Page 1

HET HANDBOEK DUURZAAM FACILITAIR BEHEER B.G. Seffinga

voor instellingen voor verpleging en verzorging


Hanzehogeschool Facility Management Afstudeerverslag B.G. Seffinga (studentnummer 000301441) Begeleid door J.L. Geelhoed


Colofon Auteur: B.G. Seffinga Vormgeving en opmaak: M.A.D. Pijning Digitale druk: WM Veenstra © Maart 2008, B.G. Seffinga, Groningen Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar­ gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, op­ namen, of enige andere manier, zonder voorafgaan­ de schriftelijke toestemming van de maker. Hoewel de maker uiterste zorgvuldigheid heeft be­ tracht bij de samenstelling van dit werk, aanvaardt deze geen aansprakelijkheid voor schade, van wel­ ke aard ook, die het directe of indirecte gevolg is van de in deze publicatie vervatte informatie. Het auteurs­recht is een dynamisch rechtsgebied zodat de regels en richtlijnen die in deze publicatie wor­ den genoemd inmiddels kunnen zijn veranderd.


Inhoud

Managementsamenvatting.......................5

Inleiding.............................................9

Leeswijzer..........................................10

1 Duurzaam...........................................13 Terug in de tijd.................................14 Klimaatverandering............................15 Duurzaamheidsinitiatieven....................19 Mogelijke oplossingen..........................23 Het organisatiebeleid..........................24 Verpleeg- en verzorgingshuizen..............25 2 Bouwmaterialen...................................27 Isolatie...........................................28 Glas...............................................32 Kozijnen.........................................35 Verven en lakken...............................36 Zonwering.......................................37 3 Binnenklimaat......................................39 Thermisch comfort.............................40 Verwarmen......................................40 Koeling...........................................45 Ventilatie........................................48 Luchtvochtigheid...............................50 Verlichting.......................................50

4 Beheer...............................................55 Energieverbruik.................................56 Duurzame energie..............................58 Afvalmanagement..............................63 Schoonmaak.....................................64 Duurzaam inkopen.............................65 Installatie Performance Scan.................66 5 Wet- en regelgeving...............................69 Het Bouwbesluit................................70 Normen..........................................70 Europese richtlijn..............................72 Subsidies.........................................73 Groene hypotheek..............................77

Informatiebronnen................................79 Internet..........................................79 Literatuur........................................81 Overige...........................................83 Voetnoten.......................................84 Illustratieverantwoording.....................86

Inhoud 3


Managementsamenvatting Duurzaam beheer is de zorg om te kunnen voorzien in (eigen) behoeften zonder dat dit beperkingen op­ levert voor de komende generaties. Het ‘Handboek duurzaam facilitair beheer’ richt zich tot de mana­ gers van het facilitair bedrijf van instellingen voor verpleging en verzorging. Het bespreekt wat zij in de gebruiksfase van hun gebouwen kunnen bijdra­ gen aan een duurzame samenleving. Zowel landelijke als internationale overheden heb­ ben veel initiatieven ontplooid om bindende afspra­ ken te maken voor de bescherming van het klimaat. Het Kyoto-protocol is op dit moment echter de eni­ ge bindende internationale afspraak. Dit protocol verplicht Nederland haar uitstoot van broeikasgas­ sen tussen 2008 en 2012 met 6% te reduceren ten opzichte van het niveau van 1990. Broeikasgassen ontstaan onder andere door menselijke activiteiten zoals de verbranding van fossiele brandstoffen. Wan­ neer er over broeikasgassen wordt gesproken, krijgt koolstofdioxide (CO2) de meeste aandacht. In Neder­ land is ruim één derde deel van de CO2-emissie gere­ lateerd aan het energieverbruik in gebouwen. Ruim de helft hiervan ontstaat in woningen (53%), de ove­ rige CO2-emissie (47%) ontstaat in de utiliteitsbouw (alle gebouwen die geen woon­bestemming hebben). In 2006 waren er voor de instellingen voor verple­ ging en verzorging circa 5.000 gebouwen in gebruik. Van deze gebouwen is 48% vóór 1976 gebouwd. Bij de bouw is er geen aandacht besteed aan energie­ besparende maatregelen.

Bij de instellingen voor verpleging en verzorging wordt op jaarbasis per m2 gemiddeld 22 m3 gas en 73 kWh elektra verbruikt. Deze waarden zijn bedui­ dend hoger dan bij segmenten als kantoren, winkels en onderwijs.

Verkeer 22% 39 mln ton CO2

Industrie 31% 55 mln ton CO2

Overig 12% 21 mln ton CO2 Gebouwen 35% 60 mln ton CO2

Utiliteitsgebouwen 47% 28 mln ton CO2

Woningen 53% 32 mln ton CO2

Herkomst CO2-emissies in Nederland

Wanneer we het gebouw-gerelateerde energie­ verbruik willen reduceren, is de Trias Energetica een goed hulpmiddel. De Trias Energetica is een drie­ stappenstrategie waarbij eerst de energie­behoefte zo veel mogelijk wordt beperkt.

Managementsamenvatting

5


de

1 2 3

ie erg en me rza

pe rk

uu kd

Be

rui

en

b Ge

erg iev raa g

Vervolgens wordt er in de energiebehoefte zo veel mogelijk voorzien door duurzame energie. En ten slotte worden de fossiele brandstoffen voor de res­ terende energiebehoeften efficiënt ingezet.

Indien nodig, gebruik fossiele brandstoffen zo efficiënt en schoon mogelijk

Trias Energetica

Men kan de energievraag beperken door te voor­ komen dat de temperatuur van buiten het gebouw de temperatuur in het gebouw negatief beïnvloedt. Om dit te realiseren, zijn er verschillende vormen van isolatie, zoals dakisolatie, gevelisolatie en/of vloerisolatie. Door het aanbrengen van goede isola­ tie kan bij een woning tot een derde op het energie­ verbruik worden bespaard. Een andere manier om het energieverbruik verder terug te brengen, is het gebruik van isolerende beglazing.

Managementsamenvatting 6

Door het toepassen van HR++ glas kan een energie­ besparing ten opzichte van enkel glas worden gerea­ liseerd van 35 m3 per m2 per jaar. Daarnaast kan het gebruik van zonnewering het intreden van extreme zomerse temperaturen voorkomen. Zo kan buiten­ zonwering tot 90% warmte tegenhouden en binnen­ zonwering 35 tot 65%. Bij slechts een zeer klein deel (16% in 2005) van de instellingen voor verpleging en verzorging wordt ge­ bruik gemaakt van duurzaam opgewekte energie. Onder duurzame energie vallen onder meer zonneenergie, windenergie en biomassa. Vooral ten aan­ zien van zonne-energie zijn de verwachtingen voor de toekomst hooggespannen. Door maximaal ge­ bruik te maken van de energie van de zon kan er in Neder­land jaarlijks vijftig maal meer energie worden opgewekt dan in totaal aan energie wordt verbruikt. Zonne-energie is op dit moment echter aanmerkelijk duurder dan het gebruik van niet-duurzame energie. Vandaar dat slechts bij 6% van de instellingen voor verpleging en verzorging gebruik wordt gemaakt van de energie van de zon. Efficiënt omgaan met energie blijkt niet zo vanzelf­ sprekend. Bij maar liefst 70% van de Nederlandse bedrijven is de aanwezige klimaatbeheersings­ apparatuur niet goed afgesteld. Met een Installatie Performance Scan kan het energieverbruik van de klimaatbeheersingsapparatuur worden gereduceerd tot 35%. Bij de instellingen voor verpleging en ver­ zorging wordt 59% van de energie verbruikt voor verwarming. Een energiezuinige verwarmingsbron is daarom van groot belang. Door het treffen van een relatief eenvoudige maatregel als waterzijdig inregelen van de verwarmingsradiatoren kan tot 20% energie worden bespaard. Helaas wordt dit nog maar bij slechts 33% van de verpleeghuizen toegepast.


Een instelling voor verpleging en verzorging kan dus verschillende maatregelen treffen om haar bijdrage te leveren aan een duurzame samenleving. Echter, het is onverstandig als men bij iedere activiteit op­ nieuw moet nagaan hoe belangrijk duurzaamheid voor de organisatie is. Daarom is het goed om be­ leidspunten ten aanzien van duurzaamheid vast te stellen. Daarmee wordt voorkomen dat verschillende activiteiten in strijd zijn met elkaar. Deze beleids­ punten kunnen worden vastgelegd in een milieu­ plan. Wanneer duurzaamheid écht prioriteit heeft, moet er ook in het organisatiebeleid aandacht aan worden besteed.

Managementsamenvatting

7


Inleiding De verandering van het klimaat staat op dit moment in het brandpunt van de maatschappelijke discussie. Er gaat geen dag voorbij of de klimaat­problematiek haalt de krant. Vaak zelfs de voorpagina’s. Maar ook op televisie is er een groeiende aandacht voor de ver­ andering van het klimaat. En het onderwerp is zelfs doorgedrongen tot in de bioscoopzalen. Na de film ‘An Inconvenient Truth’ van Al Gore in 2006 kwam begin 2008 de film ‘Earth’ in de bioscoop. Vooral door de film van Al Gore is de klimaat­problematiek onder de aandacht van het grote publiek gebracht. Inmiddels is er een levendige discussie ontstaan over de invloed van de mens op het veranderende klimaat. Deskundigen verschillen van mening over de invloed van de mens, de snelheid waarmee het klimaat verandert en welke gevolgen dit met zich meebrengt. De vraag of en hoeveel invloed de mens heeft op de klimaatverandering zal ook in dit hand­ boek niet worden beantwoord, maar dát het klimaat aan het veranderen is, daar is iedereen het wel over eens. Ondanks de levendige discussie over de invloed van de mens op het veranderende klimaat, heeft de Ne­ derlandse regering een ambitieuze klimaatdoelstel­ ling opgesteld. Bij deze doelstelling wordt ervan uit­ gegaan dat vooral broeikasgassen nadelige invloed hebben op het klimaat. Daarom wil de regering de uitstoot van broeikasgassen in 2020 met 30% redu­ ceren ten opzichte van het niveau in 1990.

Door deze doelstelling van de overheid, maar ook onder druk van de steeds maar stijgende energie­ prijzen zijn ondernemers op zoek gegaan naar mo­ gelijkheden om energie te besparen. Er is een le­ vendige handel ontstaan in mogelijke oplossingen en diensten om energie te besparen of om de individu­ ele uitstoot van broeikasgassen te reduceren. Veel van de in de handel beschikbare oplossingen richten zich voornamelijk op nieuwbouwsituaties. Maar niet alle organisaties kunnen nieuwbouw realiseren om duurzaamheid te vergroten. Deze organisaties zul­ len oplossingen moeten zoeken voor de bestaande gebouwen. In 2006 waren er circa 5.000 gebouwen in gebruik voor de instellingen voor verpleging en verzorging. Het handboek duurzaam facilitair beheer geeft de manager van een facilitair bedrijf van een verpleegof verzorgingshuis de mogelijkheid duurzaam be­ heer die plek te geven die het verdient, binnen de bestaande gebouwen. Met de onderwerpen en de cijfers in dit handboek kan hij gericht actie onder­ nemen om het facilitair bedrijf duurzaam in te rich­ ten. Wanneer het onderwerp duurzaam beheer nog geen onderdeel uitmaakt van de organisatiedoel­ stellingen, moet dit handboek helpen de bedrijfstop van de organisatie te overtuigen hier verandering in aan te brengen. B.G. Seffinga, maart 2008

Inleiding 9


Leeswijzer

Leeswijzer 10

1 Duurzaam

Er wordt op dit moment heel veel geschreven en gesproken over duurzaamheid. Steeds meer orga­ nisaties ondernemen ook daadwerkelijk stappen om duurzaam te beheren. In hoofdstuk 1 worden enkele duurzaamheidsinitiatieven besproken. Maar eerst wordt weergegeven welke initiatieven vanuit overheden zijn ontplooid, zoals bijvoorbeeld het Kyoto-protocol. Daarnaast gaat dit hoofdstuk in op verschillende mogelijke oplossingsprincipes. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een eenvoudig mo­ del hoe duurzaamheid in het organisatiebeleid kan worden geïntegreerd.

2 Bouwmaterialen

Nadat in hoofdstuk 1 duurzaamheid in algemene zin aan de orde is geweest, zal hoofdstuk  2 specifiek op bouwmaterialen ingaan. Alhoewel het vanuit het oogpunt van duurzaamheid wenselijk zou zijn om alle bestaande gebouwen te vervangen door nieuwbouw, is dat niet haalbaar. Wel kan men in de gebruiksfase van een gebouw verschillende maat­ regelen treffen of materialen vervangen, waardoor een aanmerkelijke hoeveelheid energie kan worden bespaard.

3 Binnenklimaat

Voor zowel bewoners, bezoekers als medewerkers van de instellingen voor verpleging en verzorging is een goed binnenklimaat in het gebouw belangrijk. Hoofdstuk 3 gaat in op de maatregelen die men kan treffen om met duurzame middelen een goed binnen­klimaat te verkrijgen. In dit hoofdstuk komen verschillende vormen van verwarmen en koelen aan de orde. Maar ook de verlichting is een belangrijk aspect van het binnenklimaat. Door juist gebruik van verlichtingsbronnen kan verlichting bijdragen aan een besparing van het energieverbruik.


Nu we bekend zijn met de verschillende mogelijk­ heden ten aanzien van bouwmaterialen en het binnen­klimaat zal in hoofdstuk 4 op het beheer worden ingegaan. In dit hoofdstuk zullen de ver­ schillende vormen van duurzame energie en het energieverbruik bij de instellingen voor verpleging en verzorging aan de orde komen. Daarnaast komen de onderwerpen afvalmanagement en schoonmaak aan de orde. Aan het einde van het hoofdstuk wordt ingegaan op de Installatie Performance Scan. De Installatie Performance Scan is een instrument om inzicht te krijgen in de verbetermogelijkheden van een klimaatinstallatie.

4 Beheer

Wanneer men duurzaamheid een plek binnen de or­ ganisatie geeft, moet aan alle wet- en regelgeving worden voldaan. Enerzijds zijn er regels waarin eisen worden gesteld, anderzijds zijn er mogelijk­ heden om aanspraak te maken op bepaalde sub­ sidies. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de ver­ schillende wettelijke kaders voor duurzaam beheer, subsidiemogelijkheden en op de mogelijkheid om een voordelige hypotheek af te sluiten.

5 Wet- en regelgeving

Het handboek wordt afgesloten met een lijst van gebruikte literatuur en geraadpleegde internetsites. Tevens zijn hier alle voetnoten van dit handboek op­ genomen. Vooral op de verschillende internetsites is een schat aan informatie te vinden die continu wordt aangevuld met informatie over de laatste ont­ wikkelingen.

Informatiebronnen

Leeswijzer

11


1

Duurzaam Alvorens in te gaan op specifieke oplossingen om de duurzaamheid van bestaande gebouwen te verbeteren, is het van belang het begrip ‘duurzaam’ te begrijpen. Iedereen heeft wel eens van het Kyoto-protocol gehoord, maar wat er in staat, kunnen maar weinigen vertellen. Ook horen we van allerlei duurzaamheidsinitiatieven, maar wat deze nou precies inhouden, is vaak onbekend. Er wordt vaak gezegd dat het pure noodzaak is om iets aan duurzaamheid te doen. Maar is het eigenlijk wel noodzakelijk om iets te veranderen?

Duurzaam

13


Terug in de tijd De Club van Rome Aan het einde van de jaren zestig maakten de Itali­ aanse industrieel Aurelio Peccei en de Schotse we­ tenschapper Alexander King zich al zorgen over de vervuiling van het milieu. Op hun initiatief kwamen 36 wetenschappers, beleidsmakers en zakenlieden in 1968 in Rome bijeen om deze problematiek te be­ spreken. Deze bijeenkomst was de aanleiding voor het oprichten van ‘de Club van Rome’. De Club van Rome heeft als doel om bewustwording en meningsvorming op het gebied van de proble­ matiek rond een op duurzaamheid gericht beleid te bevorderen. De Club van Rome brengt, als een non-profit, non governmental organisation (NGO), mensen samen die ervan overtuigd zijn dat de toe­ komst van de mensheid niet definitief vaststaat en dat iedere mens kan bijdragen aan het verbeteren van onze samenleving. In 1972 publiceerde de Club van Rome haar eerste rapport ‘The Limits to Growth’. In dit rapport werd het verband tussen de economische groei en de ge­ volgen daarvan weergegeven. Ook gaf het rapport een beeld van de grondstoffen- en voedsel­voorraden. De conclusie van dit rapport was dat deze snel uit­ geput zouden raken. Kort na het uitbrengen van het rapport werd de wereld in 1973 geconfronteerd met de oliecrisis.

ment and Development (WCED) en riep voor het eerst op tot duurzame ontwikkeling. Het rapport is ook bekend onder de naam ‘Brundtland-rapport’, naar de toenmalige voorzitter, de Noorse premier Gro Harlem Brundtland. De belangrijkste conclusie van het rapport was dat de mondiale milieuproblemen het gevolg waren van armoede in één deel van de wereld, en de nietduurzame ontwikkeling in het andere deel van de wereld. In het rapport wordt aan het begrip ‘duur­ zame ontwikkeling’ de volgende definitie gegeven: “Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling, waarbij de huidige wereldbevolking in haar behoeften voorziet, zonder de komende generaties te beperken in hun behoeften te voorzien.”

Het Kyoto-protocol Na de verschijning van het Brundtland-rapport hebben verschillende landen jarenlang gepro­ beerd om bindende afspraken te maken over duur­ zame ontwikkeling. In 1997 ontstond hierdoor het ‘Kyoto-protocol’. Het Kyoto-protocol verplicht lan­ den om tussen 2008 en 2012 wereldwijd 5,2% minder broeikasgassen uit te stoten ten opzichte van het niveau in 1990. Elk land heeft zich verplicht om een individueel doel te halen.

Het Brundtland-rapport

De individuele doelen gelden alleen voor de geïn­ dustrialiseerde landen. Naast ontwikkelingslanden zijn ook opkomende economieën als China, India en de OPEC-landen (olieproducenten) vrijgesteld van het behalen van doelstellingen.

In 1987 werd, in opdracht van de VN, het rapport ‘Our common future’ uitgebracht. Dit rapport is opgesteld door de World Commission on Environ­

Nederland heeft vanuit dit rapport de verplichting om 6% reductie van uitstoot van broeikasgassen te behalen.

Duurzaam 14


Om het Kyoto-protocol van kracht te kunnen laten worden, moest het door minimaal 55 landen, die gezamenlijk goed zijn voor minstens 55% van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen, worden geratificeerd. Door het afhaken van de Verenigde Staten, moesten alle andere grote geïndustriali­ seerde landen het verdrag ratificeren alvorens het in werking kon treden. Pas toen Rusland in novem­ ber 2004 besloot het verdrag te ratificeren, kon het verdrag 90 dagen later in werking treden. De datum van inwerkingtreding werd gesteld op 16  februari 2005. Het Kyoto-protocol is het enige internationale akkoord met bindende afspraken om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen.

Bali In december 2007 is op Bali de 13de internationale klimaattop georganiseerd. Bij deze topontmoeting waren ook vertegenwoordigers van ontwikkelings­ landen en de Verenigde Staten aanwezig. Mede daarom waren de verwachtingen hooggespannen. Tijdens de top is er gesproken over de reductie van broeikasgassen die verder gaat dan de reductie zo­ als die in het Kyoto-protocol is vastgelegd. Ondanks dat ook ontwikkelingslanden en de Verenigde Staten willen bijdragen aan de reductie van broeikasgassen zijn er op Bali geen concrete en bindende afspraken gemaakt. Een van de belangrijkste struikelblokken was de fi­ nanciering van de noodzakelijke maatregelen in de ontwikkelingslanden. Wel zijn er afspraken gemaakt over een proces om te komen tot een opvolger van het Kyoto-protocol. Ook zijn er afspraken gemaakt over de overdracht van duurzame technologie en hulp aan ontwikkelingslanden om de uitstoot van broeikasgassen te reduceren.

Klimaatverandering Wanneer er wordt gesproken over klimaat­ verandering als gevolg van de uitstoot van broeikas­ gassen, krijgt koolstofdioxide (CO2) de meeste aan­ dacht. Broeikasgassen zijn voornamelijk het gevolg van menselijke activiteiten, zoals verbranding van fossiele brandstoffen en landbouw. Broeikas­gassen laten het licht van de zon doordringen in de atmo­ sfeer, maar houden een deel van de terug­gekaatste infraroodstraling tegen en verwarmen zo de lucht. Zonder dit natuurlijke broei­kaseffect zouden de temperaturen op aarde aanmerkelijk lager zijn dan nu het geval is. Het leven zoals wij dat nu kennen, zou onmogelijk zijn. Dankzij deze broeikasgassen is de gemiddelde tempera­tuur van de aarde 15,5 ºC.1

Figuur 1.1: Gemiddelde temperatuur op aarde. Bron: KNMI.

Door een verhoging van de concentratie broei­kas­ gassen loopt de gemiddelde temperatuur van de aarde op (zie figuur 1.1). Veel wetenschappers gaan ervan uit dat de verbranding van fossiele brand­ stoffen (olie, aardgas, kolen) en andere menselijke activiteiten de hoofdoorzaak zijn voor de toename van de concentratie van broeikasgassen.

Duurzaam

15


Het principe van de opwarming van de aarde ATMOSFEER De zonnestralen worden deels gereflecteerd door de dampkring en de oppervlakte van de aarde.

Een deel van de infrarood straling passeert de dampkring en gaat verloren in de ruimte.

ZON

De infrarood straling wordt deels geabsorbeerd en door de broeikasgasmoleculen teruggekaatst, waardoor de aarde opwarmt.

De oppervlakte van de aarde wordt warmer en de infrarood straling wordt weerkaatst.

BROE

IKASG

ASSE

N

De straling van de zon gaat door de dampkring.

De energie van de zon wordt geabsorbeerd door de oppervlakte van de aarde en warmt deze op. De warmte die daardoor ontstaat, veroorzaakt infrarood straling die uitgestoten wordt naar de dampkring.

AARDE


De stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde heeft invloed op het klimaat. Door het veranderende klimaat vestigen zich in Nederland allerlei plantenen diersoorten uit warmere zuidelijke streken. En­ kele voorbeelden hiervan zijn de eikenprocessierups en diverse korstmossen. Het KNMI heeft uit waarnemingen geconstateerd dat de Nederlandse gemiddelde temperatuur sneller stijgt dan het mondiale gemiddelde.2 In figuur 1.2 is de gemiddelde temperatuur in De Bilt weer­ gegeven.

