__MAIN_TEXT__

Page 1

VAKBLAD OVER KWALITEITSBORGING BIJ PRODUCTEN, HANDHAVING EN REGELGEVING

THEMA:

• Circulair bouwen

nr. 4 mei 2019

www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl


Alles wat u moet weten over het Bouwbesluit vindt u in de Bouwbesluitboeken! De Bouwbesluitboeken zijn stuk voor stuk handige praktische hulpmiddelen om het Bouwbesluit makkelijker te kunnen lezen. De Bouwbesluitboeken zijn complete naslagwerken met de nieuwe voorschriften van Bouwbesluit 2012, zoals deze per 1 juli 2018 luiden. Daarnaast is op de wijzigingen geanticipeerd die vanaf 1 oktober 2018 gelden, voor zover deze op het moment van schrijven bij de auteurs bekend waren. Q

In het ‘Handboek Bouwbesluit 2012’ krijgt u kort en krachtig uitgelegd hoe u Bouwbesluit 2012 toepast. Met ruim 180 afbeeldingen in kleur en meer dan 165 tabellen zijn de voorschriften van Bouwbesluit 2012 in sterke mate gevisualiseerd en is het voor iedereen toegankelijk gemaakt.

Q

Het boek ‘Bouwbesluit 2012 - Met toelichting en commentaren’ bevat de herziene integrale tekst en toelichting van Bouwbesluit 2012 en de Regeling Bouwbesluit 2012.

Q

In ‘Verbeelding Bouwbesluit 2012 – Algemeen Bouwkundig’ worden de algemeen bouwkundige voorschriften uit het Bouwbesluit toegankelijker gemaakt aan de hand van tekeningen.

Q

Met het ‘Verbeelding Bouwbesluit 2012 – Brandveiligheid’ kunt u een stuk eenvoudiger de brandveiligheidseisen van het Bouwbesluit doorgronden.

Q

In ‘Verbeelding Bouwbesluit 2012 – Bouwfysica’ krijgt u aan de hand van veel tekeningen de technische eisen aan gebouwen voor wat betreft de bouwfysica in het Bouwbesluit uitgelegd.

De auteurs van deze boeken hebben dagelijks beroepsmatig met het Bouwbesluit te maken en hun expertise staat garant voor de deskundige en praktische benadering van dit complexe onderwerp. Prijs per boek € 114,– excl. btw

Bestellen: www.vakmedianetshop.nl/bouwbesluit


Inhoud

21

25

Circulair bouwen 6 Circulaire transitie is grote uitdaging 10 Platform CB’23 realiseert circulaire ambities 12 Herstructurering Nationale Milieudatabase 14 Verandering van brandcompartimentering 18 Adviescommissie Toepassing en Gelijkwaardigheid

En verder 21 Wkb: waar een wil is, is een weg! 24 100% hergebruik van beton 25 Circulariteit vergt nieuwe rol van de architect 28 SLP-methodiek maakt levensduur meetbaar 32 Herman den Blijker geeft circulair een GOUDen randje 34 Productnieuws

Colofon HOOFDREDACTIE Ing. Frank de Groot Katja van Roosmalen REDACTIE Wico Ankersmit (directeur Vereniging BWT Nederland) Ir. Hajé van Egmond (Instituut voor Bouwkwaliteit) Vincent Hilhorst (Gemeente Den Haag DSO) Ir. Annet van der Horn (NEN Bouw) Ing. Gert-Jan van Leeuwen (Instituut voor Bouwkwaliteit) Drs. ing. Harry Nieman (Instituut voor Bouwkwaliteit) Dr. ir. C.C.A.M. (Caspar) van den Thillart (adviseur CE-markering en industrieel bouwen) Jacco van der Weel (gBOU.) Alle bijdragen worden op persoonlijke titel geschreven. UITGEVER Johan Schot (johanschot@vakmedianet.nl)

VORMGEVING colorscan B.V., www.colorscan.nl ABONNEMENTEN Vakmedianet Klantenservice, Postbus 31, 2370 AA Roelofarendsveen, tel (088) 58 40 888; klantenservice@vakmedianet.nl Abonnementen: € 230,- (excl. btw), losse nummers € 27,50 (excl. btw) Verschijnt 9 maal per jaar. Een abonnement geldt steeds voor een jaar en kan op elk gewenst tijdstip ingaan. Het abonnement wordt automatisch met een jaar verlengd, tenzij uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van het abonnementsjaar schriftelijk wordt opgezegd bij Vakmedianet Klantenservice. Vanwege de aard van de uitgave, gaat Vakmedianet uit van een zakelijke overeenkomst; deze overeenkomst valt onder het algemene verbintenissenrecht.

Voorpagina Een belangrijk thema in de bouwketen is de circulariteit van gebouwen, gebouwcomponenten en materialen. Met de SLP-tool wordt dit inzichtelijk gemaakt.

VAKBLAD OVER KWALITEITSBORGING BIJ PRODUCTEN, HANDHAVING EN REGELGEVING

Leden van de Vereniging BWT Nederland dienen met betrekking tot wijzigingen/opzegging lidmaatschap contact op te nemen met de ledenadministratie van de Vereniging BWT Nederland tel. 0318-438340. ADVERTENTIE-ACQUISITIE Kevin Donders (kevindonders@vakmedianet.nl), (088) 584 04 16 www.omgevingindepraktijk.nl | www.nbd-online.nl Wij verwerken uw gegevens voor de uitvoering van de (abonnements) overeenkomst en om u van informatie te voorzien over Vakmedianet bv en andere zorgvuldig geselecteerde bedrijven. Als u geen prijs stelt op deze informatie, kunt u dit schriftelijk melden bij Vakmedianet Klantenservice, postbus 31, 2370 AA Roelofarendsveen.

THEMA:

• Circulair bouwen

nr. 4 mei 2019

www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl

ISSN: 1382-4937 © Vakmedianet 2019

EINDREDACTIE Marit Hazeleger (bouwkwaliteit@vakmedianet.nl)

5 Column 35 Vraag en antwoord 36 Toekomst van pand: transformatie of leegstand? 38 Octrooi 39 Nieuws 41 NEN nieuws 46 Verenigingsnieuws VBWTN

Alle rechten voorbehouden. Behoudens de door de Auteurswet gestelde uitzonderingen, mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd (waaronder begrepen het opslaan in een geautomatiseerd gegevensbestand) en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. De bij toepassing van art. 16b en 17 Auteurswet wettelijk verschuldigde vergoedingen wegens fotokopiëren, dienen te worden voldaan aan de Stichting Reprorecht, Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp, telefoon (023) 799 78 10. Voor het overnemen van een gedeelte van deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken op grond van art. 16 Auteurswet dient men zich te wenden tot de Stichting PRO, Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, telefoon (023) 799 78 09. Voor het overnemen van een gedeelte van deze uitgave ten behoeve van commerciële doeleinden dient men zich te wenden tot de uitgever. Hoewel aan de totstandkoming van deze uitgave de uiterste zorg is besteed, kan voor de aanwezigheid van eventuele (druk) fouten en onvolledigheden niet worden ingestaan en aanvaarden de auteur(s), redacteur(en) en uitgever deswege geen aansprakelijkheid voor de gevolgen van eventueel voorkomende fouten en onvolledigheden.

Adverteerdersindex NEN

44

Aangeleverde artikelen kunnen worden hergebruikt voor elektronische doeleinden.

| Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 3




 

 







 

                 

#$ * #$ '"&"%# $%#"&&""%   #* "&  #'* #$# '$&"$$#$#"$#&  !' #$#'$&#*" !( $  $$#$&## &"%$##$ " ###"

#

&# !"$

 

    

   & "" !#$*#&$ 

!!" ##& "$

 FGYKL\GXCPURGEKÆ’EGTGPHWPEVKQPGGNQHVGEJPKUEJ  $ $'& !#$"$,  $%$& "&&"#"# )## $"$& " %%"*

 !"$' $#&   &"##$#!" %"#  & "&&"#%#$ #  $&"&### $ #$&!"$&

"

%"#!"%$#"!$#"& $$ %&#$#& %$"$"'

"#"$

"%"#!"%$"#$"$

*"#$ $ $ "'"!'"" * ! * # %$%"#"#$&%$$ "#  #

!!" #* $*$"

$ ' "$&

" !"#!" $"#

#$"#"&"#

%$%"# "&" "#$""#"'  

   $!(# 

               

    


Column

‘Hidden dip revisited?’ Bij het maken van vakantieplannen kwam bij ons Zuid-Engeland weer in beeld. We waren er in de warme zomer van 2013 en genoten ervan. Het zou daar dit jaar wel eens een heel hete zomer kunnen worden dankzij de Brexit, met files en vertraging bij de ferries en zo. Of dat ook genieten wordt, valt te bezien, maar we wagen het erop!

I

k dacht terug aan de fraaie routes en ineens kwam het verkeersbord ‘hidden dip’ op in mijn herinnering, aanleiding voor een column in Bouwkwaliteit in de Praktijk nr. 11 van 2013. Die ging over een tekst van Pieter Clerx op de website van Bouwend Nederland, die zich liet lezen als enthousiaste steunbetuiging aan de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb), waarvan toenmalig minister Donner twee jaar eerder de contouren had geschetst. Pieter zag in de plannen ook ‘een verlaagd risico van aansprakelijkheid’. Maar in het uiteindelijke wetsontwerp is de aansprakelijkheid van de bouwer juist verzwaard. Dat is dan ook dé reden waarom Bouwend Nederland na jarenlang voorstander na indiening van het wetsvoorstel veranderde in tegenstander van de Wkb. Samen met wijlen Frans Fijen was ik begin 2013 penvoerder van een kritische werkgroep, die op verzoek van de Vereniging BWT Nederland had geformuleerd aan welke voorwaarden het stelsel van private kwaliteitsborging zou moeten voldoen. Het advies van de Commissie Dekker uit mei 2008, dat als uitgangspunt diende voor de wet, droeg de titel ‘Privaat wat kan, publiek wat moet’. Het rapport van de werkgroep van de VBWTN kreeg bijna vijf jaar later een iets andere titel mee: ‘Privaat wat moet, publiek wat onvermijdelijk is’. Daarmee wilden we zeggen: het leveren van kwaliteit is geen kwestie van kunnen, maar van moeten; privaatrechtelijke vanuit de opdrachtgever, maar ook publiekrechtelijk. De Woningwet zegt immers in artikel 1b dat het verboden is te bouwen zonder naleving van het Bouwbesluit. De wetgever stelt zo een ondergrens (!) aan de bouwkwaliteit. Zes jaar verder komt de Wkb eindelijk in zicht van de finish. Na bijna twee jaar uitstel werd deze op de laatste zittingsdag voor de Kamerverkiezingen op 21 februari 2017 in stemming gebracht in de Tweede Kamer met 109 voor en 40 tegen. Echter nogal gehavend door onvoldoende doordachte amendementen. Vooral daardoor werd het geen ‘makkie’ in de Eerste Kamer. Toen het wetsvoorstel daar in juli 2017 bakzeil dreigde te halen, besloot de langdurig de-

missionair minister Plasterk de senaat om aanhouding van de stemming te vragen. Na een curieuze procedure (zie het artikel ‘Wkb uit de pauzestand?’ in nr. 1 van deze jaargang) stelde de betreffende commissie voor “(…) nog deze zittingsperiode een korte derde termijn over het wetsvoorstel te houden”. Dat werd dus 23 april 2019 en de stemming volgt op 14 mei (na de kopijsluiting van dit nummer). Of de wet de finish heeft gehaald is als u deze column leest bekend. Eind 2013 schreef ik onder meer: “Schuilgedrag, verborgen gebreken, en wie weet wat er nog meer verborgen zit in de hidden dip …” waar Bouwend Nederland aan voorbij gaat. De column sloot af met de stelling: “Een verlaagd risico van de aansprakelijkheid in het vooruitzicht stellen waar deze toch echt dichter naar het algemene consumentenrecht moet worden gebracht, vooral als de consument over de technische bouwkwaliteit helemaal niet meer bij BWT kan aankloppen: dit maakt duidelijk dat er nog veel te doen staat, niet in de laatste plaats bij Bouwend Nederland en haar leden.” Dankzij het Bestuursakkoord (zie: http://www.stichtingibk. nl/2019/01/17/bestuursakkoord-kwaliteitsborging-ondertekend) is BWT na inwerkingtreding van de Wkb op hoofdlijnen inmiddels wel meer op de hoogte van de feitelijk gerealiseerde bouwkwaliteit. Dat neemt echter niet weg dat de bouwer degene is die ervoor moet zorgen dat die kwaliteit inderdaad wordt gerealiseerd conform zijn opdracht en met de Bouwbesluiteisen als ondergrens. Gelukkig zijn er ook bouwers die willen instaan voor de kwaliteit van hun werk en die in de gaten hebben dat verantwoordelijkheid zonder aansprakelijkheid weinig voorstelt. Het is te hopen dat de voorsprong die zij daarmee hebben op hun tegenstribbelende collega’s die concurrentie nu snel tot actie zal prikkelen. Ongeacht of de Wkb nu wel of niet de eindstreep haalt… Ing. Gert-Jan van Leeuwen Kwartiermaker bij het Instituut voor Bouwkwaliteit en voormalig directeur van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland

| Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 5


Foto: Sem van der Wal. Op 14 januari 2019 opende staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat Stientje van Veldhoven het eerste betonnen circulaire viaduct van Nederland. Het viaduct is onlangs geplaatst nabij Kampen en is een initiatief van Rijkswaterstaat, aannemer Van Hattum en Blankevoort en prefab-bouwer Consolis Spanbeton.

Circulaire transitie is grote uitdaging De Transitieagenda Circulaire Bouweconomie beschrijft de strategie om tot een circulaire bouweconomie te komen in 2050. De agenda bevat talrijke mijlpalen. Zo moeten vanaf 2023 alle uitvragen van de overheid, landelijk, provinciaal en gemeentelijk, circulair zijn, tenzij dit niet (volledig) mogelijk is. Vanaf 2030 zullen alle overheidsaanbestedingen circulair zijn en is ook vijftig procent van de einddoelstelling bereikt. Forse ambities. Op 11 april 2019 verscheen het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie 2019-2023. Welke uitdagingen liggen er op de korte termijn? We vroegen het aan prof. ir. Elphi Nelissen, onder meer voorzitter van het Transitieteam. Tekst ing. Frank de Groot 6 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |


Circulair bouwen

O

p 11 april 2019 vond het evenement ‘Twee jaar Bouwagenda’ plaats in Den Haag. Tijdens dit evenement vond onder meer de presentatie van het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie 2019-2023 plaats. Met dit uitvoeringsprogramma geven het kabinet en de deelnemende partijen aan het Grondstoffenakkoord voortvarend vorm aan de transitie naar een circulaire economie. ‘Een 100% circulaire bouweconomie gaat er komen, de enige vraag is: hoe snel?’, lezen we onder meer als citaat van Elphi Nelissen in het uitvoeringsprogramma. In het programma ‘Nederland Circulair 2050’ is de kabinetsvisie op de circulaire economie neergezet. Doel is om uiterlijk in 2050 een volledig circulaire economie tot stand te brengen. De ambitie van het kabinet is om samen met maatschappelijke partners in 2030 een (tussen)doel te realiseren van vijftig procent minder gebruik van primaire grondstoffen (mineraal, fossiel en metalen). In het Grondstoffenakkoord zijn deze ambities onderschreven door op dit moment meer dan vierhonderd bedrijven, ngo’s, financiële instellingen, kennisinstituten, overheden en andere organisaties. Namens deze partners zijn in 2018 transitieagenda’s voor vijf prioritaire ketens opgesteld: biomassa en voedsel, kunststoffen, maakindustrie, bouw en consumptiegoederen. De Transitieagenda Circulaire Bouweconomie sluit aan op ‘De Bouwagenda’, die een strategie en aanpak beschrijft om de bouwsector te versterken en Nederland toekomstbestendig te maken. Dit betekent dat we onze gebouwen en infrastructuur zo gaan ontwikkelen dat straks alle materialen en grondstoffen herbruikbaar zijn en we geen fossiele energiebronnen meer gebruiken. De nadruk ligt op het realiseren van hoogwaardig(er) hergebruik in alle deelmarkten van de bouw. Uitvoeringsprogramma Het uitvoeringsprogramma brengt niet alles in kaart wat er op het vlak van circulaire economie gebeurt; het geeft op een aantal belangrijke onderwerpen weer welke activiteiten ondernomen worden, in aanvulling op bestaande inspanningen. Ieder jaar wordt het programma geactualiseerd en kunnen nieuwe initiatieven worden toegevoegd. “Dit eerste uitvoeringsprogramma kijkt vijf jaar vooruit, van 2019 tot 2023. De stand van zaken en de vooruitblik zullen echter ieder jaar geactualiseerd worden, zodat nieuwe ontwikkelingen en initiatieven kunnen worden getoond”, zegt Elphi Nelissen. Ze is onder meer hoogleraar Building Sustainability aan de Technische Universiteit Eindhoven en lid van de Taskforce Bouwagen-

da. Ook is ze voorzitter van het Transitieteam dat onder meer de Transitieagenda Circulaire Bouweconomie heeft opgesteld en de voortgang bewaakt. “Tweejaarlijks verschijnt een rapport onder regie van het Planbureau voor de Leefomgeving over de voortgang. Daarnaast zal in februari/maart van elk jaar een nationale CE-conferentie worden georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomst wordt de voortgang van de circulaire economie besproken. Jaarlijks zal worden bezien of en welke nieuwe inspanningen nodig zijn en hoe en door wie die het beste kunnen worden opgepakt. In juni van elk jaar wordt de Tweede Kamer over de voortgang, de monitoringuitkomsten en eventuele actualisering geïnformeerd.” In het eerste uitvoeringsprogramma wordt per transitieketen een aantal projecten belicht. Er zijn vijf transitieagenda’s: naast die voor de bouw, ook voor biomassa en voedsel, kunststoffen, maakindustrie en consumptiegoederen. Elphi Nelissen noemt enkele aansprekende projecten uit de ‘andere’ ketens: “Bioasfalt vind ik fascinerend. In asfalt wordt tot nu toe bitumen gebruikt als bindmiddel, maar daarvoor kun je ook het natuurlijke bindmiddel lignine gebruiken. Lignine kun je tevens gebruiken in andere bouwmaterialen. Denk aan de vervanging van lijm in multiplexplaten, vezelplaten, Pur-schuimen en composietmaterialen. Veel van die biomassa wordt nog verbrand, terwijl gebruik van lignine als bindmiddel een waardevermeerdering met een factor 7 tot 8 betekent ten opzichte van het gebruik van biomassa als brandstof.” Veelvuldig komen de talrijke mogelijkheden van biomassa in het uitvoeringsprogramma aan bod, alsmede de noodzaak voor een uniform duurzaamheidskader voor biomassa. Ook hergebruik van zinken vangrails passeert de revue, alsmede talrijke andere innovatieve projecten. Transitieketen bouw Belangrijk is verder de ontwikkeling van een materialenpaspoort, dat in het uitvoeringsprogramma wordt genoemd. “Met een materialenpaspoort maak je inzichtelijk welke materialen in een gebouw zijn verwerkt en op welke wijze. Je krijgt hiermee ook inzicht in de economische waarde van een gebouw. Welke waarde vertegenwoordigen alle materialen die na de gebruiksduur herbruikbaar of recyclebaar zijn? Dat is ook interessant voor toekomstige financieringsmodellen, zoals voor verbouw of nieuwbouw. Uiterlijk in 2020 moet er een besluit worden genomen over de gevallen waarbij het gebruik van een materialenpaspoort zelfs verplicht wordt vanuit de regelgeving”,

zegt Nelissen. Wordt er dan gedacht aan bijvoorbeeld Madaster? “Wij willen ons niet binden aan één soort materialenpaspoort. Dat laten we aan de markt. Wel lijkt het me zinvol dat we gebruikmaken van BIM-modellen om de materialen vast te leggen. Uiteindelijk kan het Kadaster een goede rol spelen bij het beheren van de gebouwinformatie. Die informatie moet dan bijvoorbeeld honderd jaar beschikbaar zijn.” Een uniforme methode voor waardering van de circulariteit van een gebouw ontbreekt echter nog. In deze actie in het uitvoeringsprogramma wordt gekeken naar de waardering van circulariteit in de huidige milieuprestatie-eis voor gebouwen en infrastructuur. Ook wordt gekeken naar het verder aanscherpen van deze wettelijke eis voor woningen en kantoren en naar het uitbreiden van de milieuprestatie-eis naar andere categorieën gebouwen en infrastructuur. “De Stichting Bouwkwaliteit brengt hierover in 2019 advies uit”, zegt Nelissen. Het uitvoeringsprogramma benoemt ook de voorbeeldrol circulair aanbesteden en beheren door de overheid, zoals het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) en Rijkswaterstaat (RWS). Nelissen: “Een mooi project in dat licht is de aankoop van een modulair viaduct door RWS. Dit viaduct is in onderdelen in elkaar gezet, om tijdelijk als werkviaduct te kunnen dienen. Nadat het betreffende project is uitgevoerd,

Prof. ir. Elphi Nelissen: “Het lijkt me zinvol dat we in een circulaire economie gebruikmaken van BIM-modellen om de materialen die zijn gebruikt in een gebouw vast te leggen. Uiteindelijk kan het Kadaster een goede rol spelen bij het beheren van die gebouwinformatie.” | Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 7


“Een circulaire economie vraagt om een verandering van de eigendom van een product naar een product als service”, aldus Nelissen. Een mooi voorbeeld is de circulaire renovatie in 2016 van het hoofdkantoor Alliander in Arnhem, waarbij maar liefst 81 procent van de materialen uit het ‘oude’ Bellevue zijn hergebruikt. Ook de stoelen zijn hergebruikt, maar BMA Ergonomics beheert nu al het zitmeubilair en is verantwoordelijk voor het zitcomfort. Alliander betaalt dus voor ‘zitten’ in plaats van stoelen. Ook betaalt men Philips voor ‘licht’ in plaats van armaturen.

wordt het viaduct uit elkaar gehaald en elders weer in elkaar gezet. Dit voorkomt bouw en daarna sloop van ‘vaste viaducten’ en leidt daarmee tot aanzienlijke besparing van materialen.” Circulair uitvragen Een uitdagende ambitie in de Transitieagenda Circulaire Bouweconomie is dat de overheid vanaf 2023 alle opdrachten honderd procent circulair uitvraagt. Honderd procent: is dat wel haalbaar? “De ambitie is letterlijk ‘honderd procent, tenzij dit niet (volledig) mogelijk is’. Het is moeilijk in te schatten of de markt in 2023 in staat is om de uitvraag volledig circulair te beantwoorden”, zegt Nelissen. “De markt moet ook circulaire producten en diensten kunnen leveren. Ook moeten we niet alleen naar de materialen zelf kijken, maar ook

Wat is circulair bouwen? In de Transitieagenda Circulaire Bouweconomie lezen we: ‘Circulair bouwen betekent het ontwikkelen, gebruiken en hergebruiken van gebouwen, gebieden en infrastructuur, zonder natuurlijke hulpbronnen onnodig uit te putten, de leefomgeving te vervuilen en ecosystemen aan te tasten. Bouwen op een wijze die economisch verantwoord is en bijdraagt aan het welzijn van mens en dier. Hier en daar, nu en later.’

