Page 1



De droefheid zal blijven duren

1


©Wim Chielens en Uitgeverij Bibliodroom ISBN 9789492515407 D2019/12.111/006 NUR 301 Omslagontwerp: Trui Chielens www.bibliodroom.be info@bibliodroom.be

2


Wim Chielens

De droefheid zal blijven duren Roman

3


4


’Ik weet niet of je begrijpt dat je poÍzie kunt maken door alleen maar de kleuren goed te schikken, zoals je iets troostends kunt zeggen in muziek. Zo ook het opzettelijke veelvoud van bizarre lijnen die over het hele schilderij slingeren, niet de tuin weergeven in zijn banale gelijkenis, maar ons hem schetsen als gezien in een droom, wel overeenkomstig het karakter maar toch vreemder dan in werkelijkheid.

5


BOEK 1

6


IK WILDE DAT IK ALS DIE BLOEM NAAR ‘T LICHT MIJ WENDEN KON

H

oe je daar lag, in die ziekenhuiskelder. Witte tegels, witte tafels, wit laken, waar jij onder lag, nog met je vrolijke, rode, oranje, groene schoolkleren aan. Hoe je daar lag, als een vogeltje dat tegen het raam was aangevlogen. Ineengekrompen, je ogen gezwollen, je wangen met blinkende strepen van het huilen. Ik schoof het witte gordijn een beetje weg, stak mijn hoofd om de hoek. ‘Kindje toch…’ Je stak je hand uit, draaide je gezicht weg. Knijpen was gemakkelijker dan kijken. Naast je bed stond nog de emmer, met wat ze uit je maag hadden gepompt. Boterhamkorsten waren nog herkenbaar. En een grote, witte brij, sommige nog complete pillen.‘Kindje toch…’ Eén blik in de ogen, en het huilen begint. De zon scheen, maar er stond een schrale oostenwind over het brede Museumplein. Geen voetballend joch dat vreemd naar mijn tranen opkeek. Zij malen niet om een huilende Belg, zij willen alleen de nieuwe Gullit of Seedorf worden. Nooit eerder zag ik Gauguins Zonnebloemen op een stoel. Nooit eerder las ik dat Gauguin last kreeg van heimwee

7


tijdens zijn tweede verblijf op Tahiti en dat hij naar Franse vrienden schreef om hem zaadjes van zonnebloemen toe te sturen. ‘Dé bloem’ volgens Gauguin. Dat zei hij niet toen hij ze bij hectaren zag staan in zijn eigen Frankrijk, maar toen hij ze voor ‘t eerst geschilderd zag door die bizarre schilder uit Holland. Nooit eerder zag ik een ontroerender hommage aan Van Gogh, aan een vriend waar hij niet mee kon samenleven, die hij door zijn hautaine houding tot waanzin dreef, maar die hij daar, toen op Tahiti, miste als zijn eigen thuis, zijn eigen broer. We liepen over het plein en lieten de tranen maar komen. Om wat we gezien hadden, maar net zo omdat jij tussen ons inliep, je ma aan de ene kant, ik aan de andere, en jij tussenin, weer met glimmende strepen op je wangen. Je nam Mie in je armen en kneep in mijn hand zoals toen, in die steriele kelder. ‘Kindje toch…’ Weer Satie in deze kamer. Ik blader door mijn dagboek van die lente. Op de tafel voor me liggen de vlugge schetsen: een vogelnestje, volle vrouwenlippen, knokige handen, en dat opgerolde stuk canvas, een olieverf, een naaktportret van een prachtige vrouw.

