Page 1

MEDEDELINGENBLAD nr. 2

juni 1971

VERENIGING VAN VRIENDEN VAN HET ALLARD PIERSON MUSEUM

opgericht 20 juni 1969

MEDEDELING OVERDE VERENIGING

MEDEDELING OVERHET ALLARDPIERSONMUSEUM

In de 17 maart 1971 gehouden eerste jaarlijkse a lgemene ledenvergadering zijn het verslag van het bestuur over de periode 20 juni 1969 tot ultimo 1970 en de verantwoordingsstukken goedgekeurd. Tot leden van de Kas commissie benoemde de vergadering de heren mr. dr. J. Baert en mr. R. Semeyn Esser en tot plaatsvervangende leden de heren mr. J. A. C. Bierenbroodspot en L. Deen, arts. De volgens rooster aftredende bestuursleden J. L. Pierson Az en J. van Lier werden herkozen. De Statuten en het Huishoudelijk reglement werden vastgesteld overeenkomstig de ter visie gelegde ontwerpen. Op de Statuten is inmiddels bij Kon. Besluit van 19 april 1971 nr. 66 goedkeuring verleend. Een exemplaar van Statuten en Huishoudelijk reglement wordt aan de leden toegezonden. Het verslag over 1969/ 1970 zal aan leden die dit alsnog wensen te ontvangen, worden toegezonden na schriftelijke aanvraag bij het secretariaat. Het aantal leden steeg in het lopende jaar van 285 per ult. 1970 tot 307. Het ligt in de bedoeling 24 september en circa medio december a.s. wederom een lezing met lichtbeelden voor de leden te doen houden. Het telefoonnummer van het secretariaat is gewijzigd in (020) 35 09 62.

De afbraak van de woonhuizen aan de Sarphatistraat grenzend aan het museum en de daarop volgende zware heiwerkzaamheden ten behoeve van nieuwbouw voor de Universiteit van Amsterdam hebben het noodzakelijk gemaakt het museum voor enige maanden te sluiten en de gehele collectie in schuimplastic en kisten op te bergen. Ook het magazijn, dat in het bijzonder van de trillingen te lijden had , moest geheel ontruimd worden. Door onvoorziene omstandigheden moest de sluiting van het museum langer duren dan wij verwacht en gehoopt hadden. Thans is een aanvang gemaakt met het inruimen en het weghalen van het schuimplastic. Zodra de voorwerpen weer zijn opgesteld en de c ollectie op de normale wijze beveiligd kan worden , zal het museum heropend worden ; ook dan zal het echter nog wel enige maanden duren voordat alle vitrines weer in de oude staat zijn teruggebracht. Wij hopen dat de verzameling toegankelijk zal zijn met ingang van 15 september a.s . Wij betreuren het ten zeerste dat het museum zo lang voor bezoekers gesloten zal moeten blijven. Het telefoonnummer in (020) 35 51 96.

van het museum is gewijzigd

J. M. Hemelrijk

EEN MANSPORTRETUIT DE VROEGE KEIZERTIJD IN HET ALLARD PIERSONMUSEUM Tot de meest opmerkelijke aanwinsten van het museum uit de afgelopen jaren behoort ongetwijfeld de in 1969 aangekochte romeinse mannekop uit de vroege eerste eeuw n.C. ( 1). De oorspronkelijke herkomst van het stuk is onbekend, maar de aard van het materiaal doet denken aan Klein-AziĂŤ.

Toestand De kop is gehakt uit wit, tamelijk grofkorrelig marmer; sporen van de boor zijn zichtbaar in de oorschelpen. De totale hoogte bedraagt thans 28.5 cm, het hoofd meet van de schedel tot onder de kin 26.8 cm, de grootste diameter is 22.7 cm en de diepte 25 cm. De kop is bij de hals afgebroken, aan de voorzijde vlak onder de kin, aan de achterzijde onder de inplanting van het haar; van daar loopt het breukvlak onregelmatig schuin omhoog tot onder het linkeroor (bij de beschrijving wordt steeds van het stuk uitgegaan). Ook van het achterhoofd is links een stuk afgebroken. De onderste helft van de linker oorschelp en de gehele rechter oorschelp zijn afgebroken; hetzelfde geldt voor de neus - het op de foto zichtbare gedeelte is een moderne

aanvulling in cement. De bovenlip is beschadigd. De haarpartij is rechts boven sterk verweerd. Het oorspronkelijke oppervlak is overal verdwenen en daarmee ook elk spoor van de beschildering die zeker aanwezig geweest is op haren, ogen , neusgaten en mond. De kop schijnt in een later stadium, wanneer is niet te zeggen, tenminste op twee plaatsen te zijn overgewerkt: daarop wijzen de haarlijn boven het voorhoofd, waarbij een deel van een haarlok is afgehakt , en het schuin weggeslepen stuk tussen de onderlip en de gleuf in de kin. Ondanks de niet geringe beschadigingen en de verre van gave algemene toestand is de kop stellig een waardevolle aanvulling van de collectie. Marmeren romeinse portretkoppen van levensgroot formaat uit de vroege keizertijd worden zelden aangeboden en in de verzameling van het museum ontbraken ze tot dusver geheel. Aanwezig was alleen een fijn marmeren meisjeskopje uit Egypte, dat in het tweede kwart van de eerste eeuw n.C. gedateerd wordt (2), en een eerste eeuws vrouweportret (3). Verder enkele interessante mannekoppen in basalt, eveneens uit Egypte , mo-

l


steken, om de oren ligt een opvallende reeks regelmatige lokken. De gehele haarpartij is grof en in slordige compositie uitgevoerd. Er zijn geen sporen die wijzen op de aanwezigheid van een diadeem of een over het hoofd getrokken mantel.

Afbeelding

1

gelijk ook uit de eerste eeuw n.C . (4). Uit de tweede eeuw is er een kalkstenen kop (5) ; uit de derde een fraai bronzen romeins mansportret (6) en , als recente aanwinst , een kalkstenen egyptische mannekop (7).

