Page 1

Zesde jaargang nr.3 JUNI 2013

BR ME AN ER DV NI EIL EU IG WS .CO M

Meesterwerk in het Rijks Verschuivingen in rolverdeling brandbeveiliging Bouwvoorschriften zijn minimumeisen Thema Fire Safety Engineering

FSE: wat, waarom en hoe?


Inhoud

12

Thema Fire Safety engineering

26 8 | FSe: wat, waarom en hoe? 12 | FSe als basis

17

14 | Werken met Fire Safety engineering 16 | Gastcolumn Frank van elsen 17 | meesterwerk in het Rijks 20 | Uit het brandlab

24

24 | Verschuivingen in rolverdeling

Verder in dit nummer

26

6

Nieuws

26

MeMbraaNeffect staalplaat-betoNvloer blootgelegd

30

oNduidelijkhedeN NorMeN braNdveiligheid belicht (2)

32

schadepraktijk

33

praktijktoepassiNg

35

coluMN joric witlox

36

braNche-iNforMatie vbe

38

bedrijveNiNdex

nummer 3

juni 2013

3


Zekerheid in brandwerend afdichten

• De specialist voor brandwerende afdichtingen • Volledig gecertificeerd assortiment voor bouwkundige compartimentering • Advies, trainingen en projectbegeleiding

Tremco illbruck B.V. • Postbus 20, 4240 CA Arkel Tel: (0183) 56 80 19 • Fax: (0183) 56 80 10 info@nullifire.nl • www.nullifire.nl


Colofon B+B VAKMEDIANET

Brandveilig.com is een uitgave van Vakmedianet Hoofdredacteur Arjen de Kort, arjendekort@vakmedianet.nl Eindredacteur Monique van der Woude Medewerkers aan deze uitgave Dennis van Asselt, Gisela van Blokland, Frank van Elsen, Ralph Hamerlinck, Erik Janse, Foka Kempenaar, Willem van Oppen, Leo Porrio, Rob Stark en Joric Witlox Redactieraad

De redactieraad adviseert de redactie van Brandveilig.com. De uitingen geven echter niet per se de mening weer van de leden.

Coen van Beek, Eric Bosscher, Xander van Bree, Arnoud Breunese, Maarten de Groot, Dingeman de Jong, Johan Koudijs, Leo Oosterveen en Joric Witlox Art Direction Mr. Richardson Vormgeving Publish Impulse Group - Cross Media Solutions Alphen aan den Rijn Coverbeeld afdeling Communicatie ministerie van BZK Uitgever Ruud Bakker, ruudbakker@vakmedianet.nl Marketing Leendert van Wezel, leendertvanwezel@vakmedianet.nl Juliette Lammers, juliettelammers@vakmedianet.nl Accountmanager Marion Smits, marionsmits@vakmedianet.nl Michel Lases, michellases@vakmedianet.nl Abonnementenadministratie & Traffic klantenservice@vakmedianet.nl, tel. 088 - 5840888 Adres Vakmedianet, Postbus 448, 2400 AK Alphen aan den Rijn Tel. 088-5840918 www.brandveilig.com, info@brandveilig.com Abonnementen Brandveilig.com is een tweemaandelijkse uitgave. Abonnement: Nederland € 97,50, overige landen € 120,00, los nummer € 17,00. Prijzen exclusief BTW. Abonnementen worden automatisch verlengd, tenzij twee maanden voor vervaldatum schriftelijk is opgezegd. Bankrelatie ING bank 65.23.73.763 Druk Van der Wiel & Rosmalen Drukkers, Arnhem Doelgroep Professionals op het gebied van brandveiligheid, zoals architecten, aannemers, preventisten, brandweer, adviseurs, installateurs, leveranciers en beslissers op het gebied van facilitair management in bedrijf en gebouw.

Weg met de regelgeving? In mijn column in Brandveilig.com nummer 2 ging ik uitgebreid in op de uitkomsten van een enquête onder veiligheidsprofessionals. Een van de punten betrof het feit dat veiligheidsprofessionals aangaven dat zij in hun werk worden belemmerd door de regelgeving op het terrein van brandveiligheid. Deze regels zijn volgens 45 procent van de respondenten vaak onduidelijk. Of dit nu in de praktijk betekent dat die professionals wel graag regels hebben, maar dat zij van mening zijn dat deze duidelijker zouden moeten zijn, blijkt niet uit de resultaten. Ik zou mij dat echter wel kunnen voorstellen, want professionals hebben toch vaak van nature graag houvast aan wet- en regelgeving. Al was het maar om anderen van het belang van bepaalde in hun ogen te nemen maatregelen en de daarmee gepaard gaande uitgaven te overtuigen. Het zijn volgens mij juist meestal ondernemers die minder gecharmeerd zijn van wet- en regelgeving en al jaren roepen om deregulering. In brandveiligheid zien we inmiddels een beweging waarbij een minder gedetailleerde regelgeving - het nieuwe Bouwbesluit - hand in hand gaat met een door professionals gedragen methodiek: Fire Safety Engineering, waarbij niet de regelgeving centraal staat maar de brandveilige oplossing. Een nobel streven, zeker omdat - zoals al eens eerder geschreven in dit blad - het bij (nieuwe) regelgeving altijd maar de vraag is of deze ook leidt tot meer brandveiligheid. Deze ontwikkeling legt echter in mijn ogen wel een stevige verantwoordelijkheid bij diezelfde brandveiligheidsprofessionals; zij hebben immers kennis van zaken. Zeker nu gebouweigenaren als gevolg van het nieuwe Bouwbesluit een steeds grotere verantwoordelijkheid krijgen en daarbij door datzelfde Bouwbesluit minder kunnen terugvallen op gedetailleerde regelgeving. Ik zou mij kunnen voorstellen dat gebouweigenaren en ondernemers - hoe zeer zij gedetailleerde regeltjes wellicht ook verafschuwen - hier af en toe toch een wat ongemakkelijk gevoel bij hebben. In dit nummer daarom de stand van zaken rond FSE op een rijtje: een verhelderend overzichtsartikel, een interview met een expert - Peter van de Leur - die zegt dat juist als vastomlijnde richtlijnen (nog) ontbreken, je met Fire Safety Engineering als basis tot een robuust resultaat kunt komen, en een tweetal voorbeelden van werken met FSE in de praktijk.

Copyright Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopie-en, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande toestemming van de uitgever. Disclaimer Alle in Brandveilig.com opgenomen informatie is met de grootste zorgvuldigheid samengesteld. De juistheid en volledigheid kunnen echter niet worden gegarandeerd. B + B Vakmedianet en de bij deze uitgave betrokken redactie en medewerkers aanvaarden dan ook geen aansprakelijkheid voor schade die het directe of indirecte gevolg is van het gebruik van de opgenomen informatie. B + B VAKMEDIANET IS AANGESLOTEN BIJ HET OPLAGE INSTITuuT (HOI) ISSN-NuMMER: 1876-5750

Arjen de Kort hoofdredacteur Brandveilig.com arjendekort@vakmedianet.nl nummer 2

mei 2013

5


Nieuws

Agenda 25 juni Congres over Duurzame inzetbaarheiD Doorn www.overDi.nl/Congres

Meer informatie over alle activiteiten: www.brandveilig.com

27 juni Dag van De preventiemeDewerker Doorn www.DagvanDepreventiemeDewerker.nl

18 juli branDveiligheiD van gebouwen www.seCuritymanagement. nl (onDer opleiDingen imF)

21 november bbn Congres – branD je niet aan De Centen nieuwegein www.bbn.nu

Innovatieprijs Brandveiligheid voor LogboekenOnline Tijdens het Nationaal Brandveiligheidscongres 2013 is de Innovatieprijs Brandveiligheid gewonnen door LogboekenOnline. Het gaat hier om eenvoudig te gebruiken internetsoftware waarmee alle betrokken partijen tijdens ontwerp, bouw, en beheer van brandveiligheidsinstallaties samenwerken. Met dit internetlogboek kunnen de actoren elkaar aanvullen in één online logboek, dat met email iedereen automatisch informeert. Met de ingebouwde app is het mogelijk beheer conform NEN 2654 uit te voeren. De Innovatieprijs Brandveiligheid is voor de vijfde keer uitgereikt. De andere genomineerden waren ‘Scover’ van Tesmo en ‘HCTS Overdrukinstallatie’ van DGMR.

Volg de pijl De Nederlandse Vereniging van Fabrikanten van Noodverlichting (NVFN) is een campagne gestart om de ‘groene pijlen’ onder de aandacht te brengen. Bij ontruiming, al dan niet in de vorm van een oefening, blijken mensen eerder via de normale ingang naar buiten te gaan dan via de daarvoor bestemde nooduitgangen. Met de campagne ‘Volg de Pijlen’ wil NVFN het juiste gebruik van ‘de groene pijlen’ stimuleren. Dit vergroot de veiligheid bij ontruimingen. Saxion Hogescholen heeft het gedrag van mensen bij ontruiming onderzocht. De resultaten zijn te downloaden via www.volgdepijlen.nl.

MKB heeft geen zicht op werking brandmeldinstallatie Een op de vier ondernemers weet niet hoe vaak zij hun brandmeldingsinstallatie moeten controleren. Ook worden veel bedrijfspanden niet veilig genoeg afgesloten. Dit blijkt uit de Nationale Veiligheidsbarometer van Securitas. Meer dan de helft van de organisaties in het mkb bleek het afgelopen jaar te maken te hebben gehad met een situatie die de veiligheid in gevaar bracht. Dit is een stijging van veertig procent ten opzichte van 2011. Uit het onderzoek blijkt dat ruim een kwart van de ondernemers niet weet hoe vaak zij hun brandmeldingsinstallatie moeten controleren. ‘Het is afhankelijk van het soort installatie hoe vaak deze gecontroleerd moet worden. Als een brandmeldingsinstallatie directe doormelding geeft naar een regionale meldkamer, dan is het bijvoorbeeld wettelijk verplicht om deze jaarlijks te controleren en te onderhouden. Organisaties die dat niet doen lopen het risico dat de installatie in geval van nood niet goed werkt of dat er onnodig valse meldingen worden gedaan bij de brandweer’, aldus een woordvoerder van Securitas.

6

nummer 3

juni 2013


Nieuws Gerenoveerd Van Gogh Museum weer brandveilig Het Van Gogh Museum aan het Museumplein in Amsterdam is weer open voor publiek. Een bouwcombinatie, het museum en de Rijksgebouwendienst werkten voor deze renovatie nauw samen. De renovatie was noodzakelijk vanwege de strengere eisen voor brandveiligheid. Tijdens de renovatie zijn alle brandscheidingen binnen het gebouw en in de buitengevel nagezien en op orde gebracht. Hierbij zijn alle wanden, kozijnen en het brandwerende glas vervangen om aan de 60 minuteneis te kunnen voldoen. Tevens is de gehele dakbedekking en vervangen en 199 dakkoepels. Het oorspronkelijke ontwerp van Rietveld is in tact gebleven. De brandmeld-, elektra-, verlichtings- en klimaatinstallaties zijn gemoderniseerd en het hele gebouw heeft een grondige opfrisbeurt gekregen. Hierbij zijn onder andere de vloeren en plafonds vernieuwd.

Brandweer wil grotere rol bij complex bouwwerk De Nederlandse brandweer wil van a tot z betrokken zijn bij het ontwikkelen van complexe gebouwen. Gedacht wordt aan een verplicht vooroverleg. Blijven regels uit dan zal de brandweer mogelijk defensiever optreden. Dit is te lezen in het meinummer van Cobouw. De aandacht voor brandveiligheid in gebouwen is zorgelijk, constateert de Raad van Commandanten (RvC). Investeringen blijven uit door de crisis en bovendien zouden opdrachtgevers de regels uit het Bouwbesluit niet serieus genoeg nemen. De brandweer schiet toch wel te hulp, is de gedachte. Deze beweging staat volgens de belangenbehartiger van brandweermannen op gespannen voet met de eigen verantwoordelijkheid van burgers, bedrijven en instellingen als het gaat om brandveiligheid.

Inspectie: 112 onbetrouwbaar Een burger in nood kan niet te allen tijde vertrouwen op alarmnummer 112. Het is niet duidelijk wie nu de baas is over 112 en niemand bewaakt de hele organisatie van 112. Dat zijn de conclusies van een rapport over 112 van de Inspectie Veiligheid en Justitie en het Agentschap Telecom. De Inspectie Veiligheid en Justitie en het Agentschap Telecom deden onderzoek naar het functioneren van alarmnummer 112 na een aantal storingen vorig jaar. Met name een storing in de nacht van 20 op 21 juni veroorzaakte veel ophef: twee personen overleden die nacht doordat 112 niet bereikbaar was. Uit het rapport ’112 onder de loep’, blijkt dat die nacht 214 oproepen verloren zijn gegaan.

Brandveiligheidseisen opslag gevaarlijke stoffen Van de bedrijven die volgens een rapportage van de Inspectie Leefomgeving en Transport op 7 juni 2012 niet voldeden aan de brandveiligheidseisen bij opslag van gevaarlijke stoffen, voldeden 62 bedrijven dat op 25 april 2013 nog steeds niet. Zij hebben nog geen geldige adequate omgevingsvergunning en/of een goedkeurend inspectierapport. Dat blijkt uit de update die de ILT op verzoek van de Tweede Kamer heeft gemaakt. Sinds de peildatum vorig jaar zijn 40 bedrijven aan de regelgeving gaan voldoen, doordat hun milieuvergunning op orde kwam, doordat een goedkeurend inspectierapport ter beschikking is gekomen of doordat ze hun opslag hebben beperkt. 32 Bedrijven beschikken wel over een adequate vergunning en ook over een werkende brandbeveiligingsinstallatie, maar zij voldoen niet volledig aan de eisen van ontwerp, aanleg en onderhoud. Zij kregen daardoor van het gecertificeerde inspectiebedrijf een rapport met een dubbele boodschap, zowel goed- als afkeurend, een onwenselijke situatie. Enkele bedrijven van de lijst bleken al in juni aan de eisen te voldoen maar die informatie was niet aan de ILT ter beschikking gesteld.

nummer 3

juni 2013

7


Thema Fire Safety Engineering

Erik Janse *

FSE: wat, waarom en hoe? Fire Safety Engineering is al decennia in ontwikkeling. Erik Janse schetst in dit artikel de historie van FSE en maakt de vergelijking met een maatpak. Tevens laat hij zien waar het vakgebied nu staat en doet hij aanbevelingen voor de toekomst.

F

SE ofwel Fire Safety Engineering is een benaming voor het toepassen van kennis van brandveiligheid. Als er met kennis van zaken een passend ontwerp is te realiseren, dan kunnen standaardbranden, standaardbeproevingen en standaardmaatregelen worden losgelaten. Uit ‘een passend ontwerp’ wordt duidelijk dat het om maatwerk gaat, ofwel een optimalisatie in het ontwerpen (‘engineering’). Immers het heeft geen zin om overbodige veiligheidsmaatregelen te treffen en ook niet om maatregelen te treffen die geen soelaas bieden. Een goede afweging leidt dus tot een goede balans tussen veiligheid, kosten, mogelijkheden enzovoort. Om tot zulk maatwerk te komen zullen eerst de gevaren goed in kaart gebracht moeten kunnen worden. En daarna de maatregelen die daar effectief tegen zijn. Hoe strak de broekriem van het maatpak dan moet zitten, ofwel hoe veilig het gebouw moet zijn, dat is het derde aspect. Over de gevaren van brand zijn boeken vol geschreven, het is immers de wetenschap die uit (laboratorium)testmetingen probeert te modelleren, wat er fysisch bij een volgende brand(test) te verwachten is. In de recent uitgekomen SBR-publicatie ‘Werken met FSE’ wordt een praktische verdeling gekozen in brandkenmerken, gebouwkenmerken en menskenmerken: daarmee zijn de aspecten die het brandgevaar in gebouwen bepalen goed te beschrijven. De brand kenmerkt zich door zaken zoals het vermogen, de warmtestraling, de rookpluim en dat lijstje is uiteraard ver uit te breiden. De menskenmerken bepalen het gevaar voor personen (gebouwgebruikers zoals personeel, bewoners, maar ook de brandweer). Voor

8

nummer 3

juni 2013


deze menskenmerken moet kennis uit de psychonomie toegepast worden. Als voorbeeld van de gebouwkenmerken wordt in dit artikel gegeven, alles wat met stromingen te maken heeft, ten gevolge én ten behoeve van een brand. De branddriehoek geeft immers aan dat we zuurstof nodig hebben, dus na enige tijd zullen de openingen in de brandruimte belangrijk zijn. Als de openingen de zuurstoftoevoer belemmeren, dan kan dat een brand (tijdelijk) vertragen maar ook kunnen onverbrande gassen buiten de brandruimte tot verbranding komen (uitslaande vlammen) en verspreidt het gevaar zich tot op afstand van de brandhaard, buiten de brandruimte. Maar ook de stroming van de rook afkomstig van de brand wordt niet alleen bepaald door de vorm van de brandruimte (zoals de hoogte) maar ook weer door de openingen naar buiten en naar andere ruimten in het gebouw. Het zal duidelijk zijn dat de openingen in een gebouw of ruimte heel belangrijk zijn voor de FSE.

