Page 1

-~, ~ ( (( ÂŤÂŤ(,

Mededelingenblad nr. 35 - december 1985

,~

VerenigingvanVrienden Allard Pierson Museutn Atnsterdatn

Hoofd v an jongeman ; terracotta ; 425-400 v . Chr . A .P. Mus . 11.063.


Ancient Art

Egypte Sphinx l. 130 cm. 30e Dynas tie 360-343 v. Chr.

OVERTOOM 172

1054 HR AMSTERDAM

TEL. 020 - 83 10 55

10.00 - 17.00 DINSDAG TIM ZATERDAG


Inhoud

Een Etruskische jongeman en een Romeinse vrouw

H.A.G. Brijder Een Etruskische jongeman en een Romeinse vrouw

Twee soorten portretten

J.H. Crouwel Iran en het Allard Pierson Museum Een schenking W.M. van Haarlem

Een koninklijke familie in het Museum H.A.G. Brijder Vier vroeg-Etruskische voorwerpen Barbara Heldring; C.M. Stibbe Nieuw licht op een oude stad H.E. Frenkel Aanwinsten 1985 (t/m 20 oktober) Het Mededelingenblad is een publicatie van de Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum te Amsterdam en verschijnt in het tweede, derde en vierde kwartaal van elk jaar. Redactie: S. B. M. van der Noordaa-Dominicus van den Bussche Dr. H.A. G. Brijder Dr. R. A. Lunsingh Scheurleer Drs. H.E. Frenkel Grafische vormgeving: George Strietman Fotografie: Michiel Bootsman

Afb. la . Hoofd v anjongeman ; terracotta; 425-400 v. Chr. A .P. Mus. 11.063.

Vereniging van Vrienden Allard Pierson Museum Amsterdam

Inleiding Oude Turfmarkt 127 1012 GC Amsterdam Tel: 020-5252556.

De studie van antieke portretten is een moeilijke tak van wetenschap. 1 De namen van de geportretteerden zijn gewoonlijk niet overgeleverd. Bovendien kan de interpretatie van portretten nooit geheel objectief zijn . Deze is bijvoorbeeld sterk afhankelijk van de belichting van een portret of de hoek van waaruit men het bekijkt. Het is duidelijk dat een Etruskisch of Romeins portret er in de felle Italiaanse zon totaal anders uitziet dan in het grijze, gefiltreerde licht (of bijvoorbeeld in het kunstmatige licht van een TL of een schijnwerper) in een noordeuropees

mu seum. Foto 's van één en hetzelfde portret, die met verschillende belichting en op verschillende ooghoogte zijn gemaakt, kunnen zelfs de indruk wekken dat het niet om hetzelfde portret gaat. Portretten kan men in twee hoofdcategoriëen onderverdelen: (1) typologischeen (2) physiognomische of persoonlijke portretten. De eerste categorie, die ouder is dan de tweede, kan eigenlijk niet tot de "echte" portretten in de strikte zin van het woord gerekend worden. Het begrip "portret" wordt in dit artikel in de ruime zm opgevat.

1


Typologischeportretten stellen niet een specifiek individu voor, maar zijn beeltenissen van personen die tot een bepaalde groep of soort behoren. Dit kunnen in het algemeen "mannen", "vrouwen", "jongens", "meisjes" zijn, maar ook meer in het bijzonder "veldheren", "welgestelden", "priesters", etc., die door hun attributen, statussymbolen of andere kenmerken getypeerd worden. De meest onpersoonlijke portretten in deze categorie zijn de z.g. stereotype portretten, die in serieproductie, dikwijls met behulp van mallen, vervaardigd zijn. Ook treft men geïdealiseerdeportretten aan binnen de categorie van typologische portretten: een vast voorbeeld is gekozen voor de uitbeelding van een groep mensen; dit voorbeeld kan terug gaan op een persoon die verheerlijkt wordt (bijv. Alexander de Grote) of op een bepaalde stijl of mode (bijv. de Ionische in archaïsch Etrurië). Ook zijn er typologische portretten aan te wijzen waarin bepaalde min of meer persoonlijke kenmerken globaal zijn toegevoegd. Maar het belangrijkste kenmerk van typologische portretten is dat er geen individueel persoon met een eigen physiognomie te herkennen is. Afb. lb.

Hoofdvanjongeman;

terracotta;425-400v. Chr. A.P. Mus. 11.063.

Physiognomische of persoonlijke portretten zijn "echte" portretten; zij geven de individuele, physiognomische kenmerken van een bepaalde persoon weer. Men spreekt hier van realistische portretten. Daarnaaast zijn er twee bijzondere groepen van persoonlijke portretten: (1) de geportretteerde is "mooier" gemaakt dan hij of zij in werkelijkheid is, dus geflatteerd weergegeven, en daartegenover (2) zijn er portretten waarin de "lelijke" bijzonderheden uitdrukkelijk verwerkt Z!Jn. In de eerste groep worden de portretten van bepaalde, te herkennen personen als het ware tot een hoger plan verheven. Men kan ook hier van geïdealiseerdeportretten spreken: vaak wordt het gelaat zo rimpelloos glad afgebeeld dat er een bijna (leef)tijdloze uitbeelding tot stand komt, een toestand van volkomenheid wordt nagestreefd, soms ook wordt een bepaalde persoon of een bepaalde stijlperiode uit een ver verleden tot norm gesteld (men denke bijv. aan de Griekse klassieke stijl die in de portretten van Augustus herkenbaar is). Portretten uit de tweede groep duidt men aan met de term veristisch. De bijzonderheden, die bijkomstig mogen heten ten aanzien van de karakterisering van een persoon, worden nadrukkelijk weergegeven. Het gaat veelal om "lelijke" details, die, zonder afbreuk te doen aan de gelijkenis, ook weggelaten kunnen worden: het nauwkeurig weergeven van wratten en pukkels, het

2

nadrukkelijk uitbeelden van ingevallen wangen of uitgevallen tanden, en vooral ook het extra benadrukken van rimpels, plooien en groeven in het gelaat. Kortom, er zijn twee hoofdcategorieën van portretten die elk weer onder te verdelen zijn: 1, typologische portretten, onder te verdelen in (1) stereotype portretten, (2) typologische portretten waarin zekere kenmerken zeer globaal zijn aangegeven, (3) geïdealiseerdetypologische portretten; Il, physiognomische of persoonlijke portretten, onder te verdelen in (1) realistische,(2) veristische,(3) geïdealiseerdepersoonlijke portretten. Tussen deze categorieën en soorten portretten zijn gradaties en overgangsvormen aan te wijzen.

Portret van een Etruskische jongeman Onlangs werd een portret van een Etruskische jongeman (afb. la-b) 2 voor het museum verworven met steun van het Olga Heldring Fonds van de Fundatie "Van den Santheuvel Sobbe" te Amsterdam. Dit portret is van terracotta gemaakt. Het is waarschijnlijk geheel met de hand gemodelleerd en het is hol. Het is minder dan levensgroot (hoogte 15 cm). Aan de onderzijde is het bij de hals

afgebroken en het bovenste gedeelte van het hoofd ontbreekt: men kan hierdoor de binnenkant goed bekijken. De technische aspecten zijn interessant; de wand is zeer dik (3 tot 4 cm) en binnenin zijn vingerafdrukken van de maker waar te nemen. De man heeft een min of meer ovaal gezicht. De vrij grote ogen zijn dik omrand; ze zijn overigens niet precies even groot. De wenkbrauwen zijn licht gebogen en gaan in vloeiende lijnen in de rechte neus over. In het gezicht is alleen de neus beschadigd. De mond is levendig weergegeven. De mondhoeken zijn iets omhoog geplaatst en worden geaccentueerd door kuiltjes; hierdoor onstaat een vriendelijke uitdrukking. De kin is laag, stevig en rond. Het sluike haar is opvallend uitgewerkt: rechte strengen zijn ingekrast. Het haar van de "pony" en in de nek is recht afgesneden. Voor de oren, die nauwelijks uitgewerkt en te hoog geplaatst zijn, vallen dikke haarlokken over de slapen en bedekken de wangen gedeeltelijk. Bovenop het hoofd is een fragment van een brede haarband bewaard gebleven. Laten we proberen na te gaan tot welk soort van de bovengenoemde portretten dit mannekopje behoort en in welke tijd het gemaakt is. Laten we bij het begin beginnen.


gemaakt van terracotta en soms van brons), die de as van de overledene bevatten, met een deksel in de vorm van een menselijk hoofd. Ze zijn zo genoemd in de vorige eeuw vanwege de overeenkomst met de anthropomorfe, Egyptische kanopen die bestemd waren om ingewanden van de te mummificeren overledene in te bewaren. De geabstraheerde vormen van de zevende eeuwse Etruskische kanopengezichten (afb. 2-3) 4 worden in de loop van de zesde eeuw v. Chr. naturalistischer (afb. 4-5). 5 Deze ontwikkeling is in de afbeeldingen goed te volgen.

de Etrusken van oudsher het gebruik om een afbeelding van de overledene in het graf mee te geven: de dode leefde op die manier als het ware voort. Het is begrijpelijk dat hierdoor een vorm van portretkunst ontstond. De vroegste voorbeelden van portretmatige afbeeldingen treft men aan bij de z.g. kanopen, die vrijwel uitsluitend in het gebied van Chiusi (centraal Etrurië) van ca. 650-500 v. Chr. gemaakt zijn. 3 Etruskische kanopen zijn urnen (gewoonlijk

De vorm van het hoofd van het oudste type kanoop, zoals in afb. 2 (hoogte 22,5 cm) te zien is, lijkt afgeleid te zijn van de omgekeerde drinknap die als deksel van de oudere, z.g. bikonische Villanova asurn (zie Mededelingenblad 33, 1985) dienst deed. Alleen de neus en de wenkbrauwen zijn plastisch weergegeven; oren en mond ontbreken. Men zou dit een typologisch portret kunnen noemen waarin algemeen menselijke kenmerken slechts zeer summier zijn aangeduid: we weten zelfs niet of het hier een man of een vrouw betreft. Bij de kanoop van afb. 3 (hoogte 44 cm) gaat het zeker om de uitbeelding van een vrouw: hierop wijzen de oorringen en de borsttepels. Vrouwelijke kanopen uit de zevende eeuw v. Chr. zoals deze, hebben een kaal hoofd; mogelijk was het haar oorspronkelijk door middel van beschildering, die nu verdwenen is, aangegeven . Er bestaat ook een oude theorie dat vrouwelijke kanopen een

Afb. 4. Kanoop-portret ; terracotta; 525-500 v. Chr. Florence 79199.

Afb. 6. Hoofd van jongeman ; v otiefbeeld van terracotta; 525-500 v. Chr. London, Br. Mus . D217.

Ajb. 2. Kanoop; terracotta; 650-625 v. Chr. Siena 879.

In tegenstelling tot de Grieken kenden

Ajb. 3. Kanoop ; terracotta; 625-600 v. Chr. Florence 72782.

pruik van menselijk haar gedragen hebben. De kop, oren en urn van de kanoop in afb. 3 zijn op het pottenbakkerswiel gedraaid; de armen, handen en tepels zijn apart gemodelleerd en op de urn bevestigd. Onze kanoop is "menselijker" dan die van afb. 2. Toch is het duidelijk dat hier niet één specifieke, Etruskische vrouw afgebeeld is; het is een algemeen typologisch portret. Aan het eind van de ontwikkeling van de kanopen-portretten, d.w.z. in het laatste kwart van de zesde eeuw v. Chr., is er een duidelijke neiging tot

Afb. 5. Kanoop -portret; terracotta; 525-500 v. Chr. Florence 94617.