Beschrijving (afb. 1 en 2). De kop is iets naar link s gedraaid en even schuin naar beneden gekeerd. De rechter gezichtshelft is daardoor gespannen, terwijl aan de linkerkant onder de tamelijk gevulde kin twee plooien gevormd worden. Door zijn grote diepte maakt de kop van opzij gezien een zware indruk . Vanuit de grootste breedte ver boven de oren loopt het gezicht toe naar de brede , ronde kin. De vorm van het gezicht is niet symmetrisch: de rechter helft is langer dan de linker , steekt meer zijwaarts uit en heeft meer volume. Ook het achterhoofd is asymmetrisch en is rechts zwaarder dan links. Het rechter jukbeen is tamelijk geprononceerd en de wang is gevulder. De ogen staan dicht naast elkaar en liggen niet diep; ze hebben scherp getekende bovenste oogleden die aan de buitenzijde tot over de onderste doorlopen. Van de neus is alleen de aanzet oorspronkelijk. De mond is klein en weinig krachtig en heeft diepe mondhoeken . De bovenlip vertoont een golvende lijn , de onderlip is korter en voller. De oren zijn opmerkelijk laag aangezet. De huid is glad en zonder veel spanning en suggereert nauwelijks de beenstructuur eronder. Alleen op voorhoofd , kin en onder de kin zijn enkele plooien aangebracht . Over de schedel en in de nek liggen grote , dikwijls in elkaar grijpende , nogal wanordelijke haarlokken , die dicht om het hoofd sluiten en de kop zijn strakke contour laten behouden . Over het voorhoofd zijn de haren naar rechts en links weggestreken met een V-vormige scheiding boven de linker ooghoek. Boven op het hoofd liggen grote lokken ver uit elkaar. Op het achterhoofd is even rechts van het midden de kruin aangegeven , vanwaar in elkaar grijpende lokken tot beneden in de nek lopen . De overgang van hoofd naar nek is door een gleuf duidelijk onderscheiden. Voor de oren lopen for se bakkebaarden , die halverwege naar voren

2

De datering van de kop in het begin van de eerste eeuw n.C. is buiten twijfel. Het stuk is duidelijk vervaardigd in de klassicerende stijl die gebruikelijk was in de officiële portretkunst tijdens keizer Augustus en diens opvolgers Tiberius en Caligula . De kop is stellig bedoeld als een officiëel , representatief statieportret, waarvan het alle kenmerken draagt , en niet als een privé-portret met een partikuliere functie zoals de grafportretten, die veel minder onder griekse invloed stonden en daardoor minder gei"dealiseerd waren. Daar de kop vlak onder de kin is afgebroken, valt niet meer uit te maken of hij gereconstrueerd dient te worden als een portretbuste of dat hij gemonteerd is geweest op een levensgroot lichaam. In de hals bevindt zich thans een vierkant gat met sporen van lood en een ijzeren pin waam1ee de kop op het voetstuk .is bevestigd. Zonder nader onderzoek is echter niet te zeggen of het gat in de hals eventueel oorspronkelijk is en een functie heeft gehad bij het vastzetten van de kop op een torso . Vergelijking met de portretkoppen uit de vroege keizertijd toont verder , dat de geportretteerde heeft behoord tot het julisch-claudische keizershuis. Niet Augustus zelf is voorgesteld , maar een ander lid van de omvangrijke familie . Men kan daarbij denken aan Gem1anicus (I 5 v.C. 19 n.C. , een mondelinge suggestie van wijlen prof. V. Poulsen) of aan keizer Tiberius (42 v.C. - 37 n.C.). Als vergelijking kan voor de laatste een kop uit Ephese dienen (afb. 3), die als Tiberius geïdentificeerd is en gedateerd wordt in het begin van diens regeringsperiode (14-37 n . C) (8) Deze onzekerheid bij de identificatie is allem1inst verwonderlijk ; de grote onderlinge gelijkenis van de julischclaudische portretten is opzettelijk en is bedoeld om de verbondenheid van degens en de relatie van de leden ervan tot Augustus te accentueren . Afbeelding 2


afstamming terug op Aeneas , bij wie de geschiedenis van Rome een aanvang nam. Over de ceremoniën met betr ekking to t deze republikeinse imagines maiorum worden int eressante gegevens verstrekt door de griekse histori cus Polybiu s, die als gijzelaar rond het midden van de tweede eeuw v.C. in Rome de officiële plechtigheden heeft kunnen meemaken (11) . Volgens Polybius (Hist. 6.53) trok bij de begrafenis van een romeins aristocraat de lijkstoet naar het Forum Romanum. Daar werd de overledene (of zijn beelteni s? ) recht overeind gezet op het spreekgestoelte en zijn zoon of naaste verwant hield een lijkrede . In de stoet reden een aantal personen mee die de voorouders representeerden . Daartoe dro egen ze de wassen vooroudermaskers en waren ze ook verder gekleect in overeenstemming met de rang en stand van degene , die ze voorstelden. Op het forum zaten ze op het spreekgestoelte rond de overledene , die op deze wijze aan het volk werd gepresenteerd te midden van zijn gehele voorgeslacht . Polybius wijst op de moraliserende werking die van de scène uitgaat en die de jonge romeinse aristo craten moest inspireren . In werkelijkheid zal vooral ook de propa ganda die voor degens gemaakt werd bij de levende familieleden een rol van gewicht hebben gespeeld . Een meer dan levensgroot beeld van een in toga geklede romeinse aristo craat uit augusteYsche tijd draagt twee voorouderbustes in zijn han den , waarvan de rechter een portret uit ca . 50 v.C. en de linker een uit ca. 20 v .C. weergeeft : drie generaties zijn hier vertegenwoordigd (afb . 4) (12) Afbeelding