Opdrachtgever krijgt stem

Als de gevaren in kaart zijn gebracht en maatregelen daartegen zijn te beoordelen op de verwachte werking, dan komt de vraag hoe veilig het gebouw eigenlijk moet zijn. Dat is niet alleen afhankelijk van de wettelijke eisen (en daar nog niet zo eenvoudig uit af te leiden); ook de gebouweigenaar heeft daar natuurlijk een stem in! De SBR-publicatie geeft in schema’s aspecten weer die in het algemeen meetellen bij de vraag hoe veilig een gebouw moet zijn. Een voor de hand liggend, maar belangrijk voorbeeld is de zelfredzaamheid van de gebouwgebruikers in combinatie met de graad van organisatie van het gebouwgebruik. Bij het volgen van de standaardaanpak (volgens de standaardeisen, zonder toepassing van FSE) worden de risico’s voor een gebouweigenaar vaak echter helemaal niet duidelijk. De gebouweigenaar veronderstelt de brandveiligheid vaak als voldoende, ‘omdat deze aan de wet voldoet’. De adviseur en de brandweer hebben door hun vakkennis wel een beeld van de restrisico’s en soms ook suggesties om de veiligheid verder

te verhogen, maar zij beslissen daar vaak niet over als het bovenwettelijke zaken betreft. Een groot voordeel van een goede FSE toepassing is dat de opdrachtgever wel een beeld van de restrisico’s zal krijgen. De basis van een goede FSE benadering is namelijk de norm ISO 23932, waarin een stappenplan staat voor de aanpak. De SBR-publicatie geeft daar een praktische vertaling van. Een onderdeel is dat het restrisico omschreven moet worden. Ofwel de voorgestelde maatregelen voor een optimale brandveiligheid kunnen natuurlijk nooit alle risico’s afdekken (net zo min als de standaardmaatregelen dat doen) maar

Hoe strak moet het maatpak zitten? helder moet worden gemaakt welke ‘restrisico’s’ dat dan zijn. Door dit helder te rapporteren komt de beslissing hierover expliciet bij de beslisser te liggen (en blijft niet in het hoofd van adviseur of brandweer verstopt). Zo kan een gebouweigenaar (of -gebruiker) kiezen voor extra maatregelen, omdat hij of zij dat toch belangrijk vindt. Eenvoudige voorbeelden van restrisico’s die nauwelijks door de wet worden afgedekt, zijn brandstichting of twee branden tegelijk, of extra schadebeperking voor de inventaris of in verband met de continuïteit, of (veel) meer vluchtveiligheid in verband met een specifieke bewonerspopulatie. Kortom, het genoemde stappenplan is essentieel voor een goede FSE-rapportage en daarmee winst voor de opdrachtgever.

Volop in ontwikkeling

De SBR-publicatie ‘Werken met FSE’ geeft van zo’n aanpak volgens het genoemde stappenplan de (eerste Nederlandse) voorbeelden. Deze voorbeelden zijn in de commissie besproken en ook door derden beoordeeld. De publicatie heeft echter niet de pretentie een handboek met schoolvoorbeelden te zijn, zoals daarin

nadrukkelijk is aangegeven. Het zijn casussen die een beeld geven van de huidige stand van techniek in de Nederlandse markt. Ook de kansen en gekwantificeerde risico’s kunnen daarbij betrokken worden zoals ook is getoond. Het voordeel daarvan is dat maatregelen die helpen tegen branden die niet maximaal ontwikkelen, ook belangrijk worden. FSE is volop in ontwikkeling. Deze ontwikkeling is eigenlijk in het geheel niet nieuw. Voorbeelden uit publicaties vanaf bijvoorbeeld 1968-1975 laten zien dat het verstandig nadenken over brandveiligheid al lang geleden tot interessante conclusies kon leiden. Toen al werd daarbij ook betrokken de kans op brand. In de voorbeelden uit de jaren ‘90 (Bouwbesluit 1992 en gelijkwaardigheid) wordt bijvoorbeeld de verspreiding van rook en warmte berekend en meegewogen voor een oordeel over de brandveiligheid in gebouwen met een RWA-installatie. FSE is dus niets nieuws. Vandaag de dag zou een Nederlands handboek of een norm de huidige doorgaande ontwikkeling van FSE kunnen frustreren. In Nederland leidt een norm niet zelden tot het stoppen met

nummer 3

juni 2013

9


kritisch denken en tot het naadloos volgen van een ‘recept’. En dat zou hier niet goed zijn, immers de brandwetenschap gaat (internationaal) voort en nieuwe kennis moet worden ingezet voor een steeds

Met FSE zal de opdrachtgever een beeld van de restrisico’s krijgen verstandiger oordeel. Ondergetekende pleit daar ook voor bij de ontwikkeling van de Nederlandse FSE normen. In Nederland raken typische concepten uit de regelgeving nogal ingeburgerd.

10

nummer 3

juni 2013

Maar mensen lopen niet 1 m/s door 30 meter rook en gaan ook niet met 135 personen per minuut door een deur van 1 meter breedte. En een brand duurt niet even lang als de vuurbelasting in kg vurenhout per vierkante meter is. Om een beter beeld van FSE te krijgen zou u het handboek van Drysdale1 kunnen lezen, wat ondergetekende beschouwt als hèt basisboek voor begrip van de brandfysica. Dan zou u het SFPE Handbook2 kunnen inkijken om vervolgens bijvoorbeeld de Interflam conferenties te gaan volgen. Maar u kunt ook eens kijken op de website van de internationale ISO normen (www.iso.org). De ontwikkeling van FSE denkmodellen in ISO-normen geeft een indruk hoe uitgebreid dit vakgebied eigenlijk is. Deze ISO-normen lijken niet erg op onze ‘juridisch dichtgetimmerde’ Bouwbesluit-normen, maar zijn meer een samenvatting van de huidige weten-

schappelijke kennis. De technische commissie ISO TC92 houdt zich bezig met brandveiligheid en daaronder vallen een aantal subcomitees (SC). SC4 houdt zich bezig met FSE, verdeeld in 7 werkgroepen en een adviesgroep, en deze zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor inmiddels 21 gepubliceerde normen sinds 1999. De ISO 13387-serie uit 1999 (feitelijk TR ofwel Technical Reports, 8 stuks) geeft een aardig beeld van de stand van zaken toentertijd. Sindsdien zijn die documenten uitgebreid en aangevuld. Het laatst verschenen document is een mooi voorbeeld, de Technical Specification TS 13447 ‘Guidance for the use of Fire Zone Models’ geeft uitermate bruikbare informatie over de toepassing van zone modellen. In de ISO-documenten worden vaak uitgebreide referenties gegeven waar modellen aan ontleend


Thema Fire Safety Engineering

Publicatie ‘Werken met Fire SaFety engineering’ De informatie met het oog op FSe in historisch perspectief is gebaseerd op de Sbr publicatie ‘Werken met Fire Safety engineering’. erik Janse was rapporteur voor en mede-auteur van deze publicatie. Ook de praktijkcase Hoogbouw op de volgende pagina’s is afkomstig uit deze publicatie. ‘Werken met Fire Safety engineering’ is te bestellen via: www.sbr.nl.

zijn. Iets wat nog te weinig gebeurt in onze normen, die zich vaak kenmerken door een eenduidigheid (juridisch belangrijk), maar daartoe zijn wel wetenschappelijke nuanceringen weggenomen door een invulling met diverse compromissen die in de normcommissies worden gesloten. Toepassing van zo’n NEN normblad zou een kritische beschouwing op basis van de genoemde vakliteratuur en ISO-normen moeten kunnen doorstaan, maar of zo’n toetsing ook gebeurt is de vraag. Nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen zullen we ook in Nederland scherp in de gaten moeten blijven houden!

FSE op basis stappenplan ISO 23932

FSE levert maatwerk, omdat bestaande kennis wordt toegepast. Efficiënte maatregelen worden toegepast om reële gevaren te voorkomen. Toepassing van

het ISO 23932 stappenplan leidt tot inzicht in de resterende risico’s bij alle partijen zodat de opdrachtgever de keuzes kan maken wat hij accepteert. De ISO-normen kunnen een inspiratiebron zijn bij de ontwikkeling van Nederlandse normen, leidraden en richtlijnen, zodat een ontwerp met FSE verantwoord kan omdat deze als basis wetenschappelijke referenties heeft. * Erik Janse is zelfstandig adviseur brandveiligheid (www.bvej.nl) Noten 1. An introduction to Fire Dynamics, 3rd ed., Wiley & Sons, 2011. 2. SFPE Handbook of Fire Protection Engineering, 4th ed., www.sfpe.org, 2008.

Brandveilig.com is het platform voor professionals in brandpreventie HÉT PLATFORM VOOR PROFESSIONELE BRANDBEVEILIGING

MELD U AAN VOOR DE GRATIS E-MAILNIEUWSBRIEF OF VRAAG EEN GRATIS PROEFNUMMER AAN

WWW.BRANDVEILIG.COM

nummer 3

juni 2013

11


Thema Fire Safety Engineering

Foka Kempenaar *

FSE als basis In Nederland gaan we langzaam maar zeker over van voorschrijvende regelgeving, naar een meer praktijkgerichte risicobenadering van brandveiligheid. Volgens Peter van de Leur kan je, juist als vastomlijnde richtlijnen (nog) ontbreken, met Fire Safety Engineering als basis tot een robuust resultaat komen.

H

et vakgebied Fire Safety Engineering is nog volop in ontwikkeling. Het is nog niet verwerkt in regelgeving. Wel zijn de richtlijnen voor toepassing van deze ontwerpmethode vastgelegd in diverse ISO-standaarden (onder andere ISO 23932:2009, Fire safety engineering - General principles). In het artikel ‘FSE: wat, waarom en hoe?’ (pag. 8 - 11 van deze editie) schetst Erik Janse deze ontwikkeling. Voor de komst van het eerste Bouwbesluit, in 1992, liet de bouwer het bepalen van de

eisen meestal nog over aan de brandweer, die hierbij in dat geval dus een hoofdrol speelde. Na de komst van het Bouwbesluit was er enerzijds helderheid over de bouweisen. Maar tegelijkertijd beperkten deze regels de vrijheid in ontwerp en gebruik van gebouwen in verband met de brandveiligheid. De regelgeving is gebaseerd op regels en afspraken die geschikt zijn voor de meest voorkomende situaties, maar in bijzondere situaties vaak tekort schieten. Denk daarbij aan gebouwen met een sprinklerinstallatie, atria, ondergrondse ruimten en hoogbouw. Een specifieke beoordeling voor deze situaties moet leiden tot een minstens even veilige, betere en goedkopere oplossing dan in het Bouwbesluit is beoogd (gelijkwaardigheidsprincipe). Dankzij dit principe zorgde de komst van het Bouwbesluit ervoor dat de aandacht voor FSE in een stroomversnelling kwam. Het grootste probleem hierbij is echter nog steeds dat altijd de generieke regelgeving uit het Bouwbesluit als referentieniveau voor de beoordeling van een maatwerkoplossing volgens het gelijkwaardigheidsprincipe wordt gebruikt.

Hoogbouwpraktijk Volgens prof. ir. Peter van de Leur is een goede en complete ontwerprichtlijn voor een overdrukinstallatie in Nederland niet voorhanden.

12

nummer 3

juni 2013

Hoogbouw vormt zoals gezegd één van de categorieën van bouwwerken waarbij FSE in beeld komt. Het aantal panden dat onder die categorie valt, groeit. Daarnaast wordt er ook steeds hoger gebouwd,

inmiddels al tot circa 150 meter. Daardoor zijn er ook steeds meer gesegmenteerde trappenhuizen te vinden, waarvoor de reguliere brandveiligheidsmaatregelen niet toereikend zijn. In dat soort trappenhuizen wordt tegenwoordig standaard gewerkt met overdrukinstallaties. ‘Maar een goede en complete ontwerprichtlijn voor een overdrukinstallatie is in Nederland niet voorhanden en daarbuiten ook niet. Zeker in hoogbouw betekent dit dat de ontwerper nogal wat technische problemen moet oplossen zonder houvast van een richtlijn. In de praktijk wordt daar vaak weinig aandacht aan gegeven, met als resultaat een overdrukinstallatie die onbevredigend presteert’, aldus prof. ir. Peter van de Leur, adviseur brandveiligheid bij DGMR. Zijn organisatie, maar ook HCTS, Deerns en Jubi Techniek zochten daarom al langere tijd naar een gezamenlijke ontwerpuitdaging, waarbij ze volop de ruimte konden krijgen om tot een goedwerkende en robuuste oplossing te komen.

Nieuwbouw ministeries

Die uitdaging diende zich twee jaar geleden aan in verband met het ontwerp van de trappenhuizen voor de onlangs in gebruik genomen huisvesting van de ministeries van Veiligheid en Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. ‘Via een aantal vernieuwende ideeën hebben we daar gezorgd voor een robuuste overdrukinstallatie, die de


Thema Fire Safety Engineering

trappenhuizen ook onder ongunstige omstandigheden beschermt tegen indringing van rook.’ Het grote manco bij de gebruikelijke overdrukinstallaties is volgens Van de Leur dat deze ‘te mager’ zijn uitgevoerd. Daarmee bedoel ik dat ze hun werk doen wanneer er sprake is van gunstige, gemiddelde omstandigheden. Maar is er sprake van afwijkende condities - staat er zeer veel wind buiten, of staat er een raam open - dan is het risico groot dat er alsnog teveel rook in het trappenhuis binnendringt.’ Het gebouw voor de ministeries bestaat uit twee torens van circa 140 meter hoog. In de kern van elke toren liggen twee afzonderlijke trappenhuizen. Vanwege de grote hoogte is elk trappenhuis verdeeld in drie segmenten van circa 50 meter hoog. Het overdruksysteem bestaat per toren uit twee luchttoevoersystemen en één afvoersysteem. De regelinstallatie bestuurt de installatie automatisch na een brandmelding.

