APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 117

Page 1

ALLARD PIERSON MEDEDELINGEN 117 - 2018

Egyptische make-up paletten in het museum ‘De schone is gekomen’ Stabiele factor in een veranderende wereld


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8 ­­­

Inhoud APm nummer 117 2

8

1

Samenwerken en vernieuwing

12

20

12

Wim Hupperetz

Een collectie in ballingschap – de archeologische collectie van Israël Galerie Linka

2018 belooft voor ons museum een overgangsjaar te worden.

Elon Heymans

2

De Egyptische make-up paletten in het museum Willem van Haarlem

Door een aantal recente langdurige bruiklenen van het Gemeentemuseum in Den Haag bezit het Museum nu een representatieve collectie Oudegyptische make-up paletten.

7

Een groep archeologische objecten uit Israël vormt een nieuwe aanwinst voor het Allard Pierson Museum. Afkomstig uit de voormalige collectie van Israël Galerie Linka te Amsterdam, vult de schenking een lacune in de verzameling van het museum op het gebied van de archeologie van het antieke Mediterrane gebied, en specifiek die van de zuidelijke Levant.

19

Een Venetiaanse verstekeling

Een kiezenflesje van een oogarts

- column -

- column -

Geralda Jurriaans-Helle

René van Beek

20

8

Stabiele factor in een veranderende wereld

‘De schone is gekomen’

Geralda Jurriaans-Helle

Vincent Boele

Emiel Frenkel was ruim 20 jaar conservator van het museum. Na zijn pensioen werkte hij nog 30 jaar als vrijwilliger. Hij zette de elektronische database met beschrijvingen van alle voorwerpen op.

De oude Egyptenaren waren dol op het leven. Ze genoten ervan. Ze konden zich niet voorstellen dat alles bij de dood zou ophouden en geloofden zelfs dat ze ooit weer zouden opstaan uit de dood.

Pl. I Voorzijde omslag Fragment van een sarcofaag. Het gezicht met bovenste deel van de pruik, versierd met bloembladen en lotusbloemen is bewaard gebleven. Beschilderd hout, Late Tijd, APM 4076 (zie artikel De schone is gekomen).

Pl. I I Achterzijde omslag Amforiskos (klein amfoortje). De vaas heeft een decoratie volgens een standaard schema, met een palmboom in het midden, dat in gedetailleerde vorm verschijnt aan het begin van de Late Bronstijd en gaandeweg eenvoudiger wordt. Aardewerk. Aardewerk. Herkomst: Israël / de zuideijke Levant. Late Bronstijd II tot IJzertijd II. APM 17.622. (zie artikel Collectie in ballingschap).

APm 117 ISSN nr. 2210 – 6987 Allard Pierson mededelingen is een publicatie van de Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum Oude Turfmarkt 127 - Postbus 94057 - 1090 GB Amsterdam tel 020 525 25 56 - www.allardpiersonmuseum.nl Colophon Redactie: René van Beek, Vincent Boele, Geralda Jurriaans-Helle, Wim Hupperetz, Vladimir Stissi Tekstredactie: Paulien Retèl Vormgeving en druk: MarcelisDékavé Fotografie: Stephan van der Linden


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8

1

­­­

Samenwerken en vernieuwing Wim Hupperetz

2018 belooft voor ons museum een echt overgangsjaar te worden. We gaan op redelijk grote schaal bouwkundige aanpassingen doorvoeren en de herinrichting grotendeels afronden. Het zal ook het jaar zijn waarin we ons op een nieuwe en bredere wijze gaan positioneren.

We groeien toe naar een volledige samenwerking tussen Allard Pierson Museum en de Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek. Vanaf het voorjaar van 2019 zijn we Allard Pierson: hét museum en hét kennisinstituut voor erfgoedcollecties van de Universiteit van Amsterdam. Dat betekent dat we de mediterrane archeologische verzameling en de Amsterdamse boekencollectie gaan verbinden in een dynamische collectiepresentatie: ‘Van Nijl tot Amstel’. De besturen van de Vrienden van het Allard Pierson Museum en de Bijzondere Collecties zijn in gesprek over verdere samenwerking. In dit nummer Allard Pierson mededelingen vindt u wederom een mooie selectie artikelen die de aandacht richt op de collectie en recente aanwinsten. Willem van Haarlem en Vincent Boele bespreken in twee artikelen de vorm en het gebruik van make-up paletten uit het Oude Egypte. Het museum bezit een behoorlijke collectie die nu meer context krijgt. Het markeert onbewust ook een nieuwe fase in de presentatie van de Egyptische afdeling, die in de nieuwe herinrichting op veel meer plekken geïntegreerd zal worden in de verschillende tijdvakken. Elon Heymans beschrijft een aanwinst uit 2017: de archeologische collectie van de Israël Galerie Linka, voorheen gevestigd aan de Prinsengracht in Amsterdam. Het is het wonderlijke verhaal van Sylvie GumprechtLinke (1908–1991) die jarenlang oudheden uit het Bijbelse land verkocht. Geralda Jurriaans-Helle belicht de werkzaamheden van Emiel Frenkel. Hij was tot aan zijn pensionering ruim 20 jaar als conservator in dienst van het museum en neemt nu na

Syncretisme In de late oudheid en de vroege middeleeuwen werden rituelen en symbolen van verschillende godsdiensten vrijelijk gecombineerd tot nieuwe vormen die ons vaak verrassen. Soms was dit syncretisme een bewuste keuze, maar meestal ontwikkelde het zich als vanzelf uit de dagelijkse praktijk, en de gelovigen hadden er zelden problemen mee. Koptisch textiel met christogram XP (Grieks voor ‘Chr’) in een Egyptische ankh (levenssymbool). Linnen en wol, purper, 22x19 cm, 4de-5de eeuw, Egypte. APM 16.324

ruim 30 jaar afscheid als vrijwilliger, een lange periode waarin hij heeft gewerkt aan de digitalisering van de museumcollectie. U zult ook zien dat de opmaak van Allard Pierson mededelingen op subtiele wijze is aangepast met als doel om een betere grafische opmaak te kunnen realiseren. Door voor een iets groter formaat te kiezen zullen de afbeeldingen beter tot hun recht kunnen komen. We hopen dat het u bevalt en we blijven dus ook wat betreft het mededelingenblad voortdurend in beweging.

* Dit textielfragment was de afgelopen periode te zien in de succesvolle tentoonstelling Crossroads. Reizen door de Middeleeuwen (300-1000 n.Chr.). Deze tentoonstelling is het resultaat van het door de EU gefinancierde onderzoeksproject CEMEC (Connecting Early Medieval European Collections), en zal vanaf 17 mei a.s. te zien zijn in het Byzantijns en Christelijk Museum in Athene. Daarna reist Crossroads door naar het LVR-LandesMuseum in Bonn (vanaf oktober 2018) en de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel (voorjaar 2019). Een waarlijk Europees project!


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8

2

­­­

De Egyptische make-up paletten in het museum Willem van Haarlem

Dankzij een aantal recente bruiklenen van het Gemeentemuseum in Den Haag bezit het Museum nu een representatieve collectie Oudegyptische make-up paletten van bijna 20 stuks. Dit is een mooie gelegenheid om daar eens wat meer aandacht aan te besteden.

afb. 1 Het zg. Narmer-palet. Cairo, Egyptisch Museum. Leisteen, 63 x 40 cm, ca. 3000 v. Chr. Op beide zijden wordt symbolisch de verovering van Noord-Egypte door Narmer, de vorst van het Zuiden, weergegeven.

Oudegyptische make-up paletten behoren tot de meest karakteristieke en herkenbare objecten van Egyptische origine. In andere culturen komen dergelijke voorwerpen feitelijk niet voor. In essentie zijn het platte stenen, waarop grondstoffen voor cosmeticaproducten konden worden bereid. Dit gebeurde door ze met een andere steen fijn te stampen en te wrijven en met water of olie te vermengen, zodat ze vervolgens met een staafje (dat was meestal het geval) rond de ogen konden worden aangebracht. Meestal bestonden deze grondstoffen uit zwarte kohl (antimonium) of malachiet (een poedervorm van kopererts) voor groene tinten. Beide hebben een al dan niet bedoeld antiseptisch effect, omdat de giftige lood- en koperbestanddelen

insecten, die voor ooginfecties kunnen zorgen, op afstand houden. Deze grondstoffen moeten dan wel verdund worden, omdat ze in te hoge concentraties ook voor mensen schadelijk kunnen zijn, vooral voor de ogen. Ook werden wel rode mineralen als hematiet en oker op dezelfde manier fijngewreven voor lippenrood. Veel van deze paletten vertonen duidelijke gebruikssporen: krassen, uitgesleten plekken en verkleuringen. Een aantal steensoorten is met name geschikt voor het vervaardigen van dergelijke paletten; meestal werden leisteen en basalt gebruikt. Vooral in Pre- en Vroegdynastische tijden komen ze vaak en in veel vormen voor.


