Page 1

V. ~.cz_9G o MEDEDELINGENBLAD

Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum opger icht 20 juni 1969

nr . 26, december 1982

....

Een Oudassyrische rechtsoorkonde uit de tijd van Samsi-Adad I in het Allard Pierson Museum Door K. R. Veenhof

Tot de kleine verzameling spijkerschriftteksten van het Allard Pierson Museum behoort ook het tablet APM 9220, aan het museum geschonken door de heer W. A. van Leer, die het destijds door koop in het Nabije Oosten had verworven . Het is een buitengewoon interessant document , dat ik kortgeleden, met toestemming van de directeur van het Museum, in een assyriologische vakpublicatie heb bewerkt 1). Graag geef ik gevolg aan het verzoek van de redactie om via een bijdrage in het Mededelingenblad ook de Vrienden van het Museum te informeren over de inhoud en betekenis van deze bijzondere tekst. Het bijzondere zit hem alleerst in de herkomst van het tablet.

Het moet geschreven zijn in het oude Assyrië, vermoedelijk aan het begin van de 18e eeuw v. Chr., tijdens de regering van koning Samsi-Adad I. Hoewel we van deze vorst veel weten zijn geschreven bronnen uit Assyrië zelf in die tijd uiterst schaars ; vooral rechtsoorkonden , die inzicht geven in het sociale leven, ontbreken vrijwel geheel. Ook naar inhoud en taal is de tekst opmerkelijk , met enkele tot dusverre onbekende, originele formuleringen, en duidelijke sporen van toenemende Babylonische invloed . Tenslotte is het vermelden waard dat het tablet van zegelafrollingen is voorzien , waarvan er in ieder geval één een ongebruikelijke voorstelling te zien geeft van een strijdscène met op elkaar aanleggende boogschutters .


De tekst luidt in vertaling als volgt: 1 Etel-pi-Amurrim, zoon van Puhanu , schonk Samas-rabi, zijn dienaar , de vrijheid. 4 Zolang Etel-pi-Amurrim, zijn vader, en Ahatu'a ,6 zijn moeder , leven zal hij hen verzorgen en zich erop toeleggen hun te gehoorzamen. 9 Na (de dood van) Etel-pi-Amurrim, zijn vader, en Ahatu'a, zijn moeder, zal hij 18 iku akkerland in het landbouwdistrict (van) Ababat (en) 1 rund ontvangen. 14 Als Etel-pi-Amurrim hem (weer als slaaf) claimt zal hij 2 mine zilver betalen; 16 en als Samas-rabi Etel-pi-Amurrim en Ahatu'a voor de borst stoot en vertrekt 2 1 zal hij in de haven- en marktplaats waar hij maar ontdekt wordt voor zilver verkocht worden. 23 De eed bij (de goden) Assur (en) Adad en bij koning Samsi-Adad (werd gezworen) , (dat) niemand een claim zal indienen. 26

Ten overstaan van Taribatum, [zoon] van Zu'a; van Susinatum, zoon van Te[ ]; van Etel-pi-Assur , zoon [van ]; van Kununizi [ , zoon van ]; van Belu-bani , de schrijver; van Apapa , zoon van Sin-tajjar. 32 Maand: fa kenati; (jaar)eponiem: Isme-Dagan, zoon van Samsi-Adad. Achterkant beneden: afrolling van zegel 1; bijschift: "[zegelst]een van Kunune[ ]"; Beneden rand : afrotting van zegel 2; bijschrift: "[zegelsteen vJan Susinat[ 11m]"; Linker zijkant: afrolling van zegel 3; bijschrift: "zegel[steen va]n Apapa". De vertaling maakt duidelijk dat het om een geval van vrijlating-en-adoptie gaat, ookal wordt de term "slaaf' niet gebmikt (de tekst spreekt van "dienaar , (jonge) knecht") , en wordt de adoptie niet expliciet vermeld; deze is af te leiden uit het gebruik van de termen "zijn vader" en "zijn moeder". De "vrijlating" wordt uitgedrukt met de terminus technicus "het voorhoofd reinigen", wel een aanduiding van een ceremoniĂŤle handeling, waarbij het voorhoofd van een slaaf werd gezalfd, ten teken van het verkrijgen van een nieuwe status en het annuleren van aanspraken die men op hem zou maken.

APM

Adoptie 2) was in het oude Me opotamiĂŤ niet zeldzaam , zoal valt af te leiden uit de vele adoptiecontracten die aan het licht gekomen zijn. We kennen ze met name uit de Oudbabylonische periode , toen de (gegoede) burgers hun particuliere rechtshandelingen oorkondelijk lieten vastleggen, vooral die waarbij rechten en eigendommen in geding waren. Adoptie is zo'n rechtshandeling en daarom werden de desbetreffende contracten zorgvuldig in de archieven bewaard, ook door erfgenamen van een latere generatie 3). Adoptieoorkonden uit de Oudassyrische tijd waren tot dusverrre onbekend , een gevolg van het feit dat de Duitse opgravingen in Assur de woonhuizen (met familiearchiev en) uit deze periode (20e-18e eeuw v. Chr.) niet hebben bereikt. Wel kennen we enkele adoptiecontracten uit de jongere Middelassyrische tijd (ca. 15e-12e eeuw v. Chr.), waarbij in twee gevallen een blijkbaar kinderloze oom zijn neef adopteert (om zo het te vererven bezit in de familie te houden?)4). Een derde tekst (KAJ no. 2) betreft de adoptie van een zelfstandig meisje ("arrogatie") , dat door de adoptief-vader tegen een bruidsprijs uitgehuwelijkt kan worden; een vierde (KAJ no. 3) de adoptie van een zelfstandig meisje door een vrouw , vermoedelijk i.v.m. de naderende oude dag. Personen van verschillende leeftijd en status werden geadopteerd. Vaak waren het baby's , door de ouders (moeder) opgegeven of te vondeling gelegd; vaak ook jonge kinderen door de ouders ter adoptie aangeboden (waarbij ze soms een onkostenvergoeding ontvingen voor het grootbrengen van het kind). Ook adoptie van zelfstandige volwassenen komt voor. In ons geval betreft het , zoals vaker, de adoptie van een (huis)slaaf. In zo'n geval ging de adoptie gepaard met een formele vrijlating , omdat de status van zoon en slaaf onverenigbaar waren. We kennen verschillende contracten waarin beide rechtshandelingen expliciet worden vermeld. Soms is dat niet het geval, en krijgt de vrijlating de volle nadruk , waarbij dan uit de terminologie van het contract kan worden afgeleid dat er ook sprake was van adoptie. Onze tekst is hiervan een voorbeeld.

9220

0.

...,

5

25

~ <:)

' .,,

.., "

10

~ -Il

.f '

