Issuu on Google+

Gevangen in vrijheid Langleev’ FQi! moreel beraad

8

32

30

#2 41


Het team van Dominass feliciteert Fides Quadrat Intellectum met haar 150 jarig bestaan Dominass assurantiën bv

“De predikanten verzekeraar” Kennismaken is eenvoudig: bel en u ervaart het Dominass gevoel.

0344-642404

INFO@DOMINASS.NL

-

W W W. D O M I N A S S . N L


Caementarius Oboediens Recte Norma Utitur het officiële orgaan van het Corpus Studiosorum in Academia Campensi

“Fides Quadrat Intellectum”

Inhoud Hoofdredactioneel

K.S. Tamminga 4

Praetoriek

L. Dubbink 5

Ab-actiaat

R.D. Elzinga 6

Gevangen in vrijheid

W.A. Oosterhof 8

Spel

Cornulist 16

Meditatie

W.H. Rose 18

Mijmeringen

S. Hooiveld-Boven 20

CK

K.S. Tamminga en C. van Zwol

Kennismaking studentenwerker

A.J. de Bruijne 24

Stamboom Alberts

G.M. van Dijk 28

Moreel beraad

I.H. Hofsink en T. Kamp 30

Langleev’ FQI!

C. van Zwol 32

Prio[ri]tijd

C.P. Hamstra 40

Preek

J. van Beveren 42

#Bonuskaart

P.A. Bosma en A. Visser 48

22

Varia 50 Redactie K.S. Tamminga M.A. van der Welle Y.E. Seong C. van Zwol A.J. Riemer G.M. van Dijk M. Kamp

Contact Hoofdredactie Broederweg 8 8261 JN Kampen cornulist@gmail.com

Adres Ab-actiaat De la Sablonièrekade 4 8261 JN Kampen

Abonnement €15,- per jaar Postbank 825416 t.n.v. Studentencorps F.Q.I., Kampen

3


Hoofdredactioneel Amicae amicique, intimae intimique, Een bijzondere Cornu! Zo bijzonder dat ik als hoofdredacteur dit keer twee gasthoofdredacteuren heb aangesteld: am. Van Zwol en ama. Van Dijk. Zij hebben fantastisch werk geleverd en gedaan wat er van hoofdredacteuren verwacht wordt: keihard werken om de Cornu gevuld te krijgen. De reden voor het verschijnen van deze bijzondere Cornu is duidelijk, ons XXXe lustrum. En dat straalt er aan alle kanten vanaf. De redactie hoopt dat deze Cornu bijdraagt aan de feestvreugde en voor onze gasten een van de vele blijvende herinneringen mag vormen. Het is de hoogste tijd dat u gaat bladeren en uw ontdekkingstocht start naar alles wat F.Q.I. van vroeger en nu u te bieden heeft. We presenteren met trots ‘oude en nieuwe schatten’, in de varia en in de moderubriek CK bijvoorbeeld. Want F.Q.I. is een levende club, we gaan door, 150 jaar of niet. U gaat een drukke tijd tegemoet. De kerstdagen staan alweer voor de deur, de Sint heeft net zijn koffers gepakt. Tussendoor viert u eventjes het lustrum van F.Q.I. De redactie wenst u daarbij veel energie en plezier toe, en hoopt dat u tijd vindt om uw gedachten over dit alles op papier te zetten, zodat ook de volgende Cornu weer goed gevuld kan worden. Voorbeelden van dat soort enthousiaste inbreng ziet de redactie gelukkig steeds vaker verschijnen, maar we blazen het vuur graag nog eens verder aan. Wij doven de verkwijnende vlam niet. U hebt het nu natuurlijk te druk, dat begrijpen wij ook wel. En daarom ligt de deadline voor de volgende Cornu een eind verderop, op 24 februari 2014.

Amicaliter, K.S. Tamminga, h.t. hoofdredacteur Cornu

4


PraetOrieK Het lijkt allemaal langzaam door te rollen. ieder jaar hetzelfde: overdracht, introPer, novemberweekend, dies, verkiezingen, overdracht… elk jaar hetzelfde, elk jaar een ‘nieuwe, frisse’ start. saai zou ik het niet willen noemen, hoogstens eentonig. Zo nu en dan wordt er ware corpshistorie geschreven, vaak wordt het protocol voor een mooi corpsjaar netjes uitgevoerd. een schitterend jaar weer, op naar volgend jaar. maar dit jaar zien we meer gebeuren. We worden er extra bij bepaald dat de leeftijdsteller al die jaren niet stil is blijven staan en nu een historisch punt heeft bereikt: 150 jaar! Van grijze haren is alleen sprake als je het hebt over wijsheid, maar de vitaliteit van dit moment doet vermoeden dat F.Q.i. nog als een kind is. Fris en vol energie is de wind die door het Corps waait. de ouderdom doet ons niet de das om. dit kan het einde nog niet zijn. sterker nog: het stimuleert ons om het Corps historisch te laten zijn en blijven.

IDEEË

Geniet van de lustrumweek en laat het historisch mooi zijn. schrijf corpshistorie en laat het Corps vooral historisch blijven. bouw mee aan F.Q.i. en laat met je bouwen. Zo kunnen we tijdens het vieren van de dies natalis en in de rest van dit jaar verder bouwen en worden gebouwd op de Hoeksteen Christus. Caementarius Oboediens recte norma utitur. Lees ook de COrnu, schrijf voor de COrnu en gebruik de hoorn om rond te roepen! L. dubbink, h.t. Preator corporis

N

IN BEELD

ontwerp e n p ro d u c t ie va magazine | krant | bo n ek huisstijl | f older | web s i te s ch e r p s te p r ij ze n vo o r d r u k werk 5

www.novente.nl


Ab-actiaat De mooiste tijd van het jaar Amicae amicique,

Massaal wordt er gebedeld om die pen te mogen lenen van een amice of amica. Heerlijk vind ik dat.

Ik houd van schrijven, weet u. Gewoon schrijven wat je denkt. Dus niet te moeilijk doen, maar gewoon schrijven. Er niet omheen draaien.

Stiekem hoop ik dan dat de schrijvers en schrijfsters van die brieven er ook geen doekjes om winden. Gewoon de diepste gronden van hun hart bloot durven leggen in zo’n brief die je toch maar één keer per jaar verstuurt (uitzonderingen daargelaten). Zeggen waar het op staat, zonder schroom, zonder angst te hebben de verkeerde woorden te gebruiken. Gewoon het hart laten spreken en daarin geen enkele terughoudendheid toelaten. Het is tenslotte maar één keer per jaar zo ver dat dat echt kan. En binnen een maand is iedereen toch wel weer vergeten wat er is gebeurd.

En dan maakt het niet eens zoveel uit wat er nu geschreven wordt. Of het nu brieven, mails, gedichten, een stukje proza, een essay, nota, verslag, samenvatting, aantekeningen, boeken, artikelen of wat ook maar zijn. Het gaat erom dat er geschreven wordt wat er geschreven moet worden. Integer én waar het op staat. Geen gezeik, maar gewoon direct, zonder omgewonden doekjes, tierelantijntjes, geen opgeworpen muurtjes, geen schijnheilig of hypocriet gelul en zeker niet het opleuken van het verhaal. Dat is dan ook hoe ik zelf probeer te schrijven. Allereerst richting amicalen. Geen onzin, gewoon de ongezouten waarheid. Soms gebruik ik hier en daar een kleine anekdote of een korte metafoor, maar dat dient er dan enkel en alleen toe om mijn verhaal kracht bij te zetten. Het liefst maak ik daar geen gebruik van. Een aantal krachttermen doen het vaak beter. Daarentegen zou ik mij in reünistenbrieven misschien iets meer van het bovengenoemde eigen mogen maken. Iets minder ongezouten waarheid en iets meer schijnheiligheid of hypocrisie zou mogelijkerwijs geen kwaad kunnen als ik hen schrijf dat ze zojuist reünist zijn geworden. Tot zover mijn persoonlijke oefening op dat vlak. Weet u wat ik een prachtige periode in de mooiste tijd van het jaar vind? Die periode waarin die speciale pennen weer geliefd zijn. Men probeert ze van elkaar te lenen. Men schrijft met geleende gouden of zilveren inkt zijn of haar aanstaande Diespartner een overweldigende uitnodiging. 6

Echter, dit is slechts een periode in de mooiste tijd van het jaar. Ik zal die tijd kort beschrijven. Het begint – meestal al vroeg – in november met het novemberweekend. Daar viert de amicitia hoogtij en is het Corps verreweg op zijn best. Daar geniet iedereen met volle teugen en een ieder die er niet bij is of kan zijn baalt daarvan, of zou dat op zijn minst moeten doen. Een ieder die wel aanwezig is mist hen die er niet zijn en beseft dat zij één van de hoogtepunten van het corporele jaar missen. Tegelijk worden de afwezigen ook weer niet in die mate gemist dat er minder wordt genoten, maar genoeg om te beseffen dat er meer genoten had kunnen worden wanneer zij aanwezig zouden zijn. Vervolgens is breekt langzaam dat hoogtepunt aan waar de amicitia nogmaals – weliswaar op een andere manier, maar zeker niet minder – hoogtij viert: de Dies Natalis. Corpsleden halen Diesdates uit alle hoeken en gaten van het land vandaan: amica of amice, intima of intimus, een zusje, broertje, neefje of nichtje van een Corpslid; het maakt allemaal niets uit. Dit is hét feest van het jaar!


amicalia

dit is iets nieuws dat toelichting verdient. noem het een deelrubriek. Omdat ik als ab-actis onder andere verantwoordelijk ben voor de amicale contacten wil ik onder dit kopje kort beschrijven wat de senaat op dit vlak heeft beziggehouden. Het is een soort van testje, gewoon om te kijken hoe het bevalt en om wat te communiceren over de amicale contacten die zekere leden van het Corps anders mogelijk zouden ontgaan, terwijl ze wel de moeite waard zijn.

• de senaat heeft de laatste tijd een aantal

constitutieborrels bezocht: de borrels van de VGsW, de VGsn-tQ en de VGsL. • die laatste is een bijzondere borrel geweest omdat wij daar in eerste instantie nooit voor worden uitgenodigd. toch werden we gastvrij ontvangen en kregen ook wij gratis bier. • de Praetor en amice schaaij hebben het Corps vertegenwoordigd op de dies natalis

van de VGsL. • de Praetor en de ab-actis hebben het Corps vertegenwoordigd op de dies natalis van de GsVa. daar is bij wat worstelingen met zekere amicalen het lint van de VGsL behoorlijk gehavend geraakt. Zij hadden dit zelf in de hand en kozen er op het moment zelf voor om het te laten gebeuren terwijl het voorkomen had kunnen worden. • Op het amicale weekend in Groningen heeft de senaat zich wederom van zijn beste kant laten zien. Hoewel de ab-actis afwezig was heeft de Quaestor de kans aangegrepen om de amicalen ervan te overtuigen dat hij erg van bananen houdt. daarnaast heeft de Praetor laten zien dat hij prima kan omgaan met de Groningse speech- en danscultuur. tenslotte wil ik u oproepen om, waar mogelijk, niet enkel amicaal maar vooral ook interamicaal actief te zijn.

Met immer amicale groet, r.d. elzinga, h.t. ab-actis corporis

Welkom in zowel onze fysieke als online winkel

GRONINGEN | WWW.BOEKHANDELRIEMER.NL

7


Gevangen in vrijheid Een fictieve illustratie

Korea, 22e eeuw. Genetische technologie heeft zijn hoogtepunt bereikt. De mens is in staat om klonen te produceren die precies naar een bepaalde taak geconditioneerd kunnen worden. De rotklusjes in de samenleving worden door deze gefabriceerde hoopjes genetisch materiaal uitgevoerd. Hun functie is het dienen van de meester, hun catechismus het eren van de klant. Elke ochtend staan ze op, voeren ze de hele dag hun taak uit, ten slotte rusten ze weer. Een perfecte mix van voldoende rust, de juiste stimuli en een zakje voeding dat ‘soap’ wordt genoemd zorgt voor maximale efficiëntie. Twaalf jaar lang doen ze hun werk. Na twaalf jaar mogen ze eindelijk in vrijheid rusten in ‘Xultation’. Op een dag echter weet één van de klonen te ontsnappen met hulp van buitenaf. Sonmi~451 is door blootstelling aan bepaalde informatie in het traject van ‘ascension’ gekomen. Op weg om haar functie als kloon te overstijgen. De maatschappij is een gecontroleerde totalitaire staat. Consumeren is een gebod. Afhankelijk van de stratum waartoe je behoort dien je in bepaalde mate te consumeren. Sonmi krijgt de gevolgen hiervan onder ogen te zien: een verzopen stad naast de metropool waarin ze haar functie vervulde, sloppenwijken binnen de metropool waar de laagste strata verkeren. De mensheid is op haar hoogtepunt en bezig de wereld te gronde te richten. Een verzetsbeweging weet Sonmi te strikken voor hun agenda. In haar 8

rondzwervingen ontdekt ze de werkelijke aard van de ‘Xultation’: een gruwelijke cyclus van reproductie gericht op nog meer efficiëntie. Achter het schijnbare geluk van de consumerende burger gaat een wereld schuil waar enkel de hoogste strata weet van hebben. In de loop van haar werkzaamheden binnen het verzet beseft Sonmi dat ze precies doet wat door de hogere strata bedacht is. Haar leven was in scene gezet. Het verzet was in scene gezet. Het was enkel een product van de samenleving: een kunstmatige vijand van het systeem teneinde het systeem in stand te houden. Sonmi wordt uiteindelijk opgepakt en geëxecuteerd, maar eerst wordt haar perspectief op de wereld gedocumenteerd door de Archivist. Tegen het einde van het interview vraagt de Archivist naar Sonmi’s motieven: But to what end? Some… future revolution? To Corpocracy, to Unanimity, to the Ministry of Testaments, to the Juche and to the Chairman, I quote Seneca’s warning to Nero: No matter how many of us you kill, you will never kill you successor. (…) Do you regret the course of your life? How can I? ‘Regret’ implies a freely chosen, but erroneous, action; free will plays no part in my story.1 Ik ontleen dit verhaal aan Cloud Atlas van David Mitchell. Dit verhaal is een van de zes verhalen in het boek dat onder andere draait rondom het thema van vrijheid. De schrijfstijl van Mitchell in dit boek is briljant, hij weet zes uiteenlopende genres aan verhalen neer te zetten en deze aan elkaar te verbinden. 1 Mitchell, 365.


