Page 1

ArgumentenkAArt genetisch gemodificeerde gewAssen voor consumenten Door genetische modificatie kunnen gezondere producten worden gemaakt Genetische modificatie kan voedsel gezonder maken. Genetische modificatie kan schadelijke stoffen in gewassen, zoals die van schimmels, voorkomen. Sommige ggg’s vereisen minder bestrijdingsmiddel, zodat er minder restgif op het eindproduct zit.

Genetisch gemodificeerde gewassen kunnen een risico voor de volksgezondheid vormen De veiligheid van de consumptie van ggg’s op de lange termijn is nog niet vastgesteld. Antibioticumresistentie van ggg’s kan door bacteriën in het maag-darmkanaal van de mens worden overgenomen.

Genetisch gemodificeerde gewassen kunnen gezondheidsrisico’s beperken Ggg’s zijn veiliger dan gewone gewassen omdat ze grondiger getest worden op risico’s. Genetische modificatie kan allergie opwekkende stoffen uit gewassen verwijderen.

Volksgezondheid

Volksgezondheid Genetisch gemodificeerde gewassen kunnen de druk op de natuur vergroten

Het telen van genetisch gemodificeerde gewassen kan belasting op de natuur verminderen

Sommige ggg’s werken grootschalige monocultuur in de hand, wat leidt tot bodemuitputting. De natuur komt onder druk te staan omdat landbouw mogelijk wordt waar dat voorheen niet kon.

Welke argumenten

Er kunnen ggg’s ontwikkeld worden die met minder water, mest en bestrijdingsmiddelen toe kunnen. Ggg’s kunnen op voorheen ongeschikte plekken worden geteeld, waardoor minder transport nodig is. Er kunnen ggg’s ontwikkeld worden die verspreiding van plagen tegengaan doordat ze resistent zijn.

hanteren consumenten

Genetisch gemodificeerde gewassen kunnen ecosystemen bedreigen

voor en tegen het gebruik van Met genetisch gemodificeerde gewassen kunnen natuurlijke bronnen effectiever benut worden Door modificatie kunnen restproducten van gewassen beter benut worden, zoals voor biobrandstof. Ggg’s kunnen de opbrengst per hectare verhogen, zodat minder grond nodig is voor de landbouw.

(Onbedoelde) verspreiding van ggg’s kan oorspronkelijke natuur en biodiversiteit bedreigen. Ggg’s kunnen eigenschappen overdragen aan verwante planten, wat schadelijk kan zijn. Bij ggg’s die resistent zijn tegen bestrijdingsmiddel kan de onkruidbestrijding erg lastig worden.

genetisch gemodificeerde Ecologie

gewassen in de

Ecologie

voedselproductie? Genetisch gemodificeerde gewassen zijn principieel onjuist Het gebruik van genetisch gemodificeerde gewassen is principieel juist Genetische modificatie is een onaanvaardbare aantasting van de integriteit van de natuur/schepping. Het is principieel onjuist genen van verschillende organismen zoals bacteriën en planten te mengen. Het is verkeerd technieken te gebruiken die onvoldoende begrepen en beheersbaar zijn. Het patenteren van levende organismen waar genetische modificatie vaak toe leidt is verwerpelijk.

Alle technieken waarmee wereldproblemen kunnen worden opgelost, dienen benut te worden. Genetische modificatie geeft de mens controle over de natuur en hoe meer controle hoe beter.

voor

Genetisch gemodificeerde gewassen kunnen kansen bieden aan ontwikkelingslanden Ggg’s, bijvoorbeeld die resistent zijn tegen droogte, geven boeren meer zekerheid over hun oogst. Door het telen van ggg’s kunnen boeren met minder arbeid een hogere opbrengst verkrijgen. Sommige ggg’s vereisen minder bestrijdingsmiddel, wat gunstig is voor landwerkers.

Ethiek

Doordat (sommige) ggg’s meer opbrengen tegen lagere kosten kunnen voedselprijzen dalen. Door het gebruik van ggg’s is vlees (niet biologisch) tegen de huidige (lage) prijzen beschikbaar.

Genetische modificatie vergroot de keuzevrijheid van de consument

Genetisch gemodificeerde gewassen zijn goed voor de Nederlandse economie Boeren kunnen met ggg’s hun productiviteit verhogen. Ggg’s zijn voor de Nederlandse landbouw- en voedingsindustrie een groeimarkt.

in opdracht van:

Genetisch gemodificeerde gewassen kunnen slecht zijn voor ontwikkelingslanden

Ethiek Op deze Argumentenkaart staan argumenten die consumenten hanteren voor en tegen het gebruik van genetisch gemodificeerde gewassen (ggg’s) in de voedselproductie. Ggg’s zijn planten waar genetische eigenschappen aan zijn toegevoegd of uit zijn verwijderd. De argumenten op deze kaart betreffen ggg’s die al op de markt zijn, óf nog getest, óf nog ontwikkeld worden.

Genetisch gemodificeerde gewassen kunnen leiden tot lage(re) voedselprijzen

Ggg’s kunnen bijdragen aan een meer constante beschikbaarheid van voedsel. Genetische modificatie is de snelste en soms enige manier om nieuwe gewassen te ontwikkelen. Er kunnen ggg’s ontwikkeld worden die aansluiten bij specifieke behoeftes van consumenten. Er kunnen ggg’s ontwikkeld worden die lekkerder, aantrekkelijker of langer houdbaar zijn.

tegen

Economie

Wereldwijd wordt nu vooral genetisch gemodificeerde soja en maïs geteeld die door modificatie bestand zijn tegen bestrijdingsmiddel en/of insecten. In Nederland worden ggg’s nog niet commercieel geteeld. Wel importeert Nederland genetisch gemodificeerde soja en maïs voor veevoer, waardoor in feite veel vlees is geproduceerd met behulp van ggg’s. Ook is er in supermarkten een aantal artikelen verkrijgbaar (vooral olie en margarine) waarin ggg’s zijn verwerkt. Deze zijn herkenbaar omdat er (verplicht) ‘genetisch gemodificeerd’ op het etiket staat. Verder wordt een aantal ggg’s nu getest op proefvelden, zoals een aardappel die niet meer aangetast wordt door een schimmel. Daarnaast wordt in laboratoria gewerkt aan nieuwe modificaties, bijvoorbeeld om gewassen aantrekkelijker te maken voor consumptie. Hierbij gaat het om bijvoorbeeld een appel met minder allergie opwekkende stoffen, of gewassen die in droge en zoute gebieden geteeld kunnen worden.

