Issuu on Google+

Koen Broucke In residence

cultuurcentrum Hasselt


Koen Broucke In residence

cultuurcentrum Hasselt


02


Koen Broucke Versnipperde wegen naar absolute schoonheid Lotte De Voeght

Kunstenaar Koen Broucke is in de eerste plaats maker van beelden. Zijn schilderijen en tekeningen worden neergezet in een typische stijl, getemperd door een nachtelijke sfeer, met diepe soms dreigende kleuren, maar ook hoopvol en getuigend van een wilde, opgewekte levendigheid. Ze maken deel uit van een fascinerend universum en meanderende narratieve structuren. Als scenograaf bouwt Broucke aan complexe ensembles waarin beelden, literaire elementen, performances, muziek en beweging versmelten. Ze zijn opgebouwd binnen een caleidoscoop van fictieve personages die worstelen met het kunstenaarsschap en rondwarend tussen de lijnen van de canon de kunstwereld en –geschiedenis bevragen. Maar ook los van deze verzonnen constructies kan Brouckes beeldende werk autonoom op zichzelf staan.

Atelier Broucke, Boechout 2011 (© Koen Broucke)

waar tekentafels en kasten niet alleen schildersmateriaal herbergen maar ook exotische objecten, curiosa, stenen, hertengeweien of een verzameling bustes van componisten, worden de wanden ingepalmd door een enorme bibliotheek en een indrukwekkend tijdschriftenarchief. Broucke is continu op zoek naar nieuwe beelden die onwillekeurig verrassende associaties oproepen en zo een basis vormen voor zijn beeldende werk.

Een nieuwe esthetica en het plezier van het ambacht

Brouckes schilderijen herinneren aan de ‘nocturnes’ uit de laatnegentiende-eeuwse romantiek. De levendige structuur van de donkere ondergrond trilt mee doorheen de bovenste verflagen. Daardoor lijken de schilderijen te zinderen onder een woeste dynamiek. Fosforescerende lichamen bewegen over duistergrijze achtergronden. Vurig oranje gloeit op tegen elektrisch diepblauw. Kleuren pulseren, vibreren en interageren met en door elkaar. Ondanks de altijd aanwezige donkerte is Brouckes werk niet neerslachtig. Het veroorzaakt hoogstens een vaag gevoel van onbehagen, zonder rauw

De wereld van Koen Broucke is doordrongen van een overdonderende esthetica. Zijn zoektocht naar schoonheid is de stuwende kracht achter zijn artistieke praktijk. In een ritmische stroom van tekeningen en schilderijen jaagt Broucke een eigen poëzie na. Een poëzie van het alledaagse, vermomd als atypische en soms bevreemdende werken. Hij vertrekt vanuit een aparte esthetica, herkenbaar en toch ongrijpbaar. In atelier Broucke, een Wunderkammer middenin een uitbundige tuin, een microkosmos

03


rijen ziet hij als werkinstrumenten, die pas later functioneel kunnen worden, naargelang het verhaal waarin ze zullen figureren. Sommige worden uitvergroot op canvas, andere worden gescand en als een animatie geprojecteerd in slideshows, waar ze in elkaar overvloeien en leven, ritme en beweging suggereren.

of grimmig te zijn. Een zweem van ironie en frivole dubbelzinnigheid brengen letterlijk en figuurlijk een muzikale lichtheid in zijn werk. Deze muzikaliteit komt voort uit Brouckes puur intuïtieve en hedonistische manier van schilderen. Hij schildert ogenschijnlijk eindeloze herhalingen en sequentiële reeksen waarin hij onuitputtelijk experimenteert met variaties op details. Het is een ontdekkingstocht waarbij elk werk een unieke schakel vormt naar het volgende. In dit zoeken, aftasten en worstelen met het onbekende liggen voor Broucke het plezier en de bezetenheid van het ambachtelijke schilderen. Veel aandacht gaat hierbij naar het gebaar, het performancegehalte dat toeval en beweging in het werk brengt. Het opwekken en vastleggen van beweging is bijvoorbeeld het leidmotief in de serie Carpet (2008).

De romantische verbeelding van mens en natuur Niet alleen stilistisch, maar ook thematisch staat het leven centraal in Brouckes werk. Wat hij schildert is doorleefd en volledig versmolten met zijn dagelijkse omgeving. Wat niet wil zeggen dat hij de grotere thema’s uit de weg gaat. De existentiële strijd van de mens tussen het innerlijke leven en de buitenwereld of de raadselachtige kracht en schoonheid van de natuur schemeren doorheen zijn werk. Ook inhoudelijk lijkt Brouckes werk daarmee aan te sluiten bij de romantiek. Vanuit een subjectieve gevoelswereld wekt hij de verbeelding tot leven. Zijn schilderijen zijn suggestief en gefilterd waardoor ze, afgezonderd van de reeks waarvan ze deel uitmaken, abstract en soms moeilijk leesbaar zijn, maar waardoor ze ruimte laten voor uitdijende interpretaties en onverwachte perspectieven.

