Page 1

MEDEDELINGENBLAD

Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum nr. 4 september 1972

opgericht 20 juni 1969

~

:· .,,·...

MEDEDELINGVAN HET ALLARD PIERSONMUSEUM Vanaf 27 juni a.s. zal in het Museum een kleine maar interessante tentoonstelling te zien zijn: de Heer F. Nieuwboer is zo vriendelijk de resultaten van een jarenlang onderzoek naar de techniek van Pompeiaanse wandschilderingen ter beschikking te stellen. Werkstukken van de kunstschilders Overhaus, Sjollema, den Ouden en anderen zullen, voorzien van een toelichting, tentoongesteld worden. Deze stukken vertonen technisch grote overeenkomst met de antieke Pompeiaanse werkwijze, maar zijn vooral bedoeld om de huidige kunstenaars te attenderen op de buitengewone mogelijkheden die deze techniek biedt. In het volgende Mededelingenblad hopen wij een artikel van de exposanten te publiceren. Dit artikel zal dan tevens als gids voor de expositie kunnen dienen. De tentoonstelling zal vermoedelijk tot in 1973 te bezichtigen zijn. In dit Mededelingenblad verschijnt voor het eerst een artikel dat niet slechts bedoeld is voor lezing thuis, maar tegelijkertijd als rondleiding door een afdeling van het Museum (in dit geval terracotta's). Het ligt in de bedoeling meer van dit soort artikelen in dit tijdschrift te laten verschijnen; de volgende overwegingen hebben tot dit plan geleid. De grote Algemene Gids, die nog uit de dertiger jaren stamt, is nu bijna uitverkocht. Gezien het feit dat het Museum over een aantal jaren gaat verhuizen, is het niet zinvol deze gids te laten herdrukken: de opstelling in het nieuwe gebouw zal immers in vele opzichten verschillen van de huidige. Voor het publiceren van kleine gidsjes ontbreekt thans de tijd en het geld. De artikelen in ons Mededelingenblad moeten deze leemte voorlopig opvullen.

Op basis van deze artikelen kunnen kleine gidsjes van de afzonderlijke afdelingen gepubliceerd worden, zodra de tijd daarvoor gekomen zal zijn. De Mededelingenbladen waarin deze "rondleidingsartikelen" verschijnen, zullen afzonderlijk op het Museum te koop geboden worden bij wijze van gidsjes. Voorts kan medegedeeld worden dat binnenkort op het Museum te koop zal zijn "Gods and Men in the Allard Pierson Museum", een boekwerkje met ruim 50 platen (w.o. 5 kleurenfoto's) die alle zijn voorzien van uitgebreid archaeologisch commentaar, in het Engels geschreven. De platen ziju dezelfde als die van de "Imago"-kalender van 1971. Wij zijn bijzondere dank verschuldigd aan het Nederlands Klassiek Verbond, dat ons toestemming heeft gegeven deze platen te gebruiken. De prijs voor niet-leden zal zijn f. 7 ,50; voor leden der Vereniging f. 5 ,50; aan donateurs zal dit boek kosteloos worden toegezonden. Tenslotte kan worden medegedeeld dat in het tweede kwartaal van 1973 in het Museum, naar wij hopen, een tentoonstelling gehouden zal worden van de Timna-expeditie in de Negev woestijn. Deze expeditie wordt geleid door Prof.Or. B. Rothenberg van de Universiteit van Tel Aviv. De tentoonstelling heeft betrekking op de zgn. "mijnen van Salomo" en behandelt de geschiedenis van 6000 jaar koperwinning in de Negev woestijn. De tentoonstelling is te zien geweest in het Brits Museum en te New Castle; binnenkort zal zij naar Birmingham en Manchester reizen. Verwacht wordt dat dit wetenschappelijk hoogst interessante project ook voor het algemene publiek bijzonder aantrekkelijk zal blijken. J.M. Hemelrijk

MEDEDELINGEN {Il} Door onvoorziene omstandigheden is dit Mededelingenblad later verschenen dan berekend was: de hierboven aangekondigde tentoonstelling (betreffende de techniek van Romeinse wandschilderingen) is dus reeds lang in de aula van het Museum opgesteld. Het verheugt ons te kunnen mededelen dat in het afgelopen studiejaar wederom particuliere schenkingen aan het Allard Pierson Museum zijn gedaan. Het betreft een Egyptische reliëf van kalksteen van ca. 500 v.Chr. (voorstellende: goden in zonne boot, aanbidding van Osiris en Horus, inscriptie), een Egyptische vaas van albast van ca. 3000 v.Chr. en een terracotta grafkegel met een inscriptie

van Merimose van ca. 1250 c.Chr., alle geschonken door de Heer J.L. Pierson. Verder een metalen bijl uit Iran van het derde millennium v.Chr., geschonken door de Heer J. Polak te Amsterdam. Tenslotte een stuk textiel met inscripties uit Egypte gegeven door R.J. Demarée, en een vaas van ca. 40 cm hoogte, vennoedelijk van sicilisch fabrikaat uit de 6e eeuw v.Chr., zeer onlangs aangeboden door de Heer Mr. C.C. Venneer te Rotterdam. De Vereniging en de staf van het Museum zijn bijzonder erkentelijk voor deze schenkingen, die van hoog artistiek gehalte zijn en in wetenschappelijk opzicht interessant. J.M. Hemelrijk.