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8 ­­­

3

afb. 2 Ruitvormig palet van leisteen, met een gat om het op te kunnen hangen. Beschadiging aan een van de lange zijden. 8 x 3,7 cm. Naqada I, 4000-3500 v. Chr. APM 3937 afb. 3 Ruitvormig palet. Uit Badari, Graf 3608. Leisteen, 20 x 7,8 cm, Naqada I. 4000-3500 v. Chr. APM 3978 afb. 4 Palet in de vorm van een afgeronde ruit. Marmer, 11,5 x 6,5 cm, Naqada I, 4000-3500 v. Chr. APM 12.671 afb. 5 Ruitvormig palet. Leisteen, 22 x 9,5 cm, Naqada I, 4000-3500 v. Chr. APM 12.674 (Corpus of Prehistoric Pottery and Palettes, Pl. LVIII,91B-P)

afb. 6 Ruitvormig palet. Leisteen, 34 x 9,3 cm, Naqada I, 4000-3500 v. Chr. APM 12.678

RITUELE OF MONUMENTALE PALETTEN

Soms, met name in de periode Naqada III (3200-3000 voor Christus), zijn de paletten van zodanige afmetingen dat ze eigenlijk niet meer praktisch hanteerbaar waren voor alledaags gebruik. Waarschijnlijk hadden deze grote paletten een soort rituele of gedenk-functie, zoals het beroemde Narmer-palet, afkomstig uit het ZuidEgyptische Hierakonpolis (nu een van de topstukken in het Egyptisch Museum in Cairo), met de onpraktische afmetingen van 63 x 40 cm (afb. 1).1 Hierop wordt waarschijnlijk op een symbolische manier de eenwording van Boven-en Beneden-Egypte onder de eerste farao Narmer weergegeven, op beide zijden van het voorwerp.

Er is nog een aantal van deze gedecoreerde paletten bekend, geheel of fragmentarisch. De herkomst van de belangwekkendste daarvan is vaak niet bekend; een aantal komt misschien uit Abydos (zoals het zogenoemde ‘Slagveld’ palet en het ‘Libische’ palet); er komt er maar één met zekerheid ook uit Hierakonpolis. Ze zijn alle gemaakt van leisteen. Een van deze paletten is het ‘Vier Honden’-palet (Louvre, Parijs). Op dit palet staan langs de rand van beide zijden steeds vier honden afgebeeld, naast een aantal andere dieren, waaronder giraffen. Het volgende in de reeks is het (kleine) Hierakonpolis-palet (Ashmolean Museum,

NOTEN 1. Een soortgelijke ontwikkeling als de paletten maakten de Predynastische knotskoppen door: van functionele wapens tot ceremoniële uitrustingstukken, te groot om als wapen te gebruiken. Ze zijn voorzien van afbeeldingen in reliëf die verwant zijn aan de scènes op de grote paletten, zoals die van farao Narmer en de ‘Schorpioen’-koning.


4

afb. 7 Palet in de vorm van een langwerpige driehoek, met boven twee valkenkoppen. waarvan er een afgebroken is. Leisteen. 19,4 x 9,7 cm, Naqada II, 3500-3200 v. Chr. APM 112 afb. 8 Palet van leisteen in de vorm van een langwerpige driehoek, met boven twee valkenkoppen waarvan er weer een afgebroken is. Tussen de koppen zit een aantal deels afgebroken driehoekige uitsteeksels. Bovenin een gat. Leisteen, 16 x 10,5 cm, Naqada II, 3500-3200 v. Chr. APM 12.673 (Corpus Pl. LVII,76) afb. 9 Palet van leisteen in de vorm van een langwerpige driehoek, met boven twee afgesleten valkenkoppen. Leisteen, 16 x 11 cm, Naqada II, 3500-3200 v. Chr. APM 12.676 (Corpus Pl. LVI, 69B)

A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8 ­­­

Oxford). Zoals op het vorige palet staan hier ook op beide zijden langs de rand honden afgebeeld, alleen in dit geval geen vier maar twee. Daarnaast, chaotisch door elkaar afgebeeld, leeuwen, verschillende soorten gazellen en giraffen. Het laatste palet in deze eerste reeks is het ‘Jagers’-palet (een deel bevindt zich in het Louvre en de rest in het British Museum, Londen). In tegenstelling tot de beide vorige paletten met hun chaotische dierenwereld staan hier ook gewapende jagers op, die de wilde dieren (leeuwen, gazellen, jakhalzen en struisvogels) duidelijk onder controle moeten zien te houden, met lasso’s, speren, pijl en boog, en knotsen. Het is de overwinning van de orde (of met een Egyptisch woord Maät) op de chaos, verbeeld door de wilde dieren. De overige drie paletten vertonen met hun afbeeldingen van (mogelijk) historische thema’s meer verwantschap met het al genoemde Narmer-palet, en vormen misschien zo een samenhangende reeks, die de verovering van het Noorden door het Zuiden memoreert. Het betreft om te beginnen het ‘Slagveld’-palet (British Museum). Dit toont de afloop van een militaire confrontatie: het slagveld ligt bezaaid met lijken, waaraan aasvogels en een leeuw (symbolisch voor de

koning) zich tegoed doen. Een aantal krijgsgevangenen is geboeid weergegeven. Op de andere zijde staan twee giraffen. Het tweede in deze reeks is het ‘Stieren’-palet (Louvre): op dit palet staat op beide zijden een (konings-) stier die een man vertrapt (zoals ook op het Narmerpalet); verder staat op de ene kant een aantal heraldische tekens van Zuid-Egyptisch districten, die blijkbaar als overwinnaars krijgsgevangenen aan een touw meevoeren. Op de andere kant staat een vestingstad. Een aantal vergelijkbare MiddenEgyptische vestingsteden staat afgebeeld op een van de zijden van een ander palet, het ‘Libische’ genaamd (Egyptisch Museum, Cairo), terwijl de muren ervan geslecht worden door verschillende dieren, die het symbool zijn van de overwinnende Zuid-Egyptische districten. Op de andere zijde staan gedomesticeerde dieren afgebeeld, keurig in registers ingedeeld, in tegenstelling tot de wilde dieren op de eerste drie genoemde paletten. De afbeeldingen op het boven genoemde ‘Jagers’-palet tonen als het ware de overgang van de chaos naar de geordende wereld van het Libische palet. Of de afbeeldingen werkelijke gebeurtenissen weergeven (de verovering van Noord-Egypte door het Zuiden), dan wel rituele versies daarvan, of wellicht


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8

5

­­­

afb. 10 Palet in de vorm van een schildpad waarvan de kop is afgesleten of afgebroken. Leisteen, diameter 20,5 cm, Naqada II, 3500-3200 v. Chr. APM 15.337 afb. 11 Palet in de vorm van een vis (waarschijnlijk een tilapia), met een gat bovenin om het op te kunnen hangen. Leisteen, 15,5 x 9,5 cm, Naqada II, 3500-3200 v. Chr. APM 12.675 afb. 12 Palet in de vorm van een vis. Leisteen, 15,5 x 9,5 cm, Naqada II, 3500-3200 v. Chr. APM 17.545 (Corpus Pl. LIV, 38M) afb. 12 en 13 zijn recent toegevoegd aan het permanente bruikleen van het Gemeentemuseum in Den Haag aan het Museum

zelfs de magische sturing van gewenste toekomstige gebeurtenissen, blijft een onbeantwoorde vraag. Beeldtaal van 5000 jaar geleden is nu eenmaal niet gemakkelijk te doorgronden. Opmerkelijk is de verwantschap met sommige contemporaine Mesopotamische voorstellingen, zoals de symmetrisch/heraldische dierscènes op het ‘Vier Honden’- en het kleine Hierakonpolis-palet. De makers lijken daar duidelijk door geïnspireerd, zoals uit wel meer vondsten uit die tijd blijkt (de veel voorkomende nissen-architectuur en het gebruik van rolzegels bijvoorbeeld).

een schildpad (afb. 10). Een apart geval is het palet van afbeelding 13, dat er uitziet als een boot, maar waarschijnlijk toch een dubbele valkenkop voorstelt. Een aantal paletten had een perforatie om ze op te kunnen hangen of misschien zelfs te dragen, als een soort hanger met mogelijke amulet-functie. Naast deze vormen komen ook paletten in de vorm van nijlpaarden, antilopen, rammen, jakhalzen en eenden voor.