3

Afb teeldin g 4

De officiële portretten van de keizer en zijn familie in marmer en brons waren in een tijd , waarin de visuele communicatiemogelijkheden voor het hof beperkt waren tot portretbustes en statues , muntportretten en staats-reliëfs , vanzelfsprekend een essentiëel onderdeel van de keizerlijke propaganda. Portretbustes van de keizer werden onmiddellijk na zijn ambtsaanvaarding vervaardigd en in kopieën naar de verschillende centra van de diverse provincies gezonden . Daar dienden ze de stempelsnijders van de plaatselijke munthuizen tot voorbeeld voor de muntportretten . Op deze wijze bepaalde de keizer zelf zijn eigen iconografie en werd zijn beeltenis binnen enkele maanden door het gehele rijk verspreid en vertrouwd aan alle Romeinen en niet-Romeinen - in het begin van de eerste eeuw n .C. betekende dat , aan ieder die woonde van Spanje tot Syrië en van ZuidNederland tot Noord-Afrika. Dit propagandistische gebruik van portretkoppen in de keizertijd is begrijpelijkerwijs niet willekeurig ingevoerd ; het is stevig geworteld in de republikeinse tradities van de romeinse aristocratie. Wanneer Augustus de nissen in de buitenmuren van het door hem aangelegde Forum Augustum in Rome bestemt voor standbeelden van de romeinse koningen en prominente Romeinen uit de republiek geconcentreerd rond de beeldengroepen van Aeneas en Romulus , grijpt hij terug op de aristocratische gewoonte om de portretbustes van de voorouders op te stellen in het voorste representatie-gedeelte van het woonhuis , in het atrium (9) . Deze bustes, imagi,nes maiorum geheten , bestonden aanvankelijk uit wassen maskers , maar werden later ook in brons en marmer gekopiëerd . Ze werden bewaard in gesloten houten kastjes , die alleen bij feestelijke gelegenheden geopend werden . Hoe groter het aantal portretbustes dat een aristocraat kon tonen, des te groter zijn adellijk aanzien (nobilitas). Deze imagi,nes hadden dus een grote propagandistische waarde ; zo merkt C. Marius , de befaamde generaal en politicus uit het eind van de tweede eeuw v.C. en grote tegenspeler van Sulla , op dat de patriciërs hem minachten omdat hij geen imagi,nes bezit (J 0). En Augustus voert met de indrukwekkende reeks voorouders op zijn forum zijn

3


De imagines maiorum hebben een belangrijke bijdrage geleverd tot het ontstaan van de typisch romeinse portretkunst zoals die zich sinds de eerste eeuw v .C. manifesteert. Ze zijn echter niet de enige bron geweest waaruit het romeinse portret is ontstaan. Dat onwikkelt zich vooral ook onder invloed van de griekse portretkunst ( 13). Al sinds de vijfde eeuw v.C. werden in Griekenland portretten vervaardigd van prominente personen : dichters (Sophokles , Euripides), staatslieden (Themistokles, Perikles), filosofen (Sokrates, Plato), redenaars (Demosthenes) en na 300 v.C. de hellenistische koningen. Deze portretten waren steeds geîdealiseerd en legden de nadruk op het type met zijn eigen karakteristieken (b.v. een helm voor staatslieden en een volle baard voor filosofen), terwijl de individuele trekken naar de achtergrond werden geschoven. Bovendien werd in Griekenland nooit volstaan met de kop alleen , maar werd steeds de gehele persoon afgebeeld. Vandaar dat men in Griekenland geen portretkoppen aantrof (de Romeinen kopiëerden later alleen de koppen, waardoor ten onrechte de indruk wordt gewekt alsof portretkoppen ook in Griekenland gebruikelijk waren) , maar portretstatues. Aanvankelijk werden deze alleen in de heiligdommen opgesteld , maar sinds de vierde eeuw v.C. stonden ze ook op de pleinen . In hellenistische tijd worden deze griekse portretten naturalistischer , al blijven ze steeds objectiverend. Een dergelijke portretkunst on wikkelt zich ook in het republikeinse Rome; de bronskop van de zgn. Brutus uit ca. 200 v.C. is er een voorbeeld van . Deze traditie voert tenslotte naar de vaak meer dan levensgrote staande en zittende keizerstatues in toga of harnas , die in alle steden en stadjes van het romeinse rijk te vinden waren. Uit dit samengaan van de romeins-italische en de griekse traditie ontstaat dan geleidelijk de typisch romeinse portretkop, waarbij het principiëel gaat om de als gelijkend bedoelde uitbeelding van één bepaalde persoon en niet om het type. Wel wordt dit principe telkens op verschillende wijze uitgedrukt. Op de periode van griekse invloed in de

tweede eeuw v.C. volgt een reactie rond l 00 v.C. De portretten krijgen dan een sterke realistische inslag met diepe groeven langs de neus, ingevallen wangen en scherp uitstekende jukbeenderen: mogelijk een uiting van aristocratisch conservatisme en ·bedoeld als een verwijzing naar de oude republikeinse waarden , waar men in deze stormachtige jaren op terugvalt. Met Augustus (27 v.C. 14 n.C.) komt het portret onder neo-klassieke griekse invloed , die gedurende meer dan driekwart eeuw het representatieve romeinse portret kenmerkt. Eerst onder Vespasianus (69-79 n.C.) krijgt het portret zijn realistische trekken terug , zij het dat de accenten nu anders gelegd worden dan tijdens de laatrepublikeinse tijd. Op deze wijze verloopt de ontwikkeling van het romeinse portret als een golfbeweging: op een periode van klassieke invloed volgt een periode waarin het realistische karakter weer de overhand heeft. Onze kop is met zijn klassieke onbewogenheid een goede representant van de eerste richting. Alleen de plooien onder de kin verraden de oplettende beschouwer dat wij hier geen jeugdige kop voor ons hebben, maar het sterk geïdealiseerde beeld van een oudere man. Joh. S. Boersma . (1) inv .nr . 8355 . (2) Algemene gids van het Allard Pier son Museum , 62 nr. 552. (3) Alg. gids , 63 nr. 561 . (4) Alg. gids, 62 nrs. 544 en 545. (5) Alg. gids , 62 nr . 555. (6) Alg. gid s, 57 nr . 517. (7) Zie Mededelingenblad van de Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum , nr 1, december 1970 , 6-7. (8) J . Inan en E. Rosenbaum, Roman and Early Byzantine Pmtrait Sculpture in Asia Minor , London 1966, 63 nr. 15, pl. X. (9i P. Zanker, Forum Augustum , Tübingen z.j. , 14 e.v. (10) Sallustius , Bellum Iugurthinum, 85.25 . (11) Voor de imagin es maiorum en de ontwikkeling van het romeinse portret zie : A.N. Zadoks-Josephu s Jitta, Ancestral Portraiture in Rome , Amsterdam 1932, 22 e.v. ; En ciclopedia dell'arte antica 6 (1965), 718 e.v.s.v. ritr atto (R. Bianchi Bandinclli) ; R. Bianchi Bandinelli , Rome , lc centre du pouvoir , Galimard 1969, 75 e.v. (12) De kop van de statue behoort niet bij het lichaam, maar is er in moderne tijd op geplaat st. (13) Voor het grick se portret zie : Enciclopedia dell ' arte antica 6 (1965), 704 e. v.s.v. ritratto (R . Bianchi Bandinelli) ; G.M.A . Richter , The Portrait s of the Greek s, London 1965.

