Page 1

Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum opgericht 20 juni 1969 nr. 15, juli 1978

UNIVERSITEITS BIBLIOTHEEK AMSTERDAM

HET EERSTE MOZAIEK IN HET ALLARD PIERSON MUSEUM In I 978 verwierf het Allard Pierson Museum een omvangrijk fragment van een vloermozaïek dat het Museum werd geschonken door de Vereniging van Vrienden, met steun van het Olga Heldring-fonds (Inv. nr. 9850). Daarmee raakte het Allard Pierson Museum in het bezit van iets bijzonders; immers geen enkel Nederlands museum beschikt over een antiek mozaïek van een dergelijk formaat. Het mozaïekfragment maakte deel uit van een vloermozaïek, gevonden in een vroeg-Christelijk gebouw in de buurt van het antieke Antiochië in Syrië. Andere fragmenten van dit vloermozaïek bevinden zich in diverse musea zoals het Louvre, de Ny Carlsberg Glyptothek in Kopenhagen, het Cleveland Museum in de V .S.A., het Königliches Museum in Stockholm en het Kestner Museum in Hannover 1 ) De grootste hoogte van ons fragment bedraagt 0,86 men de grootste breedte 1,13 m. De tesserae, de steentjes waarvan een

mozaïek gemaakt is, zijn vrij onregelmatig van vorm en formaat. De maten van de zijden kunnen variëren van 5 tot 12 mm. De tesserae zijn gemaakt van natuurlijke materialen (marmer en diverse steensoorten) en vertonen de volgende kleuren : wit, grijs, oker, roodbruin en donkergrijs. Gemiddeld bevinden er zich 110 tesserae per dm 2 , zodat het hele fragment, ruwweg geschat, 10.000 tesserae bevat. Bij het leggen van de tesserae heeft men goed rekening gehouden met de weergegeven figuren . Vooral in de figuren maar ook daarbuiten zijn de tesserae zo gelegd dat ze de contouren van de figuren volgen waardoor deze sterk geaccentueerd worden. Deze schilderachtige wijze van leggen heeft een sterk plastisch effect. In ons fragment is een schaap afgebeeld, met horens en een dikke staart, staande tussen enige gestyleerde bloemen. De dikke staart van het schaap geeft aan tot welke soort het behoort, namelijk tot dat van de vetstaartschapen 2 >. Deze soort kwam in

1


de Oudheid veel voor in Syrië. Volgens Herodotus (III,13) kwamen er zelfs exemplaren voor die zo'n grote staart hadden dat er achter deze schapen een wagentje gebonden werd waarin ze hun staart meedroegen, opdat deze niet door het slepen over de grond beschadigd zou worden. De staart van ons schaap is echter veel kleiner en we hebben hier dan ook te doen met een exemplaar van de kortstaartige soort, avis aries steatopyga. Deze soort heeft een korte vetstaart en halvemaanvormige horens 3 ). Men fokte deze schapen voor de wol, een belangrijk exportartikel in de Oudheid. Ook bij de Hebraeën gold het hebben van grote kudden schapen als een teken van rijkdom en aanzien. Zou dit schaap misschien om deze reden op ons mozaïek zijn weergegeven? Op een ander fragment dat van hetzelfde mozaïek afkomstig is staat een panter afgebeeld 4 ). Het lijkt vreemd dat een vreedzaam dier als ons schaap en een roofdier zo maar samen op één mozaïek waren afgebeeld. Inderdaad komt een dergelijke combinatie niet vaak voor. De weinige keren dat wilde en tamme dieren op deze wijze naast elkaar zijn afgebeeld is op Orpheus-mozaïeken en op paradeisos-mozaïeken. Orpheus te midden der dieren is een motief dat veel op mozaïeken voorkomt. Paradeisos-mozaïeken, die als het ware hele optochten van alle mogelijke dieren kunnen weergeven (de naam paradijs is afgeleid van de dierenparken van Oosterse vorsten) vormen een motief dat pas in de Christelijke tijd in zwang raakt. Een fraai voorbeeld van zo'n paradeisos-mozaïek is gevonden in het martyrium van Seleucia te Antiochië 5 ). Op ons mozaïek zijn naast het schaap enige gestyleerde bloemen, lotusknoppen en rozetten, weergegeven die als het ware over de grond gestrooid lijken. Dezelfde gestyleerde bloemen komen voor op het paradeisos-mozaïek in het martyrium van Seleucia. Onderzoek heeft aangetoond dat een dergelijk 'bloemenstrooisel' oorspronkelijk niet bij dierenmozaïeken hoort (daar zijn gewoonlijk bodemlijnen en planten en bomen weergegeven). Integendeel, deze lotusknoppen en rozetten blijken ontleend te zijn aan een heel ander soort vloermozaïek, namelijk vloermozaïeken die versierd zijn met op tapijtachtige wijze in ruitvormige geometrische patronen gearrangeerde lotusknoppen en rozetten 6 ). Toen men dit type van decoratie ging combineren met diervoorstellingen raakte de geometrische arrangering van de bloemen al spoedig buiten gebruik en werden deze op een meer vrije wijze tussen de dieren geplaatst, zodat een bloemenstrooisel ontstond dat aan een