1


TERRACOTTA'S IN HET ALLARDPIERSON MUSEUM

Een rondleiding, waarin telkens aandacht wordt gevraagd voor één of meer terracotta's die als voorbeelden kunnen dienen van wat in een algemene bespreking aan de orde komt. Bovendien worden enkele van deze terracotta's uitvoeriger besproken en afgebeeld. (De nummers voorafgegaan door G. corresponderen met de nummers in de vitrines en in de Algemene Gids).

Het Museum herbergt een duizendtal terracotta's die door kwaliteit en spreiding naar herkomst en tijd een goede indruk kunnen geven van deze tak van antieke kunstnijverheid.

Afbeelding 1

Terracotta's kwamen in de belangstelling toen in de tweede helft van de l 9e eeuw de elegant gedrapeerde vrouwenfiguurtjes die bekend zijn onder de naam van het plaatsje Tanagra (dichtbij de attische grens in Boeotië gelegen), de westeuropese markten bereikten (zie voor een voorbeeld afb. 3). Uit de antieke grafvelden bij Tanagra kwamen deze figuurtjes in groten getale te voorschijn en ze vonden grif aftrek. Daarnaast werden in dezelfde streek en vooral bij latere wetenschappelijk geleide opgravingen, vele oudere "plankidolen" gevonden. Een voorbeeld geeft afb. 1 (inv. no. 233, G. 207, zaal 2, kast 13) die zo'n menselijke gedaante toont welke nog maar nauwelijks uit de klei loskomt en een onbeholpen, primitieve indruk maakt. Uit het Boeotië van de 6de eeuw voor onze jaartelling stamt deze zittende vrouw met kom. Zij is opgebouwd uit een tweemaal gebogen plaat klei, die thans aan de achterzijde voorzien is van een gipsen steun. Armen en hoofddeksel zijn, evenals de kom en zijn ondersteuning, aan de kleiplaat toegevoegd, terwijl het gelaat, met grote schijfvormige oorbellen, uit een vorm gedrukt is en hierin een technische ontwikkeling toont t.o.v. geheel met de hand vervaardigde figuren. Een roomkleurige deklaag van pijpaarde dient tot ondergrond voor de rode beschildering die nog een geometrisch-decoratief karakter draagt en door de nadruk op de horizontale lijnen doet denken aan een slordig beschilderd vaasje. Maar de rode streepjes op de wangen zijn ook beeldend. De wijze waarop de diepe kom of mand aan de figuur bevestigd is, leent zich tot tweeërlei uitleg: de vrouw heeft het voorwerp op schoot (eventueel tussen de knieën) of het staat vóór haar op een tafeltje (bij G. 225, in dezelfde kast, is het omgekeerde waarneembaar: daar is een vrouw, bij wijze van verkorte weergave, aan een tafel geplakt). Evenmin is duidelijk waarmee zij bezig is; men zou kunnen denken aan huishoudelijk werk zoals het kammen van wol (in een wolmand) of het fijnwrijven of mengen van voedsel (in een kom). De nu ontbrekende handen maakten het wellicht duidelijk. Aan de andere kant maakt de figuur, mede door de ''kalathos" op het hoofd (dit is een boeotisch type "polos" met verhoogde achterkant, terwijl de "polos" een cylindrisch hoofddeksel is dat bij de eredienst gedragen wordt), een plechtstatige indruk. En dan denkt men aan de bereiding van een offer door een deelneemster aan een cultus of, bij wijze van voorbeeld (zie hetgeen bij afb. 4 gezegd wordt) door de godin zelf. Overal in de griekse wereld zijn terracotta's in graven aangetroffen. Naar hun functies daar kan men gissen. Misschien dat zij oorspronkelijk offers, in een vroegere periode bij de begraving der aanzienlijken aan de goden der onderwereld of de schim van de overledene gebracht, vervingen. Ook kunnen zij tot taak hebben de dode te verzorgen en aangenaarq bezig te houden. Minder in details tredend kunnen wij aannemen dat zij, met het vaatwerk, de sieraden en andere in graven gevonden voorwerpen, voor de dode een vertrouwde omgeving moesten vormen. Dit roept de vraag op naar de plaats van de beeldjes in de meestal zeer eenvoudige woningen. Speelden zij een rol bij een klein huisaltaar? Dit lijkt slechts voor sommige figuurtjes mogelijk, Zoals de staande plankidolen G. 204 en G. 206 (zaal 2, kast 13), de zittende godin met hoge polos naar oost-grieks voorbeeld G. 219, de attische godinnen met schouderpalmetten G. 231 en G. 232, hun boeotische tegenhangster met kalathos G. 241, de staande vrouwen in peplos, naar attisch type in