DATERING

Predynastische tijd: Naqada I 4000-3500 v. Chr. Naqada II 3500-3200 v. Chr. Naqada III 3200-3000 v. Chr. De vormen van deze paletten vertonen een duidelijke chronologische ontwikkeling.De vroegste paletten, uit Naqada I, zijn meestal ruitvormig. Daarvan heeft het museum er vijf (afb. 2, 3, 4, 5 en 6). Die uit Naqada II hebben meestal de vorm van dieren: dubbele valken (afb. 7, 8 en 9), vissen (afb. 11 en 12) en in één geval

afb. 13 Fragment van een palet in de vorm van een ‘dubbele vogel’ of een boot (symmetrisch aan te vullen), mogelijk gedragen als hanger. De ronde uitsparingen waren ingelegd met (waarschijnlijk) benen kralen. Leisteen, 12,5 x 8,0 cm, Naqada II, 3500-3200 v. Chr. APM 17.546


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8

6

­­­

afb. 14 Eivormig palet. Leisteen, 14,5 x 9,8 cm, Naqada III, 3200-3000 v. Chr. APM 3936 afb. 15 Cirkelvormig palet. Leisteen, diameter 10,5 cm, Naqada III, 3200-3000 v. Chr. APM 12.672 (Corpus LIII, 17S) afb. 16 Cirkelvormig palet met incisies op de rand. Leisteen, diameter 11,8 cm, Naqada III, 3200-3000 v. Chr. APM 12.680 afb. 17 Rechthoekig palet waarvan de hoek linksboven is afgebroken. Leisteen, 16 x 10,5 cm, Naqada III, 3200-3000 v. Chr. APM 12.677

afb. 18 Rechthoekig palet met concentrische lijnen op één zijde. Leisteen, 13,5 x 7,2 cm, Naqada III, 3200-3000 v. Chr. APM 12.679 afb. 19 Onregelmatig gevormd palet, mogelijk is er aan één zijde wat afgebroken. Leisteen, 14 x 11,2 cm, Naqada II of III, 3500-3000 v. Chr. APM 12.681 afb. 20 Cirkelvormig palet uit Abydos, Graf 837. Leisteen, diameter 8,8 cm, 12de dynastie (1976-1794 v. Chr.). APM 3837

NOTEN 2. Van een ander palet (APM 3837, afb. 20) is ook de herkomst bekend, maar dat stamt uit de 12de dynastie).


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8

7

­­­

Met Naqada III worden de vormen eenvoudiger: rond, eivormig of rechthoekig (afb. 14 t/m 19). Daarna beginnen ze enigszins in onbruik te raken, al worden ze nog wel af en toe in latere graven gevonden (afb. 20).

Een kiezenflesje van een oogarts René van Beek

HERKOMST

Dit soort paletten is in vrij grote aantallen in Predynastische grafvelden over heel Egypte verspreid gevonden. Helaas kan van geen van de paletten in het museum de exacte herkomst worden nagegaan, op één na ( afb. 3).2 Daardoor is het ook niet mogelijk lokale of regionale variëteiten te onderscheiden binnen deze groep. Een aantal paletten draagt uiteenlopende cijfercodes. Waarschijnlijk zijn deze bedoeld als herkomstcodes van een opgraving, inventarisnummers van musea of particuliere collecties of veilingnummers. Als ze naar opgravingen verwijzen, zouden dat o.a. de codes van Flinders Petrie kunnen zijn, een Britse archeoloog uit het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw (zie Mededelingen Amsterdam 111/112-2016, 9-15). Zo zou een codering als 19-153-33 op het marmeren palet van afb. 4 kunnen slaan op het jaar van opgraving (1919, toen Petrie in het Midden-Egyptische el-Lahun groef) en een grafnummer aanduiden (153). Wat het nummer 33 kan betekenen is dan weer onduidelijk misschien een objectnummer? Helaas is het met deze gegevens nog niet mogelijk de herkomst ervan te reconstrueren: dit object komt, zoals het merendeel van deze voorwerpen, uit de voormalige collectie Von Bissing (zie Mededelingen Amsterdam 109-2014, 2-5), te zien aan een andere code op dit voorwerp, S. (voor steen) 233. Tot 1914 heeft Von Bissing inderdaad veel objecten uit opgravingen van Petrie verworven. Het probleem is alleen, dat de Duitse Von Bissing na 1918, het einde van de Eerste Wereldoorlog, geen objecten meer van Britse opgravingen heeft ontvangen, in ieder geval niet rechtstreeks, door de verbroken relaties tussen Engeland en dus ook het Britse protectoraat Egypte, en Duitsland. Voorlopig helpen deze codes ons dus nog niet echt verder, net zo min als de uiteenlopende coderingen op de andere paletten.

LITERATUUR H. Asselberghs, Chaos en beheersing. Documenten uit aeneolithisch Egypte. (Leiden 1961). B. van den Bercken, Een gelukkige hereniging, in Mededelingen Amsterdam 104-2011, 16-18 C.W. Lunsingh Scheurleer, Gemeentemuseum te s’Gravenhage. Egyptische Oudheden, in Jaarbericht Ex Oriente Lux 7 (1940), 549-557. W.M.F. Petrie, Corpus of Prehistoric Pottery and Palettes (London 1921). W.M.F. Petrie, Ceremonial Slate Palettes (London 1953)

Zogenaamd kiezenflesje, waarschijnlijk in de mal geblazen en daarna geslepen parfumflesje uit de 9de eeuw n. Chr. Waarschijnlijk uit Egypte, te zien in het Romeinse kabinet. Voormalige collectie Henkes. H. 6,5 cm. APM 16.798

Dit kleine, maar opmerkelijke glazen flesje in het museum is afkomstig uit de verzameling van de gerenommeerde Nederlandse glasverzamelaar Harold Henkes. Tijdens de vele congressen die deze hoogleraar in de oogheelkunde in de jaren zestig van de vorige eeuw bezocht in het Midden-Oosten, startte hij zijn verzameling glas met Romeinse stukken. Na zijn emeritaat werd Henkes honorair conservator van de glascollectie in Museum Boymans van Beuningen. Uit zijn verzameling kon het Allard Pierson Museum in 2011 – met steun van de Vereniging van Vrienden - dit kleine parfumflesje kopen uit de negende eeuw na Christus. Opvallend zijn de vier taps toelopende pootjes van het flesje die doen denken aan de wortels van een kies. Het is dan ook niet verwonderlijk dat dergelijke flesjes als ‘kiezenflesjes’ door het leven gaan. De flesjes met een dikke wand hebben maar een kleine inhoud (voor kostbare geurige olie) en zijn waarschijnlijk in een mal geblazen en daarna in facetten geslepen. Waarschijnlijk werden de flesjes met een klein kurkje afgesloten.


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8

8

­­­

‘De schone is gekomen’ Vincent Boele

De oude Egyptenaren waren dol op het leven. Ze genoten ervan. Daarom geloofden ze ook in een leven na de dood. Ze konden zich niet voorstellen dat alles bij de dood zou ophouden en geloofden zelfs dat ze ooit weer zouden opstaan uit de dood. Toch realiseerden ze zich dat dat nog nooit iemand was overkomen. Des te meer reden om te genieten van wat het leven te bieden had. Ze hielden van feesten, van lekkere maaltijden, van bier, wijn en andere geneugten.

uit fijngemalen steensoorten leverden vaak betere en helderder kleuren op. Naast deze eenvoudige paletten gebruikten de meest welgestelden veel mooier uitgewerkte exemplaren, in de vorm van dieren, vogels en amfibieën. Zo kon de Egyptische man of vrouw ook bij zijn of haar toilet genieten van mooie, aansprekende objecten (afb. 2). Op de toilettafel lagen fraaie hoog gepolijste bronzen spiegels, haarkrultangetjes, luizenkammen, zalflepels in de vorm van eenden of vrouwen met boeketten zoals die uit de grafinventaris van Toetanchamon. EYELINER

Op de allereerste wandschilderingen is al duidelijk dat Egyptenaren zich graag opmaakten. Bekend is de eyeliner, de kohl die vrijwel iedereen rond zijn ogen gebruikte. In het Oude Rijk werd malachiet vermalen tot een groene eyeliner waarvan werd aangenomen dat er een genezende werking vanuit zou gaan.

afb. 1 Fragment van een sarcofaag. Het gezicht met bovenste deel van de pruik, versierd met bloembladen en lotusbloemen is bewaard gebleven; beschilderd hout, Late Tijd, APM 4076

Er is weinig verschil met de moderne mens. En om nog meer van zichzelf en elkaar te genieten, versierden ze zichzelf. Met verfijnde sieraden, ingewikkelde pruiken en modieuze kleding. Met parfum en make-up. Alles wat een mens, man of vrouw, mooier kon maken, was al in de vroegste Egyptische beschaving uitgevonden. Paletten zoals in het artikel van Willem van Haarlem besproken, werden al in de predynastische tijd (vóór 3000 voor Christus) gebruikt voor het fijnmalen van mineralen en andere, anorganische pigmenten. Die leveren de heldere kleuren op die we zo goed kennen van de wandschilderingen in het land van de Nijl: gele en rode oker, helder groen uit malachiet, wit uit kalk of gips, zwart uit antimoon. Natuurlijk waren er ook plantaardige kleurstoffen zoals henna, voor het verven van het haar of aanbrengen van tijdelijke tatoeages maar de pigmenten

‘Maak de dag tot een feest, priester! Verfris uw neus met balsem en parfum, wikkel lotusknoppen en kransen om de nek en armen van wie u liefhebt. Denk aan vrolijkheid. Tot de dag dat u moet afreizen naar het Land dat de Stilte omarmt. Maak de dag tot een feest!’