Slimme luchttoevoer

De kern van de vernieuwende hogedrukinstallatie is dat dit systeem gebruik maakt van een slimme installatie waarmee een actieve afvoer en de

‘Via een aantal vernieuwende ideeën hebben we gezorgd voor een robuuste overdrukinstallatie’ slimme toevoer van lucht mogelijk wordt gemaakt. De traditionele installatie is daarom uitgebreid met druksensoren op alle verdiepingen. Ook moest een volledig vernieuwd regelsysteem worden ontwikkeld, om alle informatie die deze sensoren geven te verwerken. Van de Leur: ‘Daarmee bestaat nu voor

Het gebouw voor de ministeries bestaat uit twee torens van circa 140 meter hoog. In de kern van elke toren liggen twee afzonderlijke trappenhuizen. Vanwege de grote hoogte is elk trappenhuis verdeeld in drie segmenten van circa 50 meter hoog. het eerst de mogelijkheid om bij te sturen. Staat er bijvoorbeeld harde wind, dan kan dit systeem worden geprogrammeerd om in die omstandigheden reservecapaciteit in te zetten, of juist om delen van de installatie uit te zetten.’ Het nieuwe systeem regelt de afvoer van overdruklucht op de brandverdieping via een verticale schacht naar het dak, waar een afvoerventilator is opgesteld. ‘Actieve drukregeling op de brandverdieping zorgt ervoor dat de afvoer snel actief wordt, maar niet zo hard trekt dat de brandverdieping te ver op onderdruk komt. Dan zouden mensen niet meer kunnen vluchten, omdat ze de deur naar het trappenhuis niet meer open kunnen krijgen.’ Het systeem biedt bovendien de mogelijkheid tot een regelmatige automatische zelftest, via van tevoren ingestelde scenario’s, waarbij alle componenten op hun functioneren worden getest. Van de Leur: ‘Storingen worden tijdens deze test automatisch gerapporteerd via e-mail, SMS of een spraakbericht. Ook dit vergroot de betrouwbaarheid en bedrijfszekerheid van het systeem.’ De Rijksgebouwendienst heeft DGMR, Deerns en HCTS in het hele proces

gesteund. Ook de installateur, JuBi Techniek, heeft volop meegewerkt en meegedacht. * Foka Kempenaar is communicatieadviseur bij SBRCURnet

HCTS OverdrukinSTallaTie genOmineerd vOOr innOvaTieprijS de HCTS Overdrukinstallatie was één van de drie genomineerde projecten voor de innovatieprijs Brandveiligheid 2013. deze werd uitgereikt tijdens het nationaal Brandveiligheidscongres 2013. de overige genomineerden voor de prijs waren de producten ‘Scover’ van Tesmo in samenwerking met vestia, en logboekenOnline. laatstgenoemde kwam als winnaar uit de bus.

nummer 3

juni 2013

13


Thema Fire Safety Engineering

Foka Kempenaar *

Case Hoogbouw

Werken met Fire Safety Engineering De SBR publicatie ‘Werken met Fire Safety Engineering’ bevat negen case beschrijvingen. In dit artikel worden twee voorbeelden uit de hoogbouwpraktijk toegelicht. Hieruit zijn diverse uitdagende leerpunten te halen om in de toekomst meer gebruik te kunnen maken van FSE.

Nederland: hoogbouwproject New Orleans Rotterdam

De Nederlandse ervaring betrof het project New Orleans in Rotterdam. Dit vormt naar de ervaring van de rapporteur een treffend voorbeeld van de klassieke Nederlandse houding ten opzichte van regels en innovatie. In de ontwerpfase van dit gebouw zijn tussen ontwerpers en overheid vele discussies gevoerd over de te nemen

14

nummer 3

juni 2013

maatregelen voor brandveiligheid. Het startpunt daarbij was het vereiste veiligheidsniveau dat het Bouwbesluit definieert voor gebouwen tot 70 meter hoog. Aangezien het gebouw fors hoger is, zijn er extra maatregelen vereist. Deze extra maatregelen zijn aan het einde van het ontwerpproces voor dit project, namelijk ten tijde van de vergunningverlening, op een min of meer logische lijn gezet in de SBR-publicatie uit 2005:

Brandveiligheid in hoge gebouwen; Praktijkrichtlijn (521.05). Voor het beschikbaar komen van deze publicatie werd het ontwerpproces gestuurd vanuit een visie van de gemeentelijke overheid die zich (begrijpelijkerwijs) nog ontwikkelde en niet uitgekristalliseerd was. Men heeft zich voor dit project toentertijd uiteindelijk op deze richtlijn gebaseerd. Daarmee ontstond de benodigde duide-


Thema Fire Safety Engineering

meer dan 56 bouwlagen is namelijk voorzien van slechts één vluchttrappenhuis. Dit was een noodzaak voor het kunnen slagen van het project en het vastliggend uitgangspunt, maar uiteraard vanuit de Nederlandse visie spectaculair. Bovendien is in een laat ontwerpstadium een bijeenkomstfunctie in het gebouw naar de bovenste verdiepingen verplaatst, wat de vluchtroutes extra belast.

lijkheid over en vastlegging van de eisen voor brandveiligheid. Voor de diverse maatregelen wordt verwezen naar de de genoemde SBR-publicatie. Met FSE heeft dit gebouw echter minder te maken (tenzij men de achtergronden uit de publicatie zelf bedoelt, die in enkele gevallen als ‘FSE’ zouden zijn te beschouwen, maar in veel gevallen meer het karakter van een compromismodel zijn). Het toepassen van de SBR-praktijkrichtlijn is juridisch te beschouwen onder de noemer ‘gelijkwaardigheid’ (conform afdeling 2.23/ 2.14 van het Bouwbesluit 2003/ 2012), maar afwijkingen van de genoemde richtlijn zijn waarschijnlijk nauwelijks of niet doorgevoerd. In de discussie heeft de adviseur gesteld dat naar zijn mening certificatie van FSE (proces of persoon), geen essentiële kwaliteitsverhoging zal geven. Een peer review voegt dan meer toe. De adviseur pleit ervoor in de toekomst een QRA (kwantitatieve risicoanalyse) uit te voeren, zoals gebruikelijk bij externe veiligheid. Maar hij geeft daarbij direct de moeilijkheden aan, omdat het menselijk gedrag hierin nu nog onvoldoende bekend is.

Zweden: Turning Torso Malmö

Turning Torso in Malmö is een mooi voorbeeld van een vernieuwend ontwerp qua brandveiligheid. Het gebouw van

Om het gebouw voldoende veilig te maken, is het verdeeld in zes boven elkaar gelegen zones. Daarbij is elke zone voorzien van een zelfstandige ventilatie. Tevens is het vluchttrappenhuis gezoneerd (onderbroken) met 120 minuten brandwerende scheidingen. Niet alle zes zones worden tegelijk ontruimd. Het concept is om twee zones te ontruimen na het inkomen van een tweede melder of de sprinkler. In de brandzone wordt het vluchttrappenhuis op overdruk gebracht. De brandweerliftschacht is eveneens geventileerd. Het gebouw is gesprinklerd. Bij het in werking treden van één detector worden deuren geschakeld en komt een intern alarm; pas bij de tweede detector of een sprinklerkop gaat er een melding uit naar de brandweer, start het ontruimingsalarm in de betreffende twee zones en wordt de brandweerlift aangestuurd. De gesproken alarmmeldingen kunnen informatief zijn of gericht op de start van de ontruiming. Bij binnenkomst krijgen bezoekers een ‘vliegtuigachtige’ veiligheidsinstructie. Ontruimingsoefeningen worden uitgevoerd. De haalbaarheid van het project was geheel afhankelijk van de mogelijkheid om het gebouw brandveilig te maken met slechts één vluchttrappenhuis. De regelgeving is sinds 1995 (deels) performance based, dus de mogelijkheid van een FSE-benadering past binnen de regels en is in Zweden ook niet ongebruikelijk. Daarbij is hier gebruikgemaakt van NFPA-normen 101 en 13R. Sinds jaren is de opleiding in Lund daar ook op gericht (schatting: in ruim 25 jaar zo’n 300 à 350 afgestudeerden). Deze opleiding wordt gevolgd door zowel adviseurs als brandweerpreventisten.

Onderdeel van de onderbouwing van de brandveiligheid waren CFD-(FDS-) berekeningen van de zichtlengte door rook. Bij de inhoudelijke discussies die worden gevoerd, hebben de partijen een min of meer gelijk kennisniveau.

Conclusies

Op basis van de cases zijn volgende leerpunten geformuleerd: • Niet elk hoogbouwproject is afhankelijk van FSE; duidelijke standaardoplossingen zijn essentieel voor het ontwerpproces. • FSE kan recht doen aan geavanceerde brandveiligheidsmaatregelen ten koste van standaardoplossingen. Dit kan vergaande afwijkingen mogelijk maken. • Zonder FSE zouden sommige buitenlandse hoogbouwprojecten zelfs geheel niet gerealiseerd zijn. • De inhoudelijke vakkennis die toegepast is bij de getoonde voorbeelden uit het buitenland is – naar de inschatting van de rapporteur – in Nederland bij een groep brandveiligheidsadviseurs ook wel beschikbaar. • In hoogbouw is het ontruimingsconcept essentieel voor de gebouwindeling en hoeft niet te worden uitgegaan van directe volledige ontruiming (zoals in Nederland gebruikelijk bij de meeste gebouwen lager dan 70 m). • FSE wordt in het buitenland niet op ‘artikelniveau’ gevoerd, zoals in Nederland vaak wel het geval is. Hierin lijkt niet alleen de wetgeving, maar ook de cultuur van een land een rol te spelen (Nederland, Duitsland: regels volgen; Zweden, Engeland: geavanceerd ontwerpen op basis van werkelijke kennis van veiligheid). • FSE is gebaat bij een goed opleidingsniveau over de fysica van brandveiligheid, voor zowel ontwerpers als overheden, zodat discussies over de werkelijk kritische aspecten gelijkwaardig gevoerd kunnen worden. * Foka Kempenaar is communicatieadviseur bij SBRCURnet

nummer 3

juni 2013

15


Column

Frank van Elsen

Ten genoegen van het bevoegd gezag In de de toelichting op het Bouwbesluit 2012, artikel 1.3 ‘gelijkwaardigheidsbepaling’ is het volgende te lezen: (...) Het staat de aanvrager, melder of gebruiker vrij om te kiezen uit een of meer (andere) bouwtechnische, gebruikstechnische of organisatorische oplossingen of combinaties daarvan. Bij een beroep op gelijkwaardigheid moet ten genoegen van het bevoegd gezag worden aangetoond dat het bouwwerk of het gebruik daarvan ten minste eenzelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid of milieu biedt als is beoogd met het betrokken voorschrift (...)

Frank van Elsen is directeur van FE-Fire Safety Engineering (www.fe-fire-safetyengineering.nl)

Fire Safety Engineering (FSE) is per definitie gebruik maken van een gelijkwaardige oplossing voor één of meerdere eisen uit het Bouwbesluit. Er is dus sprake van een benodigde goedkeur van ‘bevoegd gezag’, zijnde Burgemeester & Wethouders, de vergunningverleners. De brandweer, als adviseur van het bevoegd gezag, dient in de praktijk derhalve een positief oordeel te geven over de voorgestelde gelijkwaardige oplossing, al of niet gebaseerd op FSE danwel een andere meer standaard benaderingswijze zoals bijvoorbeeld de Methode Beheersbaarheid van Brand. En daar nu wringt vaak de schoen. Naarmate de oplossing ‘gesofisticeerder’ wordt, wordt een gelijkwaardig kennisniveau bij de toetser verondersteld en - vaak belangrijker - een zekere mate van bereidheid om op basis van de voorgestelde oplossing af te wijken van de ‘standaard’. Daarmee wordt in feite de verantwoordelijkheid die wettelijk gezien bij de aanvrager ligt, bij de brandweer gelegd; zij geeft immers al dan niet een positief ‘advies’ aan het bevoegd gezag. Zo is een vicieuze cirkel ontstaan, waarin aanvrager, bevoegd gezag en brandweer om elkaar heen draaien waardoor onnodig veel tijd verloren gaat, extra kosten gemaakt worden en we ons met zijn allen in eigen voet schieten. De rol van de brandweer als adviseur van het bevoegd gezag is niet altijd gemakkelijk al was het maar omdat de brandweer in tegenstelling tot de gebouweigenaar of -gebruiker wel direct met de gevolgen wordt geconfronteerd als het mis gaat. Dit alles heeft in de praktijk gevolgen voor de acceptatiegraad van de gelijkwaardige oplossing en daarmee ook de toepassing van FSE-oplossingen. Afhankelijk van de aangedragen oplossing en de onderliggende prestatie-eis uit het Bouwbesluit is de bereidheid van de brandweer om medewerking te verlenen, op zijn zachtst gezegd, niet al te groot en wordt door de positie en rol van de brandweer in de bouwkolom, zeker niet gestimuleerd. Hiermee schiet de wetgever haar doel voorbij, namelijk innovatie en kostenbesparende oplossingen bevorderen. Sterker nog, in de praktijk blijkt dat alleen al om aan het benodigde positief advies van de adviseur van het bevoegd gezag te komen, er hoge extra advieskosten gemaakt moeten worden door de aanvrager van een vergunning. Het bevoegd gezag wenst immers geen vergunning te verlenen indien er geen positief advies is van haar adviseur. Zij maakt zelden of nooit gebruik van haar recht om het ‘advies’ naast zich neer te leggen. Om recht te doen aan het doel van de gelijkwaardige oplossing inzake (brand)veiligheid zou derhalve deze vicieuze cirkel doorbroken moeten worden.

16

nummer 3

juni 2013


Nieuwbouw

Tekst en fotografie Dennis van Asselt

De Brandwacht: meesterwerk in het Rijks Voor het grootste kunstobject in het vernieuwde Rijksmuseum staat niemand in de rij. Igor Santhagens, projectleider Museuminrichting en Björn Peters van DGMR waren nauw betrokken bij het haast onzichtbare meesterwerk: de brandveiligheidsinstallatie en het bijbehorende brandveiligheidsconcept. Een uitdaging, op z’n zachtst gezegd.

H

et nieuwe Amsterdamse Rijksmuseum opende in april zijn deuren, na een verbouwing die tien jaar in beslag nam. Het museum wilde zich opnieuw uitvinden en het oorspronkelijke ontwerp van architect Pierre Cuypers weer tot leven brengen door het gebouw te ontdoen van alle latere toevoegingen waarmee het in de afgelopen eeuw was dichtgeslibd. Om ervoor te zorgen dat de brandveiligheidsinstallatie subtiel geïntegreerd zou worden in het histori-

sche interieur, schoof tijdens de beginfase van het traject in 2002, naast de Rijksgebouwendienst (Rgd), het Instituut Collectie Nederland (ICN, tegenwoordig onderdeel van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed), Monumentenzorg, de gemeente Amsterdam en het museum zelf, ook advies- en ingenieursbureau DGMR aan. DGMR wilde samen met alle betrokken partijen het benodigde brandveiligheidsniveau vaststellen. Niet gemakkelijk, zo ontdekte Björn Peters, senior adviseur

Brandveiligheid en Bouwtechnologie bij DGMR: “Iedereen heeft daar een eigen idee over. De Rgd zegt in eerste instantie: het niveau van de regelgeving. Het ICN wil natuurlijk dat er helemaal niets met de collectie gebeurt. Uiteindelijk hebben we gekeken naar de meest voorkomende brandrisico’s in musea en hoe we die konden inperken. We hebben onderzocht hoe bij andere musea in de rest van de wereld de brandveiligheid is geregeld, van het Metropolitan Museum in New York tot

nummer 3

juni 2013

17


Nieuwbouw

het Limburgs Museum, die als een van de weinige Nederlandse musea sprinklers heeft geïnstalleerd. Daaruit is uiteindelijk een lijst uit ontstaan met 55 extra maatregelen die het museum heeft genomen, bovenop de wettelijk eisen voor een dergelijk gebouw.” Volgens het museum weerspiegelen de extra brandveiligheidsmaatregelen de uniek functie van het gebouw. “Het Rijksmuseum is geen doorsnee gebouw”, vertelt Igor Santhagens, projectleider Museuminrichting. “De veiligheid van de mensen is natuurlijk belangrijk, maar wij beheren een belangrijk deel van het cultureel erfgoed. Daar moeten we zuinig op zijn.”

