Issuu on Google+

Beeld: Heren 5

markt gedrild. Een appartement met een beukmaat van 7,5 meter is puur op kosten ontwikkeld. In de kelder passen er precies drie auto’s onder en het appartement heeft een gunstige breedte-diepte verhouding. Als wij de laatste 30 cm ontworpen, weet de ontwikkelaar dat die woning 90.000 euro kost. In een crisis kun je dat nog verkopen. Maar hebben deze woningen op de lange termijn voldoende kwaliteit? In de Randstad is de krapte op de woningmarkt voldoende, maar daar buiten staat dit straks gewoon leeg. Bij de Kolenkit zijn we het ‘gesprek’ aangegaan met die rigide bouwstructuur en hebben we, met steun van de opdrachtgever, er eengezinsappartementen in kunnen maken. Het kan dus wel anders. Aan de ene kant hebben we dus te maken met bouwers die, of het nu om appartementen of eengezinswoningen gaat, met standaardproducten een scherpe prijs weten neer te zetten. Aan de andere kant kunnen we met onderzoeken zoals naar de gezinnen in de stad ook laten zien dat standaardproducten niet in alle gevallen voldoen; daar komen dan nieuwe plattegronden uit.” JK: “Er is op zich niets mis met standaardproducten, maar er schuilt een gevaar in dat er een zeer oppervlakkige architectuur uit ontstaat. Eentje die echt niet verder reikt dat die laatste 30 cm. Huis van Hendrik, dat ook gebaseerd is op standaardproducten, laat zien dat het echt anders kan, door hand in hand op te trekken.” Welke opgaven zien jullie de komende decennia als het om woningbouw gaan? Is dat de grootschalige renovatie van naoorlogse woningbouw? JK: “Dat is wat iedereen zegt, maar wij merken daar weinig van. Zo’n 25% van de woningvoorraad is van net na de oorlog. Die woningen zijn te goed om te slopen, maar te slecht om op deze manier mee door te gaan. Zo’n 25% van de voorraad is gebouwd in de jaren ’80, de meest schrale periode ooit. Dan heb je het over 50% van alle woningen. Daar moet je op een gegeven moment wel wat mee. In theorie is dat dus een enorme bouwopgave. In Zwolle kregen wij de kans om een bloemkoolwijk grondig te renoveren, Ittersummerlanden. Als we nu aan mensen foto’s van dat project laten zien, geloven mensen niet dat het renovatie

Boven Situering van de Vrije Kade in Buiksloterham in Amsterdam. Onder In de architectuur van de Vrije Kade wordt verwezen naar het industriële verleden van het gebied.

is. Met dat project zijn we een renovatie-offensief gestart richting opdrachtgevers. Maar het komt niet los. Veel renovaties gebeuren zonder betrokkenheid van architecten: keteltje, muurtje, zonnepaneeltje, isolatie van de gevel, en dat is het.” Waar ligt meer werk voor architecten? JK: “Ik zie een gigantische kleinschaligheid. Waar wij vroeger projecten deden met 200 woningen, daar zien we dat we nu met andere bureaus strijden om opdrachten van 20-30 woningen. Dat is de schaal van de projecten waarmee de stad nu

“De stad wordt nu ontwikkeld met projecten van 20 tot 30 woningen”

ontwikkeld wordt. Groter niet. Ons plan voor de Vrije Kade in Buiksloterham in Amsterdam-Noord is hier een goed voorbeeld van. Voor architectenbureaus is die kleinschaligheid lastig en moet je je organisatie daarvoor veranderen. Twintig jaar geleden waren wij voor dit soort projecten te duur, maar nu zijn we er dolblij mee. Voor de stad is die kleinschaligheid zeer positief. Het sluit aan op het verhaal van stedenbouwkundige Gert Urhahn over de Spontane Stad: de levendigste stedelijke omgeving ontstaat als deze in kleine stappen kan groeien en deze zich op een kleinere korrel kan vernieuwen. Wij hebben ook CPO-projecten gedaan, maar ik weet niet of dat de toekomst is. De schaal van CPO, zo’n 20-30 woningen die samen een wijkje vormen, dat is echter zeker te toekomst. Verder denken wij zelf dat er een grote bouwopgave zit bij de ‘Stadveteranen’, mensen ouder dan 55 jaar die in de stad willen blijven wonen. Zij zijn vaak ontevreden met hun huidige woning en hebben kapitaal. Van hoe zij precies willen wonen weten we echter nog maar weinig. — architectenweb — 39


Architectenweb magazine #8