Page 1

MEDEDELINGENBLAD

Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum opgericht 20 j uni 1969 nr. 16, december 1978

Twee nieuwe sfinxen in het Allard Pierson Museum Als we de 'Dikke Van Dale' openslaan bij het woord 'sfinx', lezen we: "(myth.) roofgierig monster, somtijds ook met vleugels afgebeeld, dat op een rots bij Thebe zich ophield, de voorbij trekkenden een raadsel opgaf en ieder die het niet kon oplossen verslo nd". Het is de vraag of de gehurkte sfinx binnenin de grote drinkschaal (afb . 1) 1, die hier besproken zal worden, die Thebaanse sfinx voo rste lt. Men kan zich goed indenken dat eens de Griek die aanla g aan een banket en in deze met wijn gevulde drinkscha al keek, door het zien van de veelkleurige sfinx herinnerd

door H. A.G. Brijd~r

werd aan het verhaal van de Thebaanse sfinx die de voorbijgangers het raadsel opgaf: "wat gaat 's morgens op vier, 's middags op twee en 's avonds op drie voeten?" Veel voorbijgangers was het niet gelukt het juiste antwoord te geven. Grote angst heerste. Want wie het raadsel niet kon oplossen, stond een gewisse dood te wachten: hij zou door het monster verslonden worden. Deze angst is, hoe archaïsch ook geschilderd, treffend weergegeven in de zes jongens die 'voor hun leven' rennen om de klapwiekende sfinx te ontvluchten (afb. 2). Deze levendige scene is op de rand van een andere drinkschaal in het museum te zien. Eén man, Oedipus, is het gelukt het monster afdoende van repliek te dienen. Het juiste antwoord, nl. 'de mens', noodzaakte de sfinx zichzelf in het ravijn te storten. Oedipus die op een rots zit te peinzen om het goede antwoord te vinden, is afgebeeld in de tondo van een drinkschaal (afb. 3), die in het Vatikaan wordt bewaard. Deze sfinx, die hoog op een zuil gehurkt zit, is in de z.g. 'roodfigurige' techniek geschilderd ('rood' uitgespaarde figuren tegen een zwarte achtergrond). De Allard Pierson sfinx (afb. 1) is in de oudere, z.g. 'zwart-figurige' techniek uitgevoerd, dwz. zwart tegen een lichte, klei-kleurige achtergrond met rode en witte opschilderingen. Opvallend goed zijn het rood en wit bewaard gebleven. Rood is de vleugel, de haarband, het oog en gedeelten van het leeuwelichaam. Op het gezicht en de borst zijn sporen van de witte 'verf' te zien; het was immers gebruik in de vazenschilderkunst om de huid van vrouwen wit te schilderen (en die van mannen zwart te laten). De tondo wordt door een brede krans van rode en zwarte tongen omzoomd. Kleine figuurtjes zijn op de buitenwand van de drinkschaal in twee, duidelijk gescheiden 'verdiepingen' geschilderd (afb. 4). Een schaal met een dergelijke versiering wordt door de vakmensen, naar analogie van de Engelse bus, een 'doubledecker' genoemd. De benaming voor dit type grote drinkschalen op trompetvormige voet, nl. Siana schaal, is ook bedacht door archeologen. Zij maakten eenvoudigweg gebruik van de naam van het plaatsje waar de eerste twee schalen van dit type gevonden werden: Siana op het Griekse eiland Rhodos. Onze schaal die in Athene kort voor het midden van de zesde eeuw v. Chr . is gemaakt, is volgens mededeling in Tarente (Zuid-Italië) gevonden. Op de ene zijde van de schaal zien we in de boven-zone drie vrolijk dansende figuurtjes (afb. 4). In het midden staat een Afb. 7 Etruskische sfinx kop, APM

1


Afb. 2 detail van drinkschaal met Thebaanse sfinx, APM

bijzonder interessant: in het midden zien we een zeewezen, half man - half vis. Zijn gebaarde kop kijkt achterom en in zijn linker hand houdt hij een vis; uit het bovenste gedeelte van zijn vissestaart komt een slang te voorschijn. Laten we eens nagaan wie deze vis-mens is. Er zijn afbeeldingen bekend op verschillende Atheense vazen uit het eerste kwart van de zesde eeuw v. Chr. die een zeewezen als het onze laten zien dat in gevecht is met de held Herakles. Het gaat hier om de vroegste voorstellingen van het gevecht van Herakles met de zeegod Nereus. Volgens het verhaal dwong Herakles ereus, na het gewonnen gevecht, de weg naar de Tuin der Hesperiden te wijzen; in deze tuin moest Herakles de Gouden Appels halen. Nereus is in deze vroege afbeeldingen voorgesteld als een oudere man met een visselichaam dat zich tijdens het gevecht kan veranderen in vuur of in een slang, die uit zijn vissestaart te voorschijn komt. Herakles zit op de staart en omknelt Nereus met beide armen van achteren; hij kijkt angstig achterom naar de gedaanteverwisseling van Nereus, de slang. Heel duidelijk kunnen we op het fragment (afb. 6) zien dat het hier gaat om Herakles en Nereus: hun namen staan ernaast geschreven. Rechts kijkt een sfinx toe. Op onze schaal, die ca. 25 jaar later is geschilderd

