Page 1

Mededelingenblad nr. 31 - oktober 1984

VerenigingvanVrienden Allard Pierson Museutn Atnsterdatn

JO,~~r ~re\ ~useĂźOĂŽ

Interieur tentoonstelling "Eenderen Anders, leven in het oude Egypte".


Ancient Art b.v.

Egypte Sphinx l. 130 cm. JOe Dynastie 360-343 v. Chr.

OVERTOOM 172

1054 HR AMSTERDAM

TEL. 020 - 83 10 55

10.00 - 17.00 DINSDAG TIM ZATERDAG


Inhoud

Allard Pierson Museum 50 jaar

J.M. Hemelrijk All ard Pierso n Mu seum 50 jaar

l. DANK AAN J.L. PIERSON (12 december 1854 - 6 mei 1944)

Janneke Cok-Escher De verzameling gip safgiet sels van museum en instituut. Met enige histo rische aanvullingen van J.M. H emelrijk. J.M . H emelrijk Kladderaars, Byron en Pierson. J.M. H emelrijk Wonderlijk voor de leek , wonderbaarlijk voor de vakman. Een fragme nt arisch hoofd van een Jonge vro uw. Met bijdrage van J anneke Cok-Esc her. T h .H . Lunsingh Scheurleer Terugblik op Con stant Willem Lunsingh Scheurleer en zijn museum te 's-Gravenhage. H. E. Frenke l De Vereniging van Vrienden en de collecties van het museum.

Het Mededelingenblad is een publicatie van de Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum te Amsterdam en verschijnt in het tweede, derde en vierde kwartaal van elk jaar. Grafische vormgeving: George Strietman Fotografie: Michiel Bootsman

Vereniging van Vrienden All ard Pierson Museum Am sterdam Oude Turfmarkt 127 l 012 GC Amsterdam Tel: 020-5252556.

Een Maecenas van kunsten en wetenschappen is een zeldzaamheid in Nederland. Zelfs het Huis van Oranje, toch uitzonderlijk begaafd met artistieke talenten, vormt geen uitzondering. In Nederland is de belangstelling om te stimuleren en goed te doen nu eenmaal gericht op sociaal-ethische doelstellingen. Dit valt vooral op als men Nederland in dit opzicht vergelijkt met, b.v., Zweden, België of de Verenigde Staten. Natuurlijk zijn er beroemde Nederlandse verzamelaars (geweest) die hun waardevolle collecties hebben geschonken of nagelaten aan een museum of de staat, maar zij vormen een andere categorie weldoeners en worden niet met de vriend van Keizer Augustus, Maecenas, vergeleken. De ware maecenas vergroot voor de begunstigde de mogelijkheid zijn artistieke, wetenschappelijke of museale werk op eigen krachten naar beste vermogen te doen: hij verschaft de middelen, het ontbreken waarvan die werkzaamheden belemmert of onmogelijk maakt. Een van de grootste en, achteraf gezien, een van de succesrijkste 'Maecenassen' in Nederland was J.L. Pierson, de zoon van Allard en een van de eerste firmanten van wat later het bankiershuis Pierson en Co. zou zijn. Hij had gezien dat zijn vader, als professor verbonden aan de universiteit van Amsterdam (1877 tot 1895) bij zijn werkzaamheden als klassiek archaeoloog (en op andere gebieden), sterk gehinderd was door het ontbreken van een universitaire bibliotheek op zijn terrein en een archaeologische collectie. Om de vakken die zijn vader zo na aan het hart lagen aan onze universiteit te stimuleren en de opbouw van leermiddelen en onderzoekscollecties mogelijk te maken, creëerde hij op 10 juli 1929 de Allard Pierson Stichting, en begiftigde deze met een fondskapitaal van fl. 250.000 (zie Mededelingenblad VV APM, dec. '79, p. 18). Het is moeilijk de betekenis van deze schenking (waarvan de rente voor 9/12 ten goede kwam aan de afdeling Klassieke Archaeologie van de universiteit van Amsterdam) te overschatten. Tegenwoordig is de waarde van het basiskapitaal door de enorme inflatie na de tweede wereldoorlog sterk geslonken, maar het initiatief van J.L. Pierson had reeds lang voor de oorlog geleid tot grote resultaten: tot de vorming van het Archaeologisch Historisch Instituut met ver-uit de beste archaeologische bibliotheek van Nederland (thans op de Oude Turfmarkt 129 gevestigd) en tot de oprichting, 50

jaar geleden, van het Allard Pierson Museum (12 nov. 1934). Bovendien maakte de Stichting het mogelijk een serie wetenschappelijke uitgaven op te zetten (de Allard Pierson Serie) waarin sedert 1930 niet minder dan 20 delen zijn verschenen en waarin nog steeds in een onverminderd tempo nieuwe werken worden gepubliceerd onder redactie van de vakgroep (hoofdredacteur Dr. H.A.G. Brijder). Overigens heeft de Allard Pierson Stichting niet alleen bloeiperioden, maar ook een vreselijke tijd van onenigheden doorgemaakt, vlak vóór en in de oorlog. Evenwel, het uiteindelijke resultaat dat wij thans, in 1984, aanschouwen, stemt ons allen tot grote dankbaarheid . Ook Pierson zelf zou ongetwijfeld tevreden zijn met het resultaat van het intiatief nu ruim vijftig jaar geleden door hem genomen, indien hij in het museum zou mogen ronddwalen en de omvang en qualiteit van de collecties zou kunnen bewonderen. Het zou onjuist zijn in deze korte historische beschouwing van wat J. L. Pierson met zijn Stichting heeft beoogd (en ook heeft bereikt), niet in het kort melding te maken van een historische vergissing die het Ministerie van Onderwijs in dit jubileum gemaakt: hoe groot zou immers J.L. Piersons verontwaardiging zijn geweest indien hij had vernomen dat, door administratieve en andere fouten bij het bezuinigingsoverleg met de Minister van Onderwijs, Drs. Deetman, aan het onderwijs in de klassieke archaeologie aan onze universiteit thans een geringere status wordt toegekend dan aan dat van alle andere Nederlandse universiteiten waar de studie mag voortbestaan. Het is natuurlijk onduldbaar dat alles wat bereikt is, t.a.v. de onderwijsmogelijkheden aan onze universiteit, nu door een bestuurlijke blunder te niet wordt gedaan: daarom heeft de vakgroep klassieke archaeologie terstond door de instelling van een zogenaamde vrije studierichting de achterstelling in feite gecompenseerd; natuurlijk zal zij blijven strijden voor formele wettelijke gelijkstelling, die haar op grond van het beheer van de Allard Pierson Stichting en het Allard Pierson Museum rechtens toekomt . 2. HET MUSEUM Het Allard Pierson Museum is op 12 nov. 1934 door de Allard Pierson Stichting aan de gemeente Amsterdam overgedragen. Het werd toen dus een gemeentelijke instelling als onderdeel van de


gemeentelijke universiteit. In 1971 is de status van de universiteit drastisch gewijzigd en de band met de gemeente geheel verbroken: vanaf dat moment is het museum eigendom van de universiteit van Amsterdam. Aanleiding tot de stichting van het museum in 1934 was (volgens de bewoording in het voorwoord van de Algemene Gids van het museum uit 1937) "het feit dat de bekende verzameling van Dr. C.W. Lunsingh Scheurleer te Den Haag voor Nederbnd verloren, en bovendien door een verkoping uiteengerukt dreigde te worden; dit was voor de Allard Pierson Stichting aanleiding te pogen deze collectie voor Amsterdam en haar universiteit te verwerven. Dankzij de krachtige medewerking die de Stichting van particuliere zijde mocht ondervinden slaagde deze poging" . Om Den Haag enigszins schadeloos te stellen voor het verlies van een zo belangrijk particulier museum is een aantal archaeologische voorwerpen en doubletten aan het Gemeente Museum aldaar afgestaan. Toen het Allard Pierson Museum in 1934 gesticht werd, bezat de afdeling klassieke archaeologie reeds een kleine verzameling van enige honderden stuks. Enkele jaren na de oorlog werd van de zijde van de universiteit een aankoopbudget ter beschikking gesteld zodat, vooral sedert 1965, de collectie krachtig is gegroeid. De oorspronkelijke behuizing, het oude schoolgebouw in de Sarphatistraat 129-131, was bedoeld als een voorlopig onderdak. Tijdens de oorlog doken de voorwerpen letterlijk onder (n.l. onder de vloer van het museum, waar zij in vuilnisvaten werden opgeslagen en de bezettingstijd wonderwel hebben doorstaan). Reeds op 10 november 1945 vond de her-opening plaats, bij welke gelegenheid Prof. D. Cohen een rede uitsprak getiteld "Mercatores Sapientes". In deze rede, die in gedrukte vorm bewaard is gebleven, schetste hij de levensgeschiedenis van de drie personen die de grootste bijdragen geleverd hebben aan dit museum: te weten J.L.Pierson, W.A. van Leer (afdeling Egypte) en C.W. Lunsingh Scheurleer. In de loop van de jaren na de oorlog werd het schoolgebouw steeds slechter, sommige muren dropen van het vocht en lekkages waren aan de orde van de dag. Toen voor het nieuwe gebouw van de bèta faculteit vlak naast de deur van het museum onder geweldig gedreun de heipalen in de grond werden gedreven, moest de hele collectie op schuimplastic op de rug gelegd worden; het museum ging voor lange tijd dicht . Al deze tegenslagen leidden echter uiteindelijk tot een zeer gunstig resultaat : zij vormden immers de aanleiding voor de universiteit om het prachtige voormalige gebouw van de Nederlandse Bank, dat de universiteit terloops had verworven, te bestemmen voor het museum en het instituut. Dit monumentale, maar zeer 2

vervallen pand werd in de jaren 1970 tot 1975 door de universiteit schitterend hersteld . De verhuizing van het Archaeologisch Historisch Intituut, sedert 1930 gevestigd op de Weesperzijde 32-33, vond plaats in 1975; de heropening van het museum werd op 6 oktober 1976 verricht door Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Beatrix. De inrichting van het museum was met grote voortvarendheid en een niet aflatend enthousiasme door Dick Elffers ontworpen. Sedertdien heeft het museum een grote bloei doorgemaakt, dit ondanks de aanhoudende en uiterst ontmoedigende kortingen die de universiteit jaar-in-jaaruit op het personeelsbestand heeft aangebracht (zie Jaarverslagen van 1980-3). Gewoonlijk werden drie tentoonstellingen per jaar georganiseerd (dikwijls door studenten gemaakt) en vele lezingen werden gehouden. Het jubileumjaar 1984 is vanzelfsprekend een uitzonderlijk actief (en gelukkig ook succesrijk) jaar. In april werd onder leiding van Dr . H.A .G . Brijder en drs. A.A. Drukker een zeer geslaagd internationaal symposium betreffende antiek-Griekse ceramiek georganiseerd, waarmee het vijftigjarig bestaan van het museum op een hoog wetenschappelijk niveau luister werd bijgezet. Daarvóór was reeds door de studenten met de tentoonstelling "Dionysus, Drank, Drama, Dood" het halve-eeuw-feest van het museum als onderwijsinstelling gevierd. De Egyptische tentoonstelling ("Eender en Anders") die thans vele bezoekers naar het museum trekt (de grootste ooit in ons museum georganiseerd) is een poging de betekenis van het jubileum van dit unieke universitaire museum ook aan het grotere publiek duidelijk te maken . (afb. 1). Opmerking Verde re detai ls van de gesc hiedenis van het instit uut en het mu seum

vindt u in het artikel betreffende de gipscollectie.

