Page 1

V\)L C)[<' MEDEDELINGENBLAD

Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum opg e~cht2 0 juni 1969

nr. 23, december 1981

In Memoriam Prof. Dr. C. H. Emilie Haspels (15-9-1894 tot 25-12-1980) Emilie Haspels was professor klassieke archeologie aan onze Universiteit van 1946 tot 1965 en uit hoofde van deze functie had zij de leiding over het Allard Pierson Museum. Zij was een veelzijdig geleerde, die zich op twee zeer verschillende gebieden van de archeologie een grote naam verwierf.

Enerzijds was zij een van de pioniers van de 'vaze nkunde' (een specialisatie waarvoor nog steeds geen goede benaming bestaat), anderzijds heeft zij ware wonderen verricht in het 'veld' door haar onderzoek in Midden-Turkije. Van deze veelzijdigheid heeft ook het Museum profijt getrokken. Het waren moeilijke jaren voor het Mu eum. In 1946 waren de collecties uit de schuilplaatsen (waar zij o.a. in - blinkend nieuwe - vuilnisbakken waren opgeborgen) opnieuw in het oude schoolgebouw aan de Sarphatistraat opgesteld. Het gebouw was vervallen en zeer vochtig. Het was bijna onmogelijk de verzameling in een behoorlijke conditie te houden. De Universiteit was nog niet zo rijk, dat er geld ter beschikking gesteld kon worden. Uit de inkomsten , die de afdeling Archaeologie van de Allard Pierson Stichting genoot, moesten behalve de bibliotheek van het Archaeologisch-Historisch Instituut ook de collecties onderhouden worden en de leningen terugbetaald, die in 1934 gesloten waren om de aankoop mogelijk te maken van de twee verzamelingen, die het belangrijkste gedeelte van het Museum uitmaken . Maar in de loop van de twintig jaren van Prof. Haspels' ambtsperiode werden de omstandigheden minder ongunstig (de toenmalige wethouder van onderwijs, Mr. A. de Roos, stelde een subsidie ter beschikking) en zij slaagde er in een niet gering aantal zeer belangrijke voorwerpen voor het Museum te verwerven. Zo werd de Zittende Cybele die reeds eerder in dit tijdschrift is afgebeeld (Mededelingenblad 19, 1980, pag . 2, afb. 3) aangekocht uit de restanten van een fonds, dat nog stamde van de Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum, die voor de oorlog een bloeiend be taan had geleid, maar tijdens de bezetting in bittere politieke tegenstellingen ten onder was gegaan. Zoals gezegd, Prof. Haspels was vooral bekend als vazenspecialiste: in 1936 was haar boek over Atheense olieflessen (Attic Black-figured Lekythoi) verschenen, een van de eerste en tevens beste monografieĂŤn op het gebied van Griekse vazen.

Emilie Haspels in de toga van haar voorganger, Prof Jan Six, 1946.


In dit boek zijn honderden zogenaamde lekythen geordend, gedateerd en aan schilders of werkplaatsen toegeschreven. In de laatste tien jaar van haar professoraat wist zij een aantal vazen van door haar ontdekte kunstenaars voor het

Ajb. /: Kan van de Cela schi!dff, ca. 500 v. Chr. Ajb. 2: Lekyth van de Cela schilc/er, ca. 500 v. Chr.

Evenwel, haar belangstelling had zich reeds lang enigszins afgewend van de toch tamelijk eenzijdige studie van vazen; haar grootste hartstocht was veldwerk en zo deed zij, lang voordat zij naar Amsterdam kwam, mee aan opgravingen op Lesbos, in Perachora, op lthaca, Samos, Delos en tenslotte Thasos (waar zij in 1934 de Franse opgraving leidde). Vlak voor de oorlog kreeg zij de leiding over de Franse opgravingen in Midden-Turkije bij de z.g. Midas-stad in de Phrygische berglanden (afb. 3). Vanaf dat moment tot in 1971 was zij bezeten van haar werk in dit boeiende, maar onherbergzame heuvelland met zijn ontelbare oudheden en tientallen kleine dorpjes van Tsjerkessen, Yürüken, Bulgaren, Tataren, Osmanli- en Alevi-Turken. De wijze van vervoer en de omstandigheden waaronder zij reisde waren opmerkelijk: een boerenkar bestaande uit vier wielen, losse planken er op en stro er in, twee paarden er voor of, soms, twee smerige ossen. Het dieet was veelal waterige yoghurt met papaverolie en zout, een hap spaanse peper e.d.; men sliep in de dorpshuizen tussen de donzen dekens die de gemeenschap verschafte en waartegen geen DDT (toen nog geoorloofd) opgewassen was. Zo reisde zij maandenlang door de bergen en deed talloze ontdekkingen, waarvan sommige al na enige jaren, o.a. door Prof. Ekrem Akurgal