VIER AANWINSTEN UIT HET PHARAONISCHE EGYPTE Door een bijzonder gelukkig toeval is de oudegyptische collec tie , die een niet onaanzienlijk deel vormt van de verzameling in het Allard Pierson Museum, onlangs uitgebreid met een viertal nieuwe stukken. Wij hopen van harte, dat in de toekomst mogelijkheden gevonden zullen worden om aan zulke uitbreidingen een blijvend karakter te geven. Immers, de belangstelling voor egyptologie is niet alleen landelijk groeiende, maar speciaal ook aan onze universiteit. Stukken uit het museum kunnen daaraan een zeer gewenst archaeologisch relief verlenen. De sinds kort opgerichte Amsterdamse egyptologische vereniging 'Sjemsoethoth' leidt reeds een bloeiend bestaan. De vier stukken komen alle uit Thebe, de hoofdstad van Egypte gedurende een lange periode van het ieuwe Rijk. Ze zijn alle van funerair karakter. Daarmee zij niet de indruk gewekt, dat de egyptenaren boven alles hechtten aan datgene wat met het voortbestaan na de dood samenhing; zij waren een diep-religieus volk , maar met een sterke drang naar het gewone leven op aarde. Dat zovele overblijfselen uit graven stammen , komt slechts daardoor, dat graven en pyramiden van het duurzaamste materiaal werden gebouwd. Al lijkt het beeld van de egyptische cultuur daardoor ietwat te worden vertekend , juist in graven komen vele scènes uit het dagelijks leven voor. Het oudste van de vier hier besproken stukken is een terracotta offerbord (1) (afbeelding 1), overtrokken met een roodbakkende sliblaag . die ietwat verweerd is. Hoewel

4

de bovenrand is afgebrokkeld , is het verder een zeer gaaf en representatief exemplaar. Op het grondvlak zijn levensmiddelen gemodelleerd ten behoeve van de dode: bovenaan een rund , daaronder twee broden en tenslotte een schenkel. Links is een transversaal afvoergootje aangebracht , dat via een dwarssleufje uitmondt in een afvoergat . Afbeelding

1. Terracotta offerbord


ze uit de late Xle dyna stie (ongeveer 2000 v. Chr.). De overeenkomst met ons offerbord is zo sterk (zie afbeelding 2) , dat ·men daaraan wel een soortgelijke datering mag toeschrijven. Het museum in Cairo moet er eveneens een aantal bezitten die ongepubliceerd zijn en althans destijds voor Mond en Myers onvindbaar waren , en vermoedelijk zijn er ook te Berlijn (13). Zo zullen nog wel meer exemplaren door diverse musea en collecties verspreid zijn .

Afbeelding 2. O!lerborden uit Armant

Een offerbord ('pottery offering tray') als dit is een typisch product uit het Middenrijk. Er zijn heel wat exemplaren bekend uit diverse opgravingen, maar slechts weinige zijn adequaat gepubliceerd. Men ziet het genre vrij plotseling verschijnen aan het einde van het Oude Rijk, op de grens van de Eerste Tussenperiode , als een nevenontwikkeling van de steriotiepe offertafel , waar eveneens de spijzen op afgebeeld waren maar dan veelal met een begeleidende inscriptie. Na de Xle dynastie ( omstreeks 2130-1990 v. Chr.) schijnt het offerbord geheel te verdwijnen en heeft de offertafel weer de alleenheerschappij , om zijn lange bestaan te rekken tot in de ptolemèische tijd (2) , terwijl het zich ook voordoet in de meroïtische cultuur.

De volgende aanwinst is een particuliere grafstèle van primitieve uitvoering (afbeelding 3) , die in drie registers verdeeld is (14). Het bovenste register vertoont een enigszins afgeplatte zonneschijf tussen de 'horizon '-bergen, de stralen waarvan in handen uitlopen . Links en rechts een baviaan in de houding van verering. Het middenregister laat de zonneboot zien, waarin de valkkoppige zonnegod Rehorachte gezeten is. Over de plecht hangt een rieten mat met twee hengsels, die ook van elders bekend is ( 15) . Rechts een aanbiddende mannenfiguur , wel de bezitter van de stèle; ook links is nog een deel van een in verering opgeheven arm zichtbaar. Te oordelen naar de analogie van soortgelijke voorstellingen , zou men links het spiegelbeeld van de rechtse adorant kunnen veronderstellen; of is het zijn vrouw? Want in het onderste register staan man , vrouw en twee van hun kinderen voor een rijk beladen offertafel ; de man heeft een klein , symbolisch , offeraltaar in de hand . En geheel links is nog de staf van de daar vereerde god te zien. Geen enkele hieroglief is aangebracht op deze stèle , hoewel Afbeelding 3. Amarna-stèle

