Page 1

v. MEDEDELINGENBLAD

Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum opgericht 20 juni 1969

nr. 9 . December 1974

ENIGE TERRACOTTA

LAMPEN IN HET ALLARD PIERSON MUSEUM

Hoewel de lamp (afb. 1,1) uit Palestina afkomstig is en ongeveer in de Se eeuw n.Chr. gedateerd moet worden, geeft hij typologisch een aardige indruk van de handgevormde lampen zoals die in het 2e millennium v.Chr. in biJna het gehele Middellandse Zeegebied in gebruik waren en die de voorlopers waren van de Griekse op het pottenbakkerswiel gedraaide lampen.

Het principe is een soort schoteltje of ondiep bakje met (olijf)olie 1 waarin een pit drijft, ev. voorzien van een randje tegen het morsen dat aan één kant is samengekneperJ om er de pit op te laten rusten. Langzamerhand ontwikkelt zie}:!hieruit een bakje met een overbrugde tuit en opstaande, naar binnen gebogen wanden, terwijl een laagje slip ('vernis') zorgt voor de dichtheid.

afbeeldi11g 1 11r. 1 Inv.nr. 510 11r. 2 bll'.nr. 3885 nr. 3 ln v.nr. 3892 nr. 4 /11v.11r. B8462 nr. 5 Inv.nr. B6C29

De Grieken gebruikten na de Myceense tijd toortsen voor verlichting. Bij Homerus is er één keer sprake van een lamp, n.l. de gouden lamp van Pallas Athene2; elders van een vuurbekken gestookt met spaanders 3 . De eerste terracotta lampen in Griekenland behoren tot het eerste kwart van de

L. 12,5 cm

L. 9,8 L. 10 L. 8,5 L. 6,5

cm cm cm cm

H. H. H. H.

2,1 3,3 3,4 3,5

cm cm cm cm

Diam. Diam. Diam. Diam.

8 7,8 6 4,5

cm cm cm cm

I

1


7e eeuw v.Chr.; men vermoedt dat dit te danken is aan invloeden uit Egypte en het Nabije Oosten en aan de verbreiding van de olijfboom 4 . Deze lampjes gaven overigens weinig, geelachtig licht, ongeveer ter sterkte van een kaars, en brandden 2 à 3 uur. Het spetteren van de olie kon men verminderen door er wat zout in te strooien, maar het walmen en snuiten van de pit eiste een voortdurende zorg 5 . Nadat een tijdlang de handgevormde en op de draaischijf gevormde modellen naast elkaar hebben bestaan, heeft in de 6e eeuw v.Chr. de gedráaide versie het gewonnen in Griekenland. Een fraai specimen bevindt zich in de collectie van het museum (afb. 1,2): een plat cirkelrond lichaam, een vlakke onderkant, een klein tuitje, een gewelfde schouder die naar binnen overhangt, zwart glanzend vernis, uitgespaard in een decoratieve band op de schouder en, zoals bij veel lampen van dit type , op het basisvlak. Van hieruit steekt een conisch buisje naar boven, dat aanvankelijk werd beschouwd als een hulpmiddel om de lamp op een gepunte stok of standaard te steken (vandaar de naam 'stoklampen'), maar gezien de praktijk lijkt het idee van Howland waarschijnlijker, dat het buisje diende als vingergat om het dragen van een brandende lamp te vergemakkelijken. Men zou ook een touwtje door deze opening kunnen halen om de lamp buiten gebruik op te hangen6. De onderhavige lamp is gevonden in Klein-Azië;gezien de kleur van de klei en de vernis lijkt me dat er sprake is van typisch Attische export van± 525-480 v.Chr. De lamp uit Sicilië (afb . 1,3) vertoont een iets later stadium van ontwikkeling: een klein diep lichaam, rond gebogen wanden, horizontale schouder, een grotere tuit en een vlakke basisring. Een aardig effect geeft het als men de tuit van de lamp (afb . 1,4) even in de slip dompelt - met het gevaar voor vlekken op de schouder! Deze dunne bruine slip was voornamelijk in het eind van de vierde en het begin van de derde eeuw v.Chr. in gebruik? , terwijl de Hellenistische lampen over het algemeen ongevernist zijn . Zowel deze lamp als afb. 1,5 vertoont een stevige tuit die naar boven steekt , een concave basisring met binnenin de lamp een kegelvormige verhoging, ronde wanden

afbeelding 2 Jnv.nr . 1606

L . 50 cm

en op de naar binnen gebogen schouder een cirkelvormige groef rond het vulgat. In deze tijd(± 340-310 v.Chr.) doet de 'sidelug' , een klein doorboord oortje aan de linkerkant van de lamp, zijn intrede. Er is verondersteld dat dit gediend zou hebben om er een prikkertje van brons, been of hout voor het oppeuteren van de pit in te bewaren, maar het lijkt waarschijnlijker dat het ontworpen is ter wille van het ophangen in