Uit onderzoek blijkt dat de hitte tijdens extreme zomerse perioden een tijdelijke toename van de sterfte met circa 15% tot gevolg heeft. Het betreft hier onder meer ouderen die een paar weken eerder overlijden dan zonder een hittegolf.3 Tijdens extreme zomerse perioden kan de tempera­ tuur in een bebouwde omgeving tot 6° C hoger lig­ gen dan in een landelijk gebied. Vooral in de nacht is het verschil tussen de stad en het omliggende lan­ delijke gebied groot.4

Broeikasgassen in cijfers De totale emissie van broeikasgassen in Nederland in 2006 bedroeg volgens de IPCC-berekenings­ methode 172 miljard kg kooldioxide (CO2), 56  mil­ joen kg di­stikstofmonoxide (N2O), 760  miljoen kg methaan (CH4) en 0,73 miljoen gehalogeneerde kool­ waterstoffen (HFK).5 De bijdrage van Nederland aan de mondiale emissies is ongeveer 0,5%, die van Europa rond 12,5%.6

Figuur 1.2: Gemiddelde temperatuur in Nederland. Bron: KNMI.

Door het veranderende klimaat kan de schade aan gebouwen als gevolg van extreme stormen en water­ overlast toenemen. In de zomer kunnen stedelijke gebieden ‘hitte-eilanden’ worden. De toenemende hitte in zomerse perioden leidt tot een toenemende vraag naar gebouwen die door hun bouw koeler blij­ ven in de zomer. Bestaande bebouwing kent vaak een afschrijvingsperiode van 40 tot 50 jaar. Gezien de snelheid waarmee de klimaatverandering zich voltrekt, veranderen de eisen die aan gebouwen worden gesteld.

Verkeer 22% 39 mln ton CO2

Industrie 31% 55 mln ton CO2

Overig 12% 21 mln ton CO2 Gebouwen 35% 60 mln ton CO2

Woningen 53% 32 mln ton CO2

Utiliteitsgebouwen 47% 28 mln ton CO2

Figuur 1.3: Herkomst CO2-emissies in Nederland. Bron: Kosteneffectieve energiebesparing, Ecofys

Duurzaam

17


Je struikelt vandaag over de duurzaam足 heidsinitiatieven van bedrijven. Eerst was er een handjevol mensen, dat elkaar allemaal kende. Het is ongelooflijk hoeveel mensen zich er nu al mee bemoeien. Het is een wonder. Zo snel gaan die dingen meestal niet. Jacqueline Cramer, minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Uit: Duurzaam ontwikkelen... een wereldkans van Anne-Marie Rakhorst


Ruim één derde deel van de CO2-emissie in Neder­ land - ruim 60 miljoen ton per jaar - is gerelateerd aan energieverbruik in gebouwen. De emissies ko­ men enerzijds vrij bij het gebruik van aardgas en zijn anderzijds het gevolg van de productie van elektriciteit.7

Duurzaamheidsinitiatieven Steeds meer organisaties zijn zich bewust van de in­ vloed die hun bedrijfsvoering heeft op het klimaat. Ze ontwikkelen allerlei duurzaamheidsinitiatieven waarvoor de volgende voorbeelden illustratief zijn.

KLM Bij de KLM beschouwt men de hele wereld als haar werkterrein en voelt men ook een verantwoordelijk­ heid voor wat dat met zich meebrengt. Daarom heeft zij de zorg voor het kli­ maat en de natuur als een van de belangrijke pijlers in haar beleid gedefinieerd. Dit ondanks het feit dat de luchtvaart verantwoordelijk is voor slechts 2 à 3% van de totale broeikasgassenuitstoot wereldwijd.8 Als relatief groot bedrijf heeft de KLM zich tot doel gesteld een nieuwe standaard te zetten in de lucht­ vaartwereld. De KLM gaat de extra uitstoot van CO2 als gevolg van groei neutraliseren: “Wel groei van de productie, maar geen groei van de CO2-uitstoot”. Naast de compensatie van CO2-uitstoot wil KLM de CO2-uitstoot ook reduceren, door het treffen van verschillende maatregelen: • Het vervangen van de Boeing 767-300 door de Boeing 777-200 en de Airbus A330-200 levert

een besparing van 25% brandstof per vlucht op. • Het aanbrengen van zogenaamde winglets, kleine opstaande randen aan het uiteinde van vleugels, resulteert in circa 3% minder uitstoot. • Een nieuwe manier voor het reinigen van moto­ ren, waardoor ze eenvoudiger en dus vaker wor­ den gereinigd. Dit levert een extra reductie van de broeikasgassenuitstoot op, want schonere motoren gebruiken minder brandstof en stoten daardoor minder broeikasgassen uit. • Het gebruik van biobrandstof voor grond­ voertuigen op Schiphol. Met deze acties wil de KLM uiteindelijk de groei van de CO2-uitstoot per passagier terugbrengen met 3% in 2012 en 17% in 2020.

Shell Shell wordt over het algemeen niet direct in verband gebracht met een goede zorg voor het mi­ lieu. De ‘Brent Spar-affaire’, waar­ bij Shell in 1995 een laad­station voor olietankers in zee wilde dum­ pen, heeft dit beeld bij veel mensen versterkt. Deze affaire heeft ertoe geleid dat Shell een beleid heeft ontwikkeld op het gebied van duurzaamheid. In de algemene beleidsuitgangspunten van augus­ tus 2005 heeft Shell het volgende over duurzame ontwikkeling opgenomen: “In het kader van onze beleidsuitgangspunten verbinden wij ons aan het bijdragen aan duurzame ontwikkeling. Dit vergt het afwegen van belangen voor de korte en de lange termijn, waarbij economische, milieu- en maatschappelijke overwegingen onlosmakelijk onderdeel van de zakelijke besluitvorming zijn”.

Duurzaam

19


Shell initieert in Nederland verschillende projecten om de duurzaamheid te verbeteren: • Leveren van CO2 en restwarmte van de raf­ finaderij in Pernis aan de glastuinbouw in het Westland. De tuinders gebruiken de zuivere CO2 om de groei van hun gewassen te versnellen. Zelf stoken en energie verbruiken om kool­ dioxide te krijgen, is niet langer nodig. • Met een windmolenpark in de Noordzee (www.noordzeewind.nl) wordt stroom opgewekt voor ruim 100.000 huishoudens. Er zijn 36 wind­ molens die moeten zorgen voor ‘alternatieve’ stroomproductie. • Een aantal stadsbussen in Amsterdam rijdt op waterstof. Ze maken onderdeel uit van een Europees proefproject. • Nieuwe brandstoffen laten auto’s zuiniger rijden. Shell ontwikkelt nieuwe producten en verbetert de bestaande benzine en diesel. • Ontwikkeling van biobrandstoffen uit planten, stro en biomassa. Kleine hoeveelheden bio­ brandstof worden inmiddels gemengd met de Euro95 en diesel die aan de pomp te koop is. Naast het leveren van energie uit duurzame bron­ nen en het bevorderen van het gebruik van deze bronnen, is Shell bezig om de uitstoot van broeikas­ gassen in de eigen organisatie te reduceren. In het duurzaamheidrapport 2006 (the Shell Sustainability report 2006) valt te lezen welke acties Shell daartoe neemt en welke doelen zij zich heeft gesteld.

TNT TNT streeft ernaar om het eerste emissievrije expressen postbedrijf ter wereld te worden. Onder de naam

Duurzaam 20

‘Planet Me’ geeft het bedrijf inzicht in haar uitstoot­ doelstellingen en de voortgang daarvan. Op de hiervoor speciaal opgezette internetsite www.tntplanetme.com wordt weergegeven hoe TNT dit wil bereiken. Uitzonderlijk is dat het bedrijf haar eigen CO2-uitstoot wil terugbrengen tot nul en haar CO2-uitstoot niet wil beperken door het aankopen van zogenaamde emissierechten. Daarnaast moti­ veert TNT haar medewer­ kers om in hun privéleven de uitstoot van broeikasgassen te reduceren. TNT zal het energieverbruik en de uitstoot van broeikasgassen van al haar bestaande gebouwen reduceren door energiebesparende maatregelen te nemen. Wereldwijd zullen alle energiebronnen worden vervangen door groene energie zodra dat mogelijk is. In Nederland (61.000 medewerkers) wordt vanaf januari 2008 de elektriciteit voor alle kantoorgebouwen (ongeveer 125 miljoen kWh) door waterkracht opgewekt.9 Daarnaast is er de ambitie om alle nieuwe gebouwen in de toekomst zodanig te bouwen dat er geen CO2 wordt uitgestoten. Naast de maatregelen op het gebied van kantoren en opslagruimtes is er een groot aantal maatregelen op het gebied van vervoer (auto’s, vrachtwagens en vlieg­tuigen). Zo zullen er enkel nieuwe vrachtwagens worden gekocht die voldoen aan de hoogste milieueisen en alle chauffeurs zullen worden getraind in energie-efficiënt rijden.


Visa Creditcardbedrijf VISA heeft een creditcard waar­ aan een CO2-compensatieprogramma is gekoppeld. De CO2 die vrijkomt bij de productie en het gebruik van met de kaart aangekochte diensten of produc­ ten wordt gecompenseerd. Dit gebeurt onder meer door de aanplant van nieuwe bomen en investering in duurzame energiebronnen. Deelname aan het programma kost de gebruiker niets extra. Visa finan­ ciert het programma uit haar eigen marge.

De eerste aanplant van bomen vindt plaatst in Ugan­ da. Om te waarborgen dat het beheer volgens regels van duurzame bosbouw verloopt, wordt de controle door een combinatie van organisaties uitgevoerd (RIVM, CE, TNO, FSC, SGS, Triodos en Pricewater­ house Coopers).

Om vast te stellen hoeveel broeikasgas een aan­ koop tot gevolg heeft, hanteert Visa een internatio­ naal erkende rekenmethode, volgens de richt­lijnen in tabel 1.1.

Architectenbureau RAU De architectuur richt zich de laatste jaren steeds meer op het onderwerp duurzaamheid. Architecten­ bureau RAU heeft voor het Wereld Natuur Fonds een emissievrij kantoorgebouw ontworpen. Het gaat hier om een bestaand gebouw dat volledig gestript is en opnieuw opgebouwd. Door het toepassen van ver­ schillende technieken en producten is dit het eerste emissievrije kantoorgebouw van Europa geworden. Door een combinatie van oude en nieuwe technieken is het gebouw in vier stappen geheel CO2-neutraal gemaakt. In stap 1 zijn maatregelen genomen om de energievraag van het gebouw zo laag mogelijk te krijgen. Vervolgens is in stap 2 enkel nog gebruik gemaakt van schone, niet-eindige energiebronnen. Stap 3 is het efficiënt gebruik van eindige energie­ bronnen en in stap 4 ten slotte werden de uitgesto­ ten broeikas­gassen gecompenseerd.

Activiteit

Aankoop

Gemiddelde besteding

CO2-factor

CO2-uitstoot

Aantal bomen

Benzine tanken

40 liter

€ 50

2.7

135 kg

6,75

Vliegen Kleding

1 enkele reis Nice

€ 200

4.0

800 kg

40,00

1 broek

€ 100

1.1

110 kg

5,50

Uit eten Meubels

2 personen

€ 100

0.7

70 kg

3,50

1 bankstel

€ 400

1.1

440 kg

22,00

Cd’s

1 cd

€ 20

1.1

22 kg

1,10

Hotel

2 personen

€ 80

1.0

80 kg

4,00

*)

Tabel 1.1 Richtlijnen CO2-compensatieprogramma Visa. Bron: www.greencardvisa.nl. *) Het aantal bomen dat een jaar lang moet groeien om deze uitstoot te compenseren.

Duurzaam

21


Zorggroep Noorderbreedte Zorggroep Noorderbreedte (ZNB) levert ziekenhuis­ zorg en ouderenzorg in Friesland en heeft als doel haar patiënten en bewoners het beste te geven op het gebied van zorg. Met circa 5.000 medewerkers is ZNB een van de grootste zorgaanbieders van Nederland. ZNB beschikt over een intern milieuzorg­ systeem, volgens de Europese norm ISO 14001, dat deel uitmaakt van de normale bedrijfsvoering. Dit milieuzorgsysteem beoogt om op een systematische en gestructureerde wijze de milieubelasting in kaart te brengen, te beheersen en (verder) te verminde­ ren. Het milieubeleid van ZNB is geïntegreerd in het ondernemingsbeleid. De inspanningen voortvloeiend uit het milieubeleid worden inzichtelijk gemaakt door het opstellen van onder meer: • een energiebesparingsplan, dat een overzicht geeft van streefdoelen, middelen en maat­ regelen ter beheersing en beperking van het energieverbruik; • een jaarlijks milieuprogramma en milieu­ jaarverslag, waarin getallen op milieugebied worden gepresenteerd en inzicht wordt ver­ schaft in de geleverde prestaties ten opzichte van het milieubeleid. ZNB streeft bij het uitoefenen van haar activitei­ ten naar het voortdurend verminderen van milieu­ belastende emissies naar bodem, lucht en water, voorzover dit economisch en technisch haalbaar is. Binnen het afvalmanagement wordt gestreefd naar zo veel mogelijk recycling en hergebruik, en zo weinig mogelijk stort en verbranding. Het wordt de mede­werkers daarom zo gemakkelijk mogelijk gemaakt om het afval direct te scheiden.

Duurzaam 22

In 2006 heeft ZNB een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden die zowel gemeenten als particu­ liere instanties bieden omtrent afvalverzorging. Er is tevens onderzocht hoe het interne logistieke proces zo efficiënt en effectief mogelijk georganiseerd kan worden en wat voor consequenties hieraan verbon­ den zijn, zowel financieel als arbo-technisch. Dit on­ derzoek heeft geresulteerd in een goed onderbouwd advies, toegespitst op drie locaties. Het doel van het energiebeleid is het implementeren van energiezorg binnen de organisatie. Het energie­ verbruik bestaat voor een groot deel uit elektrici­ teit voor verlichting (50%) en apparatuur  (21%), en gasverbruik voor voornamelijk verwarming. Om een effectieve en efficiënte beheersing van het energie­ verbruik te waarborgen, worden er waar technisch en economisch haalbaar, verschillende energie­ besparende maatregelen toegepast. ZNB hanteert hierbij een terugverdientijd van maximaal vier jaar. Voor een aantal innovatieve technieken wordt een langere terugverdientijd gehanteerd. In 2006 is op alle locaties van ZNB een energiescan uitgevoerd. Uit deze energiescan bleek het gemiddelde gasverbruik van alle verzorgingshuizen 22 m3 per m2 te bedragen. Dit is 2 m3 minder dan het landelijk gemiddelde van 24 m3 per m2. Bij de instellingen die boven het lan­ delijk gemiddelde zaten, werd een nader energie­ onderzoek uitgevoerd. Bron: Milieujaarverslag 2006 Zorggroep Noorderbreedte.


Mogelijke oplossingen

Cradle to cradle

Emissiehandel

‘Cradle to cradle’ is een begrip en de titel van een gelijknamig boek van Braungart en McDonough waarmee zij hun visie op duurzaam ontwerpen weer­geven. De basisgedachte van Cradle to Cradle is dat er geen grondstoffen verloren mogen gaan. Al­ les moet zo gemaakt worden dat een mens het kan opeten, verbranden of opnieuw kan gebruiken.

Een van de mogelijkheden om de doelstellingen van het Kyoto-protocol te kunnen halen, is de emis­ siehandel. Bij emissiehandel moeten bedrijven het recht op vervuiling kopen. Op deze manier worden bedrijven gestimuleerd om schoner te produceren. De overheid heeft een maximum vastgesteld voor de hoeveelheid broeikasgassen die in to­ taal in Nederland mogen worden uitgestoten. Deze hoeveelheden zijn een direct gevolg van het Kyoto-protocol. De overheid heeft per deelnemend bedrijf een hoeveelheid emissierechten toege­ kend. Als een bedrijf minder uitstoot dan is toege­ staan, houdt het emissierechten over. Deze rech­ ten kan men verkopen op de emissierechtenmarkt. Schone bedrijven die weinig broeikasgassen produ­ ceren worden zo dus financieel beloond. Bedrijven die te veel uitstoten, moeten extra emissierechten kopen en worden dus financieel gestraft. Het idee hierachter is, dat bedrijven pas echt aan milieu­ maatregelen gaan werken, wanneer dit financiële gevolgen heeft. SenterNovem koopt via Carboncredits.nl namens de overheid emissierechten in. Internationaal opere­ rende bedrijven die door energie-efficiënte maat­ regelen reducties realiseren, kunnen emissie­rechten verkopen aan de Nederlandse overheid. Op de web­ site www.emissieregistratie.nl wordt jaarlijks ver­ zameld en vastgesteld wat de uitstoot van veront­ reinigende stoffen naar lucht, water en bodem in Nederland is.

Het Cradle to Cradle-principe is gebaseerd op drie basisvragen die een consument kan stellen als hij iets koopt: • Is het eetbaar of biologisch afbreekbaar? • Is het opnieuw te gebruiken? • Is het te verbranden voor energieopwekking? CM

CERTIFIED

Voor het Chinese platteland zijn vier megasteden gepland volgens het Cradle to Cradle-principe. De huizen zijn zo gebouwd dat alle bouwmaterialen bij sloop opnieuw te gebruiken zijn. De bebouwde grond is terug te vinden op de daken, die daardoor ook nog eens goed zijn geïsoleerd. Unilever heeft het Cradle to Cradle-principe toege­ past bij haar biologisch afbreekbare ijsverpakking. Deze verpakking lost op bij kamertemperatuur. Hierdoor blijft geen afval achter na gebruik. Het is ook mogelijk om in de verpakking plantenzaden op te nemen.

Duurzaam

23


People, Planet, Profit Het woord duurzaamheid heeft vele betekenissen. Om duurzaamheid meetbaar te kunnen maken, kan gebruik worden gemaakt van de drie P’s: People, Planet, Profit. De drie P’s worden door veel ondernemingen ge­ bruikt als richtlijn voor het zogenaamd maatschap­ pelijk verantwoord ondernemen. • People: bij dit aspect gaat het om de mensen binnen en buiten de onderneming. Het kan hier­ bij gaan om aandacht voor redelijke arbeids­ voorwaarden, gelijke behandeling en goede arbeidomstandigheden. • Planet: dit aspect heeft betrekking op de aan­ dacht voor het milieu. Het is hierbij belangrijk om de belasting voor het milieu te minimalise­ ren. • Profit: Bij profit is het van belang dat de con­ tinuïteit van de onderneming ook op de lange termijn gewaarborgd blijft. Daarvoor zijn een gezonde financiële bedrijfsvoering, transparan­ tie en innovatie noodzakelijk. Voor een goede bedrijfsvoering is het van belang dat er een goede harmonie is tussen de drie P’s. Wanneer bijvoorbeeld de winst van een organisatie te veel prioriteit krijgt, kan dit ten koste gaan van de aspecten mens en milieu. Een maatschappelijk verantwoorde manier van on­ dernemen komt terug in alle bedrijfsprocessen. Van inkoop tot personeelsbeleid en van marketing tot verkoop. De keuzes zijn afhankelijk van de aard van de producten en/of de diensten van het bedrijf, de markt en het land waarin het bedrijf opereert en de wensen en verwachtingen van de omgeving.

Duurzaam 24

Voor de Wereldtop over duurzame ontwikkeling in Johannesburg (2002) is voorgesteld de P van Profit te veranderen in ‘Prosperity’ (welvaart), om naast economische winst ook de maatschappelijke winst in de afwegingen te betrekken.

Het organisatiebeleid Een organisatie moet voorkomen dat bij verschillen­ de activiteiten telkens weer moet worden nagegaan hoe belangrijk duurzaamheid voor de organisatie is.

Missie Wat de organisatie wil zijn

Milieuplan De afspraken van de organisatie in verband met het milieu

Organisatiebeleid De beleidsafspraken die de organisatie maakt om haar missie te kunnen waarmaken

Afdelingsbeleid De beleidsafspraken die de organisatie maakt voor de verschillende afdelingen

Inkoopplan Wat gaat de inkoopfunctie concreet doen om het inkoopbeleid uit te voeren

Figuur 1.4 Duurzaamheid in de organisatie: van missie naar afdelingsplannen.


Om te voorkomen dat uitgangspunten voor de ver­ schillende activiteiten in strijd zijn met elkaar doet een organisatie er verstandig aan om beleidspunten ten aanzien van duurzaamheid vast te stellen. Het ligt het meest voor de hand om het beleid van een organisatie ten aanzien van duurzaamheid vast te leggen in een milieu(beleids)plan. Bij een organi­ satie die duurzaamheid hoog in het vaandel heeft, is het eveneens aan te bevelen dat er een duidelijke passage in het organisatiebeleid wordt gewijd aan duurzaamheid. Dit betekent dat duidelijk op papier staat wat de organisatie onder duurzaamheid ver­ staat, dat er op bestuurlijk niveau waarde aan wordt toegekend, en dat waar mogelijk concreet is be­ schreven welke waarde. Duurzaamheid is tenslotte in eerste instantie een kwestie van willen.

Verpleeg- en verzorgingshuizen Voor de instellingen voor verpleging en verzorging waren in 2006 circa 5.000 gebouwen in gebruik. Van deze 5.000 gebouwen is 32% in of na het jaar 2000 gebouwd of gerenoveerd. De overige instellingen zijn nooit gerenoveerd (19%), of niet in de afgelopen 5 jaar (49%).10 In tabel 1.2 is de leeftijdsopbouw weergegeven van de gebouwen die gebruikt worden door instellingen voor verpleging en verzorging in 2006. Hieruit blijkt dat 48% van de instellingen voor verpleging en ver­ zorging van vóór 1976 zijn. Bij deze categorie ge­ bouwen is bij de bouw geen aandacht besteed aan isolerende maatregelen.

Periode

Percentage gebruikt door instellingen voor verpleging en verzorging

1996-2005

17

1986-1995

18

1976-1985

17

1960-1975

29

< 1960

19

Tabel 1.2: Leeftijdsopbouw gebouwen voor verpleging en verzorging in 2006. Bron: Energie­BesparingsMonitor gebouwde omgeving 2006).

