Page 1

gletsjertrotter

tekst Aukje van Gerven foto’s Aukje van Gerven, Jon Earle en 66North

‘KOM MAAR OP MET DIE TOP’ Aukje gaat de uitdaging aan

VOOR SOMMIGE MENSEN IS GEEN BERG TE HOOG EN GEEN BRUG TE VER. MAAR ALS JE DAN HET VERZOEK KRIJGT OM EVEN IN ÉÉN DAG DE GROOTSTE GLETSJER VAN EUROPA TE BEKLIMMEN… TJA, DAN ZEGT RAS-AVONTURIER AUKJE VAN GERVEN NATUURLIJK METEEN JA, OOK ALS JE TOTAAL ONGETRAIND DE BERG OP MOET.

IJ

sland. Het land van Björk, een vrouwenoverschot en dus mannenparadijs, en is het daar niet altijd koud en donker? Ook het land trouwens van die verdomde vulkaan met die onuitspreekbare naam waardoor je een paar maanden daarvoor je welverdiende vakantie naar de zon misliep. Vlakbij die vulkaan, door Amerikanen zo lekker simpel ‘E16’ genoemd (Eyjafjallajökull), ligt trouwens de grootste gletsjer van Europa: de Vatnajökull. Laat ik nou op weg zijn om op die grootste gletsjer van Europa en het hoogte punt van IJsland te gaan beklimmen. Ik word een week van tevoren gebeld: ik ben toch zo sportief? Zin om een uurtje of 15 te gletsjerklimmen? Eh, ja! Echt wel. Dat ik al maanden nauwelijks meer heb gesport en midden in een verhuizing zit, daar denk ik maar even niet aan. Na de briefing kom ik er achter dat pak ’m beet honderdvijftig

IJslanders al maanden trainen voor deze klim. IJslanders. Groot, sterk en afstammend van Vikingen. En nu ga ik dat dus volgende week

ook doen. Bij weet-ik-veel hoeveel graden onder nul. Samen met die stoere blonde IJslanders. Ik ga toch maar even een rondje rennen door het bos vandaag.

Twee keer tien minuten hardlopen en een chaotische inpaksessie verder – hoezo thermisch ondergoed? – kijk ik naar de grijze lucht die onder me verdwijnt in Amsterdam. Een dikke drie uur later zie ik IJsland al onder me verschijnen. Geen rokende vulkaanpluimen, maar een woeste zee en een ruig groen landschap. En een strakblauwe lucht. Dat belooft wat. Als ik even later op de luchthaven Kevlavik het gebouw uitga, in een dikke winterjas, komt de warme lucht me tegemoet. Het treft: een IJslandse hittegolf. Het is zeker 20 °C. Alle IJslanders die ik spreek in het eerste uur nadat ik ben gearriveerd, van de koffiejuffrouw tot de taxichauffeur, verzekeren me

dat ik met mijn neus in de boter ben gevallen: “Zulk mooi weer hebben we het hier nooit.” Ik heb een slapeloze nacht in Reykjavik. Om 12 uur ’s nachts is het nog hartstikke licht en na drie uur woelen doe ik de zware gordijnen open om te kijken en jawel: nog steeds licht. Of alweer licht? Hoe dan ook, de zon gaat hier in de zomer nauwelijks onder. Misschien twee uurtjes schemerlicht en dan staat ie weer vrolijk te schijnen. Nu dan dus even niet verscholen achter een dik pak wolken. Het is op zijn minst een surrealistische belevenis.

Ik sta te trillen op mijn benen, de vermoeidheid slaat onverbiddelijk toe Gewapend met een zonnebril tegen de felle stralen, stap ik de ochtend erop in de bus op weg naar de Vatnajökull-gletsjer. Onderweg stoppen we eerst even bij 66º North, kan ik me straks in elk geval qua mode meten met die IJslanders. Ik kom er ruimschoots aan mijn trekken wat betreft mooie, maar heerlijk warme fleece vesten en thermisch ondergoed. Op kantoor hangen spectaculaire foto’s van de ›

Onderweg naar de boven. Aukje gaat zo de touwen in: een veiligheidsmaatregel omdat op de gletsjer allemaal ijsspleten zitten die je niet kunt zien. Het echte werk gaat beginnen!

