteristics and based his theory of the heredity of criminality on physiognomy and phrenology.

30


Amade M’charek is hoogleraar Antropologie van de Wetenschap bij de afdeling Antropologie van de UvA. Ze geeft leiding aan het project RaceFaceID, een vijfjarig ERC-consolidator project. Met haar team onderzoekt zij forensische technieken waarmee aan een onbekend persoon een gezicht wordt gegeven. Daarbij wordt de vraag gesteld in hoeverre noties van ‘ras’ een rol spelen in zulke technieken.

Lisette Jong is promovendus bij de afdeling Antropologie en doet onderzoek binnen het RaceFaceID project. Haar onderzoek richt zich op het maken van gezichtsreconstructies op basis van de schedel, die worden ingezet voor forensische identificatie. Lisette Jong is a doctoral student in the Anthropology department and is engaged in research in the RaceFaceID project. Her research focuses on facial reconstructions based on the skull that are used in forensic identification.

Amade M’charek is professor of the Anthropology of Science in the Anthropology department of the University of Amsterdam. She is the head of the RaceFaceID project, a five-year European Research Council-consolidator project. Together with her team, she is investigating the forensic techniques by which a face can be given to an unidentified person. In addition, her team raises the question to what extent ‘race’ plays a role in such technologies.

31


TUSSEN GEEST EN BREIN

BETWEEN MIND AND BRAIN

Damiaan Denys en Eva Tolmeijer

Damiaan Denys and Eva Tolmeijer

De verhouding tussen geest en brein, of tussen ‘mind’ en ‘brain’, is een onderwerp dat filosofen, wetenschappers, psychologen en psychiaters al duizenden jaren fascineert. Beginnend bij Plato die onze wereld verdeelde in gedachten en werkelijk­heid, en culminerend in de zeventiende eeuw in René Descartes die de scheiding tussen geest en lichaam verkondigde, heeft de filosofie blootgestaan aan het verwijt dat zij de geest en het brein van elkaar heeft gescheiden.

The relation between mind and brain is a topic that has fascinated philosophers, neuroscientists, psychologists, and psychiatrists for thousands of years. Starting with Plato, who divided our world into mind and reality, and culminating in the seventeenth century in René Descartes as the ultimate protagonist of the mind-body dichotomy, philosophy has been blamed for disconnecting mind from brain definitely. Broca’s area The first experimental scientific evidence for tying mind and brain came from the French physician Pierre-Paul Broca (1824-1880). On a rainy night in 1861 a man knocked on the door of the Bicêtre hospital in Paris. The only words he could utter were ‘Tan… Tan’. Monsieur Tan, as he became known, was in full possession of his mental faculties except that he had completely lost the ability to speak and write. Broca discovered the cause of this language deficiency: a lesion in the frontal lobe of the left hemisphere of Mr Tan’s brain. This brain area is now referred to as Broca’s area, and the discovery initiated a wave of research in which many other brain areas were found to possess a specific function. Following on Paul Broca’s discovery, scientists in the years that followed attempted to understand and clarify how the mind was intertwined with the brain. One of them was Christoph Theodor Aeby (1835-1885). This Swiss anatomist made a phantom model of the course of nerve fibers in the human brain and spinal cord to represent the organisation of different brain structures. His model was reproduced by optician and engineer F. Büchni in 1885, and is being used to teach students about brain structures and fiber networks up to this day.

Het gebied van Broca Het eerste empirisch wetenschappelijk bewijs dat geest en lichaam verbonden zijn, werd geleverd door de Franse arts Pierre-Paul Broca (1824-1880). Op een regenachtige avond in 1861 klopte een man op de deur van het ziekenhuis Bicêtre in Parijs. De enige woorden die hij kon uitbren­ gen waren ’Tan… Tan’. Monsieur Tan, zoals hij werd genoemd, beschikte over al zijn geestelijke vermogens, behalve dat hij niet langer in staat was te spreken of te schrijven. Broca ontdekte de oorzaak van zijn taalstoornis: een beschadiging aan de frontale kwab van zijn linker hersenhelft. Dit hersengebied wordt sindsdien aangeduid als het gebied van Broca. Deze ontdekking vormde de aanzet tot een onderzoeksgolf waarin werd vastgesteld dat talrijke andere hersengebieden eveneens een specifieke functie hebben. In de jaren na de ontdekking van Paul Broca probeerden­­­wetenschappers te begrijpen en te verhelderen­­­hoe ‘mind’ en ‘brain’ met elkaar verweven zijn. Een van hen was Christoph Theodor Aeby (1835-1885). Deze Zwitserse anatoom maakte een model – een ‘Phantom’, op z’n Duits – van de loop van zenuwbanen in de menselijke hersenen en de ruggengraat, waarmee hij de organisatie­­­ van verschillende hersenstructuren wilde­­­visualiseren. Zijn model werd in 1885 32


