Page 1

JUBILEUMNUMMER / MEDEDELINGENBLAD

Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum opgericht 20 juni 1969

nr . 17, mei 1979

Een Romeinse sarcofaagin het AllardPiersonMuseum door P. G . P. Meyboom Inv. nr. 10123. Verworven uit de kunsthandel met gelden van het legaat van mevrouw Dr. E. F. Prins de Jong , en met belangrijke steun van de Vereniging Rembrandt (afb. 1). De sarcofaag is vervaardigd van Italisch marmer , lengte± 2 ,22 m, breedte± 0,80 m , hoogte± 0,70 m , de wanden hebben een dikte van 10-12 cm en de bodem van 17 cm. Alleen de voorzijde van de sarcofaag is in reliëf versierd , de overige zijden zijn slechts ruw bewerkt. De gedecoreerde voorkant moet nog niet zo lang geleden zijn losgezaagd, waarschijnlijk met de bedoeling hem gemakkelijker te kunnen verkopen . Gelukkig, vooral uit museaal oogpunt , bleek de rest van de sarcofaag echter nog beschikbaar te zijn. Wel ontbreekt , zoals zo vaak bij sarcofagen, het deksel. Dit deksel was waarschijnlijk ook in reliëf versierd of voorzien van een inscriptie. Op delen van het oppervlak van de sarcofaag bevindt zich een aanslag die in het marmer gedrongen is en dus niet zonder het marmer te beschadigen verwijderd kan worden. Door hun grote formaat en zware gewicht was, en is, het vervoer van sarcofagen een moeizame en kostbare aangelegenheid. Het valt dan ook niet te verbazen dat er zich in Nederland maar weinig Romeinse sarcofagen bevinden . In de Romeinse tijd werd de beroemde en bijzondere sarcofaag van Simpelveld , die aan de binnenzijde versierd is met een huisinterieur, waarschijnlijk vanuit Keulen naar ons land gebracht 1 . In het begin van de 17e eeuw kwam de fraaie posthume sarcofaag met bijbelse scènes van paus Marcellus ( + 309) binnen onze grenzen 2 . Beide sarcofagen bevinden zich thans in

het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden 3 • De derde sarcofaag in Nederland is de in 1978 door het Allard Pierson Museum verworven sarcofaag. Onlangs is in Nijmegen een niet gedecoreerde sarcofaag gevonden welke zich thans in het Museum Kam aldaar bevindt. Niet alleen op grond van de zeldzaamheid van sarcofagen vormt de sarcofaag in het Allard Pierson Museum een aanwinst voor ons land , de Dionysische scènes waarmee hij versierd is vormen een goede illustratie van de heidense religieuze motieven waarmee Romeinse sarcofagen gewoonlijk gedecoreerd werden. De voorzijde van de sarcofaag is verdeeld in vijf panelen tussen twee smalle randen , één aan de bovenzijde en één aan de benedenzijde. Twee smalle panelen op de hoeken, en een wat breder paneel in het midden , dragen een figuratieve decoratie. De twee brede panelen daartussen zijn versierd met S-vormige cannelures , dat wil zeggen op een symmetrische wijze S-vormig links van het middenpaneel en 2, -vormig rechts van dat paneel. Het aantal is echter aan beide zijden niet helemaal gelijk, links bevinden zich namelijk elf cannelures en rechts twaalf (in beide gevallen de incomplete cannelures meegeteld). Op grond van de overeenkomst van deze cannelures met de S-vorm van de 'strigilis' , het instrument waarmee men in de oudheid na de sportbeoefening olie en vuil van zijn lichaam schraapte, hebben de sarcofagen die met dit soort cannelures versierd zijn de naam strigilissarcofagen gekregen . Dit is een misleidende benaming want deze cannelures hebben niets met een strigilis te maken. De herkomst van deze bijzonder gevormde cannelures is nog

1


2

niet helemaal duidelijk 4 . Oorspronkelijk kwamen dergelijke cannelures alleen voor op kuipvormige sarcofagen , dat wil zeggen sarcofagen die naar boven toe breder worden en aan de twee korte zijden afgerond zijn 5 • Op een vroeg voorbeeld van zo 'n sarcofaag lopen de S-cannelures nog allemaal in dezelfde richting rondom de sarcofaag 6 • Misschien heeft deze speciale vorm tot het ontstaan van de S-vormige cannelures bijgedra gen. Toen dergelijke cannelures symmetrisch S-?, geplaatst werden bleef er boven in het midden een ruimte open waarin men een figuratieve decoratie kon aanbrengen 7 • Pas in het begin van de 3e eeuw n. Chr. verscheen het strigilismotief ook op rechthoekige sarcofagen 8 • Men moet daarbij bedenken dat in het Oosten van het Romeinse rijk sarcofagen vrijstaand werden opgesteld , zodat de decoratie over alle vier de zijden door moest lopen , terwijl in het Westen sarcofagen met de rug tegen een muur geplaatst werden , zodat de achterzijde eenvoudiger , of later helemaal niet meer , versierd kon worden . Op rechthoekige strigilissarcofagen werd het strigilismotief gewoonlijk gecombineerd met figuratieve panelen , twee op de hoeken en een in het centrum van de sarcofaag. Deze panelen zijn in het begin altijd omlijst door een architectonisch raam , in het midden vaak een aedicula , rond de hoekpanelen soms een meer eenvoudige profilering 9 . Deze figuratieve panelen in een architectonische omlijsting zijn ontleend aan een heel ander sarcofaag-type , namelijk dat der Aziatische of zuilensarcofagen . Deze sarcofagen worden gekenmerkt door een decoratie van een rond de sarcofaag lopende reeks zuilen of aediculae waartussen of waarin figuren of figurengroepen geplaatst zijn. Deze figuren staan gewoonlijk met elkaar in verband , zoals bijvoorbeeld de daden van Hercules of Dionysische scènes 10 . Uit de combinatie van strigilis- en zuilensarcofagen ontstaat dan in de 3e eeuw een nieuw type waarvan de decoratie bestaat uit drie figuratieve panelen afgewisseld met twee strigilis-panelen op de voorzijde , terwijl de zijkanten ook nog een figuratieve decoratie kunnen vertonen en de achterzijde gewoonlijk onversierd is gelaten. Het decoreren van bepaalde delen van een sarcofaag met het S-motief was natuurlijk aanzienlijk goedkoper dan hem helemaal met figuren te decoreren . Al naar gelang de voorstelling in de figuratieve panelen kunnen dit soort strigilissarcofagen nader benoemd worden en omdat in de panelen van onze sarcofaag figuren van Dionysus en zijn gevolg zijn weergegeven kunnen we hier spreken van een Dionysische strigilissarcofaag. In het begin is de architectonische omlijsting van de panelen heel duidelijk maar geleidelijk wordt dit minder. Op de latere strigilissarcofagen is van enige omlijsting geen sprake meer , zoals op onze sarcofaag waar de strigiles , onomlijst en oneven in aantal , wat onevenwichtig in het veld lijken te zweven. In het belangrijkste paneel (afb. 2) , in het midden , zien we aan de rechterzijde Dionysus zelf die, lichtelijk aangeschoten, ondersteund wordt door een jonge satyr. Dionysus is naakt en zijn haar is opgebonden en omkranst met druiventrossen terwijl enkele lange lokken op zijn schouders hangen. Met zijn rechterhand schenkt hij uit een kantharos (een beker) wijn welke wordt gedronken door een naast hem staande panter die , bedelend als een hond , een van zijn voorpoten opheft. Dit is een toespeling op Dionysus ' tocht naar Indië waar hij wilde dieren als de panter temde door ze wijn te laten drinken , waarna deze verder in zijn gevolg meelopen . In zijn , op de rug van de satyr rustende , linkerhand houdt Dionysus een soort staf die op een fakkel lijkt maar eerder zijn met druivenbladeren bekranste 'thyrsus' staf zal voorstellen. Links van Dionysus danst een maenade terwijl zij op een tamboerijn roffelt en haar kleed om haar heen wappert . Deze maenade is in tal van variaties bekend van andere sarcofagen 11.

2

In het linkerpaneel (afb . 3) staat een sat yr met een dierlijke kop en een beestenvel over zijn schouders . Op zijn linkerschouder draagt hij een mand met druiven en in zijn rechterhand houdt hij een 'lagobolon ', een korte kromme herdersstaf. Naast zijn linkervoet staat een rieten mand , de 'c ista mystica ' waaruit een slang tevoorschijn kronkelt . Achter deze mand bevindt zich een omhoog kronkelende wijnrank . De slang symboliseert de eeuwige levenskracht , de geest, van de aarde die de wijnstok doet ontspruiten 12 . De wijnstok is het geschenk van Dionysus aan de mensheid. In het rechterpaneel (afb . 4) staan twee satyrs druiven te persen in een trog. Zij steunen elkaar met hun om elkaars schouders geslagen armen . Ook zij dragen een beest evel over de schouder en hebben een herdersstaf in de hand . In de voorkant van de trog is een opening aangebracht in de vorm van een leeuwenkop waaruit het sap van de druiven stroomt in een grote kruik, een dolium , welke in de grond is ingegraven en waarvan de mond nog net te zien is. Al deze figuren zijn bekend van andere Dionysische sar cofagen die gewoonlijk gedecoreerd zijn met Dionysus en Ariadne en hun gevolg , de 'thiasos' , van satyrs en maenaden (cf afb . 5) . Bij de Dionysische strigilissarcofagen blijft de keu ze van de figuren die de drie panelen vullen gewoonli j k echter beperkt tot enkele standaardfiguren . In het middenpan eel verschijnt meestal Dionysus die , terwijl hij wordt ondersteund door een of meer satyrs , een panter wijn te drinken geeft. In de hoekpanelen verschijnen gewoonlijk een satyr aan de ene , en een maenade aan de andere kant . Pas in de latere Dionysische strigilisscarcofagen gaat men deze figuren in het middenpaneel variëren 13 . Op onze sarcofaag is dat op een , voor zover thans bekend , unieke wijze gebeurd . In het middenpaneel zien we wel de gebruikelijke groep van Dionysus met de panter , maar de dansende maenade hoort eigenlijk thuis in een van de hoekpanelen. De scènes die we hier in de hoekpanelen aantreffen , de satyr met de mand met de slang en de wijnrank , en de druiven persende satyrs , zijn uitgebreider dan de gebruikelijke figuren van een dansende satyr of maenade , en zijn dan ook ontleend aan uitgebreidere Dionysische taferelen welke op de gehele voorkant en op de zijkanten van sarcofagen kunnen voorkomen. Daar treffen we satyrs of eroten aan , gewoonlijk