Museum te kopen: drie lekythen van een artiest, zie zij de 'Athena-schilder' doopte en die u allen bekend is van het embleem in de kop van dit Mededelingenblad (een lekyth, beschilderd met het hoofd van de godin Athene en haar uil; zie Mededelingenblad 1, 1970, pag. 1) en twee van de 'Gelaschilder' (een fles met stoere maar wat oudere athleten, afb. 1, r--- ✓•

c-·;.· i

" ·

... __

_.1

en een wijnkan met springende en luid zingende satyrs, die bezig zijn druiven te treden in een grote bak op een tafel, afb. 2). Maar haar belangstelling was natuurlijk niet beperkt tot vazen die zij zelf bewerkt had of schilders die zij zelf had ontdekt en benoemd. Enkele van haar voornaamste aankopen zijn een Tyrrheense amfoor, een Laconische kylix, een Chalcidische amfoor, een Etruskische (?) roodfigurige schaal met een voorstelling die op 'Jonas en de walvis' lijkt en een andere met Athena Promachos tussen palmetten. Ook het fragment van de Etruskische grafsteen (een z.g. cippus) verdient vermelding, evenals een klein bronzen leeuwtje, vermoedelijk afkomstig van een groot Corinthisch vat.

'----

·,

.J

ANKARA

0 20

100KM

Ajb. 3: L~r;ging1•an de Pluygische hooglanden in Turk(ie.


Ajb. 4: /-let ingestorte Phrygische rotsgraf in de Köhnüsh vallei.

(een bekend Turks archeoloog) 'gepubliceerd' werden zonder dat haar pionierswerk vermeld werd. In vele dorpen was zij de eerste westerling, ooit aanschouwd; haar belangrijk te voorgangers waren de grote reizigers en archeologen Leake en Ramsay (uit het begin en het einde van de vorige eeuw). Sinds de zestiger jaren zijn wegen gebouwd en is het Phrygische hoogland opengebroken. Gevreesd mag worden dat sindsdien veel schade is aangericht, maar Haspels is niet teruggekeerd om te zien hoe groot de verliezen zijn. In 1971 verscheen haar tweede magnum opus: The Highlands of Phrygia. Geen modem archeoloog kan beseffen hoe groot de fysieke en financiële moeilijkheden geweest zijn om het materiaal dat in dit boek is verwerkt bijeen te brengen. Het bevat een volledige geschiedenis van het gebied, niet slechts een documentatie van de zeer talrijke Phrygische oudheden van de achtste tot de tweede eeuw v. Chr. (bijv. 15 heuvelforten, 25 rotsmonumenten, tientallen rotsgraven) maar ook al het andere, van het eolithicum tot de Seldjoeken (d.i. de elfde eeuw n. Chr.), van inscripties (154 stuks, w.o. 20 Phrygische) tot rotskerken (meer dan 25). Dankzij dit alles bezit het Museum nu het grootste Phrygiëarchief ter wereld, bestaande uit duizenden foto's en honderden tekeningen en een aantal kostelijke dagboeken. Doch dit is niet het enige. In een vlakte van dit bergland, de z.g. Köhnüs-vallei, waarin tientallen graven hoog in de rotsen zijn uitgehouwen, bevindt zich een tombe die eens met reliëfs aan de voorzijde was versierd. De rots van deze tombe is gespleten en de voorkant is, mét het reliëf, voorovergevallen (afb. 4). Met het enorme doorzettingsvermogen dat typerend voor haar was heeft Prof. Haspels het gepresteerd van deze nooit geziene reliëfs afgietsels te maken. Dat ging aldus: onder de

voorovergevallen rots werd een kuil gegraven van ongeveer 60 cm diep en op de rug liggend in dit gat bracht men in het halfduister op de tast met uitgestrekte armen de rubbercement aan op het ruwe, meer dan levensgrote reliëf. Hierbij droop het vochtige, stinkende rubber-cement van de steen langs de armen en handen op gezicht en haren en over de kleren. Kortom, het afgieten van deze reliëfs geschiedde onder uitzonderlijk onaangename omstandigheden en mag als een fikse prestatie beschouwd worden.

Ajb. 5: Kop van hop/iet op voorgevel van dit graf (ca. 500 v. Chr.).