Broucke schetst hier fragmenten na uit de video van een performance waarbij een danser de kunstenaar in bedwang probeert te houden onder een Perzisch tapijt.

Broucke heeft aandacht voor wat zich in de marge van de menselijke ratio afspeelt en licht datgene uit wat anders in de schaduw blijft. Hij activeert de zintuigen van zijn toeschouwers, zoals in de performance Bach aan het einde van de nacht (2009).

De routineuze handeling van het schilderen geeft Broucke de ruimte om vrije associaties te maken en nieuwe gedachten te ontwikkelen. De reeksen tekeningen en schilde-

04


The Carpet, acryl op papier, 18 x 25 cm, 2008

05


Bach aan het einde van de nacht (met Sylvia Traey), Landscommanderij, Alden Biesen, 2009 (© Jean-François Van Mullem)

Bach aan het einde van de nacht (met Sylvia Traey), Kasteel Den Bocht, Willebroek, 2009 (© Koen Broucke)

Bach aan het einde van de nacht (met Sylvia Traey), Landscommanderij, Alden Biesen, 2009 (© Jean-François Van Mullem)

06


7 Schetsboek W&N, pagina 64, 21 x 29,7 cm, 2007


Maar ook menselijke lichamen en hun onderlinge interactie zijn prominent aanwezig in het werk van Broucke. Gedurende jaren bestudeerde hij de lichaamstaal van hedendaagse pianisten en virtuozen uit de negentiende eeuw. Bijzondere aandacht ging daarbij naar de unieke persoonlijkheid van Franz Liszt, van wie de fabelachtige en sensationele verschijning in tal van spotprenten werd gevat. Liszt duikt op in meerdere performances van Broucke, zoals in Ik brand en ben van ijs (2008), waarbij live concerten gecombineerd worden met projecties van uitvergrote schilderijen.

Na een winterse natuurwandeling voor zonsopgang langs de oevers van de Rupel, trachtten pianiste Sylvia Traey en Broucke met muziek van Bach en een choreografie met live gecreëerde lichtschilderijen het fragiele moment te vangen tussen slapen en ontwaken. Brouckes fascinatie voor natuurfenomenen en geheimzinnige patronen die de verbeelding in de hand werken, uit zich ook in zijn serie botanische tekeningen. Geïnspireerd door de macro-opnamen van plantenonderdelen van fotograaf Karl Blossfeldt uit het begin van de twintigste eeuw, maakte Broucke een reeks schetsen van bloesems, bladeren en takken, waarbij ontluikende knopjes of verwrongen knoesten verworden tot hoofdjes, of gezwollen sapkanalen tot karikaturale mondjes. Alsof de nacht valt over het bos en de fantasie op hol slaat.

In de reeks 4 with 3 (2008) ontleedt Koen Broucke op basis van video-opnamen in een ritmische aaneenschakeling van schetsen de anatomie van drie lichamen. Een meester en leerling bewegen simultaan achter de piano tijdens het spelen van een quatre-mains, terwijl een danseres het negatieve volume tussen beiden invult en betekenis geeft. Ook deze schilderijen ademen een nachtelijke sfeer, maar blijven vinnig en fris terwijl de levendige lichamen over het papier dansen.

Via Crucis (met Jan Michiels en Vlaams Radio Koor), Collegekerk, Sint Niklaas, 2009 (© Koen Broucke)

08


Ik brand en ben van ijs (met Christiaan Kuyvenhoven), Fries Festival, 2008 (Š Annika Eenshuistra)

09


4 with 3, acryl op papier, 18 x 25 cm, 2008

10


4 with 3, acryl op papier op doek, 13 x 18 cm, 2010

11


Fictieve kunstenaars als piëdestal

Zo schiep Broucke Leslie François, geboren in Beiroet exact tachtig jaar na de dood van Franz Liszt, een gepassioneerd en megalomaan imitator van deze musicus. Of de eenzame Achille Kerkhaven, zelfstandig aannemer van Mariagrotten – perfecte kopieën van de grot van Lourdes – en amateurschilder.

Zeer specifiek voor de artistieke praktijk van Koen Broucke is dat hij zijn œuvre ophangt aan verschillende fictieve personages. Deze figuren worden door Broucke uitgedacht om een onderkomen te bieden aan zijn werk dat zich spontaan en onbelemmerd in alle richtingen wil vertakken.

Zijn botanische tekeningen brengt Koen Broucke dan weer onder bij de fictieve plantenkundige Oscar Mozart. Maar er zijn ook nog Francis Lennox, historicus, Alain Geirlandt, schilder van priesters, Peggy Renault, Brouckes rebelse assistente, of Edouard Paille, schilder van opgezette dieren. Ondanks het versnipperde karakter en de onvermijdelijke humor zijn deze fictieve personages nooit vrijblijvend. Ondanks hun fictieve status zijn ze kwetsbaar. Hulpeloos zoekend dwalen ze rond in een ‘realiteit’ waarmee ze de connectie lijken te hebben verloren. Eén voor één zijn het excentrieke outsiders die zich niet willen of kunnen plooien naar de verwachtingen van

Een stoet fictieve kunstenaars – met eigen biografieën, eigenaardigheden, artistieke capaciteiten, passies en verlangens – verschaft Broucke een vrijheid en de ruimte voor alternatieve denkpistes buiten de beperkingen en de ernst van één reëel individu. Allemaal sluiten ze – weliswaar karikaturaal uitvergroot – aan bij verschillende aspecten van Brouckes persoonlijkheid, als bouwstenen van één groot zelfportret. Opnieuw belandt hij hier aan bij de speeltuin van de romantiek, een verzonnen oord om vrij in te ravotten, waar hij kan transformeren tot een personage om vrolijk mee te lachen en zichzelf te relativeren.