2


Afbeelding 2

Boeotië gemaakt, G. 243 en G. 244 en hun boeotische zuster G. 245, de godin Nemesis met opgestoken haar en met gans G. 249, de op een typisch griekse stoel gezeten godin van attisch type G. 251 ( alle in zaal 2 , kast 13), de grieks-egyptische kind god Harpocrates G. 426-428 , de god Horus als kind G. 432 , de godin Isis als slang G. 4 22 en de god Serapis G. 4 24 , de god Bes met schild en zwaard G. 433 en in viervoud G. 437 (alle in zaal 2, kast 21). Als grafgiften kunnen wij ons klaagvrouwen G. 230 en G. 261 denken (kast 13), maar ook een speelpop als G. 253 en danseressen G. 257 en G. 259 (gevonden met de fluitspeelster ernaast), eveneens in kast 13. Een aparte groep in technisch opzicht en ook door de afgebeelde onderwerpen, vormen de terracottareliefs . Belangrijke centra van vervaardiging waren het eiland Melos en de stad Lokri (een griekse stad aan de zuidoostkust van het tegenwoordige Kalabrië). Reliefs uit beide plaatsen bevinden zich in het Museum : uit Lokri (of naar lokrische voorbeelden) de fragmenten G 2077 en G. 2078 (zaal 8, kast 82), uit Melos de kleine Gorgo G. 268 en de haan G. 269 (zaal 2, kast 13), maar vooral het opengewerkte relief van afb. 2 (inv. no. 1758, G. 267 in zaal 2 kastje 15, naast kast 13). Reliefs als dit, veelal opengewerkt en meestal met een voorstelling uit de mythologie, zijn op vele plaatsen in de griekse wereld gevonden, maar met een zo grote concentratie op het overigens vrij onbelangrijke eiland Melos (Cycladen), dat dit eiland wel als plaats van herkomst moet gelden. De melische reliefs worden op grond van hun stijl gedateerd tussen 465 en 435 v. Chr .

Ons exemplaar behoort wegens de strakke contour en , de gelaatsweergave, de profielen van Meleager en Atalante (de staande figuren) die resp. in 3/4 profiel en half op de rug worden gezien, tot de vroege groep : ca. 460 v. Chr. Ook de vreemde proporties van het everzwijn, dat meer van een paard heeft en wel zeer hoog op de poten staat , zijn hiervoor een aanwijzing. Verder valt , wat de vormgeving betreft , de zeer geringe diepte van het relief op: er is bijna sprake van een tweedimensionele kunst. De lichamen , deels van opzti , deels op de rug en met een draaiing gezien, blijken bij nadere beschouwing geheel in één vlak te liggen. Door het uitsnijden wordt de derde dimensie gesuggereerd. Wat het gebruik betreft menen sommigen dat r~liefs op muren werden bevestigd . Iets gangbaarder is de opvatting dat ze, eveneens ter decoratie , op houten kistjes werden gespijkerd . Lichte beschadigingen en perforaties geven aan hoe dat gebeurde . De voorstelling: voorgesteld wordt de jacht op de kalydonische ever, een ondier dat de omgeving van de stad Kalydon in Midden-Griekenland onveilig maakte en de gewassen vernielde. Een uitgelezen schare helden verzamelde zich om het land van deze plaag te verlossen. Eén van de deelnemers aan de jacht, Ankaios , valt gewond ter aarde ; van links nadert Meleager, zoon van koning Oineus van Kalydon. Hij gaat het dier doden nadat Atalante , rechts, als eerste het zwijn met haar speer trof . Een jachthond is het dier reeds op de rug gesprongen. Naast talloze godenbeeldjes dienden ook weergaven van bij de eredienst betrokken personen tot wijgeschenk in tempel en heiligdom. Zo bv. de jongelingen met bijzondere haartooi die een haan gaan offeren, G. 282 en G . 283, en een meisje met mand , G. 284 (alle drie in zaal 2, kast 16). Zo ook de protomen in zaal 2, kast 18A, die aan de wand werden opgehangen.