3


naturalisme en individualisering waar te nemen. De twee mannenkoppen in afb. 4-5 laten dit zien. Het haar is in dikke, krullende strengen plastisch weergegeven en is, net zoals bij ons mannenportret in afb. la-b, op het voorhoofd en in de nek recht afgesneden. De ogen zijn amandelvormig en licht convex; de pupillen zijn aangegeven. De tamelijk rechte wenkbrauwen, die door inkrassingen borstelig gemaakt zijn, raken elkaar in het midden boven de neus. Een lichte glimlach omspeelt de rechte lippen. De kin is zwaar en massief. De adamsappel is zelfs zichtbaar. De uitvoering van de twee koppen is zo verwant, dat men mag aannemen dat ze in dezelfde werkplaats in Chiusi gemaakt zijn. Ook hier gaat het niet om echte portretten, maar om typologische portretten, nl. van jongemannen in het algemeen. Een poging tot individualisering wordt

aardig geïllustreerd in het hoofd van afb. 5: met fijne en sierlijke lijnen is een baard geïnciseerd. Deze twee koppen vallen dus onder categorie I, 2, die boven omschreven is als "typologische portretten waarin zekere kenmerken zeer globaal zijn aangegeven". Kanopen, waarvan ca. 160 exemplaren bewaard gebleven zijn, nemen een bijzondere plaats in in de ontwikkeling van het portret. Zij kunnen als een goed voorbeeld van inheems Etruskische, d.w.z. niet Grieks beïnvloede, kunst beschouwd worden. Duidelijk wèl door Griekse, met name Oost-Griekse, stijl beïnvloed is het hoofd van de jongeman in afb. 6, 6 dat uit dezelfde tijd stamt als de zojuist besproken, n.aar inheemse traditie gemaakte, kanopen-portretten van afb. 4-5. Het is precies even groot als ons portret (afb. la-b) en eveneens van terracotta gemaakt. Het behoorde

Afb. 7. Votiefbeeld van jongeman; terracotta; 425-400 v. Chr. Lavinium P 17.50.

4

oorspronkelijk tot een staande figuur, een z.g . votiefbeeld, dat niet veel langer dan één meter was. Dit soort beelden werd aan bepaalde godheden gewijd om een gunst te verkrijgen of werd uit dankbaarheid geschonken. Ze werden bij de tempel, op het heilige terrein, opgesteld. Naast beelden van hele figuren, die tamelijk kostbaar waren, werden ook koppen geschonken, een soort beeltenissen van de gevers. Van votiefkoppen bezit het museum een vitrine vol (zie Mededelingenblad10, 1975). De z.g. Ionisch-archaïsche stijl, waarin het hoofd van de jongeman in afb. 6 is uitgevoerd, is goed te herkennen aan de verfijnde, "oosterse" trekken. De contouren van het gezicht zijn ovaal en de onderdelen lopen geleidelijk en vloeiend in elkaar over. Het voorhoofd heeft een driehoekige vorm; de neus loopt in één lijn door vanaf het voorhoofd; de wenkbrauwen zijn gebogen richels, de oogleden concaaf, de ogen zelf zijn amandelvormig, staan enigszins schuin naar binnen toe en zijn scherp omrand; de kin is laag, stevig en rond. Het haar valt op het voorhoofd in dikke, gekrulde lokjes en aan de achterzijde in zware strengen. Deze Ionisch -arc haische stijl was met name in de grote ZuidEtruskische plaatsen zoals Cerveteri, Vulci en Veii in de mode in het laatste kwart van de zesde eeuw v. Chr. Inheems Etruskische elementen ontbreken vrijwel geheel, het OostGriekse ideaalbeeld overheerst. Om een idee te geven hoe het hele beeld er vermoedelijk uitzag waartoe onze mannekop, afb. la-b, eens behoorde, wordt het votiefbeeld van afb. 7 getoond.7 Het is geheel van terracotta gemaakt, het is hol en 1.02 m. lang. Het beeld is tezamen met zeer vele andere terracotta votiefbeelden gevonden bij het heiligdom gewijd aan Minerva in Lavinium, de stad die Aeneas volgens de mythe in Latium (ten zuiden van Etrurië) bouwde en naar zijn vrouw, Lavinia, noemde. De jongeman heeft een mantel om de linker schouder geslagen, de rest van het bovenlichaam bloot latend; hij draagt schoeisel. In de linker hand houdt hij een conisch voorwerp dat als tol geïnterpreteerd kan worden. 8 Het gezicht is in de Grieks-klassieke stijl van het laatste kwart van de vijfde eeuw v. Chr. uitgevoerd. Het vertoont overeenkomsten met ons kopje (afb. lab). Aangezien het gezicht (afb. 7) hier nogal klein is en slecht te zien, is een identieke kop uit dezelfde vondst in Lavinium vergroot weergegeven in afb. 8a-b om vergelijkingen met de onze mogelijk te maken. 9 De vorm van het gezicht is gelijk aan het onze (de kin is gedeeltelijk beschadigd); ook de vorm van de ogen


Een Romeins vrouweportret

Ajb. Ba-b. Hoofd van jongeman; voor- en zijkant; votiefbeeld van terracotta; 425-400 v. Chr. Lavinium P 77.166.

met de dikke omranding is gelijk. De mond van onze jongeman met zijn lichte glimlach is subtieler uitgewerkt en de plooien van de neusvleugels naar de mondhoeken zijn duidelijker aangegeven . De haardos van onze jongeman, die overigens in eenzelfde dikke kap over het hoofd valt, is met zwaardere, parallelle groeven bewerkt (vergelijk de kanopen-portretten van afb. 4-5). Het lijkt aannemelijk ons manneportret in dezelfde tijd te dateren als die van afb. 7 en 8, nl. in het laatste kwart van de vijfde eeuw v. Chr. Alle drie zijn naar Grieks-klassiek ideaalbeeld gemaakt; de uitvoering van het haar vertoont echter inheemsItalische trekken . Het zijn portretten die ingedeeld kunnen worden in categorie I, 3: "geïdealiseerde typologische portretten" . Pas zeer laat, d.w.z. aan het begin van de eerste eeuw v. Chr., komt onder invloed van het Romeinse realistische portret, het z.g. physiognomische of persoonlijke portret (categorie II), in Etrurië in gebruik. Een goed voorbeeld daarvan is te zien in afb. 9. 10 Dit terracotta votiefportret van een man is samen met vele andere ex-voto's bij de Tempel van Mangello in Cerveteri gevonden. Het behoorde niet tot een staande figuur, zoals afb. 7 laat zien, maar het is een buste. De huid is roodbruin geschilderd; het haar is grijs zodat men aanneemt dat de man niet zo jong meer is. In het levensechte en expressieve gezicht zijn de groeven in het voorhoofd en de plooien die van de neusvleugels tot de mondhoeken lopen, evenals de plooi in de hals, door ingekraste lijnen benadrukt. Het neusbeen is gebogen; de oren steken uit. Het is in de eerste helft van de eerste eeuw v. Chr. gemaakt, een tijd waarin

de Etruskische cultuur vrijwel geheel was opgegaan in de Romeinse . Dit is eveneens de tijd waarin het echt Romeinse portret ontstaat . Zoals we gezien hebben, bestond er bij de Etrusken een diepgewortelde portrettraditie. Het gaat hierbij in het algemeen om stereotype portretten die (1) geïdealiseerd kunnen zijn (zoals in afb. 1, 6-8) of waarin (2) zekere persoonlijke kenmerken globaal zijn aangegeven (zoals in afb. 4-5). In het laatste stadium zien we beïnvloeding door het Romeinse portret (afb. 9).

Ajb . 9. Hoofd van oudere man; terracotta; 100-50 v. Chr. Rome, Villa Giulia 56513.

In 1980 werd met steun van de Vereniging Rembrandt het Romeinse vrouweportret, dat in afb. 10 te zien is, voor het museum verworven. 11 Het materiaal van dit levensgrote portret is· grijs geaderd Luna marmer, gedolven bij het tegenwoordige Carrara, ten noorden van Pisa. Het beeldhouwwerk is ter hoogte van de hals afgebroken; de rechter zijde en de achterkant zijn beschadigd. Overigens is het gezicht opvallend goed bewaard gebleven. Het is een indringend portret van een vrouw op leeftijd, laten we zeggen van omstreeks zestig jaar. Nauwkeurig lijken de lijnen in het voorhoofd en de hals aangegeven te zijn; hetzelfde geldt voor de rimpels in de zware oogleden en de groeven die van de neusvleugels naar de mondhoeken lopen. Toch is het huidoppervlak glad en gespannen . Opvallend is de sombere uitdrukking van het nogal norse gezicht : de wenkbrauwen zijn gefronst, de lippen op elkaar geklemd . Er is een zekere asymmetrie waar te nemen . De forse neus en het laag geplaatste oor zijn als bijzonderheden aan te merken. Het haar is in het midden gescheiden en naar achteren gekamd, waardoor het voorhoofd een min of meer driehoekige vorm heeft gekregen . Achter de haarlokken is een brede horizontale baan uitgespaard: waarschijnlijk paste hier oorspronkelijk een haarband of diadeem in . Vanaf het achterhoofd valt een mantel in brede plooien naar beneden. De vraag is nu of dit portret realistisch of geïdealiseerd genoemd moet worden. Alvorens tot de beantwoording van deze vraag over te gaan, dienen eerst enkele algemene opmerkingen ten aanzien van het Romeinse portret gemaakt te worden. Het Romeinse portret ontstond in het patricische milieu. Polybius (Hist. 6, 53) beschrijft omstreeks het midden van de tweede eeuw v. Chr. de gebruiken bij de begrafenis van een voorname Romein. Hij zegt dat, na de begrafenis, het portret in de vorm van een wasmasker, dat de physiognomie van de overledene opmerkelijk getrouw weergeeft, in een houten schrijn in het huis werd opgesteld (zie ook Plinius, Nat. Hist. XXXV, 6). Het recht om voorouderportretten in het atrium (de centrale hal) op te stellen (ius imaginum) was aan de hoogste stand voorbehouden en streng familiegebonden. Dit gebruik brengt met zich mee dat vele familieleden een copie van een imago wilden hebben. De dodenmaskers waren rechtstreekse afdrukken die met gips op het gezicht van de overledene gemaakt werden; uit de gipsvormen vervaardige men de wasmaskers. 12 Er is hierbij natuurlijk geen sprake van een kunstwerk, maar 5


afb. 15), 17 die oorspronkelijk ook aan de voorzijde van grafmonumenten bevestigd waren. Er is een groot aantal van dit soort reliëfs bekend (meer dan 90); ze zijn van marmer of travertijn gemaakt. Gedurende een korte tijd waren deze zeer populair in Rome, nl. in de vroeg en midden Augusteïsche periode (30 v. 5 na Chr.); daarna komen ze vrijwel niet meer voor. Gewoonlijk zijn de portretten ongeveer levensgroot en de lichamen tot onder de borst in tamelijk ondiep reliëf afgebeeld; het maximum aantal figuren per reliëfplaat is zes (dikwijls zijn conliberti en conlibertae voorgesteld). De portretten worden vergezeld van inscripties waarin de namen te lezen zijn, verder de onderlinge verwantschap, de status (vrijgelatene), het beroep en de omstandigheden die tot het maken van het reliëf geleid hebben (bijv. uit testament of in opdracht van de patronus). Deze libertini-portretten vormen een interessant onderwerp van studie. Dikwijls zijn de portretten zo veristisch van stijl, dat men mag aannemen dat ze gebaseerd zijn op dodenmaskers. Het portret van de man in het midden-Augusteïsche reliëf van afb. 15 laat dit verschijnsel duidelijk zien. Naast deze veristische stijl, die door het oudere patricische portret beïnvloed is, zien we in de loop van de Augusteïsche periode steeds meer classicistische tendenzen in de libertiniportretten verschijnen. De classicistische, d.w.z. geïdealiseerde, portretten waren, zoals we zullen zien aan het Augusteïsche hof in de mode.