‘Fantoom’ of model van de loop van de zenuwbanen in hersenen en ruggengraat, dat beoogt de verschillende hersenstructuren weer te geven. Reproductie van het model van Chr. Aeby door F. Büchni (Bern, voor 1885). Museum Vrolik, AMC/UvA.

‘Fantom’ or model of the course of nerve fibers in the brain and spinal cord, representing the various brain structures. Reproduction of Chr. Aeby’s model by F. Büchni (Bern, before 1885). Museum Vrolik, AMC/UvA.

33


Psychoanalysis According to Sigmund Freud (1856-1939), the research conducted on brain anatomy and physiology in the late nineteenth century was too simplistic. He initiated a new science of mind and brain. Freud believed that repression of conscious thoughts into the subconscious may result in bodily symptoms and that freeing these repressed thoughts could be achieved by an ‘analysis’ of the mind or the ‘psyche’. Psychoanalysis was born. At the time Freud was in contact with the famous Dutch writer and psychiatrist Frederik van Eeden (1860-1932). Both strongly believed that the mind exerted great influence on the brain, often in very mysterious ways. But in those days technology fell short to really understand the relation between the complexity of the mind and the physical properties of the brain.

gereproduceerd door de Zwitserse opticien en ingenieur F. Büchni en wordt tot op de dag van vandaag gebruikt om studenten te leren hoe hersenstructuren en zenuwbanen in elkaar zitten. Psychoanalyse In de ogen van Sigmund Freud (1856-1939) was het onderzoek in de late negentiende eeuw naar de anatomie en fysiologie van de hersenen te eenzijdig. Hij ontwikkelde een nieuwe wetenschap van de geest en het brein. Freud meende dat gedachten in het bewustzijn konden worden onderdrukt­­door het onderbewuste, dat die onderdrukking lichamelijke klachten kon veroorza­ ken en dat het opheffen van de onderdrukking kon worden bereikt door een ‘analyse’ van de geest of de ‘psyche’. En zo werd de psychoanalyse geboren. Freud stond in die tijd in verbinding met de beroemde Nederlandse schrijver en psychiater Frederik van Eeden (1860-1932). Beiden geloofden er heilig in dat de geest een grote invloed uitoefent op het brein, veelal op mysterieuze wijze. In die tijd was de technologie nog veel te weinig ontwikkeld om de verhouding tussen de complexiteit van de geest en de fysieke eigenschappen van het brein te kunnen begrijpen.

In science we love to distinguish mind from brain, in reality we cannot separate them Deep Brain Stimulation Ideas about the mind-brain relation have changed constantly in the past decades. Developments in the treatment of neurological and psychiatric disorders force scientists and clinicians to reflect constantly on how mind and brain relate to each other. How is it possible, for example, that patients with Obsessive Compulsive Disorder (OCD) are incapable of controlling their own mind? Recently, Deep Brain Stimulation (DBS) is being applied to patients with severe OCD. DBS, a treatment by which electrodes electrically stimulate specific brain areas (brain), is however, more successful when combined with Cognitive Behavioural Therapy (CBT) (mind). This indicates that treating both mind and brain is essential in treating psychiatric and neurological disorders. In science we love to distinguish mind from brain, in reality we cannot separate them.