Mogelijk nog interessanter is het wereldbeeld dat hij schetst. In de loop van zijn verhalen, waar een zekere chronologie in zit, gaat de wereld ten onder. Het verhaal dat volgt op het verhaal van Sonmi is daarom ook van het post-apocalyptische genre. In elk verhaal zit echter een persoon die het verschil maakt of in ieder geval het verschil probeert te maken. Het verhaal van Sonmi is daarin het meest tragisch. Achteraf bekeken blijkt haar leven in alle opzichten gestuurd te zijn. Dit roept een vraag op: kun je geen spijt hebben over een eigen handeling als je door anderen gestuurd bent om deze handeling op die bepaalde wijze te doen? Ben je wel of niet moreel verantwoordelijk voor je handelen als dit door anderen is gestuurd? Sonmi lijkt te stellen dat dit niet het geval is. Maar wij belijden dat we onbekwaam zijn tot iets goed en uit op elk kwaad. Het vermogen om wel iets goeds te doen is afhankelijk van onze wedergeboorte door Gods Geest.2 Toch houdt God ons volop verantwoordelijk voor ons handelen. Ondanks ons onvermogen, ondanks dat we door de wereld, de duivel en onszelf worden gestuurd tot dit kwade. Een impopulaire gedachte. Het al of niet ontvangen van wedergeboorte door Gods Geest ligt namelijk ook nog eens in Gods verborgen raadsbesluit. God lijkt een almachtige God die alles bestuurt, terwijl de mens hooguit nog de illusie van het kiezen resteert. In bepaald opzicht goed te vergelijken met de situatie van Sonmi.

Inleiding

Een eigentijdse theologische antropologie van Anton Houtepen Uit aarde, naar Gods beeld (2004) geeft dan ook een hele andere kleur aan de verhouding tussen Gods handelen in de wereld en het vrije handelen van de mens. Met dit 2窶ォC 8.

boek doet de sterk oecumenische georiテォnteerde Houtepen een poging om in gesprek te gaan met de hedendaagse cultuur. Hier houdt hij echter een opvatting over vrijheid en morele verantwoordelijkheid aan over die incompatibel is met het gereformeerde belijden. De wrijving tussen enerzijds het gereformeerde belijden en anderzijds de eigentijdse opvattingen over vrijheid heeft mij ertoe gebracht in het kader van de bachelorproef het gereformeerde belijden te verantwoorden tegenover de visie van Houtepen. Meer specifiek vormt de conclusie van mijn onderzoek een verantwoording van de opvatting over morele vera nt woordelijk heid in het spanningsveld tussen theologisch determinisme en wilsvrijheid tegenover God en medemens zoals deze door Johannes Calvijn wordt geleerd tegenover deze opvatting in de theologische antropologie van Anton Houtepen. In dit artikel geef ik een weergave van de resultaten van dit onderzoek. Hiertoe geef ik allereerst de visie van Houtepen weer. Vervolgens zet ik volgens een soortgelijke opdeling Calvijns gedachtegoed over morele verantwoordelijkheid uiteen. Daarna geef ik een verantwoording van Calvijns gedachtegoed tegenover dat van Houtepen op basis van criteria uit de filosofen die Houtepen aanhaalt, de Schrift en Augustinus. Ten slotte kom ik tot een besluit. Dit artikel heeft in de verantwoording een meer illustratief dan volledig karakter. Dat wil zeggen dat ik de meest interessante en compact uit te leggen overwegingen weergeef en een groot deel links laat liggen. De geテッnteresseerde lezer mag zich natuurlijk altijd nog tot mij wenden voor het volledige verhaal. 9


Anton Houtepen: een vrije kans tot God welgevallig leven

Voordat we tot een behandeling van Houtepens gedachtegoed komen geef ik eerst een korte biografie. Anton Houtepen (1940-2012) was van 1992 tot 2004 hoogleraar oecumenica en interculturele theologie aan de faculteit godgeleerdheid van de Universiteit Utrecht. Hij stond bekend als pleitbezorger van de oecumene. De secularisatie zorgde volgens hem voor een verzwakking van de oecumenische gedachte. De kerken zouden volgens hem meer hun geschillen opzij moeten zetten om samen antwoorden te bedenken op de maatschappelijke vragen die spelen. In de Raad van Kerken in Nederland en in de Wereldraad van Kerken heeft Houtepen een vooraanstaande rol gespeeld. Op eigen roomskatholieke kerk had hij vanuit oecumenisch oogpunt nogal eens kritiek. Hij vond de Nederlandse bisschoppen niet bepaald de indruk wekken enthousiast te zijn voor de oecumene. 3 Het gedachtegoed van Houtepen betreft vrijheid en verantwoordelijkheid is uiteen te zetten over drie hoofdstellingen die hier achtereenvolgens worden behandeld. Allereerst stelt Houtepen dat er geen vrijheid is buiten God om. Elk idee over vrijheid dat niet bepaald wordt door een inbreng in het leven vanuit God strandt op de rigor mortis, oftewel de dood. Vrijheid is namelijk een genadegave van God. Genade heeft hier echter een hele andere lading dan in de reformatorische traditie. Om dit te illustreren staan we stil bij Houtepens scheppingsleer en zijn soteriologie. Volgens Houtepen is Genesis vooral een theologische antropologie die is geschreven om betekenis te geven aan alle mooie en wrede zaken in deze wereld. Er was nooit een paradijs, er was enkel een droomtuin waaruit de mens moest ontwaken. De mens moest realiseren dat de wereld ook wreed kon zijn, iets dat hij aanvankelijk nog niet door had. De slang is hierin een symbool van de menselijke intelligentie. Sprake van een zondeval was er nooit. Houtepen noemt drie bezwaren tegen een erfzondeleer, 3 Trouw, 14 oktober 2012.

10

namelijk 1) het maakt de mens tot gemankeerde wezens, 2) God wordt een Schepper bij trial en error en 3) het maakt Genesis tot een oertheodicee. Wanneer Paulus spreekt over een eerste en tweede Adam, spreekt hij niet over schuld van de eerste Adam die door de tweede Adam moest worden goedgemaakt. Nee, hij spreekt dan enkel over het contrast tussen de zonde van de eerste Adam en de trouw van de tweede Adam. Zowel Paulus als de kerkvaders zijn wat dit betreft volgens Houtepen vaak verkeerd begrepen. Spreken van betalen voor zonde is volgens Houtepen enkel een manier om God vrij te pleiten van schuld aan de tragiek van het menselijke bestaan. Daarmee ontneem je volgens hem de morele verantwoordelijkheid van de mens. Genesis 3 laat ons juist zien hoe het streven van de mens naar kennis onontkoombaar is. Voor wie in God gelooft is deze kennis echter niet vrijblijvend. Het doel ervan ligt niet in de greep naar macht, maar in de bestrijding van het kwaad. Volgens Houtepen is genade een actieve relatie met God, waarbij God welbehagen heeft in wie hem liefhebben en hij barmhartig is voor alle mensen. Soteriologie mag niet uitsluitend christocentrisch zijn. Dit sluit namelijk het bevrijdende handelen van God in het Oude Testament en in andere godsdiensten uit, dit terwijl andere godsdiensten ook als wegen van genade beschouwd moeten worden. Het kruis van Jezus vormt wel een alle religieuze praktijken relativerende vorm van religiekritiek. Het prijsgeven van je leven voor God is immers iets heel anders dan Gods gunst verkrijgen door hem te behagen. Hieruit blijkt dat Houtepen tegen een welvaartsevangelie is. Er is geen verzekering tegen onrecht, lijden of dood. Dit is geen oproep tot berusting of afwachting, maar een oproep tot navolging van Jezus. Hierbij noemt Houtepen De Imitatione Christi van Thomas à Kempis en de regel van Benedictus. God is volgens Houtepen een geduldige liefdevolle God die liever lijdt dan de leiding van mensen overneemt. Daarom moet er volgens hem een einde komen aan godsvoorstellingen waarin Gods handelen en menselijk handelen met elkaar concurreren.


Betreft de zonde van de mens maakt Houtepen veel gebruik van de opvattingen over falen en vrijheid volgens Paul Ricoeur in La Symbolique du Mal en L’Homme faillible. Binnen het bestek van dit artikel is het niet mogelijk om uitgebreid om de filosofische noties van Houtepen in te gaan. Voor het vervolg volstaat het om te noemen dat Houtepen stelt dat de mens het goede wil vanwege de intrinsieke aantrekkelijkheid van het goede. Deze stelling van Houtepen gaat overigens in tegen Ricoeur die juist stelt dat de menselijke wil tot het goede wordt gereguleerd door de symbolen van het tekort. Volgens Houtepen heeft de mens geen zondige natuur, hij zet zich hier af tegen belijdenisgeschriften in de calvinistische traditie. Zonde kan volgens hem enkel bestaan waar ook verantwoordelijkheid is. Hij stelt dat het ‘hier sta ik, ik kan niet anders’ van Luther eigenlijk alleen maar geldt voor planten. Zonder keuzevrijheid voor het goede is er geen zonde. Volgens Houtepen is er wel sprake van zondige structuren in de wereld, erfzonde echter is fatalisme. Dan zouden we net zo goed kunnen gaan eten en drinken, want morgen sterven we toch. Vanuit het besef van het mogelijk goede en de structuren van het kwaad die ons omgeven zouden we juist tot verantwoordelijkheid moeten worden opgeroepen. De tweede hoofdstelling van Houtepen is dat God en mens geen concurrenten zijn. Wanneer Houtepen spreekt over de mens als Gods beeld zet hij zich expliciet af tegen de reformatorische traditie. Volgens hem is de mens in die traditie klein en leeg voor God. Houtepen meent hier tegenover te stellen dat de mens juist in relatie tot God leeft, juist in tegenstelling tot in bijvoorbeeld de Atrahasis-mythe waarin de mens slaaf van God is. De predestinatieleer van Calvijn wordt ook flink afgeserveerd door Houtepen. Volgens hem is er sprake van een tweespalt tussen de predestinatieleer en de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid in de reformatorische traditie. Houtepen tracht het probleem zelf op te lossen door middel van een participatieleer die hij ontleent aan onder andere Wolfhart Pannenberg. God en mens zijn volgens Houtepen onvermengd, zonder concurrentie, zonder iets van zichzelf

prijs te geven met elkaar verbonden. Met Herman Berger haalt hij een beeld aan van de wereld als kunstwerk en de mens als kunstschouwer. De kunstschouwer heeft deel aan het kunstwerk zonder daarin op te gaan. Participatie betekent dat de mens in zijn geheel uitziet naar de hem bepalende, omvattende en toch vrij latende werelden van het sublieme: het ware en het goede. De derde stelling van Houtepen is dat de vrijheid hier en nu een feit is. Hij plaatst het dus niet eschatologisch. Het plaatsen van de ware vrijheid achter een oordeel van God maakt volgens hem Gods soevereiniteit en vrijheid tot die van Opperrechter en Supercipier. Het koninkrijk van God is volgens Houtepen een meer profetisch dan apocalyptisch gegeven. Rampen en catastrofen moeten we niet maar over ons heen laten komen als tekenen van de eindtijd, maar juist met alle macht en middelen van wetenschap en politiek bestrijden. Hierin komt ook Houtepens geloof in het intrinsiek goede en optimistisch mensbeeld tot uiting. Satan en zijn trawanten hebben volgens hem geen plaats meer op het heilstoneel. De mens is in staat tot het goede. Apocalypsen hebben niet primair een eschatologische, maar een axiologische functie. We dienen te streven naar een leven waarin de criteria voor het rijk van God gestalte krijgen. Dit betekent niet dat er geen eschatologie is. Deze is er wel als uiteindelijk waardeoordeel van God. Wat deze eschatologie inhoudt blijft tamelijk vaag. Houtepen wijst een forensisch godsbeeld af. Het maakt de mens volgens hem afwachtend tot een gezapig ‘stil maar, wacht maar, alles komt goed’. Tegelijk is Houtepen ook geen universalist. Dit veronderstelt volgens hem te veel dat ‘alle katjes grauw zijn’. Enkel mensen die blijven hameren op Gods straffende gericht aan het einde komen tot een dergelijke oplossing. Alverzoening is dus een oplossing voor een probleem dat Houtepen niet heeft. Houtepen zet zijn vrijheidsbegrip uiteen met behulp van de filosoof Isaiah Berlin. In zijn essay Two Concepts of Liberty maakt Berlin een onderscheid tussen vrijheid in positieve en vrijheid in negatieve zin. Vrijheid in negatieve zin 11


is de vrijheid waarin een persoon mag handelen zonder interferentie van een ander. Vrijheid in positieve zin de vrijheid die een persoon bezit in autonome zin. Kort gezegd is het verschil te typeren als vrijheid van of vrijheid tot. Absolute negatieve vrijheid is onmogelijk. Je kunt je alleen maar vrijmaken van alle obstakels op je pad door het pad te verlaten, feitelijk dus door te sterven. De notie van negatieve vrijheid is sterk overheersend in onze cultuur. Houtepen noemt de negatieve vrijheid een onopgeefbaar talent van de menselijke wil. Positieve vrijheid zou volgens hem bedoeld moeten zijn om je eigen zelfontplooiing niet ten koste te laten gaan van die van de ander. Vrijheid wordt dan een sociale categorie gericht op de realisering van het goede voor mezelf en voor anderen zonder schade toe te brengen aan de menselijke waardigheid van wie dan ook. De mens heeft volgens Houtepen negatieve vrijheid in een goddelijk licht: de kans om God welgevallig te leven. De criteria hiervoor staan voor ons uitgeschreven in het evangelie van Jezus.