3


Bij honderden, soms duizenden, zijn terracotta's bij tempels gevonden, opzettelijk in kuilen en vaak in de tempel zelf, begraven. Het moet hier wel om wijgeschenken aan de god gaan, te vergelijken met de grote sculpturen en andere monumenten die door de welgestelden op de tempelterreinen werden gewijd. Vernieuwingen aan de tempel en het grote aantal der gewijde gaven, noopten tot periodieke opruiming, waarbij de geschenken het heilige terrein niet mochten verlaten. Andere terracotta's zullen in de eerste plaats vervaardigd zijn om te amuseren of vreugde te schenken in de privésfeer. Zo bv. het parfumflesje van afb. 6, het deegknedende vrouwtje G. 225 (zaal 2, kast 13), dat als speelgoed denkbaar is en andere genregroepjes, diverse toneelspelers (G. 293 en G. 294 in zaal 2, kast 16; G. 366 in kast 20), de meisjes van afb. 5, misschien het bikkelaarstertje G. 300 (zaal 2, kast 17), de ephedrismosgroepen G. 313 (zaal 2, kast 14) en afb. 3, spelende kinderen en Tanagrafiguren in het algemeen, alsmede allerlei karikaturen (vooral uit Klein-Azië en Egypte in de Hellenistische tijd; zie vooral kast 18B). Afb. 3 (inv. 3 93, G. 314, zaal 2, kast 17) toont de kleinste en oudste van de twee ephedrismosgroepen (voor een verklaring van de naam: zie beneden) in het museum: twee meisjes, waarvan de een de ander draagt terwijl zij met rappe pas voortsnelt. De groep is nauw verwant aan een groep in Berlijn (TC 6840)en komt evenals deze uit Boeotië. Verschillend is de stand van de hoofden, terwijl de arm met bal slechts aan onze groep is toegevoegd. Dit zijn echter details die van exemplaar tot exemplaar gevariëerd kunnen worden. Zo heeft bij de berlijnse groep het meisje dat gedragen wordt, een krans op het hoofd. Deze groepen dateren uit het begin van de Hellenistische periode, ca. 300 v. Chr. Ephedrismos betekent bovenop-zit-spel: de verliezende partij neemt de winnende (vandaar de krans) op de rug en moet dan zonder te kijken (soms geblinddoekt of terwijl de ander de handen op haar ogen legt) een honk met de voet aanstoten. Waarschijnlijk is tevoren met een bal geworpen, waarbij een winnaar en een verliezer zich onderscheidden. Maar het is vooral de eigenlijke ephedrismosfase die tot uitbeelding inspireerde. Daarbij is het steeds zo, dat het lopende meisje (ook jongens speelden dit spel, zie de zwartfigurige vaasscherf G. 1361 in kast 57, zaal 5) de armen achterwaarts strekt en de handen ineenslaat. Zo ontstaat een lus waarin de tweede figuur met de knie steunt. In ons geval schuift zij de rechterknie tussen de linkerzij en de linkerarm van de ander. Dit moet voor beide partijen een uiterst ongemakkelijke houding zijn. De meisjes zijn gekleed in een chiton en schoenen (bij de lopende figuur afgebroken) en dragen het haar in vele strengen naar de kruin getrokken, waar het tot een knoet of een kransvorrnige vlecht is samengebonden. Dit is een eenvoudige vorm van het "meloenkapsel" dat men bij de grotere ephedrismosgroep G. 313 en vele Tanagra 's aantreft. De achterkant van onze groep bestaat uit een gladde, gewelfde kleiplaat waarin een vierkant "brandgat" (zie beneden onder "techniek"). De onderkant is open, maar wordt door de broze en sterk gerepareerde basis deels afgesloten. De figuren zijn nog grotendeels bedekt met een witte laag, waarop enige sporen rose, rood en blauw. In de regel waren de terracotta's kleurig beschilderd. Vaak vinden we, zoals in het juist besproken geval, resten van de witte deklaag die als ondergrond voor de kleuren moest dienen en die werd meegebakken. De kleuren, waarmee dat niet het geval was, zijn door verwering meestal geheel verdwenen.

4

Afbeelding 3

Toch zijn er bij verscheidene exemplaren in het museum nog kleuren bewaard: de plankidolen G. 204 (in een andere schildertechniek) en G. 207 (afb. 1) in zaal 2, kast 13; de grote ephedrismosgroep G. 313; de jongeman met haan G. 282 (zaal 2, kast 16); de vrouwenkop met zeer bewerkelijke coiffure G. 286, het fijne korinthische vrouwtje met tamboerijn inv. no. 1998, de priesteres met pruik en kalathos uit Boeotië inv.no. 1995 (alle in zaal 2, kast 16), het Tanagratype van minder goede kwaliteit uit Egypte G. 363 (zaal 2, kast 20); de dikke kalklaag die in Egypte veelal als ondergrond voor de kleuren werd toegepast, deed de fijnere details van plooival en gelaatstrekken verloren gaan, zodat men zou menen dat de beeldjes niet door de koroplast zelf beschilderd zijn. Fraai zijn de kleuren verder nog te zien op de verenkroon van de Bes (Egyptische god) G. 382 (kast 20), op de Apisstier G. 446 (zaal 2, kast 23), de Eros met lamp G. 484 (kast 23) en in zaal 8, kast 85, op het Bendismasker G. 1832.