In de wetenschap zetten we de geest en het brein bij voorkeur in afzonderlijke hokjes, maar in werkelijkheid kunnen we ze niet van elkaar scheiden Deep Brain Stimulation De ideeën over de verhouding tussen ‘mind’ en ‘brain’ zijn de afgelopen decennia steeds aan verandering onderhevig. Ontwikkelingen in de behandeling van neurologische en psychiatrische klachten dwingen wetenschappers en artsen om voortdurend na te denken over de interactie tussen geest en brein. Hoe is het bijvoorbeeld mogelijk­­­dat patiënten met dwangmatige 34


Aeby’s ‘fantom of the nerve fibers’ is a model that demonstrates the complex interaction between neurons in the brain. In the relation between ‘mind’ and ‘brain’, the brain fantom represents the physical component. As an illustration of ‘mind’, we are showing in the exhibition works by Frederik van Eeden, who – like Freud – expected much of therapies like hypnosis. Both psychiatrists held that the mind can influence the brain. At first sight, Deep Brain Stimulation seems to oppose this conviction. Applying Deep Brain Stimulation to patients with compulsive disorders, however, has proven that this treatment of the brain is more effective when it is combined with a therapy that is focused on the ‘mind’.

Aeby’s ‘fantoom van de zenuwbanen’ is een model dat de complexe interactie tussen neuronen in de hersenen weergeeft. In de ver­ houding tussen ‘mind’ en ‘brain’ representeert het hersenfantoom de fysieke component. Als illustratie van ‘mind’ laten we op de tentoon­ stelling geschriften zien van Frederik van Eeden, die – evenals Freud – veel heil verwachtte van therapieën als hypnose. Beiden gingen ervan uit dat de geest het brein kan beïnvloeden. Op het eerste gezicht lijkt Deep Brain Stimulation de tegenhanger van die gedachte. Toepassing bij patiënten met dwangstoornissen toont echter aan dat deze behandeling van het brein effec­ tiever is, wanneer zij wordt gecombineerd met een therapie die zich richt op de ‘mind’.

gedachten­­­– Obsessive Compulsive Disorder (OCD) – niet in staat zijn hun eigen geest te beheersen? De laatste tijd wordt Deep Brain Stimulation (DBS) toegepast op patiënten met zware OCD. De behandeling met DBS, waarbij elektrodes worden gebruikt om specifieke hersengebieden te stimuleren, richt zich op ‘brain’, maar deze is succesvoller in combinatie met een cognitieve gedragstherapie die zich richt op ‘mind’. Die samenhang wijst erop dat een behandeling van zowel de geest als het brein essentieel is in de behandeling van psychiatrische en neurologische klachten. In de wetenschap zetten we de geest en het brein bij voorkeur in afzonderlijke hokjes, maar in werkelijkheid kunnen we ze niet van elkaar scheiden.

Frederik van Eeden rond 1900 – Frederik van Eeden around 1900.

35


Damiaan Denys heeft filosofie en geneeskunde gestudeerd. Hij is hoogleraar psychiatrie aan de UvA, afdelingshoofd psychiatrie van het AMC en is met een onderzoeksgroep verbonden aan het Nederlands Herseninstituut (KNAW). Hij doet klinisch en neurobiologisch onderzoek op het terrein van impulsiviteit en compulsiviteit. Een bijzondere focus van zijn onderzoek is de ontwikkeling­­­van diepe hersenstimulatie bij psychiatrische­­ aandoeningen.

Eva Tolmeijer is student aan het Amsterdam University College. Ze doet haar major in Social Sciences (Cognition and Health), en haar minor in Sciences (Biology en Biomedical Sciences). Op dit moment is ze bezig met onderzoek voor haar bachelor-thesis onder supervisie van Damiaan Denys. Ze richt zich op de verwachtingen en ervaringen die patiënten met dwangstoornissen hebben ten aanzien van hun behandeling met diepe hersenstimulatie.

Damiaan Denys studied philosophy and medicine­­­. He is professor of psychiatry at the University of Amsterdam, head of the department of psychiatry at the AMC hospital and is a member of a research group at the Netherlands Institute for Neuroscience (KNAW). He is engaged in clinical and neurobiological research in the area of impulsive and compulsive disorders. A special focus of his research is the development of deep brain stimulation in cases of psychiatric disorders.

Eva Tolmeijer is a student at Amsterdam University College. She is majoring in Social Sciences (Cognition and Health), and minoring in Sciences (Biology and Biomedical Sciences). She is presently doing research for her bachelor thesis under the supervision of Damiaan Denys. She is studying the expectations and experiences of patients with compulsive disorders with respect to their treatment with deep brain stimulation.