Afb. JO. Portret v an vrouw; Luna marmer; 22-37 na Chr. A.P. Mus. 10.218.

van ambachtelijke productie. In het eerste kwart van de eerste eeuw v. Chr. werden voor het eerst voorouderportretten van duurzamer materiaal gemaakt. Deze vroegste portretten, die gebaseerd waren op dodenmaskers, zijn buitengewoon realistisch of zelfs veristisch. Een goed voorbeeld is het terracotta portret van een man (afb. 11); 13 frappant is de overeenkomst met dodenmaskers zoals bijvoorbeeld dat van Anton Bruckner (afb. 12). 14 Om vrouwenportretten uit de eerste eeuw v. Chr. te bestuderen, moeten we ons wenden tot andersoortige sculpturen, nl. beelden en reliëfs van 6

grafmonumenten van de gegoede middenstand en vrijgelatenen. Omstreeks het midden van de eeuw werd de stijl van het realistische of veristische portret van de patriciërs door de lagere sociale klassen overgenomen. We zien deze in vrijstaande grafbeelden, zoals die van de Pompeiaanse familie in afb. 13 (gemaakt van tufsteen). 15 Verder komt deze portretstijl voor bij beelden met diep reliëf (met een achterplaat en plint, afb. 14), 16 die oorspronkelijk hoog in het grafmonument geplaatst waren. Tenslotte wordt de grootste groep gevormd door z.g. libertini-reliëfs (zoals

Laten we terugkeren tot ons uitgangspunt, het vrouweportret in het Allard Pierson Museum (afb. 10) en ons eerst afvragen tot welk soort sculptuur het oorspronkelijk behoord heeft. In aanmerking komen de grafbeelden van hele figuren, hetzij in zeer diep reliëf (zoals bijv. afb. 14) of in rond sculptuur (zoals afb. 13). De libertini-portretten van afb. 15 zijn in te ondiep reliëf gebeeldhouwd in vergelijking met het onze; sommige libertini-portretten vertonen echter wel enige stilistische verwantschap. Het lijkt waarschijnlijk dat ons vrouweportret (afb. 10) eens een onderdeel was van een levensgroot grafbeeld van een matrona. Volledig bewaard gebleven beelden van dit soort zijn zeldzaam; er is echter wel een tamelijk groot aantal hoofden van grafbeelden bekend. Om ons portret te dateren, moeten we in de eerste plaats te rade gaan bij stilistische parallellen en verder de haarstijl in ogenschouw nemen. De algemene tendens in de ontwikkeling van het laat-Republikeinse naar het vroege-Keizertijd privé-portret is van veristisch (op het dodenmasker gebaseerd) naar realistisch, enigszins


Ajb. 11. Portret, gebaseerd op dodenmasker; terracotta; 100-50 v. Chr. Parijs, Louvre.

geïdealiseerd. Een voorbeeld van het dodenmaskerachtig vrouweportret zien we in afb. 16; dit vrouweportret uit Ostia wordt omstreeks 50 v. Chr. gedateerd. 18 De gezichtstrekken zijn buitengewoon hard en de beenderstructuur vertoont overeenkomsten met die van dodenmaskers: de jukbeenderen steken

uit, de wangen zijn ingevallen, de afstand tussen neus en mond is groot en de ogen liggen diep in de kassen. Ook de haardracht rechtvaardigt een datering in het midden van de eerste eeuw v. Chr. Haardracht kan een belangrijk criterium voor de datering van privé-portretten zijn. 19 Deze volgt nl. de wisselende haarmode van het hof, die op grond van afbeeldingen op munten meestal nauwkeurig te dateren is. Zo was het Fulvia die na ca. 40 v. Chr. de toon aangaf in de haarmode. Zij introduceerde toen het z.g. noduskapsel, d.w.z. op het voorhoofd is het haar in de vorm van een rol gekapt, terwijl de rest van het haar langs de slapen naar achteren gekamd is en in een knot op het achterhoofd samengebonden. Livia, de echtgenote van keizer Augustus, draagt dit haartype nog in het bekende portret in Kopenhagen uit de laat-Augusteïsche periode (afb. 17)20 en zelfs in een portret in Bochum dat na de dood van Augustus, in de vroeg-Tiberische tijd (afb. 18) gedateerd wordt. 2 1 Dit noduskapsel vond zijn weerklank in de haarmode van dames in de Augusteïsche tijd, niet alleen te zien in portretten van levensgrote beelden van matrone's, maar vooral ook in libertini-reliëfs (afb. 15). Vanaf 22 na Chr. wordt Livia met een nieuw soort haardracht afgebeeld, het z.g. salus-kapsel (afb. 19)22 en raakt het nodus-kapsel uit de mode. Het woord

Ajb. 13. Grajbeelden van Pompeiaanse familie; tufsteen; begin Jste eeuw v. Chr. Pompeii, voor de Porta Nocera.

Ajb. 12. Dodenmasker van Anton Bruckner.

salus heeft waarschijnlijk betrekking op

Livia's genezing na haar ernstige ziekte in haar tachtigste levensjaar (22 na Chr.). Het portret in Bochum (afb. 18) kan als één van de laatste voorbeelden van Livia-portretten met het noduskapsel beschouwd worden (14-22 na Chr.). Het verschil tussen het nodus- en salus-haartype is het feit dat de haarrol

Ajb. 14. Grajbeelden van echtpaar uit Rome; 75-50 v. Chr.; Rome, Conserv. Paleis 2142.

7


Ajb . 16. Dodenmaskerachtig portret v an v rouw uit Ostia; ca. 50 v. Chr. Ostia 63. Ajb . 15. Lihertini-relièf; midden-Augusteisch; Vatikaan 2109.

op het voorhoofd heeft plaats gemaakt voor een scheiding in het midden. Ook deze haarstijl vindt navolging. In afb. 20 is de nodus verdwenen en zien we een goed voorbeeld van het salus-kapsel in een privé-portret. 23 De haardracht van onze matrona (afb. 10) is, voor zover zichtbaar, gelijk aan die van de vrouw in afb. 20. Dit portret wordt op grond van de haardracht in de Tiberische tijd, en wel nà 22 na Chr. gedateerd. Dit zou ook de datering van ons portret (afb. 10) kunnen zijn (22-37 na Chr.). In hoeverre is er nu sprake van idealisering in het portret in het Allard

Pierson Museum (afb. 10)? Aan de ene kant is het duidelijk dat de physiognomie nauwkeurig is weergegeven: de neus is kort en krachtig, de ogen tamelijk klein en de kin rond en stevig; verder zien we lijnen in het voorhoofd en hals, rimpels in de oogleden en groeven die van de neusvleugels naar de mondhoeken lopen. Toch zijn deze trekken niet zo meedogenloos realistisch weergegeven als bijvoorbeeld in het veristische portret uit de laat -Republikeinse tijd van afb. 16. Aan de andere kant is er zeker sprake van idealisering zoals in de

portretten van keizerin Livia (afb. 1719): Liv ia is in 58 v. Chr. geboren, d.w.z. dat zij in de portretten van afb. 17, 18, en 19 respectievelijk ca. 65, 75 en 85 jaar was. Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de geïdealiseerde stijl van de keizerin een zekere uitwerking op privé-portretten in de laat-Augusteïsche en Tiberische tijd (afb. 10 en 20) heeft gehad. Wat betekent idealisering tenslotte in dit verband? De beeldhouwer heeft afgezien van al te realistische trekjes, zoals bijvoorbeeld kraaiepootjes, verzakkende huidplooien onder de ogen en al te zware groeven in de wangen. In het algemeen kan men zeggen dat onze

Ajb . 17. liv ia op ca. 65-jarige leeftijd; 4-14 na Chr. Kopenhagen 615.

Ajb. 18. livia op ca. 75-jarige leeftijd; 14-22 na Chr. Bochum S 1069.

Ajb. 19. li via op ca. 85-jarige leeftijd; 22-29 na Chr. Kopenhagen 531.

8


respectabele matrona (afb. 10) misschien iets mooier is gemaakt dan zij er op haar leeftijd uitzag; deze idealiserende tendens lijkt, afgezien van de haarmode, beïnvloed te zijn door voorbeelden van de Augusteïsche, geïdealiseerde hofstijl (afb. 17-19). H.A.G. Brijder Noten: 1. Over het begrip "portret" in het algemeen, zie E. Buschor, Das Porträt, Bildniswege und Bildnisstufen infünf Jahrtausenden, 1960; R. Bianchi-Bandinelli, E.A.A VI, 695-738; J.D.

Breckenridge, Likeness, A Conceptual History of A ncienl Portraiture, 1968. Het algemene gedeelte en dat over het Romeinse vrouweportret (afb. 10) van dit artikel zijn reeds door de schrijver in andere vorm gepubliceerd in Lampas 18 nr. 1 (febr. 1985) 77-96. 2. !nv. nr.11.063. H.15 cm; breedte 15 cm; diepte 16,5 cm. Gekocht in kunsthandel, Amsterdam. Cat. Jacques Schulman, Lijst 231, okt. 1985, nr. 28 met il!. 3. Over Etruskische kanopen, zie R.D. Gempeler, Die Etruskische Kanopen, Herstellung, Typologie, Entwicklungsgeschichte, 1974; L.B. van der Meer, De Etrusken. Inleiding tol de verzameling Etruskische Oudheden in het Rijksmuseum te Leiden, 1977, 28-30; zie ook O.J. Brendel, Etruscan Art. The Pelican History of Art, 1978, 129 e.v.

