Issuu on Google+

Verboden toegang WARD DE CEUKELAIRE


Fantasie is belangrijker dan kennis Albert Einstein


Over de auteur... Ward De Ceukelaire is 11 jaar en zit in het vijfde leerjaar van GBS Lot. Hij houdt niet zoveel van leren en studeren, maar wel van actie en beweging. Ward voelt zich helemaal in zijn element op de atletiekbaan en speelt daarnaast ook nog volleybal. De energie die hij daarna nog overhoudt, neemt hij ‘s zondags mee naar de chiro. Favoriete bezigheden thuis: trampoline springen, playstation spelen, Nerf-gewerengevechten en ravotten met vriendjes. Lievelingseten: spaghetti Toekomstdromen? Ward wordt later piloot, Belgisch kampioen hoogspringen, schrijver of misschien wel alles tegelijk of iets helemaal anders...


I. HET BEGIN Game over… Joni las de twee woorden op het scherm minstens zeven keer opnieuw. “Joni!” schreeuwde een stem. “Zet dat spel eens af!” “Ja maar…” , protesteerde hij. “Ik…” “Nu meteen, jongeman” , zei de stem rustig, maar dreigend. Kom nu eens naar beneden! Zet dat spel eens af!” Joni zette zijn PS3 af. “Zet dat spel eens af!” herhaalde Joni nauwelijks hoorbaar. Hij kwam de spiraalvormige trap af. “Hier ben ik dan!” , mompelde hij geïrriteerd.

-5-


Met de vraag in zijn hoofd: “Waarom moet ik naar beneden komen?” -hij kende het antwoord maar al te goed en dat zou nu komen- strompelde hij naar zijn moeder. “Nu komt het” dacht hij. En inderdaad: “Je zit al de godganse dag aan dat ding! We gaan op vakantie, weet je nog?” zei Julie- zo heette Joni’s moeder- terwijl ze zachtjes met haar wijsvinger tegen de zijkant van haar voorhoofd tikte. “Verdorie, dat is waar ook!” , riep Joni uit. “Hey, niet zo hard” zei Julie. Twee minuten later stond iedereen klaar om te vertrekken. “Vaarwel, Alsemberg, hallo Ardennen!”, riepen Joni, Lize -de zus van Joni-, Julie en Dirk -Joni’s papa- in koor. Binnen het kwartier zaten ze al op de autosnelweg. Lize en Joni speelden een quiz over bossen en de dieren die erin leefden. “Joni”, zuchtte Lize na een half uur vragen stellen. “Stop! Jij wint. Ik kan niet op tegen dat brein van jou!” “Haha! Dat had ik nu eens nooit verwacht...!” zei Joni ironisch. “Mama?” , vroeg Lize wat later. “Ja Liesje?” “Mag ik iets om te drinken?” Zonder te antwoorden gaf mama haar een blikje cola. “Mag ik ook eens drinken?” , vroeg Joni. “Neen!” , riep Lize met een boze blik in haar ogen. “Lize, komaan! Ik heb…” “Grapje!!!” , gilde Lize en ze gierde van de pret. Maar Joni vond het niet grappig. “Stomme trut!!!”, snauwde hij. “Joni! Dergelijke praat moet ik niet hebben!” , riep Julie. Lize had tranen in haar ogen. Ze begon zachtjes te snikken. “ Och, hou toch je…”, dacht Joni. Maar opeens realiseerde hij zich wat hij zijn zus had aangedaan. Ze was tenslotte nog maar negen jaar. En hij was bijna dertien. “S… so… sorry?”,

-6-


stotterde Joni voorzichtig tegen Lize. Eerst zei ze niets en keek snel de andere kant op. Toen draaide ze zich om, keek Joni drie seconden dreigend aan en deed toen wat Joni nooit verwacht had: ze omhelsde hem stevig. “Dat zag ik, stoere bonk!”, zei mama plagend. Lize loste snel haar greep. “Maar… ik niet… zij…” stamelde Joni. “We zijn er!”, onderbrak een lage, maar vrolijke stem hen. Zihier onze prachtige Ardennen’, zei Dirk. Een uurtje later waren ze helemaal klaar met uitpakken. Ze logeerden in een mooi huisje met uitzicht op een groot bos. Het was maximum een halve kilometer verder. “Mag ik er morgen eens naartoe gaan, pa?” vroeg Joni, lekker lui tegen het hek leunend in het kleine tuintje met zicht op het grote bos. “Naar waar?” vroeg Dirk, die het gras al aan het maaien was. “Naar dat b… waarom hebben we die mee?!” riep Joni, starend naar de grasmaaier. “Het is niet omdat het hier niet van ons is dat we het hier niet een beetje mogen onderhouden, zeker!”, mopperde zijn vader. “Ja… absoluut…”, zei Joni traag. “Bon… mag ik morgen nu naar dat bos?” “Welja, en neem je zus mee!” “Maar pa…” “Niks te maren!!” zei Dirk streng. Je zus meenemen of niet naar dat bos!” “Okee dan…”, zuchtte Joni en met die woorden strompelde hij terug het huisje in. ‘s Anderendaags rond de middag zat Joni in het minikeukentje met zijn nintendo te spelen. Twintig minuten later kwam zijn vader binnen. Hij zag er niet altijd even opgewekt uit, maar met zijn ongekamde, lange golvende zwarte haren en die lelijke pyama leek hij net een zombie. Joni staarde zijn -7-