36


VAN MUZIEK NAAR MUZIKALITEIT

FROM MUSIC TO MUSICALITY

Henkjan Honing en Carlos Vaquero

Henkjan Honing and Carlos Vaquero

Wij onderzoeken niet zozeer wat een bepaalde me­ lodie­­, harmonie of ritme tot muziek maakt, maar veeleer welke vermogens je in staat stellen iets als muziek te ervaren. Daarmee verschuift de aandacht van muziek naar muzikaliteit. Bij de bouwstenen van muzikaliteit kun je denken aan het relatieve ge­ hoor­­en het maatgevoel; met het eerste herkennen we een melodie, los van de toonhoogte waarop die wordt gezongen, terwijl het tweede ons in staat stelt een regelmaat te horen in een variërend ritme. Beide vermogens zijn onontbeerlijk om met anderen muziek te kunnen maken. Het zijn vaardig­ heden die zich spontaan ontwikkelen bij baby’s en jonge kinderen. En het zou heel goed kunnen dat maatgevoel en relatief gehoor wezenlijk bijdragen aan onze hoedanigheid van muzikale dieren.

Our research does not focus so much on what turns a given melody, harmony or rhythm into music, but rather which of our abilities enable us to experience something as music. Our chosen perspective shifts the attention from music to musicality­­­. Among the components of musicality are relative hearing and sense of rhythm; the former allows us to recognize a melody regardless of the pitch at which it is sung, while the latter enables us to hear regularity in a varying rhythm. Both abilities are essential to be able to make music with others. They are skills that develop spontaneously in babies and small children. It is very well possible that our sense of rhythm and relative hearing contribute fundamentally to what makes us musical animals.

De dansende vogel was de aanjager van een hernieuwd onderzoek naar muzikaliteit en de mogelijke biologische basis van muziek

The dancing bird triggered renewed research into musicality and the possible biological basis of music Cockatoo’s got rhythm For the exhibition we selected the transcriptions of bird sounds made by the biologist Jac. P. Thijsse (1865-1945). He not only phonetically noted bird song and chirping, but also attempted to render them in musical notation. Occasionally he observed­­­that a bird sounded ‘seriously out of tune’, which is to say, of course, to our ears, not to those of the birds. His records are a fine example of the numerous keen attempts made in the past to capture bird song in musical notation. Following the introduction of the sonogram and other technologies, bird sounds have been analysed on a large scale, which has demonstrated

Kaketoe met maatgevoel Voor de tentoonstelling selecteerden wij de transcripties die de bioloog Jac. P. Thijsse (18651945) maakte van vogelgeluiden. Hij noteerde niet alleen fonetisch hun gezang en getjilp, maar deed ook een poging het in notenschrift weer te geven. Soms stelde hij vast dat een vogelgeluid ‘zeer valsch’ klonk – dat wil zeggen, in onze oren en niet in die van de vogels. Zijn registratie is een mooi voorbeeld van de vele enthousiaste pogingen die in het verleden zijn ondernomen om vogelzang in muziekschrift te vangen. Sinds de introductie van het sonogram en andere technieken zijn vogelgelui­ 37


Een ‘toestel van Boeke’, 1920-1930. Het meettoestel werd aan het einde van de negentiende eeuw ontwikkeld­­door de foneticus Hendrik Zwaardemaker van de Universiteit van Utrecht.

‘Boeke’s device’, 1920-1930. The measuring device was developed at the end of the nineteenth century by the phonetician Hendrik Zwaardemaker of the University of Utrecht.

den op grote schaal geanalyseerd, waaruit blijkt dat de overeenkomsten met menselijke muziek beperkt zijn. In 2009 verscheen echter een wetenschap­ pelijk artikel over Snowball, een witte kaketoe die over maatgevoel beschikte. Snowball bracht in de biologie een sneeuwbaleffect teweeg: de dansende vogel was de aanjager van een hernieuwd onder­ zoek naar muzikaliteit en de mogelijke biologische basis van muziek.

that the similarities with human music are limited. In 2009, however, a scientific article was published on Snowball, a white cockatoo with a sense of rhythm. Snowball caused something of a snowball effect in biology: the dancing bird triggered renewed research into musicality and the possible biological basis of music. Analysis of sound The first devices for analysing sounds were developed towards the end of the nineteenth century. One example is ‘Boeke’s device’, which is on display­­in the exhibition. This apparatus illustrates the nineteenth-century passion to develop instruments and methods for analysing music and speech.