Fragment uit het Lied van de blinde harpenaar, naar een vertaling van Bertus Aafjes, 1955.


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8

9

­­­

De lijnen maakten de ogen groter en sprekend. Toch was de make-up niet zo zwaar aangezet als bekende Hollywoodfilms als Cleopatra ons willen doen geloven. We moeten eerder denken aan smaakvollere versies zoals we kennen van het mummiemasker in het museum (afb. 1 ) en portretten van Achnaton's vrouw Nefertiti (afb. 6). Opgemaakte ogen voor man en vrouw komen niet alleen in het oude Egypte voor; ook andere volkeren in het Midden-Oosten kennen de traditie, zoals de Assyriërs, Perzen, Sumeriërs, Semitische stammen en de bewoners van het Arabisch schiereiland. De pigmenten werden vermengd met olie of vet tot een smeerbare substantie en bewaard in potjes van albast, basalt, cederhout, ivoor of Egyptische faience, vaak in heel verschillende vormen. Er komen potjes en flesjes voor in de vorm van palmzuilen, aapjes die een

afb. 2 Bronzen spiegel met houten handvat en basalten palet in de vorm van een oryx-gazelle. Archaïsche tijd en Nieuwe Rijk, 18de-19de dynastie. APM 8560, 8896.

afb. 3 Nefertari. Detail van een wandschildering uit haar graf in de Vallei der Koninginnen vlakbij Luxor, ca 1255 v.Chr.


10

A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8 ­­­


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8

11

­­­

Nefer, het Egyptische woord voor ‘mooi’ was een populair en veel gebruikt woord, in de taal en in namen van mensen. Een mannennaam als Neferhotep (‘Schoonheid is tevreden’) of de vrouwennamen Nefertari (‘De mooiste ervan’) en Nefertiti (‘De schone is gekomen’) zijn inmiddels ook illustere namen uit die oudheid. Ook in religieuze formules komt de term vaak voor: nefer netjer, de ‘goede god’ waarna dan de naam van een god volgde.

flesje vasthouden, egeltjes of een dienares die een potje op haar schouders draagt. Ook zijn er potjes voor verschillende kleuren pasta. Want behalve de ogen werden ook de lippen en de wangen opgemaakt, met rode pigmenten. Koningin Nefertari, vrouw van koning Ramses II, was een grootverbruikster van rouge. Op de wandschilderingen in haar graf in de Vallei der Koninginnen zien we haar zwaar opgemaakt afgebeeld (afb. 3). OLIE EN VET

Olie was het hoofdbestanddeel van de make-up. Ook werden vet en olie gebruikt om parfum te maken. Welke vetten werden gebruikt, is helaas niet bekend. Was dit dierenvet of bijenwas? Er zijn helaas geen aanwijzingen voor. Alcohol als drager was nog onbekend. De olie en het vet of was werden gemengd met allerlei geurende ingrediënten zoals wierook, mirre, brem, weegbree, papyrus- en lotusextract (afb. 5). De parfumeur die in ieder welgesteld huishouden was aangesteld, maakte kegels van geparfumeerd vet die voor feestjes en partijen op de pruik van de heer en vrouw des huizes werden gemonteerd (afb. 4). Naarmate de avond vorderde, smolt de kegel langzaam en verspreidde het geurende vet en de olie zich over de hele pruik en vulde de ruimtes met zoete, zware geuren. Olie was het symbool van blijdschap. Bij belangrijke feesten waarbij de koning in processie voorbijtrok door de straten, goten de mensen geparfumeerde olie over hun nieuwe pruiken. Als de koning zijn onderdanen wilde eren, gaf hij kostbare oliën als cadeau. Verder droegen de feestgangers bloemenkransen om hun hals en de vrouwen een of meer lotusbloemen in hun haar (afb. 4). Het lijkt dat de Egyptenaren tot de eerste volkeren behoorden die zichzelf opmaakten, zich parfumeerden en zich hulden in modieuze kleding. Sinds mensenheugenis is er weinig nieuws onder de zon.

LITERATUUR Adolf Erman, Life in Ancient Egypt, New York, 1971 Robert A. Lunsingh Scheurleer, Egypte: eender en anders, cat. tent., Amsterdam, 1984 Robert A. Lunsingh Scheurleer, Egypte, Geschenk van de Nijl, Amsterdam, 1992 Dietrich Wildung & Sylvia Schoske, Nofret, die Schöne, Die Frau im Alten Ägypten, cat. tent., Mainz, 1984

afb. 4 Reliëf van Saiempetref en zijn vrouw. Saiempetref was hoofd van de goudsmederij van de tempel van Abydos, ten tijde van koning Seti I, de vader van Ramses de Grote. Zijn vrouw draagt een parfumkegel op haar hoofd en een lotusbloem in haar pruik. Hun zoon brengt een reukoffer aan zijn beide overleden ouders. Kalksteen, ca 1300-1290 v.Chr. APM B 8851 afb. 5 Het persen van lotusbloemen voor de fabricage van parfum. Van rechts naar links zien we het aanvoeren van lotussen, het uitpersen en het uitgieten daarvan, en tenslotte een dansje dat daarbij wordt uitgevoerd. Archaïserend reliëf, kalksteen, ca 300 v.Chr. APM 7774

afb. 6 Inzet: Nefertiti Graniet, 1350 v.Chr., collectie Neues Museum, Berlijn. foto: Miguel Hermoso Cuesta


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8

12

­­­

Een collectie in ballingschap – de archeologische collectie van Israël Galerie Linka Elon Heymans

afb. 1 Sylvie Gumprecht-Linke houdt antiek aardewerk uit Israël vast. afb. 2 Sylvie Gumprecht-Linke in de Israël Galerie aan de Prinsengracht 744 in Amsterdam, ca. 1968.

Een groep archeologische objecten uit Israël vormt een nieuwe aanwinst voor het Allard Pierson Museum. Afkomstig uit de voormalige collectie van Israël Galerie Linka te Amsterdam, vult de schenking een lacune in de verzameling van het museum op het gebied van de archeologie van het antieke Mediterrane gebied, en specifiek die van de zuidelijke Levant. Tegelijkertijd vertellen de objecten het bijzondere verhaal van een archeologische collectie uit de jaren zestig en zeventig en de verkooptentoonstelling die daarmee georganiseerd werd.


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8

13

­­­

afb. 3 Visitekaartje van de Israël Galerie.

‘Het komt niet vaak voor dat een kunsthandel op grote schaal oudheden exposeert en te koop aanbiedt, die op wettelijk toegestane wijze het land van herkomst verlaten hebben.’ Zo begint de beschrijving van een uitzonderlijke tentoonstelling in de Israël Galerie aan de Prinsengracht in Amsterdam in NRC Handelsblad van 20 juni 1978. Dit was een reprise van de tentoonstelling ‘Bijbelse Bodemvondsten’ die in 1969 georganiseerd werd door de Israël Galerie en op verschillende plekken in Nederland te zien was (afb. 4). Deze archeologische collectie werd eind jaren zestig en begin jaren zeventig aangelegd door Sylvie Gumprecht-Linke (1908–1991) met hulp van Martha Wiessing (1929–2015), de oprichters van de Israël Galerie (later Israël Galerie Linka), en was bedoeld voor de verkoop. Na het overlijden van Martha Wiessing in 2015 is deze collectie – of wat daarvan over was – opgedeeld, waarbij een kerncollectie is opgenomen in de collectie van het Allard Pierson Museum; het merendeel is teruggegaan naar het land van herkomst, Israël. Deze schenking vormt de aanleiding om een deel van de collectie hier te presenteren. Tegelijkertijd biedt dit de mogelijkheid om de geschiedenis van de uitzonderlijke collectie en de bijzondere historische omstandigheden onder welke deze tot stand is gekomen te reconstrueren.1 SYLVIE GUMPRECHT-LINKE