"'t

" "' 15

35


Het doel van adoptie was meestal het ondervangen van kinderloosheid, al zijn er enkele gevallen van adoptie door ouders met kinderen. Lang juridische weg wilde men een "zoon" verkrijgen, die de taken zou kunnen vervullen van verzorging tijdens de oude dag, een fatsoenlijke begrafenis, en regelmatige dodenoffers. Enkele adoptiecontracten uit Nuzi ( l 5e eeuw v. Chr.) stipuleren uitdrukkelijk dat de geadopteerde de taak heeft zijn adoptief-ouders na hun dood te bewenen en te begraven 5) . Dat de adoptief-ouders normaliter kinderloos waren blijkt uit het herhaaldelijk voorkomen van bepalingen betreffende de rang en erfrechten van eventuele eigen zonen, die nog geboren zouden kunnen worden. [n contracten uit de Oudbabylonische tijd (ook in een fraaie tekst uit Mari) treft men dan het respectabele standpunt aan dat de geadopteerde zoon de oudste rechten zal behouden, als eerste erfgenaam, "ookal krijgen zo nog tien (eigen) zonen". [n latere perioden (Middelassyrisch, Nuzi) wordt vaak contractueel va tgelegd dat latere eigen zonen toch voorrang krijgen. Vgl. in het Oude Testament de problemen inzake de positie van Izak t.o.v. I maël, waarbij Sara met goddelijke goedkeuring, maar tot grote verontwaardiging van Abraham, [smaël van zijn erfrecht Gen. 21:10 - wil beroven ten voordele van de later geboren, eigen zoon Izak. Tegenover de rechten die de adoptief-zoon ontvangt staan plichten: zoals in vrijwel alle perioden waaruit we Mesopotamische oorkonden bezitten houden die in verzorging van en gehoorzaamheid jegens de adoptief-ouders. De essentie van deze verplichting wordt in verschillende perioden of dialecten soms verschillend onder woorden gebracht, en men vindt ook termen als "eer bewijzen", "tevreden stellen", "ten dienste staan". De werkwoorden in onze tek t zijn interessant, omdat we ze enkele eeuwen later regelmatig tegenkomen in de Middelassyrische contracten (zelfs met de zinswending "zich erop toeleggen te ..."), waaruit blijkt dat dit van de Babylonische terminologie afwijkende spraakgebruik reeds vroeg in Assyrië in zwang was. Door de schaarste aan Ouda yrische rechtsoorkonden is de voorgeschiedenis van de specifiek Assyrische terminologie vaak onbekend. Onze tekst verschaft op dit punt enkele waardevolle gegevens, en maakt het begrijpelijker dat een nauw verwante terminologie ook reeds in vroege oorkonden uit Susa (ca. 18e eeuw v. Chr.) en uzi (ca. 15e eeuw v. Chr.) voorkomt. De verplichtingen van de adoptief zoon worden in onze tekst in een zelfstandige zin verwoord, en gevolgd door de constatering (r. 9v.) dat hij na de dood van zijn "ouders" bezittingen zal ontvangen. aar de zin is het duidelijk dat laatstgenoemde "beloning" de consequentie is van het nakomen van zijn verplichtingen. In verschillende Oudbabylonische oorkonden worden beide clausules dan ook onder chikkend aan elkaar verbonden, waarbij we de voorzin conditioneel mogen opvatten; "als hij ... , dan zal hij ...". De status en rechten van de geadopteerde slaaf staan de jure vast: vrijheid en erfrecht, maar zijn de facto, zolang zijn ouders leven , beperkt. Hij blijft gehoorzaamheid en dienst verschuldigd en zijn recht op de erfenis wordt pas na hun dood gerealiseerd. In onze tekst wordt dat, opnieuw, meer geimpliceerd dan uitdrukkelijk gezegd. Sommige Oudbabylonische adoptieoorkonden zijn op dat punt duidelijker. Er zijn gevallen waarin tot ongehuwd zijn en kinderloosheid verplichte religieuzen meisjes als universeel erfgename adopteren, met recht op alle bezit, dat de adoptante echter, zolang zij leeft, "in eigen hand houdt". Een andere vorm, die we ook bij deze dames aantreffen, maar die niet noodzakelijk tot dit type adopties beperkt behoeft te zijn, is die waarbij de geadopteerde blijkbaar direct de facto bezitsrechten krijgt, maar de materiële

verzorging, waarop de adoptante levenslang kan rekenen, als een oort lijfrente, nauwkeurig wordt vastgesteld (hoeveelheden graan, wol, olie, bier, vlees). Hoe de erfrechtelijke positie van Samas-rabi in onze tekst was is onduidelijk: wat hij later ontvangt wordt precies omschreven (ca. 6,5 ha. land en een os), en dit suggereert dat dit een deel van het vermogen van zijn ouders was. Betekent dit dat er nog andere erfgenamen waren, naaste familie (broers) of zelfs kinderen? Onze tekst bevat, zoals de meeste adoptiecontracten, sancties tegen contractbreuk. Oudbabylonische en vele latere contracten gebruiken hierbij vaste frasen en geijkte formules, die vermoedelijk bij zulke gelegenheden gesproken werden, al of niet begeleid door ceremoniële handelingen (zoals we ze ook i.v.m. huwelijkssluiting en echtscheiding kennen). Vader en zoon zeggen dan "gij zijt mijn zoon/vader niet (meer)"; de vader "verbeurt have en goed"; de opstandige zoon wordt (door zijn haar op een bepaalde wijze af te scheren) tot slaaf gemaakt en verkocht. Bij geadopteerde en vrijgelaten slaven wordt soms de mogelijkheid onder ogen gezien dat na de dood van de adoptief-vader verwanten, en dus erfgenamen, de voormalige slaaf als zodanig opeisen. Onze tekst is in alle opzichten origineel. Eerst wordt gerekend met de mogelijkheid dat de vader zèlf spijt krijgt en zijn voormalige slaaf weer claimt; daarvoor wordt hij zwaar beboet (met een bedrag dat ca. vijfmaal zo hoog is als de prijs van een slaaf). De zoon worden geen plechtige woorden in de mond gelegd, maar er wordt beschreven hoe hij zijn adoptief-ouders van zich stoot, letterlijk " voor de borst stoot" (een tot dusver onbekend idio0m) en er vandoor gaat. Dan wordt zijn verkoop als slaaf niet zonder meer aangekondigd, maar er rekening mee gehouden dat hij eerst moet worden opgespoord: "waar hij maar in een haven- of marktplaats zal worden ontdekt". De tekst spreekt hier van de karum, "de kade", het havenkwartier aan de rand van of buiten een stad, waar de handel zich afspeelde, met een komen en gaan van personen, ook van vreemdelingen. Onze tekst stipuleert dus wel degelijk de vereiste sancties, maar doet dat in het kader van een realistische beschrijving van wat er mis kan gaan. Zoals gebruikelijk worden de contracten en sancties aanvaard door eedsafleg~ing bij de belangrijkste, lokale goden en bij de koning, Samsi-Adad, die daardoor een rol als garant krijgt toebedeeld. Hij moet erop toezien dat niemand een claim indient, waarmee wel special de vrijgelaten en geadopteerde slaaf tegen aanvallen op zijn status wordt beschermd. Datum en eed van onze tekst verwijzen naar koning Sam· iAdad I, maar een exacte datum is niet te geven. Dat is niet zozeer het gevolg van de onzekerheid inzake zijn jaartallen 6), als wel van de datering via een eponiemaat. Het eponiemaat was een wisselambt, waarvan de bekleder jaarlijks door het lot werd aangewezen; hij gaf zijn naam aan het jaar waarin hij zijn ambt bekleedde. Voor latere perioden hebben we omvangrijke lijsten van eponiemen (voor een bepaalde periode zelfs een te Assur ontdekte reeks stèles van eponiemen). Op grond daarvan kunnnen de latere eponicmaten exact gedateerd worden; een uitvoeriger versie van de eponiemenlijst geeft voor het eponiemaat van 763 v.