W. Flinders Petrie heeft destijds (in 1898) een vijftient al exemplaren aangetroffen te Dendereh (3) en gaf daarbij een chronologische classificatie die loopt van de IXe tot en met Xle dynastie . De oudste modellen in deze ontwikkelingsgeschiedenis zijn vierkant en schijnen een ommuurde voorhof voor te stellen . Soms zijn twee water ba sins uitgediept, en uithollingen die als paalgaten bedoeld zijn: op die manier kan over de spijzen een miniatuurbaldakijn gespannen worden. In het midden van de Xle dynastie gaat men de diverse spijsbenodigdheden in effigie afbeelden: broden en vlees. Een volgende stap is, dat men , uitgaande van de vierkante offerborden (zoals bv. die uit Dendereh) , het grondoppervlak opdeelt in een voorhof (met daarin het voedsel) en een huisgedeelte. Dat laatste kan meerdere kamers bezitten, soms ook meerdere verdiepingen. Dan heeft men het voorwerp , dat als 'zielehuis' (soul house, maison d'àme, Seelenhaus) bekend staat ( 4 ). Daarvan bezitten vele musea - o.a. dat te Leiden - goede voorbeelden. Een fraai overgangstype (een weinig ontwikkeld huisgedeelte, een sterk benadrukt spijzenvlak) wordt bewaard in het Metropolitan Museum te New York; het is afkomstig uit een laat Middenrijksgraf te Hieraconpolis (5). Een ander exemplaar is in het British Museum (6) . Een latere opgraving, eveneens door Petrie , nu te Rifeh, bracht ongeveer 150 offerborden en 'zielehuisjes' aan het licht (7) . Daarbij wordt de exacte plaats van aanbrenging meegedeeld: àp het als een schacht uitgegraven graf , of op een klein heuveltje daarboven. Zulke borden zijn ook gevonden te Qurneh (8) uit de omgeving waarvan misschien ons exemplaar stamt , Ballas (9), El Kab (10), Sedment (11) en Armant (12) . In het laatste geval zijn de offerborden rond , terwijl de vormen zeer ontwikkeld zijn. Volgens de opgravers , Mond en Myers , die zich aansluiten bij de door Petrie voorgestelde typologische chronologie , dateren

5


de registers en de scheidingslijnen voor de diverse kolommen in elk register wel zijn uitgehakt. Misschien zijn ze nimmer aangebracht , of anders waren ze alleen geschilderd en zijn de opschriften in de loop van de tijd verloren ge gaan. Zo primitief en volks als de uitvoering ook is, het stuk is ongemeen interessant. Een datering is niet al te lastig: de opvallende voorstelling van de zonneschijf met armvormige uitstraling plaatst het stuk onmiddellijk in de Amarnaperiode (16). Daarmee stemt overeen de dracht van de bezitter in het onderste register : de driehoekige schortvoorhang wordt veelal gedragen door soldaten uit de Amarnaperiode (17). Onder de Amarna-periode verstaat men , gelijk bekend , de tijd van koning Amenophis IV en enige van zijn opvolgers ( ongeveer 1375-1360 voor Chr.). Daarover is reeds veel geschreven ( 18) . Deze koning heeft op zeker moment gebroken met de religieuze traditie : hij wenste het veelgodendom te vervangen door een enkele god , en deze was de zon in zijn meest pure vorm : de zonneschijf (egyptisch 'itn, Aton) ontdaan van alle mythologie en speculatie , gezien als de enige bron van licht en leven . Reeds onder zijn directe voorganger, Amenophis III , vindt men een aanzet tot verabsolutering van de zonneschijf (19). De religieuze revolutie, met kracht door Amenophis IV doorgezet, was een slag voor de egyptische priesterschap en voor de oude culten. In het vijfde jaar van zijn regering veranderde de koning zijn naam : deze luidde voortaan Achnaton ('weldadig voor de schijf) en in het zesde jaar werd de oude residentiestad Thebe verlaten en een geheel nieuwe stad aangelegd te El Amarna - Achetaton, 'horizon van de schijf , zoals de naam ging luiden . Daar verzamelde zich een nieuw hof van toegedane Atonvereerders . De doorbraak ligt niet alleen op religieus gebied , maar ook op taalkundig : in de officiële inscripties gaat men zich zonder schroom bedienen van het vulgair idioom , het zogenaamd Nieuwegyptisch. En in de kunst ontwikkelen zich nieuwe tendenties : een streven naar groter natuurlijkheid en intimiteit , soms op het pathetische af. De religieuze iconografie wordt sterk vereenvoudigd. Van dat laatste is in onze stèle nu juist niet veel te zien. Afgezien van de enigszins afgeplatte zonneschijf , die kenmerkend wordt geacht voor deze periode (20) en de straal-armen, is het geheel tamelijk traditioneel. De voorstel ling van de bavianen die bij zonsopgang en zonsondergang het licht krijsend begroeten of uitgeleide doen (21) is oud , en evenzeer die van de valkkoppige zonnegod in de boot. En de god beneden , van wie alleen nog de staf te zien is, is zeker niet een zonnegod. De staf kan voornamelijk behoren bij Osiris of Ptah. De bovenzijde van de staf vertoont , onmiddellijk onder de kromming naar rechts , enige dwarsstrepen. Die kunnen , indien ze opgevat worden als een zeer onbeholpen weergave van de zgn. djed-decorering aan een staf , kenmerkend zijn voor de god Ptah ; de laatste is overigens meestal in een kapel geplaatst. Zo niet, dan betreft het Osiris en zou men de dwarsstrepen kunnen opvatten als een delging van een deel van de godsfiguur. Delging van bepaalde namen althans is niet ongebruikelijk geweest in de Amarna-periode . Is dit een dergelijk voorbeeld? Een en ander laten wij liever ter discussie aan Dr. B.H. Stricker , conservator van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden , die te zijner tijd een uitvoeriger bespreking aan het stuk zal wijden . Elders nam de nieuwe godsdienst een verzoenender houding aan tegenover de dodengod Osiris. Op het fragment van een stèle van H3ti3y uit het Louvre (22) komt een hymne aan Osiris voor , waarin aan de laatste atonistische trekken worden toegekend : 'Heil U, Osiris, die triumfeert in

