Page 1

juni 2014

#106

natuur bos landschap Natuurlijk verder Een wolf in schaapskleren Meer mensen, meer natuur, meer landschap minder geld, minder overheid

+nieuwsbrief

themanummer

Nationaal Natuurnetwerk


inhoud

colofon Jaargang 11 Nummer 106 Juni 2014

Vakblad Natuur Bos Landschap verschijnt 10 x per jaar (niet in juli en augustus) Redactie Ido Borkent (hoofdredactie), Geert van Duinhoven (eindredactie), Erwin Al, Joukje Bosch, Chantal van Dam, Bart de Haan, Marleen van den Ham, Jeroen van der Horst, Fabrice Ottburg, Anne Reichgelt, Pieter Schmidt, Renske Schulting, Martijn van Wijk. Vaste bijdrage Lotty Nijhuis (Stelling), Fred Kistenkas (Juridica)

6

Lay-out Aukje Gorter, aukjegorter.nl Beeldredactie Aukje Gorter en Fabrice Ottburg Cover Illustratie Aukje Gorter Redactieadres Postbus 618, 6700 AP Wageningen redactie@vakbladnbl.nl 0317 465 545 Abonnementenadministratie Postbus 618, 6700 AP Wageningen administratie@vakbladnbl.nl www.vakbladnbl.nl 0317 466 439

12

Een jaarabonnement** (10 nummers) kost • particulieren: € 50,• bedrijven: € 70,• organisaties die meer dan 25 abonnementen afnemen, betalen € 42,- per abonnement. • studenten* / jongeren tot 18 jaar*: € 22,Als u toestemming geeft voor automatische incasso krijgt u € 3,- korting. *Studenten moeten bij aanmelding en elk jaar uiterlijk op 31 december van het jaar ervoor een kopie van de studentenkaart opsturen naar het secretariaat. Jongeren onder de 18 jaar (zonder studentenkaart) kunnen een kopie van hun identiteitskaart opsturen. **Een abonnement loopt in principe van 1 januari tot en met 31 december. U kunt een abonnement in laten gaan op 1 april, 1 juli, 1 oktober of 1 januari. U betaalt in het eerste jaar dan een evenredig deel van het abonnementsgeld. In januari van het volgende jaar wordt uw abonnement automatisch verlengd voor onbepaalde tijd, tenzij u vóór 1 december van het lopende kalenderjaar het abonnement schriftelijk opzegt. Door het jaar heen kunt u opzeggen met een opzegtermijn van 3 maanden. Advertenties 0317 466 432 adverteren@vakbladnbl.nl U adverteert al vanaf € 150,-

18 themanummer Nationaal Natuurnetwerk 4 Natuurlijk verder 6 Han Olff: Een wolf in schaapskleren

Druk: Senefelder Misset, Doetinchem Dit is een uitgave van de Stichting Vakblad Natuur Bos Landschap. In het stichtingsbestuur zijn vertegenwoordigd de KNBV, natuurbeherende organisaties en Landschapsbeheer Nederland. Bestuursleden: Harrie Hekhuis (voorzitter), Hans Massop, Hank Bartelink, Gerrit-Jan van Herwaarden en Hans Gierveld (penningmeester) © Overname van artikelen is toegestaan mits met bronvermelding Dit blad is gedrukt op FSC®-gecertificeerd papier.

8 stelling “We kunnen niet zonder dit robuust Nationaal NatuurNetwerk”

juni 2014

22 Noord-Brabant en maatschappelijke partijen realiseren samen EHS 24 Herijking EHS voor drie provincies

10 kort

27 ARK heeft zes ingrediënten voor succes

12 interview Meer mensen, meer natuur, meer landschap…

Juridica  30 Agenda  30 Praktijkraadsel  31 I OBN-nieuwsbrief

14 Duurzame ontwikkeling van het Nationaal Natuurnetwerk 18 interview Ed Nijpels, voorzitter Bosschap

2

19 Utrechtse aanpak: realisatie EHS met draagvlak


themanummer Nationaal Natuurnetwerk

Nieuwe rollen in het natuurbeleid Dit themanummer is helemaal gewijd aan natuurbeleid. Want het zijn ingewikkelde tijden. Het leek de redactie goed om daar eens wat helderheid in te brengen. Dit voorjaar bracht staatssecretaris Dijksma haar natuurvisie uit. Zij schrijft daarin hoe ze de komende jaren aan de natuur wil gaan werken.

De visie staat niet op zichzelf. Want het natuurbeleid is eigenlijk geen verantwoordelijkheid meer voor de rijksoverheid maar voor de provincies. De laatste stap in de decentralisatie van natuurbeleid naar de provincies was het afsluiten van het natuurpact. Provincie en rijk maakten met elkaar heel veel afspraken over verantwoordelijkheden, middelen, instrumentarium. Kern is in ieder geval dat de provincies het beleid gaan maken en het rijk zich er alleen nog op hoofdlijnen mee bemoeit. In dit themanummer noemt een aantal mensen het nog steeds een ongelukkige keuze om vanaf nu twaalf kleine ‘natuurbeleidjes’ te hebben. Van de andere kant: provincies blijken er wel degelijk hard aan te werken en hebben al hun strategie voor de komende jaren uitgedacht. En inderdaad, de provincies pakken het allemaal op hun eigen manier op. Maar gaat het daarmee fout met de natuur? En dan hebben we natuurlijk de terreinbeheerders die de ‘schok van Bleker’ inmiddels te boven zijn en hun eigen antwoord hebben geformuleerd op hun nieuwe maatschappelijke positie: minder overheidsgeld, ogenschijnlijk minder draagvlak en het besef dat ze dus meer de eigen broek moeten ophouden. Termen als verdienmodellen, financieringsconstructies en win-win voor economie en ecologie zijn inmiddels al lang geen taboe meer. Kortom: het rijk, de provincies en terreinbeheerders zoeken naar hun nieuwe rollen in het natuurbeleid. In diverse verhalen proberen we als redactie in kaart te brengen hoe dat in de praktijk uitpakt.

Dit themanummer kwam mede tot stand met een financiële bijdrage van Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Provincie Utrecht en Stichting Ark.


themanummer Nationaal Natuurnetwerk

foto Vlinderstichting

Natuurlijk verder — Henk Groenewoud (ministerie van Economische Zaken)

Op 11 april presenteerde staatssecretaris van Economische Zaken, Sharon Dijksma, de nieuwe natuurvisie van het kabinet. Volgens haar is de kern van de visie dat de natuur niet beschermd moet worden tegen de samenleving, maar dat de natuur versterkt moet worden met de samenleving.

4

juni 2014

> De visie van Dijksma markeert een omslag in het natuurbeleid, met een bredere kijk op natuur, het verweven van ‘groen’ in de samenleving en geeft bovendien ruimte aan burgers en bedrijven voor eigen initiatief. Natuur is de basis onder economische vooruitgang en ons welzijn, zo is het uitgangspunt. Natuur levert basale grondstoffen voor onze economie. Het speelt een onmisbare rol bij zuivering van water en lucht en bij de groei van landbouwgewassen. Daarnaast biedt ‘groen’ dichtbijhuis mogelijkheden voor ontspanning en recreatie. In de komende jaren wordt het belang van natuur voor onze welvaart alleen maar groter. De staatssecretaris wijst bij publicatie van de visie op twee mondiale uitdagingen: “De wereldbevolking groeit met 2 miljard mensen, naar 9 miljard mensen in 2050. En tegelijkertijd worden nu al onze natuurlijke hulpbronnen overbelast en soms zelfs uitgeput. Wij hebben dus de opdracht om wereldwijd 60% meer eten en drinken te gaan produceren met minder belasting op onze natuurlijke hulpbronnen.”

Basis onder ons bestaan In de afgelopen decennia is de focus van het natuurbeleid steeds meer komen te liggen op bescherming. Daarbij lag het accent op natuur als waarde in zichzelf met nadruk op instandhouding soorten en gebieden. Deze bescherming werd geboden door natuur te scheiden van de rest van de samenleving. Een aanpak die resultaten heeft opgeleverd. Zo is de achteruitgang van de Nederlandse natuur geremd en is de oppervlakte natuur toegenomen. Maar deze scheiding leidde ook tot spanningen. In de nieuwe natuurvisie wordt deze bescherming niet losgelaten. Nederland houdt zich aan internationale afspraken om onze biodiversiteit te verbeteren. En er wordt fors geïnvesteerd in meer natuur. Maar er is meer nodig dan dat. Veertien jaar geleden riep de nota Natuur voor Mensen, Mensen voor Natuur al op tot eerste ‘vermaatschappelijking’ van het natuurbeleid. De huidige visie gaat verder en wil de natuur onderdeel maken van de samenleving. Natuur is meer dan kwetsbare planten en dieren in een afgebakend


< Deze rotonde is twee jaar geleden geadopteerd door De Vlinderstichting in samenwerking met Paardekooper Tuinen. Hij is beplant met bloemen en planten die belangrijk zijn voor vlinders. Niet alleen wordt een klein stukje natuur zo ingericht dat er meer vlinders worden aangetrokken, er wordt ook aandacht gevraagd voor het belang en bescherming van vlinders.

gebied. Natuur is de basis onder ons bestaan en onder onze welvaart. Alleen door dat te erkennen en te gebruiken kunnen we de natuur in stand houden en kan het draagvlak voor natuur toenemen. De betrokkenheid van mensen bij onze natuur neemt toe, zo blijkt uit het groeiend aantal ‘groene’ initiatieven. Steeds meer mensen doen ook ‘groen’ vrijwilligerswerk, zo blijkt uit cijfers.

Win-win situaties Met de nieuwe natuurvisie wil de rijksoverheid initiatieven stimuleren om de natuur te versterken. Vaak wordt gedacht dat dit leidt tot een beperktere economische groei en wordt er bijvoorbeeld gewezen op tegenstellingen tussen natuur, economie en landbouw. Die zijn er ook, maar door die uit te vergroten worden de uitdagingen voor de komende eeuw – meer voedsel met minder belasting van natuurlijke hulpbronnen – niet opgelost. Met behulp van natuur kan de landbouw ook versterkt worden, zoals voorbeelden in agrarisch natuurbeheer laten zien. Staatssecretaris Dijksma wijst daarbij bijvoorbeeld op agrarisch natuurbeheer, waarbij akkerranden worden vrijgehouden: “Bijen profiteren bijvoorbeeld van bloeiende akkerranden en dat leidt weer tot betere bestuiving van gewas-

sen voor de boer. Dat soort win-win combinaties tussen economie en natuur moeten continu opgezocht worden”. Dat gebeurde in het verleden ook al. Van oudsher worden natuurgebieden gebruikt voor economie, bijvoorbeeld voor bescherming tegen overstromingen en voor de winning van zuiver drinkwater. Zonder dit gebruik zouden veel natuurgebieden in de vorige eeuw waarschijnlijk een andere bestemming hebben gekregen. Nieuwe natuurcombinaties en natuurinclusief werken kunnen bijdragen aan zowel de ecologische waarde als vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor natuur.

Decentralisatie Met het Natuurpact uit 2013 heeft de decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies definitief vorm gekregen. Het was de uitkomst van een zorgvuldig proces dat al in 2007 is ingezet met de invoering van Wet Inrichting Landelijk Gebied. Het Rijk draagt daarbij zorg voor de kaders. In de natuurvisie staat dat als volgt beschreven: “Het Rijk formuleert de inhoudelijke ambities en de uitvoeringskaders voor het natuurbeleid op basis van zijn positie in internationale verbanden zoals de EU en de VN, en op basis van zijn verantwoordelijkheid voor provincieoverstijgende en landsdoorsnijdende thema’s (denk aan waterbeheer, kennisontwikkeling, internationale handel en dergelijke). Provincies werken aan de realisatie van de natuurambities, onder meer door het Natuurnetwerk Nederland, en zorgen daarbij voor onderlinge samenhang.”

Naar een robuuste natuur zonder micromanagement In de natuurvisie staat dat we niet te veel moeten ‘micromanagen’ als het gaat over natuur. Dit begrip verwijst naar discussies over natuurbeleid. Die discussie richt zich vaak op rigide doelen voor

relatief kleine stukken natuur. Concreet: “Het gaat niet om de laatste vleermuis op één bepaalde locatie, maar over gezonde natuur voor mensen, planten en dieren”. Door klimaatverandering en aanpassing van het landschap ontstaat steeds meer de behoefte om te sturen op bredere goede condities voor ‘groen’. Dat betekent dus niet per se blijven vasthouden aan ooit vastgelegde soorten en habitats. Het vraagt om enige flexibiliteit om uiteindelijk een sterkere natuur voor de samenleving te behouden. Mensen hebben die brede natuur nodig, en een gezonde natuur vraagt om goede condities van water, bodem, lucht en om ruimte voor natuurlijke processen. Wisselwerking dus. Er is dan een aanpak op grotere schaal nodig, waarbij de verschillende delen in samenhang worden beschouwd. Betrokkenheid van de streek en zijn bewoners zijn een vereiste voor instandhouding en versterking van gezonde natuur, zo is de gedachte.

Van visie naar acties In de komende periode wordt de visie vertaald naar concrete acties. Het wenkend perspectief voor komende decennia is een robuuste natuur die midden in de samenleving staat. Die verandering is al op veel plaatsen zichtbaar. Door decentralisatie is het natuurbeleid bovendien dichter bij de praktijk en bij burgers komen te staan. Het agrarisch natuurbeheer wordt dan ook ingericht volgens de principes van de gebiedsgerichte aanpak met gebiedscollectieven. Na publicatie van de natuurvisie heeft de staatssecretaris een maand lang reacties uit de samenleving gevraagd en deze zijn in groten getale binnengekomen. Een volgende stap is het verwerken van al deze reacties in een concreet uitvoeringsprogramma voor de komende jaren. Mensen en bedrijven krijgen vervolgens volop ruimte om initiatieven te ontplooien en zo het ‘groen’ in Nederland te versterken.<

Totstandkoming Het proces om tot de nieuwe visie te komen is anderhalf jaar geleden gestart met uitgebreide consultaties van bedrijven, burgers, maatschappelijke organisaties en overheden. Onderdeel van de totstandkoming was de Natuurtop medio 2013, waar de eerste gedachten over de koers van de nieuwe visie werden getoetst met alle betrokkenen bij het natuurbeleid.

Opgave is te komen tot een veelzijdige natuur met een stevige basis. De rijksoverheid draagt zorg voor het ‘fundament’ met een toekomstbestendige natuur (onder meer door het Nationaal Natuurnetwerk), met effectieve wetgeving, met inzet voor natuurcombinaties en natuurinclusieve investeringen en met het benodigde kennisnetwerk. De samenleving kan daar vervolgens op bouwen, door eigen initiatief, groen ondernemerschap, natuurinclusieve landbouw, natuurcombinaties en het realiseren van een groene werk- en leefomgeving.

juni 2014

5


themanummer Nationaal Natuurnetwerk

“Verpakt in een mooie zachte vacht wordt een gevaarlijke beleidsrichting ingezet waarbij inhoudelijke argumenten ondergeschikt zijn gemaakt”

Een wolf in schaapskleren — Han Olff (Hoogleraar Ecologie, Rijksuniversiteit Groningen)

> Met zijn visie Natuurlijk Verder zet het kabinet zijn plannen uiteen voor de aanpak van natuur in Nederland de komende jaren, met het nieuwe natuurnetwerk als belangrijk instrument. De basisredenatie in Natuurlijk Verder is relatief eenvoudig. Natuur zou geen bescherming tegen de samenleving nodig moeten hebben, maar zou daar een onlosmakelijk onderdeel van moeten zijn. Na vervolgens de klassieke liberale stellingname dat de samenleving wordt vormgegeven door mensen en niet door overheden, volgt de logische conclusie dat de overheid zich veel meer zou moeten terugtrekken als natuurbeschermer. Beheer van natuur kan beter worden overgelaten aan initiatieven van burgers, bedrijven en particuliere organisaties met provincies als waakhond. Met de conclusie dat als dit gebeurt, dit dan leidt tot win-win situaties zoals we die graag zien. Meer natuur, we kunnen er ook nog iets aan verdienen (groene groei) en de zeggenschap van de mensen over hun directe leefomgeving neemt

6

juni 2014

toe, vooral door slimme coalities van burgers en bedrijven. Met als slagroom op de taart dat we meer zouden moeten sturen op condities voor natuurlijke processen dan op specifieke soorten en habitats. Dat kost minder, levert meer natuur op, en ook minder beperkingen op voor economische initiatieven. Prachtig – wie kan daar nu allemaal op tegen zijn? Nou, ik bijvoorbeeld. We mogen ons dan nu zorgen maken (of verheugen, afhankelijk wie je spreekt) dat de wolf bijna aan onze oostgrens staat en elk moment Nederland binnen kan trekken. Maar volgens mij is ie er al, en wel in schaapskleren in de vorm van deze natuurvisie van het kabinet. Verpakt in een mooie zachte vacht wordt een gevaarlijke beleidsrichting ingezet waarbij inhoudelijke argumenten ondergeschikt zijn gemaakt. De vraag ‘Waar doen we het ook alweer voor?’ komt prominent aan de orde in de visie. Maar niet minder belangrijk is de vraag ‘Hoe werkt het eigenlijk?’. En daar houdt

mijn vakgebied zich mee bezig. De ecologische hoofdstructuur is nu 25 jaar oud, en de ecologische theorie van de eiland biogeografie waarop deze vooral gebaseerd is, nog twee keer zo oud. Simpel gezegd voorspelt deze theorie dat zowel het verbinden en vergroten van natuurgebieden hun biodiversiteit verhoogt. Hieruit volgde de metapopulatie theorie, die stelt dat kleine populaties van organismen in een netwerk kunnen overleven mits ze goed door dispersie met elkaar verbonden zijn. Voor beide theorieën is inmiddels volop bewijs. Biodiversiteit kan dus alleen behouden worden als deze op voldoende ruimtelijke schaal wordt beheerd in grote, verbonden gebieden. Recent onderzoek in onder andere de Waddenzee laat zien dat belangrijke beperkingen in herstel van robuuste natuur liggen in het feit dat we landschapsschaal waarop natuurbescherming nodig is, nog onderschatten, vooral voor migrerende


foto’s Aukje Gorter

“Kabinetsbeleid gericht op het lokaliseren van de besluitvorming over natuur is strijdig met zo’n beetje alle ecologische wetenschappelijke inzichten van de laatste vijftig jaar” soorten vissen, vogels en zoogdieren. Duurzaam herstel van het voedselweb van de Waddenzee vereist aanvullende integrale bescherming van delen van de Noordzee, onder andere tegen overbevissing. Dit geldt ook op het land, waar huidige natuurgebieden vaak nog te klein zijn voor de robuuste natuur waar het kabinet naar streeft, inclusief landschapsvormende processen. Helaas biedt het landbouwgebied hiervoor te weinig soelaas. Het natuurvriendelijker maken van de hedendaagse natuurvriendelijke landbouw is een goed idee, en aansprekende soorten als de grutto

en de grauwe kiekendief kunnen daarvan profiteren, plus winst in milieukwaliteit en aantrekkelijkheid van het landelijk gebied. Maar voor veel andere soorten en ecosystemen waar Nederland een belangrijke internationale verantwoordelijkheid voor heeft, met hun voorwaardenscheppende natuurlijke processen, biedt de landbouw geen oplossingen.

is voldoende oppervlak weer een sleutelwoord. We hebben ons poldermodel te danken aan het inzicht dat het mis gaat als elke burger z’n eigen stukje dijk beheert. Net zozeer zal het mis gaan als we belangrijke ecosysteemdiensten verwachten van een postzegelverzameling van allerlei op grond van lokale belangen en inzichten beheerde fragmentjes natuur.

