Page 1

HISTORISCHE RUBRIEK 2009, nr.1 INFORMATIE VAN DE HISTORISCHE VERENIGING BAKKEVEEN Een voorspoedig 2009 !! Het bestuur van de Historische Vereniging Bakkeveen wenst alle leden en alle lezers van deze rubriek een voorspoedig 2009. We zullen proberen om met z’n allen er een goed verenigingsjaar van te maken. Noteert U alvast de datum van onze algemene ledenvergadering: woensdag 11 februari a.s. Er wordt gewerkt aan een interessant programma. Bent U nog geen lid? Meldt U dan een dezer dagen aan bij onze penningmeester Jelly Hoekstra. Tel.nr.: 0516-541836; of via de website www.bakkeveen.nl en dan kiezen voor historie; daar vind je ook een aanmeldingsformulier.

Lezing geschiedenis Bakkeveen We herinneren onze leden en andere belangstellenden eraan dat op woensdag 14 januari a.s. de derde lezing zal plaatsvinden in de serie lezingen van Jan Slofstra over de geschiedenis van Bakkeveen. De titel luidt deze keer: Op de Heeren Compagnons sloots wal. Het nieuwe Bakkeveen tussen 1650 en 1750. Plaats: zaal SKW-Dúnhoeke. Aanvang: 20.00 uur. Leden gratis toegang. Samen oude foto’s kijken Op 27 januari kunt U samen met Jan van Dalen en Siebren Roelsma weer oude foto’s van Bakkeveen bekijken. Plaats: SKW-Dunhoeke Tijd: 19:30 uur.

MIDDELEEUWSE BODEMSPOREN BIJ DE DWERSWYK ? In het jaar 2000 werd door Staatsbosbeheer rond een dichtgegroeide dobbe op het eind van de Dwerswyk een natuurontwikkelingsproject uitgevoerd. Daarbij werd de oeverzone van de dobbe voor een groot deel van begroeiing (onder meer braam en boomopslag) ontdaan. Jaap de Zee en Willem Dolstra, die zo nu en dan bij de machinaal uitgevoerde werkzaamheden kwamen kijken, ontdekten in het schoongeschraapte zand bodemsporen, die verdacht veel op paalgaten leken en die volgens hen archeologisch misschien wel van belang waren. Ze hebben hun waarnemingen gemeld en er zijn ook nog archeologen komen kijken, maar niemand kon een verstandig woord over de rijen ‘paalgaten’ zeggen. Een nader onderzoek bleef uit. Na de oprichting van de Historische Vereniging Bakkeveen is verschillende keren over de sporen van toen gesproken. Jammer toch dat er destijds geen archeologische verkenningen hebben plaatsgevonden, want de lokatie is verdacht. We zitten daar immers op het oostelijke uiteinde van het verdwenen middeleeuwse dorp Backenvene. In de toekomst zou de vereniging eigenlijk wat beter moeten opletten. Het verleden zou ons niet op deze manier zomaar door de vingers mogen glippen.

In de afgelopen maand december kreeg Jaap de Zee te horen dat Staatsbosbeheer de werkzaamheden rond de dobbe bij de Dwerswyk verder zou afronden. Toen ze net waren begonnen is hij gaan kijken en ontdekte in de machinaal afgeschraapte bodem precies dezelfde sporen als een aantal jaren geleden. “It binne wer allegearre pealgatten”, meldde hij door de telefoon. We zijn met een paar mensen gaan kijken. En inderdaad: rijen vermoedelijke paalgaten, die op een onderlinge afstand van een tot twee meter naar de dobbe toeliepen. Met een bats hebben we voorzichtig een vlakje blootgelegd. Een coupe door een aantal van de sporen toonde echter al gauw aan dat het niet om echte paalgaten ging. Het betrof heel ondiepe sporen, met onderin een humeus bandje. Humeuze bandjes rond ieder spoor gaven ook al aan dat de oorspronkelijke gaten ook niet erg oud konden zijn. Maar wat de gevonden structuren dan voorstelden ? We hebben gedacht aan plantgaten van kerstboompjes, maar daarvoor was de afstand tussen de sporen veel te gering en daarvoor waren de gaten in de bodem ook veel te klein. We hebben wel Staatsbosbeheer gebeld en de vondst gemeld. Het beste zou zijn dat ze kwamen kijken, om alsnog te kunnen beslissen of er een