Atb. 4 (inv. no . 3376 , G. 324, zaal 2, kast 19). Uit Myrina, aan de westkust van Klein-Azië, komt deze Nike aanzweven. Opvallend goed bewaard gebleven is de rose kleur van de zoom van haar gewaad, een peplos die door een grote schijfvormige broche op haar linkerschouder wordt vastgehouden. Het door een diadeem getooide haar is roodbruin, terwijl de afscheiding tussen het licht bruinrose van gezicht en hals en het wit van de rechter borst doet vermoeden dat zij een, uitsluitend door beschildering weergegeven, onderkleed droeg. Het zwaargeplooide en wijd uitwaaierende bovengewaad geeft iets statigs aan de sierlijke figuur. Zij is waarschijnlijk een late telg van haar familie en stamt dan uit ca. 100 v. Chr. De vroegste exemplaren van haar type, dat men wel "phainomeris" noemt, omdat zij door de open rechterzijde van haar peplos een been laat zien , dragen de signatuur van Aglaophon. Deze koroplast werkte omstreeks 200 v. Chr . en liet zich bij deze Nike wellicht door een akroterion van de tempel te Epidaurus inspireren. Van het type zijn vele exemplaren over , maar de meeste zijn zeer onvolledig bewaard. Het komt niet vaak voor dat de armen met de attributen nog aanwezig zijn. Wel ontbreken de vleugels (op de schouders bevinden zich kleine openingen voor hun bevestiging). Zij vormden compositorisch een tegenwicht tegen de breed uitwaaierende rok. De achterzijde is vlak en heeft , boven een elliptisch brandgat, een kleine opening , waaruit blijkt dat het de bedoeling was de figuur hangend te bevestigen. Onze Nike houdt in de linkerhand een schelp die tot plengschaal dient voor het plengoffer dat zij uit het alabastron , een klein kruikje , in haar rechterhand , wil uitgieten . Het komt vaak voor (vg. de Nike aan de binnenzijde van schaal S. 18 in zaal 6, kast 65B, die een krans op een altaar offert) dat goden offerend worden afgebeeld. Zó worden zij met de handelingen ter hunner ere in één beeld nauw verbonden .

lijk barst. Bovendien spaart men klei uit die, ook door het werk en de vele tijd die het zuiveren en prepareren vereisen, niet zo'n overvloedige grondstof was. De holte moest in verbinding met de buitenlucht staan, om de bij verhitting expanderende lucht en vrijkomende waterdamp te laten ontsnappen. De vorm van de hiertoe dienende opening, die men brandgat noemt, varieert van een groot rechthoekig gat dat soms het grootste deel van de achterkant beslaat (ook zó bespaart men klei) tot een kleine, ronde of spleetvormige opening in de bodem. Deze laatsten werden soms na het bakken dichtgestopt. Van "primitieve beeldjes" wordt gesproken wanneer geen vorm is gebruikt, doch alles uit de hand is gemaakt. Zulke beeldjes zijn meestal massief, wat bij de "gevormde" figuurtjes alleen bij de heel kleine wel het geval is (zie G. 220, staande vrouw met geschilderde bloem en G. 259 en G. 260, danseres

Afbeelding 4

De techniek - Het merendeel van de terracotta's zoals we die in het museum zien , is met behulp van één of meer vormen van klei gemaakt. Men zal echter bij elk nieuw ontwerp moeten beginnen met een beeldje uit de hand te vervaardigen. Dit vereist vormend vermogen , terwijl het verdere fabriceren van een aantal exemplaren vooral technische kunde vraagt. Het eerste beeldje of prototype , ook "patrix" genoemd, wordt zeer geleidelijk gedroogd en dan hard gebakken . Grotere exemplaren worden vóór het bakken in stukken gesneden om te voorkomen dat, door de massiviteit , barsten optreden. Van de patrix (te herkennen doordat hij massief is, harder gebakken dan de gewone terracotta's en geen sporen van een deklaag of kleuren vertoont) neemt men één of meer vormen af, door er klei op aan te brengen. Deze vormen kunnen , na gedroogd te zijn en gebakken, dienen om een serie beeldjes te vervaardigen. Patrices worden slechts bij uitzondering gevonden. Er bevindt zich geen enkele in het museum. Wel is er een aantal vormen (zie in zaal 8, kast 86: met bijgevoegde moderne gipsafdrukken). Het vormen van de terracotta's geschiedt door de klei laag na laag aan de binnenzijde van de vormstukken aan te brengen, zondt!r de holte geheel te vullen. Bij het drogen krimpt de klei, laat los, en is gemakkelijk uit de vorm of matrix te verwijderên . De zo verkregen figuren zijn , door de krimp bij het drogen en het daarop volgende bakken , kleiner dan hun vormen. En dit geldt in nog sterkere mate ten opzichte van hun patrix. In de meeste gevallen gebruikte men voor de romp slechts één vorm, voor de voorzijde , terwijl men voor de achterkant een vlakke of iets gewelfde plaat klei nam. Soms is echter ook de achterzijde "gevormd". Vóór- en achterzijde worden vóór het bakken aaneengevoegd met verdunde klei. Tussen voor- en achterwand blijft een holte , waardoor de figuur tijdens het bakken niet zo gemakke-

