Issuu on Google+

04 12

WINTER 2012

Het relatiemagazine van het Centraal Bureau voor de Statistiek

Interview met econoom en columnist Frank Kalshoven In gesprek met staatssecretaris Jetta Klijnsma CBS-delegatie op VN-duurzaamheidstop Eerste hulp bij peilingen


Molens in Nederland Er zijn in Nederland nog 1 200 molens. In ZuidHolland staan de meeste molens: 220. Utrecht heeft de minste molens: 33. Ruim honderd jaar geleden waren er nog 10 000 molens. Molens worden voor verschillende soorten werkzaamheden ingezet. Zo kennen we de poldermolen (die een polder bemaalt) en de korenmolen (waar graan tot meel wordt gemalen). Er zijn ook molens die gerst tot gort pellen, hout zagen, olie persen uit zaden en kleurstoffen vermalen. De laatste groep molens worden industriemolens genoemd. (Bron: Molen Educatief)


04 12 Gosse van der Veen Directeur-Generaal CBS

Het relatiemagazine van het Centraal Bureau voor de Statistiek

Verscheidenheid

Colofon

04/12 is het relatiemagazine van het CBS dat als doelstelling heeft de externe relaties van het statistiekbureau te informeren over het CBS en met het CBS verwante relevante maatschappelijke ontwikkelingen. Het relatiemagazine verschijnt 4 keer per jaar. Uitgave: Centraal Bureau voor de Statistiek. Hoofdredactie: Miriam van der Sangen. Medewerkers: Jaap van Sandijk, Miriam van der Sangen, Annemieke Bos, Anita Toet, Cor Kooijman, Masja de Ree, Pit Dehing en Rosenbaum Selekt. Cover: Jetta Klijnsma is staatssecretaris Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kabinet Rutte II. Fotografie: ANP, Sjoerd van der Hucht. Illustraties: Andy Grogan. Oplage: 6 500 exemplaren. Concept: Hans van Brussel. Vormgeving: Jan van Halm. Opmaak: Centraal Bureau voor de Statistiek, Grafimedia. Druk: Tuijtel, HardinxveldGiessendam. Reacties op het blad zijn welkom via e-mail: msnn@cbs.nl.

Het CBS heeft tot taak het publiceren van betrouwbare en samenhangende statistische informatie die inspeelt op de behoefte van de samenleving. Die samenleving kent een grote verscheidenheid aan groepen, die elk een eigen belang vertegenwoordigen, elk op hun eigen terrein. Daarom levert het CBS ook statistiek over zo’n grote verscheidenheid aan onderwerpen. Iets van die grote verscheidenheid klinkt door in de onderwerpen die in dit blad aan de orde zijn. Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Jetta Kleinsma, noemt de onafhankelijkheid van het CBS een ‘groot goed’. Voeding vanuit de samenleving door ‘gewone mensen van vlees en bloed’, vindt zij belangrijk voor haar functioneren als bestuurder. Haar belangstelling en betrokkenheid bij een groot aantal onderwerpen komen in dit interview aan de orde. Econoom, columnist en mededirecteur van De Argumentenfabriek, Frank Kalshoven, heeft er zijn werk van gemaakt om thema’s van alle kanten te belichten en complexe onderwerpen inzichtelijk te maken. Hij noemt zichzelf ‘de grootste fan van het CBS’ en heeft ook enkele suggesties voor verdere verbetering. Duurzaamheid is een onderwerp waarvoor je een verscheidenheid aan ­gegevens samen moet brengen. Het CBS beijvert zich voor internationale vergelijkbaarheid en standaardisatie. Plaatsvervangend directeur-generaal Geert Bruinooge en statistisch onderzoeker Bram Edens bezochten daarvoor de VN-duurzaamheidstop Rio+20. Methodoloog bij het CBS en bijzonder hoogleraar survey methodologie aan de universiteit van Leiden, Jelke Bethelehem, maakt zich zorgen over de kwaliteit van de peilingen van de commerciële statistiekmakers. Samen met de Vereniging van onderzoeksjournalisten en het Plaform voor Surveyonderzoek heeft hij daarom de Checklist voor peilingen ontwikkeld. Dat je ook op gegevens van eind 17e en begin 18e eeuw nog interessante analyses kunt uitvoeren, blijkt wel uit het artikel van CBS-redacteur en promovendus aan de Universiteit van Amsterdam, Pit Dehing. 550 strekkende meter Wisselbankarchief vormde de basis voor zijn promotieonderzoek ‘Geld in Amsterdam’. Gosse van der Veen, Directeur-Generaal

3


Aan dit nummer werkten mee... Miriam van der Sangen (1958) studeerde rechten aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Daarna volgde zij diverse opleidingen op het gebied van management en journalistiek. Begin jaren tachtig trad zij in dienst van het CBS, waar zij verschillende functies bekleedde. De afgelopen 18 jaar werkte zij bij de sector Communicatie.

Masja de Ree (1973) studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Ze was docent Nederlands en alfabetisering en werkt sinds 2003 als zelfstandig bedrijfsjournalist en eindredacteur voor opdrachtgevers bij de overheid en in de gezondheidszorg.

Annemieke Bos (1966) volgde de opleiding Voorlichtingskunde aan de Haagse Hogeschool. Zij werkte vijf jaar als voorlichter bij de Stichting Vakopleiding Bouwbedrijf (tegenwoordig Fundeon) en daarnaast als freelance journaliste voor de Delftsche en Westlandsche Courant. Sinds 1995 is ze actief als freelance tekstschrijver/redacteur.

Jaap van Sandijk (1960) studeerde aan de Pedagogische Academie, maar koos na de afronding daarvan voor de journalistiek. Na ervaring te hebben opgedaan bij de regionale radio en het Leidsch Dagblad vestigde hij zich als freelance journalist. Hij schrijft voor diverse vakbladen, waaronder Adformatie, Salesmanagement en Twinkle.

4


04 12 Het relatiemagazine van het Centraal Bureau voor de Statistiek

Interview met econoom en columnist Frank Kalshoven 

10

In gesprek met staatssecretaris Jetta Klijnsma 

‘CBS in de klas’ ontwikkeld mét en voor docenten  

8

Eerste hulp bij peilingen 

38

20

CBS-delegatie op VN-duurzaamheidstop 

30

Inhoud

kort gezond  6–7 ‘CBS in de klas’ ontwikkeld mét en voor docenten  8–9 Interview met econoom en columnist Frank Kalshoven  10–15 kort IT  16–17 CBS in de schijnwerpers met Volkstelling 2011  18–19 In gesprek met staatssecretaris Jetta Klijnsma 20–25 kort sport  26–27 Een cijfermatig totaalbeeld van gezondheid en zorg  28–29 CBS-delegatie op VN-duurzaamheidstop  30–35 kort reizen  36–37 Eerste hulp bij peilingen  38–43 kort actueel  44–45 Over de historie van de Wisselbank  46–51 kort culinair  52–53 recente publicaties  54–55 Op een doorsnee dag  56

5


kort gezond

79,2 jaar: levensverwachting voor mannen De levensverwachting van vrouwen in Nederland is nog steeds hoger dan die van mannen. Maar de mannen komen wel steeds dichterbij. Tussen 1985 en 2000 groeide de levensverwachting bij geboorte voor mannen namelijk met 2,5 jaar, terwijl bij vrouwen deze groei slechts 0,9 jaar bedroeg. Daarna trad een versnelling op. Tussen 2000 en 2011 bedroeg de toename bij mannen zelfs 3,6 jaar. Vrouwen boekten in deze periode een winst van 2,3 jaar. De voorlopige stand? In 2011 was de levensverwachting bij geboorte voor vrouwen 82,9 jaar, tegen 79,2 jaar voor mannen. (Bron: CBS, Eurostat)

Aantal zelfdodingen stijgt naar

1 647

In 2011 hebben 1 647 Nederlanders een einde aan hun leven gemaakt. Dat zijn er 47 meer dan een jaar eerder. Zelfdoding komt vooral voor onder mannen: 7 van de 10 is man (1 136 mannen versus 511 vrouwen). Bijna de helft van alle zelfdodingen vindt plaats in de leeftijdsgroep van 40 tot 60 jaar. Zelfdoding gebeurt het meest door ophanging. De helft van de mannen die zich van het leven berooft, doet dit door ophanging. Vrouwen kiezen in een derde van de gevallen voor ophanging. Alleen bij jongeren tot 20 jaar is voor de trein springen de meest voorkomende manier. (Bron: CBS)

5 38 procent

Sigaretten en shag in jaar duurder

De afgelopen 5 jaar zijn sigaretten en shag in Nederland met 38 procent in prijs gestegen. Een stijging die ruim 2,5 keer harder uitpakt dan in onze buurlanden. Sinds juni 2007 zijn de tabaksprijzen in BelgiÍ en Duitsland met 14 procent gestegen – de kleinste stijging in de eurozone. De flinke stijging in Nederland wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door accijnsverhogingen. Zonder deze verhogingen zouden de Nederlandse prijzen vrijwel gelijk zijn opgegaan met die in onze buurlanden. (Bron: CBS)

6


kort gezond

Huisarts krijgt een

7,7

Nederlanders zijn over het algemeen tevreden over hun huisarts. Het gemiddelde rapportcijfer van zowel mannen als vrouwen voor de huisarts is een 7,7. Ouderen blijken in het algemeen positiever te zijn in hun oordeel dan jongeren van 20 tot 30 jaar. Ook gezonde patiĂŤnten oordelen, in vergelijking met patiĂŤnten die hun gezondheidstoestand als minder dan goed beoordelen, positiever over hun huisarts. Van de gezonde patiĂŤnten geeft 98 procent de huisarts een 6 of hoger als cijfer. Van de groep die de gezondheid als minder goed beoordeelt geeft 93 procent de huisarts minimaal een zes. Ook over andere zorgverleners zijn we tevreden. Specialisten krijgen gemiddeld een 7,8. Tandartsen en fysiotherapeuten waarderen we gemiddeld met een 7,9. Mannen en vrouwen waarderen de tandarts en de fysiotherapeut even hoog. Wat specialisten betreft zijn mannen net iets positiever dan vrouwen. (Bron: CBS)

7


aan het woord...

LIEKE STROUCKEN (29) studeerde vrijetijdwetenschappen aan de Universiteit van Tilburg. Na haar studie kwam ze bij het CBS in dienst als onderzoeker voor de onderwijsstatistieken. Gaandeweg trok het werk als projectleider haar toch meer. Sinds anderhalf jaar is ze coördinator van het project ‘CBS in de klas’. Voor meer informatie: www.cbs.nl/cbsindeklas.

8


‘CBS in de klas’ ontwikkeld voor én met docenten De cijfers van het CBS worden niet alleen door onderzoekers en beleidsmakers gebruikt. Steeds meer docenten en scholieren in het voortgezet onderwijs weten de informatie ook te vinden. Deze is speciaal voor hen samengebracht op de website ‘CBS in de klas’. Lieke Stroucken is coördinator van dit project.

‘C

BS in de klas’ biedt docenten gratis CBSmateriaal dat direct bruikbaar is in de klas en dat past in het lesprogramma voor de vakken aardrijkskunde, economie en maatschappijleer. ‘We hebben de site anderhalf jaar ­geleden ontwikkeld, in ­nauwe samenspraak met docenten’, vertelt Stroucken. ‘Mijn taak is het om de site te onderhouden, uit te breiden en te promoten. We zoeken actief het contact met de gebruikers op om het aanbod zo goed mogelijk op hun wensen af te stemmen. Een pool van docenten denkt mee en geeft feedback. Dat is heel ­belangrijk. We vinden bij het CBS de input vanuit het onderwijs essentieel. Zo ont­ wikkelen we nu naar aanleiding van reacties uit het veld een lesmodule ‘grafieken lezen’.