Geboren in Łe˛czyca, Polen, in 1908, bracht Sylvie (Sara) Gumprecht-Linke een deel van haar jeugd door in Zweden en Nederland. In 1930 emigreerde ze naar het toenmalige Palestina waar ze trouwde en zich vestigde in Ramat Gan. In latere interviews was ze terughoudend over haar privéleven en familie. Wel weten we dat ze zich interesseerde voor moderne Israëlische kunst en zich in de jaren vijftig ten doel stelde Israëlische schilders te propageren in Europa. Naast haar verblijf in Ramat Gan vestigde zij zich in 1959 gedeeltelijk in Nederland. In september van dat jaar organiseerde ze de tentoonstelling ‘Schilders uit Israël’ in de Bijenkorf in Amsterdam, waarna de tentoonstelling te zien was in Luxemburg, Duitsland, Zweden en Noorwegen. In de jaren daarop organiseerde ze verschillende tentoonstellingen in Nederland van vooraanstaande Israëlische kunstenaars, zoals Zvi Mairovich, Avigdor Stematzky en Yehiël Krize. Deze kunst is geworteld in de Europese traditie en kon – o.a. gezien de sympathie voor de jonge staat Israël binnen culturele en progressieve kringen – rekenen op de interesse van het Nederlandse publiek. Haar werk kreeg aandacht in de pers en zo maakte Linke halverwege de jaren zestig naam als ‘Cultureel ambassadrice van Israël’ in Nederland.2

ISRAËL GALERIE

Linkes activiteiten leidden tot het plan om samen met Martha (Martita) Wiessing een galerie te openen die gespecialiseerd was in Israëlische kunst en ambachtswerk, en in november 1967 opende de Israël Galerie haar deuren aan de Prinsengracht 744 in Amsterdam (afb. 1 en 2). De galerie handelde in grafisch werk van Israëlische kunstenaars, maar – zoals aangegeven op de eerste uitnodiging – ook in ‘oudheidkundige- en kunstvoorwerpen en volkskunst’ uit Israël. Dit laatste betrof allerhande hout-, koper- en glaswerk en sieraden gemaakt in Jemenitische en ‘bedoeïenen’traditie, antiek aardewerk en reproducties van aardewerk en chanoekiot (negenarmige kandelaars) (afb. 3). Door in te spelen op het bestaande enthousiasme dat zich in de naoorlogse periode in Nederland had ontwikkeld voor Israël en dat wat deze jonge staat voortbracht, voorzagen Linke en Wiessing in een groeiende behoefte. De politieke en morele steun voor Israël in Nederland was in die jaren enorm, en een op Israël gerichte galerie kon dus op een brede en enthousiaste klantenkring rekenen. De oprichting van de Israël Galerie in november 1967 kwam daarbij op een onvoorzien opportuun moment. Met de Zesdaagse Oorlog in juni 1967 braken de hoogtijdagen aan van de populariteit van Israël in Nederland. Pas met de oliecrisis in 1973, waarbij Arabische landen een boycot afkondigden tegen Nederland in reactie op de steun voor Israël in de Jom Kipoeroorlog van oktober dat jaar, begon het enthousiasme voor Israël geleidelijk af te nemen. EEN ARCHEOLOGISCHE COLLECTIE

De veranderde realiteit in Israël na de Zesdaagse Oorlog bood ook mogelijkheden voor Linke en Wiessing om oudheden aan te kopen voor de Israël Galerie.

NOTEN 1. Bij het onderzoek voor dit artikel is gebruik gemaakt van het archief van Israël Galerie Linka. Het grootste deel hiervan is na het overlijden van Martha Wiessing overgedragen aan het Stadsarchief van Amsterdam (toegangsnummer 31000). Een klein deel van het archief bevindt zich in het Allard Pierson Museum (ongenummerd). 2. Deze kwalificatie is afkomstig uit De Noordoostpolder, d.d. 4 augustus 1965, maar in andere artikelen over Linke zijn vergelijkbare benamingen, zoals ‘artistiek ambassadrice’ of ‘ambassadrice van Israël’s kunst’, terug te vinden (zie Trouw, 25 januari 1964; Vaderland, 14–21 april 1965; Het Parool, 30 januari 1969; Het Vrije Volk, 22 maart 1969).


14

A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8 ­­­

oudheden. Behalve de aankooplijsten ontbreekt helaas verdere documentatie van deze reproducties.

afb. 4 Tentoonstellingscatalogus ‘Bijbelse Bodemvondsten’ Uitgegeven ter gelegenheid van de tentoonstelling (Amsterdam 1969). Op de voorzijde staat een zogenaamde ‘decanter jug’, typisch voor de IJzer IIB–C periode (8ste tot vroeg 6de eeuw v.Chr.) Eenzelfde type kan is ook in de collectie van het Allard Pierson Museum APM 17.593.

De aankoop van oudheden begon dus in 1967 en op de foto’s, genomen bij de opening van de galerie in november van dat jaar, is inderdaad al antiek aardewerk te zien. De bewaarde documentatie van aankopen laat zien dat Linke en Wiessing met name in 1968 en 1969 substantiële hoeveelheden antiek aardewerk aankochten en naar Nederland verscheepten. De opbouw van deze collectie van oudheden leidde in 1969 tot de tentoonstelling ‘Bijbelse Bodemvondsten’. ‘BIJBELSE BODEMVONDSTEN’

afb. 5 Een pot met tuit en lusvormig handvat. De brede tuit van deze typische vaas werd gebruikt om een klein kannetje in te plaatsen. De vloeistof die van dit kannetje afdroop kon dan via de geperforeerde tuit terug de vaas in vloeien. Langs de onderrand is de vaas beschreven: ‘Judea. B.C. 3000. M. Dayan’ Aardewerk. H. 22,5 cm. Herkomst: ‘Judea’ (zuidelijke deel van de Westelijke Jordaanoever). Vroeg Brons I–II (ca. 3500–2500 v. Chr). APM 17.597.

Archeologie was in de jaren zestig in Israël verworden tot nationale hobby. Het herontdekken van het materiële verleden van het Beloofde Land sloot aan bij een heersende ideologische behoefte: het Joodse volk werd gezien als een ontworteld volk en diende daarom de band met het land en het lokale verleden te verstevigen. Archeologie vormde daartoe een populair middel.3

Van 15 mei tot 30 juni 1969 organiseerden Linke en Wiessing de tentoonstelling ‘Bijbelse Bodemvondsten’ in de Israël Galerie. De inhoudelijke voorbereiding van de tentoonstelling werd verzorgd door een werkgroep en ondersteund door een erecomité onder leiding van professor M.A. Beek, hoogleraar Hebreeuws en Oude Testament aan de Universiteit van Amsterdam en voorzitter van het Genootschap Nederland-Israël. In dit comité zaten ook professor H.L.C. Jaffé, hoogleraar moderne kunstgeschiedenis en directeur van het Joods Historisch Museum, en professor J.M. Hemelrijk, hoogleraar klassieke archeologie en directeur van het Allard Pierson Museum.

Door de sterke handhaving en de publieke interesse in archeologisch erfgoed in Israël waren (en zijn) illegale opgravingen gericht op de illegale verkoop van oudheden binnen de grenzen van 1967 relatief beperkt. Echter, met name op de Westelijke Jordaanoever, tot 1967 een onderdeel van Jordanië, was en is deze handhaving minder sterk. Na de Zesdaagse Oorlog, waarbij Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever door Israël veroverd waren, werd de Oude Stad van Jeruzalem toegankelijk vanuit Israël en daardoor gemakkelijker te bezoeken door westerse toeristen. Dit vormde een stimulans voor de verkoop van oudheden binnen Israël en naar het buitenland. Vanaf oktober 1967 bezochten Linke en Wiessing herhaaldelijk verschillende handelaren in oudheden, met name in de Oude Stad van Jeruzalem, zoals Baidun, Bakri, Lafi en Wazwaz, waar ze tegen lage prijzen archeologisch aardewerk en sieraden aankochten om naar Nederland te verschepen. In Israël kochten ze voor de galerie ook verschillende andere producten in, zoals bijzondere stenen, ambachtswerk en reproducties van

In een kleine tentoonstellingscatalogus (afb. 4) werd de collectie chronologisch geordend, waarbij objecten van het Chalcoliticum (kopertijd, vanaf ca. 4500 v.Chr.) tot en