Door grootschalige teelt van ggg’s worden lokale boeren en landbouwculturen verdrongen. Het telen van ggg’s is minder arbeidsintensief waardoor er werkgelegenheid verloren gaat. Ggg’s vergen relatief grote investeringen die kleine boeren in problemen kunnen brengen. Er kan voedselafhankelijkheid ontstaan van enkele ggg’s, wat een risico is voor de voedselzekerheid.

Genetisch gemodificeerde gewassen kunnen leiden tot hogere voedselprijzen De ontwikkeling en toelating van ggg’s is zo duur dat er een machtspositie van grote bedrijven ontstaat, waardoor de prijzen van voedsel kunnen gaan stijgen. De kosten van het gescheiden houden van ggg’s en gewone gewassen verhogen de voedselprijzen.

Economie

Genetisch gemodificeerde gewassen kunnen de keuzevrijheid van consumenten bedreigen Ggg’s kunnen leiden tot enkele machtige bedrijven die bepalen wat mensen eten. Onbedoelde vermenging kan ertoe leiden dat er op termijn geen voedsel meer is dat vrij is van ggg’s.

Deze Argumentenkaart brengt de argumenten voor en tegen genetisch gemodificeerde gewassen in beeld vanuit het perspectief van consumenten. De Argumentenkaart is gemaakt op basis van input van wetenschappers, belangenorganisaties, boeren(organisaties), (gentech-)bedrijven en consumenten. Met dank aan alle deelnemers voor hun denkwerk.

gemaakt door:

© 2009


DierProefVrije VeiliGHeiDstesteN Dierproeven zijn onmisbaar om de volksgezondheid te beschermen Dieren zijn levende wezens en daarmee een beter model voor de mens dan alternatieve modellen. Dierproeven worden nog steeds gebruikt om de betrouwbaarheid van dierproefvrije testen vast te stellen. Voor bepaalde dierproefvrije testen is in Nederland niet genoeg menselijk materiaal beschikbaar.

Dierproefvrije testen beschermen de volksgezondheid beter

GezoNDHeiD

GezoNDHeiD

Dierproefvrije testen leveren steeds vaker betrouwbaarder voorspellingen op dan dierproeven. Dierproefvrije testen maken voorspellingen voor specifieke groepen mogelijk, zoals diabetici. Het verbieden van dierproeven versnelt de modernisering in het denken over veiligheid. Dierproefvrije testen leveren meer kennis op over het functioneren van het menselijk lichaam.

Dierproefvrije testen zijn onvoldoende ontwikkeld Dierproefvrije testen leveren sneller en kwalitatief betere resultaten op Over de geldigheid van dierproefvrije testen is minder bekend dan over veiligheidstesten met dieren. Dierproefvrije methoden berusten op technieken die nog niet allemaal bruikbaar zijn in de praktijk.

Dierproefvrije testen stellen mensen bloot aan ethisch onverantwoorde risico’s De volksgezondheid is te belangrijk om risico’s te nemen met nieuwe methoden.

etHiek overgaan op dierproefvrije testen is uiteindelijk slecht voor dieren

Wat zijn de argumenten voor en tegen dierproefvrije veiligheidstesten?

Dierproefvrije testen geven sneller inzicht in langetermijn effecten, zoals kankerverwekkendheid. Met dierproefvrije testen kan nieuw onderzoek worden gedaan, zoals naar giftigheid over generaties. Met dierproefvrije testen kan de achterstand van dertigduizend ongeteste stoffen sneller worden weggewerkt.

etHiek

Vasthouden aan dierproeven is ethisch onjuist Het is onethisch om dieren leed aan te doen, zeker nu er alternatieven ontwikkeld worden. Het is onethisch om ontwikkelingen tegen te houden die de volksgezondheid kunnen verbeteren.

Organisaties wijken uit naar het buitenland waar proefdieren slechter beschermd worden dan in Nederland. Dierproefvrije methoden leveren minder kennis op die gebruikt kan worden in de diergeneeskunde.

Het verbieden van dierproeven bevordert innovatie Het creëren van noodzaak tot ontwikkelen van dierproefvrije testen leidt tot innovatie in de bedrijfstak. Door met nieuwe regels voorop te lopen ontwikkelt Nederland een kennisvoorsprong. Dierproefvrije testen leiden tot minder administratieve lasten voor bedrijven en voor de overheid.

ecoNomie Afschaffen van dierproeven veroorzaakt schade Verplichte dierproefvrije testen kunnen bedrijven hinderen hun producten in Nederland te lanceren. Verschillen in testeisen tussen landen jagen bedrijven op kosten. Testen zonder dieren leidt tot verlies van banen en bedrijvigheid in de dierproefsector. De overheid zal zich willen indekken met té strenge regelgeving, dit leidt tot verhoogde kosten.

ecoNomie

invoeren van dierproefvrije testen is politiek riskant Overgaan op onbekende veiligheidstesten kan leiden tot onrust bij de bevolking. De overheid is kwetsbaar wanneer dierproefvrije testen een stof ten onrechte veilig hebben verklaard.

Politiek

teGeN

Voor

Een veiligheidstest onderzoekt wat de gevaren zijn van een bepaalde stof voor de mens. Alle nieuw ontwikkelde stoffen dienen op veiligheid getest te worden, van cosmetische en huishoudelijke producten tot geneesmiddelen. In het huidige systeem van veiligheidstesten worden bijna altijd dierproeven gebruikt. Hierbij worden dieren in aanraking gebracht met een bepaalde stof. De effecten op het dier worden gemeten. De wetenschap heeft nieuwe methoden ontwikkeld. Veiligheidstesten zónder dierproeven maken gebruik van computermodellen of testen op biologisch (deels menselijk) materiaal. Veiligheidstesten zónder dierproeven heten op deze kaart dierproefvrije testen.

ontwikkelen en produceren van dierproefvrije testen is goed voor bedrijven Met dierproefvrije testen kunnen bedrijven sneller nieuwe veilige stoffen op de markt brengen. Proefdiervrij werken past bij maatschappelijk verantwoord ondernemen - bedrijven kunnen zich hiermee onderscheiden. Testen zonder dieren vermindert (het risico op) aanslagen door dierenactivisten. Dierproefvrije testen kunnen goedkoper zijn dan dierproeven, zeker op de lange termijn.