vader aan. Hij was het helemaal niet gewoon dat die zo laat opstond. “Hoe was het daarjuist bij dat bos? Je bent toch geweest?”, vroeg hij. “O, euhm… eigenlijk was er niet veel aan”, antwoordde Joni, zijn vader nog steeds aanstarend. “Er stond een bord met verboden toegang op.” “Oei…”, zei Dirk. “Toen was je zeker teleurgesteld?” “Tja…” antwoordde Joni. “Ach, trek het je niet aan. Dat wordt wel goedgemaakt. Vandaag nog.” “Hoezo?”, vroeg Joni verbaasd. “Wel , het was eigenlijk een verrassing, maar vanavond gaan we barbecuen.” “Yes!”, fluisterde Joni. “Niet aan je zus vertellen hoor!”, waarschuwde Dirk. “Neenee”. Helemaal volgens afspraak hielden ze ‘s avonds een barbecue. Eerst lag er kip op. Daarna worsten en dan spek. “Oef, ik kan niet meer”, zei Joni na drie borden. Nog even napraten en dan: “Oke iedereen! Naar bed!”, kondigde Dirk aan. Iedereen sleurde zich gehoorzaam naar de slaapkamers. Die nacht droomde Joni dat hij in een zwembad met snoepjes aan het zwemmen was. Opeens kwam er een donderwolk aan. Het zwembad veranderde in een diepe kuil waar Joni inviel. “Nèèèèèèèèèèèèèèèèèèèèèèèèè!!!!!”, gilde hij. Hij sprong recht in zijn bed en knalde tegen het plafond( hij lag in het bovenste bed van een stapelbed ...). “ Aaaaaaaaaauw!! Godv…” Hij zuchtte even diep en stond dan maar op. Toen hij voorbij de slaapkamer van zijn ouders liep, zag hij dat er niemand was. Het bed was niet beslapen. Hij ging kijken of Lize er wel was. Noppes… Hij liep de straat op. “Maaaaa!” Niets. “Paaaaaaaa!” Niets. “Liiiizzzzeeeeee!” Niets. Hij liep terug naar binnen op zoek naar een briefje. Niets op de tafel,

-8-


niets op het bed. Alleen doodse stilte. Hij liep terug naar buiten en spurtte meteen naar het bos. Misschien waren ze een ochtendwandeling gaan maken, dacht hij. En zagen ze het bord niet. Hij kwam bij de bosrand maar zag het bord nergens. Hij liep het bos in. Hij liep verder en verder. “Maaaaa! Paaaaaaaaaaaa!” Hij vertraagde en stopte uiteindelijk. Hij ging op een rots zitten en liet zijn hoofd in zijn handen zakken. “Hopeloos…”, zuchte hij. Hij keek recht voor zich uit en vanuit zijn ooghoek zag hij iets glinsteren. Hij liep ernaartoe en veegde enkele bladeren weg. Er lag een glinsterend medaillon met in het midden een klein rond diamantje. Hij wreef er eens over. Van dichterbij bekeken bleek het diamantje een knopje te zijn. Net toen hij erop wou drukken hoorde hij achter zich bladeren ritselen. Hij keek op maar zag niets. “Ach, het zal de wind wel geweest zijn”, dacht hij. Hij staarde weer naar het knopje. Toen voelde hij twee tikjes op zijn schouder. Hij keek achter zich en wat hij toen zag zou hij nooit vergeten…