5


Afbeelding Sa

Afbeelding 5b

en fluitspeelster, alle in zaal 2, kast 13). Ook in een periode waarin de vormtechniek algemeen gebruikt werd, bleef men kleine figuurtjes uit de hand modelleren. Zulke genregroepjes en dierfiguren kan men dus niet op grond van hun simpele techniek dateren (G. 222, ruiter te paard en inv. no. 3582, moeder met kind in de armen, beide in kast 13). Het vroegst gebruikt men de vorm voor het gezicht, terwijl het lichaam soms op het pottenbakkerswiel gedraaid wordt (zie de rok van klaagvrouw G. 230, zaal 2, kast 13). Tenslotte werden zelfs voor allerlei onderdelen zoals ledematen en vleugels, kapsels, attributen enz., afzonderlijke vormen gebruikt. Maar vaak werden details als sieraden, kapsel, uit de hand gemodelleerd en dan toegevoegd (zie bv. de kapsels in zaal 2, kast 14). Juist bij de meest ontwikkelde en verfijnde terracottakunst blijft het handwerk bij de afwerking een rol van betekenis spelen: de details van de plooien, het haar, de gelaatstrekken worden in de nog ongebakken klei met een houten stokje bijgewerkt. Deze details bepalen in hoge mate de kwaliteit. En hierdoor zijn de goede figuurtjes uit één vorm toch nooit identiek. Bovendien kan de stand van de ledematen gevarieerd worden en voegt men verschillende koppen en attributen toe: zie in zaal 8, kast 84A, de aanliggende mannenfiguren G. 1837 en G. 1839 uit Tarente en in zaal 2, kast 17, de twee meisjes van

Want hoewel de rechthoekige plint ontbreekt, is de hoogte vrijwel gelijk aan die van G. 302 met plint. Uit het kleine verschil kunnen wij concluderen dat de twee figuurtjes uit nauw verwante vormen komen, die misschien tot opeenvolgende "generaties" behoorden: dat wil zeggen, dat de vorm van G. 302 gemaakt is met behulp van een figuurtje (als "patrix") dat uit de vorm van 303 (of een zustervorm) afkomstig was. Blijkens de meer afgeronde plooien waren bij het maken van G. 302 reeds meer figuurtjes uit diezelfde vorm genomen dan bij G. 303 het geval was. Dat de vorm van G. 302 tot een jongere generatie behoort, wil niet beslist zeggen dat G. 302 later gemaakt is dan G. 303: oudere vormen kunnen elders langer in gebruik zijn gebleven. Zo kan ook een lichaam uit een jongere vorm gecombineerd zijn met een ouder type hoofd. Het guitige kopje van G. 302 vormt sinds de oudheid een geheel met het lichaam en komt ook in andere verzamelingen in deze combinatie voor, terwijl het kopje van G. 303 aangelijmd is; het staat hierdoor niet geheel vast dat het steeds bij dit figuurtje heeft gehoord. Ook is het tamelijk groot in verhouding tot het lichaam, vooral omdat het een volwassener indruk maakt dan het kopje van G. 302. Beide figuurtjes kunnen omstreeks 300 v. Chr. gedateerd worden. De achterzijden zijn op dezelfde wijze verwant als de voorkant en zijn, hoewel niet zó in details uitgewerkt, toch met opmerkelijk veel zorg en uit een vorm vervaardigd. De schepper van het prototype van deze beeldjes is niet een doorsnee koroplast: het natuurlijke effect dat het optillen van het bovengewaad, door de beide omwikkelde handen, op de plooival heeft, toont de aandacht waarmee het ontwerp gemaakt is. Vaak zijn de plooien wel kunstig maar ook gekunsteld.