Dierproefvrije testen realiseren doelstellingen van politici en burgers

Politiek

Beleidsmakers hebben zich ten doel gesteld dierproeven te verminderen, verfijnen en vervangen. De burger ziet de overheid graag daadkrachtig en innovatief optreden op het gebied van dierproeven. Vertrouwen in de overheid zal stijgen wanneer de volksgezondheid verbetert door dierproefvrije testen.

Dierproefvrije testen maken effectiever toezicht door de overheid mogelijk

internationale regels stellen grenzen aan de Nederlandse beleidsvrijheid De overheid is bij dierproefvrije testen geen tijd en geld kwijt aan het controleren van het welzijn van proefdieren. Een nieuw systeem van veiligheidstesten biedt de kans wetgeving (inter)nationaal te harmoniseren.

Nederland is door internationale afspraken gebonden aan veiligheidstesten met dieren. Er bestaat internationaal geen consensus over de wenselijkheid van dierproefvrije testen. Deze Argumentenkaart biedt een overzicht van de argumenten voor en tegen veiligheidstesten zonder dierproeven. De Argumentenkaart is gemaakt op basis van denksessies met wetenschappers, belangenorganisaties, bedrijfsleven en ambtenaren. Met dank aan alle deelnemers voor hun denkwerk. in opdracht van:

gemaakt door:

© 2009


de definitiekaart van het nederlands centrum voor sociale innovatie

Sociale innovatie is een vernieuwing in de arbeidsorganisatie en in arbeidsrelaties die leidt tot verbeterde prestaties van de organisatie en ontplooiing van talenten.

Arbeidsorganisatie

een definitie

Maatschappelijke doelen Sociale innovatie heeft tot doel het welvaartsniveau te behouden en te laten groeien. Sociale innovatie heeft tot doel de concurrentiepositie van het bedrijfsleven te verbeteren. Sociale innovatie heeft tot doel op termijn de krapte op de arbeidsmarkt het hoofd te bieden. Sociale innovatie heeft tot doel dat meer mensen actief worden en/of blijven op de arbeidsmarkt. Sociale innovatie heeft tot doel technologische innovatie mogelijk te maken.

een aantal

een aantal

kenmerkende

doelen

WerkWijzen

Doelen van organisaties

Wat is sociale

Sociale innovatie heeft tot doel de prestaties te verbeteren door hogere arbeidsproductiviteit. Sociale innovatie heeft tot doel kennis, competenties en techniek in de organisatie effectiever te benutten. Sociale innovatie heeft tot doel nieuwe producten en diensten versneld te ontwikkelen. Sociale innovatie heeft gemotiveerde en betrokken medewerkers tot doel. Sociale innovatie heeft tot doel de organisatie aantrekkelijker te maken in een krappe arbeidsmarkt.

De organisatie biedt ruimte om onafhankelijk van tijd en plaats (samen) te werken. De organisatie biedt ruimte voor het, in overleg, invullen van werktijden. De organisatie faciliteert flexibliteit, onder meer gebruikmakend van ICT. De organisatie biedt ruimte om een deel van de werktijd aan nieuwe ideeĂŤn te werken. De organisatie heeft een gevarieerd personeelsbestand, en benut dit effectief. De (logistieke) processen worden, in overleg met medewerkers, zo effectief mogelijk ingericht.

innovatie? Doelen van medewerkers

Arbeidsrelaties Medewerkers en management formuleren samen de ambities van de organisatie. Medewerkers hebben zeggenschap binnen de organisatie en beslissen mee. Management en medewerkers stimuleren elkaar om te (leren) vernieuwen, creativiteit en durf te tonen. Management en medewerkers vertrouwen elkaar. Medewerkers geven zelfstandig en vanuit eigen verantwoordelijkheid, sturing aan hun werkzaamheden. Medewerkers en managers mogen fouten maken en durven hier voor uit te komen.

Relatie met de omgeving De organisatie werkt samen met partners (leveranciers, klanten, omwonenden) aan innovatie. De organisatie werkt samen met kennisorganisaties. De organisatie is betrokken bij zijn omgeving en bij maatschappelijke vraagstukken.

Sociale innovatie heeft meer plezier in het werk tot doel. Sociale innovatie heeft een evenwichtige verdeling tussen werk en privĂŠ tot doel. Sociale innovatie heeft ontplooiingsmogelijkheden en blijvende inzetbaarheid op de arbeidsmarkt tot doel.

succesvolle voorbeelden

Veeg- en Straatbedrijf Den Haag Aanleiding

Het Veeg- en Straatbedrijf in Den Haag dreigt werk te verliezen omdat de gemeente de automatische opdrachten afbouwt.

Sociale innovatie

Resultaten

Aanleiding

Sociale innovatie is onderdeel van de bedrijfsfilosofie.

Sociale innovatie

Innovatietalent is onderdeel van elke functiebeschrijving.

Brede inzetbaarheid personeel in zelfstandig werkende teams.

Medewerkers mogen 20 procent van hun tijd besteden aan innovatie.

Schoonmaken op vaste tijden wordt vervangen door schoonhouden wanneer het nodig is.

Er heerst een postitief klimaat waarin fouten gemaakt mogen worden.

Introductie coachende stijl van leidinggeven.

Medewerkers krijgen vrijheid en vertrouwen om over teamgrenzen heen te werken. Google biedt intellectuele prikkels, bijvoorbeeld aansprekende lezingen.

Het Veeg- en Straatbedrijf weet de gemeente Den Haag als klant te behouden. De Haagse openbare ruimte is schoner, tegen lagere kosten. De straatvegers van het Veeg- en Straatbedrijf zijn zelfstandiger, gezonder en trotser.

in opdracht van:

Google

Resultaten

Jouw organisatie Aanleiding Sociale innovatie

Resultaten

Google is marktleider met hoge winsten, tevreden aandeelhouders en gedreven werknemers. Google genereert een constante stroom aan nieuwe producten en diensten.

gemaakt door:

Š2009


de argumentenkaart van het Nederlands Centrum voor sociale innovatie Sociale innovatie verhoogt de productiviteit

Sociale innovatie vermindert de productiviteit

Sociale innovatie maakt efficiënte inrichting van processen mogelijk. Sociale innovatie maakt medewerkers breder inzetbaar. Sociale innovatie maakt medewerkers mondig, vaardig, creatief en klantgericht. Sociale innovatie stimuleert medewerkers zichzelf te ontwikkelen. Sociale innovatie maakt flexibel werken mogelijk in plaats en tijd. Sociale innovatie verbetert de verdeling van taken en bevoegdheden over functies.