Chr. een zonsverduistering op, waardoor een absolute datum verkregen kan worden. Voor onze periode ontbreken dergelijke lijsten en moeten we volstaan met de algemene datering van rond 1800 v. Chr. Ook de plaats van herkomst van ons document is onzeker (de plaats Ababat, r. 12, is verder onbekend). Duidelijk Assyrische trekken (grammatica, woordenschat, eed, datum), die in andere delen van SamsiAdads rijksgebied zo niet voorkomen, wijzen echter op het Assyrische kerngebied. Toch is de tekst niet zuiver Assyrisch; hij bevat duidelijke sporen van Babylonische invloed in schrijfgewoonten (keuze van tekens) en taal. Ons contract is daarom een interessante getuige van het opdringen van Babylonische invloed in Assyrië; des te interessanter omdat die beïnvloeding algemeen met Samsi-Adad verbonden wordt , uit wiens regeringstijd onze tekst nu juist stamt. Samsi-Adad was afkomstig uit Noord-Mesopotamië, vermoedelilk uit het Chabur-gebied, waar ook zijn latere residentie Subat-Enlil ("Woonstede van Enlil"; de verering van deze Sumerische god kreeg onder zijn regering nieuwe inpulsen; een grote bouwinscriptie van hem beschrijft de bouw van de Enliltempel in Assur), vermoedelijk het huidige Tell Leilän, ligt (opgravingen ter plaatse door een expeditie van de Yale University brengen archeologische en epigrafische vondsten uit zijn tijd aan het licht). Zijn vader was de Amoriet Ilakabkabuhu, "Zijn ster is El", die heerste over een rijkje ten noorden van Mari aan de Eufraat. Samsi-Adad was zijn jongere zoon die, vermoedelijk onder de pressie van koning Jahdun-Lim van Mari, naar Babylonië is uitgeweken. Vandaar deed hij , zoals we weten uit een kroniek-achtige notitie in de Assyrische Koninglijst, een succesvolle greep naar de macht over Assur. Eerst v~roverde hij Ekallatum (ca. 25 km. ten noorden van Assur aan de Tigris) , om drie jaar later Assur zelf in te nemen, waarbij Erisum van de troon verdreven werd. In betrekkelijk korte tijd wist hij een groot territorium te onderwerpen, dat zich uits.trekte van Susarrä aan de voet van de Zagros-bergen in het oosten (opgegraven door een Deense expeditie, die in het lokale paleis een archief aantrof waaruit bleek dat Samsi-Adad een tijdlang als souverein werd erkend) tot aan Mari in het westen, waar hij zijn jongere zoon Jasmah~Addu op de troon plaatste 7). Volgens zijn inscripties drong hij door tot de Middellandse Zee. Sporen uit zijn tijd zijn ook aangetroffen in Karanä (Tell Rimah), ten zuiden van de Jebel Sindjar, door de Engelsen opgegraven. Hij verraadt zijn herkomst door het feit dat zijn officiële inscripties niet in het Assyrisch maar in een Babylonisch dialect, dat ook in Mari en NW-Mesopotamië gesproken werd, zijn geschreven. Ook voor zijn rijksadministratie voerde hij deze taal in, zoals talrijke tekstvondsten bevestigen. Zijn naam wordt soms, ook in enkele brieven uit Susarrä , op Amorietische wijze gespeld: Samsi-Addu. Toch heeft hij zich een vaste plaatst onder de Assyrische koningen weten te verwerven. De Assyrische Koninglijst boekt hem niet alleen, maar voert ook zijn voorvaderen op. Wel is duidelijk dat dit een secundaire toevoeging is, aangebracht om zijn legitimiteit te onderstepen. De reeks namen van deze personen "die voorvaderen zijn" (r. 26v.) loopt namelijk van jong naar oud (en begint met SamsiAdads oudere broer Aminu), op de manier van een koninklijke genealogie in een officiële inscriptie ("Ik, A, zoon van B, zoon van C. .." , enz.), terwijl de koningslijsten steeds van oud naar jong gaan. Ook staan deze voorvaderen op een verkeerde plaats, te vroeg, vóór de oudst bekende vorsten van Assur 9). Dat hij een usurpator van elders was wordt nog nadrukkelijk verklaard in een iets jongere Oudassyrische koningsinscriptie van Puzur-Sin (die zich geen plaats in de Koningslijst heeft weten te verwerven!), die van hem spreekt

als van "iemand van vreemde herkomst, geen "vlees" van de stad Assur", en hem verwijt voor zijn paleisbouw daar een tempel afgebroken te hebben . Dat niet minder dan vier latere Assyrische koningen zijn (programmatische) naam kiezen laat zien dat de negatieve reacties spoedig zijn verstomd, overstemd door zijn faam. Onze tekst levert een waardevol bewijs voor zijn autoritair optreden in Assur. Het tot dusver onbekende, in de datum genoemde eponiemaat van "fsme-Dagan, zoon van SamsiAdad", kan moeilijk een ander zijn dan dat van zijn zoon en toekomstige opvolger, die uit de Mari-correspondentie goed bekend is. Dat is de eerste en voor het einde van de 14e eeuw v. Chr. voorlopig enige maal dat een kroonprins eponiem is. Het eponiemaat is door Larsen 10) omschreven als "een belangrijk element in de politiek structuur van de stadstaat (Assur), als vertegenwoordiger van de belangen der voornaamste families. Het functioneerde zelfs (samen met de Stadsvergadering - K.R.V.) als een soort tegenwicht tegen de macht van de koning". Door zijn zoon eponiem te maken doorbrak Samsi-Adad dit machtsevenwicht, terwijl hij tevens heeft moeten ingrijpen in de religieuze ceremonie, waarbij de eponiem door het lot werd aangewezen. Het is een van de maatregelen waardoor hij het bestuur van de stadstaat in autocratische richting omboog, volgens de eisen van een omvangrijke territoriale staat, centraal bestuurd door de dominerende vorst, die als enige Oudassyrische vorst de titel "koning" voerde, en zijn dienaren (waaronder zonen). Onze tekst werpt op deze ingrijpende omschakeling verrassend nieuw licht.

1) "A deed of manusmission and adoption from the later Old Assyrian Period" in: Zikir Sumim. Assyriogical Studies presented to .F. R. Kraus (Leiden, 1982), p. 359 - 385. 2) Vgl. M. David , Die Adoption im a/tbabylonischen Recht (Leipzig, 1927); het aantal bekende adoptiecontrachten is sindsdien belangrijk toegenomen, wat tot veel (tijdschrift)literatuur heeft geleid. 3) Een goed voorbeeld bij D. Charpin, Archives familiales et propriété privée en Babylonie ancienne (Paris/Genève, 1980), hfst. IV, C, p. 72v. 4) Zie H . Fine, Revue d'Assyriologie 46 (1951), p. 205v. 5) S. Stohlman, Real Adoption at Nuzi) (Diss. Brandeis Univ. 1971; Univ. Microfilms 72.18.000), spec. p. 107v. 6) De chronologie van Samsi-Adad is nog niet geheel zeker, omdat de regeringsjaren van zijn voorgangers in Assur grotendeels zijn weggebroken in de Koningslijst. Hij moet zijn gestroven na Hammurabi's !Oe jaar, als hij nog samen met hem in een eedsformule verschijnt. Uitgaande van de in de Koningslijst genoemde 33 jaar, zou zijn regeringstijd kunnen vallen tussen ca. 1815 en 1780 v. Chr. 7) Vgl. M . Anbar, "Le début du règne de Samsi-Addu Ier", in: Jsrael Oriental Studies 3 (1973) plv. 8) Zie J. Laess0e, The Shemshara Tab/ets. A preliminary report (Copenhagen, 1959) en: S. Dalley - C. B. F. Walker J. D . Hawkins , The Old Babylonian Texts from Tell al Rimah (London, 1976). 9) Vgl. F. R. Kraus, Könige die in Ze/ten wohnten. Betrachtungen über den Kern der assyrischen Königs/iste (MKNA W nieuwe reeks 28/II; Amsterdam, 1965). De tekst van de Assyrische Koningslijst is thans gemakkelijk toegankelijk in het art. "Königslisten und Chroniken", in: Rea/lexikon der Assyriologie und vorderasiatischen Archälogie VI/1-2 (Berlin, 1980), p.101-116. 10) M. Trolle Larsen, The Old Assyrian City-State and its Colonies (Copenhagen, 1976), p. 192v.: "The year-eponymy".