3. DE VERENIGING VAN VRIENDEN Reeds voor de oorlog was er door de toenmalige directeur Prof. G.A.S. Snijder een Vereniging van Vrienden opgericht die o.a. het geld verschafte voor de uitmuntende Algemene Gids die in 1937 verscheen en die in hoofdzaak geschreven was door de voormalige eigenaar Lunsingh Scheurleer en Mej. Dr . E .F. Prins de Jong (wier naam vereeuwigd is in het museum door een legaat dat heeft geleid tot de aankoop van de grote "strigilis sarcofaag", zie Mededelingenblad nr . 17, mei 1979 p. 1 e.v.) Helaas was deze vereniging geen lang leven beschoren: zij werd niet opgeheven, maar stierf in de oorlog een langzame dood. Zo raakte zij vergeten en een klein kapitaal dat van haar restte kreeg gelegenheid te groeien, zodat Prof. Dr.

C.H.E. Haspels, hoogleraar-directrice van het museum van 1945 tot 1965, hiermee een kleine maar zeer boeiende Griekse sculptuur kon verwerven, het Kybele beeld uit de vierde eeuw v. Chr. dat in het Mededelingenblad nr. 18, mei 1980, pag. 2 afb. 3, is afgebeeld. De huidige Vereniging van Vrienden werd opgericht op 20 juni 1969. Hieraan was voorafgegaan intensief en langdurig overleg met Prof. Dr. Van Regteren Altena en de heer Jack van Lier. Het was vooral aan de drijvende kracht van deze twee te danken dat de Vereniging vorm en betekenis kreeg: een Mededelingenblad dat heel wat meer is dan een gestencild rondschrijven; activiteiten op het gebied van lezingen, en een belangrijke hulp bij verwerving van aanwinsten. Onder het energieke bestuur van de huidige secretaris, de heer drs. C. Vreede, kwam de Vereniging tot verdere bloei en groeide uit tot een van de grote MuseumVriendenverenigingen in Nederland. Het is moeilijk in weinig woorden samen te vatten hoe groot de betekenis van de Vereniging voor het Museum is. Het Museum is de Vereniging en vooral het bestuur zeer dankbaar voor de enorme morele steun voor de staf van het Museum in de harde strijd om het bestaan die bijna onmiddellijk na de opening van het nieuwe museum in 1976 is losgebrand. Sedert de oprichting van de Vereniging zijn een dertiental voorwerpen, mede of uitsluitend met geld van de vereniging voor het Museum verworven. In ditzelfde Mededelingenblad vindt u een lijst van deze aanwinsten (zie artikel H.E. Frenkel. De Vereniging van Vrienden en de collecties van het Museum). Vele bestuursleden hebben zich met buitengewone overgave en energie gewijd aan het slagen van de plannen die hun voor ogen stonden. Enige van de leden van dit bestuur zijn reeds gestorven. We denken met dankbaarheid aan Ir. R. Dufour die als bouwcurator verbonden was aan de universiteit (Mededelingenblad nr. 13, 1977, p. 5). Verder natuurlijk aan de auctor intellectualis van de Vereniging, Prof . I.Q. van Regteren Altena (zie Mededelingenblad nr. 21, december 1980). Van de talloze activiteiten van de Vereniging moeten er hier twee met nadruk genoemd worden. In de eerste plaats: het is nu alweer enige jaren geleden dat het Museum werd gered van gedeeltelijke sluiting doordat de Vereniging een aantal leden bereid vond onze hoofdsuppoost, de heer Geerking, bij te staan bij de bewaking van de collecties. De heer Geerking leidt ·deze groep vrijwilligers met vaste hand, met vriendelijkheid en met perfecte tact. Het past ons in dit jubileumnummer deze vrijwilligers onze zeer grote dank te betuigen . De tweede taak die de Vereniging van Vrienden op zich heeft genomen en die hier vermeld moet worden, is de verzorging en verzending van de


Mededelingenbladen en Nieuwsbrieven, een enorme taak die enige dames met bewonderenswaardig doorzettingsvermogen náást de algemene administratieve bezigheden vervullen. Ruimtegebrek verhindert ons verder over de Vereniging uit te wijden. Onze

wens is dat zij zonder inzinkingen en zonder aarzelen zal doorgaan op de door haar met zo ferme stap betreden weg: haar steun is volstrekt onontbeerlijk voor het Museum. J.M. Hemelrijk

De verzameling gipsafgietsels van museum en instituut

geleden verworven uit wat eens het Museum van Reproducties in Den Haag was. Dit museum was in 1920 opgericht door C.W . Lunsingh Scheurleer, wiens archeologische kunstverzameling thans de kern vormt van de collecties in het Allard Pierson Museum. 3 Het is dus zeker op zijn plaats in dit jubileumnummer aandacht te schenken aan de gipscollectie van het Museum. Bij de verhuizing in 1976 van het Archeologisch-Historisch Instituut aan de Weesperzijde en het Allard Pierson Museum aan de Sarphatistraat naar het schitterende en zeer royale voormalige hoofdgebouw der Nederlandse Bank aan de Oude Turfmarkt, kwam er eindelijk ruimte beschikbaar voor een uitgebreide en overzichtelijke opstelling van de gipsverzameling 4 • DE VERZAMELING UNIVERSITEIT

afb. 1

Zolder, A.P .M.

Bij het betreden van het Allard Pierson Museum wordt de blik van een bezoeker direct gevangen door een kleine vitrine bij de ingang met "Klassieke Kunst" (vals of echt?) In deze vitrine liggen afgietsels van gips en kunststof uitgestald die het museum ten verkoop aanbiedt. Eenmaal binnen wordt de verwarring groter. Een monumentale zgn. Mausollos, meer dan 3 m. groot, blikt onverstoorbaar vanaf zijn hoge sokkel neer op de argeloze bezoeker, die het beeld wellicht in een oppervlakkige aanschouwing voor echt verslijt 1• Dit beeld en andere, opgesteld in de gangen van het museum, maken deel uit van de meer dan 200 afgietsels die het

museum bezit . Het grootste deel hiervan is, aan het oog van de gewone bezoeker onttrokken, opgesteld op de zolder van het museum. Een kleiner deel bevindt zich in het Archeologisch-Historisch Instituut (Oude Turfmarkt 129, naast het Allard Pierson Museum). De collectie wordt voornamelijk bezocht door studenten van universiteiten. Tegenwoordig is er echter ook buiten de universiteiten een groeiende belangstelling voor klassieke beeldhouwkunst en haar "Nachleben" 2 • Een gedeelte van de gipsverzameling was reeds lang eigendom van de universiteit, maar meer dan de helft van de huidige collectie afgietsels is nog geen tien jaar

VAN DE

De opstelling van de universitaire collectie van gipsen heeft in het verleden nog wel eens te wensen overgelaten. De wisselende waarderingsgeschiedenis komt sterk overeen met die van het Museum van Reproducties in Den Haag . Het is daarom boeiend het verloop van beide collecties vanaf het begin van hun ontstaan te volgen. Reeds in 1879 ontvangt de eerste hoogleraar in de Aesthetiek en Kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, Allard Pierson (hoogleraar van 1877-1895), een jaarlijkse subsidie voor het aanleggen van een "museum van archaeologie der kunst, hetwelk voor het onderwijs in de kunstgeschiedenis volstrekt onmisbaar is" 5 • In het Jaarboek van 1885 wordt hij officieel genoemd als "directeur van een verzameling pleisterbeelden naar Antiken" 6 • Deze collectie bevond zich in een beeldenzaal in het Oudemanhuispoortcomplex (bij de vestiaire). Het is moeilijk na te gaan welke beelden door wie in de loop der tijden zijn aangeschaft. Zijn opvolger prof. dr. Jan Six (hoogleraar van 1896-1926) is zeker een groot voorstander geweest van dit lesmateriaal . Van hem is bekend dat hij zijn studenten de volgende richtlijnen meegaf: zien met kennis, zien met oordeel en zien met liefde. Tijdens zijn colleges mochten de studenten geen aantekeningen maken 7; 3


afb. 2

Bibliotheek van het Klassiek Seminarium

een harde leerschool in een tijd met nog weinig goedkope studieboeken en plaatmateriaal. Een gipsverzameling van beroemde klassieke beelden direct tastbaar binnen bereik zal zeker een grote s~~unvoor de toenmalige student geweest ZIJn, In 1889 houdt Six een voordracht over de gevel van de Zeustempel te Olympia. Zijn reconstructie van de Oostgevel geniet terstond belangstelling van de archeologische wereld. 8 Het museum bezit elf afgietsels van de meer dan levensgrote beelden van beide pedimenten (plus een boekenkast van Six voorzien van een miniatuur-reconstructie van het Oostpediment als bekroning). Deze zijn misschien onder zijn beleid aangeschaft. De afgietsels zijn van bijzonder goede kwaliteit. Ze staan thans opgesteld in de bibliotheek van het Klassiek Seminarium en vormen in deze belezen omgeving een waardig en zwijgzaam gezelschap (afb. 2). Toen Six overleed liet hij een grote leegte achter in de Universiteit. Door zijn royale behuizing aan de Amstel en zijn privé bibliotheek was er nooit behoefte gevoeld aan een zelfstandig gebouw voor de archeologische studie. Zijn opvolger Prof. dr. G.A .S. Snijder (hoogleraar in de Archeologie en Kunstgeschiedenis der Klassieke Oudheid van 1928-1945) ziet zich voor een enorme taak gesteld. Hij heeft niet alleen een gebouw voor lesruimten en het onderbrengen van de kunstverzameling nodig, maar ook een bibliotheek met vakliteratuur voor zijn studenten. Verder vraagt de gipsverzameling zijn aandacht: de opstelling in het Oudemanhuispoortcomplex is veel te bekrompen (hij heeft 100 m 2 nodig 9); bovendien doen bouwplannen hem vrezen dat de gipsen naar de binnenplaats van de Poort zullen verhuizen. Vanaf het begin van zijn ambtsperiode zet Snijder zich in om geld bij particulieren en gemeente los te 4