Slotgracht

DGMR heeft samen met Cruz y Ortiz, ARUP en Royal Haskoning hard gewerkt om alle installaties uit het zicht te onttrekken. Peters: “Bijvoorbeeld met een verhoogde vloer voor onder meer luchttoevoer en elektra. Daarnaast is er rondom het gebouw een soort slotgracht gegraven voor alle installatietechnische componenten voor de onderste twee bouwlagen. Luchtbehandelingskasten staan dus buiten het historische gebouw en voeden ondergronds via putten in de vloer van de

onderste verdieping het museum met geconditioneerde lucht. Daar zie je dus, behalve de roosters in de vloer, helemaal niets van. De bovenste twee verdiepingen worden gevoed door luchtbehandelingskasten in de kapconstructies. Daar zijn de luchtkanalen weggewerkt in de wanden en zijn alleen roosters in de wanden zichtbaar.” Sprinklers waren echter uit den boze, vertelt Igor Santhagens: “Vanwege het monumentale karakter van het gebouw. We zouden het sprinklersysteem moeten wegwerken in de verhoogde vloer erboven, omdat het plafond in het zicht moest blijven. Dus was een extra verhoging van zeven centimeter nodig, waardoor we in de problemen kwamen met de aansluiting op de monumentale trappen en de historische plintschilderin-

hEt BRanDvEIlIGhEIDSSyStEEM: BElanGRIjkStE onDERDElEn - BMI met aspiratiemelders - Uitgebreide ontruimingsalarminstallatie - Sprinklerinstallatie in het grote café, de winkel en vergaderzalen - RWa-installatie atria - kleine brandcompartimenten - Galerijen en risicovolle ruimten in aparte compartimenten - houten poorten met EIclassificatie - twee speciale brandwerende puien, voor de eregalerij en Cuypers bibliotheek - Gestuurde brandkleppen/ klepramen - Installatieonderdelen met verhoogd risico op afstand van collectie (in apart

Igor Santhagens, Rijksmuseum: “Wij beheren een belangrijk deel van het cultureel erfgoed. Daar moeten we zuinig op zijn.”

18

nummer 3

juni 2013

energiegebouw) - Uitvoerig brandveiligheid management systeem

Björn Peters, DGMR: “Elke galerij wordt binnen anderhalve minuut ontruimt, zelfs bij grote aantallen mensen.” gen in onder andere de eregalerij. Er was ook enige discussie over de vraag of het zinvol is om een sprinklers hebben in museale zalen met kunstobjecten van onschatbare waarde. Alhoewel de discussie of je nu beter een nat kunstob-

Dit gebouw is tamelijk complex, niets is seriematig

ject of een verbrand kunstobject kon hebben uitviel in het voordeel van de sprinklerinstallatie, waren we vooral bang voor waterleidingen boven zulke ruimtes.”

Compact

Om de afwezigheid van sprinklers op te vangen, werd besloten de brandcompartimenten kleiner te maken. In een gebouw als het Rijksmuseum zou tweeduizend vierkante meter toegestaan zijn. Björn Peters: “De compartimenten zijn tussen de 250 en 350 vierkante meter groot met 60 minuten brandwerende deuren ertussen. Door een snel branddetectiesysteem (aspiratiemelders) kunnen we alle brandcompartimenten snel afsluiten


Nieuwbouw

Wij waren bang voor brandvoortplanting aan de andere kant van de brandscheiding als we deuren met een EW-classificering zouden gebruiken. In overleg met de architect hebben we een poortconstructie ontwikkeld waarin de deur altijd openstaat en bij een brandmelding dichtvalt precies op een plek waar in de vloer op een subtiele manier een aantal roestvrijstalen strips zijn aangebracht. Uniek is dat we de hele poortconstructie, inclusief verhoogde vloer, het parket, de deur en het sturingsmechanisme bij Efectis hebben getest. Het is ook gelukt om alle ruimtes voor risicovolle functies, zoals het café en de museumwinkel in het atrium, in aparte compartimenten te plaatsen, vaak met meer dan één brandscheiding tussen dat gedeelte en de galerijen.”

RWA-systeem

alle deuren in het Rijksmuseum tussen galerijen onderling en tussen galerijen en overige functies voldoen aan de EI-eis. zodat we die brand zo compact mogelijk kunnen houden. Daardoor sparen we zoveel mogelijk van de collectie.” Ook het vluchtplan is strak afgesteld. “Als na een brandmelding besloten wordt tot gedeeltelijke of gehele ontruiming, gaan er heel veel deuren open. Volgens de voorschriften moeten mensen binnen vijftien minuten buiten staan. Nu wordt elke galerij binnen anderhalve minuut ontruimt, zelfs bij grote aantallen mensen.” De strenge eisen waar de brandwerende deuren aan voldoen, is ook onderdeel van de extra brandveiligheidsmaatregelen. Peters: “Alle deuren in het Rijksmuseum tussen galerijen onderling en tussen galerijen en overige functies voldoen aan de EI-eis, omdat de architect en het museum een houten vloer wilden hebben.

De atria van het Rijksmuseum zijn niet alleen imposant vanwege de gepolijste vloeren en de lichte uitstraling. Het glazen daken spelen een cruciale rol tijdens rookontwikkeling. Peters: “We kregen hier de mogelijk om op een hele efficiënte manier een rook- en warmteafscheidingssysteem (RWA) te maken. Als er brand uitbreekt in één van de twee ruimtes, worden beide daken tegelijk geopend. Daardoor werkt het ene atrium als toevoervoorziening van verse lucht en wordt de rook op basis van thermiek afgevoerd via het dak van andere atrium. Het onderste gedeelte van het atrium waar hEt RIjkSMUSEUM •

In gebruik sinds 1885

heropening in april 2013

omvang: 44.500 m²

tentoonstellingsruimte: 12.500 m²

totale collectie: 1 miljoen voorwerpen

aantal bezoekers toegestaan: 4000 tegelijkertijd

Bezoekers verwacht in het eerste jaar: 2 tot 2,5 miljoen

totale kosten verbouwing: 375 miljoen euro

de brand uitbreekt, de gang tussen de twee atria en het andere atrium blijven rookvrij, waardoor een veilige ontvluchting en brandweerinzet gedurende lange tijd kan worden gegarandeerd.” De atria zijn ook voorzien van sprinklerkoppen en rook- en vlamdetectoren. Niet iedereen was daar blij mee. “Toen de museumdirecteuren de maatregelen zagen in deze ruimte, heb ik wel wat over me heen gekregen”, aldus een lachende Santhagens. “Daar moest over gepraat worden, maar uiteindelijk moesten ze eraan geloven.”

Aanbesteding

Al met al een grote opdracht voor DGMR, die niet altijd soepel verliep. Frustraties ontstonden onder meer doordat de aanbesteding was onderverdeeld in percelen, waardoor er verschillende aannemers rondliepen. Santhagens: “Dit gebouw is tamelijk complex, niet alleen que grootte maar ook omdat het een monument is. Niets is seriematig. Dat zorgde voor onzekerheid bij de aannemende partijen. De aannemer die overbleef, kwam met een veel te hoge prijs. Toen is de aanbesteding afgeblazen en besloten om het gebouw in percelen te knippen zodat verschillende kleinere aannemers zich konden inschrijven en er concurrentie ontstond. Zo hebben we veel scherpere prijzen kunnen afspreken. In totaal hadden we zeven percelen, waaronder grondwerk, techniek, restauratie en tuin.” DGMR onderschatte het probleem in eerste instantie, geeft Peters toe: “Als je een Europese aanbesteding doet en het mislukt, mag je het project niet op dezelfde manier aanbesteden. Vooraf dachten we het bestek gewoon in stukjes te kunnen knippen. Maar het wordt lastig om één iemand aan te spreken op een algemene, integrale kwestie. Je loopt vast op kleine dingen. De ene aannemer moet bijvoorbeeld een motortje installeren voor een raam van een andere aannemer en een derde partij levert het kabeltje. Als het dan niet past, voelt niemand zich aangesproken.” Santhagens vult aan: “Er was geen hoofdaannemer, die normaal gesproken coördineert. Daar heeft dit project wel last van gehad. Maar uiteindelijk is het een veiliger en mooier gebouw geworden dat door iedereen wordt gewaardeerd.”

nummer 3

juni 2013

19


Uit het brandlab

Eerste Nederlandstalige FSE-handboek samengesteld Efectis Nederland publiceert binnenkort het eerste Nederlandstalige boek met een breed overzicht van Fire Safety Engineering. Auteurs Abeltje Tromp en Rudolf van Mierlo van Efectis hebben vooral geprobeerd het handboek op allerlei manieren zo toegankelijk mogelijk te maken.

‘Fire Safety Engineering, handboek voor de bouw’ van Efectis – in Nederland het eerste boek in z’n soort – is een naslagwerk met informatie vanuit alle relevante vakgebieden binnen brandveiligheid, zoals constructie-, materiaal- en menselijk gedrag bij brand, risicoanalyses en de

20

nummer 3

juni 2013

verspreiding van brand en rook. Het boek is bedoeld voor onder meer brandveiligheidsadviseurs, brandonderzoekers en preventiemedewerkers van de brandweer of de veiligheidsregio’s. Auteurs Abeltje Tromp en Rudolf van Mierlo, projectleiders bij Efectis, werden

zich bewust van het belang van een dergelijk handboek tijdens de cursus Fire Safety Engineering die ze – samen met onder andere Brakel Atmos – verzorgen voor brandweerkorpsen. Tromp: “We wilden extra achtergrondinformatie geven en daar hadden we alleen Engelstalige


Uit het brandlab

anders verliezen we de lezer. Als we wel een formule introduceren, geven we ook een kort rekenvoorbeeld met realistische getallen.”

Nadenken

boeken voor. Iets anders was er niet. Dat was toch lastig voor cursisten. Bovendien is de inhoud technisch vaak te ingewikkeld voor de doelgroep. Voor de preventiemedewerkers gaat de stof te diep in op de verschillende aspecten van FSE.”

Kennis

Volgens Rudolf van Mierlo beschikt de gemiddelde preventiemedewerker over vakkennis op mbo- tot hbo-niveau. “Bijvoorbeeld op het gebied van materiaalgedrag ontbreekt het aan kennis. Daarnaast zijn brandpreventiemedewerkers in kleine gemeentes tevens milieumedewerker en moeten ook nog de geluidsoverlast bewaken. Alleen al de regelgeving rondom brandveiligheid is niet bij te houden door één persoon. Met het ontstaan van de veiligheidsregio’s is een nieuwe weg ingeslagen en worden moeilijke gevallen centraal door hoger opgeleide mensen behandeld. Je ziet ook dat kleinere en middelgrote gemeentes vaker samenwerken. Maar het is een proces dat tijd nodig heeft.” Het handboek van Tromp en Van Mierlo moest dus vooral toegankelijk zijn voor de doelgroep. “Dat betekent veel plaatjes om situaties inzichtelijk te maken, toegankelijke taal en veel dingen omschrijven”, legt Tromp uit. “Weinig ingewikkelde formules,

Het boek begint bij de basis, met twee algemene hoofdstukken over FSE en twee over brand. Wat doet warmte? Wat is brand? Hoe ontstaat brand? Tromp: “Herhaling natuurkunde van de middelbare school, eerst algemeen en daarna speciaal toegepast op brand.” Het boek behandelt ook het menselijk gedrag bij brand. Zoals met alle hoofdstukken in het boek, willen Tromp en Van Mierlo de lezer tot nadenken brengen. Tromp schetst een situatie: “Een preventiemedewerker krijgt van een adviseur een ontruimingssimulatie te zien waarin iedereen binnen vier minuten buiten staat. Prima, zou je denken. Maar heeft de adviseur wel gedacht aan de uitgangkeuze van mensen? In de simulatie zijn alle personen optimaal verdeeld over alle uitgangen. Naar brede uitgangen lopen meer mensen dan naar smalle uitgangen. Is dat realistisch? Daar moet die preventiemedewerker aan denken.” Van Mierlo: “Bedenk ook dat er binnen de sector weinig mensen zijn die kennis hebben van het hele scala van relevante vakgebieden. Het ene hoofdstuk is bekend, maar van het volgende hoofdstuk kunnen ze een hoop leren, met materie waar ze weinig kennis van hebben maar die toch dicht tegen hun vakgebied aanzit.”

UIT HET BRANDLAB In elke uitgave van Brandveilig.com verzorgt Efectis enkele pagina’s. Met meer dan tweehonderd medewerkers is Efectis de grootste organisatie die is gericht op brandveiligheid in Europa. De Efectis groep heeft vestigingen in Nederland (Rijswijk), Frankrijk (Parijs, Metz, Lyon, Montpellier en Bordeaux), Spanje (Madrid) en Turkije (Istanbul) en beschikt naast deskundig personeel over een uniek en breed scala aan beproevingsfaciliteiten en moderne computersimulatiemiddelen. Verder onderhoudt Efectis actief relaties met de brandweer en toezichthouders en ook met kennisinstellingen, zoals universiteiten en onderzoeksinstanties. Hierdoor is Efectis in staat voor haar brede klantenkring altijd snel een pasklaar antwoord of oplossing te genereren. Meer informatie: www.efectis.nl

Drempel

Niet alleen de inhoud is toegankelijk gemaakt, ook de prijs: het boek kost veertig euro. Op z’n zachtst gezegd een scherpe prijs voor een boek waar twee auteurs tweeënhalf jaar aan gewerkt hebben, samen met collega’s van Efectis die de basiskennis van hun afzonderlijke vakgebieden binnen brandveiligheid hebben toegevoegd. Ook de financiële drempel is dus flink verlaagd, vertelt Van Mierlo: “Het boek is voor de mensen die doorgaans wat moeilijker te bereiken zijn en van hun baas niet snel een boek van tweehonderd euro mogen aanschaffen. Ik hoop dat iedereen straks een

nummer 3

juni 2013

21


WIJ STELLEN DE VEILIGHEID VAN UW CLIËNTEN CENTRAAL! Naast een ontruimingsplan zijn evacuatie hulpmiddelen en brandveilige textielproducten van levensbelang voor de bewoners van een huis, zoals ziekenhuis, verpleeg– huis en/of psychiatrie. Wilt u meer informatie of een vrijblijvende afspraak of offerte, neem dan contact met ons op. We horen graag van u!

S-CAPE-POD® De S-Cape-Pod ligt permanent op het frame van het bed, onder het matras, klaar om in geval van nood direct gebruikt te worden. Binnen een minuut ben je met de bewoner de kamer uit. De S-CAPE_POD is het meest snelle en voor de cliënt de meest comfortabele manier van evacueren.

S-CAPE-PLUS® De S-Cape-Plus is binnen 20 seconden gebruiksklaar. Hiermee breng je in een handomdraai, mensen met een beperking welke zich op een verdieping bevinden over naar een veilige omgeving. De S-CAPE_PLUS is in tegenstelling tot evacuatiestoelen snel en ook zeer eenvoudig te gebruiken, goedkoop en totaal niet eng voor diegene die er in ligt.

NoFlame Textiel NoFlame linnen, is zeer moeilijk ontvlambaar gedurende de hele levensduur, is zelfdovend, druppelt niet, heeft alle voordelen van katoen, en de rook welke ontstaat bij verkoling is niet giftig. Bij roken in bed kan het gebruik van NoFLAME in plaats van traditioneel linnen het verschil maken tussen een klein brandwondje of een totale verbranding! We beschikken over bedlinnen, dekbedden en kussens in de NOFLAME Textiellijn.