8 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |

naar de mogelijkheden om deze later weer te demonteren. En hoe gaan we de circulariteit van producten met elkaar vergelijken? Er liggen nog talrijke uitdagingen. We hopen eind dit jaar een eenvoudige rekentool beschikbaar te hebben. Deze moet daarna verder worden ontwikkeld.” Een uitdaging ligt er volgens de hoogleraar zeker in de installatiebranche: “Deze branche loopt toch wel achter in de circulaire economie en moet er nog hard aan trekken. Ze hebben goed te recyclen materialen, maar daar wordt nog te weinig mee gedaan. Denk aan die kilometers kabels, kabelgoten, luchtkanalen of luchtbehandelingskasten. Gebruikte kabels kun je doormeten op kwaliteit en luchtbehandelingskasten zijn vaak goed te reviseren voor hergebruik. Luchtkanalen kun je reinigen. We moeten goed inventariseren wat er in de gebouwen aanwezig is en wat je kunt hergebruiken.” Bouwregelgeving Nog een uitdaging is de bouwregelgeving. Zo was Nelissen dit jaar aanwezig bij de opening van de deels nieuwe en deels verbouwde kinder- en jeugdkliniek Ithaka van Emergis in Kloetinge. Bijzonder is dat hiervoor materialen en grondstoffen zijn gebruikt van het voormalig districtskantoor van Rijkswaterstaat in Terneuzen. Dat stond leeg en moest plaatsmaken voor de Nieuwe Sluis Terneuzen. In dit districtskantoor waren al hergebruikte materialen verwerkt en bij de oplevering was het een van de eerste duurzame kantoorgebouwen in Ne-

derland. In de nieuwe kliniek zijn onder andere de buitenkozijnen, binnendeuren, gevelbekleding, de houten vloerdelen en straatklinkers verwerkt (red.: zie ook het artikel op pagina 25 van deze uitgave). Tijdens de voorbereiding en bouw kwamen de partners diverse uitdagingen tegen. Nelissen: “Een circulaire economie vraagt om een verandering van de eigendom van een product naar een product als service. Denk aan de initiatieven van Philips die onder meer bij Schiphol en het hoofdkantoor van Alliander in Arnhem licht levert, in plaats van armaturen. De armaturen blijven in eigendom van Philips. Vanuit het ontwikkelteam is onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor het nieuwe gebouw om servicecontracten te gebruiken. Wat hier uit geconcludeerd kan worden is dat er vanuit de wetgeving maar één eigenaar mag zijn van een gebouw. Dit maakt het voor nu nog onmogelijk om voor de ‘aard en nagelvaste’ gebouwonderdelen servicecontracten te gebruiken in het bouwen van de kinder- en jeugdkliniek Ithaka.” Wat ook een struikelblok bleek, waren de eisen uit het Bouwbesluit. Denk aan onderdelen die worden hergebruikt die al een stuk ouder zijn. “In de tijd dat het Rijkswaterstaatskantoor is gebouwd was de eis dat deurkozijnen 2,1 meter hoog moesten zijn, deurkozijnen moeten in het huidige bouwbesluit 2,3 meter hoog zijn. Uiteindelijk is hier op basis van gelijkwaardigheid toestemming voor gegeven. Maar je moet ook toekomstgericht blijven denken. De huidige deuren zijn niet voor niets 2,30 meter hoog: gemiddeld worden inwoners van Nederland steeds langer.” Nelissen ziet in ieder geval toekomstige kansen binnen de vergunningverlening: “Je kunt ook eisen ten aanzien van circulair bouwen verbinden aan het wel of niet verstrekken van een omgevingsvergunning. Vooral straks met de nieuwe Omgevingswet mogen gemeenten binnen omgevingsplannen hogere eisen stellen aan milieu- en energieprestaties. Dan kun je dus in je omgevingsplannen hoge ambities voor circulair bouwen meenemen.” Onderwijs en innovatie Tot slot spelen onderwijs en innovatie in het bedrijfsleven een belangrijke rol: “Het is noodzakelijk dat vakmensen voldoende competenties hebben om circulair te bouwen. Dat begint al met een stuk bewustwording in het regulier onderwijs of bij cursussen en opleidingen in het bedrijfsleven. Ons doel is dat er in 2021 op alle onderwijsniveaus en -richtingen aandacht is voor circulair bouwen. De overheid zal het initiatief nemen om samen met marktpartijen hiervoor een omvattende


Circulair bouwen

Foto: Velux.

aanpak te ontwikkelen. Belangrijke actie is om aansluitend bij lopende initiatieven een opleiding circulaire architect en circulair opdrachtgeverschap aan te bieden.” Het Transitieteam is ook voorstander van de oprichting van een kennisinstituut, dat van buiten naar binnen werkt: dus op basis van de behoefte van de markt. Dat is inmiddels ook gebeurd. In juni 2018 is het Bouw en Techniek Innovatiecentrum (BTIC) opgericht. De ministeries van EZK, BZK en IenW, TNO, 4 TU.Bouw, Vereniging Hogescholen, NLingenieurs, UNETO-VNI en Bouwend Nederland ondertekenden 6 juni 2018 een intentieverklaring voor de oprichting van het BTIC. “Een van de speerpunten is circulariteit. Zonder kennis kunnen we de circulaire bouweconomie niet verder ontwikkelen. Ik ben hoopvol over de toekomst. We gaan de ambities zeker waarmaken!”

Acties en interventies In de Transitieagenda Circulaire Bouweconomie formuleert het Transitieteam vier speerpunten voor de Agenda 2018-2021: marktontwikkeling; meten; beleid, wet- en regelgeving en kennis en bewustwording. Deze speerpunten leiden tot een reeks van voorgestelde acties en interventies. We hebben er enkele geselecteerd. Alle overheidsaanbestedingen circulair in 2030 Vanaf 2030 zullen alle overheidsaanbestedingen circulair zijn. Overheden gaan daadwerkelijk circulair inkopen. Vanaf 2023 zullen alle uitvragen van de overheid, landelijk, provinciaal en gemeentelijk, circulair zijn, tenzij dit niet (volledig) mogelijk is. Aanpak reductie CO2-uitstoot in de bouw Er wordt aangesloten bij de ambitie van ‘De Bouwagenda’ om het CO2-verbruik in de bouw in 2030 te hebben gehalveerd en in 2050 geheel te hebben uitgebannen. Dit betekent in 2050 een reductie van circa 107 megaton CO2-eq1 (per jaar zowel voor de B&U als de GWW). In 2030 zal de uitstoot gehalveerd zijn, hetgeen een reductie betekent van 53 megaton CO2-eq. Uiterlijk in 2021 is er de beschikking over voldoende kennis én een plan van aanpak om dit te realiseren. De inzet is om in tien jaar tijd de bouw van één miljoen woningen waarin ‘De Bouwagenda’ voorziet, zo veel mogelijk circulair uit te voeren. Ook de verduurzaming van de bestaande woningvoorraad, scholen en andere utiliteitsgebouwen wordt zo veel mogelijk circulair gerealiseerd. Uiterlijk in 2020 besluit over verplicht materialenpaspoort Op alle schaalniveaus nemen overheidspartijen het voortouw, door de meerwaarde van materialenpaspoorten te verkennen in projecten en pilots. Uiterlijk in 2020 wordt vastgesteld in welke gevallen een systematiek verplicht wordt. Subsidie voor circulaire business- en verdienmodellen De Rijksoverheid komt met een subsidiemogelijkheid voor tijdelijke, financiële ondersteuning op individueel bedrijfsniveau voor circulaire business- en verdienmodellen. Daarbij zal in overleg met financiers de financierbaarheid en met regelgevers de juridische haalbaarheid worden besproken.

Doorontwikkeling uniforme meetmethode circulariteit Overheidspartijen nemen het voortouw door de meerwaarde van een uniforme, eenduidige meetmethodiek te verkennen in projecten en pilots. Hierbij wordt voortgebouwd op reeds bestaande methodes, zoals de milieuprestatieberekening met de Nationale Milieudatabase (NMD). Circulariteit verwerken in overheidsnormen bouw De circulaire economie wordt vertaald in overheidsregels. De overheid zal in 2018 een programma starten dat hier nader onderzoek naar doet en experimenten entameert. Circulair bouwen in het onderwijs Het doel is dat er in 2021 op alle onderwijsniveaus en -richtingen aandacht is voor circulair bouwen. De overheid zal het initiatief nemen om samen met marktpartijen hiervoor een omvattende aanpak te ontwikkelen. Belangrijke actie is om, aansluitend bij lopende initiatieven, een opleiding circulaire architect en circulair opdrachtgeverschap aan te bieden. Kennisinstituut circulair bouwen Het Transitieteam is voorstander van de oprichting van een kennisinstituut, dat van buiten naar binnen werkt (oftewel op basis van de behoefte van de markt). Leidende principes zijn ‘lerend evolueren’ en ‘netwerkgestuurd handelen’. Dit kennisinstituut wordt bij voorkeur ondergebracht bij De Bouwagenda. Bewustwordingscampagne circulair bouwen Stimuleren van het bewustzijn bij doelgroepen, door branding en communicatie die de meerwaarde van circulair bouwen helder maakt. Via een systematische aanpak dragen we succesvolle praktijkvoorbeelden en prototypen breed uit. | Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 9


Platform CB’23 realiseert circulaire ambities

Samen met Rijkswaterstaat, Rijksvastgoedbedrijf, de Bouwcampus en verschillende marktpartijen werkt NEN met Platform CB’23 aan de ambitie om vóór 2023 nationale, bouwsectorbrede afspraken te hebben opgesteld. Sinds de kick-off van Platform CB’23 in juli 2018 zijn drie actieteams aan de slag gegaan om focus op de verschillende onderwerpen te leggen. Tekst Vera van Maaren

C

B’23 staat voor Circulair Bouwen in 2023. Het platform heeft een horizon van vijf jaar: van 2018 tot 2023. Kort genoeg om druk op de ketel te zetten en lang genoeg om tot concrete resultaten en afspraken te komen. Het platform draagt bij aan de transitie naar een circulaire bouwsector door zich te richten op kennisdeling, inventarisatie van belemmeringen en het opstellen van bouwsectorbrede afspraken. Om draagvlak te creëren is het van belang met de betrokken marktpartijen om de tafel te zitten en te werken aan een gezamenlijke route naar circulaire afspraken.

Hoe? Het uitgangspunt van Platform CB’23 is dat er transparant gewerkt wordt aan uitdagingen die de deelnemers samen kiezen en oppakken. Het platform is gericht op actie, versnelling en opschaling met een zo breed en relevant mogelijk draagvlak uit de sector. Het 10 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |

Framework Circulair Bouwen lexicon

strategiën

cases

Leidraad Framework § x.x

Leidraad Framework § x.x

Leidraad Framework § x.x

beslisboom

concepten

paspoorten

Leidraad Framework § x.x

Leidraad Framework § x.x

Leidraad Paspoorten § x.x

meten

xxx

yyy

Leidraad Meten § x.x

Leidraad Xxx § x.x

Leidraad Yyy § x.x


Circulair bouwen

bouwt voort op bestaande kennis en ervaringen, in samenwerking met relevante circulaire initiatieven. De afgelopen maanden zijn drie verschillende actieteams maandelijks plenair bij elkaar gekomen, waarop een break-out-sessie plaatsvond. Het plenaire gedeelte diende om up-todate te blijven over elkaars vorderingen, kruisbestuiving te bevorderen en kwaliteit te waarborgen. Om te zorgen dat alle actieteams op ÊÊn lijn bleven, vond een integratieworkshop plaats in januari 2019. Verder zijn binnen de verschillende actieteams ook weer kleinere groepen aan de slag geweest met het uitwerken van specifieke elementen. In juni 2019 zal deze eerste editie van CB’23 aanleiding geven tot het uitwerken van aansluitende projecten. Maar er worden ook nieuwe onderwerpen voorgedragen voor een volgend traject.

Inhoud Actieteam Framework circulair bouwen Circulair Bouwen is een veelomvattend begrip dat nog onvoldoende grijpbaar is voor de bouwsector, hoewel er veel over wordt gesproken en geschreven. Maar wat is het nu eigenlijk precies? Het ontbreken van een standaard ‘taal’ rond het begrip circulair bouwen leidt tot discrepanties tussen stakeholders in de keten. Er is behoefte aan bewustwording, draagvlak, duidelijkheid, weten dat we over hetzelfde praten als we het hebben over circulair bouwen of de circulaire bouweconomie. Het Framework circulair bouwen is een raamwerk dat houvast biedt bij het toepassen van circulaire principes in het bouwproces. Met als doel circulariteit voor zowel opdrachtgevers als opdrachtnemers transparant te maken en samenwerking in de keten en professionaliteit rond circulair bouwen te bevorderen.





  

   

       

    

 

   

   



   

   

     

     

   

  

        



Wat? Drie actieteams zijn intensief aan de slag geweest om ieder een leidraad op te stellen die handvatten geeft voor de concrete aanpak van circulair bouwen. De drie actieteams zijn: 1. Actieteam Framework circulair bouwen; 2. Actieteam Paspoorten voor de bouw; 3. Actieteam Meten van Circulariteit. De leidraden zijn in concept gepubliceerd en konden worden gedownload voor consultatie. Zo wilden we iedereen de gelegenheid bieden om bij te dragen aan de ontwikkeling van aff spraken waarmee de bouwsector stappen kan maken naar een circulaire bouwpraktijk. Meer informatie: www.platformcb23.nl.

↘ Informatie over de auteur Vera van Maaren is co-coĂśrdinator Actieteam Paspoorten voor de bouw, NEN.

Inhoud Actieteam Paspoorten voor de bouw Inzicht in de toegepaste bouwelementen in een bouwwerk is essentieel. Momenteel worden verschillende (materialen)paspoorten van bouwwerken ontwikkeld om inzichtelijk te maken welke materialen bij de bouw zijn gebruikt en hoe ze zijn verwerkt en onderhouden om de hergebruikpotentie te vergroten. Voorkomen moet worden dat verschillende systemen tot dusdanig verschillende paspoorten leiden dat vergelijking tussen bouwwerken en de toegepaste bouwelementen en uitwisseling van de verzamelde data onmogelijk wordt. Een geharmoniseerd, uniform raamwerk als basis voor alle paspoorten verdient de voorkeur en is in dit stadium van nog beperkte toepassing goed implementeerbaar.

Inhoud Actieteam Meten van circulariteit Om de mate van circulariteit van een materiaal, product, bouwwerk of gebied inzichtelijk te maken is een uniforme, effectieve meetmethode onmisbaar. De afgelopen jaren zijn verschillende meetmethodes en instrumenten ontstaan voor het bepalen van circulariteit in de bouw. Doordat deze meetmethodes onafhankelijk van elkaar zijn ontwikkeld, zijn de resultaten van de verschillende methodes echter niet vergelijkbaar. Het primaire doel van het actieteam Meten van circulariteit in de bouw is het bij elkaar brengen van de kennis en ervaring die dankzij de reeds ontwikkelde meetmethodes is opgedaan. Vanuit deze bundeling van kennis en ervaring zou het mogelijk moeten zijn om een zogenoemde geharmoniseerde kernmeetmethode voor circulariteit in de bouw samen te stellen. Het actieteam spreekt daarnaast van een kernmeetmethode, omdat het ook graag aangeeft welke indicatoren altijd onderdeel zouden moeten uitmaken van de bepaling van circulariteitsprestaties.

| Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 11

�


Herstructurering Nationale Milieudatabase Transparante en vergelijkbare milieuprestaties van bouwproducten en gebouwinstallaties is een randvoorwaarde voor de bouwpraktijk om met gelijk speelveld duurzaam bouwen gestalte te geven. Daarmee is het ook een van de uitgangspunten van de Nationale Milieudatabase (NMD). Het nationale stelsel van milieuprestatiedata die mede als basis dienen voor milieuprestatieberekeningen van bouwwerken en GWW-werken neemt dan ook een centrale plaats in binnen de circulaire bouweconomie en de beleidsontwikkelingen daartoe. Tekst Harry Nieman, in samenwerking met Jeannette Levels (LBP/Sight) en Piet van Luijk (adviseur van SBK)

I

n het afgelopen jaar heeft de NMD in zijn opbouw een aantal belangrijke stappen gezet om de toepassing ervan te kunnen vergroten, het groeiend gebruik van de database robuust te kunnen faciliteren en aan te sluiten bij de (Europese) ontwikkelingen. We geven hier een korte toelichting op.

Integratie data uit GWW-sector Het afgelopen jaar is er hard gewerkt om de database van DuboCalc te integreren in de Nationale Milieudatabase. Dit traject is bijna aff gerond en is bij de introductie van de versie die per 1 juli 2019 live gaat (modulair en webbased) operationeel. De winst is dat de database gebruikt kan worden voor zowel de B&U-sector als voor de GWW-sector. Bovendien is het efficiënt om de database door één partij te laten beheren. Functionele beschrijvingen en datastructuur Naast een algehele modernisering van de database ICT is de datastructuur in overeenstemming gebracht met de datastructuren volgens de NLsfB-systematiek (wordt gebruikt in de B&U-sector) en de RAW-systematiek (GWW-sector). Met het doorvoeren van deze structuurwijziging ontstaat een duidelijker structuur voor de huidige gebruikers van de rekeninstrumenten, maar is er ook een basis gelegd voor het aansluiten op geautomatiseerde (BIM-)toepassingen. Aan de datastructuur is een complete set functionele beschrijvingen gekoppeld waarmee de 12 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |

bouwproducten en gebouwinstallaties transparant en vergelijkbaar worden gemaakt. Hierdoor is het nu meer duidelijk wat er wel en niet in de milieuprestatie van het product is opgenomen. Daarnaast is zichtbaar gemaakt welke producten toegevoegd kunnen worden om functionele eisen op bouwwerkniveau te borgen. De juistheid van een berekening op bouwwerkniveau kan daarnaast met deze methode ook beter worden gecontroleerd. NMD is webbased De nieuwe database is een webbased service. Hiermee ontstaat per 1 juli 2019 een realtime database waaraan dagelijks nieuwe productinformatie kan worden toegevoegd. Voor de toepassing in private en publieke regelingen als het Bouwbesluit is versiebeheer noodzakelijk. Daarom kan in de toekomst worden aangegeven tot en met welke datum de data gebruikt kan worden. Circulair Viaduct RWS. Foto: Sem van der Wal.