1 afbeelding 3 nr. 1 lnv .nr . 1689 nr. 2 Inv.nr. B6032 nr. 3 Jnv .nr. 8148

2

L. 7,6 cm L. 9,4 cm L . 7,3 cm

H. 4,6 cm H. 2,9 cm H. 2,6 cm

Diam. 8,2cm Diam. 5,2 cm Diam . 4,3cm

3


winkel of huis, met het voordeel dat de laatste druppels olie er niet uitlopen8. Immers de omvang van de doorboring is miniem en het oortje is loodrecht op de tuit en iets voor het midden van de lamp geplaatst, wat bij ophanging een evenwichtstoestand geeft. In de behoefte aan reliëf decoratie in de derde eeuw v.Chr. wordt voorzien door de opkomst van de 'mould-made' lampen, d.w.z. lampen waarvan de onder- en bovenhelft afzonderlijk in een mal zijn gevormd en, na het samenvoegen, voorzien zijn van tuit en oor . Een uniek exemplaar afkomstig uit Italië bevindt zich in het museum, nu nog aan de wand van zaal VII (afb. 2) . Het is de bovenhelft van een enorme tempellamp, die op grond van de ronde uiteinden van de tuiten en de vorm van de voluten, die vanaf de tuit doorlopen tot midden op de schouder , 1, gedateerd kan worden tussen 40 en 90 n.Chr. Op dit type lamp, dat aansluit bij de laat-Hellenistische traditie en duidelijk brons imiteert, is het handvat, helaas hier ontbrekend, vaak een driehoekig stuk met een afbeelding in reliëf of een maansikkel, eveneens in een mal gevormd. Geflankeerd door twee olijfbomen , ieder weer omgroeid met een wijnstok, bevindt zich onder het vulgat de Capitolijnse trias in een tempel met Corinthische zuilen: links Minerva met helm, de linkerhand rond het schild , het hoofd naar links gewend ; in het midden Jupiter naast de adelaar en korenaar , zittend op een troon , de bliksem op schoot in de rechterhand ; rechts Juno het hoofd naar rechts gewend met in de rechterhand een lekythos , in de linker de kop van de slang die zich om haar middel kronkelt. Massaproductie van lampen begon in de jaren 70 van onze jaartelling, toen er in de provincies een grote behoefte aan eenvoudige lampen ontstond die zonder moeilijkheden getransport eerd of in de provincie vervaardigd konden worden . Het resultaat was de zg. firma-lamp (zoals afb. 3,2), een klein stevig model met als voornaamste kenmerk een opstaand randje rond de discus (het verzonken gedeelte rond het vulgat) , al of niet doorlopend over de tuit naar het brandgat, dat er voor zorgt dat gemorste olie terugloopt in het vulgat. De enige vorm van decoratie zijn maskers in reliëf ; de onderzijde is vaak voorzien van het 'fabrieksmerk' in reliëf zoals duidelijk te zien is op de vorm of mal (afb . 3, 1) van een onderhelft afkomstig uit het Rijngebied met de inscriptie STRO BILi. Deze Strobilus had zijn werkplaats in Orte Magreta bij Modena en was als 'vader van de firma-lamp' de belangrijkste fabrikant en exporteur in de Flavische tijd 10, waarbij voor de datering in aanmerking dient te worden genomen dat in de provincie afgevormde lampen langer in gebruik bleven dan in Italië , terwijl ook als resultaat van veelvuldig afvormen de fabrieksstempels versleten raakten en soms vervangen werden door nieuwe namen. In zoverre is het twijfelachtig of Satto, geidentificeerd als terra-sigillatafabrikant in Gallië - een naam die niet voorkomt onder de Italische firrnastempels - ook inderdaad de fabrikant is van het lampje met masker (afb . 3,2) of dat hij afvormingen van Italische lampen maakte, het stempel verwijderde en zijn eigen stempel in de vorm drukte . De gleuf over de tuit tot aan de ring om het vulgat duidt op ontstaan omstreeks 100 n.Chr.11 . Het stempel SER op de onderzijde van het lampje op afb. 3,3 gevonden bij Nijmegen is de signatuur van de Keulse pottenbakker Servandus uit het einde van de 2e eeuw n.Chr. 12 Een aparte groep vormen de zg. Christè!ijke lampen , d.w.z. lampen voorzien van Christelijke symbolen of in de vorm daarvan , of een combinatie van beide zoals de vis en de voet. Dit type lamp, in brons of brons-imiterend aardewerk en altijd 'mould-made' (in een mal gemaakt), ontstaat in de eerste eeuw n.Chr., blijft populair in de tweede, verdwijnt

vervolgens om in de vijfde en zesde eeuw weer in de mo de t<' komen. Ge·inspireerd op Psalm 119 : 'Uw woord is een lamp voor mijn voeten' verschijnen de lamp jes in de vorm van <'en voet. Zowel bij het fraaie bronzen exemplaar (afb . 4 , 1) als bij zijn aardewerk tegenhanger (afb . 4 ,2) is er sprake van een voet in een sandaal, het vulgat in de enkel en het brandgat op de plaats van de nagel van de grote teen. De zool van de sandaal is versterkt met spijkers (spikes) 13. De lamp in de vorm van een dikke geschubde vis - een belangrijk symbool in het Christendom - heeft het vulgat in de staart , het brandgat in de bek (afb . 4 ,3 ). De rug- en hoogste staartvin zijn doorboord zodat hij zeer decoratief kan worden opgehangen; aan weerszijden staan op de buik de Christu ssymbolen in reliëf 14. . Kreukniet - Boerma