Hezemans Textiel | A. Run 4318-A, 5503 LN Veldhoven | T. +31 (0)88 572 76 00 | F. +31 (0)88 572 76 99 | E. info@hezemans.com | I. www.hezemans.com | I. www.textielwinkel.nl | E. info@textielwinkel.nl


Uit het brandlab

Wat is FsE? De term Fire safety Engineering (FsE) is overgewaaid uit de Verenigde staten en Engeland en is als vakgebied wereldwijd in ontwikkeling. Fire safety Engineering is een verzamelnaam voor allerlei methodes om brandveilige bouwwerken te ontwerpen en beoordelen op een manier die niet in wetgeving is vastgelegd. Ook in Nederland wordt FsE steeds vaker toegepast om de brandveiligheid van gebouwen in kaart te brengen. De brandveiligheidsartikelen in het Bouwbesluit zijn bedoeld om 80 tot 90 procent van situaties in de bouwsector te regelen. Maar de ontwikkelingen op het gebied van techniek en architectuur gaan snel. Daarom is in het Bouwbesluit een gelijkwaardigheidsclausule opgenomen. Daarin staat dat van de prestatie-eisen uit het Bouwbesluit mag worden afgeweken, maar dat de aanvrager van een vergunning dan moet aantonen dat het nog even veilig is als in die prestatie-eisen is vastgelegd. Daar is Fire safety Engineering voor nodig. FsE is gebaseerd op een wetenschappelijke beschouwing van brandgedrag en de effecten van brand. Het doel van de brandveiligheid staat centraal, waardoor de focus ligt op de brandveilige oplossing en niet op het blind volgen van de standaard brandveiligheidseisen. Naast het voorkomen van slachtoffers, het voorkomen van schade aan de omgeving, kan FsE – anders exemplaar in de kast heeft staan, dat was oorspronkelijk ons plan. Organisaties kunnen een paar exemplaren aanschaffen zodat meer mensen het boek direct bij de hand hebben. We willen met dit boek de markt iets geven waar het echt wat aan heeft.”

Testen bij Efectis via videostream te volgen Klanten van Efectis Nederland die in het Rijswijkse lab een test laten uitvoeren, hebben sinds kort de optie om deze via het internet live te volgen. Een flinke kostenbesparing voor diegene die van ver moet komen. Door middel van een IP-camerasysteem kan Efectis videobeelden van testen in het brandlab in Rijswijk (dat zeer binnenkort verhuist naar Bleiswijk) doorzetten naar bedrijven over de hele wereld, waar de beelden live via het internet binnenkomen. De proeven worden geregistreerd

dan de wetgeving – ook focussen op schade aan de inventaris en de vervolgschade, zoals bijvoorbeeld een faillissement. Een voorbeeld is de brand bij Vodafone in het voorjaar van 2012. slim gekozen brandveiligheidsmaatregelen hadden het telefoonnetwerk beter in de lucht kunnen houden. De brand was in dit geval weliswaar snel onder controle, maar door de schade die werd aangericht, ondervonden klanten van Vodafone grote problemen met de bereikbaarheid en liep het telecombedrijf ook reputatieschade op.

door maximaal vier camera’s, inclusief een ovencamera. Eind april vond de pilot plaats tijdens een reconstructie voor een brandoorzaakonderzoek, waarbij de klant in Italië het hele proces kon volgen. De beelden werden op een veilige manier direct naar het IP-adres van het bedrijf in Italië gestuurd, waardoor niemand van buiten kon meekijken. Het idee van een live videostream komt van René de Feijter, projectleider brandonderzoek bij Efectis. “Soms zijn de testen langdurig en is er relatief weinig te zien voor de klant. Klanten komen soms uit het

buitenland en zijn wel een hoop kosten kwijt. Bovendien ligt hun werk tijdens het verblijf hier grotendeels stil. De Feijter denkt dat een hoop klanten van de videostream gebruik zullen gaan maken. “Het is natuurlijk aan het bedrijf zelf. Misschien wil iemand toch de test van dichtbij zien, en dat is prima. Maar het is natuurlijk ideaal als je gewoon aan het werk bent aan je bureau en af en toe op je computer kunt kijken hoe de test verloopt.”

nummer 3

juni 2013

23


Wet- en regelgeving

Willem van Oppen *

Verschuivingen in rolverdeling Er is een verandering gaande in de traditionele rolverdeling in de brandbeveiliging. De gebruiker van een bouwwerk komt steeds nadrukkelijker in de schijnwerpers te staan. In 2013 en 2014 kan hij nog terugvallen op de bekende regelgeving en geijkte patronen. Maar vanaf 1 januari 2015 moet de gebruiker zijn nieuwe rol kunnen spelen. Wat betekent dat voor hem? En vooral: waar kan hij terecht voor de dingen die hij niet weet?

D

e invoering van het Bouwbesluit in april 2012 betekende een nieuwe stap naar minder regelgeving en meer eigen verantwoordelijkheid voor gebouwgebruikers. Ten opzichte van voorgaande wet- en regelgeving is er voor het bouwen en gebruiken van bouwwerken meer vrijheid, en er hoeft minder. Dat geldt ook voor brandbeveiligingsvoorzieningen: zo vallen minder bouwwerken dan vroeger onder de verplichting om een brandmeldinstallatie te hebben.

Oplettendheid

Net als in andere processen geldt voor brandbeveiliging het adagium: ‘garbage in = garbage out’

24

nummer 3

juni 2013

Hoewel het nieuwe Bouwbesluit voor opdrachtgevend Nederland kan voelen als een bevrijding uit een knellend keurslijf, is er voor gebouwgebruikers toch reden voor oplettendheid. Weliswaar is een aantal specifieke maatregelen geschrapt, daar staat echter tegenover dat er prestatiegerichte voorschriften voor terug zijn gekomen. Wat bijvoorbeeld te denken van de generieke zorgplicht voor de in het bouwwerk aanwezige installaties in artikel 1.16 van het Bouwbesluit? Lid 2 van dat artikel bepaalt dat er een ‘adequate controle’ moet plaatsvinden als er voor leidingwerk een doorvoering in een brand- of rookscheidende wand is


Wet- en regelgeving

gemaakt. En zo staat er nog een aantal bepalingen in het Bouwbesluit waarvan in de praktijk moet worden bezien hoe die moeten worden uitgelegd of geïnterpreteerd.

Brandweer als adviseur

Konden gebouwgebruikers zich in eerder jaren met hun vragen wenden tot de brandweer, ook daar doen zich – mede onder invloed van veranderende regelgeving – verschuivingen voor. Waar de

Weten wat je niet weet…

brandweer vroeger als ‘eisende partij’ werd gezien, komt de preventieofficier steeds vaker in de rol te staan van adviseur van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag toetst voor daarvoor in aanmerking komende gebouwen of aan de eisen van wet- en regelgeving is voldaan, en vergunt in dat geval het bouwen of gebruiken van het bouwwerk. Tijd en mogelijkheden voor de afdeling preventie om betrokken te zijn en advies te geven bij het onderwerp brandveiligheid worden daarmee schaars.

Behoefte aan advies

De regelgeving schrijft de oplossingen niet meer voor, en in de dienstverlening van de lokale overheid is steeds minder ruimte voor advies. De vragen van opdrachtgevers nemen echter niet af. Er ontstaat zo een toenemende behoefte aan herkenbaarheid van adviseurs die in staat zijn om gebouwgebruikers te helpen met slimme maar doeltreffende oplossingen van brandbeveiligingsvraagstukken.

Goed, effectief, efficiënt

Voor het goed beveiligen van een bouwwerk tegen brand is een goed samenstel van verschillende maatregelen nodig. ‘Goed’ in voorgaande zin betekent: in eerste instantie ‘effectief’, en – voor de gebruiker van het pand – ‘efficiënt’ . Om over ‘goed’ iets te kunnen zeggen is veel inzicht nodig in diverse aspecten die op de brandveiligheid betrekking hebben. Te denken valt aan het bouwwerk zelf, de mensen die zich daar bevinden, de activiteiten die in het bouwwerk plaatshebben, het risico dat er brand ontstaat, de

gevolgen die brand voor personen, bouwwerk en activiteiten kan hebben, en de mogelijke brandscenario’s die zich in het bouwwerk kunnen voordoen. Het betekent in elk geval dat goed moet worden nagedacht over welke brandbeveiligingsmaatregelen moeten worden getroffen. Hoe die op elkaar moeten aansluiten, en samen er voor moeten zorgen dat er geen brand kan ontstaan. Zodat een brand – als hij onverhoopt wél ontstaat – niet leidt tot de gevolgen die de gebruiker juist beoogd heeft te voorkomen.

Uitgangspunten

Het resultaat van dit nadenken leidt tot uitgangspunten die het mogelijk maken een samenstel van maatregelen te kiezen waarmee het bouwwerk tegen brand wordt beveiligd. Noodzakelijk is, dat de uitgangspunten inhoudelijk van goede kwaliteit zijn. Net als in andere processen geldt voor brandbeveiliging het adagium: ‘garbage in = garbage out’. Als de uitgangspunten niet goed geformuleerd zijn, is de brandbeveiliging ondeugdelijk. Dat is een probleem want uitgangspunten zijn nodig: • voor realisatie en onderhoud van de brandbeveiliging; • voor certificatie en (of) inspectie volgens CCV-certificatie- en inspectieschema’s; • zodra afgeweken wordt van wet- en regelgeving, respectievelijk gelijkwaardigheid wordt toegepast, respectievelijk interpretaties van wet- en regelgeving worden toegepast; • wanneer gebruik gemaakt wordt van een combinatie van brandbeveiligingsinstallaties; • als meer dan één partij eisen of voorwaarden stelt aan de brandbeveiliging in het bouwwerk; • wanneer keuzes worden gemaakt uit mogelijke brandbeveiligingsmaatregelen. Goed doordachte uitgangspunten ontstaan als er gestructureerd en integraal gekeken wordt naar brandveiligheid voor het bouwwerk. Belangrijke toegevoegde waarde is dat hieruit synergievoordelen naar voren kunnen komen. Met één

maatregel twee problemen oplossen, zoals de besmettingsscheiding in een ziekenhuis die ook als rookscheiding dienst kan doen. Als de uitgangspunten zijn samengebracht in een document kan dat dienen als ‘bewijs’ dat de gebruiker van het bouwwerk zijn verantwoordelijkheid voor de brandveiligheid heeft genomen.

Certificatie

Het ontbreekt echter aan een specifieke mogelijkheid voor het waarborgen van de kwaliteit van uitgangspunten voor brandbeveiliging. Tot nu toe was dit ondergebracht in het certificatieregime voor een brandbeveiligingsinstallatie. Omdat het leveren van (integrale) brandbeveiliging over meer en andere maatregelen gaat dan alleen de installatie, en omdat uitgangspunten ook door andere partijen kunnen worden opgesteld dan de leverancier die een installatie levert, past deze activiteit niet goed in de leveringsomvang van een leverancier van een installatie. Daarom is een aparte certificatiemogelijkheid nodig. Koepels van belanghebbende partijen zoals opdrachtgevers, adviesbureaus, verzekeraars, vertegenwoordigers van de brandweer en certificatie-instellingen werken onder de vlag van het CCV op dit moment aan een CCV-certificatieschema voor het opstellen van uitgangspunten. De werkzaamheden zijn van groot belang voor de vorig jaar geïntroduceerde CCV-certificatie- en inspectieschema’s. Ze passen naadloos in de visie achter het Model Integrale Brandveiligheid Bouwwerken (Model IBB), dat het CCV in 2008 publiceerde en dat door de belanghebbende partijen wordt onderschreven. Het belangrijkste is echter dat ze tegemoetkomen aan de behoefte van opdrachtgevers om kwaliteit van brandbeveiligingsadvies te kunnen herkennen. Invulling van de verantwoordelijkheid voor brandbeveiliging begint immers bij weten wat je niet weet… * Willem van Oppen is adviseur conformiteitsschema’s bij het CCV

nummer 3

juni 2013

25


Onderzoek

dr.ir. A.F. Hamerlinck en ing. R.J. Stark *

Brandwerendheid staal-betonconstructies

Membraaneffect staalplaatbetonvloer blootgelegd Brandproeven uitgevoerd in een aantal landen en waarnemingen van branden in verschillende Europese gebouwen laten zien dat de prestatie bij brand van gebouwen met een staalconstructie en staalplaatbetonvloeren beter is dan volgt uit de resultaten van standaardbrandproeven op afzonderlijke constructieelementen. Een besparing van brandwerende bekleding is hierdoor haalbaar.

Grote brandproef met liggers met ronde gaten tijdens en na de proef (foto’s: prof. Ali Nadjai).

26

nummer 3

juni 2013


Onderzoek

D

e benodigde brandwerende voorzieningen voor gebouwen met een staalskelet en staalplaatbetonvloeren zijn minder dan verwacht: standaardbrandproeven op elementen, los van hun constructieve omgeving, geven een andere indicatie van de prestatie van derfelijke constructies dan grote schaalproeven. Dit is toe te schrijven aan een andere krachtwerking bij brand dan waarop doorgaans wordt gerekend: membraanwerking.

Onderzoeksrapporten

Op basis van een omvangrijk onderzoeksprogramma is een eenvoudige ontwerpmethode ontwikkeld, waarbij rekening wordt gehouden met de in de praktijk optredende membraanwerking. Deze methode wordt voorgedragen voor opname in de Eurocode (NEN-EN 1994-1-2) en is recent ook in het Nederlands beschikbaar in de vorm van twee rapporten, een Handleiding en een Constructief Achtergronddocument, en een softwarepakket MACS+.

De methode is conservatief en beperkt zich tot constructies vergelijkbaar met de geteste constructies, te weten: geschoorde gebouwen met een staalskelet opgebouwd met (1) staal-betonliggers uit standaard walsprofielen en staalplaat-betonvloeren en (2) staal-betonliggers met ronde gaten en staalplaat-betonvloeren. De Handleiding geeft ontwerpers inzicht in het gedrag van een geheel gebouw en maakt het mogelijk te bepalen welke elementen onbeschermd kunnen blijven terwijl de veiligheid op het vereiste niveau blijft, vergelijkbaar met de traditionele methoden. Omdat brandveiligheidsadviseurs tegenwoordig ook natuurlijke branden beschouwen, is tevens een natuurlijk brandmodel opgenomen naast het standaardbrand-model, beide uitgedrukt als temperatuur-tijdkrommen uit Eurocode 1. Het Constructieve Achtergronddocument geeft details over brandtesten en eindige-elementenanalyses als onderdeel van de in het afgelopen decennium uitgevoerde andere Europese

projecten en enkele details van de zogeheten Cardingtontesten op een gebouw van acht verdiepingen in een ex-zeppelinhangar in Cardington.

Echte branden en testen

Het gunstige gedrag bij brand is bij toeval ontdekt tijdens een brand in een gebouw in aanbouw in het Londense Broadgate. De constructie die volgens de gebruikelijke theorie en rekennormen na ongeveer 25 minuten had moeten bezwijken, zeker gezien de werkelijke temperaturen en brandomvang, bleek de brand te doorstaan en het gebouw is niet bezweken. Als gevolg hiervan zijn brandproeven uitgevoerd op een meerverdiepinggebouw met een staalskelet op de testfaciliteit van het Building Research Establishment in Cardington, Groot–BrittanniÍ. Op basis hiervan is door professor Colin Bailey een eenvoudige ontwerpmethode ontwikkeld. De methode is naast de Cardingtonproeven gevalideerd met een serie andere proeven, zoals een proef in het Franse Metz op een vloerveld van 8,7x6,7 m2, en een waarbij de nadruk lag op gedrag van de verbindingen bij brand (met name tijdens de afkoelfase). Tot slot is een grote test uitgevoerd met liggers waarvan het lijf ronde gaten had. De validatie is in twee stappen gedaan. Ten eerste door aan te tonen dat de resultaten van eindige-elementenpakketten goed overeenkomen met de testen. Ten tweede door aan te tonen dat de resultaten van de eenvoudige ontwerpmethode (c.q. met de MACS+ software) conservatief zijn in vergelijking met de resultaten van een geavanceerde eindigeelementenpakket (SAFIR) aan de hand van een uitgebreide parameterstudie. Bij alle testen is geconcludeerd dat door de membraamwerking het draagvermogen bij brand lang aanwezig blijft. Bij geen enkele test is echt bezwijken (het naar beneden komen van de vloer) opgetreden, maar zijn wel zeer grote vervormingen waargenomen. Bij het ontwerpen van vloersystemen volgens de hier omschreven methodiek zal men in de detaillering hiermee rekening moeten houden.