We zijn na een succesvolle test dit jaar ook van start gegaan met de landelijke Conjunctuur­ BekerStrijd. Leerlingen van de havo- en vwo-bovenbouw met economie in hun profiel voorspellen met hun docent de Nederlandse conjunctuur. Ze ­ vinden daarvoor informatie over een tiental indicatoren op de site. Bijvoorbeeld de economische groei, werkloosheid en ­inflatie. Begin oktober hadden we ruim ­negentig voorspellin-

We vinden bij het CBS de input vanuit het onderwijs essentieel

gen binnen. In november hebben we de kwartaalcijfers naar de scholen gezonden, zodat ze konden bekijken of ze in de ­goede richting zitten met hun voorspelling en waar een evenafwijking vandaan kan tuele ­ ­komen. In maart volgend jaar reiken we een prijs uit aan de klas die het dichtst bij de door het CBS ­gemeten cijfers zit. Het is leuk om te zien hoe de scholen dit oppakken. We ontvangen positieve reacties. Leerlingen vinden het leuk om op deze ­manier met cijfermateriaal bezig te zijn. De lesstof wordt er concreter door en beklijft ook beter.’ Stroucken is vastbesloten om zich te blijven verdiepen in de doelgroep en deze te betrekken bij de verdere ontwikkeling van de website. Annemieke Bos

9


relaties

Frank Kalshoven is econoom en columnist voor de Volkskrant. Ook is hij eigenaar van de Argumentenfabriek, een onafhankelijk analysebedrijf dat organisaties helpt helder na te denken over goede en snelle resultaten.

10


‘Ik ben de grootste fan van het CBS’ Interview met econoom en columnist Frank Kalshoven het economiekatern van de Volkskrant verschijnt. Frank Kalshoven analyseert daarin de wereldeconomie aan de hand van steeds drie dezelfde vragen: ‘Wat zien we? Wat gebeurt hier? Hoe moeten we dit begrijpen?’ Al zestien jaar maakt hij ‘De knikkers en het spel’, de column die elke zaterdag in

De etherlucht is allang verdwenen, maar de galm zit er nog stevig in, vooral in de lange gangen. Na de sluiting in 1983 biedt het voormalige Wilhelmina Gasthuis nu onderdak aan bedrijven. Ook de Argumentenfabriek van mededirecteur Frank Kalshoven heeft hier, in Amsterdam Oud-West, zijn thuisbasis. De Argumentenfabriek is een onafhankelijk analyse­ bedrijf dat organisaties helpt helder na te denken over goede en snelle resultaten. Kalshoven en zijn medewerkers begeleiden denksessies waarin vraagstukken helder en overzichtelijk in kaart worden ­gebracht. ‘We hebben een methode van informatie verzamelen en presenteren ontwikkeld die thema’s van alle kanten belicht’, legt hij uit. ‘We bundelen en ordenen alle argumenten en schrijven dat zó compact op dat het op een A3’tje past.’ Betere beslissingen Aan de hand van de zelf ontwikkelde Argumentenkaart maakt de Argumentenfabriek voor de klant complexe onderwerpen inzichtelijk. ‘Zo kunnen mensen gestructureerd nadenken en betere beslissingen nemen. Aan de

hand van de visualisatie kunnen ze ook altijd ­terugredeneren waaróm ze tot bepaalde besluiten zijn gekomen.’ De Argumentenfabriek bestaat ­inmiddels bijna zeven jaar. Aanvankelijk was het niet de bedoeling dat het idee zou uitmonden in een bedrijf. Kalshoven werkte destijds, samen met toenmalig collega-redacteur Kees Kraaijeveld van de Volkskrant, aan de ontwikkeling van een zondagskrant. ‘In die krant wilden we een weekoverzicht van het publieke debat bieden zonder daar lange lappen tekst aan te wijden. Zo kwamen we op de Argumentenladder en de Argumentenkaart.’ Die zondagskrant kwam er niet. Uitgever PCM zag er van af. Kalshoven: ‘Maar na jaren bij de krant waren we toe aan iets nieuws. Toen zijn Kees en ik samen dit bedrijf begonnen.’

Verklaren En zo werd de econoom en journalist dus ondernemer. Maar wat Kalshoven ook deed tussen 1996 en nu, ‘De knikkers en het spel’ is hij altijd blijven schrijven. ‘Dat is echt een vast punt in mijn leven’, zegt hij. ‘Wat voor baan ik ook had de afgelopen zestien jaar, voor mij gold elke vrijdagochtend: stukkie tikken.’ En dat is nog steeds zo. Hij wijst naar de deur: ‘Hier weten ze op vrijdagochtend: hij werkt aan De Knikker.’ In dat ‘stukkie’ van zo’n zeshonderd woorden analyseert de auteur de wereldeconomie aan de hand van drie simpele vragen. ‘Wat zien we? Wat gebeurt hier? Mensen Hoe moeten we dit begrijpen?’ De wereldeconomie zit volgens realiseren zich Kalshoven best ingewikkeld in elkaar. ‘Bij het schrijven van een niet welke macht stukje dwing ik mezelf om ze hebben om de ­helder te formuleren hoe dingen zijn te verklaren. Nog even los wereld te van de vraag wat je ervan moet verbeteren vinden.’

11


We gingen van een financiële crisis naar een crisis in de reële economie, naar een crisis in de openbare financiën van landen en vervolgens naar een muntcrisis

Crises Je moet de gehouden worden, kortom, het De laatste jaren schrijft Kalshoven – rijtje waarover al brede economi­ overheidshoe kan het anders – veel over de crische consensus is.’ En de openbare sis. Nou ja, crisis – zeg maar crises. ‘Het financiën op orde financiën? ‘Op dat gebied moet je is een sequentie. We gingen van een rustig aan doen. Je moet de overfinanciële crisis naar een crisis in de houden zonder heidsfinanciën op orde houden reële economie, naar een crisis in de zonder draconisch te gaan bezuinidraconische openbare financiën van landen en gen. Het negatieve effect daarvan is bezuinigingen misschien wel groter dan we dachvervolgens naar een muntcrisis.’ Als Europa kordaat had opgetreden, was ten. Daar kun je beter mee wachten het echter niet zo uit de hand gelopen, tot de omgeving wat verbeterd is. stelt hij. ‘Het begon met Griekenland. Dat was een Topeconoom Olivier B ­ lanchard van het IMF heeft fluitje van een cent, een bosbrandje op een regen- daarover verstandige dingen gezegd.’ Wat vindt achtige dag. Eén telefoontje naar het IMF en het Kalshoven in dit verband van het regeerakkoord was in drie maanden geregeld. Maar dat druiste in van Rutte II? ‘Helemaal niet slecht. Het meest tegen het eergevoel van Europa. Het IMF, dat is er ­positieve is dat VVD en PvdA p ­ ositief hebben uittoch voor Afrikaanse landen? Dat gaat toch niet het geruild. Geen stilstand, maar vooruitgang.’ oude continent Europa vertellen hoe het een ­probleem moet oplossen? Dat weten we zelf wel! Maakbare economie Zo werd het fikkie een bosbrand terwijl Europese Frank Kalshoven gelooft in een maakbare econopolitici al drie jaar lopen te rommelen.’ Nederland mie, laat hij weten in diverse publicaties. Maar is dat is – met zijn open economie – flink geraakt door die niet naïef? In een maakbare economie hadden we Europese crisis. Kunnen wij ons daar zelfstandig uit een crisis toch kunnen voorkomen? ‘In de econowerken, zoals de PvdA in haar verkiezingscampag- mie zijn allerlei impulsen. Daarin speelt de overheid ne suggereerde? PvdA-leider Samsom zei met natuurlijk een rol. Maar vergeet niet dat wij als ­regelmaat dat ‘Nederland zich uit de crisis moet ­burgers ook een belangrijke rol spelen in die aanstuwerken’. Kalshoven: ‘Dat is een buitengewoon ring van de economie. Als ik even een CBS-cijfer ­naïeve uitspraak. Herstel van de Nederlandse eco- erbij mag pakken: een gemiddeld huishouden heeft nomie is zeer afhankelijk van het herstel in Europa. een besteedbaar inkomen van 28 duizend euro. En Daarom moeten we de Zuid-Europese landen ook het is alleen dat huishouden dat bepaalt hoe dit helpen – en daar niet mee talmen, zoals ik al eerder ­bedrag wordt aangewend en welke diensten en proschreef in mijn column. Nederland heeft overigens ducten ermee worden afgenomen. Daar bemoeit wel invloed op het herstel van de economie. Het niemand zich mee. Het effect dat we met ons eigen nieuwe kabinet moet dan wel verstandig positie economisch gedrag kunnen bewerkstelligen, is kiezen in Europa en Europa moet het eens worden ­ fabelachtig groot. Met de keuzes die we maken, over hervormingen.’ ­sturen we de wereldeconomie.’ Economenrijtje Nederland moet zelf ook de nodige hervormingen doorvoeren. Kals­ hoven is het eens met wat hij ‘het economenrijtje’ noemt: ‘De woningen arbeidsmarkt moeten worden hervormd, de hypotheekrenteaftrek en het ontslagrecht moeten eraan, de zorgkosten moeten in de klauwen

12

Met de keuzes die wij maken sturen we de wereldeconomie

Kapitalisme Dan legt Kalshoven de vinger op de zere plek. Want, zo constateert de econoom die de wereld graag duurzamer ziet, we gaan verkeerd om met die maakbaarheid. ‘We doen allemaal domme dingen. We stoten teveel CO2 uit, doen boodschappen bij de kilo­ knaller en doen nog veel meer din-


13


We doen allemaal domme dingen. We stoten teveel CO2 uit, doen boodschappen bij de kiloknaller en doen nog veel meer waar we niet gelukkig van worden

gen waar we niet gelukkig van worden.’ De consument is, constateert Kalshoven, onnadenkend. ‘Mensen realiseren zich niet welke macht ze hebben om de wereld te verbeteren. Ze geven vijf euro aan een goed doel, maar beseffen niet dat ze bijna dertigduizend euro te besteden hebben om werkelijk iets goeds te doen.’ Maar als de overheid dat nou eens wat meer zou stimuleren? ‘Dat vind ik de redenering van een klein kind dat dol op chocola is en de pot leeg eet als zijn ouders er niet zijn. Moet pappie overheid ons gaan vertellen dat we ons ­beter moeten gedragen? Ik ben altijd voor de emancipatie van mensen – of dat vrouwen, minderheden of gehandicapten zijn. Zo moeten we ons ook als Nederlandse en Europese bevolking emanciperen.’ Maakbaar of niet, crises zijn nooit te voor­ komen. ‘Bij kapitalisme, het systeem dat nu bijna driehonderd jaar bestaat, weet je twee dingen zeker’, zegt Kalshoven. ‘Het zorgt voor groei en ­ welvaartstoename en het zorgt voor schommelingen, met van tijd tot tijd een flinke crisis. Het is een dynamisch systeem dat steeds om aanpassingen ­ vraagt. En die aanpassingen gaan wel eens verkeerd.’ Hij blikt alvast vooruit naar de volgende schommeling: ‘Eén van de oorzaken van de crisis is gebrek aan regelgeving en toezicht. Dus komt de politiek met meer regels. Daarin wordt vervolgens overdreven waarna bedrijven en banken zich beknot voelen in hun ondernemerschap. Dat is de periodiciteit in de politieke economie.’ Grootste fan Lezers van ‘De knikkers en het spel’ weten dat Kalshoven in bijna al zijn columns verwijst naar ­cijfers van het CBS en Eurostat. ‘Ik ben de grootste fan van het CBS’, zegt hij lachend. ‘Ik maak de w ­ ereld graag beter en dan moet je beginnen bij de wereld zoals-ie is. Voor een goede analyse heb je data nodig en het CBS is dé datafabriek van ­Nederland. Zonder het CBS zou het ons ontbreken aan feitelijk inzicht.’