meisje met beide handen vooruitgestoken en links en rechts dansen mannen op enige afstand. In de beneden-zone staan twee grote hanen strijdlustig tegenover elkaar: het begin van een hanengevecht is hier gesuggereerd. Ten opzichte van de twee reusachtige palmetten bij de oren van de schaal, lijken de hanen en dansers erg nietig. De schildering op de andere zijde van de schaal is helaas niet zo goed bewaard gebleven. Deze zijde is gedurende de periode van meer dan 2400 jaar die de schaal in een graf onder de grond heeft doorgebracht, nogal beschadigd. Toch is nog goed te constateren hoe de schildering is geweest. De voorstelling in de beneden-zone (tekening, afb. 5) is

Afb. 3 medaillon van drinkschaal in het Vatikaan: Oedipus en sjĂŻnx

Afb. 1 medaillon met sfinx in nieuwe drinkschaal, APM

Afb. 4 nieuwe drinkschaal, APM, zijde B

2


'

-,:,/~f . ti~ . %= . J✓~1·J \\r\.\Î

'IJ/ / f

r✓ '\ 1\

\ \

\ .... __/ '•

'~,.

i

.

-

11

,~i

i

( - --\

i i

Afb . 5 tekening voorstelling zijde A van drinkschaal, APM

dan het fragment, heeft de schilder Herakles weggelaten. Toch wordt hier waarschijnlijk hetzelfde gevecht gesuggereerd: de slang steekt zijn kop op uit het visselijf. Het attribuut van Nereus, de vis, wordt als een soort wapen gehanteerd; Nereus lijkt op het punt te staan met de vis klappen uit te delen. Twee verbaasde toeschouwers staan erbij te kijken. In de boven-zone is een scene geschilderd die niets met Nereus te maken heeft: een hond die achter een haas aan rent. Ondanks het grote aantal Siana schalen dat in de laatste eeuw is opgegraven, kan men slechts één Siana schaal aanwijzen die door dezelfde schilder gedecoreerd is als de onze. Deze schaal vond men, weliswaar zeer fragmentarisch, in Delphi. Hierop zijn ook dansers en hanen geschilderd, maar de interessante Nereus-voorstelling van de Allard Pierson-schaal komt er niet op voor. In hetzelfde jaar, 1976, waarin de zojuist besproken 'sfinxschaal' werd aangekocht, kon nog een sfinx, althans de kop van een sfinx (afb. 7) 2 , voor het museum verworven worden. Deze dateert wel uit dezelfde eeuw maar is in een geheel ander gebied gemaakt dan de geschilderde sfinx in de schaal die afgebeeld is in afbeelding 1. Op grond van de steensoort, die poreus en grijzig van kleur is, kan men de herkomst nagaan . Het is tufsteen van vulkanische oorsprong (z.g. 'nenfro') die in Etrurië voor sculptuur werd gebruikt. Nenfro is betrekkelijk zacht en gemakkelijk te bewerken. Men moet wel bedenken dat het oppervlak oorspronkelijk met een pleisterlaag was bedekt; deze laag diende als ondergrond voor de beschildering in felle kleuren (zoals rood en blauw). In Etrurië waren de twee belangrijkste sculptuurcentra Vulci en het meer in het binnenland gelegen Chiusi. Er zijn twee duidelijke verschillen in de sculptuur van beide plaatsen aan te wijzen. In de eerste plaats gebruikte men in Vulci het lokale nenfro en in Chiusi een geheel andere steensoort, nl. de gelige kalktuf, die 'pietra fetida' wordt genoemd (lett. stinksteen, vanwege de stank die tijdens de bewerking vrij komt). In de tweede plaats is er een duidelijk stylistisch onderscheid te maken. Vulci, dat aan de kust lag, onderging nieuwe stylistische invloeden directer dan het ver van zee gelegen Chiusi. In het algemeen kwamen deze invloeden via de handel over zee Etrurië binnen. De Griekse kunst was het belangrijkste voorbeeld voor de Etrusken ; de navolging of verwerking hiervan is dan ook goed te constateren. Onze sfinxkop vertoont stijlkenmerken die we ook in Ionië

'-.._ .