twee of drie, die in troggen, met leeuwenkoppen als spuigaten, druiven persen (cf ook het deksel op afb. 5) 14 . Naast elkaar treffen we de figuren, die zich op onze sarcofaag in de hoekpanelen bevinden, aan op een sarcofaag uit de vroegSeverische tijd in het Vaticaan te Rome 15 . Alleen op een Dionysische strigilissarcofaag in Nemi komt de wijnstok ook voor maar daar in het middenpaneel naast Dionysus zelf 16 . De manier van vullen van de hoekpanelen met andere scènes uit de thiasos zoals op onze sarcofaag heeft tot nu toe nog geen parallel in andere Dionysische strigilissarcofagen. Deze korte beschrijving van de decoratie en haar oorsprong geeft al duidelijke aanwijzingen voor de datering van onze sarcofaag, want al deze eigenschappen wijzen op de late periode van het genre der Dionysische strigilissarcofagen. Deze periode laat men wel doorlopen tot in de tetrarchentijd (293-312) 17 . Het ontbreken van enige omlijsting van de panelen zou op een wat eenvoudiger werk uit die tijd, of zelfs iets later, kunnen wijzen 18 . De stijl van de figuren is echter nog verrassend levendig en realistisch, de lichamen zijn bewegelijk en redelijk goed geproportioneerd en gespierd. De figuren zijn dan ook heel goed te vergelijken met die op Dionysische strigilissarcofagen in het Vaticaan en te Civita Castellana 19 . Deze reliëfstijl is nog duidelijk verwant aan die van de 3e eeuw 20 , en lijkt nog niet op de stijl met zijn plompe en stijve figuren en diep geboorde omtreklijnen die als typisch voor de tijd van de tetrarchie en Constantijn de Grote beschouwd wordt 21 . Daarom lijkt het aannemelijk om het ontstaan van onze sarcofaag omstreeks 300 of kort daarna te plaatsen 22 . Als we het corpus van Dionysische sarcofagen doornemen blijkt dat alle Dionysische strigilissarcofagen in Rome of de nabije omgeving daarvan zijn gevonden. Dit geldt ook voor de laatste sarcofagen uit die groep die het meeste met de onze overeenkomen 23 . Dat maakt het wel zeer waarschijnlijk dat ook onze sarcofaag uit dezelfde omgeving afkomstig is, dat wil zeggen in een werkplaats in of vlak buiten Rome vervaardigd is. Eventueel in Ostia, de haven van Rome, dat ook een belangrijk centrum van sarcofaagproduktie was. Ook iconografisch vertoont onze sarcofaag verwantschap met de uitgebreide Dionysische thiasossarcofagen, zoals die vooral sinds de Severische tijd in Rome vervaardigd zijn. Zoals we geschetst hebben werd bij het opkomen van strigilissarcofagen de keuze aan motieven beperkter. Maar juist in een laat produkt als onze sarcofaag zien we de oude motieven weer te voorschijn komen. Daarom mogen we onze sarcofaag beschouwen als een interessant voorbeeld van een late heidense sarcofaag uit een tijd waarin de Christelijke sarcofagen meer en meer de boventoon gingen voeren 24 .

Alvorens ons bezig te houden met de mogelijke interpretatie van de decoratie van onze sarcofaag moeten we eerst even stil staan bij het doel van zo'n sarcofaag 25 . Het begraven in sarcofagen raakte in Rome pas in de loop van de 2e eeuw n. Chr. meer algemeen in gebruik. Voordien werden de doden meestal verbrand, en hun as bewaard in urnen hoewel daarop altijd uitzonderingen voorkwamen. Zo hadden bepaalde geslachten als de Scipio's hun doden altijd al begraven. Heel arme mensen werden bovendien ook vaak begraven in een eenvoudige houten kist of een doek, aangezien dat minder kostte dan een lijkverbranding. In het oostelijk deel van het Middellandse Zeegebied was sedert de Hellenistische tijd het bijzetten in sarcofagen echter veel gebruikelijker geworden, men denke slechts aan de beroemde Alexandersarcofaag uit Sidon. Sarcofaag is ook een Grieks woord en betekent letterlijk vleeseter. De verbreiding van de gewoonte om doden te begraven in sarcofagen in de 2e eeuw n. Chr. heeft men op verschillende manieren willen verklaren. Men heeft het willen zien als een mode om voor het stoffelijk overschot een 'aanzienlijker' verblijfplaats te scheppen 26 . Daarbij zou invloed van een uit het oostelijk Middellandse Zeegebied afkomstige nieuwe, en tot welstand gekomen, klasse van vrijgelatenen een rol gespeeld hebben 27 • Anderen echter hebben een verklaring gezocht in een fundamentele omwenteling in de opvatting van de Romeinen over een voortbestaan na de dood 28 • Het meest recente onderzoek heeft echter aangetoond dat er noch van oosterse invloed noch van een echte religieuze omwenteling sprake is29 . Het begraven in sarcofagen kwam voordien veel meer voor dan men wel aannam, en dat geschiedde bovendien ook door aanzienlijke Romeinse burgers. Eerder lijkt dit in verband te staan met een veranderde instelling ten opzichte van het stoffelijk overschot. Er zijn aanwijzingen dat men lijkverbranding een crue vorm van scheiding met de overledene ging vinden. Bijzetting in een sarcofaag deed wat minder definitief aan. Bovendien kon een sarcofaag met een passende voorstelling, die herinnerde aan de overledene, versierd worden, een mogelijkheid waarvan al snel dankbaar gebruik werd gemaakt. De verbreiding van het begraven in sarcofagen is waarschijnlijk dus vooral te wijten aan een smaakverandering, en kan dus toch als een nieuwe mode beschouwd worden. Een ander facet is dat de aankoop van zo'n sarcofaag een kostbare aangelegenheid was en dus slechts voorbehouden was aan gefortuneerde burgers. Dit alles leverde een interessant scala van begrafenismogelijkheden op: de keizers lieten zich nog lang, in overeenstemming met de traditie, cremeren (de oudste bewaarde sarcofaag voor een keizer is die van Balbinus uit 238), de rijke burgers lieten zich begraven in sarcofagen, de kleine burgers lieten zich nog lang cremeren, de allerarmsten bleven zich vaak in eenvoudige houten kist of zelfs in doeken laten begraven. De vraag naar het doel van sarcofagen brengt ons op een der meest intrigerende facetten van het bestuderen van sarcofagen, namelijk de eventuele aanwezigheid van een funeraire symboliek in de decoratie van de sarcofaag. De voorstellingen op Hellenistische en ook Etruskische sarcofagen geven wel vaak een onderwerp weer dat op een of andere manier met de dood in verband gebracht kan worden (bijvoorbeeld een slagscène) maar van symboliek, en zeker van een boodschap, is geen sprake. Bij de vele mythologische scènes die op Romeinse sarcofagen kunnen voorkomen valt ook wel een voorkeur voor mythen met een tragische dood, zoals bijvoorbeeld van Meleager of de Niobiden, te constateren, maar daarnaast zien we een steeds duidelijker voorkeur voor mythen waarin de dood juist overwonnen wordt, zoals Alcestis of de twaalf daden van

3

4

3


Heracles 30. Verder worden er mythen afgebeeld die bij nader inzien een diepere symbolische betekenis kunnen hebben. Zo stelt de roof van de dochters van Leukippos door de Dioskouren niet alleen maar deze mythe voor, want de Dioskouren zijn de ochtend- en de avondster en zo nemen zij stervelingen mee naar hun verblijfplaats, de sterrenhemel 31. Sedert Pythagoras was het een algemeen geloof geworden dat de zielen van de overledenen bij de maan en de sterren verbleven en daarom komen de Dioskouren en de Leukippiden al veel eerder in funeraire context voor 32. Een andere mythe die zich goed voor zo'n interpretatie leent is die van de slapende knappe herdersknaap Endymion die door de maangodin Selene bemind wordt. Zo'n Endymionfiguur kan de gelaatstrekken van de overledene krijgen en zo wordt het verhaal van Endymion een metafoor voor het voortleven van de ziel na de dood, in de sterrenwereld 33. Zo zien we dus in de decoratie van Romeinse sarcofagen een heel nieuw element opkomen: deze decoraties kunnen op symbolische wijze een (troostende) boodschap voor nabestaanden en beschouwers gaan inhouden. Met nadruk schrijven we kunnen, want hoewel in een aantal gevallen een funeraire symboliek onmiskenbaar is, is dat in een groot aantal gevallen zeer twijfelachtig en vaak nog steeds omstreden 34 . Onze sarcofaag behoort tot de grote groep van sarcofagen die versierd zijn met Dionysische motieven. Dit genre valt thematisch in een aantal belangrijke groepen te verdelen en de voornaamste daarvan zijn 35: a. scènes betreffende de geboorte en de jeugd van Dionysus, b. Dionysus vindt met zijn 'thiasos', dat is zijn gevolg van satyrs, maenaden en wilde dieren, de slapende Ariadne op Naxos, c. de thiasos , al of niet met Dionysus en Ariadne ( of de overledene); van dergelijke thiasossarcofagen zijn de Dionysische strigilissarcofagen afgeleid; d. de vier seizoenen met Dionysus (of de overledene) in het midden. Al deze motieven uit de Dionysische cyclus (maar dan zonder de voorstelling van een overledene) kwamen al veel eerder in de niet-funeraire kunst voor en blijven altijd een geliefd motief vormen 36. Als god , niet alleen van de wijn maar van de hele vegetatie , en daarmee dus van de steeds terugkerende vruchtbaarheid van de natuur, vormen Dionysus en zijn gevolg natuurlijk wel een toepasselijke decoratie voor sarcofagen 37, maar een meer specifieke symbolische betekenis hoeft er niet achter te schuilen. Anders wordt het echter als de overledene zelf, bijvoorbeeld als Ariadne of als een portret in een medaillon in zo'n Dionysische scène verschijnt (cf het deksel op afb. 5) 38. Hoe moeten we dat interpreteren? Is de overledene tot stof vergaan en maakt zo deel uit van de steeds weerkerende vruchtbaarheid van de aarde, of is hij juist opgenomen in het eeuwig dansende gevolg van Dionysus? Enkele Dionysische sarcofagen geven ons een aanwijzing in een bepaalde richting. Een der belangrijkste is de prachtige sarcofaag uit het graf van Calpurnii Pisones te Rome, die zich thans in Baltimore bevindt (afb. 5) 39. Daarop is Dionysus afgebeeld die samen met zijn thiasos Ariadne vindt. Bij nadere beschouwing blijkt voorts dat de baardige man op wiens schoot Ariadne rust een met veertjes begroeide borst heeft. Deze vreemde eigenschap is karakteristiek voor 'thanatos', de dood. Hier is dus weergegeven dat Ariadne niet zo maar slaapt maar dat ze dood is, en daarmee wordt meteen de poort die links is afgebeeld verklaard als de poort van de onderwereld, waardoor Dionysus en zijn thiasos de onderwereld zijn binnengekomen40. De betekenis van de voorstelling op de sarcofaag in Baltimore is dus onmiskenbaar: Ariadne is gestorven en Dionysus en zijn thiasos zijn afgedaald naar de onderwereld om haar weer tot leven te wekken, waarna zij eeuwig mee zal