Our Travelling Circus Life (Leslie François), acryl op papier, 18 x 25 cm, 2008

12


Achille Kerkhaven, Schetsboek, 18,5 x 12,5 cm, sd

13


manier om zijn plaats als kunstenaar in de wereld te bevragen.

de maatschappij. Bij sommige van deze fictieve kunstenaars lijkt de stap naar waanzin en psychose onvermijdelijk. In Het kabinet van dokter Hahneman in het Museum Dr. Guislain (2006) bracht Broucke voor het eerst zijn personages samen, als patiënten van psychiater Hahneman. Broucke illustreerde, door de ogen van deze fictieve dokter, hun levensverhalen aan de hand van een omvangrijke verzameling medische notities, artefacten, brieven en kunstwerkjes.

Broucke heeft zich jaren geleden bewust teruggetrokken uit de kunstwereld om ver van alle wedijver en commerciële belangen in stilte en intrinsiek vanuit zichzelf te kunnen werken. Alle frustraties en desillusies die hij eerder nog van zich afschreef in korte ‘onvoltooide levensbeschrijvingen’, lijken verdwenen en maakten plaats voor ludieke voetnoten bij diezelfde kunstwereld.

Wat eerst komt, zijn de tekeningen en schilderijen. De denkbeeldige verhalen en imaginaire levens ontstaan pas nadien en fungeren vooral als presentatiewijze, als kapstok voor Brouckes autonome artistieke werk. Maar het fictieve kunstenaarsschap kan ook gelezen worden als Brouckes reflectie op het reële kunstenaarsschap en als

Vanuit het standpunt van de outsider en vermomd als vele personages relativeert Broucke het sérieux van de kunstwereld en – door het binnensmokkelen van het niet-erkende – levert hij kritiek op de wetten van de kunstgeschiedenis. Zo dwingt hij respect af voor het vreemde, het verstotene, hetgeen zich aan de zijlijn ontwikkelt.

Schetsboek (Oscar Mozart), Canson, pag 42 en 61, 30,5 x 22,5 cm, 2009

14


Het kabinet van dokter Hahneman, Museum dr Guislain, 2006 (Š Johan Swinnen)

15


Hommage aan Jan Cockx, acryl op papier, 25 x 36 cm, 2010

16


Evenwichtige eenheid

Broucke koppelt zijn personages aan een al dan niet historische realiteit om zo de constructie van geschiedenis en identiteit te onderzoeken. Op gracieuze wijze tast hij de grenzen af tussen waarheid, fictie en manipulatie. Dankzij zijn opleiding als geschiedkundige ontwikkelde Broucke de methodiek van de historische kritiek, die hij op originele manier toepast op zijn werk, wars van alle starre academische voorschriften maar met een fundamentele aandacht voor beeldend onderzoek.

Het uitdijende en schijnbaar gefragmenteerde universum van Broucke, met alle vertakkingen, verhaallijnen, aparte projecten en meerstemmigheid aan fictieve personages, vormt toch één coherent en significant geheel. Zijn werk ontwikkelt zich in cirkels van beeldmateriaal, tekeningen en schilderijen, naar performances, muziek, animatie, video-opnamen, documentatie, installatie en terug naar schetsen op papier of doek. Deze cirkels blijven in beweging en reiken steeds verder. Doorheen het werk en de personages van Broucke sluimeren een rode draad en een duidelijke stijl die, ondanks alle thematische uitspattingen, organisch evolueert en vormelijk, stilistisch en qua kleurgebruik blijvend herkenbaar is.

In een recent project baseerde Broucke zich op de bestaande figuur Jan Cockx, pionier van de Antwerpse avant-garde tijdens het interbellum en vriend van onder andere Paul Van Ostaijen, Floris en Oscar Jespers en Paul Joosten. Door zijn dubieuze betrokkenheid bij een Duits bouwbedrijf tijdens de Tweede Wereldoorlog verdween Cockx uit het zicht, maar hij bleef schilderen en ontwerpen tot hij op een zomeravond in 1976 vermoord werd in zijn atelier in Boechout. Cockx’ appreciatie als kunstenaar is tot op vandaag vertroebeld door deze onopgeloste moord.

De stijl van Broucke is niet krampachtig gezocht, maar bevindt zich in een harmonieus voortgestuwde ontwikkeling. Zacht en toch grandioos vitaal. Doorheen Brouckes werk, gekenmerkt door een poëtische gevoeligheid, speels en toch melancholisch, loopt een ultieme zoektocht naar schoonheid.