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8

15

­­­

met de Byzantijnse periode werden uitgelicht. De nadruk lag op de connectie die deze objecten hadden met het anders zo ontastbare bijbelse verleden. Naast het heersende enthousiasme voor Israël, raakte de focus op oudheden uit het Beloofde Land een gevoelige snaar. Veelzeggend is wat dat betreft de beschrijving van de tentoonstelling door F. Hoogewoud, lid van het werkcomité en een medewerker van prof. Beek: ‘Juist de authenticiteit van het aardewerk verlevendigt de voorstelling van het dagelijks leven in de Bijbelse tijd en hierdoor spreken de voorwerpen op geheel eigen wijze tot de bezoeker. (…) Het met speciale toestemming geëxporteerde aardewerk uit Israël is niet alleen te zien en te bewonderen, maar het is ook tegen civiele prijzen te koop.’ ‘Bijbelse Bodemvondsten’ kreeg brede aandacht in de landelijke pers, waarbij Linke andermaal in de schijnwerpers werd gezet. In verschillende artikelen werd het beeld geschetst dat deze bijzondere tentoonstelling tot stand was gekomen door de contacten van Sylvie Linke, die er dankzij speciale toestemming van de Israëlische overheid in zou zijn geslaagd om de oudheden naar Nederland te krijgen. Echter, van een dergelijke speciale toestemming is geen documentatie. Ook zou zij voor de tentoonstelling hebben mogen putten uit de collectie van de beroemde militair en politicus Moshe Dayan. Dayan, herkenbaar aan zijn piraten-ooglapje, had in het Westen een iconische status verworven als symbool voor de militaire successen van de jonge staat Israël. Daarnaast was hij een bekend amateurarcheoloog die door illegale opgravingen een grote collectie oudheden had aangelegd.4 Door haar overtuigingskracht zou Linke toestemming hebben gekregen om objecten uit zijn verzameling te selecteren. Zo vertelde prof. Beek in zijn toespraak bij de opening van de tentoonstelling dat Linke deze objecten van Dayan ‘ab-bewundert’ had en kopte het Algemeen Dagblad in juli 1969 ‘Zij vermurwde zelfs Dajan...’, en verderop in het stuk: ‘Ze vroeg de “dubbele” stukken en praatte net zolang tot zelfs Mosje Dajan voor haar door de knieën ging’. We weten op basis van de archiefdocumentatie dat 16 of 17 objecten afkomstig waren van Dayan, maar het lijkt erop dat deze objecten via een tussenhandelaar zijn aangekocht en pas in januari 1970 aankwamen in Nederland. Hiervan bevinden zich momenteel zes stukken in de collectie van het APM, waarvan drie gesigneerd door Dayan zelf (zie afb. 5 en afb. 8).5 De tentoonstelling was er weliswaar op gericht een indruk te geven van de nog onbekende archeologie van deze regio en zo een tastbare illustratie te bieden van de bijbelse geschiedenis, maar was samengesteld op basis van wat Linke en Wiessing in het korte tijdsbeslag van twee jaar hadden aangekocht. Ze kochten in Israël wat

aangeboden werd en wat zij in Nederland verkoopbaar achtten. Historisch belangrijke, bijzondere of unieke stukken waren in de tentoonstelling daarom nagenoeg niet te vinden. ‘BIJBELSE BODEMVONDSTEN’ IN DE JAREN ZEVENTIG

Transportdocumentatie laat zien dat Linke en Wiessing in ieder geval tot april 1971 hun collectie aanvulden met aankopen uit Israël. Dit suggereert dat ze in deze eerste fase van het bestaan van de collectie al objecten verkochten. Hier zouden ze in de daaropvolgende jaren mee doorgaan. Na de expositie op de Prinsengracht reisde ‘Bijbelse Bodemvondsten’ rond. Door contacten te leggen en gebruik te maken van de gunstige omstandigheden wisten Linke en Wiessing delen van de archeologische collectie in gevarieerd aangepaste vorm in heel Nederland tentoon te stellen en objecten te verkopen. Zo organiseerden ze van 24 september tot en met 20 november 1971 – gelijktijdig met de grote Masadatentoonstelling in het Gemeentemuseum in Den Haag over de beroemde archeologische site in de woestijn van Judea – een tentoonstelling in de Bijenkorf in Den Haag, daarmee meeliftend op het enthousiasme rond die belangrijke tentoonstelling. Ook brachten ze hun tentoonstelling naar de ‘Israëlische weken’ in Dongen, en naar verschillende vieringen van de Israëlische Onafhankelijkheidsdag. Op veel plaatsen werd ‘Bijbelse Bodemvondsten’ in aangepaste vorm gebracht, vaak in combinatie met grafisch werk van Israëlische kunstenaars en samen met de sieradententoonstelling ‘Sieraad: van eerste tempel... tot Israël nu’. Ook nodigden ze bij openingen prominenten uit, zoals de Israëlische ambassadeur en lokale politici, om zo de tentoonstellingen meer aanzien te geven. Bij de

afb. 6 Voormalig burgemeester Ivo Samkalden en Sylvie Gumprecht-Linke bij de opening van ‘Bijbelse Bodemvondsten’ in de Israël Galerie, Amsterdam 1978. Foto's uit collectie Stadsarchief Amsterdam.

NOTEN 3. Zie onder andere Elon (1997). 4. Zie onder andere Ornan (1986) en Kletter (2003). 5. Dit betreft objectnummers APM 17.597, 17.602, 17.611, 17.623, 17.652 en 17.656. Het is bekend dat Dayan objecten zelf markeerde en verhandelde, en verschillende objecten, afkomstig van en gesigneerd door Dayan, zijn bekend uit de kunsthandel. Op 27 mei 2007 werden dergelijke objecten uit de privécollectie van Irving Bernstein geveild door Thomaston Place Auction Galleries in de VS. Objecten, door Dayan gemarkeerd met een vindplaats en datering, zijn ook aanwezig in de collectie van het Israel Museum in Jeruzalem, waar de collectie van Dayan na zijn dood terecht is gekomen (persoonlijke communicatie E. Arie). Zie ook Ornan (1986) en Kletter (2003). Vier van de vazen in het Allard Pierson Museum bevatten een door Dayan geschreven vindplaats, waarvan één in het Hebreeuws.


16

A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8 ­­­


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8 ­­­

heropening van de tentoonstelling in de Israël Galerie aan de Prinsengracht (inmiddels op nummer 690) in mei 1978 hield Ivo Samkalden – het jaar daarvoor teruggetreden als burgemeester van Amsterdam – op verzoek van Linke de openingstoespraak (afb. 6). Met onderbrekingen – tussendoor werden kunsttentoonstellingen georganiseerd – werden delen van de collectie ‘Bijbelse Bodemvondsten’ tot in 1980 tentoongesteld. Zo was de collectie onder meer te zien in Arnhem, Zaandijk, Assen, Leeuwarden, Dongen, Delft, Groningen, Den Haag, Enschede, Zwolle, Zutphen, Goes, Venlo, Breda, Amersfoort, Eindhoven, Hulst, Hilversum en Bergen. Waarschijnlijk werd de collectie daarna opgeslagen op de Prinsengracht en werden er sporadisch nog stukken verkocht. DE COLLECTIE

Waarschijnlijk heeft de Israël Galerie naar schatting rond de duizend antieke aardewerken objecten in bezit gehad. Hier kunnen we nog antiek glas en andere objecten aan toevoegen, zoals scarabeeën, enkele kalkstenen ossuaria, en basalten vijzels en wrijfschalen. In de loop van de decennia zijn hiervan waarschijnlijk enkele honderden objecten verkocht of door schade verloren gegaan. Bij de laatste inventarisatie van de

collectie in 2004 waren hier nog circa 800 objecten van over. Deze objecten hebben tot de opdeling van de collectie in 2016 aan de Prinsengracht gestaan. De 116 objecten die uiteindelijk zijn opgenomen in de collectie van het Allard Pierson Museum geven een representatief beeld van de collectie vanaf de late jaren zestig (afb. 5, 7 - 11). Getuige de typen vazen en de complete staat van veel van de objecten is het waarschijnlijk dat het overgrote deel van de collectie grafmateriaal betreft. Door het brede chronologische spectrum dat de collectie beslaat, is het mogelijk om de typologische ontwikkeling van bepaalde vormen waar te nemen, zoals in het geval van olielampjes (afb. 9) en voorraadpotten. Ook zijn bepaalde karakteristieke elementen van het regionale aardewerk goed zichtbaar in de collectie. Een voorbeeld daarvan zijn de importen van Myceens en Cypriotisch aardewerk in de Late Bronstijd (afb. 8) en van Attisch aardewerk in de Klassieke periode, die een uitzondering vormen op het veelal onversierde, lokaal geproduceerde aardewerk. De collectie geeft daarmee een redelijk representatief beeld van het keramische repertoire van de regio, met archeologisch aardewerk dat, enkele uitzonderingen daargelaten, een beperkte esthetische aantrekkingskracht heeft.