krijgen voor de opzet en inrichting van een Archeologisch-Historisch Instituut. Al deze problemen moeten onoplosbaar geleken hebben, maar juist in het economische rampjaar 1929 kwam toch de oplossing tot stand: J.L.Pierson, bankier,een zoon van Allard Pierson, formeerde de Allard Pierson Stichting! Dank zij deze Stichting werd het mogelijk de bibliotheek van Six te kopen en op te stellen. Nog steeds hangt bij de deur van het huidige instituut het bordje "Jan Six Instituut". Een gebouw aan de Weesperzijde (no. 33) werd door de gemeente toegewezen als "tijdelijke behuizing" voor de Allard Pierson Stichting en het ArcheologischHistorisch Instituut; al spoedig werd het aangrenzende huis erbij getrokken. In 1934 komt dan vrij plotseling de kunstverzameling van Lunsingh Scheurleer (het toen zeer bekende particuliere museum aan de Carnegielaan in Den Haag) bijna onder de veilinghamer. Met het geld van de Allard Pierson Stichting, met veel steun van particulieren en met behulp van een renteloze lening van de Vereniging Rembrandt, wordt het grootste deel van de archeologische voorwerpen uit deze collectie aangekocht en door de Stichting in eigendom aan de Universiteit van Amsterdam gegeven (dat wil zeggen aan de gemeente Amsterdam). In een oud schoolgebouw aan de Sarphatistraat wordt de verzameling gehuisvest als "Allard Pierson Museum"; professor Snijder wordt de eerste hoogleraardirecteur10. Maar nu terug naar de gipsen. In het instituut aan de Weesperzijde werd een kamer gereserveerd voor gipsafgietsels, gips-reliëfs werden aan de wanden in de gangen gehangen, en op de zolder werden de Olympia sculpturen en andere grote beelden opgesteld. Het dak was vrij hoog, maar de zeer grote beelden konden er toch niet staan: Mausollos stond er bijv.

in twee stukken. Al deze beelden waren afkomstig van de Oudemanhuispoort, waar ze in de zaal bij de vestiaire te veel ruimte in beslag namen. Zo werden ze in 1932 (of iets eerder) naar het nieuwe instituut gebracht. Daar werden ze omhoog getakeld, zeer tot vermaak van het Amsterdams publiek. En toen er een satyr met een baardje de lucht in ging, geheel naakt natuurlijk (welke satyr het was is niet zeker, misschien was het de Marsyas van Myron), sprak een toeschouwer de gevleugelde woorden: "Daar gaat Blotemaker de Schuine" (omdat de satyr blijkbaar op minister Slotemaker de Bruyne leek en tevens schuin, d.w.z. naakt, was). Deze grap werd in de jaren dertig graag aangehaald en is ons onlangs verteld door een van de vroegste en voornaamste stuwkrachten van het instituut en museum, mevr. dra. M.A. Groothand, die in 1933 in het instituut als volontair in dienst trad en tot in de jaren zeventig de dagelijkse gang van zaken heeft geleid. Toch waren niet alle afgietsels uit de Poort naar de Weesperzijde verhuisd. Na de oorlog hingen nog steeds twee enorme reliëfs van het Zeus-altaar in Pergamum hoog aan de wanden van de zaal bij de vestiaire. Later is dat gedeelte van de poort afgebroken en zijn deze reliëfs terecht gekomen, helemaal achteraan, op een zolder in een van de opslagruimten van de universiteit; waarschijnlijk waren ze opzettelijk verstopt om vernieling te voorkomen. Daar zijn ze bij toeval ontdekt, nog vóór de verhuizing naar de Oude Turfmarkt in 1975, en zo konden ze een ereplaats krijgen in de Hellenistische zaal van gipsen op de zolder van ons museum. Gedurende de oorlog bleven de gipsen in het instituut op de Weesperzijde 32-33. Het dak lekte en vele gipsen is dat goed aan te zien, maar ze bleven behouden. Na de oorlog breidde de bibliotheek zich sterk uit en zo werd na enige jaren de gipsen-kamer, die de eerste studenten van na de oorlog nog hebben gekend, ontruimd. De beelden werden bij de andere afgietsels op de zolder geplaatst en de deur ging op slot - want ruimte om er te lopen was er niet meer over. Sommige beelden stonden zelfs jarenlang in een kast. Uit deze winterslaap zijn ze in 1975 bij de verhuizing naar het nieuwe gebouw tot nieuw leven gewekt. Ook de hoogleraar klassieke archeologie van na de oorlog, prof. dr. C.H. Emilie Haspels (1945-1965), heeft een bijdrage aan de gipsen geleverd: enige zeer grote afgietsels, thans in de kelder van het museum, zijn door haar en haar opvolger in 1953 en 1958 in de binnenlanden van Turkije vervaardigd. Het zijn de afgebroken reliëfs van een Phrygisch rotsgraf (ca. 500 v. Chr.), die ze daar in de grond had aangetroffen. Dit zijn de enige goede afgietsels van deze begraven reliëfs (er is een slordig afgietsel bij de Universiteit van Ankara) 11. Wanneer in 1975 de verhuizing voor de deur staat naar het gebouw aan de Oude


Turfmarkt blijkt dat de universiteit een 35-tal uitzonderlijk grote en goede afgietsels bezit , waarvan er 16 boven de twee meter zijn. Voor een aantal is de nieuwe opstelling op de zolder te laag, deze worden in de hal en de gangen van het museum opgesteld.

HET MUSEUM VAN REPRODUCTIES Naast deze oude collectie heeft in 1975-6 het Allard Pierson Museum de restanten van de afgietsels van de klassieke beeldhouwkunst van het Museum van Reproducties in Den Haag ten geschenke gekregen. Reeds jaren voordien had dr. D.F. Lunsingh Scheurleer, toen rijksinspecteur van roerende monumenten , de huidige hoogleraar-directeur gewaarschuwd dat de collectie in Den Haag in gevaar was en wellicht aan de Universiteit van Amsterdam ter beschikking zou staan . Na overleg met een van de curatoren van de Academie van Beeldende kunsten in Den Haag, waarbij het Museum van Reproducties toen behoorde, de heer Van Tuyll van Serooskerken, werd toestemming verkregen enige verhuiswagens vol gipsen uit de kelders van de Academie naar Amsterdam te vervoeren. De ruimte die in het nieuwe museum ter beschikking zou staan was lang niet voldoende om de gehele collectie te redden , maar van het vriendelijke aanbod werd met gretigheid gebruik gemaakt. De gipsen lagen onder erbarmelijke omstandigheden opgestapeld in de kelders van de Academie in Den Haag. Sommige stukken waren zo groot dat ze doormidden gezaagd moesten worden om

afb. 3

de uiteindelijke plaats van opstelling te bereiken 12 • Het was een bedroevend gezicht de voormalige, buitengewoon rijke, uit meer dan zesduizend stuks bestaande, collectie zo opeengehoopt en in zo vervallen staat te zien. Daar komt nog bij dat het Museum van Reproducties in 1975 nog betrekkelijk jong was: in 1920 had C. W. Lunsingh Scheurleer met hoge idealistische bedoelingen voor ogen (" 40 eeuwen kunst en cultuur onder één dak") dit museum in het leven geroepen (afb. 3). In hoog tempo kocht hij collecties op van musea (Keulen, Düsseldorf) en van scholen (Haarlem) die hun verzameling van de hand deden 13 • In de vorige eeuw waren er onder de toen heersende gedachte: "Goed voorbeeld doet goed volgen", onderwijsinstellingen in het leven geroepen die onderwijs en gipsverzamelingen combineerden. Ook bij de musea werden gipsverzamelingen aangelegd. Ze waren meestal overvol en leken op een soort rariteiten-kabinet. In de twintigste eeuw komt er een nieuw bewust museumbeleid. Als eerste stootten de musea de ruimteverslindende gipsverzamelingen af. Ook de tekenscholen en academies maken zich los van het juk van vier eeuwen "Pleistertekenen" 14 • Van alle kanten komen er gipsen op de markt. Scheurleer maakt hiervan gretig gebruik, maar de tijden werken niet mee: het Museum van Reproducties kampt vanaf het begin met financiële problemen en tekort aan ruimte. In 1933 wordt het als zelfstandige instelling opgeheven en overgebracht naar de Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag. Tot in 1957 waren twee gipsgieters, een wetenschappelijk ambtenaar en een conservatrice permanent in dienst van

Mu seum van Reproducties van Beeldhouwkun st te 's-Gravenhage 1920

afb. 4

Tentoonstelling: "Visiesop sieraden 19651982", Stedelijk Museum Amsterdam ,

deze collectie. Het moet een druk en arbeidsintensief bedrijf geweest zijn. Nog in 1950 kwam er een afgedankte partij gipsen van het Rijksmuseum te Amsterdam naar Den Haag. Men was doorlopend bezig met het inventariseren, ordenen, restaureren en afgieten. De collectie voldeed tot haar opheffing aan een bepaalde didactische behoefte. Dit blijkt uit de aanvragen voor rondleidingen en opdrachten voor afgietsels van buiten de grenzen (London, Parijs e.a.) 15• Ook prof. Haspels ging van tijd tot tijd met haar studenten op werkbezoek in dit museum. Als J.J.Beljon in 1957 de nieuwe directeur wordt van de Academie ziet hij zich geplaatst voor tegenstrijdige belangen . Een steeds groter aantal leerlingen en de diversiteit in het vakkenpakket binnen de Academie vergen meer ruimte, terwijl de enorme en zeer bruikbare kelders nu juist bezet zijn door de grote collectie gipsafgietsels. Bovendien past een dergelijke verzameling niet meer bij de opvattingen van een moderne academie: het verplichte "Pleistertekenen" was allang afgeschaft. Hij neemt daarom een overhaast en rigoreus besluit: de verzameling als zodanig wordt opgeheven. 16 Vanaf dat moment begint een periode van zeer snel verval. Gipsen worden stukgeslagen (vernielingen aan beelden vonden ook in de woelige jaren 60 elders in den lande plaats) 17,ze wandelden gewoon weg onder de armen van studenten en medewerkers, of lagen weg te rotten in de vochtige kelders. Terwijl een vorige directeur van de Academie, ir . J.H. Plantinga, in 1938 nog ten volle de cultuurhistorische waarde van de verzameling inzag (in het nieuwe 5