Opengewerkt overzicht van een staal-betonvloerconstructie.

nummer 3

juni 2013

27


Dag van de

Preventiemedewerker 27 juni 2013 | Landgoed Zonheuvel in Doorn

Thema: De Preventiemedewerker als regisseur Dag 贸r v贸贸r en d贸 preventie ers medewerk

Blijf successen boeken in uw werk als preventiemedewerker. Pak de regie en krijg grip op preventie! Test uw eigen preventieaanpak Leer van de aanpak van vakgenoten. Wat pakt u zelf op en wat laat u aan anderen over? Ontdek hoe u slim gebruik maakt van Techniek (tools), Ratio (analyse) en Gevoel (overtuigingskracht) Deel visie, kennis en ervaringen met deskundigen en vakgenoten Profiteer van een fikse abonneekorting

Voor meer informatie en inschrijven ga naar:

www.dagvandepreventiemedewerker.nl ORGANISATIE

PARTNERS


Onderzoek

Ontwerpmethode

De eenvoudige ontwerpmethode is gebaseerd op de vloeilijnentheorie en de relevante bezwijkvormen die bij het uitgebreide testprogramma zijn waargenomen. Het toepassingsgebied van de ontwerpmethode is beperkt tot geschoorde raamwerken niet gevoelig voor knik door zijdelingse verplaatsing, raamwerken opgebouwd uit primaire en secundaire liggers met eenvoudige dwarskrachtverbindingen, en staalplaat-betonvloeren bestaande uit een staalplaat (tot en met 80 mm hoogte), een enkele laag wapeningsnet en normaal of lichtbeton (betondikte boven de staalplaat 60 tot 130 mm), ontworpen in overeenstemming met EN 1994-1-1. Voor liggers met ronde gaten geldt dat deze nog niet in EN 1994-1-1 zijn opgenomen, maar dat deze moeten worden ontworpen met een gelijkwaardige bepalingsmethode als die in EN 1994-1-1 waarbij specifiek aandacht moet zijn gegeven aan het lokale plooigedrag van de lijven. In de ontwerpmethode deelt de ontwerper de vloerplaat op in een aantal ontwerpzones. De liggers op de omtrek van deze zones moeten zijn ontworpen om de brandwerendheid vereist voor de vloerplaat te bereiken en zullen daarom normaal gesproken brandwerend worden beschermd. Een ontwerpzone van de vloer moet aan de volgende criteria voldoen: • Elke zone is rechthoekig. • Elke zone is alzijdig door liggers begrensd. • De liggers binnen een zone overspannen slechts in één richting. • Kolommen zijn niet geplaatst binnen een ontwerpzone; wel op de omtrek van de zone. • Voor brandwerendheden van meer dan 60 minuten, of wanneer de parametrische brandkromme wordt gebruikt, zijn alle kolommen verbonden met ten minste één brandwerend beschermde ligger in elke orthogonale richting. Alle interne liggers binnen de zone mogen onbeschermd blijven, op voorwaarde dat met MACS+ of andere software wordt aangetoond dat de brandwerendheid van de ontwerpzone voldoende is. De grootte

en h.o.h.-afstand van de onbeschermde liggers zijn niet kritisch voor de constructieve prestatie tijdens brand. Bij de grenstoestand brand is aangenomen dat de weerstand van de onbeschermde interne liggers significant afneemt. De staalplaat-betonvloer blijft over als een in twee richtingen overspannend element. De beschermde liggers op de omtrek nemen bij brand de volledige verticale belasting op. Vervolgens wordt de benuttingsgraad bepaald en hieruit volgt de kritieke staaltemperatuur van de beschermde liggers. De brandwerende bescherming moet zijn ontworpen met deze kritieke temperatuur en de brandwerendheid die is vereist voor de vloerplaat. De ontwerpmethode controleert niet expliciet de brandwerendheid van de vloerplaat op het criterium thermische isolatie of vlamdichtheid. De ontwerper moet daarom zorgen dat de vloer voldoende dik is voor de isolatie, met EN 1994-1-2. Om te zorgen dat de vloer zijn vlamdichtheid behoudt en de membraantrekkrachten kan opnemen, moet het wapeningsnet voldoende overlappen. Voor het ontwerp bij brand is het belangrijk dat de vloerplaat goed is verankerd aan de randliggers. Hoewel bij niet samenwerkende randliggers bij kamertemperatuur geen deuvels benodigd zijn, beveelt de ontwerpmethode stiftdeuvels aan (h.o.h. < 300 mm) met U-vormige wapeningstaven om de stiftdeuvels. Het ligt voor de hand de randliggers dan ook als staal-betonliggers uit te voeren.

* Ralph Hamerlinck is senior adviseur bij Bouwen met Staal en directeur van Adviesbureau Hamerlinck. * Rob Stark is directeur van Ingenieursbureau SmitWesterman, partner van Maatschap Stark en voorzitter van Technische Commissie 3 Brandveiligheid van Staalconstructies van Bouwen met Staal. Dit artikel is op enkele punten ingekort. Het complete artikel (inclusief uitgebreide literatuurlijst) is gepubliceerd in Bouwen met Staal 230, december 2012.

VerANtwOOrdiNG Het MACS+-project is gefinancierd met steun van het europese Onderzoeksfonds inzake Kolen en Staal (rFCS). de publicaties en software zijn gemaakt als resultaat van andere onderzoeken: •

rFCS-project FiCeB;

rFCS-project COSSFire;

Assessment of Partially Protected Composite Floors’ (FrACOF);

Handige software

De ontwerpmethode is opgenomen in de MACS+-software. De methode was in 2000 al geïmplementeerd in de software FRACOF met een herziene, verbeterde versie in 2006. Concepten die overeenkomen met de ontwerpmethode bereiken ten minste het brandveiligheidsniveau dat is vereist in het Bouwbesluit en zijn op grond van gelijkwaardigheid toepasbaar. Er zijn bouwkostenbesparingen mogelijk zonder dat het veiligheidsniveau lager wordt dan vereist. Door de (niet benodigde) brandwerende bescherming op een deel van de kinderbalken weg te laten, kan zo’n 30% op kosten worden bespaard.

Leonardo da Vinci-project ‘Fire resistance

een eerder project gesponsord door staalproducent ArcelorMittal en CtiCM (Frans instituut voor metalen in de bouw), uitgevoerd door een samenwerkingsverband van CtiCM en het Steel Construction institute (engelse instituut voor staal(constructies) in de bouw).

nummer 3

juni 2013

29


Normering

Gisela van Blokland *

Onduidelijkheden normen brandveiligheid belicht (2) Het is niet altijd voor iedereen even duidelijk wat nu precies de status en waarde is van normen. Op het terrein van brandveiligheid is dit niet anders. In een serie van twee artikelen wordt een aantal zaken nog eens op een rij gezet. In dit tweede artikel wordt daarbij vanuit het perspectief van producenten en importeurs gekeken.

I

n Brandveilig.com nummer 2, mei 2013 werd in het eerste artikel in deze serie waarin onduidelijkheden rondom normen brandveiligheid worden belicht vanuit het perspectief van de ontwerper gekeken. Maar ook producenten en importeurs hebben regelmatig vragen over deze problematiek. In dit tweede artikel wordt geprobeerd deze te beantwoorden.

Europese regelgeving en CE-markering

Voor een vrij verkeer van goederen en het opheffen van handelsbelemmeringen heeft Europa de Richtlijn Bouwproducten ingevoerd, die per 1 juli wordt vervangen door de Verordening Bouwproducten. Hiermee wordt een stelsel ingevoerd van geharmoniseerde productnormen en beproevingsnormen. Er is een aantal kenmerkende eigenschappen die een

30

nummer 3

juni 2013

product kan hebben, waaronder brandveiligheid. In de geharmoniseerde productnorm staat of aan een product brandveiligheidseisen gesteld mogen worden, en zo ja welke eisen dan. In de productnorm staat ook hoe de brandveiligheid van een product moet worden bepaald (bijvoorbeeld volgens beproevingsnormen) en hoe dit moet worden aangegeven op de CE-markering.

Europese beproevingsnormen

Voor de bepaling van de brandwerendheid voor de CE-markering heeft elk bouwdeel een eigen beproevingsnorm. Hierin staat hoe het bouwdeel moet worden beproefd, hoe het moet worden bevestigd, waar de thermokoppels moeten worden aangebracht en meer van deze details. In de beproevingsnorm staat ook wat het directe geldigheidsgebied van de resultaten

In de productnorm staat ook hoe de brandveiligheid van een product moet worden bepaald is (direct application), dus voor welke vergelijkbare producten het resultaat van de beproeving ook mag worden toegepast. Hierdoor hoeft niet voor elke kleine afwijking van het product een nieuwe (kostbare) proef te worden uitgevoerd.


Normering

ExAps Extended Application

Voor veel bouwdelen zijn ExAps ontwikkeld of nog in ontwikkeling. In een ExAp wordt het geldigheidsgebied van de beproevingsresultaten verder vergroot ten opzichte van het directe geldigheidsgebied. In een ExAp kan bijvoorbeeld staan dat als een deur deels van glas is, of dit hetzelfde glas moet zijn of ook vergelijkbaar glas mag zijn. Of dat een deur onder bepaalde voorwaarden 10 procent hoger mag worden uitgevoerd of 20 procent breder.

Brandwerende producten

Bij de meeste brandwerende producten luistert het heel nauw hoe het bouwdeel wordt geïnstalleerd om de juiste brandwerendheid te behalen. Als een opening niet wordt gedicht met de juiste brandwerende kit, is van de brandwerendheid van de hele wand weinig meer over. Een deur wordt bijvoorbeeld beproefd inclusief kozijn en hang- en sluitwerk. Om de brandwerendheid te halen die op de CE-markering en in het beproevingsrapport staat, moet de deur met het juiste kozijn en het juiste hang- en sluitwerk worden toegepast. Er zijn heel veel voorbeelden te vinden van verkeerd geïnstalleerde doorvoeringen, brandkleppen die niet in maar voor de brandwerende wand zijn geplaatst, of gaatjes in een brandwerende wand die niet goed zijn afgedicht.

Wbdbo

In NEN 6068 staat hoe de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag moet worden bepaald. De eis aan de wbdbo in

Een bouwdeel met brandwerendheid bepaald volgens Europese beproevingsnormen mag in Nederland worden toegepast het Bouwbesluit wordt omgezet in een vuurbelasting: voor 30 minuten wbdbo moet worden gerekend met 30 m3 vurenhout per m2. Met deze vuurbelasting wordt een brand gesimuleerd en wordt de grootte van de vlammen uit de openingen bepaald. Een grote ruimte met kleine openingen leidt vaak tot grote vlammen, een kleine ruimte met grote openingen leidt vaak tot kleine vlammen. De vlammen geven een straling op bovengelegen openingen en tegenover gelegen gebouwen. Zolang de straling onder 15 kW/m2 blijft, is er voldoende weerstand tegen brandoverslag.

NEN 6069 of de Europese beproevingsnorm?

NEN 6069 sluit aan bij de Europese beproevingsnormen. Een bouwdeel met een brandwerendheid bepaald volgens de Europese beproevingsnormen mag in Nederland worden toegepast, ook als deze proef in een ander land is uitgevoerd. Het moet natuurlijk wel aan de juiste criteria voldoen die gelden in de situatie waar het bouwdeel is toegepast. Voor sommige bouwdelen is het nog toegestaan om de oude methode uit NEN 6069 toe te passen. Dit geldt alleen voor bestaande bouw en voor bouwdelen waar (nog) geen geharmoniseerde productnorm voor is, dus waar CE-markering niet verplicht is. Deze oude methode volgens NEN 6069 leidt tot vergelijkbare resultaten als de Europese beproevingsnormen, maar de resultaten zijn alleen in Nederland te gebruiken.

Beoordelen brandwerendheid toegepaste oplossing

Het is lastig vast te stellen wat de brandwerendheid van een bouwdeel is, als het eenmaal is toegepast in een gebouw. De normcommissie overweegt handvatten te ontwikkelen om beter te kunnen beoordelen wat de brandwerendheid van een bouwproduct is, zodat bij vervanging of reparatie duidelijk is waaraan het bouwdeel moet voldoen. * ir. drs. Gisela van Blokland is consultant Bouwveiligheid bij NEN

Bepaling brandwerendheid

er kunnen aanvullende eisen gelden als mensen gedurende langere tijd een vluchtroute moeten kunnen gebruiken.

In NEN 6069 staat aan welke eisen een bouwdeel moet voldoen om als brandwerend te worden beoordeeld. Dit is afhankelijk van het soort bouwdeel. Voor deuren gelden meestal lichtere eisen dan voor wanden. Dit is ook afhankelijk van het soort scheiding; aan een scheiding tussen subbrandcompartimenten worden lichtere eisen gesteld dan aan een scheiding tussen brandcompartimenten. Er kunnen aanvullende eisen gelden als mensen gedurende langere tijd een vluchtroute moeten kunnen gebruiken.

Meer inforMatie •

Brandveilig.com nummer 2, mei 2013: Gisela van Blokland, ‘onduidelijkheden normen brandveiligheid belicht’

Brandveilig.com nummer 2, mei 2013: Jacques Mertens, ‘inwerkingtreding CPr - Ce-markering verplicht’

nummer 3

juni 2013

31


Schadepraktijk

Leo Porrio *

Bouwvoorschriften zijn minimumeisen Op 12 februari 2008 was op het industrieterrein Doetinchem een grote brand: de plaatselijke Gammavestiging stond in lichterlaaie. Het tijdstip kon niet slechter: 17.00 uur ‘s middags, de zaak was gewoon open en er waren nog mensen aanwezig in het pand.

De praktijk

Het pand voldeed in principe aan de bouwvoorschriften, alleen de berekening van de vuurbelasting was wat aan de magere kant. Bij een nadere studie bleek dat een factor tien hoger van toepassing zou moeten zijn. Dit werd met name veroorzaakt door de voorraad brandbare vloeistoffen. Te denken valt hierbij aan de gebruikelijke bouwmarktproducten zoals verfverdunners en schoonmaakmiddelen. De constructie van het gebouw en de beveiliging waren redelijk middle of the road: een grote ongecompartimenteerde ruimte, voorzien van een brandmeld- en ontruimingsinstallatie. Die laatste heeft goed gewerkt; iedereen kon veilig het brandende pand verlaten. Het pand brandde volledig af hetgeen gezien de constructie niet te verwachten was. Op zich was het pand namelijk redelijk gebouwd met een verticale steunconstructie met betonpilaren en een horizontale constructie bestaande uit stalen liggers. Wanden bestaande uit sandwichelementen gedeeltelijk gevuld met polyurethaan, gedeeltelijk met steenwol. Het dak was bitumineus met een steenwolisolatie op geprofileerde staalplaat. De naastgelegen bedrijven werden door de brandweer vakkundig natgehouden, waardoor deze intact bleven. Het aangebouwde tuincentrum had bijzondere kenmerken. Men was bij de bouw uitgegaan van zwaardere eisen dan strikt noodzakelijk volgens de bouwvoorschriften. En dat leverde een klinkend resultaat op na de brand: dat gebouw bleef staan.

32

nummer 3

juni 2013

Men had de twee gebouwen gescheiden door een brandwand bestaande uit cellenbetonelementen. Deze elementen beschikken over uitstekende eigenschappen om brand langdurig te weerstaan.

De brand

De brand begon in het deel waar de brandbare vloeistoffen stonden opgeslagen en ontstond waarschijnlijk als gevolg van brandstichting, hoewel de aanwezige camera’s geen brandstichter hebben kunnen waarnemen door de hoogte van de stelling. De brand breidde zich zeer snel uit tot een grote brand. Uit het overzicht Grote Branden van het Verbond van Verzekeraars bleek dat de schade circa 6 miljoen euro bedroeg.