4. Gempeler (noot 3) 25 nr. 10 en 42-43 nr. 30, pl. 3, 3-4 en pl. 9, 2, 4. 5. Idem, 111-113 nrs. 101 en 102, pL 31, 2-4; Brendel (noot 3) 130-131, afb. 83-84. 6. E. Richardson, The Etruscans, Their A rl and Civilization 2 , 1976, pl. 22. 7. Enea nel Lazio, archeologia e mito; Bimillenario Virgiliana, 1981, 230-232 nr. D 209. 8. Idem, 230. 9. Idem, 232-233 nr. D 211. 10. M. Moretti en G. Maetzke, The Art of the Etruscans, 1970, 48 (kleurenplaat). 11. lnv. nr. 10.218. H. 32 cm. Gekocht in kunsthandel, Zürich. Bibi.: J.M. Hemelrijk, Vereniging Rembrandt, jaarverslag 1980, 39-40; Nancy Klomp in Gezicht van de Oudheid, Aanwinsten 1965-1981, Allard Pierson Museum, 1982, no. 78 pl. 17; H.A.G. Brijder in Griekse, Etruskische en Romeinse Kunst 2 , 1984, 142 afb. 115A; idem, "Realistisch of geïdealiseerd?", Lampas 18.1 (febr. 1985) 77-96. Nancy Klomp schreef haar doctoraal scriptie over dit vrouweportret; voor het ter beschikking stellen van haar gegevens ben ik haar dankbaar. Dank ben ik ook verschuldigd aan Prof. Hemelrijk voor zijn suggesties. 12. Zie het recente artikel van H. Drerup, T otenmaske und Ahnenbild bei den Römer, RM 87 (1980) 81-129. 13. A.N. Zadoks-Josephus Jitta, Ancestral Portraiture in Rome and the Art of the Last Century of the Republic, ArchaeologischHistorische Bijdragen I, Allard Pierson Stichting, 1932, pl. 7. 14. Zadoks (noot 13), pl. 7. 15. P. Zanker, Grabreliefs Römischer Freigelassener,jd/ 90 (1975) afb. 18. 16. D.E.E. Kleiner, Roman Group Porlraiture . The Funerary Reliefs of the Late Republic and Ear/y Empire, 1977, 201-202 fig. 11. 17. Kleiner (noot 16), 234-235 fig. 69. Voorgesteld zijn de vader, de moeder en hun zoontje; de vader was een vrijgeborene die de vrijgelatene (liberta) Vecilia huwde. 18. G. Calza, Ostia V, Ritratti (1964) 26 nr. 20 pl. XII (midden lste eeuw v. Chr.). 19. Zie bijv. L. Furnée-van Zwet, Fashion in Women's Hair-dress in the First Century of the Roman Empire, BABesch 31 (1956) 1-22. 20. H. Bartels, Studien zum Frauenporträt der augusteischen Zeil, Fulvia, Octavia, Livia, Julia, 1962, 29 e.v. n. 230; W.H. Gross,Julia Augusta, Untersuchung zur Grundlegung einer LiviaI konographie, 1962, 87 e.v., pl. 15; datering 4-14 na Chr. 21. N. Kunisch, Vier ancike Portï-ats in den RUB-Kunstsammlungen,Jhrb. 1979 der RuhrUniversität Bochum, 8-13; datering 14-22/3 na Chr. 22. Furnée-van Zwet (noot 19), 6; Barcels (noot 20), 10 e.v., 48 e.v.; Kunisch (noot 21), 12-13. 23. V. Poulsen, Les Porlraits Romains /, République et Dynastie Julienne, 1962, no. 80, pl. 142-143. Op deze parallel werd ik opmerkzaam gemaakt door Nancy Klomp.

Ajb. 20. Portret van vrouw; 22-39 na Chr. Kopenhagen 645.

SUMMARY Two heads were recently acquired for the Allard Pierson Museum. The terracotta head of a youth (fig. la-b; inv. no. 11.063; H. 15 cm) probably belonged to a votive stacue (H. ca 1 meter). lt may be compared with votive stacues found in Lavinium (figs. 7-8) and dated to 425-400 B.C. The head of the matrona (fig. 10; inv. 10.218; H. 32 cm) is made of Luna marble. lt possibly belonged toa tomb sta cue like chose in figs. 13-14 or ic was, more likely, a bust as the one in fig. 20. The head may be dated to the Tiberian period (22-39 A.D.).

9


Iran en het Allard Pierson Museum Een schenking De eerste in het Allard Pierson Museum georganiseerde tentoonstelling droeg de naam Vroeg aardewerk, brons en sieraden uit Noord-Iran. Het jaartal was 1966-67, plaats van handeling de aula van het inmiddels afgebroken gebouw aan de Sarphatistraat. Deze naar de huidige begrippen uiterst bescheiden onderneming markeerde het begin van de relatie van het Museum met Iran. Sindsdien heeft het Museum een belan grijke kollektie oudheden uit dat land opgebouwd, voornamelijk afkomstig uit de verzameling J. van Lier. Hieronder bevinden zich zu lke artistieke "topstukken" als de uiterst dunwandige, gepolijste keramiek uit "Amlash" en de sieraden van goud en half-edelstenen uit dezelfde streek ten zuidwesten van de Kaspische Zee (zie zaal 2, vitrine 64 en "goudpodium" 19, vitrines 345, 349-350). 1 In september 1984 werd de Iraanse kollektie uitgebreid met een tiental terrakotta potten, geschonken door de heer J. Polak, die ze kort tevoren had verworven op een veiling van Sotheby in Amsterdam. 2 Deze aanwinsten worden hierna beknopt besproken . Allereerst is er de vraag naar de herkomst en de datering van de nieuwe potten. Deze vraag kan tot op zekere hoogte worden beantwoord door een vergelijking van hun techniek, vormen en versiering met die van vondstmateriaal uit gekontroleerde opgravingen. Vijf van de potten (nrs. 26) dragen bovendien een etiketje met het woord "Chorbin". Dit woord verwijst hoogst waarschijnlijk naar een vindplaats die in de vakliteratuur bekend staat als Khurvin, ca. 80 km. ten noordwesten van Teheran (voor de ligging van deze en andere vindplaatsen, zie kaartje afb. 1). 3 We beginnen met de oudste van de recente aanwinsten, de beschilderde kom op een knop-voet nr. 1 (afb. 2). Deze kom kan worden geassocieerd met een andere bekende vindplaats, Sakkizabad, ca. 215 km. ten westen van Teheran. De kom is van vrij grove makelij en met de hand gevormd. Binnen- en buitenkant dragen een rode deklaag waarop in bruin-zwart geometrische motieven zijn geschilderd: buiten een groep zigzag- en horizontale lijnen onder de rand, binnen een zigzagpatroon afgewisseld met twee sterretjes. Het schijnt dat dit soort beschilderd aardewerk tot dusver uitsluitend in Sakkizabad is aangetroffen, en wel in 10

.,.,,. r. .i\ "\ l ·.____ / ../ ;!

·,.

<i \.

ZEE

\

i...._ '-. '7 j r·

• Amlash Marlik

/

.f

j

------·"\ .-....

-.-· ........ \.

---\_.,

• Khurvin

Sakkizab.Îd

\

• Teheran

i

1

.l ( (

<·,

L/

·1

(

·,. ·---

\ )l. ______

J

'- ·,

.......

\

·-,

1

r

r·r · 1 0

300 km

Afb. 1. Iran

graven. 4 Dit en het feit dat de graven zijn geopend tijdens nietwetenschappelijke opgravingen bemoeilijken de datering van het materiaal. Suggesties lopen uiteen van ca. 1800 tot 1150 v. Chr. 5 In tegenstelling tot nr. 1 zijn de vijf potten met het etiketje "Chorbin" alle op de draaischijf gemaakt. Afgezien daarvan tonen zij aanzienlijke onderlinge verschillen, ook wat betreft de datering. De schenkkan met lange, gedeeltelijk open tuit nr. 2 (afb. 3) behoort tot een van de varianten van een bekend type vaatwerk. Dergelijke z.g. snavelkannen, uitgevoerd in keramiek doch ook in brons en edelmetaal, zijn wijd verbreid in Iran in het latere 2e en vroege le millennium v. Chr. 6 Dit exemplaar, dat waarschijnlijk uit het late 2e millennium dateert, heeft een vlakke bodem en draagt twee plastische knoppen op de schouder, tegenover de tuit. De wand is vrij dun, grijs van kleur en niet

beschilderd doch gepolijst, zoals bij veel aardewerk uit Khurvin en andere vindplaatsen in Iran. Deze op de draaischijf vervaardigde, gepolijste grijze keramiek is dikwijls in verband gebracht met de verschijning in Iran van Indo-Europese stammen - de voorouders van de uit latere historische teksten bekende Meden en Perzen .7 Technisch van veel mindere kwaliteit is de konische kom of beker nr. 3 (afb. 3). De wand is dik en het oppervlak is in de oven deels grijs en deels zwart gebakken. Hier en daar zijn sporen van polijsting zichtbaar. Het kleine oor is niet funktioneel, tenzij het gediend heeft voor een koord waarmee de pot kon worden opgehangen. Tegenover het oor, direkt onder de rand, zijn twee knoppen aangebracht. Deze dekoratie herinnert aan die van de snavelkan nr. 2, en een zelfde datering lijkt mogelijk. De kleine kom met vlakke bodem en scherp gesneden profiel heeft een oranje-rode deklaag binnen en buiten (nr. 4, afb. 3). De vorm en versiering


suggereren een datering in de Parthische tijd (ca. 150 v. Chr. - 250 n. Chr.) of in de daarop volgende Sassanidische periode (ca. 250-650 n. Chr.) .8 De laatste twee potten met het opschrift "Chorbin", nrs. 5-6 (afb. 4), zijn nauw aan elkaar verwant. Van deze kommen op drie pootjes heeft er ĂŠĂŠn tegenover het oor een schenktuit. Het betreft hier vrij dikwandig, sterk gepolijst donkerbruin aardewerk dat voorheen werd gedateerd in het late 2evroege le millennium v. Chr. en tegenwoordig in de Parthische periode. Deze her -datering berust op bestudering van vondsten uit wetenschappelijk opgegraven grafvelden in Dailaman, niet ver van "Amlash" in noordwest lran. 9 Uit deze laatste streek is dergelijke keramiek trouwens ook bekend. 10 Daarentegen lijkt deze te ontbreken in het boek van prof. L. Vanden Berghe over vondstmateriaal uit de graven van Khurvin, waarvan sommige door hem zelf zijn onderzocht. 11 Dit zou er op kunnen wijzen dat het etiketje "Chorbin" niet in alle gevallen betrouwbare informatie omtrent de herkomst geeft. Anderszijds zou hier ook sprake kunnen zijn van welkome aanvullingen op het repertoire en de datering van de keramiek uit Khurvin. De vier overige potten zijn alle op de draaischijf gemaakt en onbeschilderd. Het grijskleurige, gepolijste bekertje nr. 7 (afb. 5) is te dateren in het late 2e millennium v. Chr., evenals de snavelkan nr. 2. Dergelijke bekers op een lage, konische voet en met een bol lichaam dat overgaat in een relatief lange, zich verwijdende hals, zijn bekend uit verschillende delen van Iran, inklusief Khurvin en de streek van Amlash. 12 De bekers zijn van uiteenlopend formaat. Nr. 7 valt op door het ontbreken van een oor. Daarentegen is de versiering van vertikale richels op het lichaam niet ongewoon. Nummer 8 (afb. 5) is een dikwandige kan van slecht gereinigde klei. Het oppervlak is deels grijs deels zwart gebakken en vertoont sporen van polijsting op de hals. Ter versiering zijn er twee knoppen op de schouder, tegenover het oor dat zelf ook een afgesleten - knop draagt. De techniek en dekoratie doen denken aan de kom nr. 3 en een zelfde datering in het late 2evroeg le millennium v. Chr. is mogelijk. Over de herkomst valt weinig te zeggen; de streek van Amlash noch Khurvin is uitgesloten. De dunwandige, grijze schenkkan nr. 9 (afb. 5) behoort tot de fraaie, sterk gepolijste keramiek uit "Amlash", waarvan het museum al een goede selektie bezit (zie boven). Betrouwbare informatie omtrent de datering wordt verschaft door exemplaren uit

Afb. 2.

nr. 1

gekontroleerde opgravingen in het grafveld van Marlik, niet ver van Amlash. Deze vondsten behoren voornamelijk tot het late 2e millennium v. Chr., met een uitloper in het le millennium. 13 Onze schenkkan heeft een vlakke bodem en een rand-oor. Rondom de aanzet van de hals bevinden zich drie rijen streepjes die voor het bakken in de klei zijn gedrukt. Dit soort eenvoudige versiering komt vaker voor. Een aardig detail is verder het gaatje in de wand

Tekening: George Strietman

van de pot - een "spoor" van de kleine houweel van de "opgraver" die de pot verder intakt heeft gelaten. Tenslotte is er de fles van vrij dunwandig, grijs aardewerk nr. 10 (afb. 5). De fles is gepolijst en versierd met een vertikale richel onder het oor en met horizontale richels rond de hals. Herkomst en datering zijn waarschijnlijk gelijk aan die van de "Amlash" kan nr. 9. J.H. Crouwel 11


Ajb . 3.

v.l.n.r. nrs. 3, 4, 2

Afkortingen: - Amsterdam - Vroeg aardewerk, brons en sieraden uit noord-Iran (tentoonstellingskatalogus Allard Pierson Museum, Amsterdam 1976-77). - Gent, Brussel - L. Vanden Berghe, OudIraanse kunst. Prehistorie, Protohistorie (tentoonstellingskatalogus Gent, Brussel, en ook Utrecht, 1966). - Khurvin - L. Vanden Berghe, La riecropolede Khurvin, 1964. - Medveskaya - l.N. Medveskaya, Iran: Iron Age/. BAR 126, 1982. - Oud Iran - G.P.F. van den Boom, Ottd Iran. Pre-islamitische kunst en voorwerpen in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, z.j.