4

dansen in zijn thiasos 41. Het is duidelijk dat, wanneer de overledene in de plaats van Ariadne of temidden van de seizoenen verschijnt, dit de beschouwer wil suggereren dat ook de overledene is opgewekt uit de dood en deel uit maakt van de eeuwige thiasos 42. Een dergelijke boodschap moeten ook die sarcofagen suggereren waar de overledene in plaats van Dionysus temidden van de vier seizoenen verschijnt 43. Het blijkt dus dat sommige Dionysische sarcofagen een duidelijke boodschap over het voortbestaan na de dood inhouden. Mogen we daarom, mutatis mutandis, een dergelijke boodschap ook voor de overige Dionysische sarcofagen aannemen? Een bewijs voor of tegen deze veronderstelling valt niet te leveren. We hebben al opgemerkt dat Dionysische motieven geliefd zijn in de gehele niet-funeraire kunst en daarom met evenveel recht als een zuiver decoratief motief uitgekozen kunnen zijn. Bovendien weten we niet in hoeverre bepaalde motieven, al hadden deze oorspronkelijk een funerairsymbolische betekenis, niet tot traditionele decoratieve motieven vervlakten welke, als vanzelfsprekend, door de sarcofaag-beeldhouwers werden aangebracht 44 . Een dergelijke traditionele werkwijze kan het genre van de Dionysische strigilissarcofagen met hun beperkte repertoire doen vermoeden. Anderzijds kan de ongebruikelijke variatie in de hoekpanelen van de sarcofaag in het Allard Pierson Museum, waar links van de centrale groep van Dionysus het groeien van de wijnstok en rechts het persen van de druiven is afgebeeld, misschien op een meer bewuste keuze van de motieven wijzen 45. Ten slotte mogen we ook de rol van de opdrachtgever of koper en de (latere) beschouwer niet vergeten. Al naar gelang zijn persoonlijke instelling kan deze een Dionysische sarcofaag geïnterpreteerd hebben als een boodschap van het voortbestaan van de overledene, of alleen maar als een louter decoratief motief, of als iets dat daar tussenin ligt, een soort symbool van de groeikracht der natuur. Deze ruime, en derhalve vrijblijvende, interpretatiemogelijkheden die de Dionysische sarcofagen de beschouwer bieden verklaart ook dat Dionysische motieven zo gemakkelijk werden overgenomen in de Christelijke funeraire kunst, zoals bijvoorbeeld de druiven oogstende eroten op de zijkanten van de met bijbelse scènes versierde sarcofaag van de consul Junius Bassus uit 359 46. NOTEN

1 Zie OMROL 12 (1931) Suppl. blz. 27 e.v.; F. L. Bastet , Beeld en reliëf (1979) nr. 31. Waarschijnlijk gemaakt in een werkplaats te Keulen in het 3e kwart van de 2e eeuw n. Chr., cf A.W. Byvanck in Mnemosyne 3e serie 3 (1935-36) blz. 88 e.v. De bijzondere plaats van de decoratie van deze sarcofaag vindt daarin zijn oorsprong dat de sarcofaag niet, zoals gebruikelijk, in een graf ruimte was opgesteld maar in d e grond was begrav en. De decoratie wa dus eigenlijk alleen bedoeld voor de overledene, die er overigens niet in was begraven maar wiens as erin was bijgezet. 2 Zie H. Brunsting , de Oud-Christelijke Sarcofaag van Leiden, OMROL 40 (1959) blz. 35 e.v.; Bastet nr. 29. Waarschijnlijk pas vervaardigd in 369-370 om het stoffelijk overschot van de paus ee n aanzienlijker onderkomen te bieden . Voor de wijze waarop de sarcofaag uit Engels bezit naar Nederland gekomen is cf Brunsting in BABesch 50 (1975) blz. 5. 3 Twee fragmenten van sarcofaagdekscls bevinden zich ook in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden : een fragment met zeewezens, Bastet , nr. 58 , en een fragment met een maaltijd en de kop van een windgod, Baste!, nr. 57. In het Allard Pierson Museum bevindt zich bovendien nog een groot fragment van een loculusplaat met zeewezens, inv. nr. 8552, zie J. S. Boersma, A Roman funeral relief in the Allard Pierson Museum, Amsterdam, BABesch 48 (1973) blz. 124 e.v., afb. 1. 4 Cf W. Altmann, Architektur und Ornamentik der antiken Sarkophage (1902) blz. 46 e.v. 5 De vorm van dergelijke sarcofagen lijkt afgeleid te zijn van kuipvormige troggen die ook werden gebruikt voor het persen van druiven. Aan de lange zijden van dergelijke troggen bevonden zich leeuwekoppen die dienden als spuigaten voor het sap van de druiven , cf de ovale trog op het deksel van de sarcofaag op afb. 5, en de trog van onduidelijke vorm op het rechterpaneel van onze sarcofaag, afb. 4. Dergelijke leeuwekoppen komen ook voor op sarcofagen, zie bijvoorbeeld Altmann, afb. 15.


5 6 Zie Altmann, afb. 18. 7 Zie bijvoorbeeld Altmann, afb. 15. 8 Zie R. Turcan, Les sarcophages romain à représentations dionysiaques (1966) blz. 319 e.v. en blz. 80 e.v.; F. Matz, Die dionysischen Sarkophage (1968-1975) blz. 471 e.v. 9 Zie bijvoorbeeld het bekende exemplaar in de St. Pieter te Rome. Matz, nr. 306 pl. 323. 10 CfMatz IV, blz. 472, pltn. 302-303. 11 Cf Matz, blz. 29 e.v. 12 Cf K. Lehmann-Hartleben, E.C. Olsen, Dionysiac sarcophagi in Baltimore (1942) blz. 29 e.v. 13 CfMatz,blz.472,nrs.314,316. 14 Cf bijvoorbeeld Matz, nrs. 39, 40, 229, en een identieke scène op een zijkant van een arcofaag in de Villa Savoia te Rome , Matz, nr. 148, pl. 163. 15 Matz , nr. 37, pl. 34. 36. 16 Matz, nr. 313, pl. 324. 17 Matz, blz. 4 72. 18 Onomlijste, zwevende strigiles komen verder alleen voor op enkele vroeg-Christelijke strigilissarcofagen uit± 300 of wat later, cf F. W. Deichmann, G. Bovini, H. Brandenburg, Repertorium der christlichantiken Sarkophage (1967) nrs. 221,394,760. 19 Matz, nrs. 314 en 316; en enkele vroeg-Christelijke sarcofagen, cf Deichmann, nrs. 725, 744, 760. 20 Cf wat oudere voorbeelden in Matz, nrs. 283, 295 en zelfs een vroeg voorbeeld uit de Severische tijd, Matz, nr. 148 (cf n. 14). 21 Cf de reliëfs van de Decennaliënbasis, B. Andreae, Römische Kunst (1973) afb. 606-609; het tetrarchenmonument te Venetië, Andreae, afb. 148; en het fries van de boog van Constantijn , Andreae , afb. 624-629. 22 Geboorde lijnen die op Christelijke sarcofagen vaker verschijnen, cf Deichmann, nrs. 221, 725, komen slechts in beperkte mate voor op onze sarcofaag. 23 Matz, nrs. 314 en 316. 24 Mogelijk werden deze in eenzelfde werkplaats vervaardigd, zoals uit de boven gesignaleerde stylistische overeenkomsten zou kunnen blijken. 25 Cf voor Romeinse begrafenisgebruiken in het algemeen J. M. C. Toynbee, Death and burial in the Roman world (1971); (R. Reece ed.) Burial in the Roman world (1977). 26 A.D. Nock, Harvard Theo!. Review 25 (1932) blz. 321 e.v. 27 A.W. Byvanck in BABesch 31 (1956) blz. 31 e.v.; 35 (1960) blz. 81 e.v. en met reserves H. Gabelmann , Die Werkstattgruppen der oberitalischen Sarkophage (1973) blz. 5 e.v. 28 R. Turcan in REA 60 (1958) blz. 323 e.v.; Matz, blz. 89; Toynbee, blz. 39 e.v. 29 H. Brandenburg, Der Beginn der stadrömischen Sarkophagproduktion der Kaiserzeit, Jdl 93 (1978) blz. 227 e.v. 30 Cf B. Andreae, Studien zur römischen Grabkunst (1963) resp. blz. 34 e.v. en blz. 49 e.v.

31

Cf F. Cumont, Recherches sur Ie symbolisme funéraire des Romains (1942) blz. 64 e.v., en 122 e.v. 32 Bijvoorbeeld in het zogenaamde hypogaeum van Porta Maggiore uit de tijd van Tiberius, cf F. L. Bastet, Quelques remarques relatives à l'hypogée de la Porte Majeure, BABesch 45 (1970) blz. 160, afb. 11; cf ook een zuid-Italische terracotta plaquette uit de 4e eeuw v. Chr. in het Allard Pierson Museum, inv. nr. 1149. 33 Cumont blz. 248 e.v. Tegen een dergelijke interpretatie H. Sichtermann, Späte Endymion-Sarkophage (1966); cf echter J. Engemann, Untersuchungen zur Sepulkralsymbolik der späteren Kaiserzeit (1973) blz. 28 e.v. 34 Cf bijvoorbeeld A.D. Nock, Sarcophagi and symbolism, AJA 50 (1946) blz. 140 e.v., een uitvoerige recensie van Cumonts grote werk. Sedertdien heeft men zich wat dit gebied betreft voornamelijk met deelonderzoeken beziggehouden. Een recent werk waarin vele argumenten pro en contra op evenwichtige wijze tegen elkaar worden afgewogen is het in de vorige noot genoemde werk van Engemann. Aan de interpretatie van sarcofagen met zeewezens zullen we een volgende keer aandacht schenken naar aanleiding van de loculusplaat met zeewezens in het Allard Pierson Museum, zien. 3. 35 Cf voor deze voorstellingen uitvoeriger de werken van Matz en Turcan. 36 Cfbijvoorbeeld Nock (1942) blz. 168, n. 99. 37 Dionysus werd van oudsher ook wel geïdentificeerd met Zagreus. Het persen van de druiven werd vergeleken met het verscheuren van het lichaam van Dionysus-Zagreus, en de wijn met zijn wedergeboorte, cf Turcan, blz. 532. 38 Cf voorbeelden in Matz, nrs. 268-273. 39 Matz, nr. 216. Lehmann-Hartleben (cf n. 12) blz. 38 e.v. Het deksel hoort niet bij de sarcofaag. 40 Cf Lehmann-Hartleben, blz. 38. 41 Dionysus heeft ook zijn moeder Semele uit de onderwereld gehaald. Cf Turcan, blz. 498 e.v., pl. 11. 42 CfTurcan, blz. 510 e.v. Cf. Engemann, blz. 28 e.v. 43 Cf G. M. A. Hanfmann, The season sarcophages in Dumbarton Oaks (1951) blz. 236 e.v. Turcan, blz. 593 e.v. 44 Cf Engemann, blz. 68. 45 Cf n. 37. 46 Zie Deichmann, nr. 680, pl. 105; cf ook de oogstende eroten op de sarcofaag van Constantina (A. Grabar, Die Kunst des frühen Christentums (1967) afb. 175, en op de plafondmozaïeken van de Santa Constanza te Rome (R. P. Pierre du Bourquet, Art paléochrétien (1970) blz. 133). De overname van het druivenoogstmotief in de Christelijke kunst is wellicht ook gestimuleerd door de toepasselijke symboliek (cf boven n. 37), het bloed van de wijnstok wordt het bloed van Christus, vergoten en herlevend. Cf Turcan, blz. 532 Addendum: Bij het uitpakken van het achterste gedeelte van de sarcofaag bleken de zijkanten ook versierd te zijn en wel met, op ruwere wijze, uitgehakte trofeeën.