Johannes Calvijn: verantwoordelijk, maar incapabel

Nu we de opvatting van Anton Houtepen over morele verantwoordelijkheid uiteen hebben gezet vervolgen we met een uiteenzetting van het verantwoordelijkheidsbegrip bij Johannes Calvijn. Dit gebeurt wederom door allereerst vooral te letten op Calvijns begrip van de menselijke vrijheid. Het verantwoordelijkheidsbegrip van Calvijn is gevormd door studie te maken van zijn Institutie, namelijk van de delen over de schepping en Gods voorzienigheid (I,14-17) en over de gevallen staat van de mens (II,1-5). De keuze om een studie te maken van Calvijn als vertegenwoordiger van de reformatorische traditie vloeit voort uit zijn vrijwel niet te overschatten waarde binnen deze traditie. Zijn Institutie is nog altijd te vinden in de boekenkasten van vele gereformeerde huishoudens. Dit laat eveneens zien hoe zijn werk vandaag nog een hoge mate van relevantie bezit. Ondanks het grote verschil in context tussen Calvijn en Houtepen is deze keuze dus gerechtvaardigd. Calvijns opvatting wordt 12

uiteengezet volgens drie equivalente stellingen van Houtepens opvatting. In de eerste plaats stelt Calvijn dat de mens noodzakelijk zondigt zonder Gods genade. Er is namelijk sprake van erfzonde door de val van Adam. Adam was vrij om te kiezen voor de val, hij en zijn nakomelingen dragen daarom de volle verantwoordelijkheid voor de consequenties ervan. Waarom Adam niet het vermogen heeft gekregen staande te blijven is voor ons verborgen. Het is volgens Calvijn onbillijk van God te eisen dat hij een mens had moeten maken die niet kon zondigen. We hebben hierin volgens hem wijs te zijn tot matigheid in ons denken. De vrije wil is volgens Calvijn, en hierbij beroept hij zich op Augustinus, het vermogen van de mens om het goede te kiezen als de genade bijstand verleent, maar dat enkel het kwade kan kiezen zonder de genade. Calvijn is daarom terughoudend in het spreken van een ‘vrije wil’. De mens moet niet op zichzelf beroemen, maar in alle nederigheid steun bij de Heer zoeken. Calvijn maakt een onderscheid tussen noodzaak (neccesitas) en dwang (coercia). De mens zondigt namelijk niet gedwongen, maar wel noodzakelijk. De wil is dus niet onvrij in de zin dat de mens wordt gedwongen tot zonde, maar de wil is van nature tot het kwade geneigd en zondigt als gevolg hiervan noodzakelijk. Zonder het hanteren van dit onderscheid is er volgens Calvijn onherroepelijk sprake van aanstoot aan deze leer. Calvijn ontleent hierbij een beeld aan Augustinus over de mens als paard dat door God of door de duivel wordt bereden. Hierbij is het niet zo dat de duivel de mens dwingt tot een bepaald handelen, nee, de duivel spiegelt de mens de zaken zo voor dat hij niet anders wil dan handelen naar wat de duivel voorspiegelt. De tweede stelling van Calvijn tegenover Houtepen is dan ook dat de menselijke wil ondergeschikt is aan Gods heerschappij. Hier zijn we beland in Calvijns voorzienigheidsleer. God draagt zorg voor de wereld die hij heeft geschapen. Contingentie bestaat niet: wat in onze ogen contingent lijkt zal het geloof erkennen


als een aandrijvende kracht van God. Calvijn geeft hiervan een illustratie met Job. Job wordt overvallen door de Chaldeeën. De Chaldeeën handelen hier uit vrije wil, hun doel is winstbejag en hun middel is geweld. Hierachter zit de duivel. Zijn doel is om Job van zijn geloof af te brengen en zijn middel is het winstbejag van de Chaldeeën. Daarachter zit weer de toestemming van God. Zijn doel is om Jobs geloof te beproeven en zijn middel is het slechte plan van de duivel. Alle drie handelen uit vrije wil, maar toch is alle wil ondergeschikt aan Gods wil. Volgens Calvijn moet dit dwingen tot bescheidenheid, we moeten God niet dwingen rekenschap af te leggen. De voorzienigheidsleer is ook juist bedoeld tot troost. Als God al zorgt voor een musje, hoeveel meer niet voor ons? Juist in tegenspoed vindt de mens steun in de leer van Gods voorzienigheid. Hoe ondraaglijk zou ons leven wel niet zijn zonder de voorzienigheid? Het gevaar schuilt immers om elke hoek. De derde stelling van Calvijn is dat de mens toch verantwoordelijk is. De voorzienigheidsleer ontslaat ons daar niet van. Op die wijze zouden immers alle misdaden deugden worden, omdat deze door God zo beschikt zijn. Als illustratie noemt Calvijn 2 Samuël 10. Joab wist dat de slag tegen de Filistijnen in handen van God lag. Maar dat betekende niet dat hij zich niet met volle inzet inspande voor de strijd. God gebruikt in zijn voorzienigheid ook ons. Calvijn waarschuwt hier voor twee klippen. Enerzijds moet de mens niet alle goeds worden ontzegd, want dan zou hij niets meer doen. Anderzijds moet hem ook niet te veel worden toegezegd, want anders zou hij zich hierop kunnen gaan beroemen.

Verantwoording

Mijn verantwoording van Calvijns gedachtegoed tegenover dat van Houtepen bestaat uit drie delen, namelijk filosofie, Schrift en traditie die ik hier achtereenvolgens langsga alvorens tot een besluit te komen. Dit doe ik omwille van de ruimte meer illustratief dan volledig.

In mijn filosofische overwegingen heb ik gelet op twee filosofen die door Houtepen worden aangehaald, namelijk Paul Ricoeur en Isaiah Berlin. Een uitgebreide behandeling van Ricoeur laat ik achterwege. Wel merk ik op dat Ricoeurs mensbeeld in zeker opzicht beter aansluit bij Calvijn dan bij Houtepen. Dit uit zich ook in Houtepens kritiek op Ricoeur dat hierboven al aan de orde kwam. Berlin werpt een interessant licht op Calvijn. Bij hantering van Berlins twee concepten blijkt dat een onvermogen tot het goede vrijheid in positieve zin niet uitsluit, een bepaalde mate van vrijheid in negatieve zin wel. Nu is volledige vrijheid in negatieve zin, zoals Berlin zelf ook betoogt, niet mogelijk. Een streven hierna zou volgens hem nog kunnen door wat hij noemt ‘the retreat to the inner citadel’: door je in jezelf op te sluiten en de buitenwereld die jou beklemt te negeren. Het is dus afhankelijk van het gehanteerde vrijheidsbegrip in welke mate je de mens vrij kunt noemen in Calvijns gedachtegoed. In de tweede plaats zou men in het licht van Gods voorzienigheid kunnen stellen dat de mens slechts instrument van God is en zodoende geen vrijheid (in negatieve zin) zou kunnen bezitten. Berlins twee concepten blijken hier wederom een ander licht te kunnen werpen op de zaak. Wanneer namelijk een positief concept van vrijheid wordt gehanteerd heeft de mens, zoals Calvijn zegt, verantwoordelijkheid gekregen om voor zichzelf te zorgen en zijn ontvangen gaven te gebruiken. God gebruikt ons dan wellicht in zijn voorzienigheid, maar wanneer je het startpunt neemt bij de gegeven vrijheid aan de mens is Gods voorzienig handelen door onze vrijheid geen probleem. Dit zolang je maar erkent dat er een hoger niveau van vrijheid kan bestaan die ons verstand te boven gaat. Alhoewel we lang niet alle filosofische referenties van Houtepen hebben bestudeerd, geven we met Berlin toch een illustratieve bijdrage aan onze beeldvorming van wat er onder Houtepens gedachtegoed aan filosofische fundamenten ligt. Op basis van wat is onderzocht kan gesteld worden dat Ricoeur en Berlin een licht werpen op 13


het begrip van vrijheid en verantwoordelijkheid bij Calvijn waar Houtepen geheel aan voorbij gaat. Hij spreekt over de reformatorische traditie vooral in eenzijdige beelden en soms zelfs in karikaturen. In het licht van de vele filosofische referenties die hij gebruikt en die juist laten zien dat Calvijn ten volle serieus kan en dus moet worden genomen (dit meen ik hierboven te hebben geïllustreerd), is dit teleurstellend te noemen. Zeker wanneer we opmerken dat Houtepen juist oecumenisch meent te zijn. In de tweede plaats letten we op het schriftgebruik van Houtepen en Calvijn. Eén van de bezwaren van Houtepen tegen de erfzondeleer is dat deze de mensen tot gemankeerde wezens maakt. Dit is volgens hem een smet op de abrahamitische religies. Dit illustreert hij met Psalm 51. Het gebruik van deze tekst spreekt boekdelen over de schriftleer van Houtepen. Calvijn haalt deze psalm namelijk juist aan als argument voor de erfzonde. Volgens Houtepen leidt een erfzondeleer tot onverantwoordelijke mensen. Dit is echter niet wat Calvijn juist bestrijdt met zijn onderscheid tussen noodzaak en dwang. Een ander bezwaar van Houtepen is dat een erfzondeleer Genesis tot een soort oer-theodicee maakt. Hiermee suggereert hij dat Genesis door de reformatorische traditie wordt gebruikt om een probleem op te lossen, namelijk het probleem van het kwaad. Calvijn probeert echter duidelijk geen problemen op te lossen met een beroep op Romeinen 12,3. Hij spreekt juist over de verborgen raad van God en roept op tot matigheid in het proberen greep te krijgen op Gods plan. Het is juist Houtepen die naar schijnbare willekeur de Schrift hier symbolisch en daar letterlijk gebruikt om het in zijn antropologie in te passen. Wanneer we letten op het probleem van het theologisch determinisme maakt Houtepen gebruik van een participatieleer om het probleem op te lossen. Hij zet zich hierbij af tegen de Heidelbergse Catechismus. Hij stelt dat de reformatorische traditie nooit de tweespalt tussen enerzijds predestinatieleer en anderzijds de vrijheid en verantwoordelijkheid van de mens goed heeft kunnen oplossen. Alhoewel Houtepen 14

bij zijn afwijzing van de Catechismus zelfs de sleutelteksten noemt, doet hij geen enkele moeite om dit schriftgebruik van een weerwoord te voorzien. Zelf komt hij met een filosofie over het mysterie van absolute vrijheid. Calvijn daarentegen stelt nadrukkelijk dat de menselijke wil ondergeschikt is aan Gods heerschappij en geeft hierbij meerdere bijbelse illustraties zoals Job. Houtepen doet geen enkele moeite om zijn filosofie te onderbouwen vanuit de Schrift. Betreft het schriftgebruik kan de conclusie getrokken worden dat Calvijn het volste recht tracht te doen aan de Schrift als Woord van God terwijl Houtepen de Schrift veel minder lijkt op te vatten als bijzondere openbaring van God. Houtepen maakt veel gebruik van de Schrift, maar is daarin selectief en vat verhalen naar schijnbare willekeur symbolisch op. Nu blijkt uit de inleiding van Houtepens antropologie dat hij zich niet op openbaringskanalen wil beroepen omdat daarmee iedere discussie met ongelovige tijdgenoten onmogelijk wordt. Toch maakt hij het er zich te gemakkelijk van af door de reformatorische traditie weinig serieus te nemen en niet in te gaan op de onderbouwing van hun leerstukken. Hierin stelt hij zichzelf op zijn beurt buiten iedere discussie met andere gelovigen die de Schrift wel als bijzondere openbaring opvatten. Wederom is zijn gepretendeerde oecumenische houding hierin teleurstellend. Betreft gebruik van de traditie heb ik studie gemaakt van Augustinus’ De gratia et libero arbitrio. Dit verraadt een voorkeur voor Calvijn. Dit acht ik echter gerechtvaardigd door de insteek van het achterliggende onderzoek, namelijk een verantwoording van Calvijns gedachtegoed en niet zozeer een vergelijking. Calvijn haalt Augustinus herhaaldelijk aan en ook bij zelfstandige bestudering van Augustinus lijkt zijn gedachtegoed in lijn met dat van Calvijn te zijn. Houtepen noemt Augustinus slechts sporadisch in zijn antropologie. Dit terwijl hij zich wel meermalen beroept op de kerkvaders in het algemeen. Bijvoorbeeld dat ze verkeerd zijn begrepen wanneer het gaat over de erfzondeleer. Hiervoor is geen enkele grond te vinden bij


Augustinus. Wat dat betreft verantwoordt Houtepen zich onvoldoende over zijn gebruik van de vroegchristelijke traditie.

Besluit

Nu we diverse overwegingen op een rij hebben gezet komen we tot een besluit van deze verantwoording. We hebben gezien hoe Houtepens filosofische referenties ook gebruikt kunnen worden om de reformatorische traditie van Calvijn te steunen. We hebben gezien hoe Calvijn ten volle recht tracht te doen aan de Schrift terwijl Houtepen op dit gebied de Schrift niet als openbaringsgegeven zondermeer accepteert. Ten slotte hebben we gezien hoe Houtepen aan de traditie van Augustinus zonder verklaring voorbij gaat, terwijl Calvijn veel van zijn gedachtegoed aan de kerkvader ontleent. Over het geheel genomen lijkt Houtepen de reformatorische traditie onvoldoende serieus te behandelen door deze traditie vaak eenzijdig en soms zelfs in karikaturen weer te geven. Alhoewel hij tracht om aansluiting te zoeken bij mensen die niet geloven in een bijzondere openbaring van de Schrift passeert hij in zijn antropologie vele christenen die de Bijbel wel zien als een bijzondere openbaring.

gezien dat onze overwegingen het eerste een te positieve inkleuring van de werkelijkheid achten die slecht recht doet aan de Schrift en we hebben gezien dat er diverse overwegingen vanuit de Schrift, de traditie en de filosofie aan te voeren zijn om het tweede te steunen.

Literatuur

Augustinus, De gratia et libero arbitrio, ed. Peter King (Cambridge: Cambridge University Press, 2010). Berlin, I., Four Essays on Liberty (Oxford: Oxford University Press, 1982). Calvijn, Institutio christianae religionis, ed. C.A. de Niet (Houten: Den Hertog, 2009). Houtepen, A.W.J., Uit aarde, naar Gods beeld (Zoetermeer: Meinema, 2006). Mitchell, David, Cloud Atlas (London: Hodder and Stoughton Ltd, 2004). Ricoeur, Paul, The Symbolism of Evil (Boston: Beacon Press, 1969).

