Page 1


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Masterthesis Beleid Communicatie & Organisatie Vrije Universiteit, Amsterdam Faculteit der Sociale Wetenschappen Naam: Bastiaan Boerkamp; 1713582 bastiaanboerkamp@gmail.com Begeleider: dr. Sonja Utz Amsterdam, 17 augustus 2009


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Masterthesis

3

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Samenvatting Met de komst van social media en web 2.0 zijn mensen steeds meer in staat informatie te delen, te controleren en bekritiseren. Dit vindt plaats binnen virtual commnunities waar mensen met gelijkgestemden in contact kunnen komen en waar een platform wordt geboden waarop zij input kunnen leveren. Hierdoor lijken virtual communities een geschikte plaats voor mensen wanneer zij zich op professioneel gebied willen ontwikkelen.

Immers,

nieuwe

werkgerelateerde

informatie

wordt

gedeeld,

gecontroleerd door peers en hierover kan in discussie worden gegaan. Daarnaast lijkt samenwerking met gelijkgestemden binnen virtual communities een logisch gevolg, omdat in verhouding tot offline communities, eenvoudig relaties kunnen worden aangegaan en onderhouden waardoor meer sociaal kapitaal wordt gecreëerd. Dit onderzoek richt zich daarom op de vraag: “In hoeverre worden virtual communities ingezet ten behoeve van professionele ontwikkeling en samenwerking tussen mensen.” Hierbij concentreert het zich op gebruikers van de microblog-service Twitter en de zakelijke netwerksite LinkedIn. De huidige wetenschappelijke literatuur omtrent virtual communities richt zich voornamelijk op algemene factoren als vriendschap en het verkrijgen van algemene informatie wanneer het gaat om de vraag waarom mensen deelnemen aan deze communities. De literatuur met betrekking tot samenwerking via virtual communities handelt met name over samenwerking aan open source projecten of samenwerking tussen producent en consument. Dit onderzoek schijnt een nieuw licht op virtual communities; op basis van ondermeer de literatuur omtrent sociaal kapitaal en weak ties wordt gekeken hoe virtual communities kunnen bijdragen aan professionele ontwikkeling. Vier motivatiefactoren zijn geformuleerd als antecedenten voor actieve deelname aan virtual communities, te weten: 1) ‘het zoeken naar werkgerelateerde informatie’; 2) ‘het voeren van discussies over deze informatie’; 3) ‘het zoeken naar status’ en 4) ‘het opdoen van zakelijke sociale contacten’. Samenwerking wordt onderverdeeld in het zoeken naar banen, het bijwonen van vakgerelateerde bijeenkomsten en peer production. Tevens wordt verondersteld dat vertrouwen een modererende rol speelt tussen de antecedenten en actieve deelname en tussen actieve deelname en samenwerking.

Masterthesis

I

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Het onderzoek is gehouden middels kwalitatief onderzoek onder gebruikers van Twitter en LinkedIn. Resultaten van deze enquĂŞte zijn geanalyseerd met behulp van multipele en logistische regressie analyses. Daarnaast is een tweetal interviews gehouden met specialisten uit het vakgebeid, waarvan de resultaten zijn gebruikt ter inleiding van het onderzoek en ter ondersteuning van de resultaten. De resultaten wijzen uit dat men zich eerder richt tot Twitter dan tot LinkedIn wanneer men op zoek is naar werkgerelateerde informatie of wanneer men meer status wil verkrijgen. Men richt zich meer tot LinkedIn wanneer men wil deelnemen aan discussies of op zoek is naar zakelijke contacten. Vertrouwen blijkt bij beide communities een modererende rol te spelen. Beide communities worden, zij het op een ogenschijnlijk verschillende manier, ingezet bij het zoeken naar een baan. Tevens blijkt dat samenwerking aan bijeenkomsten/peer production in mindere mate een gevolg is van actieve deelname aan Twitter en LinkedIn. Ook bij samenwerking blijkt vertrouwen van grote invloed. Dit onderzoek vormt een bijdrage aan de theorie omtrent virtual communities omdat het de koppeling maakt met professionele ontwikkeling. Iets dat in eerdere onderzoeken onderbelicht bleek. Toekomstig onderzoek zou dit verder kunnen onderzoeken door zich uitvoerig te richten op zakelijk gebruik van virtual communities, de rol van vertrouwen en de ontwikkeling van samenwerking binnen deze communities. Een aanbeveling van praktische aard is dat indien men zich wil ontwikkelen op professioneel vlak, virtual communities van grote waarde kunnen zijn. Zowel door de informatie beschikbaar binnen deze communities als door de contacten die kunnen worden opgedaan.

Masterthesis

II

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Voorwoord De welbekende uitspraak “de laatste loodjes wegen het zwaarst� kreeg ik vaak te horen toen ik begon aan het schrijven van deze thesis. Ondanks dat het een hele opgave was, heb ik het schrijven van mijn thesis, ter afsluiting van mijn studie Beleid, Communicatie en Organisatie, als bijzonder inspirerend ervaren. Toen eenmaal de keuze was gemaakt om het onderzoek te richten op virtual communities, leek alles in een stroomversnelling te raken. Tijdens de afgelopen periode heb ik veel interessante mensen ontmoet en mogen spreken die mij van veel informatie voorzagen en mij enthousiasmeerden voor het onderzoek. Van deze gelegenheid wil ik graag gebruikmaken om mijn dank uit te spreken richting dr. Sonja Utz, welke mij begeleid heeft vanuit de Vrije Universiteit Amsterdam. Door haar kennis en enthousiasme over het onderwerp wist zij mij steeds van nieuwe inzichten te voorzien en benodigde handreikingen te doen. Hierbij wil ik ook graag mijn familie en vrienden bedanken, al voert het te ver hen allen bij naam te noemen. Zij toonden allen veel interesse en geduld en al kon ik zo nu en dan doordraven over het onderwerp, nieuwe stukken die ik had gelezen of geschreven, zij bleven dit onvermoeid aanhoren. Arthur Kruisman en Sander Duivestein wil ik danken voor het beschikbaar stellen van hun tijd en kennis tijdens de interviews met hen. Ook wil ik bekenden en onbekenden in de verschillende virtual communities danken voor de gesprekken, informatie en uiteraard voor het invullen van het onderzoek. Als laatste wil ik mijn dank uitspreken naar Elsa van Bruggen, met wie ik intensief heb opgetrokken tijdens het schrijven van mijn thesis. Omdat haar onderzoek zich ook richtte op virtual communities kon ik bij haar terecht met mijn gedachtekronkels over het onderwerp en voor intensieve, maar vooral ook leuke gesprekken, over het onderzoek en over andere zaken om even de gedachten te verzetten. Bastiaan Boerkamp Amsterdam, 17 augustus 2009

Masterthesis

III

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................ 1   1.1   Doelstelling ...................................................................................................................2   1.2   Theoretische relevantie ...............................................................................................4   1.3   Praktische relevantie ...................................................................................................4   1.4   Opbouw onderzoek.....................................................................................................5  

2 Theorie ................................................................................................................... 6   2.1   Virtual Communities...................................................................................................6   2.1.1   Definities van het concept ...................................................................................7   2.1.2   Typen virtual communities ...............................................................................10   2.2   Antecedenten van actieve deelname.......................................................................11   2.2.1   Informatie & Discussie.......................................................................................14   2.2.2   Status ....................................................................................................................15   2.2.3   Sociale contacten .................................................................................................15   2.3   Samenwerking............................................................................................................17   2.3.1   Definities van het concept .................................................................................17   2.3.2   Dimensies van samenwerking ..........................................................................18   2.4   Vertrouwen.................................................................................................................22   2.5   Conceptueel model....................................................................................................26  

3 Methoden............................................................................................................. 27   3.1   Interviews ...................................................................................................................27   3.2   Onderzoeksprocedure...............................................................................................28   3.3   Enquête........................................................................................................................28   3.3.1   Actieve deelname aan virtual communities ...................................................29   3.3.2   Antecedenten.......................................................................................................29   3.3.3   Samenwerking.....................................................................................................30   3.3.4   Vertrouwen..........................................................................................................31   3.3.5   Controlevariabelen .............................................................................................32   3.4   Populatie .....................................................................................................................33  

4 Resultaten ............................................................................................................ 34   4.1   Descriptieve statistiek ...............................................................................................34  

Masterthesis

IV

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

4.2 Correlaties ...................................................................................................................35   4.3   Hypothese toetsen .....................................................................................................37   4.3.1   Antecedenten.......................................................................................................37   4.3.2   Samenwerking.....................................................................................................40   4.3.3   Vertrouwen..........................................................................................................42  

5 Discussie, conclusie & aanbevelingen........................................................... 47   5.1   Discussie......................................................................................................................47   5.1.1   Conclusie..............................................................................................................52   5.2   Beperkingen................................................................................................................53   5.3   Aanbevelingen voor verder onderzoek..................................................................54   5.4   Praktische implicaties................................................................................................55  

Literatuurlijst ............................................................................................................ 57 Bijlage A: Interviewvragen..................................................................................... 62   Bijlage B: Enquête .................................................................................................... 63   Bijlage C: Factoranalyse .......................................................................................... 65   Bijlage D: Populatie parameters............................................................................ 67   Bijlage E: Moderatie analyses ................................................................................ 68   Modellen & Tabellen Model 1: A typology of virtual communities. .......................................................................9   Model 2: Conceptueel model .................................................................................................26   Model 3: Gevonden verbanden Twitter. ..............................................................................45   Model 4: Gevonden verbanden LinkedIn. ...........................................................................46   Tabel 1: Correlaties ..................................................................................................................36   Tabel 2: Regressie analyse: Antecedenten Twitter..............................................................39   Tabel 3: Regressie analyse: Antecedenten LinkedIn ..........................................................39   Tabel 4: Regressie analyse: Samenwerking Twitter ...........................................................41   Tabel 5: Regressie analyse: Samenwerking LinkedIn ........................................................41   Tabel 6: Uitkomsten hypothesen ...........................................................................................44  

Masterthesis

V

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

1 Inleiding “We zijn natuurlijk heel lang niet sociaal geweest, dankzij de industriële revolutie, alles was gericht op productie en efficiëntie. Dankzij sociale tools gaan we weer terug naar eigenlijk stamgedrag, we willen met iedereen praten.” (S. Duivestein, interview 19 mei 2009) De sociale tools waar Duivestein over spreekt zijn te scharen onder de, al dan niet gehypte term, web 2.0. Dit kan getypeerd worden als een flexibele internetomgeving waarin gebruikers in staat zijn en worden aangemoedigd om input te leveren en samen te werken (O’Reilly, 2005). Met de komst van dit ‘nieuwe internet’ verschuift het gebruik en de functie ervan steeds meer van one-to-many, waarbij de beheerder van een website informatie plaatst en gebruikers deze informatie tot zich nemen, naar many-to-many, waarbij een ieder informatie kan plaatsen en delen en waar deze door andere gebruikers gecontroleerd, verbeterd en aangevuld wordt (Tredinnick, 2006). Door typische voorbeelden van web 2.0, zoals het open source besturingssysteem Linux en wikipedia, leert men volgens Duivestein steeds meer dat op een andere manier kan worden omgegaan met kennis. Door op een meer open manier met kennis om te gaan is men beter in staat zichzelf te ontwikkelen en kan men hoger op de maatschappelijke ladder komen, aldus Duivestein (interview, 19 mei 2009). Arthur Kruisman sluit hierbij aan en stelt: “vroeger was het ‘kennis is macht’ en tegenwoordig is het ‘kennissen is macht’. Dat is een ander mechanisme. Kennis moet je vooral vrijgeven” (A. Kruisman, interview, 28 mei 2009). Een natuurlijk gevolg van het online delen van kennis en informatie is volgens Ridings et al. (2002) het ontstaan van virtual communities, waar onbekenden elkaar kunnen vinden en kennis en ervaringen kunnen delen. Kenniswerkers, waaronder werknemers in de ICT-sector lijken een voortrekkersrol in te nemen wanneer het gaat om het delen van kennis via internet (Barret et al., 2004). Bij het delen van werkgerelateerde kennis is het volgens Kruisman van belang een focus te kiezen: “(…) als je je eigen merk ontwikkelt rondom één onderwerp is de kans groter dat je meer mensen aantrekt” (A. Kruisman, interview, 28 mei 2009). Op deze manier kan men een publiek aan zich binden binnen een community, waarmee sociaal kapitaal kan worden

Masterthesis

1

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

opgebouwd (Lin et al. 2001). Duivestein lijkt dit explicieter te maken wanneer hij stelt dat gerichte deelname aan een virtual community mensen “enorm kunnen verder helpen in hun loopbaan” (S. Duivestein, interview, 28 mei 2009). Volgens Duivestein en Kruisman kunnen virtual communities een belangrijke aanvulling vormen op het professionele leven van mensen. Men kan met gelijkgestemden in contact komen en discussiëren, nieuwe informatie is eenvoudig te verkrijgen en helpt mensen verder in hun loopbaan. Daarbij zouden virtual communities de ideale plaats zijn voor mensen om samen te werken, omdat tijds- en logistieke barrières worden doorbroken, zo menen bijvoorbeeld Von Hippel (2007) en Shirky (2005). De mogelijkheden tot deze nieuwe vorm van informatievergaren en werken lijken meer dan voldoende aanwezig, maar hoe krijgt dit vorm in de praktijk voor mensen die zich verder willen ontwikkelen in hun werk? Als het gaat om werkgerelateerde informatie, maakt men dan nu al optimaal gebruik van de aanwezige functionaliteiten van ‘het nieuwe internet’, en zo ja: vanuit welke motivatie gebeurt dit? De literatuur omtrent virtual communities lijkt over deze specifiek werkgerelateerde toepassing erg schaars. Theorieën over virtual communities beslaan veelal de sociale, niet werkgerelateerde, aspecten van bijvoorbeeld Facebook (Boyd & Ellisson, 2008) of gaat in op de manier waarop producenten communities kunnen inzetten om consumenten te bereiken of te betrekken in het productieproces (Moon & Sproull, 2001). Onduidelijk lijkt dus nog wat virtual communities kunnen betekenen voor iemand die wil groeien in zijn vakgebied en hoe eventuele samenwerking via communities er uitziet. Om hier meer inzicht in te verkrijgen is het interessant een meer specifieke toepassing van virtual communities te onderzoeken.

1.1

Doelstelling

Dit onderzoek tracht bij te dragen aan het uitbreiden en ondersteunen van de wetenschappelijke literatuur omtrent de antecedenten en uitkomsten van deelname aan virtual communities. Hierbij richt het zich op het professionele karakter, dat wil zeggen: in hoeverre virtual communities worden ingezet voor werkgerelateerde onderwerpen.

Masterthesis

2

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

De probleemstelling die centraal staat in dit onderzoek luidt: “In hoeverre worden virtual communities ingezet ten behoeve van professionele ontwikkeling en samenwerking tussen mensen?” De probleemstelling valt uiteen in een viertal deelvragen, te weten: 1)

wat zijn antecedenten van actieve deelname aan virtual communities met als doel professionele ontwikkeling?

2)

op welke wijze werken mensen samen via virtual communities?

3)

wat is de rol van vertrouwen in de relatie tussen antecedenten en actieve deelname aan virtual communities?

4)

wat is de rol van vertrouwen in de relatie tussen actieve deelname aan virtual communities en de samenwerking die hieruit voortvloeit?

De virtual communities waarbinnen dit onderzoek verricht wordt zijn Twitter en LinkedIn. De eerste is een microblog-service welke bestaat sinds 2006. Twitter stelt gebruikers in staat korte berichten van maximaal 140 karakters te posten. De vraag die centraal staat binnen Twitter is: ‘what are you doing’, gebruikers menen echter dat deze vraag zou moeten zijn ‘what are you exited about’ of ‘what do you find interesting’. De online service is opgezet als interne tool voor een organisatie om samenwerking te faciliteren en effectiever te maken. Het is echter uitgegroeid tot een service die wereldwijd door miljoenen mensen wordt gebruikt om de meest uiteenlopende onderwerpen met elkaar te delen. Gebruikers kunnen andere ‘twitteraars’ volgen en zij kunnen gevolgd worden. Op deze manier krijgen zij de berichten te zien van de andere partij (volgen) en krijgen anderen te zien wat iemand post (gevolgd worden). Twitter is, in tegenstelling tot LinkedIn, niet wederkerig; wanneer men door iemand gevolgd wordt, volgt men niet automatisch ook deze persoon. LinkedIn (opgericht in 2003) is een zakelijke sociale netwerksite. Het stelt de gebruiker in staat een profiel aan te maken met daarin onder andere werkervaring, opleiding en interesses; een online curriculum vitae. Deze informatie kan men zelf aanpassen en uitbreiden, daarbij kunnen anderen een recommendation plaatsen als teken van referentie en waardering. Door anderen uit te nodigen kan men zijn/haar netwerk uitbreiden en op deze manier kan het netwerk eenvoudig worden voorzien van de meest actuele werkgerelateerde activiteiten en ervaringen. Daarnaast heeft de gebruiker inzicht in connecties van anderen, waardoor hij of zij door deze connecties geïntroduceerd kan worden bij een ander persoon of organisatie. Tevens is het mogelijk om in LinkedIn ‘groups’ aan te maken waarin mensen elkaar kunnen

Masterthesis

3

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

‘ontmoeten’ en met elkaar kunnen discussiĂŤren over werkgerelateerde onderwerpen of ter vermaak.

1.2

Theoretische relevantie

Dit onderzoek draagt bij aan de wetenschappelijke theorie omtrent antecedenten en effecten van virtual communities. Uit een literatuurstudie van Li (2004) blijkt dat professionele ontwikkeling in onderzoek naar virtual communities nog niet nadrukkelijk aanwezig is in de wetenschappelijke theorie. Hierdoor vormt dit onderzoek een uitbreiding op onderzoek naar de motivatie om deel te nemen aan virtual communities (e.g. Ridings & Gefen, 2004; McLure Wasko & Faraj, 2000). Ridings et al. (2002) geven aan dat een completer beeld van de motivatiefactoren voor deelname aan virtual communities waardevol is voor een beter begrip van deze snel groeiende verschijning op internet. Daarbij is volgens Porter (2004) en Johnson (2001) het merendeel van wetenschappelijk onderzoek gebaseerd op anekdotes en casestudies en is er behoefte aan op theorie gebaseerde, generaliseerbare gegevens. Tevens vormt dit onderzoek een aanvulling op de literatuur omtrent samenwerking als gevolg van gedrag in virtual communities (e.g. Von Hippel, 2007; Whitehead, 2007). Onderzoek naar communities waarbij sociale en professionele contacten door elkaar lopen lijken nog niet sterk vertegenwoordigd in de literatuur. De voor dit onderzoek gekozen communities kunnen zowel voor sociale als professionele doeleinden ingezet worden, waarmee dit onderzoek bijdraagt aan de verbreding van de literatuur. Hierdoor

vormt

dit

onderzoek

een

uitbreiding

voor

de

bestaande

onderzoeksresultaten naar antecedenten en effecten van virtual communities. Daarnaast zal het onderzoek een overzicht geven van recente wetenschappelijke literatuur die met de gekozen concepten samenhangen.

1.3

Praktische relevantie

Virtual communities lijken een steeds belangrijkere plaats in te nemen op het internet en in het arbeidsleven van mensen. Doordat er veel informatie in communities wordt gedeeld lijkt het van belang dat organisaties weten wat mensen motiveert om deel te nemen aan virtual communities, of vertrouwen belangrijk is in deze relatie en op welke wijze deze communities samenwerking tussen individuen faciliteren. Tevens is inzicht in beweegredenen van leden van virtual communities belangrijk, wanneer iemand zich wil wenden tot deze communities om zich te ontwikkelen op

Masterthesis

4

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

professioneel gebied. Op deze manier krijgen organisaties en deelnemers beter inzicht in hoe communities functioneren, welke bijdrage het levert aan mensen en indirect aan organisaties en hoe deze bijdrage optimaal kan worden benut (Ridings & Gefen, 2004).

1.4

Opbouw onderzoek

Allereerst wordt in hoofdstuk twee een overzicht gegeven van de relevante wetenschappelijke theorieĂŤn omtrent virtual communities, de motivatie voor mensen om daarin te participeren, de mogelijke vormen van samenwerking voortvloeiend uit deze participatie en de rol van vertrouwen. Dit mondt uit in een conceptueel model met daarbij een overzicht van de geformuleerde hypothesen. In hoofdstuk drie wordt uiteen gezet hoe het onderzoek is uitgevoerd, welke vragen de respondenten zijn voorgelegd en wat de herkomst is van deze vragen. Daarbij wordt de betrouwbaarheid en validiteit van het onderzoek beschreven en het bevat een beschrijving van de demografische gegevens van de respondenten. Hoofdstuk vier beschrijft de statistische analyses van de resultaten, wat leidt tot het aannemen dan wel verwerpen van de hypothesen. Deze onderzoeksuitkomsten worden in hoofdstuk vijf besproken in het licht van de probleemstelling en de deelvragen. Vervolgens worden de resultaten uit hoofdstuk vier teruggekoppeld naar de theorie uit hoofdstuk twee. Als laatste worden beperkingen van het onderzoek aangekaart en worden aanbevelingen gedaan voor verder onderzoek en voor de praktijk.