5


Opgravingen in Cyprus en de Vrienden door J. Morel

De Vrienden van het Allard Pierson Museum zullen zich herinneren dat op 7 maart 197 8 een lezing werd gehouden door Dr. E. J. Peltenburg over zijn recente opgravingen in het noorden en in het zuidwesten van Cyprus. Als 'pièce de résistance' trad hierbij op een fraai afgietsel van Mabel, de zogenaamde 'Lady of Lemba' (zie afb. 1). De contacten van Peltenburg met J. H. Crouwel en met het Allard Pierson Museum - voortgekomen uit zijn belangstelling voor de steatiet-idooltjes in de collectie Zintilis die het museum in bruikleen heeft 1 - leidden uiteindelijk tot een belangrijke financiële bijdrage van de Vrienden aan Peltenburgs opgravingen in de zomer van 1978. Deze bijdrage maakte het mogelijk dat de opgravings-activiteiten twee weken langer konden doorgaan dan oorspronkelijk begroot was. Bovendien werd ik in de gelegenheid gesteld om aan de opgravingen deel te nemen. Gezien de betrokkenheid van de Vrienden aan dit werk, is mij verzocht hiervan kort verslag te doen 2. Peltenburg verricht al geruime tijd opgravingen in Cyprus. Van 1969 tot 197 5 werkte hij in het noorden van Cyprus, enige kilometers ten oosten van Kyrenia. Het betrof een Neolithische (= Late Steentijd) nederzetting uit ongeveer 49003700 v. Chr. volgens C-14 (= radioactief koolstof met behulp van organische overblijfselen) dateringen. Deze nederzetting , Vrysi genoemd , is van groot belang geweest voor het opvullen van een chronologisch 'gat' in de bewoning van Cyprus tijdens het Neolithicum van 4950 v. Chr. tot 3500 v. Chr. Deze periode werd tot voor kort nog gezien als een tijdsspanne waarin Cyprus niet bewoond zou zijn geweest3 . Peltenburg heeft, mede aan de hand van Vrysi, kunnen aantonen dat althans een deel van Cyprus continu bewoond is geweest vanaf ongeveer 5700 v. Chr .4 . Dit betekent echter niet dat het gehele eiland vanaf die tijd een voortdurende bewoning heeft gekend. Zo was bijvoorbeeld in het Paphos-district (Z.W.-Cyprus, zie kaartje afb . 2) de periode die Neolithicum, Chalcolithicum (= Kopertijd) en Vroege Bronstijd omvat, vrijwel geheel in nevelen gehuld. Men wist wel al geruime tijd dat uit deze omgeving de steatiet-idooltjes , zoals die in de reeds genoemde collectie Zintilis , afkomstig moesten zijn. Hun precieze her-

6

2

1 1 1 1 0

1

1. 3

komst en vondstomstandigheden waren echter meestal totaal onbekend, aangezien ze niet van legitieme opgravingen kwamen. Het is bijvoorbeeld ook nu nog vrij gemakkelijk om met enige kennis van het gebied steatiet-idooltjes en andere voorwerpen direct aan de oppervlakte aan te treffen, vooral na beploeging van het land waarbij veel zaken naar boven gewerkt worden. Juist daarom is het van groot belang dat Peltenburg zijn werkzaamheden naar dit gebied verplaatst heeft, nadat het noorden van Cyprus - als gevolg van de Turkse invasie van het eiland - een voor archeologen vrijwel verboden terrein was geworden. Peltenburgs nieuwe onderzoekingen, vanaf 1976 , hebben reeds een belangrijke bijdrage geleverd aan de kennis van de vroegste bewoning van het Paphos-district en vooral ook een beter inzicht verschaft in de vondstomstandigheden en datering van de steatiet-idooltjes. De plaats waar Peltenburg in 1976 zijn onderzoek begon werd mede bepaald door de ontdekking, het jaar daarvoor, van een bijzonder gaaf bewaard gebleven aardewerk kan tijdens werkzaamheden aan een irrigatie-systeem . Deze irrigatiewerkzaamheden leiden echter niet alléén tot ontdekkingen, maar vormen ook een grote bedreiging voor de vele historischarcheologische overblijfselen van het Paphos-district. Sinds de 'splitsing' van Cyprus in een noordelijk Turks deel en een zuidelijk Grieks deel, wordt o .a. het Paphos-district in een zeer snel tempo ontgonnen, vooral ten behoeve van bananenplantages. Daar deze op terrassen worden aangelegd is de grondverplaatsing langs de heuvelhellingen zodanig, dat alle eventueel in de grond aanwezige - resten vrijwel volledig verwoest worden . Het is dus van het grootste belang dat de lager gelegen gedeeltes van de kustgebieden bij Paphos zo


grondig mogelijk onderzocht worden, vóór het te laat is. Ook hierom bepaalt Peltenburg zich niet alleen tot opgravingen, maar laat hij ook het gebied tot in de wijde omtrek 'surveyen' (= opzoeken en verzamelen van vondsten van allerlei aard aan de oppervlakte). Dit gebeurde door vrijwel alle leden van Pe!tenburgs team tijdens de vrije zaterdagen. De bedoeling hiervan was om nieuwe nederzettingen te lokaliseren en evalueren en een beter overzicht te krijgen van enkele reeds bekende vindplaatsen . Een prachtig voorbeeld van zo'n oppervlaktevondst is het steatiet-idooltje uit Mosphilia (zie kaartje , afb. 2 en 3). Mosphilia ligt globaal tussen de twee opgravingsgebieden van Pel ten burg en wordt ieder jaar opnieuw 'gesurveyed ' . Helaas lijkt een groot deel van deze, aan de vondsten te oordelen, zeer belangrijke nederzetting door de ontginningen verwoest. Hoofddoel bleven toch de opgravingen zelf. Behalve Peltenburg, bestond het team in 1978 nog uit ongeveer twintig personen. Hierbij waren enkele deskundigen voor het onderzoek aan aardewerk, vuursteen materiaal, menselijke gebitten, dierbotten, zaden etc. De rest werd gevormd door in hoofdzaak - Schotse studenten en ikzelf als enige 'buitenlandse' student. Mijn taak bestond, buiten het opgraven zelf, o.a. uit het uitzetten van nieuwe opgravingsputten, het meten voor en het tekenen van een overzichtskaart en hoogtelijnenkaart van het opgravingsterrein en het tekenen van een deel van het aardewerk. Als extra mankracht werd verder nog een dozijn lokale schooljongens aangetrokken. De opgravingen omvatten twee nederzettingen van totaal verschillend karakter. Mylouthkia (zie kaartje afb . 2), vlak bij zee gelegen, leverde geen enkele aanwijzing voor architectuur. Het bestaat uit een grote hoeveelheid (29 tot nu toe), meestal rechthoekige, kuilen die meer dan twee meter diep kunnen zijn. Deze bevatten een enorme hoeveelheid vondsten. Het is mogelijk dat het hier gaat om een tijdelijk kamp voor vissers. Volgens beschikbare C-14 dateringen stamt Mylouthkia uit ongeveer 2800 v. Chr . Lemba (zie kaartje afb. 2), de andere opgraving, bevat juist wèl veel architectuur . Het bestaat uit twee nederzettingen die ongeveer 200 meter uit elkaar liggen en ná elkaar bewoond kunnen zijn geweest. Het wordt voorlopig op minstens 500 jaar jonger dan Mylouthkia geschat. De westelijke nederzetting van Lemba, Area I genoemd, heeft tot nu toe vijf ronde stenen huisbases opgeleverd. De bewaard gebleven muurresten zijn vrij slordig uit kleine stenen opgestapeld. Het is in een van deze huizen dat in 1976 Mabel (afb. 1) gevonden werd . In de helling

A PM

N~

10.15/ 4

5

van een iets hoger liggend rotsplateau zijn enkele graven gevonden, alle zonder bijgaven. De enige uitzondering in Lemba betrof een graf met een steatiet-idooltje. Hierin werd echter geen skelet aangetroffen zodat men zich af kan vragen of het idooltje niet als een soort plaatsvervanger gediend heeft! Het oostelijke gebied , Area II , bestaat voorlopig uit zes, eveneens ronde huizen. Deze zijn echter veel zorgvuldiger gebouwd en over het algemeen iets groter , tot 9 meter in doorsnee. Over het algemeen hebben ze een gepleisterde vloer met in het midden een ronde verhoging met paalgat van een hare', cementachtig materiaal . Het huis dat afgelopen zomer is opgegraven bevatte ook nog enige U-vormige , gepleisterde

3

7


bassins en veel aardewerk en andere vondsten (zie afb. 4). Verder is in Area II, direct ten noorden van de huizen een gebied vrijgelegd, bestaande uit meerdere 'vloeren' boven elkaar. In plaats van ronde muurresten bevinden zich hier honderden kleine en grote paalgaten. Bovendien stonden er enkele zeer grote vaten, voor de helft in de 'vloeren' ingelaten. Peltenburg is geneigd om hier de houten voorlopers van de ronde stenen huizen te zoeken. Het is mijns inziens waarschijnlijker dat het hier om een zogenaamd 'werkgebied' gaat met, meest tijdelijke, houten constructies, daar de vloeren voor een deel enkele lagen hóger liggen dan het niveau van de huizen en dus moeilijk allemaal ouder kunnen zijn dan de huizen. De verschillende opgravingen hebben een grote hoeveelheid materiaal opgeleverd. Vaak werden per dag zo'n 1000 scherven geborgen. Het Allard Pierson Museum heeft een kleine selectie aardewerk van Peltenburg gekregen, waarvan hier twee versierde potscherven zijn afgebeeld (afb. 5 afkomstig uit Mylouthkia). Dit handgevormde aardewerk - het zogenaamde 'red-on-white' - is vrijwel het enige versierde aardewerk uit de opgravingen en daarom van belang voor dateringen. De rode beschildering is op een witte ondergrond aangebracht. Gelijksoortig aardewerk lijkt 2000 jaar lang geproduceerd te zijn geweest, waarbij het Lemba-aardewerk in de laatste fase thuis zou horen. Opvallend zijn verder zeer grote, meloenvormige vaten. De fraaiste vondsten zijn zonder twijfel de idooltjes (zoals op afb. 3) en andere kleine voorwerpen van steatiet. Daar deze niet uit Cyprus mogen worden uitgevoerd, heeft het museum hiervan geen exemplaren toegestuurd gekregen. Wel heeft het museum van Peltenburg twee stenen voorwerpen ontvangen: een bijl (afb. 6) en een stamper (afb. 7). Vooral de bijlen, die bij tientallen zijn aangetroffen, zijn vaak prachtig geslepen. Ook stampers, mortels en wrijfstenen zijn meestal met grote zorg uit dit basaltachtige materiaal vervaardigd. In vergelijking hiermee doen vuurstenen werktuigen als messen, schrabbers e.d. vaak erg slordig en primitief aan. Daar Lemba en

Mylouthkia aan het eind van de Steentijd/begin van het Chalcolithicum gedateerd worden, is het niet verwonderlijk dat er vrijwel geen metalen voorwerpen gevonden zijn, slechts één lang slank beiteltje en één vishaakje, beide van koper. Naalden, priemen en kralen werden uit been of hertshoorn gemaakt. Het is verheugend dat de Vrienden een daadwerkelijke bijdrage hebben geleverd aan archeologisch veldwerk, ondanks de magere indruk die de vondsten uit Peltenburgs opgravingen in het bezit van het museum kunnen maken. Te vaak nog worden voor publieke en privé-verzamelingen voorwerpen - hoe fraai ook - verworven waarvan de herkomst dubieus is. Dit vermindert de wetenschappelijke waarde van deze voorwerpen in aanzienlijke mate. Het verwerven van voorwerpen van onbekende herkomst is bovendien een grote stimulans voor klandestiene opgravingen en dus een ramp voor de archeologie. Alleen al daarom is het te hopen dat de Vrienden in de toekomst vaker bijdragen aan actief opgravingswerk zullen leveren, daarmee de wetenschap een grote dienst bewijzend.