58›VIVA


gletsjertrotter

'Yes, on top of the world.' Aukje haalde binnen 8 uur de top.

‹ meest recente vulkaanuitbarsting. Hoewel Eyjafjallajökull nu ‘slaapt’,

komen we er tijdens onze lange busreis over een praktisch verlaten IJslandse weg langs. IJsland zou eigenlijk Groenland moeten heten, bedenk ik me onderweg. Het groen is hier ongelooflijk fel van kleur. Mijn gemijmer wordt onderbroken doordat we in een dorpje aankomen dat veel last heeft gehad van de vulkaanas. Het meeste is al van de daken geveegd, maar op de grond staan groene plantjes tussen de zwarte as. Met een blauw gezichtsmasker zie ik eruit als een soort van SARSslachtoffer in een desolaat aslandschap. De surrealistische beleve-

nissen stapelen zich op.

Die avond slaap ik in een hotel aan de rand van de gletsjer en bereid me mentaal voor op de volgende dag: het bedwingen van Hvannadalshnúkur, het hoogste punt van IJsland. Ik wist dat het een uitdaging ging

Mocht er iemand onverwacht een gletsjerspleet inglijden dan bungel je in elk geval nog veilig worden: ongetraind 22 kilometer afleggen met een hoogteverschil van meer dan 2000 meter. Toch zie ik uit naar de klim. Ik weet in wat voor meditatieve stand je geest zich kan zetten als je je concentreert op het lopen: voet voor voet, stap voor stap. Om 5 uur ’s ochtends ben ik weliswaar niet erg uitgerust, maar de adrenaline en het beetje zonlicht door de dikke mist zorgen ervoor dat ik me enthousiast bij een groepje IJslandse vrouwen voeg met wie ik onder leiding van een IJslandse gids de gletsjer op ga.

Onderweg: kilometers gestolde lava. Aan de ene kant is dit land zo overweldigend felgroen in de zomer, aan de andere kant zo desolaat en kaal, zonder bomen. Zo ruig.

Ongevaarlijk is het niet. Ieder jaar sterven er een paar klimmers onderweg naar de top. De gevaren: gevaarlijke gletsjerspleten, het weer kan omslaan en onderkoeling.

Na een paar uur licht stijgen, is het tijd voor het echte werk. We krijgen allemaal een harnas aan, crampons onder de bergschoenen (van die ijzeren beugels met pinnen om niet weg te glijden in het ijs) en zitten door middel van een ingewikkelde touwconstructie allemaal aan elkaar vast. Mocht er iemand onverwacht een gletsjerspleet inglijden, dan bungel je in elk geval nog ‘veilig’ aan de rest. De zon breekt door en op een zee van ijs en onder een strakblauwe lucht klimmen we in een rij hoger en hoger de gletsjer op. De gids wijst rotsen aan die normaal niet zichtbaar zouden mogen zijn: gevolg van klimaatverandering. Ook deze enorme gletsjer smelt weg.

Ik voel me eigenlijk prima, ongetraind en wel… Hebben mijn spieren in de afgelopen jaren van afzien dan toch een soort van ijzeren conditie opgebouwd? Natuurlijk is het een lange dag, en voel ik na een tijdje mijn billen, benen en kuiten flink protesteren bij elke stap die ik zet. Maar toch, als iemand me zou vertellen dat ik nog wat extra uurtjes moet, draai ik mijn hand er niet voor om. Kom maar op met die top. Na acht uur is de top binnen handbereik en wordt het steiler. We slaan onze ijsbijlen stevig in de sneeuw voor het laatste stukje en staan dan eindelijk, na een dag zwoegen, op de top. Gejuich klinkt, felicitaties volgen en grijnzend sta ik met mijn ijsbijl op de foto. I made it. Als ik daarna eens goed om me heen kijk, zie

ik alleen maar ijs zover het oog reikt, met daarachter witte wolken. Een witte wereld.