2

afbeelding 4 nr. 1 Inv.nr . nr. 2 Inv.nr . nr. 3 Inv .nr.

638 3881 3830

L . 17 , 7 cm L. 9,5 cm L . 13 ,5 cm

H . 9,3 cm H. 3,8 cm H. 6, 2 cm

Diam. 3 ,5 cm Diam . 2 ,7 cm

1 Ptinius, Natura/is Historiae 35, 179. 2 Odyssee, XLX, 34. 3 Odyssee, XVlll, 306, 311. 4 R . H. Howland, Greek lamps and rheir sur vivals (Th e A rhenian Agora,Vol . IV), Princeton 1958, p,7. 5 Herodotus, Historiae, 11, 62; Ptinius,loc. cir., XXXI, 39: IV. 164: XV . 7 .

6 Zie voor discussieHowland, loc . cit ., p. 24: H. Menzel, Antik e Lampen Lampen im Römisch-Germa11ische11 Z entralmus eum zu Main z,

Mainz 1954. Broneer, Terracotta lamps (Corinth , Vol. 11, Part 11), Harvard 1930, p. 45. 8 Broneer, loc. cit ., p . 6 e.v.; Howland, loc. cit ., p . 72. 9 Gods and men in the Allard Pierson Museum , 1972, pl. 13. Zie verder: Broneer, loc . cit ., type XXIII ; G. Heres, Di e pw1isch e11 7 0.

und griechischen Tonlampen der Staatlich en Mt1see n zu Berlin. Bertin-Amsterdam1969, p. 28; S. Loeschke, Lampen aus Vind onissa, Zürich 1919, type IV; Menzel, loc . cit. , p. 28. 1OM. A. Evelein, De Romeinsche Lamp en (Beschrijving van de 1•erza111eli11gvan het mus eum G. M . Kam ), 's-Gravenhage1928, p. 30: Loeschke, loc . cit ., p. 288-290; Menzel, loc . cit. , Abb. 51, 56: T. Szentléleky. Ancient Lamps Amsterdam 1969 , p. 98. 11 Evelein, loc . cit ., p. 31, 32; Loeschke, loc. ci r., p. 22 5 -298; Menzel, loc . cit. , p. 63; Szentléleky, loc . cit ., p. 92 ; ll. B. Walters, Catal og11e of the Greek and Roman lamps in th e British Mus eum , London 1914,

nrs. 887 -941. 12 Evelein, loc . cit ., p. 32, 40; Loeschke, loc . cit., p. 301: Menzel, lo c. cit ., Abb. 52 ,7; Walters, lo c. cit ., nr. 3. 13 C. Grandjouan, Terracotta 's and Plastic Lamps of th e R 0111anPeriod (The A th enian Agora Vol. VI), Princeton i 961, p. 7 3: Loeschke, lo c. cit ., p. 349; Walters, loc. cit ., pl. 1. nr. 2 0 . 14 Evelein, loc . cit ., p. 71.