Broucke ging met het summiere materiaal aan brieven en zuinige getuigenverslagen aan de slag om het leven van Cockx en de motieven voor de moord te ‘reconstrueren’. Maar Broucke nam ook Cockx’ artistieke nalatenschap onder handen. Van ouder werk restten slechts zwart-wit foto’s die Broucke trachtte te reanimeren door ze naar eigen intuïtieve aanvoelen opnieuw in kleur te zetten.

17


Liszt in Beiroet Peter Delpeut voor Koen Ik leef van herinneringen. Ik tik namen in op Google, My Space of Facebook, maar de mensen die ik heb gekend bestaan daar niet. Op het net leef je voor eeuwig, hoor je vaak. Niet als je te vroeg geboren bent, kan ik je verzekeren, of te vroeg gestorven. Van alle namen die ik heb ingetikt, bestaat geen enkel spoor. Behalve van Leslie François. Uitgerekend hij. Er zitten niet veel van mijn leeftijdgenoten op het net. Het boezemt ze angst in, wordt gezegd. Nu ben ik nooit bang geweest voor de mechanica van telexmachines, radioontvangers, speeldozen, dus wat voor geheim zou een computer kunnen herbergen? De eerste programmeurs begonnen met stapeltjes ponskaarten, kartonnetjes waarin gaatjes werden gestanst, en dat hele procedé verschilt niet veel van de pianorollen die ik in Beiroet verzamelde. Een paar gaatjes in een stuk papier die muziek maken – hoe veel geheimzinniger wil je het hebben? Eigenlijk ben ik geen verzamelaar, maar ik had nu eenmaal die pianola op de kop getikt, in de veronderstelling dat ik hem snel zou kunnen verkopen. Als je in antiek handelt, is het niet verstandig je aan de dingen te hechten. Dan word je koper in plaats van verkoper. Maar die pianola had iets. Tot mijn eigen verbazing zette ik er een prijs op die in de wijde Oriënt toen geen mens kon betalen, zelfs niet in Beiroet waar de nieuwste mode eerder arriveerde dan in Parijs.

18


Misschien had ik de pianola alsnog voor een zacht prijsje van de hand gedaan als Leslie François niet in mijn leven was gekomen. De eerste weken na mijn aankoop liet ik het ding graag spelen met de deuren naar de straat wagenwijd open, om mijn Arabische buren wat Europese cultuur bij te brengen. Zo moet hij het gehoord hebben. Trillend als een rietstengel in de Eufraat stond hij in de winkel. Vanachter het glas van mijn kantoorraam kon ik hem zien, zijn spitse gezicht, zijn blonde wijd uitstaande haren, als de karikatuur van een Romantisch dichter, een tijdreiziger uit de negentiende eeuw verdwaald in mijn magazijn.

Het was niet eenvoudig om de juiste rollen voor mijn piano te vinden. Nu open je Wikipedia en iemand die je niet eens van naam kent, vertelt je welke merken er bestaan en dat voor elk daarvan andere rollen zijn vereist. Driekwart van de meegeleverde muziekrollen bleken niet op mijn pianola te passen. Wat er wel op speelde waren circusnummers en opgewonden negermuziek, waar ik nooit veel om had gegeven. Tussen die rommel vond ik ook een Polonaise van Chopin, in 1921 gespeeld door Eugene d’Albert, een rondreizend pianist met wie mijn grootmoeder, zo wil de familieoverlevering, ooit een affaire had beleefd. Misschien had ik hem als kind zelfs nog horen spelen, dat kon zomaar in die tijd, je groeide op met de kunsten. De vondst ontroerde me. Voor het eerst sinds jaren droomde ik van mijn zusjes, hun strakgetrokken vlechtjes waarmee ze mij kietelden. Ik zag het gezicht van Elsa boven het mijne, mijn armen als de gekruisigde onder haar knietjes. Ik wist niet of ik moest schateren dan wel huilen.

Hij streelde het klavier toen de rol ten einde was. Hij pakte een oude taboeret, schoof die voor de piano en ging zitten. In een handomdraai startte hij de rol opnieuw en liet zijn slanke vingers over de toetsen glijden, alsof hij het zelf was die de Polonaise van Chopin speelde. Virtuoze niksigheid, als je het mij vraagt, maar wanneer je het iemand ziet spelen klinkt het meteen veel beter. Er is muziek die je moet zien om goed te horen.

Het wonder van die rol was dat je kon geloven dat mijnheer d’Albert zelf in mijn winkel zat, want anders dan bij wasrollen of grammofoonplaten verdween de pianist niet onder een waas van krassen en stof. Hij bleef even helder spelen als het moment van de opname, tevoorschijn getoverd door een pompend en zuigend mechaniek dat de toetsen van de piano in een luchtledig deed bewegen. Met een beetje fantasie zag je de vingers van de pianist over het klavier vliegen, sneller dan een mens zou kunnen. Met die pianorollen schepte men graag op, de makers wilden je doen geloven dat er vier handen waren die speelden.