Afb. Sa, b (inv. no. 714, G. 303 en inv. no. 1608, G. 302). Deze twee meisjes vertonen, afgezien van het hoofd, een treffende overeenkomst. En dat niet alleen in grote trekken, maar zelfs plooi voor plooi. Toch zien we in de uitvoering van het detail ook verschil, vooral in scherpte. Bij G. 303 zijn de lijnen iets scherper en directer. Duidelijker zien we de afdruk van het boetseerstokje. Ook blijkt bij nauwkeurig vergelijken dat 303 iets breder en vooral langer is.

6


Het is een gelukkige omstandigheid dat de beide figuurtjes hier bijeen zijn, want de vergelijking maakt hen interessanter . In de verzameling Scheurleer zijn ze, uit verschillende collecties afkomstig , destijds bijeengebracht. Voirnen worden betrekkelijk zelden gevonden en dan meestal in werkplaatsen. Vindt zo'n vondst plaats buiten de bekende centra van terracotta-nijverheid , dan kan uit kwaliteit en kleisoort blijken dat de vormen zijn geünporteerd. Uiteraard komt het vaker voor dat men in een buitengewest de terracotta aantreft die, blijkens een combinatie van goede kwaliteit en lokale klei, uit geiinporteerde vormen vervaardigd is. Een voorbeeld hiervan is de voortreffelijke Ledafiguur G. 288 (zaal 2, kast 16) die attisch van vorm is, doch in Zuid-Rusland werd gevonden. Begrijpelijk is dat werkplaatsen van naam slechts ongaarne hun goede vormen afstonden . Wilde men in een buitengewest de veelgevraagde typen zelf vervaardigen, dan moest men zich veelal behelpen door van geiinporteerde exemplaren vormen af te nemen. De zo ontstane terracotta's werden vaak op hun beurt gekopiëerd. Zo ontstaan reeksen van gelijkvormige figuren. De door het krimpen van de klei steeds geringere afmetingen kompenseert men vaak door een hoge basis of een hoog kapsel toe te voegen. Intussen wordt het relief steeds vlakker. Soms neemt men dan de moeite om de details opnieuw aan te brengen. De stijl waarin dit gebeurt kan sterk afwijken van die van de vroegste figuren van de reeks en zo een aanwijzing zijn voor de periode gedurende welke het type in de smaak bleef vallen. Als voorbeeld van een figuurtje van goede kwaliteit dat gevonden is en waarschijnlijk ook vervaardigd, ver van de streek waar zij blijkens de stijl haar oorsprong moet hebben , kan dienen het fijn uitgevoerde plastische vaasje in vrouwengedaante: Afb . 6 (inv. no. 1809, G. 211 , zaal 2 , kast 13). Op het hoofd is de deels afgebroken vaasmond zichtbaar. Verder is het beeldje gesloten en het kan dus een vloeistof bevat hebben . Hierbij denke men aan een welriekende olie, zodat de functie overeenkomt met die van een alabastron. De lichtgetinte klei met het poederachtig oppervlak is kenmerkend voor een deel van de producten van Lokri, waar ons figuurtje ook gevonden is. Maar wat de stijl betreft hoort het in het griekse oosten thuis , op Samos of Rhodos. Het behoort tot de "Aphrodite-groep", zo genoemd omdat vele van de in deze stijl uitgebeelde vrouwtjes een duif in de hand dragen , attribuut van die godin . Deze oostelijke groep heeft op Sicilië en in Lokri een grote populariteit genoten . Binnen de groep is ons "vaasje" van een vroeg type : het wordt gedateerd in het 3de kwart van de 6de eeuw v.Chr. De houding en het schema van de kleding, waarbij het overbloezende deel van de chiton in een boog over de rok valt , doen denken aan sommige grote samische sculpturen, vooral aan de "Hera van Cheramyes" (in het Louvre). Ons figuurtje is echter slanker en daarom waarschijnlijk later ontstaan. Opvallend is de gestrekte rechterhand . Bij vergelijking met de boeotische plankidolen (zie o .a. afb . 1) valt de grote technische en artistieke voorsprong ten opzichte van die ongeveer gelijktijdige producten van Midden-Griekenland op.