Analyse van geluid Aan het einde van de negentiende eeuw werden de eerste apparaten ontwikkeld om geluiden te analyseren. Een voorbeeld is het ‘toestel van Boeke’, dat op de tentoonstelling te zien is. Het illustreert de negentiende-eeuwse drang om 38


Jac. P. Thijsse, kaarten met aantekeningen over honderd Nederlandse vogelsoorten en hun zang, 1908-1939.

Jac. P. Thijsse, cards with notes about a hundred Dutch bird species and their song, 1908-1939.

instrumenten en methodes te ontwikkelen voor het analyseren van muziek en spraak. Jan Daniel Boeke (1842-1902), een scheikundige met een brede interesse, gebruikte dit toestel om de groeven van geluidsopnames, gekrast in een wasrol, microsco­ pisch te onderzoeken. Zo wilde hij de menselijke stem analyseren. De wasrol was een uitvloeisel van de fonograaf, die Thomas Edison in 1877 had uit­ gevonden. Het was de eerste geluidsdrager waar­ mee je geluid kon opnemen en afspelen. Boeke­­­ bestudeerde met de microscoop de diepte en de wijdte van de groeven die de geluidsopname in de waslaag had achtergelaten. Met de hand noteerde hij meetresultaten, waarna hij de frequenties van de opgenomen geluiden berekende.

Jan Daniel Boeke (1842-1902), a chemist with many interests, used this device to microscopically examine the grooves of sound recordings engraved on a wax cylinder. In this way he hoped to be able to analyse the human voice. The wax cylinder was developed in the context of the invention of the phonograph invented by Thomas Edison in 1877. It was the first medium with which sound could be recorded and reproduced. Using a microscope Boeke studied the depth and width of the grooves which the sound recording had traced in the wax layer. He then noted the measuring results, after which he calculated the frequencies of the recorded sounds. Musical patterns Boeke’s research aimed at classifying and describing the human voice. He did so by looking for recurring patterns in the grooves which the sound recordings had traced in the wax layer. His device may be regarded as one of the first audio information retrieval instruments. Similar devices were used in musicology, for instance by

Muzikale patronen Het doel van Boekes onderzoek was de menselijke stem te classificeren en te beschrijven. Dat deed hij door te zoeken naar terugkerende patronen in de groeven die de geluidsopnames hadden achtergela­ ten in de waslaag. Zijn toestel kan worden gezien als een van de eerste instrumenten voor audio 39


information retrieval. Vergelijkbare toestellen werden gebruikt in de muziekwetenschap, bijvoorbeeld door de etnomusicoloog Jaap Kunst die daarmee muziekopnames analyseerde. Het resultaat was dat er allerlei muzikale patronen werden ontdekt. En dat leverde weer nieuwe vragen op: zijn deze patronen over de hele wereld en bij alle mensen dezelfde? Hoe komt het dat we deze geluiden herkennen als muziek? De ontwikkeling van de computationele musicologie heeft fascinerende resultaten opgeleverd, maar er moet nog veel gebeuren om deze vragen echt te kunnen beantwoorden.

the ethnomusicologist Jaap Kunst, who used them to analyse music recordings. His research pointed to the existence­­of various musical patterns, which in turn raised new questions. Are these patterns identical across the globe and are they the same for all people? How is it that we recognize these sounds as music? The development of computational musicology has yielded some fascinating results, but a lot still needs to be done before questions like these can be answered satisfactorily.

Henkjan Honing is als hoogleraar Muziekcognitie verbonden aan zowel de Faculteit der Geesteswe­ tenschappen als die der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica. Zijn recente onderzoek heeft als doel de vraag te beantwoorden wat muzikaliteit is of kan zijn, en in hoeverre we deze capaciteit delen met andere dieren, om er zo achter te komen wat de cognitief-biologische bouwstenen zijn van muzikaliteit.

Carlos Vaquero is promovendus aan het Institute for Logic, Language and Computation van de UvA, onder begeleiding van Henkjan Honing. Muziek, geluidstechniek en muzikale informatica hebben zijn interesse. Zijn onderzoek richt zich op de wijze waarop de eigenaardigheden van een muzikant en zijn persoonlijke stijl een stempel drukken op de uitvoering van muziek.