8


DAT LICHT, DAT LICHT

V

incent was even ingedut na die drie doodvermoeiende dagen in Parijs. Hij werd wakker door het scherpe, iele schuren van metaal op metaal, het remmen van de trein. Met knipperende oogjes stapte hij uit. Hij bleef staan op het perron, gepakt met schildersezel, koffer met paletten en verftubes, een rol canvas en een kleine reiskoffer met wat kleren. Na het gedruis van de grootstad, sloeg de stilte in als een bom die niet ontploft: je verwacht elk ogenblik dat het gedonder losbarst maar er komt niets, alleen vogels en het uitstervende puffen van de stoomlocomotief ver aan de andere kant van het station. Dit is het platteland, dacht Vincent. Dit is waar ik eindelijk weer naartoe wilde. Hij zette zijn hand aan zijn voorhoofd en keek recht in de zon. Dat had hij, ondanks alles, nog niet afgeleerd. In de blauwe lucht dreven hier en daar wattenplukjes wolken. Eindelijk vond hij opnieuw het licht van het noorden. Vincent voelde hoe zijn ogen vochtig werden van het lange staren, maar net zo goed van ontroering om de herkenning van dit licht. Amper drie weken geleden, in het krankzinnigengesticht

9


in Saint-Rémy, schilderde hij nog Herinneringen aan het Noorden, Souvenir van Brabant en dacht hij erover na om De Aardappeleters nog eens over te doen. Nu was hij opnieuw in het noorden en het vulde zijn hart met tedere melancholie. Er verscheen een vermoeide glimlach op zijn lippen. Voor het station stond een mooi huis met een schitterende tuin. Die zou hij de eerstkomende dagen kunnen schilderen, dacht hij. Achter de daken van de huisjes aan de bovenstraat rees de kerktoren op. Een open toren, je zag de klokken hangen en doorheen de galmgaten dezelfde blauwe lucht, een wattenwolkje. Vincent diepte een klein papiertje op uit zijn geweven jasje. Van tussen de vouwen waaiden kruimels tabak weg. ‘Dr. P. Gachet, 11, Rue Rémy’. Hij volgde de weg westwaarts, langs de spoorweg, die hem voorbij het dorpsplein bracht. Hoewel een verwoed wandelaar, hield Vincent zeer geregeld halt om te bewonderen wat hij om zich heen zag. Gulzig nam hij het landschap in zich op met boerenhuizen met strodaken die hem aan de hutten in Nuenen herinnerden. En dat licht, dat licht!

10


Gymnopédie n°. 6 in de kamer. Wat een onbeschrijfelijke rust. Ik ga heel zacht met mijn vingertoppen over de dikke verflaag van het doek. Groene en bruine tinten van hoog gras en dicht takkenbos. Ach, Tes. Een week voordien zaten we samen aan tafel. Dacht jij toen dat het je laatste avondmaal was? Je dronk de wijn met smaak, liet hem om te grappen rollen in je mond, je slurpte wat lucht binnen en een dieprode druppel liep langs je kin. ‘Net als opa.’ Je hield je glas tegen het licht. Je mondhoeken trokken zenuwachtig naar beneden, ook al probeerde je te lachen, te gekscheren. Wist je toen dat je de volgende week zou willen vertrekken? Had je nog een Judaskus van doen om je over de streep te trekken? Waar lag die streep? En wie of wat heeft je erover getrokken?

11


12


IL FAUT PEINDRE

V

incent was voorbij het dorpsplein, tussen de huizen, de bovenstraat opgegaan. Op het plein zaten mensen voor de open deur van de Auberge Ravoux – CafÊ de la Mairie. Ze hadden hem zwijgend aangekeken, terwijl hij, met zijn slechte ogen, knipperend de prijslijst voor overnachtingen had doorgenomen. Hij was onder de trappenpoort voorbij het kasteel gewandeld. De lange, hoge muren hadden hem beklemd. Voor hij het hek van de riante woning op nummer 11 opende, keek hij nog eens om. Hij stond nu hoog boven de vallei van de Oise, een schoonheid die schreeuwde om geschilderd te worden. Uit hoffelijkheid moest hij eerst bij die dokter langslopen. Ik mag Theo niet te schande maken, dacht Vincent. Dr. Gachet stond Vincent al op te wachten helemaal bovenaan het lange met trappen oplopende pad naar de voordeur van zijn woonst. Hij was een gedrongen figuur en zijn haar kwam langs alle kanten in pieken van onder zijn pet vandaan. Hij schudde Vincent hartelijk de hand en verwelkomde hem in Auvers-sur-Oise. Vincent ontdeed zich van zijn rammelende bagage en betrad de grote kamer. Hij

