Page 1


Het gedicht Alckmaar-beleg van Pieter Janszoon Schaghen

Het succesvol doorstane beleg van Alkmaar in 1573 is een van de mijlpalen in de Nederlandse strijd voor de onafhankelijkheid in de zestiende en zeventiende eeuw. De bekende leus ‘Van Alkmaar de Victorie’ herinnert hier nog aan. Over het beleg zijn in de loop der eeuwen vele studies, verhalen en gedichten geschreven. In 1615 publiceerde Pieter Janszoon Schaghen Alckmaar-beleg. Hierin worden de gebeurtenissen "in Maet-ghedicht beschreven". Pieter Janszoon Schaghen werd in 1578 in Alkmaar geboren. Na een rechtenstudie in Leiden was hij vele jaren lid van de Alkmaarse vroedschap, later schout van Alkmaar. Daarnaast was hij graanhandelaar, regent, musicus, dichter en schilder. Hij vervulde ook functies in verschillende bestuurscolleges in Den Haag, waaronder de Raad van State. Als contraremonstrant speelde hij een rol in de controverse tussen remonstranten en contra-remonstranten; Schaghen was een van de rechters die in 1619 Oldenbarnevelt ter dood veroordeelden. In het Nationaal Archief wordt een brief uit november 1626 bewaard in zijn handschrift over de aankoop van het eiland Manhattan van 'de wilden' voor 60 gulden. Hij stierf in 1636, en werd begraven in de Grote Kerk in Alkmaar. Het gedicht beschrijft het beleg van Alkmaar zeer beeldend, met veel heroïsche en bloedige details. Het werd in Amsterdam gedrukt door Willem Jansz. Blaeu (Alkmaar 1571 - Amsterdam 1638). Zijn bedrijf met de naam 'In de vergulde zonnewijzer' was gevestigd 'Op 't Water', het huidige Damrak. Het drukkersmerk toont een weegschaal met aan de ene kant een aardbol en aan de andere kant een hemelglobe, met als onderschrift 'Praestat', oftewel 'Deze [de hemelglobe] weegt het zwaarst'. Dit bladerboek toont het gedicht met daarbij een gemoderniseerde transcriptie. Spelling, hoofdlettergebruik en interpunctie zijn aangepast aan hedendaags gebruik, met behoud van het metrum. Een analyse van het gedicht Alckmaar-beleg is te vinden in De dichter van Bauw-heers wel-leven: Pieter Janssoon Schaghen van L. Strengholt (Leiden, Brill, 1977).


Achtbare, wijze, voorzienige heren, mijne heren de burgemeesteren, der lijftochtiger1 stad Alkmaar.

D

e vermaarde, welsprekende Cicero, zegt: "dat er geen perikel zo groot en is, dat men behoort te vrezen, in 't verweren zijns geboortelijke vaderstads. Want die in 't beschermen van de zelvige, weigert te sterven, die sterft ook t' samen met de zelfde. Daarom (zegt hij voorts) is het beter te sterven voor velen, dan met velen". Een zinspreuk (waarlijk) die alle groothertige vaderstadslievende personen eigen toekomt, maar wie doch eigentlijker, dan u.e. vroomhertige burgerije van dit u.e. zuivelrijke Alkmaar? Hebben zij niet door hare uitmuntende kloekmoedigheid (onder 't voorzichtig wijs beleid, haarder e.e. overheden) zeer manlijk afgeweerd dien bloedigen Spaansen storm, ende schandelijk doen opbreken dat langdurig dicht beleg waarmede zij anno 73 vervaarlijk mede bezet waren? Een vrome daad wisselijk, daarin alle deugdlievende nakomers (als in eenen levendig vertonende spiegel) bespeuren mogen, wat dat de edelhertige gemoeden al vermogen, in 't heftig verdedigen van hare oude verworvene stadsvrijheden, in 't hittig2 beschermen van hare waarde huisvrouwen end wellieve kinderen ende in 't ijverig voorstaan haarder rechtzinniger godesdienst. Ende dat, om in zoete vaderlandse vrijheid, een Spaanse dwingelands Inquisitische slavernije t' ontgaan. Het is wel zo, dat hier geen nijdighartige kwaadsprekers ende Spaansgezinde verbastaarde Hollanders ontbreken, die deze manlijke vrome daad meer achten aangegaan te zijn uit een onrechtvaardige lust om heersen, dan om rechtvaardelijk beheerst te werden, gelijk zij te dien einde bedektelijk bijbrengen de klaagrede Platonis zijnes tijds, zeggende: "Indien men vond een land, vol deugdenrijke mensen, Men zoud voorzeker daar na 't kussens3 ontslag wensen. Gelijk men nu met voorbesteken onrecht recht, End moitvaan4 in de vuist, om 't kussens omslag5 vecht." Maar wie en ziet doch niet dat zulke kwaadtongige mensen meer uit passie, dan na reden spreken? Ende dat mogelijk om hare blode