bescheiden archeologisch onderzoek zou moeten plaatsvinden. Op 17 december hebben we in het terrein met drie mensen van Staatsbosbeheer en met Hendrik de Jong van het Argeologysk Wurkferbân over de sporen gediscussieerd. We hebben ook voorgesteld om voor een halve dag een hydraulische kraan in te huren om een vlakje te trekken, zodat archeologen gerichte waarnemingen zouden kunnen doen. Het zou ons niet een tweede keer gebeuren dat archeologische sporen die mogelijk naar het Oude Bakkeveen verwijzen ongezien verloren gaan. De afloop van het verhaal is bijzonder. Willem de Vries vroeg zijn broer Haring, die aan de Mjûmsterwei vlak bij de dobbe woont, of hij zich iets van het terrein kon herinneren. Hoe lag dat er vroeger bij ? Haring kon zich herinneren dat Johannes Meijer, die iets verderop richting het dorp woonde, in de jaren rond de oorlog bij de dobbe lariksboompjes had opgekweekt. Hij deed dat door plantgaatjes te maken waarin hij onderin wat nat veen legde en daarop het lariksje pootte. Omdat je hier vlak bij de dobbe zat, konden de plantgaten langere tijd vochtig blijven. Wanneer de boompjes ‘aansloegen’ konden ze elders worden uitgepoot. Het raadsel van de ‘paalgaten’ was op een overtuigende manier opgelost…. We hebben onmiddellijk mevrouw Wolf van Staatsbosbeheer gebeld. Nader onderzoek was niet

meer nodig. We hebben mevrouw Wolf ook gecomplimenteerd omdat ze bij het bezoek aan het terrein het verhaal had verteld dat in het begin van de vorige eeuw Staatsbosbeheer op Terschelling een methode had ontwikkeld om in de droge duingebieden bossen te kunnen aanleggen. Dat deed deed men door plantgaten te graven en onderin natte turfjes te plaatsen. Die turfjes kwamen uit Drenthe en werden op het eiland eerst langdurig gewaterd in nabijgelegen duinmeertjes. De dennetjes werden, zo vertelde mevrouw Wolf, met de wortelpin bij het turfje in het plantgat gestoken en zodoende hadden ze wel voor twee jaar vocht en voedsel om aan te kunnen slaan. Welnu, Johannes Meijer deed achter Bakkeveen eigenlijk precies hetzelfde met zijn lariksboompjes. Zonder het te weten heeft hij ons daarmee een aardig archeologisch probleem bezorgd, maar we zijn eruit. Ik had het liever anders gehad, zei Jaap de Zee (hij bedoelde dat hij liever sporen van het middeleeuwse Bakkeveen had gehad !), maar met deze oplossing was hij ook wel tevreden. Wat we van dit avontuur hebben geleerd is dat je bij historisch of archeologisch onderzoek niet nuchter genoeg kunt zijn en dat je respect moet hebben voor de kennis die oudere dorps-en buurtbewoners hebben van het verleden van hun eigen omgeving. Dank dus aan Haring en Willem de Vries. Het was een mooi avontuur. Jan Slofstra

SPELEN EN SPELLETJES UIT MIJN JEUGD • Stabal kent iedereen nog. En zakdoekje leggen gaat ook nog wel. • Maar omkijkertje, wordt dat nog gespeeld ? De omkijker staat met zijn gezicht naar de muur. De andere spelers staan op ongeveer tien meter afstand. Ze moeten proberen bij de muur te komen zonder dat de omkijker hen ziet bewegen. Je weet natuurlijk nooit wanneer die omkijkt. Word je betrapt, dan moet je weer achteraan beginnen. Sta je op één been terwijl er omgekeken wordt, dan wordt er natuurlijk gewacht tot je je evenwicht verliest. Wie het eerst bij de muur is, neemt de taak van de omkijker over. • Schipper, mag ik overvaren, ja of nee? Bij ja: moet ik dan ook betalen, ja of nee? Bij ja werd vastgesteld wat de tol was. • Knikkeren deden wij in een klomp. Je liep over het schoolplein met bijvoorbeeld drie knikkers in je hand. Dan riep je “drie, wie geeft er drie bij?” Als er iemand wilde, had je zes knikkers in je hand. Dan zette je een klomp schuin tegen een andere klomp met de kap omhoog. Vervolgens gooide je de knikkers in het hakgedeelte. Viel er een oneven aantal knikkers buiten de klomp, dan had je gewonnen en waren de zes knikkers voor