Masterthesis

5

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

2 Theorie In de probleemstelling komen een aantal definities aan de orde welke in de wetenschappelijke literatuur verschillend worden omschreven. In dit hoofdstuk worden deze concepten belicht en uitgewerkt aan de hand van de literatuur. Vervolgens worden deze concepten met elkaar in verband gebracht waaruit hypothesen zijn geformuleerd, wat wordt samengevat in een conceptueel model aan het einde van dit hoofdstuk.

2.1

Virtual Communities

Sinds het ontstaan van internet heeft het medium steeds meer een sociale functie gekregen. Men gebruikt het internet voor bijvoorbeeld sociale contacten, het opdoen van kennis, steun van anderen (Bagozzi & Dholakia, 2002), het delen van kennis (Koh & Kim, 2004) en het kopen of verkopen van producten (Porter, 2004). Zoals benoemd in hoofdstuk één vindt dit plaats in virtual communities zoals Twitter, wiki’s, sociale netwerksites en weblogs. Wanneer men kijkt naar het ontstaan van communities blijkt dat het woord van oudsher verbonden is aan een geografische locatie (Ridings & Gefen, 2004), waarbij mensen contact met elkaar onderhouden omdat zij op dezelfde plaats wonen of werken (Koh & Kim, 2004). Naast deze geografische locatie is het relationele aspect kenmerkend voor communities, zo noemen Koh en Kim (2004) hobbyclubs en religieuze groeperingen als voorbeelden van communities, waarbij het relationele effect losstaat van de geografische locatie. Desondanks hoeven deze twee aspecten elkaar niet uit te sluiten. Een van de eerste wetenschappers die zich bezighield met communities was Tönnies (Rothaermel & Sugiyama, 2001; Fernback & Thompson, 1995). Tönnies (1967) maakt een onderscheid tussen Gesellschaft en Gemeinschaft. Hierbij heeft Gesellschaft betrekking op de samenleving, het publieke. De relaties tussen personen zijn ‘mechanisch’, tijdelijk van aard en zakelijk. Gemeinschaft heeft betrekking op meer intimiteit en het privé-leven. Relaties zijn familiair en worden getypeerd door begrip en concessies. Communities worden door Tönnies onderverdeeld in drie typen: 1)

Masterthesis

6

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

community by kinship; 2) community of locality; en 3) community of mind (1967, p.9). Deze laatste typering lijkt van toepassing op virtual communities die in dit onderzoek worden meegenomen, waarbij de plaats in community of locality, wordt vervangen door het mentale aspect (Rothaermel & Sugiyama, 2001). Rheingold lijkt hier op aan te sluiten door het volgende te stellen: “People in virtual communities do just about everything people do in real life, but we leave our bodies behind” (1993, p.3). Al eerder werd door Sennett (1977) een verandering in Gesellschaft en Gemeinschaft besproken. Sennett stelt namelijk dat de opvatting van community verschuift van Gemeinschaft (intimiteit) naar Gesellschaft. Hier zijn relaties individualistisch en mensen zien een community meer als een groep gelijkgestemden dan als een groep mensen die is verbonden door geografische overeenkomsten. De term ‘virtual’ duidt op de aanwezigheid van technologie, hierbij hangt de plaats van (virtual) communities niet meer samen met een fysieke geografische locatie, maar met de technologische omgeving waar men kennis en ervaringen deelt en sociale contacten onderhoudt (Ridings et al. 2002; Ridings & Gefen, 2004, Koh & Kim, 2004). In plaats van fysieke gebondenheid, zijn virtual communities volgens Rothaermel en Sugiyama (2001) gebaseerd op een steeds voortgaande uitwisseling van informatie tussen een grote groep personen via computer mediated communication. Deze online communicatie wordt gevormd door de bijdrage en conversaties van mensen met gelijke

interesses.

Naast

informatie-uitwisseling

en

‘leren’

worden

virtual

communities ook gebruikt voor het bevredigen van hun sociale en commerciële behoeften. (Rothaermel & Sugiyama, 2001).

2.1.1

Definities van het concept

Wanneer wordt gekeken naar definities van virtual communities, lijken er zowel overeenkomsten als verschillen aanwezig. Zo worden virtual communities door Preece (2001) gedefinieerd als een interactieve groep in een virtuele omgeving met een gezamenlijk doel, waarbij de groep wordt ondersteund door technologie en gestuurd door normen en regels. Johnson (2001) houdt een soortgelijke definitie aan door ervan uit te gaan dat virtual communities gebruik maken van het internet en bestaan door identificatie met een idee of taak, meer dan een plaats. De auteur stelt dat virtual communities georganiseerd zijn rond een activiteit en dat zij gevormd worden wanneer hiervoor een behoefte ontstaat. Een definitie die bovenstaande explicieter lijkt te maken, is afkomstig van Rheingold, welke virtual communities definieert als: "social aggregations that emerge from the Internet when enough people carry on those public

Masterthesis

7

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

discussions long enough, with sufficient human feeling, to form webs of personal relationships in cyberspace" (1993, p.5). Hieraan wordt toegevoegd dat virtual communities worden ingezet voor commerciële doelen, om kennis te delen, brainstormen, het delen van emoties en bijvoorbeeld het vinden van liefde (Rheingold, 1995). Ook Ridings et al. (2002) hanteren een specifieke definitie, welke luidt: “groups of people with common interests and practices that communicate regularly and for some duration in an organized way over the internet through a common location or mechanism” (p.273). Gedeelde interesse of een gezamenlijk doel vormen een belangrijk onderdeel in de diverse definities. Normen en protocollen, zoals Preece (2001) beschrijft, komen echter minder vaak voor binnen definities van virtual communities. Porter (2004) schrijft dit toe aan het verschil in uitgangspunt. Veel van deze definities zijn opgesteld vanuit de theorie rond technologie, waarin minder aandacht wordt besteed aan normen en protocollen, omdat dit een sociaal aspect betreft. Dit verschil is volgens Preece (2001) ook de reden dat er geen breed geaccepteerde definitie is van virtual communities. Naast normen en protocollen is een tijdsaspect niet in alle definities terug te vinden. Ridings en Gefen (2004) menen echter dat de frequentie waarmee mensen participeren in virtual communities een belangrijk onderdeel is van de definitie, mensen voelen zich immers verbonden met virtual communities naarmate zij deze vaker bezoeken. Rheingold (1993) benoemt in lijn hiermee dat men een bepaalde tijd actief moet zijn in een publieke discussie op het internet, dan is er sprake van een virtual community. Echter, duidelijkheid over wat deze frequentie/tijd is, ontbreekt (Ridings & Gefen, 2004). Door het toekennen van een voorwaarde van tijd aan de definitie worden diverse virtual communities zoals Twitter uitgesloten; hier is het namelijk niet per definitie nodig om een bepaalde tijd actief te zijn in de discussie om gebruik te maken van de microblog-service. Om deze reden wordt het tijdsaspect niet meegewogen in het selecteren van een definitie voor dit onderzoek. Naast het bovenstaande lijkt door de komst van het zogeheten web 2.0 een verschuiving plaats te vinden in de manier waarop men gebruik maakt van communities. In de tijd dat bovenstaande definities zijn opgesteld was veelal sprake van communities waarin enkel via asynchrone, geschreven berichten werd gecommuniceerd. Zo richt veel onderzoek zich op Usenet (e.g. Ridings & Gefen, 2004), waarop in verschillende interest groups over één onderwerp wordt gecommuniceerd door middel van het plaatsen van langere tekstberichten. Echter binnen ‘web 2.0 communities’ als Twitter en LinkedIn vindt communicatie plaats die meer synchroon is. Via veelal korte en snelle berichten over uiteenlopende onderwerpen communiceert men constant met anderen in het netwerk, van wie men

Masterthesis

8

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

meer persoonlijke informatie heeft dan enkel een gebruikersnaam en voorkeuren, zoals bij Usenet het geval is. Dit maakt dat in dit onderzoek de definitie van Porter (2004) wordt aangehouden, welke als volgt luidt: “a virtual community is defined as an aggregation of individuals or business partners who interact around a shared interest, where the interaction is at least partially supported and/or mediated by technology and guided by some protocols or norms”. Hoewel ook deze definitie is opgesteld in de tijd waarin vooral Usenet populair was, lijkt deze definitie het best passend voor dit onderzoek, omdat de auteur zowel individuen als business partners benoemt in haar definitie. Hierdoor wordt zakelijk interactie, naast sociale interactie, niet uitgesloten. Daarbij beperkt de definitie zich niet tot internet, maar beschrijft het ook andere, door technologie ondersteunde, platforms waarop men met elkaar in contact kan komen. Dit is van belang omdat men ook gebruik kan maken van Twitter door bijvoorbeeld het sturen en ontvangen van sms-berichten. Omdat dit onderzoek zich richt op werkgerelateerde aspecten van virtual communities lijken normen en protocollen waaraan men zich dient te conformeren binnen een sociale (virtuele) omgeving een belangrijk aspect van de definitie. Porter (2004) geeft aan dat virtual communities kunnen ontstaan door het initiatief vanuit leden (Member-Initiated) van de community zelf, of dat communities ondersteund worden door een organisatie (Organization-Sponsored) (zie model 1). Dit onderzoek richt zich op virtual communities die ontstaan door leden zelf, vanuit een sociaal of professioneel oogpunt. De technologie of het platform (bijvoorbeeld een website) kan wel door een externe organisatie zijn ontwikkeld, maar de interactie op virtual communities die worden betrokken bij het onderzoek, is afkomstig van de leden van de community en wordt niet geïnitieerd door een organisatie.

Model 1: A typology of virtual communities. Porter, 2004, p.4

Dit onderzoek richt zich zoals gezegd op de linkerkant van het model, member-initiated virtual communities. Hierbij wordt door Porter (2004) onderscheid gemaakt in ‘social communities’ en ‘professional communities’. In social communities staan niet-professionele

Masterthesis

9

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

relaties centraal. Deze communities kunnen ontstaan rond hobby’s, vrije tijd en andere niet-professionele interesses. Professionele communities staan gedeelde professionele interesses centraal. Hieronder vallen kennisnetwerken en communities gericht op leren (Porter, 2004), maar bijvoorbeeld ook sociale netwerksites zoals LinkedIn waar werkgerelateerde kennis wordt gedeeld. Hiermee vervaagd de scheiding tussen ‘social’ en ‘professional’ in de oriëntatie uit Porter’s model, waardoor dit onderzoek zich op beiden richt.

2.1.2

Typen virtual communities

In de literatuur worden verschillende typen virtual communities onderscheiden. Waar Porter (2004) een onderverdeling maakt in sociale en professionele communities, onderscheiden Henri en Pudelko (2003) vier typen virtual communities, namelijk: ‘Community of interest’, ‘Goal-oriented community of interest’, ‘Learners community’ en ‘Community of practice’. Deze typen communities worden beschreven aan de hand van een continuüm langs twee dimensies: de sterkte van de sociale relatie en de gatherings intentionality. De auteurs maken hierbij een strikte scheiding tussen de functies van de verschillende communities, waardoor deze te discriminerend zijn voor dit onderzoek. Johnson (2001) bespreekt, evenals Henri en Pudelko, communities of practice. Volgens Johnson verschillen communities of practice en virtual communities, omdat een virtual community wordt ‘ontworpen’ en hierbinnen kan een community of practice ‘ontstaan’. Hierbij lijkt het alsof virtual communities beschreven worden vanuit technologisch oogpunt, omdat ze worden ontworpen, en communities of practice vanuit een sociologisch oogpunt, omdat deze ontstaan. De typering van communities of practice wordt hier beschreven, omdat zij veelvuldig in de theorie naar voren komt. Voor dit onderzoek wordt zowel gebruik gemaakt van de theorie over virtual communities als de theorie over communities of practice. Hierbij zal echter geen onderscheid worden gemaakt zoals Johnson (2001) dit beschrijft. De definitie van Porter (2004) wordt als leidend beschouwd. Virtual communities worden geïnitieerd, beïnvloed en in stand gehouden door de mensen die eraan deelnemen. De karakteristieken van virtual communities worden dan ook bepaald door de sociale interacties van mensen die deelnemen en de richtlijnen die gelden (Preece et al. 2003). Zo vindt er een ander soort communicatie plaats op Twitter, vanwege de korte berichten, dan op weblogs waar mensen uitgebreidere informatie plaatsen, of op LinkedIn wat mensen instaat stelt hun zakelijk netwerk eenvoudig te onderhouden. Zoals reeds benoemd, is de fysieke

Masterthesis

10

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

locatie bij virtual communities irrelevant. Mede hierdoor zijn deelnemers vaak onzichtbaar voor elkaar (Sproull & Faraj, 1997), men hoeft elkaar niet in het echte leven te kennen. Dit wordt door Johnson (2001) gezien als een groot voordeel, omdat het traditionele ‘groepsnormgedrag’ daardoor achterwege blijft. Ridings en Gefen (2000) halen een soortgelijk verschil met traditionele communities aan met de invloed van weak ties; kennissen en onbekenden zijn in staat veel nieuwe informatie en kennis met elkaar te delen. Dat men elkaar in ‘het echte leven’ niet hoeft te kennen, betekent echter niet dat men niets van elkaar weet. Op communities als LinkedIn en Twitter heeft iedere gebruiker een eigen profiel waarop men, met name bij LinkedIn, veel persoonlijke informatie plaatst. Bijvoorbeeld waar iemand werkt, wat iemands voorkeuren zijn en welke opleidingen iemand heeft gevolgd, tevens plaatst het merendeel van de gebruikers een profielfoto. Dit beperkt dus in zekere zin de onzichtbaarheid waar Sproull en Faraj (1997) over schrijven. Hiltz en Wellman (1997) geven aan dat virtual communities, in tegenstelling tot traditionele communities, meer homogeen zijn in houding en interesses en meer heterogeen in persoonlijke kenmerken. Anonimiteit in virtual communities maakt ook dat men grotere risico’s neemt, dan in face-to-face contacten, bijvoorbeeld in het onthullen van (persoonlijke) informatie (McKenna & Green, 2002). McKenna en Green (2002) benoemen ook dat in virtual communities mensen met een grotere flexibiliteit kunnen participeren dan in traditionele communities. Dit hangt samen met het laatste verschil tussen virtual communities en face-to-face-contacten, dat wordt aangehaald door Sproull en Faraj (1997); de lage transactie en sociale kosten die zijn verbonden met virtual communities. Mensen hoeven niet naar elkaar toe te komen, wanneer men wil samenwerken hoeft er geen aparte fysieke ruimte te worden gecreëerd maar een ieder kan vanuit zijn/haar huis of werkplek werken. Hiermee lijken deze karakteristieken verder te gaan dan Rheingolds uitspraak: “People in virtual communities do just about everything people do in real life, but we leave our bodies behind” (1993, p.3), mensen kunnen ogenschijnlijk meer en makkelijker kennis delen, samenwerken en contacten onderhouden in virtual communities dan in real life.

2.2

Antecedenten van actieve deelname

De wetenschappelijke literatuur besteedt veel aandacht aan wat mensen aantrekt in virtual communities en waarom mensen deelnemen aan deze communities. (Ahonen et al., 2007). Wat mensen motiveert om deel te nemen aan virtual communities, kan teruggevoerd worden op de veelbesproken behoeften piramide van Maslow (1954). Maslow onderscheidt hierin vijf behoeften: fysieke behoeften, de behoefte aan

Masterthesis

11

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

veiligheid en zekerheid, de behoefte aan sociaal contact, de behoefte aan waardering en erkenning en in de top van de piramide, de behoefte aan zelfontplooiing. De aantrekkingskracht van communities en motivatie tot deelname kunnen geplaatst worden binnen de laatste drie behoeften uit Maslow’s piramide (Hendriks, 1999). Hieronder wordt beschreven welke factoren uit eerder onderzoek naar voren zijn gekomen en wordt beschreven welke antecedenten het uitgangspunt vormen voor dit onderzoek. Volgens de verschillende auteurs is het verkrijgen van informatie de meest belangrijke factor voor deelname (e.g. Ridings & Gefen, 2004; McLure Wasko & Faraj, 2000; Kollock, 1999). McLure Wasko en Faraj (2000) concludeerden bijvoorbeeld dat respondenten de informatie in online discussiegroepen aantrekkelijk vonden, omdat deze up-to-date is, vaak niet beschikbaar is via andere bronnen of anders gewoonweg onvindbaar zou zijn. In virtual communities kan men dus hulp krijgen bij specifieke problemen. Naast de behoefte aan informatie wordt volgens zowel Kollock (1999) als McLure Wasko en Faraj (2000) deelgenomen aan virtual communities om een betere reputatie of status te verkrijgen. Door waardevolle bijdragen te leveren, krijgt men meer aanzien in de community, wat kan resulteren in nieuwe kansen in het dagelijks leven.

Daarnaast

kan

men

zichzelf

blijven

ontwikkelen

door

bijvoorbeeld

vakgerelateerde discussies te voeren. Naast persoonlijk gewin komt in de literatuur het belang van de community naar voren. McLure Wasko en Faraj (2000) menen dat de informatie die men ontvangt uit de community, lijdt tot een morele verplichting om iets terug te doen in de vorm van sociaal en altruïstisch gedrag richting de community. Kollock (1999) benoemt een zelfde motivatie en beschrijft dit als anticipated reciprocity. Op deze manier heeft men het gevoel dat de community in stand gehouden wordt, wat weer kansen biedt voor de toekomst. Dit omschrijven Mclure Wasko en Faraj (2005) als het opbouwen van sociaal kapitaal, wat als volgt wordt gedefinieerd: “resources embedded in a social structure that are accessed and/or mobilized in purposive action” (Lin et al., 2001, p.29). Wanneer men veel informatie inbrengt in de community, is het ‘eenvoudig’ en legitiem om hulp te krijgen vanuit de community. Een tegenactie kan hierbij ook op een later tijdstip of in een andere vorm plaatsvinden. Ook a sense of efficacy is volgens Ahonen et al. (2007) en Kollock (1999) een belangrijke factor om deel te nemen aan virtual communities. Dit omschrijven de auteurs als volgt: “a sense that they have had some effect on this environment” (Ahonen et al., 2007 p.8).

Masterthesis

12

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Ondanks dat het in de voorgenoemde onderzoeken zijdelings aan bod komt, lijkt wetenschappelijk onderzoek tot nu toe niet specifiek gericht op professionele ontwikkeling en werkgerelateerde informatie als antecedent. De geïdentificeerde antecedenten

worden

gevonden

in

onderzoeken

welke

zich

richten

op

motivatiefactoren in het algemeen (Ridings & Gefen, 2004, McLure Wasko & Faraj, 2000), op consumentenplatforms (Dholakia et al., 2004), of het wordt gezien als onderdeel van tangible returns (McLure Wasko & Faraj, 2000). Onduidelijk lijkt het dan ook in hoeverre professionele ontwikkeling, het zoeken naar werkgerelateerde informatie en het onderhouden van een zakelijk sociaal netwerk een antecedent vormt van het deelnemen aan virtual communities. Professionele ontwikkeling wordt hier gezien als de ontwikkeling die iemand doormaakt door het vergaren en verwerken van kennis en contacten ten einde te groeien in zijn of haar professie. Dat deze ontwikkeling een motivatiefactor kan vormen, lijkt plausibel omdat men binnen virtual communities toegang heeft tot vakgerelateerde informatie, deel kan nemen aan werkgerelateerde discussies en kan in contact te komen met mensen in hetzelfde vakgebied of die hen wellicht verder kunnen helpen binnen een organisatie of branche. In tegenstelling tot traditionele communities hoeft men elkaar niet persoonlijk te kennen of te ontmoeten, waardoor het eenvoudiger (in termen van tijd en kosten) is om gebruik te maken van deze informatie en personen. Dit lijkt een nieuwe toepassing van ‘the strength of weak ties’ (Granovetter, 1973). Granovetter beschrijft in zijn artikel sterke banden en zwakke banden. Sterke banden delen elkaars connecties en bronnen, maar omdat men zich binnen hetzelfde sociale, professionele netwerk begeeft, beperkt dit automatisch het aantal bronnen dat men kan delen. Zwakke banden daarentegen bieden, direct of indirect, toegang tot nieuwe bronnen van informatie en kennis, omdat men zich in verschillende sociale netwerken begeeft. Wanneer dit wordt toegepast op virtual communities en professionele ontwikkeling lijkt het waarschijnlijk dat men toegang heeft tot veel nieuwe bronnen en contacten, omdat de tijds- en fysieke barrières verdwijnen en omdat men eenvoudig en gericht kan zoeken naar informatie en in contact kan komen met gelijkgestemden. De antecedenten voor deelname aan virtual communities die worden gebruikt in dit onderzoek worden ontleend aan de bovengenoemde literatuur, maar vinden hierin een meer specifieke toepassing. Daar dit onderzoek zich richt op professionele ontwikkeling en werkgerelateerde informatie, zijn antecedenten geselecteerd welke betrekking kunnen hebben op professionele ontwikkeling en op het verkrijgen van werkgerelateerde informatie en contacten.