Blijft over de vraag of biodiversiteit dan niet toch de bevolking van Nederland tot nut kan zijn, of dat natuurbeheer vooral een soort postzegel verzamelen is voor vakidioten. Niet voor niets staat de postzegel model voor een natuurgebied dat eigenlijk te klein is om goed te functioneren. De laatste twintig jaar is er veel onderzoek gedaan naar de relatie tussen biodiversteit en het functioneren van ecosystemen, ook in termen van ecosysteemdiensten waar wij als mensen iets aan hebben (schoon water, schone lucht, kustbescherming, recreatiemogelijkheden, etc). Ook hierbij

Die wolf mag van mij best naar Nederland komen, maar liever niet deze, verpakt als schaap. Kabinetsbeleid gericht op het lokaliseren van de besluitvorming over natuur (naar de burger, gemeente en provincie, weg van de nationale overheid) is strijdig met zo’n alle ecologische wetenschappelijke inzichten van de laatste vijftig jaar. Het is goed te bedenken waar we het allemaal voor doen. Maar niet minder belangrijk is de vraag is hoe het eigenlijk werkt. < hanolff@gmail.com

juni 2014

7


stelling 

“We kunnen niet zonder dit robuust Nationaal Natuurnetwerk” — Lotty Nijhuis (journalist)

8

juni 2014

Niek Koppelaar, boswachter in stedelijke omgeving, Stichting Het Zuid-Hollands Landschap

“Wat rondgaat in het beleid is heel anders dan wat je terugziet in het veld’ “Ik werk al 15 jaar in de natuur, maar moest nazoeken wat het Nationaal Natuurnetwerk is. Misschien is dat wel tekenend voor de afgelopen jaren: wat rondgaat in het beleid is heel anders dan wat je terugziet in het veld. Met alleen beleid en plannen red je de natuur niet. Hoge ambities waar in de praktijk soms weinig van terecht komt. De EHS vond ik altijd een geweldig goed verhaal. Het is aan mensen heel goed uit te leggen. We hebben in Nederland met maar heel weinig natuurlijke handicaps te maken: we hebben geen steile hellingen zoals Zwitserland of te diepe fjorden zoals Noorwegen. Dat betekent dat we in Nederland natuur heel bewust moeten plannen op de juiste plaatsen. Dat is in mijn ogen de grootste meerwaarde van de EHS en nu het NNN. Zeker omdat er steeds meer aangesloten wordt op de geomorfologie en het landschap. Niet kunstmatig aanleggen maar al door een juiste locatiekeuze laten bepalen welke natuur ergens komt. Langs de getijdengebieden van de Oude Maas kun je bijvoorbeeld prachtige getijdennatuur laten ontwikkelen, daar moet je niks anders willen. En dat bespaart uiteindelijk ook nog eens op beheer. Het verbinden van natuur zoals de NNN beoogt, is ook belangrijk natuurlijk. Natuurlijke processen zijn gebaat bij een robuust en grootschalig netwerk. Op die manier kan natuur multifunctioneel worden, en dat is ook meteen weer goed voor mensen: klimaatbuffers, veilige en schone rivieren, het tegengaan van hittestress in de stad. Hoewel we niet moeten vergeten dat voor sommige natuur – bijvoorbeeld een duingebied met grondbroeders, een open polder – een soort van geïsoleerde ligging juist beter kan zijn. Maar dit staat of valt ook weer met de kwaliteit van de natuur, bij voldoende maat en schaal kan natuur zich kwalitatief en duurzaam ontwikkelen.”

Arjan Ovaa, ecoloog Stichting het Limburgs Landschap

“Een robuust netwerk heeft minder last van negatieve invloeden van buitenaf” “Ik denk dat het Nationaal Natuurnetwerk essentieel is, en ook een robuuste versie ervan. Dat vind ik om twee redenen. Ten eerste is een Nationaal Natuurnetwerk belangrijk voor planten en dieren. Een aantal soorten is zelfs helemaal afhankelijk van een robuust netwerk, die kunnen niet voortbestaan in een versnipperd habitat. Als Nederland ook maar enigszins haar internationale afspraken voor biodiversiteit wil nakomen, zorgt zij dat dit robuuste netwerk er komt. Daar komt bij dat een robuust netwerk minder last heeft van negatieve invloeden van buitenaf, schommelingen in de condities. Denk aan verdroging: een gebied in het midden van een groter geheel, blijft automatisch natter. Ten tweede heeft een robuust natuurnetwerk ook voordelen voor mensen. We zouden het kunnen combineren met recreatiegebieden, en zo grotere aaneengesloten natuurgebieden voor mensen kunnen openstellen. Ik denk aan wandelpaden, ruiterpaden, beperkte mountainbikeroutes. Ons platteland is enorm aan het verschralen, het is dan toch veel mooier om midden in de natuur te recreëren? Kortom: een robuust Nationaal Natuurnetwerk is essentieel voor natuur én mensen. En dan bedoel ik niet alleen de grotere stukken natuur, maar het hele netwerk, inclusief de verbindingszones. En ik wil ook niet zeggen dat we alle snippers natuur dan op kunnen ruimen. Je moet nooit oude schoenen weggooien voor de nieuwe goed zijn ingelopen. En de snippers natuur bevatten soms pareltjes die nergens anders voorkomen.”


Age Fennema, Rentmeester Landgoed Middachten

“Ik denk dat kwaliteit alles te maken heeft met verbinding en samenhang” “Ik ben het eens met de stelling. Ik denk dat kwaliteit alles te maken heeft met verbinding en samenhang. We moeten er dan ook over nadenken hoe we die samenhang tot stand gaan brengen. Zonder een basis als het Nationaal Natuurnetwerk, blijft het bij allemaal postzegeltjes natuur. Nu staan de provincies voor het NNN aan de lat. Dat heeft voor- en nadelen. Het risico bestaat dat de samenhang minder sterk wordt dan onder rijksverantwoordelijkheid. Er is afstemming nodig tussen provincies. Ik denk dat dit in IPOverband goed kan worden opgepakt. Anderzijds zijn provincies juist beter in staat te reageren op plaatselijke situaties. Maar dat vraagt van natuurorganisaties en andere partijen wel een actieve rol. In dat opzicht is er wel wat veranderd. Je moet goed weten wat je wilt en actief het gesprek met de provincie aangaan. Voor kleine particulieren is dat lastig. Het is belangrijk dat de belangenbehartiging dan goed geregeld is. Door de bezuinigingsslag van Bleker is het netwerk verkleind. Zoals het nu begrensd is, daar kunnen wij bij Middachten prima mee uit de voeten. Maar er zijn ook plaatsen waar de herijking te grof is uitgevallen. In Gelderland ontstond de nieuwe begrenzing onder grote tijdsdruk. In mijn ogen zijn er op sommige plekken door partijen verkeerde keuzes gemaakt, waardoor kansen worden gemist. Het is lastig om dat later weer te veranderen, maar ik hoop dat de provincie uiteindelijk de moed heeft naar oplossingen te zoeken. Enig pragmatisme is niet verkeerd, maar het hoofddoel – het verbinden van natuur – moet overeind blijven staan.”

Leon Luijten, boswachter Staatsbosbeheer district Groningen

“Denk aan vogels, otter en de bever: op een aantal knelpunten na redden die zich wel” “Bijna alle Nederlandse natuur valt binnen het Nationaal Natuurnetwerk. Eigenlijk zou je ook kunnen zeggen: kunnen we zonder natuur? Ik denk niet dat we zonder het Nationaal Natuurnetwerk kunnen. Zeker voor een aantal soorten is een netwerk heel belangrijk. De soorten waar de normale bezoeker meestal niet aan denkt. Elk natuurgebied wordt ingericht voor een aantal doelsoorten. Logisch: je kunt niet aan elke soort denken, en je hoopt dat andere soorten op de goede condities voor doelsoorten meeliften. Maar deze doelsoorten zijn vaak zelf al best mobiel. Denk aan vogels, otter en de bever: op een aantal knelpunten na redden die zich wel. Voor de nietaaibare soorten als de ringslang en de heikikker is een goed netwerk veel meer van belang. Of wat te denken van slakken en insecten? De zeggekorfslak, bijvoorbeeld, legt in zijn hele leven misschien een paar meter af (en dat binnen één plant). Er gaan generaties overheen voordat die een nieuw gebied bereikt. Een goed en duurzaam netwerk is dan belangrijk. Anderzijds zijn sommige soorten ook juist gebaat bij isolatie. De grote modderkruiper red je niet door gebieden aan elkaar te knopen. In tegenstelling tot andere vissoorten doet hij het goed in slootjes die wat droogvallen. Bij ons komt hij in één specifiek gebied voor. Zodra die sloten in verbinding komen met andere sloten, wordt hij waarschijnlijk weggeconcurreerd. Voor de modderkruiper is isolatie dan juist weer van levensbelang voor behoud op korte termijn. Soms moet je dus juist isoleren voor biodiversiteit. Dat moet je per soort en gebied eigenlijk bekijken.”

Vreugderijkerwaard / foto Beeldbank Rijkswaterstaat

juni 2014

9


Landschapstriënnale in dynamisch landschap Van 25 mei tot 21 september vindt de derde editie van de Landschapstriënnale plaats. Dit evenement over landschap en parken heeft een uitgebreid en feestelijk programma voor het brede publiek. Bovenal is het de driejaarlijkse ontmoetingsplaats voor de vakwereld, waar actuele vraagstukken rond landschapsontwerp aan de orde komen in studiedagen, excursies, ontwerpsessies en exposities. Plaats van handeling in 2014 is Park Lingezegen, landschapspark in aanleg tussen Arnhem en Nijmegen. Op het programma staan onder andere een midzomerlandschapsdebat rond de vraag ‘Wie is er verantwoordelijk voor het landschap?’, de excursie Ruimte voor de Waal, het symposium ‘Landschap van de vooruitgang’ en twee summerschools. Ook staat er een groot aantal tentoonstellingen opgesteld over onder andere de wederopbouwlandschappen, over anderhalve eeuw parkaanleg, impressies van leven met water in een delta, en de Canon van het Nederlandse landschap. Zie voor meer informatie landschapstriennale.nl/agenda

Kabinet investeert in toezicht in natuurgebieden

De politie en het Openbaar Ministerie gaan samen met de werkgevers van boa’s (buitengewone opsporingsambtenaren) in particuliere natuurgebieden verdere afspraken maken over wederzijdse inzet en samenwerking in het buitengebied. Dat is het resultaat van een bezoek van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) en staatssecretaris Dijksma (Economische Zaken) aan Het Nationale Park De Hoge Veluwe. De groene boa’s zijn zowel toezichthouder van hun eigen terrein, als ‘oren en ogen’ van de politie en het Openbaar Ministerie in het buitengebied. Regelmatig hebben zij te maken met zaken als dumping van (drugs)afval, zoals stroperij, illegaal wapenbezit wegens de illegale jacht en autokraken. Om deze problemen samen aan te pakken zitten de particuliere werkgevers van de groene boa’s (verenigd in Federatie Particulier Grondbezit, Natuurmonumenten, De12Landschappen, Staatsbosbeheer, Sportvisserij Nederland, Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging, Kroondomein Het Loo, RGV Holding BV en Het Nationale Park De Hoge Veluwe), het Rijk, provincies, politie en het OM nu samen aan tafel. Tijdens het gesprek in het NP De Hoge Veluwe heeft staatssecretaris Dijksma toegezegd vanaf 2015 jaarlijks 100.000 euro bij te dragen in de opleiding van de groene boa’s. Minister Opstelten noemde goede afspraken van groot belang. Groene boa’s kunnen de politie in specifieke situaties met hun kennis van het buitengebied de politie van dienst zijn. Andersom staat de politie de boa’s terzijde als er sprake is van geweld en zware criminaliteit. Ook wordt gewerkt aan verbetering van de verwerking van meldingen van zaken en het digitaal aanleveren van proces-verbalen en strafbeschikkingen door de boa’s. http://tinyurl.com/toezicht-op-natuur

foto’s Hans van den Bos, Bosbeeld.nl

10

juni 2014

Noordzeekanaal blijkt bereikbaar voor trekvissen Glasaal is in staat via het sluizencomplex IJmuiden het Noordzeekanaal te bereiken. Dat blijkt uit de eerste resultaten van het project ‘Trekvismonitoring Noordzeekanaal en ommelanden’, een gezamenlijk initiatief van Sportvisserij MidWest Nederland, RAVON, Rijkswaterstaat West Nederland Noord, Hoogheemraadschap van Rijnland, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, Waternet/ Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, Havenbedrijf Amsterdam, Gemeente Amsterdam en Provincie Noord-Holland. Vissen als glasaal en driedoornige stekelbaars migreren in het voorjaar van de zee naar het zoete water in de polder. Het project ‘Trekvismonitoring Noordzeekanaal en ommelanden’ moet in beeld brengen in hoeverre de migrerende vissen daarin slagen. Vrijwilligers monitoren op 8 monitoringslocaties langs het Noordzeekanaal, in Muiden, Vinkeveen en in Amsterdam. Halverwege de monitoringsperiode zijn op 13 van de 18 locaties glasalen aangetroffen. Ook andere trekvissen zijn op een aantal locaties gevangen. www.natuurbericht.nl/?id=12543

Waterschap experimenteert met verwerking maaisel tot compost

foto Waterschap Rivierenland

 kort 

Waterschap Rivierenland is begin juni in Overbetuwe en Nederbetuwe een pilot gestart om maaisel te verwerken tot gecertificeerde keurcompost, wat gebruikt wordt voor potgrond. Het waterschap start deze pilot naar aanleiding van onderzoek naar de duurzame verwerking van dergelijke groenresten. Een van die manieren uit het onderzoek is de verwerking tot veenvervanger, wat uiteindelijk gebruikt wordt als ingrediënt voor het maken van potgrond. De aannemers voor het gebied Overbetuwe en Nederbetuwe hebben beide de ‘green deal veenvervanger’ ondertekend. Zij streven naar een toename van het gebruik van hoogwaardige compost als veenvervanger. Nu importeert Nederland jaarlijks circa 4 miljoen m³ veen voor onder andere de verwerking in potgrond. Veen is een fossiele, schaarse grondstof waarvan de winning bovendien in veel gevallen gepaard gaat met negatieve bijeffecten op milieu en biodiversiteit. De pilot duurt tot en met 2016 en wordt ieder jaar geëvalueerd. http://tinyurl.com/maaisel-tot-compost


Crowdfunding voor natuur

Een schaapskudde adopteren, de veiligheid van otters vergroten of het leefgebied van de boomkikker helpen uitbreiden. Sinds 24 april 2014 kan iedereen online bijdragen aan natuur, bos en landschap via crowdfundingvoornatuur.nl. Crowdfunding groeit hard de laatste jaren en kan ook voor de Nederlandse natuur een interessante nieuwe manier van financiering zijn. InnovatieNetwerk wil via crowdfunding voor natuurprojecten mensen stimuleren om bij te dragen aan de bescherming van natuur, bos en landschap. In andere sectoren, zoals de kunstensector, is de laatste jaren veel ervaring opgedaan met crowdfunding en blijkt het een succesvolle financieringsoptie te zijn. In de natuursector zijn de goede voorbeelden nog schaars, al hebben verschillende organisaties de laatste jaren laten zien dat crowdfunding voor natuur een goede mogelijkheid kan zijn. Crowdfunding levert meer op dan alleen financiering. Door mensen bij het initiatief te betrekken, bouw je als initiatiefnemer ook aan lokaal draagvlak en actieve betrokkenheid, menen de initiatiefnemers. De natuursector kan hiermee laten zien dat natuur in Nederland leeft onder mensen en zo ook andere financiers overtuigen van de urgentie om blijvend te investeren. Het initiatief is tot stand gekomen in samenwerking met De12Landschappen en adviesbureau Douw&Koren en werkt nauw samen met CrowdAboutNow, een crowdfundingplatform in Nederland. Crowdfundingvoornatuur.nl gaat van start met zes projecten van onder meer Utrechts Landschap en Landschap Overijssel. Utrechts Landschap zoekt naar crowdfunding voor een schaapskudde, voor het redden van de kluut op een vogeleiland en voor het herstel van een eeuwenoud verliefde bomenlaantje. Landschap Overijssel wil een boomkikkerreservaat aanleggen voor het behoud van de boomkikker. InnovatieNetwerk ontwikkelt baanbrekende innovaties in landbouw, agribusiness, voeding en groene ruimte. Onder de noemer ‘VoorNatuur’ zoekt InnovatieNetwerk naar andere financieringsvormen en nieuwe verdienmodellen voor groene projecten. Ook werkt InnovatieNetwerk aan verrassende cross-overs tussen verschillende sectoren. Het Ministerie van Economische Zaken is initiatiefnemer en financier van InnovatieNetwerk. www.crowdfundingvoornatuur.nl

Meer dan 50 wilgensoorten ontdekt in de Biesbosch Vlaamse en Nederlandse onderzoekers hebben in opdracht van Staatsbosbeheer alle verschillende soorten wilgen in Nationaal Park de Biesbosch in kaart gebracht. Er blijken meer dan 50 verschillende wilgensoorten voor te komen. Wilgen zijn de meest voorkomende boom- en struiksoorten in de Biesbosch en zijn bepalend voor het landschap. Tot nu toe is het aantal verschillende wilgensoorten niet tot in detail in kaart gebracht. Boswachters vinden het resultaat opmerkelijk. Om alle gevonden wilgensoorten te determineren, moesten de onderzoekers ver terug in de tijd. Vanaf de late Middeleeuwen werden wilgen aangeplant voor de productie van twijgen en hout voor manden, visfuiken, hoepels en klompen. Sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw is deze zogeheten griendcultuur nagenoeg verdwenen. Met behulp van historische naslagwerken zijn bijna alle soorten op naam gebracht. Nationaal Park de Biesbosch heeft, mede door de aanwezigheid van bijvoorbeeld de zeearend, visarend, bever en de grote rijkdom aan water- en moerasvogels, een heus wilderniskarakter. Het aantal gevonden wilgensoorten, die daar in vroeger tijden vanwege economische redenen zijn aangeplant, kan echter een andere kijk op dit gebied geven. Veel van de gevonden wilgensoorten zijn nakomelingen of zelfs gekruiste bastaarden van gecultiveerde inen uitheemse wilgensoorten. Op dinsdag 20 mei presenteren de onderzoekers en Staatsbosbeheer de resultaten van het onderzoek in het Biesboschmuseum. Daarna volgt een excursie en een discussie over in hoeverre de onderzoeksresultaten kunnen leiden tot nieuwe keuzes voor de natuurontwikkeling in het gebied.