Door sociale innovatie steken medewerkers energie in zaken die niet direct resultaat opleveren. Mensen krijgen te veel vrijheid, dan doen ze niet meer wat ze moeten doen.

Sociale innovatie leidt tot hogere kosten PrEsTaTiEs

PrEsTaTiEs

Sociale innovatie leidt tot meer opbrengst Sociale innovatie maakt technologische innovatie rendabeler in mijn organisatie. Sociale innovatie vergroot de mogelijkheden om kennis in resultaat om te zetten. Sociale innovatie stimuleert kwaliteitsverbetering van producten en diensten in mijn organisatie. Sociale innovatie stimuleert de ontwikkeling van producten, diensten en samenwerkingsverbanden. Dankzij sociale innovatie worden de capaciteiten en talenten van medewerkers beter benut.

Sociale innovatie verstoort de arbeidsrelaties Sociale innovatie maakt het moeilijker om leiding te geven. Door sociale innovatie weten mensen niet meer wat ze van elkaar mogen verwachten. Sociale innovatie leidt tot onrust in mijn organisatie. Door sociale innovatie wordt mijn organisatie onbeheersbaar en niet controleerbaar.

Sociale innovatie leidt tot effectievere arbeidsrelaties Door sociale innovatie stijgt het vertrouwen tussen de medewerkers onderling in mijn organisatie. Door sociale innovatie weten mensen elkaar beter te vinden en wordt kennis beter gedeeld. Sociale innovatie wakkert leiderschap/ondernemerschap/intrapeneurship bij medewerkers aan. Door sociale innovatie voelen medewerkers zich verantwoordelijk, zijn ze alert en betrokken. Door sociale innovatie krijgen medewerkers meer autonomie op de werkvloer. Door sociale innovatie heeft mijn organisatie een betere relatie met de vakbonden.

Sociale innovatie vergroot het plezier in het werk

Wat zijn argumenten voor en tegen sociale innovatie in mijn organisatie?

arbEids­ vErhoudiNGEN

Sociale innovatie maakt het werk afwisselender en flexibeler. Sociale innovatie biedt medewerkers de ruimte om hun ideeën te ontwikkelen. Sociale innovatie leidt tot een gezondere arbeidsomgeving. Sociale innovatie maakt het combineren van werk en privé beter mogelijk. Door sociale innovatie kunnen mensen werken op de manier die bij hen past.

arbEids­ vErhoudiNGEN

Sociale innovatie geeft medewerkers verantwoordelijkheid zonder salarisverhoging. Sociale innovatie schrikt medewerkers af die houden van regels en duidelijkheid. Sociale innovatie maakt medewerkers kwetsbaarder, bijvoorbeeld baanverlies door efficiënter werken. Sociale innovatie legt een hoge druk op medewerkers om beter te presteren. Sociale innovatie is een bedreiging voor cao’s en (verworven) rechten.

Sociale innovatie is een vaag begrip

voor

TEGEN

Sociale innovatie is niet nodig voor mijn organisatie

Door sociale innovatie kan mijn organisatie de best passende mensen uit de markt halen. Sociale innovatie vergroot het probleemoplossend en innovatief vermogen van mijn organisatie. Sociale innovatie vergroot het aanpassingsvermogen aan een veranderende omgeving. Door sociale innovatie verbetert de relatie met klanten, leveranciers en kennisorganisaties.

Andere organisaties doen het ook niet. Mijn organisatie heeft geen sociale maar technologische innovatie nodig. Mijn organisatie hoeft niet te veranderen omdat het al prima gaat. Mijn organisatie heeft goede samenwerkingsrelaties met externe partijen.

sTraTEGiE

sTraTEGiE

Sociale innovatie past niet bij mijn organisatie In mijn resultaatgerichte organisatie is geen draagvlak voor sociale innovatie. Sociale innovatie is onverenigbaar met de doelen, producten en diensten van mijn organisatie. Sociale innovatie schept verwachtingen die mijn organisatie niet kan waarmaken. Mijn organisatie mist het leiderschap dat nodig is om sociale innovatie tot een succes te maken. Sociale innovatie betekent leren en veranderen, en dat willen mijn medewerkers niet.

Mijn organisatie wil flexibel zijn en daar past sociale innovatie heel goed bij. Mijn organisatie staat altijd open voor vernieuwing en verbetering. Sociale innovatie appelleert aan belangrijke waarden (zoals duurzaamheid) in de maatschappij.

in opdracht van:

Sociale innovatie vermindert het plezier in het werk

Sociale innovatie is ideologisch gebrabbel van intellectuelen. Sociale innovatie is moeilijk toepasbaar in de praktijk. Sociale innovatie is niet bewezen effectief. Sociale innovatie is een modegril, echt iets van voor de kredietcrisis.

Sociale innovatie is nodig voor het contact met de buitenwereld

Sociale innovatie past bij mijn organisatie

Sociale innovatie kost tijd, geld en capaciteit, bijvoorbeeld investeringen in ict. Sociale innovatie vereist maatwerk en dat is arbeidsintensief en duur. Sociale innovatie vereist veel overleg en waar gepraat wordt, wordt niet gewerkt. Sociale innovatie leidt tot hogere loonkosten.