~

/

.

---- ✓•

Î

1

·

(aan de Westkust van Klein-Azië , het gebied ten zuiden van het tegenwoordige Izmir) tegenkomen. Het voorhoofd is hoog en gaat rechtstreeks over in de neus . De ogen zijn amandelvormig en staan enigszins schuin. De mond heeft vooruitstekende , dunne lippen en lijkt te lachen (de z.g. 'archaïsche glimlach'). Tenslotte is de kin opvallend zwaar. Helaas zijn neus en mond van onze sfinx nogal beschadigd. Het meest opvallende kenmerk van deze z.g. Ioniserende stij l is de grote sikkelvormige haarlok boven het oor. Alleen bij beelden afkomstig uit het Ionisch beïnvloede gebied komt deze typische haardracht voor. Deze twee factoren, de steensoort en de stylistische kenmerken, leveren het overtuigende bewijs dat onze sfinxkop in Vulci gemaakt moet zijn. Het waren juist de kunstenaars uit Vulci die de Ionische stijl waardeerden en verwerkten in hun sculptuur. Dit proces vond plaats in de tweede helft van de zesde eeuw v. Chr. Tot Chiusi zijn de Ioniserende tend ensen nauwelijks doorgedrongen. Op grond van sfinxen die wel geheel bewaard zijn gebleven , kunnen we ons een idee vormen hoe onze sfinx er oorspronkelijk uitzag : zij zat gehurkt , was gevleugeld en keek waarschijnlijk vooruit. Deze sfinxen zijn meestal bij de ingang van graven gevonden ; soms vormden zij een heraldisch paar. Zij worden daarom als Etruskische grafwachters beschouwd.

OTE Atti sch zwart -figurige drink schaal, zg. 'Siana schaal' ; in Ath ene gema akt ca. 560-550 v. Chr. ; h. 13,1 cm en diam. 26,0 cm (met oren 33,6 cm). Aangekocht door het Allard Pierson Museum in 1976. 2 Ftru skische sfinxkop (3/4 bewaard); mat eriaal: nenfro ; gemaakt in Vu lei in het laat ste kwart van de 6de eeuw v. Chr. ; h. ca. 40,0 cm en br. ca. 25 cm. Aangeko cht door het Allard Pierson Museum in 1976.

Afb. 6 fragment met Herakles en Nereus, Samos

3


Oudhedenuit het Heilige Land 1n het Allard PiersonMuseum In de jaren twintig van deze eeuw ware n de were lden van amateur en wete nschapper, van verzamelaar en opgrave r nog niet zo scherIJ gescheiden als nu. Onder de leuze 'voor wat hoort wat' betaalde n musea en particulieren mee aan de - nog betrekkelijk lage - kosten van archeologisch onderzoek in het Nabije Oosten en kregen in ruil daarvoor opgegraven voorwerpen voor hun vitrines of studiecollecties. Vermaard om zijn produktiviteit en zuinigheid was de Britse Egyptoloog Flinders Petrie, die na 43 jaar van ontdekkingen op Coptos, Abydos en vele andere plaatsen in 1923 geridderd werd. Na strubbelingen met de Egyptische autoriteiten verlegde hij zijn werkzaamheden naar zuidelijk Palestina , waar hij tussen 1926 en 1938 de tells (ruïnenheuvels) el-'Ajjul, el-Far'ah en Jemmeh onderzocht. De resultaten publiceerde hij prompt in vrij summiere verslagen. Doordat Dr. C. W. Lunsingh Scheurleer meebetaalde aan de opgraving op Tell Jemmeh kreeg hij een aandeel in de oogst aan gevonden oudheden, dat in 1934 door het Allard Pierson Museum werd verworven. De volledige groep voorwerpen - tot nu toe het enige Palestijnse materiaal in ons museum - vult sinds de heropening in 1976 vitrine nummer 63 van de WestAziatische zaal. Esthetisch van ondergeschikt belang, illustreert deze vitrine enige boeiende hoofdstukken uit de geschiedenis van het Heilige Land . Petrie groef in 1927 gedurende vijf maanden op Tell Jemmeh, dat 12 km ten zuiden van Gaza ligt, en ontdekte er zeven opeenvolgende lagen van gebouwe nreste n, variërend in ouderdom van 1550 tot 350 v. Chr. Hij dacht het Bijbelse Gerar gevonden te hebben (Il Kronieken 14: 13-15) ; in werkelijkheid maakt Tell Jemmeh meer kans het oude Jurza of Arza te vertegenwoordigen , een oorspronkelijk Kanaänitisch stadstaatje dat in 1468 v. Chr. door Thutmosis III van Egypte werd heroverd . Van deze koning vond Petrie een scarabeevormig zegel op Tell Jemmeh. Dat Tell Jemmeh al in de Late Bronstijd (15 50-1150) bewoond werd , blijkt uit ingevoerde Cyprische ' melkkoppen ' met 'sleutelbeen-oren' , kenmerkend voor die tijd en gevonden in laag I (de onderste aangesneden laag).