-9-


II. ’’HET’’ “Auw!” Joni had een flinke buil op zijn achterhoofd. “Waar ben ik? Wat is er gebeurd?”, mompelde hij. Hij hoorde stemmen in de verte. “Je bent nu in elk geval veilig” , zei een zware, maar vriendelijke stem. “Wie ben jij?” vroeg Joni met gesloten ogen. Hij probeerde ze te openen maar daar was hij te moe voor. “Ik ben Dasha”, zei de stem opgewekt. “En jij bent een grompbeer tegengekomen. Een zeer gevaarlijk ras.” “W-wacht...” mompelde Joni. “Da-da-dat beest?”, stotterde hij terwijl hij een vergeefse poging deed om op te staan uit het zachte bed waar hij in lag. Zijn ogen waren intussen open, maar hij had zijn gesprekspartner nog niet gezien. “Ja, dat - 10 -


beest. Je was iets aan het bestuderen…”. “Het medaillon!!!”, riep Joni uit. Hij zwaaide nu in één sprong uit het bed maar viel meteen terug neer toen hij zag wat daar soep stond te maken. “Hallo!’, zei het beest vriendelijk. “wa-woe-wie-wa-wa-wat ben jij?”, vroeg Joni verward. “Ik ben een das. Zie je dat niet?” “Maar jij praat!”, riep Joni vol ongeloof. “Ik droom! Ja, dat is het probleem!” Toen kreeg hij een onverwachte mep tegen zijn hoofd. “Aauuw!” riep hij uit terwijl hij zich omdraaide. “Horen deze dames bij jou?!” vroeg de das. Joni keek de kant uit die de das aanwees. Hij zag twee meisjes staan. De ene had kort bruin haar. Dat was Joni zijn type niet. De kleinste had blonde lange haren en een klein wipneusje. Joni vond haar meteen superknap. “Nee”, zei Joni starend naar dat ene mooie meisje. Voor drie seconden had Joni gehoopt dat zijn ouders en zijn zus daar zouden staan. Maar nu zij daar stond vond hij het niet zo erg. “Ik vond ze op geen twee meter van jou in dat bos”, vertelde de das. Meteen dacht Joni terug aan de rare gebeurtenis in het bos. En ook aan het medaillon. “HET MEDAILLON!!!” riep hij uit. Joni begon als een gek zichzelf te fouilleren . Hij hield op toen hij besefte dat hij het medaillon had gevonden maar ook omdat hij zich realiseerde dat iedereen wat raar naar hem keek. Hij nam het medaillon langzaam uit zijn broekzak. “Is dat wat jij bestudeerde?” vroeg de das vol ongeloof en met grote ogen. “Ja”, antwoordde Joni. “Dat is het medaillon van de koningin van Zakristika”, zei het mooie meisje. “Wablieft?!”, zei Joni. “Oh, wat onbeleefd! We hebben ons nog niet voorgesteld.” “Ik ben Sarah”, zei het grotere meisje meteen, en ze schudde zijn hand stevig. “En ik ben Emma”, zei het mooie

- 11 -


meisje. Zij leek iets minder enthousiast dan haar vriendin. “Zijn jullie zussen of zo?”, vroeg hij. “Wij?”, zei Emma, “Nee, hoor! Wij zijn nichtjes. We gingen wandelen in het bos toen die gemene grompbeer ons te pakken nam. Dasha hier redde ons.” “Hallo!”, riep Dasha vanuit een klein kamertje aan de zijkant van het huis. “De soep is klaar!”, riep hij. Emma en Sarah haalde hun schouders op en liepen richting keuken. Joni volgde maar. Toen ze in kleermakerszit van een lekker groentensoepje zaten te slurpen vroeg Joni van wie dat medaillon nu eigenlijk was. “Van de koningin van Zakristika”, zei Emma. “Ja, dat wist ik al! Maar wie is dat?!” vroeg Joni een beetje geïrriteerd. Emma bleef rustig en antwoordde: “Het gemeenste, gekste mens van Zakristika.” “Ja, maar wat is ZAKRISTIKA!!!!!!”, riep Joni nu echt boos. Emma bleef rustig. “Ga maar buiten kijken! Je zit er middenin!” Opeens zette Joni grote ogen op en verslikte hij zich in zijn soep. Hij grabbelde het medaillon vast, stopte het in zijn broekzak en spurtte naar buiten. Het felle zonlicht verblindde hem. Hij kneep zijn ogen toe en opende ze vervolgens langzaam maar zeker. Toen hij zijn kijkers eindelijk had open gekregen, werd hij bijna omver gelopen door een patrouille… “BEVERS?!” riep hij luidop. Overal zag hij stapels hout liggen. En daar, tweehonderd meter verder… echte katapulten. Hij wou er naartoe lopen toen iemand aan zijn kraag trok. Hij draaide zich om en zag drie bevers op elkaar staan en daarachter nog zo’n patrouille. De bevers hadden kleine, ijzeren helmen op, een ivoren schild, een ijzersterke borstplaat. Ten slotte droegen ze nog een klein zwaardje. De bovenste bever riep, al stond hij op dertig centimeter van Joni’s gezicht, luidkeels: “WIE IN GODSNAAM BEN JIJ?!” Joni was niet van plan een antwoord - 12 -