14

Kalshoven zegt de CBS-site wekelijks één tot twee keer te bezoeken. Zijn f­avoriete statistiek is die over ­arbeidsproductiviteit. ‘Ik heb één plaatje dat ik heel veel gebruik in mijn lezingen’, vertelt hij. ‘Het gaat over de groei van het inkomen per hoofd van de bevolking sinds de Tweede Wereldoorlog. Je ziet dat de baanduur vrij constant is, maar dat de ­arbeidsproductiviteit groeit. En met die groei van de arbeidsproductiviteit groeit het inkomen. Daarmee kun je goed laten zien dat groei van arbeidsproductiviteit hét thema moet zijn voor de politiek. Je moet er voor zorgen dat je meer produceert per uur. Innovatie is daarbij heel belangrijk.’ Kalshoven is positief over de toegenomen toegankelijkheid van de CBS-site, waar informatie op een aantrekkelijke manier wordt aangeboden. ‘Maar ik vind dat StatLine, de database van het CBS, nog steeds onvoldoende toegankelijk is. Verder hoop ik dat het CBS de Nederlandse cijfers meer in een Europese context gaat plaatsen, want dat is voor mij heel essentieel.’ Jaap van Sandijk

Curriculum vitae Frank Kalshoven (1965) studeerde economie en rechten aan de Universiteit van Amsterdam en promoveerde in 1993 in de economie. Van 1993 tot 1995 werkte hij als economieredacteur bij weekblad Elsevier. Daarna vertrok hij naar de Volkskrant, waar hij onder meer chef van de redactie economie en adjunct-hoofdredacteur was. Sinds 2005 werkt Kalshoven als zelfstandig columnist voor onder meer de Volkskrant en Vrij Nederland en treedt hij op als gastspreker. Sinds begin 2006 is hij medeoprichter en mededirecteur van de Argumentenfabriek.


15


kort IT

4

5

Bijna op de Nederlanders bankiert via internet Nederland en Finland zijn koplopers op het gebied van internetbankieren binnen de Europese Unie. Maar liefst 79 procent van de Nederlanders en Finnen in de leeftijd van 16 tot 75 jaar handelt bankzaken af via het internet. Onderaan de Europese lijst staan Bulgarije (3 procent) en Roemenië (4 procent). Gemiddeld bankiert 37 procent van de 16- tot 75-jarigen in de Europese Unie via internet. (Bron: CBS, Eurostat)

Weinig vrouwelijke ICT’ers De ICT-wereld is een mannenwereld. Het aandeel vrouwen in deze sector schommelt rond de 11 procent. Dat is aanzienlijk lager dan het aandeel werkende vrouwen in de gehele economie. In 2011 bedroeg dit aandeel 45 procent. Ter vergelijking: in de ICT-sector is het percentage vrouwen in de periode 1998–2011 vrijwel constant gebleven, terwijl dit aandeel in de rest van de economie met 5 procentpunten is toegenomen. (Bron: CBS)

94 procent heeft internettoegang In 2011 had 94 procent van de huishoudens in Nederland toegang tot het internet. Dit is gelijk aan het percentage huishoudens met een pc. Er zijn, kortom, vrijwel geen huishoudens met een pc zonder een internetaansluiting. Breedbandinternet is inmiddels zeer gangbaar in de Nederlandse huishoudens. In 2011 beschikte 83 procent van de huishoudens over een internetverbinding met breedbandsnelheid. In 2002 was dit nog maar 15 procent. (Bron: CBS, Eurostat)

16


kort IT

25 procent internetters politiek-maatschappelijk actief Het internet is een walhalla voor het spelen van spelletjes, het bekijken van video’s en andere vormen van vermaak. Maar hoe groot is eigenlijk het aantal internetters dat online leest over politieke en maatschappelijke kwesties en hierover ook met elkaar in discussie gaat? Ruim een kwart van alle internetgebruikers (27 procent) blijkt politiekmaatschappelijk actief te zijn op het internet. Deze groep leest of plaatst berichten Ên neemt deel aan online discussies en aan peilingen over maatschappelijke of politieke kwesties. Vooral personen tussen 25 en 45 jaar zijn politiek en maatschappelijk online actief. Het aandeel van deze leeftijdsgroep is met 29 procent van de internetgebruikers het grootst. Het minst actief zijn de 65-plussers. Het aandeel van deze leeftijdsgroep dat online politiek-maatschappelijk actief is, bedraagt 20 procent, (Bron: CBS)

17


aan het woord...

ERIC SCHULTE NORDHOLT (45) studeerde wiskunde en econometrie. Vervolgens vond hij bij het CBS de baan die perfect op zijn studie aansloot. Dat is nu alweer ruim twintig jaar geleden. Naast senior onderzoeker is hij sinds eind 2002 projectleider van de volkstelling die iedere tien jaar plaatsvindt.

18


CBS in de schijnwerpers met Volkstelling 2011 Volkstellingen zijn zo oud als de mensheid. In 1795 werd in Nederland de eerste officiële landelijke volkstelling gehouden. Sindsdien vindt deze vrijwel iedere tien jaar plaats. Momenteel werkt het CBS aan de volkstelling over 2011. Eric Schulte Nordholt is projectleider van deze bijzondere operatie.

Z

o’n drie jaar lang is gewerkt aan de voorbereidingen voor deze volkstelling. Momenteel verkeert het project in de hoofdfase. In subgroepen verzamelen de projectteamleden alle definitieve gegevens over 2011. Uiterlijk 1 april 2014 moeten de meer dan 10 000 tabellen met gegevens worden opgeleverd aan Eurostat, het ­statistiekbureau van de Europese Unie. Het zijn tabellen met demografische gegevens, be­ roeps- en opleidingsgegevens en gegevens over de woonsituatie van alle in Nederland woonachtige personen. De meeste ­tabellen moeten per provincie worden samengesteld, maar sommige ­ ook voor alle Nederlandse gemeenten afzonderlijk. ‘We hebben straks een heel nauwkeurig Nederlandse saplaatje van de ­ menleving en veranderingen daarin gedurende de afgelopen tien jaar. Daar kunnen we dan

weer veel onderzoek op baseren. Bovendien zijn er Europese vergelijkingen te maken’, legt Schulte Nordholt uit. Het verzamelen van de ­gegevens gebeurt op een innovatieve manier. ‘We zeer ­ doen een zogeheten ‘virtuele volkstelling’. Die voeren we uit op virtuele desktops. Het houdt in dat we gegevens ver­zamelen uit tal van bestaande registers en enquêtes. Deze zijn zodanig ­statistisch gecombineerd en ‘opgehoogd’ dat ze een betrouwbare weergave zijn van de stand van de gehele Nederlandse bevolking. Deze manier van werken

Uiterlijk 1 april 2014 moeten de meer dan 10 000 tabellen worden opgeleverd

houdt in dat we de bevolking niet hoeven te bestoken met vragenlijsten. Dat scheelt een hoop ‘enquêtedruk’ én enorm veel kosten’, aldus Schulte Nordholt. ‘Nederland is door deze innovatieve aanpak een voorbeeld voor veel andere Europese landen. We staan ­behoorlijk in de schijnwerpers en krijgen veel vragen van buitenlandse statistiekbureaus. Dat had ik me vooraf niet zo gerealiseerd, maar wij zijn qua ­ aantal inwoners het grootste ‘­registerland’ ter wereld.’ Schulte Nordholt is nu bijna tien jaar projectleider volkstelling. Met ­ plezier plakt hij er gerust nog eens tien jaar aan vast. ‘Het is een ontzettend leuk project. Het loopt dwars door alle afdelingen en statistieken van het CBS heen. Ik kan me er heel erg in uitleven, voel me ­regelmatig een duizendpoot!’ Annemieke Bos

19


In gesprek met‌

Jetta Klijnsma is sinds november 2012 staatssecretaris Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kabinet Rutte II. Daarvoor was zij lid van de PvdAfractie in de Tweede Kamer en wethouder en waarnemend burgemeester van Den Haag. In het kabinet Balkenende IV was zij eveneens staatssecretaris Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

20


In gesprek met Jetta Klijnsma

‘Medisch-ethische discussies met elkaar voeren’

Jetta Klijnsma (1957) is sinds november van dit jaar staatssecretaris Sociale

Zaken en Werkgelegenheid in het kabinet Rutte II. Daarvoor was zij lid van de Tweede Kamerfractie van de PvdA. Eerder was zij wethouder en waarnemend burgemeester van Den Haag. Tijdens het kabinet Balkenende IV bekleedde zij eveneens de functie van staatssecretaris Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Welke issues kwamen zoal ter sprake en hoe pakte u die op? Mijn achtergrond is nogal breed, je kunt mij dus voor van alles en nog wat inzetten. Tot voor kort was ik Tweede Kamerlid en woordvoerder over medisch-ethische kwesties, kunst en cultuur. Ik ben ook wethouder van welzijn, zorg, emancipatie, financiën en cultuur in Den Haag geweest en waarnemend burgemeester. Verder was ik staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kabinet Balkenende IV. Inmiddels ben ik weer op deze post benoemd, maar dan in het ­kabinet Rutte II. Voor mij is het in al die functies belangrijk om gevoed te worden. Toen ik bijvoorbeeld Kamerlid was, had ik altijd mensen op mijn netvlies. Gewone mensen van vlees en bloed, waarmee ik gesproken had. Ik was bijvoorbeeld bij een echtpaar thuis uitgenodigd. De man, nog vrij jong, is Alzheimerpatiënt, de vrouw is mantelzorgster. Aan die mijnheer is niets bijzonders te zien. Het is echter een enorme opgave in dat gezin om het leven te leven, omdat die mijnheer zoveel extra zorg nodig heeft vanwege het feit dat hij ­alles vergeet. Dat is een enorme handicap. Toen ik in de Tweede Kamer over mantelzorg praatte, had ik dit gezin voor ogen. Ik kan geen goede ideeën ontwikkelen, als ik niet zelf met de mensen spreek. Dat geldt op tal van terreinen.

U staat bekend als het sociale geweten van de PvdA. Waar komt uw sociale betrokkenheid vandaan? Vanwege mijn handicap ben ik als kind vaak geopereerd en heb ik in revalidatiecentra gebivakkeerd. Je ziet dan om je heen dat er andere kinderen zijn die het niet zo goed getroffen hebben als jij, omdat zij een progressieve ziekte hebben en heel snel dood gaan. Ik was eigenlijk een bofkont, want ik was ‘alleen maar spastisch’. Ik dacht: ik mag absoluut niet mopperen en vond het heel ­oneerlijk dat die andere kinderen de achttien niet zouden halen. Gaandeweg zie je ook dat de ver­ deling in de wereld niet bepaald eerlijk is en dat mensen dat zelf niet altijd naar hun hand kunnen zetten. ‘Als je maar flink je best doet, dan word je zó van een dubbeltje een kwartje', wordt vaak Wethouder van een grote stad zijn, noemde u ooit het ­beweerd. Maar zo simpel ligt het niet. Het heeft er mooiste beroep dat er is. alles mee te maken in welke omJa, het lokaal bestuur is wat mij geving je opgroeit en met welke betreft favoriet. Omdat je dan 'rugzak' je de wereld in gestuurd Toen ik bijvoorbeeld heel veel met mensen werkt, die wordt. Wat mij drijft, is er met zijn het betreft. Dat doe je in de wijk allen voor te zorgen dat de i­ nhoud Kamerlid was, had zelf. Je kent de mensen. Er zijn van al die rugzakjes iets gelijker ik altijd mensen op fantastische vrijwilligers, die van wordt. alles en nog wat verzinnen; je mijn netvlies. hoeft hen maar een klein beetje In elke functie die u bekleedde – van ruggensteun te geven en dan Gewone mensen wethouder tot Tweede Kamerlid – ­gebeurt er gewoon iets! Mensen van vlees en bloed in de stad komen met heel mooie legde u frequent werkbezoeken af.

21


Gaandeweg zie je ook dat de verdeling in de wereld niet bepaald eerlijk is en dat mensen dat zelf niet altijd naar hun hand kunnen zetten

plannen. Als je daar de lol van ­inziet, doe je dat met zijn allen. Dan is er een half jaar later een wijkfeest, dan laat je ballonnen op en denkt: wat prachtig, moet je al die kinderen zien spelen! Als je in de Tweede Kamer zit of je bent staatssecretaris, dan sta je veel verder weg, dat is abstracter. Je bent betrokken op papier, maar fysiek niet.