Laag II (1150-1000 v. Chr.) dateert van de Fi!istijnse overheersing, waartegen de Israëlieten volgens Bij helse overlevering onder Simson , Saul en David moesten vechten kort nadat zij zelf het beloofde land waren binnengedrongen . Het Oude Testament (Genesis 10: 13-15, I Kronieken 11-12) vermeldt de Filistijnen tussen Lydië en Kreta. Inderdaad zien we op de omstreden 'schijf van Phaistos ' naast Klein-Aziatische huistypen ook mannenkoppen afgebeeld met de opstaande haardos die de Filistijnen op het hoofd droegen . Sommige geleerden zoeken dan ook verband tussen de naam der Filistijnen of Palestijnen en die der Pelasgiërs , het 'zeevolk' dat de Grieken rondom de Aegeïsche Zee aantroffen. Waarschijnlijk dus van de Aegeïsche kusten en eilanden afkomstig , sloten zij zich tegen 1180 v. Chr. aaneen met de Teucriërs (?), de Siciliërs en de Danaeërs (?) en waagden een gecombineerde land- en zeeinval in Egypte . Uit het feit dat hun vrouwen met kinderen en bezittingen in ossewagens volgden, blijkt dat dit een ec ht e volksverhui zing was. Hun vervaarlijke ijzeren zwaarden vormden het nieuwe wapen waarvoor alle buurlanden al bezweken waren. Koning Ramses III sloeg de aanval af en legde het gebeurde vast in beeld (afb . 1) en woord : "Geen land hield stand voor hun wapenen , vanaf de Hethieten ... en Cyprus ... (Zij legerden hun) kamp in Syrië . Zij verwoestten het volk van Syrië ... Zij kwamen voorwaarts naar Egypte ... hun harten welgemoed en vol vertrouwen : "Onze plannen zullen stagen!" Ik bracht de Nijlmonden in gereedheid als een sterke muur met oorlogsschepen, galeien en kustvaarders ... volledig bemand van steven tot boeg met dappere soldaten ... De strijdwagens waren bemand ... met elke goede en bedreven wagenstrijder. De paarden beefden over hun hele lichaam , klaar om de vreemdelingen onder hun hoeven te vertrappen. Zij die mijn grens bereikten ... met hun hart en hun ziel is het gedaan voor altijd en eeuwig. Zij die gezamenlijk op zee voorwaarts kwamen ... werden naar binnen

3 ~

1"

4

doo r Prof. dr. M. N. van LOON

"

4


5

• gesleept ... en op het strand neergeveld, gedood en op hopen gegooid." Ook van Ramses III vond Petrie een scarabee-zegel op Tell Jemmeh. Uit het vervolg der gebeurtenissen kan men afleiden dat Ramses III met de overlevende aanvallers tot een vergelijk kwam en gedoogde dat zij zich - wellicht als Egyptische huurlingen - nestelden langs de kust van Gaza tot Jaffa en in het noordelijke binnenland te Beth-San. Daar herkennen wij hun nederzettingen vooral aan het aardewerk dat, misschien door bemiddeling van Cyprus en Rhodos, op Myceense voorbeelden teruggaat (afb. 2 links: Myceense aardewerkversiering, rechts: Filistijnse kop). Op een Filistijnse bierkan uit Megiddo (afb. 3) zien we een afbeelding van de lierspeler omgeven door dieren (vgl. Orpheus!), die we ook kennen uit een wandschildering in het Myceense Pylos en van een zegel uit Tarsus aan de kust tegenover Cyprus. Kenmerkend is ook de wijze waarop de Filistijnen in gestrekte houding in rechthoekige grafkamers bijgezet zijn. De vorm van hun aardewerken doodkisten lijkt door de Egyptische mummiekist geïnspireerd, maar boven het gezicht is vaak de hoofdband