De uiteindelijke verschillen tussen Houtepen en Calvijn in hun opvatting over de morele verantwoordelijk tegenover God en medemens zijn desalniettemin verrassend klein. De hele gedachte die hieraan ten grondslag ligt verschilt echter fundamenteel. Beiden stellen dat de mens ten volle verantwoordelijk is voor zijn doen en laten. Beiden ontkennen niet het bestaan van de vrije wil voor zover deze noodzakelijk is om deze verantwoordelijkheid te nemen. Beiden stellen ook dat de mens enkel uit genade het goede kunnen doen. Het is precies in de inhoud van de genade waar het fundamentele verschil zit. Is deze genade, zoals Houtepen stelt, de gratu誰teit van het leven die de mens vraagt om God welgevallig te leven, maar de mens hier verder volledig vrij in laat? Of is deze genade, zoals Calvijn stelt, noodzakelijk om de mens uit zijn zondige bestaan als gevolg van de zondeval te redden? We hebben W.A. Oosterhof

15


sPeL spelen, is het niet heerlijk? spelen, is dat niet zo iets als mens zijn? spelen, is er eigenlijk iets dat je meer vervult dan dat? spelen, het is alsof de uren er niet meer toe doen. spelen, het kleedt de tijd in goud. spelen, geen dag kun je zonder. spelen, je kunt er het jaar mee rondkomen. *** Halfweg de zomer begint het te kriebelen. Je wilt de andere spelers weer zien. en, bijzonder, de nieuwe‌ Hoe zouden ze zijn? Zouden ze er feeling voor hebben? Onvermijdelijk zal het spel veranderen, als er anderen gaan meedoen. Wat wordt hun inbreng? Laten we ze in ieder geval wat voorspelen! niet te lang rekken, deze fase. beetje licht en rustig houden. Voorspel is vooral leuk om er zin in te krijgen. *** spel. Kun je daar een definitie van geven? Kun je een buitenstaander vertellen wat er door je heen gaat onder het spelen? Kun je spelregels uitdenken die het spelverloop echt vast leggen? Kun je de uitkomst van het spel bepalen? is er een doel dat je kunt bereiken? is niet het spel het doel? Laat speelsheid zich vangen? spelvreugde zich kanaliseren? Wie acht het bord belangrijker dan de spelers? Wie gaat voor de score en miskent de deelnemers? Welk spel bestaat bij de gratie van pionnen? Wie maakt zich ondergeschikt aan louter attributen? Wie gaat voor de fiches of voor een snelle finish? Proef dat woord: finish‌ streef je in je spel echt naar het einde? berg de stukken op. negeer het speelbord. Vergeet de score. Laat niemand winnen! spel bestaat alleen tussen wie spelen. Ontmoet elkaar of verlaat anders het spel. Geef je aan elkaar en zo aan het spel. Het geheim heet samen-spel.


*** spelen doe je samen. dat is dan ook alles. Letterlijk alles. Want ‘samen’ is communiceren. en wat een kanalen hebben we daarvoor. een breed speelveld aan opties. maar dat veld heeft een brandpunt. in het hart van communicatie is het woord waarmee we communiceren. de middenstip van ons spel. Woord-spel is het hart van ons samenspel. Zijn we samen, dan geven we elkaar het woord. spel het en speel er mee. Geef het terug en geef het door. daag uit en incasseer. nodig uit en duelleer. Ontvang en geef mee. dan komt het altijd boven water: gaat het om jou of de ander? ben je alleen of samen? scoor je tegen of speel je mee? spelen doen we met het woord. Vierend dat we elkaar kunnen bereiken. mens zijn met elkaar. spelen doe je samen. *** spelbederf. Het komt voor. dan spat het spel uiteen. maar dieper nog: al spelend splijt het tussen ons. Konden we het maar wegnemen door ons speelplezier! *** spelen, geen dag kun je zonder. en toch … er is een dag …! ‘dag van het spel’ noem ik hem. alles leggen we dan weg. College, docent, tentamen, curriculum, toets, periodeboek, niets doet er meer toe. de dag is daar. en we spelen zolang het dag is. is dat nodig, zo’n dag? ach, wat een spel-vergeten vraag! Hoe nodig is mijn verjaardag? Of jouw trouwfeest? Hoe nodig die songtekst, dat wijsje, dat speeltje? Hoe nodig is voorspel of naspel? spelen past in geen meetlat of nuttigheidsschaal. elk feest is overbodig. en daarom kunnen we het niet missen. Vier wat je vieren kan. dan is het feest een licht dat het alledaagse verlicht. Speel als je spelen kan. Vier de dag van het spel. en in wat jouw alledaagse je neer drukt gaat iets glanzen. niemand ontneemt ons het spel. Vier de dag van het spel. Wie nu niet mee doet staat buitenspel. elke dag. spelen is leven. beter dan overleven. spelen, het is zo iets als mens zijn. *** Wanneer het spel uit is? Welk mens, die echt speelt, vraagt daar naar? Heb je er al genoeg van? ben je zo snel uitgespeeld? We spelen nog maar anderhalve eeuw. Kom, het spel gaat verder. en verder … Cornulist


meditatie de naam die boven alle namen staat daarom ook heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen staat, opdat in de naam van Jezus iedere knie zich zou buigen, in de hemel, op aarde en onder de aarde en iedere tong zou belijden tot eer van God, de Vader: de Heer, dat is Jezus Christus. (Fil. 2:9-11, WV) JHWH duldt geen concurrenten, hij deelt zijn glorie met niemand anders (Jes. 42:8). Waar halen de eerste christenen de moed vandaan Jezus op één lijn te zetten met de God van israël? in een passage in een brief van Paulus aan de christelijke gemeente in Filippi, een stad in macedonië, laat de apostel van Jezus Christus zien hoe hij erbij komt zijn opdrachtgever te laten delen in de glorie van de enige Heer. Paulus heeft het niet zelf verzonnen. Hij doet verslag van wat God heeft gedaan. Het brein achter zo’n hoge positie voor Jezus is God zelf. en God geeft Jezus ook nog eens een bijzondere naam. We hoeven niet te raden welke naam dat is. dat wordt snel duidelijk uit de woorden die volgen. Je begint de betekenis en strekking van die woorden pas goed te peilen als je er een passage uit het Oude testament naast zet: ik ben God, er is geen ander. ik heb bij mijzelf gezworen: uit mijn mond komt gerechtigheid voort, een woord dat ik spreek wordt niet herroepen. Voor mij zal elke knie zich buigen en elke tong zal bij mij zweren. (Jes. 45:22-23, nbV) JHWH presenteert zichzelf als enig in zijn soort: ‘er is geen ander’ (vgl. ‘er is geen andere god dan ik alleen, buiten mij bestaat geen god die rechtvaardig is en redt’ in het voorafgaande vers). JHWH is degene voor wie ‘elke knie’ zich zal buigen, het is zijn naam waarbij ‘elke tong’ zal zweren. in de passage uit de brief van Paulus komen de woorden knie en tong terug. maar nu is het de bedoeling dat iedere knie zich buigt ‘in de naam van Jezus’ en iedere tong een belijdenis uitspreekt: ‘de Heer, dat is Jezus Christus’. die belijdenis maakt duidelijk welke naam God aan Jezus geeft: hij mag de naam ‘Heer’, de griekse vertaling van JHWH, dragen. in dit geval is er van concurrentie geen sprake: wie de belijdenis ‘de Heer, dat is Jezus Christus’ uitspreekt, eert daarmee God. Opeens wordt hij hier aangeduid als ‘de Vader’. de Vader heeft zijn unieke naam aan Jezus verleend. de belijdenis uitspreken betekent instemmen met deze goddelijke naamgeving.

18


daarom eén woord uit Fil. 2:9-11 verdient nog speciale aandacht, het eerste woord: ‘daarom’. God had een reden voor het geven van een hoge positie en een bijzondere aan Jezus. die reden wordt uiteengezet aan in de drie verzen die aan het woord daarom voorafgaan. drie verzen: dat is wat Paulus nodig heeft om de essentie van de wereldgeschiedenis tot op dat moment - en wat daaraan voorafgaat - samen te vatten. Het begint met de unieke positie die de persoon die wij nu kennen als Jezus Christus altijd al gehad heeft. Paulus gebruikt woorden die ons menselijk voorstellingsvermogen tot het uiterste oprekken. Jezus Christus had al een bestaan voor hij als mens op aarde geboren werd: hij ‘bestond in de gestalte van God’. maar hij was bereid afstand te doen van de voorrechten die aan die bijzondere positie verbonden waren. in plaats van zich vast te klampen aan zijn gelijk-aan-God zijn heeft hij de gestalte van een slaaf aangenomen en is hij een mens geworden. en de vernedering ging nog dieper: hij bleef zijn missie gehoorzaam ook toen dat betekende dat hij een gruwelijke dood moest sterven, vastgespijkerd aan een kruis, het martelwerktuig dat de romeinse autoriteiten gebruikten om veroordeelde misdadigers terecht te stellen. Waarom deelt Jezus in de glorie van JHWH, de God van israël? daarom.

W.H. rose

19


Mijmeringen

Hebt u dat wel eens? Dat u denkt ‘Hé, dat is grappig! Ik vraag me af of iemand anders dat ook wel eens bedacht heeft. Misschien moet ik er eens een Cornu-artikeltje over schrijven’. Aan het aantal ingezonden Cornuartikelen te zien waarschijnlijk niet. Of u denkt het wel, maar doet er – net als ikzelf de afgelopen jaren – niets mee. Jammer! Persoonlijk vind ik de gekke en onzinnige rubrieken van slechts één of twee pagina’s namelijk vaak het leukst om te lezen. Daarom zal ik hieronder enkele mijmeringen die mijn hoofd vulden in bed, tijdens college of achter de balie op de TU met u delen. Hebt u bijvoorbeeld wel eens nagedacht over de namen van uw amicae amicique? Dat we op het Corps niet twee, maar wel drie Jeroenen (Jeroens?) hebben bijvoorbeeld. En een Wim, Wim, Tim en Tom. En dat jaargroep 2012 qua namen grappig is omdat hij bestaat uit tweemaal Kamp, tweemaal Wiskerke en tweemaal een wat viezige achternaam. Ook leuk om over na te denken (als je niets beters te doen hebt of niet kunt slapen) is het aantal lettergrepen van de namen van corpsleden. Er zijn redelijk wat korte namen zoals Wim-Hoorn, Wim-Schaaij, Lars-Kort , Jaap-Plas en Tim-Kamp. Ook lange namen zoals Jo-han-nes-van-Be-ve-ren, Mar-tenWy-be-van-der-Veen en Ja-co-lien-van-Ee-ke-ren zijn niet helemaal zeldzaam. Maar niemand, maar dan ook helemaal niemand heeft het tot nu toe kunnen winnen van amica An-ne-ma-rie-Kuij-ven-ho-ven-Dwars-huis. Iets wat mij opviel toen ik de nieuwe almanak doorbladerde: het lijkt erop dat elke Vaandrig in zijn functie zoveel mooie dingen ziet gebeuren rond de Senaat dat hij het jaar daarop zelf Praetor wordt. En als de Vaandrig niet altijd aanwezig is heeft dat ook meteen gevolgen: als amice Oosterveld zich te vaak laat vervangen door amice Dubbink wordt hij geen Praetor, maar amice Dubbink later wel. Is het u ook opgevallen dat laatstgenoemde amice op welgeteld drie van de vijf senaatsfoto’s in de almanak staat? Elk jaar van zijn lidmaatschap stond hij bij de grote meneren. Geweldig, zoveel hart voor het Corps. Misschien kan er een functie komen voor amici die graag regeren, senator ad aeternam ofzoiets. Of is hij stiekem een sluwe dictator?

20

S. Hooiveld-Boven


21


Zoals wij in de vorige editie al opmerkten valt er nog veel te verbeteren aan de mode in Kampen. Gezien de overweldigende hoeveelheid reacties, geschokt maar bereid tot verbetering, verwachten wij gedurende het jaar een ware revolutie te kunnen ontketenen. Maar wij zijn er nog niet. Dat ziet u. Daarom gaan wij dit keer te rade bij de ouden. Ditmaal kan amice Kamp jr. het bijbelwoord beamen: ik ben niet beter dan mijn voorouders (1 Kon. 19,4). Maar ook die voorouder ontkomt niet aan onze kritische pen. U vraagt naar het thema van deze editie? Dat is ongepastheid. 1. Ga met je leeftijd mee Vraag jezelf het eens eerlijk af: loop je er nog bij zoals tien jaar geleden? Tim mag hier dan de pose aannemen van een volleerd fotomodel, hij is een studentje. En nog maar koud tweedejaars! Maar wel tweedejaars (!). Dat betekent dat hij zich op een Universiteit bevindt, en niet in de gangen van een middelbare school. Am. reünist Schilder daarentegen bevindt zich op een strand. Een strand. Komt u daar ook wel eens? Men draagt er over het algemeen nog minder kleding dan op de middelbare school. Misschien is K.S. indertijd bang geweest om zwemkleding te dragen vanwege zijn leeftijd. Maar naar ons oordeel was die angst ongegrond. Leeftijd ontslaat iemand niet van de plicht zich aan te passen aan zijn omgeving. 2. Wees niet bang om te veranderen Als je maar trouw blijft aan jezelf! Trek dus eens een zwembroek aan. Dat kan heel leuk staan. Bij de H&M verkopen ze geriefelijke modelletjes voor weinig geld. Het proberen waard! Hij zou ook kunnen kiezen voor een modelletje CK. Iets aan de prijs, maar het staat wel alleraardigst. En het past beter bij zijn statuur. Bij Tim zie je dat hij in zijn ontwikkeling iets achterloopt op zijn leeftijdsgenoten. De kleding toont dit genoegzaam aan. Waar de meesten de kloffies die hun pubertijd sierden aan de wilgen hebben gehangen en hebben verruild voor een net pak, op zijn minst een pantalon (kleuren zijn toegestaan en zelfs aan te bevelen!) en –al dan niet nette schoenen met lage hak-, daar loopt Tim nog frivool in zijn kinderkleding. Tijd om te veranderen, Tim! We helpen je graag. Kom maar eens langs op één van onze adviesavonden.