academiegebouw aan de Prinsessengracht werden toen 7 zalen daarvoor beschikbaar gesteld) 18, was daar in 1957 geen enkel begrip meer voor. We leven nu in 1984. Van alle kanten komt er een hernieuwd interesse voor de klassieke beeldhouwkunst en voor gipsverzamelingen 19• Niet alleen musea geven hiervan blijk (er zijn enorme collecties bijv. in Bazel en Bonn), ook de reclamewereld ontdekt weer de klassieken. Etalages van winkels als Bonebakker en de Bijenkorf worden opgesierd met afgietsels naar klassieke beeldhouwkunst (niet te verwarren met afgietsels van orginele klassieke beeldhouwkunst). Bij een tentoonstelling over moderne sieraden in het Stedelijk Museum te Amsterdam werden afgietsels van klassieke beelden uit het museum gebruikt als entourage (afb. 4)20 • De klassieke beeldhouwkunst boeit nog steeds. Het spanningsveld tussen abstractie en naturalisme waarbinnen de Klassieken hun onvergankelijke beeldhouwkunst wisten te creëren heeft nog niets van zijn kracht verloren. Het Allard Pierson Museum heeft sinds 1976 in zeven ruime zalen op de zolder de afgietsels chronologisch geordend (afb. 5 en 6). Men krijgt zo een duidelijk beeld van de belangrijkste perioden in de Griekse en de Romeinse beeldhouwkunst vanaf de zevende eeuw v. Chr. tot aan de nadagen van de Romeinen in de derde eeuw na Chr. De collectie is toegankelijk op aanvraag aan de balie tijdens de openingstijden van het museum (behalve de week-einden) en voor groepen onder begeleiding 2 1 na schriftelijke aanvraag.

Janneke Cok-Escher (Met enige historische aanvullingen van J.M. Hemelrijk)

afb. 5

6

Zolder, A .P.M.

afb. 6

Zolder, A .P.M.

Noten: 1) Vorige maand, tijdens een bezoek aan ons museum, heeft de Italiaanse schilder Salvadori, vallend van de ingangstrap de zgn. Mausollos geraakt en het beeld van zijn "onverstoorbare" blik beroofd: het hoofd viel te pletter. 2) F. Haskell & N. Penny, Taste and the Antique, 1981. J. van Roekel, P. Knolle & M. van Delft, Haags naakt, geschiedenis van het tekenen naar naakt model op de Haagse Academie van Beeldende Kunsten, 1982. Tentoonstelling: Het voorbeeld van de Klassieken ; Rotterdam 5/2-15/4 '84. Tentoonstelling: Herinneringen aan Italië, Kunst en Toerisme in de 18e eeuw: 's-Hertogenbosch 22/5-22/7 '84.

"19de eeuw revisited", Museumjournaal 2 (1984). 3) Algemene gids Allard Pierson Museum , 1937. J.M. Hemelrijk, MVAPM 18, 1979, 1-2. 4) J.M. Hemelrijk, MVAPM 12, 1976, 1. 5) H . Brugmans , J.H. Schol te en P.H. Kleintje s, Gedenkboek van het Athenaeum en de Universiteit van Amsterdam , 1632-1932, 319. 6) Jaarboek van de Universiteit van Amsterdam, 1885. 7) Gedenkboek 1932, p. 321-323. 8) J . Six, Journal of Hellenic Studies 10, 1889, 98-116, pl. VI. 9) Snijder ontvangt vanaf het begin van zijn ambtsperiode in 1928 jaarlijks van de gemeente Amsterdam f 1450,- voor de aanschaf van " gipsen en fotomateriaal" ; Archief APM , 1928. 10) Archief APM, 1928/29; J.M . Hemelrijk , MVAPM 18, 1979, 1-2. 11) J.M. Hemelrijk, MVAPM 23, 1981, 1-4. 12) Informatie van betrokkenen o.a. R. Hartzema . Hij was aanwezig bij de verhuizing en restaureerde circa 60 gipsen gedurende 6 maanden in het APM . Zie R. Hartzema, Conserveren -Restaureren 2, 1975, 32-39. 13) C.W. Scheurleer , Rede uitgesproken ter gelegenheid van de opening van het Museum van Reproducties van Beelhouwkunst in de Academie van Beeldende Kunsten te 's-Gravenhage op zaterdag 30 oct. 1920. 14) B. Welten , Het kunstonderwijs in Nederland, een normatief onderzoek naar de ontwikkeling van kunst- en kunstnijverheidonderwijs , voornamelijk in betrekking tot de meer didactische-aesthetische aspecten ervan in Nederland tussen 1870-1960 (1960). "Kopieën in het museum " , in Museumvisie 7e jrg. 4 (1983). 15) Archief Museum van Reproducties, Den Haag, 1957. 16) J.J. Beljon, 300 Jaar Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te 's-Gravenhage 16821982 (1982). 17) Tijdens de verbouwing van de Aula aan de Oudemanhui spoort in 1961 werd o.a. de Minerva van Leenhoff van 'Lijn sokkel gehaald . Dit beeld is inmiddels geheel gerestaureerd en in ere hersteld en staat nu opgesteld in de nieuwe koffiezaal van de Poort (M. Feiwel, Ons Amsterdam fig. 36,


nr. 5 (1984) p. 134-137). 18) J.H. Plantenga, De nieuwe opstelling der collectie van reproducties van beelhouwkunst in de Haagsche Academie van Beeldende Kunsten, Elsevier's Gei11ustreerd Maandschrift jrg. 48, 96 (1938), 278-280. 19) M. Baker, The cast courts, Victoria and Albert Museum, London, 1982. Verzeichnis der Abguss-Sammlung des Akademischen Kunstmuseums der Universität

Bonn, 1981. N. Himmelmann, Utopische Vergangenheit, Archäologie und Moderne Kultur, 1976. 20) Tentoonstelling: Visies op sieraden 19651982, Stedelijk Museum, Amsterdam, 5-19/12 '82. 21) Een beknopte handleiding is aan de balie verkrijgbaar; in 1985 verschijnt een catalogus met afbeeldingen over de gipsverzameling van het APM.

Kladderaars, Byron en Pierson

In alle steden van West-Europa zijn talloze gebouwen beklad met namen, zinloze uitspraken of min of meer politiek bedoelde kreten. Sommige schrijvers van deze z.g. graffiti hebben zich een eigenaardig, aardig en hoekig handschrift eigen gemaakt. Ook onze beide musea zijn met de spuitbus bewerkt (afb. 1-2). Het is een verfoeilijke gewoonte die nog wordt aangemoedigd door het feit dat het werk van deze kladders soms plotseling als kunst wordt beschouwd, een term die blijkbaar geduldig veel inhoud kan torsen (zie Mededelingenblad no. 27, april 1983). Het moge dan een verwerpelijk verschijnsel zijn, het is niet nieuw. Reeds Byron, die zo boos was op Lord Elgin (zie elders in dit blad) omdat deze de prachtigste Griekse sculpturen die wij nu kennen (die van het Parthenon in Athene) naar Engeland bracht, kerfde met zijn zakmes zijn naam in een zuil van de Poseidon-tempel op kaap Sounion (afb. 3), een daad die men niet mag afkeuren maar die Byron wel het recht ontzegt superieur te doen over anderen. Maar de jeugdige spuitbus-ridders van Amsterdam zouden zich (indien ze de moeite zouden nemen zich enige kennis bij te brengen, door dit blad te lezen) voortaan ook op iemand anders kunnen beroepen, een persoon van het geslacht dat in dit nummer zo terecht en zo hogelijk geprezen wordt, een Pierson! Er is in Zuid-Frankrijk een plaatsje, St. Rémy, dat bij de meeste Nederlanders bekend is doordat Van Gogh er enige tijd is geweest, maar bij de liefhebbers van de oudheid, de lezers van dit tijdschrift,

afb. 2

Graffito naast ingang v an museum (Oud e Turf markt).

afb. 1

Graffito op het oude museum (Sarphatistraat).

vooral door het torenhoge grafmonument van de Julii (afb. 4). In 1974, tijdens een excursie naar Zuid-Frankrijk, ontdekte één van onze studenten op de sokkel van dit prachtige bouwwerk, de inscriptie van afb. 5: een Pierson had hier zonder schroom in grote letters zijn naam ingekerfd. Welke Pierson was het? Het moet al lang geleden zijn: tegenwoordig haalt niemand zich dit in het hoofd, en het formaat van de letters wijst erop dat de daad met genoegen werd verricht en met een zelfrespect dat niet al te sterk verschilt van dat van de huidige spuitbusgasten. Waarschijnlijk leeft deze Pierson niet meer. Misschien gaat het om een geheel andere familie Pierson; maar het is te hopen voor de lezers van dit blad dat eens zal blijken dat - al lijkt het nu onwaarschijnlijk - het de grote Allard zelf was die deze fraaie misstap maakte of eventueel - zijn liefhebbende en zeker niet van originaliteit en creativiteit

verstoken zoon J.L.! Want eens moet er een tijd zijn geweest dat ook deze beide heren het kwajongensbloed voelden tintelen in hun aderen, en het zou leuk zijn als deze tamelijk onbeschaafde maar overduidelijke inscriptie als een bewijs daarvan zou kunnen gelden. J.M. Hemelrijk.

7


afb. 3

Inscriptie door By ron op zuil v an Sounion tempel, Attica . (foto Jurriaans).

afb. 4

Monument van de Julii te St. Remy (foto Jurriaans).

afb. 5

Inscriptie v an een Pierson op de zuidzijde v an de sokkel v an ajb. 4 (foto J urriaans).