getooid met een haarbos weergegeven, die ook uit de Egyptische afbeeldingen van Filistijnen bekend is. Laag Il van Tell Jemmeh bevatte de resten van kleitichelbouwwerken met kalkstenen hoekstenen en leverde, behalve het aardewerk dat op de aanwezigheid der Filistijnen duidt (afb. 4: scherven van koppen als op afb. 2), ook een ijzeren mes en pantserplaatje naast een aantal vuurstenen sikkels (afb. 5). Dit klopt verrassend goed met Bijbelse overleveringen dat enerzijds de Filistijnse strijders zwaar gewapend waren met koperen pantser en ijzeren lanspunten (I Samuël 17: 5-7, het - overigens onhistorische - verhaal van Goliath), anderzijds de Israëlieten zelfs geen metalen ploegscharen of sikkels mochten hebben (I Samuël 13: 19-22). De Filistijnse expansie ten koste van de Israëlieten zette zich voort tot ongeveer 1050 v. Chr. (verlies van de Ark des Verbonds bij Eben-Haëzer, I Samuël 4: 1-11). Saul slaagde erin hen gedeeltelijk terug te drijven, maar bleef in de strijd bij Beth-San (I Samuël 31: 1-10). Hoewel de aangehaalde Bijbelse overleveringen de herinnering aan bepaalde elementen uit de materiële cultuur lijken te hebben bewaard, is de historiciteit ervan op zijn minst twijfelachtig. Tenslotte onderwierp David omstreeks 1000 v. Chr. de Filistijnen aan Israël. Archeologisch weerspiegelt deze afloop zich als een versmelting van oorspronkelijk vreemde cultuurelementen met de inheemse. Laag III van Tell Jemmeh (!Ode eeuw v. Chr.) valt grotendeels samen met het verenigd koninkrijk van Israël en Juda. Merkwaardig genoeg kwamen juist in deze laag wel een ijzeren sikkel en ploegschaar voor. Verder bevatte laag III verspreide huizen, waarin het onbeschilderde aardewerk overheerste (afb. 6) en waarin de bewoners goudschatten hadden verborgen voordat de nederzetting door brand verwoest werd (misschien door Sisak I van Egypte, I Koningen 14: 25-26). Na het uiteenvallen van het verenigd koninkrijk herkregen de Filistijnse stadstaatjes hun zelfstandigheid. Tussen de materiële cultuur van Israëlieten en Filistijnen is dan geen onderscheid meer te zien. In laag IV (9de en 8ste eeuw) vonden de opgravers langs straten gebouwde kleitichelhuizen en ijzersmelterijen (afb. 7 toont ijzeren wapens en werktuigen). Het rood gepolijste aardewerk bootst dikwijls Cyprische vormen na (afb. 8, 9). Van klei geboetseerde stierenbeeldjes en uit vormen gedrukte voorstellingen van een naakte vrouw vindt men ook in duidelijk Israëlitische nederzettingen, ten bewijze

•8

6

7

5


"de stad Arza, die aan de grensgeul van Egypte ligt, plunderde ik. Haar koning Asuheli klonk ik in boeien en bracht ik naar Assyrië. Bij de poort naar de binnenstad van Ninive plaatste ik hem in ketenen met een beer (Assyrisch 'asu', woordspeling op zijn naam), een hond en een varken."

9à dat het traditionele polytheïsme nog welig tierde (afb. 10, 11 ). Als we deze met veel oudere Syrische voorbeelden mogen vergelijken, dan hebben we hier te doen met de dondergod die als stier over de wolken rijdt, terwijl zijn ontklede wederhelft de regen brengt. In de late 8ste eeuw was Israël al door Koning Sargon II van Assyrië ontvolkt. Alleen Juda bleef voorlopig gespaard. Het eind van laag IV op Tell Jemmeh kan heel goed veroorzaakt zijn door de gebeurtenissen van 679 v. Chr. Hierover verhaalt Sargon 's kleinzoon Esarhaddon:

,.... 1 '