Henkjan Honing is associated with both the Humanities Faculty and the Faculty of Physics, Mathematics and Computer Sciences as professor of Music Cognition. His recent research is aimed at determining what musicality is or can be, and the extent to which we share this capacity with other animals, in order to discover its cognitive biological foundations.

Carlos Vaquero is a doctoral student at the Institute for Logic, Language and Computation at the UvA, under the supervision of Henkjan Honing. He is interested in music, acoustic techniques and music in the computer sciences. His research is concerned with the means by which the characteristics­­­of a musician and his individual style have an impact on the realisation of music.

40


DE RECHTSPOSITIE VAN NEDERLANDSE JODEN, 1615-1801

THE LEGAL POSITION OF DUTCH JEWS, 1615-1801

Marc de Wilde en Emma Rengers

Marc de Wilde and Emma Rengers

Joden die in Portugal blootstonden aan vervol­ ging vluchtten vanaf de late zestiende eeuw naar de Republiek der Verenigde Nederlanden. De migranten vestigden zich in steden als Amsterdam, Alkmaar en Haarlem. In 1615 kreeg de beroemde jurist Hugo de Groot van de Staten van Holland en West-Friesland opdracht een reglement te ontwerpen, waarin de rechten en plichten van deze nieuwkomers werden vastgelegd. De Groots ‘joden-reglement’ is voor zijn tijd opmerkelijk to­ lerant. Zo stelde hij dat joden het recht hadden in vrijheid hun religie te belijden, zij het in besloten kring; en dat ze niet in aparte wijken hoefden te wonen of onderscheidende tekens hoefden te dragen, wat elders in Europa wél het geval was. Opmerkelijk is ook De Groots uitvoerige toelich­ ting op het reglement, waarin hij onder meer wijst op de plicht om vreemdelingen gastvrijheid te verlenen – een thema dat ook tegenwoordig een grote actualiteitswaarde heeft.

From the late sixteenth century, Jews who were persecuted in Portugal migrated to the Dutch Republic, where they settled in cities like Amsterdam, Alkmaar and Haarlem. In 1615 the States of Holland and West-Friesland commissioned the eminent jurist Hugo Grotius to draft a set of regulations laying down the rights and obligations of these newcomers. Grotius’ ‘joden-reglement’ (Regulations to be imposed upon the Jews) is a document that is remarkably tolerant for its times. Thus Grotius argued that Jews had the right to practise their religion freely, although not in public; nor did they have to live in separate quarters or wear distinctive badges, as was certainly the case elsewhere in Europe. Grotius provided an elaborate comment to his regulations, which is also noteworthy to read. In it he refers to the duty of providing hospitality to strangers – a theme with great relevance to our present times.

De Groot wijst op de plicht om vreemdelingen gastvrijheid te verlenen

In it he refers to the duty of providing hospitality to strangers

Kwetsbare gemeenschap De Groots reglement stelde echter ook grenzen aan de rechten van joden. Ze werden bijvoorbeeld zwaar gestraft, wanneer ze zich schuldig maak­ ten aan belediging van Christus. Deze bepaling gaf schuldenaren van joden de mogelijkheid hen valselijk te beschuldigen van godslastering en door middel van die chantage kwijtschelding af te dwingen. Daarom wilde de anonieme schrijver

A vulnerable community Grotius’ regulations, however, also imposed limits on the rights of the Jews. They were to be punished severely, for instance, if they were found guilty of defaming Christ. This provision provided debtors of Jews with a loophole to falsely accuse them of blasphemy and so blackmail them into cancelling the debt. That is why the anonymous writer of a letter dating from 1616 proposed to 41


Reactie van een anonieme joodse schrijver op het reglement van Hugo de Groot. De brief uit 1616, mogelijk van Isaac Franco, is opgesteld in het Portugees.

Response by an anonymous Jewish writer to Grotius’ set of regulations. This letter of 1616, possibly written by Isaac Franco, is in Portuguese.

van een brief uit ca. 1616 het reglement uitbreiden met de bepaling dat christelijke schuldenaars niet tegen hun joodse schuldeisers mochten getuigen. Het verzoek illustreert hoe kwetsbaar de joodse gemeenschap was, ondanks de relatief tolerante houding van de Hollandse regenten.

add to Grotius’ regulations the provision that Christian debtors were not allowed to testify against their Jewish creditors. His proposal illustrates­­how vulnerable the Jewish community was, in spite of the relatively tolerant attitude of the regents of Holland.