Inventarisnummers en afmetingen: Nr. 1. !nv. 10929. H. ca. 0.07; diam. rand ca. 0.13. Nr. 2. !nv. 10935. H. tot rand 0.19; diam. rand 0.09. Nr. 3. lnv. 10931. H. 0.10; diam. rand 0.16. Nr. 4. lnv. 10937. H. 0.073; diam. rand 0.15. Nr. 5. !nv. 10933. H. 0.14; diam. rand 0.19. Nr. 6. !nv. 10934. H. 0.095; diam. rand 0.165. Nr. 7. !nv. 10932. H. 0.093; diam. rand 0.065. Nr. 8. !nv. 10938. H. 0.13; diam. bodem 0.06. Nr. 9. lnv. 10936. H. 0.128; diam. bodem 0.065. Nr. 10. !nv. 10930. H. 0.228; diam. bodem 0.125.

Ajb. 4.

12

v.l.n.r. nrs. 5, 6


Noten: 1. Zie Selected Pieces, 1976, pl. 15; Gifts to Mark the Re-opening, 1976, pl. 9-14, 17; G. WildWĂźlker en J.H.Crouwel, MMVAP 12 (juni 1976) 11- 14. Het overige deel van de verzameling van Lier is sindsdien verworven voor het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, zie Oud Iran 9-10. 2. Zie aankondiging in MWAP 32 (dec . 1984) 20. Aan dezelfde schenker dankt het Museum ook een hoornvormige terrakotta rhyton uit Iran, door ondergetekende gepubliceerd in MMVAP 8 (juli 1974) 7-8. 3. Zie Khur v in; Amsterdam 12-14; Gent, Brussel 43-44; Oud Iran 59-62; Medveskaya 111-112. 4. Amsterdam 9-12; Gent, Brussel 14-16, 44; Ottd Iran 55-57. 5. Zie Oud Iran 55-56. Opgravingen van de universiteit van Teheran, voor zover gepubliceerd, werpen geen licht op deze periode in de lange bewoningsgeschiedenis van Sakkizabad, zie E.O. Negahban in The Memorial Volume of the Vith

6. Zie Khurvin 13-14; Medveskaya 19-20, fig. 2:Ila; E.O. Negahban, Metal Vessels/rom Marlik . PBF 11.3, 1983, 73. 7. Khurvin 47; Gent, Brussel 41-43; Oud Iran 26. Voor een afwijkende visie, zie Medveskaya 99100. 8. Cf. de kom in Oud Iran afb. 161 links. 9. Zie E. Egami et al., Dailaman l -lll, 1965, 1966, 1968. De herdatering is vooral te danken aan Dr. E. Haerink (Gent). 10. Zie Oud Iran 106 en afb. 152, 154-155. Voor kommen zoals nrs. 5-6, zie Amsterdam pl. 23 rechts boven en tekening nr. 14 (Kat. nrs. 150, 148). 11. Zie Khurvin. 12. Khurvin pl. XIV-XV; Amsterdam pl. 4 2e van rechts (Kat. nr. 39); Oud Iran fig. 68 midden; Medveskaya 26-27, fig . 2:Vla . 13. E.O. Negahban , A Preliminary Report on Mar/ik Excavations, Rudbar 1961-62, 1964. Voor goede parallellen uit " Amlash", zie Amsterdam pl. 18 en tekening nr. 3 (Kat. nrs. 93, 91, 92, 95); Oud Iran afb. 82.

International Congress of lranian Art and Archaeology, Oxford /972, 1976, 247-256.

Afb. 5.

v.l.n.r. nrs. 8, 9, 10, 7

SUMMARY A recent gift of ten terracotta vessels from Iran is discussed here briefly . They can be shown to range in date from the 2nd millennium B.C. to the 1st millennium A.D. Several of the vessels appear to come from Khurvin, another from Sakkizabad (bowl no. 1 with its painted geometrie designs characteristic of this site), yet others from "Amlash" (including the fine jug no. 9 with its grey, burnished surface).

13


Een koninklijke familie in het Museum

PINODJ

E M

I

X

II E N TTAW

I

PS US

Afb . 1.

Psusennes l

Afb. 2.

14

E NNES

I

X

WIAY

Tjanefer MENCHEPERRE

Binnen de collectie sjawabti's (Oudegyptische dienarenbeeldjes, die in het graf werden meegegeven) 1 verdienen enkele exemplaren speciale aandacht, omdat ze behoorden aan enkele aan elkaar verwante personen. Zoals gereconstrueerd kon worden, was dat niet zomaar een familie, maar vormde deze een geslacht van priester-koningen uit de 21e dynastie (ca. 1080-946 v. Chr.). De laatste Ramessidische farao's van de 20e dynastie waren alleen nog maar in naam koning, totdat uiteindelijk de Thebaanse hogepriester van Amon, Hrihor, ook nominaal de macht overnam. Diens kleinzoon was Pinodjem I, en één van de nakomelingen van deze laatste heette Psusennes I2 (afb . 1), die koning was in Tanis, de hoofdstad van het toen zelfstandige Beneden-Egypte. Zijn bronzen sjawabti is de enige van deze collectie die niet in Thebe (zie beneden), maar in zijn koningsgraf in T anis is gevonden .3

j

.j

(1676)

X

ASETEMACHBIT

1

(9468) TJANEFER

X

(i,AOETSES.JEN

PINOD.JEM

Il

X

ASETEMACHBIT

11

( 8807)

( 880 2) NESTANEBETIS.JEROE

GENEALOGIE:

(9469)

X

OJEOPTAHIUFA.NCH


Psusennes' dochter bij de concubine Wiay was Asetemachbit I, die met haar oom Mencheperre, hogepriester in Thebe, gehuwd was. Een dochter uit dit huwelijk, Gaoetsesjen geheten, trouwde met de 3e profeet van Amon, Tjanefer (afb. 2). Een zoon, Pinodjem Il, en een andere dochter uit hetzelfde huwelijk, Asetemachbit II (afb. 3), - broer en zus dus - waren weer met elkaar gehuwd. In deze dynastie was het niet ongebruikelijk binnen de familie te trouwen, teneinde het koninklijk bloed zo zuiver mogelijk te houden en de macht niet met buitenstaanders te hoeven delen. Een dochter van Pinodjem II was Nestanebetisjeroe (afb. 4). Haar huwelijk met de toenmalige 3e profeet van Amon, Djedptahiufanch (afb. 5) is wel niet zeker, maar ook niet onmogelijk. 4 Hun beider mummies zijn overigens voortreffelijk bewaard gebleven.

Alle sjawabti's zijn, op die van Psusennes I (zie boven) na, afkomstig uit twee verschillende geheime mummie-bergplaatsen, in de vorige eeuw ontdekt in de buurt van de rotstempel van farao Hatsjepsoet te Deir el-Bahari op de Westoever van Thebe. 5

Ajb. J.

Ajb. 4.

Asetemachbit Il

W.M. van Haarlem

Nestanebetisjeroe

Noten: 1. Zie o.a. WAPM 11 (1976) 4-5. 2. !nv-. nos. resp. 1676, 8807, 9468, 8802 ( 2 ex.) en 9469. 3. P. Montet, La NĂŠcropole Royale de Tanis Il, 1951, 94-pl. LXIII. 4. H . Kees, Die Hohenpriester des Amun von Karnak von H erihor bis zum Ende der Athiopenzeit, 1964, 74 ff.; cf. ook K. Kitchen, The Third lntermediate Period in Egypt, 1973, passim. 5. B. Porter-R.L.B. Moss, Topographical Bibliography 1, Part 2, 19642, 630/f, 658 ff, 1964, 2 630 ff, 658 ff

Ajb. 5.

Djedptahiufanch

SUMMARY Five shabti's in the Allard Pierson Museum, all belonging to members of the Theban and Tanite aristocracy of the 21st Dynasty, are described, and their complicated family relations are reconstructed.

15


Vier vroeg-Etruskische voorwerpen Schenking Mevrouw A. van Dijk-Borst Dit jaar schonk Mevrouw A. van DijkBorst te 's-Gravenhage vier vroegEtruskische voorwerpen aan het museum: een schaaltje uit de geometrische periode (afb. 1-3), een situla en een schotel uit de subgeometrische periode (afb. 5 en 10) en een schaaltje met EtruscoCorinthische decoratie uit de archaische tijd (afb. 12). De decoraties van de voorwerpen illustreren de interessante ontwikkeling van abstrakte geometrische motieven in de achtste eeuw via gestileerde vogels in de zevende eeuw naar bijna impressionistisch geschilderde zwanen in de zesde eeuw v. Chr. Het schaaltje (afb. 1-2; hoogte 6 cm en diameter 9,5 cm) is het oudste van de vier. Het staat op drie schuin geplaatste pootjes die elk uitlopen in "voeten"; op de rand van het bakje is een klein handvat gemodelleerd. Het schaaltje is gemaakt van z.g. impasto, d.w.z. van slecht gezuiverde klei; het is met de hand gevormd. Het oppervlak is glanzend bruin-zwart gekleurd tijdens het bakproces. Dit materiaal is kenmerkend voor het aardewerk uit de z.g. Villanova cultuur, die van de tiende tot in de zevende eeuw v. Chr. in Italië bloeide. Men zou de Villanova periode de geometrische fase van de Etruskische cultuur kunnen noemen. De onderzijde van ons bakje is met een ingewikkeld geometrisch motief gedecoreerd (zie afb. 2-3). In de nog natte klei, d.w.z. voor het bakproces, is een meander van swastika's ingekrast. De hakenkruizen, die op het eerste gezicht misschien niet te onderscheiden zijn, worden gevormd door het loodrecht kruizen van twee hoekig "slingerende" lijnen. Het is niet geheel zeker wat de functie van dit schaaltje geweest is. Men zou bij voorbeeld kunnen denken aan een schaaltje voor zout of specerijen; het behoorde in ieder geval tot nogal luxueus tafelgerei . Goed te vergelijken met ons schaaltje zijn de twee exemplaren die in afb. 4 getoond worden.' De bakjes van dit "peper-enzout stel" zijn aan de binnenkant met geometrische patronen versierd. De onderstellen zijn in de vorm van twee rammen uitgewerkt; hun poten lopen, net zoals de onze, in "voeten" uit. De dieren getuigen van vindingrijkheid van de maker: ze spreken tot de verbeelding en zijn tevens functioneel. Het zijn vroege voorbeelden van ongebreidelde 16