Niet veranderd is dat de data in de NMD vertrouwelijke gegevens van de industrie bevat en daardoor niet per product kan worden ingezien. De data uit de NMD kan enkel worden gebruik voor rekeninstrumenten op het niveau van het bouwwerk, zowel voor B&U als GWW. Betere aansluiting EU De wijze van het weergeven van de milieuprestatie en het bepalen van de potentiële milieuprestatie van een product na einde eerste gebruiksfase is ingrijpend gewijzigd. Het doel van deze wijzigingen is het geven van inzicht aan de gebruikers van de data. Zij worden immers uitgedaagd om een duurzaam bouwwerk te realiseren. Aan de milieuprestatiedata in een


Milieu

bouwwerkberekening ligt een levenscyclusanalyse (LCA) ten grondslag. In deze analyse wordt per levensfase (aangeduid als module in de terminologie van de Europese norm NEN-EN 15804) de milieuprestatie bepaald. Vanaf 1 januari 2019 wordt deze data compleet en per module door de fabrikanten aangeboden aan de NMD conform de aangepaste bepalingsmethode milieuprestatie gebouwen en GWW-werken. De details van de verschillende modules zijn in deze herziene bepalingsmethode in overeenstemming gebracht met de onderliggende Europese norm. Specifiek is hierbij zorgvuldig aandacht besteed aan module D, de potentiĂŤle milieuprestatie na einde levensduur. Circulaire economie In de huidige bouweconomie wordt reeds op grote schaal gerecycled na de eerste gebruiksperiode (einde levensduur) van bouwproducten. Ook hergebruik neemt toe binnen de bouw. Module D van NEN-EN 15804 is erop gericht om op een zorgvuldige manier de kwaliteit van de reststromen te beschrijven en hier een verantwoorde milieuprestatie aan toe te rekenen, zowel positief als negatief. Alle bewerkingen of andere processen die nodig zijn om een kwaliteit van grondstof of product (in geval van hergebruik) te leveren, maken on-

derdeel uit van deze milieuprestatie van module D. Om te waarborgen dat er geen onrechtmatige milieuprestaties worden toegerekend voorziet de norm in een massabalanscontrole van secundaire stromen. Simpel samengevat betekent dit dat module D moet worden gecorrigeerd voor gebruikte secundaire materialen in de productiefase. Met deze aanpassingen is ook voor de module die expliciet een deel van de circulaire bouweconomie beschrijft sprake van transparante en vergelijkbare milieuprestaties. Daarnaast zijn er ook duidelijke mogelijkheden gecreeerd voor meerdere toepassingsscenario’s van een product. Hierdoor kan een ander facet van de circulaire bouweconomie, demontabel bouwen, inzichtelijk worden gemaakt door de leveranciers en producenten. Nieuwe referentiebouwwerken Om de ontwikkelingen in de tijd van milieuprestatie op bouwwerkniveau te kunnen monitoren en de markt te faciliteren met referenties voor eigen studies en benchmarks heeft SBK nieuwe referentiebouwwerken ontwikkeld die per 1 juli 2019 beschikbaar gesteld worden. Deze referentiebouwwerken zijn aangepast aan de komende minimumeisen voor BENG-gebouwen. Ook voor de GWW-sector zijn door RWS en Pro-

Rail referentieprojecten ontwikkeld, zodat ook voor deze sector studies en benchmarks gestructureerd uitgevoerd kunnen worden. Communicatie Er wordt door de NMD-medewerkers hard gewerkt om de waarde van het stelsel verder te ontwikkelen en de communicatie over het functioneren te professionaliseren. Er zullen op meer frequente basis nieuwsbrieven verschijnen, de website (www.milieudatabase.nl) krijgt een facelift. Bovendien zal een animatie worden opgenomen waarbij in heldere taal doel en werkwijze van de NMD worden toegelicht. Ook worden de antwoorden op veel gestelde vragen op de website geplaatst. Slot De rijksoverheid heeft aangekondigd de eis aan de milieuprestatie te willen aanscherpen. Dat betekent dat tijdens de ontwerpfasen van een project nog meer aandacht zal moeten worden besteed aan het realiseren van deze eis. Duurzaam bouwen is een belangrijke stap naar het circulair bouwen. Het stelsel (Bepalingsmethode en NMD) is de basis voor de verdere beleidsontwikkeling voor zowel de B&Uals de GWW-sector en om te monitoren of de doelstellingen worden gerealiseerd. | Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 13

�


Verandering van brandcompartimentering Het veranderen van brandcompartimentering zonder omgevingsvergunning voor bouwen is verboden. In de praktijk leidt dit gegeven nog wel eens tot onduidelijkheid: wanneer is er precies sprake van verandering van de brandcompartimentering? Is het bijvoorbeeld verboden om zonder vergunning een deur in een brandwerende wand te bouwen? En is het verboden om zonder vergunning binnen een brandcompartiment een extra brandscheiding aan te brengen? Tekst mr. ing. J.C. Huijzer

D

Foto: Dirk-Jan Poot, GND.

e hoofdregel is dat alle bouwactiviteiten vergunningplichtig zijn. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen. Alleen wanneer uitdrukkelijk wordt bepaald dat een bouwactiviteit vergunningvrij is, is er geen omgevingsvergunning vereist. Artikel 2.1, derde lid, van de Wabo bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur (het Bor) kan worden bepaald dat dit verbod niet geldt. In artikel 2.3 van het Bor is aangegeven dat geen omgevingsvergunning voor bouwen is vereist voor bouwactiviteiten die in artikel 2 en 3 van bijlage II van het Bor staan opgesomd. De bouwactiviteiten die in artikel 2 en 3 van bijlage II van het Bor staan opgesomd zijn vergunningvrij en worden niet preventief getoetst aan de voorschriften van Bouwbesluit 2012. Die voorschriften hebben dan op grond van artikel 1b, eerste lid, van de Woningwet rechtstreekse werking. Toetsing hieraan vindt dan alleen achteraf plaats. Artikel 3, onderdeel 8, van bijlage II van het Bor bepaalt dat een verandering van een bouwwerk bouwvergunningvrij is, mits er wordt voldaan aan de volgende eisen: a. geen verandering van de draagconstructie; b. geen verandering van de brandcompartimentering of beschermde subbrandcompartimentering; c. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; en d. geen uitbreiding van het bouwvolume. In dit artikel wordt alleen ingegaan op voorwaarde b.

14 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |


Brandveiligheid

Willekeurige keuze Wat opvalt is dat alleen brandcompartimentering en beschermde subbrandcompartimentering worden genoemd als eis. Een brandcompartiment is het gedeelte van één of meer bouwwerken bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand. Het doel van brandcompartimenten is de kans op een snelle uitbreiding van brand in een gebouw voldoende te beperken, om een eventuele brand in een gebouw beheersbaar te kunnen houden. Een beschermd subbrandcompartiment is het gedeelte van een bouwwerk dat binnen de begrenzing van een subbrandcompartiment ligt of daarmee samenvalt, dat meer bescherming biedt tegen brand of rook dan een subbrandcompartiment. In een beschermd subbrandcompartiment is men enige tijd beschermd tegen een brand die elders in het brandcompartiment is ontstaan. Dit is vooral van belang voor gebouwen waarin personen slapen of niet zelfstandig kunnen vluchten. Alleen de verandering van brandcompartimentering en beschermde subbrandcompartimentering zijn

vergunningplichtig. Volgens de toelichting is dit vanwege het belang van ‘het voorkomen van het overslaan van een brand’.1 Die keuze lijkt wat willekeurig. Bouwbesluit 2012 kent immers veel meer voorgeschreven voorzieningen die het risico op branduitbreiding en op slachtoffers beperken. Als de loopafstand in een gebouw te groot wordt, is bijvoorbeeld een indeling in subbrandcompartimenten vereist, met daartussen een brandwerende scheiding. De verandering van subbrandcompartimentering is echter niet vergunningplichtig. Evenmin is de verandering van andere door Bouwbesluit 2012 vereiste brandscheidingen vergunningplichtig.2 Ook vluchtroutes en brandveiligheidsinstallaties zijn belangrijk vanuit het oogpunt van brandveiligheid. Dat alleen de verandering van de (beschermde sub)brandcompartimentering vergunningplichtig is, lijkt daarom wat willekeurig gekozen. Er hadden met evenveel recht ook andere voorzieningen aangewezen kunnen worden. In dit artikel wordt verder alleen de verandering van de brandcompartimentering bespro-

ken. Hiervoor kan echter ook steeds gelezen worden: beschermde subbrandcompartimentering. Wat is verandering van brandcompartimentering? Niet iedere bouwtechnische wijziging in een brandwerende scheiding tussen brandcompartimenten is vergunningplichtig. Daarvan is slechts sprake bij een verandering van de brandcompartimentering. Dat wil zeggen: een wijziging van de indeling in brandcompartimenten. Bij verandering van de brandcompartimentering gaat het om het veranderen van de positie van compartimentsgrens. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als een brandwerende schachtwand wordt gesloopt en de brandwerendheid in plaats daarvan ter plaatse van de vloer wordt opgelost. Of als een brandwerende wand die de scheiding vormt tussen twee brandcompartimenten wordt afgebroken en op een andere plek weer wordt opgebouwd. Een bouwtechnische verandering in een brandwerende wand of vloer die de scheiding | Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 15


vormt tussen twee brandcompartimenten zonder dat de positie van die wand of vloer wijzigt, is echter niet vergunningplichtig. Bijvoorbeeld het maken van een deursparing met brandwerende deur in een brandwerende wand. Deze uitleg is ook te lezen op de website van de Helpdesk Bouwregelgeving van het Ministerie van BZK.3 Een andere uitleg zou impliceren dat elke leidingdoorvoering die door een bestaande brandscheiding wordt aangebracht – wat in veel gebouwen aan de orde van de dag is – vergunningplichtig zou zijn. Het is duidelijk dat dat niet de bedoeling kan zijn. Vrijwillige brandscheidingen Het is mogelijk dat er in een brandcompartiment een brandwerende scheiding wordt aangebracht die niet wordt vereist volgens Bouwbesluit 2012. Het doel van die scheiding zal dan zijn om de veiligheid te verhogen, omdat de eigenaar het minimaal door Bouwbesluit 2012 vereiste voorzieningenniveau onvoldoende acht. Dit kan met name spelen in bestaande bouw, bijvoorbeeld na een functiewijziging of bij het invulling geven van artikel 7.11a van Bouwbesluit 2012. Is zo’n vrijwillig aangebrachte brandscheiding vergunningplichtig? In beginsel niet. 16 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |

Een brandwerende scheiding resulteert niet zomaar in het veranderen van de brandcompartimentering. De term ‘brandcompartiment’ als bedoeld in het Bouwbesluit 2012 is immers niet iets tastbaars in een gebouw, dat aangewezen kan worden in bepaalde bouwtechnische voorzieningen of constructie-onderdelen. Een ‘brandcompartiment’ is een terminologische aanduiding, die slechts op papier kan worden aangegeven. Als dit niet als zodanig is aangegeven (in een vergunning of gebruiksmelding) en het Bouwbesluit 2012 geen indeling in brandcompartimenten eist, is er geen sprake van verandering van de brandcompartimentering. WBDBO Om te bewerkstelligen dat bepaalde constructie-onderdelen brandwerend uitgevoerd worden, eist Bouwbesluit 2012 onder andere brandcompartimenten. Tussen brandcompartimenten geldt een WBDBO-eis.4 Een WBDBO-eis tussen brandcompartimenten zal doorgaans resulteren in een brandwerende scheiding. Dit kan echter niet omgedraaid worden: een brandwerende scheiding resulteert in een WBDBO-eis, en dús in brandcompartimentering. Dat zou een klassieke argumentatiefout inhouden: 1. alle

brandweerauto’s zijn rood, 2. mijn auto is rood, 3. dus ik heb een brandweerauto. Een brandcompartiment resulteert in een brandscheiding; uit een brandscheiding kan echter geen brandcompartiment worden afgeleid. Het is in dit verband wellicht zinvol om er nog op te wijzen dat ‘WBDBO’ niet hetzelfde is als ‘brandwerendheid’. WBDBO is een eis tussen ruimten, terwijl brandwerendheid een eigenschap van een materiaal is. Met het enkel maken van een brandwerende scheiding is niet gezegd dat er ook een volgens NEN 6068 bepaalde WBDBO wordt gerealiseerd. Om te voldoen aan een WBDBO-eis moeten alle trajecten tussen ruimten beoordeeld worden: WBDBO is volgens paragraaf 3.37 van de NEN 6068 de kortste tijd die een brand nodig heeft om zich uit te breiden van de ene ruimte naar de andere ruimte. Als er ergens in een klein detail een mindere prestatie aanwezig is, is er al geen sprake meer van WBDBO. Alleen daarom al resulteert het aanbrengen van een brandwerende wand niet zonder meer in het realiseren van een bepaalde WBDBO. Maar zelfs als dit bewust of toevallig wel het geval is, is het een argumentatiefout om daaruit de verandering van brandcompartimentering te concluderen. Niet onbelangrijk is bovendien dat élk materiaal een bepaalde brandwerendheid heeft.


Brandveiligheid

Elke bouwkundige scheiding zal enige brandwerendheid bezitten. Het is niet verboden om in een brandcompartiment een bouwkundige scheiding aan te brengen die een brandwerende eigenschap heeft. Het zou ook niet mogelijk zijn om dat te verbieden omdat, nu elke bouwkundige scheiding enige brandwerendheid heeft, een dergelijk verbod zou neerkomen op het verbieden van het bouwen van wanden in een brandcompartiment. Er is wat dat betreft geen principieel verschil tussen een bouwkundige wand met een brandwerendheid van 2 minuten of een brandwerendheid van 20, 30 of 60 minuten.5 Vergunningplichtige nieuwe brandwerende wand Als Bouwbesluit 2012 geen nadere brandcompartimentering eist, kan het slechts aanbrengen van een brandwerende wand niet resulteren in de verandering van de brandcompartimentering. Wanneer wordt een vrijwillig aangebrachte brandwerende wand wel vergunningplichtig? Pas als de eigenaar deze wand eveneens vrijwillig aanmerkt als scheiding tussen twee brandcompartimenten. Dat kan alleen op een tekening, bijvoorbeeld in een gebruiksmelding. Hij kan er vrijwillig voor kiezen om de groep van ruimten aan te merken

als ‘brandcompartiment’ als bedoeld in Bouwbesluit 2012. Hij kan er ook vrijwillig voor kiezen om dat niet te doen, als dat niet is vereist. Als hij dat niet doet, is er geen sprake van een brandcompartiment en dus ook niet van verandering van de brandcompartimentering. Hierbij is nogmaals in herinnering gebracht wat het doel is van de vergunningplicht: het bouwen preventief te toetsen aan de voorschriften van Bouwbesluit 2012. In de toelichting op het Bor wordt daar juist als het gaat om brandcompartimentering nadrukkelijk op gewezen.6 De preventieve toets moet voorkomen dat er onveilige situaties ontstaan. Bij het aanbrengen van een onverplichte brandwerende scheiding kan daarvan echter geen sprake zijn, omdat het Bouwbesluit geen compartimentering eist. Er is in zo’n situatie slechts sprake van een onverplichte verbetering van de veiligheid ten opzichte van de bestaande situatie. Er is vanuit dat oogpunt ook geen noodzaak om zo’n verbetering aan een preventieve toets te onderwerpen. Dat er voor een toezichthouder een onduidelijke situatie kan ontstaan is helder. Dat leert ook de praktijk: een toezichthouder ziet bijvoorbeeld dat er 30 minuten brandwerend glas is toegepast en concludeert hier vervolgens uit dat de brandcompartimentering is veranderd. De ervaring leert dat een handhavingsprocedure dan zomaar het gevolg kan zijn. Dreigende onduidelijkheid voor een toezichthouder kan echter geen reden zijn om dan maar een omgevingsvergunning aan te moeten vragen. Dit is nu eenmaal de consequentie van een regeling voor vergunningvrij bouwen. Verwarring komt ook vaak voort uit de gebruikte termen: ‘brandwerende wand’ of ‘brandscheiding’, of iets van die strekking. Om verwarring te voorkomen is het zinvol om in communicatie en op tekening steeds de status van een dergelijke wand te benoemen: ‘onverplichte brandscheiding’, of iets dergelijks. Verandering brandcompartimentering zonder bouwen Tot slot zij er nog op gewezen dat het bij verandering van de brandcompartimentering steeds moet gaan om een bouwactiviteit.7 Het veranderen van de brandcompartimentering zonder bouwactiviteit is niet vergunningplichtig. De hoofdregel is immers dat het bouwen van een bouwwerk vergunningplichtig is, en de uitzondering daarop is dat dit niet geldt voor het bouwen dat geen verandering van de brandcompartimentering is. Als er helemaal geen sprake is van bouwen gaat de hoofdregel niet op en is er om die reden geen vergunningplicht. Daarvan is bijvoorbeeld sprake bij transformatie zonder verbouw: een ruimte

wordt qua functie gewijzigd in een woonfunctie. Een woonfunctie moet een afzonderlijk brandcompartiment zijn. Als hieraan wordt voldaan zonder bouwkundige ingreep, is er geen bouwvergunningplicht. Dit speelt ook in oudere gebouwen, dat wil zeggen: gebouwen die nog zijn gebouwd onder vigeur van de gemeentelijke bouwverordening. Voor een gebouw uit de jaren ’60, ’70 of ’80 zal op de bouwvergunningstekeningen geen indeling in brandcompartimenten zijn weergegeven. Dat is logisch, omdat men omstreeks die tijd het begrip brandcompartiment nog niet in de regelgeving hanteerde. Hooguit staan er ter plaatse van de deuren brandwerende scheidingen aangegeven. Brandwerendheid van vroeger is iets compleet anders dan wat daar nu onder wordt verstaan. Als met de kennis van nu naar oude brandscheidingen wordt gekeken, moet vaak worden geconcludeerd dat er niet eens wordt voldaan aan een WBDBO-eis van 20 minuten. Een bestaand gebouw moet dan opnieuw worden ingedeeld in brandcompartimenten, op het niveau van Bouwbesluit 2012 niveau bestaande bouw. Bij die nieuwe indeling kunnen soms ‘oude’ op de bouwvergunningstekening aangegeven brandscheidingen vervallen. Als het vastleggen van de nieuwe indeling in brandcompartimenten slechts ‘op papier’ plaatsvindt, is dat geen vergunningplichtige verandering van de brandcompartimentering. Een omgevingsvergunning voor bouwen is daarom niet vereist. Slot Niet elke verandering in een brandcompartiment is vergunningplichtig. Alleen een bouwactiviteit die de indeling in brandcompartimenten wijzigt, is vergunningplichtig. Met het plaatsen van een onverplichte brandwerende scheiding binnen een bestaand brandcompartiment is daarvan echter geen sprake. 1. Stb. 2010, 143, p. 158. 2. Bijvoorbeeld de in artikel 2.107 lid 1 en 2 en artikel 2.117 lid 1 en 2 genoemde brandscheidingen. 3. https://www.helpdeskbouwregels.nl/vraag/751. 4. Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag. Zie artikel 2.84 en artikel 2.90 Bouwbesluit 2012. 5. De motivering van ABRS 11 juni 2014, 201308620/1/A1, is daarom opmerkelijk; uit die uitspraak kunnen mijns inziens geen generieke conclusies worden getrokken. 6. Stb. 2010, 143, p. 158. 7. Zie hiervoor uitvoeriger mijn artikel ‘Verandering brandcompartiment: mogelijk zonder omgevingsvergunning?’, BRIP 2014/03, p. 10 t/m 15.