bloeiend veld doet denken 7 ). Alle mogelijke dieren in een bloeiend veld illustreren wel bij uitstek de Christelijke paradijsgedachte. Deze combinatie van dierenmozaïek en bloemenstrooisel treffen we dus ook aan in ons mozaïek en daarom is het waarschijnlijk dat het deel heeft uitgemaakt van een paradeisos-mozaïek. Daarover zullen we echter pas zekerheid kunnen hebben wanneer de fragmenten die zich in andere musea bevinden bestudeerd zullen zijn. Het paradeisos-mozaïek in het martyrium van Seleucia wordt omstreeks 500 na Chr. gedateerd. Ons fragment is wat fijner van kwaliteit, het schaap is levendiger weergegeven evenals de kleuren en de schaduwen. Een paradeisos-mozaïek uit het, in de buurt van Antiochië gelegen, Homs, welk mozaïek tussen 450 en 460 na Chr. gedateerd kan worden, vertoont stylistisch grote overeenkomst met ons fragment, vooral in de wijze waarop de tesserae gelegd zijn 8 ). Daar zijn echter tussen de dieren nog gewone struiken en planten weergegeven. Ons mozaïek kan daarom voorlopig het beste tussen deze beide mozaïeken gedateerd worden, d.w.z. ergens in de 2e helft van de Se eeuw na Chr. In het, ongepubliceerde, gebouw waar ons mozaïek gevonden is, zijn, naast een groot aantal fragmenten van mozaïekvloeren uit diverse periodes, ook een aantal mozaïek-opschriften uit de 4e en Se eeuw gevonden die gegevens bevatten over de stichtingen en restauraties van vroeg-Christelijke bouwwerken en over Christelijke hoogwaardigheidsbekleders. Daarom zal dit gebouw waarschijnlijk ook een vroeg-Christelijke kerk zijn geweest. P. G. P. Meyboom NOTEN 1 2 3 4 5 6 7 8

Zie Kunst der Antike, Galerei Günter Puhze, p. 27, nr. 206, ons fragment is no. 211. Zie 0. Keller, Die antike Tierwelt, dl. I (1909), p. 312 e.v. Cf. Keiler, op. cit., fig. 109. Kunst der Antike, nr. 210; dit fragment lijkt wel van een andere hand of wat later gerestaureerd te zijn. Zie D. Levi, Antioch mosaic pavements (1947), pl. 87-89, 175, 176a. Levi, p. 436 e.v. Deze ontwikkeling is duidelijk te zien in een dierenmozaïek in Antiochië (Levi, pl. 74a) waar de dieren elk in een door rozetten en lotusknoppen gevormde ruit geplaatst zijn. Thans in het J. P. Getty Museum te Malibu, zie C. Yermeule, N. Neuerburg, Catalogue of the ancient art in the J. Paul Getty Museum (1973) nr. 117.

OLIEFLES MET AFBEELDING VAN POSEIDON, 470-460 voor Chr. Schenking VVAPM 1978, inv. 9710, hoogte 30,4 cm. Olijfolie was een van de voornaamste produkten van de Oudheid. Het werd gebruikt voor verlichting, voor het eten, voor lichaamsverzorging en bij het begrafenisritueel. De verzorging met welriekende olie had grote betekenis: het verhief de dode tot een hogere staat. Het Griekse woord 'christos' (geoliede of gezalfde) getuigt van deze magische betekenis. De olie werd verkocht en bewaard in speciaal daarvoor ontworpen flessen van stevig aardewerk, zogenaamde lekythen. In de bloeiperiode van de Griekse beschaving, de Se eeuw voor Chr., hadden deze lekythen een echte flesvorm, een hoog lichaam met platte schouder en een lange, nauwe hals. De hals wordt bekroond door een kelkvormig kommetje waarin de olie zich, na het gieten, verzamelt om weer langzaam terug te druipen in de nauwe opening. De fles staat op een stevige voet die er uit ziet als een schijf maar van onderen enigszins hol is. Op de schouder staat een elegant, lusvormig oor dat tegen de