te geven aan een bende pratende, bewapende bevers. Hij gaf zichzelf een mep in zijn gezicht. Okè. Het was duidelijk, hij droomde niet. “Hè, jongen,” hoorde hij in de verte. Hij zag Dasha aan komen samen met Emma en Sarah. Toen hij was aangekomen op de plek waar de bevers en Joni waren zei Dasha tegen de bovenste: “Stop met vragen te stellen aan die jongen! Hij is nieuw.” “O. Nu begrijp ik het!” zei de bever. Toen sprongen de drie bevers van elkaar af, en vervolgden hun tocht door het werkkamp. Joni keek hen na. Toen ze links afsloegen op een wegje naar het bos liet hij zijn hoofd zakken. Plots voelde hij een rilling over zijn rug lopen. Hij had het gevoel alsof iemand hem bekeek. “Is er iets?” vroeg Sarah. Joni zei niks. Hij keek langzaam op. Hij staarde recht in rode, bloeddorstige ogen. Joni zag een extra large soort beer staan, met een dikke, bepantserde vacht en een met bloed bedekte spitse snuit. Hij wou zijn blik afwenden maar om een of andere reden lukte dat niet. Hij keek recht in de ogen van een grompbeer. Hij wou vluchten maar toen pas zag hij dat de beer in een kooi stond. Toen zag hij amper drie meter ernaast nog een staan. Blijkbaar was het hier een beetje een grompberenverblijf. Of een gevangenis.

- 13 -


III.

De voorbereiding

Hoewel een van deze beesten Joni bijna opgegeten had, kreeg de jongen toch een beetje medelijden. Hij zette een stap dichterbij maar werd tegengehouden door Dasha’s stem. “Let daar een beetje op!”, riep Dasha. Hij kwam naast Joni staan. Emma en Sarah volgden. “Deze hebben we niet zo kort geleden gevangen. Hij wou jou te grazen nemen.” “Wie stuurt ze?” vroeg Joni. “Drie keer raden”, zei Emma. “De koningin?” Joni vermoedde al dat dit klopte maar hij was niet zo zeker. Emma knikte met een glimlachje in haar mondhoeken. Zo vond Joni haar eigenlijk mooier dan toen hij haar voor het eerst zag. - 14 -


“Joni?” zei Dasha. “Ja?”’ antwoordde Joni. “Ik wou je dit al vragen van toen je weer bij bewustzijn was.” “Wat is er dan?” ,vroeg hij. “Meisjes, willen jullie ons even alleen in mijn hut laten?” vroeg Dasha de twee meisjes. Ze knikten. Joni en Dasha trokken naar Dasha’s hut. “Ik weet waar je ouders zijn, Joni”, zei Dasha toen ze aan het kleine tafeltje in de keuken zaten. Met een kom soep natuurlijk. “Hoe weet jij daar iets van?!!”, riep Joni duidelijk kwaad. “Je wil graag bij ze zijn, niet?” “Natuurlijk!”, riep Joni, en dacht: “Wat een stomme vraag is dat nu.” “Ik weet hoe je ze terug kunt krijgen.” Joni ging eindelijk terug zitten - hij was rechtgesprongen toen Dasha zei dat hij wist wat er met zijn ouders gebeurd was. “Ik vind…”, begon Dasha. “Stel gewoon je vraag”, zei Joni. Hij was terug rustig geworden. “Ik wil dat je in ons leger komt!” “Welk leger?” vroeg Joni. “Wel…”, zei Dasha. ‘we organiseren een oorlog tegen de koningin… En we hebben nog een spion nodig.” “O, nee! Daar komt niets van in!” riep Joni. “Het is de enige manier om je ouders terug te krijgen. Zonder het leger lukt het je nooit. Slaap er een nachtje over.” Die nacht lag Joni de hele tijd te wroeten. Hij moest heel de tijd denken aan wat Dasha gezegd had: “Het is de enige manier om je ouders terug te vinden… Het is de enige manier om je ouders terug te vinden…” Morgen zou hij zeggen dat hij zou meedoen Maar eerst wou hij eens goed uitslapen. “Uitstekend!”, zei Dasha na de mededeling van Joni na een uitgebreid ontbijt. “Hier zijn je helm en je zwaard. En dan ook nog je schild. Nu moet je naar Bram! Die zal je trainen. Emma!” riep hij. “Ja Dasha?”, luidde het antwoord. “Breng Joni naar