jou. Was het een even aantal, dan waren ze voor de tegenstander. Maar er zaten altijd kinderen bij die net even handiger waren. Die hielden één knikker achter de duim en als er niet een oneven aantal buiten de klomp lag, dan deden ze die ene knikker gauw erbij. • Bok, bok, hoeveel horens ? Een van de jongens ging voorover gebogen staan met de handen op een hek. Een ander sprong hem op de rug en deed een aantal vingers omhoog. De bok moest dan raden hoeveel dat er waren. Er werd wel eens oneerlijk gespeeld. Maar als er meer kinderen bij waren niet. • Bokje springen. Gebogen gaan staan. De anderen springen over je heen en gaan dan ook weer bok staan. • Tiepelen. Fries: tipelje Je had hiervoor een tiepel nodig van plusminus 15 cm en een tiepelstok, allebei van eikenhout. De speler stond in een cirkel van ongeveer een meter doorsnede. In het midden van de cirkel werd een gleuf gemaakt. De eerste slag was met de ene hand de tiepel opgooien en die met de tiepelstok wegslaan. Hij moest in de richting van de andere spelers worden geslagen. Die moesten hem dan vangen. Lukte dit, dan moesten ze proberen de tiepel in


de cirkel te gooien. De tiepelaar probeerde dit met de tiepelstok te voorkomen. Lukte het, dan werd de gooier de tiepelaar. De tweede handeling was dat je de tiepel en de tiepelstok beide in één hand had; je moest dan de tiepel loslaten en hem met de tiepelstok wegslaan. Bij de derde handeling moest je de de tiepel die dwars over de gleuf lag opwippen en wegslaan. Het moeilijkst was handeling nummer vier. Je moest de tiepel scheef in de gleuf zetten en dan met de tiepelstok wegslaan door hem aan de bovenkant te raken. Je mocht nooit buiten de cirkel komen. Wanneer je af was moest je weer achter aansluiten. Het was niet zo moeilijk om in Bakkeveen aan een goede tiepelstok te komen. Op de klei boven Dokkum was dat veel moeilijker. Daar ging een jongen naar de dominee en vroeg “Dominee, mogen wij een hagedoorntepel en een hagedoorntepelstok uit dominee zijn hagedoornhaag snijden?”. • Hoepelen deden wij met een velg van een fietswiel. En dan maar slaan met een stok. Het kwam nog al vaak voor dat die velg in de vaart eindigde. Als Rink Hof uit Haulerwijk de vaart uitdiepte met een net en een ijzeren beugel aan een paal, dan kwamen de hoepels weer boven. Rink gooide ze boven op de smurrie die hij van de bodem had gehaald. We riepen dan “Rink, mogen we een hoepel?”. “Ja jongen, kom er maar een halen”. Dat deed je dan niet, want dan stond je tot je middel in de smurrie. Maar dan kreeg je er toch wel een van hem. • Tollen werden vaak gemaakt van een garenklosje. • Pijl en boog werden gemaakt van eik of wilg. Voor de pijlen moesten we naar de Mandeleijen om riet. Er kwam een punt op van vlierhout. Voor dat soort dingen had je natuurlijk wel een zakmes nodig. • Een proppenschieter werd van vlierhout gemaakt en de stempel van eikehout. Als munitie gebruikten wij eikels. Hele gevechten hebben we geleverd. • Speren maakten we van het hout van de vuilboom of van de hazelaar. De groene bessen die boven aan de aardappelplanten zaten werden met een twijg weggeslingerd, net als de kleine aardappeltjes die op het land achtergebleven waren.