13


werd ei zo na duizelig van de tientallen schilderijen die tegen elkaar aan hingen. De dokter ratelde aan een stuk door. Hoe vereerd hij was met de komst van le peintre Hollandais. Hij probeerde even ‘goeie dag’ te zeggen, met een erg Frans accent, al klonk er ook iets Brabants door. Gachet had een half mondje Nederlands geleerd in zijn kindertijd in Mechelen. ‘Ik kan best wel uit de voeten in ‘t Frans, monsieur le docteur,’ zei Vincent, terwijl hij met zijn neus op een schilderij gedrukt stond. ‘Paul Cézanne,’ zei Gachet, met veel fierheid in zijn stem. Vincent liet sissend de lucht tussen zijn tanden ontsnappen. ‘Een gezicht op Auvers. Als je hier naar beneden...’ ‘Wat een formidabele compositie,’ zei de schilder. ‘Ja, geweldig, inderdaad,’ zei de dokter die het nooit fijn vond om onderbroken te worden. Vincents ogen flitsten van het ene doek naar het andere. Hij herkende de zoektocht die hij zelf ook maakte, naar de weergave van de werkelijkheid zoals de schilder ze op een bepaald ogenblik niet alleen zag, maar vooral ook hoe ze aanvoelde. Elk probeerden ze op hun manier de realiteit naar hun geest te kneden zonder ze te verloochenen. Vincent werd haast moedeloos bij het ervaren van zoveel zielenrust in de doeken van Cézanne en Manet. En Gachet ondertussen maar doorbomen over zijn talloze contacten met andere schilders: Pissarro, Renoir, ... die hij allen zijn vrienden én zijn patiënten noemde. Vincent liet de woordenvloed over zich heen razen zoals hij weken

14


aan een stuk de Mistral langs zich heen had laten striemen in de Provence. Uren aan een stuk had de wind hem om het hoofd geslagen, maar hij was blijven doorschilderen. Alsof hij bij elke verfstreek een minuut inhaalde van al die tijd die hij had verspeeld in de theologische boeken van zijn oom in de hoop ooit in de voetsporen van zijn vader te treden. ‘Un verre de vin?’ ‘Zeer vereerd, maar ik kan zo slecht tegen alcohol, dokter,’ zei Vincent. Hij was moe. De drukke dagen in Parijs hadden hem uitgeput. Vooral de nachten met Toulouse-Lautrec waren een beproeving geweest. Henri kon de nacht geen vaarwel zeggen voor hij zich had laten vollopen met absint. Vincent was nog niet hersteld van de voorbije avond. ‘Kom, mon ami, een glas frisse Loirewijn heeft nog nooit iemand kwaad gedaan.’ Vincent knikte vermoeid terwijl hij bewonderend staarde naar een schets van Pissarro. De kunstwerken, hoeveel ook in aantal, konden de sombere sfeer in het huis niet uitwissen. De hele kamer stond afgeladen vol zwarte voorwerpen, of zo zag Vincent ze bij de eerste aanblik. Ook Gachet was een somber type. Zijn helblauwe ogen lagen diep in de oogkassen die omrand waren met verdrietige rimpels. Enkele ogenblikken nadat de dokter had geroepen, betrad een dame het vertrek. ‘Le vin, monsieur,’ zei ze en ze knikte beleefd en terughoudend naar Vincent. ‘Mademoiselle Chevalier, mijn huishoudster.’

15


Gachet en Vincent brachten een toast uit. De dokter op de gezondheid van zijn nieuwe protegé en op een vruchtbaar schilderschap. Vincent op het eeuwige geluk van zijn gastheer en op de gezondheid van zijn broer Theo, diens vrouw Jo en in het bijzonder zijn naamgenoot en petekind, de kleine Vincent. Dr. Gachet merkte hoe vertederd zijn gast de namen van zijn dierbaarsten uitsprak. Overgevoelig, sentimenteel, dacht hij, een kenmerk van latente depressie. ‘Il faut peindre, Vincent. Veel schilderen, elke dag. Dat zal u uitermate goed doen, vriend.’