/ /

1 1 I

,,. /

/

, __

/

1

I

Hoe het ook zii, in laag V (7de eeuw v. Chr.) volgde een onregelmatiger herbouw van de huizen, die nu naast het grovere inheemse aardewerk ook dunwandige Assyrische schalen bevatten. Tegen het eind van de 7de eeuw werd de plaats door een nieuwe verwoesting geteisterd en wie deze keer de veroveraars waren kunnen we vaststellen door de gelukkige vondst van een groep voorwerpen waarvan er één in het Allard Pierson Museum beland is: in doorsnee driehoekige pijlpuntjes die kenmerkend zijn voor de Scythen of Askenaz, het ZuidRussische ruitervolk dat meer dan wie ook verantwoordelijk was voor de val van Assyrië: nadat Madyes, koning der Scythen, in 614 v. Chr. nog zijn neef, de koning van Assyrië te hulp was gesneld tegen de Meden en Babyloniërs, liep hij over naar de anti-Assyrische coalitie, die zodoende in 612 Ninive kon innemen. Zij aan zij met de Babyloniërs opereerden de Scythen o.a. bij de verovering van Askelon (604) en van Juda (597 en 586). Jeremia hoopte dat de Scythen zich tegen Babel zouden keren (51 :2 7-28). Maar in 585 v. Chr. werden de Scythen door een verbond tussen Medië en Lydië naar Zuid-Rusland teruggedreven. Het door hen veroverde laagland viel de Babyloniërs toe, die nu ook Juda ontvolkten. Een fort met commandantswoning op Tell Jemmeh leverde onder meer een Babylonisch zegel op (laag VI, 6de en vroege 5de eeuw). Uit deze laag komen veel stenen of kleigewichtjes, koperen haakpennen en naalden en puntige benen plaatjes (afb. 12). Niet uitgesloten is dat ze alle dienden om visnetten te maken. Laag VII, die aan het oppervlak ligt, bestaat uit graanbewaarplaatsen en dateert uit Perzische tijd (late 5de en vroege 4de eeuw), toen ook Egypte een deel van het Perzische rijk vormde en Tell Jemmeh dus geen militaire betekenis meer had. LITERATUUR

10

Sir Flinders Petrie , Gerar, Londen , 1928. G. Ernest Wright in Ameri can Journal of Archaeology 43 (1939), pp. 458-463. Wolfga11gHelck, "Die Seevölk e r ... " en andere artikelen in Jahresbericht des lnstituts für Vorgeschichte der Universität Frankfurt a.M. 1976 (München 1977) , blz. 7 e.v.

11 'Y

12 'Y

6


Een Joods-Aramese toversohaal uit Mesopotamie

In het voorjaar van 1939 maakte de bekende Nederlandse Assyrioloog F. M. Th . de Liagre Böhl een reis naar Iraq en Iran . Hij heeft toen bij een handelaar op kosten van de heer S. van den Bergh Jr. twee toverschalen gekocht, waarvan er één door de erven in 1975 aan het Allard Pierson Museum is geschonken (inv. nr . 9163, vide afb.). Het is een merkwaardig voorwerp : een schaal met tamelijk hoge randen van ten dele verkleurde lichtbruine klei, diameter 17,5 cm, hoogte 7,8 cm; hierop staan spiraalsgewijs in inkt geschreven zes regels tekst in Aramees kwadraatschrift met in het midden drie magische tekens . In vertaling luidt de tekst (voor zover te begrijpen ; het is tensl o tte een tovert eks t) : r.! Ik verzegel en herverzegel Resjoni, de zoon van Immi ; ik verzegel en herverzegel lspandarmid , de dochter van Immi, in de naam van JHWH der Heerscharen , de God van Israël , met het gevlochten touw , met r. 2 Zoez Zama (?), met de zegelring waarmee Jokabar-Ziwa , de zoon van Rabbe gewoon is te verzegelen , voor de demonen, voor de boze geesten , (voor) de slechteriken en voor de (tover)schalen. Van hun haren nam ik voor hun binding, en van hun huiden voor hun vorming(?), en van hun bloed voor hun verzegeling . Zeven maal r.3 zeven keer heb ik hun kwasten genomen en acht maal acht keer hun franjes, en ik heb ze voor Eén is Maroq (een engel) geworpen in de Kloof des Hemels . Ik heb u bezworen en ik heb over u gezegd: reeks toverwoorden r.4 naar de schuur van deze demonen , die vertrekken en niet terugkeren. Tot de engelen zult gij niet spreken , en de engelen zullen niet tot u spreken . Aan de aarde zult gij u niet openbaren, en de aarde zal zich niet aan u openbaren . Iedere demon, en boze geest, en slechterik, en de koning (toegevoegd : en Satan, en de janker, en Lilith) , die zou zondigen tegen haar, r.5 tegen Ispandarmid, de dochter van Immi , en die zou zondigen tegen Resjoni, de zoon van Immi , breng (ze) naar de grote vernietiging en (breng) deze grote binding van de steen (?) (naar) iedere demon, en boze geest , en Satan , en slechterik, en de koning, (en) de janker, en Lilith, die terugkeert en zondigt tegen haar, tegen Ispandarmid, de dochter van Immi r.6 en neem hem en gij zult hem neerbuigen (?) in de naam van: reeks toverwoorden. Amen , Amen, Selah! Voor het verstaan van deze tekst is het een groot voordeel , dat er nu reeds zo'n honderd van dit soort toverschalen gepubli ceerd zijn (de eerste in 1853). Niet dat deze alle een identieke tekst hebben : het Amsterdamse exemplaar is zelfs voor driekwart uniek (zo wordt bijvoorbeeld het ritueel met haar , huid , bloed , kwasten en franjes in geen der andere schalen beschreven). Maar door vergelijking met de andere kan men deze schaal wel zo ongeveer plaatsen. Zij moet omstreeks 600 na Chr. in Mesopotamië door een Joodse tovenaar of tovenares gemaakt zijn in opdracht van de in de tekst enige malen genoemde Immi , die op deze manier haar beide kinderen tegen de demonen wilde beschermen. De meeste schalen zijn trouwens door bezorgde moeders besteld. Het kan misschien verbazing wekken, dat deze schalen voor een groot deel uit Joods milieu stammen - immers in het Oude Testament (vgl. bijvoorbeeld Ex. 22 : 18; Deut. 18: 10-12) wordt tovenarij met de dood bestraft. Maar zoals bijvoorbeeld ook uit de Babylonische Talmoed blijkt - die grote reeks geschriften, die ongeveer in dezelfde tijd , taal (het Joods Babylonisch Aramees) en streek (Mesopotamië , waar toentertijd het centrum van Joodse cultuur gevestigd was) ontstaan zijn : de