↘ Informatie over de auteur Jacco Huijzer is juridisch adviseur bij Nieman Raadgevende Ingenieurs. Tel. (06) 46 233 999. E-mail: j.huijzer@ nieman.nl. | Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 17


Adviescommissie Toepassing en Gelijkwaardigheid Bouwvoorschriften:

“Onze scope is veel breder dan alleen brandveiligheid”

“Het beeld bestaat nog steeds dat de Adviescommissie Toepassing en Gelijkwaardigheid Bouwvoorschriften alleen bij geschillen over brandveiligheid adviseert. Maar dat is al enige jaren niet meer het geval. Wij adviseren ook over geschillen bij constructieve veiligheid, bouwfysica en overige bouwgerelateerde onderwerpen”, aldus de commissie. De bijna voltallige commissie zit aan tafel om ondernemers en overheden meer duidelijkheid te geven. Tekst ing. Frank de Groot 18 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |


Gelijkwaardigheid

A

cht van de tien commissieleden (zie foto) en secretaris Aldo de Jong hebben de ruimte gevonden om via Bouwkwaliteit in de Praktijk meer aandacht te vragen voor de Adviescommissie Toepassing en Gelijkwaardigheid Bouwvoorschriften (ATGB). Alleen voorzitter ing. Johan Koudijs en prof. ir. Simon Wijte waren verhinderd. De volle tafel geeft al aan dat de adviescommissie een duidelijke boodschap heeft: indien er verschil van inzicht bestaat tussen een bevoegd gezag en de aanvrager van een omgevingsvergunning of de gebruiker en/of eigenaar van het betreffende gebouw over de interpretatie van Bouwbesluit 2012, dan geeft de adviescommissie een gratis advies. “De taken van de voormalige Adviescommissie praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften zijn al per 1 januari 2016 verbreed. Maar we merken dat de markt daar nog steeds niet voldoende van op de hoogte is”, aldus een van de commissieleden. Achtergrond adviescommissie Het komt regelmatig voor dat er een verschil van inzicht bestaat tussen bevoegd gezag en de aanvrager van een omgevingsvergunning of de gebruiker en/of eigenaar van een gebouw over de toepassing van de bouwvoorschriften van het Bouwbesluit. Vooral vanuit het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB) is ooit bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties aangedrongen op de instelling van een onafhankelijke adviescommissie. Het OPB is een advies- en overlegorgaan waarin de verschillende geledingen van het bouwbedrijfsleven en de ‘bouwconsumenten’ zitting hebben. Op 1 mei 2009 is gehoor gegeven aan deze oproep en is door het voormalige Ministerie van VROM een Adviescommissie praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften ingesteld. De focus op brandveiligheid kwam voort uit het feit dat tachtig procent van de vragen aan de Helpdesk Bouwregelgeving betrekking had op de brandveiligheidsvoorschriften. Het OPB is altijd een sterk voorstander geweest van uitbreiding van de taken van de adviescommissie omdat er ook geschillen zijn

die geen betrekking hebben op brandveiligheid. Uiteindelijk is het Ministerie van BZK akkoord gegaan met de gewenste taakuitbreiding en is per 1 januari 2016 de Adviescommissie Toepassing en Gelijkwaardigheid Bouwvoorschriften gestart: de opvolger van de reeds bestaande Adviescommissie praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften. Om die bredere taak te kunnen uitvoeren is de toenmalige adviescommissie door voormalig minister Blok van (toen nog) Wonen en Rijksdienst uitgebreid met specialisten op het gebied van constructieve veiligheid, bouwfysica en duurzaamheid. Wat doet de adviescommissie? Een advies van de commissie is gericht op de beantwoording van specifieke vragen over een concrete casus (praktijksituatie) waarbij verschil van inzicht bestaat tussen bevoegd gezag en de aanvrager van een omgevingsvergunning of de gebruiker en/of eigenaar van het betreffende gebouw. “Het verschil van inzicht moet daarbij hebben geleid tot ten minste twee zienswijzen vanuit het bevoegd gezag enerzijds en de ontwikkelende, ontwerpende, adviserende of anderszins belanghebbende partij anderzijds”, legt Joost Pothuis uit. “Dat hoeft overigens geen geschil over gelijkwaardigheid te betreffen. Het gaat om een verschil van inzicht over de interpretatie van de bouwregelgeving. De benoeming van gelijkwaardigheid komt voort uit de Adviescommissie praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften. Daar ging het bij geschillen namelijk bijna altijd over gelijkwaardigheid.” “In een advies wordt de casus door de adviescommissie getoetst aan de relevante bouwvoorschriften van Bouwbesluit 2012 en de Woningwet. Wanneer sprake is van een gelijkwaardige oplossing, wordt getoetst aan de mate van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieubelasting die door de wetgever met de voorschriften is beoogd.” In de overwegingen van de adviescommissie spelen de volgende factoren nadrukkelijk mee: • Welke risico’s spelen een rol?

• Welke wettelijke regels zijn hierop van toepassing? • Wat zijn de achtergronden en doelen van deze wettelijke regels? • Wat is het publiekrechtelijk te realiseren veiligheidsniveau dat hier van toepassing is? Hoe werkt de adviescommissie? Via een aanvraagformulier op de website van de adviescommissie kan men per e-mail een adviesaanvraag indienen bij de secretaris van de adviescommissie. Afhankelijk van het onderwerp van de adviesaanvraag wordt de benodigde expertise binnen de commissie ingeschakeld. “Het is dus niet zo dat de voltallige commissie zich telkens verdiept in ieder geschil. Er zijn drie advieskamers: brandveiligheid, constructieve veiligheid en bouwfysica. Een geschil wordt behandeld door een van de drie advieskamers, waarbij telkens drie algemene leden (voorzitter en specialisten bouwregelgeving) en de twee specialisten van de betreffende advieskamer zich over het geschil buigen”, legt Aldo de Jong uit. “Indien echter een bedrijf waar een lid van ons werkzaam is bij het geschil is betrokken, dan trekt dit lid zich uiteraard terug uit deze casus. Wel moet er altijd een oneven aantal leden bij het advies zijn betrokken, omdat je anders geen doorslaggevend advies kunt geven.” De adviescommissie behoudt zich het recht voor om aanvragen niet in behandeling te nemen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij theoretische interpretaties van de regelgeving of in conflictsituaties tussen bevoegd gezag en brandweer. “Ook ontbreekt soms een goede motivatie of argumentatie van het geschil. Daar is nog wel wat te winnen”, zegt Johan van der Graaf. Als de adviescommissie een aanvraag in behandeling neemt, dan vraagt het secretariaat van de commissie mogelijk om aanvullende gegevens. Daarna ontvangt de indiener een overzicht van de adviesprocedure. De adviescommissie streeft ernaar een adviesaanvraag binnen circa acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens tot een definitief advies te verwerken. Het advies wordt direct na het uitbrengen (geanonimiseerd) gepubliceerd op de website van de | Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 19


De voltallige Adviescommissie Toepassing en Gelijkwaardigheid Bouwvoorschriften (ATGB), met van links naar rechts boven: ir. Rudolf van Mierlo (brandveiligheid), ing. Johan Koudijs (voorzitter), ir. Luc Schaap (bouwfysica), ir. Arjan Pleysier (bouwfysica), ing. René Hagen MPA, (brandveiligheid) en prof. ir. Simon Wijte (constructieve veiligheid). Van links naar rechts onder: ing. Johan van der Graaf (bouwregelgeving), Joost Pothuis (bouwregelgeving) en ing. Rob Stark (constructieve veiligheid).

commissie (www.atgb.nl), bij de Helpdesk Bouwregels (www.helpdeskbouwregels.nl) en in BRISwarenhuis (www.briswarenhuis.nl). Gewicht van het advies Het publiekrechtelijk vastgelegde kwaliteitsniveau is het door het bevoegd gezag te handhaven kwaliteitsniveau en het referentieniveau voor het advies van de commissie. “De commissie kan ook risico’s bij haar advies betrekken waarin de bouwvoorschriften niet voorzien, maar die naar het oordeel van de commissie wel tot de algemene zorgplicht worden gerekend. Deze risico’s spelen bij het beoordelen van een aanvraag om omgevingsvergunning geen rol. Het is vervolgens aan de initiatiefnemer zélf om te beslissen hoe om te gaan met deze risico’s. Wij brengen dus duidelijk een advies uit en geen bindend oordeel. Een advies van de adviescommissie is een gezaghebbend deskundigenoordeel, maar geen besluit van een bevoegd gezag en geen wetenschappelijk onderbouwd advies. De adviescommissie doet ook geen integrale toets op de bouwvoorschriften”, zo wordt uitgelegd. De heren wijzen er met nadruk op dat de adviescommissie geen adviesbureau is. René 20 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |

Hagen: “Het moet echt gaan om een verschil van inzicht. Wij gaan bijvoorbeeld niet een heel plan aan de bouwregelgeving toetsen. Dat is de taak van de gemeente. Het gaat om het punt waarover een geschil is. Bovendien moet dit geschil al tot minimaal één zienswijze hebben geleid van zowel de ene als andere partij. Hierdoor voorkomen we dat partijen al van tevoren ons advies komen vragen. Vervolgens toetsen wij het geschil aan de bouwregelgeving. Wat dat betreft is de aanduiding ‘Adviescommissie’ wellicht wat misleidend.” Advies in de praktijk Wie inzicht wil krijgen in de adviezen kan deze inzien op de website. Handig om te kijken of er al advies is uitgebracht voor een soortgelijk geschil. Uiteraard zijn de publieke versies van de adviezen geanonimiseerd. Inmiddels zijn circa 130 adviezen uitgebracht. “Meestal is er geen terugkoppeling of een advies uiteindelijk is opgevolgd. Er is één geval bekend waarin het advies niet is opgevolgd en hierover een juridische procedure is gevolgd waarin de rechter in zijn vonnis meeging met het advies van de commissie. Dat geeft al aan dat er veel waarde aan het advies wordt gehecht. Wel be-

treft het nog grotendeels geschillen op het gebied van brandveiligheid. Vandaar onze boodschap dat wij ook voor geschillen op het gebied van constructieve veiligheid, bouwfysica of andere bouwgerelateerde zaken beschikbaar zijn. Vorig jaar hebben we bijvoorbeeld uitspraken gedaan over enkele geschillen op het gebied van daglichttoetreding en energieprestatie”, aldus de heren. De vraag dringt zich op of er wellicht zicht is op gestandaardiseerde gelijkwaardige oplossingen, die door alle partijen te allen tijde zijn te raadplegen. “Het probleem is dat er eigenlijk weinig standaard gelijkwaardige oplossingen zijn. Iedere situatie is weer uniek”, reageert René Hagen. Joost Pothuis beaamt dat: “Als je onze adviezen leest, zie je een formulering die je niet zomaar een-op-een kunt loslaten op een soortgelijk ander geschil. Ieder gebouw en iedere locatie is uniek en dat zijn de betrokken partijen veelal ook. Maar als we merken dat een bepaald geschil wel erg vaak voorkomt doordat de regelgeving hierin niet duidelijk is, dan brengen we een ongevraagd advies aan het ministerie uit.” Meer weten? Ga naar www.atgb.nl.


Private kwaliteitsborging

Test waterdichtheid en luchtdichtheid.

Wkb: waar een wil is, is een weg! Jan Pieter van Dalen volgt al jaren actief de totstandkoming van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb).1 Als leider van de divisie Nieman Kwaliteitsborging stond hij als een van de eerste private kwaliteitsborgers aan de wieg van diverse pilots bij onder andere Heijmans, Van Wijnen, ERA Contour, Nijhuis Bouw en Dijkstra Draisma. Geïnitieerd door de bouwers zélf en met onder andere Stichting Waarborgfonds Koopwoningen (SWK) als opdrachtgever. Sinds vorig jaar werkt hij als zelfstandig adviseur en heeft hij één missie: de bouw béter maken.

Tekst ing. Frank de Groot | Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 21


“D

e afgelopen vier jaar kenmerken zich door pionieren. Een mooie tijd waar meer dan eens duidelijk is geworden dat de bouw beslist verbeteren kán, mits daarvoor de juiste prikkels aanwezig zijn. Het testen van de nieuwe wet bij diverse pilotprojecten wierp dan ook vruchten af, zeker daar waar de bouw de kwaliteit zelf wil leveren”, zegt Jan Pieter. Waarmee maak je dan het verschil? “Door de klant te begrijpen en te denken vanuit kwaliteit. Dit heeft bij de meeste pilots tot betere afstemming en meer winst en/of minder faalkosten geleid.” Intrinsieke motivatie Jan Pieter heeft gemerkt dat oefenen met de Wkb-principes leidt tot een kwaliteitsverbetering van binnenuit: door als kwaliteitsborger scherp te maken wat je wilt zien, gaat de bou-

22 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |

wer dit verwerken in de eigen kwaliteitssystemen. Hierdoor is iedereen in de keten alert op wat hij of zij als bewijs moet aanleveren. Met digitale systemen, zoals Ed Controls, Snagstream, Home dna en Dalux, kan de bewijslast ook eenvoudig worden verzameld en gerubriceerd. “Door een goede coaching en procesbegeleiding leren vakmensen om hun eigen resultaat te borgen. Daar krijg ik energie van”, merkt hij op. “Vandaar ook dat ik de overstap heb gemaakt van kwaliteitsborger naar kwaliteitscoach: van binnenuit verbeteren!” Positief effect van de Wkb Nu Jan Pieter zelf heeft ervaren wat het effect van de Wkb is, zou hij wensen dat dit breder wordt ingezien. De Wkb verscherpt het zicht op resultaten en brengt de diverse verantwoordelijkheden duidelijker in beeld: • De huidige moraal is dat iets op papier moet

kloppen. Na invoering komt er meer aandacht voor de uitvoeringskwaliteit. Je zult dit risicogestuurd moeten aantonen. • Er zijn bouwers die momenteel traditioneel ‘afhankelijk’ en reactief reageren richting de gemeente: ‘We hebben toch een bouwvergunning?’, of: ‘De gemeenteopzichter heeft er niets van gezegd dus dan neem ik aan dat het goed is.’ Iets wat het huidige stelsel oproept en waar we volgens Jan Pieter snel van af moeten: “Maak wat je moet maken en toon aan dat je dit goed hebt gedaan. Loop er niet voor weg.” • In het toezicht komt er meer aandacht voor de regels uit het Bouwbesluit. Terwijl nu de focus ligt op goed en deugdelijk werk. Zo kan het nu nog voorkomen dat er iets ogenschijnlijk goed, maar tóch niet juist wordt gebouwd. Na invoering van de Wkb is dit beter te traceren.


Private kwaliteitsborging • Installateurs denken systeemgericht, echter dit wordt onvoldoende gecommuniceerd. Straks maakt dit onderdeel uit van de aanpak om aan te tonen dat wordt voldaan aan de eisen. Kortom, Jan Pieter verwacht dat de Wkb gaat voorzien in een kwaliteitsgerichte aanpak die ieders rol op scherp zet: • Het aantonen van de kwaliteit ligt primair bij de bouwer (lees: het hele integrale bouwspectrum) die – en dat mag je ook verwachten – dit als zijn eigen verantwoordelijkheid moet gaan zien. • Installateurs en bouwers leveren transparant werk af. Iets wat in het as-built-dossier straks waardevol(ler) wordt. • De directievoerder/toezichthouder gaat zich als de ogen van de opdrachtgever richten op het nakomen van de private afspraken. • BIM leidt tot het versterken van ontwikkelingen als file to factory. Hierdoor weten we exact aan te geven wat wordt gebouwd en dat helpt enorm bij het aantonen van de kwaliteit. • De gemeente kan de technisch-inhoudelijke waarneming overlaten aan experts en zich volledig richten op de handhavende taken. Er komt meer focus op de inhoud. In de toenemende complexiteit van bouwprocessen is overzicht en een heldere rolverdeling essentieel. Grote risico’s eerst? De invoering van de Wkb is nu gefaseerd bedacht: allereerst de minst risicovolle bouwwerken (gevolgklasse 1) en na enkele jaren ook gevolgklasse 2 (appartementen, kantoren, et cetera) en gevolgklasse 3 (omvangrijke utilitaire werken als ziekenhuizen, gevangenissen). Een gemiste kans volgens Jan Pieter: “Ik pleit voor omgekeerde invoer: bij de relatief grote risicovolle projecten wordt veelal actief gewerkt aan kwaliteitsborging en zijn er rollen aanwezig die – intrinsiek gestuurd – voorzien in het gewenste resultaat. Ik heb dit zelf mogen ervaren vanuit mijn rol als kwaliteitscoach bij de realisatie van onder meer het Meander Medisch Centrum (Amersfoort), het Justitieel Complex (Zaanstad) en Rijkskantoor de Knoop (Utrecht). Het belang bij dergelijke projecten is simpelweg te groot om de kwaliteit te laten versloffen. Dit besef, deze mindset, is bij alle betrokken bedrijven – ook onderaannemers – al aanwezig.” Risicoleiderschap Sleutel voor het succes van de Wkb is volgens Jan Pieter kennisintensief risicomanagement:

Over Jan Pieter van Dalen Jan Pieter is sinds lange tijd zeer betrokken bij kwaliteitsmanagement in de bouw. Hij is de laatste jaren manager geweest bij Nieman Kwaliteitsborging en heeft vanuit zijn functie leiding gegeven aan diverse pilots in het kader van de Wkb. Ook heeft hij meegewerkt aan het ‘instrument’ (kwaliteitsmanagementsysteem) dat is ontwikkeld door Stichting Waarborgfonds Koopwoningen. De behandeling van dit wetsvoorstel in de Eerste Kamer nadert nu haar einde en daarom heeft het Instituut voor Bouwkwaliteit Jan Pieter benaderd om zijn mening te vragen of de Wkb de kwaliteit in de

je kunt niet alle technische onderdelen honderd procent toetsen en op de bouwplaats beoordelen. “Op basis van actuele kennis op het gebied van onder meer bouwregelgeving, bouwtechniek, bouwfysica en installatietechniek, kun je voor ieder plan vaststellen welke aspecten om extra aandacht – lees: controle – vragen. Je bouwt ook aan kwaliteit door risico’s inzichtelijk te maken voor alle stakeholders. Door hier écht bewust bij stil te staan ben je risico’s vaak voor en werk je samen aan integrale kwaliteit.” Tot slot Het huidige systeem werkt volgens Jan Pieter al jaren onvoldoende: “De nieuwe wet is een belangrijke stap naar verbetering van de kwaliteit in de bouw en een vernieuwingsslag in

bouw nu daadwerkelijk gaat verbeteren. Sinds september 2018 werkt Jan Pieter als zelfstandig adviseur onder de naam Bouw Beter en is hij tevens praktijkdocent aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) en kerndocent bij de post HBO-opleiding Bouwprocesmanagement van de Stichting Kennisoverdracht Onderzoek en Ontwikkeling Bouwprocesmanagement (SKOOB). Jan Pieter: “Het geeft veel voldoening om jong volwassenen te zien ontwikkelen tot ingenieur. Een goede technische ondergrond blijft een voorwaarde voor de (door)ontwikkeling in de bouw.”

het traditionele denken in de bouw. Het stimuleert het wíllen leveren van kwaliteit. De Wkb zal in het begin zeker nog niet perfect zijn, maar gaandeweg zullen verbeteringen naar voren komen. Niets doen is geen optie!” Jan Pieter verbaast zich erover dat de Wkb op zoveel weerstand stuit en dat er al zoveel vertraging is opgelopen: “Ik hoop nog steeds dat de wet snel wordt ingevoerd. Omdat dit de verantwoordelijkheden legt waar ze horen te liggen en er intrinsiek gebouwd wordt aan betere kwaliteit in de bouw. Laten we er alles aan doen om de bouw beter te maken!”

1. [noot van de redactie] De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen is op 14 mei door de Eerste Kamer goedgekeurd. Zie ook pagina 39. | Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 23


Uitgelicht Circulair bouwen

100% hergebruik van beton Zes Nederlandse sloop- en recyclingbedrijven zetten zich sinds begin dit jaar in om de circulariteit van hun industrie nog groter te maken. Uit het beton dat zij bewerken, worden alle grondstoffen gewonnen. Zelfs de fracties kleiner dan 4 millimeter! Tekst Katja van Roosmalen

Dick Eerland is de man die de sloopbedrijven samenbracht en de drijvende kracht achter Circulair Mineraal. “Als beton circulair wordt, dan heeft dat een enorme impact op het verduurzamen van de economie. Het is de meest gebruikte bouwstof. Niet alleen in Nederland, maar wereldwijd. Als we de CO2-uitstoot van beton - 1 kg CO2 per kilo cement – kunnen verminderen is er veel duurzaamheidswinst behaald”, weet hij. Upcycling Beton recyclen is in zijn algemeenheid niet nieuw, maar de wijze waarop Circulair Mineraal het aanpakt wel. Zij gaat namelijk een stap verder. Eerland: “Gerecycled beton wordt meestal toegepast als onderlaag van wegen. Het is goed funderingsmateriaal, maar het blijft ‘downcycling’. Waar wij naar streven is ‘upcycling’: de waarde van het beton behou-

24 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |

den én de grondstoffen zo lang mogelijk in de keten houden. Daarom ontwikkelden we een installatie die kwalitatief hoogwaardige grondstoffen kan winnen die geschikt zijn voor de productie van nieuwe betonproducten, zoals rioleringsbuizen of prefab bouwelementen.” Kwaliteit Een product van een constante kwaliteit is echter een vereiste, zeker als het beton hoogwaardig hergebruikt gaat worden. Eerland: “Ook betongranulaat uit conventionele puinbrekers moet voldoen aan zuiverheidseisen. Het mag geen bestanddelen als zand, metalen, hout of kunststoffen bevatten. Dat zijn vertrouwde eisen. Wat de CM-breker van Circulair Mineraal onderscheidt is dat het betongranulaat verwerkt tot zand, grind en cementsteenpoeder. Dit doen we met een nieuwe bewerkingstechniek: een speciaal procedé waarbij de kleine brokken elkaar onder druk ‘schoonschuren’. Daardoor schuurt het cement van de korrels af. Het zand en grind krijgen zo een tachtig procent schoon oppervlak, waardoor ze geschikt zijn als toeslagmateriaal voor nieuw beton. En het cementsteenpoeder dat we winnen kan als vulstof worden ingezet door de betonindustrie

voor de productie van zelfverdichtend beton.” De cijfers Eerland verduidelijkt de winst die gehaald wordt aan de hand van cijfers. “Anderen maken van ‘sloopbeton’ korrels. Deze zijn 4 tot 30 mm groot. Maar dat is slechts de helft van het beton dat vrijkomt bij sloop! De andere helft – bestaande uit fracties tot 4 mm en zand - wordt meestal ingezet in de wegenbouw en verdwijnt zo uit de grondstofcirkel van de betonindustrie. Doordat wij honderd procent van het beton verwerken en aanleveren aan de betonverwerkende industrie kunnen we de maximale milieuwinst behalen.” En niet alleen door het proces. “De CM-breker is een mobiele installatie, die we naar de slooplocatie brengen. We verwerken het beton dus in de buurt en beperken daardoor ook de transportkosten en CO2-uitstoot door vervoersbewegingen tot een minimum.”