- 15 -


Bram!” “Okè ‘chef”, zei Emma. Ze had duidelijk geen zin om veel uit te voeren. Onderweg naar Bram kwamen Joni en Emma nog een patrouille tegen. Het viel Joni op dat hij een grotere uitrusting had dan de bevers. Een groter zwaard, een groter schild, een grotere borstplaat… “Hoe komt het eigenlijk dat jij je weg hier zo goed kent?” vroeg Joni aan Emma. “Ik woon in Zakristika”, antwoordde ze. “O ja?” vroeg Joni. “Waar dan?” “In een buitenwijk.” Joni knikte begrijpend en keek nog eens rond. Opeens stopte Emma. Joni botste bijna tegen haar. “We zijn er”, zei ze. Het was een groot huis met boven de deur een elandkop. Joni had hier geen goed gevoel bij. Emma klopte aan. De deur ging open. In de deuropening stond een lange man met een grijze cape aan. “Dag Jonathan!”, zei Emma. “Is Bram er?” De man gebaarde hem te volgen. Ze kwamen in een kamer met een haard en twee zetels. In een van de zetels zat een jongeman die iets kleiner was dan Jonathan. Hij droeg dezelfde grijze cape. “Dag Bram!”, zei Emma. “Dag Emma”, zei Bram droogjes. Hij keek niet eens om. “Ik heb iemand mee”, zei Emma. Nu keek Bram langzaam om. “Hij wil meedoen aan de…” Emma kon geen woord meer uitbrengen. “…jeweetwel. Je moet hem trainen”, zei ze snel en liep toen weg. Bram keek naar Joni. “Kun jij goed overweg met dat ding? Zal je hier hard nodig hebben”, zei Bram, wijzend naar het zwaard dat Joni vasthield. “Euhm … eigenlijk niet”, zei Joni. “Dan wordt het tijd om daar iets aan te doen”, zei Bram en hij gebaarde Joni hem te volgen. Ze liepen door een smalle gang naar buiten.

- 16 -


Toen ze buiten kwamen, zag Joni een pop staan. “Sla erop! Leef je uit!” ,riep Bram. Joni ging voor de pop staan en hakte zijn zwaard erin. Dat voelde goed. Hij wou zijn zwaard weer in de pop boren toen Bram zei: “Wacht even.” Hij liep naar Joni toe. “Je benen”, zei hij. Joni keek naar zijn benen maar zag het probleem niet. “Met welke hand sla je?” vroeg Bram. “Links”, antwoordde Joni. “Dan moet je rechterbeen voor je linker staan”, zei Bram, ‘Jouw benen staan naast elkaar.’ Joni zette zijn benen juist deze keer en sloeg nog een keer. Nu voelde hij dat hij veel meer kracht kon zetten dan de vorige keer. De pop viel om en brak in twee. Goed zo!” zei Bram. “Nu ga je hetzelfde doen met de Valken.” “De wat?” vroeg Joni. “Zo noemen we ze.” “Maar waarom Valken?” vroeg hij. “Omdat ze ze snel zijn als Valken, slim als Valken, sterk als Valken.” Joni zag een traan over de wang van Bram rollen. “Genoeg getraind vandaag. Ga maar terug naar Dasha.” “Wat? Nu al?”, protesteerde Joni. “Maar het wordt net leuk.” “Ga terug naar Dasha!”, riep Bram kortaf. Joni schrok. Hij spurtte naar Dasha. “En, hoe was het bij Bram?” vroeg Dasha toen Joni terug was. “Hij… hij riep tegen me”, hijgde Joni. “O”, zei Dasha. Joni keek hem aan’. “O”, herhaalde Joni. “Is dat je enige reactie? Je geeft blijkbaar helemaal niets om mij.” Aan de deur van het huisje stond Emma te luisteren. Ze liep naar binnen en riep heel luid: “Stop!” Joni en Dasha keken haar aan. “Dasha, kun je ons even alleen laten?” De das liep al mompelend de kamer uit. Toen hij weg was liep Emma naar Joni en gaf hem een kus. Dat voelde heerlijk. Emma’s lippen op de zijne dat was… onverklaarbaar. De beste kus van de - 17 -


eeuw. “Ga nu maar slapen. Morgen vertrekken we”, zei Emma. “Wat?!” riep Joni uit. “Maar ik heb amper getraind.” “Maak je geen zorgen”, zei Emma, “Bram heeft zijn eerste oorlog overleefd zonder te trainen.”