Hermes, eens behorende tot een herme, 50-100 na Christus Door J. M. Hemelnjk Overdruk uit verslag over /98/ Van de Vereniging Rembrandt

Een eerbiedwaardig hoofd met lange, fraai krullende baard; het haar is van het voorhoofd naar weerszijden om een hoofdband geslagen en vormt dikke, ronde krullen bij de oren. Twee lange lokken vielen van achter de oren tot op de schouders, maar zijn afgebroken. Het gezicht is strak gemodelleerd, het voorhoofd is nauwelijks gewelfd, de wenkbrauwen zijn horizontaal, de neus (een moderne aanvulling) is veel te strak en kantig uitgevallen, de mond is licht geopend. De ogen zijn ingelegd met een materie die nog niet is onderzocht. Tussen de oogballen en de holten waren bronzen wimpers vastgeklemd, die volledig zijn vergaan en vlekken op de steen hebben veroorzaakt. Een ader loopt verticaal door het marmer, dwars door het linker oog en over de linker wang (hier is het oppervlak gecorrodeerd). De kop is bij de hals afgebroken en vormde oorspronkelijk de bekroning van een z.g. herme (zie beneden). De slecht gevormde, moderne neus maakt het moeilijk zich een juist beeld te vormen van de qualiteit van deze sculptuur, maar de betekenis is niet in de eerste plaats een artistieke doch eerder een historisch-wetenschappelijke. Dit GrieksRomeins type physionomie heeft een grote rol gespeeld in de Europese kunst en heeft uiteindelijk geleid tot de Byzantijnse en Vroeg-Christelijke uitbeelding van heiligen en bijbelse figuren. De kop, die thans eigendom is geworden van het museum, staat reeds sinds de opening van het nieuwe Allard Pierson Museum in 1976 als bruikleen in de opstelling. Daar vormt hij de top van de pyramide van koppen in het centrum van de Romeinse afdeling. Dat hij de bekroning van deze opstelling vormt is niet toevallig: een god met een uitdrukking van indrukwekkende ernst en met prachtig opgemaakt haar en lange, krullende baard was het ideaalbeeld van de Grieken in de 6de en 5de eeuw voor Chr. Dit ideaal vond de hoogste uitdrukking in het kolo sale beeld van Zeus in Olympia door Phidias omstreeks 430 voor Christus in goud en ivoor gemaakt. Maar dit type wa niet tot Zeus beperkt; ook van de god Hermes had men in die tijd een dergelijke voorstelling. Er was bijvoorbeeld op de Acropolis van Athene een beroemde Hermeskop van de beeldhouwer Alkamenes, die door Pausanias in de 2de eeuw na Christus wordt vermeld. Romeinse copieën tonen dat Hermes een "herme" was, d.w.z. de kop bekroonde een vierhoekige pilaar voorzien van een phallus, een vormgeving waarvan noch de oorsprong, noch de betekenis duidelijk is. Dergelijke hermen stonden op hoeken van wegen, pleinen, particuliere terreinen en bij huizen om de begrenzing te markeren en als bescherming van de eigendomsrechten. Ze waren van grote religieuze betekenis en werden heilig geacht: opzettelijke beschadiging kon streng bestraft worden. Vermoedelijk hebben er vele typen van dit soort Hermeshermen in de 5de eeuw bestaan, maar Griekse orginelen zijn zo goed als niet bewaard. De Romeinen waren grote bewonderaars van de Griekse kunst van de Sde eeuw en hadden ook een sterke voorkeur voor de Hermes-herme. Er ontstond een uitgebreide productie van copieën en adaptaties en zo zijn er enige tientallen van vergelijkbare Hermeskoppen bewaard. De Rom einen gebruikten dergelijke hermen in hun tuinen en bibliotheken en ook wel in de arc hitectuur, als versiering in balustraden en dergelijke: de oorspronke lijke religieuze betekenis was kennelijk vergeten.

Onder deze Romeinse hermen kan men een vrij groot aantal typen onderscheiden. Eén daarvan is een nauwkeurige copie en de reeds genoemde Hermes van Alkamenes, de andere zijn waarschijnlijk zonder uitzondering adaptaties van het Griekse ideaaltype zoals men zich dit in de Romeinse tijd graag voorstelde. Dat het Romeinse adaptaties zijn blijkt vooral uit de sierlijke, ongriekse opmaak van het haar. Deze Romeinse typen beïnvloeden elkander onderling en door kruising ontstonden weer niewe typen die op Griekse originelen moesten lijken. Sommige vertonen een sterke familie-gelijkenis en zo kan men trachten deze typen in een soort stamboom onder te brengen om daarmee de onderlinge verhouding te verduidelijken. Dit was de opdracht waaraan zich reeds een student Erik Hermida had gewijd, toen het stuk plotseling door verkoop uit de collectie zou verdwijnen, hetgeen door de steun van mede het Olga Heldring Fonds en van de Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum is voorkomen. Uit de scriptie van Erik Hermida blijkt dat het type waartoe onze Hermes behoort in sommige opzichten steeds weer zeer nauwkeurig gecopieerd werd. Alle voorbeelden hebben zes krullen op de linker, en vijf op de rechter slaap, en ook de vorm van deze krullen is vrijwel teeds dezelfde. Evenzo is de schijnbare willekeur van de krullen in de baard aan traditie gebonden: de baard is vrij lang, bestaat uit drie lagen van lokken en is opzettelijk asymmetrisch geordend. De snor hangt tot in de eerste baardlaag, waar hij naar binnen krult.


In dit alles komen de meeste copieën met elkaar overeen. In andere opzichten vertonen zij echter wel degelijk enige verschillen. Zeer uitzonderlijk is bijvoorbeeld het feit dat de ogen van onze Hermes ingelegd zijn en dat een groot gedeelte hiervan bewaard is. De Grieken waren gewend om in bronzen beelden ogen van andere materialen in te leggen. De oogbal bestond uit marmer, ivoor, glaspasta of een soortgelijk materiaal; de iris en pupil werden met veelal doorzichtige, donkere stoffen ingelegd. Bronsblad met geknipte of uitge neden wimpers werd met de oogbal in de kas vastgeklemd. In de Archaïsche tijd (vóór 480 voor Christus) werden ook in marmeren beelden de ogen wel eens ingelegd (b.v. van bergkristal), maar in latere Griekse marmer-sculptuur werden ogen en wimpers alleen geschilderd; het inleggen van ogen in marmeren beelden kwam pas in Laat Hellenistische tijd weer op (2de eeuw voor Christus). De ogen van onze Hermes zijn van een wit-achtige stof, zonder extra inlegging van iris of pupil, die dus opgeschilderd waren. De inleg diende blijkbaar uitsluitend om de bronzen wimpers op hun plaats te krijgen. Men moet zich voorstellen dat ook de ooghoeken, de neusgaten, de lippen, de baard, het haar en de haarband in

allerlei tinten beschilderd waren. Denken wij ons dit alles in, dat verandert onze thans koele, enigszins academisch lijkende kop in een levendige, indrukwekkende verschijning: met zijn bewimperde blik kijkt hij vermanend, ja bijna bars voor zich uit. Van de lste eeuw voor, tot de 3de eeuw na Christus, en misschien nog wel later, werden dergelijke Hermeskoppen voor de Romeinse burgers gemaakt. Het is onmogeljk onze Hermes nauwkeurig te dateren, maar de boorgaten die hier en daar in het centrum van de baardkrullen zijn gemaakt, doen enigszins naïef aan en moeten stammen uit de tijd vóórdat de boor tot een van de belangrijkste beeldhouwwerktuigen werd. Ook het hoekige koude classicisme van de tijd van Hadrianus schijnt nog niet aangebroken. Een datering in de eerste eeuw na Christus schijnt daarom niet onaannemelijk.