3. Don’t try to hard Wat je ook doet, bedenkt, experimenteert, vermijd een overdosis. Om maar bij K.S. te beginnen; in pak op het strand is duidelijk overdressed! Tim: luister jij maar niet naar stelregel 3. Was het maar zo dat we jou op dit punt moesten aanspreken. 4. Doe het met accessoires Een enkel, stijlvol accessoire kan je look totaal veranderen. Tim kan op dit punt nog veel van zijn voorman leren. Heerlijk, die bolhoed. Bijpassende fiets, met retro-koplamp. Superhip! K.S. was zijn tijd ver vooruit. De mooie das, het klokje met bijpassende ketting, het klopt gewoon. Om over Jopie nog maar te zwijgen. Het giletje, of wat het ook maar mag zijn, lijkt op een stuk geknipte trui. Maar het gaat wel in de goede richting. Laagjes zijn goed. En het is tenminste niet zo’n prefab laagjestrui, die tegenwoordig als paddenstoelen uit de grond schieten bij de WE en elders. U kent ze wel. U denkt: zo, die kan goed combineren. Maar dan blijkt het zo prachtig kleurende overhemd non-existent. Het is een fictie. Een trui met lappen die een kraag van een overhemd moeten suggereren. 5. Heb het lef om dingen weg te gooien Rult de wol van je trui, staan er knieën in je broek of krijg je de transpiratievlekken niet meer uit je witte T-shirt, heb dan het lef ze weg te gooien. K.S., gooi alsjeblieft niks weg! Maar hang het wel in de kast wanneer u naar het strand gaat. Als u echt niet zonder hoofddeksel wil verschijnen, verruil dan de bolhoed voor een strohoed. Misschien kunt u er dan één van de halmen uittrekken om daar tevreden op te sabbelen. Tim is nog maar één stap verwijderd van een echt en rijk studentenleven: werp het nepgiletje in het vuur en schaf uzelf fatsoenlijke kledij aan. Vervang uw sneakers door mocassins. 6. Het succes zit in je houding Wees zeker van jezelf, geloof in jezelf, beweeg je beheerst en rustig, en wees vooral jezelf. K.S. straalt een gearriveerdheid uit die terecht is. Hij is een man die het gemaakt heeft. Kleding, fiets en houding zijn prachtig in balans. Als de tonen in een goede koffie. Niks meer aan doen. Ook Tim verrast ons op dit punt. De pose waar wij in het begin al over spraken is er één die zowel vrolijke jonkheid als stabiele volwassenheid uitdrukt, in combinatie met een goed gehalte joie de vivre, en –we kunnen er niet omheen- een ongelofelijk sex appeal. Het gaat helemaal goed komen met deze jongen, hou hem in de gaten!


Kennismaking studentenwerker proef bij ‘gewone’ studenten. Wie weet ligt het percentage dan een stuk hoger dan bij een niettheologiestudenten en zijn de theologiestudenten nog ‘relatief barmhartig’ te noemen. En toch zou het onderzoek lang niet zo spannend zijn wanneer het onder gewone studenten gedaan zou zijn. Dat het juist theologiestudenten zijn die juist met een preek over de Barmhartige Samaritaan bezig waren, maakt het onderzoek interessant. Want als ze zelfs tijdens een voorbereiding van een preek over dit onderwerp, er weinig van laten zien in hun eigen leven: waarom zou je dan überhaupt hun boodschap serieus nemen?

Amicae et Amici, waarde, beste, etc, etc, ‘From Jerusalem to Jericho’. Zoek op Google naar theologiestudenten en dit is één van eerste hits. Theologiestudenten zijn, zo blijkt uit dit onderzoek uit 1973, niet zo barmhartig als ze in tijdnood zijn. Een groep studenten was gevraagd een preek te schrijven over de Barmhartige Samaritaan en werden na het laatste college naar een andere zaal gestuurd waar ze hun preek zouden houden. Onderweg naar die zaal toe was een acteur gepositioneerd die in elkaar zakte wanneer de studenten langs kwamen. Bijna alle studenten hielpen de man. De volgende keer zorgden de docenten ervoor dat de studenten te laat vertrokken en nog maar 63% hielp de man. Weer later meldden de docenten dat ze met grote haast naar het andere gebouw moesten, en nu hielp slechts 10% van de studenten de man in nood... Op het onderzoek zelf valt genoeg af te dingen. Zo meldt het onderzoek niets over eenzelfde

24

Theologen. Vroeger hadden ze nog wat te zeggen, maar vandaag de dag is de theoloog slechts één van 17 miljoen stemmen die zich elke dag roeren op Facebook, blogs, in kranten, op Twitter en in andere bladen. Maar hoewel de mening van een theoloog sterk gerelativeerd is, neemt de verwachting van theologen sterk toe. Meer dan eens heeft de kerk moeite met het zowel vasthouden van de eigen achterban, alsook met het helder communiceren van het evangelie naar de seculiere cultuur. Deze combinatie, van sterke relativering van het ambt en tegelijk hoge verwachtingen, vragen volgens mij een opbouwend netwerk rondom theologiestudenten. Theologenverenigingen als FQI, PFSAR, Themelios, Bonifatius en Voetius zijn daar goede voorbeelden van, mits ze ook echt die rol innemen als opbouwend netwerk. Per 1 april 2013 ben ik aan de slag gegaan als studentenwerker voor theologiestudenten bij IFES (International Fellowship of Evangelical Students). Mocht u van IFES nooit gehoord hebben, dan misschien wel van PoINT, het Platform onder IFES Nederland voor Theologenstudenten. Het idee achter dit in de jaren ‘90 opgerichte platform


is de ontmoeting met andere theologiestudenten, met een bijzondere plaats voor de uitdagingen die theologiestudenten onderling gemeen hebben. Dat kan de vraag zijn naar de omgang met historische kritische bijbeluitleg, maar volgens mij nog veel meer: de uitdagingen van kerk-zijn in een postmoderne cultuur. Daarbij gaat het om geloofsvorming (en twijfel), persoonlijke ontwikkeling en interactie met de uitdagingen van deze tijd (wat is de betekenis van het evangelie van Jezus Christus in een post-christelijk land?). Concreet houd ik me bij IFES met het volgende bezig:

• •

Het (mede) organiseren van vier ‘PoINT meets...’ per jaar. Deze meetings zijn Interstedelijk, Informeel en Persoonlijk. Het idee is: een theoloog ontmoeten in huiskamersetting. Zo is er meer ruimte voor persoonlijke vragen en kan er gesproken worden met de persoon achter de theologie. Daarnaast is er veel ruimte voor borrelen met mede-theologiestudenten uit andere steden en van andere kerkelijke achtergronden. Het coachen en adviseren van besturen van de theologenverenigingen, in het bijzonder op het gebied van christelijk leiderschap en de vormgeving van Bijbelkringen. Het uitnodigen en organiseren van congressen van IFES voor besturen, kringleiders en christenstudenten. Daarnaast is er eens per jaar een Europese meeting van theologiestudenten, in de zomer. Persoonlijke coaching en ondersteuning van theologiestudenten rondom persooonlijke- en geloofsvragen. Het uitdenken en opzetten van nieuwe dingen, waarbinnen theologiestudenten

worden voorbereid op de eerder genoemde missionaire uitdagingen voor theologen vandaag de dag. Zijn er dingen waar je me over wilt spreken, laat het me dan weten! Jurjen@ifes.nl. Verder hoop ik regelmatig te vinden te zijn op uw borrels, soos en kroeg.

Amicaliter, tot ziens, Jurjen de Bruijne

Jurjen de Bruijne studeerde theologie in Ede (GPW) en Kampen (TU, Master Missionaire Gemeente) en is per 1 april voor 2 dagen in de week werkzaam bij IFES als studentenwerker voor Theologiestudenten. Daarnaast is hij als onderzoeker verbonden aan de Oude Kerk gemeente in Amsterdam (PKN) om onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor gemeentestichting in de binnenstad van Amsterdam. Jurjen woont zelf met zijn vrouw Gerlinde in Amsterdam in de christelijke leefgemeenschap ‘Oudezijds100’.

25


stamboom Alberts nu:

toen:

nu:

toen:

nu:

toen:

nu:

toen:

Ik ben gepensioneerd, na mijn werk als zendeling (Papua) en predikant. Woon in Hattem. Nu de kinderen de deur uit zijn, hebben mijn vrouw en ik veel tijd om samen de dingen te overwegen. We merken steeds meer: de wet van de HEER is volmaakt, levenskracht voor de mens (Psalm 19 en 119). Van daaruit mag ik nog regelmatig voorgaan in kerkdiensten.

Ik ben in de gelukkige situatie dat ik nog bijna dagelijks met F.Q.I. te maken heb: van enthousiaste verhalen over roemruchte corpsvergaderingen, tot glazige blikken van studenten die het ondanks soosbezoek toch hebben kunnen opbrengen colleges te bezoeken. Ik bewonder F.Q.I. dat het na 150 jaar nog steeds zoveel kan betekenen.

Als predikant met veel plezier in verschillende gemeenten en regio’s actief (geweest): Mussel, Wezep, Capelle aan den IJssel en Schildwolde. Daarnaast gastdocent homiletiek in Kampen. Hobby’s: studeren, hardlopen, muziek. Getrouwd, drie kinderen.

Op dit moment ben ik predikant in Heemse (nadat ik eerst in Lemelerveld en in Beilen en Hooghalen heb gestaan). Ben getrouwd en heb vijf kinderen. Mijn hobby’s zijn wielrennen en Frankrijk.

28

G.M. van Dijk

In de tijd dat we actief lid waren van FQI (19611965) was het studentenaantal het kleinst: eerste t/m vierde jaar resp. 3,8,1,2 studenten. De spanningen in de kerk liepen op. Ik heb ontzettend genoten van de gesprekken met de amici. We hadden een hechte, goede band. In 1963 eeuwfeest FQI. Goede tijd!

Ik kwam hier in 1970 aan vanuit de GSV Groningen met een flinke groep mensen die daar de vooropleiding hadden gevolgd. Wij hadden wat moeite onze draai te vinden in F.Q.I., dat wij vergeleken met de GSV wel erg ouderwets vonden. Uiteindelijk ben ik toch praetor geworden, maar niet dan nadat we eerst het novitiaat op voet van ongelijkheid hadden afgeschaft. Dat dat, zij het onder een andere naam, weer zo vlug terug zou komen hadden we nooit gedacht.

Als student meegelift in het jaar van drieëndertig eerstejaars in 1987: voor sommige docenten een aanleiding om voor het eerst een tentamen schriftelijk af te nemen. Opvallend was de meerderheid van de bèta’s in ons jaar. Goede herinneringen aan de dispuutsactiviteiten van Phoenix.

In mijn studententijd was ik praetor tijdens het 27ste lustrum van F.Q.I., waarvan ik me vooral nog het geweldige waterpistooltjesgevecht herinner en een toespraak in de Broederkerk, waarin ik aangaf dat het studentencorps in de vijf jaar dat ik er was bijna gehalveerd was. Verder een geweldige tijd gehad op 86-I


J.H. alberts 1946 G. van de brink 1947

L.W.G. blokhuis 1948

d.J. dral 1950 G. mul 1952 J.t. Oldenhuis 1956

J. stuij 1957 Jac. Kruidhof 1961

P. busstra 1964

H. Klein 1966

e. Hoogendoorn 1966

C.J. de ruijter 1967

J.H. ulehake 1969

t.s. Huttinga 1970

b. Kamphuis 1970

F.H. Folkerts 1972

L. sollie 1973

J.W. v.d. Jagt 1973

t.K. van eerden 1975

a.J. Pol 1976

a. Gunnink 1977

a.H. van der Velden 1978 W.H. rose 1981

P.r. Gort 1979

Ph. troost 1986

J.J.a. Colijn 1984

J.H. baan 1982

J.J.a. Colijn 1984 C. van dusseldorp 1987 J.H. soepenberg 1989 r.d. mewe 1992 d.s. dreschler 1994

Op de stam van Fides Quaerit werden in 1945, naar interne pretentie, de ware taken van het huidige FQI geënt. Enkele takken waren vruchtbaar en wisten vele jaren kinderen voort te brengen. Er waren ook takken die kinderloos bleven of wezen die los van een tak onder moeders vleugels verkeerden. Eén tak is al bijna vanaf het begin prominent aanwezig: De ‘levende’ tak van de stamboom Alberts (1946). Wat is het geheim van de stamboom Alberts? Wie maken deel van haar uit? En wat is er van hen geworden?

1997 am. J.m. beute 1999

P.C. van ewijk 2001

am. L.H.L. Kamphuis 2001 am. b. van egmond 2003

ama. s.m. Kralt 2007

am. J.m. de Jong 2005

am. a. Jongeneel 2010

am. m. biewenga 2007

ama. a.m. Kuijvenhoven-dwarshuis 2008 ama. e.m. de Gelder 2010

am. e.C. Wiskerke 2012

29


Moreel beraad

In het tweede jaar van de bachelor moet voor het vak ethiek een korte nota worden gemaakt. Deze nota’s verdwijnen vaak snel in de vergetelheid, maar dat is eigenlijk jammer. Het gaat vaak om nota’s met interessante onderwerpen die in een kort bestek een ethisch antwoord bieden en het gesprek op gang kunnen brengen. Daarom in deze cornu een tweetal samenvattingen van recent vervaardigde nota’s. Lees, denk mee, en praat verder!

Eigenlijk worden er twee vragen gesteld, ho e je prostitutie moet beoorde len en hoe je als christen om mo et gaan met politiek.

Over prostitutie kun je als christen snel beslisse n. Vanuit de Bijbel wordt he t en het past niet binnen va ak expliciet veroordeeld het leven van een chris ten. Als je een prostitue gebr uik je iemand als ob e bezoekt, ject, om je eigen lusten te bevredigen. Lichame hoort bij iemands perso lijk heid on. Je ontneemt ieman ds hele integriteit als je lichaam ‘neemt’. Die int het egriteit hoort alleen Go d toe en kun je alleen in liefde delen. Voor elk mens geldt dat uiteindelijk geloof in Ch ristus alleen een complete redding biedt. Als christenen mogen we een leven met God beleven en uitstrale n, zodat meer mensen ge red kunnen worden. Maar geluk kig zorgt God ondertussen ook voor overheden die streven na ar een recht vaardige sam enlev ing. Als christen kun je hier een taak in hebben. Ik denk dat je dan prostitutie moet verbieden, omdat het op zichzelf al heel onrecht vaardig is. Daarbij moet je da n niet idealistisch een verbod uit vaardigen en er niet meer naar omkijken, want dan laat je de betrokkenen alsnog in de kou staan. Ik zou pleiten voor een verbod met een heel intensief handhavingsbeleid, want de praktijk is dat prosti tutie in Nederland heel veel vo orkomt, dat kan nooit (in één keer) verdwijnen. Gertjan Segers schrijft in Beru

sten:

‘Een tocht (over de wallen) is een tocht langs ‘broken dr eams’. Er zijn talloze verhalen over dwang, mish andeling, schulden aan po oiers en gedwongen abortussen. Met als rec ent dieptepunt de instro om van verstandelijk beperkte meisjes vanuit Oo st-Europa, die worden ver ha ndeld als ‘dames van plezier’.