Vrij en met gelijke rechten Lag in de zeventiende eeuw de nadruk op de collectieve rechten van joden, tijdens de Bataafse Republiek (1795-1801) verschoof deze naar hun rechten als individuele burgers. Aan het begin van de Franse Revolutie werden deze burgerrech­ ten opgetekend­­­in de fameuze Déclaration des droits de l’homme et du citoyen , die onder meer stelde dat alle mensen ‘vrij en met gelijke rechten’ geboren­­­ worden.

Free and with equal rights In the seventeenth century the emphasis lay on the collective rights of Jews, but in the years of the Batavian Republic (1795-1801), it shifted to their rights as individual citizens. At the start of the French Revolution, these civil rights were formulated in the famous Déclaration des droits de l’homme et du citoyen, which claimed that all men were born ‘free and with equal rights’. Following the Batavian Revolution of 1795, the 42


Hebreeuwse vertaling van de verklaring van de rechten van de mens, Amsterdam 1798.

Hebrew translation of the Declaration of the Rights of Man, Amsterdam 1798.

43


Dutch counterpart of the French Revolution, the Verklaring van de Regten van de Mensch en Burger (The Declaration of the Rights of Man and the Citizen) provided the basis for the new constitution. The ideal of equality expressed in it helped promote the legal emancipation of the Jews. On 2 September 1796 the National Assembly in The Hague adopted the ‘Decreet over den Gelykstaat der Joden met alle andere Burgers’ (Decree relating to the Equality of the Jews with All Other Citizens). The decree explicitly stated that the Jews had equal rights, adding that ‘only individuals are vested with civil rights and with the right to vote, and it would be an absurdity to confer it upon any community, collectively regarded, as society is not made up of separate bodies, but of individual members.’

Na de Bataafse Revolutie van 1795, de Nederlandse pendant van de Franse, werd de Verklaring van de Regten van de Mensch en Burger het fundament van de nieuwe orde. Het gelijkheidsideaal dat daar­ in tot uitdrukking kwam droeg bij aan de juridische emancipatie van de joden. Op 2 september 1796 werd in de Nationale Vergadering in Den Haag het ‘Decreet over den Gelykstaat der Joden met alle andere Burgers’ aangenomen. Het stelde uit­ drukkelijk dat de joden gelijke rechten hadden en voegde daaraan toe dat ‘het Stem- en Burgerreght alleen toekomt aan individuen en dat het eene ongerymdheid zyn zou, hetzelve toe te kennen aan enig genootschap, collective genomen, daar de maatschappy niet is eene verzameling van corpora, maar van individueele Leden.’ Tobias Asser De verbeterde rechtspositie van joden was de opmaat voor hun maatschappelijke emancipatie. Een voorbeeld daarvan is de Amsterdamse familie Asser, die een vooraanstaande positie verwierf in het publieke leven. Tobias Asser (1838-1913) was een prominent rechtsgeleerde aan de Universiteit van Amsterdam en won in 1911 de Nobelprijs voor de Vrede. Asser had zijn succes mede te danken aan de gelijkberechtiging en zette zich daarom ook in voor de gelijke rechten van man en vrouw. Vandaag de dag is het gelijkheidsideaal algemeen geaccepteerd, maar zijn er nog steeds groepen die in de praktijk niet aanmerking lijken te komen voor gelijke rechten. Hoe zit het bijvoor­ beeld met de rechten van illegalen of migranten?

Tobias Asser The improved legal position of the Jews precipitated their social emancipation. An example is the Asser family of Amsterdam, which held a prominent position in public life. Tobias Asser (1838-1913) was a leading jurist at the University of Amsterdam and won the Nobel Peace Prize in 1911. Asser partly owed his success to the emancipation of the Jews and as a result he was also greatly committed to equal rights for men and women. Nowadays the ideal of equality is generally accepted, but there are still groups in society that are marginalized. What about the rights of illegal residents or migrants, for instance?