door K . A.D. Smelink

Joden hebben zich in deze periode bepaald niet aan deze wetten gehouden ; zelfs Rabbijnen lieten zich met tovenarij in. Het Joodse karakter van deze schaal vindt men terug in het slot: Amen, amen, selah! (het laatste woord is bekend uit de Psalmen) en in de bezwering in naam van de HEER der Heerscharen, de God van Israël. In andere schalen worden ook wel Bijbelverzen geciteerd. Jokabar-Ziwa, de zoon van Rabbe, is echter een hemelse figuur uit het Mandeeïsme, een godsdienst, die ongeveer in dezelfde tijd als het Christendom is ontstaan en waarvan nu nog steeds enige aanhangers in Zuid-Iraq leven. De tovenaars stonden duidelijk open voor invloed uit vreemde godsdiensten , zoals ook JHWH in niet-Joodse magie werd aangeroepen .

De algemene bedoeling van de tekst is wel duidelijk : de demonen - een zeer uitvoerige lijst van verschillende soorten wordt gegeven - worden bezworen en verzegeld, zodat zij niet meer in staat zijn de twee kinderen van Immi kwaad te berokkenen . Men mag aannemen , dat de tovenaar naast het vervaardigen van de schaal , ook de genoemde toverspreuken heeft geuit (r.3) en een magisch ritueel heeft uitgevoerd (r.2v), waarbij haar, huid, bloed, kwasten en franjes voor de persoon van de te bezwerenen staan. Dit is typerend voor het magisch denken : een klein onderdeel van het lichaam of de kleding is voldoende om de persoon te betoveren. Vandaar dat bij de zogenaamde 'primitieve' stammen het de gewoonte is om bijvoorbeeld afgeknipte nagels te verbergen uit angst voor een vijandig gezinde tovenaar. Nog één probleem blijft :· waarom schreef de tovenaar zijn bezwering op een schaal? In de Griekse magie had men bijvoorbeeld een duidelijke voorkeur voor loden plaatjes. Er zijn verschillende oplossingen voorgesteld: allereerst dacht men, dat de schaal voor water gediend zou hebben : door de toverspreuk werd het water een tovermiddel, dat een zieke patiënt zou

7


kunnen worden toegediend. Omdat de inkt van de schalen echter kennelijk niet door water is aangetast, moest deze theorie vervallen. Vervolgens werd voorgesteld de schalen, die, naar het schijnt, omgekeerd bij de fundamenten van het huis van de betrokkene begraven werden, als een soort 'val' te beschouwen: op weg naar het huis vanuit de onderwereld, zou de demon in de schaal door de toverspreuk verstrikt raken en daar worden vastgehouden. Ook hiertegen zijn bezwaren geuit: men had bijvoorbeeld in dat geval beter een andere vorm kunnen kiezen: een fles ('de geest in de fles') of iets dergelijks, met een nauwe opening. De Amerikaan Gordon, die zich uitvoerig met deze schalen heeft beziggehouden, wil hun vorm verklaren als een weergave van een doodskop. Men heeft namelijk ook schedels voorzien van een toverspreuk onder huizen aangetroffen, en bij gebrek aan voldoende schedels zou men tot het vervaardigen van deze schalen zijn overgegaan. De schedel als symbool voor de dode is natuurlijk zeer geschikt om de demonen, die met het dodenrijk in verbinding staan, te bezweren. Zelf zou ik verband willen leggen met de oude gewoonte kinderlijken als bouwoffers onder de huizen te begraven om de invloed van de boze geesten af te wenden. De toverschalen zouden dan een substituut zijn voor dit wrede gebruik. De Aramese tekst 1•andeze wi-erschaal met r:ngelse 1·ertaling ::al binnenkort in het tijdschrift Htbliotheca Orientalis 1·erschij,•en.