Uit de rapportage ‘EnergieBesparingsMonitor ge­ bouwde omgeving 2006’ van het SenterNovem blijkt dat bij slechts 43% van de instellingen voor ver­ pleging en verzorging medewerkers voorlichting over energiebesparing hebben gehad. Uit dit rap­ port blijkt verder dat op jaarbasis het gasverbruik gemiddeld 22 m3 per m2 bedraagt en het elektraver­ bruik 73 kWh per m2. Deze waarden zijn beduidend hoger dan bij segmenten als kantoren, winkels en onderwijs. Beleidsmakers gaan ervan uit dat de CO2-emmissie in de gebouwde omgeving in 2030 minimaal gehal­ veerd moet zijn en dat in het midden van deze eeuw de gebouwde omgeving CO2-neutraal is. Om dat te kunnen bereiken, is er veel nodig.11

Duurzaam

25


2

Bouwmaterialen Hoe energiezuinig een gebouw is, heeft veel te maken met het ontwerp en de gebruikte bouw­ materialen. Veel bouwmaterialen die een energie­­­besparing kunnen realiseren, zijn ook in de gebruiksfase van een gebouw eenvoudig toe te passen. Door het gebruik van de juiste bouw­materialen kan het woon- en werk­comfort op eenvoudige wijze worden verhoogd. Afhankelijk van de plaatselijke situatie, wordt door het gebruik van de juiste bouwmaterialen een wezenlijke bijdrage aan de duurzaamheid van de samenleving geleverd.

Bouwmaterialen 27


Isolatie Om comfortabel te kunnen wonen en werken, moet er een juiste balans zijn tussen temperatuur, frisse lucht, luchtvochtigheid en geluid. Vooral het ther­ mische comfort behoeft veel aandacht, want in een goed verwarmde of gekoelde omgeving is het pretti­ ger wonen en werken. Gebouwen van vóór de ener­ giecrisis van begin jaren ’70, zijn tijdens de bouw niet of nauwelijks voorzien van enige vorm van iso­ latie. Er waren in het begin van de zeventiger jaren, én daarvoor, nog geen dwingende minimum­eisen voor thermische en akoestische isolatie of voor brand­veiligheid. Het milieu en energie­besparing speelde in die tijd geen rol. Door het ontbreken van isolatie gaat veel warm­ te verloren. Uit onderzoek van het adviesbureau Ecofys blijkt dat de bestaande gebouwen verant­ woordelijk zijn voor de uitstoot van circa 35% van de CO2-uitstoot in Nederland. Hiervan komt 53% voor rekening van woningen. Het aanbrengen van isolatie beperkt de uitstoot van broeikasgassen doordat het energieverbruik afneemt. Daarnaast geeft het de gebruikers meer comfort en het scheelt in de kosten voor energie. In figuur 2.1 is de aanwezigheid van isolatie voor de instellingen voor verpleging en verzorging weerge­ geven. Opvallend in deze figuur is dat maar bij iets meer als een derde van de instellingen goed tot zeer goed is geïsoleerd. Dit betekent dat er relatief veel geld letterlijk in rook opgaat. De situatie is des te spijtiger wanneer we bedenken dat juist bij deze instellingen een relatief hoge binnentemperatuur gewenst is.

Bouwmaterialen 28

Isolatie heeft ook in de zomer een toegevoegde waarde. Bij extreme zomerse temperaturen kan de warmte beter buiten gehouden worden, waardoor de koelcapaciteit in het gebouw beperkt kan blij­ ven. 120

Niet tot slecht

100

Redelijk Goed tot zeer goed

80 60 40 20 0 Dakisolatie

Gevelisolatie

Vloerisolatie

Figuur 2.1: Situatie van de gebouwenisolatie voor het bouwsegment verpleging en verzorging Bron: EnergieBesparingsMonitor gebouwde omgeving 2006. Wat levert isolatie op? Ter indicatie: in een slecht geïsoleerd huis is jaarlijks gemiddeld 2.150 m3 gas nodig voor verwarming. In een goed geïsoleerd huis is dat ongeveer een derde, namelijk 700 m3.


Het is moeilijk om goede kengetallen op te stellen voor de mogelijke financiële besparingen door het aanbrengen van isolatie. Er is een groot aantal va­ riabelen die de besparing kunnen beïnvloeden. De mogelijke kostenbesparingen zijn sterk afhankelijk van de eventueel reeds aanwezige isolatie. Daar­ naast spelen de manier waarop men gaat isoleren en het isolatie­materiaal dat men gaat gebruiken een belangrijke rol. Binnen de isolatiewereld wordt daarom gebruik gemaakt van kengetallen om de iso­ lerende waarde weer te geven: de R-waarde en de U-waarde. Aan de hand van deze waarden kan men voor een specifieke locatie mogelijke financiële en energiebesparingen berekenen. De R-waarde (R = resistance) in m²K/W drukt de thermische weerstand uit, of het vermogen van bij­ voorbeeld een wand om de doorgang van warmte en koude te beletten. Hoe hoger de R-waarde, hoe beter het materiaal isoleert tegen hitte en kou van buitenaf. • De Rc-waarde zegt iets over de mate waarin een constructie ervoor zorgt dat de warmte in een gebouw niet van binnen naar buiten wordt getransporteerd. Als een spouwmuur een Rcwaarde heeft van bijvoorbeeld 2,5 m2K/W bete­ kent dit dat de gehele constructie een warmteisolatie (= thermische isolatie) heeft van 2,5. • De Rd-waarde geeft de gedeclareerde isolatie­ waarde van bijvoorbeeld isolatiemateriaal, aan. Als een isolatiemateriaal een Rd-waarde heeft van 2,00 m2 K/W dan wil dat zeggen dat het materiaal zelf een warmte-isolatie heeft van 2,00. Toegepast in een constructie draagt deze Rd-waarde van het isolatiemateriaal bij aan de uiteindelijke Rc-waarde van de gehele construc­ tie.

De U-waarde of warmtedoorgangscoëfficiënt is het omgekeerde van de R-waarde en duidt op de hoe­ veelheid warmte die er verloren gaat. Een lage Uwaarde (in W/m²K) houdt meer warmte binnen. Van de internetsite van Rockwool kan het pro­ gramma ‘BuildDesk’ gratis worden gedownload (www.rockwool.nl). Na het ingeven van de gebouw­ specifieke situatie geeft het programma weer wel­ ke isolatie­waarden behaald kunnen worden. Isover (www.isover.nl) biedt het programma ‘Renocal’ aan. Met dit reken­programma kunnen een aantal renovatie­toepassingen worden doorgerekend. De programma’s geven antwoord op de vraag of het in­ teressant is om een gebouw na te isoleren. Ook kan met de programma’s worden bepaald hoeveel men kan besparen. Door het aanbrengen van isolatie neemt de na­ tuurlijke ventilatie af. Om gezondheidsklachten te voorkomen, moet het ventilatieplan na de isolatie worden herzien. Het ontbreken van goede ventilatie kan leiden tot vochtophoping, waardoor schimmels kunnen ontstaan.

Dakisolatie Het isoleren van een hellend dak leidt tot ener­ giebesparing. Er hoeft minder te worden gestookt om een aangename temperatuur te bereiken en te hand­haven. De energie die kan worden bespaard door het aanbrengen van dakisolatie kan oplopen tot 30%. Voordat de binnenzijde van een dak kan worden geïsoleerd, is het van groot belang om na te gaan of dat wel mogelijk is. Het onderdak dient vrij te zijn van vochtdoorslag. Een onderdak is een aan­

Bouwmaterialen 29


eengesloten beplating tussen de balklagen en de dakbedekking. Voordat kan worden begonnen, moeten lekkages worden opgespoord en hersteld. Bij vochtdoor­latende daken is het noodzakelijk een waterdichte afscherming aan te brengen. Indien dit niet mogelijk is, moeten delen van het onderdak worden vervangen. Veelal heeft dit ook tot gevolg dat de dak­bedekking tijdelijk moet worden ver­ wijderd of vervangen. Tevens dient het onderdak damp­doorlatend en capillair te zijn. Vezelcement of een houten beschot zijn hiervoor geschikt. Wanneer er bitumineuze materialen zijn gebruikt, is het aan te raden deze te vervangen. Deze materialen zijn namelijk sterk dampremmend. Is er geen onderdak, dan is het belangrijk om te weten of er vocht in­ treedt via de dakbedekking. Wanneer dit het geval is, is het noodzakelijk de dakbedekking en de damp­ remmende laag aan de warme kant van de construc­ tie te vervangen. Wanneer er geen of een minimale vochtdoorslag is, is het echter vanuit het oogpunt van een betere luchtdichtheid toch raadzaam een onderdak aan te brengen. Wanneer er onvoldoende aandacht aan de vochtsituatie wordt besteed, kan de dak­constructie door vocht­ophoping gaan rotten. Dak­isolatie (mm)

Prijs (EUR/m2)

Uwaarde

Rd-waarde

60

5,95

0,67

1,65

100

8,95

0,42

2,75

140

11,95

0,31

3,85

Tabel 2.1 Isolatiewaarden en besparingsmogelijkheden dakisolatie. Bron: Rockwool prijslijst 2008. *) Waarden op basis van Rockwool Deltaplaat 212.

Bouwmaterialen 30

Voor het isoleren van een dak kan voor veel ver­ schillende materialen worden gekozen. De verschil­ lende isolatiematerialen zijn op zichzelf niet milieu­ vriendelijk. Maar het gebruik van het materiaal levert altijd energiebesparing en dus milieuwinst op, welk materiaal men ook kiest. De investeringen die met dakisolatie gepaard gaan, worden over het algemeen snel terug verdiend.

Gevelisolatie Door gevels van gebouwen (na) te isoleren, kan ook aanzienlijk op het energieverbruik worden be­ spaard. Er zijn drie manieren om bestaande gevels (na) te isoleren: 1. isolatie in de spouwmuren; 2. isolatie aan de buitenkant van de gevel; 3. isolatie aan de binnenkant van de gevel. 1. Isolatie in de spouwmuur Het inblazen van spouwmuurisolatie is een van de voordeligste vormen van gevelisolatie bij bestaande gebouwen. Het geeft bovendien weinig overlast tij­ dens het aanbrengen. Een veel gehanteerd kengetal is dat spouwmuurisolatie een besparing oplevert van circa 10 m3 gas per m2 geïsoleerde spouwmuur. De investering van spouwmuurisolatie wordt gemid­ deld binnen vijf jaar terugverdiend. Isolatie in de spouwmuur wordt via een gat geïnjec­ teerd in de spouwmuur. Er worden gaten in de muur geboord op regelmatige afstand op de kruising van eindvoeg en stootvoeg. Vervolgens wordt het isolatie­materiaal onder druk in de muur gespoten. Bij oudere gebouwen dient de spouwmuur als be­


luchting voor de kruipruimte. Daarom moet men in dergelijke situaties maatregelen treffen om de be­ luchting van de kruipruimte te garanderen. Belangrijk bij spouwmuurisolatie is dat vooraf een inspectie van zowel de binnen- als buitenzijde van de spouwmuur plaatsvindt. Uit dit onderzoek moet blijken of er zich geen ernstige verontreinigingen bevinden die als koudebrug kunnen gaan functione­ ren. Een van de mogelijke oplossingen voor spouwmuur­ isolatie is het inblazen van steenwolvlokken zoals geleverd door bijvoorbeeld Rockwool of Isover. Spouw­ muur ruimte in mm

Prijs (EUR/kg)

Uwaarde

Rcwaarde

Besparing*) (EUR/m2/jaar)

aanbrengen van isolatie aan de buitenkant van de gevel zijn twee oplossingen. De ene oplossing is het aanbrengen van buitengevelplaten, een andere op­ lossing is het aanbrengen van buitengevelisolatie in combinatie met pleisterlaagafwerking. Gevel­isolatie dikte*) (mm) 50

Prijs (EUR/m2)

U-waarde

Rd-waarde

5,95

0,71

1,40

80

9,40

0,49

2,25

100

11,80

0,40

2,80

Tabel 2.3 Isolatiewaarden en besparingsmogelijkheden gevelisolatie. Bron: Rockwool prijslijst 2008. *) Uitgaande van Rockwool gevelplaat 430 duo.

3. Isolatie aan de binnenkant van de gevel

50

2,45

0,71

1,24

~1,24

80

2,45

0,49

1,88

~1,88

100

2,45

0,40

2,30

~2,30

Tabel 2.2 Isolatiewaarden en besparingsmogelijkheden spouwmuurisolatie. Bron: Rockwool prijslijst 2008. *) Uitgaande van een gasprijs van € 0,60 per m3 gas, een rendement van 85% voor de verwarming (totaalrendement inclusief opwekking, distributie, afgifte) en gemiddelde klimaatgegevens voor De Bilt. Kosten exclusief installatie, btw en subsidie.

2. Isolatie aan de buitenkant van de gevel De mogelijkheid om isolatie aan te brengen aan de buitenkant van een gevel brengt zeer veel bouw­ activiteiten met zich mee in vergelijking met het inblazen van isolatie in de spouwmuur. Voor het

Voor isolatie aan de binnenkant van de gevel bestaan zeer veel mogelijkheden. Net als bij isolatie aan de buitenkant van de gevel gaat dit echter gepaard met zeer veel bouwactiviteiten. Deze activiteiten zullen veelal in projectvorm worden uitgewerkt en waar­ schijnlijk in combinatie met andere werkzaamheden worden uitgevoerd. Kengetallen met betrekking tot kosten en isolatiewaarden zijn zeer sterk afhanke­ lijk van de gekozen oplossing en daarom niet in dit handboek opgenomen.

Vloerisolatie Isolatie voor de begane grond- en verdiepingsvloeren is relatief eenvoudig aan te brengen. Het verhoogt direct het woon- en werkcomfort. Met name bij vloeren boven een kruipruimte speelt doorkomend vocht, en de bestrijding ervan, een grote rol. Door de vloeren boven een kruipruimte goed te isoleren,

Bouwmaterialen 31


wordt vocht bestreden en hoeft er minder gestookt te worden om een comfortabele temperatuur te verkrijgen en te behouden. Door het aanbrengen van vloerisolatie in de kruip­ ruimtes kan bij een verpleeghuis gemiddeld circa 4 m3 gas per m2 vloeroppervlakte bespaard worden.1 In 56% van de instellingen voor verpleging en verzor­ ging is geen tot slechte vloerisolatie aangebracht. In slechts 35% van de gevallen is de vloerisolatie goed tot zeer goed2. Of een vloer op de begane grond goed is te isoleren, hangt af van het feit of er een kruipruimte aanwezig is en hoe hoog deze is. Bij kruipruimtes van 35 cm of hoger, zijn er twee opties: de onderkant van de vloer of bovenop de vloer isoleren. Het aanbrengen van isolatie aan de onderkant van de vloer levert het meeste comfort op. Als er geen of slechts een zeer ondiepe kruipruimte aanwezig is, kan vloer­ isolatie worden gerealiseerd door het aanbrengen van een laag isolatie bovenop de vloer. Dat verhoogt de vloer met 5 tot 8 cm. Isolatieplaten zijn hiervoor geschikt materiaal. Een andere optie is de oude vloer verwijderen en een nieuwe vloer opbouwen, met isolatie aan de onderkant. Dit is een ingrijpen­ de en kostbare ingreep. De verschillen tussen isolatiematerialen (in soort of isolatiewaarde) zijn klein. Voor welk type er ook ge­ kozen wordt, de energiebesparing en de milieuwinst zijn altijd groot. De kosten van vloerisolatie verdient zich in 4 tot 10  jaar3 terug. Isolatie­materialen die voor vloerisolatie kunnen worden toegepast zijn: glaswol, steenwol, EPS (‘piepschuim’), schelpen en kleikorrels.

Bouwmaterialen 32

Net als bij gevelisolatie wordt bij vloerisolatie ook gebruik gemaakt van de R-waarde. De R-waarde van de isolatie hangt niet alleen af van het soort materi­ aal, maar ook van de dikte ervan. Wanneer een vloer zich boven een onverwarmde kelder of kruipruimte bevindt, dan maakt deze deel uit van de zogenaamde ‘uitwendige scheidings­ constructie’. In geval van nieuwbouw of renovatie waarbij een vergunning verplicht is, worden er in het Bouwbesluit eisen opgelegd voor de R-waarde. De Rd-waarde, moet in dergelijke gevallen mini­ maal 2,5 m2K/W bedragen. In hoofdstuk 5 wordt het Bouwbesluit besproken.

Onderkant van de vloer*)

Prijs (EUR/m2)

U-waarde

Rd-waarde

25,00

0,42

2,38

Bodem van de kruipruimte Zwevende vloer**)

1,30 7,45

0,85

Tabel 2.4 Isolatiewaarden en besparingsmogelijkheden vloerisolatie. Bron: www.grozema.nl. *) 6 cm gespoten polyurethaan. **) Rockwool zwevende vloerplaat 501, 30 mm.

Glas Ramen worden vaak onderschat als het gaat om energiebesparing. Vergeleken met ramen van 25 à 35  jaar geleden laten ramen volgens de huidige norm minder dan de helft aan energie naar buiten ontsnappen. En dit terwijl de kosten ongeveer een


kwart lager liggen. Naast een goede warmte-isolatie hebben de huidige ramen ook een zeer goede geluids­isolatie. Ook wanneer ramen en kozijnen nog niet aan vervanging toe zijn, kan het toch rendabel zijn om in verwarmde vertrekken glas te vervan­ gen door hoog rendement isolerend glas. De naam Thermopane wordt vaak gebruikt als synoniem voor isolerend dubbel glas. Het is echter een merknaam voor een speciaal type dubbel glas dat geproduceerd werd door de firma Glaverbel van 1948 tot 1993.

HR betekent hoog rendement. Het glastype HR++ heeft de hoogste isolatiewaarde en is het duurste in aanschaf. In HR++ glas van verschillende fabri­ kanten kan kleurverschil zitten. Dit komt door de verschillende soorten coating die worden toegepast. Bij breuk of vervanging van het glas kan het beste HR++ glas van dezelfde fabrikant worden toegepast. Hierdoor is de kans op kleurverschil klein. Om zeker te stellen dat er geen ongewenste, te grote kleur­ verschillen optreden, is het raadzaam om vóór het plaatsen van nieuwe beglazing met glas­stalen te be­ palen welk glas het meest passend is.

Voor de inval van licht in een gebouw is het belang­ rijk om ramen te plaatsen. Schuine glasstroken zoals veranda’s en glasstraten brengen veel licht naar bin­ nen, maar hebben ook veel invloed op de warmte­ ontwikkeling in een gebouw. In de zomer staat de zon hoog en is de invalshoek van de zon bijna lood­ recht op het glas. Dit zorgt ervoor dat de zon er dwars doorheen schijnt en er veel zon binnentreedt. In de winter verliest het schuine glas ’s nachts veel warmte.

Glasisolatie kan worden gerealiseerd door het ge­ bruik van gewoon dubbel glas, voorzetramen, HR+ glas of HR++  glas. De ruimte tussen de twee glazen van gewoon dubbel glas is gevuld met droge lucht. Tussen de glasplaten van HR+ en HR++ glas zit edelgas. Het gebruik van edelgas levert een hogere isolatiewaarde op. Om de isolatiewaarde van HR glas verder te verbeteren, is er aan de binnenzijde van het glas een coating aangebracht. Het effect van de coating is dat de warmte wordt teruggekaatst ter­ wijl het zonlicht doorgelaten wordt.

Er zijn verschillende soorten dubbel glas, elk met zijn eigen isolatiewaarde: gewoon dubbel glas, HR+ glas en HR++ glas. Soort glas

Prijs*) (EUR/m2)

Enkel glas

U-waarde

Gasbesparing per jaar **) (m3/m2)

Kostenbesparing per jaar (EUR/m2 glas)

5,8

-

-

Voorzetraam zonder coating

70 - 150

2,8

25

17

Voorzetraam met coating

70 - 150

2,0

30

20

Dubbel glas

100 - 150

2,8

25

17

HR+ glas

100 - 150

1,6

33

22

HR++ glas

125 - 185

1,2

35

23

Tabel 2.5 Isolatiewaarden en besparingsmogelijkheden met isolerend glas. Bron: www.milieucentraal.nl *) Kosten inclusief installatie, exclusief btw. **) Uitgaande van een woonkamersituatie.

Bouwmaterialen 33


De ‘G’ van groen is ook de ‘G’ van geld. Dit is de tijd waarin milieuverbetering ook winstgevend gaat worden. Jeffrey R. Immelt, voorzitter RvB en topman van General Electric Uit: Een ongemakkelijke waarheid Het gevaar van het broeikaseffect en wat we eraan kunnen doen van Al Gore


In tabel 2.5 is weergegeven welke vormen van be­ glazing zijn toegepast in de instellingen voor verple­ ging en verzorging. Glasisolatie toegepast (%) Enkel glas

12

Dubbel glas

76

Extra dubbel glas

12

Tabel 2.6 Aanwezigheid glasisolatie 2006. Bron: EnergieBesparingsMonitor gebouwde omgeving 2006.

Op alle glassoorten wordt een garantie van 10 jaar gegeven. De technische levensduur is meer dan 20  jaar. Na 20  tot 30  jaar kan vocht doordringen in de spouw en voor wazige plekken zorgen4. Het is daarom van belang het raam zo te plaatsen dat de kitrand van de afstandhouder zo min mogelijk in contact kan komen met vocht. Behalve dat vocht kan intreden, kan het edelgas van HR+ en HR++ glas uittreden.

Kozijnen Wanneer de ramen van een gebouw aan vervanging toe zijn, dient er rekening te worden gehouden met de eisen van het Bouwbesluit. In een aantal gevallen is er bij vervanging een bouwvergunning nodig. Bij de aanvraag van een bouwvergunning moet worden aangetoond dat de aanpassing voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit. Het vervangen van uitsluitend de beglazing is bouwvergunningvrij. Maar ook bij bouwvergunningvrije bouwactiviteiten is het Bouw­ besluit van toepassing.

Een raam bestaat uit verschillende constructie­ onderdelen. In de meeste gevallen bestaat een raam uit een kozijn en de beglazing. Het Bouw­besluit stelt de eis over de isolatiewaarde van het gehele raam (dus U raam = U kozijn + U glas) en over de afzon­ derlijke constructieonderdelen. Het kozijn kan van verschillende materialen worden vervaardigd, namelijk hout, kunststof of aluminium. Voor de isolerende werking maakt het niet uit welk materiaal er gekozen wordt. Wel is er milieuwinst te halen door een kozijn te kiezen met goede con­ structieve eigenschappen, bijvoorbeeld een monta­ gekozijn met keurmerk. Deze geprefabriceerde, op maat gemaakte kozijnen hebben een lange levens­ duur en zijn demontabel. Dit geeft milieuvoordeel bij productie, onderhoud en in de afvalfase. Houten en kunststof kozijnen isoleren voldoende. Bij de aanschaf van aluminium kozijnen is het be­ langrijk om op de isolatiewaarde te letten. Een aluminium kozijn met een goede zogenaamde ther­ mische onderbreking isoleert net zo goed als een houten of kunststof kozijn. Een goed isolerend raam geeft een goede bijdrage aan de energiebesparing. In tabel 2.7 zijn de U-waarden voor de verschillende typen kozijnen weergegeven. Type kozijn

U-waarde

Hout

2,4

Kunststof

1,0 < U < 2,0*)

Aluminium

6,0

Aluminium met koudebrug onderbreking

1,8 < U < 2,7*)

Tabel 2.7 U-waarde kozijn. Bron: www.ekbouwadvies.nl *)Afhankelijk van de fabrikant.