Wonderlijk voor de leek, wonderbaarlijk voor de vakman

EEN FRAGMENT ARISCH HOOFD VANEEN JONGE VROUW Het museum dient het esthetisch genoegen, de culturele ontplooiing en de geestelijke verrijking van het lekenpubliek . Het is tegenwoordig gênant een dergelijke zin neer te schrijven, want het lijkt op wat, sedert de Maagdenhuis bezetting, met afschuw paternalisme genoemd wordt; toch blijft het de bedoeling van vele musea het publiek te lokken tot kennismaking met allerlei, vaak hooggestemde, culturele creaties. Daarnaast heeft vooral Óns museum een geheel andere taak; het is immers een studie-collectie, bestemd voor archeologisch onderzoek en onderwijs op een zo hoog mogelijk niveau. Bij het aankoop-beleid wordt dus met deze twee aspecten voortdurend rekening gehouden. De grote jubileum-aanwinst, de door de Vereniging Rembrandt geschonken sarcofaag, voldeed aan alle aankoop-aspecten tegelijkertijd, zoals uit de Dionysus-tentoonstelling van dit jaar (door de studenten gemaakt) duidelijk is gebleken . Maar ook voorwerpen die voor het algemene publiek niet zeer aantrekkelijk zijn, kunnen voor de beroepsarcheoloog en kunsthistoricus (en dus voor diens studenten) van groot belang zijn, en tot deze categorie behoort de zwaar beschadigde kop die het museum uit eigen (bescheiden) middelen als jubileum8

aanwinst 1984 heeft aangekocht (afb. 1-4). Het is een fragmentarisch hoofd waar de leek niet veel aan ziet, maar die aan vele klassieke archeologen een zucht van bewondering ontlokt. "Wat is er dan voor bijzonders aan te zien?" Het bijzondere is dat het een Griekse kop is uit ca. 440-420 v. Chr. "Waarom is dat zo iets bijzonders?" Dergelijke fragmenten zijn zo goed als nooit te verwerven: in het museum bevindt zich slechts één stuk van een rond-sculptuur van enig formaat (een kop van een jonge man) uit de vijfde eeuw (afb. 5), maar dit is een ietwat provinciaal aandoend stuk dat zeer slecht bewaard is. "Wat zijn dan al die andere fragmenten en koppen die in dit en andere archeologische musea te zien zijn?" Veruit de meeste van die koppen zijn Romeins, vaak Romeinse copieën van

afb. 4

Tekening v an 10874 door Janneke Cok .

Griekse voorbeelden; enkele uitzonderingen zijn Grieks, maar dan veelal uit latere (Hellenistische ) tijd (3e-1e eeuw v. Chr .). Griekse koppen, zelfs fragmentarische, uit de vijfde eeuw v. Chr. zijn, buiten Griekenland, zeer zeldzaam. "Hoe weet je dan dat dit niet óók een Romeinse kop is?" Op deze vraag moet een wonderlijk antwoord gegeven worden, dat luidt: ik weet het zo goed als zeker maar kan het niet bewijzen: ja, ik kan mijn redenen zelfs niet erg duidelijk onder woorden brengen. Dit lijkt een buitenstaander misschien vreemd, maar is typerend voor de alpha-wetenschappen in het algemeen. Iets bewijzen kan men in de klassieke archaeologie maar zelden: desondanks kan men soms de hoogst mogelijke graad van zekerheid bereiken. Deze zekerheid is dan echter niet, zoals in de meeste bèta-vakken, overdraagbaar op een.ander , door woorden , formules of experimenten. De alpha-wetenschappen (althans vakken als de klassieke archeologie) zijn dus per definitie "subjectief" . Slechts een enkele keer kan men de proef op de som geven (of liever: krijgen); in het geval van onze kop is dat ook denkbaar (maar niet waarschijnlijk), n.l. indien de rest van de sculptuur gevonden zou worden en zou blijken te behoren tot een Griekse tempel of iets dergelijks. In dat geval zou het "bewezen" zijn dat de kop Grieks is. Maar, zoals gezegd, dit


mag niet verwacht worden. Wij moeten dat is de taak van onze wetenschap - zo goed en zo kwaad als dat gaat, met woorden duidelijk maken waarom deze kop nu eens niet een fragment is van een Romeinse copie maar stamt van een of ander Grieks monument. 1. DE REACTIE VAN ARCHEOLOGEN Hoewel wij "zeker" waren dat het fragment een zeldzaam Grieks stuk is, waren wij verontrust doordat wij deze zekerheid geen objectieve, toetsbare vorm konden geven, en daarom waren wij verheugd de spontane reactie van twee archeologische specialisten op het gebied van de antieke sculptuur te kunnen registreren . Prof. Lorenz uit Würzburg 1 werd rondgeleid door het museum en vervolgens door de restauratie-afdeling . Terwijl wij daar pratend rondliepen en nergens in het bijzonder aandacht aan besteedden, dook Lorenz plotseling weg uit het gesprek, naar de kop die tussen andere voorwerpen op tafel lag. Hij nam het in de hand, keek er een ogenblik van alle kanten naar en zei toen verbaasd: "Maar dat is Griéks!" Het was een reactie die mij met voldoening vervulde.

staand beeld zou zijn, zou dit ongeveer 1.30-1.40 m. hoog zijn . Het marmer is waarschijnlijk Pentelisch, d.w.z. afkomstig van de Pentelicon, een berg in Attica. Het oppervlak is glad waar het goed bewaard is; enige polijsting is toegepast die een zekere dichtheid aan de structuur van het oppervlak verleende. Overigens is het oppervlak niet slechts gehavend maar ook vol vlekken die niet zonder schade verwijderd kunnen worden. Deze grijs-bruine vlekken zijn waarschijnlijk te wijten aan chemische veranderingen van mineralen in de steen onder invloed van inwerking van de grond waarin het fragment meer dan 2000 jaren gelegen moet hebben. Het fragment is nooit schoongemaakt noch gerepareerd of bijgewerkt. Wel is er een gat in het onregelmatige breukvlak op de achterzijde gemaakt (nu dichtgestopt), en is er een gat geboord in de nek om het op een voetstuk te monteren. De kop is zwaar beschadigd: de gehele neus en neusbrug zijn verloren, de wenkbrauwen zijn beschadigd; ook de lippen zijn gehavend en een groot gedeelte van de kin met het onderste stuk

van de linkerwang is afgebroken . Het achterhoofd en de hals zijn verticaal achter de oren afgespleten; de hals eindigt direct onder de kin. Het rechter deel van de bovenkant van de schedel-kap is vanaf het rechter oor schuin omhoog weggeslagen en er is een diep gat in de bovenkant van de schedel. De meeste breukvlakken zij~ nogal versleten en dus oud. Het hoofd is enigszins asymmetrisch; het was naar links gewend. De contour van het gezicht vormt een volle ovaal. De uitdrukking is ernstig, de spieren zijn ontspannen, als in gedachten. De ogen zijn tamelijk diep verzonken achter het vlak van het voorhoofd (bovenste oogkasrand) en de neusbrug en zijn horizontaal geplaatst. De oogleden zijn nadrukkelijk gemarkeerd en enigszins asymmetrisch. Opvallend is de zwelling tussen de buitenste ooghoek en de wenkbrauw (gevormd door de kringspier van het oog). De traanklieren liggen diep maar zijn niet met nadruk aangegeven. De wangen en kaken vormen een doorlopende, vloeiende welving zonder afzonderlijke weergave van de konen, of

Enige maanden later bestudeerde mevr. P. Lawrence, een Amerikaanse archeologe, een paar Corinthische vaasjes op mijn kamer in het museum, waar de kop op een tafel bij het raam lag. Ik vroeg haar er even naar te kijken. Ze nam het stuk op om het licht en de schaduwen erover te laten spelen en zei na enige ogenblikken: "Ik heb in lange tijd geen aanwinst gezien van een stuk echt-griekse sculptuur in een museum". Ook andere archeologen reageerden op deze wijze. Dit duidt dus op een eensgezindheid onder de wetenschappers die bij een zo "subjectief" vak misschien wel enige verbazing zal wekken, maar die de lezer misschien overtuigt van de juistheid van de "constatering" dat dit fragment echt Grieks is en niet een van de duizenden fragmenten van Romeinse copieën naar een Grieks voorbeeld. 2. BESCHRIJVING Vlak voor de aankoop heeft de studente Janneke Cok-Escher een kort, maar uitstekend, verslag gemaakt betreffende het fragment, waaraan in het hiervolgende het een en ander is ontleend, en waaruit ook de tekeningen, afb. 4, zijn overgenomen. Zij is zelf ervaren als beeldhouwster en bekwaam in het modelleren van portretten zoals uit de tekeningen van afb. 4 kan blijken.

De herkomst van het stuk is onbekend. De kop is minder dan levensgroot: van nek tot bovenste punt van het haar 17.5 cm; maximale diepte van voorhoofd tot breukvlak op achterkant 13 cm. (breedte bij de slapen 9 cm.). De kop kan gemakkelijk worden aangevuld tot een rond-sculptuur (zie afb. 4) en als dit een

afb. 1

Fragment van kop, inv. nr. 10874,jubileumaankoop.

9


ajb. 2 Fragment van kop, inv. nr. 10874, jubileumaankoop.

van de plooien van neusvleugels naar mondhoeken . De mond is tamelijk breed, horizontaal en gesloten. Tussen de gehavende lippen verloopt de mondspleet in fijn gebeitelde, zachte curven van mondhoek tot mondhoek. De onderlip was tamelijk dik en bijna "pruilend", maar de vorm is onduidelijk want de kin is grotendeels verloren. Het haar was vanaf de scheiding midden op het voorhoofd naar achteren gekamd en in verschillende bundels verdeeld; het voorste gedeelte is om een haarband omhoog geslagen en was blijkbaar boven op het hoofd opgenomen. De andere lokken lopen naar achteren en bedekken de kleine oren bijna geheel. Dit gedeelte van het haar kwam achter het hoofd samen, maar aan de rechterzijde van het hoofd, waar een deel van de nek bewaard is (afb. 3), loopt de onderste haarbundel schuin omlaag; indien de kop van een rond-sculptuur stamt, hing deze dus waarschijnlijk los op de rug. Aan de linkerzijde van het gezicht zijn de haren vrij goed bewaard: zij zijn in een aantal groepen gerangschikt en iedere lok 10

verloopt afzonderlijk met zachte golvingen zonder over andere lokken heen te vallen. Zij zijn ondiep uitgehouwen en niet scherp tegen elkaar afgezet maar de scheiding tussen de groepen van lokken is wel tamelijk breed en diep. Opvallend is dat de haarbewerking aan de rechter kant van de kop scherper en oppervlakkiger is - alsof die zijde enigszins aan het zicht onttrokken was. Het gehele kapsel is met een scherpe lijn tegen het voorhoofd en de slapen afgezet.

duidelijker lieten merken dat zij veel gebruik maakten van de boor. Vooral de harde sporen van de "lopende" boor zijn in een Romeins werk niet zelden slecht gecamoufleerd, bijv. in de plooien van gewaden en in het haar. De qualiteit van ons fragment is juist gelegen in het feit dat nergens van enige haast of oppervlakkigheid blijk wordt gegeven, dat integendeel uit ieder onderdeel blijkt dat de beeldhouwer met overleg, liefde voor detail, en voorzichtigheid de welvingen met de beitel heeft gevormd. Behalve een lichte boring bij de traanklieren is er geen enkel spoor van de boor te bekennen, noch in hoeken van de mond, noch in de oren of in het haar. Romeinse beeldhouwers zouden een diep geboord putje bij de traanklier of in de mondhoeken niet geschuwd hebben. Ook zijn zij geneigd de golvende groeven in het haar, die ook op onze kop natuurlijk grotendeels met de platte beitel zijn gemaakt, scherper en met meer kantigheid uit te voeren. De Romeinse kunstenaar stelde zich dus in het algemeen niet tot taak om alle onderdelen van, bijvoorbeeld, een oogkas in zachte welvingen weer te geven (d.w.z. in hoofdzaak met de puntbeitel) en placht de wenkbrauwen meer te suggereren door deze in een rechte richel in de steen te houwen; hij werkt minder "plastisch". Zelfs als hij een Grieks origineel copiĂŤerde of imiteerde, liet hij zich meestal door deze gewoonten kennen. Men kan het Griekse karakter van ons fragment dus herkennen als men met de ogen het oppervlak van de sculptuur als het ware langzaam aftast; als men aandachtig kijkt naar de dubbele (svormige) welving van het onderlid van het oog of naar de huidplooi die het ronde bovenlid omrandt of als men de simpele subtiele rondingen bij de mondhoek volgt, of de langzame, grote welving van de kaken.