Ik ben geen man van grote vriendschappen, maar op dat moment, vanachter de glazen wand, wist ik dat ik deze film vaker wilde zien. Er was zojuist een man mijn leven ingestapt die me niet mocht ontglippen. Ik geloof dat ik toen voor het eerst begreep dat die zeurende pijn in mijn borst – snijdend als kiespijn – niets anders dan heimwee was en dat ik ooit moest terugkeren om er vanaf te komen. Ik heb nooit begrepen wat zijn moedertaal was, hij wilde weinig kwijt over zijn verleden. Hij sprak met mij in een koeterwaals van Frans en soms een Engels woord, met een

19


begaf zich weifelend naar de snaren en het ding speelde. Leslie François leek de aanjager van al die verrukkelijke pianoklanken, alsof hij ze zelf ter plekke verzon. Ik weet niet of hij precies de toetsen raakte die door de rol werden aangedreven, maar hij was er een meester in je dat te doen geloven. Nooit waren zijn bewegingen mechanisch. Ze vielen perfect samen met de melodie. Misschien was de choreografie van zijn handen wel de echte compositie, riep de aanblik ervan muziek in mijn hoofd op en heeft die pianola nooit echt geklonken. Wat doet het er toe. De recitals die Leslie François wekelijks voor mij ten beste gaf, brachten me terug in het Europa van mijn jeugd, toen je nog door een straat kon lopen en er vanuit een raam zomaar de klanken van een piano naar je toe waaiden. Je hield je pas even in, niet echt zichtbaar, want niemand wordt graag aangezien voor een dweper, maar ik kan je verzekeren, zelfs de lelijkste vrouw kon me op zo’n moment de liefdesslag toebrengen. Jammer genoeg heeft die constellatie van toevalligheden zich nooit voorgedaan. Ik ben nu eenmaal zo iemand die het verkeerde moment kiest om ergens te zijn.

scherpe g die zowel op een Arabische als een Hebreeuwse achtergrond kon wijzen, dat kon toen nog in Libanon. Als hij in extase raakte – wat hem gemakkelijk afging – floepte er zomaar wunderbar uit zijn mond, of potztausend! Duits hoorde ik niet graag – Hitlers retirades hadden me in Beiroet doen belanden – maar ik vergaf het hem, zolang we maar de nostalgie van de muziek met elkaar deelden, en daar hadden we weinig woorden voor nodig. Hij glimlachte geheimzinnig toen ik hem mijn verzameling muziekrollen liet zien. ‘Salauds,’ mompelde hij en zijn ogen straalden. Hij kon me aan muziekrollen helpen, originelen die werkten. Ik kijk mensen niet vaak in de ogen, maar die van hem waren van een duister blauw, ze glansden ondoorgrondelijk als de Middellandse zee bij maanlicht. Het leek hem te amuseren dat ik was beetgenomen. Toen ik hem later vertelde wat ik ervoor betaald had, schaterde hij het uit. Misschien om zijn eigen schuldgevoel te verbergen, want ik had inmiddels een veelvoud betaald voor de rollen die hij me leverde. Nooit meer dan één per week. Hij weigerde me te vertellen waar hij ze vandaan haalde. ‘Zijn we geen vrienden?’ zei hij. ‘Zoiets vraag je niet aan vrienden.’

‘Liszt,’ zei hij op gegeven moment. Het kwam uit zijn mond alsof hij sliste. ‘Liszt, le maître.’ Hij keek me aan alsof dat voldoende was. ‘Franz Liszt.’ Nu ik eraan terugdenk zie ik tranen in zijn ogen, zo’n dunne film van vocht, niet zo’n waterval die slechte acteurs tegenwoordig ten beste geven, meer fijnzinnig, als een emotie die hij probeerde binnen te houden.

Eigenlijk konden die rollen me niet zoveel schelen. Voor mij had hij het bij één mogen laten, als hij maar achter de piano plaatsnam, de taboeret op de juiste hoogte schikte, zijn handen naar het klavier strekte, ze daar in een moment van verwachtingsvol uitstel boven liet zweven, om dan als bij toverslag het mechaniek in werking te zetten. De pianola zuchtte, zoals een motor die moeite heeft om aan te slaan, de zuigers gierden en pompten, het eerste hamertje

Hij had iets bijzonders voor me gevonden, fluisterde hij, een pianorol uit 1880 of daaromtrent, nog in goede staat, en belangrijker,

20


hebben toegegeven, ook niet aan mezelf. Ik kon die gehele som nu inruilen voor een pianorol van Franz Liszt. Kwam dat niet op hetzelfde neer? Had Leslie François met zijn wekelijkse optredens me het verlangen naar de terugkeer niet doen vergeten? En zou de oude Liszt, in hoogsteigen persoon, dat verbond niet op een schitterende manier bezegelen?

ingespeeld door de meester zelf: ‘Liszt.’ Ik begreep direct wat hij bedoelde. Met die rol zou de grootste pianist aller tijden zelf mijn winkel binnentreden, net zoals Eugene d’Albert mij eerder had bezocht, maar wie bekommerde zich om de leerling als je de meester zelf kon ontmoeten? Hij schudde zijn hoofd. Het waren schurken die hem de rol konden leveren. ‘Inabordable,’ zuchtte hij. ‘Unschätzbar...you understand, price to high.’ Dat had hij niet moeten zeggen. Ik stond bekend als een handelaar met lef. Dat was de essentie van mijn vak, mensen laten geloven dat je ze van hun prullaria afhelpt en dan een gek vinden die er het zesvoudige voor wil geven. Nu met internet weet iedereen wat iets mag kosten. Je kunt geen dromen meer verkopen. De hele dag ratelen de prijzen over het net. Het heeft ons vak kapot gemaakt.

