Page 1

Inleiding en verantwoording

Het gesprek over de kerkgang is lange tijd een nogal gevoelig thema geweest. Veel ouders die zelf nog ‘geleden’ hebben onder gedwongen kerkgang – dikwijls gevolgd door een zondagsrust die saaier dan saai was – wilden hun kinderen daar niet te veel mee lastigvallen. Ze (of we!) hoopten lange tijd dat ze vanzelf wel bleven meekomen, juist omdat er niet over gezeurd werd en het bovendien in de kerk veel ‘leuker’ was dan vroeger. In het pastoraat gold lange tijd dat predikanten en ouderlingen – door Maarten ’t Hart-achtige taferelen gewaarschuwd – het nauwelijks waagden om mensen direct aan te spreken op hun zondagse tijdsbesteding. Maar volgens mij valt er tegenwoordig weer gemakkelijker over te praten. En ik dacht: dat gesprek zouden we als ‘blijvers’ om te beginnen eens met elkaar moeten voeren. Waarom ben ik eigenlijk gebleven? Waarom jij? Wat antwoorden wij als anderen vragen waarom wij naar de kerk gaan? En (her)kennen we in onszelf misschien af en toe ook de tegenwerpingen, de onwil, de neiging om het te laten versloffen?


Misschien kan het gesprek vervolgens ook een keer in onze huiskamers gevoerd worden. Aan tafel bijvoorbeeld. Tussen ouders en opgroeiende of reeds volwassen kinderen. Want daar ligt momenteel in de mainstream van de kerk (en niet alleen in Nederland) wel de grootste pijn: de leeftijdscategorie tussen globaal 16 en 35 schittert door afwezigheid. Intussen is het duidelijk dat dit geen tijdelijk fenomeen is. Steeds meer kerkgebouwen gaan onder de slopershamer of krijgen een tweede leven als sportschool of appartementencomplex. Steeds meer wijkgemeenten fuseren, niet zozeer uit warme gevoelens voor elkaar, maar omdat men anders financieel het hoofd niet meer boven water kan houden. Ik zou de kerkdienst niet graag missen. Er gaat veel van uit, vind ik. Er gebeuren veel mooie, waardevolle dingen. Tussen mensen onderling en – zo ervaar ik heel soms – ook tussen God en mens. Toegegeven, dat laatste beleef ik niet wekelijks. Maar soms ervaar ik in de kerk (overigens ook weleens daarbuiten) iets wat ik zou willen omschrijven als ‘tegenwoordigheid van Geest’; iets van nabijheid van wat groter is dan ik. Er waren ogenblikken dat ik met hoop en huiver ‘God’ heb gestameld. Ik zeg het voorzichtig en terughoudend, maar ik zou onrecht doen aan talrijke onvergetelijke momenten in mijn leven als ik dit niet erkende. Vanuit die – positieve – ervaring stelde ik dit boekje samen. Ik kan me overigens voorstellen dat niet iedereen die ervaring kan onderschrijven. De mensen die door toedoen van ‘de kerk’ ernstige emotionele kwetsuren hebben opgelopen, zijn niet op de vingers van een hand te tellen. Helaas. En het


openbare spreken van ‘de kerk’ is ook lang niet altijd dusdanig dat we daar blij verrast van ophoren. Ik moet eerlijk toegeven dat ik ook kerkdiensten heb bijgewoond waar de preek een soort repetitie van oeroude dogma’s was, de muziek letterlijk ten hemel schreiend en de sfeer verstikkend. Een wonder dat mensen daarbij het geloof weten te behouden! Maar mijn insteek is vooral bepaald door het feit dat zo veel mensen min of meer geruisloos afhaken zonder dat er dwingende redenen voor lijken te zijn. Dat zo veel kinderen van ‘gewone’ christelijke gezinnen niet meer naar de kerk gaan, overigens zonder dat ze daarmee altijd het geloof vaarwel zeggen. Ik weet dat heel veel ouders er verdriet van hebben en soms in uitzichtloos zelfonderzoek of zelfverwijt belanden. Hadden we strenger moeten zijn? Wat hebben we niet goed gedaan? Wat is het lastig om hierover te praten met je kinderen zonder in allerlei valkuilen te stappen. En zonder dat zij meteen in de weerstand schieten. Ik ben mijn kinderen heel dankbaar dat zij bereid waren om voor dit boekje een zeer persoonlijke bijdrage te schrijven. Ik ontleen er de oprechte overtuiging aan dat de waarden waar ouders en opvoeders zelf met hun hart gestalte aan trachten te geven, nooit parels voor de zwijnen zijn! Om het gesprek over de kerkgang spannender te maken, formuleer ik aan het eind van elk hoofdstuk ook een tegenstem. Er zijn argumenten tegenover de mijne denkbaar … Sterker nog, de voor- en tegenstem vind ik vaak beide in