Literatuur: Griekse, Etruskische en Romeinse kunst, Allard Pierson Museum, 1976, p. 34 met afb. 27; Mededelingen Vereniging Vrienden Allard Pierson Museum , 13, 1977 p. 4

Tien Etruskische vazen, een verdwenen stad en "misdadige" opgravingspraktijken Door M. A. G. Ballintijn

In het voorjaar van 1981 werden door Dr. S. Mansholt tien Etruskische vazen aan het Allard Pierson Museum geschonken, die een belangrijke en interessante aanwinst vormen. Ze zijn namelijk allemaal afkomstig uit een zelfde graf, zodat ze een overzicht geven - zij het niet volledig - van wat de Etrusken hun doden meegaven voor het hiernamaals. Het graf bevond zich in een nekropolis in een gebied, dat "dell' Osteria" wordt genoemd, ten noorden van de akropolis van Vulci. De schenking (zie afb. 1"10) bestaat uit de volgende vazen : een Etrusco-Korinthische schenkkan (olpe) met rotellen. De vier friezen van de vaas zijn versierd met zwanen, afgewisseld met grote rozetten. 1) Twee kommen op hoge voet van bucchero, zwartgeblakerd aardewerk, waarvan er een met horizontale geïnciseerde lijnen is versierd en de

andere bovendien met waaiervormige versieringen van ingedrukte puntjes. 2 ) Een halfrond schaaltje met een brede, platte mondrand op een voet. 3) Twee "Etrusco-Korinthische" peervormige olieflesjes (piriforme aryballoi) met een schubpatroon. 4 ) Een geribd langwerpig flesje voor olie of parfum (alabastron). 5) Een spoelvormige alastron van impasto , gebasseerd op Oostgriekse voorbeelden. 6) Een kogelronde (globulaire) aryballos met een versiering van brede banden en to ngen. 7) Een dubbel-k onische ar yballos met een versiering van brede banden en tongen .8) De vazen zijn niet allemaal even oud , maar als groep zijn ze tussen het einde van de 7e eeuw en het midden van de 6e eeuw v. Chr. te dateren. Mogelijk is het graf voor meer dan één bijzetting gebruikt, zoals bij de meeste Etruskische graven het geval was.

13. Met zijn geweer naast zich bewaakt een opzichter een tumulusgrafte Tarquinia. Schets van G. Dennis uit 1843. (Uit: J. WELLARD. The searchfor the Etruscans. London, 1973. Blz. 73).


J(

Register op de nummers J t/m 25 van het MEDEDELINGENBLAD

der Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum

Een Koptisch kinderjurkje in het APM (met patroon) K.H.ABEN Antieke theatermuziek A. VAN AKKEREN (onderdeel van tentoonstellingsgid "Toneel ten Toon") Ir. Raimond Dufour, overleden 7 maart 1977 BESTUUR VvVvhAPM J. L. Pierson Azn., overleden 20 februari 1979 Een Mansportret uit de vroege Keizertijd in het APM Joh. S. BOERSMA De Verzameling Jan Veth Een Romeins reliëf in het APM Vier Aanwinsten uit het Pharaonische Egypte J. F. BORGHOUTS Literair-historische beschouwingen over het Griekse theater J. M. BREMER (onderdeel van tentoonstellingsgids "Toneel ten Toon") K. C. M. VAN DEN BRINK / Enkele voo1werpen uit een Egyptische Collectie W. M. VAN HAARLEM Schenking mevrouw B. Boeke-Cadbury: - bootmodel - stèle - beddepoot - mummiebekleding - amulettenketting - sjawabti's - houten valk Een Attische dierfriesschaal in het APM H. A. G. BRIJDER Villanova en Etrurië in Amsterdam: - de Villanova kultuur - een bronzen siergordel van een Villanova dame twee delen van een bronzen gesp - twee bronzen sierspelden (fibulae) - bronzen scheermes - de Etrusken - votiefgeschenken - terracotta votiefbeeld van een Etrusk - votiefkoppen en modellen van lichaamsdelen - een kind, in doeken gewikkeld Vijf votiefgeschenken in bruikleen Het Allard Pierson Museum is verhuisd Een Romeins Huis in het APM Twee nieuwe sfinxen in het APM Paardetuigversiersel uit Iran J. H. CROUWEL Fibulae uit West-Azië in het APM Een Terracotta Rhyton uit Iran Cyprus en het Allard Pierson Museum Enige gouden sieraden uit Noordwest Iran J. H . CROUWEL/ G. WILD-WUELKER Een Etruskische amfoor in het APM R. DIK / C. E. DONKER Een Pontische oinochoë in het APM A.A.DRUKKER Zes "archeologische" aquarellen van Anna Roes RENEE DUINKER "Vorm en Tegenvorm" DICK ELFFERS Terracotta 's in het APM H. E. FRENKEL Enige geschenken uit de nalatenschap van Prof Haspels: H. E. F(renkel) e.a. - aardewerk - bronzen - glas Papyrus Amsterdam Hl; een oud-Egyptisch dodenboek B. GARTHOFF Drie Laat-Egyptische aanwinsten van het APM M.H.GROOTHAND Een Egyptische stèle van Ramses I W. M. VAN HAARLEM Een fragment van een Egyptisch tempelreliëf Sjawabti's uit de Collectie Dobber W. M. VAN HAARLEM/ Enkele voorwerpen uit een Egyptische Collectie K. C. M . VAN DEN BRINK Schenking mevrouw B. Boeke-Cadbury: - bootmodel - stèle - beddepoot - mummiebekleding - amulettenketting - sjawabti's - houten valk

Blad nr .: 17 20 13 17

2 4

5 2

20 11

7 JO

Il 12 14 16 3

6 8 15 12 21 7 21 13 4

23

18 1 13 14

15 11


J. M. HEMELRIJK

N. KREUK IET-BOERMA H.A. LAUWERIER

J. VAN LIER M.N. VA LOO

Het Embleem van de Vereniging Mededelingen Een nieuwe torso in het APM Mededelingen Aanwinsten Aanwinsten Schenkingen Inleiding over Geschenken: - archaïsche kop, van ruwe kalksteen - Afrodite, ca. 400 v. Chr. (Romeinse copie) - Romeins standbeeld van gedrapeerde vrouw -grafstèle uit Attica, ca. 400 v. Chr. Een Romeins prinsje Oliefles met afbeelding van Poseidon, 470-460 v. Chr. Vijftig Jaar Allard Pierson Stichting Een Attische krarer - Griekse tegenstrijdigheden Juliana , Cybele en de vazen van Anna Paulowna In memoriam Prof Dr. I. Q. van Regreren Altena In memoriam Prof Dr. C. H. Emilie Haspels "Gezicht van de Oudheid", Aanwinsten 1966-1981. Een studentenproject. (Tentoonstellingsnummer). Enige teracotta lampen in het APM Thermoluminescentie, een nieuw wapen tegen de vervalser. (Met toestemming overgenomen uit het Mededelingenblad van de Vereniging van Vrienden der Aziatische Kunst - 1977). De Officiële Opening van het nieuwe Museum Oudheden uit het Heilige Land in het APM Zegels uit Syrië, tentoonstelling APM

l 1 3 4 9 11

11 12

13 15 18 18 19

21

23 24 9

13 16

23 (inlegvel)

P. L(ulof) e.a.

R. A. LUNSINGH SCHEURLEER

R. A. L. S(cheurleer) e.a.

P. G. P. MEYBOOM

D. J. W. MEIJER J. MOREL C. W. NEEIT C. W. N(EEFT) e.a.

F. NIEUWBOER J. DE ROOS C. M. SCHRIJVERSVAN BATTUM

K. A. D. SMELIK P. ST ARREVELD C. M. STIBBE H. STOEPKER M. STOL G. WILD-WUELKER/ J. H. CROUWEL AGAATH WITTEMAN M. ZIL VERBERG J. ZANDEE

Enige geschenken uil de nalatenschap van Prof Haspels: - aardewerk - bronzen - glas In Memoriam C. P. Dobber: een belangrijk legaat aan het Museum Andere recente aanwinsten en bruiklenen Een miniatuurportretje Een nieuwe aanwinst uit Cyprus Een Egyptische egel "Ac hnaton en Amarna" Mummiekist in restauratie Enige geschenken uit de nalatenschap van Prof Haspels: - aardewerk - bronzen - glas Het eerste mozaïek in het APM Een Romeinse sarcofaag in het APM Een sarcofaag fragment uit Klein-Azië Cylinderzegels in het APM Opgravingen op Cyprus en de Vrienden "Allemaal beestjes", Korinthisch aardewerk in het APM Enige geschenken uit de nalatenschap van Prof Haspels: - aardewerk - bronzen -glas Notities in verband met mijn onderzoekingen over de technieken van de Pompejaanse fresco's De Hettieten Harpocrates