Verlangen en geloven vormen tezamen een gevaarlijk amalgaam, maar om dat te beseffen moet je een zekere leeftijd bereiken, en dan nog. De week daarna ontving ik Leslie François met een omhelzing. Ik had zijn ongemakkelijke verstijving moeten opmerken, maar dat realiseerde ik me pas later. De koop zou doorgang vinden, vertelde ik hem, het geld had ik zelfs al in huis, maar hij moest me beloven bij elk bezoek de muziekrol te spelen en me nooit meer zo bruusk alleen te laten met de stille pianola. Hij knikte.

De vraagprijs was exorbitant. Zo hoog dat ik hem niet durf op te schrijven, mijn handen gaan ervan trillen. Ik zei dat ik erover moest nadenken en hij vertrok die dag zonder de pianola te laten spelen. De stilte voelde als een messteek. Die mechanische piano een week niet horen was inmiddels onduldbaar, besefte ik. Het ding verdreef mijn heimwee en zonder Leslie François was hij niet compleet.

Liszt zou ons voor altijd met elkaar verbinden, bedacht ik, en Europa zou als een geheimzinnig fluïdum mijn winkel vullen, de pijn in mijn borst zou geen kans meer krijgen. Weer een week later verscheen hij met de rol. Een mooi zachtgroen exemplaar, waarin de tijd nauwelijks zijn sporen had achtergelaten. We waren beiden vervuld van een zekere plechtstatigheid. Hij toonde me het opschrift, in krullende letters: Nuages gris. ‘Trübe Wolken,’ vertaalde hij onnodig. Hij waarschuwde dat het een late compositie was, niet zo’n pianola-extravaganza, maar sober en sereen. ‘Geschreven met het licht van de dood in zijn ogen,’ voegde hij er met een theatrale snik aan toe. Hij schroefde het

Ik was dan wel een vermetel handelaar, maar niet onverstandig. Ik spaarde elke maand een vast bedrag, als de kleinburgers waar ik vroeger mijn neus voor ophaalde. Ik heb het bankboekje nog, sommige dingen gooi je niet weg. Het verzekerde mijn terugkeer naar de oude wereld, voor als de heimwee onhoudbaar zou worden, al zou ik dat nooit

21


Als die akelig witte pagina in mijn bankboekje me niet zo vals had toegegrijnsd, zou ik hebben kunnen geloven dat het een kwade droom was geweest. Ik durfde geen navraag te doen, bang dat ik voor gek zou staan. Ik had alle wetten van mijn vak verloochend, geen greintje onderzoek gedaan. Wat wist ik eigenlijk van pianola’s? Of van Liszt, Franz Liszt?

tempo van de pianola nog een paar streepjes terug. ‘Lentement, très lentement,’ murmelde hij en ging zitten. Er zijn momenten in je leven die je voor altijd opslaat in je lichaam. Je kunt hopen dat je verstand ze vergeet, of je ziel, je geest misschien, wat dan ook, maar je raakt ze niet kwijt, je vlees heeft ze bewaard. Die eerste noten van de piano zinderen nu nog onder mijn huid, als een naderend onweer dat maar niet los wil barsten. Het was ongetwijfeld de grootste performance van Leslie François ooit. Een paar losse noten is moeilijker dan het ratelende vuur van tegen elkaar opbiedende toonladders. Hij werd die noten.

In mijn tijd ging je daarvoor naar de Nationale Bibliotheek, in het Parlementsgebouw aan de Place d’Etoile. Ik hoefde slechts een paar boeken en krantenleggers op te slaan. Ik was daar handig in, oude dingen van een verhaal voorzien was mijn werk. De feiten? Pianola’s werden pas na 1905 geproduceerd, mijn glanzende Duo Art-model niet voor 1915. De sterfdatum van Franz Liszt: 31 juli 1886. Zelfs het meest fantastische verhaal bestaat bij de gratie van geloofwaardigheid. Vijfendertig jaar betekenen in mijn vak meestal niet veel, maar in dit geval waren ze niet te overbruggen.

Ik kon geloven dat Liszt zelf daar zat, dat hij iets uitprobeerde, louter verlangde de piano te horen terwijl achter de ramen van zijn atelier een wolk voor de zon schoof. De duistere cirri van de compositie vulden mijn winkel, drapeerden zich over de LaatAssyrische grafkelken, het Venetiaans glaswerk, de Louis XVI stoeltjes – door niets anders opgeroepen dan de simpelste klanken die een piano kan voortbrengen.