Visvangst IJsselmeer beperkt, niet gestopt Staatssecretaris Dijksma (Economische Zaken) beperkt de visserij op (snoek)baars, brasem en blankvoorn in het IJsselmeer. Vissers mogen vanaf 1 juli een jaar lang minder netten uitgooien gedurende een kortere periode. Dat schreef Dijksma begin juni aan de Tweede Kamer. Ze wil het gebruik van vistuig voor de visserij op schubvis met 40 procent beperken. Er komt ook nog een beheerplan waarin de visserij nog verder wordt beperkt. De maatregelen moeten de visstand herstellen. Staatssecretaris Dijksma had de visserij één jaar willen beperken met 85% en daarbij de vissers compenseren. Dat is door de sector niet geaccepteerd. De Vogelbescherming, mede namens Stichting het Blauwe Hart, provincies en vissers, betreurt dat Dijksma de visvangst op schubvis niet stopt. Zij wilden een verbod van drie jaar op de vangst en daarna een drastische reductie. Volgens hen is dit slecht nieuws voor de vissen, de vogels én de vissers. http://tinyurl.com/visserij-stoppen

foto Dewitvisser.nl

Velduil heeft een succesvol broedjaar 2014 lijkt voor de ernstig bedreigde velduil een goed broedjaar. De soort broedt in Nederland eigenlijk alleen nog maar op de Wadden met jaarlijks tussen de 22 en 27 broedparen. Dit jaar zijn echter ook broedende velduilen aangetroffen in een aantal weidevogelgebieden in Friesland, Utrecht en Overijssel. Het grote aantal broedgevallen kan waarschijnlijk verklaard worden door het zeer grote aantal veldmuizen dit jaar. De uil is een laat broedende soort en zijn daardoor kwetsbaar voor uitmaaien. Bovendien zijn nesten doorgaans goed verstopt. Vogelbescherming Nederland vraagt agrariërs extra alert te zijn. www.natuurbericht.nl/?id=12544

foto Hans van den Bos, Bosbeeld.nl

juni 2014

11


themanummer Nationaal Natuurnetwerk

 interview 

— Geert van Duinhoven en Chantal van Dam (redactie)

foto Natuurmonumenten

Meer mensen, meer natuur, meer landschap met minder geld en minder overheid De reactie van Natuurmonumenten op de rijksnatuurvisie was bijzonder positief. De vereniging is het met de staatssecretaris eens dat economie en ecologie meer met elkaar verbonden moeten worden. En dat er een grotere rol zou moeten komen voor burgers in het natuurbeleid. Sterker nog: in 2012 schreef Natuurmonumenten al een visie op natuur en landschap tot 2040 en komt daarin eigenlijk tot dezelfde conclusies. Toch wil zij zich onafhankelijker van de overheid opstellen en meer samen doen met mensen met hart voor de natuur. Nico Altena van Natuurmonumenten licht de visie toe.

12

juni 2014

> De laatste twintig jaar hadden de terreinbeheerders en de rijksoverheid een innige relatie met elkaar. Het rijk stelde de natuurdoelen vast en de terreinbeheerders kochten, deels met overheidsgeld, de nieuwe natuur aan. Die onderhouden de beheerders keurig. Zo voerden ze samen een groot deel van het natuurbeleid uit. Natuurmonumenten legt bij elke 3 euro van de overheid zelf ook 1 euro bij. Steeds meer mensen zagen de provinciale landschappen en Natuurmonumenten als een verlengstuk, als een uitvoeringsorgaan van die rijksoverheid. Met Bleker kwam er een duidelijke scheur in dat verbond. Bleker bezuinigde fors en voedde ook zeker de sluimerende onvrede onder de bevolking over de natuurbeweging. Voor de terreinbeheerders was het dus een goed moment om eens bij zichzelf te rade te gaan: waar staan we, wat willen we? Wat is onze maatschappelijke positie en wat is onze taak nu de ecologische hoofdstructuur voor een groot deel is afgerond? Natuurmonumenten schreef in 2012 een eigen visie op de natuur in Nederland in 2040: hoe zou die er uit kunnen zien en wat moet daar voor gebeuren? De visie heet Landschap Centraal. Nico Altena, hoofd Natuur en Landschap bij Natuurmonumenten vertelt hoe het denkproces binnen de vereniging is verlopen: Toen we ons gingen bezinnen kwam al snel het succes van de EHS bovendrijven. Een prachtig concept dat in feite niet alleen voor de natuur gunstig uitpakte maar ook een warme sanering voor de landbouw heeft betekend. Tegelijkertijd heeft het ons terreinbeheerders ook het imago van rupsje-nooitgenoeg gebracht. Wij zouden altijd meer grond, meer natuur willen. Het werd een steeds meer technocratische en juridische exercitie waarbij de gewone taal is weggegleden en we de mensen zijn kwijtgeraakt. En dan vervolgens doordenkend: wat heeft dit allemaal opgeleverd? Zijn flora en fauna er beter van geworden? Binnen de natuurgebieden is flinke voruitgang geboekt. Maar wanneer je naar de totale biodiversiteit in Nederland kijkt is het antwoord helaas: Nee!”

Uit de visie: Het Landschap Centraal “Centraal in het streven naar behoud, herstel en ontwikkeling van karakteristieke natuurrijke landschappen staat dat het beleid zich veel meer dan tot nu toe zal richten op het landschap. Het begrip landschap moet daarbij breed worden opgevat: als dragende factor voor de realisatie van de voor Nederland karakteristieke rijkdom aan levensgemeenschappen en soorten, als drager van cultuurhistorie en als gebied waarbinnen rust, ruimte, openheid en stilte kunnen worden ervaren.”

Voor Natuurmonumenten was dat het moment om eens na te gaan hoe je zowel voor het draag-


Uit de visie Het Landschap Centraal: “De omgang met zeespiegelrijzing wordt in de 21e eeuw zonder twijfel een speerpunt. Het is van groot belang om tot oplossingen te komen die uitgaan van het ‘samen met de natuur’ bouwen aan de toekomst. Dit in de overtuiging dat deze oplossingen niet alleen voor de natuur beter zijn, maar uiteindelijk ook meer veiligheid bieden en economisch voordeliger zijn. Met name in het deltagebied en in en langs de Waddenzee zal Natuurmonumenten zich inzetten voor een beter kustbeleid. In het binnenland zal het werken met klimaatbuffers worden uitgebreid. Het is een belangrijke uitdaging voor de toekomst van het landelijk gebied om tot een kwalitatief betere benadering van grote infrastructurele werken te komen. De natuurbescherming dient een logische partner te zijn als het gaat om beslissingen over inrichting van het landelijk gebied”

Dat is een nieuwe aanpak waar ook Natuurmonumenten nog ervaring mee op moet gaan doen. Daarom wil de vereniging een aantal kansrijke gebieden in de natuurrijke cultuurlandschappen aanwijzen om in te gaan experimenteren. “We

kunnen niet alle landschappen en gebieden in Nederland in een keer gaan aanpakken. We willen een selectie gaan maken, bijvoorbeeld twee per provincie waar we kijken hoe we onze rol kunnen oppakken. Dat aanwijzen willen we samen met burgers en onze achterban doen, want ook zij moeten er natuurlijk achter staan. Zo’n gebied zou bijvoorbeeld Midden Delfland kunnen zijn. Dus een gebied met natuur en landbouw maar waarbij het landschap heel bepalend is. Het idee is om dan met alle betrokkenen te overleggen en de dilemma’s te bespreken. Dat moet tot het oplossen van de ruimtelijke problemen leiden. Nieuw is dat wij in dit soort processen kunnen optreden als een soort streekmanager. Daar ligt sinds de rijksoverheid het natuurbeleid heeft gedecentraliseerd echt een groot gat. Daarom vragen provincies ons soms deze rol op ons te nemen. Wij denken dat we als vereniging hieraan een bijdrage kunnen leveren. Maar we zullen daarbij altijd in het achterhoofd moeten houden dat het ons ook te doen is om de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen, daar zal het werken aan het landschap een antwoord op moeten zijn.

Uit de visie Het Landschap Centraal: “Verduurzaming van de landbouw zal vooral afgedwongen dienen te worden door wet­en regelgeving, maar in de completere natuurrijke landschappen zal het multifunctionele karakter van de landbouw zeker ook bijdragen aan verduurzaming. Natuurmonumenten zal zich daarvoor inzetten en ziet de landbouw met name in die gebieden als een partner om mee samen te werken”.

Grootste risicofactor is natuurlijk: willen mensen dit wel? Willen ze wel op die manier over het landschap gaan praten met organisaties als natuurmonumenten? Altena is daar niet somber over: “Als de problemen en projecten concreet zijn, dan willen mensen echt wel. Als het maar gaat over hun eigen buurt, hun eigen omgeving en als ze maar een bijdrage kunnen leveren aan de omgeving. Natuurlijk vergt het hele duidelijke spelregels. Zeker als het om een natuurgebied gaat: dan moet duidelijk zijn dat we die natuur willen beschermen. Mensen begrijpen dat ook wel. Maar het vergt inderdaad andere competenties van Natuurmonumenten medewerkers het vraagt om een andere inzet dan alleen de inspraakavonden bezoeken. En daar zijn mensen uit een streek of landschap echt wel voor in. Je ziet dat ze soms een geheel nieuwe invalshoek hebben en met creatieve oplossingen komen. Je ziet ook dat het aantal vrijwilligers toeneemt en uiteindelijk zullen wij ook de mensen de verantwoordelijkheid geven voor het beheer van hun eigen landschap. En juist door vooraf alle belangen in ene gebied goed in kaart te brengen, vergroot je het speelgebied. Vergroot je dus ook de ‘taart’ waar mensen van mee kunnen profiteren. Bovendien kan een grotere verbondenheid met de natuur uiteindelijk ook nieuwe bronnen

van inkomsten genereren. Bijvoorbeeld door het openstellen van gebouwen, begraven in de natuur, de exploitatie van biomassa. Als mensen zich verbonden voelen met hun gebied zullen ze ook eerder haardhout willen kopen uit hun eigen gebied.

Uit de visie Het Landschap Centraal: “Essentieel voor de realisatie van meer natuur in Nederland, zowel binnen als buiten de natuurgebieden, is dat er weer een veel grotere verbondenheid van de mens met de natuur ontstaat: de huidige ‘verbondenheidscrisis’ dient te worden opgelost. In het bijzonder heeft daarbij de jeugd de aandacht: wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Kinderen hebben recht op een aangename leefomgeving en bovendien zijn er nog veel mogelijkheden om te zorgen dat kinderen weer meer in de natuur kunnen zijn, en zich kunnen verwonderen over het leven van planten en dieren”.

Mensen betrekken bij het natuurbeheer en landschap klink mooi, maar de afgelopen jaren hebben toch laten zien dat het aantal leden van Natuurmonumenten is gedaald, en dat er steeds minder draagvlak is voor het natuurbeleid. Vanwaar dan toch het optimisme? “We hebben zestig twitterende boswachters met ruim 45.000 volgers, 160.000 leden van onze jeugd-initiatief Oerrr en we hebben meer dan 100.000 FaceBook-fans. Mensen willen dus wel, maar we moeten zien aan te sluiten. We hebben ons de afgelopen decennia iets te veel op de natuur en op ons zelf blindgestaard. Mensen verwachten van ons dat we stelling nemen tegen bepaalde ontwikkelingen die de natuur kunnen schaden. Bijvoorbeeld in het geval van de Blankenburgertunnel doen we dat al of met een achterbanraadpleging over Wilde dieren in Nederland. We werken daarnaast een idee uit om een soort Natuurmonumenten-academie op te gaan richten. Eerst om onze eigen mensen te leren over onze nieuwe maatschappelijke rol. Maar ook grote delen van onze achterban zal best zo’n academie willen volgen. Dat trekt misschien juist ook wel weer mensen uit de stad aan die iets meer met natuur en landschap willen doen.”< foto Natuurmonumenten

vlak voor natuur maar ook voor de flora en fauna zelf, een positieve trendbreuk zouden kunnen krijgen. Het antwoord daarop is Landschap. Altena: “Want als het landschap op orde is, zullen ook de flora en fauna daarvan profiteren. En als we ons daarop richten zullen mensen ons werk ook beter waarderen. ‘landschap’ spreekt nu eenmaal meer aan dan ‘natuur’. En ook omdat het steeds duidelijker wordt dat voor het overeind houden van de biodiversiteit in onze gebieden en Nederland de koppeling tussen natuurreservaten en het omliggende landschap steeds belangrijker wordt. Overigens wil dat wat ons betreft niet zeggen dat we nu niet meer aan de natuur willen werken. Integendeel. De EHS is nog lang niet klaar want in ongeveer honderd gebieden moeten nog cruciale aankopen gedaan worden. Daar moeten we dus echt mee door gaan.” En dan is de afronding van de EHS, tegenwoordig het NatuurNetwerk Nederland, misschien nog wel een van de minst ingewikkelde problemen. Want er ligt ook nog de uitdaging om de Natura 2000-gebieden op peil te krijgen. Toch ziet Altena een mooie toekomst voor deze natuurgebieden: Het zal een flinke klus worden maar ik schat toch in dat in 2040 de natuurrijkdom flink is vergroot. De kern van de oplossing hiervoor is samenwerking met anderen. Ons alleen richten op de bijzondere en zeldzame soorten zal niet meer lukken. We zullen met alle andere partijen in het buitengebied moeten werken aan een betere omgeving. Dat gaan we niet alleen doen in de natuurlijke landschappen maar ook in de natuurrijke cultuurlandschappen. Daar zal uiteindelijk de natuur ook van moeten gaan profiteren. Hier zit denk ik ook de parallel met de visie van de staatsecretaris. Ook zij wil dat maatschappelijke organisaties en burgers samen, al dan niet met de overheid verantwoordelijkheid nemen voor de natuur.”

juni 2014

13


themanummer Nationaal Natuurnetwerk

Duurzame ontwikkeling van het Nationaal Natuurnetwerk

14

juni 2014


— Harrie Hekhuis, Theo Meeuwissen, Janneke van Montfoort, Wim Lammers (Staatsbosbeheer)

foto Hans van den Bos, Bosbeeld

Staatssecretaris Dijksma roept op tot een natuur waarbij mensen zich betrokken bij voelen. En een natuur die geen hindermacht is maar juist een motor is voor economische ontwikkeling. Dat lijkt tegenstrijdig, maar volgens ons is het wel degelijk mogelijk. Bij Staatsbosbeheer zijn we daar zelfs al enkele jaren mee bezig. Weliswaar met ups en downs, maar we leren veel.

“Het gezamenlijke perspectief dat uit dit alles naar voren komt behelst een natuur die midden in de samenleving staat, als onlosmakelijk onderdeel van duurzame economische en maatschappelijke ontwikkeling. Dat perspectief leeft zo breed en is zo aantrekkelijk omdat het uitgaat van duurzaamheid en gezamenlijkheid. Het neemt als uitgangspunt onze verantwoordelijkheid voor de wereld waarin wij nuleven en voor de generaties na ons. En het doet een beroep op ons vermogen om gezamenlijk te leren, te verbeteren en vooruit te kijken. Een goede omgang met natuur is in dit perspectief een kwestie van wel begrepen eigenbelang, niet van een plicht die ons door autoriteiten wordt opgelegd.”

Gelderse Poort > Duurzame ontwikkeling is ontwikkeling die aansluit op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Zo omschreef althans de VN-commissie Brundtland het in 1987. Doorgaans wordt duurzaamheid vervolgens vertaald naar de drie P’s: people, planet, prosperity. Als die drie P’s in evenwicht met elkaar zijn, kun je spreken van duurzaamheid. Deze drie P’s hebben we bij Staatsbosbeheer vertaald naar drie B’s voor duurzaam beheer van gebieden: Beschermen, Beleven en Benutten. Volgens Staatsbosbeheer is er sprake van duurzame gebiedsontwikkeling als beschermen, beleven en benutten met elkaar in evenwicht zijn. Voor duurzame gebiedsontwikkeling kijken we bij de uitwerking vooral naar de volgende punten:

Beschermen. Planet • gebaseerd op lagenbenadering/landschapsecologische systeemanalyse/landschapsecologische systeem • bijdrage aan grootschalige structuren Beleven. People • gewaardeerde leefomgeving • sociale vitaliteit (activiteit en betrokkenheid van bewoners, participatie), nieuwe actoren • versterking regionale identiteit Benutten. Prosperity • (regionaal economische ontwikkeling), economische vitaliteit, • brede waardecreatie op lange termijn

De kunst is nu natuurlijk om deze drie B’s in de praktijk met elkaar te verbinden. Aan de hand van drie voorbeelden voor Staatsbosbeheer laten we zien hoe dat in de praktijk werkt. In het Vakblad van juni 2013 doet Ignace Schops directeur Regionaal Landschap Kempen en Maasland vzw een pleidooi voor een ‘groene economie die de impact van de mens op de natuur en het klimaat drastisch vermindert en het verlies aan levensvormen voorkomt’. Wij denken dat zijn werkwijze, maar ook die van onze eigen drie voorbeelden goed aansluiten bij de natuurvisie van Staatsecretaris Dijksma. In de natuurvisie van Staatssecretaris Dijksma van EZ geeft zij aan ook vanuit dit principe te willen kijken naar natuur:

Natuurgebied de Gelderse Poort bij Nijmegen is wat ons betreft een schoolvoorbeeld van duurzame gebiedsontwikkeling. Natuurontwikkeling en hoogwaterveiligheid vormden de motor achter dit proces. Het Wereld Natuurfonds, Stichting Ark, Staatsbosbeheer, klei- en zandwinners, overheden, Rijkswaterstaat en baksteenfabrikanten speelden hierin een belangrijke rol. Er is meer ruimte voor de rivier gekomen waardoor de veiligheid ten tijde van hoogwater is toegenomen. De afgegraven klei en het grond zijn verkocht en verwerkt. Het gebied is vervolgens als natuurgebied achtergelaten (beheren). De landschapsecologische basis is nagenoeg op orde bij de Gelderse Poort door aan te sluiten bij de dynamiek van het rivierensysteem. De natuur heeft zich in enkele jaren spectaculair ontwikkeld waardoor het een enorme biodiversiteit heeft gekregen. Het succes van dit project ligt voor een groot deel in het feit dat is aangesloten bij de rivierdynamiek en dat maakte een snelle ontwikkeling van de natuur mogelijk. Maar ook de open en enthousiaste houding vanuit het project naar andere sectoren zoals de grondstoffensector en recreatie en toerisme heeft voor een belangrijk deel bijgedragen aan het succes. De recreatie-economie (benutten) in de regio bedient de stroom mensen die in de Gelderse Poort van de natuur genieten. Uit recreatieonderzoek van het Bureau voor ruimte en vrije tijd blijkt dat de Gelderse Poort 170 banen oplevert en er jaarlijks 6,3 miljoen euro verdiend wordt. Dat is twee keer zo veel als een vergelijkbaar agrarische en beperkt opengesteld uiterwaardlandschap. Er is in de Gelderse Poort sprake van een nieuwe vorm van economie: de ‘struineconomie’, met excursiebureaus, horeca en andere toeristischrecreatieve bedrijvigheid. Ook de regionale identiteit (beleven) van het rivierenlandschap is versterkt. Hoe zit het met de sociaal-culturele dimensie? Uit een onderzoek van Alterra uit 2004 blijkt dat 90% van de onderzochte inwoners van het gebied vindt dat de kwaliteit van de uiterwaarden is verbeterd.