23

14 15

17 19 19

25 25

23

15

17 19

8 17 14

23

5

17 9

Een Joods-Aramese toverschaal uit Mesopotamië Egyptes heilige dieren in het APM " Die Duivelse Kunst", het gieten in brons van de beelden Perseus-Medusa door Benvenuto Cellini. (Tentoonstellingsgids). Sparta in Amsterdam, Laconisch aardewerk in het APM De Fibulae uit Europa in het APM Enige spijkerschriftteksten in het APM Enige gouden sieraden uit Noordwest Iran

22 7

"Toneel ten Toon" , Grieks theater toen en nu . (Tentoonstellingsgids) Een La To/fa amfoor in het APM Een Egyptische inscriptie uit het Oude Rijk

20 13 8

16 18

6

8 12


Geen Etruskische stad heeft zo'n rijkdom aan archeologische vond ten opgeleverd als Vulci en toch is er over de stad zelf vrijwel niets bekend. Ze lag in het gebied tussen het huidige Toskane en Latium, op ongeveer 12 km. in vogelvlucht van de ku t en 110 km. ten noorden van Rome. Door dit gebied stroomt de rivier de Fiora en op de rechteroever daarvan lag Vulci op een tamelijk lage heuvel, die sinds onheuglijke tijden Pian di Voci wordt genoemd (zie afb. 11). Van de Etruskische stad is vrijwel niets overgebleven behalve enkele resten van de stadsmuur uit de 4e eeuw v. Chr. Wat er tegenwoordig op de akropolis te zien is, stamt uitsluitend uit de Romeinse tijd. Daar Vulci bovendien nauwelijks door antieke geschiedschrijvers wordt genoemd zijn de enige historische bronnen de zeer grote begraafplaatsen, die zich ten oosten en ten noorden van de akropolis uitstrekten. Ze waren al in gebruik sinds de IJzertijd (9e - 8e eeuw v. Chr.), toen er een bloeiende nederzetting lag van de Villanova-kultuur, een beschaving, die voorafging aan de Etruskische. In het begin van de 7e eeuw v. Chr. stond Vulci niet op het hoge kulturele en materiële nivo van grote Zuidetruskische centra als Cerveteri , al waren haar inwoners bekwaam op het gebied van de metaalbewerking, zoals tijdens de Villanovaperiode eveneen · het geval was geweest. Aan het eind van de 7e eeuw vond echter een opleving plaats, getuige de ongewone rijkdom aan voorwerpen, die in de nekropolen van de Osteria en van Cavalupo zijn gevonden. Vulci moet op het toppunt van haar macht hebben gestaan in de periode, die van de 6e tot de eerste decennia van de Se eeuw v. Chr. duurde: een periode van ononderbroken bloei in elk opzicht, waarin de bevolking sterk toenam. De stad oefende in die tijd een duidelijke invloed uit over het gebied van de vallei van de rivier de Fiora en verder landinwaarts tot de oostelijke oever van het Meer van Bolsena en waarschijnlijk nog verder. Of Vulci in die tijd in politiek opzicht erg machtig was valt sterk te betwijfelen. De Etruskische overheersing van Rome en een gedeelte van Latium, waarvan het begin gemarkeerd wordt door de troonsbestijging van Tarquinius de Oude als vijfde koning van de stad van Romulus (623 of 616 v. Chr.), was vrijwel zeker een zaak van de beide machtigste steden van die tijd: Tarquinia en Cerveteri. Niets wijst erop, dat Vulci daarbij een doorslaggevende rol speelde. Alles draagt er daarentegen toe bij om te geloven, dat Vulci betrokken was bij de grote opbloei van de handel in de steden van Zuid-Etrurië, die zich ontwikkelde in de richting

van Campanië. Tegen 600 v. Chr. bleef het in dit opzicht slechts weinig achter bij Tarquinia en Cerveteri. De zeeweg, die de Griekse kolonie Cumae, die iets ten zuid-westen van Napels lag, direkt met de kust van Etrurië verbond , verklaart de groei van de import waarschijnlijk. De stad bouwde in de 7e eeuw bovendien een eigen vloot en kon dus haar eigen transport van in- en uitgevoerde produkten verzorgen. Er was een buitengewoon grote import van Griekse vazen: nergens zijn er zoveel gevonden. De export bestond voor een belangrijk deel uit produkten van de op een hoog peil staande plaatselijke fabrikage van brons en aardewerk. Van de havenplaats van Vulci zijn tot nu geen overblijfselen gevonden, hoewel die zeker moet hebben bestaan. De nieuwe aanwinsten van het Allard Pierson Museum geven een indruk van de veelzijdige plaatselijke aardewerkproduktie in deze periode. Deze wordt gekenmerkt door imitatie van het Griekse aardewerk. De fabrikage van het echt Etruskische bucchero was echter ook zeer ontwikkeld. Bucchero-aardewerk, dat op het wiel of in een mal werd gemaakt, varieert in kleur van diep zwart tot zwart-grijs of zwart-bruin. De beide kommen op hoge voet (zie afb. 2 en 3) behoren tot het zgn. bucchero "pesante", omdat de wanden ervan vrij dik zijn. Wat vorm en versiering betreft behoren ze tot een gebruikelijk type. De versiering van het exemplaar met vertikale en horizontale "gesloten" waaiers (afb. 3), die bestaan uit gestippelde lijnen, is gemaakt met een flexibel getand instrument, waarschijnlijk van been of metaal. Voor de waaiers op deze kom zijn twee verschillende instrumenten gebruikt. Dit is te zien aan het verschil in afstand tussen de punten van de stippellijnen van de vertikale waaiers boven de ingekraste lijnen en die van de horizontale eronder. Sedert de aanvang van de produktie van bucchero vazen verbeterde ook de techniek van de impasto vazen, die al gedurende langere tijd werden vervaardigd. Impasto is een grove, ongezuiverde klei bruin-zwart van kleur na het bakken. De spoelvormige alabastron (afb. 8) is een voorbeeld van dit soort aardewerk. De vaas is met de hand gemaakt en bedekt met een zwart-bruine slip, die er een geringe glans aan geeft. De vorm gaat terug op Oostgriekse voorbeelden. Het oppervlak is door polijsten glad gemaakt. De grote import van Korinthische vazen heeft geleid tot plaatselijke imitaties, die Vulci in groten getale heeft opgeleverd. 1-10 Etruskische vazen uit Vulci.

3


Er zijn enkele schilders uit Vulci geïndentificeerd, die daar vanaf het derde kwart van de 7e eeuw tot het midden van de 6e eeuw v. Chr. werkten en de stad tot een belangrijk centrum maakten voor de fabrikage en de verspreiding van dit aardewerk. De meest originele is de "Pittore dei Rosoni" (Schilder van de Grote Rozetten), die een hele groep van leerlingen en navolgers om zich heen verzame lde. Hij was aktief van ca. 580-560 v. Chr. en van zijn hand is de olpe met rotellen (vertikaal staande schijven ter weerszijden van het handvat) (atb. 1). Het dekoratieve repertoire van zijn vazen - hij beschilderde behalve schenkkannen ook kraters , borden en schalen - ging terug op de Midden-Karinthische traditie in Griekenland tussen 600 en 575 v. Chr. Het opvallendste kenmerk van dit repertoire zijn de friezen met dieren, die meestal naar rechts lopen. "\

•·-✓~,_

., ~

....

>11,,,'l •'

,-,.1,'

__ =·''\\•''' !,,,1•llfl~i,, ,,,,i'I111-

-\,_ ,~ ~

~

.,,-T""--------'--" i ' \.,.,_",, .._ ~,,,,,_.,,,,11

1>1•111'''''~

Tr,,u)adi Cam/!_asrala

e di Co.1lt://11c.1a di V11lc1 .