2

hals is vastgedrukt. Bijna de hele fles is zwart geschilderd, maar de bovenkant van de monding en de zijkant van de voet zijn in de rode klei gelaten. Tevens is op de schouder een veld uitgespaard voor een serie van vijf palmetten, zwarte bladcomplexen die met lange, gebogen stengels in elkaar grijpen. Om de knik van de schouder loopt, aan de voorkant, een smalle band versierd met stukjes meander afgewisseld met kruisen in rechthoekjes. Het lichaam van de lekyth loopt, van de schouder neerwaarts, haast onmerkbaar toe; ook dit zacht welvende, bijna cylindrische vlak is grotendeels zwart geschilderd, maar hier is, in het zwart, een tafereel in de rode-kleikleur uitgespaard: de god van de zee, Poseidon, zittend op een krukje, met een dolfijn in de rechterhand, een drietand rechtop houdend met de linker; achter hem staat zijn altaar. De god heeft een band om het hoofd, zijn lange golvende haar hangt tot ver op zijn rug. Zijn gezicht is omlijst door weelderige krullen op zijn voorhoofd en een koninklijke baard. Hij is


gekleed in de gebruikelijk e plech tstatige dracht : een lange chiton met wijde mouw en (ee n gewaad dat zeer sterk verschilt van alle Westerse kled ij, m ar misschien met een ruim-vallende nachtpon vergeleke n kan worden) en daar overheen, om het middel en over de linker schouder geslagen, een himation of mantel (een los geweven wollen omslagdoek of plaid). Deze lekyth werd omstreeks 4 70-460 voor Chr. in Athene gemaakt. De beschildering heeft nogal te lijden gehad, want de fles is uit een groot aantal scherven opgebouwd. Toch is de karakteristieke stijl van de schilder nog duidelijk te zien; en het moet mogelijk zijn onder de honderden thans bekende Attische vaasschilders de schilder van deze lekyth te herkennen; voor ingewijden mag gezegd worden dat deze misschien gezocht moet worden in de kring om (of de school van) de zogenaamde Providence schilder. Ook de voorstelling vereist verder onderzoek: Poseidon, geheel alleen zittend op een kruk, achteloos de rug kerend naar zijn altaar, is nogal ongewoon, zeker op een lekyth. De scene lijkt een 'uittreksel' uit een godenvergadering, een voorstelling die men vaak kan zien op Griekse 'vazen' met een langgerekt beeldvlak (zoals bijvoorbeeld de buitenkant van een drinkschaal of kylix). Doch niet slechts in wetenschappelijk opzicht biedt deze schenking van de Vereniging iets nieuws; belangrijker is misschien dat ons museum nog geen vaas bezat waarop, in de rood-figurige techniek (door uitsparing in het zwart), Poseidon is afgebeeld. Wellicht vormde deze lekyth, tezamen met een andere oliefles, een stel of paar: zulke paren komen wel eens voor. Wij kunnen ons dan voorstellen dat op de tweede lekyth Poseidons gade, Amphitrite, was afgebeeld, eveneens zittend op een krukje, maar dan naar links gekeerd, met een even levendige uitdrukking op haar gezicht: een goddelijke conversatie van fles tot fles .

J. M. Hemelrijk

SJAWABTl'S UIT DE COLLECTIE DOBBER

Zoals in het vorige nummer aangekondigd, volgt hieronder een korte beschrijving van de belangrijkste sjawabti's 1 ), of oesjebti's uit het legaat-Dobber, dat een zo welkome aanvulling vormt van de reeds mhet Museum aanwezige Egyptische verzameling. Sjawabti's zijn beeldjes van dienaren, die vanaf het Middenrijk (2061 tot ca. 171 S voor Chr.) in steeds grotere aantallen (soms zelfs 700) in graven werden meegegeven om in de Onderwereld in plaats van de overledene zwaar land bouwwerk te verrichten. 2 ) Het woord 'sjawabti' betekent waarschijnlijk 'dagloner' of ook wel 'vervanger'. Het komt ook wel als 'sjabti' voor. De latere aanduiding 'oesjebti' betekent 'antwoord-gever': de sjawabti antwoordt op het oproepen van de overledene tot corvĂŠe-arbeid in zijn plaats. Zulks blijkt ook uit de magische formule, die vaak op de sjawabti's zelf is aangebracht. In zijn meest volledige vorm luidt deze toverspreuk als volgt : "O, sjawabti, als ... aangewezen en opgeroepen wordt om alle werk te doen dat in de Onderwereld gedaan moet worden, om de velden te doen groeien, om de kanalen te vullen en om zand van het oosten naar het westen te dragen , dan moet jij zeggen: hier ben ik". Sjawabti's kunnen zeer verschillen in grootte en uitvoering, maar altijd dragen zij de werktuigen, die ze nodig hebben voor hun taak. Op de foto (vide pag . 4) van links naar rechts: 1. Sjawabti van Psamtik, de zoon van de vrouw Amemrdis, uit