mezelf! Voor gebruik in een groep zijn aan het einde van het boek een paar suggesties voor werkvormen opgenomen. Nog een paar slotopmerkingen: ik ben predikant, maar zonder gemeente. Dit boekje schrijf ik dan ook allereerst als kerkganger. In mijn geval is dat de protestantse gemeente van Culemborg, te omschrijven als midden-orthodox, misschien licht neigend naar links van het midden. Die nestgeur stijgt dan ook nadrukkelijk op uit de regels van dit geschrift. Maar ik denk dat dit gesprek over de volle breedte van de kerk gevoerd kan worden. Ook binnen de gemeenschappen van evangelische signatuur, waar een tweede-generatie-probleem (zo niet al aanwezig) toch niet lang op zich zal laten wachten. Ten slotte heeft collega Maarten Hooimeijer bij de totstandkoming van dit boekje kritisch meegedacht en waardevolle aanvullingen geleverd, als theoloog en als vader. Van zijn hand is ook de bijlage waarmee dit boekje afsluit. Het schetst ontwikkelingen in kerk en samenleving, zonder welke dit boekje wellicht nooit ontstaan zou zijn.

Henk Fonteyn Culemborg, voorjaar 2015 Voor reacties: h.fonteyn@kpnplanet.nl


Inhoudsopgave

1. Om te leren leven bij waarden en normen 13 2. Om iets te snappen van wat anderen beweegt of bewoog 21 3. Om met anderen samen te zingen 26 4. Om niet af te stompen voor het wereldleed 31 5. Om het geven niet te verleren 37 6. Om cultuur op te snuiven 42 7. Om er aardige mensen te ontmoeten 47 8. Om te bidden 53 9. Om de Bijbel te lezen en te horen uitleggen 57 10.Om de ontmoeting met alle generaties 61 11. Om te beseffen dat ik niet de eerste en niet de enige ben 65 12. Om steun te vinden in eeuwenoude rituelen 71 13. Kinderen aan het woord 80 Bijlage 1 Een briefwisseling 103 Bijlage 2 Ter afscheid 123 Bijlage 3 Een paar werkvormen 125


1. O  m te leren leven bij waarden en ­normen

Waarden en normen zijn in onze dagen een gevleugeld begrippenpaar. We krijgen ze allereerst thuis mee. Daarom eerst wat jeugdherinneringen. Reist u in gedachten even met me mee terug in de tijd, naar het begin van de jaren zestig: ik groeide op in een degelijk gereformeerd milieu, waar enkele duidelijke normen golden. Voor een belangrijk deel hadden die te maken met de manier waarop de rustdag geheiligd werd. Zondagsrust Op zondag bestond in mijn eerste tien levensjaren het enige uitstapje buiten de deur uit een ritje naar de kerk, gevolgd door het vaste tochtje naar mijn grootouders van moederskant of naar mijn grootmoeder (die weduwe was) aan vaderszijde. De rest van die dag brachten we binnen door. Ik vond dat als jongen overigens geen ramp, want oma Fonteyn woonde vlak bij ‘Het Kasteel’, het Sparta-stadion in de Rotterdamse wijk Spangen. En wanneer Sparta thuis speelde, kon ik me voor het raam eindeloos vermaken met het



Als je kinderen niet meer gaan  

9789033801006

Advertisement