I.H. Hofsink 30


in hoeverre i sh e

d paar geoo r l oof o of erl d om

een (christelijk r o o )v tv

Het is erg in gew ik keld om te ko men tot een praktische handreik ing voor verloofde jo ngeren. Het is in strijd met de christelijke v rijheid om elkaar door midde l va n een wetboek de les te leze n als het gaat om intimite it voor het hu welijk. Toch kunnen w ethische ben e vanuit adering van de bijvoorbeeld concluderen Douma wel dat er wel d egelijk sprak moet zijn va e mag en n intimiteit v oor het huwe li jk. Het zijn de in tenties die ge w icht geven aan de zaak. De Bijbelse w aardering van seksua liteit verdie pt het nadenken o ver intimite it voor het huwelijk . Het wederz ijdse respect, d e gezame n lijke verantwoord elijk heid God en de ve voor rantwoordeli jk heid tegenover je omgev ing zij n pijlers van een gezo nde seksuele belev ing. De oproep om de ‘sch aamte van de v rouw ’ te laten bestaa n tot aan het huwelijk lijkt Bijbels ge overtuigend zien erg . Wanneer seksualiteit los wordt ge zien van de Schepper va hemel en a n arde kan he t verworden een lustmidd tot el, een v rijeti jd middel om gezond en fi sbesteding, een t te blijven voor de voort of alleen planting gere serveerd te z goed om jeze ijn. Het is lf de v raag te stellen, wat je is om seksu intentie eel actief te zijn. Handel ‘kuis of onku je daarin is’? Is de sek sualiteit bed jouw verlange oeld om ns te bev red igen of dient ook de ander? het De worstelin g die gepaard gaat met de strijd tegen se ksuele begee rt en is een worsteling d ie erbij hoort . Weet je als stel afhan kelijk van Go d en v raag Hem om k ra T.Kamp cht en hulp o m de goede strijd te stri jden en om je van Hem afhankelijk te weten als je te maken hebt met de gevolgen van seksualiteit voor het huw elijk.

t he or vo

lijk we hu

se

ks

u

ij e e l a c t i e f te z

n

31


Lang leev’ F.Q.I! Drie lustra en een eeuwwisseling van het illustere corps

“Fides Quaerit Intellectum”! Het is half 6. Van de torenklok klinkt het lied van Fides!” Dit zijn de beginwoorden uit een lustrumverslag, het Corps was 75 jaar geworden.1 En zeg nu zelf: daar gaat menig fidelenhart harder van kloppen. Tradities zijn er om in stand gehouden te worden. En geen vereniging kent zoveel tradities als het Corps. Maar is onze Dies nog te vergelijken met Dies uit het verleden? Ik neem u mee in de geschiedenis en laat u zien wat er aan festiviteiten gebeurd is in 1895, 1919 en 1939. Tot slot, misschien tot afgrijzen, vertel ik nog wat over het eeuwfeest van Quaerit – ja: toen bestond Quadrat al.

1 Geheel naar interne pretentie. In 1879 hadden de hoogleraren het Corps immers opgeheven omdat de Senaat en leden van geheim genootschap ‘Concordia Res Parvae Crescunt’ elkaar royeerden. Toen het Corps in hetzelfde jaar weer een doorstart maakte, verloor het Corps, op instigatie van de hoogleraren, het predicaat ‘opgericht in 1863’.

32


Gevierde Lustra

Lustra in het verleden waren anders. Tegenwoordig feesten wij een week lang, destijds vierde men twee dagen feest. Dit bestond onder andere uit een receptie, een vergadering en een diner. Hun Dies is als onze Dies, maar dan uitgesmeerd over twee dagen en een tikkeltje groter. Het is 31 januari 1895, het is de eerste dag. Om half 8 opent de Praetor de vergadering. Het geheel is muzikaal omluisterd met muziek van J.S. Bach, uitgevoerd door een dubbelkwartet. De Monitor volgt, en het blijft niet bij één . Maar eerst nog een voordracht getiteld “Abd-El Kader”, een speech van Prof. Biesterveld, even pauzeren, daarna drama, bestaande uit acht tableaux. 2 Wederom een pauze, een Monitor, een voordracht en een uitvoering door het dubbelkwartet. Ze zingen Händels oratorium “Tochter Zion, Freue Dich.” Tot slot een dagsluiting. 1 februari 1895, het is de tweede dag. Er wordt gestart met de receptie van den Senaat, gevolgd door het souper3, afgewisseld door speeches, toasten en voordrachten en muziekstukken en tot slot een sluiting van de fuif door de Assessor I.4 U ziet: de Dies van 1895 is nog relatief kort. Maar de romantici hebben niet geheel ongelijk, er is vooruitgang in de geschiedenis. Want het programma van het 8ste lustrum in 1919 is namelijk nog groter dan dat van 1895. Den 22en october 19195 en de 23en october 1919 wordt het 8ste lustrum van Fides Quaerit Intellectum gevierd.6 Om half 4 receptie en om 7 uur (precies!)7 de Gewone Corpsvergadering in de Groote Zaal der Buiten-Societeit. Ik zal u het hele programma besparen. Laat ik volstaan door te zeggen dat 2 Het is een drama op basis van beweging en niet van spraak, gelijk als mime, maar dan net anders. 3 Feestelijke maaltijd laat in de avond. 4 Kamper inventarisreeks 2, 257, stuk 46. 5 De oplettende lezer ziet dat de lustra niet altijd precies om de 5 jaar werden gevierd met een lustrumdies. Schrijver dezes is er nog niet uit of ze de Dies vieren in 1919 en 1934 om de hoogleraren tevreden te stellen (1879, voetnoot 1), of omdat ze nu gewend waren na de verjaardag van december hun fuif te houden. 6 Kamper inventarisreeks 2, 257, stuk 462. 7 Te laat komen is misschien wel één van de oudste tradities van het Corps!

33


het een inhoudelijk en cultureel rijk gevuld programma geweest is. Lezingen, muziek, blijspel, scherts, toespraken en redes. Niemand kan zeggen dat Afgescheiden studenten niet van cultuur hielden. Er wordt op orgel en viool Schubert ten gehore gebracht. Het is een Andante con moto uit de Symphonie in C-dur. De Praetor opent en de novitii worden plechtig geïnstalleerd! De rector van de School doet ook zijn zegje, een kluchtspel volgt en na de pauze volgt een speciaal jubellied aan F.Q.I. Voor uw vermaak heb ik het poëtisch op Sinterklaasniveau maar toch grappige lied voor u geciteerd:

Nu reeds 40 jaren, bestaat ge F.Q.I.! Dies met stem en snaren mijn hulde ik U biê Zoo wellen de Wenschen uit ’t hart vol poëzie En Juiche’ alle menschen Lang leev’ F.Q.I! Slotkoor:

Ja waarlijk, prachtig, wonderlieflijk! ’t Is een lied vol melodie. Zulke poëzie is ter eer van F.Q.I.! Dag 2 wordt begonnen om 3 uur met een lezing van Prof. Dr. T. Hoekstra over “Ambt en Liefde”. En om 6½ wordt de GCV8 voortgezet. Wederom orgel en viool. Een voordracht, een pantomime getiteld ’t geheim der Spiegel. Een lezing, een tableau, voordracht, monitor, prof. Schaduw (?), een blijspel en tot slot een souper in de Aula der Theol. School. Op dit punt moet ik nog eens nader ingaan. Want u weet dat de schrijver dezes van eten houdt, dus heeft hij uitgebreid de tijd genomen om menu’s door te spitten. Het vooroorlogse menu wordt gekenmerkt door de tuttige Franse keuken waarover menig 8 Nee, geen BCV.

34


kok zich vandaag de dag laatdunkend uitlaat. Het menukaartje van mejuffrouw G.H. de Jong:

Bouillon Huzarensalade Ossentong in gelei Pudding Taart Vruchten

Een nog leukere ontdekking deed ik toen ik uit nieuwsgierigheid voor eventuele liefdesbetuigingen de kaart eens omdraaide. Daar ontwaarde ik zowaar een ander gebruik: het verzamelen van de handtekeningen. Mejuffrouw de Jong had een hele kaart vol… Na het souper volgde een rondvraag en sluiting. Nu zult u zich afvragen of ze op tijd naar bed gingen nadat het officiële programma was afgelopen. Een citaat uit het lustrumverslag van het 15e lustrum laat daar weinig twijfel over bestaan: “Heb ie ’t al e-heurt? De studenten bin’n mooi an de gang e-west. ’s Morns um zeuv’n uur was ’t nog niet of-e-loopn! ’t Is ’n skande,

35


en d’r mutten ‘r eel wat dronkend e-west ebm!9 De schrijver volstond met de reactie et virtute gloriosum, te constanter praebas!10 Wat voor de Kamper bevolking en de jongerejaars glossolalie moet zijn. In dat jaar is er trouwens wel wat veranderd. Toneel is in 1939 niet meer gewenst. Een varium over dit toneelverbod laat zich hierover uit: “Een eerste stap tot ‘vereniging’ met Apeldoorn!” Hier gaat het fidelenhart toch van gloeien? Apeldoorn is altijd muf en saai geweest en het Corps heeft dit nooit leuk gevonden! U ziet, in de vaart der volkeren blijft F.Q.I. een vrij stabiel orgaan. Ook na de splitsing is F.Q.I. overeind gebleven. In de eerste jaren bleven twee rivaliserende corpora in de traditie staan. De één heeft dit altijd overleefd. De ander heeft haar ziel verkocht aan de oecumene. Een waarschuwing voor ons allen! Wie de groentijd afschaft, zal vergaan. Een wijze les.11

20ste lustrum,

een eeuwfeest van Fides Quaerit Intellectum De rechter oordeelde in het nadeel van Fides Quadrat Intellectum. Zo bestonden er dus 28 jaar na 1950 nog twee studentencorpora die elkaar niet konden luchten of zien. Nu is er in dit artikel geen ruimte om te zien of de Dies van Fides Quadrat Intellectum in 1963 een groot spektakel is geweest. De krantenknipsels wijden slechts uit over Fides Quaerit Intellectum. Ze bestond nog steeds, en toen stond ze ook nog in de traditie van de vaderen. Hoe dit feest eruit zag? Ik zal u een impressie van de buitenkant geven. Hoe schreven de kranten in ’63 over Quaerit? Het eerste, tevens lange, artikel gaat over de aanbieding van de eerste lustrumalmanak aan burgervader Berghuis. Hij bedankt voor de goede band en het zeer goed georganiseerde lustrum, ook voor de burgerij. Ook mag een anekdote niet ontbreken: Het gaat om een student die op stap ging, maar wel zijn olielamp bij het raam aan liet staan: “een goede naam is beter dan 9 Aldus een Kampenaar. 10 Omta, F. ‘Iets over het 15e lustrum’ uit Lustrum-almanak 1939 Fides Quaerit Intellectum. 11 Zo werd door Fides Quaerit Intellectum contact gezocht met de Nederlandse Studentenraad die Quaerit in 1973 royeerde omdat zij hiërarchisch van structuur was. F.Q.I. heeft in de jaren daarop de groentijd afgeschaft en vervangen voor een kennismaking, en de Senaat werd vervangen door een corpsraad etc. etc.

36


goede olie” moet hij gezegd hebben. Wat dat betreft is er niets veranderd…

Een ander festijn was voor de burgerij. Zo speelde de militaire Johan Willem Friso Kapel uit Assen op de markt. Het was populaire muziek. Dat de organisatie kosten nog moeiten heeft gespaard om Kampen te attenderen op 100 jaar F.Q.I. blijkt uit de correspondentie van het Corps met de militaire kapel. Zo heeft dit grapje 1000 gulden gekost, een astronomisch bedrag.12 Verder had de Senaat een gesloten rijtuig gehuurd voor het bedrag van 65 gulden. Maar er is meer. De studenten organiseerden een modeshow speciaal aangeboden aan de 12 Kamper inventarisreeks 2, 273

37


hospitae.13 Bovendien werd er een rede gehouden over de verhouding tussen student en hospita. Voor de schooljeugd was er tenslotte nog een spectaculaire googhelshow uitgevoerd door goochelaar-illusionist Loxias.14

Terugblik

“Als Kamper Studenten (K.S.jes volgens K. Schilder, CvZ) feest vieren, dan vieren ze goed feest.” Woorden van F. Omta toen hij verslag legde van het 15e lustrum. En feestvieren kunnen we nog! Alleen is er voor cultuur (of u moet eerstejaarscabaret durven scharen onder cultuur) en wetenschap, simpel gehos en gespring in de plaats gekomen. Het Corps viert feest. Ze doet dit groots. Want nu kan het nog. Nu mag het nog. Straks viert u dit alleen nog wanneer u reünist15 zou mogen worden eens in de vijf jaar. 13 Hospitae waren studentenwoningen die onder leiding stonden van een hospita. Vaak waren dit alleenstaande vrouwen. Zie ook http://nl.wiktionary.org/wiki/hospita. 14 Kamper nieuwsblad 11 mei 1963, Kamper inventarisreeks 2, 489. 15 ruïnisten volgens sinds dat jaar erelid van Fides Quaerit intellectum prof. dr. K. schilder. Hij was tevens voorzitter van de reünisten-commissie.

38


Het Corps is stabiel. Het Corps is schitterend. En soms denkt u: wat een verval. Mensen komen te laat. Mensen ondernemen zo weinig. Maar het eerste is, zo bleek, niet nieuw, en het tweede, zo zal blijken, ook niet. In het artikel waarin de jaren 1933-1938 worden teruggeblikt, is deze zin immer actueel: “En hoe is nu de vaart van het Fidesschip geweest? Och tamelijk rustig. Er zijn corpsvergaderingen gehouden, waar Monitor, nu met 2 mede-redacteuren, zijn knots van critiek deed zwaaien, waar Kunst- en Muziekcommissie zich deden horen, maar waar weinig spontane bijdragen zijn geweest van de corpsleden individueel.”16 Er is niets nieuws onder de zon. En toch kan het Fidesschip blijven varen, ze moet enkel roeien met de riemen die ze heeft. Of we nog eens 150 jaar in Kampen feesten staat ter discussie. Maar we blijven de komende jaren nog wel even doorgaan, is mijn conclusie. Maar laat me u nog eenmaal een citaat onder ogenschouw nemen, het is een citaat van de Praetor 1938-1939 F. Kouwenhoven. Hij spreekt woorden uit over het feesten om het 75 jarig bestaan van het Corps: “Wie deze woorden ziet als “75 jaar een leuke troep lui, die fuiven in elkaar zetten en corpsavonden organiseerden, en lustra vierden en elkaar bekritiseerden”, die verliest uit het oog het grote verband, waarover ik zoeven sprak.”17 Wie dit zegt kan volgens de Praetor wel plezier hebben, maar ze zien het feest niet in het grotere verband. Want “wie Gods werken, ook door ons, losmaakt, abstraheert van de historie van het Corps, die komt deze avonden niet tot de rechte vreugde.”18 Grote woorden? Misschien. Maar is het niet gewoon waar? Hier worden we opgeleid als de onderherders van Gods Koninkrijk. Voortrekkers. We mogen God dankbaar zijn dat Hij ons deze prachtvereniging heeft gegeven waar we elkaar mogen stimuleren – in de breedste zin van het woord – om God en elkaar te dienen. Al 150 jaar, nu en straks, in de kerk.