Masterthesis

13

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

2.2.1

Informatie & Discussie

Zoals in de vorige paragraaf benoemd, is het verkrijgen van informatie één van de voornaamste redenen voor mensen om deel te nemen aan virtual communities (e.g. Ridings & Gefen 2004). Informatie via virtual communities is vaak eenvoudig te vinden en up-to-date (McLure Wasko & Faraj, 2000). Daarbij wordt internet in het algemeen vaak geroemd om zijn grote informatiepotentieel. Dit zou inhouden dat men zich niet per se zou hoeven richten tot een virtual community om werkgerelateerde informatie te vergaren of te publiceren. Echter, wanneer men op zoek gaat naar informatie of zichzelf wil ontwikkelen op professioneel gebied lijkt het van belang dat de informatie hierbij betrouwbaar en accuraat is. Informatie gedeeld binnen een virtual community staat open voor discussie. Men kan kritiek leveren op de gegeven informatie en deze kan worden aangevuld of weerlegd. In tegenstelling tot veel, uit monoloog tot stand gekomen websites, lijken virtual communities hiermee een goed kanaal te vormen op werkgerelateerde informatie te verzamelen, omdat dit blootstaat aan sociale controle. Hierbij moet worden opgemerkt dat dialoog niet vanzelfsprekend tot feilloze informatie leidt; een kritische houding van de lezer is geboden. Maar in tegenstelling tot informatie voortkomend uit een monoloog heeft informatie die voortkomt uit een dialoog een grotere kans compleet en accuraat te zijn. Tevens vormt de virtual community een soort filter voor alle beschikbare informatie,

ter

voorkoming

van

een

informatie-overload.

Wanneer

men

werkgerelateerde informatie deelt, ofwel vanuit het belang van de community (Kollock, 1999), ofwel met het doel zich op professioneel vlak te ontwikkelen, kan ook een aanvulling van informatie of het voeren van een discussie bijdragen aan professionele groei. Publicatie van informatie aan een publiek kan hier een bijdrage aan leveren. Op basis van bovenstaande redeneringen lijkt het waarschijnlijk dat wanneer iemand werkgerelateerde informatie zoekt, hierover in discussie wil gaan of juist deze informatie wil delen hij/zij zich richt tot een virtual community waar werkgerelateerde informatie voor handen is, makkelijk doorzocht kan worden en waarover in discussie gegaan kan worden. In eerdere onderzoeken werd discussie vaak als onderdeel gezien van de dimensie ‘informatie’ (e.g. Dholakia et al., 2004) maar aangezien deelnemen aan een discussie actiever en meer tijdrovend is, lijkt het nuttig onderscheid te maken tussen ‘informatie’ en ‘discussie’. Op basis hiervan zijn eerste twee hypothesen geformuleerd.

Masterthesis

14

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Hypothese 1: Het zoeken naar en/of delen van werkgerelateerde informatie heeft een positief effect op actieve deelname aan virtual communities. Hypothese 2: De wens om te discussiëren over werkgerelateerde onderwerpen heeft een positief effect op actieve deelname aan virtual communities.

2.2.2

Status

Door het delen van werkgerelateerde informatie, kennis ten toon te spreiden in discussies en door aanwezig te zijn binnen een community kan iemand de aandacht op zich vestigen (McLure Wasko & Faraj, 2000). Hierbij wordt aangegeven dat iemand op deze manier zijn/haar status binnen de virtual community kan vergroten en zijn reputatie kan versterken. Dit kan volgens bovenstaande auteurs leiden tot meer kansen in het werkveld. Een zelfde motivatie wordt benoemd door Kollock (1999), die hiermee aansluit bij de ideeën van Rheingold (1993). Kollock (1999) geeft aan dat het waarschijnlijk is dat men meer bijdraagt aan de community naarmate het publiek groter wordt en zodoende de bijdrage meer zichtbaar wordt. Wanneer men participeert in een community waar vakgenoten, potentiële werkgevers of klanten aanwezig zijn en de informatiebijdrage zichtbaar is voor een specifiek publiek, lijkt het waarschijnlijk dat men informatie deelt en participeert in discussies om te laten zien welke kwaliteiten iemand bezit, om zo een goede indruk achter te laten bij de deelnemers van de virtual community. Dit vormt de basis van de derde hypothese voor dit onderzoek. Hypothese 3: De wens meer status te verkrijgen op professioneel vlak heeft een positief effect op actieve deelname aan virtual communities.

2.2.3

Sociale contacten

Diverse onderzoekers, waaronder Ridings en Gefen (2004) concludeerden dat het onderhouden en aangaan van sociale contacten een belangrijke motivatie vormt voor mensen om deel te nemen aan virtual communities. Op basis hiervan lijkt het plausibel dat men via virtual communities meer mensen leert kennen en hier voordeel uit behaalt. Echter, uit onderzoek van Wellman et al. (2001) naar de invloed van internet op sociaal kapitaal van mensen, blijkt dat internet geen stijging of daling teweegbrengt, maar dat offline contacten worden voortgezet op het internet. Dit zou inhouden dat mensen deel nemen aan virtual communities om meer contact te onderhouden met mensen die zij reeds kennen, niet om nieuwe mensen te leren

Masterthesis

15

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

kennen. Het onderzoek van Wellman et al. is gebaseerd op een survey uit 1998, het jaar dat er slechts één netwerksite was (sixdegrees.com, gesloten in 2000) en websites als LinkedIn en Twitter nog niet bestonden (Boyd & Ellison, 2008). Het lijken juist deze sociale netwerksites te zijn waar men nieuwe mensen kan vinden en contact mee kan onderhouden. Steinfield et al. (2008) vonden bijvoorbeeld dat het gebruik van de sociale netwerksite Facebook bij studenten leidt tot een stijging in bridging sociaal kapitaal. Bij deze vorm van sociaal kapitaal ligt de nadruk op de verkrijgen van informatie uit weak ties. De invloed van virtual communities op hoe en waarom mensen contact onderhouden en hoe zij met mensen in contact komen lijkt hiermee veranderd. Via Twitter en LinkedIn is het eenvoudig om mensen te zoeken en te bereiken die in een zelfde vakgebied werkzaam zijn, (professionele) interesses delen en in de toekomst iets voor iemand kunnen betekenen of die hen van nuttige informatie kan voorzien. Daarbij komt dat men, alvorens met elkaar in contact te komen, inzicht kan krijgen in de professionele houding van de andere partij. Door discussies of informatie geplaatst door iemand te volgen, kan men bepalen of iemand zakelijk gezien interessant is. Ook omdat communicatie via virtual communities geen tijds- en plaats barrières kent (Sproull & Faraj, 1997), lijkt het waarschijnlijk dat men deze communities gebruikt voor het opdoen en onderhouden van zakelijke contacten. Op basis hiervan is de vierde hypothese geformuleerd. Hypothese 4: De wens zakelijke sociale contacten op te doen en te onderhouden heeft een positief effect op actieve deelname aan virtual communities. Op basis van de literatuur kan geen uitspraak worden gedaan over een mogelijk verschil in motivatiefactoren tussen Twitter en LinkedIn. Desondanks bestaat de verwachting dat er een verschil zit in welke motivatie het meest belangrijk is voor actieve deelname aan Twitter dan wel LinkedIn. Zo worden op Twitter veel verwijzingen geplaatst naar interessante artikelen, waardoor het zoeken naar informatie mogelijk de meest belangrijke motivatie vormt om deel te nemen aan Twitter. Daarentegen lijkt LinkedIn in eerste instantie gericht op het opbouwen en onderhouden van een zakelijk netwerk, waardoor het opdoen van sociale contacten een belangrijkere motivatie vormt dan bij Twitter. Daarom wordt naast de vier hypothesen een bredere onderzoeksvraag toegevoegd, welke luidt: Onderzoeksvraag: in hoeverre verschillen Twitter en LinkedIn wanneer het gaat om welke antecedent het meest belangrijk is voor actieve deelname?

Masterthesis

16

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

2.3

Samenwerking

Naast de vier antecedenten van actieve deelname aan virtual communities wordt in dit onderzoek gekeken naar de effecten van actieve deelname. Zoals uit paragraaf 2.1 en 2.2 blijkt, bieden virtual communities de mogelijkheid om in contact te komen met mensen met dezelfde interesses, die werkzaam zijn in dezelfde branche en die een interessant verhaal vertellen. Door deze contacten en informatiestromen kan volgens diverse auteurs een goede samenwerking ontstaan tussen bijvoorbeeld eindgebruikers van een product of dienst (e.g. Von Hippel, 2007; Schroer & Hertel, 2009), of tussen producent en consument (e.g. Moon & Sproull, 2001). Samenwerking in dit onderzoek richt zich echter niet op dit soort samenwerking via virtual communities, maar op samenwerking tussen personen ten behoeve van professionele ontwikkeling. Alvorens wordt ingegaan op deze vorm van samenwerking wordt een kort overzicht gegeven van samenwerking als theoretisch concept.

2.3.1

Definities van het concept

Samenwerking is een concept dat qua definitie een zekere vanzelfsprekendheid met zich meedraagt. Toch wordt het concept in de literatuur op verschillende wijzen gedefinieerd en wordt het beschreven vanuit diverse theoretische perspectieven (Smith et al., 1995). Een overeenkomst in deze definities is volgens Smith et al. dat het concept kan worden omschreven als “een proces is waarbij individuen, groepen en organisaties samenkomen, samenwerken en relaties vormen voor een collectief gewin en voordeel� (1995, p.10). Eerder al merkten Ring en Van de Ven (1994) op dat samenwerking een sociaal proces is ten behoeve van collectieve actie. Een klassieke benadering die wordt aangehaald in de theorie omtrent samenwerking is de Social Exchange Theory (Blau, 1964). Deze theorie beschrijft dat mensen economisch en psychologisch voordeel kunnen behalen wanneer zij samenwerken. Individuen zijn bereid om samen te werken wanneer de voordelen van de samenwerking de kosten, ofwel de moeite, overstijgen (e.g. Blau, 1964). Wanneer deze theorie in relatie wordt gebracht met virtual communities, kan beredeneerd worden dat participanten de ervaring moeten hebben dat men niet alleen kennis afdraagt aan de community, maar dat deelname aan de community ook relevante kennis of contacten oplevert. Wanneer mensen dit gevoel hebben, is het aannemelijk zij bereid zijn om samen te werken met anderen binnen de community. Smith et al. (1995) beschrijven dat samenwerking in twee vormen kan voorkomen, informele en formele samenwerking. De eerste beschrijft samenwerking waarbij

Masterthesis

17

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

gedragsnormen en wederzijdse interesse mensen aanzet tot samenwerking. Hierbij hebben beide personen een gelijk doel voor ogen of zijn zij bereid elkaar te helpen voor een collectief gewin. Sociale controle vormt hierbij het ‘sturende’ mechanisme (Astley, 1984). De tweede vorm ‘formele samenwerken’, is strikter. Hierbij wordt samenwerking contractueel vastgelegd in (hiërarchische) structuren en regels (Smith et al., 1995). Naarmate een formele samenwerking voortduurt, kunnen de regels minder strikt worden en kan volgens Ring en Van de Ven (1994) formele samenwerking veranderen in informele samenwerking. De soort samenwerking die tot stand komt tussen twee partijen hangt af van de verhoudingen tussen partijen en uit zich voornamelijk in (on)afhankelijkheid (Smith et al., 1995). Zo zal in ‘verticale samenwerking’ (tussen mensen met ongelijke posities) de relatie getypeerd worden door meer afhankelijkheid dan in ‘horizontale samenwerking’. Samenwerking binnen virtual communities lijkt zich te beperken tot informele samenwerking. Wederzijdse interesse brengt mensen in deze communities bij elkaar (e.g. Porter, 2004) en een formele controle ontbreekt, maar wordt ‘opgevangen’ door sociale controle. In de typeringen van het concept samenwerking door de bovengenoemde auteurs wordt geen strikte plaats benoemd waarbinnen deze samenwerking plaatsvindt. Daarom kunnen deze benaderingen toegepast worden op virtual communities, waarbij de plaats van samenwerking niet in het echte leven hoeft te liggen.

2.3.2

Dimensies van samenwerking

De literatuur omtrent samenwerking binnen virtual communities richt zich ogenschijnlijk op drie pijlers. De eerste is het samenwerken aan open source projecten (von Hippel, 2007), waarbij in communities als SourceFroge.net wordt gewerkt aan software die ‘vrij verkrijgbaar’ is. Voorbeelden hiervan zijn de browser Firefox en het besturingssysteem Linux. Een tweede pijler is collectieve samenwerking op Wikipedia, waar miljoenen mensen hun bijdrage leveren aan artikelen over uiteenlopende onderwerpen (e.g. Schroer & Hertel, 2007; Wilkinson & Huberman, 2008). De derde pijler is samenwerking tussen producenten (bijvoorbeeld LEGO) en consumenten om zo het product te verbeteren en/of beter op de wensen van de consument te laten aansluiten (Moon & Sproull, 2001). Daar dit onderzoek zich richt op samenwerking met als doel professionele ontwikkeling en werkgerelateerde informatie via communities als LinkedIn en Twitter, kan niet direct worden aangesloten bij deze literatuur. Zowel de populatie als het uiteindelijke doel van de samenwerking lijken immers te verschillend. Daarom wordt in de literatuur gekeken naar andere vormen van samenwerking die kunnen ontstaan in virtual communities,

Masterthesis

18

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

zoals samenwerking die kan bijdragen aan de professionele ontwikkeling van mensen en aan het verkrijgen, delen en/of verspreiden van werkgerelateerde informatie. In paragraaf 2.2 is een viertal antecedenten beschreven die leiden tot het gebruik van virtual communities, gericht op professionele ontwikkeling en werkgerelateerde informatie. De vierde antecedent is de motivatie om sociale contacten op te doen die nuttig kunnen zijn voor de professionele ontwikkeling van een persoon. Dit kan geschaard worden onder de theorie over ‘sociaal kapitaal’. Sociaal kapitaal houdt in dat men toegang heeft tot en gebruik kan maken van hulpbronnen welke ingebed zijn in (sociale) netwerken (Lin et al., 2001). Op deze manier kan deelname aan netwerken leiden tot samenwerking met peers. Contacten die men heeft opgedaan binnen virtual communities kunnen iemand verder helpen bij zijn/haar professionele ontwikkeling. Zo menen Nardi et al. (2002) bijvoorbeeld dat men bewust nieuwe (online en offline) sociale contacten aangaat en onderhoudt, opdat deze netwerken in een later stadium van pas kunnen komen voor hun eigen persoon of voor de organisatie waarvoor zij werken. Sociaal kapitaal wordt volgens Burt (1997) en Erickson (2001) onder andere ingezet bij het zoeken naar een baan. Mensen kunnen hun netwerk gebruiken bij het vinden van aantrekkelijke vacatures die vrijkomen binnen organisaties. Daarnaast kunnen mensen in het netwerk bijvoorbeeld een introductie bij de betreffende organisatie verzorgen. Voor bronnen die zijn ingebed in een sociaal netwerk, geldt volgens Butler (2001) dat zij duurzaam en zodoende interessant zijn wanneer zij toegang verschaffen tot waardevolle bronnen/kansen. Hierbij dienen de voordelen van het netwerk de kosten om lid te zijn van een netwerk dus te overstijgen. Het verkrijgen van toegang tot deze bronnen, verschilt online en offline. Offline een groot sociaal netwerk onderhouden op zo’n manier dat sociaal kapitaal ontstaat waar men aanspraak op kan maken, vergt veel tijd en gaat gepaard met logistieke problemen (Butler, 2001). Online contacten onderhouden daarentegen kost veel minder tijd en men kan elkaar eenvoudiger op de hoogte houden van werkgerelateerde informatie en van kansen op de arbeidsmarkt. Hierdoor lijken internet in het algemeen en virtual communities in het bijzonder een geschikt kanaal om sociaal kapitaal op te bouwen dat op een bepaald tijdstip kan helpen bij het zoeken en vinden van een baan. Zo stellen Feldman en Klaas (2002), reeds voordat communities als LinkedIn en Twitter bestonden, dat internet een belangrijk kanaal is wanneer men zoekt naar een nieuwe baan. Met de komst van virtual communities is te meer zichtbaar geworden waar een ander in

Masterthesis

19

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

iemands netwerk werkt, wat dit werk globaal inhoudt en of er interessante vacatures bij die betreffende organisatie vacant zijn. Het inzetten van sociaal kapitaal en zodoende samenwerken bij het vinden en zoeken van een baan lijkt tevens gekoppeld te kunnen worden aan ‘the strenght of weak ties’ (Granovetter, 1973). Waarbij weak ties nieuwe kansen op de arbeidsmarkt kunnen aandragen. Samenwerking binnen een virtual community, ten behoeve van het zoeken en verkrijgen van een baan, wordt in dit onderzoek gezien als de eerste dimensie van het concept, wat leidt tot de vijfde hypothese. Hypothese 5: actieve deelname aan virtual communities heeft een positief effect op het zoeken en vinden van een baan. Virtual communities zijn naast een bron van informatie ook een plek waar mensen elkaar ontmoeten. Wanneer men deelneemt aan virtual communities met als doel professionele ontwikkeling of het vergroten van vakgerelateerde kennis, lijkt het niet voldoende wanneer deze contacten beperkt blijven tot de online wereld. Boyd en Ellison (2008) benadrukken in lijn hiermee dat sociale netwerksites als LinkedIn als brug kunnen functioneren tussen online en offline contacten. Parks en Floyd (1996) vonden al in een vroeg stadium van het internet dat een derde van online ontstane relaties zich voortzetten in de ‘offline wereld’. De auteurs meenden daarmee dat internet “just another place to meet” is (p.12). Wanneer mensen optimaal gebruik willen maken van hun online opgebouwde netwerk en sociaal kapitaal is het dan ook waarschijnlijk dat men elkaar ook buiten de virtual communities ontmoet. Een (beroepsmatig) leven wat zich enkel online afspeelt lijkt immers een utopie. Shirky omschrijft een soortgelijke beweging als volgt: “This is what the end of cyberspace looks like: […] meeting online isn’t enough and after communicating with one another using these various services, the members become convinced that they share enough to want to get together in the real world” (2008, p. 198-199). Virtual

communities

als

Twitter

en

LinkedIn

worden

ingezet

om

offline

bijeenkomsten aan te kondigen, bekendheid te geven of te verslaan. Een voorbeeld van een dergelijke bijeenkomst is ‘open coffee’. Dit zijn bijeenkomsten waarbij de bindende factor ‘online’ is en waarbij mensen onder het genot van een kop koffie ‘ontspannen kunnen netwerken’, zo beschrijft de site www.opencoffeeclub.nl. Via bijvoorbeeld ‘groups’ in LinkedIn en berichten op Twitter wordt men op de hoogte gehouden over het ‘waar en wanneer’ van deze bijeenkomsten. Daarnaast wordt, met

Masterthesis

20

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

name een community als Twitter, gebruikt om anderen te benaderen die op dezelfde conferentie zijn of om mensen die elders zijn, te laten weten wat er verteld wordt. Doormiddel van zogeheten #hashtags (zoektermen op Twitter) werd bijvoorbeeld tijdens Intranet2009 (10 maart 2009) gevraagd wie naar welke spreker ging. Ook Mobile Monday (1 juni 2009) werd op Twitter en LinkedIn aangekondigd en op Twitter verslagen en bekritiseerd. Dit geeft aan dat virtual communities gebruikt worden om elkaar offline te ontmoeten en om offline-bijeenkomst aan te kondigen of te verslaan. Deze vorm van samenwerking levert niet direct economisch voordeel op maar wel psychologisch voordeel, waarmee het voldoet aan de voorwaarde van Blau (1964) om van ‘samenwerking’ te kunnen spreken. Op basis van het bovenstaande is een tweede dimensie van samenwerking voor dit onderzoek geformuleerd: het initiëren, bijwonen en bijdragen aan (werkgerelateerde) bijeenkomsten. De veronderstelling voortvloeiend uit bovenstaande dimensie is de verwoord in de zesde hypothese. Hypothese 6: actieve deelname aan virtual communities heeft een positief effect op het bijwonen van vakgerelateerde bijeenkomsten. De derde dimensie van samenwerking binnen virtual communities die wordt onderzocht is peer production. Deze vorm van samenwerking is reeds in diverse settings onderzocht (e.g. Von Hippel, 2007). Echter, samenwerking via virtual communities aan werkgerelateerde producten/diensten en informatie lijkt weinig onderzocht en daardoor nog onduidelijk. De volledige term ‘commons-based peer production’ is afkomstig van Benkler (2006), welke een nieuw productiemodel beschrijft waarbij gelijkgestemden samenkomen en samenwerken, vaak zonder hiërarchische structuur en/of regels. Dit komt overeen met ‘informele samenwerking’ zoals Smith et al. (1995) deze beschrijven. Benkler (2006) beschrijft dat de processen van

peer

production

vaak

non-hiërarchisch

zijn

en

georganiseerd

via

een

gedecentraliseerd patroon. Mensen voelen zich met elkaar verbonden door een combinatie van gelijke ervaring en efficacy (het gevoel dat men ertoe doet). Wanneer mensen zich wijden aan projecten en aan het nastreven van bepaalde doelen, is het aannemelijk dat zij via virtual communities met gelijk geïnteresseerden in contact komen. Wanneer dit contact frequenter wordt, kan zich een sterke relatie ontwikkelen welke samenwerking stimuleert (Benkler, 2006). Daarnaast beschrijft Von Hippel (2007) dat samenwerking zonder tussenkomst van een organisatie aantrekkelijk is, omdat men eigen kaders kan stellen en zich niet hoeft te conformeren aan structuren.