11. De ligging van Vulci. (Uit: A. HUS. Vu/ei étrusque et étrusco-romaine. Pa ris, 1971. Fig . 3).

14. Plattegrond van graf 124 en omliggende graven op de begraafplaats van de Osteria te Vulci. (Naar: katalogus Materiali di Antichità varia, Il, Roma, 1964).

De Pittore dei Rosoni heeft zijn voorbeelden niet klakkeloos overgenomen. De grote watervogels op de olpe in het Allard Pierson Museum (zie atb. 12) hebben een horizontale vleugel en schuin lopende veren. De zwanen zijn kort en dik en hebben zeer korte poten. Een eenvoudige aanduiding van twee sikkelvormig gebogen lijnen is voor de aanzet van de veren gebruikt. De Karinthische voorganger van de vogel is in deze EtruscoKorinthische weergave met moeite terug te vinden. Ook lopen niet alle zwanen naar rechts: in het tweede fries van bovenaf zijn twee antithetische paren zwanen te zien, in het derde een en in het vierde een. Een tweede specifiek kenmerk van deze schilder vormen de grote rozetten - waaraan hij zijn naam te danken heeft - even hoog als het fries, waarin ze zijn opgenomen en bijna altijd omringd door kleine vulornamenten. Details in de zwanen en rozetten, die met hun donkerbruine en purperrode kleuren levendig afsteken tegen de geel-rose achtergrond van de vaas , zijn aangegeven met incisie. De weergave van de vogels is krachtig en orgineel en de incisie- en schildertechniek bekwaam en zorgvuldig. De olpe is een voorbeeld van het beste werk van deze schilder en werd tussen 575 en 565 v. Chr. gemaakt. Evenals de olpe gaan ook de beide piriforme aryballoi en de globulaire en de bikonische aryballos (zie atb. 5, 6, 9 en 10) terug op Karinthische voorbeelden. De bikonische vorm is zeldzaam in Etrurië, maar de andere vormen komen veel voor. Ook het halfronde schaaltje op een zo lage voet (zie atb. 4) wordt tot het Etrusco-Korinthische aardewerk gerekend, hoewel het moeilijk is er een Karinthische voorloper van aan te wijzen. In Etrurië is deze vorm eveneens buitengewoon zeldzaam en kwam misschien alleen in Vulci voor. Hetzelfde model schaaltje , maar dan op een veel hogere voet, met daaromheen een ring in reliëf, komt vaker voor. Voorgangers van onze gegroefde alabastron (zie atb. 7) waren zeer zeldzaam in Korinthe, maar in Italië komt men ze meer tegen.


Het karakter van de graven en hun inrichting wij t er onmiskenbaar op, dat de dode volgens het geloof verbonden bleef met zijn aardse bezittingen. Daarom wa het noodzakelijk, dat de nabestaanden het graf in stand hielden, wat niet alleen als een daad van liefdevolle vroomheid beschouwd moet worden, maar ook als een godsdienstige verplichting, waarbij vrees waarschijnlijk een niet onbelangrijke rol speelde. Aan dit geloof was het te danken, dat zowel in EtruriĂŤ als in Egypte het graf het ontwerp van een huis kreeg, dat het voorzien werd van meubilair en huishoudelijke artikelen en soms van wandschilderingen. De dode werd omringd door zijn kleren, sieraden en wapens, hij werd voorzien van eten en drinken en soms werd hij zelf afgebeeld in het graf, als onvergankelijke "zetel" voor de ziel, die bedreigd werd door de ontbinding van het lichaam. Vanwege de oms rijke inhoud zijn de Etruskische graven al sinds de Oudheid geplunderd en ook de uitgestrekte begraafplaatsen van Vulci zijn onophoudelijk door klandestiene opgravers bezocht. De stad was in 280 v. Chr. do0r de Romeinen veroverd en raakte na de Romeinse tijd in verval. De streek, getei terd door malaria, was vrijwel ontvolkt. De begraafplaatsen werden vergeten. Pas in het begin van de 19e eeuw werden ze herontdekt. Het gebied waarin de oostelijke begraafplaats lag was toen in het bezit van Lucien Bonaparte, prins van Canino, een broer van Napoleon. De Engelsman George Dennis, die een hartstochtelijke interesse koesterde voor de Etruskische kultuur en in die tijd vele archeologische plaatsen in EtruriĂŤ bezocht, deelt in zijn boek The cities and cemeteries of Etruria mee, dat de begraafplaats begin 1828 bij toeval opnieuw werd gevonden. Een boer, die daar met een span ossen aan het ploegen was, zag zijn dieren plotseling half in de grond verdwijnen. Ze waren door het plafond van een Etruskisch graf gezakt, dat enkele gebroken vazen

bevatte. Dit leidde tot verder zoeken, aanvankelijk buiten medeweten van de prins van Canino. 9) Toen deze erachter kwam wat zijn land verborg, nam hij de opgravingen in eigen hand. In de loop van vier maanden bracht hij meer dan tweeduizend voorwerpen aan het licht in een gebied van enkele hectares. Spoedig verschenen er andere opgravers ten tonele: iedereen in de buurt, die land bezat, waagde een poging en al deze pogingen werden met sukses bekroond. De Feoli's, de Candelori's, de Campanari's en de Fossati's verrijkten zichzelf en de musea van Europa met de inhoud van hun graf-mijnen. De opgravingspraktijken van Lucien Bonaparte en zijn buren zouden iedere moderne archeoloog de haren te berge doen rijzen. De graven werden ruw opengebroken, waarbij ze vaak werden vernield, de inhoud werd eruit gehaald en daarna werden ze weer dichtgegooid. Er werd geen enkele aantekening gemaakt over de vondstomstandigheden van de voorwerpen of de ligging van de graven. Ze brachten daardoor een onherstelbaar nadeel toe aan het wetenschappelijk onderzoek van Vulci. Lucien Bonaparte en later zijn weduwe groeven van 1828 tot 1848 ieder jaar in hun gebied. De hierboven genoemde George Dennis zag bij een bezoek aan Vulci een troep opgravers aan het werk, die in dienst waren van de prinses van Canino. Zijn verslag van deze gebeurtenis luidt als volgtIO): "Bij de rand waar ze aan het werk waren zat de capo of opzichter - zijn dubbelloops geweer naast zich, als een in terrorem wenk aan zijn mannen om hun handen thuis te houden wat gappen en stelen betreft. We vonden hen, toen ze op het punt stonden een graf te openen. Het dak was ingestort, zoals vaak het geval is bij deze lichte, brosse tufsteen en het graf was gevuld met aarde, waaruit de voorwerpen die het bevatte geheel uitgegraven moesten worden.


Dit is over 't algemeen een proces dat grote zorg en voorzichtigheid vereist, die hier echter weinig of niet werd toegepast, want bij de eerste voorwerpen die aan het licht werden gebracht was al te zien, dat er niets van waarde viel te verwachten - hoc miserae plebi stabat sepulcrum.Grof aardewerk, zonder figuren en ongevernist, was al wat het opleverde; maar onze verbazing werd alleen geëvenaard door onze verontwaardiging, toen we de arbeiders ze op de grond zagen smijten toen ze ze tevoorschijn trokken en ze onder hun voeten vertrappen als "things cheaper than seaweed". Tevergeefs smeekte ik er enkele voor vernietiging te sparen, want, hoewel ze geen marktwaarde hadden, hadden ze dikwijls merkwaardige en elegante vormen en waren waardevol als overblijfselen uit de oude tijd, die onvervangbaar waren; maar nee, het was allemaal roba di sciochezza - "dwaze rommel" - de capo was niet te vermurwen; zijn orders waren om onmiddellijk te vernietigen wat geen geldwaarde had en hij kon me niet toestaan enkele van deze overblijfselen mee te nemen, die hij zo verachtte" . In de tweede helft van de 19e eeuw werd het opgravingswerk met meer liefde voor de wetenschap aangepakt door de Italiaanse archeoloog François en de Fransman Noë! des Vergers, die op aansporing en voor rekening van Prins Torlonia werkten, die in 1849 de bezittingen van de Bonapartes had verworven. Hoewel ze belangrijke vondsten deden , zoals het graf met de beroemde wandschilderingen, dat naar François is genoemd, publiceerden ze hun resultaten helaas zeer summier. Pas aan het eind van de 19e eeuw is het mogelijk, dankzij het werk van de Fransman S. Gsell, van werkelijk wetenschappelijke onderzoekingen te spreken . In de eerste helft van de twintigste eeuw werden belangrijke, doch sporadische vondsten in het gebied gedaan. Na de tweede wereldoorlog werden de stad en de begraafplaatsen aan een minutieus onderzoek onderworpen, dat met de modernste methoden werd uitgevoerd. In 1956 werden de ruïnes van de Romeinse stad blootgelegd, die op de plaats van het Etruskische Vulci was verrezen. In de begraafplaats in het gebied dell' Osteria werd tussen 1961 en 1963 een groot aantal kleine kamergraven door het archeologisch genootschap Hercle uit Rome gelokaliseerd en onderzocht. De meeste waren in een slechte toestand, zowel door natuurlijke oorzaken als door werkzaamheden bij het