6

Afbeelding

4. Fragment van een Pyramidentekst

de raadsvergadering! U verrijst als Re in de horizon; zijn schijf is Uw schijf, zijn beeltenis is Uw beeltenis , zijn aanzien is Uw aanzien .. .'. Op blokken , gevonden te Medamoed uit de Amarna-periode verschijnt koning Achnaton zelf als Osiris, overstroomd door de armvormige zonnestralen (23). Zo zou er wel veel meer te vinden zijn dat nader licht werpt op de vroege verhouding van Osiris en Aton; het probleem is door de egyptenaren van die tijd zeker overdacht (24). De mengeling van oude en nieuwe motieven maakt een datering van ons stuk in de vroege Amarna-periode het meest waarschijnlijk ( ongeveer 1370 voor Chr.) . Overigens zijn er toch allerlei tekenen dat de oude goden bij het gewone volk in ere bleven (25). Stèles van particulieren uit deze periode , speciaal grafstèles , zijn nogal zeldzaam (26) . Ons exemplaar is een van die, die toehehoord hebben aan eenvoudige soldaten (27). Het is typisch dat juist in de periode van koning Achnaton het militaire aspect in allerlei voorstellingen tamelijk sterk naar voren komt (28) , terwijl toch juist deze koning persoonlijk weinig belangstelling had voor militaire ondernemingen , misschien niet in de laatste plaats omdat zijn physieke gesteldheid zich daartegen verzette. In dat geval zou men het soldateske aspect als een soort compensatie mogen zien.

Van niet alledaags belang is ook het volgende stuk, afgebeeld in fig. 4. Het is een klein fragment van kalksteen (29), kennelijk afkomstig uit een grafwand, dat beschreven is met een 14-tal kolommen hieratisch schrift , onderling gescheiden door verticale lijnen in rood . 'Hieratisch' is de term die men gebruikt voor het klassieke egyptische 'schrijfschrift' ; het correspondeert teken voor teken met het hieroglyphenschrift , dat men zou kunnen vergelijken met ons blok- of drukschrift . Gebruikelijk is, om een hieratische tekst voor ons gemak te 'transcriberen' in de meer sprekende hieroglyphen , zoals in fig. 5. Het brok is een levend getuigenis van de grote waarde die de egyptenaren te allen tijde hechtten aan hun verleden. Immers, dit brok tekst uit het Nieuwe Rijk - XVIIle of XIXe dynastie - bevat een gedeelte van een spreuk uit het alleroudste corpus van de egyptische religieuze literatuur, de zogenaamde Pyramidenteksten . De Pyramidenteksten worden voor het eerst aangetroffen in de Ve dynastie van het Oude Rijk, in het graf van koning Oenas (ca . 2350 voor Chr.) - dat is dus na de tijd van de beroemde pyramiden van Gizeh. Ze stammen echter uit een veel oudere tijd. Ze zijn bedoeld om de gestorven


,,--/

1f

..,

,-

-...- - -- - - ----- - ------ -- - - --

Il

0

0

V7

~ 1 1 1

tl/

?~~

i

OlJ

tl/ ::tî tl_ ~

~

G1 D

..J[ ~

c:::.

l\..

~

Gl .,/{

il_ ~

[\_ tF=:7

(1Ç::7

:l

ll-v

C":I

~~

-

'fi:=t

~o

.c.

-7°

I

']

10

f1

12

IJ

0.........,

~

......_,

lll n,·, ,

- --

----------------------------

tl//

IZ

,• <:::::>

~p~

l

=i

~~

(\..

C":I

,C:,c::>

u•

2.-

~!:. ~~ IL....,

2

---=:J-

~

t[_

1 1 1

~

1~

~c:::::>

,--

4 % l -- Îlik

o+f i: ! x¾ ~, Il rrr 0

~p t 0

3

s

/,

---- -- - --

J 0

~

0......, 0.....,

ft

iT':::::7

4

~L

.,/[_

[zzz]

ZOS:d-Zro,l,

l1r:::::7

----

--

, ,. ,

~

Afbeelding

-- - --

koning de lange , moeizame en gevaarlijke weg naar het hemelse hiernamaals te vergemakkelijken. Na aanvankelijk koninklijk privilege te zijn geweest, worden de spreuken in het Middenrijk ook in de graven en op de grafuitrusting van privé-personen aangetroffen. In die tijd ontwikkelen zich deels uit, deels naast, de Sarcophaagspreuken ('Cottin Texts') en nog later, vanaf het vroege Nieuwe Rijk, het genre spreuken dat men in dodenboekpapyri vindt . De PyranlÏdenteksten zijn destijds definitief uitgegeven door Kurt Sethe naar de versies van het Oude Rijk. Die uitgave, die tussen 1908 en 1922 tot stand kwam , telt zo. wat 700 spreuken, maar sindsdien zijn daar door nieuwe opgravingen te Sakkara door Gustave Jequier (van 1928 af) weer nieuwe versies, ook nieuwe spreuken, bijgekomen. Opgravingen aldaar van na de oorlog door Lauer, Garnot en Leclant, hebben weer nieuwe teksten aan het licht gebracht. Dat alles geldt voor het Oude Rijk . Voor de egyptenaren is dat altijd de periode geweest van klassieke grootheid. Steeds weer werden de Pyramidenteksten gecopieerd, al gingen de versies afwijken. Speciaal in de Saïtische periode ( ongeveer 650 voor Chr.), toen men allerwegen in Egypte teruggreep op het oude, gekoesterde verleden (30), wonnen de Pyramidenteksten aan populariteit. Van die gehechtheid aan het verleden getuigt dus ook ons stuk . Wanneer men het handboek van Allen over de concordantie der verschillende versies naslaat, blijkt onze tekst - spreuk 222, daarvan de paragrafen 205-210 - tot in het Nieuwe Rij! L-:.erin trek te zijn geweest (31 ). Kenmerkend voor een oude tekst als deze , zijn de verticale kolommen en de aanhef boven elk daarvan met de woordengd mdw, 'woorden, te reciteren.' Het uitspreken verwezenlijkt immers de magische intentie.