3


HARPOCRATES

Het Allard Pierson Museum is in het bezit van een koliektie uit Egypte afkomstige terrakotta's die stammen uit de Grieks-Romeinse periode (tussen de 3e eeuw v.Chr. en de 4e eeuw n.Chr.). Ze stellen een jongetje voor dat meestal wordt afgebeeld met de wijsvinger van de rechterhand aan zijn lippen . Dit jongetje is de kindgod Harpocrates , de zoon van de godin Isis en de god Osiris/Serapis . De naam Harpocrates is de Griekse vorm van het Egyptische Her-pa-chered dat 'Horus het kind' betekent. De woorden pa-chered werden aan de naam Horus toegevoegd om hem te onderscheiden van andere verschijningsvormen van dezelfde god Horus, zoals Harsiësis ('Horus de zoon van Isis ') en Harendotes ('Horus de wreker van zijn vader'). De Osirismythe luidt in het kort als volgt : De god Osiris was door zijn vader , de aardgod Ge b, aangesteld als koning over Egypte. Dit wekte de jaloezie van Osiris' broer Seth , die hem vermoordde . Hij stopte het lijk in een kist en gooide die in de Nijl. Isis , de zuster/echtgenote van Osiris , gaat het lijk zoeken . Na veel omzwervingen vindt ze het tenslotte in de Phoenicische stad By blos. Ze brengt het lichaam terug naar Egypte en verstopt het in de moerassen van de Nijldelta bij de stad Buto, om te voorkomen dat Seth het lichaam van zijn broer nog verdere schade toebrengt. Door haar magische krachten wekt ze haar man weer op en ze raakt zwanger. In de delta brengt zij enige tijd later haar zoon Horus ter wereld, die voorbestemd is om zijn vader te wreken als hij eenmaal volwassen geworden is. Osiris wordt koning van het dodenri jk en zijn zoon Horus verslaat met behulp van zijn m oeder zij n oom Seth , waarna hij als opvolger van zijn vader plaat s neemt op de troon van Egypte . Hij wordt beschouwd als de goddeli jk e voorvader van de farao's, die onder direkte beschermin g staan van hem en zijn beide ouders . !sis, Osiris en Harpo crates vormen een trias. Ze worden som s nog vergezeld door de jakhalsgod Anubis en de Apisstier. De kultu s voo r deze goden , die al ten tijde van het Oude Rijk (28 00 -22 00 v.Chr.) in de pyramiden-teksten genoemd worden , is offi cieel tot staatsgodsdienst verklaard door Ptolemaeus I (3 67 -283 v.Chr.) , die na de dood van Alexander de Grote (in 323 v.Chr .) over Egypte geheerst heeft. Hij liet in Alexandrië een tempel voor god Serapis bouwen, met de bedoeling om aan de gemengde Egyptisch-Griekse bevolking een gemeenschappelijk stel goden te geven. De Grieken konden verschillende van hun eigen goden herkennen in deze trias. Serapis werd vereenzelvigd met Zeus. Hades , Apollo , Asclepius , Adonis en Dionysus. lsis werd gelijkgesteld aan Aphrodite, Artemis , Pallas Athena , Demeter, Hera , de Magna Mater , Tyche en Nike . Het kind Harpocrates werd op één lijn gesteld met Eros (als de zoon van !sis/Aphrodite) , Apollo (hij werd dan Horapolio genoemd) , Dionysus en Heracles, De Egyptenaren kenden hem eigenschappen toe van de god Amon, de vruchtbaarheidsgod Min en een oudere Horusgod , de zoon van de zonnegod Ra. Door het samensmelten van deze verschillende goden in één gedaante , krijgt de god Harpocrates attributen toegewezen niet alleen uit de Egyptische maar ook uit de Griekse wereld. Hij wordt door zijn aanhangers beschouwd als een zonnegod (vgl. de Mithraskultus en die van Sol Invictus) , een vruchtbaarheidsgod (hij wordt weleens Carpocrates genoemd : 'de heer van de vruchten') en als god die zuigelingen en kleine kinderen beschermt en voedt. Hij fungeerde als bemiddelaar tussen mensen en goden . Vanuit Alexandrië verspreidt de kultus zich door het

4

Middellandse Zeegebied en naar het Noorden tussen de derde eeuw v.Chr. en de vierde eeuw n.Chr. Vanaf de tweede eeuw v.Chr. is Delos een belangrijk centrum en dat blijft zo tot de verwoesting van dat eiland in 88 v.Chr. In Klein-Azië en Griekenland worden tempels voor de Egyptische goden gebouwd in de derde en tweede eeuw v.Chr. Ook Italië raakte in de ban van de Alexandrijnse goden. In 105 v.Chr. werd een tempel gebouwd in Puteoli aan de golf van Napels. Aanvankelijk keert Rome zich tegen de kultus , maar in de tweede helft van de eerste eeuw v.Chr. verandert de houding. Onder Augustus (27 v.Chr. - 14 n.Chr.) en de latere keizers is de kultus zeer in de mode en hij bereikt zijn klirnax gedurende de eerste helft van de derde eeuw n.Chr. Langs militaire routes en handelswegen verspreidt de godsdienst zich door het gehele imperium . Er zijn beeldjes van Harpocrates gevonden in Keulen (midden tweede eeuw n .Chr.), Mainz , Augsburg, Trier , Aken, Nijmegen en Londen. Door het christendom worden de Alexandrijnse goden tenslotte verjaagd. In het jaar 391 laat bisschop Theophilus de Serapistempel in Alexandrië verwoesten. Naast terrakotta's zijn ook beeldjes gevonden van brons , zilver, faience en marmer. De meeste exemplaren zijn gevonden in tempels en huizen. In de tempels waren het wijgeschenken, in huis fungeerden de beeldjes als beschermgoden . Er zijn twee typen te onderscheiden:

a. Het Egy ptische ty pe. Dit is het oudste type , gemaakt volgens de strenge gestileerde stijl van de Egyptenaren. Het godje wordt afgebeeld zittend