1 J

NOTEN 1 Zie: J. H. Crouwel, "Cyprus en het Allard Pierson Museum I", Mededelingenblad van de Vrienden van het Allard Pierson Museum, No. 15 (1978), blz. 7-8 en J. H. Crouwel, "Cypriote Chalcolithic Figurines in Amsterdam", Report of the Department of Antiquities, Cyprus 1978, blz. 31-38, Pl. IV-VI. 2 Voor uitgebreidere informatie: V. Karagheorghis, "Chronique des Fouilles à Chypre", Bulletin des Correspondenees Helléniques, No. 101 (1977), blz. 740, en No. 102 (1978), blz. 102; E. J. Peltenburg, "Chalcolithic Figurine from Lemba, Cyprus",Antiquity, No. 51 (1977), blz. 140-3; E. J. Peltenburg et al., "Lemba Archaeological Report", Levant, No. 11 (in druk). 3 Zie o.a.: H. W. Catling, "Cyprus in the Neolithic and Bronze Age Periods" in Cambridge Ancient History, rev. ed. Fase. 43, Cambridge (1966); H. G. Buchholz en V. Karageorghis, Prehistorie Greeee and Cyprus, Londen (1973). 4 E. J. Peltenburg, "Ayios Epiktitos Vrysi", Proceedings of the Prehistorie Society, No. 41 (1975), blz. 17-45, Pl. III-VI.

Illustraties: tekeningen J. Morel; foto E. J. Peltenburg.

7

APM. •1 10.0H 0

S'c..H .

l

I APN

N~

10 .0;t8 2

8

.Jc.M


De Hettieten door J. de Roos

Zelfs de meest getrouwe bezoeker van het Allard Pierson Museum, waartoe toch vele 'Vrienden' zich zullen mogen rekenen, zal het misschien nooit zijn opgevallen dat een van de belangrijkste volkeren uit de geschiedenis van het Nabije Oosten, de Hettieten, slechts met één voorwerp in het museum vertegenwoordigd is: in de rechter vitrine van kast 56 kunt u onder nr. 7 een bronzen hanger zien die volgens het bijschrift van de Hettieten afkomstig is. Ik ben verheugd dat de redactie van dit blad het desondanks van belang acht dat de Hettieten in een wat ruimere kring de aandacht krijgen die zij ongetwijfeld verdienen. Ter inleiding enkele fragmenten uit Hettitische teksten. Het eerste fragment komt uit de gebeden van koning Mursilis Il om een epidemie te verdrijven: 'Stormgod van Hatti, mijn meester. Goden, mijn meesters, het is zo: men zondigt steeds . En ook mijn vader heeft gezondigd en het woord van de Stormgod van Hatti overtreden . Ik heb echter helemaal niet gezondigd. Het is zo: de zonde van de vader treft de zoon . En ook mij heeft de zonde van mijn vader getroffen. Ik heb het tegenover de Stormgod van Hatti, mijn meester, en de goden, mijn meesters , bekend: het is zo, wij heb ben het gedaan. En omdat ik de zonde van mijn vader bekend heb, moge daarom nu voor de Stormgod van Hatti , mijn meester, en voor de goden, mijn meesters, de ziel weer tot rust komen . En vat weer sympathie voor mij op en verdrijft de plaag uit Hatti-land. En laten deze brooddragers en wijnschenkers waarvan ik er nog maar weinig over heb, niet ook nog voor mij sterven.' Dan een gedeelte uit een lange tekst die aanwijzingen voor de training van paarden geeft. Het ochtend- en middagprogramma van de l 77ste dag : 'Zodra men de paarden de volgende morgen te drinken heeft gegeven, spant men ze weer in . Dan laat men ze 2 mijlen draven en over 7 velden galopperen ; terug laat men ze een halve mijl draven en over 10 velden galopperen. Zodra men ze uitspant, worden ze verzorgd en krijgen ze te drinken. Dan gaan ze de stal in, en geeft men ze l hand hooi en een halve hand koren, door elkaar. Zodra het middag is, spant men ze weer in. Dan laat men ze een halve mijl draven en over 15 velden galopperen. Als men ze dan uitspant, krijgen ze te drinken en gaan ze de stal in , waar men ze aan de paal zet. Dan krijgen ze l hand hooi.' Het derde citaat komt uit het Hettitische wetboek en luidt als volgt: 'Als iemand een vrij man in een jaar met hongersnood in leven houdt , dan geeft die de waarde van de levensmiddelen terug . Wanneer het een onvrije is dan geeft hij tien sikkel zilver terug. Als iemand tegels steelt dan geeft hij tweemaal zoveel als hij gestolen heeft terug. Als iemand stenen van een fundament steelt, geeft hij voor iedere twee stenen er tien terug.

Als iemand een wijnstok afsnijdt, dan neemt de betrokkene de afgesneden wijnstok voor zich maar een goede wijnstok geeft hij aan de bezitter van de afgesneden wijnstok en die oogst daarvan tot zijn eigen wijnstok weer groot is.' Tenslotte een gedeelte uit een brief van koning Hattusilis III aan een koning van Assyrië. 'Wat betreft dat goede ijzer waar u mij over schreef, goed ijzer heb ik op het ogenblik niet in mijn opslagplaats in Kizzuwatna. Dat het een slechte tijd is voor de ijzerproduktie heb ik al geschreven . Er zàl goed ijzer gemaakt worden maar het is nu nog niet klaar. Als het klaar is zal ik het u zenden. Maar ik zal nu vast een ijzeren lemmet van een dolk meesturen.' Vier citaten uit verschillende soorten teksten door Hettieten geschreven, althans ... gedicteerd . Afgezien van het feit dat deze citaten een inzicht geven in de graad van ontwikkeling van de maatschappij waar de ontwerpers van deze teksten in leefden , leren ze ons bijvoorbeeld ook het volgende: de Hettieten kenden als hoogste gezagsdrager de koning die in een dienaar/ meester verhouding tot de goden stond . Er was een goede verhouding, die bovendien duidelijk wettelijk geregeld was, tussen meester en dienaar, waarbij het eerlijk opbiechten van een foutieve daad hoog gewaardeerd werd. Er was een professioneel georganiseerde paardenschool waar door deskundigen paarden werden opgeleid om in het leger in staat te zijn de destijds beroemde (en voor de vijand beruchte) snelle strijdwagens te trekken. Er was een wetboek waarin tot in details allerlei delicten van een strafmaat werden voorzien. Uit de citaten blijkt bovend ien dat de landbouw bij de Hettieten een belangrijke rol speelt. Het Hettitische land was verder kennelijk beroemd om zijn goede kwaliteit ijzer dat natuurlijk een uiterst belangrijke rol ging spelen , nadat het stenen en daarna het bronzen tijdperk waren afgesloten. Bovendien vroeg blijkbaar de beroemde Assyrische koning aan de Hettitische koning om ijzer. 'Wie zijn dan die Hettieten , en waarom heb ik daar nooit eerder van gehoord àls ze zo belangrijk waren?' zult u zich terecht afvragen. Naast Assyrië en Egypte was het Hettitische rijk de derde grote macht van het Nabije Oosten, met als bloeitijd de periode van 1800 tot 1200 v. Chr . Dat Assyrië en Egypte wèl algemeen bekend zijn geworden heeft verschillende oorzaken waarvan de belangrijkste wel zal zijn dat die beide macht en veel langer dan de Hettieten een rol hebben gespeeld in de wereldgeschiedenis : 600 jaar voor de Hettieten tegenover een paar duizend jaar voor Assyrië en zeker 6000 jaar (namelijk tot op heden) voor Egypte. Ook de omstandigheid dat West-Europa al relatief lang geleden kennis maakte met de overblijfselen van de Assyrische en Egyptische bouw- en beeldhouwkunst , terwijl ook de schriftelijke overlevering van zowel Assyriërs als Egyptenaren veel vroeger toegankelijk was dan die van de Hettieten, is van invloed op de onbekendheid van de Hettieten .

9


Het lezen van de Egypt:Jche hiëroglyfen werd na het ontcijferen van de steen van Rosette mogelijk in 1822 terwijl het Assyrische spijkerschrift sinds 1840 gelezen kon worden (dankzij de ontcijfering van het Perzische spijkerschrift door de Duitser Grotefend). De eerste teksten in het spijkerschriftHettitisch waren eigenlijk al in 1887 in El Amarna in Egypte gevonden, maar het vertalen van deze - naar later bleek Hettitische teksten was pas goed mogelijk sinds 1915. De kern van het Hettitische rijk moet worden gezocht (en dat is eigenlijk letterlijk te nemen) in midden-Turkije, ten Oosten van het huidige Ankara, in de bocht van de rivier de Halys. Daar lag de hoofdstad Hattusa bij het tegenwoorC:ige dorp Bogazkale. De resten van Hattusa waren in 1834 al gezien door de Franse reiziger-onderzoeker Texier die ze in 183 9 beschreef in zijn "Description de l' Asie Mineure", zonder te weten met welke stad hij te maken had en door welk volk die was aangelegd. a Texier bezochten verschillende. andere onderzoekers ook de onbekende stad zoals de Duitsers Barth en Mordtmann, de Engelsman Hamilton en de Fransman Perrot. Ze begrepen allen dat het niet de resten konden zijn van een stad die aan Grieken, Romeinen, Assyriërs of Egyptenaren moest worden toegeschreven. Daarvoor weken de vormen van de aangetroffen beeldhouwwerken bij de stadspoorten, en de hiëroglyfische lettertekens op een inscriptie in de stad en bij een heiligdom buiten de stad, teveel af van wat er al van de andere bekende volken uit de oudheid aangetroffen was. Gelukkig kwamen er nieuwe gegevens uit Hama, in oordSyrië, waar in 1872 de Engelsman Wright op verschillende stenen dezelfde soort tekens ontdekte als die welke in Hattusa waren gezien. Vóór hem waren eigenlijk diezelfde tekens al gesignaleerd door Burckhardt in 1812, die het 'een soort hiëroglyfen noemde, hoewel afwijkend van de Egyptische hiëroglyfen', maar geen geleerde heeft met die opmerking verder iets gedaan. Vierenzestig jaar later pas kregen de tekens de belangstelling die zij eigenlijk veel eerder verdienden, toen in 1876 Archibald Henry Sayce durfde te veronderstellen dat het schrift van de Hettieten afkomstig was. Toen er ook nog in West-Turkije, in Ivriz, een afbeelding op een rots werd ontdekt met daarbij hetzelfde schrift dat al eerder in Hattusa èn in Hama was gezien, en daarnaast in Alaça Hüyük en op andere plaatsen in Turkije vergelijkbare ontdekkingen werden gedaan, wist Sayce in 1880 zeker dat de sculpturen èn het hiëroglyfenschrift aan de Hettieten moesten worden toegeschreven. Maar hoe kwam hij erbij om alles aan de Hettieten toe te schrijven? Sayce deed dat op grond van het feit dat er belangrijke teksten bekend waren waarin sprake was van de Hettieten. Ten eerste: de bijbel, waar o.a. in Genesis (XV 19-21) en Numeri (XIII-29) sprake is van Hettieten als een van de stammen die in Palestina woonden. Verder wordt er in 2 Kronieken 1 beschreven hoe Salomo paarden uit Egypte aan koningen van de Hettieten verkocht, en in 2 Kronieken 7 spreekt men in het Syrische leger bij het horen van het lawaai van paarden en strijdwagens over de koningen van de Hettieten en de Egyptenaren. Ten tweede: in Egyptische teksten werd gesproken over het volk der Kheta waar Tuthmosis III na het overtrekken van de Euphraat mee in botsing kwam, en met wie farao Ramses II in de l 3e eeuw v. Chr. bij Kade~ een geweldige slag heeft geleverd, waarvan het verslag in het Egyptisch staat vermeld op de wanden van een tempel in Karnak. (Daar staan overigens ook de enige duidelijke afbeeldingen van Hettieten uit de l 3e eeuw op de muren.) Een verslag van Hettitische kant hebben wij niet over. Ten derde: in Assyrische teksten van± 1100 v. Chr. werd Syrië 'het land van Hatti' genoemd. De belangstelling voor opgravingen in Hattusa was gewekt en toen vanaf 1907 bij