Masterthesis

21

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

In lijn hiermee roemen onder andere Shirky (2005) en Rheingold (2005) samenwerking via virtual communities, omdat men zichzelf kan organiseren, coördineren en controleren. Iets waar in een andere omgeving bijvoorbeeld huisvesting, managers en vaste structuren voor nodig zijn. Doordat mensen in virtual communities dit zelf kunnen verzorgen, dalen de ‘transactiekosten’ van het product/de dienst. Hierdoor wordt het aantrekkelijker om samen te werken via virtual communities; barrières vervagen of verdwijnen. Op basis hiervan lijkt het plausibel dat samenwerking met vakgenoten positief beïnvloed wordt door een actieve deelname aan virtual communities, wat leidt tot de zevende hypothese van dit onderzoek. Hypothese 7: actieve deelname aan virtual communities heeft een positief effect op samenwerking tussen vakgenoten (peer production).

2.4

Vertrouwen

Vertrouwen lijkt een belangrijk concept wanneer het gaat om het gebruik van computers en communicatie via internet. Smith et al. (2005) geven aan dat in het begin van het gebruik van computers vertrouwen meer gericht was op de technologie dan op vertrouwen in mensen. Echter, het opbouwen en behouden van vertrouwen berust volgens de auteurs meer op ervaringen die men heeft binnen virtual communities; dit betekent dat ‘online vertrouwen’ grotendeels beïnvloed kan worden door de kwaliteit van de informatie die men opdoet in virtual communities. In dit onderzoek wordt gekeken in hoeverre vertrouwen en modererende rol speelt bij het effect van de antecedenten op actieve deelname aan virtual communities (paragraaf 2.2) en bij actieve deelname en samenwerking (paragraaf 2.3). Een klassieke definitie van vertrouwen is afkomstig van Mayer et al. (1995). De auteurs zien vertrouwen als volgt: “the willingness of a party to be vulnerable to the actions of another party based on the expectation that the other will perform a particular action important to the trustor, irrespective of the ability to monitor or control that other party” (1995, p.712). De definitie bevat de overtuiging dat in de toekomst geen schade wordt toegebracht aan de trustor (degene die ‘vertrouwt’). ‘Vertrouwen geven’ houdt dus in dat iemand zich kwetsbaar opstelt en hiermee bereid is een bepaald risico te lopen. Mayer et al. (1995) benoemen dit expliciet wanneer zij het volgende stellen: “Trust is not taking risk per se, but rather it is a willingness to take risk” (p.712). Jarvenpaa en Leidner (1999) menen dat vertrouwen mensen in staat stelt risicovolle activiteiten te ondernemen. Activiteiten die zij niet kunnen controleren of monitoren en waarbij zij

Masterthesis

22

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

mogelijk teleurgesteld worden door acties van anderen. Zulke risicovolle activiteiten kunnen ontstaan wanneer regels en richtlijnen ontbreken. Vertrouwen kan dan dienen als substituut voor ontbrekende regels of richtlijnen (Ridings et al., 2002). Dit is volgens Ridings et al. (2002) vaak het geval in virtual communities, waarbij vertrouwen een omgeving creëert waarin men relaties met elkaar aangaat. Ook Sharrat en Usoro (2003) stellen op basis van literatuuronderzoek dat vertrouwen een belangrijke factor is voor communicatie in virtual communities. Wanneer iemand veel informatie geeft in een virtual community of juist veel informatie haalt van deze communities, is men niet zeker van de kwaliteit van deze informatie, of de beweegredenen van de andere partij. Men dient dus vertrouwen te hebben. Daarnaast is het in virtual communities niet of nauwelijks mogelijk om de andere partij te monitoren of controleren, wat één van de grootste verschillen is met een ‘traditionele’ community (paragraaf 2.1). Mayer et al. (1995) gaan uit van drie dimensies van vertrouwen: ability; benevolence en integrity. Ability (het vermogen) heeft betrekking op de vaardigheden en competenties waarover de trustee (degene die vertrouwt wordt) beschikt. Deze dimensie is toepasbaar op virtual communities, omdat deze veelal gericht zijn op gedeelde interesses of een specifiek onderwerp, vertrouwen in de ability van de trustee is daarom belangrijk (Ridings et al., 2002). Dit lijkt specifiek op te gaan voor werkgerelateerde informatie en gebruik van virtual communities om zich te ontwikkelen op professioneel vlak. Immers, de kwaliteit van de informatie kan belangrijk zijn voor de toekomst van de persoon binnen een vakgebied. Benevolence (de welwillendheid) heeft betrekking op de mate waarin de trustee goed doet voor de trustor, met andere woorden: zijn de handelingen die de trustee verricht naast het eigen belang ook voordelig voor de trustor (Mayer et al., 1995). Dit is toepasbaar op virtual communities omdat de trustee gedrag van de trustor in virtual communities beantwoordt met advies, informatie en ondersteuning. Deze positieve reciprociteit in virtual communities is essentieel, omdat communities anders niet zouden kunnen bestaan, zo menen Ridings et al. (2002). Een soortgelijke vorm van sociaal en altruïstische gedrag wordt ook door McLure Wasko en Faraj (2000) gevonden. De laatste dimensie integrity, beschrijft de mate waarin de trustor de trustee integer vindt, ofwel; in hoeverre accepteert de trustor de principes of werkwijzen van de trustee (Mayer et al., 1995). Deze dimensie is van belang in virtual communities omdat eerlijkheid en reciprociteitsnormen, evenals bij benevolence, essentieel zijn voor het functioneren van virtual communities (Ridings et al., 2002).

Masterthesis

23

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

De drie hierboven beschreven dimensies van vertrouwen worden onderkend in de literatuur omtrent de rol van vertrouwen in virtual communities (e.g. Ridings et al., 2002; Usoro et al., 2006). Ridings et al. (2002) operationaliseren vertrouwen op basis van de drie dimensies zoals geformuleerd door Mayer et al. (1995). Hierbij combineren de auteurs de dimensies benevolence en integrity. Zij beredeneren dat deze twee dimensies tot het zelfde gedrag leiden, namelijk het voortzetten van conversaties en discussies in virtual communities. Het gewenste gedrag (integrity) komt voort uit de welwillendheid (benevolence) van de andere partij. In navolging van Ridings et al. (2002) wordt vertrouwen in dit onderzoek gemeten aan de hand van twee dimensies; ‘ability’ en ‘benevolence/integrity’. Zoals aangehaald, lijkt het plausibel dat vertrouwen van grote invloed is binnen virtual communities. Men dient de informatie en mensen uit de virtual community te vertrouwen om deze in te zetten voor het werk (Ridings et al. 2002). Ridings et al. (2002) menen dan ook dat in een vertrouwde omgeving mensen meer bereid zijn om anderen te helpen, om hulp te vragen en om informatie te delen, wat betrekking heeft op de dimensie benevolence/integrity. Vertrouwen is hierbij volgens de auteurs belangrijk, omdat het zoals eerder benoemd de reciprociteitsnormen ondersteund, zonder deze normen kan een virtual community niet bestaan, iets dat wordt ondersteund door Sproull en Faraj (1997). Daarnaast is vertrouwen in de ability van anderen in de virtual community van belang, want zo stellen Ridings et al.: “It’s only natural that they would want to converse with others who have the knowledge and skills regarding the topic at hand (…)” (2002, p.280). Evenals Ridings et al. (2002), vonden Jarvenpaa et al. (1998) dat vertrouwen belangrijk is voor de mate waarin men informatie deelt in virtual communities. Jarvenpaa et al. (1998) concludeerden dit een onderzoek naar virtual teams die werden samengesteld uit een groep studenten. Ridings et al. (2002) deden hun bevindingen in een onderzoek naar vertrouwen binnen discussion boards. Ondanks de verschillen in analyse-eenheid met deze twee onderzoeken, is ook in dit onderzoek de verwachting dat de mate van vertrouwen in de virtual community van invloed is op de intensiteit waarmee de gebruiker virtual communities aanwendt voor informatie, discussies, opbouwen van reputatie en sociale contacten. Dit vormt het uitgangspunt voor het formuleren van hypothese acht. Hypothese 8: Vertrouwen heeft een modererend effect op de relatie tussen de antecedenten en actieve deelname aan virtual communities.

Masterthesis

24

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Naast hypothese acht vormt vertrouwen volgens onder andere Ridings et al. (2002) ook de basis voor samenwerking. Vertrouwen lijkt belangrijk voor samenwerking, omdat men de uitkomst van de samenwerking met een andere partij niet kan voorspellen. Vertrouwen geeft hierbij een basis om ondanks onzekerheid toch een zekere band met elkaar op te bouwen. Het functioneert als vervanging voor regels en gedragsnormen wanneer deze ontbreken (Ridings et al., 2002). Dit lijkt ook op te gaan wanneer samenwerking wordt benaderd vanuit de Social Exchange Theory (Blau, 1964). Samenwerking kan economisch en psychologisch voordeel opleveren, waneer de baten van de samenwerking de kosten overstijgen. In traditionele communities werd gevonden dat samenwerkingsverbanden beter verlopen wanneer mensen elkaar vertrouwen dan wanneer dit vertrouwen ontbreekt (e.g. Blau, 1964). Op basis van voorgaande theorieĂŤn en redenering lijkt het waarschijnlijk dat de mate van vertrouwen ook in virtual communities van invloed is op de mate waarin de gebruiker samenwerkt met anderen. Dit vormt het uitgangspunt voor het formuleren van hypothese negen. Hypothese 9: Vertrouwen heeft een modererend effect op de mate waarin gedrag op virtual communities leidt tot samenwerking.

Masterthesis

25

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

2.5

Conceptueel model

Model 2: Conceptueel model

Hypothese 1: Het zoeken naar en/of delen van werkgerelateerde informatie heeft een positief effect op actieve deelname aan virtual communities

Hypothese 2: De wens om te discussiëren over werkgerelateerde onderwerpen heeft een positief effect op actieve deelname aan virtual communities

Hypothese 3: De wens meer status te verkrijgen op professioneel vlak heeft een positief effect op actieve deelname aan virtual communities

Hypothese 4: De wens zakelijke sociale contacten op te doen en te onderhouden heeft een positief effect op actieve deelname aan virtual communities

Hypothese 5: actieve deelname aan virtual communities heeft een positief effect op het zoeken en vinden van een baan

Hypothese 6: actieve deelname aan virtual communities heeft een positief effect op het bijwonen van vakgerelateerde bijeenkomsten

Hypothese 7: actieve deelname aan virtual communities heeft een positief effect op samenwerking tussen vakgenoten (peer production)

Hypothese 8: Vertrouwen heeft een modererend effect op de relatie tussen de antecedenten en actieve deelname aan virtual communities

Hypothese 9: Vertrouwen heeft een modererend effect op de mate waarin actieve deelname aan virtual communities leidt tot samenwerking

Masterthesis

26

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

3 Methoden Om de hypothesen die zijn opgesteld in hoofdstuk twee te toetsen, is gebruik gemaakt van een kwantitatieve data-analyse. Daarnaast is ter ondersteuning van de resultaten een tweetal interviews gehouden met deskundigen uit de praktijk, de vragen van dit interview zijn opgenomen in bijlage A. De kwalitatieve data-analyse is uitvervoerd middels een online enquête waarin 75 vragen/stellingen zijn opgenomen die de gekozen concepten en dimensies meten (de gehele enquête is opgenomen in bijlage B). In dit hoofdstuk worden de gebruikte procedures en meetschalen nader toegelicht, er wordt een korte kenschets gegeven van de online enquête en de populatie wordt beschreven. Daarbij worden de betrouwbaarheid en validiteit van de ontworpen enquête besproken aan de hand van statistische analyses.

3.1

Interviews

Zoals reeds in het vorige hoofdstuk benoemd, is literatuur die handelt over virtual communities en professionele ontwikkeling schaars. Daarom zijn ter inleiding van dit onderzoek en ter ondersteuning van de resultaten twee interviews gehouden met twee specialisten op het gebied van virtual communities. Arthur Kruisman is management consultant bij Inter Acces, waar hij zich richt op ‘het nieuwe werken’. Sander Duivestein is senior analist bij ViNT, het onderzoeksinstituut van Sogeti, en is co-auteur van de boeken ‘Me the Media’ en ‘Collaboration in the Cloud’. Er zijn twintig interviewvragen geformuleerd op basis van de concepten uit dit onderzoek en de veronderstelde relaties tussen deze concepten. In de interviews werd de respondenten gevraagd naar hun ervaringen met Twitter en LinkedIn en hoe zij aankijken tegen het gebruik hiervan met betrekking tot professionele ontwikkeling. De transcripten van de interviews zijn ter controle aangeboden aan de respondenten, zij hebben deze goedgekeurd voor gebruik in dit onderzoek.

Masterthesis

27

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

3.2

Onderzoeksprocedure

De vragen en stellingen zijn verwerkt in een online enquête. Deze enquête is uitgezet via LinkedIn en Twitter. Middels een e-mail aan het gehele netwerk in LinkedIn is gevraagd of men de enquête wilde invullen en doorsturen. Een week nadien is een reminder gestuurd naar dezelfde personen. Op Twitter is een korte introductie met de link naar het onderzoek geplaatst. Tevens is een aantal mensen persoonlijk aangesproken met de vraag of zij het bericht wilden doorsturen. Deze mensen hadden vaak een groot aantal ‘volgers’ waardoor een zogeheten ‘sneewbal-effect’ werd ingezet. Op Twitter is enkele malen een overzicht van de voortgang van het onderzoek geplaatst, met hierbij een link naar het onderzoek voor mensen die het nog niet hadden ingevuld. Op de weblog waar de voortgang van dit onderzoek wordt besproken, is ook een link naar het onderzoek geplaatst om ook zo bekendheid te geven aan het onderzoek. Na twee weken is het onderzoek gesloten. De enquête is gecombineerd met een onderzoek naar de invloed van virtual communities op de betrokkenheid en werktevredenheid van werknemers. Hiervoor zijn 22 stellingen opgenomen, omdat dit een ander onderzoek betreft zullen deze vragen niet verder toegelicht worden. De online enquête bestond uit zestien schermen. Na een korte introductie beantwoordde de respondent de vragen over Twitter. Wanneer men aangaf Twitter niet te gebruiken, werd men doorgestuurd naar de vragen over LinkedIn. Wanneer men aangaf LinkedIn niet te gebruiken kreeg men de vragen voor de dimensie ‘vertrouwen’ te zien. Daarna werden de controlevariabelen voorgelegd. Vervolgens werden de stellingen met betrekking tot het onderzoek naar de invloed op betrokkenheid en werktevredenheid geponeerd. Als laatste kon de respondent een opmerking of vraag plaatsen met betrekking tot het onderzoek en zag men het eindscherm.

3.3

Enquête

De enquête bestond uit 75 vragen/stellingen welke voortkomen uit de te onderzoeken dimensies. Bij het samenstellen van de enquête is gebruik gemaakt van bestaande schalen, wanneer dit niet mogelijk was, zijn items ontwikkeld op basis van de theorie. Vervolgens is een (informele) pre-test gehouden, waarna een kleine aanpassingen is doorgevoerd in de antwoordmogelijkheden bij het gebruik van Twitter en LinkedIn.

Masterthesis

28

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

In de subparagrafen hieronder worden de vragen en stellingen uit de enquête per dimensie uiteengezet en nader verklaard.

3.3.1

Actieve deelname aan virtual communities

Het onderzoek richt zich op de communities Twitter en LinkedIn. Om te meten in hoeverre respondenten actief zijn op deze communities, is voor iedere community een aantal vragen gesteld. Na de vraag of men Twitter gebruikt (ja/nee), is gevraagd hoe vaak zij berichten van anderen lezen en zelf berichten plaatsen. Beiden zijn gemeten op een zes-punts likertschaal lopend van: ‘minder dan eens per maand’ tot ‘meerdere keren per dag’. Om de grootte van het netwerk te bepalen is gevraagd naar het aantal ‘volgers’ en hoeveel mensen men zelf ‘volgt’. Actieve deelname aan LinkedIn werd gemeten door de vraag hoe vaak men gebruik maakt van de website. Hierbij werd dezelfde zes-punts likertschaal gebruikt als bij het gebruik van Twitter. Daarnaast is gevraagd of men gebruik maakt van ‘groups’ en hoeveel connecties men heeft. Uit een eerste analyse van de data bleek dat de variabelen ‘hoeveel mensen volg je op Twitter’ en ‘hoeveel mensen volgen jou op Twitter’ niet normaal verdeeld zijn. Om dit te corrigeren is van deze variabelen een log-functie berekend, waardoor de variabelen normaal verdeeld werden. Een zelfde functie is berekend voor ‘hoeveel connecties heb je op LinkedIn’ waardoor ook deze data normaal verdeeld werd.

3.3.2

Antecedenten

Voor ieder van de vier antecedenten van actieve deelname aan virtual communities is een aantal stellingen geformuleerd, deze stellingen zijn twee keer aan de respondenten voorgelegd. Eén keer betrekking hebbend op Twitter en één keer op LinkedIn. Respondenten dienden voor deze stellingen op een zeven-punts likertschaal aan te geven in hoeverre zij het hier dan wel ‘helemaal mee oneens’ dan wel ‘helemaal mee eens’ waren. De eerste dimensie ‘informatie’ werd gemeten aan de hand van vier stellingen, waaronder: “ik gebruik Twitter om informatie te zoeken voor mijn werk”. De tweede dimensie ‘discussie’ is gemeten aan de hand van twee stellingen, waaronder: “ik gebruik Twitter om deel te nemen aan (vakgerelateerde) discussies”. Dimensie drie ‘status’, is gemeten met drie stellingen, zoals: “ik gebruik Twitter om te laten zien wie ik ben”. De vierde dimensie ‘sociale contacten’ is gemeten met twee stellingen, waaronder: “ik gebruik Twitter om zakelijke contacten op te doen”.

Masterthesis

29

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

De vragen voor het concept ‘antecedenten’ zijn gebaseerd op de antecedenten die gevonden werden door McLure Wasko en Faraj (2000) en Ridings en Gefen (2004). Er kon echter geen gebruik worden gemaakt van een bestaande vragenlijst, omdat vorige onderzoeken werden verricht door het stellen van één open vraag “waarom neem je deel aan (…)” (Ridings & Gefen, 2004). Daarom zijn items geformuleerd die de motivatie meten waarom men Twitter en LinkedIn gebruikt. Deze stellingen zijn gebaseerd op de gevonden indicatoren uit eerder onderzoek. Uit de factoranalyse (bijlage C) blijkt dat enkele items opgesteld voor verschillende dimensies op dezelfde factoren laden. Dit houdt in dat de vragen niet voldoende discriminerend zijn. In hoofdstuk vijf wordt nader ingegaan op de overlap in deze dimensies en waardoor deze mogelijk wordt veroorzaakt. Ondanks deze overlap zullen bij de analyse van de resultaten de vier beschreven dimensies worden aangehouden voor zowel LinkedIn als Twitter. De betrouwbaarheidsanalyses voor de in totaal acht dimensies laten namelijk allen een chronbach alpha (α) zien van >.73, wat betekent dat de vragen per concept intern consistent en betrouwbaar zijn. Hierbij is het criterium van Field (2005) aangehouden dat de chronbach alpha gelijk aan of groter dan .70 dient te zijn.