3. COMMENTAAR Deze beschrijving is tamelijk uitvoerig maar kan niet duidelijk maken wat nu eigenlijk de bijzondere qualiteiten van het fragment zijn. Zeer in het algemeen kan men zeggen dat de beeldhouwers in de Romeinse tijd sneller werkten dan de Griekse beeldhouwers in de vijfde eeuw v. Chr., dat zij oogleden en wenkbrauwen een meer lineair karakter gaven met vlakke en scherpe richels en dat zij

afb. 5

Jongenskop inv. nr. 339, 450 v. Chr.


afwerking van het haar aan de rechterzijde van de kop wijst erop dat deze eerder stamt van een dergelijk diep reliëf dan van een rondsculptuur, die van alle kanten gezien kon worden (wel kan de kop geheel los zijn geweest van de achtergrond).

afb. 3

Fragment van kop, inv. nr. 10874, jubileumaankoop.

Maar zoals gezegd, het is niet waarschijnlijk dat de onervaren museumbezoeker veel genoegen aan dit fragment zal beleven; het is echter te hopen dat de hier gegeven beschrijving de belangstelling van de lezer van dit blad voor deze moeilijk te appreciëren (maar artistiek en wetenschappelijk waardevolle) jubileum-aankoop kan wekken. 4. VERDERE BESTUDERING Deze zeldzame aanwinst stelt een aantal problemen. De voornaamste zijn de volgende. 1. Behoort de kop tot een losstaande rondsculptuur, of stamt het fragment uit een pediment van een tempel of van een zeer diep uitgehouwen reliëf? 2. Welke Griekse koppen zijn de beste parallellen voor dit fragment en hoe moeten wij de haardracht reconstrueren? 3. Wat is de juiste datering? De ruimte staat niet toe op deze

problemen uitvoerig in te gaan; bovendien zal nog veel studie nodig zijn voordat deze vragen kunnen worden beantwoord. Wij moeten daarom volstaan met de volgende aanduidingen. Ad vraag 1. De kop kan gemakkelijk worden aangevuld tot een rondsculptuur (afb. 4). Een dergelijk beeld van klein formaat (ca. 1.30 - 1.40 m.) zou een wijgeschenk kunnen zijn, maar ook een dakversiering (acroterion) op een tempel, of (misschien niet geheel losgehouwen van de achtergrond) een onderdeel van een tempel-pediment. Dergelijke diepuitgehouwen reliëfs, waarvan de hoofden los kunnen zijn van de achtergrond, werden ook voor metopen (buiten-reliëfs op tempels, boven de zuilen geplaatst) gebruikt, bijvoorbeeld aan het Parthenon. De metopen van het Parthenon zijn 1.34 m. hoog en wat het formaat betreft zou onze kop van een van deze metopen afkomstig kunnen zijn: de doorsnee van de nek is bijvoorbeeld precies gelijk aan die van de vrouw op een metoop waarvan een afgietsel zich op de zolder van het museum bevindt. De oppervlakkige

Ad vraag 2 (vergelijkbare sculptuur). Het volle, zware gezicht met de diepe schaduwen om het oog doen denken aan het beeldhouwwerk van het Parthenon. Vergelijkbaar in stijl is bijv. de Iris van het Oost-fries, maar deze is uitgevoerd in zeer ondiep reliëf (afb. 6). De scherpe lijn die de haren scheidt van voorhoofd en slapen is ook te zien bij het beroemde hoofd van Hera uit Argos, ca. 420 v. Chr. (afb. 7-8); bij deze kop, die stamt uit de Argivische beeldhouwschool, zijn de oogschaduwen, de oogleden en de wangen minder sterk geaccentueerd, het gezicht is een ietsje smaller, en het haar is op levendiger wijze gegolfd. Een deel van het haar was bij onze kop boven op het hoofd samengenomen; dit vindt men reeds ca. 435 v. Chr. bij een bronzen Nike, vermoedelijk een van de beroemde Nikai die geheel met goud- en zilverblad bekleed werden en zo dienst deden als geldkas van de Atheense Zeebond (afb. 9). Natuurlijk is het haar bij bronzen beelden op geheel andere wijze gestyleerd: de lokken liggen bijna los van elkaar. Dit is ook te zien bij de Romeinse copie van de kop van een van de beroemde bronzen Amazones (afb. 10; origineel ca. 440 v. Chr.) waar de lokken losjes over en onder elkaar doorlopen. De oogleden en wenkbrauwen zijn veel scherper bij deze copie dan bij ons fragment, en het gezicht is slanker, maar dit alles is misschien alleen te wijten aan het feit dat het origineel van brons was. De rest van het haar van ons fragment werd waarschijnlijk samengebracht in de nek en hing daar - gesteld dat ook de achterzijde van de kop volledig was uitgewerkt (verg. afb. 4) - in een dikke, losse haannassa op de rug, zoals ook bij de Hera van Argos (afb. 7-8) en bij de karyatiden van het Erechtheion. De vergelijking met de koppen van de karyatiden is interessant: de bezoeker van het museum kan dit zelf nagaan, want afgietsels van twee van deze beroemde

afb. 6 fris, Oostfr1esParthenon (uit Fr. Brommer, Parthenon Fries,pl. 174).

11


afb. 7

Hera van Argos (Athene, NM 1571).

beelden staan op de tweede verdieping bij de ingang van de tentoonstellingsruimte. Deze beelden zijn waarschijnlijk gemaakt tussen 420 en 415; de gezichten zijn opvallend ouderwets, zwaar en breed, maar toch iets minder streng en afwerend dan onze kop. Ad vraag 3 (de datering). De juiste datering moet liggen tussen 450 en 420 v. Chr. De zware ernst en de diepe schaduwen van de ogen wijzen eerder op een vroege datering, evenals de simpele golfjes in de haren; een datering ten tijde van de reliëfs op de buitenkant van het Parthenon (de metopen) lijkt aangewezen (446-441 v. Chr.). Helaas bestaat er geen enkele vrouwenkop van deze metopen: hoewel er veel sculpturen van het

afb. 9

12

Nike (Athene, Agora B JO uit Agora 14, pl. 98).

afb. 8

Hera van Argos (gipsafgietselA.P.M .)

Parthenon bewaard zijn gebleven, zijn vooral de hoof den ten prooi gevallen aan anti-iconisch religieus fanatisme en natuurlijk zijn vervolgens de brokstukken aan de kalkovens gevoerd. Bovendien is enorme schade aangericht door een kruitexplosie bij een bombardement in 1687. Gelukkig bestaan ertekeningen van vóór die tijd (afb. 11) en gelukkig liet, omstreeks 1800, Elgin afgietsels maken van sommige sculpturen die hij niet naar Engeland kon meenemen. Hóe gelukkig dit is blijkt uit een afgietsel van een van de mooiste groepen van het fries van het Parthenon, op de zolder van het museum, waarop nog het hoofd staat dat op de tempel thans ontbreekt: dit hoofd is dus uitsluitend bewaard dankzij Lord Elgin en dan alleen nog maar als een afgietsel2. Dat in de voorafgaande regels zoveel gezegd wordt over het Parthenon heeft als reden dat het niet volstrekt uitgesloten lijkt dat de nieuwe kop van afb. 1-3 afkomstig zou zijn van een van de metopen zoals die in tekening bewaard zijn, bijv. afb. 11 (getekend door Carrey vóór 1687). Wellicht heeft een enkele lezer zich afgevraagd of de kop niet kan stammen van een van de welbekende Attische grafreliëfs; dit is echter niet mogelijk om verschillende redenen. Diep-uitgehouwen reliëf werd voor deze particuliere monumenten nog niet in de vijfde eeuw gebruikt en het strenge uiterlijk van onze kop sluit een datering in de vierde eeuw uit. Bovendien is de qualiteit van onze kop van dien aard dat geen enkel particulier monument er mee vergeleken kan worden. Het is duidelijk dat verdere studie nog belangwekkende resultaten kan opleveren, een taak die in eerste instantie door een student zal worden verricht.

afb. JO

Kop van Amazone, Rome, P.d. Conservatori.

Wel bevoorrecht, zo mag men zeggen, zijn de studenten die zulke uitzonderlijke, historisch belangrijke en artistiek voortreffelijke scriptie opdrachten krijgen - ook al zal niet iedereen, bij de eerste aanblik van dit fragment, dit enthousiasme volledig kunnen delen. J.M. Hemelrijk Met bijdrage van Janneke Cok-Escher. Noten: 1) prof . Thuri Lorenz , bekend bij de leden van de Vereniging door de lezing die hij op 18 oktober 1983 heeft gehouden, heeft o.a. over Polycletus geschreven en over antieke portretten . 2) Er wordt ten onrechte uitsluitend kwaad gesproken van Lord Elgin, zelfs door zijn tijdgenoot Lord Byron, de grootste philhelleen aller tijden (die overigens elders in dit blad ter sprake komt ): quod non fecerunt Gothi , fecerunt Scoti ("wat de Goth en niet gedaan hebben [n.l. aan verwoesting] hebben de Schotten nu gedaan" ; want Elgin was een Schot ).

afb. 11

Metoop van Parthenon, tekening van Carrey v an vóór 1687.