Ajb. 1. Schaaltje op drie v oeten uit Cerveteri; impasto; achtste eeuw v. Chr. A.P. Mus. 10.951.

fantasie, die kenmerkend is voor de Etruskische kunst. Het uitzonderlijkste voorwerp van de vier is de situla (afb. 5; totale hoogte 19 cm en diameter ca. 11 cm): een bijna cilindrisch emmertje met een hengsel. De cilinder heeft een dikke wand die niet op het pottenbakkerswiel gedraaid is maar met de hand gevormd. De bodem was (te) dun gemaakt en is verloren gegaan. Het handvat is licht gebogen en aan de rand van de emmer vastgezet. Aan de buitenkant van de emmer en het handvat is een crème-kleurige deklaag aangebracht waarop de steenrode decoratie geschilderd is. Deze deklaag diende als egale ondergrond voor de beschildering en onttrok zodoende de grove kleistructuur aan het oog. De decoratie is met brede penseelstreken geschilderd: korte, parallelle strepen op het hengsel en een groot zigzag patroon tussen horizontale banden op de emmer. Het zigzag patroon is samengesteld uit naast elkaar geplaatste en aansluitende V's; in de staande en "hangende" driehoekige velden die zo ontstaan, zijn kleinere V 's aangebracht. De schilder "kwam niet goed uit", d.w.z. het patroon loopt niet door, maar heeft een begin en een eind.

Er zijn slechts enkele situlae bekend die overeenkomsten vertonen met de onze (zie afb. 6-7). De vorm van het exemplaar dat afb. 6 laat zien, 2 is vrijwel identiek met die van onze emmer (afb. 5); de rode schildering is eveneens op een crèeme-kleurige ondergrond aangebracht (op vele plaatsen afgesleten). De decoratie is echter uitgebreider dan op onze situla. In het centrale fries zijn twee grote metopen met elk een hakenkruis geschilderd. Boven en onder het fries zien we een band met meander-haken (z.g. "rennende honden"). Deze situla wordt in de geometrische periode, aan het eind van de achtste eeuw v. Chr. gedateerd. De versiering van een tweede situla, afb. 7, is een vereenvoudigde versie van de onze. 3 In het fries is een enkelvoudig zigzag patroon te zien. De vorm verschilt echter. De emmer loopt taps toe naar boven en onder één aanzet van het hengsel is een schenktuit gemodelleerd. Deze situla is in een graf bij Narce gevonden niet ver van Falerii (verg. afb. 4), ten zuidoosten van Etrurië, en wordt op grond van de vondstomstandigheden later dan het zojuist genoemde exemplaar, afb. 6, gedateerd, nl. ca. 675-650 v. Chr. Het lijkt aannemelijk dat onze situla op grond van de vorm en de decoratie nà


Afb. 3. Tekening van de geometrische decoratie op onderzijde van bakje afb. 1: meander van hakenkruizen. Tekening: George Strietman

die van afb. 6, maar voor die van afb. 7 gemaakt is.4 De situla van afb. 7 is tezamen met verschillende andere vazen in een crematie-graf te Narce opgegraven, waaronder een schaal op hoge voet (afb. 8). 5 In het fries op deze schaal zien we een rij merkwaardige vogels, die een kenmerkend motief genoemd kan worden voor de tijd waarin ook onze situla (afb. 5) gemaakt is, nl. de subgeometrische periode. De vogels zijn in silhouet en gestileerd in rode verf geschilderd; ze hebben een lange snavel,

Afb. 2. Onderzijde van schaaltje afb. 1.

uitgespaarde ogen, een S-vormige hals en een langgerekt lichaam met afhangende staart. In de literatuur worden deze vogels gewoonlijk reigers genoemd, ook al zijn de poten nogal kort en de staart te lang. Niet lang geleden, om precies te zijn in januari 1958, is een kleine grafkamer te Veii ontdekt: het z.g. Graf van de Eenden (Tamba delle Anatre; afb. 9). 6 Het was een unieke vondst; het is een graf met een van de vroegst bekende wandschilderingen, niet in het bekende centrum van grafschilderingen,

Afb. 4. "Peper-en-zout stel"; de schaaltjes worden gedragen door rammen; gevonden in Falerii; impasto; midden achtste eeuw v. Chr. Villa Giulia, Rome .

T arquinia, gevonden maar in het meer landinwaarts gelegen Veii. Zowel de datering als de vindplaats werpen nieuw licht op de Etruskische wandschilderkunst in het algemeen. De onderhelft (hoogte 1 m) van de muren is rood en de bovenhelft is geel geschilderd; beide gedeelten worden door vijf gekleurde banden van elkaar gescheiden: drie zwarte banden met een rode en een gele ertussen. Daarop is een rij vogels te zien (afb. 9), die naar links lopen. Ze vertonen veel overeenkomst met die in afb. 8, maar worden hier eenden genoemd. De voorste, middelste en achterste eend is rood, de tweede en vierde zijn in contourlijnen met zwarte binnentekening geschilderd. Als grafgift is ondermeer een vaas aangetroffen met een rij vogels die er precies zo uitziet als die van afb. 8. Het Graf van de Eenden kan in dezelfde tijd als deze vaas gedateerd worden, nl. ca. 675-650 v. Chr. of mogelijk iets later, d.w.z. in het midden van de zevende eeuw v. Chr. De rij van vijf vogels op de grote schotel (afb. 10), het derde voorwerp uit de schenking van Mevrouw van Dijk, komt in stijl sterk overeen met de zojuist besproken vogels (afb. 8). De schotel heeft een diameter van 27,5 cm; hij is op het wiel gedraaid en het oppervlak aan de buitenkant is gepolijst. In het midden is een schijfvormige verhoging gemaakt: de voet 17


Ajb. 5. Situla (emmertje) uit Veii; terracotta; 700-675 v. Chr. A.P. Mus. 10.950.

Ajb. 6. Situla (emmertje) met decoratie van hakenkruizen; terracotta; eind achtste eeuw v. Chr.

Ajb. 7. Situla (emmertje) uit Narce; terracotta; 675-650 v. Chr. Chicago C24805.

waar de schaal op stond. Er zijn twee gaatjes in de rand aangebracht om de schotel aan op te kunnen hangen. Niet de binnen- maar de buitenkant van de schotel is gedecoreerd: deze zag men namelijk als hij aan de muur hing. Ook hier is de ondergrond van een crème-kleurige deklaag voorzien en is de schildering met rode verf opgebracht. In het fries lopen vijf reigers (of zijn het eenden?) naar rechts. Op de voet van de schotel is een rad met acht spaken geschilderd. Deze "reiger" -borden ("piatti ad aironi") worden vanaf het begin van de zevende eeuw v. Chr. zeer vaak in graven van Cerveteri aangetroffen. Ook ons bord is afkomstig uit de necropolis van deze stad. In N arce is de schotel gevonden die in afb. 11 te zien is. 7 Interessant is het feit dat de schilder hier kennelijk de behoefte had een begin en een eind aan de rij vogels te maken. Een net-patroon met stippen in de mazen markeert het begin- en eindpunt. Deze schotel wordt ca. 675-650 v. Chr. gedateerd. Het is duidelijk dat ons "reiger" -bord (afb. 10) in de eerste helft van de zevende eeuw v. Chr. te dateren is, mogelijk in het eerste kwart van deze eeuw; het zou dan contemporain zijn met onze situla (afb. 5). Het is de tijd waarin abstrakte geometrische motieven langzaam maar zeker door figuratieve voorstellingen verdrongen worden. Het vierde en tevens jongste voorwerp uit de schenking van Mevrouw van Dijk is het terracotta schaaltje van afb. 12. Het is niet groot en tamelijk ondiep; de 18

Ajb. 8. Schaal op hoge voet uit hetzelfde graf in Narce als situla van ajb. 7; terracotta; 675650 v. Chr. Chica[!.oC24804.


Ajb. 9. Rij eenden in het Graf van de Eenden te Veii (Tomba delle Anatre); midden zevende eeuw v. Chr.

diameter is 14,5 cm en de hoogte 3,6 cm. Een fragment van de rand ontbreekt. De wand van het schaaltje is convex (zie afb. 13) en in het midden is een holle knop aangebracht. Deze knop wordt in het Grieks een omphalos (navel) genoemd. In de antieke literatuur spreekt men van een phialè mesomphalos,d.w.z. een schaaltje met een navel in het midden. Dit soort schaaltjes werd bij uitstek gebruikt om een plengoffer mee te brengen; dit weten we uit de literatuur en van afbeeldingen op Griekse vazen. Het schaaltje werd met wijn of een andere vloeistof gevuld en op het brandende altaar uitgegoten. In de holte van de knop stak men wijs- en middenvinger en

Ajb. 10. Z.g. "reiger"-bord uit Cerveteri; terracotta; 700-650 v. Chr. A.P. Mus. 10.090.

de duim omvatte de buitenkant van de schaal; zo had men een vaste greep. Uit de literatuur en van de afbeeldingen weten we ook dat de phialè als drinkschaal tijdens symposia gebruikt werd .8 Phialai van terracotta komen niet veel voor. Men neemt aan dat terracotta phialai van metalen voorbeelden zijn overgenomen. Omstreeks 700 v. Chr. is het vroegste bronzen exemplaar in Griekenland te dateren (afb. 14); het is in Olympia gevonden. 9 Deze schaal is iets groter (diameter 18 cm) dan de onze en veel dieper (hoogte 6 cm): dit laatste is een kenmerk van de vroegste phialè-vorm. Net zoals bij onze schaal is er een navel in het midden. Deze is hier

door concentrische ringen omgeven; om die van ons zijn concentrische cirkels geschilderd . Uit de ringen van de Olympia schaal komen griffioenprotomen te voorschijn die in ondiep relief gedreven zijn. Het is bekend dat Etruskische vazenschilders Griekse voorbeelden namaakten. Vanaf het eind van de zevende eeuw tot in het derde kwart van de zesde eeuw v. Chr. waren Korinthische vazen zeer in trek in Etrurië: ze werden op grote schaal geïmiteerd. Een voorbeeld van een phialè gemaakt in Korinthe toont afb. 15; twee panters en twee geiten en vele rozetten vullen de binnenzijde. 10 Kenmerkend voor de Korinthische

Ajb. 12. Phialè (schaaltje met knop in midden) uit Cerveteri; · terracotta; midden zesde eeuw v. Chr. A.P. Mus. 10.952.

19


Afb. 11. Z.g. "reiger"-bord uit Narce; terracotta; 675-650 v. Chr. Philadelphia M.S. 3071.

Afb. 13. Doorsnede-tekening

Afb. 14. Bronzen phialè met versiering van griffioen-proto1J1en; gevonden in Olympia; ca. 700 v. Chr.; thans in Mus. van Berlijn.

Afb. 15. Karinthische phialè; terracotta; ca. 570 v. Chr. Providence, Rhode Island School of Design 25.091.