• In de winter bouwden we sneeuwhutten en glijbanen van sneeuw. Bij gebrek aan een slee gleden we op een geëmailleerd reclamebord van D.E. OTTER-NIEMEYER. • Krijgertje speelden we ook op het ijs. Als je achter iemand aanzat om te tikken en een ander schaatste daar tussendoor, dan moest je die hebben. • En tot ons vijftiende, zestiende jaar speelden we blikspuit bij de brug. • Polstokspringe en skoske sette deden we bij Hoekstra’s sleatten aan de Houtwal. Zijn boerderij stond waar nu de gereformeerde kerk is. • In het voorjaar maakten we fluitjes van het hout van de lijsterbes (koetsebei). Je moest de bast goed nat houden met spuug. Met het handvat van het zakmes moest de bast losgeklopt worden. Daar hoorde een opzegrijmpje bij: “Hippet hippet liepe hoenear silst do riepe to Maeije as alle fûgels kraeije komt Antsje muoi mei it skerpe mes snijt de kat de kop of heal ôf hiel of en op it lest de sturt der ek noch ôf” (er zijn vele variaties van dit liedje mogelijk). • Voetballen was moeilijk bij gebrek aan een bal. We moesten ons behelpen met een varkensblaas, maar die was slecht te sturen. Ook maakten wij wel een bal van een prop papier waar omheen allemaal elastiekjes werden gedaan, die van oude fietsband waren geknipt. • Ook maakten wij wel een rommelpot. Een varkensblaas werd over een bus heen gespannen. Daar werd in het midden een dun stokje doorheen gestoken. Als je dan het stokje op en neer trok kwam er een raar geluid en daar hoorde het volgende liedje bij: “Ik heb zo lang met de rommelpot gelopen rommelpotterij, rommelpotterij nog geen centen om brood te kopen geef me een centje, dan ga ik weer voorbij”. J.J.de Zee

Samen oude foto’s kijken Op 27 januari kunt U samen met Jan van Dalen en Siebren Roelsma weer oude foto’s van Bakkeveen bekijken en becommentarieren. Doel is om de beschrijving bij de foto’s goed te krijgen. Plaats: SKW-Dunhoeke Tijd: 19:30 uur. Er zijn 2 afleveringen geweest: we zijn bijna door de helft van het aantal foto’s heen. Aanmelden hoeft niet. Nadere informatie: Siebren Roelsma siebrenroelsma2@hotmail.com of Jan van Dalen: 06-11005893. Ook “nieuw” oud-materiaal blijft welkom.


Oorsprong van de naam 'Bakkeveen'. (Ingezonden door Sybrand Bosma) Elk jaar wordt een Fryslan Scheurkalender uitgebracht. Dit jaar is hij gewijd aan de oorsprong van 365 dorpsnamen in Friesland. De kalender is samengesteld door Kerst Huisman. Huisman is historicus en hij was jarenlang als redacteur verbonden aan de Leeuwarder Courant. Wat schrijft hij over Bakkeveen?! Bakkeveen. Net als in Bakhuizen zit in deze dorpsnaam zeer waarschijnlijk ook een persoonsnaam Bakke verscholen. Het dorp wordt in 1228 vermeld als Backenvene. Dat betekent: 'Veen van Bakke'. De bij de uitleg afgedrukte foto is in 1925 gemaakt bij het bezoek van Jacob Hepkemajr. aan de pachtersfamilie Kiers in Bakkeveen. Rechts de Chevrolet van de familie Hepkema. (foto collectie Hepkema)

Oproep Historische Vereniging Bakkeveen houdt op woensdag 11 februari haar ledenvergadering. Sommigen van u zal het niet zijn ontgaan: 11 februari 30 jaar geleden (om precies te zijn van 13 t/m 15 februari 1979) werd Noord Nederland geteisterd door een sneeuwstorm. Dat betekende isolement voor vele bewoners. We zoeken met spoed beeldmateriaal (foto, video) om tijdens de 2e helft van de vergadering te presenteren. De “sterke� verhalen komen vanzelf, denken we. Aanmeldingen / info: Siebren Roelsma: siebrenroelsma2@hotmail.com of Willem Dolstra (541355) of Jan van Dalen (06-11005893)

2009 01  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you