- 18 -


IV.

Het gevecht

De volgende morgen opende Joni zijn ogen en was meteen klaar wakker. Hij wist dat hij vandaag zou moeten vechten. Hij kleedde zich vliegensvlug aan en liep naar buiten. Hij zag al een hele beverpatrouille staan, helemaal gereed. Tot Joni’s grote opluchting stond ernaast een patrouille mensen. Zo stonden er nog ongeveer honderd groepen van elk 200 man. “Dus... we kunnen dit winnen”, dacht Joni. Hij was al een beetje zelfzekerder, alhoewel hij geen idee had van de troepen van de koningin. “Ben je er klaar voor?” , vroeg een stem achter hem. Hij draaide zich om en daar stond Bram. ‘Wel,” zei Joni, “ik denk - 19 -


het.” “En heb je er zin in?”, vroeg Bram vrolijk. Joni staarde naar Bram. “Meen je dat nu?”, vroeg hij. “Natuurlijk niet! Ik heb nog maar één keer getraind, ik heb slecht geslapen en ik ben mijn familie kwijt! En ik moet hier nu zin in hebben?!” “Wacht eens even”, zei Bram. “Ben je je familie kwijt? Zij heeft hen. Zeker weten” “Wacht… Hoe weet je dat?”, vroeg Joni. “Jij hebt bruine ogen”, zei Bram. “Dan heeft de rest van je familie waarschijnlijk ook bruine ogen, nee?” “Euhm… Ja… “, zei Joni langzaam. “Dan heeft ze hen”, zei Bram. “Ze verzamelt nu eenmaal mensen met bruine ogen. Zo gek is ze gewoon.” “O. En is er verder nog een reden waarom we vechten?”, vroeg Joni. “Ja, natuurlijk! Het gaat om dat ding om jouw nek”, zei Bram. “Als er ooit iemand op dat kleine knopje duwt, dan ligt het lot van de wereld in de handen van die persoon. Wij willen het medaillon vernietigen. Dat kan met een stenen bijl, maar die is in het bezit van de koningin.” “Maar wat gebeurt er dan precies als je op dat knopje duwt?”, vroeg Joni nieuwsgierig. “Dàt weet niemand”, zei Bram. “Bon, jij bent vandaag onze joker. Terwijl wij de bende van de koningin straks afleiden door te vechten, moet jij in het kasteel binnenglippen en de bijl zoeken. Als je dat wil mag je ook je familie zoeken. Maar let op, je hebt vijftien minuten. Dan moet je terug zijn.” “Maar waarom?” vroeg Joni. “Omdat de boogschutters dan hun pijlen in brand steken en op het kasteel schieten. En Joni?” “Ja?”, antwoordde Joni. “Nog één ding”, zei Bram. “Zodra je de bijl hebt mag je dat ding vernietigen”, en hij wees naar het medaillon. “En komt de vijand naar hier of gaan wij naar daar?” vroeg Joni. “Wat denk je zelf?” zei Bram.

- 20 -


Een uur later stonden Bram en Joni te paard voor de troepen. Bram had het afgelopen uur een beetje paardrijles gegeven aan Joni. Hij was nog geen perfecte ruiter maar het zou zo wel lukken. Emma had hem vijf minuten geleden nog een afscheidskus gegeven, maar toch vond hij die van gisteren magischer. Het kasteel was niet zo ver van het kamp. Je kon het zien van in Brams huis. Het was hoogstens een kilometer ver. Joni en Bram konden er eerder dan de troepen zijn als ze snel reden, maar ze waren niet van plan om het daar in hun eentje te doen. “Okè! We vertrekken!”, riep Bram. “Maar wat er daar ook gebeurt aan het kasteel, hoeveel mannen er ook sterven, jullie zitten allemaal in ons hart.” En met die woorden vertrok het leger naar het kasteel van Zakristika. In het kamp bad Emma dat Joni heelhuids zou terugkeren. Ze zou het niet overleven als hij heel erg gewond zou zijn, of erger. Ze had wel wat gezelschap kunnen gebruiken, maar zelfs Dasha was mee naar het slagveld. Nu had ze alleen haar zus nog, maar aan haar had ze niet veel. Zij wist niet wat er gisteravond gebeurd was en begreep niks van de gevoelens van Emma. “We zijn nu op ongeveer honderd meter van het Kasteel”, schatte Joni. Het was verdacht stil. Maar toen… Uit elke deur van het kasteel (ze telden er ongeveer vijftien) stormden allemaal wezens. Joni had nog nooit zo’n lelijke schepsels gezien. Het leken zwijnen, maar ze liepen op twee poten en ze waren groter. Door de laatste deur die openging, stormde een stier van wel tien meter hoog, gevolgd door wel vijftig grompberen.