Bouwmaterialen 35


Uit tabel 2.7 blijkt dat het aluminium kozijn zonder koudebrug onderbreking een zeer slechte isolatie­ waarde heeft. Door deze slechte isolatiewaarde kan dit type kozijn niet worden toegepast in verwarmde ruimtes. Het kan echter wel worden toegepast in onverwarmde bijgebouwen, zoals bergingen en ga­ rages, zelfs als men daar enkel glas in zou plaatsen. De globale isolatiewaarde van een raam bestaat uit een samenstelling van de isolatiewaarde voor het glas en de isolatiewaarde van het kozijn. In de ver­ schillende documentatie worden deze verschillende isolatiewaarden als volgt aangeduid: • Uw – de ‘w’ staat voor het Engelse woord ‘window’. Deze waarde geeft het warmteverlies aan van het kozijn inclusief glas. • Ugl – de ‘gl’ komt van ‘glazing’ en heeft betrek­ king op het warmteverlies van alleen het glas. • Ufr – de ‘fr’ staat voor ‘frame’. Deze waarde geeft het warmteverlies van het kozijn en het raam aan. In tabel 2.8 zijn de U-waarden weergegeven van het venster bij toepassing van de verschillende soorten glas in de verschillende mogelijke kozijnen.

Deze tabel laat zien dat het belangrijk is om na te gaan of men spreekt over de U-waarde van het glas of de U-waarde van het raam. Onduidelijkheid hierover kan leiden tot aanzienlijke verschillen. Zo bedraagt bij een HR++ beglazing de U-waarde van het raam 1,8 W/m2K, en de U-waarde van het glas 1,2 W/m2K. De (negatieve) invloed van het kozijn is dus aanzienlijk. Bij het aanschaffen van een raam dient men de isolatiewaarde van de beglazing zo veel mogelijk in overeenstemming te brengen met de isolatiewaarde van het kozijn. Wanneer er wordt gekozen voor een kozijn met een lagere isolatie­ waarde dan de isolatiewaarde van de beglazing is er kans op condensatie op het kozijn.

Verven en lakken Dat verven, lakken en andere afwerklagen vaak giftige stoffen bevatten, is vrij algemeen bekend. Ook is het wel bekend dat er giftige stoffen kunnen vrijkomen bij de verwerking van afwerklagen. Het is echter minder bekend om welke stoffen het gaat, in welke hoeveelheden en welke maatregelen getrof­ fen moeten worden.

Type glas

Ugl

Hout of kunststof kozijn met Ufr = 2,4

Metalen kozijn met thermische onderbreking met Ufr = 3,8

Metalen kozijn zonder thermische onderbreking met Ufr = 7,0

Dubbel glas

2,8

2,9

3,3

4,1

HR glas

2,0

2,3

2,8

3,6

HR+ glas

1,6

2,0

2,5

3,3

HR++ glas

1,2

1,8

2,2

3,0

Tabel 2.8 U-waarde raam. Bron: www.ekbouwadvies.nl.

Bouwmaterialen 36


Hierbij moet niet enkel gedacht worden aan de te treffen maatregelen bij verwerking, ook moet er een juiste keuze worden gemaakt om het binnen­ klimaat minimaal te belasten na de verwerking. In het binnenklimaat bevinden zich naast de stof­ fen van de afwerklagen ook stoffen van inrichtings­ materiaal (inventaris, stoffering), consumenten­ producten (schoonmaakmiddelen, cosmetica) en roken. De blootstelling aan giftige stoffen uit verven en lakken is voor niet-beroepsmatig gebruik slechts in­ cidenteel. Desondanks kunnen sommige verven en lakken leiden tot een sterke verhoging en soms lang­ durig verhoogde concentraties van giftige stoffen. In Nederland is etikettering over veilige verwerking wettelijk verplicht. Door middel van bijvoorbeeld gevaarsymbolen wordt gewezen op eventuele na­ delige effecten. Daarnaast moet elke leverancier of producent op aanvraag informatie verstrekken over het veilig verwerken, de zogenaamde veiligheids­ bladen. Het ministerie van VROM heeft normen vastgesteld ten aanzien van de toegestane concentratie gif­ tige stoffen voor de (binnen)lucht. De meeste nor­ men zijn gebaseerd op de ‘Air Quality Guidelines’ van de Wereldgezondheidsorganisatie. Een nadeel is dat deze normen geen rekening houden met de aanwezigheid van meerdere stoffen tegelijkertijd, een situatie die voor een binnenklimaat eerder regel dan uitzondering is. Daarom heeft de gezondheids­ raad in 2000 een advieswaarde opgesteld voor het binnen­klimaat. Deze advieswaarde is gebaseerd op het optreden van prikkelingen van neusslijmvlies, ogen en geurhinder van 0,2 milligram organische op­ losmiddel per m3 lucht.5

Zonwering De diverse soorten zonwering zijn onder te verde­ len in vaste en regelbare zonweringsystemen. Vaste zonwering heeft ten opzichte van beweegbare zon­ wering het nadeel dat ook in de winter zon- en dag­ licht wordt tegengehouden. Dit leidt tot een hoger energieverbruik voor verwarming en kunstverlich­ ting. Binnenzonwering (gordijn of rolluik) heeft ten op­ zichte van de andere zonweringsystemen als be­ langrijk nadeel dat in de zomer een deel van de zonnewarmte indirect toch in het vertrek komt. De zon warmt de binnenzonwering op en deze warm­ te wordt afgegeven in de ruimte. Dit leidt tot een verhoging van de binnentemperatuur en dus van de koellast. In de winter is de warmteafgifte van het binnen­zon­wering­systeem wel gunstig, maar zeer ge­ ring. Buitenzonwering houdt 86 à  90% van de warmteenergie tegen, binnenzonwering 35 à 65%. Binnen de verpleging wordt in 20% van de gevallen zonlichtafhankelijke zonwering6 toegepast.

Bouwmaterialen 37


3

Binnenklimaat Mensen zijn gemiddeld 85% van hun tijd binnen, waarvan 70% in hun eigen woning . Voor de bewoners van de instellingen voor verpleging en verzorging ligt dit percentage aanmerkelijk hoger. Voor zowel het thermisch comfort als de gezondheid van bewoners, medewerkers en bezoekers is een goed binnenklimaat daarom belangrijk. Door het maken van juiste keuzes kan een goede balans worden gecreĂŤerd tussen enerzijds het voorkomen van onnodig energieverbruik en anderzijds het creĂŤren van een comfortabel gevoel.

Binnenklimaat 39


Thermisch comfort Thermisch comfort kan worden gedefinieerd als: “die toestand waarin de mens tevreden is over zijn thermische omgeving en geen voorkeur heeft voor een warmere of koudere omgeving”.1 Bij thermisch comfort speelt de warmtehuishouding van de mens een belangrijke rol. Deze warmtehuishouding wordt beïnvloed door parameters zoals temperatuur en luchtvochtigheid én persoonsgebonden para­meters zoals activiteit en kleding. Voor het beschrijven van het thermisch comfort zijn verschillende modellen ontwikkeld. Een van de meest gebruikte modellen is dat van Fanger. Bij dit model wordt uitgegaan van het klimaat in een ruim­ te en persoonsgebonden parameters. Het model van Fanger is de basis voor de ISO-norm 74 ‘thermische behaaglijkheid, eisen voor de binnentemperatuur in gebouwen’. Het model van Fanger is gebaseerd op onderzoek bij een groot aantal proefpersonen. In het onder­ zoek moesten de proefpersonen met verschillende kledingcombinaties enige uren in een ruimte verblij­ ven. Met de resultaten van dit onderzoek is een mo­ del opgesteld waarin wordt weergegeven bij welke waarden een ruimte als behaaglijk wordt ervaren. Met dit model kan een voorspelling worden gemaakt over hoe tevreden personen zijn over een klimaat. Er kunnen verschillende maatregelen worden getrof­ fen om het binnenklimaat te beïnvloeden. Met deze maatregelen kan overlast door extreme zomerse en winterse temperaturen worden beperkt. Om dit te kunnen bereiken, kunnen er zowel bouwkundige maatregelen als organisatorische maatregelen wor­ den getroffen.

Binnenklimaat 40

Bij bouwkundige maatregelen kan men denken aan het aanbrengen van goede, centraal bedienbare, zonwering. Met goede zonwering kan tot 90% van de warmte buiten het gebouw worden gehouden. Ook het aanbrengen van isolatie zorgt ervoor dat de warmte en koude het gebouw niet kunnen binnen­ dringen. Daarnaast moet zo veel mogelijk worden voorkomen dat de mechanische ventilatie warme of koude buitenlucht het gebouw inblaast. Tevens heeft de kleur van het dak invloed op de warmte die door het gebouw wordt opgenomen. Door het toe­ passen van dakbedekkingsmaterialen met een lichte kleur wordt zonlicht grotendeels gereflecteerd en kan warmteoverlast worden verminderd. De organisatorische maatregelen die een organisa­ tie kan treffen, kunnen worden opgenomen in een zogenaamd ‘heet/koud-weer-protocol’. In een der­ gelijk protocol moeten díe maatregelen worden beschreven die ongewenste opwarming van het ge­ bouw moeten voorkomen en wat men moet doen bij koude perioden.

Verwarmen Centrale verwarming Voor het verwarmen van de ruimtes wordt in de instellingen voor verpleging en verzorging gebruik gemaakt van centrale verwarming. Centrale ver­ warming is een verwarmingssysteem waarbij vanuit een centraal punt, de verwarmingsketel, verschil­ lende ruimtes worden verwarmd. Vanuit dat punt wordt warm water getransporteerd naar radiatoren of verwarmingselementen die op hun beurt warmte afgeven aan de omgeving.


Door de steeds maar stijgende energieprijzen is het rendement van cv-ketels de laatste jaren steeds be­ langrijker geworden. Op dit moment kan men een keuze maken tussen Verbeterd Rendement (VR) en Hoog Rendement (HR). Wanneer minimaal 83% van de energie wordt omgezet in nuttige warmte, spre­ ken we van Verbeterd Rendement. Vanaf 90% is er sprake van Hoog Rendement. Hoog Rendement is onderverdeeld in HR100 (vanaf 90%), HR104 (vanaf 94%) en HR107 (vanaf 96%).2 In tabel 3.1 is weerge­ geven welke maximale besparing kan worden be­ reikt door vervanging van een ketel. Oude ketel

Nieuwe ketel, gasgestookt

Maximale besparing (%)

Conventioneel atmosferisch gas

VR atmosferisch

10

Conventioneel atmosferisch gas

HR atmosferisch

18

Conventioneel met ventilatorbrander­ gas

VR ventilator­ brander

2

Conventioneel met ventilatorbrander­ gas

HR ventilator­ brander

9

VR atmosferisch gas

HR ventilator­ brander

8

VR met ventilator­ brandergas

HR ventilator­ brander

7

Conventioneel met ventilatorbrander­ olie

VR ventilator­ brander

2

Tabel 3.1 Rendementsverbetering door vervanging oude ketels. Bron: Cijfers en tabellen 2007, SenterNovem.

Bij instellingen voor verpleging en verzorging zijn gemiddeld 2,7 cv-ketels aanwezig. Het overgrote deel van deze ketels is een HR-ketel (64%). Verder is 18% van de ketels een VR-ketel en de overige 18% conventioneel.3 Bij verzorgingshuizen is er een verwarmings­ vermogen van gemiddeld 50  W/m2 aanwezig. Bij een energiezuinig gebouw is er een verwarmings­ vermogen van gemiddeld 20 tot 30 W/m2 aanwezig.4 Het SenterNovem heeft onderzocht hoeveel instel­ lingen voor verpleging en verzorging in de periode van 2003 tot 2005 extern advies hebben ingewon­ nen over de verwarmingsinstallaties. Circa 16% van de instellingen heeft in die periode extern advies ingewonnen. Ruim 11% van de instellingen heeft zelf onderzoek gedaan naar de verwarmingsinstallatie, bijvoorbeeld naar aanleiding van klachten over com­ fort of het technische systeem. Het principe van de cv is dat een pomp water naar de verschillende radiatoren pompt. Radiato­ ren dichtbij de pomp krijgen daardoor veel water aangeboden en radiatoren verder weg van de pomp veel minder. Het gevolg is dat ruimtes dichtbij de cv-pomp erg heet worden, terwijl de radiatoren ver­ derop nauwelijks warm worden. Het gevolg is dat de cv-ketel uitschakelt als gevolg van een te hoge retourwatertemperatuur. Door alle radiatoren wa­ terzijdig in te regelen, zullen alle ruimtes even snel warm worden. Waterzijdig inregelen is het van buitenaf beperken van de maximum doorstroming van de radiator. Ook de radiatoren in de ruimte waar de thermostaat zit, moeten waterzijdig worden ingeregeld. In slechts 33% van de verpleeghuizen is de cv waterzijdig in­

Binnenklimaat 41


geregeld.5 Het waterzijdig inregelen van radiatoren kan een besparing op het gasgebruik opleveren van tot 20%.6

Zonneboiler Zonne-energie kan in twee soorten worden op­ gedeeld: enerzijds de omzetting van zonlicht in elektriciteit (zonnestroom of photovoltaïsche zonne-energie) en anderzijds de omzetting van zonlicht in warmte (zonnewarmte of thermische zonne-energie). De bijdrage van zonne-energie aan de totale duurzame energie in Nederland is klein. Het gaat om ruim 1%.7

Een collector werkt voor 40% op direct zonlicht en voor 60% op diffuus licht. Daarom kan een zonne­ collector ook bij bewolkt weer warmte leveren.9 collector

vat

warm water

cv-ketel koud water

Een steeds vaker toegepaste technologie om zon­ licht om te zetten in warmte is de zonneboiler. Een zonneboiler bestaat uit een collector, een opslagvat en een pomp. Met behulp van een zonneboiler kan tapwater worden verwarmd. Ook kan de opgewekte warmte gebruikt worden voor de verwarming van ruimtes. Meestal wordt een zonneboiler gekoppeld aan een combiketel. De zonneboiler verwarmt het water voor en de combiketel zorgt voor de uitein­ delijke gewenste temperatuur. Grotere zonneboiler­ systemen kunnen worden toegepast voor de verwar­ ming van verpleeg- en verzorgingshuizen. In 2006 was er in Nederland 646.000 m2 aan warmtecollec­ toren opgesteld.8

Figuur 3.1: Zonneboiler gekoppeld aan cv-ketel. Bron: www.milieucentraal.nl.

De collector vangt het zonlicht op, zet het licht om in warmte en geeft deze warmte af aan langs stro­ mend water. Het vermogen van de collector waar­ mee water wordt verwarmd, is meestal slechts een paar honderd Watt. Daarom is het systeem voorzien van een opslagvat. Het opslagvat vormt een buffer tussen het langzaam opslaan van zonnewarmte en het snel onttrekken van warmte tijdens gebruik.

De technologie voor zonnewarmte is nog volop in ontwikkeling. Door schaalvergroting en technische ontwikkelingen zal naar verwachting de aanschaf­ prijs in de komende jaren verder dalen. In tabel 3.2 zijn de richtprijzen voor een zonneboilersysteem weergegeven. Wanneer de kosten voor zonnewarm­ te wordt omgerekend, komt men op dit moment in de buurt van het gastarief voor kleingebruikers.12

Binnenklimaat 42

Zonnewarmte kan goed worden toegepast bij in­ stellingen voor verpleging en verzorging. Het ver­ bruik van warm tapwater in de zorgsector is hoog en constant door het gehele jaar. Verzorgingshuizen gebruiken het relatief dure gastarief voor klein­ verbruikers. Dat maakt de toepassing van grote zonne­boilers een interessante toepassing. Een sub­ stantieel deel (30 tot 50%) van de warmwatervraag kan verwarmd worden door een zonneboiler.10 In­ middels zijn er bij meer dan 50  verzorgingshuizen zonne­boilersystemen gerealiseerd.11


Capaciteit

Zonneboiler (EUR)

Zonneboiler met ketel (EUR)

Collector 2,75 m2, 90 liter boiler

1.300

3.500

Collector 4,12 m2, 140 liter boiler

1.800

3.950

80

n.b.

200

n.b.

Collector

Toebehoren Thermostatisch mengventiel Aanvoer/retour­ leidingen in isolatie­ mantel

Tabel 3.2 Richtprijzen zonneboilersystemen. Prijzen exclusief montage en btw. Bron: diverse leveranciers 2007.

Warmtepomp Een warmtepomp is een systeem dat net als een centrale verwarming of een zonneboiler een ruimte kan voorzien van verwarming en warm water. Naast de mogelijkheid van verwarming kan de warmte­ pomp ook voor koeling worden gebruikt. Een ander voordeel bij het gebruik van een warmtepomp is dat de bron voor de verwarming of koeling gratis is. Als bron voor de warmtepomp kan gebruik gemaakt worden van grondwater, ventilatielucht, oppervlak­ tewater of buitenlucht. Een warmtepomp is in feite een omgekeerde koel­ kast. In een koelkast wordt warmte onttrokken aan de binnenkant van de koelkast, waardoor de tempe­ ratuur in de koelkast daalt. Het apparaat geeft de

warmte af aan de lucht buiten het apparaat. Bij een koelkast is dit aan de achterkant. Het principe van een warmtepomp werkt als volgt: grondwater wordt langs een vloeistof in de warmte­ pomp geleid. Deze vloeistof heeft de eigenschap dat het al op een relatief lage temperatuur verdampt. De warmtepomp drukt vervolgens de vloeistof sa­ men. Het samendrukken heeft tot gevolg dat de temperatuur verder toeneemt. De samengedrukte vloeistof wordt vervolgens langs een waterleiding van een verwarmingssysteem geleid en geeft daar­ aan warmte af. Bij gebruik van grondwater wordt warm water opgepompt en afgekoeld water terug­ gepompt. Warmtepompen werken op elektriciteit of op gas. Maar de hoeveelheid benodigde energie is veel la­ ger dan die van een gasgestookte HR-ketel. Het ren­ dement van een warmtepomp staat op de installa­ tie vermeld met de aanduiding COP. Dit staat voor ‘Coefficient Of Performance’. COP wordt aangeduid met een cijfer. Dit cijfer geeft de verhouding aan tussen de hoeveelheid warmte die wordt afgegeven en de hoeveelheid energie die nodig is voor de instal­ latie. Een COP van 1 betekent dat de warmtepomp net zo veel warmte afgeeft als dat er energie ver­ bruikt wordt. De huidige elektrische warmtepompen hebben een COP tussen de 3 en 5. Bij een COP van 3 is het rendement dus 300%. Een warmtepomp heeft een rendement dat ongeveer 11 tot 31% hoger ligt dan het rendement van de beste HR-ketels.13 De overheid streeft ernaar om in 2020 ongeveer 1.850 miljoen m3 aardgas te besparen door de inzet van warmtepompen. Warmtepompen moeten dan een kwart van de totale doelstelling voor duurzame energie realiseren. Volgens het CBS stonden er eind

Binnenklimaat 43


2006 in Nederland 53.784 warmtepompen opge­ steld.14 Door het gebruik van deze pompen is er een totaal van 81,1 miljoen m3 gas bespaard. In het revalidatiecentrum Beatrixoord in Haren (Gn) wordt bij de verwarming en koeling van de ventilatie­lucht voor de verpleegafdelingen gebruik gemaakt van warmtepompen. De reden waarom men voor deze toepassing heeft gekozen, is de slechte infrastructuur. Hierdoor was het toepassen van een conventionele koelmachine en cv-ketel geen optie. Voor de verpleegafdelingen, met een gezamenlijke oppervlakte van 6.750  m2, worden twee warmte­ pompen met een vermogen van 153 kW gebruikt.15 Een warmtepompinstallatie is behoorlijk prijzig in aanschaf. De hoge kosten verdienen zich echter te­ rug door de lage kosten voor energie en onderhoud. De levensduur van een elektrische warmtepomp­ installatie is ongeveer twee keer zo lang als die van een cv-ketel, namelijk 25 tot 30 jaar.16 In tabel 3.3 is een prijsindicatie voor een grondwaterwarmte­ pompsysteem weergegeven. Thermisch vermogen (Watt)

Kosten (EUR)

Kosten (EUR/kW)

3

3.900

1.300

11

5.200

470

20

7.500

380

36

10.200

280

53

14.680

280

70

17.950

260

88

19.670

220

Tabel 3.3 Warmtepomp voor grondwater. Investeringen exclusief subsidies en btw. Bron: Cijfers en tabellen 2007, SenterNovem.

Binnenklimaat 44

Het SenterNovem, de Stichting Warmtepompen, NVOE en TNO hebben gezamenlijk de website www.warmtepompenwegwijzer.nl opgezet. Op deze website kan het programma ‘QuickScan Warmte­ pompen utiliteit’ worden gedownload. Met dit pro­ gramma kan de haalbaarheid van warmtepomp­ systemen worden bepaald. Deze tool is voornamelijk gericht op kantoren en verpleeghuizen.

Warmtekrachtkoppeling In 2006 had 18% van de instellingen voor verpleging en verzorging een verwarmingsinstallatie met een warmtekrachtkoppeling. Warmtekrachtkoppeling is een gecombineerde opwekking van warmte en elek­ triciteit. Veel instellingen voor verpleging en verzorging zijn nog voorzien van warmtekrachtinstallaties die slecht geïntegreerd zijn met de overige aanwezige syste­ men. Veelal hebben deze warmtekracht­installaties geen waterbuffer en geen noodkoeler, waardoor de installatie niet optimaal functioneert. Door gebruik te maken van een warmtekoppeling met water­buffer kan er een energiebesparing worden gerealiseerd van 30 tot 40%.17 De buffer vult zich overdag met warmte die ’s  nachts gebruikt kan worden om het gebouw op temperatuur te houden en warm water te leveren. Bovendien is het gasverbruik voor warm­ tekracht vrijgesteld van energiebelasting. De aanschaf van een warmtekrachtinstallatie is een kostbare investering. In tabel 3.4 is een prijsindica­ tie voor warmtekrachtinstallaties weergegeven.