10

droogleggen van moerassen aldaar. Een gedeelte van de grafgiften, die erin waren geplaatst, was zwaar beschadigd en bestond slechts uit losse fragmenten. De weinige graven die intakt waren, waren zowel in de Oudheid als in de moderne tijd al geplunderd, zodat ook hierin betrekkelijk weinig voorwerpen kompleet aan het licht kwamen , terwijl de kostbaarste natuurlijk reeds lang verdwenen waren. De meeste van de vazen, die tot onze groep behoren, waren beschadigd en zijn gerestaureerd. Graf 124, waaruit ze op 9 september 1962 aan het licht kwamen, maakt deel uit van een groep kamergraven met een of twee vertrekken (afb. 14). Het is ongeveer noord-zuid georiënteerd. Een korte gang (dromos) aan de noordzijde leidde naar een breed voorvertrek, vanwaar men in een rechthoekige grafkamer kwam. Dit graftype komt zeer veel voor onder de graven van Vulci uit de 6e eeuw v. Chr. De groep vazen in het Allard Pier on Museum vormt niet de volledige grafvondst. Er werden nog meer olieflesjes, borden , schalen, kannen en kommen gevonden, waarvan de meeste in plaatselijke werkplaatsen waren vervaardigd en die alle in de 6e eeuw v. Chr. worden gedateerd. Hoogstwaarschijnli j k vormde de grafvondst in zijn geheel niet de komplete oorspronkelijke inhoud van het graf, want metalen voorwerpen ontbreken. Vermoedelijk was er slechts een dode bijgezet, mogelijk twee, met een korte tussenperiode. Op grond van de datering van het aardewerk moet het graf in de eerste helft van de 6e eeuw zijn gemaakt. Het erin gevonden aardewerk stemt wat vormen, funktie en dateringen betreft ongeveer overeen met de vondsten in de andere graven, die tot dezelfde groep in de necropolis van de Osteria behoren. Sommige van deze graven bestonden uit meer dan een kamer en bevatten grotere grafvondsten dan Graf 124. Onze vazen zijn gebruiksvoorwerpen: de dode kreeg de olpe mee voor het schenken van wijn en de kommen van bucchero om uit te drinken. Voor zijn, of haar, lichaamsverzorging dienden de peervormige , ronde en dubbel-konische oliefle jes, want de Etrusken, die geen zeep kenden , gebruikten olie bij het baden. De geribde en de spoelvormige alabastron hebben eveneens olie of parfum bevat en het halfronde schaaltje werd misschien voor kosmetica gebruikt. Het zijn voorwerpen, die in deze periode aan de meeste doden werden meegegeven voor hun verblijf in het hiernamaals.


N01en

Lileratuur

Dit artikel ontstond na een onderzoek van de vazen, waarvan ik de resultaten in een essay voor het doctoraalbijvak Klassieke Archeologie heb weergegeven. Korte gegevens over de totale grafvondst zijn gepubliceerd in : Mmeriali di Antichi1à varia, II, Scavi di Vu/ei, ma1eria/e concesso alla Soeie1à Herc/e. Roma, 1964, p. 10-11

Vulci:A. HUS. Vu/ei étrusque el étrusco-romaine. Paris, 1971. L. BANTI. Etruscan cities and their culture. Berkeley enz., 1973. 84-97. F. BOITANI, M. CATALDI e M. PASQUINUCCI. Le città etrusche; 2a ed. Verona, 1974. 217-225. A. CA VOLI. Profilo di una città etrusca: Vulci. Pi toia, 1980. Bucchero:N. HIRSCHLAND RAMAGE. "Studies in early bucchero". Papers of the British School at Rome. 38 ( 1970). 15-18. T. B. RAS MUSSEN. Bucchero pottery from Southern Etruria. Cambridge enz., 1979. Etrusco-Korinthischaardewerk:H. PA YNE. Necrocorinthia. Oxford, 1938. G. COLONNA. "Il ciclo etrusco-corinzio dei Rosoni". Studi etruschi 29 ( 1961). 47-88. D. AMYX. "Some Etrusco-Corinthian vasepainters". In: Studi in onore di Luisa Banti. Roma, 1965.3-6.

1 )

2

)

3 ) 4

)

5 )

6

)

7 )

8

9

)

)

10

)

Inv. nr. 10557. H. 39, 7 cm., met rotellen: 44,8 cm. Diam. mond 17,4 cm. Datering: 575-565 v. Chr. Inv. nr. 10565. H. 16,9 cm., diam. mond 16,8 cm. Datering: 625-525 v. Chr. Inv, nr. 10566. H. 13,5 cm., diam mond 15,2 cm. Datering: 625-575 v. Chr. Inv. nr. 10563. H. ca. 6,2 cm., diam. mond 10,7 cm. Datering: 575-565 v. Chr. !nv. nr. 10559. H. 9,5 cm., diam. mond 3,8 cm. Datering: Ie kwart 6 eeuw v. Chr. Inv. nr. 10560. H. 9,1 cm., diam. mond 3,4 cm. Datering: Ie kwart 6e eeuw v. Chr. Inv. nr. 10558. H. 13,l cm., diam . mond 3,3,cm. Datering: einde 7e - Ie helft 6e eeuw v. Chr. Inv. nr. 10564. H. 23,3 cm., diam. mond 2,8 cm. Datering: einde 7e - le helft 6e eeuw v. Chr. Inv. nr. 10562. H. 6,5 cm., diam. mond 3,3 cm. Datering: Ie kwart 6e eeuw v. Chr. Inv. nr. 10561. H. 6,3 cm., diam. mond 3,8 cm. Datering: Ie kwart 6e eeuw v. Chr. Het is niet uitgesloten, dat het verhaal over de ossen door de boeren verzonnen was om zich voor strafvervolging wegens klandestien graven te dekken. Precies hetzelfde verhaal wordt aangevoerd als aanleiding tot de ontdekking van vele andere graven in Etrurië. Citaat vertaald uit: G . DENNIS . The eilies and cemeteries of E!ruria. I. London, 1848. 409-410.

Begrafenisgewoonten:M. PALOTTINO. The Etruscans: repr. Harmondsworth enz., 1955. J. HEURGON. La vie quotidienne des Etrusques. Paris, 1961. Opgravingen:G. DENNIS. The ei ties and cemeteries of Etruria I. London, 1848, Vu/ei: zona del/' Osteria, scavi de/la "Herc/e" Roma, z.j. (ca. 1962). J. WELLARD. the searchfor the Etruscans London, 1973. Katalogus Materiali di Antichità varia. II, Scavi di Vu/ei; materiale concesso alla Società Herc/e. Roma, 1964 p. 10-11 en afbn. van de volledige inhoud van graf 124.

12. Detail van afb. l,a.


APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 26  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 26  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

Advertisement