Page 14



EEN UNIEK GEBIED Xavier Dectot

Het Louvre-Lens is in alle opzichten een compleet museum. Het nieuwe museum is even veelzijdig als het Louvre, en tegelijk even rijk als het gebied waarin het staat. Deze regio wordt sterk bepaald door zijn verleden, dat een wezenlijk onderdeel vormt van zijn identiteit. Alles begon ongeveer drie eeuwen geleden, in het deel van de provincie Henegouwen dat Frankrijk na de Vrede van Nijmegen annexeerde. In 1716 kreeg burggraaf Jacques Désandrouin toestemming van de koning om na te gaan of de steenkoolafzetting die ten noorden van de grens was gevonden, ook doorliep aan de andere kant; hij trof de afzetting uiteindelijk aan in Fresnes-sur-Escaut. Hieruit ontstond de eerste kolenontginning, met de steenkoolmaatschappij Anzin als marktspeler. De industriële revolutie deed de vraag naar steenkool stijgen, maar pas halverwege de 19 de eeuw ontdekte men dat de afzetting in Pas-de-Calais afboog langs een oostwestlijn. Op dat moment nam de toekomst van de Gohelle-streek een wending. Tot die tijd woonden er maar weinig mensen op de vlakte van Lens, vooral boeren, hoewel het land niet erg vruchtbaar was. De Gohelle-streek, waar de afzetting dwars doorheen loopt, onderging een gedaanteverwisseling. De ene na de andere mijnschacht werd geopend en het gebied concentreerde zich volledig op de kolenwinning. Door deze omschakeling veranderden niet alleen plaatsnamen (zo werd Bully-en-Gohelle Bully-lesMines), maar nam ook de bevolking explosief toe: alleen al Lens ging van nog geen 3000 inwoners in 1850 naar ruim 30.000 in 1913 en overschreed de 40.000 in de jaren zestig van de vorige eeuw. Deze ontwikkeling was vooral te danken aan de vele arbeidsmigranten van elders. Ze kwamen niet alleen

uit Frankrijk zelf, maar later ook uit Wallonië en zelfs van verder weg: er werkten vooral veel Polen en Marokkanen in de mijnsector. De infrastructuur van de steenkoolmaatschappijen drukte een stempel op het gebied. De bedrijven zetten een geheel eigen systeem in gang en schiepen hun eigen sociale organisatie. De inwoners werden in speciale wijken ondergebracht, opgezet naar de schacht waar ze werkten en waren bijna volledig zelfvoorzienend. Iedereen had een klein tuintje, er waren medische voorzieningen, scholen en een kerk. Het hele systeem functioneerde, van de wieg tot het graf, voor en door de mijn. Doordat de kolen op grote diepte moesten worden gedolven, waren de mijnen minder rendabel dan elders, zeker toen er ook andere energiebronnen opkwamen. De schachten werden tussen 1960 en 1970 geleidelijk aan gesloten, de allerlaatste in de jaren tachtig. De kolenmijnen hebben een blijvend stempel gedrukt op het landschap, waarin ze wonderlijke reliëfs hebben gevormd, de zogeheten slakkenbergen, en hebben de agglomeratie die zich uitstrekt langs de steenkoolafzetting, een sliert van mijnsteden uit verschillende perioden, ook zijn bijzondere karakter gegeven. Maar de mijnbouw is niet de enige vorm van menselijk ingrijpen die het landschap heeft gevormd. Het zacht glooiende heuvelland van Artois vormt het enige reliëf tussen het bekken van Parijs en het vlakke Vlaanderen. Het was van groot strategisch belang, vooral tijdens de Eerste Wereldoorlog. Na de drie veldslagen bij Artois in 1914-1915, zat het front muurvast aan de voet van de heuvelrug van Vimy, tot de heuvel in 1917 werd ingenomen. De steden aan de voet, waaronder Lens en Liévin, werden

Louvre Lens Museumgids 2014 NL  

Publié à l'occasion du 1er anniversaire du musée du Louvre-Lens le 4 décembre 2013