Tekening: George Strietman

van schaaltje afb. 12.

vazenschilderkunst is wat men noemt de "angst voor leegte", de z.g. horror vacui, hetgeen duidelijk in deze schaal is waar te nemen. Deze phialè is omstreeks 570 v. Chr. te dateren. 11 Het is duidelijk dat ons schaaltje (afb. 12) in de z.g. Etrusco-Corinthische stijl is uitgevoerd. De voorstelling en de stijl zijn "verwaterd". Drie zwanen zijn met dunne verf geschilderd; de tekening is in vluchtige lijnen uitgevoerd en hier en daar ziet men een klodder of een veeg rode of witte verf op de zwanen ter verlevendiging van het geheel. De rozetten (verg. afb. 15) zijn uitgegroeid tot florale "rotslandschappen" die de ruimten tussen de zwanen vullen. De stijl van schilderen is grondig veranderd in de loop der tijd in Etrurië. Dit is duidelijk te zien als we de gestileerde reigers van afb. 10 en 16a vergelijken met de bijna "impressionistisch" geschilderde eenden van afb. 12 en 166: een periode van anderhalve eeuw ligt tussen beide schilderingen.

Noten: 1. Hoogte 8,8 cm; M. Moretti, Il M useo di Villa Giulia, 1973, 157 afb. 131; M. Pallottino e.a., Il Musea Nazionale Etrusco di Villa Giulia, 1980, afb. 311 (midden achtste eeuw v. Chr.). 2. Hoogte 15,8 cm (met handvat 22,1 cm) en diameter 12,6-13,6 cm; Cat. Münzen und Medaillen 60, 21 sept. 1982, no. 6. 3. Hoogte 17,8 cm en diameter 10,2 cm; J.M. Davison, Seven !talie Tomb-Groups /rom Narce, 1972, pl. Vc. 4. Zie ook E.H. Dohan, !talie Tomb-Groups in the University Museum, 1942, pl. XXI, nr. 4. 5. Narce, Graf V; zie Davison noot 3, Pl. Vd. 6. Voor het opgravingsverslag, zie A. De Agostino, Archeologia Classica 15 (1963) 219 e.v.; voor kleurenfoto, zie F. Boitani e.a., Le Città Etrusche, 1973, 234.

7. Dohan (zie noot 4), pl. XXXI nr. 6. 8. Over phialai, zie M.G. Kanowski, Containers of Classica!Greece,A Handbook of Shapes, 1984, 116-117 en vooral H. Luschey, Die Phiale, 1939. 9. Luschey (zie noot 8), 39 en 138, afb. 7; Olympia IV, pl. 52 nr. 883. Voorlopers van dit soort bronzen phialè mesomphalostreft men in het Nabije Oosten aan. 10. CV A Providence, Rhode Island School of Design, pl. 5, 11. 11. De phialè is toegeschreven "In the Manner of the Scaglione -Herzegovina Painters" door C.W. Neeft, Bulletin Antieke Beschaving52-53 (1977-1978) 156.

H.A.G. Brijder

Tekening: George Strietman

20

Afb. 16a.

Reiger, 700-675 v. Chr.

Afb. 16b.

Zwaan, ca. 550 v. Chr.


SUMMARY Four Early-Etruscan objects were given by Mrs A. van Dijk-Borst, The Hague, to the Allard Pierson Museum in 1985. (1) The small impasto bowl on three legs (figs. 1-2) is decorated with a meander of swastika's (fig. 3); it may be compared with the set (fig. 4) in the Villa Giulia Museum and dated to the mid 8th century B.C. (2) The situla (fig. 5) is a rare shape; it is decorated with a red zigzag pattern on white (cf. figs. 6-7). lt may be dated to 700-675 BC. (3) The "piatto ad aironi" (fig. 10) is dated to the first half of the 7th cent. B.C. (4) The Etrusco-Corinthian phialè mesomphalos(fig. 12) belongs to the "Group of Poggio Buco", datable to the mid 6th cent. B.C. The situla has Veii as provenance, the three other vases come from Cerveteri.

Nieuw licht op een oude stad

Onder deze titel presenteert het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden als eerste in Nederland van 23 november j .1. tot 23 februari 1986 een tentoonstelling over de Italiaanse en Nederlandse opgravingen te Satricum .

Een kort ove rzicht Toen een Franse professor uit Bordeaux, H. Graillot, midden in de winter van 1895/6 de grote groene heuvel achter het gehucht Le Ferriere, 60 km. ten Zuiden van Rome, betrad, had hij niet het flauwste vermoeden, dat onder zijn voeten de muren van de gebouwen van de antieke stad Satricum verborgen lagen. Wat hij zocht waren graven. 1 Wat hij vond was een van de rijkste wijgeschenkendepots, die ooit in ItaliĂŤ tevoorschijn kwamen. Weldra bleek, dat dit depot zich bevond in het hart van een enorm tempelcomplex (afb. 1-2). Graillot, die nog in 't zelfde jaar een verslag van zijn bevindingen en vondsten publiceerde,2 moest weldra plaats maken voor Italiaanse collega's, die het onderzoek nu intensief en grootscheeps aanpakten. Van 1 februari 1896 tot 1 juli 1897 groeven zij vrijwel zonder onderbreking door. Hun opzienbarende vondsten brachten zij naar Rome, waar deze in het nieuwe museum van de Villa Giulia werden ondergebracht. Interne moeilijkheden verhinderden de zelfs maar gedeeltelijke voltooiing van het onderzoek en de publicatie. Slechts enkele summiere rapporten verschenen in de "Notizie degli Scavi". 3 Zoveel was echter gebleken en konden de opgravers F. Barnabei, A . Cozza en R. Mengarelli bekend maken: de uit de antieke literatuur bekende stad Satricum was teruggevonden .4 De vondsten in de periode 1896-1898 te Satricum gedaan waren om twee redenen opzienbarend. Ten eerste overtrof hun kwaliteit en kwantiteit alles wat tot dan toe in zuidelijk Latium (afgezien van Palestrina) was gevonden. Ten tweede had de stad Satricum als beschreven in de antieke literatuur niet de indruk gewekt veel meer te zijn dan

Afb. 1. Etrusco-Corinthisch zal/flesje in de vorm van twee aapjes, wijgeschenk, Je helft Geeeuw v. Chr.

21


verantwoordelijkheid stonden van R. Mengarelli, bleven ongepubliceerd.7 Zo ging het ook met enige kleinschalige opgravingen in 1934 door G. Iacopi 8 en in de vijftiger jaren door M. Santangelo. 9 Deze hadden plaats in en rondom het tempelcomplex op de akropolis en leverden interessante vondsten op. Bekend werd een eigenaardige plengbeker uit buccheroaardewerk, met een inscriptie (graffito) op de rand: tot nog toe de enige etruskische inscriptie ooit in Latium ten zuiden van de Tiber gevonden. Iacopi vond in 1934 een fragment van deze bijzondere vaas en Santangelo twintig jaar later een tweede. Beide fragmenten raakten zoek. Het tweede werd in 1984 herontdekt in de Villa Giulia te Rome! 10 Het valt in zeker opzicht te betreuren dat de opgravingen te Satricum noch in de dertiger noch in de vijftiger jaren breder zijn aangepakt. In de zestiger jaren immers volgde wat men rustig een catastrophe kan noemen:

het grootste gedeelte van de 40 ha., die de stad in de 6e eeuw v. Chr. besloeg, inclusief de stadswal en de aansluitende noordwestelijke nekropool, werd met diepploegende landbouwmachines verwoest en voorgoed aan het archaeologisch onderzoek onttrokken. Alleen de akropolis, die in de twintiger jaren tot beschermd gebied was verklaard en enige toevallig gespaarde kleinere terreinen ontkwamen min of meer aan de ramp. 11 Wie thans de plek van het antieke Satricum bezoekt ziet voornamelijk wijngaarden achter grote hekken. In 1974 werd in Rome een "Comitato per l'archeologia Laziale" opgericht, dat tot zijn doelstellingen rekende: "het bijstaan van de bevoegde instanties bij het werk van redding en studie van archaeologische sporen van nederzettingen en begraafplaatsen uit archaische tijd in Latium." Dit met het oog op de alom gesignaleerde vernielingen der oudheden door stadsuitbreiding, wegenaanleg,

Ajb. 2. Bronzen statuette, wijgeschenk, ca. 550 v. Chr.

een voorpost van Antium in de Se en 4e eeuw v. Chr. 5 Nu bleek echter, dat de stad al groot en rijk was geweest in de 7e en 6e eeuw v. Chr. De discrepantie tussen literatuur en archaeologie is tot voor kort onverklaard gebleven. De oplossing voor het probleem is gevonden in de verklaring dat de stad een naamsverandering heeft ondergaan: zij zou in de 7e en 6e eeuw v. Chr. niet Satricum maar Pometia hebben geheten. 6 Het bestaan van Satricum kon, dankzij de opgravingen, zelfs nog verder terug worden vervolgd: in de 8e en 9e eeuw v. Chr. had op de latere stadsheuvel (akropolis) een nederzetting in de vorm van een huttendorp bestaan. Sporen van menselijke aanwezigheid gaan zelfs nog verder terug. NĂ 1898 zijn er in Satricum geen grootscheepse opgravingen meer gedaan tot 1977, het jaar, waarin de Nederlandse opgravingen aldaar van start gingen. Toch werd de stad in die tussenperiode niet geheel vergeten. In de jaren 1908-1910 trok men op de akropolis een aantal sleuven en werden daarbuiten een serie graven uit de 8e en 7e eeuw v. Chr. ontdekt. Deze opgravingen, die, naar het schijnt, onder

22

Ajb . 3. Chr.

Kopje van een menade, fragment v an een antefix van de laatste tempelfase, ca. 490 v.


andbouwhervormingen etc. Genoemd comite omvatte ook de buitenlandse ·nstituten in Rome. Het Nederlands Instituut, in de persoon van zijn onderdirecteur/archaeoloog, nam van meet af aan deel aan de werkzaamheden. De daardoor gekweekte good-will resulteerde in 1977 in het aanbod van het bestuur van het Comitato - bij monde van de voorzitter M. Pallottino (de winnaar van de Erasmusprijs voor archaeologie 1984) - de opgravingen te Satricum te hervatten. Zo begonnen in 1977 de eerste Nederlandse archaeologen met het onderzoek ter plaatse. Deze vooral verkennende campagne maakte meteen duidelijk dat er toch nog veel en belangrijk werk te doen zou zijn. Als aanmoedigingspremie van de goden werd al tijdens dit eerste onderzoek een opzienbarende ontdekking gedaan: een inscriptie in archaïsch Latijn van omstreeks 500 v. Chr., bekend geworden onder de naam "Lapis Satricanus". Sindsdien worden de opgravingen in Satricum jaarlijks voortgezet door equipes die door het Nederlands Instituut uit Nederlandse archaeologen en studenten worden samengesteld. Sinds 1979 neemt de vakgroep klassieke archaeologie van de Rijksuniversiteit van Groningen een deel van het stadsonderzoek voor zijn rekening. Als eerste onderzoeksobject gold de door Livius bekende en al in 1896-1898 opgegraven tempel van Mater Matuta op de akropolis van de stad. Dit ambitieuze bouwwerk, dat zowel Griekse als Etruskische invloeden vertoont, werd opnieuw blootgelegd en bestudeerd. De eerste complete publikatie over de architectuur verscheen in 1981;12 deze zal in definitieve vorm, aangevuld met een studie van de hoogst eigenaardige terracotta dakversieringselementen (afb. 3), in de nabije toekomst als boek worden uitgebracht. Aansluitend op dit onderzoek werden de diepere lagen onder de tempel onderzocht, waardoor een inzicht werd verkregen niet alleen in de wijze waarop de verschillende bouwfases van de tempel gefundeerd waren, maar ook in de aktiviteiten die zich op deze plek afgespeeld hadden voordat de grote tempel hier verrees (afb. 4). Een tweede onderzoeksgebied, dat op twee fronten wordt aangepakt, is dat van de stad rondom de tempel. Onder de stenen fundamenten van rechthoekige patio-gebouwen, waarin ook weer diverse bouwfases te onderscheiden zijn, worden de resten aangetroffen van het oudere huttendorp dat oorspronkelijk op de stadsheuvel stond. Sinds 1981 wordt er jaarlijks gegraven in de nekropolis in de zuidwest hoek van de stad. Hier zijn tot nu toe ca. 180 graven vastgesteld,