Project

Circulariteit vergt nieuwe rol van de architect “Als je bezit hebt, dan ben je daar verantwoordelijk voor.” Misschien is dat wel het beste uitgangspunt om te komen tot een circulair gebouwde omgeving. De man achter deze uitspraak is Taco Tuinhof, architect en eigenaar van Rothuizen Architecten. Hij vindt dat architecten hun rol moeten herdefiniëren en deed dat zelf bij de bouw van de kinder- en jeugdkliniek Emergis in Kloetinge. Tekst Katja van Roosmalen Beeld Rothuizen Architecten

R

othuizen is een architectenbureau gespecialiseerd in onderwijs, zorg, stedenbouw en restauratie, maar vooral een bureau dat haar verantwoordelijkheid wil nemen. “Het architectuurvak is aan uitholling onderhevig. Dat gebeurt in stappen. In de jaren zestig verdween het toezicht; de directie ging naar bouwmanagementbureaus. En nu zie je met de opkomst van BIM dat grote aannemers de regie overnemen en de architect alleen nog gevraagd wordt voor het ontwerp en de bouwaanvraag. De invloed op het eindresultaat is daardoor beperkt. Dat komt omdat de architectentitel beschermd is, maar niet de rol van de architect in de bouwkolom.” Als je die rol terug wilt nemen, moet je als architect bereid zijn risico’s te nemen, is de mening van Tuinhof. “Dat zit niet in ons bloed en was in de hoogconjunctuur ook niet nodig. Wij hebben echter een nieuw bureau opgericht: Rothuizen BouwMeesterPro. Hierin nemen we projecten risicodragend aan voor een vast budget. Wij coördineren met ketenpartners de hele bouw en knippen het proces op in fasen: ruwbouw, schil, installaties en afbouw. Per fase ronden we het project af. En we rekenen geen courtage voor de ketenpartners. Daardoor kunnen we tien tot vijftien procent op de bouwkosten besparen. De voordelen die we behalen, vloeien terug in het project. Bijvoorbeeld om een hogere milieuscore te halen.” Uitvoerend architect Tuinhof noemt zichzelf uitvoerend architect. “We merken dat we door deze nieuwe manier van werken veel meer kennis halen uit onze ketenpartners. De aannemer stond namelijk altijd tus-

sen ons en de ketenpartners in en daardoor stokte de innovatie. Nu we wel direct contact met iedereen hebben, merken we dat dat erg goed bevalt.” In de kinder- en jeugdkliniek Emergis in Kloetinge bracht hij die visie in de praktijk. “In 2010 heb ik voor Emergis een school ontworpen met een hoge energieambitie. Vervolgens wilden we een aantal scholen in Zeeland bouwen volgens de Passivhaus-principes. Dat is gelukt en dit was de start voor de samenwerking met Emergis. Toen de kinderkliniek in zicht kwam, werden we weer benaderd. In Kloetinge moest een deel van de kinder- en jeugdkliniek nieuw gebouwd worden en toen de opdrachtgever zei ‘zullen we een circulair gebouw maken’, was ik meteen enthousiast. Al was onze kennis van circulariteit nog heel miniem, ik wilde dit avontuur graag aangaan. Gelukkig hadden we ruim de tijd.” Circulair bouwen Tuinhof verdiepte zich in de principes van circulariteit. “En vooral hoe we daar in de bouw vorm aan konden geven. Rond 2015 waren er nog weinig voorbeeldprojecten en was er ook nog geen duidelijke richting. Dus ging ik terug naar de universiteit voor een aantal designdagen. Super interessant! Dit gaf echt weer een nieuwe dimensie aan mijn vak.” Maar hoe vertaalde hij die nieuwe inzichten in de nieuwe kinder- en jeugdkliniek? “We wilden het gebouw zo flexibel en adaptief mogelijk maken, zodat het later een andere invulling kan krijgen. Daarnaast zetten we in op demontage door het casco te scheiden van de inbouw, bijvoorbeeld door installaties niet volledig te integreren, maar toe te voegen. Dat past in de circulariteitsgedachte. Daarnaast wilde ik nog iets doen met het hergebruik van materialen.” Het toeval wilde dat Tuinhof in die tijd een studievriend trof, Pierre Bleuzé van bureau opMAAT. “Hij had het districtskantoor van Rijkswaterstaat (RWS) rond 2000 ontworpen, heel duurzaam, maar het moest plaatsmaken voor de vergroting van de sluizen. Ik dacht: dat gebouw gaan we adopteren en demonteren.” Projectbureau Nieuwe Sluis Terneuzen van RWS was echter niet direct | Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 25


26 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |


Project

De ontmanteling en demontage van RWS-kantoor Terneuzen.

overstag, omdat zij opzag tegen het extra werk. Dus wendde de opdrachtgever zich tot Gedeputeerde Staten van Zeeland en RWS in Den Haag. Zij zagen wel de (PR-)waarde van zijn idee en stelden subsidie beschikbaar voor de demontage. Demontage Met New Horizon werd het kantoor gedemonteerd. “Samen ‘vochten’ we om de materialen. Maar het toeval wil dat we beiden onze ogen op andere elementen hadden laten vallen. Wij waren vooral geïnteresseerd in de kleinere elementen en het hout, New Horizon had belangstelling voor het staal. Zo zijn de frames van de PV-panelen naar een renovatie-kantoorpand in Den Haag gegaan, de stalen windverbanden werden gebruikt bij het Peoples Paviljoen tijdens de Dutch Design Week en de fietsenstalling is voor zestig procent weer opgebouwd in Arnhem.” Tuinhof was zeer gecharmeerd van de buitengevel. Deze was al circulair, blijkt als hij verder praat. “De bekleding (shingles) was vervaardigd van oude meerpalen uit de haven van Breskens. Deze hebben we weer losgeschroefd. Daardoor was het gevelontwerp voor de kinderkliniek in één keer klaar. De gevel stond namelijk onder een helling, evenals de ramen. Wilde ik de gevel hergebruiken dan moest ik dezelfde hoek hanteren.” Maar hoe ga je om met de gevels en ramen die inmiddels twintig jaar oud zijn en de energieneutrale gedachte van vandaag? “We wilden de ramen hergebruiken al zijn ze minder goed geïsoleerd. We hebben ter compensatie van het energieverlies zonnepanelen op het dak gelegd. Daarnaast is aan de binnenzijde van de gevel nieuw isolatiemateriaal gekomen, biobased op basis van cellulose.”

Samenwerken Ook de houten balken en kolommen werden verzameld. Tuinhof: “Alleen had ik me nogal vergist in de logistiek. Alles moest gesorteerd, gemerkt en verzaagd worden. Maar gelukkig konden we het materiaal naar het werkleerbedrijf in Middelburg brengen. Daar zijn een jaar lang de spijkers eruit getrokken en zijn de balken verzaagd en genummerd, terwijl wij het plan verder uitwerkten.” Uit zijn verhaal blijkt hoezeer zijn rol als architect veranderde. “Ik vergelijk het wel eens met een kok die kookt met de restjes. Er is meer creativiteit nodig. Daarnaast moet je veel meer organiseren en mensen samenbrengen.” Door die inspanningen lukte het echter wel om een economisch rendabel project op te leveren. “Dat komt mede door de partners die bereid waren tien procent van hun tijd ‘om niet’ in te brengen. Dat deden ze allemaal.” En ook de gemeente toonde zich bereidwillig om mee te denken. “De deuren in het RWS-kantoor waren 2,10 meter hoog: te laag voor de huidige standaard, maar de gemeente was bereid om de nieuwbouw te beschouwen als een renovatieproject.” Mede daardoor konden we een circulariteitsscore halen van drieënvijftig procent (Building Circularity Index (BCI)-methode van Alba Concepts) en gebruikmaken van bestaande materialen. Alleen op de installaties gingen we bijna nat. We hadden verwacht de helft van de installaties uit de bestaande kliniek te kunnen hergebruiken. Door eisen die bijvoorbeeld gesteld worden aan de waterveiligheid werd dat uiteindelijk slechts tien procent: de radiatoren en wat leidingen. Maar dat was ook de enige tegenvaller.”

Hergebruikte materialen Shingles Geoogst uit RWS-kantoor: ± 450 m2. Aantal hergebruikt: ± 450 m2. Hergebruikt als: gevelbekleding nieuwbouw en reststukken verwerkt in een Zeeuws kunstwerk. Bevestiging: vanuit circulair oogpunt geschroefd, om hergebruik in de toekomst mogelijk te maken. Houten liggers Geoogst uit RWS-kantoor: 963 stuks. Geoogst uit bestaande bouw Ithaka: 135 stuks. Aantal hergebruikt: 713 stuks. Hergebruikt als: constructie van de straat. Houten kolommen Geoogst uit RWS-kantoor: 72 stuks. Aantal hergebruikt: 72 stuks. Hergebruikt als: constructie van de straat.

Antisone beplating Geoogst uit RWS-kantoor: 82 stuks. Aantal hergebruikt: 75 stuks. Hergebruikt als: akoestische panelen in de PMT-zaal. Kozijnen + kaders Geoogst uit RWS-kantoor: ± 60 stuks. Aantal hergebruikt: 31 stuks. Hergebruikt: in de buitengevel van de nieuwbouw. Zonwering Geoogst uit RWS-kantoor: 42 stuks. Aantal hergebruikt: 17 stuks. Hergebruikt als: zonwering nieuwbouw. Door een tekort aan één brede zonwering, zijn twee kleinere zonweringen samengevoegd tot één.

| Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 27


SLP-methodiek maakt levensduur meetbaar De circulariteit van gebouwen en gebouwcomponenten is een actueel thema. Steeds vaker wordt aan ingenieursbureaus gevraagd om te ontwerpen of ontwerpen te beoordelen op circulariteit. Met behulp van Service Life Prediction (SLP) kan de technische levensduur specifiek en meetbaar worden afgestemd op gebouwniveau (locatie, gebruik, enzovoort). Vervolgens kan de technische levensduur in een bredere context worden gespiegeld aan de functionele en economische levensduur van het product. Tekst Robert Smits, ABT

28 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |

Een belangrijk thema in de bouwketen is de circulariteit van gebouwen, gebouwcomponenten en materialen. Niet alleen het hergebruik van materialen vraagt om aandacht, ook het afstemmen van het ontwerp en de materialen op de beoogde levensduur met het oog op een circulaire toekomst. Service Life Prediction (SLP) is daarvoor een geschikte tool. Hiermee wordt de levensduur van materialen en gebouwcomponenten bepaald. Hierbij moet aangetekend worden dat goed onderhoud en de bereikbaarheid voorwaarden zijn om de technische levensduur te kunnen bereiken.

De SLP-tool De SLP is gebaseerd op de internationale gestandaardiseerde ‘factormethode’ ISO 15686-2. Deze geeft aan hoe de levensduur van gebouwcomponenten - wetenschappelijk onderbouwd - kan worden bepaald. Deze ISO-norm is echter algemeen van opzet en niet product-specifiek. De SBR-publicatie ‘Levensduur voor Bouwproducten. Methode voor Referentiewaarden’, december


Uitgelicht Circulair bouwen

2011, vormt de vertaalslag van ISO 15686 naar de Nederlandse situatie in de Bouw. Voor de levensduur van gebouwcomponenten kan onderscheid worden gemaakt tussen: • technische levensduur; • functionele levensduur; • economische levensduur. Het doel van de SLP-tool is om de technische levensduur van bouwproducten zo nauwkeurig mogelijk te bepalen. De functionele en economische levensduur zijn eveneens bepalend in

de besluitvorming, maar maken geen onderdeel uit van de SLP-tool. Van een groot aantal materialen is de referentielevensduur (RSL) bekend. Deze waarde (uitgedrukt in jaren) is een gemiddelde. In de praktijk is de referentielevensduur (RSL) afhankelijk van een aantal factoren, zoals te zien is in tabel 1. De SLP-tool wordt gebruikt als indicatie voor de technische levensduur. In de praktijk hangt de vervanging van de verschillende gebouw- respectievelijk gevelcomponenten uiteraard onderling samen. Wanneer dubbelglas wordt vervangen, dan geldt dat automatisch ook voor de EPDM droogbeglazingsprofielen. Onderstaand worden een aantal voorbeelden gegeven van de referentielevensduur van gevelcomponenten. Voorbeeld 1: thermisch onderbroken massief stalen gevelprofielen In de SBR-publicatie is een tabel met de technische levensduur (RSL) van bouwmaterialen opgenomen. De in de SBR-publicatie opgenomen RSL van massief stalen, thermisch verzinkte raamprofielen met een duplex coating is 100 jaar. Niet alle waarden kunnen echter een-op-een uit de tabel worden overgenomen. In de praktijk is discontinue (thermisch) verzinken van thermisch geïsoleerde raamprofielen bijvoorbeeld niet mogelijk vanwege krom trekken en de afmetingen van het zinkbad. In de praktijk wordt de zinklaag aangebracht door middel van schooperen. Het verschil in laagdikte tussen discontinue thermisch verzinkt (50 à 150 μm) en schooperen (25 à 60 μm) is in dit opzicht niet relevant. In de praktijk zijn er tal van voorbeelden van massief stalen raamprofielen van meer dan 100 jaar oud. Deze (historische) massieve profielen zijn bovendien slechts geschilderd en niet verzinkt. De uitgangspunten voor het bereiken van een RSL van 100 jaar zijn: • dat de raamprofielen alle bewerkingen ondergaan (lassen, slijpen, boren e.d.), alvorens de oppervlaktebehandeling wordt aangebracht; • dat het schilderwerk van de beschermlagen correct is uitgevoerd en tijdig als onderhoudsactiviteit is uitgevoerd (periode is 15 jaar tot de eerste onderhoudsinterventie conform EN-ISO 12944);

• dat de raamelementen passend worden gereinigd (methodiek en frequentie); • dat de corrosieklasse van de coating is afgestemd op de omgeving. Voorbeeld 2: aluminium raamprofielen De in de SBR-publicatie opgenomen RSL bedraagt 75 jaar. Op aluminium vormt zich van nature een beschermende oxidelaag. In tegenstelling tot staal ontstaat dus geen degradatie als gevolg van corrosie. Door middel van anodiseren of door middel van het aanbrengen van een coating kan een fraaie beschermingslaag worden aangebracht. Ook voor aluminium raamprofielen geldt dat voor het bereiken van een RSL van 75 jaar voldaan moet worden aan uitgangspunten. Anodiseerlagen zijn bijvoorbeeld gevoelig voor het ontstaan van (witte) vlekvorming als gevolg van een alkalische belasting, zoals cementhoudend lekwater of een scheutje ammoniak in het waswater. Door de brancheorganisatie van metalen ramenfabrikanten (VMRG) worden Kwaliteitseisen en Adviezen uitgebracht. Hierin zijn criteria opgenomen waaraan de laagdikte en het aanbrengen van de coating moet voldoen. Ook nu geldt dat de raamelementen passend worden gereinigd (methodiek en frequentie). Voorbeeld 3: isolerende beglazing De in de SBR-publicatie opgenomen RSL bedraagt 30 jaar. De conditie van de tweevoudig gekitte randverbinding van de isolerende beglazing bepaalt de levensduur van de ruiten. In het geval van onthechting van de randverbinding dringt vocht in de spouw en ontstaat ‘inwendige condensatie’. Dit fenomeen is vrijwel niet van invloed op de thermische isolatie, maar leidt wel tot een verminderd doorzicht en een aantasting van de metaaloxidecoatings, aangebracht op de ruiten aan de spouwzijde. De technische levensduur van de gekitte randverbindingen van 30 jaar geldt onder de voorwaarde dat de randverbinding niet langdurig in contact komt met vocht. Dit stelt eisen aan de afdichting en aan de ontwatering van de glassponningen. Het glasoppervlak is tegen veel invloeden van buitenaf bestand, met uitzondering van een | Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 29


30 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |


Uitgelicht

mechanische belasting (ontstaan van krassen dan wel breuk), kalkhoudend lekwater en bepaalde zuren. Voorbeeld 4: beglazingskitvoegen De in de SBR-publicatie opgenomen RSL bedraagt 10 jaar. ABT is van mening dat deze waarde kan worden verhoogd naar 30 jaar, hetgeen dan overeenkomt met de levensduur van de tweevoudig gekitte randverbinding van de isolerende beglazing. De uiteindelijke levensduur van een kitvoeg heeft betrekking op de afmetingen (afgestemd op de te verwachten voegbewegingen), de vorm (parallelle voegwanden), voorbehandeling van de hechtvlakken, verdraagzaamheid met andere materialen en vervuiling. Het is een misverstand dat beglazingskitvoegen na verloop van 10 jaar integraal moeten worden vervangen in het kader van onderhoud. Aannemelijker is dat de beglazingskitvoegen na verloop van jaren lokaal moeten worden vervangen in verband met een eveneens lokale onthechting. Integrale vervanging van de beglazingskitvoegen vindt logischerwijs plaats bij vervanging van de ruiten. Immers, het is uitermate lastig om kitvoegen uit te snijden en om daarbij de coating niet te beschadigen, terwijl de ruiten nog aanwezig zijn. Voorbeeld 5: EPDM beglazings- en kierdichting profielen Ervaring leert dat de levensduur van EPDM-profielen minimaal 30 jaar kan zijn. Voorkomende gebreken zijn openingen bij de hoekaansluitingen (de profielen zijn niet met een overlengte afgeknipt), afname klemdruk en het losraken van verlijmde hoekaansluitingen. Voorbeeld 6: hang- en sluitwerk In de SBR-publicatie is niet de technische levensduur van het hang- en sluitwerk (H&S) opgenomen. H&S is onderhevig aan slijtage. Een jaarlijkse controle, onderhoud en vervanging van onderdelen is noodzakelijk, met inachtneming van toepassing en gebruik. Met inachtneming van bovenstaande gaat ABT uit van een technische levensduur van maximaal 30 jaar.

Factor

Engels (ISO 15686)

Nederlands (SBR)

Eigenschappen

a Inherent Performance Level

Eigenschappen van product

Omstandigheden

b Indoor Environment

Binnenklimaat

c Outdoor Environment

Buitenklimaat

d Usage Level

Gebruik

e Design Level

Ontwerp en detaillering

f Execution Level

Uitvoering

g Maintenance Level

Onderhoud

Ontwerp

Tabel 1: de factoren a tot en met g zijn weer onderverdeeld in 3 tot 7 criteria met daarbij een toelichting/specificatie. Met de factoren/criteria wordt een correctie op de RSL aangebracht, hetgeen leidt tot de geschatte levensduur (ESL). De factorwaarden bevinden zich tussen 0,8 en 1,2 zijnde: Slechter

Enigszins beter

Referentiesituatie

Enigszins beter

Beter

0,8

0,9

1,0

1,1

1,2

Factorwaarden kleiner dan 0,8 of groter dan 1,2 impliceren dat de gekozen referentielevensduur (RSL) niet correct is gekozen. De formule is: ESL = RSL * a * b * c * d * e * f * g. De bouwdelen en bouwproducten, opgenomen in de SBR-publicatie, zijn gerangschikt volgens de NL-SfB-classificatie.