Afd. 1

Inv.nr. 7258

Hoogte 25 ,2 cm


op een troon, de benen strak naast elkaar, de linkerhand op de linkerdij, de rechter aan de mond. Hij kijkt strak voor zich uit en het gezicht is ernstig. Hij is gekleed in een tot de knie reikend geplooid rokje, het bovenlichaam is naakt. Het is heel goed mogelijk dat dit type teruggaat op een kultusbeeld in een tempel. Verder komt hij staand voor, soms ook naakt, met slangen en schorpioenen in de hand.

b. Het Hellenistische type. Harpocrates wordt dan als een echt kind afgebeeld, in een losse natuurlijke stijl, lachend en spelend zoals een kleuter ook werkelijk doet. Dit type bereikt zijn bloeiperiode in de keizertijd, als type a allang verdwenen is. Het gebaar dat het godje maakt, wanneer hij zijn rechterhand aan zijn lippen brengt is afkomstig uit de Egyptische traditie en het geeft aan dat hij een kind is. De Grieken en Romeinen hebben dit niet begrepen en de houding in verband gebracht met zwijgen en mysteriĂŤn. De terrakotta's die besproken zullen worden bevinden zich thans in zaal 2, kast 21 en in het magazijn. In totaal zijn er ongeveer veertig exemplaren. Ze zijn allemaal gevonden in Egypte zelf. Het geven van een nauwkeurige datering is moeilijk door het ontbreken van inskripties en vanwege het feit dat eventueel dateerbare kenmerken doorgaans zijn afgesleten. Ze behoren wel zonder uitzondering tot het jongere He!Ienistische type. Deze terrakotta's werden vervaardigd uit twee delen. De voorkant werd gemaakt in een mal, de achterkant kon ook met de hand gevormd worden. Uitstekende onderdelen konden apart gemaakt worden en later aan het geheel worden toegevoegd. De twee delen werden op elkaar gedrukt, eventueel wat bijgesneden en vervolgens gebakken. Dan werd de voorzijde in witte klei of stuc gedoopt en beschilderd. Van binnen zijn ze hol, de onderzijde is open en aan de achterzijde bevindt zich soms een rond brandgat. Aan de hand van acht exemplaren zal ik proberen een indruk te geven van de grote variatie die deze beeldjes vertonen en van de vermenging van Egyptische en Grieks-Romeinse invloeden die deze periode kenmerkt. Het eerste exemplaar (afb. 1) is gemaakt van donker Nijlslib. Het stelt het godje voor zittend op een lotusbloem. Hij is naakt en houdt de rechterhand aan zijn lippen. In de linkerhand heeft hij een lotusbloem, die tegen zijn linker schouder rust. Zijn fallus is groot, als symbool van de vruchtbaarheid. Op zijn hoofd draagt hij twee lotusknoppen met daartussen de dubbele kroon van Noord- en Zuid-Egypte, omdat hij na de dood van zijn vader over geheel Egypte de heerschappij heeft uitgeoefend. Aan beide kanten van de lotusbloem zijn lotusknoppen met bladeren te zien. Het feit dat hij op een lotusbloem zit, duidt erop dat hij is afgebeeld als zonnekind. De lotusbloem is het symbool van de wedergeboorte, omdat hij net als de zon 's avonds ondergaat in het water en er 's morgens weer uit te voorschijn komt. Bij het begin van de schepping is de zon, volgens het geloof van de Egyptenaren, uit een lotusbloem opgerezen uit het oerwater. Horus als zonnekind symboliseert de eerste stralen van de opgaande zon. De Egyptenaren beeldden hem af als kind, neergehurkt op de voorplecht van de zonneboot van Ra. Op het beeldje zijn nog sporen van beschildering te zien aan de onderzijde van de lotusstengel. In dezelfde vitrine bevindt zich een terrakotta van een naakte Harpocrates (afb. 2), zittend op een stier. Hij houdt de rechterhand weer aan de mond, in de linker draagt hij een hoorn des overvloeds. Dit attribuut komt in zijn handen via zijn moeder, die als !sis-Fortuna kan worden afgebeeld met een hoorn des overvloeds in de arm. Het godje zit met het linkerbeen in de knie gebogen en het rechterbeen opzij. Op het hoofd draagt hij een krans waarvan de linten op zijn

Afd. 2

Inv.nr. 7239

Hoogte 16,5 cm

schouders afhangen. Daarboven zijn weer twee lotusknoppen zichtbaar. Aan zijn rechterzijde bevindt zich een rond voorwerp. De details die er vroeger opgeschilderd zijn geweest ontbreken nu helaas, zodat niet met zekerheid te zeggen is wat het voorstelt. Men zou kunnen denken aan een zonneschijf (Harpocrates wordt dan gezien als zoon van Ra), of een schaal of mand op zijn kant (in het kader van zijn voedselverlenende funktie), of aan een lotusbloem van bovenaf gezien. De stier waarop Harpocrates zit is de Apisstier, wiens