Een terugblik op Constant Willem Lunsingh Scheurleer en zijn museum te 's-Gravenhage

Met de opening van deze tentoonstelling herdenken wij het feit, dat het dit jaar een halve eeuw geleden is dat het Allard Pierson Museum als instelling van de Amsterdamse Universiteit werd geopend. Met de stichting van dit nieuwe museum sloot men in feite aan bij een oude traditie, gevestigd door de grote verzamelaars in deze stad, die zeker al tot in de zeventiende eeuw teruggaat. Wij denken hierbij in de eerste plaats aan de collectie van de gebr. Reynst, kooplieden in grote stijl, met een bloeiende vestiging in Venetië. De verzameling bestond uit Italiaanse schilderijen, een groot aantal marmeren beelden en antieke voorwerpen van kleiner formaat. Wat later bracht de Amsterdammer Jacob de Wilde een kabinet antieke munten en penningen bijeen. Ook bezat hij een collectie kleine bronzen. Het is daarbij in ons verband minder van belang dat eerst later gebleken is, dat veel van deze bronzen, die hij in een fraai geïllustreerde catalogus publiceerde, in werkelijkheid uit de zestiende eeuw dateerden. Voor de Wilde waren zij getuigen van de zo bewonderde klassieke wereld en als zodanig werden zij door hem beschreven en aan alle belangstellenden vertoond. Parallel met deze verzamelaarsactiviteiten liepen de grote publicaties, zoals de reisbeschrijving van de Haagse schilder Cornelis de Bruyn, die Rome bezocht en vervolgens Klein-Azië, de Griekse archipel, Syrië en Palestina bereisde. Van

zijn reis gaf hij een rijk geïllustreerd verslag uit, dat in 1698 het licht zag. Kort hierop verscheen ook het in folioformaat, nog door Joan Blaeu opgezette en nu door Mortier uitgegeven stedeboek van Italië, dat met een reeks briljante gravures een groots beeld gaf van de antieke monumenten van Rome en andere Italiaanse steden. Het vormde in zekere zin een voorafspiegeling van de werken die in de tweede helft van de achttiende eeuw werden uitgegeven, toen opnieuw een golf van geestdrift voor de antieken Europa overspoelde. Inmiddels was de Leidse Universiteit verrijkt met het legaat van Gerard van Papenbroek, dat marmeren Griekse en Romeinse beeldhouwwerken, ten dele afkomstig van de collectie Reynst, omvatte. Daar ontstond ook een Academisch Penningkabinet, terwijl al in het begin van de zeventiende eeuw in de Leidse Anatomie, het eerste openbare museum in ons land, enige Egyptische mummies en beeldjes waren opgenomen. Met deze bestanddelen als uitgangspunt werd door koning Willem I in 1818 in Leiden het Rijksmuseum van Oudheden gesticht. Met de eminente archeoloog, de Leidse hoogleraar J.C.J. Reuvens als eerste directeur en dankzij de vooruit ziende blik van de koning kon het museum in enige decenniën zozeer worden uitgebreid, dat zijn internationale betekenis al spoedig gevestigd was. Tegen het historische perspectief van

deze ontwikkelingen, waarvan ik hier slechts enkele hoofdlijnen kan aangeven, moet men ook de activiteiten zien van mijn vader, Constant Willem, wiens verzamelingen een integrerend deel van het Allard Pierson Museum vormen. C. W. zoals ik hem nu maar zal noemen, begon vroeg met verzamelen. Een gedrukte catalogus met een uitvoerige historische inleiding en meer dan vijfhonderd beschreven objecten liet hij al in 1909 uitkomen, d.w.z. toen hij ongeveer 28 jaar oud was. Het terrein, dat bestreken werd, was vrij groot en omvatte Egyptische, maar vooral Griekse en Romeinse voorwerpen. De verzameling breidde zich snel uit en het was duidelijk, dat er ruimte nodig was voor de plaatsing van zoveel zaken. Daarbij kwam nog, dat C.W.'s aandacht vanaf een vroeg stadium gericht was op de wetenschappelijke bewerking van zijn verzameling. Een bibliotheek was daarbij dan ook onmisbaar en ook daarvoor moest plaats gevonden worden. Nu bewoonden wij in Den Haag een huis van middelgrootte, dat voor dit alles feitelijk te klein was. C.W. liet daarom de zolderverdieping verbouwen tot een flinke ruimte, die al gauw de wijdse naam van "het museum" kreeg. In de late middag, als mijn vader van kantoor kwam en ook 's avonds fungeerde het als werkvertrek en zitkamer tegelijk. Geen foto is daarvan bewaard, maar ik zal het in het kort beschrijven, zoals het in mijn geheugen gegrift staat. In het midden van de kamer stond mijn vaders schrijfbureau. Daar lagen altijd stapels boeken op, waar hij juist mee bezig was en blanco foliovellen schrijfpapier, die hij in snel tempo met zijn gelijkmatig handschrift van boven tot onder vulde. In de hoge rechterlade van zijn bureau had het kaartsysteem van de verzameling zijn plaats. De kaarten hadden verschillende kleuren en in de linker bovenhoek was een fotootje van ieder object geplakt. Alle kaarten beschreef C. W. zelf met zijn steeds weer vloeiende zwarte vulpen met gouden pen. Het was karakteristiek voor zijn zakelijke, systematische aanpak. Aan de wand tegenover het bureau was de schoorsteen, waaronder een potkacheltje dat in de winter de ruimte verwarmde. Op de schoorsteen hing een ingelijste grote reproductie van het Hegesoreliëf in Athene, waar C. W. een groot zwak voor had. Op de schoorsteenmantel stonden een Egyptische portretkop en een terracotta ter weerszijden van een Empire klok. Bij de schoorsteen zat mijn moeder, die meestal las of handwerkte. Haar stoel was van mahoniehout in neo-achttiende- eeuwse stijl en afkomstig van mijn vaders moeder, die stierf, toen hij nog maar negen jaar oud 13


was en waarvoor hij gedurende zijn hele leven de diepste genegenheid heeft gevoeld. Aan de andere kant van de schoorsteen een grote, met leer overtrokken, armstoel voor de gasten. In de kamer aan deze zijde een canapé, die mijn vader naar een Grieks model had laten maken en waarop hij versieringen liet aanbrengen van dierfiguren in ebbenhout, ontleend aan een vaas in zijn collectie. De andere helft van de kamer was ingenomen door een Bechstein vleugel, zwart glanzend, met de klep over de toetsen vaak geopend, want mijn vader was een geestdriftig pianist met veel muzikaliteit, die bovendien van talloze opera's de gehele handeling tot in de details kende. Zo vertelde hij ons veel over de opera's van Wagner en liet daarbij op de piano de talrijke thema's, karakteristiek voor de voornaamste rollen weerklinken. Mijn ruim een jaar jongere broer en ik gingen wel op raad van mijn vader onder de vleugel liggen, terwijl hij dan speelde. Het was indrukwekkend het grote gevaarte van de vleugel boven je te zien, maar of wij er beter door hoorden betwijfelde ik. De kamer had bovenlicht, zodat de vier wanden beschikbaar waren voor de collectie en de bibliotheek. Daar stonden in vitrines tegen de muren de terracotta's, de bronzen en de vazen. Grote stukken stonden op voetstukken tussen de vitrines. Zo bijvoorbeeld aan de korte wand bij de vleugel het anthropoïde deksel van een sarcofaag, dat toen in een vitrine rechtop tegen de muur geplaatst was en dat ik mij van mijn prilste jeugd af herinner. Onder de vitrines was ruimte voor de bibliotheek, die zijn voortzetting op de gang vond, waar nog twee boekenkasten hun plaats hadden gekregen. Zo ongeveer was de verzameling gehuisvest vanaf 1913, dus omstreeks zeventig jaar geleden. Daar kwam na de eerste wereldoorlog grote verandering in. Bij de vele archeologen, die mijn vader regelmatig ontving, bevond zich ook V on Bissing. Dat was een heer van betekenis, wiens naam met titels luidde: Prof. Dr. F.W. Freiherr von Bissing. Toen hij in die tijd bij ons kwam, was hij een man van achter in de veertig. Hij stierf 83 jaar oud in 1956. Hij droeg in mijn ogen nogal slobberige pakken. Zijn haar had een onbestemde scheiding en onder zijn neus wapperde een vervaarlijke snor. Tijdens zijn bezoeken sprak hij vrijwel onafgebroken, waarbij hij tussen de zinnen door een wonderlijk zwaar keelgeluid liet horen. Von Bissing was volgens mijn vader "woestknap". In zijn gesprekken toonde Von Bissing zijn verbluffende en veelzijdige kennis op alle gebieden van de geschiedenis en kunst . Daar C. W. ook zeer geïnteresseerd was in de actuele politiek en juist in deze tijd de Duitse keizer was afgetreden, vroeg hij hem ook naar diens lotgevallen. Een stortvloed van informatie over het voormalige keizerlijk huis volgde dan. Maar datzelfde was het geval, als men het over Thutmosis III , Amenophis IV of een andere historische vorst had. Het leek wel 14

of hij deze allen de vorige week nog in hun paleis ontmoet had en toen persoonlijk van hun plannen en motiveringen in kennis was gesteld. Er lagen op mijn vaders bureau wel overdrukken van V on Bissing's artikelen met voorin in zijn typisch handschrift een opdracht. Zij muntten uit door het gebruik van lange zinnen met veel adjectieven en leken mij bepaald geen boeiende lectuur. Pas veel later besefte ik, dat V on Bissing in de Egyptologie een man van groot gezag en internationale betekenis was. Maar hij sprak en schreef niet alleen veel, hij had zich voor de oorlog ook ontwikkeld tot een verzamelaar van grote allure. De voor Duitsland noodlottige afloop van de eerste wereldoorlog dwong hem zijn collectie te verkopen en hij bood deze aan mijn vader aan. C.W., die doordrongen was van het grote belang van deze verzameling, was er veel aan gelegen de overname te realiseren. Door middel van een betaling in termijnen kwam deze tot stand. De verzameling omvatte niet alleen een rijk geschakeerd geheel op het gebied van de Egyptische kunst, maar was ook voorzien van zeer fraaie kleinere stukken uit de Hellenistische tijd. Zijn verzameling sloot dan ook prachtig aan bij die van C.W. Daar diens collectie inmiddels sterk uitgebreid was, moest nu eerst recht naar een geheel nieuwe behuizing worden omgezien. Met de Haagse architect Van Duyne werd toen door C. W. een plan voor een complex ontworpen, dat uit twee woningen bestond met daarachter ongeveer een dozijn museumzalen, die met aansluitende kabinetten rond een centrale binnenplaats waren gegroepeerd. Het zorgvuldig ingedeelde museum werd in 1924 geopend, maar was een kort leven beschoren. De algemene crisis, die eerst in Amerika, maar daarna ook in ons land hard aankwam, was er de oorzaak van dat de bankiersfirma, waarvan mijn vader firmant was, in 1932 zijn deuren moest sluiten. Het lot van de verzamelingen werd nu geheel onzeker. Dankzij de van vele zijden geboden financiële steun, zoals van de Vereniging Rembrandt en niet het minst van de Allard Pierson Stichting, kort tevoren in het leven geroepen door zijn zoon Jan Lodewijk, kon de verzameling van C.W. en een belangrijk deel van die van V on Bissing worden verworven, ter plaatsing in een nieuw museum dat de naam Allard Pierson Museum kreeg en onder beheer kwam van de Universiteit van Amsterdam. C. W. werd in 1936 benoemd tot bijzonder hoogleraar in de Griekse Archeologie aan de Universiteit van Leiden. Met de inzet van zijn gehele persoon wist hij zijn geestdrift voor de cultuur van de Oudheid op zijn studenten over te brengen. Nu na zoveel jaren getuigen zij daar nog van. Intussen was C. W. 's gezondheid door de loop der gebeurtenissen toch zwaar aangetast en in 1941 stierf hij, nog maar 59 jaar oud, aan een niervergiftiging.