Samenvatting voorbeelden Uit bovenstaande voorbeelden volgt een technische levensduur van het beschreven stalen raamsysteem van minimaal 100 jaar en een technische levensduur van de ruiten inclusief de kitafdichtingen van 30 jaar. Voor technische levensduur van het hang- en sluitwerk is eveneens 30 jaar aangehouden. De technische levensduur van de oppervlaktebehandeling van stalen raamprofielen is ≥ 15 jaar. Dit betekent dat de oppervlaktebehandeling na 15 jaar moet worden bijgewerkt of vernieuwd (onder voorwaarde van passend onderhoud). Gedurende de technische levensduur van de stalen ramen wordt het dubbel glas met inbegrip van de kitafdichtingen en EPDM-profielen dus waarschijnlijk minimaal twee maal vervangen. Bij aluminium ramen wordt het dubbel glas met inbegrip van de kitafdichtingen en

EPDM-profielen waarschijnlijk minimaal eenmaal vervangen. Aangenomen wordt dat dan ook het hang- en sluitwerk wordt vervangen, met uitzondering van robuuste onderdelen zoals aangelaste stalen scharnieren. Conclusie Uit bovengenoemde voorbeelden blijkt dat een gevel is samengesteld uit een aantal componenten en materialen met ieder een afwijkende technische levensduur en onderhoudsbehoefte. Bij het ontwerp van een gevel (of ieder ander gebouwonderdeel) is het de kunst om de technische levensduur en onderhoudsbehoefte van de verschillende componenten onderling goed af te stemmen en deze te spiegelen aan de circulariteitsambitie. Specifiek voor gevels is ook de bereikbaarheid van de componenten voor onderhoud van belang. | Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 31


Op 27 de Op dece cemb mber mb err ope pend pend de to top op pk kok o Her erma man ma n de d nB Bllijke ijjke er met met zi me zijn j voo oorrm maliig ge so ous usch cheff Nic ick de de K us Ko usem usem emae eke kerr he het et n niie eu uwe w resta estaur urran antt GO OUD UD aan a de Ll L oy yds d tr t aa a t in n Ro ottte terd rd dam am. m. He Het ge gevo voel vo ell datt je krij kr ijgt bij ij ij het bet etre ede den nv va an d de e eet e ge ele lege ege g nh nhei e d is datt van n uit itb bu und ndig ge lu luxe xe e, g ge ecom mb bin nee eerd rd d met et een ee nv vlleu leu eugj ugj gje je roma ro omant mant ma n ie iek, k maa k, aarr oo ok he herk ke en nba aar arhe he eid d. Da Datt e err biijj de in inrich inr rich ri chti t ng g aan anda dach da chtt was voor circ ci ircul cul u ar arit i eit it eitt,, daar aa ar ko kom m je je pa ass lat a er er ach chter. chte r.. Dan an bli lijk jktt da jk at de e bro r n nssk klle eu urige riige ge bar is g ge ema maak a t va van an cham ch am mpa pagnefl efles esse sen n en e datt de g grroe o ne e ele lem me ent nten en e n - op d de e toile oilett oi lle etttten e en de de che efs tab ble verv ve rvaa rv aard aa rdig rd dig igd d zi zijn jn uit Hei eine n ke ne kenfl nfles esse sen. se n n. Tekst Tek st Ka atja ja van Roos o mal malen e en

“TToe oen n we w met Her e ma m n iin n con o tact kwa amen, me en, vie iele le len en he hem ma alls ee e rs r te de wa warm r e klleu eurre en o op p. De p. De kle leur u en n gro oe en n en brron nsa ach chti tiig ti gb brruin uiin ap appe ell llee llee eerd rden rd e aan en an zijjn ge gevo vo oel voo o r lu uxe e. Da Datt ac a ht h er e het et gla ask ker e am amie iek k va van n Ma M gn g a ook ook no oo og ee en ve v rh rhaa al ve vers rschol ch holen e ging in ng me m t ee e n di dire rre ect cte e l nk li k naa a r zijn zijn pro zi r ffe ess ssie ie, vo ie ie, vond hij ij gewelldig” dig” di g”,, ve erttel eltt Mi Mich c ell va ch an n den n Goo orb r er e gh h van n Micch he el Op Opre ey & B Be eij ijst ijst ste ster errve veld eld d. Ook Oo k ze z lff is Va Van n de en Go G o orrbe erg rgh he h el el ent ntho tho h usiast ia astt ove er he het g het gllasske k ra ami m ek k datt sin ndss afg gel elop open pen n ja aa ar op de N Ne ede derlan la an ndsse ma nds mark r t iss. “W rk Wei enig ni g be beke ke kend end is da dat Du uit i sslla an nd ee een n gr grot ote gl ot ga assprrod oduc ucen entt is en is.. Ti T jd de en ns de d pro rodu duct du c ie van a de fl fle les esse sen n iss er re ege gelm elm mat atiig g uit itv tva vall.. Voo val. oorh hee en we w rd d t gl da glas ass weg egge gego ge gego gooi oiid. d Wat at Mag agna doe o t is dez e e fles flles esse s n ve se erz r am amel mel e en e , ve verg rgru rg gru ruiz izzen izen en, in mallle en, len en to tott 80 00 grad grrad aden en Cel elssi siu uss verrh hiitten ttten n en ve ervvol ollge gens enss de p plla atten e ond nder e gec er econ econ o di dittiion o ee eerd erd de om mst stan stan a di digh igh ghed e e ed en n in ze es u uu ur afk fkoe o le oe en. n.”” Pi Pigm gme gm ente ente en ten n word word wo rden en nie en et to toeg gev evo oegd d, bl blij i ktt als hij i v rrd ve der pra raat att. “D a “De he h rk rkom om o mst st is no n g trraccee eerb rb baa aar. r. Het r. e gro oen is He Heinek in nek e en ngr groe oe en n,, bru ruin n is de kle leur urr van u n cha hamp mp pag agne gne efl f esse esssse en en en en blauw lauw la w is de e rest re sttsttro room m van an wat ae errfl fles esse sen. Daa se sen. aarn naa aast astt ma aa akt Mag gna n wit it gla ask sker e am er a ie ek va van n fl floa oattg gla as. s. In to tota taal ta aa all zij ijn er e ach c t ti tint nten lev ever errba baar ar.”” In n GOU OUD D he hebb bben en de ge g -u up pccyc ycle cle lede e fless less le ssen e – “we en e mak a en er ee e nb be ete terr pr prod oduc od duc u t va van n me mett ee een la een lang lang nger nger ere le ere leve vens n du ns d ur” - ee en pl p ek ge evvon o de d n in hett intter erieur ieur,, maar ma aar a de to oep epas asssing gen e zij ijn n le legi gio. “D Do oor oor or de ha hardhe rdhe rd h id d en de de ong ngev evoe oeli oe lig li ig gh he hei eiiid d vo voor or vo occht cht ht is he hett glasske k ra amiek miek ook o geschi sc hiktt voo hi hikt oorr ba b dk dkam amer ers, s, als werkb kbla lad la d in keuke ke ens en alls ge geve v lb ve l ek ekle edi d ng. ng g. Al Alle le een e zal a je om dat laa aats tste e te zi zien en n naa aarr hett bu buit iten e la en land nd d m et mo eten en afr frei eize zen, ze n, bij ijvoorrbe b eld d na naar ar het et App parrt Ho Hote otel te el in n Lon nd de en off de Cu C rr rryw ywur yw urst ur ssttbu bud de in Be Berllij i n. n.”

32 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |


In beeld

| Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 33


Productnieuws Circulair bouwen

N D nieuwsB brieven Op d

e hoog productnie te blijven van al he t uws kan o ma-nieuw o sbrieven va k via de then NBD-on thema’s va line. De n komend e maand: 4 juni 2019 Zonwerin g

Direct inzicht Het duurzaamheidslabel Greenworks wordt niet langer alleen door Raab Karcher gevoerd, maar ook Oosterberg (groothandel in e-installatie) en Wasco (groothandel in w-installatie) sloten zich aan. Daardoor wordt het nog breder gedragen. Materialen die onder het Greenworkslabel vallen, hebben een zogenoemde Greenworksscore. De score wordt bepaald aan de hand van tien duurzame materiaal- en productie-eigenschappen. Het grote voordeel hiervan is dat je makkelijk kunt zien welk product het beste bij een bepaalde ambitie en project past. Ook weet je zeker dat je producten gebruikt met de beste milieukwalificaties en de laagste milieubelasting. De tien kenmerken worden afgeleid van de zogenoemde levenscyclusanalyse (LCA). wasco.nl

Het hoogste CLT-gebouw in België Het hoogste gebouw van België met CLT (cross laminated timber) staat in het centrum van Namen en heeft zes etages. Hier realiseerde Laminated Timber Solutions bovenop een betonnen kelder vijf appartementen en vijf studio’s volledig in massief kruisgelaagd hout. Deze innovatieve bouwwijze werd gekozen omwille van de uitstraling, de snelheid en eenvoud van bouwen, het lagere gewicht en de optimalisatie van de binnenruimtes. Het lagere gewicht van de panelen laat toe om het gebouw op te trekken tot de genoemde zes etages. laminatedtimbersolutions.be/nl/

18 juni 20 Inbraakbe 19 veiliging

Dragend isolatiesysteem Rockzero Bouwsystemen vormen de basis voor een innovatieve en circulaire manier van bouwen. De bouwelementen bestaan volledig uit ROCKWOOL steenwol; een duurzame isolatie die zowel luchtdicht als dampopen is. Rc-waarden tot 9 m2K/W zijn haalbaar. Vooral de combinatie van isolatie en constructieve draagkracht is bijzonder. Door de drielaags opbouw van de isolatie worden koudebruggen voorkomen. Profielen zorgen voor een eenvoudige verwerking, maar ook voor de constructieve draagkracht. Er kunnen woningen met twee verdiepingen mee gerealiseerd worden. Door de oriëntatie en persing van de vezelstructuur van steenwol aan te passen, vergrootte ROCKWOOL het dragend vermogen van de steenwol. Hierdoor biedt het systeem meer draagvermogen dan houtskeletbouw en is het draagvermogen vergelijkbaar met staal. rockwool.nl

Isolatie op basis van houtsnippers SOPREMA introduceert het nieuwe gamma PAVATEX. Een natuurlijke isolatie op basis van houtvezels. Dit gamma is volledig opgebouwd rond milieuvriendelijke principes. De natuur zelf levert de grondstof voor het houtvezelmateriaal: houtsnippers. De nieuwe lijn omvat onder andere een diffusie-open en waterwerende isolatieplaat uit houtvezels voor onderdaken en geventileerde gevels met uitstekende geluidsisolerende eigenschappen (ISOROOF) en een flexibele houtvezelisolatie (PAVAFLEX). soprema.nl

Van vloer naar stoel Normaal worden houten zitvlakken van stoelen met hitte geperst. Dit geldt niet voor het gebruikte materiaal voor de Lonc-stoel. De Slim-stoel bestaat uit Accoyahout, furniture linoleum en dik papier. Dat laatste is een restproduct uit de linoleumproductie van Forbo: het einde van de rol. Lonc vond dit een prima drager voor het furniture linoleum dat zij al wilde toepassen. Door het te persen en het furniture linoleum te bevestigen, konden twee vliegen in één klap worden geslagen: blijven werken met lokale en duurzame materialen en tegelijkertijd ervoor zorgen dat dit materiaal niet verloren gaat. De filosofie van de ontwerper is tevens om constructies zo puur en kernachtig mogelijk te houden. Om dit ontwerp te maken hoeft er slechts weinig materiaal te worden gebruikt. lonc.nl

34 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |

De redactie van dit blad aanvaardt geen verantwoordelijkheid voor de juistheid van de op deze pagina’s aangegeven eigenschappen van de besproken producten.


Hemelwaterafvoer bestaande bouw Om u een idee te geven van de vragen die bij de Helpdesk Bouwbesluit binnenkomen, wordt in elke uitgave van Bouwkwaliteit in de praktijk een telefonisch gestelde vraag en antwoord opgenomen. Vraag en antwoord zijn uiteraard geanonimiseerd.

↘ Vraag en antwoord Tekst Helpdesk Bouwbesluit

OMSCHRIJVING Hemelwaterafvoer (hwa) bestaande bouw. VRAAG Moet een bestaande woning zijn voorzien van hemelwaterafvoeren? ANTWOORD Nee. Alleen bij nieuwbouw is het aanbrengen van een hemelwaterafvoervoorziening verplicht. Voor bestaande gebouwen stelt het Bouwbesluit hieraan geen eisen.

baar niveau te beperken. Denk bij platte daken bijvoorbeeld aan noodoverstorten of een gedeeltelijk verlaagde dakrand. • Daarnaast geldt op grond van artikel 7.22 van Bouwbesluit 2012 (restrisico’s bij gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen) dat water dat van een dak zonder hwa afloopt, geen overlast mag veroorzaken voor de omgeving. Een gemeente kan in dat geval handhavend optreden.

Toelichting HEMELWATERVOORZIENING artikel 6.17, lid 1, Bouwbesluit 2012 Een dak van een te bouwen bouwwerk heeft een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater met een volgens NEN 3215 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens die norm bepaalde belasting van die voorziening.

AANVULLENDE OPMERKINGEN • Wordt aan een woning zonder hwa een uitbouw gemaakt, dan is ook daar geen hwa vereist. Bij verbouw geldt voor dit aspect namelijk dat moet worden voldaan aan het rechtens verkregen niveau. Het rechtens verkregen niveau van de bestaande woning is een dak zonder hwa. • Het feit dat een hwa niet verplicht is, wil niet zeggen dat hemelwater vanaf een dak zomaar op het erf van de buren mag lopen. Het Burenrecht (titel 5.4 Burgerlijk Wetboek) verplicht een gebouweigenaar in artikel 52 ervoor te zorgen dat water niet op andermans erf loopt. Afwateren op de openbare weg is alleen toegestaan indien dit niet in een gemeentelijke regeling is verboden. • Ook wanneer een hwa niet verplicht is, zal wel moeten worden voldaan aan de sterkte-eisen uit afdeling 2.1 van Bouwbesluit 2012. Bij de bepaling van de sterkte van de bouwconstructies moet rekening worden gehouden met de veranderlijke belasting als gevolg van neerslag. Bij het ontbreken van hwa moeten mogelijk andere maatregelen worden getroffen om deze belasting tot een aanvaard-

RESTRISICO’S artikel 7.22, Bouwbesluit 2012 Onverminderd het bij of krachtens dit besluit of de Wet milieubeheer bepaalde is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:

Bel: (085) 489 88 89 Mail: helpdeskbouwbesluit@vakmedianet.nl

Indien mogelijk ontvangt u telefonisch direct een inhoudelijke reactie op uw vraag. Voor een uitgewerkte (schriftelijke) vastlegging zullen prijsafspraken worden gemaakt.

Praktische hulp bij het nieuwe Bouwbesluit. Gratis voor u als abonnee! De technische voorschriften waaraan gebouwen moeten voldoen, zijn op 1 april 2012 veranderd met het nieuwe Bouwbesluit. Met al uw vragen hierover kunt u bij ons terecht. Speciaal voor u als abonnee is er professioneel advies door een uitgebreid team van experts beschikbaar gesteld. Deze experts zijn werkzaam bij de Nieman Groep en Geregeld BV. U kunt eenvoudig uw vraag stellen via (085) 489 88 89 of helpdeskbouwbesluit@vakmedianet.nl. Met een van de experts neemt u door wat uw vraag is.

a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid; b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein; c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein, of d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.

www.omgevingindepraktijk.nl Alle gepubliceerde vragen en antwoorden zijn te vinden op de website van Omgeving in de praktijk (www.omgevingindepraktijk.nl) en kunnen door de abonnementhouders van Omgeving in de praktijk worden geraadpleegd. Zie voor de voorwaarden www.cobouw.nl/ helpdeskbouwbesluit/ voorwaarden. Daar kunt u ook zien voor welke abonnementen van Vakmedianet deze service gratis is. Deze Vraag en antwoord is geschreven door Marjolein Berghuis (Nieman Groep), met medewerking van Hajé van Egmond (Geregeld BV). | Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 35


Toekomst van pand: transformatie of leegstand? ↘ Bouwrecht Tekst mr. K.D.C. Schemkes

In een tijd waarin veel (kantoor)panden leeg staan, bedenken mensen ook mogelijkheden om deze lege panden toch te benutten. Een mogelijkheid is deze panden te transformeren. Zo worden kantoorpanden tot appartementencomplexen en kerken tot woningen getransformeerd, teneinde langdurige leegstand te voorkomen. De leegstand is opgelost: iedereen blij, zou je denken. Een recent arrest van de Hoge Raad (zie auteursinformatie) laat echter zien dat dit soms niet het geval is. Zo meende een architect van een te transformeren kantoorpand dat hij, met de aanpassing van het pand, werd aangetast in zijn auteursrechten. Wat was de casus?

Transformatie van kantoorgebouw naar woningen. Het getoonde voorbeeld is illustratief en heeft geen directe relatie met het besproken arrest. Foto: Paul Molenaar. 36 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |


Bouwrecht

E

en kantoorpand werd getransformeerd tot woningen. Oorspronkelijk bestond het complex uit een drietal gebouwen rond een binnenhof. De eiser in deze kwestie was de architect, die in 1973 de opdracht had gekregen het complex uit te breiden met kantoorbebouwing. Het betreffende kantoorpand maakte onderdeel uit van die uitbreiding. De architect was de rechthebbende op de auteursrechtelijke persoonlijkheidsrechten ex artikel 25 Auteurswet. De architect daagde de projectontwikkelaar vervolgens voor de rechter. Hij meende dat deze een inbreuk maakte op zijn persoonlijkheidsrechten

van zijn ontwerp van de uitbreiding van het complex en in het bijzonder het ontwerp van het kantoorpand. Auteurswet Conform het bepaalde in artikel 25 lid 1 sub c Auteurswet heeft de maker van een werk (de architect) het recht zich te verzetten tegen elke wijziging in het werk, tenzij deze wijziging van zodanige aard is dat het verzet in strijd zou zijn met de redelijkheid. En conform artikel 25 lid 1 sub d Auteurswet heeft de architect het recht zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan de waarde in deze hoedanigheid (zijnde reputatieschade). Men procedeerde uiteindelijk dus tot aan de Hoge Raad over deze kwestie. De Hoge Raad geeft in dit arrest (onder andere) een handvat voor de vaststelling van de aanwezigheid van reputatieschade. Hierbij gaf de Hoge Raad aan dat het bij deze vaststelling gaat om de vraag hoe het relevante publiek er over denkt (een geobjectiveerde toets). Alle omstandigheden van het geval kunnen hierin worden meegewogen, zoals de aard en de ernst van de aantasting, de mate van bekendheid van het werk en van de maker bij het relevante publiek, de reden voor de wijziging waarin de aantasting is gelegen, de waarneembaarheid daarvan voor het relevante publiek en de tijd die reeds is verstreken tussen de voltooiing van het werk en de aantasting. Geen reputatieschade De Hoge Raad heeft in dit specifieke geval bepaald dat er geen sprake was van reputatieschade. Hierbij werd van belang geacht dat de (functionele) wijzigingen werden gemaakt in het kader van de wijziging van de kantoorbestemming naar de woonbestemming en dat deze wijzigingen niet lichtvaardig tot stand zijn gekomen. Het kantoorpand was al bijna veertig jaar ongewijzigd, had zeven jaar leeg gestaan voordat de kantoorfunctie werd gewijzigd in een woonfunctie en de aanpassingen werden ook enkel gedaan in het kader van die

nieuwe woonfunctie. De vraag vervolgens of een architect zich in redelijkheid kan verzetten tegen een wijziging (die niet leidt tot reputatieschade) moet worden beoordeeld onder artikel 25, lid 1 sub c en hierbij worden alle overige omstandigheden van het geval meegewogen. Gevolgen voor de praktijk Wat betekent dit arrest nu voor de praktijk? Welnu, het is noodzakelijk om bij de transformatie van panden na te gaan of er een inbreuk wordt gemaakt op het oorspronkelijke ontwerp. Dit zal veelal wel het geval zijn, omdat het pand een andere gebruiksfunctie heeft dan in de toekomst wordt beoogd. De vraag of de architect de transformatie met succes kan aanvechten, moet vervolgens worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij de Hoge Raad dus ook oog heeft voor het gegeven dat een pand moet worden beschermd tegen langdurige leegstand. Met andere woorden, de Hoge Raad heeft in de beoordeling onder artikel 25 Auteurswet de ruimte gevonden om transformatie mogelijk te maken. Dit maakt echter niet dat geen rekening behoeft te worden gehouden met de rechten van de architect, maar dat deze wel, in het kader van het tijdsverloop en dus het gewijzigde gebruik van een pand, in sommige gevallen zal moeten dulden dat zijn oorspronkelijke ontwerp zal worden aangetast. In de toekomst zal men wellicht meer neigen naar het bestemmingsvrij bouwen, waarbij de gebruikers van het gebouw de bestemming na voltooiing van het pand bepalen. Solids te Amsterdam is hier een voorbeeld van, al is dit project niet overwegend succesvol gebleken. Wel kan hiermee veel trammelant met de architect in de toekomst worden voorkomen, omdat het pand zelf en dus het ontwerp hiervan al inspeelt op een mogelijke wijziging van de bestemming.