Deze kaart biedt een overzicht van de argumenten voor en tegen sociale innovatie vanuit het perspectief van de organisatie. Deze Argumentenkaart is gemaakt aan de hand van denksessies met deskundigen uit het netwerk van het Nederlands Centrum voor Sociale Innovatie. Zij hebben sociale innovatie opgevat als een vernieuwing in de arbeidsorganisatie en in arbeidsrelaties die leidt tot verbeterde prestaties van de organisatie en ontplooiing van talenten. Met dank aan de deskundigen voor hun denkwerk.

gemaakt door:

©2009


Flexibeler werken 9 In 2012 bieden alle scholen in het primair onderwijs het hele jaar op werkdagen tussen 07.00 en 19.00 uur schoolactiviteiten en opvang aan OCW Versterkt plan:

1 In 2010 is in driehonderd nieuwe cao’s het recht om elders (bijvoorbeeld thuis) te werken gerealiseerd

7 12

Verankeren het recht op elders werken in 300 cao’s en zijn gezamenlijk eindverantwoordelijk. Levert alle relevante informatie ten behoeve van de cao-onderhandelingen. Past waar nodig arbo- en privacy-wetgeving aan om het elders werken makkelijker te maken. Bereidt wetgeving voor om het recht op elders werken te verankeren; uitsluitend in te voeren indien werkgevers en werknemers onvoldoende vaart maken. Inventariseert belemmeringen voor elders werken.

1 12

Stelt het veranderprogramma Manager 2.0 op.

TNO

elders werken

flexibelere werktijden

Werkgevers

Managementopleidingen promoten elders werken in hun programma’s. Managementopleidingen leren managers leiding geven aan elders werkenden.

Opleidingen

Versterkt plan:

4 10 11 14

Ondersteunt TNO bij het ontwikkelen van de quickscan. Zoekt financiering voor de uitvoering van dit project.

2

Financiert de ontwikkeling van de Flexwerkbox. TNO, NCSI en Syntens ontwikkelen, beheren en vermarkten de Flexwerkbox.

V&W (fileproof) Onderzoeksinstituten

3 4

Organiseert de totstandkoming en het beheer van de website. Zorgt voor bekendheid van de website bij alle relevante partijen.

Jeugd & Gezin

beter vermarkten ‘flexibel werken’

Met welke plannen kan flexibeler werken (in plaats en tijd) worden bevorderd?

6 In 2009 is er één website waarop werk- en vergaderplekken en servicepoints gereserveerd kunnen worden

Versterkt plan:

11 12 13

Bouwen sites waarop werkplekken en vergaderlocaties gereserveerd en afgerekend kunnen worden.

Breiden hun dienstenaanbod tussen 07.00 en 19.00 uit, afgestemd op de lokale behoeften. Werken hiertoe samen met onder meer kinderopvangorganisaties, sport- en ouderverenigingen. Passen cao’s aan, onder meer als het gaat om combinatiefuncties. Formuleren hun wensen en maken die kenbaar aan scholen en politiek. Betalen een deel van de extra dienstverlening zelf. Zorgen voor de randvoorwaarden (bestemmingsplannen, vergunningen, geschikte ruimte). Versterkt plan:

11

EZ benoemt een ambassadeur ‘21e eeuwse openingstijden’ die eindverantwoordelijk is. Verantwoordelijke ministers overleggen met relevante sectoren over ruimere openingstijden. OCW sluit convenanten met in eerste instantie 25 gemeenten over ruimere openingstijden. EZ neemt initiatief tot het verruimen van de Winkeltijdenwet.

Werknemers/-gevers

Werkgevers- en werknemersorganisaties wijzigen voor zover nodig de cao’s. Brancheorganisaties werken nieuwe concepten uit om ruimere openingstijden mogelijk te maken. Dienstverleners breiden hun openingstijden uit naar avonden en weekenden.

Gemeenten

Passen hun gemeentelijke verordeningen aan om ruimere openingstijden mogelijk te maken. Geven het goede voorbeeld door als eerste hun openingstijden uit te breiden.

11 In 2010 is het aantal mensen dat hun arbeid via zelfroosteren organiseert met 10 procent gestegen ten opzichte van 2008

Innovatieplatform

5 In 2009 is er een website (www.flexibelwerken.nl) die alle bestaande instrumenten en instanties (Dagindeling, Deeltijdplus, etc.) voor flexibel werken toegankelijk maakt

Versterkt plan:

Rijksoverheid

TNO

4 In 2009 is er een Flexwerkbox met tools voor MKB-ondernemers beschikbaar die hen helpt hun medewerkers flexibel te laten werken

Versterkt plan:

Gemeenten

10 11

Zorgt dat er een verplichting voor scholen komt alsmede een financiële ondersteuning. Verzamelt (inter)nationale best practices en verspreidt deze. Ondersteunt een aantal experimenten met ruimere openingstijden. Onderzoekt hoe publieke geldstromen voor school en opvang kunnen worden gebundeld.

10 In 2012 is het aantal klanten dat tevreden is over de openingstijden van dienstverleners 10 procent gestegen ten opzichte van 2008

3 In 2009 is er een persoonlijke quickscan voor bedrijven en (overheids)instellingen beschikbaar die hun de mogelijkheid schetst het werk flexibeler te organiseren Ontwikkelt, beheert en vermarkt de quickscan.

Ouders

NCSI

Ondersteunen managers zodat ze meer vertrouwen krijgen (zoals met scholing en materiaal). Ondersteunen personeel zodat ze elders kunnen werken (zoals met scholing en materiaal).

1

Werknemers/-gevers

SZW

2 In 2010 is het aantal managers dat vertrouwen heeft in ‘elders werkenden’ met 30 procent gestegen ten opzichte van 2008 (“Manager 2.0”)

Versterkt plan:

1

Schoolbesturen

Werknemers/-gevers

Versterkt plan:

NS, NCSI en IP

(Europese) overheid

Past regels aan die het aantal uren en de werkmomenten beperken.

Werknemers/-gevers

Passen cao’s aan (zoals plus- en minuren) waardoor zelfroosteren (beter) mogelijk wordt. Werkgevers activeren werknemers om (blijvend) flexibel te roosteren. Werkgevers schaffen een goed digitaal systeem voor zelfroosteren aan (zoals Timecare). Werknemersorganisaties informeren werknemers over de voordelen van zelfroosteren.

NCSI

Onderzoekt langetermijneffecten (op productiviteit, ontplooiing en gezondheid) van zelfroosteren. Ondersteunt experimenten met zelfroosteren en verspreidt kennis hierover.

12 In 2015 zijn er honderd extra werkplekverzamelgebouwen op strategische plekken Overheid

De (lagere) overheid stelt potentiële werkplekverzamelgebouwen ter beschikking aan de markt. Rijkswaterstaat stelt locaties op strategische plekken ter beschikking aan de markt.

Bedrijven

ProRail stelt locaties op strategische plekken beschikbaar aan de markt. Bedrijven realiseren en exploiteren de werkplekverzamelgebouwen.