Conclusie

Bouwvoorschriften geven weliswaar een eisenpakket waaraan een gebouw moet

voldoen, maar deze voorschriften zijn hoofdzakelijk bedoeld om een ‘vluchtveilig’ gebouw te bouwen. Het is niet de bedoeling een gebouw te realiseren, dat een brand kan weerstaan met minimale schade. Dit laatste wordt door verzekeraars wel nagestreefd binnen redelijke grenzen. Met name gebruik van bouwmaterialen met hoge brandweerstand zoals hier de cellenbetonbrandwand bewijzen keer op keer hun waarde, gecombineerd met een zelfstandige staalconstructie per compartiment, voorzien van een smeltankerconstructie. Als een bedrijf met minimale aanpassingen door kan gaan na een brand, is er economisch sprake van een win-win situatie. Helaas worden deze factoren in het algemeen in onvoldoende mate meegenomen bij het ontwerp. Architecten beperken zich doorgaans tot de vereiste minimumuitgangspunten. ‘Meer’ brengt hogere bouwkosten met zich mee en dat is meestal niet de bedoeling. Verzekeraars denken hier anders over; samen met ondernemers die verder denken lukt het met enige regelmaat een betere constructie neer te zetten. Niet ieder gebouw krijgt de kans zich in een echte brand te bewijzen. Testomstandigheden in laboratoria zijn weliswaar genormaliseerd, maar niet altijd op de praktijk afgestemd. Uiteindelijk bepaalt een echte brand hoe het werkelijke verloop zal zijn, waarbij de gehele constructie wordt getest en niet slechts een onderdeel. * Leo Porrio is risk control consultant


Praktijktoepassing

Veilig vluchten

Is sprake van een portieketageontsluiting? Brandweer en aanvrager van een vergunning voor een bouwplan verschillen van mening over de toepassing van de voorschriften inzake ontvluchting van Bouwbesluit 2003. De vraag moet worden beantwoord of in dit geval sprake is van een portiek als bedoeld in het Bouwbesluit.

D

e adviesaanvraag betref een bouwplan van een woongebouw dat is uitgevoerd als een zogenoemde portiekoplossing. In dit woongebouw komen 11 woningen rechtstreeks op het trappenhuis uit. In het trappenhuis wordt op de 1e t/m 3e verdieping een rookmelder (die voldoet aan NEN 2555) geplaatst die aan de rookmelder(s) van de 2 woningen wordt gekoppeld die voorbij de lift zijn gelegen. Via de Vereniging van huiseigenaren zal een onderhoudsverplichting worden afgesproken.

Standpunt aanvrager

De aanvrager is van mening dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften voor veilig vluchten in artikel 2.157 van het Bouwbesluit 2003.

Standpunt brandweer

De conclusie van de brandweer is dat het plan afwijkt van artikel 2.157 van Bouwbesluit 2003. Op de verdiepingen van het trappenhuis liggen de woningtoegangen niet tegenover elkaar. Daarbij moet bijvoorbeeld bij een uitslaande brand in de woning op de verdiepingen tegen het vlamlichaam in gevlucht worden. De aangegeven oplossing van een in het vluchttrappenhuis geplaatste rookmelder die aan de rookmelders in ĂŠĂŠn van de woningen is gekoppeld ziet de brandweer niet als een gelijkwaardige oplossing.

Vraagstelling

Kern van het meningsverschil tussen de brandweer en de adviesaanvrager is de

vraag of het beperkte horizontale gedeelte waarop twee toegangen van woningen uitkomen, mag worden beschouwd als onderdeel van het trappenhuis (waarop artikel 2.157, vijfde lid, onder a, mag worden toegepast), of moet worden beschouwd als een horizontale vluchtroute waarop artikel 2.157, vierde lid moet worden toegepast.

Advies

De adviescommissie is van mening dat de oplossing voldoet aan artikel 2.157, vijfde lid, onder a en dat de woningen kunnen worden beschouwd als rechtstreeks op het trappenhuis uitkomend. Kenmerk van een portiek is dat vanaf de verschillende verdiepingen langs verschillende woningtoegangsdeuren moet worden gevlucht die grenzen aan de tussenbordessen van het trappenhuis. De ingediende oplossing kan naar de mening van de adviescommissie nog steeds als standaardportiekoplossing worden beschouwd. Dat er langs een andere woningtoegangsdeur moet worden gevlucht is inherent aan een portiekoplossing. De woningtoegangsdeuren van de twee woningen voorbij de lift op de 1e t/m 3e verdieping liggen onder een hoek van 900 tegenover elkaar. Deze positie is tenminste even veilig in vergelijking met een situatie waarbij de woningtoegangsdeuren recht tegenover elkaar zijn gelegen. Daarnaast is het voor het vluchten door het trappenhuis zelfs iets gunstiger dat een toegang van een woning waarin de brand heerst, op enige afstand van de trap ligt.

Burgers, ondernemers en overheden kunnen advies vragen aan de Adviescommissie praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften over hoe de voorschriften voor brandveiligheid moeten worden uitgevoerd. Brandveilig.com belicht in elke editie een interessant advies. Voor het volledige advies kunt u terecht op: www.rijksoverheid.nl, onder Helpdesk Bouwregelgeving en Brandveilig gebruik.

Advies met registratienummer 1201, januari 2012, status definitief.

nummer 3

juni 2013

33


Advertorial

product & MArKt Ruimtevaarttechnologie voor brandblussystemen Brand wordt vaak bestreden door het verdrijven van zuurstof met een ander gas, bijvoorbeeld stikstof (N2). Deze manier van brandbestrijding wordt toegepast onder andere in de ICT, petrochemische industrie en op schepen waar de schade aan de apparatuur na een blussing beperkt moet blijven of omdat andere manieren van blussen niet werken. De gasflessen die daarvoor nodig zijn staan onder hoge druk en zijn daarom niet geschikt voor normaal gebruik. Een innovatie uit de ruimtevaarttechnologie zal hier een einde aan gaan maken. Deze koelgasgenerator technologie vindt zijn oorsprong als voortstuwingssysteem voor de Proba-2 satelliet. Deze ruimtevaarttechnologie is door Exxfire doorontwikkeld voor brandbeveiliging in het dagelijks leven. De koelgasgenerator produceert vanuit een granulaat puur stikstof (N2) dat op kamertemperatuur uit de generator komt.

Milieuvriendelijke brandblusser Poederblussers hebben qua bluscapaciteit altijd een streepje voor gehad op schuimblussers. Die tijd is voorbij. De nieuwe Bioclass H(igh) R(ating) blussers van Saval evenaren de bluskracht van poeder, maar geven niet de nevenschade. Bovendien is de hoeveelheid benodigd blusschuim in de blussers teruggebracht tot 0,04 liter. Daarmee is het niet alleen de meest krachtige schuimblusser, maar ook de meest milieuvriendelijke van het moment.

Brandwerende schuifdeur

Metacon heeft als eerste bedrijf in Nederland een brandwerende schuifdeur in haar programma die als geheel is voorzien is van een Atex-certificering en toegepast mag worden voor gebruik in een Atex Zone 1 of Atex Zone 2. De Metacon SGS brandwerende schuifdeur is getest op brandwerendheid volgens de NEN-EN 1634-1 en heeft hierbij een classificatie van EI(1)60 behaald. De brandwerende schuifdeur kan met diverse opties uitgevoerd worden: • Een geïntegreerde vluchtdeur zonder onderdorpel, waardoor deze ook in een vluchtroute toegepast kan worden. • Meerdere secties met beglazing met een afmeting van 500mm x 300mm. • Een verticaal heffende uitvoering bij gebrek aan zijruimte. • De gehele deur kan gepoedercoat worden in een RAL-kleur naar keuze. • Compleet uitvoerbaar in RVS 304 of RVS 316 voor toepassing in agressieve omgevingen.

Brandveilige schoonloopmat Forbo Flooring brengt een nieuwe schoonloopmat op de markt met de hoogste brandveiligheidclassificatie voor textiele vloerbedekking. Dit verzekert dat de ingang, die ook als nooduitgang dient bij calamiteiten, extra brandveilig is.

Oplossing voor brandbeveiliging datacentra Als onderdeel van haar totaaloplossing voor rekencentra en IT-afdelingen van bedrijven levert Connex Telecom sinds kort het systeem- en apparatuurbesparende blusmiddel Novec 1230 van 3M. Naast toepassing binnen rekencentra leent het brandblussysteem zich ook voor bedrijven in de energiesector, industrie en musea en archieven. Novec 1230 biedt uit oogpunt van vervolgschade en uitval een aantal voordelen. Zo bespaart het blusmiddel apparatuur en systemen, verdampt het volledig en heeft het geen schadelijke gevolgen.

34

nummer 3

juni 2013


Column

Joric Witlox

Blijf bij de feiten!

Onder de term Fire Safety Engineering wordt veel gerekend aan de effecten van brand op het gehele gebouw. Dat gebeurt op basis van allerlei aannames en met rekenmodellen. Die rekenmodellen zijn niet getoetst bij een echte brand… Toch worden de uitkomsten van berekeningen soms gebruikt alsof ze iets zouden zeggen over het feitelijke brandverloop. Naar dit rekenen met modellen wordt weleens verwezen als de ‘brand koud rekenen’. En dat terwijl we allemaal weten dat bijvoorbeeld staal vervormt bij brand, dat gewoon glas barst. Feit: bij een brand wordt het heet, soms wel over de 1000 graden Celcius. En de rook? Die verspreidt zich met een snelheid die vaak veel hoger is dan u loopt. Feit: rook kan zich soms wel met een snelheid van 50 km per uur verspreiden.

Joric Witlox is voorzitter van vereniging Brandveilig Bouwen Nederland (BBN).

Onderzoek doen naar brand en brandeffecten is kostbaar. Als betalend opdrachtgever wil je daar wel iets voor terugzien, toch? Gunstige uitkomsten bijvoorbeeld. Bij berekeningen en modelleringen van brand zoals dat bij FSE gebeurt zijn er veel gewenste uitkomsten. Regelgevers streven onder politieke druk naar lagere eisen, investeerders in gebouwen hopen aan te kunnen tonen dat zij minder voorzieningen hoeven te doen aan hun gebouw. Allemaal politieke druk om maar zo gunstig mogelijke uitkomsten van de berekeningen te hebben. Daarnaast hebben onderzoekers soms heel sterk hun eigen visie. De zorg die door al die politiek ontstaat, is of het onderzoek nog wel bij de feiten blijft. Vraag is ook wie hierop nog bijstuurt als het onderzoek nog aan de gang is. Zie je wat je wilt zien? Stuur je misschien onwillekeurig op de gehoopte uitkomsten? Uitkomsten van berekeningen kun je beïnvloeden door de aannames anders te kiezen. Feit: aannames zijn geen feiten. Het verloop van een brand is van veel factoren afhankelijk en daarnaast ook nog eens van hoe deze elkaar beïnvloeden. Het is de hoeveelheid brandbaar materiaal, de hoeveelheid zuurstof, de luchtstroming, de snelheid van verwarmen en de manier waarop de constructie daarop reageert, zoals uitzetten van materialen. Alles werkt op elkaar in, waarbij kleine verstoringen grote effecten kunnen hebben. Het lijkt in die zin wel een beetje op het weer. Ook dat is afhankelijk van veel factoren, waarbij veel kleine invloeden een groot effect kunnen hebben. Het vlindereffect wordt dat genoemd. Dat kan dus betekenen dat als een constructieonderdeel net iets anders is gemonteerd dan zoals het getest is, dit grote gevolgen kan hebben voor de brandveiligheid. Het blijkt dat het zelfs voor getrainde productontwerpers niet mogelijk is te voorspellen hoe het gedrag van een constructiedeel zoals een deur, plaat of ruit, is bij een brandtest. Ook al hebben ze tientallen jaren ervaring en de meest verfijnde rekenmodellen. Bij een brandtest voor een oven van een geaccrediteerde instelling willen de betrokkenen zoals die getrainde productontwerpers natuurlijk dat de test van het constructiedeel slaagt. Maar zelfs onder deze condities blijkt het verloop vaak heel anders dan voorspeld. De test is zo opgezet en wordt uitgevoerd door een geaccrediteerde instelling, dus onder controle van de raad voor de accreditatie, dat het een echte toets is voor de constructie. Feit: een brandtestrapport van een geaccrediteerde instelling bevat feitelijke waarnemingen over hoe de constructie zich gedraagt bij een brand. Vraag dus naar die feiten - het testrapport van de constructieonderdelen - als je een gebouw beoordeelt, controleer het ontwerp enzovoort.

nummer 3

juni 2013

35


Branche-informatie VBE Doelstellingen

Delen van kennis op het gebied van brandveiligheid is wat de VBE doet. De VBE vormt een netwerk van specialisten en organiseert een discussieplatform voor allerlei (actuele) thema's. Tevens vormt zij een sociaal netwerk voor de experts. De VBE is een sectie van de Nederlandse Organisatie voor Brandveiligheid (NOVB) en bestaat sinds 2007. Iedereen die een positieve bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van kennis binnen het vakgebied en de doelstellingen van de vereniging onderschrijft, kan lid worden. Het lidmaatschap is persoonlijk. De huidige leden zijn doorgaans werkzaam bij adviseurs, installateurs, inspectie-instellingen, verzekeraars, brandweer, overheid, aannemers, toeleveranciers, projectontwikkelaars of in het facilitair management.

Lid worden?

Bent u expert in een of meer aspecten van brandveiligheid, meldt u zich dan aan via de website en geef bij voorkeur een VBE-lid als referentie op.

Jaarprogramma

De VBE realiseert haar doelstellingen onder andere door geregeld themabijeenkomsten te organiseren en een jaarlijks seminar in het najaar. Daarin komen allerlei (actuele) brandveiligheidsonderwerpen aan de orde.

VBE-seminar 2 oktober 2013 Voor de 7e keer in successie organiseert het VBE haar jaarlijkse congres over integrale brandveiligheid. Dit jaar focust het VBE-comité zich op het onderwerp Brandveilig Ondernemen. Een brandveilige omgeving is van cruciaal belang in het dagelijks leven thuis, maar evenzeer op het werk. Werkgevers, bestuurders en facilitair managers worden dagelijks geconfronteerd met vragen als: • Wat is mijn verantwoordelijkheid? • Is het voldoen aan het minimum uit de bouwregelgeving voldoende? • Welke risico’s loop ik en wat vind ik acceptabel? • Wat kan ik doen aan beperking van risico’s en hoe doe ik dat zo efficiënt mogelijk? Ook in dit seminar wil de VBE een brug slaan tussen brandveiligheidsexperts en werkgevers, ondernemers, bestuurders en facilitair managers van Nederland. Met integrale brandveiligheid als uitgangspunt zal de middag in het teken staan van het gezamenlijk vinden van antwoorden op bovengenoemde vragen.

Verenigde Brandveiligheid Experts Hogeweg 37A 5301 LJ Zaltbommel Tel. 0418-510828 E-mail info.vbe@novb.nl www.brandveiligheidslimbekeken.nl www.vbe.novb.nl

www.brandveiligheidslimbekeken.nl

36

nummer 3

juni 2013

Gewoontegetrouw vindt het seminar plaats in de Evenementenhal in Gorinchem. Rondom het seminar wordt weer een informatiemarkt georganiseerd voor bedrijven en organisaties die actief zijn in de wereld van de brandveiligheid. In 2012 gaven ruim 30 bedrijven en organisaties daar acte de présence. Geïnteresseerden kunnen nu reeds contact opnemen met secretariaat@novb.nl Wij houden u op de hoogte via dit blad of surft u naar www.brandveiligheidslimbekeken.nl voor de actuele stand van zaken.