Vermogen (kW)

Prijsindicatie (EUR)

Prijsindicatie (EUR/kW)

20

32.000

1.600

60

88.000

1.470

100

100.000

1.000

200

140.000

700

250

160.000

640

400

180.000

450

800

270.000

340

1.000

320.000

320

vooral financieel rendabel is bij gebouwen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 6.000 m2.18 Een manier om de lucht in een gebouw te koelen, is het gebruik van een topkoelingssysteem. Bij top­koeling wordt slechts enkele graden gekoeld. Het SenterNovem raadt af om in de zomer het temperatuur­verschil met buiten groter dan 5° C te maken. Een temperatuurverschil met de buitenlucht van maximaal 5°  C ervaren de meeste mensen als prettig. Daarnaast is het hoge energieverbruik van koelsystemen een argument om de temperatuur niet te veel te verlagen.

Tabel 3.4 Prijsindicaties voor warmtekrachtinstallaties. Bron: Cijfers en tabellen 2007, SenterNovem.

Koeling Door een combinatie van bouwkundige en organi­ satorische maatregelen kan de temperatuur in een gebouw worden verlaagd. Wanneer dit niet tot vol­ doende resultaat leidt, kan worden gekozen voor een mechanische koelinstallatie. Volgens de EnergieBesparingsMonitor gebouwde omgeving 2006 van het SenterNovem was er in 2006 bij 50% van de instellingen voor verpleging en verzorging een mechanische koelinstallatie aanwe­ zig. Deze installaties koelen gemiddeld 26% van de ruimte in deze instellingen. In tabel 3.5 is de ver­ deling van toegepaste typen mechanische koeling weergegeven. De meest gebruikte methode voor ruimte­koeling is via compressie. Koelen met behulp van koudeopslag in de bodem is het meest energie­ zuinig, maar wordt nog relatief weinig toegepast. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat koude­opslag

Verdeling type koeling (%) Geen

50

Via compressie koelmachine

44

Via absorptie koelmachine

2

Via koudeopslag in de bodem

2

Via ander systeem

1

Via meerdere systemen

1

Weet niet op welke manier

1

Tabel 3.5 Verdeling type koeling. Bron: Energie­ Besparings­Monitor gebouwde omgeving 2006.

Er zijn verschillende manieren om koele lucht te maken. In het document ‘De hitte de baas, koe­ ling in zorginstellingen’ van het College bouw zorg­ instellingen, worden de volgende vier opgesomd: • de luchtgekoelde compressiemachine; • de absorptiewarmtepomp; • warmte- en koudeopslag in de bodem; • adiabatische koeling of dauwpunts­koeling.

Binnenklimaat 45


Energie besparen is gemakkelijk. Gebrek aan kennis kost ondernemers handenvol geld. Martin Kloet, directeur Energiecentrum Uit: Kamerkrant voor ondernemend Noord-Nederland februari 2008


De luchtgekoelde compressiemachine onttrekt warmte aan een koelmedium en geeft deze warmte af aan de buitenlucht. Deze machine is de traditi­ onele koelmachine zoals die op vele daken te zien is. Het koelmedium kan bestaan uit water of een koudemiddel. • Voordelen: + Breed inzetbaar + Groot vermogen beschikbaar • Nadelen: — Hoog elektriciteitsverbruik — Geluid (buiten)

minimaal circa 18 ºC bij een buitentemperatuur van 30  ºC. Bij een hoge luchtvochtigheid buiten is het koelvermogen beperkt, omdat dan weinig of geen verdamping plaatsvindt. • Voordelen: + Energiezuinig + Geen koelmachines nodig + Lage onderhoudskosten • Nadelen: — Hoge initiële investering —— Prestatie afhankelijk van buitenomstandigheden

De absorptiewarmtepomp maakt gebruik van hoog­ waardige restwarmte om hiermee koude of laag­ waardiger warmte op te wekken. Koude­opwekking met een absorptiewarmtepomp is energetisch al­ leen aantrekkelijk indien er sprake is van echte restwarmte uit bijvoorbeeld een industrieel proces. Bovendien dient de temperatuur hoog te zijn, cir­ ca 60 ºC. In de praktijk blijkt het gebruik van een absorptie­warmtepomp maar beperkt toepasbaar.

Tabel 3.6 geeft een indicatie van de investerings­ kosten voor verschillende koelconcepten.

Bij warmte- en koudeopslag in de bodem (WKO) wordt gekoeld met water uit een bron. De warmte die bij de koeling aan het gebouw wordt ontrokken, wordt opgeslagen in de bron. In de winter wordt het warme water uit de bron gepompt en voor verwar­ ming gebruikt. • Voordelen: ++ Energiezuinig • Nadelen: — Hoge initiële investering — Niet zonder meer geschikt voor traditionele verwarmings installaties

Onderhoudskosten (EUR/m2/jaar)

Investerings­ kosten (EUR/m2)

Topkoeling met beperkte ventilatie

0,90

33

Topkoeling met verhoogde ventilatie

0,91

55

Dauwpunts­ koeling

0,18

74

Vloerkoeling

0,90

35

Koelconvector

1,85

161

VRV-systeem

n.b.

153

Mobiele koelunit

n.b.

45 - 130

Tabel 3.6 Investeringskosten voor koelsystemen. Bron: Cahier ‘Hitte de baas’, 2007.

Adiabatische koeling wordt ook wel dauwpunts­ koeling genoemd. De koelende werking ontstaat door de verdamping van water. De bevochtigde lucht geeft de koude af aan de toevoerlucht en wordt naar buiten afgevoerd. De lucht kan worden afgekoeld tot

Binnenklimaat 47


Ventilatie Ventilatie is het proces waarbij ‘verse’ lucht van buiten naar binnen wordt toegevoerd en ‘gebruikte’ lucht van binnen naar buiten wordt afgevoerd. In de meeste gevallen is de lucht in een gebouw meer verontreinigd dan de buitenlucht. Met ventilatie kan worden voorkomen dat hinderlijke en schade­ lijke stoffen en gassen zich in een gebouw ophopen. Verder zorgt ventilatie voor de afvoer van vocht, de afvoer van door het menselijk lichaam geproduceer­ de afvalstoffen (bio-effluenten) en de toevoer van zuurstof. Door ventilatie worden ook de schadelijke stoffen en gassen afkomstig uit processen en mate­ rialen afgevoerd.

Een goed ventilatiesysteem houdt niet alleen de lucht schoon en gezond, maar zorgt in warme perio­ den ook voor de afvoer van warmte. De ventilatie­ hoeveelheden die nodig zijn voor zomerkoeling lig­ gen ongeveer een factor 7 hoger dan de hoeveelheden die nodig zijn voor enkel de verseluchtbehoefte.19

De hoeveelheid lucht die minimaal in een gebouw moet worden geventileerd voor een gezond binnen­ milieu is vastgelegd in het Bouwbesluit. In hoofd­ stuk 5 wordt het Bouwbesluit besproken. In ta­ bel 3.7 worden de waarden uit het Bouwbesluit 2003 weergegeven. Ventilatie per verblijfsgebied

0,9 l/s per m2 waarbij 50% direct van buiten moet komen en minimaal 7 l/s (25 m3/uur)

Ventilatie per verblijfs­ruimte

0,7 l/s per m2 minimaal 7 l/s (25 m3/uur)

Afzuiging toilet

7 l/s afvoer direct naar buiten (25 m3/uur)

Afzuiging badkamer Verblijfsgebied of ruimte met opstelling van een kooktoestel

14 l/s afvoer direct naar buiten (50 m3/uur) minimaal 21 l/s afvoer direct naar buiten (75 m2/uur)

Tabel 3.7 Ventilatielucht verversing volgens het Bouwbesluit 2003. Bron: Bouwbesluit 2003.

Binnenklimaat 48

Figuur 3.2 Mechanische ventilatie. Bron: www.toolkitonline.nl

Er zijn twee soorten ventilatie, namelijk mechani­ sche ventilatie en balansventilatie. Bij mechani­ sche ventilatie wordt de lucht actief afgevoerd. De luchtaanvoer verloopt passief. Daarvoor zijn wel ventilatie­roosters of klepramen noodzakelijk die in verbinding staan met de buitenlucht. Een ander type ventilatie is de zogenaamde balans­ ventilatie.


Bij 20% van de instellingen voor verpleging en ver­ zorging wordt energie bespaard door het gebruik van warmtewisselaars.20 Het gebruik van warmte­ wisselaars uit ventilatielucht kan een gasbesparing van 5 tot 25% opleveren.21 In tabel 3.8 is een over­ zicht weergegeven van de gasbesparing door het gebruik van warmtewisselaars. Om ook na verloop van tijd zo veel mogelijk gezondheidsproblemen te kunnen voorkomen, is het van belang om voldoende onderhoud aan het ventilatiesysteem uit te voeren. Als gevolg van achterstallig onderhoud kunnen bac­ teriën in luchtfilters groeien en de luchtverversings­ capaciteit zal teruglopen. Door slijtage en vervui­ ling neemt de capaciteit jaarlijks af met 5 tot 10%.22

Figuur 3.3 Balansventilatie. Bron: www.toolkitonline.nl.

Bij balansventilatie wordt buitenlucht actief af- en aangevoerd. Bij dit systeem kan een zogenaamde warmtewisselaar worden toegepast. Een warmte­ wisselaar gebruikt de warmte uit de afgevoerde lucht om daarmee aangevoerde lucht op te warmen. Rendement

Een goed ontwerp en juiste installatie zijn voor het goed functioneren van een ventilatiesysteem van belang. Bij eventuele wijzigingen van ruimtes of een gebouw is het van belang goed op de werking van het ventilatiesysteem te letten. Als gevolg van uitbreidingen kunnen luchtstromen zich anders gaan gedragen. Het binnenklimaat kan in gevaar komen wanneer aanpassingen aan een ventilatiesysteem onvoldoende zorgvuldig worden uitgevoerd.

Gasbesparing (m3/jaar)/(m3 lucht/per uur), ruimtetemperatuur

warmtewisselaar

18 °C

19 °C

20 °C

40%

0,78

0,85

0,96

50%

0,96

1,05

1,17

21 °C

22 °C

23 °C

1,05

1,16

1,25

1,30

1,43

1,56

60%

1,11

1,24

1,38

1,52

1,69

1,85

70%

1,24

1,39

1,57

1,75

1,93

2,12

Tabel 3.8 Gasbesparing door warmtewisselaars. Deze waarden gelden bij een unit die 2.500 uur per jaar functioneert. Bron: Cijfers en tabellen 2007, SenterNovem.

Binnenklimaat 49


Luchtvochtigheid De luchtvochtigheid kan worden uitgedrukt in rela­ tieve of absolute luchtvochtigheid. Relatieve luchtvochtigheid is een maat voor de hoe­ veelheid waterdamp in de lucht, uitgedrukt als per­ centage van de maximale hoeveelheid waterdamp die lucht bij een gegeven temperatuur kan bevat­ ten. Hoe hoger de temperatuur, hoe meer vocht de lucht kan bevatten. Deze maat is afhankelijk van de temperatuur. Dit betekent dat de relatieve vochtig­ heid zonder kennis van de temperatuur eigenlijk weinig betekenis heeft. Absolute luchtvochtigheid is de hoeveelheid water in de lucht (gram water per m3 lucht). Deze maat is lastig te bepalen en is afhankelijk van de luchtdruk, omdat luchtvochtigheid per m3  lucht wordt uitge­ drukt. In de instellingen voor verpleging en verzorging vin­ den allerlei vochtproducerende activiteiten plaats, zoals koken, afwassen, wasdrogen, baden, douchen en het gebruik van (gas)verbrandingsapparaten. Daarnaast wordt vocht geproduceerd door de aan­ wezigheid van mensen, planten en huisdieren. Vochtproblemen ontstaan veelal als gevolg van een combinatie van bouwtechnische aspecten van een gebouw en bewonersgedrag. Maar ook ventila­ tie kan een nadelige invloed hebben op de lucht­ vochtigheid. Wanneer lucht met een te hoge lucht­ vochtigheid wordt binnengevoerd, kan het maximaal acceptabele niveau van luchtvochtigheid worden overschreden. Dit geldt eveneens voor de aanvoer van te droge lucht.

Binnenklimaat 50

Voor gezonde mensen is er nauwelijks een onder­ grens voor relatieve vochtigheid. Ouderen en ge­ voelige mensen zijn echter gebaat bij een minimum relatieve vochtigheid van 35 tot 40%.23 Een te lage relatieve vochtigheid veroorzaakt uitdroging van huid- en slijmvliezen, waardoor bij ouderen en ge­ voelige mensen de kans op huid-, oog-, en luchtweg­ irritaties wordt vergroot. In het algemeen wordt een relatieve luchtvochtigheid van 70% of hoger als ‘te vochtig’ ervaren.

Verlichting Licht is een natuurkundig verschijnsel van elektro­ magnetische trillingen. Er zijn twee vormen van licht: daglicht en kunstlicht. De enige bron voor dag­ licht is de zon. Kunstlicht kan worden opgewekt met bijvoorbeeld een gloeilamp. Licht is belangrijk om de omgeving waarin we ons bevinden te kunnen zien. Door te kunnen zien, kun­ nen we ons beter oriënteren, taken verrichten en communiceren. Het kunnen verrichten van taken maakt bewoners van instellingen voor verpleging en verzorging actiever. Hierdoor wordt de mobiliteit van, en de communicatie met, de gebruikers posi­ tief beïnvloed. Daarnaast is licht belangrijk voor het aansturen van de biologische klok.24 Het lichtniveau in een ruimte moet aangepast zijn aan de functie van die ruimte. In de instellingen voor verpleging en verzorging speelt daarnaast ook het gezichtsvermogen van bewoners een belangrijke rol. Door het veelal beperkte gezichtsvermogen van bewoners van deze instellingen is er per definitie behoefte aan een hoger lichtniveau dan gemiddeld.


Het College bouw zorginstellingen adviseert in haar notitie ‘Licht’ (2004) bij instellingen voor verpleging en verzorging een twee maal zo hoog basis licht­ niveau als in vergelijkbare situaties. Ook wordt in deze notitie geadviseerd dat, daar waar mogelijk, bewoners zelf het lichtniveau van hun directe om­ geving moeten kunnen regelen. In de notitie wordt geadviseerd om uit te gaan van een lichtsterkte van 100 tot 150 lux. Op plaatsen waar gelezen wordt, is een lichtniveau van 300  lux wenselijk. In tabel  3.9 zijn de aanbevolen lichtsterktes weergegeven. Aanbeveling Bouwcollege (lux)

Aanbeveling NEN 12464-1 (lux)

Basisverlichting

200

100 tot 200

Accentverlichting

500

200 tot 800

Taakverlichting

800

800 tot 3.000

Bij overgang van buiten/binnen (entree)

800

Tabel 3.9: Aanbevolen lichtsterkte. Bron: Bouwcollege.

Het energieverbruik voor verlichting wordt bepaald door het geïnstalleerde vermogen en het aantal branduren van de verlichting. Binnen de instellingen voor verpleging en verzorging is verlichting verant­ woordelijk voor 17% van het totale energieverbruik.25 In tabel 3.10 is een overzicht weergegeven van het energieverbruik voor verlichting in gebouwen met verschillende functies. Het aantal branduren van verlichting kan worden beperkt door gebruik te maken van een zogenaam­ de veegschakeling. Bij een veegschakeling wordt verlichting op een vooraf bepaald tijdstip geheel of gedeeltelijk uitgeschakeld. Nadat de verlichting

is uitgeschakeld kan deze opnieuw worden inge­ schakeld door handmatige bediening of door ge­ bruik te maken van een bewegingsmelder. Dit type verlichtings­systeem wordt bij 36% van de instellin­ gen voor verpleging en verzorging toegepast en kan 5 tot 20% besparing opleveren. Gebouwfunctie Ziekenhuizen

Verbruik (kWh/m2 BVO/jaar 59

Psychiatrische ziekenhuizen

28

Zwakzinnigeninrichtingen

30

Verpleeghuizen

38

Verzorgingshuizen

25

Tabel 3.10 Indicatie van het gemiddelde jaarlijkse elektriciteitsverbruik voor verlichting in de diverse zorgsectoren. Bron: Cijfers en tabellen 2007, SenterNovem.

Een andere manier om het aantal branduren van verlichting te beperken, is het gebruik van daglicht­ afhankelijke verlichting. Bij daglichtafhankelijke verlichting wordt de verlichting uitgeschakeld wan­ neer een vooraf bepaalde licht­sterkte wordt over­ schreden. Door het toepassen van daglichtafhanke­ lijke verlichting kan 5 tot 20% op de energiekosten voor verlichting worden bespaard. Er zijn veel verschillende soorten verlichting. In fi­ guur 3.4 is de verdeling voor de verschillende typen verlichting weergegeven zoals die binnen instellin­ gen voor verpleging en verzorging worden gebruikt. Hierbij valt op dat het meeste gebruik wordt ge­ maakt van tl-verlichting (36%).

Binnenklimaat 51


Hoogfrequente plus schakelingen 5% Hoogfrequente schakelingen 13%

Gloeilampen 17%

afhankelijke verlichting. Deze manier van verlichten wordt bij 34% van de verpleeghuizen toegepast.30 Bij daglichtafhankelijke verlichting wordt de licht­ sterkte van het kunstlicht aangepast aan de hoe­ veelheid zonlicht die van buiten het gebouw binnen­ treedt. Wanneer daglichtafhankelijke verlichting wordt toegepast, is het van belang dat de licht­ sensoren regelmatig worden gereinigd. Door het re­ gelmatig reinigen van lichtsensoren kan een extra besparing van 20 tot 40% worden verkregen.31 60

Spaarverlichting 24%

Tl-verlichting 36%

Halogeenlampen 4%

Figuur 3.4 Verdeling typen verlichtingsarmaturen. Bron: EnergieBesparingsMonitor gebouwde omgeving 2006.

10 0 Veegschakelingen

52

20

Aanwezigheidsdetectie

Binnenklimaat

30

Daglichtafhankelijke verlichting

Door het treffen van verschillende verlichting­ gerelateerde maatregelen kan men op eenvoudige wijze energiebesparingen realiseren. Deze maat­ regelen kunnen worden getroffen zonder dat daarbij beperkingen optreden voor de lichtopbrengst. Een van de maatregelen is het toepassen van daglicht­

40

Spiegeloptiekarmaturen

Het SenterNovem heeft in de EnergieBesparings­ Monitor gebouwde omgeving (2006) specifiek on­ derzoek gedaan naar het gebruik van energiezuinige verlichtingssystemen. In figuur 3.5 is de aanwezig­ heid van energiezuinige verlichtingssystemen bij instellingen voor verpleging en verzorging weerge­ geven. Uit dit onderzoek blijkt verder dat de laatste jaren veel aan verlichtingsplannen is gewerkt.

50

Figuur 3.5: Aanwezigheid van energiezuinige verlichtingssystemen. Bron: EnergieBesparingsMonitor gebouwde omgeving 2006.


Een andere eenvoudig toe te passen besparings­ maatregel is het plaatsen van aanwezigheidsdetec­ tie. Door het gebruik van aanwezigheidsdetectie kan een besparing van 5 tot 20% worden gerealiseerd.32 Voor de verlichting kunnen verschillende soorten kunstlicht worden gebruikt, namelijk gloeilampen, spaarlampen en LED-verlichting. Gloeilamp Vermogen Levensduur

Spaarlamp

LEDverlichting

75 Watt

16 Watt

7,5 Watt

1.000 tot 3.000 uur

6.000 tot 16.000 uur

50.000 uur

Efficiency

5 - 10%

40%

80%

Aanschaf­ prijs

€ 0,70

€ 7,00

€ 14,00

Tabel 3.11 Vergelijking kunstlicht. Bron: www.philips.nl, www.osram.nl en www.milieucentraal.nl.

In tabel 3.11 is een vergelijking gemaakt tussen de verschillende soorten kunstlicht.

Gloeilampen Een gloeilamp is een lamp van glas, waarin licht geproduceerd wordt door het verhitten van een gloeidraad. Een gloeilamp staat bekend om zijn lage efficiëntie van 5 tot 10%. De overige 90 tot 95% van de energie gaat verloren aan warmte.26 Vanwege de inefficiëntie van een gloeilamp wordt in de politiek gesproken over een verkoopverbod. Minister van VROM, Jacqueline Cramer, liet tijdens een werk­bezoek aan Philips in 2007 weten dat zij een verkoopverbod binnen vier jaar verwacht.

Spaarlampen Spaarlampen bieden in vergelijking met gloeilampen twee voordelen: ze verbruiken tot 80% minder ener­ gie (bij dezelfde lichtopbrengst) en gaan minimaal tien maal langer, of nog langer, mee.27 Spaarlampen zijn voornamelijk bekend om hun lage energieverbruik. Een gewone gloeilamp van 100 Watt kan worden vervangen door een spaar­ lamp van 20 Watt met dezelfde lichtopbrengst. Het energie­verbruik is daardoor vijf maal zo laag. De le­ vensduur van een spaarlamp is gemiddeld ongeveer 15.000 branduren. Spaarlampen zijn vooral geschikt voor plaatsen waar verlichting langere tijd brandt. Hierbij kan gedacht worden aan centrale ruimtes, gangen, gemeen­ schappelijke ruimtes en werkruimtes.

LED-verlichting Light Emitting Diodes of LED’s staan de laatste tijd veelvuldig in de belangstelling. Dit type verlichting is in staat om verschillende kleuren licht te produ­ ceren. Hierdoor zijn ze voor zeer uiteenlopende toepassingen bruikbaar. Op dit moment is de LEDverlichting nog volop in ontwikkeling. Bijna dagelijks komen er nieuwe soorten op de markt. Inmiddels is de LED-verlichting ook tot vermogens van 150 Watt beschikbaar en kunnen ze in ‘normale’ fittingen wor­ den gedraaid.28 Een LED-lamp heeft een gemiddelde levensduur van 50.000  uur, en dat is aanmerkelijk meer dan de gloeilamp én de spaarlamp. Daarnaast is de efficiëntie van de LED-verlichting zeer goed, namelijk 80%. In de toekomst wordt zelfs een effici­ ëntie van 90% verwacht.29

Binnenklimaat 53


4

Beheer Tot de energiecrisis van 1973 speelden energiebesparing en duurzaamheid geen rol van betekenis. Er leken tot dan toe voldoende energie en grondstoffen beschikbaar. Tegenwoordig moeten er onder druk van de steeds maar stijgende energie足prijzen, maar ook door de steeds strenger wordende regels van de overheid verstandige keuzes worden gemaakt. Welke soort energie koop ik aan? Kan ik wellicht zelf energie opwekken? Wat doe ik met het afval? Zijn hier misschien ook duurzame oplossingen voor die mij als ondernemer ook nog iets opleveren?