3.3.3

Samenwerking

Zoals in hoofdstuk twee is beschreven, worden drie dimensies onderscheiden, namelijk: ‘banen’; ‘bijeenkomsten en ‘peer production’. Evenals bij het concept ‘antecedenten’ zijn de stellingen voor zowel Twitter als LinkedIn opgenomen. Respondenten konden op een zeven-punts likertschaal aangeven in hoeverre zij het oneens dan wel eens waren met de stelling. De eerste dimensie ‘banen’ is gemeten met twee items, waaronder: “Twittter helpt mij bij het zoeken/vinden van een baan”. De dimensie ‘bijeenkomsten’ is gemeten met de vraag: “Ik ga naar bijeenkomsten (bijv. conferenties, 'Open Coffee') waarvan ik heb gehoord via Twitter en die handig kunnen zijn voor mijn werk”. De derde dimensie, ‘Peer production’, is gemeten met twee vragen, bijvoorbeeld: “Via Twitter werk ik samen met anderen aan nieuwe producten en/of diensten”. Voor Twitter is een additionele stelling toegevoegd: “via Twitter overleg ik met mijn naaste collega’s”. Deze stelling is toegevoegd, omdat de verwachting is dat Twitter ook als intern communicatiemiddel wordt toegepast binnen organisaties. Eerder is al aangehaald dat de dimensies van samenwerking die worden gebruikt in dit onderzoek niet of nauwelijks voorkomen in de literatuur. Om deze reden kon geen

Masterthesis

30

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

gebruikt worden gemaakt een bestaande vragenlijst. De vragen voor dit onderzoek zijn daarom gebaseerd op de theorieën over bijvoorbeeld sociaal kapitaal en ‘the strengt of weak ties’, welke zijn beschreven voorafgaand aan de hypothesen uit hoofdstuk twee. De vragen meten wat Twitter en LinkedIn de gebruikers oplevert in termen van de eerder genoemde dimensies. De overtuiging hierbij is dat men kan aangeven in welke mate zij samenkomen en –werken met anderen binnen een virtual community met een gezamenlijk doel en/of voordeel. Uit de factoranalyse blijkt dat de drie veronderstelde dimensies voor zowel LinkedIn als Twitter op twee factoren laden. De vragen met betrekking tot het zoeken van een baan vormen één dimensie en de twee beschreven dimensies ‘bijeenkomsten’ en ‘peer production’ laden op een tweede factor. Daarom is besloten de laatste twee dimensies samen te voegen tot de dimensie ‘bijeenkomsten/peer production’. Dit houdt in dat hypothese zes en zeven als één hypothese worden behandeld bij het toetsen ervan in hoofdstuk vier. De betrouwbaarheid van deze dimensie komt uit op α .86 voor LinkedIn en α .88 voor Twitter. De betrouwbaarheid van de eerste dimensie ‘banen’ komt voor zowel Twitter als LinkedIn net op of onder de α .70. De vraag: “via Twitter/LinkedIn kom ik in contact met mensen die interessant zijn voor mijn werk” lijkt te conflicteren met de vragen uit ‘antecedenten’. Daarom is besloten deze vraag te verwijderen en ‘banen’ een single-item schaal te maken met de vraag: “LinkedIn/Twitter helpt mij bij het zoeken naar een baan”.

3.3.4

Vertrouwen

De twee dimensies voor vertrouwen, ‘ability’ en ‘benevolence/integrity’, zijn aangehouden in navolging van het onderzoek van Ridings et al. (2002). In tegenstelling tot de voorgaande concepten is bij ‘vertrouwen’ één keer opgenomen in de enquête en gelden de stellingen voor zowel Twitter als LinkedIn. Er is geen onderscheid gemaakt in vertrouwen, omdat de verwachting is dat de beleving en de rol van vertrouwen niet verschilt bij het gebruik Twitter en LinkedIn. De relatie met anderen kan bij beiden namelijk beperkt blijven tot de virtuele omgeving en men is niet

gedwongen

persoonsgegevens.

om

‘open’

Evenals

bij

te

zijn

wanneer

‘antecedenten’

het en

gaat

om

bijvoorbeeld

‘samenwerking’

dienden

respondenten voor dit onderdeel stellingen te beantwoorden aan de hand van een zeven-punts likertschaal lopend van geheel mee oneens tot geheel mee eens.

Masterthesis

31

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Voor de ability dimensie zijn drie stellingen geformuleerd, waaronder: “de mensen in mijn netwerk op Twitter en/of LinkedIn hebben veel kennis over de onderwerpen die we bespreken”. De benevolence/integrity dimensie werd gemeten aan de hand van drie stellingen, waaronder: “de mensen […] doen hun best om eerlijk met elkaar om te gaan”. De zes items meten in hoeverre mensen in de virtual community van mening zijn dat de anderen in hun netwerk beschikken over voldoende kennis over de besproken onderwerpen (ability) en in hoeverre zij verwachten dat men eerlijk met elkaar omgaat (benevolence/integrity). De vragen zijn ontleend aan Ridings et al. (2002) welke de dimensies gebruikten in een onderzoek naar de rol van vertrouwen in virtual communities. Ridings et al. (2002) formuleerden voor iedere dimensie een zestal vragen, dit is in verband met de lengte van de enquête teruggebracht tot drie vragen per dimensie. Dubbele items uit de originele vragenlijst zijn verwijderd. Vervolgens zijn de items aangepast om aan te sluiten op Twitter en LinkedIn, daar Ridings et al. het onderzoek verrichtten op bulletin boards en de vragen daarop toegespitst hadden. Om een vertalingsbias te voorkomen, zijn de vragen door twee personen onafhankelijk van elkaar vertaald van het Engels naar het Nederlands. Deze Nederlandse vragen zijn vervolgens vertaald naar het Engels en vergeleken met de originele vragenlijst. Uit de factoranalyse blijkt dat vijf van de zes vragen laden op één dimensie. De vraag “de mensen in mijn netwerk op Twitter en/of LinkedIn gedragen zich niet zoals gewenst is” laadt, na het hercoderen, op een andere factor. Daarom is deze vraag verwijderd uit de schaal ‘vertrouwen’. De overige vijf vragen laden op één dimensie en blijken met α .85 betrouwbaar. Daarom is gekozen om in de verdere analyse van de resultaten geen onderscheid te maken tussen de ability en benevolence/integrity dimensie. Vertrouwen wordt dus als één dimensie beschouwd. Een nadere beschouwing van het samenvoegen van deze twee dimensies wordt gegeven in hoofdstuk vijf.

3.3.5

Controlevariabelen

Naast de variabelen gericht op de verschillende dimensies zijn er een vijftal controlevariabelen opgenomen in het onderzoek, te weten: geslacht, leeftijd, hoogst genoten opleiding, huidige arbeidsrelatie en de beroepsgroep waarin de respondent werkzaam is.

Masterthesis

32

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

3.4

Populatie

De theoretische populatie van het onderzoek bestaat uit de gebruikers van Twitter en LinkedIn in Nederland. Echter, omdat het onderzoek is uitgezet binnen het eigen netwerk van de auteur is de werkelijke populatie kleiner. In de twee weken dat het onderzoek online heeft gestaan hebben 366 personen het onderzoek geopend, waarvan 142 het onderzoek volledig hebben ingevuld. Van deze 142 personen is 77,5% man. De gemiddelde leeftijd van de respondenten is 31 jaar. 90,1% is hoger opgeleid, 9,2% heeft een mbo/havo of vwo opleiding genoten en 0,7% is lager opgeleid. De meerderheid van de respondenten is fulltime werkzaam (61,3%), 4,9% is parttime werkzaam, 19% heeft een eigen onderneming, is werkzaam als ZZP’er of op freelance basis. Daarnaast geeft 1,4% aan op dit moment niet werkzaam te zijn en is 11,3% student. De meeste respondenten zijn werkzaam in de ICT (26,8%) of Media/Communicatie

(23,9%).

Daarnaast

is

14,8%

werkzaam

als

adviseur/consultant, 11,3% in sales/inkoop. Een compleet overzicht van de populatie parameters is gegeven in bijlage D. Twitter: Het gebruik van Twitter ligt met 47,9% van de respondenten lager dan het gebruik van LinkedIn. Van deze Twitter gebruikers geeft meer dan de helft (57,4%) aan de posts van andere meerdere keren per dag te lezen. 36,8% plaatst meerdere keren per dag een bericht. Een klein deel van de respondenten geeft aan minder dan wekelijks berichten te lezen (13,2%) of zelf een bericht te plaatsen (27,9%). Het aantal volgers van Twitter gebruikers loopt uiteen van 0 tot 1247, met een gemiddelde van 118 en een modus van 50. Het aantal mensen dat men volgt ligt tussen 0 en 1221, met een gemiddelde van 114 en een modus van 100. LinkedIn: Van de respondenten gebruikt 93,7% LinkedIn, 78,2% van deze mensen maakt ook gebruik van ‘groups’. Het gemiddeld aantal connecties van deze LinkedIn gebruikers is 169. De spreiding in het aantal connecties is echter hoog, gezien een standaarddeviatie van 158 en een modus van 100 connecties. Het grootste deel van de respondenten (23,9%) geeft aan LinkedIn wekelijks te gebruiken. 30,3% maakt vaker gebruik van LinkedIn, 11,3% van de respondenten meerdere keren per dag. Daarnaast geeft 21,8% van alle respondenten aan de site eens in de twee weken te bezoeken, 14,1% maandelijks en 3,5% minder dan eens per maand.

Masterthesis

33

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

4 Resultaten Dit hoofdstuk beschrijft allereerst het resultaat van het onderzoek op basis van de correlaties tussen de verschillende dimensies (tabel 1). Vervolgens worden regressie analyses besproken op basis waarvan de hypothesen zijn getoetst. Na het toetsen van deze hypothesen worden de gevonden verbanden weergegeven in een model, waarbij de resultaten zijn gesplitst voor Twitter en LinkedIn.

4.1

Descriptieve statistiek

Wanneer in tabel 1 wordt gekeken naar uitkomsten van de vragen met betrekking tot de antecedenten, kan een eerste resultaat op de onderzoeksvraag uit paragraaf 2.2 worden ontdekt. De onderzoeksvraag luidde: in hoeverre verschillen Twitter en LinkedIn wanneer het gaat om welke antecedent het meest belangrijk is voor actieve deelname? Uit de gemiddelde scores blijkt dat meer mensen zich richten tot Twitter voor het voeren van discussie (M=4.2) dan tot LinkedIn (M=3.4). Een zelfde bevinding wordt gedaan wanneer gekeken wordt naar het zoeken naar informatie. Twitter (M=4.6) lijkt hiervoor vaker aangewend dan LinkedIn (M=3.8). Voor de antecedent ‘het zoeken naar status’ (Twitter: M=4.2; LinkedIn: M=4.0) is het verschil tussen de twee communities minder groot, maar ook hier blijkt dat men zich vaker richt tot Twitter dan tot LinkedIn. Bij ‘het opdoen van sociale contacten’ is het omgekeerde het geval. Hier is het juist de community LinkedIn (M=5.3) die de voorkeur van de gebruiker verdient boven Twitter (M=5.1). Een andere opvallend resultaat in de gemiddelde uitkomsten is het verschil tussen Twitter en LinkedIn bij het zoeken naar een baan. Twitter (M=3.1) wordt hier minder vaak voor ingezet dan LinkedIn (M=4.2). Bij de variabele bijeenkomsten/peer production daarentegen, wordt Twitter (M=3.1) vaker ingezet dan LinkedIn (M=2.4).

Masterthesis

34

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

4.2

Correlaties

Op basis van de correlatietabel kan een eerste indruk worden verkregen van de manier waarop de variabelen uit de hypothesen met elkaar samenhangen. Wat hierbij opvalt is dat de antecedenten van actieve deelname en de dimensies van samenwerking aan Twitter allen significant (p <.01) correleren met de vier dimensies van actief gebruik (bijvoorbeeld hoe vaak mensen zelf berichten posten). Dit in tegenstelling tot LinkedIn wat een meer gedifferentieerd beeld laat zien waarbij deelname aan groups niet significant correleert met het de dimensie ‘status’ en ‘sociale contacten’. Tevens correleert de dimensie ‘bijeenkomsten/peer production’ niet significant met het aantal connecties dat men heeft op LinkedIn. Door de hoge onderlinge correlaties van de antecedenten en dimensies van samenwerking, bij beide virtual communities, is voorzichtigheid geboden bij het interpreteren van de uitkomst van de regressie analyse, daar dit kan duiden op multicollineariteit. De variabele ‘vertrouwen’ laat wat betreft de focus van dit onderzoek significante correlaties zien met zowel de antecedenten als de dimensies van samenwerking voor beide virtual communities. Daarnaast is het opvallend te zien dat de controlevariabele ‘leeftijd’ negatief correleert (r(142)=-.18, p<.05) met vertrouwen, wat zou betekenen dat ‘oudere mensen’ minder vertrouwen hebben in hun peers in virtual communities dan de jongere gebruikers.

Masterthesis

35

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Tabel 1: Correlaties Masterthesis

36

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

4.3

Hypothese toetsen

Om de in hoofdstuk twee opgestelde hypothesen te toetsen, is gebruik gemaakt van multipele regressie analyse. Daarnaast is logistische regressie toegepast op de analyse van de antecedenten op ‘het deelnemen aan groepen in LinkedIn’, daar dit een dichotome afhankelijke variabele betreft. De hypothesen zijn geformuleerd voor virtual communities in zijn algemeenheid. De onderzoeksresultaten worden echter gescheiden geanalyseerd en beschreven voor Twitter en LinkedIn, om zo exploratief te kijken in hoeverre de uitkomsten verschillen voor de twee virtual communities. Op deze manier wordt ook een antwoord verkregen op de onderzoeksvraag uit paragraaf 2.2. Regressie analyse biedt geen ‘one-tailed’ optie, hypothese één t/m zeven zijn echter wel met een richting geformuleerd, daarom zijn de significantie niveaus in tweeën gedeeld.

4.3.1

Antecedenten

Om de eerste vier hypothesen te toetsen, zijn per community alle antecedenten in één analyse meegenomen. Voor Twitter leverde dit vier regressie analyses op: voor iedere indicator van actieve deelname als afhankelijke variabele (zie tabel 2 op pagina 39). Voor LinkedIn resulteerde dit in drie analyses (zie tabel 3 op pagina 41). Hypothese één veronderstelt een positief effect van het zoeken naar of delen van werkgerelateerde informatie op actieve deelname aan virtual communities. Actieve deelname wordt gemeten aan de hand van vier dimensies. Regressie analyse voor Twitter laat zien dat de motivatie voor het zoeken en/of delen van informatie een significatie voorspeller is van ‘het lezen van posts van mensen die ik volg’ (F(1,66)=20.12, t(68)= 4.49, β=.48, p<.001, R2=.23), ‘op Twitter post ik zelf’ (F(2,65)=21.64, t(68)=3.35, β=.42, p<.001, R2=.40), hoeveel mensen iemand volgt (F(2,63)=20.97, t(66)=2.80, β=.36, p<.01 R2=.40) en door hoeveel mensen iemand gevolgd wordt (F(2,63)=21.48, t(66)=3.45, β=.44, p<.001 R2=.41). Dit impliceert dat men actief zal deelnemen aan Twitter wanneer men op zoek is naar werkgerelateerde informatie. Op basis hiervan wordt hypothese één voor Twitter aangenomen. De analyse van dezelfde hypothese voor LinkedIn laat echter een tegenovergesteld beeld zien. Het zoeken naar informatie heeft alleen significant effect op het aantal connecties dat men heeft. Dit effect is, in tegenstelling tot de verwachting, negatief (F(3,129)=4.29, t(133)=-1.76, β=-.61, p<.05., R2=.09). Effecten op het deelnemen aan

Masterthesis

37

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

‘groups’ en op bezoeksfrequentie van LinkedIn blijken niet significant. Hypothese één voor LinkedIn wordt daarom verworpen. Een positief effect van de wens om te discussiëren op actieve deelname aan virtual communities wordt verondersteld in hypothese twee. Zoals in tabel 2 te zien is, blijkt dat de antecedent ‘discussie’ geen significant effect heeft. Hiermee wordt hypothese twee voor Twitter verworpen. Daarentegen is in tabel 3 te zien dat de antecedent bij LinkedIn wel een positief effect heeft op de drie indicatoren; de frequentie van het bezoek aan LinkedIn (F(2,130)=21.87, t(133)=3.14, β=.26, p<.001, R2=.25), het aantal connecties (F(3,129)=4.29, t(133)=1.67, β=.19, p<.05, R2=.09) en het deelnemen aan groups (F(1)=6.93 t(133)=6.12, β=.38, p<.05, Nagelkerke R2=.09). Op basis hiervan wordt hypothese twee voor LinkedIn aangenomen. Hypothese drie luidt: “de wens meer status te verkrijgen op professioneel vlak heeft een positief effect op de deelname aan virtual communities”. Regressie analyse voor Twitter laat geen significant effect zien op de dimensie ‘op Twitter lees ik de posts van mensen die ik volg’. Status heeft wel een significant effect op ‘op Twitter post ik zelf’ (F(2,65)=21.64, t(68)=2.18, β=.27, p<.05, R2=.40), ‘hoeveel mensen volgen jou’ (F(2,63)=20.97, t(66)=2.66, β=.34, p<.01, R2=.40) en ‘hoeveel mensen volg je’ (F(2,63)=21.48, t(66)=2.05, β=.26, p<.05, R2=.41). De verklaarde varianties in deze uitkomsten worden allen gedeeld met de antecedent ‘informatie’. Het voorgaande maakt dat voor Twitter hypothese drie wordt aangenomen. Bij LinkedIn heeft ‘status’ een significant effect op het aantal connecties dat iemand heeft (F(3,129)=4.29, t(133)=2.27, β=.74, p<.05, R2=.09). Logistische- en regressie analyse laat geen significant effect zien op ‘groups’ of de frequentie van het gebruik. Op basis van het significante effect van ‘status’ op het aantal connecties wordt deze hypothese voor LinkedIn gedeeltelijk aangenomen. Dat de wens om zakelijke contacten op te doen en te onderhouden een positief effect heeft op actieve deelname aan virtual communities, wordt verondersteld in hypothese vier. Uit de analyse blijkt dat de wens deze contacten op te doen geen effect heeft op één van de dimensies van actieve deelname aan Twitter. Hiermee wordt hypothese vier voor Twitter verworpen. Bij LinkedIn laat ‘sociale contacten’ een positief effect zien op hoe vaak men de LinkedIn website bezoekt (F(2,130)=21.87, t(133)=4.33, β=.35, p<.001, R2=.25). De verklaarde variantie van 25%, wordt gedeeld met de antecedent ‘discussie’ (hypothese twee). Er werd geen significant effect gevonden op ‘groups’ of hoeveel connecties iemand heeft. Op basis hiervan wordt hypothese vier voor

Masterthesis

38

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

LinkedIn gedeeltelijk aangenomen. Het significante effect van ‘sociale contacten’ op de frequentie van het bezoek impliceert een actieve deelname aan LinkedIn waarmee hypothese vier gedeeltelijk wordt aangenomen.

Lees β

Regressie analyse: Antecedenten Twitter Post β t F t F 11.28*** 10.71*** 1.38 .59** 2.73 -.37 -.04 -.24 .28 .33* 2.50 1.39 -.22 -1.53 15.25*** 14.51*** 1.44 .55** 3.51 -.35 .33* 2.51 1.56 -.22 -1.37 21.64*** 20.97*** 1.69 .42*** 3.35

Antecedent: F model 1 5.62*** Informatie .33 Discussie -.08 Status .04 Sociale Contacten .25 model 2 7.58*** Informatie .34 Discussie -.07 Status Sociale Contacten .26 model 3 11.47*** Informatie .28* Discussie Status Sociale Contacten .26 .26 model 4 20.12*** Informatie .48*** 4.49 Discussie Status Sociale Contacten * Coefficient is significant at the 0.05 level (1-tailed). ** Coefficient is significant at the 0.01 level (1-tailed). *** Coefficient is significant at the 0.001 level (1-tailed).

.27*

2.18

Volg β

t

.26 -.03 .29* .19

1.21 -.13 2.16 1.16

.24

1.53

.29* .19

2.17 1.16

.36** .34**

Gevolgd door β F 10.96*** .43* -.11 .23 .16 14.64*** .34*

t 1.98 -.61 1.68 1.00 2.13

.22 .16

1.64 .99

2.80

.44***

3.45

2.66

.26*

2.05

21.48***

Tabel 2: Regressie analyse: Antecedenten Twitter

Regressie analyse: Antecedenten LinkedIn Frequentie Connecties β β F t F t 11.24*** 3.36** -.02 -.05 -.60 -1.72 .20* 2.01 .19* 1.67 .15 .50 .67* 1.96 .28** 2.69 .09 .78 15.10*** 4.29** -.61* -1.76 .21* 2.27 .19* 1.67 .14 1.19 .74* 2.27 .28** 2.70 21.87***

Antecedent: model 1 Informatie Discussie Status Sociale Contacten model 2 Informatie Discussie Status Sociale Contacten model 3 Informatie Discussie .26*** 3.14 Status Sociale Contacten .35*** 4.33 model 4 Informatie Discussie Status Sociale Contacten * Coefficient is significant at the 0.05 level (1-tailed). ** Coefficient is significant at the 0.01 level (1-tailed). *** Coefficient is significant at the 0.001 level (1-tailed).