Themabijeenkomsten 2013 De VBE-themabijeenkomsten zijn bedoeld voor kennisvergroting, onderlinge uitwisseling van informatie en discussie. VBE-leden hebben gratis toegang tot de themabijeenkomsten. Niet-VBE-leden betalen € 50,-. De bijeenkomsten beginnen altijd om 19.00 uur en vinden doorgaans plaats in een vergaderruimte van het NOVB-kantoor te Zaltbommel. Vanaf ca. 21.00 tot 21.45 uur, is er gelegenheid voor informele uitwisseling en netwerken met een hapje en een drankje. Voor 2013 staat op 20 november nog een themabijeenkomst gepland. Het onderwerp is nog niet bekend.

Terugblik

Op 24 april 2013 vond een goedbezochte themabijeenkomst plaats over ‘Brandwerende liften en deuren’. Mark van Tilborg van Vetrotech sprak over brandwerend glas, CE-markering, herkenning en controle. Jacob van den Essenburg van de fa. Kone sprak over brandwerende toegangsdeuren en Rudi van Seter van dezelfde firma ging in op liften in combinatie met brandveiligheid. Overeenkomstig de doelstelling van de themabijeenkomsten de expertise van de leden te vergroten, wisselden de heren veel technische informatie uit met de zaal. De actualiteit van het thema werd onderstreept doordat vanaf 10 april 2013 een nieuwe EN-norm van toepassing is. EN 16005 heeft betrekking op de gebruiksveiligheid van automatische deuren en is een aanscherping van de oude regeling. Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de deur te voldoen aan de strengere eisen. Onderdeel van de avond was ook een proef met brandwerend glas. Op 12 juni jl. stond de VBE-themabijeenkomst in het teken van aerosolblussystemen. Kees van Toer van Protec verzorgde de presentatie.


Branche-informatie VBE

Mark van Tilborg van Vetrotech sprak over brandwerend glas, CE-markering, herkenning en controle.

Opleidingen brandveiligheid

De VBE adviseert het OpleidingsCentrum Brandveiligheid (OCB ) over de ontwikkeling van opleidingen. VSI-A en VSI-B Na de zomervakantie starten de VSI-A (leidinggevend sprinklermonteur) en VSI-B alias Sprinkler I (aankomend sprinklertechnicus). Op dinsdag 2, 10, 17 september en 1 oktober 2013 vindt de VSI-A plaats. Het examen is op woensdagochtend 9 oktober. Dat wordt afgenomen door het CertificeringsInstituut BrandVeiligheid (CIBV), voorheen LPCB. Vanaf vrijdag 30 augustus tot en met vrijdag 15 november 2013 wordt Sprinkler I gegeven. Het examen kan worden afgelegd bij Certoplan of het CIBV en vindt plaats op 19 november 2013. Beide opleidingen worden gegeven bij R2B te Zaltbommel. Voor meer informatie en aanmelden: http://hetocb.nl/ cursussen/sprinklertechniek Brandweer en sprinkler Voor de dit jaar voor het eerst bij wijze van pilot georganiseerde vierdaagse cursus â&#x20AC;&#x2DC;Toegepaste Sprinklerbeveiliging voor de brandweerâ&#x20AC;&#x2122; zijn ook nieuwe data gepland. Cursusdata voor de 1e cyclus zijn 19, 26 juni en 3 en 10 juli en voor

de 2e cyclus 26 september en 3, 10 en 17 oktober. Voor meer informatie: http://hetocb.nl/cursussen/sprinklertechniek/toegepaste-sprinklerbeveiliging-voor-de-brandweer/sprinklerbeveiliging-brandweer

LinkedIn

De leden kunnen zich aansluiten bij de VBE-Linkedin groep. De bijdragen aan de op VBE-Linkedin groep zijn zeer divers. Men kan elkaar vragen stellen, er vindt discussie plaats over de beste beveiligingsmethoden van bijvoorbeeld parkeergarages en tunnels en over onderzoeksresultaten en men kan er ook commentaar aantreffen op branden. Bovendien is het een goed medium voor aankondigingen van symposia en evenementen waarin de brandveiligheid aan de orde komt.

Voordeel voor VBE-leden

VBE-leden mogen gratis deelnemen aan al onze activiteiten, worden regelmatig geĂŻnformeerd over de activiteiten van de vereniging en hebben hun eigen discussieplatforms. Daarnaast zijn er regelmatig kortingen op evenementen van derden. Kent u een seminar, opleiding of andere interessant item, neem dan contact met ons op. Ook ontvangen VBE-leden dit blad tegen een aantrekkelijke prijs.

nummer 3

juni 2013

37


Brandveilig.com bedrijvenindex AfvAlbAkken

Adembescherming

EHCM www.ehcm.nl

Dräger Safety Nederland www.draeger-safety.nl

www.hugen.com Nu-Swift Brandbeveiliging www.nu-swift.nl

brAndkAsten Bumax www.bumax.nl

AdviesbureAus

Arbo

CCB Groep www.ccb-groep.nl

P&G Safety www.pengsafety.nl

Adviesbureau Peutz www.peutz.nl

AspirAtiesystemen

Saval Brandbeveiliging www.saval.nl

DAME-Ltd Nederland www.dame-ltd.com

Schuurman Brandbeveiliging www.schuurman-brandbeveiliging.nl

FSS International www.firestopsystems.nl

bouwmAteriAlen

Rucon Systemair www.systemair.nl

Adviesbureau Leeuwesteijn www.leeuwesteijn.org

AerOcheck www.aerocheck.eu

Altavilla Brandveiligheid www.altavilla.nl

bhv

Trigion Brand en Beveiligingstechniek www.facilicom.com

AMMA de Bruin www.ammadebruin.nl

CCB Groep www.ccb-groep.nl

Bartels Ingenieursbureau www.bartels.nl Trigion Brand en Beveiligingstechniek www.facilicom.com Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs www.chri.nl

Albo Deuren www.albodeuren.nl

Alprokon Aluminium www.alprokon.com

DGMR www.dgmr.nl

Berkvens www.berkvens.nl

Dijkoraad Viavesta www.brandweerondersteuning.nl Floriaan www.floriaan.nl Nieman Raadgevende Ingenieurs www.nieman.nl Obex www.obex.nl Vgib Onderhoudsmanagement www.vgib.nl

Aed

Trigion Brand en Beveiligingstechniek www.facilicom.com

Afdichtingen BBWest www.bbwest.nl

Tremco illbruck www.nullifire.nl Trigion Brand en Beveiligingstechniek www.facilicom.com DMS Brandwerende Systemen www.brandwerendeconstructies.nl

Gerco Beveiligingen www.gerco.com IBMO www.ibmo.eu SABA www.saba.nl Walraven www.walraven.com

38 38

Wagner www.wagner-nl.com

binnendeuren

CCB Groep www.ccb-groep.nl

Firestopsupply www.firestopsupply.nl

Saval Brandbeveiliging www.saval.nl

Draka Kabel www.draka.nl

Gyproc www.gyproc.nl Promat www.promat.nl Reppel www.reppel.nl

bouwplAntoetsing

Limburgia Utiliteitsdeuren www.limburgia.nl

Dräger Safety Nederland www.draeger-safety.nl

Reinaerdt Deuren www.reinaerdt.nl

brAndbeveiliging af-x fire solutions www.afxfiresolutions.com

BrandPrevent Applications www.brandprevent.nl

Ajax Chubb Varel www.ajaxchubb.nl

Dictator Productie www.dictator.nl

Breman Brandbeveiliging www.breman.nl

Gerco Beveiligingen www.gerco.com

DEF Nederland Fire-Technology www.def-firetech.nl

Kuijpers Beveiligingssystemen www.kuijpers.com

Hi-Safe Systems www.hisafe.nl

Nu-Swift Brandbeveiliging www.nu-swift.nl

SK FireSafety Group www.skfiresafetygroup.com Tyco Integrated Fire &Security www.tyco.nl

Saval Brandbeveiliging www.saval.nl Schuurman Brandbeveiliging www.schuurman-brandbeveiliging.nl

Ajax Chubb Varel www.ajaxchubb.nl

SK FireSafety Group www.skfiresafetygroup.com

Berki Brandbeveiliging www.berki.nl

Trigion Brand en Beveiligingstechniek www.facilicom.com

Trigion Brand en Beveiligingstechniek www.facilicom.com

Tyco Integrated Fire &Security www.tyco.nl

Hugen Brandbeveiliging en Adviesbureau

WBD brandbeveiliging www.wbd-brandbeveiliging.nl

juni 2013

brAndmeldinstAllAties Trigion Brand en Beveiligingstechniek www.facilicom.com BD Service Nederland www.bdservice.nl

DEF Nederland Fire-Technology www.def-firetech.nl

Ajax Chubb Varel www.ajaxchubb.nl

Breman Brandbeveiliging www.breman.nl

nummer 3

BERMAD Fire Protection www.bermad.nl

brAnd/gAsdetectie

KONE Deursystemen www.konedeursystemen.nl

blusmiddelen

brAndkrAnen

Brakel Atmos www.brakelatmos.com

Trigion Brand en Beveiligingstechniek www.facilicom.com

blusgAsinstAllAties

Air Trade Center Nederland www.airtradecentre.com

Bartels Ingenieursbureau www.bartels.nl

GNS Brinkman www.gnsbrinkman.nl

Theuma DoorSystems www.theuma.nl

brAndkleppen

Hefas Branddetectie www.hefas.nl Hertek www.hertek.nl Protec Brandbeveiliging www.protecfire.nl SK FireSafety Group www.skfiresafetygroup.com Tyco Integrated Fire &Security www.tyco.nl

brAndslAnghAspels Ajax Chubb Varel www.ajaxchubb.nl

Trigion Brand en Beveiligingstechniek www.facilicom.com Saval Brandbeveiliging www.saval.nl

brAndtesten

Efectis (voormalig TNO) www.efectis.com/nl

brAndvertrAging BrandPrevent Applications www.BrandPrevent.nl Finivlam www.finivlam.nl Fireprevention.NL www.fireprevention.nl Walraven www.walraven.com

brAndwerende coAtings DMS Brandwerende Systemen www.brandwerendeconstructies.nl


Brandveilig.com bedrijvenindex Sika Nederland www.sika.nl

Trigion Brand en Beveiligingstechniek www.facilicom.com

DAME-Ltd Nederland www.dame-ltd.com

Fire Technology www.firetechnology.nl

Brandwerende deuren

Bureau Veritas www.bureauveritas.nl

rooKsCherMen

SK FireSafety Group www.skfiresafetygroup.com

Indeko Holland www.indeko.nl

Metacon www.metacon.nl

CFd

Adviesbureau Peutz www.peutz.nl Efectis (voormalig TNO) www.efectis.com/nl/ Exiss www.exiss.eu ONE Simulations www.onesimulations.com

deuren industrie

GNS Branddeuren en Rolluiken www.gns.nl A. Leering Enschede www.leering-enschede.nl Hoefnagels Branddeuren BV www.hoefnagels.com Merford Special Doors www.specialdoors.nl Metacon www.metacon.nl Next Door Systems www.nextdoorsystems.com

Dijkoraad Viavesta www.brandweerondersteuning.nl R2B Inspecties www.r2b.nl

isolatieMateriaal

Bovema Glas www.bovemaglas.nl

Technoship www.ultrafog.com

Brakel Atmos www.brakelatmos.com

Unica Automatic Sprinkler www.unica.nl/brandbeveiliging.htm

Firetexx www.firetexx.com

Kingspan Geïsoleerde Panelen www.kingspanpanels.nl

Hoefnagels Brand- en Bedrijfsdeuren www.hoefnagels.com

Unilin Insulation www.unilininsulation.com

roosters

Rockwool Benelux www.rockwool.nl

KaBels

Aralco www.firecatch.nl FSS International www.firestopsystems.nl

Cable Masters www.cablemasters.nl

SEAC International www.seac.nl

Draka Kabel www.draka.nl

sChoorsteenvegers

Eldra www.eldra.nl

ladders/trappen Gorter Luiken www.dakluiken.nl

luiKen

Gorter Luiken www.dakluiken.nl

noodverliChting

Schoorsteenveegbedrijf Boomgaardshoek www.boomgaardshoek.nl

sprinKlers

Ajax Chubb Varel www.ajaxchubb.nl Trigion Brand en Beveiligingstechniek www.facilicom.com Breman Brandbeveiliging www.breman.nl

Ajax Chubb Varel www.ajaxchubb.nl

Kemkens Brandbeveiliging www.kemkensbrandbeveiliging.nl

Trigion Brand en Beveiligingstechniek www.facilicom.com

Kuijpers Beveiligingssystemen www.kuijpers.com

Hertek www.hertek.nl

SK FireSafety Group www.skfiresafetygroup.com

Nu-Swift Brandbeveiliging www.nu-swift.nl

Wolter & Dros www.blussenmetbeleid.nl

Trigion Brand en Beveiligingstechniek www.facilicom.com

Saval Brandbeveiliging www.saval.nl

training/opleiding

Nu-Swift Brandbeveiliging www.nu-swift.nl

parKeergarage-ventilatie

Protec Industrial Doors www.protecindustrialdoors.com

deurvergrendelingen Alprokon Aluminium www.alprokon.com Dictator Productie www.dictator.nl

droge Blusleidingen

Ajax Chubb Varel www.ajaxchubb.nl

Air Trade Center Nederland www.airtradecentre.com

Trigion Brand en Beveiligingstechniek www.facilicom.com

Colt International www.coltgroup.com

Hertek www.hertek.nl

Hezemans Textiel www.hezemans.com

ExcelAir www.excelair.nl

vluChtluiKen

gasBlussYsteMen

Rucon Systemair www.systemair.nl

Saval Brandbeveiliging www.saval.nl

evaCuatie

Trigion Brand en Beveiligingstechniek www.facilicom.com

glas

AGC Flat Glass Nederland www.yourpyrobel.com Bovema Glas www.bovemaglas.nl

inspeCtieBureaus

Brand Veiligheid Inspecties BVI www.bvibv.nl

rooK- en warMteaFvoer Bovema Glas www.bovemaglas.nl

Brakel Atmos www.brakelatmos.com Colt International www.coltgroup.com

Gorter Luiken www.dakluiken.nl

vuurlastBereKening Adviesbureau Leeuwesteijn www.leeuwesteijn.org

Uw bedrijf ook in de bedrijvenindex? Bel of mail

Bartels Ingenieursbureau www.bartels.nl

accountmanager Michel Lases,

Floriaan www.floriaan.nl

06 - 52867256 of Marion Smits,

michellases@vakmedianet.nl, marionsmits@vakmedianet.nl,

waterMist

DEF Nederland Fire-Technology www.def-firetech.nl

nummer 3

06 - 52867200

juni 2013

39


Toonaangevend in veiligheid

Trigion Brand en Beveiligingstechniek is uw partner in het creĂŤren van een optimaal brandveilige omgeving. Of het nu gaat om technische beveiligingsoplossingen, brandpreventie, brandveiligheid of diverse safety opleidingen. Wij zetten onze expertise in om u goed te adviseren. We stellen een pakket van eisen op dat aan alle regels voldoet en overleggen met adviesbureaus, brandweer, verzekeraars en inspectiebureaus. We leveren en installeren alles op het gebied van brandveiligheid en verzorgen vervolgens ook graag het langjarig onderhoud, zodat u ook op de lange termijn verzekerd bent van een optimaal brandveilige omgeving. Trigion Brand en Beveiligingstechniek heeft daarmee alles in huis om u compleet te ontzorgen. Wilt u weten wat Trigion voor uw organisatie kan betekenen? Kijk dan voor meer informatie op www.trigion.nl of bel (0348) 40 55 00. Wij zijn u graag van dienst. Trigion. Toonaangevend in veiligheid

De juiste mensen op de juiste plek

Brandveilig.com nr. 3 juni 2013  

Vakblad voor professionals in brandpreventie

Brandveilig.com nr. 3 juni 2013  

Vakblad voor professionals in brandpreventie