17

afb. 7 Twee amforiskoi (kleine amfoortjes). Beide vormen zijn afgeleid van grote Kanaänitische (Late Bronstijd) amforen, maar werden nog in de IJzertijd geproduceerd. De linker vaas lijkt een miniatuurversie van een Kanaänitische transportamfoor. De rechter vaas heeft een decoratie volgens een standaard schema, met een palmboom in het midden, dat in gedetailleerde vorm verschijnt aan het begin van de Late Bronstijd en gaandeweg eenvoudiger wordt. Aardewerk. H. 15 cm. en 14,5 cm. Herkomst onbekend. Late Bronstijd II tot IJzertijd II. APM 17.618, 17.622. afb. 8 Myceense en Cypriotische importen uit de Late Bronstijd. Een Myceens of Cypriotisch kannetje, een Base ring ware II 'bilbil'flesje uit Cyprus, en een Myceense pyxis (doosje voor kostbaarheden). Aardewerk. H. 10 cm., 15 cm., en 8 cm. Herkomst onbekend. Late Bronstijd II–III (ca. 1400–1100 v.Chr.). APM 17.611 (ex-Dayan collectie) 17.569, en 17.624.

afb. 9 Verschillende olielampjes. Herkomst onbekend. Chalcolitisch tot en met Byzantijns. Aardewerk. L. 11,5 cm., 13,4 cm., 8 cm., 10 cm. en 12 cm. APM 17.638, 17.649, 17.629, 17.635 en 17.630


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8

18

afb. 10 Een gepolijst kannetje. Deze kannetjes zijn typerend voor de IJzertijd II. De glimmende horizontale strepen zijn gevormd door de (in dit geval rode) slip op de ongebakken vaas te polijsten. Aardewerk. H. 14,5 cm. Herkomst onbekend. IJzertijd II. APM 17.677. afb. 11 Figurines. Chalcolitisch tot en met Byzantijns. Herkomst onbekend. Byzantijns en mogelijk modern Aardewerk. H. 6,6 cm., 12,7 cm., 5,7 cm. en 6,5 cm. APM 17.577, 17.580, 17.581 en 17.579

6. In totaal zijn 681 oudheden teruggezonden naar Israël.

­­­

RESTITUTIE

‘Het uitverkopen van doubletten door een land dat een overvloed bezit, heeft twee kanten. Enerzijds stelt men zo verzamelaars in de gelegenheid op legale wijze een collectie op te bouwen, en dat is natuurlijk een goed ding. Anderzijds verdwijnt materiaal op die manier onherroepelijk en voorgoed uit het land waar het thuishoort. Waar moet men voor kiezen?’ Met deze probleemstelling eindigde de hierboven aangehaalde recensie in NRC Handelsblad. Na het overlijden van Martha Wiessing is in overleg met de erven besloten het grootste deel van de collectie terug te laten gaan naar Israël, om zo een veilig onderkomen te vinden voor deze archeologische objecten op de plek waar ze, zonder verdere contextinformatie, misschien nog het meeste ‘thuis horen’. Door de inzet van het Allard Pierson Museum en de steun van de stichting Levi Lassen en de erven Wiessing is dit deel in maart 2017 teruggezonden naar Israël en als verzamelaarscollectie opgenomen in het nationaal depot van de Israel Antiquities Authority.6

De 116 objecten die zijn opgenomen in de collectie van het Allard Pierson Museum vormen een mooie aanvulling op de eigen verzameling die voorheen geen goede vertegenwoordiging van oudheden uit de Levant had. Tegelijkertijd vormt de kerncollectie in Amsterdam een herinnering aan die grotere collectie ‘Bijbelse Bodemvondsten’ en de bijbehorende tentoonstelling die eind jaren zestig en zeventig in Nederland te zien waren.

LITERATUUR Ruth Amiran, Ancient Pottery of the Holy Land: From its beginnings in the Neolithic period to the End of the Iron Age. (New Brunswick, N.J., 1969). Amos Elon, Politics and Archaeology, in: N.A. Silberman en D. Small, The Archaeology of Israel: Constructing the Past, Interpreting the Present [Journal for the Study of the Old Testament, Supplement Series 237] (Sheffield 1997) 34-47. Raz Kletter, 2003. A very general archaeologist—Moshe Dayan and Israeli archaeology, Journal of Hebrew Scriptures 4 (2003). Tallay Ornan, A man and his land: highlights from the Moshe Dayan Collection. [Catalogue; the Israel Museum, Jerusalem] (Jerusalem 1986).


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8

19

­­­

Een Venetiaanse verstekeling Geralda Jurriaans-Helle

In ieder museum zijn ‘verstekelingen’ te vinden: voorwerpen die eigenlijk niet in de collectie thuishoren, maar daar terecht zijn gekomen door toeval of omdat ze aanvankelijk niet juist geïdentificeerd zijn. Zo bezit het Allard Pierson Museum een grote, wat afgesleten kraal. Hij valt niet op tussen al het andere antieke gekleurde glas, maar toch hoort hij daar eigenlijk niet.

De kraal is versierd met een zigzagpatroon in de kleuren blauw, rood en wit. Dat is niet zomaar aan de buitenkant aangebracht maar het gevolg van een ingewikkeld procedé. Bij het maken van dergelijke kralen werden verschillende technieken gebruikt. Eerst maakte men een glazen buis en vervolgens werden daaromheen meerdere lagen glas in verschillende kleuren aangebracht, zodat er concentrische ringen ontstonden. De mooiste kralen – waartoe ook de kraal in het Allard Pierson Museum behoort – bestaan in totaal uit zeven lagen glas: rondom de oorspronkelijke buis van blauw glas zijn zes verschillende lagen te onderscheiden: wit, blauw, wit, rood, wit en blauw. De binnenste laagjes glas werden soms in een stervormig patroon aangebracht. Wanneer de volgende lagen glas werden toegevoegd, zette dat patroon zich voort zodat rondom het gat een veelkleurige rozet zichtbaar werd. Bij onze kraal lijkt dat niet helemaal gelukt: de eerste (witte) laag rondom de kern is ingedrukt, maar het blauwe glas van de volgende laag is niet goed in de inhammen gevloeid en er zijn kleine gaatjes zichtbaar. Wanneer rond de buis het gewenste aantal lagen was aangebracht, werd hij in stukken gesneden, waarna elk stukje handmatig tot een kraal werd afgewerkt. Door de kraal aan de uiteinden af te slijpen tot een ronde of ovale vorm werden daar de verschillende onderliggende kleuren zichtbaar. Vervolgens werden de kralen in facetten afgeslepen. Afhankelijk van hoe de facetten werden aanbracht, ontstonden verschillende zigzaglijnen (chevrons) en andere patronen, terwijl aan de boven- en onderkant van de kraal een veelkleurige rozet zichtbaar was. Deze kralen worden daarom wel rosetta- of chevronkralen genoemd.

EGYPTE OF VENETIË?

Deze manier om kralen te versieren, kennen wij vooral uit Venetië, waar de techniek vanaf het einde van de vijftiende eeuw bekend is. Onze kraal en ook vergelijkbare exemplaren zijn echter gevonden in Egypte. Maakten de oude Egyptenaren dan ook al chevronkralen? Lang heeft men dat wel gedacht en vele van deze kralen zijn dan ook in Egyptische collecties terechtgekomen. Toch zijn deze grote kralen in de zeventiende eeuw in Venetië gemaakt. Zij worden wel kamelenkralen genoemd omdat ze door monniken maar ook bijvoorbeeld door de soldaten van Napoleon werden gebruikt als versiering van het tuig van ezels en kamelen. In de hete woestijn werden de dieren vaak gestald in de grote tempels en natuurlijk viel er wel eens een kraal van het tuig af die vervolgens in het zand verdween. Toen veel later de tempels werden opgegraven, vonden de archeologen vele van deze kralen terug die vanwege hun vindplaats als Oudegyptisch werden geïdentificeerd. Dat is eigenlijk helemaal niet zo verwonderlijk: de Egyptenaren waren beroemd om hun prachtige voorwerpen van veelkleurig glas en deze kralen zouden daartussen niet hebben misstaan.

Chevronkraal Glas, 4,7 cm, gevonden in Egypte, gemaakt in Venetië, 17de eeuw n. Chr. APM 3551


20


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8

21

­­­

Stabiele factor in een veranderende wereld Geralda Jurriaans-Helle

In mei 1988 ging Emiel Frenkel met pensioen als conservator van het Allard Pierson Museum. Ruim 20 jaar was hij werkzaam geweest bij de Universiteit van Amsterdam. Hoewel in de jaren zestig nog geen verschil werd gemaakt of medewerkers Archeologie bij het Museum of het Instituut werkten, lagen de werkzaamheden van Frenkel van begin af aan vooral bij het museum (afb 1). Nu, in 2018, neemt hij voor de tweede maal afscheid na meer dan 50 jaar voor het museum te hebben gewerkt, waarvan 30 jaar als vrijwilliger.