Ajb. 6: Gehele figuur van deze!{de hop/iet. Deze afgietsels bevinden zich thans , drie in getal, in de kelder van het Museum. Het best geslaagd is de kop van een krijger met een golvende baard (afb. 5), die naast de toegang van de tombe was uitgehouwen en er zijn speer dreigend op richtte (afb. 6). Boven de deur bevond zich een Medusa-kop met paardeoren. De reliëfs stammen uit de tweede helft van de zesde eeuw v. Chr., toen Phrygië deel uitmaakte van het grote Perzische rijk onder koning Darius. De afgietsels zijn niet geheel uniek: naar is gebleken heeft de Universiteit van Ankara na de expeditie van Prof. Haspels ook zelf een afgietsel gemaakt. Omdat de rots erg ruw is heeft men voor het gemak het oppervlak eerst glad gemaakt door de gaten op te vullen. Dientengevolge is dit afgietsel minder betrouwbaar. Maar ook nadat zij met pensioen was gegaan heeft Prof. Haspels haar belangstelling voor het Museum niet verloren. Zij heeft een belangrijke rol gespeeld in de commissie van aankoop ter gelegenheid van de opening van het nieuwe museumgebouw en heeft toen een voor haar typerend gebaar gemaakt. Een kopje van een Romeins prinsje uit de eerste jaren van onze jaartelling (afb. 7, besproken in Mededelingenblad 13, 1977, pag. 7-8), dat om bepaalde redenen niet voor aankoop voor de opening in aanmerking was gekomen, had zo diepe indruk op haar gemaakt, dat zij niet kon nalaten het Museum de gelegenheid te geven het stuk te verwerven. Het was het eigendom geweest van Ernst Langlotz, een groot archeoloog die lange tijd in Würzburg hoogleraar is geweest en die een jongere generatiegenoot van Haspels was. Zij loot een lening voor de aankoop: het Museum behoefde slechts jaarlijks een bedrag terug te storten op haar rekening.

Ajb. 7: Romeins prinsje, vroeg Je eemr na Chr. Dit kopje staat nu in het Museum met het onderschrift 'Aankoop mogelijk gemaakt door Mevrouw C. H. Emilie Haspels, hoogleraar-directeur van het Museum van 1946 tot 1965'. Het is een ontroerend portretje en een fraaie herinnering aan het directoraat van deze opvallende archeologe.

J. M. Hemelrijk


Zegelsuit Syrië Tentoonstelling in het Allard Pierson Museum T

u

R

K

,--

Gaz1antep

I

,,' ,I ,*,.

TellBrak

........... ____ , ..

\Tell Atschana .,Ata/ach .-:Alepp o

1 -1

\

Chafa~

.,''

kiell Mard1Ch

1

'Ebla

~Tell SchechHamad Dur-kat/1mmu

' 1/p

35°

~ <tJerqa

0

Tell Har1ri-• fHL1 ~ ..

,, ,,

,, ,, ,,

;' Arabische Republik SYRIEN

bedeutende Fundplätze moderner Name Cha/ap alter Name Ausgrabungsorte ,aus d. Siegelfunde in der Aussteltung vertreten sind. 100 150 km H. Kuhne/ 50 Aleppo

G .Neuber

Van 11 december 1981 tot en met 24 januari 1982 verkeert het Allard Pierson Museum in de gelukkige omstandigheid, een kleine honderd rolzegels te kunnen tonen die door opgraving of aankoop in het bezit kwamen van de Nationale Musea van Syrië. Een groot deel van dit materiaal is nog nooit gepubliceerd. Deze tentoonstelling biedt voor het eerst in de geschiedenis een overzicht over de Syrische zegelsnijkunst als geheel.

a

Voor het lenen van de zegels en voor de vergrote foto's van zegelafrollingen zijn wij dank verschuldigd aan de Syrische Oudhedendienst en aan de Nationale Musea te Damascus, Aleppo en Deir ez-Zor. Het Institut für Auslandbeziehungen te Stuttgart belastte zich met de organisatorische voorbereidingen in Duitsland, waar de tentoonstelling al verschillende musea bezocht. De volgende geleerden gaven toestemming ongepubliceerd materiaal uit hun opgravingen te tonen: P. Matthiae (Ebla), U. Moortgat-Correns (Tell Chuera), A. Parrot (Mari), W. Röllig (Dur-Katlimmu), C. F. A. Schaeffer (Ugarit), E. Nagel-Strommenger (Habuba Kabira) . Veel informatie en ideeën over interpretatie in het volgende zijn te danken aan H. Kühne, wiens wetenschappelijke catalogus Das Rollsiegel in Syrien aan de balie van het Museum voor f 10,- te koop is. De nummering van de illustraties in onderstaande inleiding is afkomstig uit deze catalogus. Een gestencilde be chrijving van alle tentoongestelde zegels met dezelfde nummering is gratis bij de balie van het Museum verkrijgbaar.