5. Transcriptie

van de tekst

fragment , dat slechts op weinige plaatsen afwijkt van de Ouderijksversie, luidt als volgt: '(O gij, dien een zwangere uitwierp: U hebt de nacht) verbroken, (toegerust als ge waart als Seth, die) het gedijende (in onrust brengt; o geprezene van Isis! Rust Uzelf toe als Horus) de jeugdige! Vo01waar, bij U raakt niets los, bij U teert niets weg! Zi)e toch , U bent meer bezield dan de goden (van het Noorden en hun geesten. Maar maak los) Uw onreinheid voor Atoem in On (en daal met hem af. Snij door) de banden van de onderwereld, dat U moogt staan (op het oerwater. .. (32) ...) met Uw vader Atoem. U maakt de banden los (die op U zijn) voor de godin van On. Ga uit , open Uw wegen m(et de beenderen van) Sjoe : de omhelzing van Uw moeder Noet omvatte U! Reinig U in de horizon , maak Uw onreinheid los in de Meren van Sjoe ! Ga uit en daal af met Re , begeef Afbeelding

6. Reliefbrok

In het eerste gedeelte van spreuk 222 ($$ 199-203) wordt de nadering van de koning tot de sfeer der goden tot uitdrukking gebracht. In het tweede gedeelte ($$ 204-213), waarvan het Amsterdamse fragment een stuk weergeeft, wordt de koning toegesproken, hetzij door een priester, hetzij door een god; daarin wordt hij definitief geassocieerd met diverse machten van de kosmos. De vertaling van het

7


U in het duister met de Neergeworpene. Ga uit en daal af; ga uit met Re, verschijn met de Grote Vlotvaarder. Ga uit en daal af: ga uit met Nephthys, begeef U in het duister met de Bark van de Nacht. (Ga uit en daal af;) ga (uit met Isis ... )'. Het laatste en kleinste stuk is het brok van een relief (33) met een kop , die weinig egyptisch aandoet (afbeelding 6 ). Het dateert zeker uit het Nieuwe Rijk misschien uit de XVI ll e dynastie - en in deze periode werd de egyptische kunstenaar geconfronteerd met allerlei nieuwe buitenlandse volkstypen, waaraan zekere herkenbare standaardkarakteristieken dienden te worden meegegeven (34). Ons reliefbrokje doet misschien nog het meeste denken aan een Hethiet, die vaak baardeloos wordt voorgesteld en ook de ietwat 'bittere' trekken om de mond vertoont. Geheel zeker is het niet. In het algemeen is immers elders de haarinplant van de Hethiet hoger, en het oor wordt vrijgelaten. Maar ook in de vroegste tijd waarin dit type wordt aangetroffen, de Amarna-periode (35), zijn de karakteristieken nog niet geheel vastgelegd. J.F. Borghouts

(1) lnventari nummer 8540. Grootste doorsnede 27.5 cm, kleinste

doorsnede 25.5 cm; hoogte , van buiten gemeten 4.5 cm; binnendiepte 2.5 cm. (2) Een vergelijking met de rechthoekige stenen exemplaren uit de ptolemèische tijd, gevonden in het Bucheum, wordt getrokken door R. Mond en O.H. Myers, The Bucheum, I (Londen, 1934) , 77. (3) W. Flinders Petrie , Dendereh 1898 (Londen, 1900), p. 27; pl. 9. (4) zie ook J. Vandier, Manuel d'archéologie égyptienne, 11,2 (Paris, 1955) , 976-978, waar het eigenlijke offerbord als zodanig buiten beschouwing blijft ; W.C. Ha_yes,The Scepter of Egypt, I (New York, 1968-3) , 255-256. (5) W. Hayes, op.cit., 256, fig. 161. (6) BM 293, afgebeeld in A Guide to the Egyptian Collections in the British Museum (Londen, 1909), 90. (7) W. Flinders Petrie , Gizeh and Rifeh (Londen, 1907), 14-20; pl. 14 en vv. (8) W. Flinders Petrie, Qurneh (Londen, 1909), pl. 20-21. (9) J. Quibcll, Ballas (Londen, 1896), pl. 44. (10) J. Quibell, Fl Kab (Londen, 1898), pl. V; p. 18. (11) W. Flinders Petrie - G. Brunton, Sedment I (Londen, 1924), pl. 13, boven; p. 8 (no. 17). (12) R. Mond - O.H. Myers, Cemeterie of Armant, I (Londen, 1937), tekstdeel: p. 59-60; platendeel: pl. 22, fig. 5 (hier gereproduceerd) en 6. (13) Zie A. Erman, Ausführliches Verzeichnis der aegyptischen Altertümcr und Gipsabgüsse (Berlin, 1899), 96-97 (nos. 10744; 14046; 10786). Geen afbeeldingen. (14) Registratienummer 8537. Geschatte breedte beneden 20.5 cm, totale hoogte 32 cm. Dikte 3.5 cm. (15) Zie E. Thomas , Terrestrial Marsh and Solar Mat, JEA 45 (1959), 38-51. (16) Vgl. W. Wolf, ZÄS 59 (1924), 115. (17) Een goed voorbeeld in N. de Garis Davies, The Rock Tombs of El Amarna, Hl (Londen,

Adres van het secretariaat der vereniging: Archaeologisch-Hlstorisch Instituut der Universiteit van Amsterdam, Weesperzijde 33, Amsterdam-oost telefoon (920) 35 09 62

bankrekening Pierson, Hel.dring en Pierson, Amsterdam postrekening 1142, gemeenteg1ro A 12471, beide t.n.v. Pierson, Heldring en Pierson, Amsterdam, met vermelding 't.g.v. vrienden A.P. museum'.