Grevelingen De Grevelingen is met zijn natuureilanden, stranden, dammen en havens een heel aantrekkelijk gebied voor veel watersporters. Tegelijkertijd is het ook een van de belangrijkste kustnatuurgebie-

juni 2014

15


themanummer Nationaal NatuurNetwerk den van Nederland waar vele duizenden watervogels pleisteren en waar op de drooggevallen platen veel bijzondere planten groeien. Om deze situatie te behouden moet er echter wel wat gebeuren. De recreatiesector blijft achter bij vergelijkbare gebieden omdat de voorzieningen en mogelijkheden niet meer helemaal aansluiten bij de hedendaagse behoeften. En ook de kwaliteit van de natuur gaat langzamerhand achteruit omdat het water niet meer ververst wordt, zoals dat vroeger voor de Deltawerken nog wel gebeurde. Daarom zijn er nu ideeën om op beperkte schaal weer het tij zijn werk te laten doen. Die gedachte is de motor achter een gebiedsontwikkeling waarbij economie en ecologie hand in hand kunnen gaan. Natuur- en recreatieschap de Grevelingen/Groenservice Zuid-Holland en Staatsbosbeheer zijn het programma Zicht op de Grevelingen gestart en betrekken daarbij organisaties zoals Kamers van Koophandel Rotterdam en Zeeland, de natuur- en milieuorganisaties, ANWB, Recron, Hiswa en een consortium van Zeeuwse bouw en infrastructuurbedrijven, verenigd in de coöperatie deltawind. Centraal element in de plannen van al deze organisaties is het opwekken van energie in een centrale die elektriciteit opwekt met behulp van in- en uitstromend zeewater. Deze plannen zouden zeker bij kunnen dragen aan de ontwikkeling van de Zuid-Westelijke Delta en heeft een landschapsecologische systeemanalyse als basis (beschermen). De aanpak is gericht op ecologie en economie (benutten) en gaf bij de start van het project veel energie naar alle betrokken partijen. Nu enkele jaren verder is het nog onzeker of de plannen uitgevoerd gaan worden.. Lukt het goed om energie-ontwikkeling via de getijdencentrale ruimte te bieden en daarmee bredere betekenis te hebben dan alleen natuur en recreatie? Daarnaast voelen sommige partijen zich minder betrokken in de ontwikkeling en vinden dat teveel de nadruk ligt op economie alleen. Zo is er kritiek vanuit de natuur- en milieuorganisaties op de te sterke focus alleen op verschillende toeristische ontwikkelingen in de Grevelingen. Voor de Grevelingen is het zorg de goede balans tussen de drie in balans te krijgen, anders zal dat een van de faalfactoren voor het project blijken te zijn.

Het Westerkwartier De landbouw in het Groningse Westerkwartier heeft het lastig. Vanuit beleidsperspectief leek het eind vorige eeuw dan ook een logisch en mooie oplossing om hier een deel van de Ecologische hoofdstructuur te plannen. De gangbare aanpak in die tijd was aankoop door de overheid en beheer door een terreinbeherende organisatie. De lokale beheerder van Staatsbosbeheer Nico Boele wist echter dat dit zou gaan wringen met lokale waarden en sentimenten: in Westerkwartier heerste een aversie tegen elke overheid die plannen de plannen oplegt. Boele kent de mensen, sympathie voor de onverzettelijkheid van de bewoners, en pakte het daarom anders aan. Staatsbosbeheer had vlakbij het dorp een klein

16

juni 2014

gebied verworven en Boele besloot om dat gebied samen met bewoners te gaan invullen. Deze open houding van Staatsbosbeheer was nieuw voor de dorpsbewoners. Stap voor stap ontstond het vertrouwen. Projecten werden gerealiseerd vanuit het initiatief van de lokale bevolking. De bewoners van Kornhorn onderhouden nu een deel van het gebied zelf. Deze samenwerking bleek een vliegwieleffect te hebben voor de ontwikkeling van allerlei andere sociale initiatieven in het dorp. Kern van zijn werk noemt Boele “verbinden en doorgeven”. Hij verbindt mensen met elkaar, en zorgt ervoor dat anderen zijn werk oppakken. Hij spreekt mensen één op één, weet financiering te organiseren voor projecten, de resultaten worden gewaardeerd door de omgeving en de dorpen. De werkwijze van Boele illustreert het belang van de betrokkenheid van de bewoners en de verschillende actoren en het inspelen op de betekenis en waarden van de leefomgeving voor de bewoners en op de regionale identiteit (beleven). De economische (benutten) en sociale vitaliteit van het gebied neemt toe. Misschien dat er wel concessies gedaan zijn aan de grotere natuurplannen (beheren) en structuren die oorspronkelijk beoogd werden, maar het gaat om het zoeken van de juiste balans voor het betreffende gebied.

Dromen, luchtkastelen en lessen Uit de analyse en beschrijvingen van bovenstaande gebieden wordt duidelijk dat de ontwikkeling van nieuwe en bestaande natuurgebieden veel kan betekenen voor de economische en sociale vitaliteit, de regionale identiteit en de waardering van de leefomgeving. Dromen van gebieden in het Nationaal Natuurnetwerk waarvan de basiscondities voor natuur goed zijn, waar mensen van houden en die betekenis hebben in termen van welvaart/welzijn zijn dus geen luchtkasteel! De lessen die we kunnen leren hebben vooral te maken met het proces: • Begin met een aanpak gericht op bredere ontwikkeling vanuit een brede duurzame invalshoek benadering, en zorg dat hierover van begin af aan overeenstemming is. Dit geeft direct een bredere en open aanpak met als gevolg een positieve uitstraling die andere partijen motiveert om enthousiast bij te dragen. Zorg voor regie op de balans tussen de 3 B’s. • Stel de goede trekkers aan. En probeer met een brede blik te zoeken naar mogelijke partners en waarden. In de beschreven gebiedsontwikkelingen zien we vaak andere actoren dan de traditionele actoren als overheden, natuur- en recreatieorganisaties een rolnemen voorbeelden zijn de energiesector in de Grevelingen. Ook bij Staatsbosbeheer hebben we geleerd en moeten we ons vaak nog bewuster zijn dit soort projecten alleen op te starten als een brede aanpak qua waarden en proces gegarandeerd is. • De Gelderse Poort laat zien dat deze benadering niet hoeft te leiden tot zogenaamde

foto Hans van den Bos, Bosbeeld

‘compromis-natuur’. Door vooral vanuit de systeemecologische en landschapsecologische benadering te werken wordt snel duidelijk wat de cruciale processen en patronen in het gebied voor natuur zijn. Tegelijkertijd wordt duidelijk waar de mogelijkheden voor de ontwikkeling zit. Dit biedt ruimte voor invullingen die een goede balans hebben voor duurzame gebiedsontwikkeling. Misschien niet in alle onderdelen honderd procent optimaal vanuit natuuroptiek, maar vanuit de totaalsom van beschermen, beleven en benutten wel veel waardevoller en duurzamer.< h.hekhuis@staatsbosbeheer.nl


advertentie

Bukovina Natuurreizen

Groeps- en individuele reizen in Centraal-Europa Voor natuurliefhebbers en vogelaars Ook voor natuurexcursies

www.bukovina-natuurreizen.nl info@bukovina-natuurreizen.nl Postbus 135, 5270 AC St Michielsgestel Tel. 06-10667638

juni 2014

17


themanummer Nationaal Natuurnetwerk

 interview 

Decentralisatie natuurbeleid is en blijft een onzinnige operatie Einde van het Bosschap Heeft de decentralisatie van het natuurbeleid, een zich terugtrekkende rijksoverheid iets te maken met het opheffen van het Bosschap? Nijpels is daar heel stellig in: nee. “Iedereen die meedeed in het Bosschap was er heel tevreden over. Er was geen discussie over nut en noodzaak van het Bosschap. Geld was ook echt niet het punt, het ging hier om centenwerk. Dat het gesneuveld is, heeft alleen te maken met politiek spel. De schappen zijn ingeruild voor andere politieke punten. Niet meer en niet minder. VVD is altijd tegen de product- en bedrijfschappen geweest en de partij heeft op een gegeven moment de kans schoon gezien om ze op te heffen. Daar zijn we als Bosschap het slachtoffer van geworden en dat heeft alleen maar heel veel organisatorische rompslomp en negatieve energie opgeleverd. Het oprichten van de nieuwe vereniging is prima, maar het had gewoon allemaal niet gehoeven.”

Dit is het laatste jaar voor het Bosschap. Langzaam maar zeker neemt de nieuwe vereniging van bos en natuurterreineigenaren een deel van de taken van het Bosschap over. Voorzitter van het Bosschap Ed Nijpels heeft een mooi afscheidskado bedacht voor zijn schap: Hij zou het geweldig vinden als de provincies nu samen één natuurvisie, één beleidsnota zouden gaan schrijven. Dat zou nog de beste reparatie betekenen van de “onzinnige decentralisatie van het natuurbeleid”.

> Ed Nijpels, voorzitter van het Bosschap, maakt zich zorgen over het natuurbeleid. Oké, de Ecologische hoofdstructuur wel zal worden afgerond. De meeste partijen zijn het daar wel over eens. En wat Nijpels betreft moet dat dan ook maar het liefst zo snel mogelijk gebeuren zodat er niet nog meer herijkingen en aanpassingen gaan komen. De EHS of tegenwoordig het Natuurnetwerk Nederland, moet niet meer ter discussie staan. Maar Nijpels vreest dat er door de decentralisatie van het natuurbeleid een eindeloos overlegcircuit gaat komen voordat de EHS gerealiseerd is. Nijpels: “Ik ben ongelukkig met de decentralisatie. En vooral omdat het een onzinnige operatie

18

juni 2014

is. Het levert niets op, voor niemand. Er zal nu eindeloos veel overleg opgetuigd moet gaan worden tussen de provincies onderling, tussen provincies en terreinbeheerders en dan ook nog eens met het Rijk en Europa. Want het Rijk heeft een Europese verplichting om bepaalde natuurdoelen te halen. Ik zie niet in hoe de decentralisatie ook maar enige efficiëntiewinst zou kunnen opleveren.”

Eager “Het wrange is ook nog eens dat de provincies er toch altijd weer intrappen: het Rijk houdt ze een worst voor van decentralisatie en de provincies happen toe voordat ze ook maar weten wat voor een worst het is of wat die worst eigenlijk kost. Want ook op dit dossier zijn de provincies zo eager geweest, zonder zich te realiseren dat er natuurlijk tegelijkertijd veel minder geld beschikbaar zou zijn. Ze hadden ‘nee’ moeten durven roepen en dat volhouden. Nu zitten ze met het dossier dat ze zelf moeten gaan optuigen, afstemmen met de beheerders, afstemmen met elkaar. De provincies hebben zelfs al weer een eigen klein interprovinciaal departementje opgericht om zaken samen te doen omdat ze inzien dat veel van het werk beter centraal geregeld kan worden. Zo’n centraal departement hadden we natuurlijk al. Kortom, het is een onzinnige decentralisatie.” En ook de natuur zelf zal er niet beter van worden, zo betoogde Nijpels in 2013 nog in zijn Westhoff-lezing: “De natuur heeft baat bij grote aaneengesloten gebieden met een langdurig consequent beheer. Het is dus per definitie niet logisch om onnatuurlijke (provincie-)grenzen te leggen in de natuur. Bovendien is het voor de

natuur het beste als de verantwoordelijkheid voor beleid en uitvoering zo dicht mogelijk bij elkaar zitten. Natuurbeheer vereist maatwerk, ‘finetuning’ en soms onverwacht ingrijpen. Het is uitermate lastig als een uitvoerder eerst via allerlei schijven toestemming moet krijgen om bepaalde beheermaatregelen te mogen doen.” “Veel natuurbeheerders werken provincie-overschrijdend en komen dus soms per gebied twee en soms drie provincies tegen met elk een eigen beleid en uitvoeringsparagraaf. Dat geeft uiteraard ongewenste onduidelijkheden. Als voorbeeld noem ik hier even het Reestdal waar nota bene zelfs de ecologische hoofdstructuur aan de ene kant van de provinciegrens een andere invulling krijgt dan aan de andere kant.”

Marchanderen “De ene terreinbeheerder lost het op door met de provincies afzonderlijk afspraken te maken, de andere probeert het bij het rijk voor elkaar te krijgen dat provincies een meer op elkaar afgestemd beleid en uitvoering krijgen. En onvermijdelijk gaan dan vervolgens ook nog eens de beheerders met elkaar in discussie over welke weg de beste is. Daarnaast denk ik dat natuurbeleid zich vanuit haar aard niet laat opknippen in beleid, uitvoering en handhaving. Natuur heeft belang bij een hoog schaalniveau: er moeten zo min mogelijk bestuurlijke knippen in zitten omdat de natuur zich per definitie niet houdt aan beleid. Ik wil er maar mee zeggen dat hoe meer beleid en uitvoering in een en dezelfde hand zitten, hoe eenvoudiger het is om eenduidig te werken, eenduidig te monitoren en natuurgebieden op elkaar te laten aansluiten. Dat heeft bovendien


als voordeel dat de continuïteit (heel belangrijk voor de natuur die traag reageert op beleid) beter gegarandeerd is. Als de natuur onderhevig is aan de grillen van zowel gemeente, als provincie, als rijk, als Europa, dan is er een kleine kans dat het beleid over langere tijd gegarandeerd is. Wat dat betreft hebben we een heel tekenend voorbeeld: de Hedwigerpolder. Het gedraai van alle overheden is tekenend hoe er door onduidelijke verantwoordelijkheden er gemarchandeerd kan worden met de natuur. Zelfs als er keiharde afspraken en internationale verplichtingen zijn aangegaan.”

Geert van Duinhoven, redactie@vakbladnbl.nl

foto Provincie Utrecht

Geen provinciale bosschapjes Het Groene Hart bijvoorbeeld. Wie is daar tegenwoordig voor verantwoordelijk? Is het een nationaal landschap? Een nationaal park? Randstadgroenstructuur? Ook Nijpels weet het niet. Even opzoeken en wat blijkt: het Rijk heeft de verantwoordelijkheid voor het open groene deel van Nederland uitbesteed aan de drie Randstadprovincies. Zij moeten er samen voor zorgen dat het open en groen blijft. Daar heeft Nijpels weinig vertrouwen in. De belangen van de steden om uit te breiden, te bouwen en infrastructuur aan te leggen is veel groter en de steden zijn veel machtiger dan de provincies. In de praktijk, zo verwacht Nijpels, gebeurt er dus sinds deze decentralisatie van beleid bar weinig op dat vlak. Nu de decentralisatie desondanks een feit is, wat zou er dan nu het beste kunnen gebeuren? Is het bijvoorbeeld nuttig om per provincie een klein provinciaal Bosschap op te richten? “Nee, alsjeblieft niet. Een gedeputeerde kan heel gemakkelijk de regiohoofden van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten en het provinciaal landschap bij zich roepen en dat zou voldoende moeten zijn. De nieuwe vereniging neemt dan de landelijke taken op zich. Daarom ben ik ook wel blij dat uiteindelijk ook de particuliere eigenaren zich via de Federatie Particulier Grondbezit zich hebben aangesloten bij de vereniging. Laten we vooral niet alles op provinciaal niveau alles nog eens dunnetjes over doen. Laat de grote terreinbeheerders vooral samenwerken, wat mij betreft groeien tot een grote organisatie die het beheer van de natuur op zich neemt.” “Enige vraag die dat wel oproept is hoe je de betrokkenheid van de burgers dan nog blijft vasthouden. Ik ken experimenten om burgers eigenaar te laten zijn van allemaal kleine stukjes natuur. Dat creëert een enorme betrokkenheid. En op dat vlak ben ik ook wel wat optimistischer geworden met de natuurvisie van staatssecretaris Dijksma die het belang van burgerbetrokkenheid benadrukt. En ook een aantal zaken, zoals het OBN, toch graag wat centraler wil aansturen. En gelukkig wil Dijksma ook het agrarische natuurbeheer, jarenlang een zoethoudertje geweest voor de landbouw zonder dat het natuur opleverde, veranderen. Dus na het rancuneuze natuurbeleid van Bleker denk ik dat het toch weer langzamerhand de goede kant op zou kunnen gaan met Dijksma.”<

Staatsbosbeheer en twee natuurondernemers gaan samen het beheer over een groot gedeelte van de Wilnisse Bovenlanden voeren. Hier vindt de ondertekening daarover plaats van de Verklaring Natuurondernemerschap in de Wilnisse Bovenlanden. Gedeputeerde Bart Krol is tweede van links.

Utrechtse aanpak: realisatie EHS met draagvlak — Pauline Bredt (provincie Utrecht), Ivo Kokje (provincie Utrecht), Linda Groot (Programmabureau Utrecht-West)

“Over 13 jaar is het Utrechtse deel van de Ecologische hoofdstructuur een feit. Dan is ook voldaan aan de internationale natuurafspraken die voor het Utrechtse grondgebied gemaakt zijn en is er continuïteit van het beheer en onderhoud.” Daar is gedeputeerde Bart Krol zeker van. “Alle stappen die we tot nu toe samen met onze partners in het landelijk gebied hebben genomen, geven daarin het volste vertrouwen.” In dit artikel gaan we in op de wijze waarop de provincie Utrecht de uitvoering van deze opgave de komende jaren oppakt.

> In december 2010 besloot staatssecretaris Bleker de natuurinrichting van het landelijk gebied op te schorten om tot een herijking van de EHS te komen die paste bij de nieuwe financiële realiteit van Nederland. Dit was voor de provincie Utrecht reden om, vooruitlopend op eventuele ideeën van het Rijk, een eigen visie op natuur, recreatie en agrarisch ondernemerschap te ontwikkelen. Met een breed scala aan partners (Natuurmonumenten, Het Utrechts Landschap, Staatsbosbeheer, de verenging van het Utrechts Particulier Grondbezit, LTO en de Natuur en Milieufederatie Utrecht) zijn afspraken gemaakt over de realisatie van de herijkte EHS in samenhang met opgaven zoals landbouwstructuurverbetering, waterkwaliteit en –kwantiteit, recreatie en cultuurhistorie. De provincie Utrecht werkte vanaf de start van de uitvoering van het Investeringsbudget Landelijk Gebied in 2007, waar de EHS-opgave deel van uit maakte, via meerdere gebiedscommissies aan een vitaal landelijk gebied. In die gebiedscommissies waren vertegenwoordigers van de genoemde partners en gemeenten en waterschappen vertegenwoordigd. Met door het gebied gedragen projecten, geïnitieerd en uitgewerkt door de programmabureaus van de gebiedscommissies, werd begonnen met de realisatie van een vitaler platteland en werden gronden aangekocht, vervolgens voor natuur ingericht en beheerd. Er zijn

juni 2014

19


themanummer Nationaal Natuurnetwerk veel succesvolle voorbeelden van projecten die samen met gebiedspartners gerealiseerd zijn. Een voorbeeld hiervan is het Noorderpark. Hier wordt ruim 200 hectare gevarieerde moerasnatuur (Natura 2000) gerealiseerd, deels door aankoop van agrariërs en verkoop aan de eindbeheerder en deels door particulier en agrarisch natuurbeheer. Andere voorbeelden zijn de Wilnisse Bovenlanden (zie kader) en diverse afgesloten convenanten met landgoederen. Zo zijn in het convenant Den Treek-Henschoten afspraken gemaakt over de realisatie van een ecoduct, het herstel van heide en de realisatie van nieuwe natuur op landbouwgronden van het landgoed. In het convenant De Boom zijn afspraken gemaakt over verdrogingsbestrijding en realisatie van nieuwe natuur op eigendommen van het landgoed en met de gemeente Rhenen en dierenpark Ouwehand zijn afspraken gemaakt over de realisatie van natuur in de Elster Buitenwaarden. Hier zal agrarische grond van de gemeente worden ontpacht en vervolgens verkocht aan een eindbeheerder ten behoeve van nieuwe natuur.