16


Beloken Pasen. Ik heb me zelf beloken. De luiken rondom gesloten. ‘‘t Is mijn hart da ‘k heb gesloten in ‘t gevang van mijne geest.’ Zo zong Wannes Van de Velde het. Ik heb me opgesloten in mijn kleine werkkamer, stapeltje cd’s – Bach, Pärt, Sinnead O’Connor, Camaron de la Isla – en een pocket: Een leven in brieven van Vincent van Gogh. Die heb jij me gegeven, na je thuiskomst. Alleen om te eten en te slapen leg ik het boek uit mijn handen. Verslavend. Vergelijkt zichzelf met een gekooide vogel. Hij heeft alles wat hij hebben moet: eten, drinken en genegenheid van kinderen. Tot de tijd van de trek eraan komt en hij overvallen wordt door vlagen van neerslachtigheid. ‘Och vrijheid, asjeblieft, laat mij een vogel zijn als de andere!’ Was de tijd van de trek gekomen voor jou? In de lente? Kindje toch… Beloken Pasen Luiken rondom gesloten Mijn hart in ’t gevang Haiku’s schrijven, vingeroefeningen voor de dilettant met poëtische aspiraties. ‘Wat een sjouwerij’ noemt Van Gogh dat. Dagen aan een stuk tekeningen kopiëren van Millet en Delacroix. Wie weet raak ik ooit voorbij die zeventiende lettergreep.

17


18


AUBERGE RAVOUX

V

incent had last van een opgeblazen maag. De overdaad aan, overigens uitstekend klaargemaakt, voedsel had hem geen goed gedaan. Vincent was niet alleen een kleine eter, hij vond het ook een beetje verwerpelijk om te schranzen. Van de eerste gang had hij gewoon gegeten, van de tweede nam hij zwijgend een kleine portie uit beleefdheid, maar bij de derde gaf hij lucht aan zijn weerzin voor zoveel morsigheid. In de Borinage had hij geleefd tussen de mijnwerkers die, als ze niet stikten in een slecht verluchte en door gas bevangen mijnschacht, omkwamen van de honger. Hij had samen met hen gevast, weken op water en brood geleefd. Hij had er al zijn tanden verloren door het tekort aan essentiële vitamines en mineralen. ‘Allez, allez, mon ami,’ had Gachet Vincents tegenstand weggelachen, ‘le dimanche, il faut manger bien.’ Hij had, met zichtbare norsheid, twee vorken van de drie resterende gangen tot zich genomen, alsof het vergif was. De dokter keek hem geamuseerd toe. Nog een symptoom van zijn depressie, dacht hij.

19


Vincent lag op zijn rug op het bed van zijn kamertje. Bij de kleinste beweging kraakten de metalen veren. Hij tuurde naar het blauwe gat dat hij zag door het kleine dakvenster. ‘Il faut peindre,’ herhaalde Vincent bij zichzelf. Hoe kon hij nu in godsnaam schilderen met een overbelaste maag. Hij haalde de schetsen, houtskolen en doeken voor de geest die op alle muren van de donkere leefkamer van Gachet waren opgehangen. Er zaten parels tussen, composities waar hij nooit eerder over had nagedacht, gedurfde kleurencombinaties waar hij naar trachtte sinds hij in Parijs de impressionistische vrienden van Theo had ontmoet en waarvan hij vooral het geel in duizend tinten had aangewend in de Provence. Allemaal probeerden ze dat ene moment vast te leggen, het moment waarop ze het geschilderde of getekende tafereel hadden waargenomen. Vincent bewonderde hun oog voor nuancering. Pissarro overtrof de fotografie in zijn verfijnde techniek. Van Gogh vond het allemaal wonderbaarlijk mooi, maar hij bleef zoeken naar de boodschap. In Amsterdam, in Brussel, in de Borinage, overal was hij gefaald als predikant. De drang om zijn medeleven met anderen te delen, maar ook aan te klagen en uit te schreeuwen, bleef in zijn hart en leden zitten. Hij had zijn kopie van Rembrandts Opwekking van Lazarus getoond. Gachet had het anderhalve minuut zwijgend aangestaard. ‘Het is fantastisch, Vincent,’ zei hij, ‘maar ook ronduit blasfemisch!’. Zijn stem sloeg over en zijn helblauwe ogen stonden wijd