Een van de kerntaken van een museum is zorg voor een goede administratie en registratie van de collectie. Vóór de komst van de computer gebeurde dat op papier: een nieuw verworven voorwerp werd bijgeschreven in het inventarisboek (afb. 3), en vervolgens werd een kartonnen inventariskaart aangemaakt waarop de belangrijkste gegevens werden overgenomen (afb. 2). Van dun papier werden reservekaarten gemaakt die in het geval van het Allard Pierson Museum voor de zekerheid in de kelders van het Maagdenhuis werden opgeslagen. Dit hele proces behoorde jarenlang tot de taken van Frenkel, waarbij hij meteen ook de voorwerpen schoonmaakte en zo nodig restaureerde (afb. 4) en fotografeerde. De kaarten werden in een kaartenbak gezet zodat ze geraadpleegd konden worden door collega’s en studenten. DE EERSTE COMPUTER

Toen begin jaren tachtig van de vorige eeuw de eerste computers hun intrede deden, zag Frenkel al gauw de mogelijkheden van een elektronische database: zo kon men de inventaris ook elders raadplegen en was deze bovendien beter doorzoekbaar. In die jaren was er bij de Universiteit een prioriteitenlijst wie een computer mocht aanschaffen en omdat het museum niet hoog genoteerd stond, kocht het in 1985 ‘illegaal’ een Commodore 64. De hardware was nu aanwezig, maar kant-en-klare software voor een museumdatabase bestond nog niet. Frenkel verdiepte zich in programmeren, zodat hij een eenvoudig programma kon schrijven waarin de belangrijkste informatie van de kaart kon worden overgenomen. De ontwikkelingen gingen echter snel. Er kwamen meer computers op de markt en ook

programma’s zoals dBase III+ en WordPerfect 4.2. In 1986 schakelde het museum over op een Olivetti M24 en maakte Frenkel in dBase een op het museum toegesneden database. In deze tijd waren computers echter nog niet voorzien van een harde schijf en werd informatie opgeslagen op grote floppy disks met een opslagcapaciteit van slechts 360kB. Dat betekende dat er slechts 300 beschrijvingen op een floppy pasten. Dat bleek onhandig en nadat er eerst een hard disk was ingebouwd, werd uiteindelijk in 1990 een computer met een harde schijf van wel 40Mb aangeschaft. Naar de huidige maatstaven is dat heel weinig maar in die tijd was dat ruim voldoende voor het programma én de complete inventaris. Frenkels noeste arbeid leidde ertoe dat bij zijn pensioenering in 1988 het Allard Pierson

afb. 1 Emiel Frenkel bezig met het invoeren van de gegevens van de inventariskaarten in de computer. afb. 2 Een kartonnen inventariskaart van een Egyptische terracotta, inventaris nummer 7149. Dit is een van de kaarten die te zien zijn op de foto van afb. 1 waar deze informatie wordt overgenomen in de digitale inventaris.


22

A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8 ­­­


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8 ­­­

23


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8

24

afb. 3 Bladzijde uit inventarisboek van het jaar 1979 met notities en tekeningen van Emiel Frenkel. afb. 4 Emiel Frenkel heeft met veel geduld ook het zeer dunne en fragiele bucchero aardewerk gerestaureerd.

­­­

Museum bij de eerste vijf musea hoorde die over een elektronische database beschikten. Deze was echter nog niet compleet en al snel meldde Frenkel zich als vrijwilliger bij het museum met de vraag of hij wekelijks langs mocht komen om de nog ontbrekende voorwerpen in de computer te zetten en bestaande beschrijvingen te wijzigen door bijvoorbeeld nieuwe publicaties toe te voegen. CONVERSIES

Buiten het museum stonden de ontwikkelingen inmiddels niet stil: de Universiteit sloot een contract met Microsoft en dat betekende dat de hele database moest worden omgezet naar Access. De IT-afdeling van de Universiteit nam deze conversie op zich. Het resultaat leverde enige problemen op. Niet alleen was het programma zeer traag (het duurde vaak 20 tot 30 minuten voor de gewenste lijst verscheen), maar ook was er met de conversie een en ander mis gegaan. Zo waren de gegevens over ‘vindplaats’ en ‘plaats van herkomst’ in één veld terechtgekomen terwijl dat vaak om toch heel verschillende informatie gaat. In 1999 werd het museum ondergebracht bij de Universiteitsbibliotheek en in verband met de technische ondersteuning werd het inventarisbestand overgezet naar het daar gebruikte computersysteem (PICA). Dankzij goed contact tussen de IT’ers en de museumstaf werden verschillende problemen op tijd onderkend en opgelost: zo werd PICA aangepast omdat jaartallen vóór Christus niet goed in te voeren waren (het programma was immers ontworpen voor boeken), en werd het mogelijk om op inventarisnummer te zoeken, iets wat voor een museum absoluut noodzakelijk is.

Intussen werkte Frenkel gestaag door: in 2003 stond de gehele toenmalige collectie (ruim 15.000 objecten) in de computer geregistreerd. In 2004 volgde na twee jaar voorbereiding de omzetting naar PICA en was de gehele catalogus ook beschikbaar via internet. In 2005 volgde een koppeling naar een beeldbank waarin ongeveer een derde van de voorwerpen uit de collectie was opgenomen. Vanaf op dat moment werden geen kartonnen kaarten meer geschreven. Wel worden tot op de dag van vandaag de voorwerpen met de hand in het inventarisboek ingeschreven. In het gebruik blijkt een systeem dat ontworpen is voor boeken niet bijzonder geschikt te zijn voor de registratie van voorwerpen. Dat geldt ook voor Aleph, het bibliotheeksysteem dat in 2012 PICA verving. In 2014 is een deel van de problemen opgevangen door de gegevens voor medewerkers beschikbaar te maken in Adlib, een systeem dat speciaal voor museumregistratie is ontwikkeld. Aan de beeldbank, die inmiddels ook aan vervanging toe was, is de afgelopen jaren hard gewerkt. Hopelijk gaat de nieuwe beeldbank dit jaar (2018) online. STABIELE FACTOR

Gedurende 35 jaar – waarvan 30 jaar als vrijwilliger – was Emiel Frenkel de stabiele factor bij al deze veranderingen die telkens weer veel werk met zich meebrachten, zowel bij de voorbereiding van de conversie als bij de controle achteraf. Er zullen weinig vrijwilligers in Nederland zijn die zoveel hebben bijgedragen aan de digitalisering van een museumcollectie. Voor het Allard Pierson Museum is zijn inbreng van onschatbare waarde geweest.


A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8 ­­­

Summaries APm nummer 117

2

De Egyptische make-up paletten in het museum Willem van Haarlem

Description of the ancient Egyptian cosmetic palettes in the Museum: function, date, Ancient material and origin, preceded by a general introduction on these palettes and the category including a section on the large decorated ones in other collections. The provenance of these objects is discussed extensively, but so far no solution can be given.

12

Een collectie in ballingschap – de archeologische collectie van Israël Galerie Linka Elon Heymans A collec tion in exile – the archaeological collec tion of Israel Galerie Linka

A collection of 116 archaeological objects from the land of Israel has recently been donated to the Allard Pierson Museum. It was once part of the much larger collection of the former Amsterdam art gallery ‘Israel Galerie Linka’, which was built up mostly between 1967 and 1971 and featured in the sales exhibition ‘Bijbelse Bodemvondsten’ that toured intermittently around the Netherlands between 1969 and 1980. The largest part of this collection (681 objects) was repatriated to Israel and absorbed by the Israel Antiquities Authority. The collection in Amsterdam forms a representative selection, consisting mostly of ancient pottery, including six vases from the former Moshe Dayan collection, acquired in 1969/70.

20

Stabiele factor in een veranderende wereld Geralda Jurriaans-Helle

8

‘De schone is gekomen’ Vincent Boele

In Ancient Egypt both men and women used make-up for their faces. They used mostly mineral pigments which were crushed and mixed with oil and fat to produce colors and creams. The style was often less exuberant than some of the Hollywood movies would have us believe. The Egyptians also used perfumes. They formed cones of fat containing fragrant ingredients such as lotus or myrrh and placed them on their wigs. During a feast the fat would slowly melt and leave the perfumed aroma on the wigs. Unfortunately, we do not know how these cones were produced or how they smelled, since not a single example has been discovered in excavations.

When, in the early 1980s, computers for personal use came onto the market, Emiel Frenkel, curator of the Allard Pierson Museum, saw the possibility to make the museum inventory more easily accessible. In 1985 Frenkel started to build a database. At first dBase was used, which was replaced by Access in the 1990s. When the museum became part of the University Library in 1999, all data were transferred to Pica and later to Aleph, both programs originally developed for libraries. In time the whole database became accessible on the Internet. When Frenkel retired in 1988 the electronic database was not complete, so he continued the job as a volunteer. Now, after 30 years, he retires for the second time. His work has been invaluable to the museum.

25


4

A P m N R . 11 7 - 2 0 1 8 ­­­