t,.BROLLUNG

b

TONSTÖPSEL

t,.BROLLUNG

9


51

21 52

,. ; /

I

Omstreeks 6000 v. Chr. kwamen in West-AziĂŤ al stempels in zwang waarmee men eigendommen verzegelde. Door over de sluiting van een voorraadschuur of kruik klei te smeren en daarin het stempel af te drukken kon men zijn eigendommen tegen onbevoegden beschermen (zie schets en nrs. 6-7, 20-21). Aantasting was duidelijk te constateren door verbreking van het zegel. De grote -eerbied die aan het zegel kleefde was blijkbaar genoeg om inmenging door buitenstaanders te voorkomen. Tegelijk diende de zegelsteen, die om de nek of de pols gedragen werd, als amulet dat de bescherming van de godenwereld verzekerde tegen allerlei gevaren . Ook heden ten dage nog dragen de vrouwen in SyriĂŤ wegens hun vermeende magische eigenschappen graag zegelstenen die hun mannen bij het ploegen gevonden hebben . Bij het ingewikkelder worden van de maatschappelijke verhoudingen werden het de met openbaar gezag beklede personen die de voorraden van de gemeenschap beheerden en dus ook verzegelden. Zendingen goederen die tussen landbouw-, veeteelt-, ambachts- en beheercentra werden uitgewisseld gingen vergezeld van kleicognossementen, waarop de ambtenaar zijn zegel afdrukte (nr. 1). Uit de kleicognossementen ontstonden de kleitabletten met spijkerschrift (nrs. 51-53) en uit de behoefte om grotere kleistukken te bezegelen ontstond het rolzegel.

;,

./" 1

53


rrrt • ..

.-. ----··~ - 1w ~ W J ~ y-•/, . - ~. : ~ . / ,.... ,~ .rr ....

Î

1 ~ -~. /1

.

~

. ,•..-

~JÎ4 ,ëï:v l Ç}'.l~~/1 ~• r ~ ,v u, .. _/Pj .

..__.,; T -

....

1,,-

J

25

27

28

Bij het begin van de Mesopotamische beschaving waren het vooral de beambten van de tempelstad, die rolzegels gebruikten. Met de verwereldlijking van de maatschappij werden het de koningen en hun 'dienaren': schrijvers, kooplieden en een schare andere beambten die een persoonlijk rolzegel kregen. Hoewel deze meestal met de eigenaar begraven werden (en nu door grafroof in de kunsthandel komen), kende juist Syrië in Midden- en Late Bronstijd wel het erfelijke rolzegel, dat de wettigheid van een dynastie bewees. Tegen de tijd dat Herodotus Babylonië bezocht droeg iedereen een zegel bij zich en ook heden ten dage begint men in het Nabije Oosten niets zonder indrukwekkend bezegelde vergunningen. Een (magisch) religieuze bedoeling ligt ten grondslag aan bijna alle kunstuitingen van het Tweestromenland, en dus ook aan de meeste rolzegels. Zo is het afbeelden van een geslaagde jacht bedoeld om succes op jacht te verzekeren. Een banket, de koning voorgezet, beduidt overvloed voor het gehele land.

29

Twintig jaar geleden, toen het oudheidkundig onderzoek van Syrië nog in de kinderschoenen stond, konden de Syrische zegels nog als provinciale uitlopers van de Mesopotamische zegelsnijkunst beschouwd worden. Met de toegenomen opgravingsactiviteit is de hoeveelheid materiaal en ook ons inzicht volslagen veranderd. Nu zien wij enerzijds dat de Mesopotamische beschaving zich al vanaf het begin, omstreeks 3400 v. Chr., over delen van Syrië had uitgestrekt, anderzijds dat Syrië al vroeg, omstreeks 2400 v. Chr. , zelf grote handels- en ambachtscentra bezat die hun eigen vormentaal ontwikkelden (Mari , Ebla). Perioden waarin nu eens