Wat is een samenleving zonder muziek, dans of fotografie? Dat wordt een hele schrale, trieste, treurige samenleving

Als Tweede Kamerlid had u kunst en cultuur in uw portefeuille. Onder Rutte I zijn kunst en cultuur vooral onderwerp van de financiële discussie geworden. Nou, ook van de schrale toon. Het ging echt niet alleen maar om geld. Onder Rutte I was de PVV gedoogpartner en die vonden de kunsten gewoon niks. Zij stelden zich op het standpunt dat je daar geen cent gemeenschapsgeld aan besteedt. Ze ­vinden het een linkse hobby en al die uitvreters moesten maar eens gaan werken. Dat was de toon, een heel kille en nare situatie. Bezuinigen moet, maar dat kun je op twee manieren doen. Je kunt zeggen: eigen schuld, dikke bult. Óf je kunt zeggen: wij vinden het heel beroerd, maar het moet, en wat er in de sector wordt gemaakt is prachtig en onontbeerlijk voor de samenleving. Want wat is een samenleving zonder muziek, dans of fotografie? Dat wordt een heel schrale, trieste, treurige samenleving.

lijsten staan. Als je slechte nieren hebt en elke week gedialyseerd moet worden, dan is het geweldig als je een nier van iemand kunt krijgen, waarmee je je leven weer volledig kunt leven! Je gunt het iedereen. Mensen kunnen natuurlijk ook redenen hebben om géén organen te doneren. Dat kan en dat respecteer ik, maar denk er één keer over na en zeg dan 'nee.' Dan tekenen wij dat met zijn ­allen op, en dan weten wij ook dat er geen organen gedoneerd worden als jij een autoongeluk krijgt of een hartinfarct en in het ziekenhuisbed ligt terwijl je familie afscheid van je neemt. Nú is het zo, dat de dokter langskomt bij een familie die rond het bed van een plotseling overleden persoon zit. Die dokter moet hen dan op dat moment vragen of zij het goed vinden als er organen uit het lichaam van hun geliefde over­ ledene genomen worden. Dat is heel heftig! Die nabestaanden moeten dan ter plekke een besluit nemen. Dat vind ik persoonlijk een moeilijker moment dan wanneer je er één keer in je leven goed over nadenkt. Dan weten jouw nabestaanden als het zover is, dat jij zelf ja of nee hebt ­gezegd. Dan hoeft die vraag niet meer te worden gesteld. We moeten ons realiseren dat we zelf misschien ook ooit wel eens een orgaan nodig zouden kunnen hebben en dan ben je blij dat er donoren zijn.

U had als Tweede Kamerlid ook medische ethiek in uw portefeuille. Er is momenteel veel discussie rond het thema orgaandonatie. Er gaan stemmen op burgers automatisch als orgaandonor te registreren. Tegenstanders kunnen zich laten uitschrijven. In een aantal van de ons omringende landen gebeurt dit al en het levert meer organen op. Hoe staat u daar tegenover? Ik zou daar erg voor zijn. Wel pleit ik voor grote zorgvuldigheid. Ik vind dat ieder mens één keer in zijn of haar leven moet nadenken over de vraag: wat zou ik willen dat er met mijn organen gebeurt als ik er opeens niet meer ben? Ik ben in aan­ raking gekomen met veel mensen die op wacht-

Nog even verder over medische ethiek. Het AMC is van plan om eicellen in te vriezen van vrouwen die zeker weten dat zij nog wel een kind willen; niet nu, maar later. Zij willen dus gezonde eicellen laten invriezen. Aankondiging van dit voornemen heeft in november vorig jaar tot veel maatschappelijke discussie geleid. Wat vindt u van dit soort ontwikkelingen? Als de mogelijkheid er is en mensen willen dat, dan ben ik daar op zichzelf niet tegen. Het gaat erom dat je de medisch-ethische discussie met ­elkaar in de samenleving voert en het ook hebt over hoeveel geld het mag kosten. Een niertransplantatie zit in de zorgverzekering, omdat je het iemand gunt door te leven. Maar is het nou luxe

22


23


Ik vind dat ieder mens één keer in zijn of haar leven moet nadenken over de vraag: wat zou ik willen dat er met mijn organen gebeurt als ik er opeens niet meer ben? of niet om een eicel in te vriezen? eeuw en moeten we antwoord Als we beleid Voor sommige vrouwen is het zien te vinden op eigentijdse maken, moeten krijgen van een kind een levensontwikkelingen. Als kwartiervoorwaarde. Dat zijn echt ethiwe ons natuurlijk makers hebben wij een plan sche kwesties die niet zwart of wit daarvoor gemaakt. Ton Heerts is wél kunnen zijn, maar een heleboel tinten grijs nu bezig met de vorm­geving. Er bevatten! Die zullen wij echt als waren negentien bonden onder baseren op samenleving moeten bediscussiëde FNV-vlag en daarvan hebben ren. Dat geldt ook voor euthanasie goede statistieken er zestien gezegd ‘wij doen mee’. – dat hebben we in de jaren Dat is fijn. Zo zag het er in ­negentig gedaan. Wij hebben daar december vorig jaar niet uit. ­ toen enorme discussie over gehad: Toen stond de oude FNV op splijwel of geen euthanasiewetgeving? ten. Ik vind het fijn dat iedereen Je ziet nu weer burgerinitiatieven zoals 'Uit vrije ontzettend zijn best doet om de belangen weer wil.' Daar hebben we nu discussies over: mag een eenduidig beet te pakken. mens zelf bepalen dat zijn of haar leven voltooid is? Dat zijn van die vraagstukken die je vanuit de Tot slot, maakt u in uw werk veel gebruik van cijfers politiek alleen maar kan meemaken. Vanuit de van het CBS? politiek participeer je. Als de discussie is afgerond Indirect wel, want de CBS-cijfers liggen altijd ten of om afronding vraagt, pas dan is de politiek aan grondslag aan doorrekeningen van het CPB. Het zet. is niet zo dat ik iedere keer kijk wat het CBS ­erover zegt of hoe dingen worden gestaafd. Het is U hebt in juni van dit jaar het eindrapport voor een echter wel heel plezierig dat het CBS er is. Als we nieuwe en eigentijdse vakbeweging gepresenteerd. beleid maken, moeten we ons natuurlijk wél Op 23 juni werd de Nieuwe Vakbeweging opgericht. kunnen b ­aseren op goede gegevens en goede Heeft de Nieuwe Vakbeweging kans van slagen ­statistieken. Het feit dat het CBS al die gegevens volgens u? bij elkaar sprokkelt en daar goede overzichten Ja, zeker, maar het is heel gecompliceerd, want van maakt voor ons, dat is heel plezierig. Uit de de vakbeweging is een heel breed fenomeen. Eén Nationale Rekeningen kun je allerlei trends ding staat als een paal boven water: werknemers ­op­tekenen. Ik vind het heel prettig dat wij in moeten wél vertegenwoordigd kunnen worden, ­Nederland een instituut hebben dat op een onafwerkgevers moeten altijd tegenwicht kunnen hankelijke wijze de ­gegevens verzamelt. Dat is krijgen. De vakbeweging is in de negentiende een groot goed. eeuw ontstaan om de belangen van werknemers ­ ehartigen. Nu leven wij in de eenentwintigste Miriam van der Sangen te b

24


25


kort sport

11,4 miljard euro naar sport Huishoudens en overheid hebben in 2006 bijna 11,4 miljard euro uitgegeven aan de sport gerelateerde economie. Dat is 1,3 procent van alle bestedingen in Nederland. 60 procent van die 11,4 miljard wordt uitgegeven door huishoudens. Denk hierbij bijvoorbeeld aan sportkleding, een entreekaartje voor het zwembad of een abonnement voor een fitnesscentrum. De overheid besteedt geld aan onder meer zwembaden, gymzalen en sporthallen. (Bron: CBS)

5

Europese landen hebben cijfers over sportgerelateerde economie Naast Nederland hebben ook het Verenigd Koninkrijk, Cyprus, Polen en Oostenrijk cijfers over de sport gerelateerde economie. Uit een vergelijking blijkt dat het aandeel van de Nederlandse sport in termen van bbp en werkgelegenheid lager is dan die van andere landen. Dit komt deels doordat in Nederland relatief veel vrijwilligers actief zijn in de sport. Maar de verschillen worden ook veroorzaakt door de net iets afwijkende methodieken die de landen gebruiken voor het samenstellen van het onderzoek. (Bron: CBS)

9,2

Productie van miljard in sportgerelateerde economie Tegenover de bestedingen van 11,4 miljard in de sportgerelateerde economie staat een productie van sportgerelateerde goederen en diensten van 9,2 miljard euro. Dat is 0,9 procent van de totale Nederlandse productie. Een post op het gebied van productie is de gezondheidszorg (380 miljoen euro). Onder de sportgerelateerde productie van de gezondheidszorg vallen de behandelingen van sportblessures. (Bron: CBS)

26


kort sport

130 duizend personen werken in sportgerelateerde economie Wat is de bijdrage van sport aan de Nederlandse economie? Hoe groot is het economisch belang ervan en hoeveel geld gaat er in om? Antwoorden op deze vragen zijn te vinden in de onlangs gepresenteerde CBS-publicatie ‘De bijdrage van sport aan de Nederlandse economie’. Deze werd gemaakt in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Uit dit onderzoek blijkt dat in bijna iedere tak van de economie sportgerelateerde goederen of diensten worden geproduceerd. Zelfs het getapte biertje in het restaurant van het voetbalstadion is onderdeel van de sportgerelateerde economie. In 2006 werkten er in Nederland 130 duizend personen in het sportgerelateerde deel van de economie. Van de 8,4 miljoen werkzame personen in Nederland in 2006 was dus 1,5 procent actief in de sport. (Bron: CBS)

27


aan het woord...

ONNO VAN HILTEN (50) werkt sinds 2001 bij het CBS als programmamanager van het speerpunt Gezondheid, Welzijn en Zorg. LAURA VOORRIPS (49) werkte voorheen aan de ‘gebruikerszijde’, bij TNO en de GGD. In 2008 trad ze bij het CBS in dienst als projectleider/statistisch onderzoeker voor de huisartsenstatistieken en de geestelijke gezondheidszorg.

28


Een cijfermatig totaalbeeld van gezondheid en zorg De kosten van de zorg. Het aantal personen dat werkzaam is in de zorg. De sterfte aan hart- en vaatziekten. Het aantal ziekenhuisopnames. Deze en veel meer kerncijfers over de ontwikkelingen in de gezondheid en zorg publiceerde het CBS onlangs in het boekje ‘Gezondheid en zorg in cijfers 2012’. Naast deze kerncijfers bevat het boekje ook zes hoofdstukken met specifieke onderwerpen waarover het CBS nieuwe statistische informatie heeft samengesteld. Het is de zevende keer dat het CBS deze publicatie uitbrengt. ’Gezondheid, Welzijn en Zorg is de afgelopen jaren een speerpunt geweest binnen het CBS’, vertelt programmamanager Onno van Hilten. ’Dat betekent dat het CBS op deze terreinen nieuwe statistieken ontwikkelt en daarover publiceert.’ Bij het schrijven van deze publicatie hebben de auteurs zowel de professionele gebruiker van de cijfers als de ­ ‘­leken’ in gedachten gehad. ’De beleidsmakers en onderzoekers geven we hiermee een overzicht van onze nieuwste cijfers over gezondheid en zorg in Nederland. Daarnaast besteden we ook aandacht aan de gehanteerde methodes.’ Projectleider Laura Voorrips stelt dat het boekje zeker ook interessant is voor ­ ­andere geïnteresseerden. ’In het eerste hoofdstuk staan alle belangrijke cijfers bij elkaar. Dat

maakt de informatie voor een breder publiek toegankelijk.’ Het boekje bevat deels informatie waarover het CBS nog niet eerder heeft gepubliceerd. ’Dat komt omdat we de beschikking hebben gekregen over nieuwe registratiebestanden’, vertelt Van Hilten. ’Ook bedenken we nieuwe methodes om statistieken samen te stellen. Zo hebben we gebruik gemaakt van fiscale data. Daarmee hebben we kunnen aan­ tonen dat de gemiddelde winst van zelfstandig ondernemende artsen in de periode 2001–2009 flink is gestegen. Een ander voorbeeld is de Gezondheidsenquête

Alle kerncijfers bij elkaar, voor een breed publiek toegankelijk

van het CBS. Nieuwe vragen in deze enquête geven informatie over de tevredenheid van zorggebruikers over de geleverde zorg.’ Het combineren van bestaande zorgregistraties met sociaal-economische data levert interessante nieuwe informatie op. ’Zo kunnen we nu bijvoorbeeld het geneesmiddelengebruik afzetten tegen persoonskenmerken, zoals het besteedbaar inkomen’, legt Voorrips uit. ’Dan blijkt dat naarmate het besteedbaar inkomen van een huis­ houden hoger is, de personen minder vaak geneesmiddelen krijgen voorgeschreven.’ ’Zorg heeft een belangrijke maatschappelijke component, maar tegelijkertijd ook een sterk economisch aspect’, stelt Van Hilten. ’Dat maakt dit werkgebied heel interessant.’ Annemieke Bos