Afb. 3

Jnv.nr. 7232

Hoogte 17,8 cm

5


kultus vooral rond de stad Memphis was gekoncentreerd. In plaats van de veel gewonere zonneschijf draagt deze Apis een ronde pot tussen de horens. Hij springt met beide poten over een amfoor in een standaard. Beide potten wijzen naar het vermogen van de god om voedsel te schenken. Op het beeldje zijn nog resten te zien van de witte deklaag, met sporen van geel, rood en roze. De god wordt geregeld voorgesteld zittend op dieren: kamelen (Egyptische huisdieren), honden (invloed van het dagelijks leven en van de hondsster Sothis, die met Isis in verband gebracht wordt), ganzen (gewijd aan Aphrodite, Amon van Thebe en aan de Nijl), rammen (gewijd aan Amon van Mendes) en paarden (op een paard gezeten trok Horus, volgens de mythe zoals Plutarchus die vertelt, erop uit om Seth te verslaan). Hier (afb. 3) zien we hem afgebeeld op een pauw. Hij houdt de wijsvinger van zijn rechterhand aan zijn mond, in de linkerarm bevindt zich een ronde pot. Hij is gekleed in een lang gewaad, dat in plooien om hem heen hangt. Op zijn schoot ligt een tros druiven als symbool van overvloed en afkomstig uit de sfeer van Dionysus. De kroon van Egypte, met links en rechts een lotusknop, siert zijn hoofd. In tegenstelling tot de beide vorige exemplaren heeft dit beeldje alleen een haarlok aan de rechterzijde van zijn hoofd, verder is hij kaal. Deze lok is bij de Egyptenaren het teken van de jeugd . Het hier afgebeelde type is minder Hellenistisch van stijl dan de beide votige beeldjes, hetgeen vooral te zien is aan de haarstijl: de beeldjes van afb . l en 2 hebben losse krullen om het gezicht en dit exemplaar heeft alleen de strakke Egyptische jeugdlok. De pauw is in zijn invloedssfeer gekomen via Aphrodites' zoon Eros, die wel vaker met dit dier staat afgebeeld. De snavel en de poten van de pauw zijn

Afb. 5

6

Inv.nr. 7272

Hoogte 17,2 cm

Afb. 6

Inv.nr. 7229

Afb. 4

/nv.nr. 7242

Hoogte 18,5 cm

Hoogte 19,1 cm

Afb. 7 Inv.nr. 7225

Hoogte 19 cm


afgebroken. Resten van de witte deklaag zijn nog zichtbaar, met sporen van blauw en rood. Een kombinatie van het Hellenistische en het Egyptische type vormt het volgende groepje (afb. 4). Men ziet een Harpocrates met haar dat in losse krullen om zijn gezicht valt. Op het haar draagt hij een krans , met op de schouders afhangende banden en de dubbele kroon . Het beeldje vertoont een draaiing in de heupen die ook de beelden van Praxiteles hebben. Om de linkerheup en de beide benen is een draperie geplooid . De rechterhand maakt weer het gebaar naar de mond, met de linker omknelt hij een figuurtje dat net als afb. 3 geen haar heeft , afgezien van de jeugdlok , ditmaal echter aan de linkerzijde van het hoofd . Op het hoofd staan twee lotusknoppen . Het figuurtje draagt een lang gewaad . In de linkerhand houdt hij een bloem, met de rechter omarmt hij Harpocrates. Hij is qua type te vergelijken met afb. 3 , het meer Egyptische type. Beide figuren hebben kenmerken van Harpocrates en hiermee komen we bij een probleem : is hier sprake van twee Harpocratesfiguren op één voorstelling? Dit komt wel voor. Men dacht dat de macht van een god groter werd naarmate hij vaker werd afgebeeld . Maar in dat geval zou men eerder twee even grote beelden verwachten. Het is dan ook mogelijk dat de kleine figuur geen echte Harpocrates is, maar een godheidje of een dienaar uit zijn omgeving , die wel zijn kenmerken draagt maar niet de god zelf voorstelt. Men kan hiernaast de mogelijkheid niet uitsluiten dat Harpocrates een beeldje van zichzelf in de handen houdt. Dat zou de ongelijke lengte van de beeldjes kunnen verklaren . Het is moeilijk met zekerheid uit te maken wat de ware bedoeling was. Bij de eredien st van de trias speelden processies een grote rol. Men liep in een stoet , soms met lantaarns , daarmee de speurto cht van !sis symboliserend als ze op zoek is naar haar overleden echtgenoot. Bij dergelijke processies werden beelden van de god en meegedragen , zoals duidelijk te zien is op afb . 5, waar Harpocrates voorgesteld is zittend op een door twee priesters gedragen draagstoel. Direkt valt de haarlok op aan de rechterzijde van het hoofd. De rechterhand houdt hij aan de kin in plaats van aan de mond . De maker heeft de inhoud van het gebaar niet meer begrepen en een variatie toegepast. Onder de linkerarm bevindt zich een ronde pot (vrg. afb . 3) . Opmerkelijk is de enorme fallus als teken van zijn vermogen om vruchtbaarheid te schenken . Men kan in dit verband denken aan invloed van de Egyptische vruchtbaarheidsgod Min. Harpocrates is gehuld in een kort hemdje. De beide kale priesters hebben een lang gewaad aan. Resten van witte en rode verf zijn nog te zien . De binnenzijde is zwartgeblakerd , hetgeen erop wijst dat er een lichtje in heeft gebrand . De volgende twee beeldjes (afb. 6 en 7) lijken erg veel op elkaar . Het zijn als het ware twee verschillende momentopnamen van dezelfde handeling. Op afb. 6 zien we het godje met een pot onder de linkerarm en twee vingers van zijn rechterhand aan de mond , op afb. 7 haalt hij met zijn rechterhand iets uit zijn pot, die hij net als op afb. 6 onder zijn linkerarm houdt. Als men beide exemplaren naast elkaar legt is het direct duidelijk dat hij staat te eten . Gezien zijn functie als beschermer van kleine kinderen is dit niet verwonderlijk : hij heeft tot taak ervoor te zorgen dat de kinderen die onder zijn bescherming staan genoeg te eten krijgen. De beide beeldjes hebben hetzelfde kale hoofd met twee lotusknoppen en de jeugdlok aan de rechterzijde . De enige ver~chillen zijn het gebaar van de rechterarm, de tot de voeten vallende fallus van afb. 7 tegenover een tot de knie reikende van afb. 6 en het lange gewaad van afb. 7 tegenover de naaktheid van afb. 6. Op het gezicht is nog duidelijk de Egyptische beschildering van de ogen zichtbaar. De witte deklaag van de basis is versierd met zwarte vlekken . Het gewaad van afb . 7 is donkerrood, de ogen en de haarlok zijn zwart.