In ons land sloeg men al in de zeventiende eeuw de kunstwerken der ouden hoog aan. Men zag ze als voorbeeld voor de eigen tijd en als bron van kennis van de antieke geschiedenis. Het titelblad, dat de monumentale uitgave van de beeldhouwwerken van de gebroeders Reynst siert, brengt de waarde die men er aan hechtte in beeld. Gerard de Lairesse toont er, zoals Anne-Marie Logan uiteenzette, hoe Vader Tijd, die zich gereed maakt beelden te vernietigen, daarin verhinderd wordt door de allegorische figuur van de Prudentia. Een prachtig beeld, want de Prudentia heeft, volgens Ripa, het vermogen het verleden te beoordelen, orde te brengen in het heden en de toekomst te voorzien. Ook voor Rubens, eveneens een belangrijk verzamelaar van antieke kunst, moet deze duidelijk een educatieve waarde gehad hebben. Op het anonieme schilderij, nu in Leningrad, dat hem met zijn zoon Albertus weergeeft, is op de achtergrond de Romeinse replica van Hekate Triformis uit zijn collectie te zien. Deze Hekate, ook wel met de Drie Gratiën vereenzelvigd, moet, zoals Basset aannemelijk maakte, als een toespeling op het opvoedigkundige element gezien worden. Jacob de Wilde gaf van zijn verzamelingen catalogi uit en onderstreepte in de inleiding met nadruk de "Utilitas Publica". Ook bij C.W., overigens zeker nog niet op de hoogte met zulke pas in recente tijd naar voren gebrachte zeventiende eeuwse motiveringen, leefde sterk de gedachte van de educatieve waarde van de klassieke kunst. Hij stond op het standpunt, dat iedereen, die met kunst te maken had wel vroeg of laat met de antieke en voor hem in het bijzonder met de Griekse wereld in contact zou komen. Onderzoek en opleiding waren voor hem uitgangspunten, die het mogelijk moesten maken ook in brede kring voor deze wereld belangstelling te kweken. In dit jubeljaar, mijnheer de directeur, hebben wij achter elkaar de tentoonstellingen "Drank, Drama, Dood, Dionysus" en "Echt Vals", als bijdragen uit de studentenwereld in uw museum te zien gekregen. In het voorjaar volgde een congres over Griekse vazen, als bijdrage van de wetenschap. De tentoonstelling, die nu geopend zal worden en die door uw museum in het bijzonder voor het grote publiek is bestemd, sluit voor dit jaar de rij der activiteiten af. Daarmee hebt u met uw staf het Allard Pierson Museum een waardige plaats temidden van de zusterinstellingen weten te geven. Maar u hebt meer gedaan, want op deze wijze hebt u de nagedachtenis van C. W., die zijn leven lang met hart en ziel naar zo'n ontwikkeling heeft gestreefd, op voortreffelijke wijze geëerd. Ik wens u dan ook toe, dat de tentoonstelling "Eender en Anders" een succes zal worden en zal bijdragen aan de verwerkelijking van de ideeën, die u en uw staf zowel als C. W. voor ogen stonden. Th.H. Lunsingh Scheurleer


De Vereniging van Vrienden en de collecties van het Museum

In de loop van haar bestaan heeft de Vereniging van Vrienden in belangrijke mate direct tot de collecties van het museum bijgedragen, door de aankoop van een dertiental (kunst)voorwerpen van archeologisch belang financieel mogelijk te maken. Vooral in de jaren 1977-1980 was de aktiviteit op dit terrein groot. Hierbij ging het om voorwerpen uit vrijwel alle culturen die in het museum vertegenwoordigd zijn, uit Egypte, Iran, Etrurië, Griekenland en Rome. De Griekse voortijd won vooral ook aan volume door de aankoop van een laatMinoïsche sarcophaag of larnax (13), die door de restauratrice van het museum op kundige en verantwoorde wijze uit brokstukken werd opgebouwd. De Atheense vazen werden verrijkt met een aardige pelike, roodfigurig, met voorstelling van een thuiskerende feestganger en diens vrouw (5) en met een fraai gevormde zwartfigurige amfoor (11). De verzameling laat-Egyptische kunst werd uitgebreid met een kralen mummiebekleding (1), samen met een kalkstenen mannenhoofd (2) en een architectonisch reliëffragment (3) behorend tot de allereerste aankopen van de Vereniging. Hiermee bevinden we ons reeds in de Romeinse tijd. Uit Romeins Noord-Afrika is ook de wijnkan met plastische tuit in de vorm van een vrouwenhoofd afkomstig (10). Ook andere delen van het Romeinse Rijk zijn door belangrijke aanwinsten vertegenwoordigd; zo een groot sarcophaagfragment met maskers (12), eroten en victoria's uit Klein-Azië en, nog later en nog oostelijker, een mozaiekfragment uit Romeins Syrië (9). Uit dezelfde streek maar uit veel vroegere tijd komt de bronzen rand van een offervaas waarop een uraeusslang, een

2

3

en vormgeving indruk maken . Vrijwel steeds waren het medewerkers van Museum en Instituut die de voorwerpen selecteerden. Bij die selectie zijn ook de overwegingen van de ter zake kundige bestuurders van de Vereniging uiteraard van groot gewicht. Wat tot nu toe, ook op het gebied van aanwinsten, bereikt werd stemt tot verheugenis. H.E. Frenkel.

Enkele nadere gegevens omtrent de aangekochte voorwerpen. Verwezen wordt naar publicaties in het Mededelingenblad van de Vereniging en, voorzover die publicatie niet heeft plaatsgevonden, naar de catalogus van aanwinsten "Gezicht van de Oudheid", 1982.

1

krijgsman, een boom en een geit zijn gemonteerd (6). Dit merkwaardige object zal niet ieder van u voor de geest staan en het is gedurende de jubileumtentoonstelling over Egypte ook niet te bezichtigen. Evenmin zal dat het geval zijn met de wetsteen uit Luristan met handvat in de vorm van een bronzen steenbok-protoom (7). Tenslotte is het voor-Romeinse Italië vertegenwoordigd door een Villanova asurn met deksel en as (8) en door een allerliefst Etruskisch wikkelkind, een wijgeschenk van terracotta (4). Onder deze belangrijke bijdragen bevinden zich enkele bescheiden voorwerpen die daarom niet minder interessant zijn en aanleiding kunnen geven tot studie; over het algemeen zijn het echter voorwerpen die door omvang

1 1970 inv .nr. 8519 en 8526 - 8527 Mummiebekleding, kralen. Egypte 3e-le eeuw v. Chr. Mededelingenblad nr. 1, dec. '70 2 1970 inv.nr. 8517 Mannenkop, kalksteen. Egypte 3e eeuw n. Chr. Mededelingenblad nr . 1, dec. '70 3 1970 inv.nr. 8515 Reliëffragment, kalksteen. Egypte 3e eeuw v. Chr. Mededelingenblad nr. 1, dec. '70 4 1974 inv.nr. 8900 Wikkelkind, terracotta. Etrurië 3e-2e eeuw v. Chr. Mededelingenblad nr. 10, juli '75 5 1975 inv.nr. 8921 Pelike, aardewerk. Athene 460 v. Chr. Mededelingenblad nr. 30, mrt . '84 6 1977 inv.nr. 9368 Rand offervaas, brons. Syrië 9e-7e eeuw v. Chr. Niet gepubliceerd.

4

15


5

7 1977 inv .nr. 9411 Wetsteen, steen en brons. Iran (Luristan) lOe eeuw v. Chr. Niet gepubliceerd. vgl. Catal. Gent 1982p. 119,199. 8 1977 inv.nr.9419 Asurn, aardewerk. Noord-Italië 8e eeuw v. Chr. Niet gepubliceerd. 9 1977 inv.nr. 9850 Mozaiekfragment. Syrië 4e-5e eeuw n. Chr. Mededelingenblad nr. 15, juli '78 10 1979 inv.nr. 10167 Wijnkan (Lagynos), aardewerk. Noord-Afrika 300 n. Chr. Catalogus "Gezicht van de Oudheid" 1982 p. 72 nr. 95. 11 1979 inv .nr. 10171 Amfoor, aardewerk. Athene 530 v. Chr. Mededelingenblad nr. 29, dec. '83 12 1980 inv.nr. 10194 Sarkofaagfragment, marmer. Klein-Azië 3e eeuw n. Chr. Mededelingenblad nr. 19, mei '80 13 1980 inv.nr. 10458 Larnax, terracotta. Kreta 12e eeuw v. Chr. Mededelingenblad nr. 25, okt. '82 Catalogus "Gezicht van de Oudheid" 1982p. 33 nr. 24.

6

11

7

8

12

10 16

9

13


JACQUES SCHULMAN B.V. 36e Oude Kunst- en Antiekbeurs, Delft Stand 11, 17 oktober - 4 november 1984

Tarente Terracotta van naakte jongeman Se eeuw v. Chr. Hoogte 26,6 cm

Verkooplijsten archaeologie gratis op aanvraag.

Keizersgracht 448

AMSTERDAM

Tel. (020) 23 33 80


APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 31  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 31  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

Advertisement