29


internationaal

CBS-delegatie op VN-duurzaamheidstop Rio+20 30


Hoe ziet onze toekomst eruit? Hoe zorgen we voor schoon drinkwater, minder vervuiling en alternatieven voor fossiele brandstoffen? En slaat de wereld daarbij de handen ineen? In juni waren Geert Bruinooge en Bram Edens namens het CBS aanwezig bij argumenten.’ de VN-Met dat uitgangspunt is De Publieke duurzaamheidstopZaakinvorigRio jaar het project Club’ gestart. Het de Janeiro. ‘Er is ‘The nuFacteen belangrijkste doel van dit internationale standaard project is de kwaliteit van het publieke die statistieken over het debat op een hoger plan te brengen. milieu internationaal Hoe? Door het te voeden met feiten, overzichtelijk en vergelijkbaar maakt. Maar begrijpelijk samengebracht ‘Een constructief debat deze is nog niet verplicht‘, in factreports. Hiervoor wordt begint bij een feitelijke samengewerkt met het CBS. aldus Geert Bruinooge. ‘Ook onderbouwing van bij de implementatie van de standaard is isnog een weg te bij de Sophie Hermans programmamanager ­Publieke Zaak, een platform gericht op maatschapgaan.’ pelijke vernieuwing, en nauw betrokken bij The Fact Club. ’Dit project is opgezet omdat we constateerden dat het in het publieke debat veelvuldig draait om losse meningen. Die lijken wel belangrijFoto Bram Edensdan (links) en Sjoerd Schenau ker pagina te zijn30: geworden stevig onderbouwde arguFoto pagina Naar 31: Geert Bruinooge menten. ons idee kun je pas een kwalitatief goed debat voeren als je argumenten aanvoert op basis van feiten. Daarom willen wij het publieke debat daarmee voeden. Dat doen we op verschillende thema’s: onderwerpen die actueel zijn en waar­binnen veel veranderingen op stapel staan. De ­arbeidsmarkt bijvoorbeeld, maar ook de woningmarkt en de zorg.’ Moederbron The Fact Club presenteert de feiten in zogeheten factreports. Daarin staat de belangrijkste informatie over het thema overzichtelijk én begrijpelijk weer­ gegeven in infographics. ’Wij maken zelf geen nieuwe feiten’, legt Hermans uit. ’Alle gegevens die we publiceren, zijn afkomstig uit openbare bronnen. Ze zijn dus wel beschikbaar, maar vaak verscholen in tabellen en grafieken. Wij moeilijk toegankelijke ­

Rio+20, zoals de top heet, verwijst naar de eerste duurzaamheidstop die twintig jaar ­geleden in Rio de Janeiro plaatsvond en die ook bekend staat als de Earth ­Summit. Daar werd voor het eerst in wereldverband g­esproken over duur­ zaamheid en de weg vrijgemaakt voor de eerste bindende afspraken over klimaatverandering en biodiversiteit. Monitoring is daarbij belangrijk. ‘De milieurekeningen, zoals ook het CBS die maakt, zijn een onderdeel van de nationale rekeningen’, legt Sjoerd Schenau, projectleider milieurekeningen, uit. ‘De economie en het milieu zijn nauw met elkaar verbonden en om goed beleid te maken, moet je eerst meten hoe het milieu en de economie ervoor staan en hoe ze e­ lkaar beïnvloeden. Dat idee is twintig jaar geleden omarmd.’ Nederland was samen met landen als Noorwegen en Frankrijk één van de voorlopers op het gebied van milieu­ rekeningen. Na de top in 1992 zette een groot aantal landen, waaronder Zweden, Australië, Canada, Duitsland, Colombia, Mexico en Zuid-Afrika programma’s op dit gebied op. In Europa behoort een aantal ­milieu­rekeningen (namelijk die over luchtvervuilende emissies, milieubelastingen en materiaalstromen) sinds kort tot het verplichte statistische programma. Mijlpaal Plaatsvervangend directeur-generaal Geert Bruinooge was uitgenodigd een presentatie te houden in Rio. Dat was naar aanleiding van de vaststelling van de internationale standaard voor milieurekeningen, tijdens de Statistical Commission van de Verenigde Naties in februari. Nederland speelde daarbij een belangrijke rol. ‘Tijdens die vergadering in New York was een spannende sessie nodig om de standaard, het handboek, binnen te halen’, vertelt Bruinooge. ‘Voor ons was dat belangrijk, ook omdat Nederland er veel in geïnvesteerd heeft. Het was spannend omdat er landen waren, waaronder ­ China, die een tijd dwars lagen. Eerst ­ tijdens de vergadering en later bij het ­ vaststellen van het verslag. Omdat ­Nederland tijdens de vergadering in 2012 nog een vast lid van de commissie was, mochten we ­gelukkig steeds het woord

31


Er is veel vraag naar cijfers over het milieu in relatie met economie, onder meer van verschillende ministeries, Rijkswaterstaat en Eurostat nemen.’ Schenau: ‘Dat het handboek is aangenomen door de statistische commissie van de Verenigde N ­ ­ aties, is een mijlpaal.’ Waarom is die standaard zo belangrijk? Statistisch onderzoeker Bram Edens: ‘Stel je kapt een bos. Het geld dat dat opbrengt, zie je t­erug in de nationale rekeningen. Maar omdat bos natuurlijk kapitaal is, staan daar geen kosten tegenover. Dat klopt niet, dat geeft een vertekend beeld. Wereldwijd zijn mensen het erover eens dat je die milieukosten wel moet op-

Carbon-footprint Hoeveel CO2 wordt in uw naam uitgestoten? Dat is eenvoudig te berekenen met de carbonfootprint indicator van het CBS. Ga naar www.cbs.nl (zoek op ‘carbon footprint’), beantwoord enkele simpele vragen op het gebied van wonen, vervoer, voeding en recreatie en u weet hoe u ervoor staat. De indicator is gebaseerd op CBS-cijfers en internationale richtlijnen.

nemen, maar het probleem is dan: hoe bereken je ze? Daar zijn verschillende manieren voor en het handboek geeft nu één methode. Dat maakt dat we de milieurekeningen van verschillende landen voortaan kunnen vergelijken.’ Hij wijst erop dat de economische statistieken internationaal sterk gestandaardiseerd zijn. De sociale statistie-

32

ken volgen op enige afstand maar wat betreft de milieu­ statistieken is er nauwelijks standaardisatie. ‘We hebben een stap in de goede richting gezet. Landen die milieu­ rekeningen maken, hebben nu een duidelijke richtlijn. Daarmee krijgen we kwalitatief goede statistieken die wereldwijd te vergelijken zijn.’ Groene groei De presentatie die Bruinooge gaf in Rio de Janeiro, werd voor­ bereid door Edens en Schenau. ‘We wilden laten zien dat we de milieu­rekeningen in Nederland niet voor onszelf maar voor ­diverse gebruikers maken’, zeggen ze. Bruinooge besteedde ook aandacht aan ‘groene groei’, één van de thema’s van Rio+20, en de publicatie die het CBS daarover als eerste land ter wereld maakte. In een ‘groen ­ economisch model’ gaat economische groei samen met een zo mogelijke druk op het laag ­ ­milieu en natuurlijke hulpbronnen. ‘Het gaat erom de grey ­economy om te vormen naar een green economy’, zegt Edens. Om die transitie te monitoren heeft

Groene groei biedt een positieve kijk op het milieu. Het milieu is niet alleen een rem op de economie, het kan ook wat opleveren

de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) een set van indicatoren voorgesteld. In de publicatie Green Growth in the Netherlands, die op 16 mei 2011 aan voormalig minister Verhagen werd aangeboden, zijn deze ­indicatoren voor ­Nederland berekend. Er is een nulmeting ­ gemaakt en omdat gebruik ­ gemaakt wordt van bestaande ­ data van het CBS, kan aan de hand van tijdreeksen een beeld worden gevormd van de groene groei in Nederland in de afge­ lopen twintig jaar. Nederland kreeg naar aanleiding van dit rapport internationaal veel enthousiaste ­ bijval. Edens: ‘Groene groei biedt een positieve blik op het milieu. Het milieu is niet alleen een rem op de economie, het kan ook wat ­ opleveren, waaronder banen.’ ­ Uit de milieurekeningen kun je afleiden hoe de economische groei zich verhoudt tot duurzaamheid en milieuvervuiling. ‘Het gaat dan om de trend’, legt Edens uit. ‘Wordt de economie groener of niet? Het is lastig om vast te stellen of het milieu echt verbetert en of de groene trend bijvoorbeeld genoeg is om het broeikaseffect op te heffen.’ De presentatie van Bruinooge in Rio werd goed ontvangen. Over de carbon footprint indicator – een visualisatie waarbij je je persoonlijke ‘voetafdruk’ op het milieu kunt zien (zie kader) – waren veel vragen. Edens: ‘Er zaten ook veel NGO’s (niet gouvermentele organisaties) in de zaal. Die r­iepen dan bijvoorbeeld: ‘But how can you distinguish the carbon footprint of a soldier from a ­civilian?’ Het was een mooie dynamiek.’


33


Resultaten Rio+20 was een bijzondere ervaring. ‘Een soort Lowlands in de jungle’, lacht Edens. ‘Een enorme operatie qua logistiek en ­beveiliging.’ Er werden in totaal zo’n 60 000 mensen verwacht. Overal waren exposities en de catering was alternatief: bijvoorbeeld biologisch voedsel. In een enorme ­fabriekshal stond voor elk land en elke organisatie een cubicle, een kleine werkruimte om in te overleggen. ‘Pas op de laatste dagen komen de hoge vertegenwoordigers, onder wie onze staatssecretaris. Helaas geen Rutte en geen Obama dit keer. Dat was alleen gebeurd als de top meer resultaat had opgeleverd.’ Wat zijn de resultaten? ‘De verklaring die uiteindelijk door alle landen is ondertekend, is niet sterk’, zegt Schenau. Geert Bruinooge: ‘Het is ­teleurstellend dat op het gebied van de milieu­ rekeningen geen stok achter de deur is gezet. In de verklaring wordt het belang van monitoren genoemd, maar dat is alles.’ ‘De verwachtingen van de top waren niet hoog van te voren’, zegt Schenau. ‘Duurzame ontwikkeling is een moeizaam proces.’ ‘En het is crisis’, zegt Edens. ‘Dan valt het

34

milieu als eerste uit het lijstje.’ ‘Maar’, zegt Schenau. ‘Aan de andere kant blijven zaken die indirect met het milieu te maken hebben, zoals voedsel- en energieschaarste, toch hoog op de agenda staan.’ Duurzaamheidsdoelen Ook al zijn er geen harde afspraken gemaakt, ook tijdens Rio+20 hebben landen en bedrijven zich achter het handboek geschaard. Er is een taskforce geformeerd, met Bruinooge aan het hoofd, die de strategie voor wereldwijde implementatie van het handboek ontwerpt. In Rio is daarnaast veel ge­ discussieerd over de zogenoemde ‘post 2015 ­Development Agenda’. Er is een voorstel gedaan om een lijst met duurzaamheidsdoelen te maken (sustainable development goals) als opvolger van de millenniumdoelen. Mogelijk zou een aantal van deze indicatoren uit de milieurekeningen zijn af te leiden. Edens: ‘Dat zou een bekroning zijn op het handboek voor de milieurekeningen.’ En het CBS? Dat loopt voorop als het gaat om het meten en in kaart brengen van milieueffecten en


duurzaamheid. Jaarlijks verschijnt onder andere een publicatie over de Nederlandse milieu­ rekeningen, waarin verschillende aspecten over vervuiling, de emissie van broeikasgassen, het ­gebruik van materialen, water en energie, milieubelastingen, emissierechten, de milieusector et ­cetera worden belicht. Schenau: ‘Er is veel vraag naar cijfers over het milieu in relatie tot economie, onder meer van verschillende ministeries, Rijkswaterstaat en Eurostat. Een recent voorbeeld is onze duurzame energiemonitor. De overheid wil weten wat de duurzame energiebedrijven bijdragen aan de economie.’ Masja de Ree

Beleidsdoelen In Nederland is nog geen sprake van groene groei. Hoewel de druk op het milieu de afgelopen twintig jaar minder snel steeg dan de economische groei, wordt onze leefomgeving nog steeds aangetast door vervuiling en worden natuurlijke hulpbronnen steeds schaarser. Het doel is om in 2013 een nieuw rapport te publiceren over groene groei. Ondertussen hopen de statistici dat de ministeries het onderwerp oppakken en hun beleid eraan koppelen.