↘ Informatie over de auteur Mr. K.D.C. (Kim) Schemkes is advocaat vastgoedrecht bij Bierman Advocaten. Het recente arrest van de Hoge Raad is van 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:451. | Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 37

�


Tractorband herstelt wegbermen circulair

↘ Octrooi Tekst Joost Melten

Kapotgereden bermen zijn vooral te vinden langs smalle wegen buiten de bebouwde kom. Logisch, want op zo’n weg kunnen twee auto’s of landbouwvoertuigen elkaar alleen passeren als minstens één van de bestuurders moet uitwijken naar de berm. En dat leidt daar ter plekke vaak tot beschadigingen. Om problemen met de verkeersveiligheid te voorkomen, moeten dit soort bermbeschadigingen regelmatig worden hersteld. Bijvoorbeeld door met een metalen vijzel, frees of schepbak materiaal

De tractorband verplaatst grond en stukken graszode naar de geul, waarna wielen

te halen uit het naastgelegen, onbeschadigde

van de kraan de losse stukken aandrukken.

deel van de berm. En/of door grond van elders

Wielen van de voortrijdende kraan drukken de losse stukken tot slot goed aan. Het gaat hier om een circulair proces waarbij niet elke keer nieuwe grond hoeft te worden aangevoerd. Kleis gebruikte de eerste door LMB Lotterman gebouwde bermhersteller bij zijn activiteiten in de gemeente De Wolden en gaf demonstraties aan geïnteresseerde wegbeheerders uit omringende gemeenten. Ondertussen ging het bedrijf van zijn mede-uitvinder door met het produceren van ‘Kleisers’.

aan te voeren. In plaats daarvan kan een wegbeheerder ook kiezen voor verharding van een berm met gebroken puin of grasbetonblokken. Methoden die allemaal zo hun nadelen en hun prijskaartje hebben. Een roterende tractorband is echter goed te gebruiken als flexibele bermfrees. Jan Kleis van Loonbedrijf Kleis herstelt geregeld wegbermen in de Drentse gemeente De Wolden en bedacht voor die werkzaamheden een efficiëntere herstelmethode. Samen met Sander Lotterman van LandbouwMechanisatieBedrijf Lotterman werkte hij dit idee uit tot een nieuw type bermhersteller. Het inmiddels ‘Kleiser’ gedoopte apparaat heeft een basisframe dat wordt gekoppeld aan de arm van een bescheiden mobiele kraan. Via een scharnieras is dit frame verbonden met een subframe dat door middel van hydraulische cilinders optimaal is te positioneren ten opzichte van de berm. Op dit subframe zit een hydraulische motor met een verticale as waarop een tractorband is gemonteerd. De kraan rijdt met twee van de wielen in de berm en drukt de wang van de roterende tractorband tegen de randen van de geulen en de graszode ernaast. Op deze manier woelt het apparaat grond en stukken graszode los, die het vervolgens verschuift naar de te vullen geul. 38 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |

ByTheWay Er zijn inmiddels drie typen Kleiser: de Kleiser bh (de hierboven besproken ‘klassieke’ bermhersteller), de Kleiser vr (voor bermverlaging onder bijvoorbeeld een vangrail) en de Kleiser sh (voor het verwijderen van ongewenste, spontane houtopslag). Binnen Den Wolden regelt Jan Kleis net als vroeger alles zelf. Buiten die gemeente is de exploitatie van de Kleisers in handen van het bedrijfje ByTheWay (bytheway-netherlands.com), dat Nederland in een aantal regio’s heeft opgedeeld. “In elk van die regio’s hebben we een exclusieve samenwerking met één bedrijf dat met onze apparaten bermen kan herstellen”, laat oprichter/directeur Harm Lotterman weten. “Wegbeheerders kunnen zaken doen met ons, of rechtstreeks met onze partner in de betreffende regio.” Een van die regio’s is gelegen rond De Wolden, te weten Drenthe, de Noordoostpolder, het oostelijk deel van Friesland en de noordrand van Overijssel. In die regio is Loonbedrijf Kleis de partner van ByTheWay. octrooinumer: NL2007840 houder: ByTheWay, Ruinen (gem. De Wolden) uitvinders: J. Kleis en S. Lotterman


Nieuws

Eerste Kamer stemt in met Wkb De Eerste Kamer heeft 14 mei 2019 ingestemd met een nieuw stelsel voor toezicht op de kwaliteit in de bouw. Met de wet Kwaliteitsborging voor het bouwen wordt de consument beter beschermd. Er komt een kwaliteitscontroleur die het bouwplan toetst op risico’s en op de bouwplaats controleert of het werk aan alle wettelijke bouwvoorschriften voldoet. Bouwers worden meer aansprakelijk voor de kwaliteit van hun bouwwerken. Consumenten krijgen een betere bescherming als na oplevering van een bouwwerk gebreken worden ontdekt. Dat komt door het aanscherpen van de wettelijke aansprakelijkheid van de aannemer. Verantwoordelijk minister Kasja Ollongren (BZK) is tevreden: “Het is een belangrijk moment omdat na jaren debat er nu brede parlementaire steun is voor een nieuw stelsel. Daarmee krijgen consumenten het bouwwerk waar ze recht op hebben en kunnen veiligheidsincidenten beter worden voorkomen.”

Het nieuwe stelsel treedt stapsgewijs in werking en geldt vanaf 1 januari 2021 eerst voor bouwwerken in de laagste risicoklasse. Dit zijn bijvoorbeeld eengezinswoningen en eenvoudige bedrijfspanden. Dat geeft alle betrokken partijen de kans ervaring op te doen met de nieuwe werkwijze van toezicht in de bouw.

Meer waarborgen voor veiligheid De toenemende complexiteit in de bouw maakt meer en beter toezicht noodzakelijk. Naast kwaliteit biedt de nieuwe werkwijze meer waarborgen voor de veiligheid. In plaats van de huidige, vaak papieren toets worden bouwers verplicht een onafhankelijke kwaliteitscontroleur in te schakelen. Ook wordt bij oplevering getoetst of het bouwwerk voldoet aan eisen van brandveiligheid, goede ventilatie en een laag energieverbruik. Voor de consument en voor de particuliere en professionele opdrachtgevers is van groot belang dat alles is uitgevoerd volgens de wettelijke bouwvoorschriften en gemaakte afspraken. Een publieke toelatingsorganisatie houdt toezicht op de werking van het stelsel. Bestuursakkoord Begin 2019 sloot minister Ollongren een bestuursakkoord met de VNG, waardoor bij gemeenten en andere maatschappelijke partijen breed draagvlak ontstond voor de invoering van de nieuwe wet. Met dit akkoord zijn partijen het eens over de noodzaak van een nieuw stelsel van bouwtoezicht dat de bouwkwaliteit verhoogt, het aantal incidenten vermindert en de positie van de consument beschermt. Ook is overeenstemming over de voorwaarden waaronder de gemeenten in het nieuwe stelsel hun taken kunnen vervullen. Die kunnen blijven handhaven wanneer een aannemer zich niet aan de bouwvoorschriften houdt. Het voorstel van het kabinet werd 21 februari 2017 in de Tweede Kamer met ruime meerderheid (110 stemmen) aangenomen. Het wetsvoorstel stuitte medio 2017 bij de behandeling in de Eerste Kamer op uitvoeringstechnische bezwaren. De senatoren wilden onder andere meer duidelijkheid over de informatiepositie van het gemeenten ten opzichte van de nieuwe kwaliteitscontroleurs. In afwachting van nadere afspraken met de VNG werd de behandeling van het wetsvoorstel toen aangehouden.

Kwaliteitsborger Kwaliteitsborger in de zin van de wet (Wkb) is ieder natuurlijk of rechtspersoon, die door de aanbieder van een toegelaten instrument wordt gerechtigd dat instrument toe te passen. De Toelatingsorganisatie - de op te richten ZBO - heeft tot taak na beoordeling een instrument al dan niet toe te laten tot het stelsel en de toepassing daarvan in de bouwpraktijk te controleren.

Dat gebeurt aan de hand van criteria die bij of krachtens de Wkb zijn voorgeschreven. Instrumenten die niet worden toegelaten, geschorste of ingetrokken instrumenten mogen niet worden toegepast. Het bevoegd gezag (gemeente) checkt dit bij aanvraag vergunning, voor de start van de bouw en zo nodig tussentijds.

| Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 39


Nieuws

Ingangsdatum 1 januari 2020 voor BENG niet haalbaar Recent hebben de twee grootste bouwers van de NTA 8800 software waarmee de nieuwe BENG-eisen kunnen worden berekend, gemeld dat hun software naar verwachting pas in het vierde kwartaal van 2019 kan worden gevalideerd en geattesteerd. Minister Ollongren (BZK) heeft op 26 april in een brief aan de Tweede Kamer laten weten dat hierdoor de ingangsdatum van 1 januari 2020 voor BENG-regelgeving niet meer haalbaar is. Een nieuwe ingangsdatum is nog niet bekend. Op 1 oktober 2018 hebben drie Lente-akkoord partijen een brief gestuurd aan minister Ollongren omdat zij vrezen dat de BENG-rekenpakketten te laat beschikbaar komen. Er is aan de minister gevraagd om ruim op tijd duidelijkheid te geven over de ingangsdatum van de BENG-eisen, waarbij een periode van ten minste zes maanden werd gevraagd tussen beschikbaar komen van de NTA-softwarepakketten en de wettelijke ingangsdatum. In het Algemeen Overleg Energiebesparing en energieprestatie van gebouwen van 21 februari 2019 heeft de minister desgevraagd aangegeven dat de software inderdaad zes maanden voor de inwerkingtreding gereed zou moeten zijn. Doordat de software voor de rekenmethodiek NTA 8800 ‘Energieprestatie van gebouwen – Bepalingsmethode’ pas in het vierde kwartaal van 2019 kan worden gevalideerd en geattesteerd, kan de bouwwereld pas per 1 januari 2020 over software beschikken waarmee de waarde van BENG van een nieuw te bouwen gebouw kan worden uitgerekend. “Dat betekent dat een voorgenomen datum van inwerking-

treding van de nieuwe BENG-eisen per 1 januari 2020 niet meer realistisch is”, aldus de minister in de brief aan de Tweede Kamer. Over de nieuwe inwerkingtredingsdatum zal de minister de Tweede Kamer informeren in het beleidsvoorstel dat zij naar verwachting rond 10 juni 2019 zal toezenden. Bron: Bouwend Nederland

VORM en Madaster slaan handen ineen tegen bouwafval VORM en Madaster gaan samenwerken om afval in de gebouwde omgeving te elimineren. Gebouwen worden geregistreerd in de online materialenbibliotheek Madaster van waaruit materialenpaspoorten zijn te genereren. Het registreren, ordenen, bewaren en ontsluiten van data in het Madaster-platform geeft materialen een identiteit en voorkomt dat ze eindigen als afval. Het eerste gebouw dat VORM in Madaster heeft geregistreerd, is VORM Materieel in Papendrecht.

Ook het historische pand De Nieuwe Maaskant, waar VORM Holding eind 2019 haar intrek neemt, krijgt een materialenpaspoort. Momenteel is circa veertig procent van al het afval gerelateerd aan de bouw. Het is van essentieel belang dat particulieren, ondernemers en (semi)overheid verantwoordelijkheid nemen om dit percentage zo snel mogelijk naar beneden te brengen. VORM neemt als projectontwikkelaar en bouwer haar verantwoordelijkheid door gebouwen te registeren in Madaster. Zo kan op ieder moment worden aangetoond welke materialen zich in een gebouw bevinden en is inzichtelijk wat er bij een verbouwing aan materialen vrijkomt. Dit kan enorm schelen in de hoeveelheid bouwafval en de belasting van het milieu.

Duurzaamheid en circulariteit gaan hand in hand “Als Madaster aangeeft dat een gebouw over 55 jaar nog tien procent van de oorspronkelijke waarde heeft, dan kun je met een restwaarde rekening houden in plaats van het pand volledig af te schrijven”, vertelt Erwin Boon, Innovatie Manager bij VORM. “Tijdens de ontwerpfase van een pand kan Madaster inzicht bieden in de mate van circulariteit van het nieuwe vastgoedobject. Dit geeft een volledig inzicht in de circulaire en financiële waardering van een gebouw. Hier gaan duurzaamheid en circulariteit hand in hand. Afval wordt geëlimineerd en materialen wordt nieuw leven ingeblazen.” Het Madaster-materialenpaspoort bevat informatie over de kwaliteit en herkomst van materialen, de mate van demonteerbaarheid van producten en waar zij zich bevinden in het pand. Daarnaast worden zowel de historische, actuele alsook de toekomstige waarde weergegeven. Circulaire én financiële informatiestro-men worden met elkaar verbonden. 40 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |


↘ NEN nieuws

Deze pagina’s komen tot stand

NEN

Tel. (015) 2 690 391

onder verantwoordelijkheid

Vlinderweg 6

www.nen.nl

van NEN.

2623 AX Delft

Bouw@nen.nl

Norm en praktijkrichtlijn ‘Bevestiging dakbedekkingen’ voor commentaar gepubliceerd Er is gewerkt aan de herziening van NEN 6707 en NPR 6708. Waar de norm (NEN 6707) aangeeft wat de eisen en bepalingsmethoden zijn voor de bevestiging van dakbedekkingen, geeft de bijbehorende praktijkrichtlijn (NPR 6708) inzicht in hoe de norm gebruikt moet worden. De normenreeks NEN-EN 1990 tot en met NENEN 1999 (Eurocodes) is de basis voor het maken van constructieve berekeningen. NEN 6707 geeft aanvulling op de eisen en bepalingsmethoden voor de berekening van de bevestiging van dakbedekkingen.

Wijzigingen De belangrijkste wijzigingen die in Ontwerp NEN 6707:2019 zijn opgenomen ten opzichte van de versie uit 2011 zijn: • uitbreiding van het toepassingsgebied met plaatvormige dakbedekking, zoals zinken of koperen dakbedekking en aanpassing van

de inhoud hierop; • aanpassingen met betrekking tot partiële factoren; • aanpassingen om aan te sluiten bij de meest recente versies van normen waar naar wordt verwezen. Voor Ontwerp NPR 6708 geldt dat de wijzigingen bestaan uit: • de toevoeging van specifieke regels voor metalen dakbedekkingen; • aanpassingen met betrekking tot de aansluiting op testmethodes; • aanpassingen om aan te sluiten op de herziene versie van NEN 6707, met betrekking tot partiële factoren.

Commentaar indienen Belanghebbenden kunnen tot 15 juli 2019 via www.normontwerpen.nen.nl commentaar indienen op het ontwerp van NEN 6707:2019 en NPR 6708:2019. Het is voor iedereen mogelijk

de ontwerpnormen in te zien en elektronisch commentaar in te dienen.

Meer informatie Voor informatie over deze norm(en) of over het normalisatieproces: Remco Vroegop, consultant Bouw, mb@nen.nl. Wilt u als belanghebbende partij meepraten over de ontwikkeling van normen op dit gebied? De werkgroep ‘Veiligheid van de bevestiging van dakbedekking’ houdt zich bezig met normalisatie op het gebied van bepalingsmethoden van de belasting (door wind) op daken en de sterkte van de bevestiging van alle soorten dakbedekkingen. Deze werkgroep valt onder de normsubcommissie ‘TGB Basiseisen en belastingen’ en de normcommissie ‘TGB Plenair’. Stuur voor deelname aan of meer informatie over deze werkgroep en/of norm(sub)commissie een e-mail naar mb@nen.nl.

| Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 41


Afspraken over gebouw- en buitenriolering binnen het perceel herzien De nationale norm voor gebouwriolering en buitenriolering binnen de perceelgrenzen is in december 2018 met aanvullingsblad A1 op diverse punten verbeterd. Tegelijkertijd is NTR 3216 ‘Riolering van bouwwerken - Richtlijn voor ontwerp, uitvoering en beheer’ in lijn met NEN 3215 aangepast. NEN 3215+C1+A1:2018 ‘Gebouwriolering en buitenriolering binnen de perceelgrenzen - Bepalingsmethoden voor de afvoercapaciteit, wateren luchtdichtheid en afstand van dakuitmondingen’ geeft bepalingsmethoden en voorwaarden voor de riolering in bouwwerken voor de afvoer van huishoudelijk afval- en hemelwater met betrekking tot: • het primair ontspanningssysteem voor huishoudelijk afvalwater; • soventstandleidingen in hoogbouw voor huishoudelijk afvalwater; • het systeem van overlaatstroming voor afvoer van hemelwater; • het UV-systeem voor afvoer van hemelwater; • het vrijvervalsysteem voor huishoudelijk afvalwater en hemelwater (voor de buitenriolering binnen het perceel).

NEN 3215+C1+A1:2018 De volgende wijzigingen zijn in NEN 3215+C1 verwerkt: • aanpassing van het voorwoord in verband met de status van de ingetrokken NVN 12056 ‘Verkenning van de Europese normserie NEN-EN 12056 - 1 t/m 5 versus NEN 3215’; • nieuwe inzichten in de combinatie van verschillende ontspanningsleidingen hebben geleid tot wijzigingen in de leidingconfiguratie van

aansluitvrije zones, aansluitingen op standleidingen en verzamelleidingen en gecombineerde ontspanningsleidingen; • voor platte groendaken met een helling ≤ 5° is de reductiefactor voor de regenintensiteit aangepast en vastgesteld voor vier verschillende dikten substraatlaag. Voor de overige platte daken geldt een helling van ≤ 3°; • een aantal figuren is verbeterd.

NTR 3216:2018 De Nederlands Technische Richtlijn, NTR 3216, is aangepast naar aanleiding van de wijzigingen in NEN 3215+C1+A1 en gaat hier uitgebreider op in. Daarnaast wordt in de herziene NTR 3216 aandacht besteed aan: • een rekenmethode voor het rekenen aan gecombineerde ontspanningsleidingen; • het omgaan met overbruggen van dilataties in vloeren; • beugeling en niet-trekvaste verbindingen; • verduidelijking van noodafvoervoorzieningen; • veiligheid op platte daken. Meer informatie Voor informatie: neem contact op met NEN Klantenservice, telefoon (015) 2 690 391 of e-mail: klantenservice@nen.nl. Voor inhoudelijke informatie over deze norm of over het normalisatieproces: Saskia Schulten, consultant, telefoon (015) 2 690 129 of e-mail: bi@nen.nl.

Ontwerp ‘bepaling van brandgevaarlijk zijn van daken’ ter commentaar gepubliceerd Onlangs is de ontwerpherziening voor bepaling van brandgevaarlijk zijn van daken, ontw. NEN 6063:2019, gepubliceerd voor commentaar. Deze norm omschrijft de experimentele bepaling (inclusief klassering) van het brandgevaarlijk zijn van daken bij blootstelling aan vliegvuur. Ook gaat de norm in op de beperkte warmtestralingsintensiteit in Nederland. De herziening is van groot belang vanwege de publicatie van NEN-EN 13501-5 en NPR-CEN/TS 1187. Actualisatie van NEN 6063:2008 is daarbij noodzakelijk. NEN-EN 13501-5 en NPR-CEN/TS 1187 zijn ontwikkeld in het kader van de richtlijn bouwproducten voor CE-markering voor het brandgevaarlijk zijn van daken. De Europese norm EN 13501-5 en de Europese Technical Specification, CEN/TS 1187, geven verschillende methoden voor de bepaling van het brandgevaarlijk zijn van daken waaruit elk Europees land een keuze kan maken. In Nederland zijn NEN-EN 13501-5 en NPR-CEN/TS 1187 bedoeld om de karakteristieke eigenschappen van dakbedekkingsproducten voor CE-markering te kunnen bepalen. Het ontwerp van NEN 6063 is bedoeld om daken van gebouwen te beoordelen op brandveiligheid in het kader van het Bouwbesluit 2012. 42 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |

Wijzigingen De verschillen tussen dit normontwerp en de versie uit 2008 zijn: • NVN-ENV 1187 is vervangen door NPR-CEN/TS 1187; • Bouwbesluit 2003 is vervangen door Bouwbesluit 2012; • het onderwerp en het toepassingsgebied zijn aangepast; • bij de extrapolatieregels is een tekst opgenomen betreffende gekleefde systemen. Meer informatie of meepraten over de inhoud van normen Voor informatie over deze norm(en) of over het normalisatieproces: Rob Kotte, Secretaris normcommissie ‘Brandveiligheidsaspecten bouwproducten en bouwdelen’, telefoon (015) 2 690 324 of e-mail: bi@nen.nl. Wilt u als belanghebbende partij meepraten over de ontwikkeling van normen op dit gebied? De normcommissie ‘Brandveiligheidsaspecten bouwproducten en bouwdelen’ houdt zich bezig met de Nederlandse normen voor brandproeven voor bouwproducten en de Nederlandse inbreng bij Europese en mondiale normen voor brandproeven. Stuur voor deelname aan of meer informatie over deze commissie een mail naar bi@nen.nl.