16 D. Wijnbeek Ab-actis 1937-38, ‘Ab lustro ad lustrum 1933-1938’ in Lustrum-almanak 1939 Fides Quaerit Intellectum, 141. 17 F. Kouwenhoven ‘Lustrumrede van de Praetor’ in Lustrum-almanak 1939 Fides Quaerit Intellectum,126. 18 Ibid., 127.

C. van Zwol

39


Hoop doet leven Hoop doet leven. Als ik Fifa 2013 (ja ik weet het… maar ik kan/wil het niet betalen) speel op de Playstation dan begin ik de wedstrijd vol passie en inzet. Ik ben helemaal gefocust. Ik wil winnen. Maar als ik na tien minuten speeltijd al met 2-0 achtersta en mijn online-tegenstander gewoon te goed is voor mij… Ja, dan zakt mijn concentratie een beetje. En als ik bij de rust 5-0 achtersta. Dan heb ik geen hoop meer. Ik speel de wedstrijd wel uit… ik vind dat dat hoort… maar het maakt me niet zo veel meer uit. Het is een verloren pot. En natuurlijk begin ik daarna weer een nieuw potje tegen iemand anders… je moet niet gelijk opgeven, toch. En het wordt een spannende wedstrijd. In de tachtigste minuut staat het 1-1. Dan ben ik nog steeds heel scherp. Gefocust. Ik heb namelijk hoop. Ik kan gewoon winnen. Als je kans hebt om te winnen dan heb je energie… dan ga je er voor. Hoop doet leven.’ Op deze manier ben ik ooit met een preek begonnen in ‘mijn’ gemeente. En ik heb nog nooit zoveel reacties gekregen. Vooral van jongens. Zelfs van mannen die nog ouder waren dan ik… wat voelde dat fijn. Ben je toch niet de enige idioot die, ook al is hij de vijfentwintig al gepasseerd, zijn tijd bestaat aan het spelen van een zinloos maar zeer vermakelijk computerspel. Deze preek hield ik op 28 juli 2013. En afgelopen zondag (24 november 2013) liep ik, zoals ik altijd doe, naar de kerk. Het was vroeg. Zo rond 08:45 uur. Inderdaad veel te vroeg. Maar ons kerkgebouw is te klein om ons als gemeente in één dienst te kunnen verwelkomen. Dus we hebben er twee elke zondagmorgen om 09:00 uur en om 11:00 uur. Dus daar zondagmorgen op een onchristelijke tijd en ik kwam een gezin uit de kerk tegen. Een zeer enthousiaste moeder was druk en duidelijk te hard met haar kinderen aan het praten. Vader was een stuk rustiger en keek wat afwezig naar zijn eigen gezin. De oudste dochter van zeven jaar kreeg mij in haar vizier.

40


“Kijk daar is de dominee” zei ze, duidelijk te hard. “Gaat u vandaag weer preken?” “Ja. Dat was ik wel van plan.” Was mijn rustige en vriendelijke antwoord. “Gaat het weer over voetbal?” vroeg ze hoopvol. Ik reageerde gepast… Na de eerste morgendienst van deze zondag kwamen er een stel jongens naar mij toe. Ik zag aan hun gezichten dat ze mij iets wilden vragen. En dat bleek ook zo te zijn. “Hij wil u iets vragen” zei één van de wat oudere jongens. Met zijn hoofd knikte hij naar zijn buurmannetje. Nieuwsgierig naar wat hij te vragen had keek ik vragend naar hem. De jongen van 11 jaar verzamelde moed: “U had een keer een goed voorbeeld.” Ik dacht bij mezelf: hoppa… hij vindt mijn voorbeeld van vanmorgen goed. Dat je zo op God mag vertrouwen dat je je achterover van de tafel durft te laten vallen omdat God je opvangt. Mijn gedachten werden resoluut onderbroken.“Wilt u misschien een keer tegen mij Fifa spelen?” Het was me gelukt om één goed voorbeeld te geven aan de kinderen. En velen vonden mij nu de toffe jonge dominee. Maar de teleurstelling was ook wel te merken. Het Fifa-moment was wel blijven hangen - ook al hebben de meeste kinderen waarschijnlijk de diepere boodschap maar heel even onthouden of zelfs helemaal gemist - Maar daar was het dat wel zo’n beetje bij gebleven. Zo leuk was die dominee nu ook weer niet. Jammer. Maar hoop doet leven. Het metselwerk aan Gods tempel gaat door. Zelfs na 150 jaar F.Q.I. is het bouwwerk nog niet af. God gaat door met bikken en pletten. Op zijn vaak ondoorgrondelijke manier. Binnenkort mag ik onder werktijd Fifa spelen. Hoop doet leven. C.P. Hamstra

41


Preek

Preek over 2 Samuël 18:1-18, 6-10-2013 door Johannes van Beveren Een heuse preek in de C.O.R.N.U., hoe kies je die uit? Tijdens mijn eindstage mocht ik zeven preken fabriceren. Een daarvan heb ik geprobeerd anders vorm te geven dan anders. Vanwege de verhalende tekst paste ook een verhalende preek. Dat ging niet volgens een narratieve methode, de opzet van de preek ging via de moves-methode. Het verhaal kreeg vorm door te kijken hoe het verhaal van David, Absalom, Joab en anderen die ons zijn voorgegaan,1 iets te zeggen heeft voor ons, vandaag. Uit de reacties achteraf bleek dat de preek sommigen heel erg meenam in het verhaal, terwijl de ander afhaakte op de ‘verzinsels’. Met deze preek wil ik een poging laten zien van hoe een verhalende preek er uit zou kunnen zien. Dat de preek niet perfect is, is duidelijk. Veel interessanter is hoe je het nog meer zou kunnen aanpakken, of er een verhalende methode zou moeten worden geleerd, en wat je daar zelf mee zou kunnen. Ter overdenking dus. Broers, zussen, volk van God, Burgeroorlogen zijn nogal in het nieuws de laatste tijd. Eerst was er Libië, toen de bijna-burgeroorlog in Egypte, en natuurlijk is er de verschrikkelijke oorlog in Syrië. We staan erover verbaasd hoe het kan dat mensen elkaar zo de tent uit kunnen vechten. Landgenoten worden de vijand, je buren staan je naar het leven. Onbegrijpelijk. Maar wie al wat langer meegaat dan ik, weet dat het niet iets van de laatste tijd is. De vorige eeuw was wat dit betreft ook een waar slagveld. Maar het is zelfs niet iets van de laatste paar eeuwen. Dat zien we aan de bijbeltekst die we vanochtend lezen. Eerst lazen we hoe de opstand van Absalom begon. Hij maakt zich populair bij het volk Israël, en roept zichzelf tot koning uit, met steun van machtige mannen. Hij is in staat zijn eigen vader te vermoorden. Dan moet David vluchten, over de rivier de Jordaan. Hij komt in een plaats, Machanaïm, waar hij hulp krijgt. En dan moet hij zich verdedigen.

1 Zie I Kronieken 11:44.

42


Davids strijd gaat zonder hem door,

“Zie je de koning daar? Hij wil met ons meegaan in de strijd. Stel je voor dat hij sneuvelt! Dan vechten we voor niets.” Dat zeggen de soldaten tegen elkaar. Een van hen, Sjama, staat vlak bij de koning. De koning begrijpt wel wat ze tegen hem zeggen. Ze weten het ook mooi te brengen, vindt Sjama. De koning kan inderdaad mooi helpen als ze dekking nodig hebben in de achterhoede. De koning geeft toe, en de soldaten trekken zonder hem de poort uit. Sjama loopt net langs de koning, als hij hem iets hoort zeggen tegen hun aanvoerder, Joab. Joab, voorzichtig hè, met mijn jongen Absalom. Sjama loopt gewoon verder, maar blijft hier wel even over nadenken. Dat is wat, dat je tegen je eigen zoon moet vechten! Zou koning David daarom zelf mee hebben gewild? Om hem als een vader op te zoeken? Nou eerst moeten we het leger van Absalom maar eens verslaan, dat wordt heus geen vriendelijk stoeien... Wat Sjama niet weet is dat het begin van de strijd niet bij Absalom vandaan kwam. Natuurlijk, Absalom koos zelf om zijn vader van de troon te stoten. Maar David weet heel goed dat Absalom niet de eerste is die opstandig is. Als hij er weer aan terugdenkt kan David zich nog wel voor zijn kop slaan. Want het was zijn keus geweest om Uria te vermoorden... Sindsdien was het in Davids familie altijd mot geweest. Het zal je maar overkomen, breng je vrede in het land van de omringende volken, wordt het een strijd in je eigen gezin. Wat kan dat een strijd zijn, in welke tijd je ook leeft. Maar ja, dat was wel wat God tegen David gezegd had. Moord en doodslag zullen voortaan om je hen grijpen. Dat was wel schrikken geweest. Zeker toen het zichtbaar werd. Zijn kindje was vlak daarna gestorven. Wat een verdriet had hij daarvan. Dat draagt hij zijn hele leven al mee. Maar dat is niet alles, het gaat door... David wil er eigenlijk niet eens aan denken. Zijn opvolger werd vermoord, door een andere zoon, namelijk Absalom. En nú moet hij tegen Absalom gaan vechten! Ja, dacht David, ik weet wel, dat ik zonde gedaan heb, maar dat de gevolgen zo groot zouden zijn! Onvoorstelbaar. Ik wilde alleen maar Bathseba, ze is zo mooi, ze past bij mij. Ik was gewoon tot over mijn oren verliefd. Ik wilde voor één keer doen wat ik voelde. Gewoon even niet zo moeilijk doen over regels. Wat een gevolgen van die ene zonde. Maar het klopt wel, ik was wel vergeten wie ik was. God heeft mij uitgekozen. Om een herder voor het hele volk te zijn, en dan ben ik zo stom om iemand uit dat volk te vermoorden... Maar nu moet ik tegen Absalom vechten. En nog anderen van mijn volk. Maar ja, hoe het afloopt heb ik nu niet meer in de hand... Davids strijd gaat zonder hem door.

43


Tegen Absalom die zijn eigen eer zoekt.

Sjama is blij dat hij aan de kant van David mag vechten. Een opstand tegen je vader beginnen omdat je zelf belangrijk wil zijn? Ongelofelijk. Daarom trekt Sjama ten strijde tegen Absalom die zijn eigen eer zoekt. Sjama denkt aan wat hij uit de geschiedenisverhalen van zijn ouders heeft gehoord. Vroeger, toen waren er meer zoals Absalom. Die deden wat henzelf goed leek. Het was toen best wel een rommel in Israël. En ze hadden veel vijanden gehad die hun het leven zuur maakten. Gelukkig kwamen er toen koningen die God zelf had aan gewezen. Koning Saul en koning David hadden die vijanden verslagen. Hij had een paar jaar geleden nog zelf meegevochten. En nu wil Absalom met al zijn volgelingen terug. Terug naar eigen baas spelen. Weet je wat hij gedaan heeft? Hij heeft zelfs een eigen gedenkplaats opgericht. Zodat mensen goed onthouden wie hij is. Het lijkt wel alsof Absalom niet snapt wat hij aan het doen is. Hij wil populair zijn, hij wil dat iedereen hem volgt. Nou, dat van populair zijn snapt Sjama ook wel. Met veel vrienden heb je veel plezier. Maar dat Absalom niet ziet wat hij eigenlijk aan het doen is verbaast Sjama eigenlijk. Weet Absalom dan niet dat God zelf achter koning David staat? Weet Absalom dan niet dat hij eigenlijk tegen de belofte van God in opstand komt? Wat een verdriet moet koning David daarvan hebben. Zelf zingt hij psalmen voor God, maar zijn eigen zoon gelooft niet dat God een bedoeling met David heeft. Je eigen kind wil niet de weg met God gaan, die jij voorleeft. Eigenlijk is het niet verwonderlijk dat David vraagt of ze voorzichtig willen zijn met Absalom. Hij hoopt zijn zoon nog te overtuigen. Ervan te overtuigen dat God echt bij Israël wil zijn. Maar Absalom snapt het niet. Hij komt met zijn duizenden soldaten in actie nu ze de aanval van Davis soldaten zien, Sjama staat op scherp. Nu opletten, Davids strijd gaat door, tegen Absalom die zijn eigen eer zoekt.

Maar Absalom eindigt eerloos,

in de strijd die volgt. Er vindt een ware slachting plaats, maar na verloop van tijd ziet Sjama hem hangen. Alleen. Daar, in die warrige boom, zijn hoofd vastgeklemd tussen de takken. Het is dan wel de koningszoon, maar Absalom eindigt eerloos. Sjama ziet geen tegenstanders in de buurt. Wat verderop ziet hij het rijdier van Absalom weglopen. Eerst wil hij eropaf om zijn tegenstander uit te schakelen. Maar dan denkt hij weer aan wat de koning zei: wees voorzichtig met mijn zoon! Tja, daar sta je dan. Wat nu? Hij gaat op zoek naar een aanvoerder, die moet maar beslissen wat er moet gebeuren. Hij loopt verder en ziet daar Joab. “Hé Joab! Ik heb ‘m gezien!” “Wie?”