3


de 27e dynastie (525-404 voor Chr.), de tijd van de Eerste Perzische Overheersing. Het materiaal is groene faience, de herkomst is onbekend. Hij is gekleed in een mummie-achtig gewaad, met een lange pruik op en voorzien van een godenbaard. In zijn handen heeft hij landbouwwerktuigen en op de rug draagt hij een zak voor het verwijderen uit het bouwland van opgewaaid woestijnzand. Hij heeft ook een rugpilaar voor de stevigheid. Op deze sjawabti staat de volledige spreuk gegraveerd. 2. Sjawabti van Oedja-Hor, priester, wiens moeder Sjedet was. Hij dateert uit de 26e, de zogenaamde Saïtische, dynastie (664-525 voor Chr.). Het oorspronkelijke groene glazuur is grotendeels van deze met de hand gevormde sjawabti verdwenen door de inwerking van water en daardoor is de witte onderlaag van de faience blootgekomen. Dat is ook de oorzaak van de lichte beschadiging aan de voet. Het beeldje is namelijk door Sir Matthew Flinders Petrie met 398 soortgelijke in een zeer rijke grafkamer gevonden, die echter door het gestegen grondwaterpeil onder water was komen te staan 3 ). De kamer maakte deel uit van een grafcomplex ten noordoosten van de pyramide van Amenemhet III bij Hawara, aan de ingang van de Fayoemdepressie in Midden-Egypte. Ook deze sjawabti heeft een baard, een zak op de rug en de volledige spreuk. 3. Houten sjawabti van Sjesep-re, priester van de schrijver-god Thot, uit de 18e dynastie (1554-1305 voor Chr.). De herkomst is niet bekend. De beschildering is in rood, wit, zwart, groen en blauw uitgevoerd. Evenals de twee volgende sjawabti's heeft deze geen baard, maar wel een geschilderde halskraag. Zoals de vorigen, heeft deze een zak op de rug en is de volledige spreuk erop aangebracht. 4. Houten sjawabti van Se-asja (de naam betekent 'politieman'), waarschijnlijk priester van Horus in Thebe, uit de eerste helft van de 18e dynastie. Hij is geschilderd in geel, groen, rood en zwart, maar nu nog ontsierd door donkere vlekken op het

4

oppervlak. Ook deze heeft een zak op de rug en is voorzien van de complete spreuk. 5. Houten sjawabti van Amon-mose, eerste schatbewaarder, uit de 19e dynastie (1305-1196 voor Chr.). De herkomst is onbekend. Hij is geschilderd in de kleuren bruingeel, groen, rood en zwart. Naast de gebruikelijke zak, heeft deze sjawabti ook nog twee waterkruiken voor irrigatie aan draagriemen over de schouders. Deze keer staan alleen de naam en titel van de dode erop. 6. Sjawabti 4 ) van Aset-em-achbit , eerste priesteres van de harem van Amon-re. Zij is waarschijnlijk de vrouw geweest van Mencheperre, priester-koning te Thebe in± 1000 voor Chr., een zoon van Pinodjem I. Zijzelf was een dochter van Psoesennes I, die in het Beneden-Egyptische Tanis regeerde tot 1004 voor Chr. De sjawabti moet afkomstig zijn uit één van de kisten met sjawabti's, die eind vorige eeuw gevonden zijn in een geheime mummiebergplaats bij de Hatsjepsoet-tempel van Deir el-Bahari te Thebe. Hij is handgevormd en van blauwe faience, dit keer zonder baard, maar met een zak op de rug. Deze sjawabti draagt slechts een gedeelte van de spreuk. Ook in de volgende nummers zullen belangrijke stukken uit dit legaat worden behandeld. W. M. van Haarlem 1

Inventarisnummers en afmtJtingen, respectievelijk: 1: 9502 · 18 , 1 cm; 2 : 9485 • 23,4 cm; 3: 9450 - 24 cm;<:: 9458 - 22,2 cm; 5 : 9455 18,2 cm; 6: 9468 - IS cm.