30


39

37

Babylonië, dan weer Assyrië het westen politiek of cultureel in hun ban hielden, wisselden af met andere, waarin de eigen Syrische aard sterker op de voorgrond trad. In stijl herkennen we dat Syrische karakter aan de plastische, driedimensionele uitbeelding vooral van naakte lichaamsdelen (nrs. 27, 37-39, 55); in inhoud verschillen de Oud- en Midden-Syrische zegels van het Mesopotamische voorbeeld door het optreden van locale motieven zoals watergolf, sfinx en griffioen, eerst als vulling voor de in het Tweestromenland beschreven ruimte (nrs. 27-30, vgl. nr. 25), later ook als hoofdmotief (nrs. 34, 58). Ook in materiaalkeuze zien we een wisselwerking tussen Mesopotamische mode en locaal grondstoffenaanbod: terwijl schelp, naast het duurdere lazuursteen , zeer geliefd was in Vroeg-Dynastisch Mesopotamië en Syrië (omstr. 2900-2340 v. Chr.), werd zwartglanzend hematiet uit het noordwesten gehaald voor de Oud-Syrische en Oud-Babylonische zegels (omstr. 2000-1600 v. Chr.). Onder het koninkrijk Mitanni (omstr. 1500-1350 v. Chr.) was Noord-Syrië het centrum van een industrie die glaspastazegels met een gestandaardiseerd repertoire van motieven over heel West-Azië verspreidde. In de daaropvolgende twee eeuwen sneed men de zegels liefst uit chloriet, een zachte donkergroene steen. Pas in de laatste eeuwen van deze lange ontwikkeling (8e-6e eeuw v. Chr.) kwamen kwarts en andere harde gesteenten in zwang. Om daarin te kerven gebruikte men sneldraaiende boortjes en schijfjes. Inmiddels begonnen, met het schrijven in inkt op papyrus, de stempelzegels weer de rolzegels te verdringen.

55

M. N. van Loon. 58


Enige geschenkenuit de nalatenschapvan Prof. Haspels Na het overlijden van mevrouw Ha pels is een groot aantal voorwerpen uit haar verzameling door de erfgenamen aan het Museum geschonken. De7e antieke voorwerpen zullen in het hierna volgende nader worden besproken .

AARDEWERK Reeds in 1970 schonk Prof. Haspels het Museum een zwartfïgurige lekyth (inv. 8531, afb. 1, vitrine 232), die, hoewel sterk gerepareerd, door zijn afmeting en kwaliteit van beschildering uitsteekt boven de zes zeer bescheiden lekythje die zij nog behield . Bij eerstgenoemde lekyth bestaat de voorstelling uit een maenade op een ezel, voorafgegaan én gevolgd door een satyr. Beide satyrs kijken achterom: de figuren werden blijkbaar van vaste voorbeelden overgenomen zonder dat de schilder zich bekommerde om 'logika' binnen de voorstelling. Het zestal thans aan het Museum geschonken Attische lekythjcs,in hoogte variërend van 10 tot 15 cm en op één na (met de voorstelling van een uiltje) in de zwanfïgurige techniek gedecoreerd, dateert uit de eerste helft van de 5e eeuw v. Chr. Daarbij kunnen wij nog onderscheid maken tussen twee lekythen waarbij de hoofdbeschildering op een crême-kleurige onderlaag is aangebracht (inv. nrs. 10.467 en 10. 469, afb. 2 en 3) en de overige waarbij de onderlaag de oranje-bruine kleur van de potsche1f heeft. De ontwikkeling van de vorm is ook bij deze kleine lekythen goed te zien: van de konisch uitlopende voet en het iets bolle lichaam (inv. 10.471 en 10.467, afb. 4 en 2) tot de hogere cylindrische voet en het slankere lichaam, dat zich naar de schouder soms iets concaaf verbreedt (inv. 10.469 en I0.470, afb. 3 en 5). Intussen evolueen de mond van bolsegment of echinus naar een omgekeerde S-profïel: vgl, inv. 10.471 en 10.467 met de overige. iet minder dan vier van de zes vaasjes tonen een scène met paard(en). Op afbeelding 4 (inv. 10.471) ziet u een ruiter met lans, die door twee voetknechten, met lans en schild, wordt aangevallen.

De drie overige (afb. 2, 6 en 7) tonen een vierspan paarden met menner. Inv. 10.467 (afb. 2) onder cheidt zich door een wat stijve maar tamelijk gedetailleerde weergave van drie van de vier paarden en een menner in lang gewaad, waarvan sommige banen met rood zijn overgeschilderd evenals de manen en staarten van de paarden. Een vierspakig wiel duidt de wagen aan . Iets meer van de wagen zien wij bij inv. 10.466 (afb . 6), waar de vier paarden de voorbenen omhoog werpen bij het passeren van de eindpaal van de renbaan. De menner spoort hen aan met een lange stok (kentron). De voorstelling is hier bijzonder snel en routineus aangebracht en al even onzorgvuldig en zelfs kladderig is de rank in het beeldvlak en de meander er boven. Ranken toont inv. I0.467 (afb. 2) ook, maar de rand onder de schouder is hier met tippen versierd, evenals bij inv. 10.468 (afb. 7). Dit laatste vaasje is van iets groter formaat en wat minder conventioneel in de weergave van het span paarden. De dieren zijn verkort, want schuin van voren afgebeeld; er is een wit paard bij dat het hoofd wendt. Voor de aanduiding van de wagen wordt volstaan met een rechthoek onder het linker paard. De scène wordt aan weerszijden door een zuil afgesloten. Ook die zuilen waren deels wit beschilderd, terwijl de decoratieve rand zwai1e én witte stippen vertoont. De vormen der paarden wijzen op een datering tegen het midden der 5e eeuw v. Chr. Paardenspannen komen zeer veel op vazen voor: het houden van vierspannen en de deelname aan wagenrennen stonden in hoog aanzien. Deze kleine lekythen doen wat de afbeelding betreft denken aan de grote zwartfïgurige potten uit de voorafgaande periode, maar toen werd de voorstelling door erbij geschreven namen vaak expliciet met mythen in verband gebracht; zonder veel pretentie lieten de schilders van onze bescheiden potjes zich leiden door de bekende voorbeelden en decoratieschema's. Anders van motief zijn inv. I0.469 en I0.470 (afb. 3 en 5). De eerste toont, als gespiegeld om een horizontale lijn, een wingerdrank waaraan bladeren en trossen elkaar afwisselen. Er boven: een geruite zóne. Beide zijn, aldus Prof. Haspels in haar boek, geliefde motieven van de Beldam-schilder (die in het tweede kwart van de 5e eeuw v. Chr. gedateerd