- 21 -


“Boogschutters!!”, riep Bram en en de eerste linie trad naar voren. “Richten... VUUR!!” en daar gingen de pijlen. Een stuk of honderd pijlen vlogen op de zwijnen en grompberen, de andere vijftig boorden zich diep in de stier. Geen enkele pijl miste zijn doel. Maar de tegenploeg vuurde terug. “Schildformatie!”, riep Bram. Iedereen kroop dicht bij elkaar en samen vormden zij één schild. Bram had Joni geleerd dat hij die positie vaak nodig zou hebben. Toen liepen alle zwaardvechters op de varkens en grompberen af. Joni stapte van zijn paard en liep mee. De eerste, tweede en derde linie gingen mee met Bram naar de oostkant. De vierde tot en met tiende linie volgde Joni naar de noordkant van het kasteel. De anderen (voornamelijk boogschutters) namen de westkant. Joni en zijn mannen wachtten op Brams signaal. Dat zou nu ongeveer moeten luiden. De stier en een stuk of 20 mensachtige monsters kwamen op hen af en zouden na tweehonderd meter hun doel bereiken. Toen hoorde Joni het signaal. Alle troepen vielen aan. Meteen boorden tien pijlen zich door het pantser van de stier. Met succes, want die viel meteen neer en verpletterde daarbij minstens vijf van zijn eigen soldaten. Het bloed stroomde van onder zijn buik en sijpelde van zijn hoorns op de grond. De andere wezens spurtten voort naar hun doel. Bij Bram en zijn ruiters verliep alles volgens plan. Hij boorde zich een weg naar het kasteel voor Joni. Dat ging goed. Maar toen gebeurde waar Bram al heel de tijd voor vreesde. Een paar ruiters werden van hun paard gesleurd en stierven een gruwelijke dood. Joni deed zijn best om zo onopvallend mogelijk bij het kasteel te komen. Hij had intussen al wel een paar van die dingen doorboord met zijn zwaard. Dat deed hij natuurlijk niet omdat hij dat zo graag wilde, maar voor zijn ouders en zijn zus en zijn eigen bestwil. - 22 -


Hij glipte met het medaillon het kasteel binnen. Hij wou meteen beginnen zoeken maar iemand trok hem naar achteren. Hij draaide zich om met zijn zwaard op zijn doel gericht. “Wacht!”, riep de kleine gedaante. Het was Dasha die hem was gevolgd. “Wat doe jij hier?”, vroeg Joni ongeduldig. “Ik ga met je mee. En zeg maar niets, want ik ga niet terug!”, zei Dasha heel zelfzeker. “Dat is prima”, zei Joni. “Ik kan wel wat gezelschap gebruiken.” De twee vrienden baanden zich een weg door het kasteel. Na vijf minuten waren ze al in de troonkamer. Er was niemand. Ze slopen naar de troon. Er lag geen bijl. Joni keek nog eens goed rond maar zag nog steeds niets. “Verrek!”, riep hij. Toen zag hij Dasha een beetje naar boven staren. Hij keek in dezelfde richting en begreep waar Dasha naar keek. De bijl. Die hing boven de poort die toegang gaf tot de troonkamer. Wel een beetje onhandig, de deur was namelijk al 2,5 meter hoog. Hij ging onder de deur staan en wou zijn zwaard naar de bijl gooien toen een snerpende stem riep: “Halt!!! WIE durft er mijn troonkamer zomaar even binnen te wandelen!!” Joni en Dasha draaiden zich traag om. Toen zagen ze haar in hoogsteigen persoon: de koningin van Zakristika, lelijk als de nacht. Ze nam pijl en boog, mikte op Joni en schoot. Joni rolde net op tijd opzij. Daar kreeg hij meteen spijt van toen hij zag dat de pijl Dasha recht in de borst trof. “NEE! Dasha!!!” riep Joni. Hij liep meteen naar zijn vriend. “Dasha!... Dasha!!” huilde Joni. “Joni…” kreunde Dasha nog en viel toen neer. Joni werd woedend en liep recht op het rotmens af. Ze blokkeerde zijn eerste aanval en Joni werd op de grond geslingerd. Hij stond op, nam zijn zwaard en gooide het op