Het is maar een kleine stap van afb . 7 naar afb. 8. Ze lijken in kleding en houding veel op elk aar : het zelfde lange kleed , dezelfde lange fallus . Het laatste beeldje vert oo nt iet s meer draaiing in de heupen en heeft de hand aan de kin . Het hoofd met het krullende haar en de kran s lij kt op dat van afb . 2. In plaats van de pot heeft de god hier een ho orn des overvloeds in de linkerhand. Op zijn krans draagt hij de dubbele Egyptische kroon . De basis is aan de voorzijde recht.

.-

Afb. 8

Jnv.nr. 7235

Hoogte 16,8 cm

Hopelijk heeft men door de bovenstaande beschrijvingen een indruk kunnen krijgen van de grote gevarieerdheid in de houding van de god en in de attributen die hij bij zich draagt . Deze attributen zijn vrijwel altijd ontleend aan andere goden (een gevolg van het versmelten van verschillende goden in de Grieks-Romeinse periode) of uit het dagelijkse leven afkomstig. De enige echte kenmerken van Harpocrates zelf zijn de haarlok , de kroon, de lotusknoppen en het gebaar van de vinger aan de mond. Men krijgt de indruk dat de makers van de terrakotta 's vrijelijk konden experimenteren of dat ze, omdat ze de ware achtergronden van de verschillende houdingen en voorwerpen niet meer begrepen , zelf maar iets hebben geprobeerd . Hoe het ook zij, het resultaat hiervan is in ieder geval een kollektie beeldjes die steeds blijft boeien , juist door die kom binatie van wisselende en blijvende faktoren , die altijd direkte herkenning van een Harpocratesbeeldje mogelijk maakt. Aanbevolen literatuur : P. Graindor,Terr es cuit es d e ! 'Egy pt e g r éco -r o ma i 11e, Antw erp e n . 19 39 R. Witt,lsis in th e Gra eco- R o ma11 Wo rld , New York. 1972 W. van Wijngaarden.De G rieks- Egy ptische terra co tta' s in h et Rij ksmuseum van Oudheden , 011dh eidk1111dige 111 ed ed eli11ge 1111ir h e r Rijk smuseum van Oudh ed en . S11pple111 e11t op d e ni euw e r eek s. XXX IX ( 195 8 )

C. M. Schrijvers - van Battum

7


HET NIEUWE MUSEUM De plannen voor de inrichting van het nieuwe museum en voor de verhuizing zijn voortdurend aan wijziging onderhevig. Zeer tot onze vreugde is sinds kort de bekende specialist op dit terrein, de heer Dick Elffers, door de Dienst Bouw en Huisvesting nauw bij deze arbeid betrokken. De opstelling van de collectie is nu dus in uiterst bekwame handen. In verband met de wijziging van de plannen zal het echter niet mogelijk zijn de in het vorige blad aangekondigde tentoonstelling uit eigen bezit in de zogenaamde 'ovale zaal' te organiseren. De aangekondigde nieuwe gids zal wel verschijnen.