50/50 campagne Tijdens Rio+20 heeft de Wereldbank landen en organisaties gevraagd zich te binden aan de milieurekeningen, in het kader van de zogeheten 50/50 campagne. 64 landen en tachtig bedrijven hebben dat gedaan. Nederland heeft 2 miljoen euro toegezegd om ontwikkelingslanden te ondersteunen bij het opzetten van milieurekeningen.

35


kort reizen

40 procent van de overnachtingen in de zomermaanden In 2011 bedroeg het aantal toeristische overnachtingen in logiesaccommodaties in Nederland in totaal 85,4 miljoen. Net zoals in andere jaren lag het accent op de zomermaanden. Ruim 40 procent van het aantal overnachtingen vond plaats in de maanden juni, juli en augustus. 38 procent vond plaats in het derde kwartaal. Januari is al jarenlang de hekkensluiter. In 2011 werden in de eerste maand van het jaar ruim 3,6 miljoen toeristische overnachtingen geboekt. (Bron:CBS)

166 000 nieuwe personenauto’s verkocht In het tweede kwartaal van 2012 zijn in Nederland 166 000 nieuwe personenauto’s verkocht. Het merendeel hiervan – 108 000 – is aangeschaft door bedrijven. In vergelijking met het tweede kwartaal van 2011 hebben bedrijven bijna 26 procent meer nieuwe personenauto’s gekocht. Van alle in Nederland geregistreerde personenauto’s staat inmiddels 1 op de 10 op naam van een bedrijf. (Bron: CBS, RDC)

2,6 procent toename van hotelovernachtingen Er zijn diverse vormen van logiesaccommodaties – van campings tot en met bungalowparken en groepsaccommodaties. Ook hotels maken hier deel van uit. Wanneer we inzoomen op de hotelsector zien we dat deze het in 2011 beter deed dan in 2010. Vorig jaar steeg het totaal aantal overnachtingen binnen deze sector met 2,6 procent ten opzichte van 2010. De grootste stijging werd vastgesteld bij de 1- en 5-sterren hotels. Deze plusten met 15 procent. (Bron: CBS)

36


kort reizen

37 procent zakelijke overnachtingen in Noord-Holland Naast toeristen komen er ook zakelijke reizigers naar ons land. Deze reizigers overnachten vooral in hotels. In 2011 vonden in de Nederlandse hotels 4,4 procent meer zakelijke overnachtingen plaats dan in 2010. In totaal kwam het aantal zakelijke overnachtingen uit op 15,2 miljoen. Het grootste deel hiervan (5,6 miljoen overnachtingen) werd doorgebracht in Noord-Holland. Daarmee is Noord-Holland goed voor 37 procent van het totaal. Dit aandeel is zo groot omdat alleen al in Amsterdam 25 procent van alle zakelijke overnachtingen werd doorgebracht. Na Noord-Holland volgt de provincie Zuid-Holland met 2,6 miljoen zakelijke overnachtingen. De provincie die qua overnachtingen het minst profiteert van de zakelijke reiziger is Flevoland. Daar boekten de hotels in totaal 0,1 miljoen zakelijke overnachtingen. (Bron: CBS)

37


CBS-project relaties

Jelke Bethlehem is methodoloog bij het CBS en bijzonder hoogleraar. Hij is ook de initiatiefnemer van de Checklist voor peilingen.

38


Eerste hulp bij peilingen CBS’er Jelke Bethlehem initiatiefnemer van de checklist voor peilingen

Er wordt heel wat afgepeild in Nederland. Maar hoe zit

het met de betrouwbaarheid van al die peilingen? Daarover spraken wij met professor Jelke Bethlehem, methodoloog bij het CBS en initiatiefnemer van de Checklist voor peilingen.

Betrouwbaarheid onderzoek De checklist bestaat uit negen vragen en kan vrij snel inzicht geven in de betrouwbaarheid van een onderzoek. Bethlehem pakt de lijst er bij. ‘Neem de eerste vraag. Die luidt: is duidelijk wie de opdrachtgever en/of financier van het onderzoek is? Daarmee kun je vaststellen of deze ­belang heeft bij de uitkomsten.’ Veel onderzoeken worden snel via het internet uitgevoerd en voldoen niet aan de methodologische randvoorwaarden. ‘Bij internetpeilingen wordt vaak geen steekproef getrokken, maar doen alleen mensen mee die dat leuk vinden. Dit in tegenstelling tot het CBS, dat netjes loot onder de bevolking.’ Wie kaatst, kan de bal verwachten, dat begrijpt ook Bethlehem. ‘Ik hoor regelmatig: als je commentaar hebt, waarom doet het CBS het dan zelf niet? Dat zouden we ook heel goed kunnen. Kijk maar naar het Nationaal Kiezersonderzoek waar we aan meewerken. Dat gaat in op de achtergronden van het stemgedrag. Daar zitten we ­altijd erg dicht bij de werkelijkheid. Het punt is echter dat een peiling van het CBS qua uitvoering meer geld kost dan een snelle internetpeiling. Kwaliteit heeft z’n prijs.’

12 september van dit jaar was een spannende dag. Niet alleen voor politici, die na een periode van stevig campagnevoeren benieuwd waren naar hun beloning in zetels. Ook Jelke Bethlehem was nieuwsgierig naar de verkiezingsuitslag. ‘Ik zag aankomen dat de peilingen er naast zouden zitten. Dat bleek inderdaad het geval, zelfs nog iets meer dan de vorige keer in 2010.’ Dat baarde Bethlehem zorgen. Hij nam daarom het initiatief tot de ontwikkeling van een soort brochure aan de hand waarvan de betrouwbaarheid van peilingen kan worden vastgesteld. Dat werd de Checklist voor peilingen, een gezamenlijke productie van het ­ CBS, het Nederlandstalig Platform voor Survey-Onderzoek (NPSO) en de Vereniging van Onderzoeksjournalisten (VVOJ). Met het steeds De checklist is een handreiking groter wordende aan journalisten, bestuurders en beleidsmakers om op eenvoudige aantal peilingen, wijze het kaf van het koren te neemt de scheiden. Met name voor de ­media, die vaak onder tijdsdruk behoefte aan werken, is de checklist een handig middel. duiding toe

Ethische code Ondanks het voorgaande speelt het CBS wel degelijk een rol in het groeiende woud van peilingen, aldus Bethlehem. ‘We worden steeds vaker door de media benaderd met de vraag: kunt u ons zeggen of dit onderzoek goed is uitgevoerd? Dat is ook de reden waarom we met NPSO en VVOJ de checklist hebben ontwikkeld. Want met het steeds groter wordende aantal peilingen, neemt de behoefte aan

39


In Europees verband is inmiddels afgesproken dat de statistiekbureaus gevraagd en ongevraagd zullen aangeven hoe betrouwbaar onderzoeken zijn

CV Jelke Bethlehem Prof. Dr. Jelke Geert Bethlehem (Amsterdam, 1949) studeerde mathematische statistiek aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde tot Doctor in de Sociale Wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift ‘Werken met nonrespons’. Hij begon zijn loopbaan aan het Mathematisch Centrum in Amsterdam en werkt sinds 1978 bij het CBS, waar hij diverse functies bekleedde. Momenteel is hij er Senior Adviseur van de Sector Methodologie, één van de onderzoeksafdelingen. Daarnaast is Bethlehem Bijzonder hoogleraar in de Survey Methodologie, in het bijzonder met behulp van internet, aan de Universiteit Leiden.

Marges Bethlehem signaleert dat steeds meer media bij peilingen zeggen: pas op, er zitten onzekerheidsmarges in. Dat vindt hij heel goed. ‘Maar als je over de grens kijkt, zie je dat het nóg beter kan. CNN meldt bij onderzoeken altijd keurig wat de marges zijn. Plus/min drie of vier procent zie je dan bijvoorbeeld onderaan een statistiek staan. Als ik aan Nederlandse journalisten vraag waarom zij dat ook niet doen, zeggen ze: dat is ingewikkeld om uit te leggen.’ Na een korte pauze: ‘Misschien moeten de opleidingen journalistiek meer aandacht beMet name voor steden aan statistiek.’ Bethlede media, hem pleit voor de introductie van richt­lijnen en vindt de BBC die vaak onder een goed voorbeeld. ‘In de Brittijdsdruk werken, se editorial guidelines staat dat de BBC zelf geen peiling mag opis de checklist zetten. En als het een onderzoek presenteert, mag de bron een handig niet aan het woord komen. middel Internetpeilingen worden in ­

­ uiding toe.’ Bethlehem vertelt dat in Europees d verband inmiddels is afgesproken dat de statistiekbureaus gevraagd en ongevraagd zullen aangeven hoe betrouwbaar onderzoeken zijn. ‘Dat moet je zien als een soort ethische code onder de statistiekbureaus’, licht hij toe. ‘We zijn per slot allemaal een bureau of standards en weten hoe je goede statistieken moet maken.’ Grote afwijkingen Tijdens de afgelopen Tweede Kamer verkiezingen werd er gepeild door vier bureaus: Maurice de Hond (Peil.nl), Ipsos Synovate (Politieke Barometer), TNS NIPO en GfK Intomart (De Stemming). Bovendien was er nog de Peilwijzer van Tom Louwerse van de Universiteit Leiden die een soort gemiddelde was van de andere vier peilingen. Alle peilers zaten er behoorlijk naast, aldus Bethlehem. ‘De verschillen waren groter dan bij de

40

Tweede Kamer verkiezingen van 2010. De totale afwijking van Peil.nl was achttien zetels, net als bij de Politieke Barometer en de Peilwijzer. Het verschil bij TNS NIPO en GfK Intomart was maar liefst 24 zetels.’ Hij noemt drie oorzaken: ‘Zoals gezegd, gebruiken niet alle peilers de vereiste ­aselecte steekproeven, maar werken ze met mensen die het leuk vinden om aan peilingen mee te doen en die belangstelling hebben voor politiek. Verder is het vragen naar een mening van i­ emand niet hetzelfde als stemmen in een stembureau. Bovendien zijn er veel mensen die geen duidelijke mening hebben, waardoor hun antwoord in een peiling niet hard is. In de derde plaats was er nog het grote aantal twijfelaars. Die hebben pas vlak voor de verkiezingen hun mening bepaald. Die mensen zijn niet meegenomen in de peilingen.’


Alexander Pechtold van D66 deelt flyers uit in de Utrechtse binnenstad in het kader van de verkiezingen.

Diederik Samson deelt rozen uit in winkelcentrum Sterrenburg in Dordrecht op de verkiezingsdag.

Minister Liesbeth Spies van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties brengt haar stem uit bij de verkiezingen op 12 september.