De vroegste boeotische plankidolen onderscheiden zich ook door de techniek van hun decoratie , nl. met kleiverf die werd meegebakken, zoals dat ook met de zwart- en roodfigurige potten gebeurde. Men neemt daarom ook aan dat ze in pottenbakkersateliers vervaardigd zijn. Deze decoratietechniek bood een veel beperkter kleurengamma , maar was duurzamer dan de latere waarbij de kleuren na het bakken werden aangebracht. De vervaardiging van terracotta's op grote schaal en

Afbeelding 6

volgens een eigen techniek heeft ongetwijfeld in terracottaateliers plaatsgevonden. Overblijfselen van zulke ateliers , te herkennen aan het grote aantal vormen, zijn wel bij heiligdommen gevonden: op weg naar de tempel kocht men een wijgeschenkje. De kwaliteit van deze waar is doorgaans matig: het gebaar telde. Het gebruik dat van een terracotta is gemaakt , is uit de voorstelling niet met zekerheid af te leiden. Over het algemeen zijn de voorstellingen van goden en van mensen in cultusgewaad weliswaar in heiligdommen gewijd, terwijl genregroepjes en poppen bijvoorbeeld meer in graven zijn gevonden , maar vele figuurtjes hebben in dit opzicht geen uitgesproken karakter en lenen zich zowel tot gebruik als wijgeschenk in graf of heiligdom als tot gebruik in de woning , als speelgoed of anderszins . H.E. Frenkel

1


DE VERZAMELING JANVETH Onlangs is voor het Museum de kleine, maar fraaie verzameling antieke munten verworven die de bekende en veelzijdige schilder en kunstgeleerde Jan Veth (1864-1925) tijdens zijn leven heeft bijeengebracht. De munten zijn afkomstig uit de nalatenschap van mevrouw S. Delprat-Veth, die een dochter van de kunstenaar was. Veth heeft zijn verzameling waarschijnlijk opgebouwd in de jaren na de Ie Wereldoorlog , tijdens zijn hoogleraarschap aan de Rijksacademie. In die tijd was het nog mogelijk goede antieke munten te verkrijgen en de collectie is in haar geheel dan ook van uitstekende kwaliteit. Ze bestaat uit één gouden, zestien zilveren en twee koperen munten , in totaal negentien stuks, die een periode van vier eeuwen bestrijken, van omstreeks 500 - 100 v.Chr. Het merendeel is geslagen in Griekse steden in Griekenland zelf, in Zuid-Italië en op Sicilië; daarnaast zijn er vier munten uit Campanië in Italië, Karthago en Syrië, die het beeld van de muntslag op gelukkige wijze completeren. Enkele interessante exemplaren worden hierbij ter illustratie afgebeeld: Boven (v.l.n.r.): tetradrachme van Alexander de

Grote, voorzijde met kop van Herak.les (324-323); didrachme van Karthago, keerzijde met paard en dadelpalm (241-218); drachme van Larissa in Thessalië, keerzijde met jongen naast paard; stater van Boeotië, keerzijde met amfora (338-315). Beneden (v.l.n.r.): stater uit Akragas (Agrigento) op Sicilië, keerzijde met krab (voor 413); stater van Korinthe , voorzijde met Pegasos (510-480); tetradrachme van Athene , keerzijde met uil (Se eeuw) ; idem, voorzijde met kop van Athena (4e-3e eeuw) . De munten vormen een welkome aanvulling van het reeds aanwezige materiaal. Ze zullen niet onder de overige in de benedengang van het Museum uitgestalde munten worden opgenomen, maar afzonderlijk worden geëxposeerd. Op deze wijze blijft het eigen, voor de verzamelaar zo kenmerkende, karakter van de collectie behouden . De collectie is in 1952 door Prof.Or. A.N. ZadoksJosephus Jitta gepubliceerd in het Jaarboek voor Munt- en Penningkunde. Daaraan zijn de gegevens voor deze aankondiging ontleend. Joh.S. Boersma

Adres van het secretariaat der vereniging: Archaeologisch-Historisch Instituut der Universiteit van Amsterdam, Wees perzijde 33, Amsterdam-oost telefoon (020) 35 09 62

bankrekening Pierson, Heldring en Pierson, Amsterdam postrekening 1142, gemeentegiro A 12471, beide t.n.v. Pierson, Heldring en Pierson, Amsterdam, ;net vermelding 't.g.v. vrienden A.P. museum'.

leden-donateurs

De leden van de vereniging genieten de volgende voorrechten: 1 vrije toegang tot het museum tijdens de openingsuren; 2 uitnodigingen voor lezingen, rondleidingen, expos/ties en andere activiteiten van het museum; hieronder ten minste 3 lezingen of rondleidingen per jaar; 3 reductie bij het aanschaffen van publikaties van het museum; 4 mededelingen over nieuwe aanwinsten van het museum; 5 mogelijkheid tot het raadplegen van de bibliotheek van het Archaeologisch-Historisch Instituut der Universiteit van Amsterdam volgens door dit instituut te stellen regelen.

betalen een contributie van ten minste f 50,- per jaar of ten minste f 1000,- ineens; zij ontvangen de publikaties van het museum kosteloos. gewone leden

betalen een contributie van ten minste f 15 ,- per jaar of ten minste f 250,- ineens.

student-leden

betalen een contributie van ten minste f 6,- per jaar.

Druk Univ v A'dam

8

APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 4  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 4  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

Advertisement