De opgave De afspraken tussen de partners in het gebied en de provincie zijn op 9 juni 2011 vastgelegd in het Akkoord van Utrecht. Dit akkoord is de opmaat tot de realisatie van een kleinere EHS. Afgespro-

ken werd om 1506 ha nieuwe natuur te realiseren. Daarnaast wordt 1500 hectare van de eerder voor natuur begrensde gronden weer beschikbaar gesteld voor andere dan natuurdoelen. Tenslotte wordt 3000 hectare van de oorspronkelijke opgave in een zogenoemde Groene Contour gelegd. In de Groene Contour krijgen de gebiedspartijen de gelegenheid natuur te realiseren, maar daar betaalt de overheid niet aan mee. Zolang het geen natuur is, blijven de gronden beschikbaar voor andere doelen, vooral de landbouw. Het Akkoord van Utrecht was het bod van de provincie Utrecht in de onderhandelingen met het Rijk over de decentralisatie van het natuurbeleid. In 2013 zijn definitieve akkoorden met het Rijk gesloten waarmee de decentralisatie een feit is. Het Akkoord van Utrecht is hiermee overeind gebleven.

Nieuwe taken en grote verantwoordelijkheid De provincie heeft, samen met haar maatschappelijke partners, een nieuw natuurbeleid en een nieuwe Agenda Vitaal Platteland gemaakt. In dit nieuwe provinciale beleid en uitvoeringsprogramma geeft de provincie in breder perspectief invulling aan haar ambitie, en werkt ze de gedecentraliseerde taken en verantwoordelijkheden verder uit. De essentie van het Natuurbeleid 2.0 “Netwerk van Natuur”, aansluitend bij de nieuwe

foto’s Provincie Utrecht

20

juni 2014

Rijksbeleidslijn, is de inzet op een robuust netwerk van natuur in plaats van kleine, losse gebieden, meer aandacht voor beleefbaarheid en toegankelijkheid van natuur voor de mens en het blijvend inzetten op integratie van de te realiseren natuurdoelen met andere beleidsvelden in het landelijk gebied. Dit beleid is verder geconcretiseerd in een nieuw uitvoeringsprogramma Agenda Vitaal Platteland. Ook werd het uitgangspunt om te sturen op hoofdlijnen in plaats van in detail op individuele soorten, om daarmee meer vertrouwen te bieden aan de eindbeheerders. Tevens is het beleid gericht op het versterken van de maatschappelijke verantwoordelijkheid en in te zetten op nieuwe financieringsmodellen om het natuurbeleid minder afhankelijk te maken van overheidsfinanciering. Deze laatste twee keuzes zijn nadrukkelijk in overeenstemming met de afspraken die Rijk, provincies en maatschappelijke partijen hebben gemaakt in het Akkoord Manifestpartners. In dit akkoord is afgesproken dat de manifestpartners nadrukkelijker betrokken worden bij de realisatieopgave. Dit is mede ingegeven door de gelijkberechtigingsdiscussie, waarin de Vereniging Gelijkberechtiging Grondbezitters ageerde tegen de (in hun ogen) onterechte bevoordeling van de terreinbeherende organisaties bij de aankoop, inrichting en beheer van natuurgebieden. In het


nieuwe Utrechtse natuurbeleid kijkt de provincie mede gegeven de wens om meer maatschappelijke partners te betrekken bij de uitvoering, nadrukkelijker naar andere geschikte beheerders dan de ‘traditionele’ beheerders waarbij doelrealisatie en efficiëntie voorop staat. Concreet betekent dit dat gronden in de EHS voortaan niet meer worden doorgeleverd, maar marktconform aan een beheerder zullen worden doorverkocht. Daarbij stelt de provincie eisen aan de inrichting en de kwaliteit van het beheer en sluit geen enkele geïnteresseerde, potentieel geschikte beheerder op voorhand uit. Als verdere uitwerking van het nieuwe Utrechtse natuurbeleid heeft de provincie vervolgens ook een nieuw grondbeleid vastgesteld voor aankoop, voor het realiseren van natuur op eigen grond (zelfrealisatie) en voor de verkoop van ruil- en natuurgronden. Met de vaststelling van dit grondbeleid zijn instrumenten beschikbaar gekomen als het opnieuw instellen van de aankoopplicht, het bieden van ruimte voor zelfrealisatie en het bieden van mogelijkheden voor volledige schadeloosstelling. Door inzet van een planmatige aanpak, concrete afspraken over een verantwoordelijkheidsverdeling tussen de gebiedscommissies en de provincie en een goed evaluatie-instrumentarium kan de provincie met haar gebiedspartners weer tot realisatie van nieuwe natuur komen.

Nog niet alle hobbels zijn genomen De provincie heeft nog ruim een decennium om haar ambities voor het landelijk gebied te realiseren. Maar vooruitkijkend constateert de provincie een aantal belangrijke dilemma’s en vragen waarover zij de komende tijd met haar partners in overleg zal treden. Dit is onder meer de financiering van de aankopen waar de terreinbeherende organisaties (en specifiek Staatsbosbeheer) mee te maken krijgen, uitgaande van de afgesproken verkoopprocedure die recht doet aan gelijkberechtiging en markconformiteit. Daarnaast zal de provincie nadrukkelijker particulier- en agrarisch natuurbeheer stimuleren en ondersteunen bij een gezamenlijke wens om tot natuurrealisatie te komen. Een open en constructieve houding van zowel de provincie als de terreinbeherende organisaties is daarbij essentieel. De positie van de terreinbeherende organisaties in het landelijk gebied is verslechterd nu zij er niet meer zondermeer van uit kunnen gaan dat zij de gronden krijgen terwijl ze vaak jarenlang over inrichting en beheer hebben meegepraat. De provincie Utrecht ziet de betreffende terreinbeherende organisaties nadrukkelijk nog steeds als belangrijke kennispartners bij de realisatie van de natuurdoelen en wil hen nadrukkelijk blijven betrekken bij de realisatie van haar natuurdoelen. De provincie gaat gesprekken met ze aan over

hun nieuw in te nemen positie en over de wijze waarop de provincie hen kan helpen bij het realiseren van hun doelstellingen. De uitvoering van de herijkte EHS heeft zich tot op dit moment vooral geconcentreerd op de gebieden waar al draagvlak gevonden is. De grote uitdaging is nu om enerzijds het benodigde tempo in de realisatie te krijgen en tegelijkertijd zoveel mogelijk draagvlak te behouden en te creëren. Om de kosten van de realisatie beheersbaar te houden, wordt gezocht naar nieuwe financieringsconstructies waarbij Utrecht nadrukkelijk ook de samenwerking met haar huidige gebiedspartners wil behouden. Doelbereik en kostenefficiëntie zijn bij het zoeken en uitvoeren van nieuwe financieringsconstructies continu het uitgangspunt. Met de totstandkoming van de diverse akkoorden met het Rijk, het nieuwe provinciale natuurbeleid en de daaruit volgende uitvoeringskaders en de voorgenomen uitvoering in nauwe samenwerking met haar gebiedspartners is Utrecht, circa zeven jaar na de eerste bewegingen van decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincie onder de Wet Inrichting Landelijk gebied, nu volledig klaar voor de realisatie van de aan haar toegedeelde taak op het gebied van natuur.<

De Wilnisse Bovenlanden Het gebied de Wilnisse Bovenlanden ligt langs het oude veenriviertje de Kromme Mijdrecht, op de grens van Utrecht en Zuid-Holland. Het is een weidse polder doorsneden door vele sloten, geliefd bij meerdere soorten (kritische) weidevogels. Het gebied ligt tussen de Nieuwkoopse Plassen, de Vinkeveense Plassen, Botshol en de Vechtplassen. De natuurbegrenzing en natuurdoelen van De Bovenlanden zijn in 2001 vastgelegd in natuurbeheerplannen. In totaal is daarmee binnen beide provincies circa 470 hectare natuurontwikkelingsgebied begrensd. Omdat het gebied in twee provincies ligt was extra afstemming nodig. In het Utrechtse deel van de Wilnisse Bovenlanden is nu 220 hectare in bezit van Staatsbosbeheer. De overige gronden zijn in eigendom van particulieren, voornamelijk melkveehouders. De natuurontwikkeling binnen de Wilnisse Bovenlanden richt zich primair op het herstel van de oorspronkelijke natuurwaarden zoals nat schraalland, weidevogelgrasland (grutto, tureluur en slobeend) en natuurvriendelijke oevers. De Wilnisse Bovenlanden vormen een onderdeel van de ecologische verbinding tussen de Nieuwkoopse Plassen en de Vinkeveense Plassen.

den en is daarom erg belangrijk voor het behalen van de natuurdoelen. Dat is ook de reden dat Staatsbosbeheer bereid is om deze uitzonderlijke stap te nemen. De natuurdoelen worden gerealiseerd binnen de melkveebedrijven. Voor het gebruik van mest en voor het maaien en beweiden is een mozaïek ontwikkeld om de natuurdoelen en de bedrijfstechnische mogelijkheden zo optimaal mogelijk op elkaar af te stemmen. Het gebied, inclusief de gronden van natuurondernemers, krijgt een robuust en samenhangend peilbeheer, gericht op de functie natuur en de natuurdoelen. Er is geen sprake meer van onderbemaling. Een deel van de laaggelegen percelen wordt opgehoogd voor gebruik als grasland, een ander deel gaat dienen als vestigingsplas-dras voor weidevogels. Op deze manier is er ruimte voor twee gezonde natuurbedrijven binnen het natuurgebied de Bovenlanden, zijn er koeien in de wei en worden de natuurdoelen bereikt. De betrokken partijen hebben hierover in de zomer van 2013 de afspraken vastgelegd in de Verklaring Natuurondernemerschap in de Wilnisse Bovenlanden.

Bijzonder in dit gebied is dat Staatsbosbeheer en twee natuurondernemers samen het beheer over een groot gedeelte van de Wilnisse Bovenlanden gaan voeren. De natuurondernemingen gaan ieder ongeveer 100 ha (weidevogel)grasland beheren. De helft daarvan wordt hun eigendom om het bedrijf een stevige basis te geven, en de andere helft pachten ze van Staatsbosbeheer. Om hun grondpositie te versterken worden er gronden geruild tussen de ondernemers, BBL en Staatsbosbeheer. Deze ruil legt een basis onder de natuurontwikkeling en het beheer van de Bovenlanjuni 2014

21


themanummer Nationaal Natuurnetwerk

Noord-Brabant voortvarend aan de slag om natuur uit te breiden en te verfraaien

Provincie en maatschappelijke partijen realiseren samen EHS In 2012 en 2013 leek het grotendeels gedaan te zijn met de uitvoering van het natuurbeleid. Natuur stond onder druk door de forse koerswijzigingen van staatsecretaris Bleker. De bezuinigingen die hij oplegde, zouden het bijna onmogelijk maken om de Ecologische hoofdstructuur af te maken. De natuurbeschermingsorganisaties maar ook de provincie waren in verwarring. Brabant heeft nu een vorm gekozen waarbij de Ecologische hoofdstructuur toch zal worden gerealiseerd. Gegarandeerd! â&#x20AC;&#x201D; Geert van Duinhoven (redactie)

22

juni 2014

> Als het aan het kabinet ligt, mag het allemaal wel iets minder met de natuur. De oorspronkelijke ambities met een Ecologische hoofdstructuur zijn naar beneden bijgesteld. Er is minder geld beschikbaar, de robuuste verbindingszones zijn geschrapt, de Nationale Parken bestaan niet meer. Een slechte zaak vindt Brabants gedeputeerde ecologie Johan van den Hout: â&#x20AC;&#x153;De natuur in ons land is door woningbouw, de landbouw en de aanleg van wegen kleiner geworden en versnipperd geraakt. Dat vormt een bedreiging voor het voortbestaan van veel plant- en diersoorten. Om die reden werd jaren geleden de ecologische hoofdstructuur vastgesteld. Dat was en is een goed uitgangspunt en wij hebben daarom besloten om tegen de stroom in, toch de Ecologische


hoofdstructuur af te maken. In Brabant hechten wij veel waarde aan de natuur. Landschappen van hoge kwaliteit maken Brabant aantrekkelijk om in te wonen, te werken en te recreëren. Economie en ecologie moeten dus wel samen kunnen gaan. En dat betekent hier in Brabant dat ook alle betrokken organisaties zich verantwoordelijk voelen voor het realiseren van die natuur.”

Groen Ontwikkelfonds Op 19 mei 2014 hebben de provincie en de zogeheten ‘manifestpartners’ afgesproken dat het Brabantse natuurnetwerk in 2027 klaar zal zijn. Die manifestpartners zijn de provincie NoordBrabant, Waterschap de Dommel, Waterschap de Brabantse Delta, Waterschap Aa en Maas, Waterschap Rivierenland, Staatsbosbeheer, Vereniging Natuurmonumenten, Stichting Het Noord-Brabants Landschap, Vereniging Brabants Particulier Grondbezit, Stichting Brabantse Milieufederatie, Vereniging Zuidelijke Land en Tuinbouworganisatie en Toeristisch Ondernemers Platform Brabant. Het blijft niet bij intenties. De provincie en de maatschappelijke organisaties hebben ook financiële afspraken gemaakt. Provinciale Staten reserveren een deel van de ‘Essent-gelden’ voor natuur. Het brede maatschappelijke draagvlak en concretisering van het Manifest hebben de weg bereid om een bijdrage van 240 miljoen euro beschikbaar te stellen. De maatschappelijke partijen hebben afgesproken om gezamenlijk een inspanning ter waarde van 160 miljoen euro te leveren. Als onderdeel van de afspraken heeft de provincie Noord-Brabant het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB BV) opgericht. In dat fonds zit het provinciaal geld en (ruil)gronden. Dat is geoormerkt en kan alleen voor natuur worden gebruikt.

Gedeputeerde Johan van den Hout

Het realiseren van de EHS is daarmee tot aan 2027 gegarandeerd en niet meer afhankelijk van politieke windrichtingen. Ook zit er in dat fonds de grond die de provincie van het Rijk heeft gekregen als uitvloeisel van het Natuurpact tussen rijk en provincies.

Maatwerk Een goed gevuld fonds dus. Van den Hout: “Dit fonds betekent echter niet dat we nu overal grond gaan aankopen zoals we jarenlang hebben gedaan. Het gaat ons niet uitsluitend om het aantal hectaren maar om slimme doordachte combinaties van functies met natuur. Brabant is een mozaïek en niemand, geen boer, geen industrie en geen campingeigenaar zit ver weg van de natuur. We hebben altijd en overal met elkaar te maken. Dat kun je als last ervaren, maar wij zien het juist als kans. We gaan mensen verleiden om mee te doen aan natuurontwikkeling en dat kan op allerlei manieren. Het fonds dient daarbij als aanjager voor initiatiefnemers. Ik kan me voorstellen dat recreatieondernemers willen investeren in natuur om daarmee een aantrekkelijker klimaat te hebben voor hun gasten. Ook steeds meer agrariërs zien het wel zitten om hun bedrijf of een deel daarvan als natuur in te richten. Wij kunnen ze soms net dat financiële zetje geven zodat ze over de brug komen. Hoe we dat doen en voor hoeveel geld, dat is per geval verschillend. We zoeken ook naar nieuwe manieren om initiatieven te ondersteunen, bijvoorbeeld door leningen, participaties en garanties. Niet meer alleen subsidies dus”. Volgens de gedeputeerde is het belangrijk om maatwerk te leveren. “Daarom zijn we ook blij als straks de Programmatische Aanpak Stikstof in werking is, zodat we ontwikkelruimte kunnen geven aan agrariërs die aantoonbaar duurzaam willen werken. Door samen met onze manifestpartners te werken aan de nieuwe natuur, creëren en behouden we maatschappelijk draagvlak voor natuur. We gaan de dialoog aan, wij nodigen de mensen uit: heb je ideeën om natuur te realiseren, kom dan naar ons en wij willen meedenken en meedoen. We hebben daar al een paar mooie voorbeelden van zoals de bewoners van het Markdal (zie kader).”

Rijksbijdragen Volgens Brabant sluit de nieuwe werkwijze helemaal aan bij de natuurvisie van Dijksma. Ook zij benadrukt het belang van maatschappelijk draagvlak en een sterkere link tussen economie en ecologie. Van den Hout: ‘Met de visie en ambities zijn we het helemaal eens. De geldkraan is zo goed als dichtgedraaid, maar het zou ons als uitvoerders van het natuurbeleid al goed helpen als die visie door het Rijk in de volle breedte, dus door alle departementen, zou worden omhelsd en uitgevoerd’.

Carla Moonen, Dijkgraaf waterschap Brabantse Delta: ‘De afgelopen tien jaar hebben de Brabantse waterschappen al een grote inspanning geleverd aan het op orde brengen van de natuurontwikkeling en de bijbehorende hydrologische condities in Noord-Brabant. Synergie was daarin het sleutelwoord. De realisatie van een robuust netwerk voor samenwerking in de vorm van een Groen Ontwikkelfonds met twaalf partijen zal nog meer opleveren en is uniek in Nederland. Ik heb er volop vertrouwen in. Het mooie is dat alle partners hetzelfde belang hebben en streven naar een doeltreffende en efficiënte organisatie. Deze samenwerking zal laten zien dat het geheel meer is dan de som der delen. Wij doen als drie waterschappen voor 100.000 euro mee voor een medewerker die werkt voor de Werkeenheid van het GOB. Dit geeft de mogelijkheid om het waterbelang goed te borgen in projecten en meekoppelkansen voor het waterschap te benutten. Zo kunnen waterschappen optimaal gebruikmaken van de kansen die het Groen Ontwikkelfonds biedt’.

Jan Baan, directeur Brabants Landschap: ‘Uiteraard zijn we erg blij met de overeenkomst waarin zo veel partijen zich committeren aan het realiseren van extra natuur. Zelf gaan wij ook bijdragen. Door onze terreinen en gebouwen efficiënt te beheren, en door goed om te gaan met het geld dat we krijgen via de subsidieregeling SNL en de giften en legaten, houden we geld over om te investeren in nieuwe natuur. Daarnaast is er wat ons betreft veel winst te behalen door de nieuwe werkwijze die we met elkaar hebben afgesproken. We gaan niet stukje voor stukje EHS aankopen als er geld beschikbaar is. We gaan voortaan eerst met partners kijken wat er in een gebied mogelijk is en dan pas gaan we eventueel aankopen. Voorheen hadden we een exact plan voor de EHS, nu is er geen gegarandeerde uitkomst. Wel staat de ambitie om de natuur uit te breiden en kwalitatief beter te maken nog steeds voorop!’