13 In 2010 zijn er minimaal honderd servicepoints (zoals met mogelijkheid tot printen, internet en overleg) bij treinstations en benzinestations Versterkt plan:

EZ

7 In 2015 is het aantal bedrijven dat een satellietkantoor heeft geopend met 5 procent gestegen ten opzichte van 2008

11 14

VROM zet een wetenschappelijk experiment op dat het effect van satellietkantoren meet. BZK opent in een aantal gemeenten kantoren met rijkswerkplekken. VROM en Financiën onderzoeken of door een verandering van het fiscale regime voor lease-auto’s het opzetten van satellietkantoren kan worden gestimuleerd. Minstens tien (middel)grote ondernemingen openen als experiment (meer) satellietkantoren.

Oliemaatschappijen NS

Bedrijven

minder reistijd

meer op andere locatie werken

8 In 2010 zijn er ten minste 25 regionale convenanten afgesloten tussen werkgevers en decentrale overheden over het terugdringen van mobiliteit van werknemers

Richt op of bij het station een servicepoint in.

14 In 2010 heeft 50 procent van alle rijksambtenaren de mogelijkheid om ten minste één dag per week op een werkplek in het gemeentehuis in hun woonplaats te werken

Gemeenten

Lokale overheden

Sluiten convenanten af met lokale overheden en voeren de daarin opgenomen plannen uit.

Bedrijven

Is eindverantwoordelijk voor het afsluiten van de convenanten. Laat effecten van de convenanten wetenschappelijk onderzoeken en doet aanpassingsvoorstellen. Zorgt dat 25 overige regio’s vergelijkbare convenanten met bedrijven afsluiten.

Taskforce Mobiliteit

BZK maakt afspraken met VNG over het ter beschikking stellen van werkplekken voor rijksambtenaren. P&O-afdelingen van ministeries organiseren het werk zo dat ambtenaren elders kunnen werken. BZK (Algemene Bestuursdienst) zorgt voor draagvlak onder managers. Stellen in hun gemeentehuis werkplekken beschikbaar voor rijksambtenaren. Zorgen voor draagvlak onder gemeenteambtenaren.

15 In 2010 is het aantal bedrijven dat werkplekken voor anderen (bijvoorbeeld ZZP’ers) ter beschikking stelt met 10 procent gestegen Innovatieplatform Bedrijven

in opdracht van:

Richten op of bij benzinestations servicepoints in met basale kantoorfaciliteiten voor reizigers.

Rijksoverheid

Rijksoverheid

Zes lokale overheden sluiten in 2008 in hun regio een convenant met bedrijven.

EZ neemt het initiatief voor de totstandkoming en ruimt eventuele hindernissen uit de weg.

Deze informatiekaart geef een selectie van plannen weer die flexibel werken (in plaats en tijd) bevorderen. In deskundigensessies zijn deze plannen uit een grotere hoeveelheid geselecteerd en zijn de hier weergegeven suggesties ter uitvoering van de plannen gedaan. Met dank aan alle deskundigen voor hun denkwerk.

Richt een campagne in om het idee onder bedrijven en werknemers te promoten. Stelt de benodigde informatie aan bedrijven ter beschikking. Stellen al dan niet tegen betaling een werkplek ter beschikking. Spreken met elkaar af dat hun medewerkers op elkaars locatie mogen werken.

gemaakt door: © 2008


Het nieuwe leren: de argumenten voor en tegen Door het nieuwe leren ontwikkelen leerlingen hun talenten beter Het nieuwe leren kweekt meer zelfrespect en meer respect voor anderen. Het nieuwe leren maakt leerlingen creatiever, sociaal vaardiger en oplossingsgerichter. Het nieuwe leren sluit beter aan op de beroepspraktijk Het nieuwe leren plaatst de school meer in de maatschappij. Sociaal leren en praktijkgericht leren zijn relevanter voor de beroepspraktijk. Competenties, waar kennis in besloten ligt, zijn duurzamer dan kennis alleen.

Het publieke debat over het nieuwe leren is hoog opgelopen. Deze kaart geeft een overzicht van de argumenten die in dit debat worden gewisseld. De argumenten zijn ingedeeld per belanghebbende; de leerling, de ouder, de docent, de onderwijsmanager en de werkgever.

De opbrengst van het leren is hoger

Het nieuwe leren sluit beter aan op de eisen van het vervolgonderwijs Leerlingen hebben zelfstandiger leren werken. Het nieuwe leren sluit beter aan op de eisen van de samenleving Het nieuwe leren neemt de opvoedkundige taak van het onderwijs serieus. Het nieuwe leren sluit beter aan bij het toenemend belang van ICT. Het nieuwe leren maakt leerlingen verantwoordelijker, mondiger en socialer. Het nieuwe leren maakt leerlingen minder wereldvreemd.

voor

Het nieuwe leren is effectiever Zelfreflectie (metacognitie en zelfregulering) maakt leren effectiever. Probleemgericht leren, peer to peer leren en sociaal leren zijn effectiever. Actief leren levert meer op dan passief leren. Het nieuwe leren motiveert leerlingen beter Leren in een relevante context motiveert. Het breder (meervoudig) beoordelen motiveert. Het nieuwe leren sluit beter aan bij belevingswereld van de leerling. Het nieuwe leren sluit beter aan bij individuele leerbehoefte en leerstijl. Grotere keuzevrijheid stimuleert de leerling.

De argumenten op deze kaart zijn door De Argumentenfabriek verzameld op twee manieren: 1. Tijdens bijeenkomsten met onderwijsdeskundigen. 2. Via een analyse van artikelen die tussen medio 2005 en medio 2006 over het nieuwe leren en onderwijsvernieuwing zijn verschenen. Het gaat om artikelen uit: de Volkskrant, Vrij Nederland, de Telegraaf, Trouw, NRC Handelsblad, Het Parool en Elsevier. Met dank aan de deskundigen voor hun denkwerk en de analisten voor hun leeswerk.

Door het nieuwe leren ontwikkelen leerlingen hun talenten minder Gebrek aan structuur maakt dat leerlingen minder competenties leren. Door de subjectivering van leerdoelen kan de leerling zichzelf niet vergelijken met anderen. Doordat leerlingen zelf bepalen wat ze leren, krijgen ze minder inhoudelijke vorming.