10

Duitse opgravingen in het eerder genoemde Bogazkale, de hoofdstad Hattusa dus, zo'n tienduizend kleitabletten met spijkerschrift boven de grond kwamen in dezelfde taal waarin ook die twee onleesbare tabletten uit El Amarna in Egypte geschreven waren, maar daarnaast ook in het Assyrisch geschreven tabletten die wèl al gelezen konden worden, toen wist men zeker dat men hier met de hoofdstad van het land Hatti te maken had, het land van de Hettieten. Dankzij de vondst van zo vele Hettitische spijkerschriftteksten kon de Tsjech Hrozny in 1915 al de eerste Hettitische grammatica publiceren en aantonen dat het Hettitisch een Indo-europese taal was en geen Semitische, zoals het Assyrisch en het Egyptisch bijvoorbeeld. In 1940 publiceerde J. Friedrich een meer definitieve grammatica met syntaxis, die thans nog in gebruik is; maar er komen door nieuwe tekstvondsten nog steeds nieuwe gegevens bij zodat er over een aantal jaren een nieuwe grammatica met syntaxis zal moeten worden geschreven. Over wat voor genres spijkerschriftteksten beschikken wij nu? 1. De historische teksten, waaronder verslagen van veldtochten van Hettitische koningen, verdragen met andere landen, brieven van de Hettitische koning of koningin aan de vorsten van andere landen zoals Egypte of van bijvoorbeeld stadhouders aan de Hettitische koning met een verzoek om hulp àf om de koning op de hoogte te stellen van de stand van zaken in een gebied dat vaak veraf gelegen was van de Hettitische hoofdstad. Heel belangrijk in dit genre is ook het politieke testament van koning Hattusilis I waarin veel informatie over het leven in zijn tijd gegeven wordt. 2. Administratieve en technische teksten, waaronder bijvoorbeeld oorkonden over schenkingen van land, inventarislijsten, en instructies voor ambtenaren (dit zijn teksten die een goed inzicht geven in de dagelijkse taak van een burgemeester, van poortwachters, paleiswachters, koks, garnizoenshoofden, tempeldienaren en vele anderen). Ook behoren tot dit genre de belangrijke paardenteksten waaruit u hierboven een citaat heeft kunnen lezen.


3. Juridische teksten. De vertaalde passages uit de Hettitische wetstekst kunnen niet voldoende zijn om een goede indruk te krijgen van de uitgebreide wetgeving die de Hettieten kenden. Tot de juridische teksten behoren ook de verslagen van rechtszittingen waarin functionarissen zich verdedigen tegen bijvoorbeeld aanklachten wegens verduistering van waardevolle voorwerpen. 4. Waarschijnlijk wel de meest uitgebreide groep, de godsdienstige teksten, waartoe ook de mythologische teksten gerekend kunnen worden, maar die voor het grootste gedeelte bestaan uit beschrijvingen van godsdienstige feesten, orakelvragen, rituelen, gebeden en geloften. Er zijn vele orakelvragen overgeleverd waar naar de oorzaak van goddelijke toorn wordt geïnformeerd en waar dan soms uit het antwoord blijkt dat de god niet geheel volgens voorschrift behandeld is. Om de god weer gunstig gestemd te krijgen of om een speciale gunst van hem gedaan te krijgen, werden er door de koninklijke familie en soms ook door anderen, geloften gedaan die ingelost zouden worden als de god zijn werk goed gedaan had. Deze gelofte-teksten geven ook informatie over de tempeladministratie omdat de 'economisch directeur' van de tempel er uiteraard in geïnteresseerd was of de koningin die bijvoorbeeld beloofd had een gouden beeld van de koning te zullen schenken als deze nog lang zou mogen leven, haar gelofte wel gestand had gedaan! Vaak werden deze geloften tijdens dromen gedaan. Een voorbeeld van zo'n tekst is de volgende: 'Toen (de god) Gurwasu in een droom tot de koningin sprak: wat betreft deze aangelegenheid die je ter harte gaat betreffende jouw echtgenoot: wel, hij zal (blijven) leven en ik zal hem 100 jaren geven, heeft de koningin in de droom de volgende gelofte gedaan: wanneer gij voor mij zo handelt en de koning, mijn echtgenoot, blijft leven, dan zal ik voor de godheid 3 voorraadvaten neerzetten: één met olie, één met honing en één met vruchten'. In plaats van het hier genoemde voedsel, waar de god heerlijk van kon eten, konden er bijvoorbeeld ook allerlei kostbare voorwerpen worden beloofd: een zilveren staf, een gouden wagen, een gouden beeld van de koning of een zilveren rhyton in de vorm van een dier dat het sym hooi was van de betreffende god. Op afbeelding 1 ziet u zo'n vaas in de vorm van een hert. De meeste van de bovengenoemde teksten werden in de grote tempel (afb. 2) of in het paleisarchief bewaard. Gelukkig was de koninklijke bibliotheek goed gedocumenteerd zodat we beschikken over tabletten met daarop de korte inhoud van de teksten die op een bepaalde plank bewaard zijn geweest, en ook vaak over de namen van de schrijvers van de tabletten, zodat wij nu zo'n 90 namen van beroepsschrijvers kennen. Het opbergsysteem van de tabletten moest natuurlijk aan heel speciale eisen voldoen omdat de Hettieten niet, zoals wij met één oogopslag op de rug van een boek dat in de kast staat de titel lezen, op dezelfde wijze even snel de inhoud van een tablet konden zien om zo het gezochte tablet van de plank te halen. Een voorbeeld van zo'n korte inhoudsomschrijving is het volgende:'! tablet (u ziet, ook de omvang van de teksten werd aangeduid). Wanneer in een tempel of op een andere heilige plaats een onreinheid wordt geconstateerd is dit het ritueel'. En dan ligt dus het tablet met het voorgeschreven ritueel daar vlakbij. Een ander voorbeeld: '32 tabletten: over het puruli-feest van Nerik. Klaar. Maar de eerste tabletten zijn niet in orde'. Kennelijk is dus bij een inventarisatie gebleken dat de eerste tabletten niet compleet waren afgeschreven of dat er een paar niet aanwezig waren! Vaak hebben wij wel de korte-inhoud-tabletten over maar niet de bijbehorende tabletten met de complete tekst. Bij de verwoesting van het paleis door brand zijn natuurlijk ook alle

2

houten stellingen verbrand, waardoor de door de hitte - voor ons gelukkig - nog eens keihard gebakken kleitabletten allemaal door elkaar op de grond terecht gekomen zijn, maar bovendien nog beschadigd zijn door het instorten van het gehele gebouw. Naast klei, waren ook brons, hout, lood en steen materialen waarop geschreven werd, maar alle houten tabletten zijn uiteraard vergaan. Wij moeten ons realiseren dat de Hettieten zich van twee soorten schrift hebben bediend: het spijkerschrift en het hiëroglyfenschrift en dat nog wel gelijktijdig, waarbij de grotere hiëroglyfen vooral voor monumentale inscripties gebruikt werden op rots in de natuur, op steen en misschien op hout. Het ontcijferen van de hiëroglyfen is nog in volle gang en zeer onlangs, in 1974, is een belangrijke wijziging voorgesteld in de lezing van verschillende tekens. Van nog recenter datum is de herkenning van het woord dat een ontkenning weergeeft. Van de meeste hiëroglyfische teksten is de inhoud nu wel globaal te begrijpen, maar nog talloze tekens, woordbetekenissen en zinsconstructies zijn tot op heden niet verklaard. Het relatief geringe aantal teksten is daar mede schuldig aan. In elk geval is het zeker dat alle teksten die van na de val van 3

11


het eigenlijke Hettitische rijk rond 1200 v. Chr. dateren, in hiëroglyfen werden geschreven door afstammelingen van de 'khissieke' Hettieten die naar het Oosten zijn gedreven . Diè inscripties op steen in het huidige Oost-Turkije en NoordSyrië, die tussen 1100 en 700 v. Chr. te dateren zijn, zijn de teksten waardoor de aandacht van vroege reizigers als Burckhardt en Wright werd getrokken en die de aanleiding vormden tot het ontdekken van de kleitabletten in Hattusa. Uit deze latere tijd dateren ook de vermeldingen van Hettieten in de bijbel. Of de Hettieten het hiëroglyfenschrift wellicht aan een buurvolk, de eveneens Indo-europese Luwiërs te danken hebben, is nog onzeker. Gezien de taalkundige overeenkomsten met het Luwisch wordt de laatste tijd liever van Hiëroglyfen-Luwisch dan van Hiëroglyfen-Hettitisch gesproken, maar het zal nog geruime tijd duren (als het ooit zal lukken!) voordat de relatie tussen de verschillende talen nauwkeurig zal zijn vastgesteld . Als vergoeding voor het feit dat u hierboven niets heeft kunnen lezen over Hettitische kunst, geeft afbeelding 3 een scherf van een reliëfvaas weer , waarop , heel fijn gekarakteriseerd, een harp(?)speler staat afgebeeld. Voor een uitgebreide kennismaking met wat de Hettieten, onze oudste voorouders , hebben nagelaten, moge ik u verwijzen naar het schitterende museum in Ankara . Bij de voorbereiding van uw reis bent u hartelijk welkom in de bibliotheek van de afdeling West-Azië van het Archaeologisch-Historisch Instituut. Omdat de Hettieten de verbinding vormen tussen de Oostelijke Wereld en de beschavingen van het Middellandse Zee gebied, zijn zij uw belangstelling ten volle waard! LITT ERATUUR Akurgal , E. en M. Hirmer , Die Kunst der Hethit er, 1961. Gurne y, 0. R., The Hittites , 1964 . Walser , G. (ed.), Neuere Hethit erfor schung , in: Histori a Einzelschri ften 7, 1964. Bittel, K., Die Hethiter , 1976.