/

2

3

4


wordt). Wij mogen dus wel aannemen, dat zij dit vaasje ook aan die schilder of diens atelier heeft toegedacht. Op het laatste vaasje zit een uiltje, het lichaam in profiel en de kop naar ons toegekeerd (als op Atheense munten) tussen twee olijftakken. Bij alle zes lekythen is de achterzijde (oorzijde) onversierd en bij alle draagt de schouder twee rijen resp. lange en korte streepjes, die bij inv. 10.471 (afb. 4) nog duidelijk druppel- of bladvormig zijn. Bij lekythen waaraan wat meer zorg is besteed, treft men op deze plaats vaak ranken en/of palmetten aan. Behalve de juist besproken zwartfigurige lekythen omvat de schenking nog een drietal andere Attische aardewerkproduktenvan uiteenlopende aard. In de eerste plaats een zg. Columbus-alabastron (inv. 10.473, afb. 8), een slanke za lfnes die - als het ei van de beroemde Genuese Amerika-vaarder - blijft staan waar het gebruikelijke type alabastron door zijn ronde bodem zou omduike len. Het vaasje is nu, met uitzondering van twee smalle uitgespaarde randen om hals en onderkant, geheel zwart. auwelijks nog zichtbaar zijn de witte banden waarmee hals, schouder en romp oorspronkelijk beschilderd waren. De datering ligt tussen 500 en 450 v. Chr. Dan is er een bolle, roodfigurige lekyth, door Sir John Beazley aan Prof. Haspels geschonken (inv. 10.472, afb. 9). De versier ing vertoont de raadselachtige sfinx, vlot geschilderd. Vorm en decoratie wijzen op een ontstaan tussen 425 en 400 v. Chr. De sfinx is een geliefd thema bij vazenschilders; de schilder zal aan deze sfinx waarschijnlijk geen bijzondere, symbolische, betekenis hebben toegekend. Eveneens aardewerk, maar dan met een ander karakter, is een zwarte olielamp; het reservoir voor de brandstof is bij dit Griekse type, in tegenstelling tot de bekendere Romeinse lampen, aan de bovenzijde bijna geheel open (inv. 10.487, afb. 10). Deze mooie aanwinst is voorzien van een prachtige, diepzwarte, karakteristiek Attische glanslaag. De onderzijde heeft de kleur van de onbeschilderde klei. Rondom de opening zijn twee concentrische cirkels in verdiept reliëf aangebracht. Het handvat ontbrak ten dele en is thans door de restauratrice aangevuld. Naast Athene is ook het andere grote centrum van de Griekse aardewerk indu strie, Korinthe, door enige bescheiden potjes vertegenwoordigd; daarnaast treffen wij in de

7

8

verzameling van Prof. Haspels een viertal zg. EtruscoKorinthischevaasjes aan (dat zijn vaa jes die in Etrurië naar Korinthisch voorbeeld werden gemaakt). Van zeer veel voorkomend type zijn twee vier-blad aryballoi uit de eerste helft van de 6e eeuw v. Chr. Merkwaardig echter is een Middel-Korinthisch alabastron (inv. I 0.459, afb. I !) uit dezelfde periode: de incisie van de Iotuspalmetversiering is met zeer ongeoefende hand aangebracht, zodat wij aan een beginnend leerling moeten denken. Een aardige kleine alabastron (inv. 10.463, afb. I 2) datee11 uit ca. 600 v. Chr., terwijl de eivormige aryballos met rennende honden (inv. 10.645, afb. I 3) uit het derde kwart van de 7e eeuw v. Chr. stamt. In Etrurië is de fraai bewerkte en met schubben gedecoreerde peervormige aryballos inv. 10.460 (afb. 14) gemaakt. Deze dateert eveneens uit de 7e eeuw v. Chr. Naast deze kleine potjes is er dan nog een tamelijk grote kan (inv. 10.475, afb. 15), die misschien uit het Etruskische Vulci stamt en uit het begin van de 6e eeuw v. Chr. datee11.