20


open van verbluffing. Gachet kende natuurlijk de Rembrandt: Lazarus met wat familie rondom hem en rechts boven de here Jezus met uitgestrekte hand, die het mirakel verwezenlijkt. Vincents compositie was vrijwel identiek, alleen was de rechterbovenhoek leeg en scheen centraal in het doek een felle, knalgele zon, die straalde als een aureool. ‘Niets is goddelijker dan de zon, docteur,’ had Vincent fijntjes gezegd. Er viel nog een fijne streep avondzon door het dakvenster op de schuine muur. Gachet is best een aardige man, dacht Vincent, maar als ik gek ben, dan is hij dat minstens in dezelfde mate. Hij heeft een gezicht dat versteend is door verdriet. Alleen wanneer hij over de oude schildermeesters praat, kraakt zijn gelaat open in een glimlach. Ik weet niet of hij mij kan genezen, maar ik denk dat ik wel een goede vriend aan hem kan hebben. En hij heeft een fantastische kop om te schilderen, ach, wat had ik hem graag meteen geportretteerd in plaats van de vierde gang te worden voorgeschoteld. Gachet had voor hem een kamer besteld in Le rendez-vous des bons amis. Met de beste bedoelingen allicht: het lag dicht in de buurt van zijn eigen huis, het was er best gastvrij, comfortabel en de naam alleen al beklemtoonde Gachets vriendelijke gebaar. Maar Vincent weigerde. Zes francs per dag, dat waren er twee en een halve meer dan in de Café de la Mairie bij Ravoux. Er restte enkel nog een mansarde, maar ach, het rook er lekker en de dochter was uitermate vriendelijk. Bovendien bleken er nog wel schilders te zijn gepasseerd.

21


Vincent klopte zijn pijp uit tegen de poot van zijn bed, trok de kafzak wat hoger op. Hij draaide zich weg van het amper schemerende daglicht en zocht de slaap. Beneden hoorde hij de harde droge tikken van de biljartballen die tegen elkaar aan spatten en het gedempte praten van de mannen voor de deur. Hij moest wel op de rug liggen, zijn opgeblazen maag protesteerde bij elke andere positie. Van Gogh verlangde naar het ochtendgloren om eindelijk met zijn schildersezel door het dorp te kunnen trekken.

22


‘Ain’t no sunshine’. And I know, I know, I know, I know, I know, I know, I know, I know, I know, I know. Mooie tekst. Bill Withers, goeie zanger. ‘Ge zult uw brood eten in ‘t zweet uws aanschijns’. Nee, ik lees de bijbel niet. Van Gogh kent hem van voor naar achter. Citeert er constant uit. Hij is altijd een predikant gebleven, eerst met woord, daarna met verf en penseel. Ik heb de regel ingekleurd met fluostift. Hij schreef hem in 1883! Hij had toen nog zeven jaar zweten voor de boeg en nooit ofte nimmer zou hij zijn brood ermee verdienen. ‘She laughed at your jokes, but I couldn’t laugh.’ Ik hoor het weer op je kamer. Dat draaide je zo dikwijls, voor je die pillen… Hebben we dat teken toen niet begrepen, kindje? ‘Come up and see me, make me smile!’ Dat waren nog mooie tijden, van zomerliefjes, die alleen maar roken naar zeelucht en tuterflut uit de kauwgombak en winterliefjes die roken naar talkpoeder op stugge dansvloeren en rozenwater van een postorderbedrijf voor schoonheidsproducten. Dat was gheselscap goet ende fyn. Kindje toch, du coors die doot, du liets mi tleven. Had jij geen Egidius om aan te denken, toen je? De avond valt. Oranjerood licht schijnt op drie vlammend rode halfverwelkte tulpen in de tuin. Als de lente komt, dan schenk ik jou... Even niet meer naar Nederland nu. Nu nog niet. ‘k Zou je op elke hoek van elke straat tegen het lijf lopen, arme Tes.

23


Millions discover their favorite reads on issuu every month.

Give your content the digital home it deserves. Get it to any device in seconds.