Ajb. 4. l mpasto "bril-oor" bakje uit een v otief kuiltje in de oudere lagen onder de tempel, 9e eeuw v. Chr.

die dateren uit de Se eeuw v. Chr. De graven hebben de vorm van een eenvoudige rechthoekige kuil waarin een houten kist of baar geplaatst werd met de op zijn rug liggende dode. Bijgiften bestaan uit aardewerk, wapens en (weinig) sieraden. De meest

bijzondere vondst in deze begraafplaats is die van een klein loden bijltje dat een inscriptie draagt. De taal van deze inscriptie is geïdentificeerd als 'Italisch', d.w.z. niet Latijns, Etruskisch of Grieks. We weten uit Livius dat in de Se eeuw v. Chr. Satricum bewoond werd door de Volsken, een Italisch herdersvolk (afb. 5). De stad werd in 346 door de Romeinen verwoest, maar het heiligdom bleef zijn funktie behouden, zodat we uit deze latere tijd nog wijgeschenken vinden. In de le eeuw v. Chr. bouwden de Romeinen op de rand van het voormalige stadsgebied een grote villa, die tot in de 4e eeuw na Chr. in gebruik bleef; deze villa is het object geweest van de eerste NederlandsItaliaanse jeugdcampagne die in 1984 zich in Satricum afspeelde (afb. 6). Van al deze velden en historische periodes zijn in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden de meest karakteristieke voorwerpen tentoongesteld, vele daarvan voor het eerst. Een rijk geïllustreerde catalogus begeleidt deze eerste in Nederland gehouden tentoonstelling van de Nederlandse en Italiaanse opgravingen te Satricum. Barbara Heldring C.M. Stibbe Foto's: G.J. van Rooy

Ajb. 5. Loden miniatuurbijltje uit de 5e eeuwse nekropool met inscriptie in een l talische taal.

23


Noten:

1. Het schijnt, dat die belangstelling niet zuiver -wetenschappelijk was. Men wist, dat niet alleen in Etrurië, maar ook in Latium rijke graven te vinden waren. In 1855 was bij Palestrina de z.g. tomba Barberini en in 1876 de z.g. tomba Bernardini, beide met een fabelachtige inhoud, ontdekt. Dergelijke grafinhouden werden ook toen al met flinke winsten naar het buitenland verkocht. 2. H. Graillot, Le temple de Conca, MEFRA 16 (1896) 131-164. 3. NSc 1896, 23-48; 1898, 166-171. 4. Tot de argumenten, die de juistheid van de identificatie aantonen behoren: 1. een inscriptie; 2. een beschrijving bij Livius VI, 27, 7 van de marsroute der Romeinse legioenen in het jaar 380 v. Chr. Deze loopt van Antium naar Satricum, van Satricum naar Velitrae en vandaar naar Tusculum. Hiermee is de ligging van Satricum aan de weg van Antium (= Anzio) naar Velitrae (= Velletri) onmiskenbaar aangegeven. Deze stemt overeen met de ligging van de antieke stad bij het huidige gehucht Le Ferriere; 3. de uit de antieke literatuur, vooral Livius, bekende tempel van Mater Matuta stemt in vele opzichten overeen met die welke op de akropolis bij Le Ferriere werd gevonden . 5. Reden waarom men in de literatuur uit de vorige eeuw van vóór de opgravingen van 1896/8 Satricum niet als een stad van betekenis beschouwde en op één lijn stelde met andere grensstadjes tussen het Romeinse en Volskische gebied. Vgl. J.J.Bachofen, Beiträge zur Geschichte der Römer, 1851, = Gesammelt e Werke !, 1943, 235 : " .. drie kleine Landstädte, Satricum, Longula, Pollusca, alle in der Richtun g nach Corioli .. " 6. W at wij weten over Pometia uit de anti eke literatuur voor die vroege periode stemt goed o vereen met wat de archaeologie ons leert over Satricum. Vgl. C.M. Stibbe, Satricum e Pometia, in A tti del conv egno sulle v a/Ie Pontina nell'antichità. Cori 13-14 aprile 1985 (in druk ). 7. Aan de publikatie wordt thans gewerkt door Birgitte Ginge. Deze zal plaatsvinden in de reeks Satricum -publicaties van het Nederlands Instituut te Rome. 8. Deze werden gesubsidieerd door mevrouw Johanna Goekoop -de Jongh; dit was de eerste Nederlandse bemoeienis met Satricum . Vgl. StEtr 13 (1939) 427-431. 9. Mevrouw Maria Santangelo heeft 40 jaar geleden de tekeningen van de opgravers van het tempelcomplex op de akropolis van Satricum geërfd, samen met de rechten op de publicatie. Deze uiterst belangrijke documenten zijn tot op heden echter niet verschenen. 10. Tot de overige (ongepubliceerde) vondsten van Santangelo behoren o.a. veel fragmenten van de tot nog toe in Satricum zeer sporadisch aangetroffen zwartfigurige attische ceramiek en fragmenten van een Lakonische krater. 11. Voor de ramp zijn (slechts) twee families direct verantwoordelijk, die het stadsgebied in hun grootgrondbezit hadden opgenomen: de familie Dominici voor de zuidelijke, de familie Santarelli voor de noordelijke helft . De laatsten zagen kans nog in 1983 en 1984 een deel van de Romeinse villa, die op hun terrein ligt, met bulldozers te laten verwoesten. 12. In 1978 werd , niet geheel toevallig, het eerste congre s te Rome gehouden, gewijd aan het archaeologisch onderzoek in Latium. Hierbij werd de " Lapis Satricanus" voor het eerst gepresenteerd. Sindsdien is dit congres een ieder jaar terugkerend evenement geworden. De daar gehouden lezingen worden gepubliceerd in de

24

Afb. 6. Romeinse amfoor, gevonden in de Romeinse villa met het skeletje van een ca. 4 maanden oud kind erin, eind 4e eeuw n. Chr.

Quaderni del Centro di studio per l'archeologia etrusco-italica, Archeologia Laziale l e.v. Ook de verslagen van het Nederlands onderzoek in Satricum zijn daarin te vinden, evenals in de Mededelingen v an het Nederlands Instituut te Rome vanaf deel XLII, N.S. 7 (1980). Publicaties van grotere omvang zijn tot nog toe: C.M. Stibbe, G . Colonna, C. de Simone and H.S. Versnel, Lapis S atricanus, A rchaeological, epigraphical, linguistic and historica/ aspects of the new inscription from Satricum , with an introduction by M. Pallottino . Archeologische Srudiën van het Nederlands Instituut te Rome , Scripta Minora V (1980). Voorts: Jos de Waele, I templi della Mater Matuta a Satricum, Mededelingen v an het Nederlands Instituut te Rome XLIII (1981) 7-69.


SUMMARY The ancient cown of Satricum (Latium, 60 km south of Rome) was rediscovered in 1896. Two years of intensive ltalian excavations brought to light an enormous amount of archaeological material. Only short campaigns took place becween 1898 and 1977. From 1977 onwards Dutch archaeologists have worked ca 4 months a year in Satricum. They excavated the tempte, famous because ic was mentioned by Livy, the cown area, a Sth-century necropolis, and a Roman villa. The Rijksmuseum van Oudheden, Leiden presents the results of the !talian and Dutch excavations at Satricum to the Dutch public for the first time.

Aanwinsten 1985 (t/m 20 oktober)

1. Asurn en helmvormig deksel uit Cerveteri, Villanova-cultuur; een geschenk van de Vereniging van Vrienden; H.A.G. Brijder, Een bikonische asurn, WAPM 33 (juni 1985) 1-5. lnv. 11.000. 2. Enkele Midden-Italische oudheden waaronder een situla zonder bodem (gedecoreerd aardewerk); geschenk Mevrouw van Dijk-Borst, Amsterdam. lnv. 10.950-10952. 3. Twee onvolledige buccheropesante kelken en enige fragmenten; geschenk Heer Massarroni, Utrecht. lnv. 11.033-11.034. 4. Een kelk van hetzelfde materiaal; bruikleen Geologisch Museum Hofland, Laren. lnv. B. 11.037. 5. Door ruil van attische roodfigurige kylixfragmenten, waardoor over en weer onvolledige schalen konden worden aangevuld, werden fragmenten in bruikleen verworven van het Ashmolean Museum, Oxford, het Metropolitan Museum, New York, en het Smithsonian lnstitute, Washington D.C. Inv. 11.035, 11.039, 11.002.

Acquisitions 1985 (-October) 1. A pottery ash-urn and helmet shaped lid from Cerveteri; Villanova period; a gift from the Society of Friends of the Museum. Pub!.: H.A.G. Brijder, Een bikonische asurn, W APM 33 (juni 1985) 1-5. lnv. 11.000. 2. Three pottery antiquities from Centra! ltaly: a small tripod cup (Villanovan), a situla (red on cream), and an Etrusco-Corinthian phiale. A private gift. lnv. 10.950-10.952. 3. Two incomplete heavy bucchero calyces, Etruscan; another gift. lnv. 11.033-11.034. 4. Another similar calyx, on loan. lnv. B. 11.037. 5. Some red-figure attic cupfragments, by exchange from collections in the U.S. and Britain. lnv. 11.002, 11.039, 11.035. 6. A Roman bronze amulet, from the region of the Batavians (Netherlands). lnv.11.041.

6. Bronzen amulet, afkomstig van een romeins soldaat en in de Betuwe gevonden; van een particulier gekocht. lnv. 11.041.

7. A bronze fingerring with a diminutive !ion, of unknown date; bequest. lnv. 11.042.

7. Bronzen vingerring met plastische leeuw, legaat Heer Groenevelt. lnv. 11.042.

8. Three grey-polished earthenware vessels and 14 fragments of pottery, from ancient Persia. lnv. 11.045-11.061.

8. Van de Heer K.B. Kremer van wie een verzameling Iraanse oudheden geruime tijd in het museum verbleef, kregen wij drie zeer fraaie oud-Iraanse potten ten geschenke, grijs-gepolijst, en 114 veelal beschilderde fragmenten. lnv. 111.045-11.061.

9. A male terracotta head, Etruscan. H.E. Frenkel

9. Een interessante Etruskische terracotta kop werd op de Delftse 11 Antiekbeurs voor het museum Âľaangekocht.

25


APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 35  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 35  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

Advertisement