Chi-2 8.43*

Groups β

Wald

.51 .32 -.31 -.18

.47 2.55 .23 .91

.17 .35*

.49 3.25

-.21

1.2

.42**

6.79

-.13

.73

.38*

6.12

8.19*

7.69*

6.93**

Tabel 3: Regressie analyse: Antecedenten LinkedIn

Masterthesis

39

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

4.3.2

Samenwerking

Hypothesen vijf en zes/zeven (gecombineerd naar aanleiding van factoranalyse, zoals besproken in hoofdstuk drie) hebben betrekking op samenwerking als gevolg van actieve deelname aan virtual communities. In hypothese vijf wordt verondersteld dat actieve deelname helpt bij het zoeken en vinden van een baan. Voor Twitter blijkt de frequentie dat men zelf berichten plaatst een positief significant effect te hebben op de variabele ‘banen’ (F(1,64)=20.76, t(66)=4.56, β=.50, p<.001, R2=.25). De overige drie dimensies van actieve deelname laten geen significant effect zien. Ook het effect van actief gebruik van LinkedIn beperkt zich tot één dimensie, te weten de frequentie van het bezoek van de website (F(1,131)=4.27, t(133)=2.07, β=.18, p<.05, R2=.03). De overige twee dimensies: ‘groups’ en het aantal connecties, laten geen significant effect zien. Op basis hiervan worden de hypothesen voor zowel Twitter als LinkedIn gedeeltelijk aangenomen. De gecombineerde hypothese zes/zeven veronderstelt dat actieve deelname aan virtual communities een positief effect heeft op het bijwonen van vakgerelateerde bijeenkomsten en samenwerking met peers binnen virtual communities. Regressie analyse voor Twitter laat zien dat de frequentie waarmee men berichten post (F(2,63)=29.30, t(66)=2.20, β=.27, p<.05, R2=.48) en het aantal mensen dat men volgt (F(2,63)=29.30, t(66)=4.00, β=.49, p<.001, R2=.48) een significant verband heeft met de variabele bijeenkomsten/peer production. De twee variabelen verklaren samen 48% van de variantie in de variabele ‘bijeenkomsten/peer production’. De dimensies ‘hoe vaak men berichten van anderen leest’ en ‘hoeveel volgers men heeft’ hebben geen significant effect op het bijwonen of initiëren van bijeenkomsten of het samenwerken met peers. Voor LinkedIn geldt dat de frequentie van bezoek van de website een positief significant effect (F(1,131)=9.25, t(133)=3.04, β=.26, p<.01, R2=.07) heeft op het bijwonen/initiëren van bijeenkomsten en het samenwerken met peers. Op basis van bovenstaande uitkomsten wordt de gecombineerde hypothese voor zowel Twitter als LinkedIn gedeeltelijk aangenomen. Analyse van de uitkomsten van de additionele vraag gericht op samenwerking tussen collega’s via Twitter, laat zien dat hoe vaak mensen berichten posten een significant effect heeft op samenwerking tussen collega’s (F(1,64)=14.72, t(66)=3.84, β=.43, p<.001, R2=.19). Overige dimensies van actieve deelname aan Twitter hebben geen significant effect op ‘samenwerking met collega’s’.

Masterthesis

40

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Regressie analyse: Samenwerking Twitter Banen Bijeenkomst/Peer Dimensies actieve deelname: β β F t F t model 1 5.68*** 15.02*** Lees -.16 -.86 -.19 -1.28 Post .51** 2.62 .38* 2.37 Volg .29 .91 .40 1.54 Gevolgd door -.12 -.35 .13 .482 model 2 7.63*** 20.20*** Lees -.16 -.91 -.19 Post .50** 2.61 .39** -1.24 Volg .19 1.28 .52*** 4.18 Gevolgd door model 3 11.06*** 29.30*** Lees Post .39** 2.65 .27* 2.20 Volg .16 1.13 .49*** 4.00 Gevolgd door model 4 20.76*** Lees Post .50*** 4.56 Volg Gevolgd door * Coefficient is significant at the 0.05 level (1-tailed). ** Coefficient is significant at the 0.01 level (1-tailed). *** Coefficient is significant at the 0.001 level (1-tailed).

F 3.6**

Collega's β

t

.00 .46* .13 -.17

.00 2.26 .40 -.49

.63** -.17 .134

2.89 -.50 .41

.47**

2.93

-.05

-.30

4.9**

7.30***

14.72*** .43*** 3.84

Tabel 4: Regressie analyse: Samenwerking Twitter

Regressie analyse: Samenwerking LinkedIn Banen Bijeenkomst/Peer Dimensies actieve deelname: β β F t F t model 1 1.99 3.66** Frequentie .08 .75 .27** 2.68 Connecties .09 .88 -.11 -1.08 Groups .10 .99 .09 .98 model 2 2.71* 5.02** Frequentie .30** 3.07 Connecties .14 1.44 -.09 -.90 Groups .10 1.07 model 3 4.27* 9.25** Frequentie .18* 2.07 .26** 3.04 Connecties Groups * Coefficient is significant at the 0.05 level (1-tailed). ** Coefficient is significant at the 0.01 level (1-tailed). *** Coefficient is significant at the 0.001 level (1-tailed). Tabel 5: Regressie analyse: Samenwerking LinkedIn

Masterthesis

41

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

4.3.3

Vertrouwen

Vertrouwen wordt verondersteld invloed uit te oefenen op de relaties tussen de antecedenten en actieve deelname van virtual communities (hypothese acht) en tussen actieve deelname en de dimensies van samenwerking (hypothese negen). Voor deze analyse is een tweetal regressies uitgevoerd, te weten de antecedenten van de respondenten met een hoge mate van vertrouwen en antecedenten van de respondenten met een lage mate van vertrouwen. De resultaten van deze analyses zijn opgenomen in bijlage E. Uit de analyses gericht op hypothese acht voor Twitter, blijkt dat vertrouwen invloed uitoefent op de relatie van de antecedent ‘informatie’ en op alle vier dimensies van actieve deelname. De antecedent vertoont een sterker effect op bijvoorbeeld het aantal volgers dat men heeft wanneer er sprake is van een hoge mate van vertrouwen (F(1,50)=28.82, t(52)=5.37, β=.61, p<.001, R2=.38) dan wanneer dit vertrouwen laag of afwezig is (F(2,4)=5.33, t(7)=-3.22, β=-1.36, p<.05, R2=.73). Ook bij de andere dimensies van actieve deelname bleek dit effect aanwezig, waarbij de niveaus bij een hoge mate van vertrouwen significant bleken ten opzichte van niet significante waarden bij een lage mate van vertrouwen. Bij de dimensie ‘status’ is de invloed van vertrouwen andersom: bij een lage mate van vertrouwen heeft status een significant effect op het aantal mensen dat men volgt (F(1,5)=6.58, t(7)=2.57, β=.75, p<.05, R2=.57), terwijl er geen significant effect tussen de twee variabelen wordt gevonden bij een hoge mate van vertrouwen. Dit duidt op een modererend effect van vertrouwen op het effect van ‘status’ als antecedent van actieve deelname aan virtual communities. Bij de antecedent ‘sociale contacten’ wordt een significant effect gevonden op het aantal volgers dat men heeft wanneer de mate van vertrouwen laag is (F(2,4)=5.33, t(7)=2.86, β=1.21, p<.05, R2=.73). Evenals bij ‘status’ wordt bij ‘sociale contacten’ geen significant effect gevonden bij een hoge mate van vertrouwen. Bij LinkedIn wordt, bij een hoge mate van vertrouwen, bij drie antecedenten een significant effect gevonden. Voor de antecedenten ‘informatie’ (F(2,96)=22.25, t(99)=3.18, β=.34, p<.01, R2=.32) en ‘sociale contacten’ (F(2,96)=22.25, t(99)=2.74, β=.29, p<.01, R2=.32) geldt dit effect op ‘de frequentie van het gebruik van LinkedIn’. Voor ‘status’ (F(1,97)=8.60, t(99)=2.93, β=.29, p<.01, R2=.07) geldt het effect op ‘het aantal connecties dat men heeft’. Een significant effect blijft echter uit bij de drie antecedenten wanneer er sprake is van een lage mate van vertrouwen, wat duidt op

Masterthesis

42

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

een modererend effect van vertrouwen. Op basis van de resultaten van de analyses wordt hypothese acht voor zowel Twitter als LinkedIn deels aangenomen. Hypothese negen veronderstelt een modererend effect van vertrouwen op de relatie tussen actieve deelname aan virtual communities en de dimensies van samenwerking. Uit de analyse voor Twitter blijkt dat het effect van de frequentie waarmee men berichten post op de dimensie ‘banen’ gemodereerd wordt door vertrouwen. Bij een hoge mate van vertrouwen wordt een significant verband gevonden (F(1,50)=11.37, t(52)=3.37, β=.43, p<.001, R2=.17), terwijl bij een lage mate van vertrouwen een significant verband ontbreekt. De overige drie dimensies van actieve deelname gecombineerd met vertrouwen laten geen effect zien op ‘banen’. Voor de dimensie ‘bijeenkomsten/peer production’ wordt bij een hoge mate van vertrouwen een significant effect gevonden van ‘hoe vaak men post’ (F(2,49)=25.69, t(52)=2.27, β=.30, p<.05, R2=.51) en ‘door hoeveel mensen iemand gevolgd wordt’ (F(2,49)=25.69, t(52)=3.61, β=.48, p<.001, R2=.51). Bij beiden wordt geen significant effect gevonden bij een lage mate van vertrouwen. Dat wil zeggen: het effect voor beide dimensies is sterker bij een hogere mate van vertrouwen, wat een modererend effect van vertrouwen impliceert. Moderatieanalyse op ‘samenwerking tussen collega’s’ laat een tweeledig beeld zien. Enerzijds het significante effect van ‘hoe vaak iemand een bericht post’ bij een hoge mate van vertrouwen (F(1,50)=9.87, t(52)=3.14, β=.41, p<.001, R2=.17), dit effect blijft uit wanneer de mate van vertrouwen laag is. Anderzijds een significant effect bij een lage mate van vertrouwen van het aantal volgers dat iemand heeft (F(2,4)=4.80, t(7)=-2.94, β=-2.61, p<.05, R2=.71), dit effect blijft uit bij een hoge mate van vertrouwen. Overige twee dimensies van actieve deelname laten geen significante resultaten zien. Op basis van voorgaande alinea wordt voor Twitter hypothese negen gedeeltelijk aangenomen. Bij LinkedIn laat de analyse voor de dimensie ‘banen’ twee significante effecten zien bij een lage mate van vertrouwen; het aantal connecties (F(2,13)=4.37, t(16)=2.74, β=.74, p<.05, R2=.40) en het deelnemen aan ‘groups’ (F(2,13)=4.37, t(16)=-2.55, β=-.69 p<.05, R2=.40). Significante waarden bij een hoge mate van vertrouwen evenals effecten bij de dimensie ‘frequentie van bezoek’ worden niet gevonden. Bij de tweede dimensie van samenwerking, ‘bijeenkomsten/peer production’, laat het aantal connecties dat men heeft een positief effect zien wanneer het vertrouwen groot is (F(1,97)=10.80, t(99)=3.28, β=.32, p<.001, R2=.10), dit effect blijft achterwege wanneer er weinig vertrouwen is. De andere twee dimensies van actieve deelname laten bij een hoge

of

Masterthesis

lage

mate

van

vertrouwen

43

geen

significant

effect

zien

op

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

â&#x20AC;&#x2DC;bijeenkomsten/peer productionâ&#x20AC;&#x2122;. Op basis hiervan wordt hypothese negen ook voor LinkedIn gedeeltelijk aangenomen. De resultaten van de hypothese toetsen zijn weergegeven in tabel 6 en in modellen drie en vier.

Tabel 6: Uitkomsten hypothesen

Masterthesis

44

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Model 3: Gevonden verbanden Twitter. I.v.m. leesbaarheid ontbreken β-waarden

Masterthesis

45

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Model 4: Gevonden verbanden LinkedIn. I.v.m. leesbaarheid ontbreken β-waarden

Masterthesis

46

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

5 Discussie, conclusie & aanbevelingen De resultaten van het onderzoek bieden de basis voor het beantwoorden van de vraagstelling welke in het eerste hoofdstuk is geformuleerd. Allereerst worden opvallende resultaten bediscussieerd en teruggekoppeld naar de theorie. Dit leidt tot het beantwoorden van de hoofd- en deelvragen uit hoofdstuk ĂŠĂŠn. Vervolgens worden aanbevelingen voor verder onderzoek gegeven en worden beperkingen van het verrichte onderzoek besproken.

5.1

Discussie

Onderzoek wijst uit dat virtual communities een snel groeiend aspect binnen internet vormen waarin veel kennis en contacten worden gedeeld (e.g. Ridings & Gefen, 2004; Porter, 2002). Op basis van de literatuur over virtual communities is een viertal antecedenten

van

actieve

deelname

onderscheiden

die

gericht

zijn

op

werkgerelateerde onderwerpen en professionele ontwikkeling. Voor Twitter werd gevonden dat drie van deze antecedenten een motivatie vormen voor actieve deelname. Zo blijkt dat, in overeenstemming met de bevindingen van bijvoorbeeld McLure Wasko en Faraj (2000), de wens informatie te zoeken en te delen een belangrijke reden is om deel te nemen aan Twitter. Vertrouwen speelt hierbij een belangrijke rol; wanneer men veel vertrouwen heeft in de mensen op Twitter, is de motivatie om de community in te zetten voor het delen van informatie hoog; weinig vertrouwen maakt dat deze motivatie laag is. Dit sluit aan bij de bevindingen van Ridings et al. (2002). De auteurs zien vertrouwen namelijk als basis voor positieve reciprociteit binnen virtual communities. Deze reciprociteit wordt als fundamenteel beschouwd voor het functioneren van een community. Het onderscheid in dimensies van vertrouwen tussen ability en benevolence/integrity wat Ridings et al. (2002) maken, werd in dit onderzoek niet gevonden. Gebruikers van

Masterthesis

47

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Twitter en LinkedIn lijken geen onderscheid te maken in de kunde (ability) of de welwillendheid (benevolence) wanneer het gaat om vertrouwen in de community; men vertrouwt iemand of niet. Dit houdt in dat theorie over vertrouwen in virtual communities tweeledig kan zijn. Enerzijds kan vertrouwen verdeeld worden in ability en benevolence/integrity wanneer er sprake is van communities waar één onderwerp centraal staat en waarbij men weinig van elkaar weet omdat profielbeschrijvingen ontbreken, zoals in de discussion groups die Ridings et al. (2002) onderzochten. Anderzijds kan vertrouwen als één geheel, zonder afzonderlijke dimensies, worden gezien, wanneer het gaat om communities waar persoonlijke gegevens bekend zijn en waar doorgaans diverse (persoonlijke en zakelijke) onderwerpen besproken worden. Als iemands vertrouwen wordt misbruikt, is de schade waarschijnlijk groter bij sites waarbij veel persoonlijke informatie bekend is. Dit maakt dat een volledig vertrouwen van belang is en dat er zodoende geen onderscheid gemaakt wordt. In tegenstelling tot Twitter is de motivatie om LinkedIn te gebruiken voor het zoeken van informatie lager. Wanneer men LinkedIn gebruikt voor het zoeken van informatie heeft dit een negatief effect op het aantal connecties. Een verklaring voor dit verschil tussen de virtual communities is te vinden in Granovetter’s ‘strenght of weak ties’ (1973). Granovetter meent dat zwakke banden tussen personen meer nieuwe informatie en kennis opleveren dan sterke banden, omdat zwakke banden zich in verschillende netwerken begeven. Twitter en LinkedIn verschillen van elkaar in vorm van de relatie. Relaties bij Twitter hoeven niet reciproque te zijn, men kan iemand volgen zonder dat degene daarvoor toestemming geeft en deze relatie hoeft niet te worden beantwoord. Op deze manier kan iemand een grote schare aan voor hem interessante mensen volgen, waardoor hij veel informatie tot zich kan nemen; met andere woorden hij kan veel zwakke (en eenzijdige) relaties opbouwen. Bij LinkedIn zijn relaties wederkerig, bij het toevoegen van personen aan iemands netwerk dient te worden opgegeven welke relatie bestaat tussen de personen. De mogelijkheid om een groot aantal zwakke relaties aan te gaan wordt daarmee verkleind. Arthur Kruisman zegt hierover “Op LinkedIn zijn het 99% mensen die ik ken en op Twitter zijn het voor 99% mensen die ik niet ken” (interview, 28 mei 2009). Op basis hiervan kan worden gesteld dat contacten via LinkedIn minder verspreid zijn over verschillende sociale netwerken waardoor zij een kleinere bron van informatie en kennis zijn. Mogelijk is LinkedIn, in tegenstelling tot Twitter, dus minder geschikt en aantrekkelijk voor het zoeken en delen van kennis.

Masterthesis

48

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Bovenstaand verschil tussen Twitter en LinkedIn werpt een nieuwe blik op Granovetter’s theorie (1973). De verwachting was dat binnen virtual communities in het algemeen men eenvoudig weak ties kan aangaan. Bovenstaande beredenering gaat echter uit van virtual communities waarin het aangaan van weak ties ook onderling kan verschillen. Of communities een grote bron van weak ties zijn, hangt dus af van de aard van de relatie die wordt aangegaan en van de stappen die daartoe ondernomen moeten worden. Hierbij is het de vraag of de beschrijving van strong en weak ties, zoals Granovetter deze geeft, nog voldoende passend is voor het beschrijven van relaties in virtual communities. De sterkte van een tie is volgens Granovetter namelijk combinatie van tijd, emotionele intensiteit, intimiteit en wederdiensten en met virtual communities hebben, met name hebben begrippen een andere lading gekregen omdat relaties niet per definitie meer reciproque hoeven te zijn en sneller kunnen worden aangegaan dan in offline wereld. Tegen de verwachting in is gevonden dat de wens om discussies te voeren geen voorspeller is van actieve deelname aan Twitter. Een mogelijke verklaring hiervoor kan liggen in het gegeven dat de aangehaalde literatuur geen onderscheid maakt tussen het zoeken van informatie en het aangaan van discussie (e.g. Dholakia et al., 2004). Onderscheid werd in dit onderzoek wel gemaakt op basis van de redenering dat het voeren van discussies actiever is dan het vinden of delen van informatie. Een analyse voor de antecedenten van Twitter wijst uit dat de items voor de concepten ‘discussie’ en ‘informatie’ weinig onderscheidend zijn (zij laden op één factor). Dit betekent dat de onderzoeksresultaten niet per definitie hoeven uit te sluiten dat de wens tot discussiëren leidt tot actieve deelname aan Twitter. Mogelijk komen de resultaten van beide concepten te veel overeen waardoor geen significant resultaat voor het concept ‘discussie’ wordt gevonden. Met andere woorden: mogelijk wordt de variantie in ‘discussie’ verklaard door de variabele ‘informatie’. In tegenstelling tot Twitter blijkt dat de wens werkgerelateerde discussies te voeren wel leidt tot actieve deelname aan LinkedIn. Deze bevinding komt overeen met onderzoek van bijvoorbeeld Dholakia et al. (2004) en Ridings en Gefen (2004). LinkedIn biedt voor deze discussies een specifiek omgeving: ‘groups’. De discussies binnen deze ‘groups’ zijn vaak specifiek gericht op één onderwerp, waardoor het voor participanten een omgeving kan vormen om gericht een discussie aan te gaan. Opmerkelijk is dat vertrouwen geen rol speelt bij het discussiëren; mogelijk is vertrouwen per definitie een voorwaarde voor deelname aan ‘groups’ (Ridings et al., 2002) waardoor geen verschil kan worden gevonden. Een aanvullende analyse laat dan ook zien dat 90%

Masterthesis

49

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

van de deelnemers aan ‘groups’ veel vertrouwen hebben in anderen binnen de virtual community. Op basis van het onderzoek van onder meer Kollock (1999) werd verondersteld dat men deelneemt aan virtual communities om zijn/haar status dan wel kansen in het werkveld te vergroten. Kollock meent dat het waarschijnlijk is dat men meer bijdraagt aan een community naarmate het publiek groter wordt en dus de bijdrage zichtbaarder is. Wanneer men zijn of haar status wil verhogen blijkt dit een voorspeller van actieve deelname aan Twitter. Interessant is dat men alleen op zoek is naar status op het moment dat er weinig vertrouwen is in de andere deelnemers. Dit zou verklaard kunnen worden door het feit dat mensen zich veiliger voelen binnen een groep mensen die zij vertrouwen en daardoor geen behoefte hebben om meer status te verkrijgen. Ook bij LinkedIn leidt de wens meer status te verkrijgen tot meer connecties wanneer er sprake is van weinig vertrouwen. Daarbij heeft het zoeken naar status geen invloed op de frequentie van bezoek of de bijdrage aan ‘groups’. Evenals bij Twitter lijkt weinig vertrouwen dus gecompenseerd te worden door een groot aantal connecties. Dat de bijdrage aan ‘groups’ niet wordt voorspeld door het zoeken naar status gaat in tegen de verwachting op basis van Kollock (1999) en McLure Wasko en Faraj (2000). Verwacht werd namelijk dat de bijdrage aan een community stijgt naarmate deze zichtbaarder zou zijn, waarvan sprake is bij ‘groups’. Het lijkt dat status alleen als motivatie voor deelname wordt gebruikt wanneer er weinig vertrouwen is. Dit gebrek aan vertrouwen weerhoudt mensen er mogelijk ook van om een bijdrage te leveren aan ‘groups’. Evenals bij het zoeken naar status bleek vertrouwen van grote invloed bij het opdoen van zakelijke sociale contacten via Twitter. Het blijkt dat men Twitter alleen gebruikt wanneer men sociale contacten wil opbouwen wanneer het vertrouwen laag is. Mogelijk heeft men bij een laag vertrouwen in de community het idee dat een grote schare volgers in de toekomst van pas kan komen. Het gebruik van LinkedIn lijkt evident bij het onderhouden van zakelijke contacten, gezien dit één van de bestaansredenen is van de website. Desondanks is het een opmerkelijke bevinding, omdat werd gevonden dat het onderhouden van contacten geen invloed heeft op het aantal connecties of het bijdragen aan ‘groups’. Een verklaring hiervoor kan gevonden worden in Boyd en Ellison (2008), daar zij stellen dat netwerksites als LinkedIn veelal gebruikt worden als brug tussen online en offline contacten. Het aantal connecties is hierbij niet zozeer van belang, LinkedIn dient enkel als middel voor het onderhouden en intensiveren van bestaande contacten, vandaar dat men de website vaker bezoekt.