2

Zie: W. M. van Haarlem, De sjawabti's, in "Enkele voorwerpen uit een collectie Egyptische Oudheden", Mededelingenblad van de Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum, No. 11 (1976), p. 5-6, afb. 9. Details in: M. Flinders Petrie e.a., Kahun Gurob, Hawara. Londen 1890, p. 9-10 en 19. Een tweede exemplaar bevindt zich in het Louvre te Parijs, zie: F. Aubert en L. Aubert, Statuettes égyptiennes: ChaouabtisOuchebtis, Paris 1974, pl. 30, fig. 66.

3 4


ANDERE RECENTE AANWINSTEN EN BRUIKLENEN

Een verzameling moet groeien. Nieuwe aanwinsten verrijken aanwezige series, openen nieuwe perspectieven. In de laatste tijd verkreeg het museum door schenking, aankoop en bruikleen een aantal oudheden die de collectie op belangrijke punten aanvullen. Naast individuele schenkingen moet speciaal de Vereniging van Vrienden genoemd worden : zonder haar steun zou het museum de voornaamste van de hieronder genoemde stukken niet hebben kunnen verwerven. De vroegste groep oudheden wordt gevormd door een dertigtal uit obsidiaan (gestold lavaglas) vervaardigde instrumenten. Zij zijn afkomstig van het eiland Melos en vandaar vanaf het 6e milennium voor Chr. over het Aegeïsche gebied verspreid . Dankzij deze schenking van de heren Krimitsas te Parijs zijn de voornaamste typen van deze industrie nu in Amsterdam aanwezig (afb. 1, vitrine 91 ). Het model van de kan op afb . 2 doet plomp aan, de versiering van vogels en geometrische motieven is tamelijk slordig. Dit is echter wat deze vaas interessant maakt. Vergelijking met de meer verfijnde Oostgriekse ceramiek in het museum (vitrine 218) leert dat het gaat om een produkt uit een provinciaals atelier dat gelegen was buiten de grote centra zoals Rhodos of Samos. De kan zal uit de 7e of het begin van de 6e eeuw voor Chr . dateren . De ontwikkeling van de fibula , de antieke kledingspeld die werkt volgens het principe van onze veiligheidsspeld, is al eens beschreven in deze Mededelingen (no . 6, 1973) . Dankzij de heer L. Kwarten werd de verzameling met drie bronzen exemplaren uit Calabrië uitgebreid . De fibulae dateren uit de 8e eeuw voor Chr. (afb. 3, vitrine 2 50). Van Drs E. P. van Dijk ontving het museum vijf stukken ceramiek . Vanwege de zeldzaamheid moet een Aeolische aryballos genoemd worden (afb. 4 , vitrine 235), een bol olieflesje van zwart geribbeld aardewerk . Deze aryballos is gevonden op Sicilië en dateert uit het eind van de 6e eeuw voor Chr. De vorm is verwant aan die van dergelijke flesjes van faience uit Egypte en Rhodos (vergelijk vitrine 218) . Een andere aryballos schonk mevrouw L. H. Maas Geesteranusvan Dam te Doorn. Gemaakt in Italië tussen 600 en 550 voo r Chr. onder Corinthische invloed staat deze klasse bekend als Etrusco-corintisch (afb . 4, vitrine 235) . Intensief onderzoek van de beschilderde vazen uit o.a . Athene heeft het mogelijk gemaakt persoonlijke karakteristieken te herkennen en op die manier ateliers en schilders te onderscheiden. In die omstandigheden zijn scherven van groot belang. Hoe klein ook , zij verdiepen toch de kennis van kunstenaarspersoonlijkheden . Zo kan de geestig weergegeven sileen (afb. 5, vitrine 235) op grond van vergelijking met andere vazen misschien toegeschreven worden aan een kunstenaar die de Lysippides-schilder wordt genoemd. Aan de amfoor waartoe deze scherf behoo rd e, werkte hij omstr eeks 5 25 voor Chr. Een bijzonder welkom geschenk van de Vereniging is de Attische rood-figurige lekythos van omstreeks 4 70 voor Chr. Professor Hemelrijk bespreekt deze belangrijke aanwinst elders in dit blad . De Hellenist ische period e, d .w.z. het tijdvak dat loopt van het einde van de 4e eeuw voor Chr. tot omstreeks 30 voor Chr ., is voor de beeldhouwkunst een periode van zoeken. Verschillende stromingen zijn te herkennen. Een ervan, een streven naar verfijning , raffinement, komt duidelijk naar voren in een zwevende Eros van terracotta . Het bovenlichaam is gehuld in een korte mantel die ook om het hoofd geslagen is en de onderkant van het gezicht verhult. Vormgeving, onderwerp en techniek wijzen op een ontstaan in Myrina , een stadje op de

,!,;_,._~~

.