Naar beneden is op de een of andere manier altijd zwaarder. Waar je op de heenweg nog wordt gedreven door de wil om de top te bereiken, wil je daarna het liefst zo snel mogelijk weer beneden zijn. Een paar ski’s zou fijn zijn geweest, maar in plaats daarvan gaan de harnassen weer aan en zitten we weer vast aan elkaar door middel van het touw. Tijdens elke pauze moet je je complete harnas uitdoen als je wilt plassen. En plassen doe je achter een muurtje van sneeuw, omdat anders iedereen je blote kont kan zien op deze witte vlakte. Het ijs achter het muurtje is natuurlijk geel. Na 14 uur omhoog en weer terug op Vatnajökull ben ik dolblij als ik de parkeerplaats weer in zicht krijg. Inmiddels doen mijn knieën vreselijk pijn van de constante druk van de afdaling, slaat de vermoeidheid onverbiddelijk toe, sta ik te trillen op mijn benen en heb ik nog maar nauwelijks oog voor het gras langs de lieflijke bergbeekjes met gletsjerwater. Eenmaal aangekomen krijg ik een Viking-biertje in mijn handen gedrukt. “Skål!” proost ik, samen met de sterke IJslandse dames waarmee ik deze fantastische tocht heb mogen maken. Die nacht slaap ik als een blok, ondanks het voortdurende licht dat door de gordijnen schijnt. Als ik ze de ochtend daarna opendoe, kijk ik recht op een besneeuwde berg met

paarse bloemen op de voorkant. IJsland zit vol met verrassingen. We stoppen in een vissersdorpje en worden getrakteerd op een lunch met lokaal gevangen vis. Kreeft, garnalen, allerlei soorten witvis. Ik zie ook schaaltjes met iets wat op zwart vlees lijkt. Het is walvis. Oef. Mijn maag draait zich een beetje om. Het is toch een beetje een moeilijke kwestie. Ik vraag de kok wat voor walvis het is. Het blijkt een kleine soort te zijn, komt veel voor, maar er is weinig vraag naar walvis, die het meeste wordt geëxporteerd. Toch is het een lokale delicatesse. Ik ben nieuwsgierig en doe het piepkleine stukje zwarte vlees in mijn mond. Het smaakt eigenlijk naar niks bijzonders. Het is gemarineerd in een soort sojasaus. Een beetje ruw op de tong. Voordat ik het weet, heb ik het weggeslikt. Ik heb dus walvis gegeten. Terwijl de Partij voor de Dieren me zo na aan het hart ligt. Ik voel me daarna wat misselijk, maar rationaliseer het weg. Geen bedreigde diersoort en ik eet toch ook wel eens koe? Ik word hier op IJsland niet alleen fysiek, maar ook mentaal uitgedaagd. Als ik weer een dag later die woeste zee en het groene en bruine land onder me zie verdwijnen vanuit het vliegtuigraampje, ben ik nog steeds onder de indruk van mijn ervaringen in dit geïsoleerde land. Gevuld met sterke vrouwen en gestolde lava, Vikinghistorie en culinaire uitdagingen, metersdik ijs en daglicht op elk uur van de dag. En dan heb ik bruisend Reykjavik nog niet eens echt ontdekt! Ik ben nog lang niet klaar met IJsland. M Meer lezen over Aukje’s avonturen? www.aukjevangerven.nl. Haar eerste boek ‘Beroep: Avonturier’ ligt nu in de winkel.

HOE HOUDEN DIE IJSLANDERS HET WARM? Een lekkere muts helpt, bijvoorbeeld eentje van hét kledingmerk van de IJslanders: 66˚North. Wil jij zo'n Kaldi-muts winnen? 66˚North geeft er twee weg: een witte en een zwarte. Surf naar www.66northnederland.nl en klik op 'Winactie Viva'.

VIVA›61

Kom maar op met die top!  

Viva article from author Aukje van Gerven on climbing Iceland's largest glacier