AANWINSTEN (sinds Mededelingenblad no. 7, december 1973) Met gepaste trots kan bericht worden dat onze Vereniging van Vrienden opnieuw een zeer belangrijke schenking aan het Museum heeft gedaan. Het betreft de volgende drie voorwerpen: 1. 'Wikkelkind' van terracotta, tweede of eerste eeuw v.Chr., uit Italië (Latium of Etrurië). Afgebeeld is een baby die, zoals gebruikelijk was, stijf in windsels is gewikkeld. Alleen de voetjes en het fijn gemodelleerde gezichtje zijn zichtbaar. 2. Gordel van de zg. Villanova cultuur, ca. 700 v.Chr. uit midden Italië. Deze siergordel is van brons en versierd met knoppen en graveringen; dit type werd, naar het schijnt, door vrouwen bij bijzondere gelegenheden gedragen. 3. Attische terracotta kruik uit ca. 570 v.Chr. Deze pelike is in rood-figurige stijl beschilderd. De voorstelling is zeer origineel: een Athener, voorgesteld als Dionysus, komt laat thuis en heeft op de deur geklopt. Op de andere kant van de vaas rent een vrouw, uitgebeeld als een maenade, naar de deur om de man binnen te laten. In één van de volgende Mededelingenbladen zullen deze drie aanwinsten nauwkeuriger worden besproken. Verdere aanwinsten

Vooral voor de Hgyptische collectie zijn goede resultaten geboekt: een grote houten boot uit het Middenrijk met fragmenten van bijbehorende poppetjes, roeispanen etc.; een beschilderd mummiemasker van hout; een terracotta model van een graansilo uit praedynastische tijd; een spekstenen

Adres van het secretariaat der vereniging: Archaeologisch-Historisch Instituut der Universiteit van Amsterdam, Weesperzijde 33, Amsterdam-oost telefoon (020) ·35 09 62 Bankrekening Pierson, Heldring en Pierson , Amsterdam postrekening 1142 , gemeentegiro A 124 71, beide t.n.v. Pierson , Heldring en Pierson, Amsterdam, met vermelding 't.g.v. vrienden A.P. museum' .

8

druk:Huisdrukkerij

Universiteit van Amsterdam

schmink-bakje in de vorm van een gebonden gazelle en een groot fragment van een in felle kleuren beschilderde sarcofaag van hout. Verder werden aangekocht een stenen pharao kopje en twee fijne faience beeldjes van Isis en Bes. Voor de afdeling Iraanse oudheden werden een aan tal bronzen voorwerpen aangeschaft. Griekse aanwinsten zijn: een z.g. 'borstpomp' (een instrument dat gebruikt werd voor het kolven) afkomstig uit Sicilië en stammend uit de vijfde eeuw v.Chr., een beschilderde wierookstandaard ('thymiaterion) van de z.g. Gnathia klasse uit ca. 300 v.Chr. en tenslotte een bronzen hiel-beschermer die in één van de volgende Mededelingenbladen gepubliceerd zal worden. De Etruskische afdeling is verrijkt met enige terracotta voorwerpen die bijna alle als wij-geschenk dienst hebben gedaan. Dit wil zeggen dat zij aan een godheid zijn geschonken als dank voor het verhoren van een gebed of misschien om kracht bij te zetten aan een bede. Het zijn een koeiepoot, een gezicht in relïef, twee phallussen, en een voet (bruikleen). De grootste aankoop wordt gevormd door het bovenstuk van een monumentaal terracotta beeld: een staande man, geheel gehuld in een lang gewaad, het hoofd bedekt met een slip van zijn mantel; ook dit kan een wij-geschenk geweest zijn. Deze aanwinsten stammen uit de laatste vijf eeuwen vóór onze jaartelling. Bij de Etruskische afdeling moet ook genoemd worden een z.g. 'Villanova' schaaltje met hoog oor, uit de achtste eeuw voor Christus, dat als voorloper van Etruskisch aardewerk kan gelden. De meeste van deze aanwinsten zijn thans in bewerking voor restauratie en sommige zullen misschien pas in het nieuwe museum tentoongesteld kunnen worden. J. M. Hemelrijk

TENTOONSTELLING PARTICULIERE COLLECTIES In 1975 zal in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden en vervolgens in het Museum Kam te Nijmegen een tentoonstelling gehouden worden, geheten Klassieke kunst in particulier bezit (Nederland 1575-1975). Deze tentoonstelling zal geopend worden omstreeks half mei 197 5 en daarna in Nijmegen bezichtigd kunnen worden. De tentoonstelling is door de staf en de studenten van de afdelingen Klassieke Archeologie van de Nederlandse universiteiten voorbereid. J . M. Hemelrijk

leden-donateurs betalen een contributie van ten minste f 50,- per jaar of ten minste f 1000,- ineens; zij ontvangen de publikaties van het museum kosteloos. gewone leden betalen een contributie van tenminste f 15,- per jaar of ten minste f 250,- ineens. student-leden betalen een contributie van ten minste f 6,- per jaar.

T-4670

APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 9  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 9  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

Advertisement