Brabantse aanpak in de praktijk Een voorbeeld van de Brabantse aanpak is de manier waarop bewoners bezig zijn met het Markdal. Zij hebben de ‘Vereniging Markdal duurzaam en vitaal’ opgericht om van het Markdal ten zuiden van Breda ‘een gebied te maken waarin ecologie, economie en samenleving in evenwicht zijn’. De Stichting Markdal duurzaam en vitaal is verantwoordelijk voor het herinrichtingsproces dat de komende jaren zal plaatsvinden met financiële steun van de provincie, waterschap en gemeenten. De initiatiefnemers streven naar een Markdal waar ruimte is voor natuur en water, waar mensen graag wandelen en fietsten en waar tegelijkertijd een goede boterham verdiend kan worden. Dit wil de vereniging klaar zien te krijgen door een samenwerking op te zetten in het gebied en de gebiedsontwikkeling van het Markdal te versnellen. De vereniging wil in ieder geval een flexibele EHS. Dat maakt maatwerk mogelijk: de bewoners willen wel meedoen, maar alleen als er ook rekening gehouden wordt met hun eigen belangen. Gezamenlijk doel is om de beste functie op de beste plek te krijgen zonder de ambitie voor de natuur aan de kant te zetten. Waterveiligheid, recreatie, economische betekenis en sociale structuur van het Markdal moeten hand in hand gaan.

foto Provincie Noord-Brabant

juni 2014

23


themanummer Nationaal Natuurnetwerk

Herijking van de EHS voor drie verschillende provincies — Wieger Wamelink, Rogier Pouwels, Michiel van Eupen en Edgar van der Grift (Alterra Wageningen UR)

Bij het aantreden in 2010 van het kabinet Rutte I is het natuurbeleid drastisch veranderd. De plannen voor de Ecologische hoofdstructuur (EHS), het natuurnetwerk van Nederland, werden versoberd. De herziening van het natuurbeleid bood echter ook kansen om na ruim twintig jaar werken aan de EHS te kijken waar verbetering mogelijk is. Provincies ontwikkelden daarom plannen voor een ‘herijkte EHS’. Vijf provincies vroegen aan Alterra om uit te zoeken in hoeverre deze herijkte EHS tot ecologische verbeteringen leidt. In dit artikel beschrijven we de aanpak van de evaluaties van de provinciale plannen voor een herijkte EHS, waarbij we de studies voor Gelderland, Overijssel en Limburg in meer detail beschrijven.

24

juni 2014

> Voor elk van de drie provincies hebben we de plannen voor de herijkte EHS vergeleken met de oorspronkelijke plannen voor de EHS. Hiervoor hebben we de effecten op de ruimtelijke samenhang in beeld gebracht, nieuwe ruimtelijke knelpunten benoemd en advies uitgebracht over hoe de knelpunten kunnen worden weggenomen. De ruimtelijke samenhang is modelmatig getoetst met het model MetaNatuurplanner (MNP). Dit instrument gebruiken het Planbureau voor de Leefomgeving en Alterra ook voor de nationale evaluatie van de ruimtelijke samenhang van de herijkte EHS. De MetaNatuurplanner is gebaseerd op het principe dat elke dier- en plantensoort een minimum oppervlak aan kwalitatief geschikt leefgebied nodig heeft om duurzaam voor te kunnen komen. Duurzaam voorkomen betekent dat de soort minder dan 5% kans heeft om in 100 jaar uit te sterven. Het minimum oppervlak kan sterk variëren, bijvoorbeeld van 5 ha voor het Geelsprietdikkopje tot 3000 ha voor de Blauwe kiekendief. In het gefragmenteerde Nederlandse landschap zijn grote aaneengesloten gebieden met geschikt leefgebied vaak niet meer aanwezig. Het model houdt daarom ook rekening met de capaciteit van soorten om ongeschikte gebieden te overbruggen. Dit zorgt er voor dat soorten in een gefragmenteerd landschap toch voldoende geschikt leefgebied kunnen vinden om duurzaam voor te komen. De MetaNatuurplanner analyseert de ruimtelijke samenhang en kwaliteit van het leefgebied voor een soort en berekent of er ruimte is voor een zogenoemde ‘sleutelpopulatie’. Een sleutelpopulatie is een populatie die groot genoeg is om duurzaam voort te kunnen bestaan binnen een natuurnetwerk als de EHS. Een groot leefgebied kan meerdere sleutelpopulaties van een soort bevatten. Voor elke provincie is een lijst van ongeveer 250 dier- en plantensoorten gebruikt om te onderzoeken of deze soorten duurzaam kunnen voorkomen in de herijkte EHS. Per gebied is uiteindelijk het percentage soorten bepaald, waarvoor geldt dat de kwaliteit en het oppervlakte van het leefgebied voldoende zijn voor een stabiele populatie. Hierbij is de aanname gehanteerd dat de abiotische kwaliteit en het beheer in de

gebieden conform de gestelde doelen zijn en dat er geen negatieve effecten van klimaatverandering zijn. Een percentage van minder dan 25 van de soorten dat duurzaam kan voorkomen is als slecht aangeduid, 25-50% als matig en meer dan 50% als goed.

Provincie Limburg: inzet van beheergebieden ter compensatie De geplande herijking zal in de provincie Limburg leiden tot een nieuwe begrenzing van de EHS, waarbij een aantal eerder ingeplande gebieden uit de EHS worden gehaald. Een deel van het verlies aan EHS wordt gecompenseerd door beheergebieden zodanig te lokaliseren dat zij verbindingen vormen tussen verschillende natuurgebieden en bestaande natuurgebieden een groter oppervlak krijgen. Beheergebieden zijn gebieden waar de economische ontwikkeling beperkt wordt en beheersmaatregelen worden genomen ten bate van de natuur. Onze modelberekeningen laten zien dat in verschillende gebieden verspreid over heel Limburg de herijking leidt tot een achteruitgang van de ruimtelijke samenhang (figuur 1). Sommige gebieden die uit de EHS zijn gehaald blijken voor een groot aantal soorten belangrijk. Bij natuur die uit de EHS wordt gehaald gaat het altijd om nog niet bestaande maar wel geplande natuur, nooit om al aanwezige natuur. Vooral soorten van droge graslanden, moerassen, voedselrijke graslanden, akkers en vogelgraslanden krijgen het moeilijk. Juist voor de soorten van droge graslanden is dit zorgelijk omdat deze soorten ook landelijk onder druk staan. Als de herijking wordt vergeleken met het huidig voorkomen van de soorten, dan valt op dat er vooral gebieden met een redelijk grote potentie uit de EHS worden gehaald. De beheergebieden (niet meegenomen in de MNP-analyse) die deels de uit de EHS gehaalde nieuwe natuurgebieden moeten compenseren, lijken goed gepland te zijn. In veel gevallen werken ze versterkend en kunnen ze de achteruitgang in de ruimtelijke samenhang van de EHS compenseren. Omdat de beheergebieden van mindere kwaliteit zullen zijn dan de natuur binnen de EHS is de verwachting dat dit het verlies van EHS slechts deels kan compenseren.


Figuur 1. Verschil in het percentage onderzochte soorten dat duurzaam in stand kan worden gehouden tussen de oorspronkelijke EHS en de herijkte EHS in de provincie Limburg voor het gebied rond de Maasduinen, inclusief de nieuwe beheergebieden. Met natuurnetwerk wordt de overige natuur bedoeld, die geen onderdeel is van de EHS maar van de groenblauwe dooradering.

Figuur 2. Het percentage onderzochte soorten van de VHR dat naar verwachting duurzaam in stand kan worden gehouden voor verschillende beleidsscenarioâ&#x20AC;&#x2122;s voor de provincie Gelderland. Als referenties zijn opgenomen: de EHS bij realisatie van het ongewijzigde EHS beleid met de milieucondities op orde, de herijkte EHS max, OHA EHS max, OHA EHS min en de huidige EHS. OHA staat voor onderhandelingsakkoord tussen het Rijk en IPO en de aanvullingen op dit akkoord volgens de Gedeputeerde Staten van Gelderland. In de minimale variant wordt er minder natuur aangekocht en is het beheer van mindere kwaliteit (OHA-min) dan in de maximale variant (OHA-max). Blauw geeft het percentage soorten waarvoor de beoogde kwaliteit is bereikt. Ongewijzigde EHS milieucondities op orde Herijkte EHS max OHA EHS max OHA EHS min Huidige EHS

0 20 40 60 80 100 % duurzame soorten Beoogde kwaliteit bereikt

Soorten met kansen op achteruitgang

juni 2014

25


Provincie Gelderland: rekenen aan realisatie van coalitiedoelen Voor de provincie Gelderland is de herijkte EHS getoetst aan de coalitiedoelen van het college van Gedeputeerde Staten. In deze paragraaf bespreken we alleen de resultaten voor de langetermijndoelstelling: het realiseren van duurzame condities voor een gunstige staat van instandhouding op nationaal niveau van soorten en habitattypen die beschermd zijn op basis van de EU Vogel- en Habitatrichtlijn. Bij volledige uitvoering van de Gelderse plannen voor een herijkte EHS komt de langetermijndoelstelling wel dichterbij maar deze wordt niet gehaald. In de nu al gerealiseerde EHS zijn er voor 36 procent van de onderzochte soorten duurzame condities aanwezig. Bij uitvoering van de plannen van het kabinet Rutte I - zoals afgesproken in het Onderhandelingsakkoord Decentralisatie Natuur en de aanvullingen op dit akkoord - ontstaan er naar verwachting voor 44 procent van de onderzochte soorten duurzame condities. Dit percentage neemt toe tot bijna zestig procent als de plannen van de provincie Gelderland en haar partners voor de herijkte EHS volledig worden gerealiseerd, het OHA-max scenario (figuur 2). Deze verbetering is vooral een gevolg van grotere investeringen in de aankoop van gronden en geld voor het beheer van de natuur ten opzichte van de voorstellen van het rijk. Het niveau van de oorspronkelijke EHS - duurzame ruimtelijke condities voor zeventig procent van de onderzochte soorten - wordt echter niet bereikt. Ook is de kans niet uitgesloten dat de Gelderse plannen slechts voor een deel kunnen worden uitgevoerd

- het OHA-min scenario (figuur 2) - wat leidt tot een verslechtering van de situatie: duurzame condities voor slechts circa 20 procent van de onderzochte soorten. Een belangrijke conclusie is ook dat voor geen van de doorgerekende scenarioâ&#x20AC;&#x2122;s de langetermijndoelstelling worden gehaald. Ook bij realisatie van de oorspronkelijke plannen voor de EHS zouden deze doelen niet worden gehaald. Daarvoor is niet een versobering maar juist een versterking van de EHS nodig, dus een groter oppervlak natuur en een verbetering van de natuurkwaliteit en ruimtelijke samenhang.

Provincie Overijssel: een stap terug in ambities In de provincie Overijssel biedt de huidige gerealiseerde EHS duurzame condities voor ongeveer de helft van de onderzochte soorten. De plannen van de provincie voor een herijkte EHS, inclusief de provinciale Groen-Blauwe Hoofdstructuur, verhogen dit tot zestig procent. Aanvullende maatregelen, voorgesteld door de gebiedspartners, leveren nog een extra 1,5 procent op. Vooral de voorstellen rond de watersystemen in Overijssel dragen bij aan een verbetering van de ruimtelijke samenhang. Hiermee worden de populaties van de onderzochte soorten lokaal versterkt. Maar ook in Overijssel zal de herijkte EHS niet de kwaliteit halen van de oorspronkelijk geplande EHS en is ook hier de herijkte EHS dus een stap terug in de ambities.

Kanttekening bij de modelberekeningen Voor het doorrekenen van de provinciale plannen voor een herijkte EHS is een aantal aannamen

Figuur 3. Stikstofdepositie overschrijdingen voor Natura 2000-gebieden in de provincie Gelderland. Weergegeven wordt het percentage overschrijding ten opzichte van de Kritische Depositie Waarde (KDW) voor stikstof.

gedaan. We zijn er van uitgegaan dat bestaande problemen met de abiotische kwaliteit, inclusief klimaatverandering, worden opgelost. De problemen zijn op veel plekken echter groot, vooral als gevolg van stikstofdepositie (figuur 3) en verdroging. De abiotiek en ruimtelijk samenhang dienen beide op orde te zijn om soorten duurzaam te laten voorkomen. Sleutelen aan ĂŠĂŠn probleem helpt tot op zekere hoogte wel, dus ook alleen aan ruimtelijke samenhang werken levert wel verbetering op. Landelijk onderzoek laat echter zien dat het oplossen van alle abiotische problemen in de EHS op het ogenblik niet haalbaar is en dat klimaatverandering een deel van de problemen zelfs kan vergroten. De Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) zal er voor moeten zorgen dat ten minste voor de Natura 2000-gebieden een goede staat van instandhouding gerealiseerd wordt voor de aangewezen habitattypen in het gebied. De plannen voor de PAS laten echter zien dat bijvoorbeeld het probleem van stikstofdepositie in Overijssel niet wordt opgelost. Daarnaast laat onderzoek voor de Provincie Noord-Brabant zien dat klimaatverandering een extra opgave geeft voor zowel de grondwaterstand als de stikstofbeschikbaarheid en dus stikstofdepositie. De opgave voor extra water kan wel twintig procent van de huidige opgave bedragen, dat wil zeggen dat er twintig procent meer water nodig is om dezelfde grondwaterstand te bereiken. Alle provincies zijn gaan samenwerken met gebiedspartners. Deze samenwerking is toe te juichen omdat hiermee de krachten voor het versterken van het natuurnetwerk kunnen worden gebundeld, zoals onze voorbeelden voor de drie provincies laten zien. De provinciale plannen voor een herijkte EHS zijn duidelijk een verbetering vergeleken met de rijksplannen van het kabinet Rutte I voor de herijkte EHS. Echter, in geen van de provincies zorgen de herijkingsplannen er voor dat de oorspronkelijke doelstelling van de EHS wordt gehaald. Ook blijven de internationale langetermijndoelstellingen uit het zicht. Uitvoering van de herijkingsplannen betekent dan ook dat natuurambities moeten worden bijgesteld. De mate waarin dit nodig is, is sterk afhankelijk van de mate waarin de abiotiek binnen de EHS op orde kan worden gebracht. Het gelijktijdig met de uitvoering van de plannen monitoren van de natuureffecten is daarom onmisbaar, zodat bij tegenvallende resultaten snel en gericht kan worden bijgestuurd.< Wieger.wamelink@wur.nl Achtergrondinformatie staat in de Alterra rapporten 2011, 2332, 2333, 2417 en Wamelink et al. 2013 Biological Conservation 165: 43-53.

26

juni 2014


Toekomstschets Drielandenpark illustratie Jeroen Helmer

Gebiedsontwikkeling in Brabant en Limburg

Zes ingrediënten voor succes In 2010 gaf de provincie Limburg aan ARK — Liesje Floor, Ger van den Oetelaar en Anke Dielissen (ARK Natuurontwikkeling) Natuurontwikkeling en Rentmeesterskantoor Van Soest de opdracht tot gebiedsontwikkeling in het GrensPark Kempen~Broek en in het > Zes ingrediënten Drielandenpark. Resultaten waren er zeer snel. 1 — Integrale aanpak Gevolg was dat andere organisaties belangstellend ARK is primair een natuurorganisatie. Wat de natuurdoelen binnen onze gebiedsontwikkelingen keken wat ARK in Limburg realiseerde, én dat de betreft gaan we dan ook voor maximaal resultaat. Provincie Brabant ons in 2013 een opdracht gaf Maar we koppelen het natuurverhaal ook aan voor gebiedsontwikkeling in de Maashorst. Is er andere maatschappelijke belangen. Door over de grenzen van sectorale belangen heen te kijken, een sleutel tot de snelle, effectieve wijze waarop dienen zich geheel nieuwe perspectieven aan. er resultaten in deze gebiedsontwikkelingen De problemen van de ene partij blijken door de ander te kunnen worden opgelost, of het nu om volgden? Het antwoord is ‘Ja, ten dele’. Een duurzaam waterbeheer, betere landbouwkavels, blauwdruk bestaat er niet, maar we kunnen wel recreatieve toegankelijkheid of aaneensluiting zes belangrijke ingrediënten beschrijven die nodig van natuurgebieden gaat. Dat verklaart voor een belangrijk deel het succes van de integrale zijn voor een succesvolle gebiedsontwikkeling. gebiedsontwikkeling die we met alle partners Hiermee hopen we anderen te inspireren het realiseren. Vooral in het Kempen~Broek werden Nationaal Natuurnetwerk verder gestalte te geven. juni 2014

27


Begin 2014 kocht ARK met de Belgische partner Natuurpunt een landbouwenclave van ruim 26 hectare midden in het natuurgebied Kempen~Broek. Hiermee kwam de sleutel tot moerasherstel in handen en ontstond de mogelijkheid voor een grensoverschrijdend begrazingseenheid van honderden hectares.

Prestatieafspraken en inspanningsverplichtingen Kempen~Broek en Drielandenpark Landbouwstructuurversterking: 163 ha landbouwgrond in het Kempen~Broek en 70 ha in het Drielandenpark krijgt een betere plek Nieuwe natuur: Verwerven en inrichten van 310 ha EHS in het Kempen~Broek en 115 ha in het Drielandenpark Natuurbeheer: • 190 ha met een kudde Taurossen beheren in het Kempen~Broek en 50 ha met Schotse hooglanders in het Drielandenpark. • Aanleg van zestien faunavoorzieningen tussen de verschillende natuurgebieden in het Kempen~Broek en vijf in het Drielandenpark. Water: • Herstel van het watersysteem en het nemen van zoveel mogelijk antiverdrogingsmaatregelen in de top gebieden van de EHS • Het oplossen van minimaal 2 hydrologische knelpunten • Herstel van 5 geeutrofieerde vennen. Inspanningsverplichtingen voor 2 kilometer beekherstel in het Kempen~Broek en 1 kilometer in het Drielandenpark. Verder nog de inrichting van 25 hectare extra waterbergingsgebied en 20 hectare natuurlijk inundatiegebied in het Kempen-Broek. Leefbaarheid: Ondersteunen van 2 rood voor groen projecten

28

juni 2014

Soortbeschermingsplannen: Het ondersteunen van (de terugkeer van) verschillende diersoorten, waarbij andere soorten meeprofiteren: otter, oehoe, kraanvogel, tauros, hazelmuis, aaseters, grote roofdieren. Landschap en cultuurhistorie: • De identiteit van het Limburgse landschap versterken door 25 gebieden te voorzien van landschapselementen • 6 informatiedragers • Minimaal 3 projecten om bewoners te betrekken bij de gebiedsontwikkeling • 1 project mensgerichte natuur • Minstens 2 grensoverschrijdende projecten • Ontwikkelen van een landgoed. Natuureducatie: Kennis en betrokkenheid van omwonenden van ARK-gebieden voor natuurontwikkeling vergroten. Recreatie en toerisme: • 2 projecten die de toegankelijkheid van het landschap bevorderen • 5 routestructuren Inspanningsverplichting voor het opzetten van 10 productmarkcombinaties en 2 vrije wandelroutes. Communicatie: Omwonenden en andere geïnteresseerden betrekken en op de hoogte houden over de gebiedsontwikkeling.


er snel resultaten geboekt met deze manier van werken. Via vrijwillige kavelruil en een grondbank wisselden ruim 650 hectare van eigenaar de afgelopen drie jaren. En daar profiteerde ook de landbouw van: naast 211 hectare nieuwe natuur in de Ecologische hoofdstructuur kreeg tegelijkertijd 134 hectare landbouwgrond een betere plek.