44


Marc de Wilde is hoogleraar Algemene Rechtsleer aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. Zijn onderzoeksinteressen omvatten onder meer de theorie en geschiedenis van de rechtsstaat, mensenrechten en de relatie tussen noodbevoegd­ heden en constitutionele verandering.

Emma Rengers is tweedejaars student aan de nieuwe, interdisciplinaire bacheloropleiding ‘Politics, Psychology, Law, and Economics’ (PPLE). Ze specialiseert zich op dit moment in rechten. Emma Rengers is a second-year student in the new, interdisciplinary bachelor programme ‘Politics, Psychology, Law, and Economics’ (PPLE). She is currently specialising in law.

Marc de Wilde is professor of General Introduction to Law at the Faculty of Law. His research interests include the theory and history of the rule of law, human rights and the relation between emergency powers and constitutional change.

45


COLOFON

CREDITS

Deze uitgave van de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam verschijnt ter gelegenheid van de tentoonstelling Out of the box, gehouden van 18 maart tot en met 4 september 2016 aan Oude Turfmarkt 129 in Amsterdam.

This publication by the Special Collections of the University of Amsterdam appears on the occasion­­­ of the exhibition Out of the box, 18 March – 4 September on 129, Oude Turfmarkt in Amsterdam.

© the authors Editor: Sytze van der Veen Translation: Cis van Heertum Photography: Stephan van der Linden

© de auteurs Redactie: Sytze van der Veen Engelse vertaling: Cis van Heertum Fotografie: Stephan van der Linden

The editors wish to thank the Anton Pannekoek Institute of the Faculty of Science, Mathematics and Computer Science of the UvA; the Vrolik Museum of the Academical Medical Center; and the Center for Mathematics and Computer Science in Amsterdam for kindly making available a number of illustrations. All other illustrations in this book derive from the Special Collections of the UvA.

Voor het beschikbaar stellen van illustraties danken de samenstellers het Anton Pannekoek Instituut van de Faculteit der Natuurkunde, Wiskunde en Informatica van de UvA; het Museum Vrolik van het Academisch Medisch Centrum; en het Centrum voor Wiskunde en Informatica in Amsterdam. De andere afbeeldingen in dit boek zijn afkomstig uit de Bijzondere Collecties van de UvA.

Free admission for staff and students of the University of Amsterdam and the Hogeschool van Amsterdam to the Special Collections and the Allard Pierson Museum.

Medewerkers en studenten van de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam hebben altijd gratis toegang tot de tentoon­ stellingen bij de Bijzondere Collecties en het Allard Pierson Museum.

46


De erfgoedcollecties van de Universiteit van Amsterdam omvatten ruim duizend deelcollecties met zo’n twee miljoen objecten. Het erfgoed in de Bijzondere Collecties, de Artis Bibliotheek en het Allard Pierson Museum vertegenwoordigt vele disciplines in wetenschap en kunst en telt tal van onvervangbare werken van museale kwaliteit, van eeuwenoud tot hedendaags. De verzamelingen staan ten dienste van onderwijs en onderzoek, maar ook van een algemeen publiek en worden uitgelicht in tentoonstellingen, lezingen en presentaties. Medewerkers en studenten van de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam hebben altijd gratis toegang tot de tentoon­ stellingen bij de Bijzondere Collecties en het Allard Pierson Museum.

Contact Oude Turfmarkt 129, Amsterdam www.bijzonderecollecties.uva.nl

The heritage collections of the University of Amsterdam contain some two million items divided into more than a thousand sub-collections. The heritage items in the Special Collections, the Artis Library and the Allard Pierson Museum represent a broad range of disciplines in the sciences and the arts and include numerous irreplaceable works of museum quality, dating from centuries ago up to the present day. The collections are vital to education and research, but are also accessible to the general public, highlighted in exhibitions, lectures and presentations. Free admission for staff and students of the University of Amsterdam and the Hogeschool van Amsterdam to the Special Collections and the Allard Pierson Museum.

Out of the box: eight stories about research and heritage  

The long history of the University of Amsterdam is reflected in its heritage collections. The more than a thousand sub-collections containin...

Out of the box: eight stories about research and heritage  

The long history of the University of Amsterdam is reflected in its heritage collections. The more than a thousand sub-collections containin...

Advertisement