Beheer 55


Gebouwengebruikers en -beheerders worden regel­ matig geconfronteerd met gebreken aan bouwdelen. Als de toestand van een gebouw of een bouwdeel minder is dan gewenst, zal er mogelijk actie moeten worden ondernomen. Bij de besluitvorming over herstel, vervanging of niets doen, zijn verschillende aspecten (technisch en financieel) van belang voor een goede besluit­ vorming. Om de 20% duurzame-energiedoelstelling van de overheid te realiseren is krachtig beleid, gericht op duurzaam gebruik van energie, noodzakelijk. De overheid streeft naar een aandeel van 20% duur­ zame energie in 2020. Om deze ambitieuze doelstel­ ling te realiseren, zal naast beleid om het aandeel duurzame elektriciteit en biobrandstoffen te ver­ groten, de aandacht zich ook moeten richten op het vergroten van de bijdrage van duurzame warmte en koude (zie Ecofys-onderzoek juli 2007 duurzame warmte en koude).

Energieverbruik Het totale energieverbruik in de instellingen voor verpleging en verzorging kan worden onderver­ deeld in gebouwgebonden en niet-gebouwgebonden verbruik. Het gebouwgebonden gedeelte is verant­ woordelijk voor veruit het grootste aandeel energie­ verbruik, bijna 90%. Het grootste deel van dit ge­ bouwgebonden energieverbruik heeft betrekking op verwarming.1

Beheer 56

Het gemiddelde energieverbruik van de instellingen voor verpleging en verzorging bedroeg in 2006 1.366 MJ per m2 vloeroppervlakte per jaar. Hiervan komt 50% ten laste van het aardgasverbruik en 50% ten laste van het elektriciteitsverbruik.2 Anders 11%

Verwarming 59%

Koken 3% Overig gebouw­­gebonden gebruik 3% Koeling 1%

Verlichting 17%

Warm tapwater 6%

Figuur 4.1 Energieverbruik naar functie in het gebouwde segment verpleging en verzorging. Bron: EnergieBesparingsMonitor gebouwde omgeving 2006, SenterNovem.

In de periode van 2004 tot 2006 is in de instellin­ gen voor verpleging en verzorging het bezit en ge­ bruik van elektrische apparatuur, waaronder koel­ systemen, significant toegenomen. Als gevolg van deze toename is ook het energieverbruik significant toegenomen. Het College bouw zorginstellingen heeft de gemid­ delde jaarlijkse energiekosten per verpleegplaats in een verpleeghuis berekend. In 2006 bedroegen de gemiddelde energiekosten per plaats € 860.3


Energiezorg Energiezorg is het structureel aandacht hebben voor energie en energiegebruik met als doel het ener­ gieverbruik te verlagen. Tevens moet energiezorg ertoe leiden dat behaalde verbeteringen in energieefficiëntie ten minste in stand blijven, waardoor de energiekosten beter beheersbaar zijn. Energiezorg is een samenspel van techniek, organi­ satie en gedrag. Het is daarbij van belang dat deze verschillende aspecten in evenwicht zijn. Energie wordt vrijwel altijd in meerdere vormen en door de gehele organisatie gebruikt. Nagenoeg iedereen heeft ermee te maken. Dit betekent dat veel men­ sen het energieverbruik kunnen beïnvloeden. Een energie­zorgsysteem zorgt ervoor dat een organisatie voortdurend de cyclus doorloopt van beleid maken, acties plannen, maatregelen uitvoeren, resultaten controleren en op basis daarvan weer nieuw beleid maken. Deze cyclus staat bekend als de ‘Demingcircle’. Het invoeren van een energiezorgsysteem mag overigens nooit een doel op zich zijn. Het moet gaan om het resultaat van het energiezorgsysteem. Uit energiebesparingsonderzoeken van het Senter­ Novem blijkt dat gevonden besparingsmogelijk­ heden voor ongeveer de helft te maken hebben met menselijk gedrag. Ook na het doorvoeren van deze besparing is blijvende aandacht voor gedrag nodig. Wanneer men dit niet doet, zal de besparing in de loop van de tijd weer verdwijnen. Uit onder­zoeken van het SenterNovem is gebleken dat door energie­ zorg ongeveer 3% extra energiebesparing kan wor­ den gerealiseerd.4

Figuur 4.2: Energiezorgsysteem. Bron: SenterNovem.

Bij 73% van de verpleeghuizen wordt het energie­ verbruik structureel bijgehouden. Energiebesparing vormt een vast onderdeel van de bedrijfsvoering bij 63% van de verpleeghuizen. Dit is ten opzichte van de 36% bij kantoorgebouwen een zeer gunstige situ­ atie.5 Wanneer een organisatie al gebruik maakt van een zorgsysteem is het zinvol om energiezorg, daar waar mogelijk, in het bestaande systeem onder te brengen. Immers, één systeem is beter beheersbaar dan verschillende systemen naast elkaar. Energie­ zorg kan bijvoorbeeld goed worden ondergebracht in zowel de ISO 14001:2004 als de ISO  9001:2000. Om dit te vergemakkelijken, heeft het SenterNovem de ‘Linking list’ opgesteld. De Linking list geeft aan welke verbanden er zijn tussen energiezorg en de ISO 14001 of tussen energiezorg en de ISO 9001:2000. Het dient als hulp bij het inpassen van energiezorg in één van deze systemen.

Beheer 57


Op de website www.mijnenergiezorg.nl kunnen be­ drijven die willen starten met energiezorg of hun energiezorgsysteem willen verbeteren, nagaan hoe ver zij zijn met de implementatie van het energie­ zorgsysteem.

Duurzame energie De economie van Nederland en andere geïndustriali­ seerde landen draait voor een groot gedeelte op het gebruik van energie. Deze energie wordt voorname­ lijk verkregen uit de verbranding van aardolie, aard­ gas en steenkool, de zogenaamde fossiele brandstof­ fen. Nadeel van het gebruik van deze bronnen is dat ze uitgeput raken. Een ander nadeel van het gebruik van fossiele brandstoffen is dat er bij verbranding broeikasgassen ontstaan die een belasting vormen voor het milieu. Door de te verwachten schaarste van fossiele brandstoffen en de nadelige gevolgen voor het milieu is men op zoek gegaan naar alter­ natieven, zogenaamde duurzame energie. Duurzaam betekent letterlijk ‘lang aanhoudend’ en ‘bestendig, geschikt om lang te bestaan’. Als het om duurzame energie gaat, houdt duurzaam in dat bronnen niet kunnen opraken. De bekendste duurzame energiebronnen zijn windkracht, water­ kracht en zonlicht. Andere bronnen zijn biomassa, aardwarmte en warmte uit onze omgeving (zoals lucht en bodem). Ook bij het gebruik van duurzame energie zijn kanttekeningen te plaatsen, zoals hori­ zonvervuiling door windmolens, vissterfte bij water­ krachtcentrales en het gebruik van landbouwgrond voor biomassa. Nederland heeft in de Derde Energienota als doel gesteld dat 10% van de energieconsumptie in 2020

Beheer 58

afkomstig moet zijn van duurzame energie. Deze doelstelling is bevestigd in het laatste energie­ rapport. In dat rapport wordt ook aangegeven dat 5% duurzame energie wordt nagestreefd voor 2010. In het regeerakkoord van CDA, PvdA en Christenunie is de doelstelling voor duurzame energie verhoogd naar 20% in 2020.6 In 2006 was het aandeel van duurzame energie in het totale Nederlandse energieverbruik 2,8%. Ten opzichte van 2005 is er een stijging gerealiseerd van 0,4%. Deze stijging komt vooral voort uit de toename van windenergie via het bijplaatsen van veel nieuwe grote molens.7 Wanneer deze trend zich doorzet tot 2020 zullen we bij een gelijkblijvend verbruiks­niveau op slechts 8,4% duurzame energie uitkomen. Bij slechts 16% van de instellingen voor verpleging en verzorging wordt gebruik gemaakt van duurzaam opgewekte stroom. Bij deze instellingen bedraagt het aandeel duurzame energie 77% van het totaal energieverbruik.8

Trias Energetica Voor het bereiken van een zo duurzaam mogelijke energievoorziening heeft de TU Delft een strategie ontwikkeld die bekend staat als de Trias Energetica. De Trias Energetica is een driestappenstrategie waarbij eerst de energiebehoefte zo veel mogelijk wordt beperkt. Vervolgens wordt in de energie­ behoefte zo veel mogelijk voorzien door duurzame energie. Ten slotte worden de fossiele brandstoffen voor de resterende energiebehoefte efficiënt inge­ zet.


erg pe rk

e rgi ne ee

1 2 3

m rza

de

en

uu kd

Be

rui

b Ge

iev raa g

Zonne-energie

Indien nodig, gebruik fossiele brandstoffen zo efficiënt en schoon mogelijk

Figuur 4.3 Trias Energetica. Bron: www.ecofys.nl.

De stappen van de Trias Energetica worden opeen­ volgend genomen, zodanig dat eerst zo veel moge­ lijk maatregelen uit stap 1 worden genomen. Wan­ neer dit niet meer verantwoord gedaan kan worden, volgen de maatregelen uit stap 2. Als laatste wordt stap 3 uitgevoerd. • Stap 1. Beperk het energieverbruik door beper­ king van de vraag (goed geïsoleerd en luchtdicht gebouw). • Stap 2. Gebruik duurzame energiebronnen (bo­ demwarmte, zonne-energie, wind etc.). • Stap 3. Gebruik eindige energiebronnen efficiënt (hoog rendement).

Zonne-energie kan in twee soorten worden onder­ verdeeld: enerzijds de omzetting van zonlicht in elektriciteit (zonnestroom of photovoltaïsche zonne-energie) en anderzijds de omzetting van zonlicht in warmte (zonnewarmte of thermische zonne-energie). De bijdrage van zonne-energie aan de totale duur­zame energie in Nederland is klein. Het gaat om ruim 1%.9 Bij de instellingen voor ver­ pleging en verzorging wordt bij 6% van de instellin­ gen zonne­warmte toegepast en slechts bij 1% wordt zonlicht omgezet in elektriciteit. Zonne-energie is een schone, betrouwbare en onuit­ putbare vorm van energie. Na een eenmalige inves­ tering zijn er nauwelijks onderhoudskosten en de le­ vensduur van het zonnepaneel is meer dan 20 jaar. Zonne-energie kan bijna overal op de aarde worden gebruikt. Het Nederlandse klimaat is erg geschikt voor zonne-energie, al verwacht men dat misschien niet. Nederland zou jaarlijks vijftig maal meer ener­ gie kunnen opwekken door gebruik te maken van de energie van de zon dan in totaal aan energie wordt verbruikt. In figuur  4.4 is de jaarlijks gemiddelde hoeveelheid straling in de periode van 1971 tot 2000 weergegeven. De technologie voor zonnestroom is nog volop in ontwikkeling. Holland Solar (www.hollandsolar.nl) verwacht dat de prijs van zonnestroom de komen­ de jaren nog fors zal dalen door schaalvergroting en technische ontwikkelingen. Uiteindelijk is het te verwachten dat de zonnestroom goedkoper zal worden dan de elektriciteitsprijs uit de fossiel ge­ stookte centrales.

Beheer 59


Windenergie Het gebruik van wind voor de opwekking van ener­ gie is de meest zichtbare vorm van duur­zame ener­ gie en wordt al eeuwen toegepast. Vroeger werd de windenergie met windmolens direct omgezet in me­ chanische energie. Tegenwoordig wordt windenergie omgezet in elektrische energie. Het elektrische vermogen dat door windenergie in Nederland wordt opgewekt, neemt de laatste jaren met ongeveer 200 MW per jaar toe. In 2006 werd het eerste windmolenpark op zee in gebruik geno­ men met een vermogen van 108 MW. Op dit moment draagt windenergie voor 25% bij aan het totaal van duurzame energie in Nederland.11

Figuur 4.5: Zoninstralingskaart. Bron: KNMI.

Momenteel is de prijs per Watt elektrische ener­ gie ongeveer € 4 tot € 6. Een paneel van 150 W tot 180 W kost op dit moment dus tussen de € 600 en € 1.000. Een dergelijk zonnepaneel levert in Neder­ land circa 80 tot 100 kWh per jaar op.10 De hoeveelheid energie die door een paneel kan worden opgewekt, is sterk afhankelijk van de loca­ tie en de positie ten opzichte van de zon. Op de website www.pvinfo.nl vindt men gedetailleerde informatie over reeds gerealiseerde zonnestroom­ installaties.

Beheer 60

Om investeringen in windenergie aantrekkelijk te kunnen maken, moet de gemiddelde windsnelheid groter dan 6,1 m/s zijn. In verband met mogelijke turbulentie moet een windmolen zodanig worden geplaatst dat hij minimaal 8  meter boven omlig­ gende obstakels uitkomt, binnen een straal van 100 meter. Investeringskosten voor windenergie zijn erg hoog. In tabel 4.1 is een overzicht weergegeven van de investeringskosten en de te verwachten op­ brengsten per jaar. Gezien de benodigde ruimte en investeringskosten is het voor veel instellingen voor verpleging en ver­ zorging niet rendabel om een eigen windmolen op te stellen. Wel kunnen zij overgaan tot de aankoop van door windenergie opgewekte energie. Hiertoe dienen specifieke afspraken te worden gemaakt met een energieleverancier.


Horizontale as

Rotorbladen

Open spiraalbladen

Verticale as

Gesloten spiraal­ bladen

Open spiraalbladen

Maximaal vermogen (kW)

Diameter (m)

Ashoogte (m)

Investering (EUR)

Verwachte opbrengst per jaar (kWh/jaar) 650 - 3.000

1,4

3

12

5.500

2,0

5

6 of 12*)

9.000

5,8

5

18

12.000

5.000 - 16.000

10,0

7

vanaf 18

25.000

10.000 - 35.000

4,0

1

15**)

18.000

7.000

12,0

2

24**)

38.000

20.000

Maximaal vermogen (kW)

Diameter (m)

Ashoogte (m)

Investering (EUR)

Verwachte opbrengst per jaar (kWh/jaar)

0,11

0,35

1,0

1.625

60

0,11

0,30

1,0***)

2.330

120

4,0

0,24

1,00

16.650

1.700

2,00

3,00

3,2

n.b.

2.500 - 3.500

2,50

2,00

8,0

10.500

5.000

***)

Tabel 4.1 Investeringskosten windenergie. Bron: Cijfers en tabellen 2007, SenterNovem. *) 6 (m) boven een gebouw of een mast van 12 (m) op de grond. **) Lengte van de as. ***) Exclusief mast.

Biomassa Uit het rapport Duurzame energie in Nederland 2006 van het CBS blijkt dat biomassa de belangrijkste bron voor duurzame energie is en op vele manieren wordt gebruikt. De twee belangrijkste grootscha­ lige toepassingen zijn afvalverbrandingsinstallaties en het meestoken van biomassa in elektriciteits­ centrales.

Daarnaast zijn er houtkachels voor warmte bij be­ drijven en huishoudens. Naast direct verbranden kan de biomassa ook eerst worden omgezet in bio­ gas door het gebruik van micro-organismen.

Beheer 61


Een plastic zakje is in een tel gefabriceerd, is twintig minuten in gebruik en doet er 100 tot 400Â jaar over om te worden afgebroken. Uit: Planeet aarde 2008. Verslag van een veranderende wereld van National Geographic Nederland BelgiĂŤ


Natte organische afvalstromen zijn vaak ook ge­ schikt om te worden omgezet in biogas via vergis­ ting. Biomassa wordt gebruikt bij veel verschillende typen organisaties, zoals bijvoorbeeld afvalwater­ zuiveringsinstallaties in de industrie en landbouw­ bedrijven. Op dit moment wordt biomassa als bron voor duur­ zame energie nog niet gebruikt in de instellingen voor verpleging en verzorging. Dit heeft enerzijds te maken met de hoge investeringskosten en ander­ zijds met de fysieke omvang van een rendabele in­ stallatie.

Gas Een groot aantal instellingen voor verpleging en verzorging hanteert voor haar gasverbruik het zo­ genaamde blokverwarmingstarief. In het verleden was er weinig verschil tussen het blokverwarmings­ tarief en het grootverbruikerstarief. Tegenwoordig is het blokverwarmingstarief echter aanzienlijk duurder. Uit onderzoek van het energieadviesbu­ reau Cornelissen Consulting Services B.V. blijkt dat het tarief voor blokverwarming vaak ten onrechte wordt toegepast.12 Door de steeds maar stijgende prijzen voor gas is er behoefte om het gebruik van gas zo veel mogelijk te beperken. Deze beperking kan bijvoorbeeld wor­ den bereikt door energieefficiënte apparatuur toe te passen. Maar ook door het juist afstellen van de verschillende klimaatsystemen of door het gebruik van een zonneboiler. Door inefficiëntie in de instal­ latie wordt onnodig gas verbruikt voor verwarming. In 2002 werd er in een verpleeghuis gemiddeld 190.106 m3 gas verbruikt.13

Door verschillende maatregelen is het gemiddelde gasverbruik teruggelopen naar 166.479 m3 in 2004.14

Afvalmanagement In Nederland komt jaarlijks 61 miljoen ton afval vrij.15 Afval wordt vaak gezien als waardeloos: weg ermee. Maar wat voor de één waardeloos is, heeft voor een ander juist waarde, namelijk als grondstof, halffabrikaat of zelfs energie. Hergebruik van afval bespaart grondstoffen en energiebron. De winning van grondstoffen en de productie van nieuwe mate­ rialen kost meestal veel meer energie dan nodig is wanneer oude materialen hergebruikt worden. De productie van nieuw aluminium bijvoorbeeld kost twintig maal zo veel energie als het omsmelten van oud aluminium, terwijl de kwaliteit nagenoeg gelijk is. Bij afvalmanagement gaat het niet alleen om het vinden van een passende oplossing voor iedere af­ valsoort, maar om de hele organisatie rondom af­ val. Dat begint bij het ontstaan van afval en eindigt voor een organisatie bij de afvoer van het afval. Door naar de gehele keten van ontstaan tot afvoer te kijken, worden kosten inzichtelijk en kunnen de juiste maatregelen worden getroffen. Hierdoor kan de hoeveelheid afval uiteindelijk worden geredu­ ceerd en de afvoer zo voordelig mogelijk worden ingericht. Op www.afvalscheidingswijzer.nl kan men per afvalsoort of trefwoord raadplegen hoe het af­ val moet worden afgevoerd. Belangrijk bij de aanlevering van afval is dat het af­ val op een juiste wijze gescheiden wordt. Bij het verbranden van afval komen forse hoeveelheden CO2 vrij, maar alles storten levert problemen op voor

Beheer 63


het landschap en brengt een groot gezondheids­ risico met zich mee. Van het afval dat wordt verwij­ derd, wordt 82% verbrand en 18% gestort. De nuttige toepassing van het afval is vanaf 1995 toegenomen van 73% naar 83% in 2004.16 In 2005 was 15% van alle duurzaam opgewekte energie afkomstig van afval­ verbrandingsinstallaties.17 Voor het verwerken van afval is een goede afval­ scheiding van belang. Afval scheiden is het meest succesvol wanneer dit aan de bron gebeurt. Het scheiden van bijvoorbeeld voedselresten, papier, glas en incontinentiemateriaal van het overige afval maakt het eenvoudiger om het weer te gebruiken als grondstof. Op de internetsite www.afvalgids.nl kunnen organi­ saties uitzoeken welke afvalverwerker bepaalde af­ valstromen kan inzamelen en verwerken. Daarnaast kan men via deze site eenvoudig offertes van de verschillende afvalverwerkers opvragen.

Schoonmaak Voor het schoonhouden van de instellingen voor verpleging en verzorging is een breed assortiment aan reinigingsmiddelen op de markt. Het gaat daar­ bij om bijvoorbeeld bleekmiddelen en desinfectie­ middelen. Deze middelen worden niet altijd juist gebruikt, er wordt te veel van de middelen gebruikt of ze wer­ ken niet goed. De bedoeling van desinfectiemiddelen is het voor­ komen van besmettingen. Door een goede schoon­ maak met een gewoon reinigingsmiddel is dit effect

Beheer 64

ook te bereiken. Door vuil, de voedingsbron voor bacteriën, weg te nemen, is de belangrijkste stap naar ontsmetting genomen en zijn geen specifieke des­infectiemiddelen meer nodig. Volledige ont­ smetting, het doden van alle bacteriën, is eigenlijk steriliseren. Uit laboratoriumonderzoek blijkt dat door (veelvuldig) gebruik van desinfectie­middelen huid­irritaties kunnen optreden. Daarnaast kunnen er verschuivingen in de normale microbiële flora van huid en slijmvliezen plaatsvinden en kan de resistentie­ontwikkeling verstoord raken.18 Het ge­ bruik van desinfectiemiddelen kan bovendien bij de gebruiker een (misplaatst) gevoel van veiligheid oproepen, wat verwaarlozing van de hygiëne in de hand kan werken. Om de schoonmaak controleerbaar in goede banen te kunnen leiden, moet een organisatie milieu­ specificaties voor schoonmaakactiviteiten opstellen. In deze specificaties moeten milieueisen (moet al­ tijd aan worden voldaan) en milieuwensen (wense­ lijk om aan te voldoen) worden opgenomen. Deze eisen en wensen hebben betrekking op milieubeleid, schoonmaakmiddelen, doseersystemen, apparatuur, schoonmaakhulpmiddelen en -materialen, schoon­ maakmethoden, schoonmaakfrequentie, afval­­ verwijdering en soorten verpakking.19 Wanneer de schoonmaak wordt uitbesteed, zal men eisen moeten gaan stellen aan het schoonmaak­ bedrijf. Enkele mogelijke eisen zijn: • De aanwezigheid van een ondertekend milieu(beleids)plan. • De aanwezigheid van een milieuprogramma of actieplan waarin is aangegeven welke stappen de organisatie gaat ondernemen om de milieu­


belasting te verminderen. • De aanwezigheid van een milieuverslag of andere rapportage waarin gerapporteerd wordt over de getroffen milieu­maatregelen en de resultaten van deze maat­regelen. Door werkprocedures vast te leggen, kan on­nodige inefficiëntie worden voorkomen. Daarnaast is het verstandig een aantal aspecten van gebruikte mate­ rialen en middelen vast te leggen. Zo kan het gebruik van een doseersysteem overdosering voorkomen. Het gebruik van vezeldoekjes zonder schoonmaak­ middelen vermindert energieverbruik en grondstof­ verbruik. Het gebruik van navulverpakkingen voor­ komt onnodig afval. Door een goede schoonmaakprocedure op te stel­ len, worden enerzijds onnodige kosten voorkomen en anderzijds nadelige milieueffecten tot een mini­ mum beperkt. Het belangrijkste is dat door schoon­ maak ook daadwerkelijk wordt schoongemaakt en er geen onzichtbaar vuil achterblijft.