Masterthesis

50

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Illustrerend hierbij is de eerder aangehaalde opmerking van Arthur Kruisman dat zijn sociale netwerk binnen LinkedIn voor het grootste deel bestaat uit mensen waarmee ook offline contact wordt onderhouden. Bovenstaande moet echter wel met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden, gezien de kleine verklaarde variantie. Zo wordt slechts 9% van de variantie in het aantal connecties verklaard door de antecedenten in dit onderzoek. Er werd verondersteld dat de actieve deelname aan Twitter leidt tot vier vormen van samenwerking. Het zoeken naar en vinden van een baan bleek te voorspellen aan de hand van het aantal posts dat men plaatst. Dit wordt versterkt door een hoge mate van vertrouwen. Deze bevinding lijkt verklaarbaar vanuit de theorie over sociaal kapitaal (Lin et al., 2001) waarbij men eerst moet investeren in het sociale netwerk alvorens men hierop aanspraak kan maken. Investeren in kapitaal vindt op Twitter plaats door het regelmatig plaatsen van berichten met als uiteindelijk doel volgers te trekken die in de toekomst voordeel kunnen opleveren. Vertrouwen vervangt hierbij formele, geschreven, regels, zoals eerder werd betoogd door Ridings et al. (2002). Anderzijds is het opmerkelijk dat bijvoorbeeld het lezen van posts geen invloed heeft op het zoeken naar een baan. Feldman en Klaas (2002) concludeerden namelijk dat internet een belangrijk kanaal vormt bij het zoeken van een baan vanwege de openheid van het medium. Een verklaring kan zijn dat men, door berichten te plaatsen, hoopt dat een ander hier op reageert, maar dat specifieke informatie over vacatures gezocht wordt op corporate- en vacaturesites. LinkedIn speelt een grotere rol dan Twitter bij het zoeken en vinden van een baan. Interessant in dit verband is wederom de rol van vertrouwen. Wanneer het vertrouwen laag is, heeft een hoog aantal connecties als gevolg dat LinkedIn ingezet wordt bij het zoeken naar een baan. Verwacht wordt dat men bij weinig vertrouwen kansen probeert te spreiden. Men hoeft niet te steunen op een klein aantal mensen welke men maar weinig vertrouwt. De samenwerkingsvormen ‘bijeenkomsten’ en ‘peer production’ zijn op basis van de onderzoeksresultaten samengevoegd tot één dimensie. Mogelijk ontstaat peer production veelal wanneer mensen samen een bijeenkomst hebben bijgewoond of geïnitieerd en maakt men daardoor geen strikt onderscheid tussen deze twee. De resultaten bij deze vorm van samenwerking lijken aan te sluiten bij Boyd en Ellison (2008) en Von Hippel (2007), wat inhoud dat men zijn gelijke binnen Twitter en LinkedIn vindt en ook offline met degene in contact komt en daarmee samenwerkt. De

kanttekening

die

hierbij

geplaatst

moet

worden

is

dat

scores

op

‘bijeenkomsten/peer production’ vrij laag zijn, met andere woorden: ondanks het

Masterthesis

51

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

positieve effect lijkt samenwerking aan bijeenkomsten en peer production via Twitter en LinkedIn weinig voor te komen. Wat betreft samenwerking met collega’s blijkt dat men Twitter inzet zolang het vertrouwen hoog is en het aantal volgers klein. Mensen met een laag vertrouwen lijken niet gerust op het feit dat berichten over het algemeen vrij toegankelijk zijn via internet.

5.1.1

Conclusie

Het onderzoek is geïnitieerd om een antwoord te vinden op de vraag: “In hoeverre worden virtual communities ingezet ten behoeve van professionele ontwikkeling en samenwerking tussen mensen?”. Voordat een antwoord op deze vraag kan worden gegeven, worden allereerst de deelvragen beantwoord. Deelvraag één luidt: “wat zijn de antecedenten van actieve deelname aan virtual communities met als doel professionele ontwikkeling?”. Gebleken is dat de communities Twitter en LinkedIn een verschillend doel dienen. Zo blijkt Twitter een bron van informatie en wordt LinkedIn gebruikt voor het voeren van discussies. Beide communities worden in mindere mate ingezet voor het verkrijgen van status en het opdoen van sociale contacten. Deelvraag twee luidt: “op welke wijze werkt men samen via virtual communities?”. Wat betreft samenwerking ten einde professionele ontwikkeling te bewerkstelligen bleek dat LinkedIn en in mindere mate Twitter worden gebruikt voor het zoeken en vinden van een baan. Daarbij worden beide communities, zij het weinig, ingezet voor het initiëren en bijwonen van werkgerelateerde bijeenkomsten en voor peer production. Ook wordt Twitter, onder bepaalde voorwaarden, gebruikt om te overleggen met collega’s. Deelvraag drie luidt: “wat is de rol van vertrouwen in de relatie tussen antecedenten en actieve deelname aan virtual communities?”. Bij zowel Twitter als LinkedIn speelt vertrouwen een modererende rol in de relatie tussen antecedenten en actieve deelname. Vertrouwen vormt hierbij een vervanger voor formele regels en creëert daarmee een omgeving waarin men informatie deelt en discussies voert. Bij het uitblijven van vertrouwen leidt dit alleen tot het vergaren van status en opdoen van sociale contacten. Vertrouwen is dus een belangrijke factor die mensen in staat stelt kennis te delen en actief te zijn binnen virtual communities.

Masterthesis

52

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Deelvraag vier luidt: “wat is de rol van vertrouwen in de relatie tussen actieve deelname aan virtual communities en de samenwerking die hieruit voortvloeit?”. Vertrouwen blijkt ook een modererende rol te spelen in de relatie tussen actieve deelname en samenwerking. Formele regels die ontbreken binnen virtual communities worden opgevangen door vertrouwen. Dit vertrouwen zorgt ervoor dat men al dan niet samenwerkt met peers uit de community. Bij gebrek aan vertrouwen blijkt het dat mensen virtual communities minder inzetten bij het zoeken naar banen, het bijwonen van bijeenkomsten en het overleggen met collega’s. Wanneer op basis van de antwoorden op de deelvragen wordt gekeken naar de probleemstelling: “In hoeverre worden virtual communities ingezet ten behoeve van professionele ontwikkeling en samenwerking tussen mensen?”, kan het volgende antwoord worden geformuleerd: de onderzochte virtual communities worden voornamelijk ingezet voor het vergaren van werkgerelateerde informatie en het aangaan van werkgerelateerde discussies. Daarnaast neemt men deel aan communities om zichzelf te laten zien aan anderen of om nieuwe contacten op te doen, maar enkel wanneer het vertrouwen laag is. Wat betreft samenwerking werd gevonden dat men communities en hun leden inzet wanneer het gaat om het zoeken naar en vinden van een baan, en om samen te werken aan bijeenkomsten en diensten. Toch lijkt het nog geen gemeengoed om Twitter en LinkedIn in te zetten voor vormen van samenwerking die gericht zijn op professionele ontwikkeling.

5.2

Beperkingen

Evenals menig wetenschappelijke studie kent ook dit onderzoek enkele beperkingen. Het onderzoek is verspreid binnen het eigen netwerk van de auteur op virtual communities. Vervolgens is het onderzoek doorgestuurd volgens de zogeheten ‘sneeuwbal-methode’. Een volledig bereik van de gebruikers van Twitter en LinkedIn kan hierdoor niet worden gegarandeerd. Daarbij is het vrijwel onmogelijk een percentage te geven van de respons, aangezien niet kan worden getoetst hoeveel gebruikers de enquête bereikt heeft. Wel kan geconcludeerd worden dat ondanks een goede respons van 142 respondenten, dit slechts een klein deel is van het totaal aantal gebruikers in Nederland. Het grootste deel van de respondenten is man en hoger opgeleid en werkzaam in de ICT, communicatie, consultancy en verkoop. Deze lage spreiding kan gevolgen hebben voor de representativiteit van de resultaten. Daarnaast zijn Twitter en LinkedIn slechts twee van de tientallen virtual communities die door mensen gebruikt kunnen worden. Deze punten maken dat rekening moet

Masterthesis

53

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

worden gehouden met beperkte generaliseerbaarheid van de onderzoeksresultaten en conclusies voor andere communities dan Twitter en LinkedIn. Een tweetal beperkingen met betrekking tot de analyses zijn de volgende. Allereerst is het aantal gebruikers van Twitter en LinkedIn die de enquête hebben ingevuld ongelijk verdeeld, het onderzoek telt 133 LinkedIn-gebruikers en 68 Twitter-gebruikers. Ten tweede is uit de factoranalyses gebleken dat enkele variabelen op dezelfde factor laden, maar vanwege de vergelijking tussen Twitter en LinkedIn is bijvoorbeeld de variabele ‘discussie’ binnen Twitter separaat behandeld. Dit kan invloed hebben gehad op de uitkomsten van regressie analyses. Als laatste vormt de geringe verklaarde variantie in enkele analyses een beperking voor de impact van de conclusies.

5.3

Aanbevelingen voor verder onderzoek

Uit het theoretisch kader (hoofdstuk twee) blijkt dat literatuur omtrent de inzet van virtual communities bij professionele ontwikkeling schaars is. Dit onderzoek heeft door virtual communities te koppelen aan professionele ontwikkeling een begin gemaakt met de verbreding van de literatuur in deze richting. Meer onderzoek naar hoe communities worden ingezet door mensen wanneer zij verder willen komen in hun werk, is echter nodig. In lijn met Ridings et al. (2002) en Boyd en Ellison (2008) verdient het de aanbeveling onderzoeksresultaten te versterken met longitudinaal onderzoek, verricht binnen meerdere virtual communities. Op deze manier kan onderzocht worden hoe de motivatie tot actieve deelname zich ontwikkelt (bijvoorbeeld van zoeken naar status naar zoeken naar informatie en discussie) en hoe samenwerking via virtual communities zich ontplooit. Door onderzoek te verrichten in meerdere virtual communities wordt ook de generaliseerbaarheid van de resultaten verhoogd. Tevens kan de representativiteit van de resultaten worden versterkt door toekomstig onderzoek te richten op een bredere groep gebruikers van virtual communities. Vervolgonderzoek zou een meer uitgebreide enquête kunnen ontwikkelen welke dieper ingaat op de motivatie tot deelname met als doel professionele ontwikkeling. Op deze wijze is mogelijk te achterhalen of er meer antecedenten van actieve deelname zijn dan de vier die in dit onderzoek zijn onderscheiden,

gezien

de

geringe

verklaarde

variantie

in

dit

onderzoek.

Theorieontwikkeling zou dan kunnen worden gesplitst in antecedenten van deelname gericht op ontspanning en werkgerelateerde antecedenten. Dit in plaats van een algemene theorie welke zowel persoonlijke als zakelijke motivatoren beschrijft (e.g. Ridings & Gefen, 2004; McLure Wasko & Faraj, 2000). Ook het opbouwen van

Masterthesis

54

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

vertrouwen in communities behoeft meer onderzoek, hierbij is het interessant om te kijken hoe vertrouwen als mechanisme tot stand komt. Als laatste verdient de onderverdeling van vertrouwen in twee dimensies nadere aandacht. Ridings et al. (2002) concludeerden in een onderzoek aan de hand van één open vraag namelijk de onderverdeling in ‘ability’ en ‘benevolence/integrity’, terwijl in dit onderzoek dit onderscheidt niet aanwezig bleek. Is dit te wijten aan het soort community, discussion boards ten opzichte van sociale netwerksites en microblogs; de onderzoeksmethode, een open vraag ten opzichte van een enquête of heeft dit verschil een andere oorzaak?

5.4

Praktische implicaties

Resultaten van dit onderzoek lijken te ondersteunen dat actieve deelname voordelig kan zijn voor mensen wanneer zij zich in professioneel opzicht willen ontwikkelen. Men kan door actieve deelname aan virtual communities optimaal gebruik maken van deze bron van informatie en relatief eenvoudig een groot aantal ‘weak ties’ aangaan, welke in de toekomst voordeel kunnen opleveren. Doordat ‘weak ties’ zich in verschillende sociale netwerken bevinden heeft men bijvoorbeeld beschikking tot nieuwe vakinhoudelijke informatie of informatie over kansen op de arbeidsmarkt. Voor een ieder die zich professioneel wil ontwikkelen lijkt deelname aan virtual communities dus een aan te raden stap om te zetten. Daarnaast is het belangrijk dat ook organisaties zich bewust worden van het informatiepotentieel van virtual communities. Zij zouden hun medewerkers kunnen stimuleren om actief te zijn op virtual communities. Op deze manier krijgen medewerkers de kans zich nog meer te ontwikkelen en kunnen zij een betere bijdrage aan de organisatie leveren. Zo kunnen informatie en nieuwe inzichten die zijn opgedaan in virtual communities worden ingezet

binnen

de

organisatie.

Daarbij

kunnen

medewerkers

vraagstukken

bediscussiëren met peers in de virtual community, wat zowel de medewerker als de organisatie ten goede komt. Een ander voordeel van virtual communities voor organisaties heeft betrekking op de werving van personeel. Uit het onderzoek is gebleken dat mensen virtual communities inzetten bij het zoeken naar een baan. Organisaties zouden deze communities dus kunnen inzetten bij het werven van personeel, door aanwezig te zijn op virtual communities en hier bekendheid te geven aan beschikbare vacatures. Zo kunnen zij gericht en wellicht meer passende kandidaten bereiken dan wanneer gezocht wordt via de geijkte kanalen zoals kranten en vacaturesites. Mogelijk ervaren organisaties virtual communities op dit moment als bedreiging, omdat zij bang zijn voor het verlies van informatie. Maar dit onderzoek maakt duidelijk dat communities ook als belangrijke bron van nieuwe informatie en

Masterthesis

55

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

inzichten kunnen worden gezien. Vanzelfsprekend is het hierbij van belang dat organisaties beleid schrijven over hoe om te gaan met bedrijfsinformatie en vraagstukken binnen virtual communities: wat mag worden gepubliceerd en wat niet.

Masterthesis

56

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Literatuurlijst Ahonen, M., Antikainen, M. & M채kip채채, M. (2007). Supporting collective creativity within open innovation. Draft-accepted for publication in the European Academy of Manament (EURAM) Conference Paris 2007. Verkregen op 14 maart 2009, van: http://citeseerx.ist.psu.edu/viewdoc/download?doi=10.1.1.116.184&rep =rep1&type=pdf. Astley, G. W. (1984). Toward an appreciation of collective strategy. Academy of Management Review, 9(3), 526-535. Bagozzi, R. P. & Dholakia, U.M. (2002). Intentional social action in virtual communities. Journal of Interactive Marketing, 16(2), 2-21. Barrett, M., Cappleman, S., Shoib G. & Walsham, G. (2004). Learning in knowledge communities: managing technology and context. European Management Journal, 22(1), 1-11. Blau, P. M. (1964). Exchange and power in social life. New York: Wiley. Benkler, Y. (2006). The wealth of networks: how social production transforms markets and freedom. New Haven: Yale UniversityPress. Boyd, D. M. & Ellisson, N. B. (2008). Social network sites: definition, history and scholarship. Journal of Computer-Mediated Communication 13(1), 210-230. Burt, R. (1997). The contingent value of social capital. Administrative Science Quarterly, 42, 339-365. Butler, B.S. (2001). Membership size, communication activity, and sustainability: a resource-based model of online social structures. Information System Research, 12(4), 346-362. Dholakia, U.M., Bagozzi, R.P. & Klein Pearo, L. (2004). A social influence model of consumer participation in network- and smal-group-based virtual communities. Internation Journal of Research in Marketing, 21(3), 241-263. Erickson, B.H. (2001). Good networks and good jobs: the value of social capital to employers and employees. In Lin, N., Cook, K.S. & Burt R.S. (Eds.). Social capital: theory and research (pp. 127-158). New York: Aldine de Gruyter. Feldman, D.C. & Klaas, B.S. (2002). Internet job hunting: a field study of applicant experiences with on-line recruiting. Human Resoure Management, 42(2), 175192.

Masterthesis

57

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Fernback, J. & Thompson, B. (1995). Computer-mediated communication and the american collectivity: the dimensions of community within cyberspace'. A version of this paper was presented at the annual convention of the International Communication Association, Albuquerque, New Mexico, May 1995. Field, A. (2005). Discovering statistics using SPSS, second edition, London: Sage . Granovetter, M.S. (1973). The strenght of weak ties. The American Journal of Sociology, 78(6), 1360-1380. Hendriks, P. (1999). Why share knowledge? The influence of ICT on the motivation for knowledge sharing. Knowledge & Process Management, 6(2), 91-100. Henri, F. & Pudelko, B. (2003). Understanding and analysing activity and learning in virtual communities. Journal of Computer Assisted Learning, 19(4), 474-487. Hiltz, S. R. & Wellman, B. (1997). Asynchronous learning networks as a virtual classroom, Communications of the ACH, 40(9), 44-49. Hippel, E, von. (2007). Horizontal innovation networks â&#x20AC;&#x201C; by and for users. Industrial and Corporate Change, 16, 293-315. Jarvenpaa, S.L., Knoll, K. & Leidner, D.E. (1998). Is anybody out there? Antecedents of trust in global virtual teams. Journal of Management Information Systems 14(4), 29â&#x20AC;&#x201C;64. Jarvenpaa, S.L. & Leidner, D.E. (1999). Communication and trust in global virtual teams, Organization Science, 10(6), 791-815. Johnson, C.M. (2001). A survey of current research in online communities of practice. Internet and Higher Education, 4(1), 45-60. Kollock, P. (1999). The economies of online cooperation: gifts and public goods in cyberspace. In M. Smith & P. Kollock (Eds). Communities in Cyberspace (pp. 220-239). London: Routledge. Koh, J. & Kim, Y. G. (2004). Knowledge sharing in virtual communities: an e-business perspective. Expert Systems with Applications, 26(2), 155-166. Li, H. (2004). Virtual community studies: A literature review, synthesis and research agenda. Proceedings of the Tenth Americas Conference on Information Systems. (AMCIS 2004), (pp. 2708-2715). New York. Lin, N., Cook, K.S. & Burt R.S. (Eds.). (2001). Social capital: theory and research. New York: Aldine de Gruyter. Maslow, A.H. (1954). Motivation and personality. New York: Harper & Row. Mayer, R.C., Davies, J.H. & Schoorman, F.D. (1995). An integrative model of organizational trust. Academy of Management Review, 20, 709-734.