Nu kijk ik naar zijn naam op Facebook. Ik ben slechts één klik van hem verwijderd. Het eerste wat ik zie is zijn geboortedatum: 31 juli 1966. Die dag haalde ik het geld van mijn spaarrekening, daar hoef ik mijn oude bankboekje niet voor op te slaan. Het tweede: hij is een Liszt-imitator, die zich erop laat voorstaan precies tachtig jaar na de meester te zijn geboren. Te veel onwaarschijnlijkheden in te weinig woorden. Iemand haalt een grap met me uit.

Ben ik ooit gelukkiger geweest? Zelfs de schaarse momenten die ik met een vrouw heb doorgebracht kunnen dit geluk niet vervangen. Ik zweefde buiten de tijd, en zelfs nu nog, oude sentimentele man die ik ben, beleef ik deze herinnering alsof ze gisteren heeft plaatsgevonden. Was de aarde toen tot stilstand gekomen, het paradijs had niet mooier kunnen zijn.

Herinneringen hebben de onhebbelijke gewoonte te komen en te gaan wanneer ze willen. Ik slaap slecht. Vannacht zag ik de scène weer voor me, ergens midden jaren zeventig, niet lang voordat de situatie in

Het verraad kwam snel. De eerste week hield ik mezelf voor dat hij ziek was, de tweede vulde zich met ongeloof, de derde wist ik beter: Leslie François zou nooit meer komen.

22


Beiroet onhoudbaar werd. Ik wilde snel thuis zijn en verkortte mijn route door het Sanayeh park. Ik had iets afgeleverd bij een van de hotels in de buurt. Vaak kwam ik er niet meer, de tocht door de stad was te gevaarlijk geworden. Daar zat hij, op een bankje, alsof hij van geen sluipschutters weet had, Leslie François, zeven jaar ouder, zijn haar vroeggrijs.

ring vulde het verlaten park. Met zijn zoontje aan de hand liep Leslie François voorgoed mijn leven uit. Ik geloof dat hij bij de uitgang nog even omkeek, maar het is ook mogelijk dat ik me dat inbeeldde, misschien omdat mijn hele hart en ziel schreeuwde van het verlangen dat hij dat zou doen. Ook voor hem moeten die middagen met de pianola toch iets hebben betekend?

We zagen elkaar, maar geen van beiden gaven we blijk van herkenning. Ik meende dat zijn blauwe ogen dof stonden, wat niet vreemd was in die tijd. Er hing haat in de lucht, onverbloemde haat, niemand in Beiroet die een ander nog vertrouwde. De klank van je naam kon je dood zijn.

Een paar dagen later ontplofte er een autobom in mijn wijk. De etalageruit van de winkel werd weggeblazen. Het was de laatste keer dat de pianola speelde. Spontaan, door de luchtdruk. Terwijl de gewonden op straat lagen dood te bloeden dreven de donkere wolken van Liszt de winkel uit. Mijn Arabische buren konden het me niet vergeven. Ze drongen mijn zaak binnen, omzeilden ondanks hun woede al het breekbaars dat nog overeind stond en sloegen het apparaat aan diggelen.

Toch hield ik mijn pas in. Ik staarde aan hem voorbij, naar een jongetje op de grasweide. Het kind hield zijn armen gespreid, rende rondjes, zoals kinderen een vliegtuig verbeelden, of een vogel. De handen van Franz Liszt, had ik tijdens mijn te late onderzoek gelezen, werden vergeleken met een fladderende leeuwerik. Onwillekeurig moest ik glimlachen. Voor een moment kon ik denken dat ik me met mijn teleurstelling had verzoend.

Ik ben naar de haven gegaan, waar een Amerikaans schip wachtte. Beiroet verdween traag in de avondmist toen we uitvoeren. Ik tuurde naar de schimmen op de kade, in mijn hoofd dat deuntje van Liszt, dat maar niet weg wilde. In elk van die schaduwbeelden meende ik Leslie François te herkennen. Een van hen stak een hand op.

Het moet er vreemd hebben uitgezien, de man op leeftijd die ik toen al was, leunend op zijn wandelstok, starend naar het speelse geluk van het vliegende jochie op de weide. Misschien heeft Leslie François me toen ook gezien. Ik bedoel, echt gezien. Hij draaide zich onverwacht naar het jongetje, ik hoor nog zijn stem, die schrik verraadde: ‘Leslie! Viens!’

Sinds ik de Facebookpagina van Leslie François heb bezocht, krijg ik berichten waarin hij vraagt of ik met hem in contact wil blijven. Ik klik ze weg, maar hij duikt steeds opnieuw op. Vroeger ging je dood en in het eerstvolgende telefoonboek was je naam geschrapt, je nummer aan een ander vergeven. Facebook is hardnekkiger. Ik verlang naar de tijd in Beiroet, toen ik alleen een telefoon had.