.. 1-~

.. ~"'

~~

-

ri,r.

-

,

.

,,..~

'

-

'.

-- - .,_._"""~~.. ... ~•"1rr~t

,,1'1

- ~~

~~~~Z, .-u,_~

-

~~~

.i

2

3

5


kust van Klein-AziĂŤ. Dergelijke figuurtjes zijn er in grote getale gevonden. Het nu, anoniem, geschonken exemplaar is uit de 2e eeuw voor Chr. (afb. 6, vitrine 276). De Romeinse periode, bescheiden vertegenwoordigd in de verzameling, krijgt de laatste jaren systematisch aandacht. Een grote marmeren kop, een portret van Plato, is een 2e eeuwse kopie van een omstreeks 350 voor Chr . door de beeldhouwer Silanion gecreĂŤerd portret. Er zal later op worden terug gekomen. Een tweede door bijzondere omstandigheden gelukte aankoop is een marmeren kinderkopje (afb. 7, vitrine 235). Waarschijnlijk stelt het Eros voor. Het komt uit het oosten van het Romeinse Rijk. De beeldhouwer heeft het kinderlijke in de gelaatstrekken goed getroffen. Een technische bijzonderheid is dat een deel van het haar op het achterhoofd in gips is gemaakt. Onder de sculpturen moet verder een openingsgeschenk genoemd worden dat nog niet de aandacht kreeg die het toekomt. Meer dan een jaar al bewaakt een bijna 90 cm lange leeuw van kalksteen onze koptische oudheden. Hij komt uit Benassa (het antieke Oxyrrhynchus) in Midden-Egypte (afb. 8, zaal 7). De krachtige, mooi gestyleerde weergave van het dier is een goed voorbeeld van de beeldhouwkunst uit deze stad tijdens het eind van de 3e en de 4e eeuw na Chr. De schenker, die naamloos wenst te blijven, verrijkte de koptische verzameling met een bijzonder stuk. Eveneens uit Benassa komen twee grote bruiklenen in dezelfde zaal. Voorgesteld is de overledene gekleed in tunica (een hemd) en pallium (een mantel) steeds een zogenaamde handguirlande vasthoudend. Deze beelden dateren uit dezelfde tijd als de leeuw. De linker sculptuur is een anoniem bruikleen, het rechter stuk stond de Heer J. Polak te Amsterdam tijdelijk af. Andere beelden uit dezelfde groep

6

4a,b 5

la

7b

6


bevinden zich o.a. in Leiden en Parijs. Als laatste van de grote aanwinsten kan het Laat-Romeinse mozaïek genoemd worden, een prachtig geschenk van de Vrienden van het Museum met steun van het Olga Heldringfonds, dat onlangs in aanwezigheid van burgemeester Polak van Amsterdam aan het museum werd overgedragen door Jhr. Six van Hillegom, de plv. voorzitter. Het mozaïek wordt elders besproken door Drs. P. G. P. Meyboom. Enig Noord-Afrikaans aardewerk werd in bruikleen ontvangen van Mevrouw P. L. Nollen te Amsterdam (vitrine 235), terwijl schenkingen uit de 'rondleidingspot' met steun van Prof. Dr M. J. Vermaseren te Amsterdam de verzameling antieke gemmen en juwelen verrijken. Een groep van zes in cornalijn gesneden stenen toont de zeer schematische stijl van de 2e en 3e eeuw na Chr. Afb. 9 geeft drie der stenen weer: een staande Ceres, een geestige voorstelling van een hond die een haas achterna zit en een staande Eros. Alle zijn enige malen vergroot. Zes gouden oorbellen versierd met halfedelstenen dateren uit dezelfde periode . Zij zijn karakteristiek voor de juwelen uit deze tijd en vullen een lacune in de overigens rijke verzameling juwelen (afb. l 0) . De Egyptische afdeling werd in de eerste plaats verrijkt met de verzameling-Dobber. Een zestal grafbeeldjes zijn hiervoor beschreven door de Heer W. M. van Haarlem, aan andere voorwerpen uit dit belangrijke legaat zal in volgende nummers aandacht worden besteed. Een belangrijk geschenk is verder een groot fragment van een houten polychrome laat-Egyptische mummiekist. Het stuk, een gift van Jhr. Six van Hillegom, wordt momenteel grondig gerestaureerd en geconserveerd. Dr. H. J. Levelt bedacht het museum met een groep oudheden uit de nagelaten verzameling van Mevrouw M. A. LeveltHoogvelt. De afdeling Nabije Oosten werd aldus aangevuld met ceramiek uit Iran, een fragment van een geglazuurde tegel uit een der paleizen van Susa en een Sassanidisch zegel (vitrine studiecollectie zaal 5). De Heer K. B. Kremer, ten slotte, schonk interessante en fraai bese:hilderde scherven uit Sakkizabad in in N.W.-Iran (vitrine 48h). R. A. Lunsingh Scheurleer