Steun van de VerenigingRembrandt Met vreugde en dankbaarheid mogen wij bekend maken dat de Vereniging Rembrandt een zeer aanzienlijke schenking heeft gedaan om het Museum in staat te stellen een belangrijke Romeinse sarcofaag te verwe rven. De aanschaf van deze marmeren kist, die nog niet in het museum gearriveerd is, wordt verder bekostigd uit een legaat dat door Mevrouw Dr. E.F. Prins de Jong (via de Allard Pierson Stichting) aan het museum is gedaan. Over de achtergronden en de betekenis van dit alles zal in het volgende mededelingenblad uitvoerig verslag geáaan worden. J .M. Hemelrijk

Replicas In het museum is een grote collectie copieën in gips en in kunststof van voorwerpen uit de verzameling verkrijgbaar. De serie in kunststof is vervaardigd door het Laboratorium voor Museumtechnische Werkzaamheden te Amsterdam. Grote zorg is besteed aan vormgeving en stofuitdrukking. Belangstellenden kunnen de lijst van verkrijgbare replicas bij het museum aanvragen.

Rectificatie In het vorige nummer (no. 15), blz. 3, rechterkolom, tweede regel van onderen, in plaats van 'van links naar rechts' te lezen 'van rechts naar links'.

Schenking Mevrouw Bakker te Oosterbeek bedacht het museum met een verzameling archeologische voorwerpen uit Zuid-Oost Turkije . De schenking omvat een tiental romeinse lampen, een groot aantal glas en ceramiekfragmenten en tien terracottakopjes. De laatste zijn afkomstig uit het atelier van Tarsos, een belangrijk produktiecentrum actief tijdens de drie eeuwen voor het begin van onze jaartelling. R.A.L.S. Adres van het secretariaat der Vereniging: Allard Pierson Museum, Oude Turfmarkt 127, 1012 GC Amsterdam . telefoon (020) 525 2556 leden-donateurs betalen een contributie van ten minste f 50, per jaar of ten minste f 1000, - ineens; zij ontvangen de publikaties van het museum kosteloos. gewone leden betalen een contributie van ten minste f 30,- per jaar of ten minste f 400, - ineens. student-leden betalen een contributie van ten minste f 10, - per jaar.

Bij toetreding v.a. 1 juli is voor het lopende jaar de helft van de contributie verschuldigd. bankrekening nr. 24.14.23.643 Pierson, Amsterdam;

8

bij Pierson, Heldring &

Nieuwe publicatie Binnenkort zal van de hand van Drs. D.J.W. Meijer de beschrijving uitkomen van de verzameling Mesopotamische rolzegels in het Allard Pierson Museum. De titel van deze publicatie luidt: 'Mesopotamia n cylinder seals in the Allard Pierson Museum, Amsterdam'. Opgenomen in het 'Jaarbericht Ex Oriente Lux' , Leiden, 1977-1978, pp. 7-34, pis. 1-6, zal deze eerste volledige uitgave van het museumbezit Jos verkrijgbaar zijn voor de prijs van f 10,portokosten.

Futo's.

drs . ll . E. Freni.('/

('11 (;,

Strie111,a11

postrekening 1142: gemeen tegiro A 124 7 1 ; beide t.n.v. Pierson, Heldring & Pierson, Amsterdam, met vermelding 't.g.v. vrienden Allard Pierson Museum', nr. 24. 14.23 .643. De leden van de Vereniging genieten de volgende voorrechten: - vrije toegang tot het Museum; - toezending van uitnodigingen voor lezingen, rondleidingen, exposities en andere activiteiten van het Museum; - toezending van het mededelingenblad van de Vereniging, waarin o.m. nieuwe aanwinsten van het Museum door leden van de staf en door stude nt en worden besproken; - mogelijkheid tot raadplegen van de bibliotheek van het Archaeologisch-Historisch Instituut der Universiteit.

Druk : Huisdrukkerij

Universiteit

van Amsterdam

. T -6987

APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 16  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 16  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

Advertisement