Hij stond op, liep naar het kind en tilde hem boven zich uit. Een schrille kreet van vervoe-

23


The Summit, acryl op papier, 25 x 36 cm, 2011

24


The Summit, acryl op doek, 10 x 20 cm, 2011

The Summit, acryl op doek, 10 x 20 cm, 2011

25


Venezia, acryl op papier, 18 x 25 cm, 2011

26


Venezia, acryl op papier, 18 x 25 cm, 2011

27


Venezia, acryl op papier, 18 x 25 cm, 2011

Venezia, acryl op papier, 18 x 25 cm, 2011

28


Venezia, acryl op papier, 18 x 25 cm, 2011

29


Mephisto, acryl en goudverf op papier op doek, 13 x 18 cm, 2011

30


Mephisto, acryl en goudverf op papier op doek, 13 x 18 cm, 2011

Mephisto, acryl en goudverf op papier, 13 x 18 cm, 2011

31


Mirage, acryl op papier, 75 x 110 cm, 2010

32


33


Bagdad, acryl op papier, 18 x 25 cm, 2008

Bagdad, acryl op papier, 18 x 25 cm, 2008

34


Bagdad, acryl op papier, 18 x 25 cm, 2008

35


Jongleur, acryl op papier, 18 x 25 cm, 2007

Jongleur, acryl op papier, 18 x 25 cm, 2007

36


The Dinner (Galland and friends), acryl op doek, 135 x 180 cm, 2010

The Dinner (Galland and friends), acryl en potlood, op doek, 90 x 120 cm, 2010

37


Declaration of War, acryl op doek, 60,5 x 80 cm, 2003

38


Our Travelling Circus Life (Leslie Franรงois), acryl op papier, 18 x 25 cm, 2008

Our Travelling Circus Life (Leslie Franรงois), acryl op papier, 18 x 25 cm, 2008

39


Our Travelling Circus Life (Leslie Franรงois), acryl op papier, 18 x 25 cm, 2008

Our Travelling Circus Life (Leslie Franรงois), acryl op papier, 18 x 25 cm, 2008

40


Martha, acryl op papier op doek, 13 x 18 cm, 2011

41


Our Travelling Circus Life (Leslie Franรงois), acryl en potlood op doek 22 x 36 cm, 2008

42


43


Colofon

Koen Broucke (1965) studeerde geschiedenis aan de UFSIA en de Vrije Universiteit Brussel en vervolgens schilderkunst aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten in Antwerpen. Hij maakt tekeningen, schilderijen, video’s, boeken, installaties en performances. Hij stelde onder andere tentoon in Amsterdam, Antwerpen, Brugge, Brussel, Breda, Gent, Keulen, Namen, Oostende, Parijs, Pori (Finland), Rauma (Finland), Rome en Valencia. Hij werkte samen met talrijke pianisten waaronder Jan Michiels en Christiaan Kuyvenhoven. Voor het S.M.A.K. creëerde hij in 2009 de huiskamervoorstelling Moscou/Braaklanden.

Deze publicatie verschijnt ter gelegenheid van de tentoonstelling In residence van Koen Broucke in het cultuurcentrum Hasselt (9 september – 13 november 2011) De teksten zijn van Lotte De Voeght en Peter Delpeut Lotte De Voeght (1982) studeerde Moderne Geschiedenis en Cultuurwetenschappen in Leuven, Barcelona en Brussel. Ze werkte enkele jaren als assistent curator voor Extra City, centrum voor hedendaagse kunst in Antwerpen. In 2008 werkte ze in het MACBA, Museu d’Art Contemporani de Barcelona, waar ze onderzoek verrichtte voor de retrospectieve over John Cage. Momenteel is ze de redacteur van het S.M.A.K. in Gent en redacteur beeldende kunst van rekto:verso, tijdschrift voor cultuur en kritiek.

www.atelierbroucke.com

coördinatie tentoonstellingen: René Geladé vormgeving: Ludovic Driessen lettertypes: Conduit & Helvetica druk: Drukkerij Pietermans, Lanaken oplage: 350 ex.

Peter Delpeut (1956) is filmmaker en schrijver. Van 1988 tot 1995 was hij verbonden aan het Filmmuseum als programmeur en adjunct-directeur. Hij maakt films in vele genres: found footage (Lyrisch Nitraat, Diva dolorosa), documentaire (Go West, Young Man!, In Loving Memory), speelfilm (Felice… Felice…, The Forbidden Quest) en dansfilm (E pur si muove samen met Leine/Roebana). Van zijn hand verschenen diverse boeken, waaronder De grote bocht. Kleine filosofie van het fietsen, de roman Het vergeten seizoen en Een pleidooi voor het treuzelen. Over verbeelding en andere genoegens, een bundeling van zijn essays over beeldende kunst en film.

(c) cultuurcentrum Hasselt Kunstlaan 5 B-3500 Hasselt tel. 011 22 99 31 fax 011 24 32 07 ccha@ccha.be www.ccha.be

D/2011/2705/5

44


cultuurcentrum Hasselt, Kunstlaan 5, B-3500 Hasselt - www.ccha.be


In residence