2 — Provincie geeft vertrouwen De laatste jaren is er flink bezuinigd op de budgetten voor natuurontwikkeling. Wel kregen provincies steeds meer regie en verantwoordelijkheid voor de realisatie van het Natuurnetwerk. In het licht van deze omstandigheden kwam het goed uit dat ARK de provincie Limburg al in 2010 voorstelde om EHS te realiseren via een integrale aanpak van gebiedsontwikkeling. Om daadwerkelijk snel en daadkrachtig te kunnen handelen, moest de provincie op hoofdlijnen durven sturen en de daadwerkelijke invulling van de gebiedsontwikkeling overlaten aan ARK en de streek. Dat vroeg dus ambtelijk en bestuurlijk een andere aanpak van de provincie: niet sectoraal maar integraal en niet vanuit controle maar vanuit vertrouwen.

3 — Financiële risico’s durven nemen Voor de gebiedsontwikkeling in Limburg en Brabant zijn vooraf prestatieafspraken geformuleerd (zie kader). Aan het eind van het programma legt ARK verantwoording af over de resultaten en ontvangt daarvoor de overeengekomen prestatievergoeding. Waar de prestaties niet gehaald worden, ligt het financiële risico dus bij ARK. Waar ARK boven verwachting presteert, ontstaan reserves waarmee die risico’s beperkt kunnen worden. In combinatie met duidelijke inhoudelijke beleidskaders en financiële randvoorwaarden weten we zo voortdurend waar we aan toe zijn en hebben we maximale speelruimte om de gewenste resultaten te bereiken. De rol van de overheid beperkt zich tot opdrachtgever die achteraf toetst. ARK vergroot het werkbudget en verlaagt het financiële risico door cofinanciering te realiseren via particulieren en andere overheden. Door bijvoorbeeld zelf partner te zijn in Europese grensoverschrijdende projecten met dezelfde doelen. Bovendien voeren we natuurcompensatie voor bedrijven en gemeenten uit en voegen daardoor nog meer hectares natuur toe. Zo wordt ook nog eens meer geld bijeen gebracht voor de ontwikkeling van de streek.

Prestatieafspraken Maashorst • Nieuwe natuur: 180 ha verwerving en inrichting van nieuwe EHS en inrichting van 58 ha al verworven EHS. Voor 54 ha agrarische ondernemers zoeken die het concept ‘Ondernemende EHS’ (zie www.zlto.nl) gaan toepassen. • Kwaliteitsimpuls Maashorst: Het realiseren van een grote begrazingseenheid en begeleiding van

omvorming van multifunctioneel naaldbos naar natuurlijk bos, ontsnippering van lokale wegen en specifieke maatregelen voor het leefgebied van soorten. • Waterdoelen: Verminderen van de verdroging door het verminderen van snelle waterafvoer en beregening uit grondwater door middel van beëindiging van het agrarisch grondgebruik in de kern. • Samenwerking: Zoeken van aansluiting bij en medewerking verlenen aan uitvoeringsprocessen in de Maashorst, ook ten behoeve van recreatie, toerisme en passende economische initiatieven. • Voorlichting en communicatie: Actieve communicatie met de streek.

4 — Snelheid als kracht (en als valkuil) Omdat de doelen bekend zijn, maar niet op perceel- of detailniveau zijn uitgewerkt, ontstaat voor ARK ruimte om kansen te grijpen. We inventariseren de wensen van agrariërs en als de ruilende partijen het eens zijn, kunnen we snel handelen. De kaders zijn immers al afgesproken en het geld is beschikbaar. Bovendien is de directeur van ARK eindverantwoordelijke en uitvoerder tegelijkertijd. We kunnen stap voor stap werken waardoor snel resultaten zichtbaar worden in het veld. Dit geeft vertrouwen bij de verkopende boeren: je doet wat je zegt. Op deze manier zijn we met vrijwel alle landeigenaren in gesprek en kunnen we binnen een jaar soms complexe kavelruilen met tientallen eigenaren en honderden hectaren realiseren. In 2010 vond de eerste vrijwillige kavelruil plaats en in maart 2014 de zesde in het Kempen~Broek. Tegelijkertijd zien we dat onze snelheid van handelen ook een valkuil is. Elke verandering heeft tijd nodig. Zeker als het om landschappen gaat waar mensen aan verknocht zijn. We betrekken omwonenden intensief bij ons werk. Hun kritische betrokkenheid houdt ons scherp. Bijvoorbeeld de aanwezigheid van Tauros runderen (een project waarmee we het oerrund terug willen fokken) in de nieuwe natuur is bij omwonenden een omstreden onderwerp. Over de balans tussen zorgvuldig omgaan met weerstand en het snel boeken van resultaten zijn we nog lang niet uitgeleerd.

5 — Feestjes vieren Door successen samen te vieren worden resultaten zichtbaar. Ook is het een uitgelezen kans om partners in het zonnetje te zetten. Terugkerende feestjes zijn de afgeronde kavelruilen. Deze vinden altijd buiten plaats. In aanwezigheid van al onze partners tekenen de deelnemers de koopovereenkomsten onder toeziend oog van de notaris. De gedeputeerde speelt een rol, maar ook de buurtvereniging staat in het zonnetje. Zo werken we gestaag aan een groeiend vertrouwen tussen zowel overheid en particulieren als tussen ruimtegebruikers in het gebied.

6 — Tijdelijke gast ARK werkt tijdelijk in, en ten dienste van het gebied. Aan het eind van de opdracht vertrekken wij. Alles is er op gericht om samen met de streek de doelen te realiseren. Gezamenlijk met omwonenden organiseren we excursies, kinderspelen, festiviteiten, verhalenboeken en veldpoorten met streeknamen die toegang geven tot onze gebieden. Dat moet er voor zorgen dat gerealiseerde natuurdoelen ook op de lange termijn geborgd zijn bij lokale overheden, terreinbeheerders, agrariërs en andere belanghebbenden in het gebied. We weten dat een project geslaagd is als anderen met veren gaan pronken.

Eigenheid van de plek Bovenstaande zes ingrediënten zijn van groot belang voor het snel behalen van resultaten. Maar het blijft maatwerk. Elk gebied heeft zijn eigen kansen en hindernissen. GrensPark Kempen~Broek bijvoorbeeld had van meet af aan hoge potenties voor de ontwikkeling van natuur: een combinatie van een uitgestrekt agrarisch landschap met een terugtrekkende landbouw en grote kansen voor bijzondere natuur. Een grensoverschrijdend gebied bovendien, met weinig bestaande organisatiestructuren. Hoe anders was de beginsituatie in de gemeenten Vaals en Gulpen-Wittem in het Drielandenpark. Een hooggewaardeerd, kleinschalig cultuurlandschap in het druk bevolkte, uiterste zuiden van ons land. Het realiseren van robuuste natuurgebieden krijgt in een dergelijk landschap een andere betekenis. Bovendien was de laatste kavelruil hier net achter de rug, waardoor de grondmobiliteit een stuk minder is dan in het Kempen~Broek. In het Brabantse gebied de Maashorst (tussen Uden en Oss) is het juist weer de uitdaging om de natuurontwikkeling in te vlechten in al bestaande programma’s en overlegstructuren. Hier moeten we aan de streek veel meer duidelijk maken wat onze toegevoegde waarde is. We hopen met ons werk andere partijen te inspireren om de handschoen op te pakken. Want particuliere organisaties kunnen met behulp van bovenstaande ingrediënten en goede afspraken met de provincie over geldstromen, succesvol het stokje overnemen van de overheid om samen het Nieuwe Natuurnetwerk te realiseren. En het is nog leuk ook!< liesje.floor@ark.eu

juni 2014

29


juridica 

 agenda 

Groene decentralisatie: verschillen leiden tot geschillen We leven weer in tijden van decentralisme. In diverse beleidssectoren treedt de rijksoverheid terug en wordt er gedecentraliseerd naar gemeenten of provincies. Je ziet dat in de zorgsector, de cultuursector en nu dus ook in de natuursector. We leven staatsrechtelijk gezien in een hybride gedecentraliseerde eenheidsstaat. Onze Grondwet hinkt op twee gedachten en gaat uit van zowel centralistische eenheid als decentrale autonomie en altijd zal er dus een slingerbeweging zijn van decentralistische tijden naar meer centralistische tijden en vice versa. Ruim dertig jaar geleden begon ik als jong wetenschappelijk medewerker aan de vakgroep Staatsrecht van de juridische faculteit van de Universiteit van Amsterdam met hoorcolleges en onderzoek over juist dat vakgebied van decentralisatie. Toen zaten we ook in een decentralistische spiraal. Mijn proefschrift uit 1989 ging over dit fenomeen van decentralisatie naar gemeenten. De nadelen zijn altijd dezelfde: uit jurisprudentie blijkt al gauw dat er expertise ten gemeentehuize ontbreekt. Er worden repeterende fouten gemaakt, vooral door de kleinere gemeenten. Het natuurbeleid zal evenwel voornamelijk naar de provincies worden gedecentraliseerd. Daar zit gelukkig wel goede expertise, dus dat zal wel meevallen, maar een ander klassiek probleem van decentralisatie speelt echter ook bij provinciale decentralisatie. Decentralisatie leidt namelijk altijd tot verschillen: 400 gemeenten of 12 provincies met ieder hun eigen uitvoering en (beleids)regels. Elke jurist weet: meer verschillen leiden tot meer geschillen.

“Elke jurist weet: meer verschillen leiden tot meer geschillen” Decentralisatie gaat altijd ten koste van rechtseenheid en rechtsgelijkheid. Burgers, milieufederaties, natuurorganisaties, LTO, waterschappen en andere mede-overheden zullen zich afvragen waarom bijvoorbeeld Gelderland het anders doet dan Utrecht of Overijssel en zullen de gang naar de bestuursrechter maken. Democratie maakt in zo’n situatie meer en meer plaats voor een rechters-democratie: dat heet een dikastocratie. Ik dacht juist dat we dat in ons groene metier niet wilden: geen verdere juridisering... 30

juni 2014

Ooit zal de roep om centralisatie en rechtseenheid weer de kop opsteken. Meestal zijn we dan weer zo’n vijftien jaar verder. Je kunt het natuurbeleid van 2030 al een beetje voorspellen. Meer rechtseenheid dus, maar ik denk wel één waarbij we niet meer rigide vast (kunnen) houden aan de huidige nee, tenzij-toets aan vaste instandhoudingsdoelstellingen (Natura 2000) of wezenlijke kenmerken en waarden (EHS cq. nieuwe natuurnetwerk). De nieuwe centralisatie gaat dan inmiddels al zover dat zelfs ook de EU (centralistischer kan haast niet) aan ruimtelijke ordening gaat doen.

“Ik dacht juist dat we dat in ons groene metier niet wilden: geen verdere juridisering...” Tot nu toe is er van ruimtelijke ordening vanuit Brussel nog niet echt sprake. Ruimtelijke ordening is nu nog bijna exclusief iets voor de lidstaat en hun decentrale overheden, maar in 2030 niet meer en natuur zal deel van die nieuwe ruimtelijke ordening uitmaken. Dat zie je in wezen nu al bij het vorig jaar door de EU geïntroduceerde concept van Green Infrastructure (GI).1 Dit Brusselse GI-beleid pleit voor meer duurzame functiecombinaties en een balans van ecosysteemdiensten, vooral ook in het buitengebied (‘multi-functional zones’ in plaats van ‘single-focus developments’).2 Nu al hoor je ook bij ons kreten als dealmaking, planologie zonder plan en een nee, tenzij vervangen door een ja, en-regime. Dat zal inderdaad verder doorzetten. In plaats van de oude habitattoets of EHS-toets zullen zowel burgers als overheden aan eisen van zorgvuldigheid en duurzaamheid moeten voldoen. Dat heet in jargon al due diligence en bosbouwers kennen die Brusselse term nu al uit de EU Houtverordening van vorig jaar: een stelsel van zorgvuldigheidseisen bestaande uit documentatie, risicoanalyse en risicobeheersing. Wie ziet op die due diligence toe? De lidstaat ofwel de ‘systeemverantwoordelijke’ centrale overheid, want de slingerbeweging is dan weer aangeland bij centralisatie. Het komt allemaal wel goed, maar we moeten dus eerst door zo’n vijftien jaar van dure rechterlijke geschillen heen bijten. Fred Kistenkas Wageningen UR

1

Zie het officiële EU-beleidsstuk COM(2013)249 te vinden op http:// ec.europa.eu/environment/nature/ecosystems/

2 Zie een korte samenvatting in: S. Borgström en F.H. Kistenkas, The compatibility of the Habitats Directive with the novel EU Green Infrastructure policy, European Energy and Environmental Law Review (EEELR) 2014-23, p. 36-44.

16 mei tot 10 augustus De cyclische natuur van materialen, plekken en ideeën. Tentoonstelling over hout. www.hetnieuweinstituut.nl/hout 25 mei tot 21 september. Landschapstriënnale in dynamisch landschap www.landschapstriennale.nl 3, 10 september + 1 dag Basiscursus Bosbeheer www.bureauschulting.nl 1, 8 oktober + 1 dag Cursus Bosdunning www.bureauschulting.nl of www.swartadvies.nl 15 en 22 oktober Basiscursus Houtmeten voor Verkoop en Inventarisatie www.bureauschulting.nl 29 oktober, 5 november + 1 dag Cursus Verzorging van Jong Bos www.bureauschulting.nl of www.swartadvies.nl

de NATIONALE BOSBOUWQUIZ donderdagmiddag 30 oktober 2014 - save the date! Heb je verstand van bos en bosbeheer? Ben je een echt vakmens, of wil je dat graag worden? Toets je kennis en leer van de antwoorden in de Nationale Bosbouwquiz. Na het succes in het jubileumjaar 2010 gaat deze quiz dit jaar op herhaling! Houdt de datum vrij en denk alvast na over de samenstelling, de naam en het motto van jouw team van maximaal 5 personen. De inschrijving zal zo spoedig mogelijk geopend worden. Nadere info over deelname en de opzet van de quiz volgt binnenkort op www.knbv.nl.


¿praktijkraadsel? 

foto’s Leen Moraal

a. Ja, het is duidelijk een gevalletje good-old Wilgenhoutrups (Cossus cossus) die het wat hogerop heeft gezocht. Zo kan je helaas niet de niet de bitterzoete alcohollucht ruiken [die voormalig HBCS houtteeltdocent Willem Meijerink zo goed uit eigen ervaring kon beschrijven], maar zo lekker is dat ook nu weer niet.

c. Nee, het is een kever die nauw verwant is aan de Oost-Aziatische boktor: Aziatische boktor (Anoplophora glabripennis). De Oost-Aziatische boktor voelt zich meer thuis in de onderkant van de stam en de Aziatische boktor huist juist hoger in de boom. Daardoor valt een besmetting met de Aziatische boktor niet altijd op.

b. Nee, het is helemaal geen vlindersoort, maar een buitenlandse keversoort. De C. cossus heeft een duidelijke voorkeur voor populier, wilg en eik, en dit dier hier zit op en in een esdoorn! Het is dus zeker weten een OostAziatische boktor (Anoplophora chinensis). Dat is zo’n beest dat met verpakkingsmateriaal uit China is meegekomen.

d. Ach welnee; het is gewoon een vorm van een bacteriekanker die je ook zo vaak bij slecht groeiende es ziet, of populier; zoiets van Pseudomonas of Xanthomonas of iets dergelijks. Jammer maar helaas. Klimaatsverandering hè, zo krijg je steeds nieuwe ziektes. Zet de zaag er maar in.

Hoewel de Oost-Aziatische boktor nog niet vast in Nederland voorkomt zijn er meerdere waarnemingen bekend. De eerste signaleringen waren in juni 2008 te en juli Enschede. In november 2010 werden in Nederland voor het eerst sporen van A. glabripennis aangetroffen in een inheemse boom: in Almere Buiten werden meer dan een dozijn uitvlieggaten gesignaleerd. In juli 2012 zijn zeven volwas-

Antwoord Exoten: een bijzondere uiting van het Wereld Wijde Natuurnetwerk. Deze Aziatische boktor is, want dat is ‘m, antwoord c, evenals de Oost-Aziatische boktor, een quarantaine-organisme dat in Richtlijn 2000/29/ EG, de Fytorichtlijn, is ingedeeld in de hoogste risicocategorie. Deze boktor kan aanzienlijke schade aanrichten aan loofbomen en struiken en vormt daarmee een wellicht grote bedreiging voor de groene ruimte. Daarnaast vormt de boktor een risico voor de teelt en handel in boomkwekerijproducten. Op grond van de Fytorichtlijn

bestaat de verplichting om bij een vondst van deze boktor maatregelen te treffen gericht op uitroeiing en de Europese Commissie daarover te informeren. Natuurlijk is er een Protocol.

Het leven van een beetje bomendokter gaat niet over rozen (grapje). Nee, het gaat over houtige gewassen, en daar is soms nog wel wat onduidelijk. Als u VTA (Visual Tree Assessment)inspecteur bent dan moet je toch in een flits weten wat dit is. Een flinke database van schadebeelden paraat hebben is dan erg voordelig. Even testen of u hier aanleg voor heeft: wat zien wij hier?

Renske Schulting en Ido Borkent, en met dank aan Leen Moraal.

juni 2014

31

De levenscyclus van deze boktorren - van eitje, via larve tot boktor - is ongeveer 3 jaar. Maar om nu te zeggen dat de besmetting zwaar doorzet: we horen er weinig meer over. Die grote bedreiging voor de groene ruimte valt dus wel mee. Aan ons Nederlandse natuurnetwerk heeft de soort niet veel, blijkbaar. Een geluk bij een ongeluk. En trouwens: bent u geslaagd? sen exemplaren aangetroffen in Winterswijk.


ontwikkeling+beheer natuurkwaliteit

+nieuwsbrief zomer 2014

De laatste sperwers en terminale zomereiken Sperwer, mannetje

foto Eddy Kuis

Aminozuren in de voedselketen

Het gaat niet goed met de bossen op arme zandgronden: de roofvogelstand is in elkaar gezakt en bomen sterven. Wat is hier aan de hand? Langjarig OBN-onderzoek naar de voedselkwaliteit en biodiversiteit in bossen van de hoge zandgronden heeft een tipje van de sluier opgetild. Op een veldwerkplaats aan de rand van Ede laten beheerders zich informeren. Gretig volgen zij de onderzoekers. Wat zij vooral willen weten: hoe red ik mijn bos? Een twintigtal bruingroen geklede mensen loopt in ganzenpas door een jong bosperceel aan de stadsrand van het Edese Bos. Voorop Arnold van den Burg. Al sinds 1989 volgt hij hier de sperwers. Af en toe stopt de onder-

I

zoeker van Stichting Biosfeer en legt uit hoe de sperwers het bos gebruiken. “Hier staan we midden in het sperwerterritorium. Daar zien we weinig van, behalve dit verregende poepje.” Hij wijst naar de witte klodder voor zijn voeten. “Dat is ook precies waar ik op let als ik in het voorjaar sperwers zoek. Om je heen zie je wat oude sperwernesten. En daar, in die den, broedt ie nu. Het vrouwtje zit op het nest, het mannetje jaagt.” De vogelaars in de groep hadden zijn schelle roep al gehoord. “Dit soort bossen zijn uitermate geschikt voor sperwers: de bebouwde kom is dichtbij, daar kunnen ze in het voorjaar goed mussen vangen; in de zomer hebben ze in het bos een makkelijke prooi aan de mezen die dan uitvliegen, en de boomklevers, boomkruipers, appelvinken en groenlingen. Ik vind ze allemaal geplukt onder deze bomen terug.”