41


Kijk maar naar het Nationaal Kiezersonderzoek waar het CBS aan meewerkt. Dat gaat in op de achtergronden van het stemgedrag

diezelfde richt­lijnen als onbetrouwbaar bestempeld en daar mag dan ook niet of nauwelijks aandacht aan worden besteed. Het mag ook niet worden genoemd in de headlines. En als het bij uitzondering wel een keer gebeurt, dan mag dat uitsluitend als vóóraf de chief political director is geraadpleegd.’ Nederland heeft met 94 procent een zeer hoge internetpenetratie. ‘Die hoge penetratie zorgt er – samen met het gemak van het opzetten van een internetonderzoek – voor dat wij in ons land heel erg veel peilen’, zegt Bethlehem. ‘Maar het blijft oppassen met de representativiteit van die peilingen’. Jaap van Sandijk

42

Over de Checklist voor peilingen Het idee voor de Checklist voor peilingen is ontstaan in 2010. Vlak voor de verkiezingen in dat jaar organiseerde het CBS een congres in de Beurs van Berlage in Amsterdam over de kwaliteit van internetonderzoek en opiniepeilingen. Professor Jelke Bethlehem presenteerde toen een rudimentaire versie van de Checklist, die – in samenwerking met Platform voor Survey-Onderzoek (NPSO) en de Vereniging van Onderzoeksjournalisten (VVOJ) – is uitgegroeid tot het huidige document. Door de vragen in de checklist één voor één af te lopen, krijgt de gebruiker een eerste indruk van de kwaliteit van een onderzoek. Lijkt de kwaliteit goed te zijn, dan verdienen de uitkomsten van de peiling nadere aandacht. Roept het doorlopen van de checklist veel vragen op over de kwaliteit van een onderzoek, dan kan bij de beschrijving van het onderzoek worden vermeld waarom men voorzichtig moet zijn met de interpretatie van de uitkomsten. De checklist is te vinden op www.cbs.nl (zoekterm: checklist voor peilingen).


In het stadhuis van Rotterdam worden de stemmen geteld van de landelijke verkiezingen op 12 september van dit jaar.

Rode ballonnen op de uitslagenavond van de SP in Den Haag.

Mark Rutte is met zijn VVD de grote winnaar.

43


kort actueel Mannen scheiden gemiddeld op leeftijd

46-jarige

Mannen scheiden op steeds latere leeftijd. In 2011 was de gemiddelde leeftijd bij de echtscheiding van mannen bijna 46 jaar. In 1991 lag de gemiddelde leeftijd nog op 40 jaar. Op dit moment is 1 op de 3 mannen die gaat scheiden boven de 50 jaar. In 1991 was dit nog 1 op de 6. De gemiddelde leeftijd van de man bij huwelijkssluiting steeg in de periode 1991–2011 van 31 tot 37 jaar. (Bron: CBS)

1,3 miljoen vakbondsleden Vorig jaar telde ons land 1,3 miljoen vakbondsleden. Dat komt overeen met 20 procent van de werknemers. Ter vergelijking: in 2000 was nog ruim 25 procent van de werknemers lid van een vakbond. Het ledenbestand van de bonden is sinds het begin van deze eeuw flink aan het vergrijzen. Van de werkende vakbondsleden is bijna 60 procent ouder dan 45 jaar. In 2000 was dit nog 40 procent. Het aandeel jonge leden tot 25 jaar zakte van 6 naar 3 procent. (Bron: CBS)

10 procent minder schoenen verkocht Het gaat slecht met de kleding- en schoenenwinkels. Vanaf het vierde kwartaal van 2011 neemt het aantal faillissementen in deze sectoren sterk toe. Bekende zaken als textielketen Henk en kledingbedrijf Piet Kerkhof hebben hun deuren moeten sluiten. Van vooruitgang in deze sectoren is nog geen sprake. In het tweede kwartaal van 2012 werden er in Nederland 10 procent minder schoenen en 7 procent minder kleding verkocht dan in het jaar daarvoor. In dit tweede kwartaal van 2012 bereikte ook de koopbereidheid van consumenten een dieptepunt. (Bron: CBS)

44


kort actueel

3

Omzet koeriers stijgt met procent Steeds meer consumenten doen hun inkopen online. In 2011 kochten bijna 7 op de 10 Nederlanders producten en diensten via internet. In 2006 waren dat nog maar 5 op de 10 Nederlanders. Van deze ontwikkeling profiteren ook de koeriersbedrijven. De omzet van de koeriers steeg in het tweede kwartaal van 2012 dan ook met 3 procent. Het aantal bedrijven in de koeriersbranche neemt al jaren toe. Het is een dynamische markt. Zo zijn er vorig jaar 1 250 bedrijven gestart en 700 opgeheven – op een totale populatie van zo’n 4 500 ondernemingen. Vooral in het kleinbedrijf is sprake van een zeer forse dynamiek. (Bron: CBS)

45


Klaaglied op Rutgert Vlieck, boekhouder bij de Amsterdamse Wisselbank die op 13 mei 1673 wegens fraude op de Dam werd geĂŤxecuteerd. Bron: Collectie Stadsarchief Amsterdam

De commissarissen van de Amsterdamse Wisselbank in 1619, geschilderd door Thomas de Keyser. Van links naar rechts: Jacob Gerritsz Hoyngh, Roelof Egbertsz en Laurens Jansz Spiegel. Bron: Collectie Rijksmuseum, Amsterdam

Brand in het oude stadhuis in Amsterdam, 7 juli 1652 Bron: Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Oude stadhuis van Amsterdam waarin in 1609 de stedelijke Wisselbank werd gevestigd. Bron: Dapper, Beschrijvinge Amsterdam, 328

46


Over de historie van de Wisselbank Historische lessen en statistische rationaliteit

Door de geldsucht vuyl bedacht Raeckten ick in dees elende Mijne fout die ick bekende Heeft my nu berooft van macht Ik wou in de wellust leven Ach! nu sal men my sien sneven Nu wort ick gehoond/ bespot, Door Beulshanden op ’t Schavot.

D

it is het eerste couplet uit een klaaglied over Rutgert Vlieck, boekhouder van de Amsterdamse Wisselbank, die op 13 mei 1673 op de Dam in Amsterdam onder brede ­publieke belangstelling werd onthoofd. Zijn executie was het sluitstuk van de meest omvangrijke fraude uit het bestaan van de bank. In totaal had hij – omgerekend naar de maatstaven van nu – zo’n 800 miljoen euro verduisterd. Vlieck kwam oorspronkelijk uit Dantzig, het latere Poolse ­ Gdansk. Via zijn huwelijk in 1636 belandde hij in kringen van de economische en politieke elite van booming Amsterdam en uiteindelijk bij de bank in een vertrouwensfunctie die hem lange tijd vrij spel gaf. Hij bouwde een vermogen op dat bestond uit aandelen, obligaties, twee grachtenpanden en een hofstede, het latere Zorgvlied aan de Amstel. Vóórdat hij tegen de lamp liep, speculeerde hij

op de Amsterdamse beurs. Dat was weliswaar tegen de voorschriften en tot in de hoogste kringen ­bekend, maar het was geen reden voor ontslag. Het geloof in een korte weg naar fortuin werd toen breed gedeeld.

Rijk, economisch superieur en goklustig Goklust, toeval en bluf komen we in de zeventiende eeuw dan ook overal tegen. De economie groeide snel en bijna niemand stopte zijn geld in een oude sok. Alom probeerde men geld met geld te verdienen. De een had een bedrijf. De ander dreef handel of zette geld op rente uit, nam een aandeel op een zeeschip of van de VOC, of speculeerde bijvoorbeeld in tulpen en probeerde daarmee fabelachtige winsten op te strijken. Grote vermogens leken in een handomdraai bijeen te zijn gebracht. Rijkdom was de maatstaf voor succes en competitie niet minder dan de essentie van het ­leven. Dat iedereen zijn eigen belang nastreefde met als resultaat een uitkomst die niemand wenste of die niemand bij machte was te veranderen, bleek ook op bestuurlijk niveau waar de soevereine provincies binnen de federatie van de Republiek maar moeilijk samenwerkten. We kunnen het vergelijken met een soort Europese Unie op het niveau van de Lage Landen. Toch lag hier de bakermat van

47


Nieuwe stadhuis van Amsterdam, het latere Paleis op de Dam, waarin op de begane grond de Wisselbank was gevestigd. Bron: Dapper, Beschrijvinge Amsterdam, 336

Rekeningcourant van de Amsterdamse burgemeester Andries Bicker bij de Amsterdamse Wisselbank. Bron: Collectie Stadsarchief Amsterdam

Handgeschreven overschrijfbriefje van de Amsterdamse Wisselbank, 1644

Voorbedrukt overschrijfbriefje van de Amsterdamse Wisselbank, 1658

48


het financiële kapitalisme in de wereld en werd diezelfde Republiek een economische ­supermacht die lange tijd economisch superieur was aan haar concurrenten. In 1700 lag het inkomen per hoofd van de bevolking er ongeveer 50 procent hoger dan in Engeland, de grootste concurrent. Verder lag de inflatie hier stukken lager dan in het buitenland en waren de overheidsfinanciën redelijk op orde. Buitenlanders die de Republiek bezochten, verbaasden zich aan de lopende band: over de rijkdom en hoe schoon het overal was, hoe zelfstandig vrouwen waren, hoeveel mensen konden lezen en schrijven, het efficiënte transportsysteem, de productieve landbouw, de nieuwste technische vindingen, de hoge lonen, de lage rente, de ononderbroken handel aan de beurs en het overal en altijd beschikbare geld dat onkwetsbaar leek voor de ene na de andere crisis die Europa trof. De Republiek en vooral Amsterdam werden dan ook al snel een belangrijke vluchthaven voor de economisch en financieel onrustige buiten­wereld. Grote hoeveelheden munten, goud en z­ ilver stroomden naar Amsterdam waar vervolgens een monetair probleem ontstond.

Monetaire problemen In een poging om die problemen met het geld het hoofd te kunnen bieden, richtte het stadsbestuur van Amsterdam daarom in 1609 een Wisselbank op. Dat gebeurde op aandringen van een groep invloedrijke ondernemers. In Amsterdam circuleerden toen zo’n 800 verschillende gouden en zilveren munten, van Hongaarse gouden dukaten en Friese gouden rijders tot Franse kronen, cruzados uit Portugal en dinars uit Noord-Afrika. Munten die allemaal erkend waren als officieel betaalmiddel met een nominale waarde. Die waarde week regelmatig af van de intrinsieke waarde. De munten van goede kwaliteit, juist die munten die nodig waren voor de internationale handel, verdwenen uit de circulatie en het betalingsverkeer dreigde compleet ontregeld te worden. Met de oprichting van de bank greep het stadsbestuur krachtig in en trok het organisatie én beheer van het internationale betalingsverkeer naar zich toe. Het stadsbestuur scherpte met de Wisselbank de voorschriften op financieel en monetair gebied aan en startte een nieuwe geldpolitiek.

Succesvolle marktmanipulatie Uit het onderzoek naar de relatie tussen de acties van de bank en het verloop van de wisselkoersen blijkt dat de Wisselbank een stabiliserend effect

Promotieonderzoek Naar de geldpolitiek en de bedrijfsvoering van de Amsterdamse Wisselbank in de 17e en 18e eeuw heeft Pit Dehing, werkzaam bij het CBS, als buitenpromovendus promotieonderzoek gedaan aan de Universiteit van Amsterdam. Hij vroeg zich af of de bank passief meedeinde op de g­ olven van de Amsterdamse economie en of ze zelfstandig ­monetair beleid voerde en zo ja, hoe dan precies? Loste de bank de geldproblemen op? Hoe reageerde de markt daarop? Voor het antwoord zijn vele archiefstukken geraadpleegd, steekproeven getrokken uit het 550 strekkende meter Wisselbankarchief en alle beschikbare wisselkoersgegevens verzameld. Dat leverde mooie datasets op van 21 duizend rekeninghouders, bijna 670 duizend transacties en 21 duizend wisselkoersnoteringen aan de beurzen van Amsterdam, Londen, Hamburg, Antwerpen, Parijs, ­Venetië en Frankfurt. Vervolgens heeft hij de relatie onderzocht tussen de acties van de bank en het verloop van de wisselkoersen.

had. De resultaten laten zien dat de bank aanvankelijk nog met enkele hardnekkige aanloopproblemen kampte en gevoelig was voor turbulentie op de valutamarkten. Later veranderde dat. De opzet bleek ijzersterk toen ze als ’s werelds eerste centrale bank succesvol opereerde en een erg geraffineerde geldpolitiek voerde met een nieuw instrument, een speciale valutaoptie. Met aan- of verkoop van die optie manipuleerde de bank de markt. Feitelijk greep de bank actief in, reguleerde de geldhoeveelheid en handhaafde de waarde van de bankgulden. De bank slaagde er niet alleen in een girale munt te creëren, de bankgulden, maar controleerde daarmee ook zonder risico de markt, terwijl ze met de interventies ook nog geld verdiende. Ze kocht de opties namelijk voor een lage prijs en verkocht ze doorgaans weer tegen een veel ­hogere prijs. Ook bij haar kredietverlening was de bank voorzichtig door deze risicovolle tak strikt te scheiden van de rest van haar bedrijfsvoering. De bank stabiliseerde de markt met als resultaat een gesmeerd lopend betalingsverkeer, kapitaalmobiliteit én stabiele wisselkoersen. De bank bood zekerheid, boezemde vertrouwen in en verschafte haar rekeninghouders een aantal concurrentievoor­

49


delen. Ze wist met haar wisselkoerspolitiek de ­gulden sterk te houden en uit te laten groeien tot een internationale sleutelvaluta. Door haar toedoen stootte Amsterdam door tot de Europese top van de vroegmoderne financiële centra.