Faalkosten in bouw lopen jaarlijks op tot miljarden euro’s Bijna vier op de tien bedrijven in de bouw- en vastgoedsector schatten dat hun faalkosten 5 procent of meer bedragen. Dat blijkt uit het onderzoek ‘Verspilde moeite’ van ABN AMRO. Deze kosten lopen hierdoor jaarlijks op tot miljarden euro’s. Een van de vijf aanbevelingen om de faalkosten te verlagen is innovatie en standaardisatie. Normalisatie speelt hierbij een belangrijke rol. De bouwsector presteert de laatste jaren goed: het bouwvolume is hoger dan voor de crisis en orderportefeuilles bereiken recordhoogtes. De winstmarges van bouwbedrijven blijven echter laag en faalkosten spelen hierbij een belangrijke rol. Faalkosten zijn daarbij alle extra kosten die worden gemaakt om zaken te herstellen die niet volgens de specificaties zijn geproduceerd of als deze niet voldoen aan de verwachtingen van de klant. Deze faalkosten in de bouw zijn hoger dan in andere sectoren. Dit wordt volgens ABN AMRO vooral veroorzaakt door de vele verschillende partijen die betrokken zijn bij de bouw, de scheiding tussen ontwerp, uitvoering en beheer en het feit dat elk project anders is.

Faalkosten geaccepteerd? Faalkosten in de bouw zijn hardnekkig en komen zowel in een hoog- als laagconjunctuur voor. Tijdens een laagconjunctuur schrijven bouwbedrijven vaak te laag in op aanbestedingen en accepteren ze te veel risico’s. Hierdoor is het vervolgens moeilijk om binnen budget en planning te werken. In de huidige hoogconjunctuur zijn faalkosten vaak het gevolg van de hoge tijdsdruk, de schaarste aan materieel en vooral het tekort aan gekwalificeerd personeel. Bovendien geeft de laagste prijs bij veel aanbestedingen nog steeds de doorslag. Faalkosten lijken dus een bijna geaccepteerde inefficiëntie in de bouwsector: 90 procent van de bouwbedrijven is zich bewust van de faalkosten in hun bedrijf. Gezien de omvang hiervan is het echter opvallend dat ruim een kwart aangeeft dat het terugdringen van faalkosten geen prioriteit heeft binnen hun bedrijf. Vijf aanbevelingen ABN AMRO doet in het onderzoeksrapport ‘Verspilde moeite’ vijf aanbevelingen om faalkosten in de bouw te reduceren: • Goede voorbereiding is het halve werk.

• • • •

Samen kom je verder. Op ervaring kun je bouwen. Innovatie en standaardisatie. Deel kennis met elkaar en leer van fouten.

Faalkosten verminderen Langjarige samenwerking en gestandaardiseerde processen zijn nog geen gemeengoed in de bouw. ABN AMRO benadrukt dat dit juist cruciaal is om de faalkosten te verlagen. Zo kunnen veel fouten voorkomen worden door betere samenwerking en communicatie. Het terugdringen van deze fouten zorgt tevens voor minder materieelverlies en een efficiëntere inzet van de schaarse manuren. “In een sector waarbij zoveel partijen samen één product maken, is goede samenwerking en communicatie cruciaal. Dat is mogelijk door kennis te delen en te leren van gemaakte fouten. Die kennis moet door partijen weer ingebracht worden in de voorbereidingsfase, juist in die fase kan met lerend vermogen het verschil gemaakt worden”, zegt Petran van Heel, Sector Banker Bouw en Vastgoed van ABN AMRO. “Meer tijd besteden aan de wensen en eisen van de opdrachtgever, een realistische planning en het tijdig in kaart brengen en bespreken van risico’s dragen bij aan lagere faalkosten. Procesoptimalisatie door partnerships en automatisering kan hierbij helpen. Door nu in te zetten op innovatie kunnen bouwbedrijven zorgen voor lagere faalkosten op langere termijn.” Standaardisatie = normalisatie Een van de aanbevelingen in ‘Verspilde moeite’ is het nastreven van innovatie en standaardisatie. Procesoptimalisatie en procesinnovatie, zoals efficiënter plannen, digitalisering en automatisering, helpen bij het voorkomen van fouten en het verlagen van de kosten. De geïnterviewde bedrijven geven aan dat, hoewel de noodzaak in de huidige hoogconjunctuur laag lijkt, het juist nu van belang is om verder te innoveren en te verbeteren. Door nu in te zetten op innovatie zorgen bedrijven voor lagere (faal)kosten op de langere termijn. De meeste geïnterviewde bedrijven komen met voorbeelden van innovatie, terwijl dit bij de geënquêteerde bedrijven in mindere mate naar voren komt. Standaardisatie van het proces, product en project is ook innovatie. Een belangrijke pijler onder standaardisatie, is normalisatie. Normalisatie is het proces om te

komen tot een norm. Dit proces is open, transparant en gericht op consensus en vindt plaats in normcommissies die bestaan uit vertegenwoordigers van alle betrokken partijen. Dit gebeurt niet alleen op nationaal niveau, maar ook in Europees en mondiaal verband. Een norm is uiteindelijk een vrijwillige afspraak tussen partijen over een product, dienst of proces. Normen zijn geen wetten, maar ‘best practices’. Iedereen kan - op vrijwillige basis - hier zijn voordeel mee doen. In overeenkomsten hebben normen een belangrijke functie. Ze bieden marktpartijen duidelijkheid over en vertrouwen in producten, diensten of organisaties. Onduidelijkheid is een bekende bron van faalkosten. Vertrouwen is nodig voor samenwerking en samenwerking is nodig om faalkosten tegen te gaan. Verder dagen normen de maatschappij uit te innoveren, en ook dat kan weer leiden tot reductie van faalkosten. Normalisatie speelt hiermee een belangrijke rol bij een betere efficiency in onder meer de bouwsector. Normen zijn dus zeker de moeite waard.

Welke normen spelen een rol in de bouwsector? Wilt u weten naar welke normen de bouwregelgeving (Bouwbesluit) verwijst? Ga dan naar nen.nl/bouwregelgeving. Omgaan met risico’s Wilt u als bedrijf leren hoe u risicomanagement tijdens aanbestedingen en in de uitvoering van bouwprojecten kunt toepassen? Hoe u faalkosten kunt beperken of zelfs tegengaan? Bekijk de bedrijfstraining: ‘Risicomanagement in de bouw’ op nen.nl/bouwrisicomanagementtraining. | Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 43


NEN CONNECT

WERK SLIMMER MET NORMEN • Beschik altijd over de actuele normen • Beheer al uw normen op één plek, overal toegankelijk • Bespaar tijd en geld voor u en uw collega's Registreer gratis via www.nenconnect.nl

ALTIJD ACTUEEL, MAKKELIJK EN BETROUWBAAR.


Overzicht nieuwe normen en normen voor commentaar 13.220.40

Brandgedrag/brandvoortplanting en ontvlambaarheid van materialen en producten

NEN-EN 1047-2:2019 en

Waardeberging - Eisen en beproevingsmethoden voor de brandwerendheid - Deel 2: Brandwerende archieven en datacontainers

NEN-EN-ISO 19353:2019 en

Machineveiligheid - Brandpreventie en -beveiliging

13.220.50

Brandwerendheid van bouwmaterialen en bouwdelen

NEN 6063:2019 Ontw. nl

Deze norm regelt de experimentele bepaling (inclusief klassering) van het brandgevaarlijk zijn van daken bij blootstelling aan vliegvuur en een beperkte warmtestralingsintensiteit. In deze norm geldt dat onder een dak ook dakdoorbrekingen, lichtstraten, enz. vallen. Deze norm is niet geschikt voor bepaling van het brandgedrag van begroeide daken en PV-modules.

NEN 6075:2019 Ontw. nl

NEN 6075 geeft de methode voor de bepaling van de weerstand tegen rookdoorgang tussen ruimten in bouwwerken.

NEN-EN 1366-1:2014/Ontw. A1:2019 en

Bepaling van de brandwerendheid van installaties - Deel 1: Ventilatiekanalen

NEN-EN 1366-12:2014/Ontw. A1:2019 en

Bepaling van de brandwerendheid van installaties in gebouwen - Deel 12: Niet-mechanische brandkleppen

NEN-EN 1366-8:2019 Ontw. en

Bepaling van de brandwerendheid van installaties - Deel 8:Rookafvoerkanalen

NEN-EN 14187-7:2019 en

Koud aangebrachte voegafdichtingsmaterialen - Beproevingsmethoden - Deel 7: Bepaling van de vlambestendigheid

13.320

Alarm- en waarschuwingssystemen

NEN-EN 17355:2019 Ontw. en

Railway applications - Communication device for urban rail - System requirements

81.040.20

Glas in de bouw

NEN-EN 12488:2019 en

Glas voor gebouwen - Beglazingsaanbevelingen - Montage principes voor verticale en hellende beglazing

NEN-EN 12898:2019 en

Glas voor gebouwen - Bepaling van het emitterend vermogen

91.010.30

Technische aspecten

NEN-EN 1992-1-1+C2:2011/NB:2016/ A1:2019 Ontw. nl

Nationale bijlage bij NEN-EN 1992-1-1+C2 Eurocode 2: Ontwerp en berekening van betonconstructies - Deel 1-1: Algemene regels en regels voor gebouwen

91.040.10

Openbare gebouwen

NEN-ISO 22259:2019 en

Conference systems - Equipment - Requirements

91.060.20

Daken

NEN 2087:2019 Ontw. nl

Bepaling aandeel organisch materiaal van gewapende bitumen banen en de deklagen daarvan

NEN 6063:2019 Ontw. nl

Bepaling van het brandgevaarlijk zijn van daken

91.080.10

Metaalconstructies

NEN-EN 1090-3:2019 en

Het vervaardigen van staal- en aluminiumconstructies - Deel 3: Technische eisen voor aluminium constructies

91.080.40

Betonconstructies

NEN 6008:2008/A1:2019 Ontw. nl

Betonstaal

NEN-EN 1992-1-1+C2:2011/NB:2016/ A1:2019 Ontw. nl

Nationale bijlage bij NEN-EN 1992-1-1+C2 Eurocode 2: Ontwerp en berekening van betonconstructies - Deel 1-1: Algemene regels en regels voor gebouwen

91.100.10

Cement. Gips. Kalk. Mortel

NEN-EN 197-2:2019 Ontw. en

Cement - Deel 2: Conformiteitsbeoordeling

91.120.10

Warmte-isolatie van gebouwen

NPR-CEN/TR 15316-6-3:2019 en

Energieprestatie van gebouwen - Berekeningsmethode voor de systeemenergiebehoefte en het systeemrendement - Deel 6-3: Toelichting en verantwoording van EN 15316-3, Module M3-6, M4-6, M8-6

91.140.10

Centrale verwarmingssystemen

NPR-CEN/TR 15316-6-3:2019 en

Energieprestatie van gebouwen - Berekeningsmethode voor de systeemenergiebehoefte en het systeemrendement - Deel 6-3: Toelichting en verantwoording van EN 15316-3, Module M3-6, M4-6, M8-6

91.140.30

Ventilatie- en klimaatregeling

NEN-EN 1366-1:2014/Ontw. A1:2019 en

Bepaling van de brandwerendheid van installaties - Deel 1: Ventilatiekanalen

NEN-EN 1366-12:2014/Ontw. A1:2019 en

Bepaling van de brandwerendheid van installaties in gebouwen - Deel 12: Niet-mechanische brandkleppen

NPR-CEN/TR 15316-6-3:2019 en

Energieprestatie van gebouwen - Berekeningsmethode voor de systeemenergiebehoefte en het systeemrendement - Deel 6-3: Toelichting en verantwoording van EN 15316-3, Module M3-6, M4-6, M8-6

NVN-CEN ISO/TS 21083-2:2019 en

Beproevingsmethode om de efficiëntie van luchtfilter media voor sferische nanomaterialen te meten - Deel 2: Deeltjesgrootte van 3 tot 30 nm

91.140.65

Warmwaterinstallaties

NPR-CEN/TR 15316-6-3:2019 en

Energieprestatie van gebouwen - Berekeningsmethode voor de systeemenergiebehoefte en het systeemrendement - Deel 6-3: Toelichting en verantwoording van EN 15316-3, Module M3-6, M4-6, M8-6

91.140.80

Binnenriolering

NTR 3216:2018 nl

Riolering van bouwwerken - Richtlijnen voor ontwerp, uitvoering en beheer

| Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 45


↘ Verenigingsnieuws VBWTN Deze pagina’s komen tot stand onder verantwoordelijkheid van de Vereniging BWT Nederland. Kijkt u ook eens op www.bwtinfo.nl voor algemene berichtgeving over ons vakgebied en www.vereniging-bwt.nl met specifiek verenigingsnieuws.

Secretariaat VBWTN Het secretariaat is gevestigd bij de Vereniging Stadswerk Nederland.

Vereniging BWT Nederland Postbus 416 6710 BK Ede

Tel. 0318 – 43 83 40 www.bwtinfo.nl www.vereniging-bwt.nl

Leiderschap in een nieuwe omgeving Op 5 juni 2019 vindt het jaarlijkse Managementsymposium van de Vereniging BWT Nederland plaats. Tijdens dit managementsymposium staat de nieuwe rol van de leidinggevende VTH met de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging centraal. De managers en andere deelnemers aan het managementsymposium worden meegenomen in het onderwerp: ‘De Wolf & Leiderschap’.

D

e zeer boeiende lezing ‘De Wolf & Leiderschap’ die momenteel ook in theaters wordt gepresenteerd, wordt gehouden door Hugh Jansman en prof. dr Bas Kodden. Jansman is wildlife ecologist bij Wageningen Environmental Research Centre en tevens de absolute specialist op het gebied van wolven in Europa. Kodden is directeur Executive MBA Nyenrode Business University. Samen nemen ze de deelnemers mee in leiderschap in de dierenwereld en in het bijzonder de wolf die haar leiderschapsvaardigheden vol moet inzetten om in een nieuwe leefomgeving overeind te blijven. We kunnen namelijk veel leren van de wolf die ook in een voor haar nieuwe leefomgeving moet zien te overleven. En dit doet de

wolf door leiderschap te tonen en vooral door zich aan te passen aan de veranderingen die voor dit overleven in deze nieuwe leefomgeving noodzakelijk zijn. Verder wordt u tijdens het managementsymposium uiteraard bijgepraat over de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Ook komt het implementatietraject aan bod, aangezien dan de Eerste Kamer heeft gestemd over deze wet en we weten of we met of zonder deze wet deze nieuwe leefomgeving ingaan. Het laatste inhoudelijke onderwerp betreft de Levende Lerende community BWT die inmiddels wordt opgezet en moet gaan uitgroeien tot een landelijke intergemeentelijke samenwerking op ons vakgebied. Het gaat hier over samenwerking tussen vakmensen en vooral

over het overdragen, delen en verder verbeteren van deze kennis. ALV Een kort onderdeel van het managementsymposium is de jaarlijkse Algemene Ledenvergadering. In dit gedeelte hebben de vertegenwoordigers van de gemeentelijke leden en de GOL (Gemeenschappelijke Openbare Lichamen)-leden stemrecht. Het managementsymposium van de Vereniging BWT Nederland is daarnaast natuurlijk de uitgelezen kans om op managementniveau met elkaar te netwerken over alle ontwikkelingen binnen het Bouw- en Woningtoezicht. Hier is ook voldoende ruimte voor opgenomen in het programma en de prachtige locatie zal hier zeker positief aan bijdragen. Locatie Het managementsymposium wordt gehouden in Villa Jongerius in Utrecht, op 10 minuten lopen van het Centraal Station en gelegen naast de Jaarbeurs. Villa Jongerius is een Rijksmonument en kent een lange geschiedenis van leiderschap. Kijk voor een impressie van de locatie op www.villajongerius.nl. Inschrijven voor het managementsymposium kan via www.vereniging-bwt.nl.

46 | www.nbd-online.nl en www.omgevingindepraktijk.nl |


Verenigingsnieuws VBWTN

Regiodag in Eindhoven.

Terugblik op vijf boeiende regiodagen In april zijn door het land heen vijf zeer interessante VBWTN-regiodagen gehouden. De presentaties van deze regiodagen zijn allemaal te vinden op de website www. bwtinfo.nl of op www.vereniging-bwt.nl. Naast de presentaties die op iedere regiodag zijn gehouden, zoals de actualiteiten Bouwbesluit, het toekomstige vergunningvrije bouwen en de presentatie over het bestuursakkoord, was er op iedere regiodag ook een lokaal onderwerp waarover een presentatie is gehouden. Drie van deze lokale presentaties willen wij graag onder uw aandacht brengen.

In Nijmegen stond het onderwerp ‘Chroom 6’ centraal. Een presentatie over de risico’s voor omgeving en degene die er mee moeten werken en ermee in aanraking kunnen komen, zoals de toezichthouder. In Eindhoven werden de deelnemers meegenomen in de ontwikkelingen van de afdeling VTH in Eindhoven met het thema ‘Verder leren kijken’. Hierin werd ingegaan op de nieuwe competenties van de medewerker die onder de Omgevingswet en Wkb meer als adviseur, facilitator en partner in de keten zal moeten gaan werken. In Amsterdam ging de presentatie over ‘Casco funderingsonderzoek en de huidige

bouwdynamiek in Amsterdam’ In deze presentatie vindt u mooie tekeningen van de in Amsterdam door de jaren heen toegepaste funderingstechnieken. Deze technieken zijn in deze binnenstad op palen een blijvende uitdaging om hetgeen er bovenop is gebouwd overeind te houden. Erg interessant waren ook de vijf verschillende presentaties van kwaliteitsborgers die vanuit hun eigen optiek de samenwerking tussen de gemeenten en de kwaliteitsborgers wisten toe te lichten. Het is dan ook zeer de moeite waard deze presentaties een keer rustig te bekijken.

| Bouwkwaliteit in de Praktijk | nr. 4 mei 2019 | 47


84-+4KUKEQ%NCUUKÆ’ECVKG7KVIGDTGKF     *   $"*+)%#%$""# !"

&%)**(( ) &"#))*

%# !", #  %)'#%,&&(-&% %%

&$ %* ),%)$%%%, #  %)

( !,%&&%(- !) %)*## %%$&+# )

$*(#% ,&#&%%,( )*% ,+)

%')*%)(&' ,%  

#), #  %&'.- !.-&(*+ *,&(

 ) %)!%+( ,% *!(,%"(* )

* %*(% &  $GXGKNKIKPIUEGTVKÆ’ECCVMCPYQTFGPCHIGIGXGP

&&($ #,%* %,&(%,%%%*# ,%) % $&+#-&(**%*"

$GUVGNFG84-+4KUKEQ%NCUUKÆ’ECVKG7KVIGDTGKF

&+$%*)$%)*# *&+$%*

OQFWNG75$UVKEMGPUVGNCCPFGJCPFXCP

,&($**+ *%)'+%*,&&(*&'*)*##%

FG\GRTCMVKUEJGVQGRCUUKPIXCPFG84-+QRGGP

, #  %)'#%%(%"&''#*

GGPXQWFKIGOCPKGTFGLWKUVGTKUKEQMNCUUGXCPGGP

(&($$,% )%,(!(- !. *

YQPKPIDGFTKLHQHQPFGTYKLUKPUVGNNKPIXCUV

(# %%-&(**'(&($$%')* %+   )%

)CXQQTOGGTKPHQTOCVKGQHWYDGUVGNNKPI PCCTYYYXCMOGFKCPGVUJQRPNXTMK

     2TKLUŹÅ&#x;RGTLCCT GZENDVY 

Profile for B+B Vakmedianet

Bouwkwaliteit in de Praktijk Nr. 4. 2019  

Bouwkwaliteit in de Praktijk Nr. 4. 2019