Masterthesis

58

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Mckenna, K.Y.A. & Green, A.S. (2002). Virtual group dynamics. Group Dynamics, Theory, Research, and Practice, 6(1), 116-127. McLure Wasko, M. & Faraj, S. (2000). “It is what one does”: why people participate and help orthers in electronic communities of practice. Journal of Strategic Information Systems, 9(2-3), 155-173. Mclure Wasko, M. & Faraj, S. (2005). Why should I share? Examing social capital and knowledge contribution in electronic networks of practice. MIS Quarterly, 29(1), 35-57. Moon, J.Y. & Sproull, L. (2001). Turning love into money: how some firms may profit from voluntary electronic customer communities. Unpublisched Manuscript. Verkregen op 2 april 2009 van: http://citeseerx.ist.psu.edu/viewdoc/download?doi=10.1.1.83.7347&rep= rep1&type=pdf. Goedkeuring om te citeren verkregen per e-mail d.d. 15 mei 2009 en 22 mei 2009. Nardi, B.A., S. Whittaker and H. Schwarz (2002). NetWORKers and their activity in intentional networks. Computer Supported Cooperative Work, 11, 205-242. O’Reilly, T. (2005, september). What Is Web 2.0, design patterns and business models for the next generation of software. Gepubliceerd op www.oreilly.com, Verkregen op 16 februari 2009: http://www.oreillynet.com/pub/a/oreilly/tim/news/2005/09/30/what-isweb-20.html Parks, M.R. & Floyd, K. (1996). Making friends in cyberspace. The Journal of Communication, 46(1). Verkregen op 16 mei 2009 van http://jcmc.indiana.edu/vol1/issue4/parks.html Porter, C.E. (2004). A typology of virtual communities: a multi-disciplinary foundation for future research. Journal of Computer-Mediated Communication, 10(1). Verkregen op 1 maart 2009 van: http://jcmc.indiana.edu/vol10/issue1/porter.html Preece, J. (2001). Sociability and usability: twenty years of chatting online. Behavior and Information Technology Journal, 20(5), 347-356. Preece, J., Maloney-Krichmar, D. & Abras, C. (2003). History and emergence on online communities. In B. Wellman (Ed.). Encyclopedia of Community. Berkshire Publishing Group, Sage. Rothaermel, F. T. & Sugiyama, S. (2001). Virtual internet communities and commercial success: individual and community-level theory grounded in the atypical case of TimeZone.com. Journal of Management, 27(3), 279-312.

Masterthesis

59

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Rheingold, H. (1993). The virtual community: homesteading on the electronic frontier. Reading, MA: Addison-Wesley. Ridings, C., Gefen, D. & Arinze, B. (2002). Some antecedents and effects of trust in virtual communities. Journal of Strategic Information Systems, 11(3–4), 271–295. Ridings, C.M. & Gefen, M. (2004). Virtual community attraction: why people hang out online. Journal of Computer-Mediated Communication, 10(1). Verkregen op 1 maart 2009 van: http://jcmc.indiana.edu/vol10/issue1/ridings_gefen.html Ring, P.S. & Ven, A.H. van de. (1994). Developmental processes of cooperative interorganizational relationships. The Academy of Management Review, 19(1), 90-118. Schroer, J. & Hertel, G. (2009). Voluntary engagement in an open web-based encyclopedia: wikipedians and why they do it. Media Psychology, 12(1), 96120. Sharrat, M. & Usoro, A. (2003). Understanding knowledge-sharing in online communities of practice. Electronic Journal of Knowledge Management, 1(2), 187196. Shirky, C. (2008). Here comes everybody. London: Penguin Books Ltd. Sennett, R. (1977). The fall of public man: on the social psychology of capitalism. New York: Knopf. Smith, K. G., Carroll, S. J., & Ashford, S. J. (1995). Intra- and interorganizational cooperation: toward a research agenda. Academy of Management Journal, 38(1), 7-23. Smith, D., Menon, S. & Sivakumar K. (2005). Online peer and editorial recommandations, trust and choice in virtual markets. Journal of Interactive Marketing, 19(3), 15-37. Sproull, l. & Faraj, S. (1997). Atheism, sex and databases: the net as a social technology. In Kiesler, S. B. (Ed.). Culture of Internet (pp. 35-52). New Jersey, Lawrence Erlbaum Associates Inc. Steinfield, C., Ellison, N.B. & Lampe, C. (2008). Social capital, self-esteem, and use of online social network sites: A longitudinal analysis. Journal of Applied Developmental Psychology, 29(6), 434-445. Tönnies, F. (1967). Gemeinschaft and gesellschaft. In Bell, C. & Newby, H. (Eds.), The sociology of community (pp. 7–12). London: Frank Cass and Co. Ltd. Tredinnick, L. (2006). Web 2.0 and business: a pointer to the intranets of the future. Business Information Review, 23(4), 228-234. Usoro, A., Sharrat, M.W. & Tsui, E. (2006). An investigation into trust as an antecedent to knowledge sharing in virtual communities of practice.

Masterthesis

60

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Computing and Information Systems. Verkregen op 1 maart van: http://cis.paisley.ac.uk/research/journal/V10/Usoro.doc. Wellman, B., Haase A.Q., Witte, J. & Hampton, K. (2001). Does the internet increase, decrease of supplement social capital?. American Behavioral Scientist, 45(3), 436-455. Wilkinson, D.M. & Huberman, B.A. (2008). Assesing the value of cooperation in Wikipedia. verkregen op 1 mei van http://arxiv.org/abs/cs/0702140. Whitehead, J. Collaboration in Software Engineering: A roadmap. A version of this paper was presented at International Conference on Software Engineering, Minneapolis, May 2007.

Videoverslag van conferenties: Shirky, C. (2005). Clay Shirky: Institutions vs. Collaboration. Bekeken op 30 april 2009 op: http://www.ted.com/index.php/talks/clay_shirky_on_institutions_versus_ collaboration.html Rheingold, H. (2005). Howard Rheingold on Collaboration. Bekeken 15 april 2009 op: http://www.ted.com/index.php/talks/howard_rheingold_on_collaboration. html

Masterthesis

61

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Bijlage A: Interviewvragen

1.

Hoe gebruik je zelf Twitter en LinkedIn?

2.

Is dit alleen sociaal of ook professioneel gerelateerd?

3.

Waarom denk je dat mensen actief zijn op Twitter en LinkedIn?

4.

Denk je dat er op professioneel gebied veel gebruik van wordt gemaakt?

5.

Zie je hierin een verschil tussen Twitter en LinkedIn?

6.

Een aantal auteurs geven aan dat mensen actief zijn in communities om hun status en autoriteit te vergroten. Enkele respondenten vonden dit echter rare vragen in de vragenlijst; hoe zie jij dat?

7.

Zou deelname aan virtual communities ervoor kunnen zorgen dat mensen intensiever bezig zijn met hun vak(gebied)?

8.

Zo ja, het intensiever bezig zijn met het vak, kan dat ervoor zorgen dat men zich ook meer ontwikkelt op professioneel gebied?

9.

Denk je dat Twitter en LinkedIn samenwerking stimuleren?

10. Zo ja, wat voor soorten samenwerking zie je dan ontstaan? 11. Ik onderscheid in mijn thesis â&#x20AC;&#x2DC;het zoeken/vinden van een baanâ&#x20AC;&#x2122;, bijeenkomsten en peer-production, hoe zie jij dat? 12. Denk je dat vertrouwen tussen de deelnemers aan Twitter en LinkedIn een rol speelt? Zo ja, op welke manier? 13. Zou vertrouwen een voorwaarde kunnen zijn voor de deelname aan Twitter en LinkedIn? 14. Denk je dat er een verschil zit in de rol van vertrouwen tussen Twitter en LinkedIn? 15. En hoe zou dat zijn met samenwerking? 16. Denk je dat virtual communities een deel van de functies van organisaties overnemen? 17. Zo ja, op welke vlakken? (denk aan informatie vergaren/delen, sociale contacten) 18. Denk je dat mensen eerder geneigd zijn om in hun virtual community te investeren dan in de organisatie waar ze werkzaam zijn? (extra effort, geef je die ook aan de organisatie, of stop je die in je eigen community?) 19. Denk je dat mensen door het gebruik van virtual communities makkelijker een nieuwe baan kunnen vinden? 20. Denk je dat mensen het gevoel hebben dat ze makkelijker bij hun organisatie weg kunnen gaan omdat ze hun virtuele netwerk mee kunnen nemen?

Masterthesis

62

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Bijlage B: Enquête Code

Scherm

Examine Item

TWGEBR

1

1

Gebruikt u Twitter?

TWLEES

2

2

Op Twitter lees ik de posts van de mensen die ik volg

TWPOST

3

Op Twitter post ik zelf

TWFOLU

4

Hoeveel volgers heeft u op Twitter?

5

Hoeveel mensen volgt u op Twitter?

TWUFOL 3

Ik gebruik Twitter om...:

Antwi1

6

informatie te zoeken voor mijn werk

Antwi2

7

werkgerelateerde informatie te delen

Antwi3

8

nieuwe (werkgerelateerde) ideeën op te doen

Antwi4

9

op de hoogte te blijven van conferenties e.d.

AnTwd1

10

deel te nemen aan (vakgerelateerde) discussies

Antwd2

11

discussies te volgen tussen experts in mijn vakgebied

AnTwr1

12

te laten zien wie ik ben

AnTwr2

13

mijn kansen in het werkveld te vergroten

AnTwr3

14

indruk te maken op mensen in het werkveld

AnTws1

15

mensen te volgen die ik vanuit professioneel oogpunt interessant vind

AnTws2

16

nieuwe zakelijke contacten op te doen

4

de volgende vragen gaan over wat Twitter u oplevert:

SaTw1

17

Twitter helpt mij bij het zoeken naar een baan

SaTw2

18

SaTw3

19

SaTw4

20

Via Twitter kom ik in contact met mensen die interessant zijn voor mijn werk Ik ga naar bijeenkomsten (e.g. conferenties, Open Coffee) waarvan ik heb gehoord via Twitter en die handig kunnen zijn voor mijn werk Via Twitter werk ik samen met anderen aan nieuwe producten en/of diensten

SaTw5

21

Via Twitter werk ik samen met anderen aan presentaties/ white papers

SaTw6

22

Via Twitter overleg ik met mijn naaste collega’s

LIGEBR

5

23

Ik gebruik LinkedIn

LIWEB

6

24

Ik bezoek de LinkedIn website

LIGROU

25

Ik neem deel aan Groups op LinkedIn

LICON

26

Hoeveel connecties heeft u?

7

Ik gebruik LinkedIn om:

AnLii1

27

informatie te zoeken voor mijn werk

AnLii2

28

werkgerelateerde informatie te delen

AnLii3

29

nieuwe (werkgerelateerde) ideeën op te doen

AnLii4

30

op de hoogte te blijven van conferenties e.d.

AnLid1

31

deel te nemen aan (vakgerelateerde) discussies

AnLid2

32

discussies te volgen tussen experts in mijn vakgebied

AnLir1

33

te laten zien wie ik ben

AnLir2

34

mijn kansen in het werkveld te vergroten

AnLir3

35

indruk te maken op mensen in het werkveld

AnLis1

36

mensen te zoeken die ik vanuit professioneel oogpunt interessant vind

AnLis2

37

nieuwe zakelijke contacten op te doen

8

De volgende vragen gaan over wat LinkedIn u oplevert:

SaLi1

38

LinkedIn helpt mij bij het zoeken naar een baan

SaLi2

39

SaLi3

40

SaLi4

41

Via LinkedIn kom ik in contact met mensen die interessant zijn voor mijn werk Ik ga naar bijeenkomsten (e.g. conferenties, Open Coffee) waarvan ik heb gehoord via LinkedIn en die handig kunnen zijn voor mijn werk Via LinkedIn werk ik samen met anderen aan nieuwe producten en/of diensten

SaLi5

42

Via LinkedIn werk ik samen met anderen aan presentaties/white papers

Masterthesis

63

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling? 9

De mensen in mijn netwerk op Twitter en/of Linkedin…:

TA1

43

hebben veel kennis over de onderwerpen die we bespreken

TA2

44

hebben specifieke kennis die positief kan bijdragen aan de gesprekken

TA3

45

lijken succesvol te zijn in de activiteiten die zij ondernemen

TI/B1

46

zullen alles binnen hun bereik doen om anderen te helpen

TI/B2

47

doen hun best om eerlijk met elkaar om te gaan

TI/B3

48

gedragen zich niet altijd zoals gewenst is

49

Geslacht

LEEFTIJD

50

Leeftijd

OPLEIDING

51

Hoogstgenoten opleiding

ARBEIDSREL

52

Huidige arbeidsrelatie

BEROEPSGR

53

Beroepsgroep

NC05

54

CC02

55

De volgende vragen zijn gerelateerd aan uw werk Een van de belangrijkste redenen waarom ik bij de organisatie blijf waar ik werkzaam ben, is dat ik loyaliteit belangrijk vind Ik heb het gevoel dat ik te weinig alternatieven heb om nu ontslag te nemen

NC02

56

Het is onbehoorlijk om van de ene organisatie naar de ander over te stappen

AC02

57

Ik voel me emotioneel gehecht aan de organisatie waar ik werkzaam ben

CC03

58

Als ik ontslag neem wordt het moeilijk om een andere baan te vinden

AC05

59

Ik voel me als ‘een deel van de familie’ in de organisatie waar ik werkzaam ben

CS01

60

Ik ben tevreden over mijn carrière

61

De organisatie waar ik werkzaam ben betekent veel voor mij Het zou voor mij op dit moment moeilijk zijn om weg te gaan bij de organisatie waar ik werkzaam ben, ook al zou ik dat willen Het zou een goede zaak zijn als werknemers het grootste deel van hun loopbaan bij een organisatie zouden blijven Ik ben op de hoogte van de ontwikkelingen in mijn vakgebied

SEKSE

10

11

AC03

12

CC01

62

NC03

63

PG01

64

AC04

65

NC01

66

PG04

67 68

Ik voel me thuis in de organisatie waar ik werkzaam ben Ik ben opgegroeid met de gedachte dat het waardevol is om loyaal te blijven aan een organisatie Ik vind dat ik het aan mezelf verplicht ben om te blijven leren over mijn professie en vakgebied Ik ben tevreden over mijn huidige baan

PG02

69

Ik ontwikkel mijzelf continu op professioneel gebied

CC04

70

Er zou teveel in mijn leven verstoord worden als ik nu ontslag zou nemen

NC04

71

Ik vind dat iemand loyaal zou moeten zijn ten opzichte van zijn of haar organisatie

PG03

72

CC05

73

PG05

74

AC01

75

Ik praat veel met anderen over vakgerelateerde zaken Ik ben bang voor wat er zou kunnen gebeuren als ik mijn baan opzeg, zonder meteen een nieuwe baan te hebben Ik houd nieuws en actualiteiten in mijn vakgebied goed in de gaten Ik ervaar problemen van de organisatie waar ik werkzaam ben als mijn eigen problemen

CS02

13

Masterthesis

64

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Bijlage C: Factoranalyse Twitter Antecedenten: Rotated Component Matrix(a)

Component 1

2

deel te nemen aan (vakgerelateerde) discussies

.71

discussies te volgen tussen experts in mijn vakgebied

.89

informatie te zoeken voor mijn werk

.76

werkgerelateerde informatie te delen

.77

nieuwe (werkgerelateerde) ideeĂŤn op te doen

.85

op de hoogte te blijven van conferenties e.d.

.70

te laten zien wie ik ben

.86

mijn kansen in het werkveld te vergroten

.83

indruk te maken op mensen in het werkveld

.87

mensen te volgen die ik vanuit professioneel oogpunt interessant vind

.76

nieuwe zakelijke contacten op te doen

.65

Extraction Method: Principal Component Analysis. Rotation Method: Varimax with Kaiser Normalization. a Rotation converged in 5 iterations.

LinkedIn Antecedenten: Component

Rotated Component Matrix(a) 1 deel te nemen aan (vakgerelateerde) discussies

2

3

.89

discussies te volgen tussen experts in mijn vakgebied

.88

informatie te zoeken voor mijn werk

.77

werkgerelateerde informatie te delen

.71

nieuwe (werkgerelateerde) ideeĂŤn op te doen

.69

op de hoogte te blijven van conferenties e.d.

.75

te laten zien wie ik ben

.79

mijn kansen in het werkveld te vergroten

.84

indruk te maken op mensen in het werkveld

.69

mensen te zoeken die ik vanuit professioneel oogpunt interessant vind

.73

nieuwe zakelijke contacten op te doen

.74

Extraction Method: Principal Component Analysis. Rotation Method: Varimax with Kaiser Normalization. a Rotation converged in 5 iterations.

Masterthesis

65

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Twitter Samenwerking: Rotated Component Matrix(a)

Component 1

2

Twitter helpt mij bij het zoeken naar een baan

.82

Via Twitter kom ik in contact met mensen die interessant zijn voor mijn werk

.83

Ik ga naar bijeenkomsten (e.g. conferenties, 'Open Coffee') waarvan ik heb gehoord via Twitter en die handig kunnen zijn voor mijn werk

.65

.58

Via Twitter werk ik samen met anderen aan nieuwe producten en/of diensten

.89

.31

Via Twitter werk ik samen met anderen aan presentaties/ white papers

.92

Via Twitter overleg ik met mijn naaste collega's

.49

Extraction Method: Principal Component Analysis. Rotation Method: Varimax with Kaiser Normalization. a Rotation converged in 5 iterations.

LinkedIn Samenwerking: Rotated Component Matrix(a)

Component 1

2

LinkedIn helpt mij bij het zoeken naar een baan

.83

Via LinkedIn kom ik in contact met mensen die interessant zijn voor mijn werk

.78

Ik ga naar bijeenkomsten (e.g. conferenties, 'Open Coffee') waarvan ik heb gehoord via LinkedIn en die handig kunnen zijn voor mijn werk

.77

Via LinkedIn werk ik samen met anderen aan nieuwe producten en/of diensten

.96

Via LinkedIn werk ik samen met anderen aan presentaties/white papers

.96

Extraction Method: Principal Component Analysis. Rotation Method: Varimax with Kaiser Normalization. a Rotation converged in 5 iterations.

Vertrouwen: Rotated Component Matrix(a)

Component 1

hebben veel kennis over de onderwerpen die we bespreken

.89

hebben specifieke kennis die positief kan bijdragen aan de gesprekken

.87

lijken succesvol te zijn in de activiteiten die zij ondernemen

.73

zullen alles binnen hun bereik doen om anderen te helpen

.66

doen hun best om eerlijk met elkaar om te gaan

.67

gedragen zich niet altijd zoals gewenst is (recode)

2

.79

Extraction Method: Principal Component Analysis. Rotation Method: Varimax with Kaiser Normalization. a Rotation converged in 5 iterations.

Masterthesis

66

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Bijlage D: Populatie parameters Geslacht Totaal:

LinkedIn:

Twitter:

Man

77,50%

Man

80,50%

Man

83,80%

Vrouw

22,50%

Vrouw

19,50%

Vrouw

16,20%

leeftijd Totaal

LinkedIn

Twitter

<20

1,4%

<20

0,8%

<20

1,50%

20 tot 25

15,5%

20 tot 25

15,0%

20 tot 25

14,70%

25 tot 30

38,7%

25 tot 30

38,3%

25 tot 30

44,10%

30 tot 35

12,6%

30 tot 35

12,8%

30 tot 35

10,30%

35 tot 40

16,1%

35 tot 40

17,3%

35 tot 40

14,70%

40 tot 45

6,3%

40 tot 45

6,8%

40 tot 45

2,90%

45 tot 50

7,0%

45 tot 50

6,8%

45 tot 50

10,30%

50 tot 55

1,4%

50 tot 55

1,5%

50 tot 55

1,50%

55 >

0,7%

55 >

0,8%

55 >

0%

Beroepsgroep

Masterthesis

67

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Bijlage E: Moderatie analyses

Masterthesis

68

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Masterthesis

69

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Masterthesis

70

Bastiaan Boerkamp


Virtual Communities De bron voor professionele ontwikkeling?

Moderatie analyse: samenwerking LinkedIn Banen Hoog vertrouwen β F t .85 .00 .02 .08 .61 .12 1.02 1.29

Dimensies actieve deelname: model 1 Frequentie Connecties Groups model 2 Frequentie Connecties .08 .69 Groups .12 1.06 model 3 2.11 Frequentie Connecties Groups .15 1.45 model 4 Frequentie Connecties Groups * Coefficient is significant at the 0.05 level (2-tailed). ** Coefficient is significant at the 0.01 level (2-tailed). *** Coefficient is significant at the 0.001 level (2-tailed).

Masterthesis

Laag vertrouwen β F t 2.71* -.08 -.2 .79 2.19 -.66 -2.12 4.37* .74* -69*

Bijeenkomst/peer

Hoog vertrouwen β F t 3.69** .31** 2.68 -.05 -.4 .07 .64 5.5** .29** 2.79

2.74 -2.55

.06

Laag vertrouwen β t -.21 -.01 .49

-.44 -.02 1.31

-.21

-.59

.49

1.38

.35

1.37

1.08

.57

10.8***

1.89 .32***

71

F .66

3.28

Bastiaan Boerkamp

Virtual Communities: de bron voor professionele ontwikkeling?  

Onderzoek naar virtual communities, professionele ontwikkeling en vertrouwen tbv de master Beleid, Communicatie en Organisatie aan de Vrije...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you