- 23 -


haar af. Dat gebeurde zo snel dat ze niet kon reageren. Haar hoofd rolde van haar lichaam en kwam tot stilstand aan Joni’s voeten. Joni liep terug naar Dasha. “Is ze dood?”, vroeg zijn stervende vriend langzaam. Joni knikte van ja. “Alles komt goed”, snikte hij. “Ik ben trots op jou”, zei Dasha, en stopte met ademen. Joni sloot Dasha’s ogen. “Ik kan hem hier niet achterlaten”, dacht Joni. Hij legde het lichaam van Dasha over zijn schouders. Hij ging zijn zwaard halen en gooide het naar de bijl. Meteen raak. Hij raapte de bijl op, legde het medaillon op de vloer en sloeg zo hard hij kon. Er kwam een soort kleine explosie die Joni naar achter slingerde. Intussen op het slachtveld was de overwinning nabij. Nog maar een stuk of tien griezels stonden nog op hun poten; ze renden voor hun leven. Bram en de zijnen hadden de strijd gewonnen. Bram ging Joni zoeken.

- 24 -


V. Game over... Joni was ondertussen al in de kerkers. Hij gooide alle deuren open op zoek naar zijn ouders en zus. Eindelijk vond hij ze. Hij liep naar hen toe. “Ma, Pa, Lize! Joni!”, riepen ze allemaal tegelijk en door elkaar. Ze omhelsden elkaar stevig. “Kom, we moeten hier weg!”, riep Joni. Dat lieten ze zich geen twee keer zeggen. Ze volgden Joni. In de donkere kerkergang liepen ze Bram tegen het lijf. “Je hebt je familie gevonden, zie ik?” “Inderdaad”, zei Joni. “Volg mij”, zei Bram. Ze kwamen bij de uitgang van het Kasteel. “Maar wacht eens even!”, zei Bram. “Waarom hangt Dasha daar zo stil rond jouw nek? Hij is toch niet...” Joni keek bedroefd naar de grond. - 25 -


“Hij… de koningin heeft hem vermoord.” “O, nee…” zei Bram. “We gaan hem begraven. Op het slagveld”, zei Joni, vechtend tegen de tranen. “OK”, zei Bram, “dat zou hij zelf zeker gewild hebben”. Na de plechtige begrafenis, waarbij iedereen iets moois vertelde over Dasha, wilden Joni en zijn familie zo snel mogelijk naar huis. “Maar hoe?” vroeg Joni zich af. “Geen probleem. In het kamp is er een portaal”, antwoordde Bram. Ze kwamen aan bij het huis van Bram. Emma stormde naar buiten en sprong in Joni’s armen. “Ik heb je gemist”, zei ze. “Is dit je familie?” “Ja, dit zijn mijn papa en mama en zus”, stamelde Joni. “Ik ben Emma. Aangenaam kennis te maken. Wel, waar is Dasha?” Niemand zei iets en iedereen staarde naar de grond. “Nee”…, zei Emma. En ze begon te huilen. “Is er iets wat ik nog voor je kan doen, Emma?”, vroeg Joni, die nu al wist dat hij haar heel erg zou missen. “Wel, jullie gaan nu naar huis zeker... Mag ik met je mee? Ik onthou wel waar het portaal is, dan kan ik terugkomen als mijn familie me begint te missen.” “Maar natuurlijk!!”, riep Joni. ‘Het portaal staat klaar!’, zei Bram. Ze volgden hem. “Vaarwel Bram” zei Joni. “Vaarwel. Of tot ziens, misschien?”, zei Bram. Eén voor één gingen ze door het portaal en daar stonden ze voor de deur van het vakantiehuisje, nog helemaal in de war van wat ze net allemaal beleefd hadden. Een beetje slaperig wreef Joni zijn ogen uit. Game over… Joni las de twee woorden op het scherm minstens zeven keer opnieuw. “Joni!”, schreeuwde een stem. “Zet dat spel eens af!”…

- 26 -


Publicatiedatum: juni 2012 Met dank aan juf Katia en juf Kim voor de aanmoediging en het geduldige wachten...


Joni is bijna 13 en gaat doodgewoon met zijn ouders en zus op vakantie. Doodgewoon? Niet dus... Wat begint als een weekje heerlijk niksen in een klein huisje vlak bij een prachtig bos, mondt uit in een wervelend avontuur vol spanning en actie (en zelfs een beetje romantiek) waarin Goed het tóch weer beter doet dan Kwaad. De combinatie van spanning, avontuur, fantasie, humor en romantiek maakt ‘Verboden toegang’, het eerste boek van Ward De Ceukelaire, tot een uniek verhaal dat elke lezer vanaf 10 jaar wel moét boeien.


Verboden toegang - juni 2012