BRONZEN Veel van haar werkkracht en wetenschappelijke aandacht richtte Prof. Haspels op het onderzoek van de archeologische overblijfselen van het antieke Phrygië, in het huidige Turkije (zie de voorafgaande bespreking van haar werk door Prof. Hemelrijk). Dat haar verzame ling dan ook een aantal typisch Phrygische mantelspelden (zg. fibulae, van het Iatijnse figere = vast hechten) bevat, behoeft geen verwondering te wekken. Fibulae ontlenen hun belang onder meer aan de grote aantallen, die bewaard zijn gebleven. Want daardoor is hun ontwikkeling nauwkeurig bekend. Zij geven, evenals potscherven, aanwijzingen voor een datering bij opgravingen. Het is ook boeiend om te zien in hoeveel variaties zij in de Oudheid gemaakt zijn. Dit in tegenstelling tot onze veiligheidsspeld, maar in overeenstemming met onze broches. Aan de rijke collectie fibulae van het Museum is in 1973 een nummer (6) van het Mededelingenblad gewijd. Karakteristiek voor spelden uit Phrygië is de vlakke, halfcirkelvormige beugel, vaak versierd met noppen die door pennetjes aan de beugel zijn bevestigd. Vele exemplaren komen uit Gordion, de hoofdstad van het Phrygi che rijk.


15

Zij dateren uit de 8e en 7e eeuw v. Chr. Andere Phrygische fibulae zijn gevonden op de eilanden in de EgeĂŻsche Zee, maar niet in Griekenland zelf. De zware spelden werden met de beugel omlaag gedragen (een zwaar exemplaar weegt 50 gram). Afb. 16, 17 en 18, inv. 10.502, 10.492, 10.504, tonen als het ware drie variaties op een thema: glad - met noppen op enige afstand onderling - geheel overdekt door een overdaad aan noppen, die de grondvorm van de speld onduidelijk maakt. Een zwaar gecorrodeerde bronzen kleding-naald(inv. 10.499, afb. 21, lengte 12 cm) bleek na reiniging een rijk versierd exemplaar. Twee vergelijkbare naalden zijn gevonden in een

graf in de stad Chalcedon boven de Bosporus. Zij lagen 40 cm van elkaar, precies de afstand tussen de schouders, waar dergelijke naalden in de kledingstukken gestoken waren. De oorspronkelijke lengte bedroeg ca. 25 cm. Door aardewerk is het graf gedateerd tussen het einde van de 7e eeuw en omstreeks 525 v. Chr. De herkomst uit het bezit van Prof. Haspels en de vrijwel identieke stukken uit Chalcedon maken een herkomst uit Turkije van de nieuwe naald meer dan waar chijnlijk. De sierschijf aan de bovenzijde is bij de vroege exemplaren nog van been of ivoor, latere stukken zoals het onze dragen een dergelijke schijf meegegeten met de naald zelf. Het rozetmotief op de bovenkant van de sierschijf is er apart ingeslagen (cf. P. Jacobsthal, Greek Pins ( I956), 32 e.v.). Het is een harmonieus opgebouwd sieraad, karakteristiek voor de zg. oriĂŤntaliserende periode.

10

Een aardig bronzen leeuwtje(inv. 10.482, afb. I9) is vrijwel zeker afkomstig van een grote bronzen hydria en vormde dan het linker uiteinde , langs de vaasmond, van het hoge vertikale handvat. Ook rechts eindigde het handvat in zo'n leeuwtje, maar dan in spiegelbeeld; beneden liep het handvat uit in een palmet of in het protoom van een menselijke figuur. Deze werd soms door twee dieren geflankeerd (vgl. afb. 20). Bronzen vaatwerk van dergelijk formaat (de hoogte van het afgebeelde exemplaar is 46 cm) is zelden bewaard.