Met de voedselvoorziening in dit stuwwalbos zit het wel goed, had Van den Burg ’s morgens in zijn lezing al verteld. Heel anders is de situatie in het stuifzandbos. Daar vond hij dat sperwers problemen hebben bij de eiproductie, omdat bepaalde aminozuren (bouwstoffen van eiwitten) in hun voedsel ontbreken. Deze noodzakelijke aminozuren, die sperwers zelf niet kunnen maken, worden door bomen en andere planten geproduceerd. Ze moeten via rupsen en zangvogels een weg door de voedselketen afleggen om in de maag van de sperwer te belanden. En met de aminozuurproductie van eiken in stuifzandbossen is het flink mis, constateerden Van den Burg en medeonderzoekers van De Vlinderstichting, Alterra en Stichting Bargerveen. Als gevolg van de verstoorde aminozuursamenstelling van het eikenblad ontwikkelen rupsen zich slecht op de bomen en valt er voor rupsenetende vogels een belangrijke voedselbron weg. Het effect daarvan konden de onderzoekers meten bij koolmees en bonte vliegenvanger (aan vitamine B2-beschikbaarheid). Het effect is ook te zien aan de eiken zelf: rupsenplagen blijven uit.

Humushapper Verderop, in een oud beukenbos, duwt Rein de Waal (Alterra) met kracht zijn humushapper in de grond. Met dit apparaat kan hij een verticale plak uit de bodem nemen. Heel handig, want aan zo’n bodemmonster kan de bodemkundige meten en analyseren. Zijn aandacht is vooral gericht op het laagje fijn verteerd materiaal, direct onder het nog onverteerde strooisel. “Dit is een rijkere variant in de armere wereld. Aan de uitloging zie je dat hier al enigszins verzuring is opgetreden, wat een natuurlijk proces is. Een goed ontwikkeld moderprofiel houdt de pH constant, het zorgt dat de nutriënten en basen in de


Eiken staan op instorten Een uur later staat de groep in een open ontginningsbos op stuifzand, onder grove den, lariks en vrijwel bladloze zomereik. Van den Burg: “Hier moet ik de eerste sperwer van dit jaar nog vinden. Het laatste lokale broedpaar stamt uit 1991. Om je heen zie je de problemen met eiken ontstaan. De bladschaarste wordt niet veroorzaakt door rupsen – die willen hier niet vreten– maar door eikensterfte. Het staat hier op instorten.” Terwijl mensen zich in regenpakken hullen vertelt hij dat B-ware onderzoek deed naar eikensterfte: “De conclusies sluiten goed aan bij onze onderzoeksresultaten: de weerbaarheid van de bomen is sterk afgenomen door een combinatie van mineralenarmoede en stikstofdepositie. Eikensterfte en het voedselkwaliteitprobleem komen dus voort uit dezelfde oorzaken. Bodem speelt daarbij een erg belangrijke rol; vergelijk dit bos maar met waar we zojuist waren.” Ter verhoging van de sfeer wordt het nog donkerder dan het al was, regen klettert naar beneden en de bliksem dondert dichtbij.

te grijpen, zoals bij het vorige excursiepunt, noemt hij het afvoeren van stikstof zinvol. “Maar het heeft wel consequenties, omdat je ook allerlei mineralen afvoert. Die moet je dan weer compenseren.” Dat geldt volgens hem eigenlijk ook bij de afvoer van hout. Bemesting met steenmeel zou goed kunnen werken, zegt Van den Burg, omdat de mineralen geleidelijk beschikbaar komen. Maar er is nog nauwelijks ervaring mee. Hoeveel heb je nodig, hoe ga je het opbrengen? Ook hierbij zal je de bodem moeten analyseren voordat je materiaal gaat inbrengen. De complexiteit van het probleem bemoeilijkt ook het beleid in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Is het maken van een kapvlakte een oplossing, inclusief het afvoeren van strooisel en vervolgens bemesten, wordt gevraagd. Dus weer helemaal opnieuw beginnen? “Het kan wel”, is de reactie, “maar dan ben je ook echt alles kwijt.” De Waal is sceptisch: “Een oud humusprofiel heeft een geweldige buffer tegen stikstof. Wees daar zuinig op.” Van Duinen merkt dat de beheerders niet goed weten waar ze aan toe zijn: “Terreinen zijn verschillend en er is niet één recept dat in elke situatie werkt.” Hij raadt ze aan om samen op te trekken en, als zij concrete locaties voor ogen hebben, samen met onderzoekers een experiment op te zetten en uit te voeren. “En doe vooronderzoek: hoe zit het met de mineralen in de bodem, hoe is de humus? Je moet goed nadenken voordat je begint. Er valt voor ons allemaal nog veel te leren.” [HvdB]

foto Hans van den Bos, Bosbeeld

humusvormen gevangen blijven.” Al eerder had De Waal zijn publiek uitgelegd hoe belangrijk de humuslaag is voor het functioneren van het bosecosysteem: het is het milieu waarin bodemorganismen leven en planten wortelen. De vorm waarin de humus voorkomt vertelt veel over factoren als verzuring, verdroging en eutrofiëring. De Waal oordeelt positief over wat hij hier aantreft. Al kan hij zich voorstellen dat je hier toch wat boomsoorten inbrengt waarvan het strooisel beter verteert. “Dan is de verzuring goed oplosbaar. Hazelaar zou hier een uitstekende soort zijn om de nutriënten meer in de bovenlaag te houden.” Van den Burg kijkt naar het zomereikenblad boven ons hoofd: “Dat is goed te eten, de voedingsstoffen komen goed de voedselketen in. Het is op deze plek niet optimaal, maar door de mineraalrijkdom van deze bodem zorgt de hoge stikstofdepositie nog niet voor een onbalans – anders dan het bos dat we straks gaan bezoeken.”

Voor meer informatie: rapport OBN186-DZ bsp@upcmail.nl (Arnold van den Burg) Voor meer informatie over de veldwerkplaatsen en agenda: zie veldwerkplaatsen.nl

Maatregelen

foto Hans van den Bos, Bosbeeld

Op het laatste excursiepunt, een structuurrijk gemengd bos op stuifzandduintjes, worden we weer wat vrolijker. Het bos lijkt hier zo beroerd nog niet en zelfs de zon laat zich af en toe zien. De deelnemers willen meer horen over maatregelen om de terugloop van de biodiversiteit in bossen tegen te gaan. GertJan van Duinen, onderzoeker bij Stichting Bargerveen: “In bossen waar het nog redelijk functioneert moet je niet ingrijpen; en zeker in bossen met natuurfunctie, zoals hier, heb je grote kans dat je meer kapot maakt dan je wint. Alleen het plaatselijk inbrengen van boomsoorten met goed verterend strooisel, zoals winterlinde, geeft weinig risico.” In situaties waarin je genoodzaakt bent om in +nieuwsbrief zomer 2014

II


foto Michiel Wallis de Vries

Drukbegrazing en chopperen

Pijpenstrootje is op veel plaatsen een groot probleem bij het herstel van soortenrijke natte heide. Wat doe je als beheerder om de dominantie van dit gras te doorbreken? Plaggen is effectief, maar heeft belangrijke nadelen. Dat bleek al uit onderzoek in het droog zandlandschap. Nu zijn in het natte zandlandschap alternatieven voor plaggen onderzocht.

nog niet te geven - daarvoor liep het beheerexperiment te kort. Hij hoopt dat het team over enkele jaren een nieuwe effectmeting uit mag voeren. Dan kan hij ook met meer zekerheid zeggen of aanvullende bekalking inderdaad zinvol is, zelfs als de vegetatie niet geplagd is – zoals nu lijkt. Hij constateerde na twee jaar een verbetering van de buffercapaciteit en nauwelijks tekenen van verruiging. Op basis van het korte onderzoek heeft hij voorlopige aanbevelingen voor herstelbeheer van vergraste natte heide: plaggen blijft zinvol voor kleinschalige, gerichte toepassing; drukbegrazing (de minst ingrijpende maatregel) kan ook op grotere schaal worden toegepast, mits gespreid in ruimte en tijd. Chopperen zit daar tussenin. In het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) is de voorlopige conclusie dat chopperen net als plaggen een flinke reductie van de stikstofvoorraad teweeg brengt, maar dat bekalking nodig is om de ammoniumpiek teniet te doen. Drukbegrazing zorgt waarschijnlijk voor een lichte netto-afvoer van stikstof, maar vooral voor indirecte effecten op de nutriëntenhuishouding via vraat, mest en betreding. Ook hier kan lichte bekalking mogelijk positieve effecten teweeg brengen.

Jubileumsymposium OBN ‘Kennis maken voor Natuurkwaliteit’ In 2014 bestaat het OBN-kennisnetwerk 25 jaar. Dat is een goed moment om terug te blikken op de bijdrage van OBN aan natuurherstel en -beheer in Nederland. Het is ook een goed moment om, samen met de bestaande en nieuwe partijen die OBN dragen, vooruit te kijken naar de actuele opgaven rond natuurkwaliteit en de rol die kennis hierin kan spelen. Dit willen we doen tijdens een symposium waarin ‘kennis maken’ en ‘kennismaken’ voor natuurkwaliteit centraal staat. Het symposium vindt plaats op donderdagmiddag 26 juni bij de Boerinn te Kamerik. Aanmelden: www.natuurkennis.nl/aanmelden Informatie over de inhoud en het programma vindt u op de website www.natuurkennis.nl.

Alternatieven voor plaggen Uit eerder onderzoek is veel bekend over de negatieve gevolgen van grootschalig plaggen voor herstel van biodiversiteit. Zoals afvoer van een groot deel van de zaadvoorraad; afvoer van of schade aan de fauna; afvoer van organisch materiaal met negatieve effecten op het bufferend vermogen; nivellering van het microreliëf; verhoogde N/P-verhouding en een verslechterde vochthuishouding. Mede hierdoor kwamen bij beheerders alternatieven als drukbegrazing (intensieve vorm van begrazing waarbij een vergraste vegetatie in korte tijd volledig wordt afgegraasd) en chopperen (verdiept maaien waarbij ook (deel van) strooisellaag wordt afgevoerd) in de aandacht. Dit beheer is minder verstorend voor de bodem. Maar de effecten hiervan zijn nog nauwelijks onderzocht.

Veldexperiment In een veldexperiment vergeleek een team onderzoekers van B-WARE, Stichting Bargerveen en De Vlinderstichting herstelbeheer door plaggen met de alternatieven chopperen en drukbegrazing. Samen met beheerders voerden zij in vier terreinen een proef uit met de vegetatiebehandelingen chopperen, plaggen, drukbegrazing en niet-ingrijpen (ter controle). Elke behandeling werd met en zonder een lage dosis bekalking onderzocht. De onderzoekers volgden vervolgens de effecten op de bodemchemie, planten (inclusief paddenstoelen) en fauna.

Bekalking Projectleider Michiel Wallis de Vries van De Vlinderstichting is voorzichtig positief over de resultaten. Een definitief oordeel over de effectiviteit van de maatregelen durft hij op basis van dit onderzoek

III

+nieuwsbrief zomer 2014

Gescheperde schaapskudde De cofinanciering van de provincie Friesland, in verband met hun wens de effecten van de gesubsidieerde gescheperde schaapskuddes nader te evalueren, leverde dit project twee extra proeflocaties op en ook veel waardevolle, deels nieuwe, inzichten. Wallis de Vries: “Er wordt in de natuurbescherming weliswaar veel gesproken over drukbegrazing met gescheperde kuddes, er wordt in de praktijk ook steeds meer mee gewerkt – en gesteggeld over de kosten – maar in de wetenschappelijke literatuur is gek genoeg niets te vinden over de effecten van deze beheersvorm. Hooguit als het gaat om zaadverspreiding. Die lacune hebben wij dankzij Friesland enigszins kunnen dichten. Ook de herders zijn blij dat ze nu met een steviger verhaal de effec-ten van hun werk kunnen aantonen.” Cofinanciering was er ook van de provincie NoordBrabant, door samenwerking met het project ‘Begrazing in Noord-Brabant: evaluatie van uitvoeringsmaatregelen’ (2011-2012).

Brochure bescherming tapuit

Heeft Wallis de Vries een voorkeur voor een bepaalde methode? “Bij verjonging van klokjesgentiaan of snavelbiezen heeft plaggen wel bewezen dat het effect heeft, zeker als je in verzuurde situaties ook bekalkt. Maar plagplekken van een paar honderd vierkante meter -zoals ik ze vaak zie- vind ik te groot; tien zou beter zijn. Daarom zie ik bij herstelbeheer van een groot terrein het liefst drukbegrazing op een grote oppervlakte gecombineerd met lokaal kleinschalig plaggen en iets minder kleinschalig chopperen (circa honderd vierkante meter).” [HvdB]

Vogelbescherming publiceerde een informatieve en rijk geïllustreerde brochure over bescherming van de sterk bedreigde tapuit, een van de karakteristieke vogels van duin en hoge zandgronden. De uitgave Toevlucht voor de tapuit is bedoeld om terreinbeheerders, natuurbeschermers en andere geïnteresseerden handvatten te geven voor effectief beheer van het leefgebied van de tapuit. De publicatie is voor een belangrijke deel gebaseerd op recent OBN-onderzoek van Stichting Bargerveen en SOVON. OBN leverde ook een bijdrage aan de totstandkoming van deze uitgave.

Voor meer informatie: rapport OBN191-NZ michiel.wallisdevries@vlinderstichting.nl

Gratis te bestellen via info@vogelbescherming.nl.


Handvatten voor bedreigde soorten in nat zandlandschap

foto Jaap Bouwman

Vooral soorten aan de minst vochtige kant van het natte zandlandschap – zoals de levendbarende hagedis – profiteerden tot nog toe weinig van herstelbeheer.

Ondanks herstelmaatregelen hebben veel planten en dieren van natte heide, venen en vennen het moeilijk. Het is in veel gevallen gissen naar de oorzaken van achteruitgang. Een recent onderzoek bracht veldervaring en kennis van terreinbeheerders en soortspecialisten bij elkaar. Met als resultaat praktische aanbevelingen voor het oplossen van veelvoorkomende knelpunten. “Je ziet het overal, dat na maatregelen bedoeld om het systeem vooruit te helpen, naast soorten die goed reageren er ook een aantal soorten zijn die het níet goed doen”, zegt projectleider Gert-Jan van Duinen, van Stichting Bargerveen. “Dat was voor ons aanleiding om te kijken naar de soorten die het meestal niet goed doen.” Bargerveen deed het project samen met De Vlinderstichting en de Unie van Bosgroepen. De onderzoekers brachten veel kennis bij elkaar, uit de literatuur, van inventarisaties en door te praten met ervaren terreinbeheerders en deskundigen die de soorten goed kennen. Op basis hiervan formuleerden zij hypothesen die zij in een aantal terreinen hebben getoetst.

Gradiënten “Bij herstelbeheer is er veel aandacht voor het systeem, maar is er ook voldoende aandacht voor de soorten”, vraagt Van Duinen zich hardop af: “Beheerders zijn vooral bezig om de systemen te herstellen, en hopen dat ze zó ook de soorten helpen. Wij denken dat het voor herstel van soorten vaak nodig is om aanvullende maatregelen te nemen – die overigens goed passen bij herstel van het systeem. We zien vaak dat dit vergeten wordt, of dat misschien de kennis ontbreekt. Een voorbeeld: de natuurterreinen die we hebben in het hoogveen- of heidelandschap zijn vaak de restanten van de meest

voedselarme en meest zure delen van het vroegere landschap. Echter veel karakteristieke soorten van deze landschappen hebben voor hun levenscyclus juist overgangen nodig. Dit komt in het terreinbeheer te weinig aan bod. Omdat de meer voedselrijke elementen er niet meer zijn, of omdat de beheerders zijn gericht op verschalen.” Hij pleit voor het koesteren van de gradiënten. Door te zorgen dat je niet alleen de meest arme delen van het landschap in stand probeert te houden.

Voedselkwaliteit Dat brengt hem vanzelf op het aspect van de voedselkwaliteit. Van Duinen: “We kennen veel natuurgebieden op arme zandgronden waar door verzuring mineralen versneld zijn uitgespoeld – denk aan heide. Vroeger waren daar keuterboertjes actief met akkertjes die ze bemestten. Zo had je ook in de voedselarme landschappen plekken die wat rijker waren aan mineralen. Nu zou je als tegenwicht voor de verzuring misschien mineralen moeten inbrengen om de balans weer te herstellen. Al moeten we hier voorzichtig mee omgaan; er zal nog kennis voor ontwikkeld moeten worden. Maar ik denk dat hier veel winst te halen valt.” Bovenstaande en nog veel meer praktische aanbevelingen zijn te lezen in het rapport. Bijzondere aandacht verdienen de 7 handvatten voor een goede omgang met bijzondere soorten in het terreinbeheer. Deze systematische wijze van aanpak, van denken in kwaliteiten en beheer van systemen heeft een veel bredere strekking dan alleen het natte zandlandschap. Alle terreinbeheerders zouden de handvatten moeten kunnen dromen. Ook het beleid kan met deze studie zijn voordeel doen. [HvdB]

Nieuwe rapporten N-opslag in organische stof bij hoge N-depositie in kalkrijke en kalkarme duinbodems. OBN189-DK Drukbegrazing en chopperen als alternatieven voor plaggen van natte heide; effecten op korte termijn en evaluatie van praktijkervaringen. OBN191-NZ

• Rapporten kunt u gratis bestellen via info@vbne.nl onder vermelding van de rapportcode. • De OBN-rapporten zijn bovendien als pdf te downloaden van www.natuurkennis.nl Op deze website vindt u daarnaast informatie over de uitvoering van beheermaatregelen in de diverse landschappen. • Op www.natuurportal.nl vindt u een krachtige zoekmachine om specifiek op natuuronderwerpen te zoeken.

colofon De o+bn nieuwsbrief is een uitgave van het Bosschap. Een pdf-versie vindt u op www.natuurkennis.nl. Redactie

Hans van den Bos, Mark Brunsveld,

Wim Wiersinga

Redactie-adres Bosschap

Postbus 65, 3970 AB Driebergen

info@vbne.nl Lay-out

Voor meer informatie: rapport OBN187-NZ g.vanduinen@science.ru.nl

Aukje Gorter grafisch ontwerper

Druk

Senefeleder Misset, Doetinchem

+nieuwsbrief zomer 2014

IV


Ook zo enthousiast over Vakblad Natuur Bos Landschap? Word nu abonnee! bel 0317 466 439 of mail naar mail@vakbladnbl.nl

Vnbl juni2014 def  
Vnbl juni2014 def  
Advertisement