44


“Absalom, hij hangt daar verderop in de boom.” Sjama luistert naar het bevel van koning David. Maar Joab deelt die zorg om Absalom niet, hij wil eropaf. Sjama wil hem nog tegenhouden, Joab weet toch wat de koning gezegd heeft? Sjama wil de koning niet ongehoorzaam zijn, maar dat kan Joab niet stoppen. En zo sterft Absalom. Een gruwelijke dood. Je wenst het niemand toe. En Sjama denkt nog eens aan hoe Absalom daar hing. Tussen hemel en aarde. Net als een andere Davidszoon 1000 jaar later. Het is Davids zoon, maar hij sterft door hemel en aarde afgewezen. Zou hij vervloekt zijn?, denkt Sjama. Absalom was prins, maar nu heeft hij zelfs geen volgelingen meer bij zich. Sjama gaat naar Joab toe: “zeg, Joab, we kunnen hem niet zo laten liggen, het was wel een prins.” “Je hebt gelijk, daar is een groot gat.” Zo begraven de mannen de prins. Niet op zijn eigen plekje bij het monument van Absalom, maar in de wildernis. Een grote hoop stenen, dat wel. Maar verder anoniem. En Absalom wilde zo graag geëerd worden. Het enige wat hij overhield was strijd. En nu eindigt Absalom, eerloos.

Door Joab die opkomt voor het koningschap.

Wat bezielde je eigenlijk, Joab? Je negeerde het bevel van de koning zomaar. Joabs taak was de koning beschermen. Dat heeft hij nu ook gedaan. Joab komt op voor het koningschap. Joab is wel een gewelddadige man. Al eerder heeft hij mensen uit de weg geruimd. Ze vormden een bedreiging voor David, vindt Joab, maar David wilde dat niet zien. David was te meelijdend. Hij had zijn zoon zo weer in het paleis laten komen. Nou, dat kon echt niet. Absalom had zijn vader expres te schande gemaakt, en nu zou hij zo maar terug kunnen? Nee, denkt Joab, dit wil ik rechtzetten. Wat er ook gebeurd moge zijn, David moet weer koning zijn, zonder dat er nog onruststokers overblijven. Bovendien, David zelf had er geen moeite mee om uria als obstakel op te ruimen. Nou, Absalom vormt een veel groter obstakel. Bovendien had hij, Joab, zelf meegeholpen Absalom weer in Israël te krijgen. Dat moet ook even worden rechtgezet. Ja, kon hij dat nou maar rechtzetten. Op zijn minst kan ik Absalom onschadelijk maken. Al moet ik daarvoor ongehoorzaam zijn aan David. En ik heb een punt toch? dacht Joab. David is tegelijk koning en vader. Hij is bevooroordeeld, en ziet niet in dat Absalom staatsgevaarlijk is. Regeren en vaderliefde dat gaat nou eenmaal niet goed samen. Nee, als is nou naar de koning luister, dan vergeet ik wat goed is voor dit land. Die vaderliefde meenemen, dat is bijna belachelijk. Hoe moet Absalom dan gestraft worden? Om die vaderliefde recht te doen en goed te regeren, daar moet je haast wel God voor zijn.

45


Zou iemand dat kunnen, dacht Joab. Kan een koning van God regeren en vader zijn tegelijk? Nou, David mag dan gezalfd zijn, ik moet hem toch tegen zichzelf beschermen. Ik kan hem toch niet vragen zijn zoon te oordelen? Kom, wat wacht ik nog langer, Sjama, aan de kant, ik ga wel voor... Zo eindigt Absalom eerloos door Joab, die opkomt voor het koningschap.

En zo krijgt David de overwinning

Hij hoeft er zelf niet meer voor te vechten. Het lijkt zelf wel of het bos zijn partij kiest. De strijd is beslist, zo krijgt David de overwinning. Sjama kijkt nog eens om zich heen, als hij door de wildernis loopt. Wat een dag. Ze hebben gewonnen, Absalom en zijn volgelingen zijn verslagen. Was dit nou eigenlijk zo’n groot leger? Het viel wel mee. Dan ziet hij twee gesneuvelde soldaten liggen. Ze zijn in een kuil gevallen. Daar was geen wapen aan te pas gekomen. Gek, denkt hij, het bos heeft meegeholpen. Alsof iemand van hogerhand partij heeft gekozen. Terwijl van God toch echt niet zoveel te zien was tijdens het gevecht. Ze moesten hard vechten om stand te houden. Ze hebben hun leven ingezet voor koning David. Nee, op het eerste gezicht zou je niet zeggen dat God met hen mee streed. Maar, David hoeft niet meer te vluchten. David heeft niets meer te vrezen van Absalom. Hij blijft koning. Wacht eens, wat had hij laatst ook alweer gehoord? Had David niet een belofte gekregen? Dat zijn koningshuis voor altijd zou zijn. Ja zo was het, God had David een altijddurend koningschap beloofd. Zou God dan toch achter deze overwinning zitten? Plotseling schrikt Sjama. Overwinning? Kan je eigenlijk wel spreken van een overwinning? Alle gesneuvelde volgers van Absalom, dat zijn ook volksgenoten. Wat een ramp voor Israël. Alleen omdat ze de verkeerde koning volgden. Is het dan zo belangrijk wie je volgt? Trouwens, de koningszoon is dood. Wie moet dat nu gaan vertellen? Het is wel Davids eigen zoon. Wat ironisch, denkt Sjama. Koning David hoopt zo op vrede. Hij heeft zijn zoon niet voor niets Absalom genoemd, vredevader. En nou heeft hij in een gevecht tegen die vredevader zijn zoon verloren. Wordt David dan geen rust gegund? Nu is de strijd gestreden. Maar twee zonen van David zijn omgekomen. Komt de belofte aan zijn koning, aan David nog uit? Zal God nog een nieuwe vredevader geven? Zal Israël de juiste vredevorst volgen? “Misschien”, denkt Sjama. Straks. De volgende generatie misschien. Dan krijgt David de overwinning.

Amen

46

J. van Beveren


David rouwt om Absalom door Gustave Dore

47


#bOnusKaart

nu we een tijdje in Kampen wonen wordt het tijd voor wat kritische (zelf)reflectie. Hoe is onze allereerste periode als student in Kampen bevallen? Wat zijn de problemen waar we tegen aanlopen? Wat is mooi en wat kan mooier? Laten we beginnen met dat waar we voor geroepen zijn: FQi. sinds kort maken we deel uit van het illustere corps, langzaam vinden we onze plek. de soos als kloppend hart van het corpsleven is een plek die we niet schuwen, onze bardienst draaien we met een welgemeende glimlach, we genieten van de ambiance op de disputen en met genoegen hebben we geluisterd naar onze eerste lezing. er is één ding waar we bovenal van genieten: de eetbond. Hoe groot is het genot om na een dag van bloed, colleges, zweet, tranen en studeren om zes uur aan te schuiven voor een heerlijke, met liefde bereide, warme maaltijd! er is echter één probleem; we doelen hier niet op de aangebakken aardappeltjes, noch op de rauwe sperziebonen, noch op de ten hemel stijgende stapels afwas na afloop, noch op de eveneens ten hemel stijgende prijzen van de albert Heijn. We doelen op de vraag die student noch burger kan ontwijken, de keuze die iedereen in zijn of haar leven eens zal moeten maken, namelijk: wat eten we vanavond? Och, hoezeer heeft men zijn of haar hoofd hier niet over gebroken! is er dan geen hoop? natuurlijk wel! de praktijk wijst uit dat ouderejaars ook met dit probleem te kampen hebben maar capabel blijken om dit op te lossen. Wij eerstejaars echter, die net het warme burgerlijke nest zijn ontvlogen om te worden ontvangen in het warme nest van docenten en studenten, blijven hier mee zitten. maar nee, daar is uitkomst: de allerhande biedt ons elke keer opnieuw een scala aan lekkere en betaalbare recepten. met hernieuwde krachten gaan wij op naar de albert Heijn om daar de inkopen te doen. als vogeltjes die voor het eerst leren vliegen, dansen we door de albert Heijn om de benodigde ingrediënten te verzamelen. Wanneer we bij de kassa aankomen, vraagt de caissière: ‘heeft u ook een bonuskaart?’. Hier stuiten we op een enorm probleem. dit probleem is misschien wel groter dan het vorige, het is in ieder geval moeilijker op te lossen: zijn de caissières Carmen en sharon een tweeling of slechts zusjes? Zoals u zult begrijpen vroeg dit om uitgebreid onderzoek, maar niet door het simpelweg te vragen (dit zou immers raar overkomen). nadat we hier een avond goed voor zijn gaan zitten, zijn we tot de volgende conclusie gekomen: het is hoogstwaarschijnlijk dat Carmen en sharon een tweeling zijn. Ze zijn namelijk in hetzelfde jaar begonnen met hun opleiding aan dezelfde middelbare school, hebben hetzelfde niveau gedaan, zijn in hetzelfde jaar geslaagd, hebben dezelfde vrienden en dragen veelal dezelfde kleren (niet alleen in de aH). deze innige verbondenheid zien we niet bij normale zussen, alleen bij tweelingzussen. Wat is nu het moraal van dit verhaal? Zet meer informatie op Facebook en maak uzelf openbaar aan de wereld! dit onderzoek heeft ons namelijk te veel tijd gekost.

48

P.a. bosma en a. Visser


49


Varia Varia uit de oude doos

Curatoren-Verslag (1913) Professoren en studenten moeten een goede gezondheid genieten. Kinderenvan den Lector Wanneer Papa uit wand’len gaat Neemt hij ons dikwijls mee, En reciteert soms over straat ‘t Sanskritisch a. b. c. Schoolmeester (1913) G.K. z’n zeldzame fouten worden door hem altijd terstond beargumenteerd met o.a. de volgende uitvlucht (1988) a. Ach, het is een onbelangrijk punt; anders deed ik het wel goed. b. Anders gaan jullie denken dat ik volmaakt ben. c. Dit was om te voorkomen dat jullie inslapen. d. Door deze test zijn jullie heengekomen, amici. Professor Ohmann? De professor vergat bij het uitlaten van de hond de hond mee te nemen, maar bij zijn thuiskomst miste hij het dier toch. Gelukkig lag het vredig in de gang. “Oh, hij is al binnen”, mompelde zijn baas opgelucht tegen zichzelf. uit: Het Beste (1988) A.M. de H. (1988) Wij hebben geen schriftkritiek. Wij hebben Van Bruggen. De Academische Senaat na een voorstel van de Faculteitscommissie (1964-1967): Ze dronken een glas, ze deden een plas, en lieten de zaak voor wat hij was. Over C.J.H. (1991): “Er maar één docent die goed Engels spreekt. Maar hij beheerst zijn Nederlands niet.” Praetor (1987): Wie heeft zich van stemming onthouden? T.C.Z.: Ik, periodiek. 50

C.B. (1987): Wij hebben gisteren afscheid genomen van prof. Lettinga en daarmee van het Oude Testament. Verzoek op zekere W.C.-deur (1955-1957): Mijne Heren, mag ‘k u bidden, Niet aan de kant, maar in het midden. Amice over introperbezoek bij D.F.M.B. (1987): “En ze zat daar maar te breien. Ik dacht alsjeblieft, knijp me af!”

Varia van de laatste maanden Over nederigheid en voeten wassen WSS: Voor je eigen voeten moet je het diepste bukken om ze te wassen. wind.. BBW: Wat is dat geluid? CWG: Volgens mij is dat gewoon de wind. BBW: Maar De Wind is helemaal niet thuis! CWG: Eeh, het waait? Hout MGB: Over hen durf ik wel oordelend te spreken, want als ik een balk in mijn oog heb, hebben zij minstens een boom in hun kont!  Buiten LD: Hé, een satelliet... Wow, het zijn er vet veel! LBK: Dubbink... de wolken bewegen, het waait vet hard. Mannelijkheid BBW: Ik ga in bed liggen. Daar voel ik me tenminste man. CJdR op preekcollege Dan is de reactie van de gemiddelde Dalfsenaar: “Potverdorie, dat is nog eens een gereformeerde dominee!” En dat is een ongewenste reactie. Terwijl IHH heel hoog probeert te zingen AJ: Misschien moet je een octaaf lager zingen. WAO: Of misschien twee octaven, zodat we het niet meer horen. Whats in a name? Tijdens een voorstelrondje bij homilitiek: CTV: ... en mijn vriendin loopt rond in Zwolle Centrum … Jos Douma: Ohja, hoe heet ze dan? CTV: ... Martine... ehh... van Dijk!


Printhuus KOSTENBESPAREND MEEDENKEN Van onze leveranciers vragen we om mee te denken om de kostprijs te verlagen. U mag van uw huidge drukker verwachten dat deze ook mee denkt om uw kostprijs te verlagen. Klink u dit vreemd in de oren? Drukkerij Printhuus drukt vele jaren voor een hele kritische doelgroep: studenten. Studenten hebben weinig budget en willen de mooiste afdrukken. Gaat dit samen? Natuurlijk! We denken met ze mee. Niet alleen voor de F.Q.I. studenten uit Kampen, we drukken voor studenten van alle uithoeken van het land, dagelijks verzenden we met PostNL pakketten. Waarom nog niet naar u? Het aantal studentenverenigingen dat bij ons drukwerk besteld groeit en tegelijkertijd drukken we steeds meer voor kerken in het hele land. Waarschijnlijk drukken we nog niet voor uw kerk / geloofsgemeenschap. Laat u wel eens offertes opmaken? Om te kijken of de kostprijs niet naar beneden kan? Dit levert alleen maar voordeel op voor uw kerk. Baadt het niet, dan schaadt het niet. Zo vragen wij ook altijd offertes op, waarom doet u dat nog niet? Een offerte is zo gemaakt. Printhuus Dalfsen kenmerkt zich door een kleine flexibele organisatie die kostenloos met de klant meedenkt. Ook verzenden we gratis en rekenen we niet overal kosten voor door. Is er eenmaal een prijs afgesproken, dan geldt deze voor een langere tijd zodat u weet waar u aan toe bent. Ook ge誰nteresseerd? Dan horen we graag van u!

Printhuus

www.printhuus.nl info@printhuus.nl 0651822732 51


O nox, diebus pulchrior, O, quae expellis tenebras, Nascentem quae vidisti eum, Qui lux est mundi gentium, O nox, qua sol iustitiae Iniusto solo oritur, Quae nites luce clarius, Mysteriosa aperiens, Salutat temet mundus, qui Peccando mori debuit, Sed viva voce cantitat, Peccare quod non potuit Qui mori tamen voluit Et moriturus nascitur, Qui morte mortem opprimit Et immolandum se immolat. *** O nox, diebus pulchrior, O, quae expellis tenebras, Oboediens salutat te Inanis servi anima.

- Crambeslagos -


Cornu 41.2