Door het nieuwe leren zijn leerlingen straks minder geschikt voor de arbeidsmarkt Leerlingen zijn minder bereid dingen te doen en te leren die ze niet leuk vinden. Door gebrek aan theoretisch kader is de kennis van leerlingen minder algemeen bruikbaar.

38%

De onderwijsmethode is slechter

ICT is een minder goed didactisch instrument Onderwijs is en blijft mensenwerk. ICT is een minder goed didactisch instrument dan klassikaal onderwijs.

Het nieuwe leren gaat uit van een onjuist mensbegrip Het nieuwe leren gaat er ten onrechte vanuit dat ieder kind uit zichzelf wil leren. Het nieuwe leren gaat er onterecht vanuit dat leerlingen weloverwogen keuzes kunnen maken. Het nieuwe leren veronderstelt kennis en vaardigheden die de leerling nog onvoldoende heeft.

Het nieuwe leren leidt tot beter contact

Het nieuwe leren geeft ouders meer vrijheid

1

%

Ouders hebben amper zicht op de resultaten van hun kind Leerlingen krijgen geen cijfers meer. Bij ouders bestaat meer onduidelijkheid over het curriculum.

2 Het nieuwe leren is lastig voor ouders

tegen

voor

%

Welke argumenten betreffen de ouder?

1%

De leeromgeving is onveiliger Er is in het nieuwe leren minder zicht op waar leerlingen uithangen. De leeromgeving wordt onveiliger doordat er meer contact is met de buitenwereld. Het nieuwe leren beperkt de keuzevrijheid van ouders Het nieuwe leren wordt aan alle scholen opgedrongen waardoor de keuzevrijheid afneemt.

Het nieuwe leren maakt professionalisering mogelijk

5%

Het nieuwe leren creëert nieuwe problemen

tegen

3%

voor

de werkgever

34

%

72%

38%

1%

2% Welke argumenten betreffen de werkgever?

De percentages geven aan hoeveel procent van de argumenten uit de media-analyse in de betreffende categorie vallen. Zo gaat 72 procent van de argumenten in de media over het belang van de leerling. Hiervan is 34 procentpunt voor het nieuwe leren en 38 procentpunt tegen.

Het nieuwe leren bevordert concurrentie

De organisatie wordt flexibeler Teams worden verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs. De klassieke docent wordt vervangen door onderwijskrachten met uiteenlopende specialisaties. De autonomie van de docent wordt minder. Dankzij het nieuwe leren heeft de school minder last van slechte docenten De goede docenten zijn gemotiveerder dankzij de professionele werkomgeving. Het traditionele leren gaat uit van een geïdealiseerd beeld van de docent. Het nieuwe leren is kosteneffectiever De arbeidsproductiviteit wordt hoger. Managers zitten minder vast aan de bevoegdheden van het onderwijzend personeel. Leerlingen spijbelen minder en de schooluitval is lager. Het nieuwe leren geeft de school een eigen onderwijsprofiel en een vernieuwend imago Het nieuwe leren dwingt scholen zich te ontwikkelen. Het huidige onderwijs kan het nieuwe leren niet uitvoeren Veel docenten willen het nieuwe leren niet. Het huidige docentencorps kan het niet aan. De huidige leerlingregistratiesystemen kunnen het niet aan.

de ouder

Dankzij het nieuwe leren hebben ouders meer keuze tussen onderwijsvormen Ouders kunnen kiezen tussen traditioneel onderwijs en het nieuwe leren.

Het nieuwe leren heeft een slechter imago Ouders worden eerder aangesproken op de school die ze kiezen voor hun kind.

De docent kan niet meer instaan voor de kwaliteit van het onderwijs De beheersbaarheid van het leerproces wordt minder. De docent kan niet meer garanderen dat leerlingen iets kunnen. Het nieuwe leren draait meer om efficiëntie (diplomaproductie) dan om kwaliteit.

Welke argumenten betreffen de schoolmanager?

voor

Docenten moeten meer taken verrichten waar ze niet voor opgeleid zijn De bijscholing voor nieuwe taken, zoals coach of assesor, schiet tekort. De geloofwaardigheid van de docent neemt af De docent moet zaken van leerlingen verwachten die niet realistisch zijn.

8%

Ouders hebben beter contact met school De expertise van ouders wordt meer ingezet bij projecten van de school. Ouders hebben beter contact met de docenten.

Het nieuwe leren maakt het voor ouders moeilijk hun kind te begeleiden Het nieuwe leren is anders dan de scholing die de ouder heeft genoten. Met name sociaal zwakkere ouders weten niet meer waar ze aan toe zijn. Sociaal-economische verschillen worden sterker doorgegeven.

De docent kan zich niet meer ontwikkelen in zijn vak De docent kan de vertaalslag niet meer maken naar andere vakken. Sommige vakken lenen zich minder goed voor vakoverschrijdende samenwerking. Het wordt moeilijker om een vak door de jaren heen te ontwikkelen.

de schoolmanager

Het nieuwe leren wordt toegepast op leerlingen die er niet voor geschikt zijn Leerlingen in het praktijkonderwijs blijken minder geschikt voor probleemgeörienteerd leren. Het nieuwe leren neemt middenklasse als norm waardoor zwakkere leerlingen de boot missen.

Het nieuwe leren kent minder lesuitval School kan leerlingen makkelijker zelfstandig aan het werk zetten.

12%

Wat zijn de argumenten voor en tegen het nieuwe leren?

tegen

Het nieuwe leren daagt leerlingen minder uit In de praktijk wordt aan de voorwaarden voor effectief leren in groepsverband zelden voldaan. Door individuele leerwegen ontstaat minder groepsgevoel met klasgenoten. Leerlingen moeten vaker in groepjes werken waardoor de individuele prestatie ondersneeuwt. Door gebrek aan objectieve toetsingscriteria, zijn leerlingen onderling onvergelijkbaar. Door tegemoet te komen aan concentratiegebrek worden de concentratieproblemen groter.

Ouder en kind hebben thuis meer contact over school Ouders hebben meer invloed op de leerweg van hun kind. Ouders praten met hun kind meer over hun activiteiten en minder over cijfers.

Het nieuwe leren verslechtert de relatie met de leerling De docent draait minder contacturen. De docent draait met te grote groepen. De docent is niet meer in staat van een klas een groep te maken.