leden-donateurs

De leden van de verenigrng genieten de vo lgende voorrechten: 1 vnJe toegang tot het museum tiJdens de openingsuren; 2 mtnodigrngen voor lezrngen, rondleidingen, expos/ties en andere activiteiten van het museum; hieronder ten minste 3 lezingen of rondleidingen per jaar;. 3 reductie bij het aanschaffen van publikaties van het museum; 4 mededelingen over nieuwe aanwinsten van het museum; 5 mogelijkheid tot het raadplegen van de bibliotheek van het Archaeologisch-liistorisch Instituut der Universiteit van Amsterdam volgens door dit instituut te stellen regelen.

betalen een contributie van ten minste f 50,- per jaar of ten minste f 1000,- ineens; ziJ ontvangen de publikaties van het museum kosteloos. gewone leden

betalen een contributie van ten minste f 15,- per jaar of ten minste f 250,- ineens.

student-leden

betalen

8

1905), pl. 13. (18) Een beknopt bibliografisch overzicht in W. Hayes, The Scepter of Egypt, 11(New York, 1968), 446-44 7. De meest recente verzamelwerken zijn die van C. Aldred, Akhenaten, Pharaoh of Egypt. A New Study (Londen, 1968) en Y. Perepelkin, Perevorót Amen-khótpa IV, I (Moskou, 1967). Een moderne studie waarin mede de iconografie van de periode in aanmerking genomen wordt - zoals in de voortreffelijke, thans verouderde monografie van H. Schäfer, Amarna in Religion und Kunst (Leipzig, 1931) laat nog op zich wachten. (19) Zie bv. H. Kees, Orientalia 18 (1949), 439-442. (20) Zo althans ten laatste H. Stewart, Bulletin of the lnstitute of Archaeology, Londen 7 (1957), 85. Men kan betwijfelen of de afgeplatte zon nu wel zo uitsluitend kenmerkelijk voor de Amarna-kunst is. (21) Het egyptische werkwoord voor 'krijsen' i~ in dat geval h!f, en de bavianen in die functie heten daarom ook hltw, 'krijgsdier'. (22) Inv.nr. onbekend, althans niet medegedeeld door E. Drioton, die het fragment gepubliceerd heeft in ASAE 43 (1943), 35-43 en fig. 2-3. (23) Zie R. Cottevieille-Girardet, Rapport sur les Fouilles de Mêdamoud (1932). Les reliefs d' Aménophis IV Akhenaton, Le Caire, 1936 (= FIF AO 13), 60-63; fig. 92 op p. 62. (24) De stelling van E. Otto, Osiris und Amun (München, 1966), 46: 'wir haben auch keine ausdrückliche 'Auseinandersetzung' in irgendwelchen Schriftstücken zwischen Aton und Osiris' is toch wel wat absoluut. (25) Voor verwijzingen, zie H. Kees, Der Götterglaube im alten Ägypten (Berlin, 1956), 375, voetnoot 3; J. Wilson, The Culture of Ancient Egypt (Chicago. 1956), 221-222. (26) Enige ziin jlepubliceer<I door G. Steindorff, ZÄS 34 (1896). 63-69; zie ook E. Drioton, ASAE 43 (1943), 15-43, waar op p. 33 een overzicht wordt gegeven. Het inventaris is nog wel uit te breiden; zie bv. W. Von Bissing, ZÄS 64 ( 1929), 113-1 17; J. ~erny, Egyptian S telae in the Bankes Collection (Oxford, 1958), no. 1; B. Bruyère, Rapport sur les Fouilles de Deir Fl Medinch = Fir AO 1926, rapports prcliminaires, 4 (Le Caire, 1927), p. 6 7, fig. 53. Een steloforc statue: H. Stewart, Bulletin of the lnstitute of Archaeology, Londen 7 (1967), 85-87. De behandeling van de Amarna-stèles in J. Vandicr, Manuel d'archéologie égyptienne, 11,1 (Paris, 1954), 519-520 , is wel heel summier. (27) Andere voorbeelden: twee stèles uit Berlijn, gepubliceerd door H. Schäfer, ZÄS 52 (1914), 76 (fig. 6) en 80 (fig. 12); een uit Cairo, gepubliceerd door Bruyère (zie vorige voetnoot). (28) Vgl. A. Schulman, Somc Observations on the Military Background of the Amarna Period, JARCE 3 (1964), 51-69. (29) Inv.nr . 8539. Grootste breedte 40 cm, grootste hoogte 27.5 cm. Breedte der kolommen gemiddeld 2. 7 cm, hoogte daarvan 17 .5 cm. Bovendecoratie in zwart, blauw en rood; onderdeel in blauw. (30) Zie ten laatste H. Brunner, Zum Verständnis der archaisierenden Tendcnzen in der :à.gyptischen Spätzeit, Saeculum 21, 2/3 (1970), 151-161 (Festschrift Vogt). (31) T. Allen, Occurrences of Pyramid Texts with Cross Refercnces of these and ether Egyptian Mortuary Texts (Chicago, 1950), 70. (32) Onze versie die hier lacuneu is, bevatte kennelijk minder woorden dan de versie van het Oude Rijk. (33) Inv.nr. 8538. Hoogte 17 cm. Bruinkorrelige zandsteen. (34) Voor de karakteristieken der vreemde volkeren, zie W. Helck, Die Beziehungen Ägyptens zu Vordcrasien im 3. und 2. Jahrtausend v. Chr. (Wiesbaden, 1962), 342-352. (35) Zie R. Drenkhahn, Ausländer (Hethiter und Marijannu? ) in Amarna, MDAIK 22 ( l 96 7), 60-63.

een contributie

van ten minste f 6,- per jaar.

APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 2  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

APm : Allard Pierson mededelingen, afl. 2  

De Vereniging van Vrienden van het Allard Pierson Museum geeft per jaar drie nummers uit van het tijdschrift AllardPiersonmededelingen. In d...

Advertisement