9

De wand, die gedreven, dus gehamerd was, was dun en werd betrekkelijk snel door corrosie verteerd. Vaak bleven wel de veel steviger oren en plasti che versieringen, die gegoten werden, bewaard; zo ook in ons geval. Vaatwerk


van dit type is vooral gevonden op Sicilië en in Zuid-Italië. Men neemt daarom veelal aan dat het daar (in de 6e eeuw v. Chr.) gemaakt is. Een vergelijkbaar leeuwtje bevindt zich reeds lang in het Museum. Ook dit leeuwtje is naar links gekeerd en kan, ook hierom, geen paar vormen met de nieuwe aanwinst. Als laatste van de bronzen voorwerpen behandelen wij een strigilis (inv. 10.500, afb. 21) uit de Laat-Romeinse periode. Deze strigilis (1.: 20 cm, br.: 1.5 cm) heeft een handvat (capulus), rechthoekig van vorm met in het uiteinde een gat voor een koord, en een smal, bij de scherpe hoek iets breder lepelvormig blad (ligula). Het voorwerp is uit één stuk gemaakt en is licht aangetast (gecorrodeerd) voor~I aan de_ binnenzijde van de lepel ; overigens is het brons wtzonderlIJk goed bewaard. De trigilis (stlengis) werd in gebruik genomen in Griekenland vanaf het einde van de 6e eeuw v. Chr. en bleef vrijwel onveranderd bestaan tot in de Romeinse tijd. Hij werd vooral gebruikt bij de sport. Het lichaam, met olie ingesmeerd, werd bijzonder vuil door stof en zand; na het sporten schraapte men het vuil mét de olie van het lichaam, alvoren zich te baden. Zowel mannen als vrouwen gebruikten daarbij strigiles. Hoewel een strigilis in Griekse en Romeinse tijd in principe altijd dezelfde vorm heeft behouden - een langgerekte . hoekige lepel mereen handvat - kan men toch, vooral 111 de latere tijd, een Romeinse strigilis onderscheiden door een aantal kenmerken: een rechthoekig handvat uit één stuk met gaten - een erg smal blad met een scherpere hoek. Bij ons exemplaar gaat het duidelijk om dit Laat-Romeinse type. Het materiaal dat voor deze schrapers werd gebruikt was meest ijzer en brons; soms werden zij ook (de luxe-uitgave) in zilver en ander kostbaar materiaal uitgevoerd, met prachtig versierde handvaten. Vergeleken kan worden: Cat. Bronzes in the British Museum, London 1899 (J. B. Walters), p. 319-321, nrs. 2437-2438, 2442, 2447. Bibi. o.a.: Harris, H. A., Sport in Creece and Rome, London, 1972 (p. 21, 64, 256, pl. 8-10).

22

GLAS Tenslotte nóg een alabastron, maar nu van niet-geblazen glas in zandkern-techniek. Het kan gedateerd worden tussen de 6e en 4e eeuw v. Chr. (inv. 10.479, afb. 22). Dit slanke 0esje, 9.3 cm lang en met een doorsnede van 2.6 cm, heeft een brede, vlakke lip, een smalle, korte nek en twee oortjes op ongelijke hoogte, waardoor het iets schuin aan een koord werd gehangen. l11ans is de kleur door erosie grijsbruin, met transversale zigzag-lijnen. De glaspasta is, behalve bij de Iiprand, overal weggesleten. Waarschijnlijk was de basiskleur donker met daarbij een lichtblauwe of fel-turqoise versiering van naar beneden toe steeds groter wordende zigzag-vormen . In Egypte werd dit type o lie- of zalfnesje voor het eers t gebruikt. Men weet niet zeker of de naam 'alabastros' te maken heeft met een soort zalf of met albast, een steensoort waarvan de eerste 0esjes gemaakt werden. Omstreeks 550 v. Chr. ging men grote aantallen van deze 0esjes maken volgens de zandkern-techniek. Deze werd van het midden van het 2e millennium tot in de Romeinse tijd toegepast; rond een kern van zand (terracotta) werd gla pasta gestreken en hieromheen werd een draad van . vloeibaar glas in een contrasterende kleur gewonden. Die draad werd in een zigzag- of vederpatroon getrokken en in de ondergrond gewalst. Als het glas na afkoeling hard was werd de kern verwijderd . Een dunwandig glazen 0esje bleef over, van binnen door zand aangetast en daardoor ondoorzichtig . Als vindplaatsen komen naast Italië vooral het Oo telijk Middellandse Zee-gebied en de kusten van Zwarte Zee in aanmerking. Helaas is niet nader te bepalen waar het 0esje, door Prof. Haspels in het museumbezit gekomen, is gemaakt. Vergelijkbare 0esjes in: Gläser der Antike, Sammlung Erwin Oppenheimer, Hamburg 1974 (8. Nol te): p. 13-16, nrs. I64, 178. Bibi. Fossing, P., Glass Vessels before Glass-blowing, Kopenhagen 1940. Neuburg, F., Glass in Antiquity, London 1949. H.E.F.,

P.L., C.W.N., R.A.L.S.

21 Uitgave van de Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum. Oude Turfmarkt 127, 1012 GC Amsterdam

APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 23  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 23  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

Advertisement