8

9

10

11

Afb. 1: inv.no. 9711, 9712; afb. 2: 9422, H. 20,5 cm; afb. 3: 9428, L. 9,9 cm; afb. 4: links 9603, H. 5,6 cm, rechts 9810, H. 7,1 cm; afb. 5: 9415, 3,8 x 4,4 cm; afb. 6: 9598, H. 15 cm; afb. 7: 9906, H. 11 cm; afb. 8: 9353, L. 90 cm; afb. 9: v.l.n.r. 9888, 0,9 cm, 9892, 1,1 cm, 9887, 1,3 cm; afb. 10: links 9897, H. 3 cm, rechts 9896, H. 3,2 cm.

CYPRUS EN HET ALLARD PIERSON MUSEUM 1 Sinds de heropening van het museum is de bescheiden collectie oudheden afkomstig uit Cyprus met een aantal voorwerpen, in bruikleen gegeven door de Heer T. Zintilis te Amst erdam, 'versterkt'. Het betreft hier vooral gouden sieraden (vitrines 34 7, 348, op podium , 2e verdieping) en een twaalftal hoogst opmerkelijke stenen mensfiguurtjes (vitrine 79, zaal 6, le verdieping) . De nu volgende, korte bijdrage gaat over deze laatste groep . De figuurtjes zijn gemaakt van zachte, meestal groenachtige steen (steatiet), vaak mooi glad afgewerkt , en komen uit het zuid-westen van het eiland . Zij dateren uit het Chalcolithicum, d.w.z. de overgangspe!"Î-odetussen Steen- en Bronstijd waarin voor het eerst voorwerpen verschijne~ gemaakt van metaal koper, meestal nog niet gelegeerd met andere metalen. In Cyprus wordt deze periode dikwijls gedateerd ± 3000-2500 voor Chr . De figuurtjes zijn klein (gemiddeld ± 5 cm hoog) en vallen daarom bij een bezoek aan het museum niet direct in het oog .

Met één uitzondering behoren zij tot hetzelfde, kruisvormige type : zij beelden een mens uit wiens naar beide zijden uitgestrekte armen haaks op het lichaam staan. Binnen dit kruisvormige schema zijn verschillende variaties mogelijk , waarvan er hier één is afgebeeld in een tekening van Jaap Morel (ook in vitrine 79 te zien). Dit is een 'dubbel'-figuur (afb. l, hoogte 3,9 cm) , waarbij de uitgestr ekte armen van een vrouwelijk figuurtje zijn vervangen door het lichaam van een ander , geslachtloos figuurtje . Het grotere figuurtje, vrouwelijk omdat borsten zijn aangeduid, heeft een doorboring in het hoofd. Dit duidt op een gebruik als hanger. Inderdaad is er een kruisvormig beeldje in het Cyprus Museum te Nikosia dat een dergelijk figuurtje aan een koord om de hals draagt. Tijdens een korte voordracht over de figuurtjes in de collectie Zintilis op de bijeenkomst van de Vrienden in september 1977 kon ik de aandacht vestigen op een grote, kruisvormige vrouwfiguur in een Zwitserse privé-verzameling (hoog 39,5 cm). Helaas

7


De opgravingen van Lemba werpen voor het eerst een duidelijk licht op de cultuur waartoe al deze ste nen mensfiguren behoorden. Zij worden dit jaar voortgezet, met deelneming van Jaap Morel, kandidaat in de archeologie aan de Universiteit van Amsterdam. Wellicht zal dan een antwoord worden gevonden, bijvoorbeeld op de vraag naar de eventue le relaties met de rest van Cyprus en met het buitenland, met name de Levant en de eilanden der Cycladen in de Aegeïsche Zee. Tot slot een vraag die zowel aan de opgravers als aan de lezers van dit blad gesteld kan worden: wat is de betekenis van de gebogen knieën, karakteristiek voor zowel de twee nu bekende grotere kruisvormige mensfiguren als voor de meeste kleintjes (enkelvoudige en dubbele, zoals afb . l)? Zou er sprake kunnen zijn van een vrouw die bezig is een kind te baren, in hurkzit of knielend? J. H. Crouwel LITERATUUR