Vier lessen Behalve deze algemene conclusies kunnen er voor onze tijd van financiële crisis en monetaire twijfel ook enkele historische lessen worden getrokken. Les een is dat de Wisselbank al een strikte scheiding had aangebracht tussen betalingsverkeer en zakenactiviteiten die ze uit haar reserves financierde. Feitelijk was de bank daarmee erg modern in haar toezicht. Deze structuur is precies wat enquêtecommissies en overheden anno 2012 aan het bankwezen op willen leggen om een nieuwe financiële crisis het hoofd te kunnen bieden. Les twee is dat men zich in het verre verleden er van bewust was dat een sterke onafhankelijke centrale bank een wezenlijke waarborg was voor een stabiele munt. Beleidsmakers op het gebied van de monetaire economie tastten toen evenals nu soms in het duister, maar toen hadden ze wél vrij scherp voor ogen voor welke doeleinden nieuwe juridische bevoegdheden nodig waren om effectief te zijn. Deze oude glorie trekt echter minder de aandacht dan de zwendel en dat is les drie. Want van alle markt- en wisselkoersmanipulaties, uitgekiende prijsspeculaties, financiële kartelvorming, bank­ roeten, onopgeloste verduisteringen, beslag­ leggingen, witwaspraktijken, kapitaalvluchten die werden getraceerd plus nog een ‘beurskrach’ en een bankrun, kreeg toch de executie in 1673 van de boekhouder die tegen de lamp liep de meeste aandacht. Les vier is: fraude is van alle tijden – al wist men toen wel raad met graaiende bankiers – en de meest extreme gebeurtenis krijgt naar verhouding veel aandacht.

Voorspelbare irrationaliteit Waar dat laatste aan ligt beschrijft Nobelprijs­ winnaar Daniel Kahneman in Thinking, fast and slow. Kleine steekproeven leveren meer extreme resultaten op dan grote steekproeven die preciezer zijn. Die laatste geven na analyse en bewerking het meeste inzicht in de werkelijkheid. De uitkomsten van de grote steekproeven lijken echter minder aandacht te trekken omdat ze het afleggen tegen datgene wat direct zichtbaar is en in een bestaand beeld past. Met het voorbeeld van de frauderende boekhouder aan het begin van dit stuk is de kans groot dat u relevante – statistische – informatie is

50

onthouden en dat met dat voorbeeld alleen maar voeding is gegeven aan uw stereotype beeld van frauderende bankiers. Kahneman schrijft dat u daar ook niet veel aan kunt doen, omdat uw brein bij het lezen van dit voorbeeld al vrij snel op zoek was naar een verklaring die al in uw geheugen lag opgeslagen. U zocht onbewust verbanden, bijvoorbeeld met de tegenwoordige tijd, die er mogelijk niet waren. Eenvoudige boodschappen van voor- en tegenspoed nemen we makkelijk tot ons, zo blijkt. Ze zijn vaak terug te voeren op duidelijke oorzaken. We zijn echter ook genegen om toeval of bepalende krachten die niet direct zichtbaar zijn te negeren, een verschijnsel dat in de literatuur zo mooi de demand for illusionary certainty heet. Nadat onze honger naar herkenbare beelden is gestild, blijken we vervolgens op basis van beperkte bewijzen ook nog regelmatig en onbewust naar conclusies te springen. Die conclusies zijn daardoor meer gebaseerd op intuïtie dan op kwantiteit en kwaliteit van de onderliggende cijferinformatie. Deze honger naar herkenbare beelden is eigenlijk les vijf, een les die goed is om te weten bij het schrijven van een proefschrift, het doen van steekproefonderzoek en de presentatie van statistische uitkomsten uit verleden én heden. Pit Dehing

Literatuur Dapper, O., Beschrijvinge van Amsterdam (Amsterdam 1663) Dehing, P., Geld in Amsterdam. Wisselbank en wissel­koersen, 1650-1725 (Hilversum 2012) ISBN 9789087043117 Deursen, A.Th. van, Mensen van klein vermogen. Het kopergeld van de Gouden Eeuw (Amsterdam 1991) Kahneman, D., Thinking, fast and slow (Londen 2011) Met dank aan Frank Kalshoven van wie ik dit boek te lezen kreeg. Kindleberger, C.P., A financial history of Western Europe (Londen 1984) Vries, J., de en A.M. van der Woude, Nederland 1500–1815. De eerste ronde van moderne economische groei (Amsterdam 1995)


Job Berkheyde, De binnenplaats van de Amsterdamse beurs, 1668. Collectie Amsterdams Historisch Museum

Allegorische voorstelling van de handel in Amsterdam. Gesitueerd in het interieur van de Wisselbank met een blik – richting Dam – op de Waag. In het midden geeft een klant aan een boekhouder een bankoverschrijving door. Bron: Ricard, Traité général du commerce (1700). Collectie IISG, Amsterdam

Wisselkoersbriefje Amsterdam, 19 november 1691. Los briefje, deels voorbedrukt (plaatsnamen, rekeneenheden en betalingstermijnen) en deels handmatig ingevuld (wisselkoersen in Amsterdam). Met deze briefjes werden kooplieden in binnenen buitenland geïnformeerd over de valutakoersen in Amsterdam. NEHA Bijzondere collecties 472, prijscouranten. Collectie IISG,

De Amsterdamse beurs van Hendrick de Keyser in 1612, naar een ets van C.J. Visscher. Illustratie in Dapper, Beschrijvinge Amsterdam, 452

51


kort culinair

49 kilo tomaten per Nederlander Van sauzen tot soepen en zelfs sap: de tomaat is een graag geziene gast in de keuken. En we zien hem steeds vaker. In 1950 was de tomatenoogst in Nederland nog 7,5 kilo per Nederlander. In 2011 bedroeg deze inmiddels 49 kilo per Nederlander. De tros- en cherrytomaat groeien sterk in populariteit. De teeltoppervlakte voor de trostomaat is sinds 2000 verdubbeld en bedroeg 1,2 duizend hectare in 2011. De cherrytomaat wordt geteeld op een oppervlakte van 111 hectare. Dat was in 2000 nog 51 hectare. (Bron: CBS)

60 hectare meer suikerma誰s Suikerma誰s is zoet en kan in veel gerechten worden verwerkt, zowel warme als koude. Op de Nederlandse gronden zien we een sterke toename van dit smaakvolle gewas. De voorlopige raming van de akkerbouw- en de tuinbouwarealen in 2012 wijst er op dat de teeltoppervlakte suikerma誰s in procenten de grootste stijger van de arealen groenten in de open grond is. In 2012 is bijna 60 hectare meer suikerma誰s geteeld dan in het jaar daarvoor. Dat is een stijging van 10 procent. (Bron: CBS)

100 hectare aubergine Aubergine verschijnt niet elke dag op de Nederlandse eettafel. Het wordt vooral gebruikt in ratatouille, een van oorsprong Frans stoofgerecht. Wordt in uw ratatouille de aubergine bruin en taai? Dan heeft u er heel waarschijnlijk vooraf geen zout op gedaan. En dat is wel nodig, zeggen kenners. Ook op Nederlandse bodem groeit aubergine. De teeltoppervlakte van dit gewas nam in 2012 niet toe in vergelijking met de oppervlakte van 2011. Deze blijft 100 hectare groot. (Bron: CBS)

52


kort culinair Oppervlakte aan zetmeelaardappels daalt naar

43 000 hectare

Aardappelen zijn onder te verdelen in drie soorten: consumptieaardappelen, pootaardappelen en zetmeelaardappelen. De consumptieaardappel is de aardappel die de boeren het meest verbouwen en die wij ook op ons bord tegenkomen. Pootaardappelen zijn vaak bestemd voor de export en zetmeelaardappelen worden geteeld om zetmeel van te maken. Maar hoe is de teeltoppervlakte verdeeld onder deze drie verschillende soorten? Uit de voorlopige ramingen van de akkerbouw- en tuinbouwarealen van het CBS blijkt dat in 2012 de teeltoppervlakte voor zetmeelaardappels ten opzichte van 2011 met 12 procent daalt. Het totale areaal daalt daarmee naar circa 43 000 hectare. Bij de consumptieaardappelen daalt de oppervlakte met 7 procent naar 68 000 hectare. De teelt van pootaardappelen neemt als enige wel toe. Deze steeg met 4 procent naar ruim 39 000 hectare. (Bron: CBS)

53


recente CBS-publicaties Internationalisation Monitor 2012 (Engelstalig) De vijfde editie van de Internationalisation Monitor draagt bij aan het debat over globalisering door samenhangende, consistente statistieken te presenteren over recente ontwikkelingen in de internationale handel in goederen en diensten, buitenlandse investeringen, regionale verdeling van internationaal actieve bedrijven, verkeer en transport. De relatie tussen bedrijvendynamiek en globalisering is het centrale thema van deze editie. Bedrijvendynamiek wordt in een internationale context geplaatst door te kijken naar zowel determinanten van geboorte en overleving van bedrijven als naar effecten van bedrijvendynamiek op economische activiteit in Nederland. Kengetal: M-21 ISBN: 978-90-357-1783-1 Prijs: € 52,20 (exclusief verzendkosten)

Jaarrapport 2012 Landelijke Jeugdmonitor Het Jaarrapport 2012 van de Landelijke Jeugdmonitor geeft een breed overzicht van hoe Nederlandse jongeren van 0 tot 25 jaar leven. Daarbij wordt gekeken naar vijf invalshoeken: jongeren en gezin, gezondheid en welzijn, onderwijs, arbeidsmarkt en veiligheid en justitie. Ook worden een aantal dwarsverbanden gelegd. De inhoud is grotendeels gebaseerd op cijfers die op de website http://www.landelijkejeugdmonitor.nl staan. Het boek is bedoeld voor iedereen die beroepshalve of anderszins geïnteresseerd is in de Nederlandse jeugd. Kengetal: G-93 ISBN: 978-90-357-1967-5 ISSN: 1876-9942 Prijs: €9,70 (exclusief verzendkosten)

54


recente CBS-publicaties Environmental Accounts of the Netherlands 2011 (Engelstalig) Hoe scoort de Nederlandse economie op indicatoren voor groene groei? Hoeveel geeft de overheid uit aan klimaatmitigatie en waterveiligheid? Hoe groot is de ‘footpint’ voor natuurlijke hulpbronnen van de Nederlandse economie? In de reeks Environmental Accounts of the Netherlands worden economische en milieu-informatie in samenhang beschreven waardoor het mogelijk wordt de bijdrage van het milieu aan de economie en de impact van de economie op het milieu in beeld te brengen. Kengetal: C-174 ISBN: 978-90-357-1743-5 ISSN: 2210-9749 Prijs: € 22,60 (exclusief verzendkosten)

Jaarrapport Integratie 2012 Het Jaarrapport Integratie 2012 brengt de integratie van allochtonen in beeld aan de hand van hun sociaal-economische en sociaalculturele positie in de Nederlandse samenleving. In deze editie worden de vier grootste nietwesterse herkomstgroepen (Turks, Marokkaans, Surinaams en Antilliaans) gevolgd, een viertal niet-westerse vluchtelingengroepen (Afghaans, Iraaks, Iraans en Somalisch) en een drietal Oost-Europese migrantengroepen (Pools, Roemeens en Bulgaars). Het landelijke beeld van integratie wordt geschetst, maar er is ook aandacht voor regionale verschillen in integratie. Kengetal: B-61 ISBN: 978-90-357-1987-3 ISSN: 1872-1354 Prijs: € 54,60 (exclusief verzendkosten)

55



2012 04 winter relatiemagazine pub