J. L. PIERSON Azn t Het Bestuur geeft met diep leedwezen kennis van het plotseling overlijden op 20 februari j.l. van het Lid van Verdienste der Vereniging , de heer J. L. Pierson Azn te Leersum. De heer Pierson behoorde tot de oprichters van de Vereniging en heeft daarvan het penningmeesterschap vervuld tot zijn aftreden als bestuurslid, om gezondheidsredenen , in de algemene vergadering van oktober 1977. De Vereniging heeft aan deze uiterst beminnelijke figuur zeer veel te danken en lijdt door zijn heengaan een zwaar verlies.

12

Een koptischkinderjurkje door K. H. Aben

Als onderdeel van de samenwerking tussen de Stichting Culturele Raad Noord-Holland en het Allard Pierson Museum te Amsterdam is mij gevraagd om het conserveren te beschrijven van het Koptisch kinderjurkje , dat deel uitmaakt van de collectie weefsels in het museum . Het kinderjurkje heeft het model van de tuni ca, zoals deze in de Koptische tijd zowel door mannen als door vrouwen en kinderen werd gedragen . Deze kindertunica wijkt af van het meest gangbare patroon , omdat hij in model is gemaakt en niet, zoals het meest gebruikelijk was, met mouwen en al uit één stuk geweven . Dit jurkje heeft ingezette mouwen en aan weerszijden zijn met Engelse naden uitlopende geren ingezet (zie tekening 1 en 2). De halsopening is half cirkelvormig uitgesneden en op de linker schouder is een splitje aangebracht. Het splitje kan worden gesloten doordat men aan de voorzijde een stukje van de stof met een draad tot een bolletje heeft afgebonden en aan de overzijde van het split een lusje heeft aangezet , dat om dit bolletje past . De halsopening en een gedeelte van de mouweinden zijn versierd met een galon . Dit afzet band is geweven in een gobelintechniek , met een linnen schering en een wollen inslag . Het patroon bestaat uit geometrische motieven in rood , beige en groen. De stof van het jurkje zelf is geheel uit wol geweven en het patroon bestaat uit een soort gemêleerde serge van een blauwgroene kleur . Wanneer men het weefsel met een loupe bekijkt , valt het op dat een blauwe en een gele draad verweven zijn , die door optische menging de voor ons oog blauw-groene kleur veroorzaken. Vergelijkbare tunica's of fragmenten daarvan worden bewaard in Londen , Berlijn en Parijs. Zij kunnen worden gedateerd in de vijfde tot de negende eeuw na Christus.

De conservering van het jurkje Zo op het oog is het jurkje betrekkelijk goed bewaard gebleven , maar toch is door veroudering de sterkte van het weefsel erg teruggelopen . In de loop van de tijd is de buig- en de trekweerstand van de draad tot een minimum teruggebracht. Hierdoor zijn op verschillende plaatsen gleeën en gaten in de stof gevallen. Aan de voorzijde en aan de gehele achterzi j de bevinden zich vlekken in de stof van een vettige lichtbruine transparante substantie. Op de plaats van de vlekken is het weefsel verkleurd en erg breekbaar , soms zelfs al gebroken . Deze vlekken zouden door lijkvocht ontstaan kunnen zijn. Om het verzwakte weefsel niet verder te beschadigen is voor een uiterst sobere conserverende behandeling gekozen. De stof werd tijdelijk met een nylon-gaas weefsel afgedekt , zodat door de mazen van dat gaas het losliggende stof en vuil weggezogen konden worden . Met het schuim van een neutrale zeep en een reinigingsversterker in water is het weefseloppervlak zoveel mogelijk schoongemaakt door er met een sponsje voorzichtig op te drukken . Wat extra aandacht is hierbij aan het galon besteed , omdat zich hierop het meeste vuil bevond.


in het Allard PiersonMuseum

Schem.11M:ht tekening 111nde u111.; w,n htt kopt,~t

1----

k1ndlr1u1k11 (11

ACHTERPAND ------1

00

....

Scr,.em,11,1Ch1 ttken,ng wan 1'111 ~troon

AtHHl'-PAND

CT

nn hit koot,M:he k1nde,1urkr- 12)

Om het breekbare weefsel te steunen is van een halfwollen stof een kopie van het jurkje gemaakt, die in het origineel geschoven is. Voor deze kopie is het patroon van het jurkje gevolgd. De kleur van het gebruikte weefsel is zoveel mogelijk gekozen bij de gemiddelde kleurindruk van de echte stof. De maten zijn enkele millimeters krapper genomen om de kopie zo min mogelijk te laten opvallen. Om het dragend vermogen van het steunweefsel te vergroten, is het jurkje met een onopvallende katoenen draad op deze drager vastgezet. De vrij grove steken van ca. 3 mm, waarvoor bij deze wollen stof is gekozen, zijn vooral geconcentreerd op de randen van de gaten en scheuren in het weefsel. Het modelé in het patroon van het jurkje is tenslotte nog ondersteund door de plooien op te vullen met zuurvrij vloeipapier, wat ook het breken yan de stof op die plaatsen voorkomt. Besloten is het jurkje nu liggend te exposeren op een met stof beklede horizontale sokkel. Dit vergemakkelijkt eventueel transport en voorkomt mechanische schade aan het object. Om de schade aan de stof door invloed van licht zoveel mogelijk tegen te gaan is de verlichting in de vitrine tot een minimum beperkt en zijn de TL-buizen afgeschermd met een filter, dat de schadelijke u.v.-stralen uit het licht niet doorlaat. Naar ik hoop zal deze werkwijze de levensduur van dit toch wel zeer bijzondere Koptische kinderjurkje verlengen, zodat nog velen van de schoonheid ervan kunnen genieten. LITERATUUR

VOORPAND

Griekse, Etruskische en Romeinse kunst in het Allard Pierson Museum, 1976. De Koptische periode. P. du Bourguet, Catalogue des Étoffes Coptes , Musée du Louvre, 1964. J. E. Leene, Textile Conservation, 1972. H. Kühn, Erhaltung und Pflege von Kunstwerken, 1974.

13


Een miniatuurportretje Bij een bezoek aan het museum zullen in het algemeen de grote voorwerpen de aandacht trekken. Maar het is juist een van de eigenschappen van ons uit particuliere verzamelingen voortgekomen museum, dat het bijzonder rijk is aan voorwerpen die klein van formaat en hoog van kwaliteit zijn. Van tijd tot tijd willen wij eens zo'n klein 'meesterwerkje' de aandacht geven die het toekomt. Op de eerste verdieping, in vitrine 259c van het GrieksEgyptische zaaltje, staat het hier afgebeelde mann~kopje va'1 Egyptische faience (afb. 1-3) 1• De hoogte bedraagt 3,6 cm, de afbeelding geeft het plastiekje al twee maal vergroot weer. Het materiaal van het kopje, die Egyptische faience, is kenmerkend voor de beschaving van het land van de Nijl. Eenvoudig gezegd is het kwartshoudend zand dat, tot een kneedbare massa gemaakt door toevoeging van een binder zoals eiwit of hars, meestal met behulp van een mal gevormd wordt. Koperoxide veroorzaakt bij het bakken de typische blauwe of groene kleur. De kern van het materiaal wordt een harde meestal witte massa, terwijl het oppervlak zich kenmerkt door een uiterst dunne glasachtige laag. De techniek bestaat al in Egypte vanaf de vroegste tijden. Het zijn in het algemeen voorwerpen van bescheiden omvang die van faience gemaakt zijn, amuletten, kralen, tegels, vaatwerk 2 • Terwijl de hoogwaardige techniek aan het stuk af te zien is, zal het modelé van het kopje wellicht verbazen. We spreken immers voortdurend over een voorwerp van Egyptische faience terwijl de vormgeving uitgesproken onegyptisch aandoet. Wat is er aan de hand? Laten wij eens nauwkeurig kijken,

1-3

14

door R. A. Lunsingh Scheurleer

misschien brengt een soort archeologische 'close reading' ons verder. Het kopje is afgebroken bij de hals. Het heeft dus deel uit gemaakt van een groter geheel, misschien een buste of een complete figuur. Weergegeven is het hoofd van een oudere man met een volle, korte baard en een indrukwekkende snor. De ogen zijn amandelvormig en kijken ons aan van onder krachtig gemodelleerde wenkbrauwbogen. De wangen krijgen volume ter hoogte van de snor. De neus is tamelijk recht maar er zit een verdieping in het midden van de brug en een kuiltje bij de aanzet tussen de ogen. Het oppervlak is van een lichtgroene, hier en daar naar geel neigende kleur. De baard en ook de twee opmerkelijke schuin omhoogstaande wenkbrauwen zijn gemarkeerd met een donkere bijna zwarte kleur. Dezelfde tint is aangebracht op delen van de haardos, die overigens op het achterhoofd nauwelijks uitgewerkt is. Een aan de achterzijde open diadeem is over de schedel geplaatst. Hoog op het hoofd zit een krans van in geel aangegeven plastische vruchten of bloemen, vóór het diadeem over de breedte van het voorhoofd bevinden zich bladeren waaruit links en rechts over de slaap de uiteinden van een haarband, een zogenaamde taenia, hangen. Een eerste probleem dat zich voordoet is de vraag naar de datering van het kopje. Opgemerkt werd al dat de stijl niet Egyptisch is. Dit feit en misschien de vermoede herkomst uit Naukratis 3 , een in het westen van de Nijldelta gelegen Griekse handelsnederzetting, geven aan dat het kopje moet dateren uit een periode waarin op Egyptische bodem voorwerpen van niet Egyptische stijl werden gemaakt. De uitvoering wijst op een ontwikkelde klassieke, Griekse, traditie. Dat betekent voor