L. Vagnetti, "Preliminary remarks on Cypriote Cha!colithic figurines", Report Department of Antiquities, Cyprus 1974 , 24-34. J . Karageorghis, La grande déesse de Chypre et son culte, Lyon 1977. E. J. Peltenburg, "Cha!colithic figurine from Lemba, Cyprus", Antiquity 51, 1977, 140-3.

was deze, evenals de meeste kleine exemplaren, niet afkomstig uit wetenschappelijke opgravingen , zodat informatie over vondstomstandigheden (graf, heiligdom , etc.) en daardoor over de betekenis van deze beeltenissen voor hun 'gebruikers' ontbraken . Dat veranderde kort daarop met de verschijning van een artikel van Dr E. J. Pel ten burg uit Glasgow. Daarin publiceerde hij een vrij grote, kruisvormige vrouwfiguur, door hem in 197 6 opgegraven bij het dorpje Lemba in zuid-west Cyprus. Op 7 maart 1978 stond de opgraver zelf voor de Vrienden, met in zijn armen een afgietsel van de 'Lemba lady' (hoog± 16 cm). In woord en dia leidde hij ons rond over het opgravingsterrein en toonde de precieze vindplaats van de 'lady': onder een voorraadpot die tegen de binnenmuur van een kennelijk cirkelvormig huis was gevallen. Peltenburg interpreteerde de vrouwfiguur als een godheid en het huis als een heiligdom, omstreeks 2500 voor Chr. verwoest en verlaten. De kleine kruisvormige figuurtjes, waarvan hij ook verschillende complete en kapotte exemplaren aantrof in d·e huizen en graven van Lemba en die vaak aan kettingen werden gedragen, zouden dan goedkope, makkelijk hanteerbare replica's zijn van de grotere 'kruisbeelden'.

Adres van het secretariaat der Vereniging: Allard Pierson Museum, Oude Turfmarkt 127 , 1012 GC Amsterdam. telefoon (020) 525 2556

J. H . Crouwe l , "Cypriote Chakolithic figurines in Amsterdam", R eport Departme11t of A 11tiquities, Cyprus 1978 (in druk).

MEDEDELING VAN DE VERENIGING In zijn vergadering van 17 mei jl. heeft het algemeen bestuur Mevrouw C. E. Jaffé-Pierson te Huizen (N.H.) benoemd tot Lid van Verdienste van de Vereniging van Vrienden wegens haar uitzonderlijke en herhaaldelijke steun aan de Vereniging . Daarnaast werden door Mevrouw Jaffé-Pierson, tezamen met haar in februari 1978 overleden echtgenoot, Dr P. Jaffé, schenkingen van kunstvoorwerpen aan het museum gedaan en werd het museum voorts verrijkt met een zeer fraai portret van haar vader, de Heer Jan Lodewijk Pierson (1854-1944 ), onder meer stichter van de 'Allard Pierson Stichting', die in 1934 de stoot heeft gegeven tot oprichting van het museum. Dit portret in rood krijt getekend door Jan Boon in 1934, is geplaatst in de hal van de eerste verdieping van het museum.

Foto 's: drs. H. E. Frenkcl en Cl. Strietma11

postrekening 1142; gemeentegiro A 124 71; beide t.n.v. Pierson , Heldring & Pierson , Amsterdam, met vermelding 't.g.v. vrienden Allard Pierson Museum', nr. 24.14.23.643.

leden-donateurs

betalen een contributie van ten minste f 50, - per jaar of ten minste f 1000 ,- ineens; zij ontvangen de publikaties van het museum kosteloos . gewone leden

betalen een contributie van ten minste f 30, - per jaar of ten minste f 400, - ineens. student-leden

betalen een contributie van ten minste f 10,- per jaar. Bij toetreding v.a. 1 juli is voor het lopende jaar de helft van de contributie verschuldigd. bankrekening nr. 24.14.23 .643 bij Pierson , Heldring & Pierson , Amsterdam ;

8

De leden van de Vereniging genieten de volgende voorrechten: - vrije toegang tot het Museum ; - toezending van uitnodigingen voor lezingen, rondleidingen , exposities en andere activiteiten van het Museum; - toezending van het mededelingenblad van de Vereniging, waarin o.m. nieuwe aanwinsten van het Museum door leden van de staf en door studenten worden besproken; - mogelijkheid tot raadplegen van de bibliotheek van het Archaeologisch-Historisch Instituut der Universiteit.

. Druk : Huisdrukkerij

Universiteit

van Amsterdam

T -6771

APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 15  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 15  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

Advertisement