Het nieuwe leren bedreigt de professionaliteit

Door het nieuwe leren missen meer leerlingen de aansluiting op het vervolgonderwijs Leerlingen hebben minder overzicht over het vak. Leerlingen missen essentiële kennis en hebben minder feiten paraat. Leerlingen kunnen minder goed lezen, schrijven, spellen en rekenen.

Het nieuwe leren is demotiverend De docent moet harder werken en het werk wordt moeilijker. Het nieuwe leren vergroot de eenzaamheid door het ontmantelen van vaksecties. Het nieuwe leren brengt een hoop papierwerk (assessment en portfoliobeheer) met zich mee. De docent heeft minder mogelijkheden tot zelfrealisatie De docent heeft minder mogelijkheden om zijn kennis en kunde naar eigen inzicht te gebruiken. Managers en ICT dwingen de docent in een keurslijf.

tegen

Welke argumenten betreffen de leerling?

De opbrengst van het leren is lager

Het nieuwe leren vermindert het werkplezier

Welke argumenten betreffen de docent?

72%

Nieuwe leren stimuleert professionele inrichting van de onderwijsorganisatie Routineprofessional wordt innovatieve kenniswerker. Het nieuwe leren vermindert de onderbenutting van de capaciteiten van de docent. Het nieuwe leren vereist meer roldifferentiatie.

Het nieuwe leren is statusverlagend Nadruk op pedagogiek verlaagt de status van eerstegraads docenten. Het nieuwe leren biedt meer ruimte voor ongekwalificeerde docenten van buiten. De vernieuwingsdrang impliceert dat de huidige docenten geen goed werk leveren.

16% de leerling

Het nieuwe leren verbetert de relatie met de leerling De relatie met de leerling betreft meer dan vakinhoud en wordt menselijker. Het nieuwe leren maakt rijkere toetsing van de vorming van de leerling mogelijk.

Het nieuwe leren intensiveert het contact met collega’s Docenten werken meer samen in teams. Docenten beoordelen elkaar meer.

de docent

Het nieuwe leren kan beter omgaan met verschillen Het traditionele leren wordt toegepast op leerlingen die daar niet geschikt voor zijn. Het nieuwe leren kan goede leerlingen beter uitdagingen blijven bieden. Het nieuwe leren kan door praktijkgerichtheid zwakkere leerlingen beter bedienen. Het nieuwe leren kan beter overweg met de toenemende culturele diversiteit.

Het nieuwe leren biedt leerlingen minder structuur Het nieuwe leren is minder goed afgestemd op landelijke exameneisen. Subjectieve beoordeling verhoogt de kans dat afwijkende leerlingen worden benadeeld. In het nieuwe leren krijgen leerlingen vaker te complexe opdrachten. Leerdoelen zijn vager en het inzicht in de eigen ontwikkeling is geringer. In het nieuwe leren is het moeilijk verschillende stappen apart te belonen.

4% Het nieuwe leren ondersteunt de professionaliteit

De onderwijsmethode is beter

De docent wordt minder een politieagent Leerlingen zijn gemotiveerder. De docent geeft minder klassikaal les. Leerlingen krijgen minder ruimte om de docent te treiteren. De docent krijgt meer vrijheid Leerlingen doen meer met ICT, ook hun toetsing verloopt deels via ICT. Leerlingen doen meer zelf.

voor

34%

ICT maakt het onderwijs beter ICT is beter geschikt voor repetitieve kennisoverdracht. ICT maakt leren onafhankelijk van plaats en tijd. ICT biedt nieuwe manieren van sociaal leren (online).

Het nieuwe leren maakt leerlingen tot minder waardevolle burgers Het nieuwe leren kweekt gemakzuchtiger mensen. Door gebrek aan gedeeld kennis kunnen leerlingen later minder makkelijk samenleven.

Het nieuwe leren vergroot het werkplezier

Het nieuwe leren maakt het werk van de docent afwisselender, uitdagender en zinvoller Door de praktijkgerichte aanpak krijgt de docent meer contact met de buitenwereld. Het nieuwe leren doorbreekt de routine en vergt meer creativiteit. Het ambacht van de docent wordt socialer. De docent haalt meer voldoening uit het begeleiden van het persoonlijk leerproces van de leerling.

Het nieuwe leren lost problemen niet op

Het nieuwe leren levert betere werknemers Het nieuwe leren verbetert het conctact met scholen

Het nieuwe leren levert slechtere werknemers

tegen

1%

Het contact met scholen is een belasting

Het invoeren van het nieuwe leren brengt risico’s met zich mee Leerlingen zijn geen proefkonijnen. Het nieuwe leren is moeilijker uit te leggen aan ouders. Van veel onderwijsvernieuwingen is de werking niet bewezen. De school heeft door het nieuwe leren minder zicht op spijbelen en uitval. Het nieuwe leren vermindert keuzevrijheid Traditioneel onderwijs is voor schoolmanagers geen optie meer. Het nieuwe leren is geen oplossing voor de bestaande problemen in het onderwijs Tekortkomingen van docenten zijn niet op te vangen met een andere organisatie. Het nieuwe leren is niet goedkoper omdat het zowel ICT als conventioneel lesmateriaal vergt. De uitval van leerlingen zal onverminderd hoog blijven.

Werkgevers vinden algemene competenties belangrijker dan specifieke kennis Werknemers hebben minder achterhaalde (vak)kennis geleerd. Het loslaten van het traditionele rooster maakt samenwerken met school makkelijker Samenwerking met de school creëert loopbaanmogelijkheden binnen het bedrijf. Samenwerking met de school maakt bedrijven sterker en innovatiever. Werknemers hebben minder vakkennis Vakkennis moet binnen het bedrijf worden geleerd. Het nieuwe leren benadert vakkennis te theoretisch. Werknemers hebben minder basisvaardigheden Werknemers kunnen minder goed rekenen, spellen, schrijven. Het nieuwe leren levert minder uitmuntende werknemers. Contact met scholen kost veel tijd en geld Stagiaires leveren minder op dan ze kosten. Werkgevers zijn er niet om les te geven en op te voeden.

gemaakt door: ©


Innovatie Issuu 3 juni  

Boeren kunnen met ggg’s hun productiviteit verhogen. Ggg’s zijn voor de Nederlandse landbouw- en voedingsindustrie een groeimarkt. Door gene...

Advertisement
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you