Duurzaam inkopen Duurzaam inkopen is een initiatief van de gezamen­ lijke overheden onder leiding van het ministerie van VROM. Bij duurzaam inkopen wordt uitgegaan van een goede balans tussen mens, milieu en economie (People, Planet, Profit). Bij overheidsorganisaties wordt jaarlijks meer dan € 45 miljard uitgegeven aan aanbestedingen en inko­ pen.20 Met dit gigantische bedrag oefent de overheid een belangrijke invloed uit op de markt. Vanuit het programma ‘Duurzame Bedrijfsvoering Overheden’ dat het SenterNovem in opdracht van het ministerie

van VROM uitvoert, heeft de overheid zich doelen gesteld ten aanzien van duurzaam inkopen. De Nederlandse regering wil dat in 2010 duurzaam­ heid een zwaarwegend criterium is bij 50% van de inkopen en aanbestedingen van provincies, gemeen­ ten en waterschappen. Voor de rijksoverheid is de doelstelling op 100% gesteld.21 Met deze doelstel­ lingen moet een flinke impuls aan duurzaamheid in de samenleving worden gegeven. Om deze doelstel­ lingen te kunnen bereiken, heeft het SenterNovem een handreiking voor duurzaam inkopen opgesteld, ‘Duurzaam inkopen en aanbesteden’. In de handreiking wordt het onderwerp inkoop be­ schreven als “het betalen van geld aan leveranciers ten behoeve van levering van producten, diensten of werken”. Duurzaamheid wordt beschreven als “het verstandig inzetten van de schaarse middelen die ons ter beschikking zijn gesteld”. Duurzaam inkopen biedt een uitgelezen kans om het duurzame belang in het algemeen te dienen. Door producten of dien­ sten die als duurzaam kunnen worden beschouwd aan te kopen, ontstaat een positieve marktwerking ten aanzien van duurzaamheid. Duurzaam inkopen wordt vaak als de verantwoorde­ lijkheid van een inkoper beschouwd. Het is echter ook belangrijk dat de organisatie randvoorwaarden opstelt waarbinnen de inkoper zijn aankoop moet uitvoeren. Om te voorkomen dat bij elke aankoop moet worden nagegaan hoe belangrijk duurzaam­ heid is voor een organisatie, moeten er uitgangs­ punten worden vastgesteld. Deze uitgangspunten kunnen in een milieu(beleids)plan worden vast­ gelegd. Er kan nog meer worden bereikt wanneer duurzaamheid een onderdeel is van het algemene organisatie­beleid.

Beheer 65


Wanneer een organisatie wil beginnen met duur­ zaam inkopen, is het verstandig om prioriteiten te stellen. Een organisatie moet ervaring opbouwen voor de omgeving waarin zij werkzaam is en waarin aankopen worden gedaan. Het is daarbij zinvol om te beginnen met die paketten die de grootste ver­ wachte impact hebben op duurzaamheid. Door het stellen van prioriteiten zal aan duurzaamheid een zichtbare impuls worden gegeven. Belangrijk daar­ bij is wel dat iedereen ten minste bekend is met de termen duurzaamheid, duurzaam inkopen en met de inhoud die de organisatie hieraan wil geven. In het beleid van een organisatie kan bijvoorbeeld worden vastgelegd aan welke eisen een leveran­ cier moet voldoen. Een organisatie kan besluiten dat minimaal een x-percentage van de aankopen bij ISO-14001-gecertificeerde bedrijven moet wor­ den geplaatst. Het ISO-14001-certificaat eist dat het milieuzorgsysteem van een organisatie voldoet aan wet- en regelgeving en dat het milieubeleid voor­ ziet in een continu proces van verbetering.22 Omdat nog maar weinig organisaties in het bezit zijn van dit certificaat kan ook het hebben van een milieu­ zorgsysteem of een werkend milieu(beleids)plan als voorwaarde worden gesteld. Er bestaat een hardnekkig misverstand dat duur­ zaamheid altijd duur is. Ook in gevallen waarbij de aanschafprijs inderdaad hoger is, hoeft dit niet te betekenen dat ook de totale kosten hoger zijn. Duurzaamheid hoeft niet altijd te leiden tot een hogere prijs wanneer wordt gekeken naar de totale kosten (‘total cost of ownership’ oftewel TCO). Bij TCO worden naast de aankoopprijs ook alle andere kosten meegenomen. Deze kosten kunnen bijvoor­ beeld bestaan uit bestelkosten, voorraadkosten, verbruikskosten en onderhoudskosten. In tabel 4.2

Beheer 66

is een TCO-rekenvoorbeeld weergegeven van een gloeilamp en een spaarlamp. Naast de prijs spelen bij de gloeilamp en de spaarlamp de levensduur en het energieverbruik een belangrijke rol. Gloeilamp

Spaarlamp

Aanschafprijs (A)

€ 0,90

€ 7,00

Levensduur (branduren) (B)

1.000

10.000

Energieverbruik (per 1.000 uur)

60 kWh

15 kWh

Energiekosten (per 1.000 uur) (C)

€ 11,40

€ 2,85

TCO per 1.000 uur (A/(B/1.000) + C)

€ 12,30

€ 3,55

Tabel 4.2 TCO gloeilamp en spaarlamp. Bron: Hand­ reiking duurzaam inkopen en aanbesteden.

Uit de TCO-berekening van tabel 4.2 blijkt dat wan­ neer men goed rekent de kosten van een duurzaam product uiteindelijk lager zijn, ondanks de hogere investeringskosten.

Installatie Performance Scan Uit het in 2005 uitgevoerde onderzoek ‘Kwaliteits­ borging van installaties’ van TNO en Halmos blijkt dat bedrijven hun energieverbruik tot 35% kun­ nen terugdringen als zij hun klimaatbeheersings­ systemen beter inregelen. Bij maar liefst 70% van de Nederlandse bedrijven bleek dat de installaties niet optimaal zijn ingeregeld. Ongemerkt worden zo grote hoeveelheden energie en daarmee geld ver­ spild. Uit het onderzoek bleek dat dit opmerkelijk


genoeg ook geldt voor gebouwen die als energiezui­ nig te boek staan. Het SenterNovem heeft in opdracht van het minis­ terie van VROM een hulpmiddel bedacht dat bedrij­ ven kan helpen bij het verhelpen van inefficiënte klimaat­installaties: de Installatie Performance Scan. De Installatie Performance Scan is een gestandaar­ diseerd instrument om inzicht te krijgen in de ver­ betermogelijkheden van de klimaatinstallaties van gebouwen. De Installatie Performance Scan kijkt niet naar losse componenten, maar naar de afstem­ ming van de gebruikte apparatuur en regelingen als geheel. De scan legt de nadruk op de mogelijkheden om energiebesparingen te realiseren en kan worden uitgevoerd door een erkend installatiebedrijf. Door een optimaal ingeregelde installatie kan het energie­ verbruik van een gebouw met 25 tot 35%23 worden verminderd. De Installatie Performance Scan is zo opgezet dat de scan gemakkelijk in combinatie met regulier onderhoud kan worden uitgevoerd. Bij de uitvoering van een scan wordt als eerste een aantal basisgegevens over het gebouw en de klimaat­ installatie ingevoerd in de computer. Hieruit volgen specifieke vragen over de installatie. Na de beant­ woording van de vragen volgt er een aan­beveling tot mogelijke aanpassingen in de installatie. De scan vormt veelal de basis voor vervolgonderzoek of een advies over te treffen maatregelen. Het voordeel van een optimaal ingeregelde installa­ tie is dat niet onnodig energie wordt verbruikt. Een ander voordeel is dat een goed ingeregelde instal­ latie leidt tot meer comfort bij de gebruikers van het gebouw.

Beheer 67


5

Wet- en regelgeving Een organisatie kan zich onderscheiden van de concurrentie door structurele aandacht voor het milieu. Deze aandacht kan worden gewaarborgd door in­voering van een milieumanagement­ systeem (ISO 14001). Dit systeem moet zodanig worden gehanteerd dat te allen tijde aan de weten regel­geving wordt voldaan. Het Bouwbesluit is een van de belangrijkste onderdelen van de wet- en regelgeving voor het bouwen en verbouwen van gebouwen. Er zijn echter ook richtlijnen en normen om rekening mee te houden. Door de invoering van een milieu­ managementsysteem kan energie en dus geld worden bespaard. Daarnaast kan een organisatie in sommige gevallen aanspraak maken op extra financieel voordeel in de vorm van subsidies of goedkope leningen.

Wet- en regelgeving

69


Het Bouwbesluit Het Bouwbesluit is een verzameling wetten en re­ gels voor het bouwen of verbouwen van een gebouw. Het bevat prestatie-eisen met betrekking tot veilig­ heid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Door de grote hoeveelheid bouwregels en de relatie tussen deze regels wordt het Bouw­ besluit in het algemeen als zeer complex ervaren. Het Bouwbesluit wordt voorgeschreven door het ministerie van VROM en is te vinden op de website www.vrom.nl/Bouwbesluit. In 1992 is het Bouwbesluit ingevoerd om te waar­ borgen dat alle gebouwen in Nederland aan dezelfde technische eisen voldoen. Deze regelgeving is conti­ nu in beweging doordat er nieuwe inzichten en nieu­ we technische mogelijkheden ontwikkeld worden. De meest actuele versie is het Bouwbesluit 2003 en de bijbehorende Regeling Bouwbesluit 2003. Het Bouwbesluit heeft als doel de veiligheid te waarborgen van de gebruikers van een gebouw. Om dat te kunnen bereiken, worden er geen standaard oplossingen opgelegd, maar prestatie-eisen. Burge­ meesters en wethouders hebben de mogelijkheid tot het verlenen van vrijstellingen bij verbouwingen van bestaande gebouwen. Van belang is dan wel dat na de verbouwing minimaal het oude prestatieniveau gehandhaafd blijft. Het toepassen van het Bouwbesluit in de praktijk werkt als volgt. Voor het vervangen van ramen (glas en kozijnen) moet in een aantal gevallen een bouw­ vergunning worden aangevraagd. Voor het verkrij­ gen van een bouwvergunning moet worden aange­ toond dat de verbouwing voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit. Het vervangen van de beglazing

Wet- en regelgeving 70

van een gebouw is bouw­vergunnings­vrij. Echter, bij bouwvergunningsvrije bouw­activiteiten moet ook aan de eisen van het Bouwbesluit worden voldaan. Het Bouwbesluit stelt eisen aan bijvoorbeeld de iso­ latiewaarde van de ramen in een gebouw. De huidige eis van het Bouwbesluit is dat de warmtedoorgangs­ coëfficiënt ten hoogste 4,2 W/m2K mag bedragen. Het Bouwbesluit is als volgt ingedeeld: • Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen • Hoofdstuk 2 - Voorschriften voor veiligheid • Hoofdstuk 3 - Voorschriften voor gezondheid • Hoofdstuk 4 - Voorschriften voor bruikbaarheid • Hoofdstuk 5 - Voorschriften voor energiezuinig­ heid • Hoofdstuk 6 - Voorschriften voor milieu • Hoofdstuk 7 - Overgangs- en slotbepalingen

Normen Het Bouwbesluit geeft de prestatie-eisen waaraan een gebouw moet voldoen. Wanneer het bijvoor­ beeld gaat om een minimale afmeting in meters, is eenvoudig vast te stellen of aan deze eis wordt voldaan. Bij de eisen ten aanzien van de energiezui­ nigheid van een gebouw is dit een stuk lastiger. Bij de energiezuinigheid wordt vanuit het Bouwbesluit naar een norm verwezen. In een norm staan één of meerdere methoden om aan de desbetreffende eis te voldoen. Wanneer aan de beschrijving in de norm wordt voldaan, wordt ook voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit. Er zijn Nederlandse, Europese en wereldwijde nor­ men. Als lid van de Europese Unie is Nederland ver­ plicht om de Europese normen als nationale norm over te nemen.


In Nederland is het Nederlands Normalisatie-insti­ tuut (NEN) verantwoordelijk voor de normontwik­ keling. De doelstelling van het NEN is het opstellen van Nederlandse normen en het zorgdragen voor een actieve inbreng bij het tot stand komen van de verschillende normen. Daarnaast verzorgt het NEN de Nederlandse inbreng in de Europese en internati­ onale normalisatie-instellingen.1 Wereldwijd zijn er twee organisaties die zich tot doel hebben gesteld wereldwijde normen tot stand te brengen: de International Organization for Standar­ dization (ISO) en de International Electrotechnical Commission (IEC). De ISO houdt zich bezig met alle terreinen van normalisatie met uitzondering van de normalisatie op elektrotechnisch gebied en de tele­ communicatie. Normen in deze categorieën worden opgesteld door de IEC. Het NEN is lid van zowel de ISO als de IEC. Anders dan bij de Europese normen is Nederland niet verplicht om een ISO-norm of een IEC-norm over te nemen. Veel van de ISO-normen worden echter overgeno­ men in Europese normalisatie, waardoor ze alsnog een verplichte status krijgen.2 De van de ISO over­ genomen normen krijgen het kenmerk NEN-EN-ISO gevolgd door het normnummer en het jaartal, dus bijvoorbeeld: NEN-EN-ISO 3744:1995. Vaak wordt dit verkort weergegeven als bijvoorbeeld ISO 3744.

ISO 14001 ISO 14001 is de wereldwijd geaccepteerde norm voor een milieumanagementsysteem. In deze norm wordt beschreven waaraan een goed milieumanage­ mentsysteem moet voldoen. Een milieumanage­ mentsysteem is een onderdeel van een gangbaar managementsysteem (bijvoorbeeld ISO 9001) en

richt zich speciaal op het beheersen en verbete­ ren van prestaties op milieugebied. Via een milieu­ managementsysteem wordt structureel aandacht besteed aan milieu in de bedrijfsvoering. Hierbij staan twee belangrijke uitgangspunten centraal: • Voldoen aan wet- en regelgeving en de beheer­ sing van milieurisico’s. • Streven naar een permanente verbetering van de milieuprestaties van een organisatie. Door de invoering van een milieumanagement­ systeem kunnen kosten worden bespaard, bijvoor­ beeld voor energie, water, grondstoffen en door het voorkomen van boetes. Daarnaast kan een organisa­ tie zich met een milieumanagementsysteem onder­ scheiden van concurrenten. Wanneer het systeem goed werkt, kunnen afspraken worden gemaakt met de overheid over een zogenaamde milieuvergunning op hoofdlijnen. Door goed inzicht in de milieuprestaties van de or­ ganisatie te hebben, kunnen milieudoelstellingen en behaalde resultaten concreet en inzichtelijk worden gemaakt. Deze informatie kan voor het manage­ ment de basis vormen voor het nemen van beslissin­ gen. Daarnaast is deze informatie relevant voor de diverse stakeholders (klanten, overheid, omwonen­ den, intermediaire organisaties, financiële instellin­ gen, verzekeraars etc.). Tot slot is deze informatie ook goed bruikbaar ter motivatie van de individuele bijdrage van de verschillende afdelingen en werk­ nemers aan de totale milieuprestatie van de onder­ neming. Een milieumanagementsysteem conform ISO 14001 geeft geen garantie dat er geen milieuovertredingen kunnen plaatsvinden. Er wordt echter wel vastge­ legd hoe een organisatie met het milieu omgaat en

Wet- en regelgeving

71


hoe hierover correct en transparant wordt gecom­ municeerd met het bevoegd gezag.

installaties waarvan de ketel ouder is dan 15 jaar.

Een organisatie kan worden gecertificeerd wanneer zij werkt met een compleet milieumanagement­ systeem waarvan de werking is bewezen. Met het certificaat kan worden aangetoond dat aan alle eisen van de norm wordt voldaan. Daarmee is het certificaat een waardevol communicatiemiddel.

Europese richtlijn Op 16 december 2002 heeft de raad van het Euro­ pees Parlement richtlijn  2002/91/EG gepubliceerd. Deze richtlijn moet leiden tot verbetering van de energieprestaties van de gebouwen in de Europese Gemeenschap. Deze regeling is ook wel bekend als Europese richtlijn Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). Deze richtlijn voorziet in eisen met betrekking tot: • het algemeen kader voor een methode voor de berekening van de geïntegreerde energie­ prestatie van gebouwen; • de toepassing van minimumeisen voor de energie­prestatie van nieuwe gebouwen; • de toepassing van minimumeisen voor de energieprestatie van bestaande grote gebouwen (meer dan 1.000 m2) die een ingrijpende reno­ vatie ondergaan; • de energiecertificering van gebouwen (bij bouw, verkoop en verhuur moet de eigenaar een energieprestatiecertificaat overleggen van maximaal 10 jaar oud); • de regelmatige keuring van cv-ketels en airconditioningsystemen in gebouwen en een eenmalige totale keuring van verwarmings­

Wet- en regelgeving 72

Figuur 5.1 Een energieprestatiecertificaat. Bron: www.senternovem.nl

Als gevolg van deze Europese richtlijn moet een ge­ bouw met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1.000 m2, waarin overheidsdiensten of -instellingen diensten aan het publiek verlenen, vanaf 1  janu­ ari 2009 voorzien zijn van een zichtbaar energie­ prestatiecertificaat.


Het energieprestatiecertificaat wordt in de volks­ mond ook wel Energielabel genoemd.

geeft het rapport informatie over de jaarlijkse ener­ giebesparing, de te behalen broeikasgassenreductie en de eventuele invloed op andere milieuaspecten.

Bepaalde gebouwen zoals historische monumenten, gebouwen voor erediensten, tijdelijke gebouwen, gebouwen van landbouwbedrijven en vakantie­ huizen kunnen wat betreft de toepassing van deze eisen worden vrijgesteld. Deze vrijstelling kan door de lokale overheden worden verleend.

Er zijn enkele overeenkomsten tussen het energie­ prestatiecertificaat en het EnergiePrestatieAdvies, maar ook behoorlijke verschillen. Globaal gezien is het Energie­Prestatie­Advies een verdieping van het energieprestatiecertificaat.

De Energieprestatie Norm (EPN)

De Wet milieubeheer

Sinds 1995 is het volgens het Bouwbesluit ver­ plicht om bij het aanvragen van een bouw­ vergunning aan te tonen dat wordt voldaan aan de EnergiePrestatie­Norm. Een berekeningsmethode maakt een schatting van het toekomstige gebouw­ gebonden energie­verbruik en drukt dit uit in een EnergiePrestatie­Coëfficiënt (EPC). Hoe lager de EPC, hoe beter het gebouw presteert. In het Bouwbesluit is een maximumwaarde voor deze EPC opgenomen. Om de eis te halen, kan naast bijvoorbeeld isola­ tie en energie-efficiënte installaties ook duurzame energie toegepast worden.

De Wet milieubeheer verplicht bedrijven en organi­ saties met een energieverbruik hoger dan 25.000 m3 gas en/of meer dan 50.000  kWh elektriciteit, alle mogelijke energiebesparingen te treffen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. Beheer­ ders van gebouwen dienen inzicht te hebben in het energieverbruik en moeten kunnen aantonen welke maatregelen zij treffen om het energieverbruik te beperken. Een EPA vormt hierbij een goede basis voor overleg met gemeenten in het kader van de Wet milieubeheer. Gemeenten kunnen besluiten een onderzoeks­verplichting op te leggen op basis van deze wet.

De NEN 2916 geeft een bepalingsmethode voor de EPC van een utiliteitsgebouw.

Het EnergieprestatieAdvies (EPA) Naast het verplichte energieprestatiecertificaat kan ook gebruik worden gemaakt van een zogenaamd Energie­PrestatieAdvies (EPA). Een EPA is een advies dat inzicht geeft in  mogelijke bouwkundige en in­ stallatietechnische verbeteringen aan bestaande gebouwen. Een EPA-rapport geeft de huidige ener­ gieprestatie weer van een gebouw en de kosten en baten van energiegerelateerde maatregelen. Ook

Subsidies De overheid heeft het programma ‘Duurzame Ener­ gie in Nederland’ (DEN) opgesteld. Dit programma helpt gemeenten, bedrijven en onderzoeksorganisa­ ties met praktische stappenplannen en brochures. Daarnaast wordt er vanuit dit programma onder­ steuning geboden bij het oplossen van problemen rondom het realiseren van duurzame energie. Aan dit programma zijn verschillende subsidieregelingen gekoppeld.3

Wet- en regelgeving

73


Zonder een sturende overheid die de regie heeft en faciliteert, gaat duurzame ontwikkeling het niet redden. AndrĂŠ Thomsen, hoogleraar Woningverbetering en Woningbeheer TU Delft Uit: Duurzaam ontwikkelen... een wereldkans van Anne-Marie Rakhorst


De afhandeling van de subsidieregelingen wordt uit­ gevoerd door SenterNovem. Bij aanvraag van een subsidie moet specifieke informatie met betrekking tot de uitvoering van een project worden aangele­ verd. Daarna moet gedurende de looptijd van een project twee maal per jaar (in februari en augus­ tus) de voortgang worden gerapporteerd. Er kan ge­ durende de looptijd van het project een voorschot worden aangevraagd voor gemaakte en betaalde kosten, tot een maximum van 80% van de toege­ zegde subsidie. Indien er gedurende de looptijd van het project wijzigingen optreden (zowel technisch- of finan­ cieel-inhoudelijk als die van start- of einddatum) moet hiervoor vooraf, schriftelijk, toestemming aan Senter­Novem worden gevraagd. Bij afronding van het project moet een eindrapportage worden aan­ geleverd. De hierna genoemde regelingen van het programma ‘Duurzame Energie in Nederland’ zijn van toepas­ singen op de gebruiksfase van een gebouw.

De Energie-InvesteringsAftrek (EIA)

Door deze aftrekmogelijkheid valt de fiscale winst lager uit en wordt een lagere inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting toegepast. Om in aanmerking te kunnen komen voor de EIA moeten de investeringen voldoen aan de volgende drie voorwaarden: • de energie-investeringen moeten ten minste € 2.100 bedragen; • het bedrijfsmiddel is niet eerder gebruikt; • het bedrijfsmiddel staat op de Energielijst (www.belastingdienst.nl). In de Energielijst staat welke bedrijfsmiddelen in ieder geval in aanmerking komen voor de EIA. Daar­ naast komen in aanmerking voor de EIA: • bedrijfsmiddelen die niet op de Energielijst 2007 staan, maar die wel energie of fossiele brandstoffen besparen en een algemeen vastge­ stelde besparingsnorm halen; • de kosten van een energieadvies, onder be­ paalde voorwaarden. Een ondernemer kan zich aanmelden voor de EIA met het formulier ‘Melding/verzoek om verkla­ ring Energie-investeringsaftrek (EIA)’. Dit formulier maakt deel uit van de Energielijst en is ook te down­ loaden van de internetsite van de belastingdienst.