4-6

Egypte dat het kopje moet dateren uit de jaren dertig van de vierde eeuw v. Chr., de tijd van Alexander de Grote. In 332 verovert de Macedonische veldheer Egypte . Tot op dat ogenblik is het gebied een Perzische satrapie. Een gouverneur van de Grootkoning bestuurt het land vanuit de oude hoofdstad Memphis. Alexander sticht in 331 v. Chr. de stad Alexandrië die in weinige jaren tot een van de grootste steden van de oudheid uitgroeit 4 . Na de dood van Alexander wordt een generaal uit diens leger, Ptolemaeus de zoon van Lagos, stamvader van de dynastie der Ptolemaeën. Drie eeuwen zullen zij als farao's over Egypte heersen. Cleopatra is de laatste regerende vorstin uit deze familie. Het hier besproken kopje is een goed voorbeeld van het samengaan van twee beschavingen: een Egyptische techniek wordt gepaard aan Griekse vormen. Een ander miniatuurkopje in hetzelfde materiaal, ditmaal lichtblauw van kleur, geeft nog een aanwijzing voor de datering. Het is in Haags privé bezit en 3 cm hoog (afb. 4-6) 5 . Het stelt een baardige man voor het hoofd gedekt door een puntige muts of tulband die de oren en de haren op het voorhoofd vrijlaat. Vergelijken wij dit kopje met het Amsterdamse dan valt een aantal overeenkomsten op. Zo zijn vormgeving van wenkbrauwboog en wangen sterk gelijkend. Ook de overeenkomst van de diep in de baard liggende monden is treffend. Op grond van deze stylistische overwegingen zijn de stukken contemporain. Nu kan het kopje in Den Haag op grond van het hoofddeksel in verband gebracht worden met voorstellingen in het graf van Petosiris, priester van Hermopolis die in het begin van de Ptolemaeïsche periode overleed. Egyptische, Perzische en Griekse stijlelementen bepalen het karakter van de reliëfs. Op één wand staan mannen afgebeeld die op de velden werken. Zij dragen baarden en op hun hoofd zien wij hetzelfde tulbandachtige hoofddekse! 6 . Die 'tulband' is voor Egypte een zo opmerkelijke zaak dat, in combinatie met de stijlkritische overwegingen, dit iconografisch gegeven een aanwijzing vormt voor een datering omstreeks 330 v. Chr. of iets later. Overigens is

het boeiend om te zien dat dit hoofddeksel ook voorkomt op de reliëfs van Persepolis. De mannen die er mee getooid zijn worden door sommigen als Syriërs, door anderen als Lydiërs gezien 7 • Het faience kopje in Den Haag is misschien een portret, eerder een typering. Dergelijk soort scherp waargenomen weergaven van mensentypen zijn een specialiteit van het Hellenistische tijdvak 8 , dat wil zeggen, de periode die loopt van de veroveringen van Alexander de Grote tot het begin van de jaartelling. Het Amsterdamse kopje daarentegen moet welhaast een portret zijn. iet alleen de zeer uitgesproken gelaatstrekken wijzen daar op, ook het bestaan van een 12,5 cm hoge terracotta kop uit Tarente, een afbeelding van dezelfde man (afb. 7) 9 . Bij het vergelijken tussen de twee plastieken moet natuurlijk rekening gehouden worden met de geografische afstand tussen Egypte en Tarente, met het verschil in materiaal en afmeting, met de persoonlijkheid van de twee kunstenaars. Al deze elementen die licht tot een geheel divergerende opvatting van een portret zouden kunnen leiden, staan een opmerkelijke overeenkomst niet in de weg. Beide koppen hebben dezelfde karakteristieke gelaatsstructuur en sterk overeenkomende uiterlijkheden zoals de baard en de krans in het haar. Heel opvallend zijn de schuin omhoogstaande wenkbrauwen. Helga Herdejürgen die de Tarentijse kop publiceerde, brengt hem in verband met terracotta ' s van omstreeks 340-330 v. Chr. , dezelfde tijd dus als die van de faience kopjes. De identiteit van de voorgestelde blijft een raadsel. Als wij de hier gesuggereerde overeenkomst tussen beide koppen accepteren , is dat een extra aanwijzing dat wij met een portret van een bekende persoonlijkheid te maken hebben. Alexander de Grote of een van diens opvolgers is het zeker niet. Er is enige overeenkomst met een onlangs in Macedonië gevonden ivoren portretkopje dat door de opgraver geïdentificeerd is als een vermoedelijk portret van Philippus II, de vader van Alexander 10 . De gelijkenis echter is eerder stylistisch dan fysionomisch. Met Herdejürgen moeten wij ons tot nader order tevreden stellen met het vermoeden dat een historische persoonlijkheid , bekend zowel in Tarente als in het laat vierde eeuwse Egypte weergegeven is. Wie is voorlopig onduidelijk. Wat echter wél duidelijk zal zijn is dat dit soort voorwerpen weliswaar klein van formaat is, maar dat het oudheidkundig belang er van groot kan zijn.

7

15


Wellicht trouwens ervaart één van de lezers bij het zien van de gelaatstrekken van de onbekende een schok van herkenning? NOTEN

2 3

4 5 6 7

!nv. nr. 7625, vroeger collecties F. W. von Bissing, inv. nr. F 201 en C. W. Lunsingh Scheurleer. Genoemd: Algemeene Gids 2, 1956, 52, no. 500. De technische aspecten van Egyptische faience worden uitvoerig besproken in A. Lucas, J. R. Harris, Ancient Egyptian Materials and lndu stries4, 1962, blz. 155 e.v. De inventariskaart noemt als herkomst : 'Naukratis?' Het is niet duidelijk of dit een vrijwel vaststaand gegeven of een aarzelende toeschrijving is. Voor Naukratis zie J. Boardman, The Greeks overseas, 1964, blz. 134 e.v. P. M. Fraser, Ptolemaic Alexandria, 1972 , 1, blz. 3 e.v., blz. 7. G. Schneider-Herrmann, Eine niederländische Studiensammlung antiker Kunst , 1975, 67, no. 160. G. Lefèbvre, Le tombeau de Pétosiris, 1924 , 33, pl. XIII-XlV. Fraser, o.c., Il, blz. 631, n. 492. G. Walser, Die Völkerschaften auf den Reliefs von Persepolis , 1966 , blz. 78 e.v., pis. 13, blz. 45-49, blz. 83.

8 Goede voorbeelden zijn te zien in zaal 14, vitrine 276 (uit Smyrna) en vitrine 284 en verder (uit Egypte). 9 Verzameling T. Virzi. Hier afgebeeld naar H. Herdejürgen, Götter, Menschen und Dämonen, Sonderausstellung Basel, 16 lV-20 III 1978, 68, nr. A 73. 10 Athens Annals of Archeology 10, 1977, dl. 1, blz. 42, pl. 16a-b.

summary

A portrait in miniature

A head in the Allard Pierson Museum 1,made of Egyptian faience 2 and perhaps from Naucratis 3 (inv. no. 7625, height 3.6 cm) is dated on styiistic grounds in the later fourth century B.C. (figs. 1-3). It may be compared toa faience head in a private collection 5 (height 3 cm, figs. 4-6). The turban-like headdress of this second head is also seen on the walls of the torn b of Petosiris 6 , and in Persepolis 7 . The physiognomy of the piece in Amsterdam is so similar to that of a terracotta portrait head from Tarentum 9 (height 12.5 cm, fig. 7) that they may both portray the 5ame person. The style of the Tarentine head also points to the years 340-330 B.C.

Tien jaren Verenigingvan Vrienden Onder de ruim 600 leden die onze Vereniging thans telt, zijn ongeveer 200 getrouwen van het eerste uur. Zij vooral herinneren zich nog levendig het oude schoolgebouw in de Sarphatistraat met zijn primitieve opstelling van zoveel voorwerpen, die ons nog steeds dierbaar zijn. Zij herinneren zich hoe die spartaanse expositieruimten slechts sporadisch door bezoekers werden opgeluisterd. De vlucht die het Allard Pierson Museum sindsdien genomen heeft, was toen nauwelijks voorstel baar. Het museum neemt thans in alle opzichten met ere zijn plaats in tussen de archeologische musea in binnen- en buitenland. De collecties zijn belangrijk uitgebreid en komen in de prachtige nieuwe behuizing en door de zo genuanceerde artistieke toepassing van moderne opvattingen over expositie geheel tot hun recht. Het museum vervult bovendien, veel meer dan tien jaar geleden denkbaar was, een eigen functie in het culturele leven van Amsterdam en Nederland. In 1978 bedroeg het aantal bezoekers van het museum en van de tentoonstelling 'Een Romeins Huis in Amsterdam' 43.000 en hebben 320 groepen scholieren het museum bezocht. Er is zeer veel vraag naar rondleidingen. Deze gunstige ontwikkeling is het resultaat van de inspanningen en de gelukkige samenwerking van velen. Het aandeel van onze Vereniging daarin is het vormen van een hechte en voortdurend groeiende kern van vrienden van het museum, het schenken van aanwinsten van betekenis en meer indirect, het bevorderen van bruiklenen en legaten, alsmede het werven van fondsen van groter omvang. Met name de zo geslaagde geschenkactie ter gelegenheid van de verhuizing van het museum ligt nog vers in het geheugen. Er is alle reden tot vreugde en voldoening, nu wij ons 10-jarig bestaan vieren. Als we trachten een olik in de toekomst te werpen, menen wij die met vertrouwen tegemoet te kunnen zien . Een steeds toenemende belangstelling voor de antieke kunst valt allerwege te constateren. De interesse der jongeren belooft veel voor de toekomst. Het aantal studenten van alle faculteiten - dus niet alleen van die der letteren - van de Universiteit van Amsterdam en van andere universiteiten in Nederland en zelfs in België, dat zich opgeeft voor het lidmaatschap van onze Vereniging is verrassend groot. De voortreffelijk geleide studentenactie 'Houd het Allard Pierson Museum open' is een

wellicht uniek voorbeeld van een uitstekende verhouding tussen studenten en museum. Er bestaat nog het niet opgeloste probleem van de suppoosten. Als hier geen uitweg wordt gevonden, zou het karakter van het museum als openbaar museum ernstig worden aangetast. Maar we kunnen ons eenvoudig niet indenken dat het zover komt. Het verlies voor het culturele leven in Amsterdam en Nederland zou te groot zijn, om nog maar niet te spreken van de kostbare investeringen in het nieuwe gebouw en zijn inrichting. Juist in zulke omstandigheden neemt de vindingrijkheid toe. De financiële situatie van onze Vereniging is thans naar verhouding gunstig. In de verdere toekomst zal echter ongetwijfeld het probleem der stijgende kosten nijpender worden. Dit probleem betreft niet zozeer de secretariaatskosten, zolang we mogen blijven rekenen op de zeer veel belangeloze hulp, die wij thans ontvangen. Maar de kosten van drukwerken en ook van lezingen blijven stijgen. Ook de grote, soms fantastische stijging der prijzen op de antiekmarkt maakt versterking van onze financiële middelen noodzakelijk, willen wij in staat blijven bij te dragen aan de aanvulling en uitbreiding van de museumcollecties. Het aantal aanmeldingen van nieuwe leden is zeer bevredigend. Hiertoe heeft in belangrijke mate bijgedragen uw inspanning om in eigen kring belangstelling voor de Vereniging te wekken . Wij hopen dat U hiermede zult willen voortgaan. Uitbreiding van het aantal leden is voor al onze activiteiten, maar vooral voor onze aankopen voor het museum, van zeer veel belang. Nog betrekkelijk kort geleden betaalden veel leden jaarlijks meer - soms veel meer - dan de vastgestelde contributie. Wij hopen dat wie dat kan, deze goede gewoonte in ere zal herstellen of, liever nog, zich zal opgeven als lid-donateur. Op deze wijze zou contributieverhoging, die velen onzer leden niet schikt, achterwege kunnen blijven. De verkopen aan de receptie van het museum en de giften van derden aan de Vereniging beloven veel voor de toekomst. Wij zijn doende deze beide bronnen van inkomsten waar mogelijk te stimuleren. Wij vertrouwen erop, dat met uw aller steun onze Vereniging, evenals in de eerste tien jaren van haar bestaan, wezenlijk zal kunnen bijdragen aan de groei en bloei van het Allard Pierson Museum.

Uitgave van de Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum . Oude Turf markt 127, 1012 GC Amsterdam. Universiteit

16

van Amsterdam.

T-7246

APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 17  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 17  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

Advertisement