De regeling ‘Energie-InvesteringsAftrek’ (EIA) is bestemd voor ondernemers die willen investeren in energiebesparende bedrijfsmiddelen en in de toepassing van duurzame energie. De EIA levert een dubbel voordeel op: naast een besparing op de energiekosten (of het inbrengen van een duur­ zaam aandeel op het energieverbruik), betaalt de ondernemer minder inkomsten- en vennootschaps­ belasting.

Vanaf 2008 kunnen ook de kosten van een EPA-maatwerkadvies in de bestaande utiliteitsbouw voor EIA in aanmerking komen. Het advies moet dan wel worden gecombineerd met een investering in minstens één bedrijfsmiddel dat op de Energielijst staat.

Van de geïnvesteerde kosten van deze bedrijfs­ middelen is 44%4 aftrekbaar van de fiscale winst.

Elke ondernemer die in Nederland inkomsten- of vennootschapsbelasting betaalt, kan in principe

Wet- en regelgeving

75


gebruikmaken van de EIA. Er is geen einddatum vastgesteld voor de regelingen. Er kan ieder jaar opnieuw een aanvraag worden ingediend. Wel moet er rekening worden gehouden met de uitputting van het beschikbare budget voor de regelingen in een jaar. Daarnaast gelden er meldingstermijnen om ge­ bruik te maken van de regelingen. De EIA kan aangevraagd worden in combinatie met de MilieuInvesteringsAftrek (MIA) en de Rege­ ling willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil).

De MilieuInvesteringsAftrek (MIA) Een andere mogelijkheid om de fiscale winst te ver­ lagen, biedt de milieu-investeringsaftrek (MIA). Bij deze regeling kan een percentage van de investe­ ringskosten voor energie­besparende bedrijfsmidde­ len namelijk extra worden afgetrokken van de fisca­ le winst. Het doel van de MIA is het stimuleren van investeringen in milieuvriendelijke apparatuur door het Nederlandse bedrijfsleven. De bedrijfsmiddelen die voor de MIA in aanmerking komen, staan in de Milieulijst, die jaarlijks wordt aangepast. De Milieu­ lijst kan worden gedownload van de internetsite van de belastingdienst. Er kan aanspraak worden gemaakt op de MIA als een investering voldoet aan de volgende vijf voorwaar­ den: • het bedrijfsmiddel staat op de Milieulijst die het ministerie van VROM jaarlijks opstelt; • het bedrijfsmiddel is niet eerder gebruikt; • de investering heeft betrekking op aanschaf- en voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel; • de milieu-investeringen bedragen ten minste € 2.100;

Wet- en regelgeving 76

• u kunt voor hetzelfde bedrijfsmiddel geen energie-investeringsaftrek én milieu­ investeringsaftrek tegelijk krijgen. Onder bepaalde voorwaarden komen ook de kosten van een EPA-maatwerkadvies voor de MIA in aan­ merking.

De Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil) ‘De aanwijzings­­regeling willekeurige afschrijving milieu-investeringen’ — zo heet de Vamil-regeling officieel. De Vamil-regeling biedt ondernemers een liquiditeit- en rentevoordeel. Het doel van de Vamil is het stimuleren van milieuinvesteringen die in het belang zijn van de bescher­ ming van het Nederlandse milieu. Deze regeling is bedoeld voor ondernemers die in Nederland inkom­ sten- of vennootschapsbelasting betalen. Investeringen die onder de Vamil-regeling vallen, kunnen worden afgeschreven vanaf het moment dat het bedrijfsmiddel is gekocht of vanaf het moment waarop er kosten voor gemaakt worden. De onder­ nemer kan zelf bepalen wanneer de investerings­ kosten van een bedrijfsmiddel worden afgeschre­ ven. Zo kan bijvoorbeeld de totale investering al in het jaar van aanschaf volledig worden afgeschreven. Door sneller af te schrijven, wordt de fiscale winst verlaagd en betaalt een ondernemer minder inkom­ sten- of vennoot­schapsbelasting. Vervolgens kan de ondernemer minder afschrijven, maar hij boekt wel een liquiditeit- en een rente­ voordeel doordat hij zijn belastingbetaling uitstelt.


Sinds 2006 is de Milieulijst voor de Vamil samenge­ voegd met de Milieulijst van de MIA. De Vamil en MIA zijn twee aparte regelingen, maar vanwege de grote overlap zijn de milieulijsten voor deze twee rege­ lingen samengevoegd. Zo zijn onder meer de voor­ waarden om in aanmerking te kunnen komen voor de Vamil gelijk aan de voorwaarden van de MIA.

Groene hypotheek Voor duurzame woningen (nieuwbouw en renovatie) en kantoorgebouwen kan onder bepaalde voorwaar­ den een Groenverklaring worden aangevraagd. Om voor een Groenverklaring in aanmerking te komen, moeten projecten: • van belang zijn voor het milieu; • worden uitgevoerd in Nederland; • een projectvermogen van ten minste € 22.689 omvatten; • enig financieel rendement opleveren. Met een Groenverklaring kan tegen gunstiger voor­ waarden een hypotheek worden verstrekt.5 De belangrijkste eis waaraan utiliteitsgebouwen moeten voldoen, is dat de EPC lager is dan 0,7 keer de wettelijke norm. Daarnaast moet in het gebouw een aantal duurzame maatregelen worden toege­ past, waaronder de toepassing van FSC-hout voor al het hout aan de buitenzijde. Met de Groenverklaring kan een groene hypotheek worden afgesloten met een maximum van €  400 per m2 en een maximum van 5.000 m2 totale vloer­ oppervlakte. Het voordeel ontstaat doordat banken voor groene hypotheken een rente berekenen die ongeveer 1% lager ligt dan de marktrente.

Wet- en regelgeving

77


Informatiebronnen Internet 1 Duurzaam www.clubofrome.nl www.greenpeace.nl www.wikipedia.nl www.unfccc.int www.vrom.nl www.cbs.nl www.shell.com www.senternovem.nl www.bouwcollege.nl www.toolkitonline.nl www.milieuennatuurcompendium.nl www.klm.nl www.welvaartenleefomgeving.nl www.tntplanetme.com www.group.tnt.nl www.greencardvisa.nl www.rau.eu www.wnf.nl www.duurzaamheidsverslag.nl

2 Bouwmaterialen www.isover.nl www.rockwool.nl www.builddesk.nl www.ecofys.nl www.euroace.org kcg.knowmany.net www.ekbouwadvies.nl www.milieucentraal.nl www.wikipedia.nl

3 Binnenklimaat www.aeneas.nl www.milieucentraal.nl www.senternovem.nl www.vrom.nl www.bouwcollege.nl www.warmtepompenwegwijzer.nl www.stichtingwarmtepompen.nl www.nvoe.nl www.ledned.nl www.hollandsolar.nl www.vergelijkcvketels.nl www.zonneboilers.be www.nuonenergiebesparen.nl www.lighting.philips.com www.energiened.nl

Informatiebronnen 79


4 Beheer www.verenigingafvalbedrijven.nl www.afvalgids.nl www.afvalscheidingswijzer.nl www.milieucentraal.nl www.milieuennatuurcompendium.nl www.slimme-energie.nl www.senternovem.nl www.mijnenergiezorg.nl www.triasenergetica.com www.pvinfo.nl/ www.cocos.nl

5 Wet- en regelgeving www.vrom.nl www.wetten.overheid.nl www.bedrijvenloket.nl www.belastingdienst.nl www.fiscaal.com www.energielabel.nl www.rwe.nl www.subsidieadvies.info www.nen.nl www.iso.org www.iso14000.nl www.dnv.nl www.sccm.nl www.Bouwbesluitonline.nl www.ekbouwadvies.nl/Bouwbesluit

Informatiebronnen 80


Literatuur Air France KLM, Corporate Social Responsibility Report 2006-7 Alphen van, P. Wegwijzer warmtepompen 2007, Woerden, 2007 Amerongen, G. Zonne-energie feiten en cijfers, Holland Solar, maart 2007 Bellens, D. Milieuspecificatie schoonmaakmiddelen, gemeente Nieuwegein, conceptversie april 2005

Drunen, M. van en Lasage, R. Klimaatverandering in stedelijke gebieden, onderdeel van routeplan­ ner 3, november 2007, ISBN 978-90-5192-035-2 Duijm, F. Gezondheid en ventilatie in woningen in Vathorst, Amersfoort, 2007 Ecofys, Kosteneffectieve energiebesparing en klimaatbescherming. De mogelijkheden van isolatie en de kansen voor Nederland, Utrecht, 2005 Ecofys, Mitigation of CO2: Emmissions from the building stock, Ecofys, Keulen, 2004

Bosselaar, L. Protocol monitoring duurzame energie update 2006, 2006, Publicatienummer 2DEN0611

Elkhuizen, P.A. Kwaliteitsborging van installaties. Evaluatie van bestaande instrumenten en een visie voor de toekomst, TNO bouw en Hal­ mos adviseurs, Delft, 2005

Brundtland, G.H. Our common future, Oslo, 1987, United Nations

Europese Gemeenschappen, Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de raad, 2002

CBS, Duurzame energie in Nederland 2006, Voor­ burg/Heerlen, 2007, ISBN: 978-90-357-1518-9; ISSN 1871-7853

Flying Dutchman, magazine voor frequent flyers #4/2007, uitgave van KLM

College bouw zorginstellingen, Hitte de baas, koeling in zorginstellingen, cahier C 09, Culem­ borg, 2007, ISBN 978-90-8517-091-4 College bouw zorginstellingen, Kengetallen 2007, Utrecht, 2007, ISBN/EAN: 978-90-8517-096-9 College bouw zorginstellingen, Licht (uitwerking notitie Healing environment), Utrecht 2004

GEPVP, Energy & environmental benefits from advanced double glazing in EU buildings, Brus­ sel, 2005 Gore, A. Een ongemakkelijke waarheid, het gevaar van het broeikaseffect en wat we eraan kunnen doen, Amsterdam, 2007, ISBN 978-90-290-7867-7 Hameetman, P. Toolkit duurzame woningbouw, voor ontwikkelaars, gemeenten en ontwerpers, 2e editie, Boxtel, 2006, uitgeverij Aeneas, ISBN 90-7536-578-0 www.toolkitonline.nl

Informatiebronnen 81


Het Nationaal Onderzoeksprogramma Klimaat voor Ruimte, Naar een klimaatbestendig Nederland, samenvatting routeplanner, 2006, ISBN 10 90-376-0504-4 Isover, Catalogus 2008, geldig vanaf 1 januari 2008, Etten-Leur Isover, Spouwwol, thermische isolatie van nietgeïsoleerde spouwmuren, technisch productblad, Etten-Leur Lomborg, B. Cool it! Zin en onzin in het debat over de klimaatverandering, Utrecht, 2007, ISBN 978-90-274-4591-9 MBDC, Cradle to Cradle Certification Program, Charlottesvile, 2007, McDonalds Braungarth Design Chemistry Ministerie van VROM, Nieuwe energie voor het klimaat, Distributiecode VROM 7421, 2007 Pestel, E. The Limits to Growth (abstract), Rome, 1972 Peters, E. Handboek binnenmilieu 2007, RIVM, Rotterdam, 2007 Prud’homme de Lodder L.C.H. Cleaning Products Fact Sheet, Bilthoven, 2006, RIVM report 320104003/2006 Rakhorst, A. Duurzaam ontwikkelen, een wereldkans, Schiedam, 2007, ISBN 978-90-55949-569-6 Rockwool, Gevelplaat  430, technisch productblad, 2005, Roermond

Informatiebronnen 82

Rockwool, Inblaaswol, brochure, 2006, Roer­ mond Rockwool, Prijslijst 2008, geldig vanaf 1 januari 2008, Roermond Rockwool, Renovatie brochure, 2004, Roermond Rockwool, Zwevende VloerPlaat  501, technisch productblad, 2006, Roermond SenterNovem, Cijfers en Tabellen 2007, Utrecht, 2006 SenterNovem, EnergieBesparingsMonitor bouwde omgeving 2006, Utrecht, 2006

ge-

SenterNovem, Energielijst 2008, energie-investe­ ringsaftrek (EIA), Zwolle, 2007, Publicatie ML501Z81FD SenterNovem, Energiezorg in relatie met uw zorgsysteem, Linking list tussen de Referentie Energiezorg en ISO 9001:2000, Utrecht, 2006, Publicatienummer 2MJAF0625 SenterNovem, Energiezorg in relatie met uw zorgsysteem, Linking list tussen de Referentie Energiezorg en ISO 14001:2004, Utrecht, 2006, Publicatienummer 2MJAF0626 SenterNovem, Handreiking duurzaam inkopen en aanbesteden, Utrecht, 2005, Publicatienummer 3PRED05.08 SenterNovem, Milieulijst 2008, willekeuri­ ge afschrijving milieu-investeringen (Vamil), Publicatie ML28-1Z 1FD


SenterNovem, Nederlands afval in cijfers, gege­ vens 2000-2004, Utrecht, 2005 SenterNovem, Referentie Energiezorg met Leidraad, Utrecht, 2002, Publicatienummer 3MJAF03.01 SenterNovem, Vindwijzer 2007, Utrecht, 2007, Publicatienummer 9COM0707

beleidsuitgangspunten

DVD An in convenient thruth. A global warning van Al Gore, 2006 TV-programma Nederland bouwt, verschillende uitzendingen in 2007 en 2008, www.nederlandbouwt.nl TV-programma Tegenlicht 26 november  2007 ‘Afval is voedsel’, www.vpro.nl/programma/ tegenlicht

Shell, The Shell Sustainability Report 2006 Shell, Algemene Shell, 2005

Overige

van

United Nations, Kyoto protocol to the United Nations framework convention on climate change, 1998

TV-programma The great climate swindle 4 maart 2007, channel 4, http://www.channel4. com/science/microsites/G/global_warming

United Nations (Unfccc), United Nations framework convention on climate change, Rio de Janeiro, 1992 Vereniging Afvalbedrijven, Jaarverslag 2006, Den Bosch, 2007 VROM, Bouwbesluit 2003, Den Haag, 2002

Informatiebronnen 83


Voetnoten 1 Duurzaam 1. www.knmi.nl/klimaatscenarios/waarnemingen/ index.html, d.d. 14-02-2008 2. Naar een klimaatbestendig Nederland, pagina 7 3. Naar een klimaatbestendig Nederland, pagina 19 4. Klimaatverandering in stedelijke gebieden, pagina 8 5. www.milieuennatuurcompendium.nl klimaat­ verandering en ozonaantasting, d.d. 14-02-2008 6. Nieuwe energie voor het klimaat, pagina 9 7. Kosteneffectieve energiebesparing, pagina V 8. KLM Corporate Social Report 2006-7 pagina 12 9. www.tntplanetme.com code orange - buildings existing buildings - d.d. 14-02-2008 10. EnergieBesparingsMonitor gebouwde omgeving 2006, pagina 55 11. www.toolkitonline.nl - toolkit online - introduc­ tie

2 Bouwmaterialen 1. Cijfers en tabellen 2007, pagina 71 2. Cijfers en tabellen 2007, pagina 27 3. www.milieucentraal.nl/pagina?onderwerp= Dubbele%20beglazing#Kosten_en_besparingen, d.d. 15-2-2008 4. www.milieucentraal.nl/pagina?onderwerp= Dubbele%20beglazing#Kosten_en_besparingen, d.d. 15-2-2008 5. www.vvvf.nl; thema’s; duurzaam ondernemen, d.d. 15-2-2008 6. Cijfers en Tabellen 2007, pagina 27

Informatiebronnen 84

3 Binnenklimaat 1. De hitte de baas, pagina 5 2. www.atagverwarming.nl/default.aspx?cp= terminology, d.d. 15-2-2008 3. EnergieBesparingsMonitor gebouwde omgeving 2006, pagina 58 4. Cijfers en tabellen 2007, pagina 32 5. Cijfers en tabellen 2007, pagina 27 6. www.infomil.nl/aspx/get.aspx?xdl=/views/info­ mil/xdl/page&ItmIdt=158341&SitIdt=111&VarIdt= 82&popup=popupdossier, d.d. 15-2-2008 7. Duurzame energie in Nederland 2006, pagina 35 8. Duurzame energie in Nederland 2006, pagina 37 9. www.zonneboilers.be/?page_id=5, d.d. 15-2-2008 10. www.solarservices.nl/groups/care.htm, d.d. 15-2-2008 11. www.solarservices.nl/groups/care.htm, d.d. 15-2-2008 12. Zonne-energie, feiten en cijfers, pagina 9 13. www.milieucentraal.nl/pagina?onderwerp= Warmtepompen#Energie_besparing, d.d. 15-2-2008 14. Duurzame energie in Nederland 2006 15. www.stichtingwarmtepompen.nl/portal/ boaconstructie/referentie.asp?refid=172, d.d. 15-2-2008 16. www.milieucentraal.nl/pagina?onderwerp= Warmtepompen, d.d. 15-2-2008 17. Folder, Bezuinigingen in de zorg, www.cocos.nl 18. Energie BesparingsMonitor gebouwde omgeving 2006, pagina 18 19. www.toolkitonline.nl, themablad ventilatie d.d. 15-2-2008 20. EnergieBesparingsMonitor gebouwde omgeving 2006, pagina 60 21. Cijfers en tabellen 2007, pagina 64


22. www.milieucentraal.nl/pagina?onderwerp= Mechanisch%20afzuigsysteem, d.d. 15-2-2008 23. Ben Bronsema, Vocht, waar maken wij ons druk om? 24. Notitie: licht (2004), College bouw zorginstel­ lingen, pagina 4 25. Duurzame energie in Nederland 2006, pagina 55 26. www.gloeilamp.com/ 27. www.milieucentraal.nl/pagina?onderwerp= Spaarlampen 28. www.lighting.philips.com/nl_nl/trends/led/ index.php?main=nl_nl&parent=1&id=nl_nl_ trends&lang=nl, d.d. 15-2-2008 29. www.lighting.philips.com/nl_nl/trends/led/ index.php?main=nl_nl&parent=1&id=nl_nl_ trends&lang=nl, d.d.15-2-2008 30. Cijfers en tabellen 2007, pagina 27 31. Cijfers en tabellen 2007, pagina 59 32. Cijfers en tabellen 2007, pagina 59

4 Beheer 1. 2. 3. 4.

EnergieBesparingMonitor 2006, pagina 55 EnergieBesparingMonitor 2006, pagina 55 Kengetallen 2007, pagina 9 Folder, Energiezorg: blijvende winst, SenterNovem. 5. Cijfers en tabellen 2007, pagina 27 6. Duurzame energie 2006, pagina 11 7. Duurzame energie 2006 , pagina 12 8. EnergieBesparingsMonitor 2006, pagina 59 9. www.ecn.nl 10. www.hollandsolar.nl 11. Duurzame energie 2006, pagina 30 12. http://www.cocos.nl/index.asp?page=built_ surroundings&sub=Zorg&lang=nl, d.d. 15-2-2008 13. Cijfers en tabellen 2007, pagina 26

14. Cijfers en tabellen 2007, pagina 26 15. Nederlands afval in cijfers, pagina 32 16. Nederlands afval in cijfers 17. Cijfers en tabellen 2007, pagina 38 18. Handboek binnenmilieu, pagina 106 19. Milieuspecificaties schoonmaak (gemeente Nieuwegein) 20. Vindwijzer 2007, SenterNovem, activiteit 48 21. Handreiking duurzaam inkopen en aanbesteden, pagina 5 22. Handreiking duurzaam inkopen en aanbesteden, pagina 16 23. Kwaliteitsborging van installaties, Evaluatie van bestaande instrumenten en een visie voor de toekomst, pagina 19

Hoofdstuk 5 Wet- en regelgeving 1. Bron: www.nen.nl over NEN, d.d. 14-2-2008 2. Bron: www.nen.nl werken met normen, d.d. 14-2-2008 3. Bron: Website SenterNovem d.d. 5-1-2008 www.senternovem.nl/duurzameenergie/ subsidie/index.asp 4. Bron: Website SenterNovem d.d. 15-1-2008 www.senternovem.nl/eia 5. Bron: www.senternovem.nl d.d. 14-2-2008 www.senternovem.nl/groenbeleggen/ financiering/de_groenverklaring.asp

Informatiebronnen 85


Illustratieverantwoording Pagina 4: www.sxc.hu Pagina 7: www.sxc.hu Pagina 8: Aletschgletsjer, Zwitserland, door B.G. Seffinga Pagina 12: www.sxc.hu Pagina 16: M.A.D. Pijning, geïnspireerd door www.greenpeace.org Pagina 19: www.klm.nl en www.shell.nl Pagina 20: www.tntplanetme.com Pagina 21: www.greencardvisa.nl Pagina 23: www.cradletocradle.nl Pagina 24: M.A.D. Pijning, geïnspireerd door ‘Handreiking duurzaam inkopen en aanbesteden’ van SenterNovem Pagina 26: www.sxc.hu Pagina 38: www.sxc.hu Pagina 54: www.sxc.hu Pagina 68: www.sxc.hu Pagina 78: www.sxc.hu

Informatiebronnen 86


De verandering van het klimaat staat op dit moment in het brandpunt van de maatschappelijke discussie. Er gaat geen dag voorbij of de klimaatproblematiek haalt de media. De vraag welke invloed de mens heeft op het veranderende klimaat is onderwerp van felle discussies. Deskundigen zijn het bovendien niet met elkaar eens met welke snelheid het klimaat verandert en welke gevolgen dit met zich meebrengt. De vraag of en hoeveel invloed de mens heeft op de klimaatverandering wordt in dit handboek niet beantwoord, maar dåt het klimaat aan het veranderen is, dat staat vast. En dat duurzaamheid daarom steeds belangrijker wordt, is duidelijk. Dat blijkt niet alleen uit de klimaatdoelstellingen die de Nederlandse regering heeft opgesteld. Ook ondernemers zoeken steeds meer naar mogelijkheden om energie te besparen, mede onder druk van de stijgende energieprijzen. Instellingen voor verpleging en verzorging zullen hier ook meer en meer aandacht aan moeten besteden. Veel van de beschikbare oplossingen richten zich op nieuwbouwsituaties. Dit handboek richt zich op de bestaande gebouwen die door instellingen voor verpleging en verzorging worden gebruikt. Het handboek biedt de manager van het facilitair bedrijf de mogelijkheid duurzaam beheer die plek te geven die het verdient. Met de onderwerpen en cijfers in dit handboek kan men gericht actie ondernemen om het faciltair bedrijf duurzaam in te richten en duurzaam beheer op te nemen in de organisatie­doelstellingen. B.G. Seffinga

Profile for Bob Seffinga

Handboek  

Handboek duurzaam facilitair beheer

Handboek  

Handboek duurzaam facilitair beheer

Profile for badgir
Advertisement