1

rijk aan levensmiddelen fel 3 kussen: regeringsmacht 4 moyt: oproer 5 verandering, omkering 2


voorloping1 en de schandelijke stadverlating enigszins te verschonen, hetwelke de manhaftige werkdaad u.e. vroomhertiger burgeren klaarder (dan met enige woorden gedaan kan worden) beantwoordet, ende wiens vroomdadigheid geen stad en hoeft te wijken. Welkers gedenkwaardig beleg (in maatgedicht beschreven) ik u.e. met goeder herten toe-eigene, als die mij daartoe verplicht vinde, door het vreedzaam geniet, dat ik neffens mijne medeburgers geniete. Ten anderen, omdat het u.e. eigentlijk toekomt, als die ambtshalven het hoofd dezer kloekhertiger burgerije vertonende zijt, om welker kloekheldische vromigheid ik u.e. bidde dit mijn kleine werk in danke te willen ontvangen, het welke (alhoewel klein) gewichtig werd, door de manlijke grootheid u.e. kloekmoedige burgerije. Ende het welke beschut zijnde onder de vleugelen u.e. wel toegeneigde goedgunstigheid, den gansen albedillende wereldweg onbeschadigd zal mogen bewandelen. Achtbare, wijze, voorzienige heren, de God des vredes geve dat u.e. vreedzame regeringe lang vreedzamelijk mag duren, en altijd strekke tot dien oude vreedzame welstand, daar u.e. vreedzame stad van oudsher altijd van de ganse wereld voor beroemd is geweest. Opdat u.e. goede burgerije altijd behouden mag , niet allene hare behoorlijke burgerlijke vrijheden, maar ook hare rechtgezuiverde godsdienst, die ze zo manlijk en ijverig met goed en met bloed verweerd hebben, ende nog zo trouwelijk zoeken te bewaren, tegen alle moitzuchtige uitheemse huurlingen, die (als een zeker dichter zingt) "Vol huurlingsen ijvers, van de waarheid in Gods kerk Haar gaan veinzen harde drijvers, zolang als men loont haar werk. Maar zo 's loners wind aars waaien gaat, als weerhaans ook zo draaien, Die om weinig gouds bestrijden Godes kerk aan alle zijden, Die bedekt vol ongevals, brengen kerk end land om hals." Den zelfden Vredegod behoede u.e. vredestad voor zodanige schadelijke pesten, ende gunne u.e. hier alzo te regeren, dat u.e. hierna onsterfelijk met Hem moogt regeren, in 't onsterfelijk leven, hetwelke van harten wenst U.e. dienstwillige onderdaan P.J. Schaghen.

1

vlucht


P. J. Schaghens Alkmaar–beleg.

H

oe welig bloeit het land daar een wijs prins gebiedt, Die 's lands welvaren zoekt end eigen voordeel niet! Die zij der bozen straf, end schermheer van de goeden, Der vleiers vijand, end liefhebber van de vroeden. Die koning van zichzelfs d' ondeugden eer wegschaft1 Door zijn goe voorgang, dan door harde keuren straft. Die klein is zijn hart, maar in zijn aanzien deftig, Die 't goed hart van zijn volk heeft tot lijfwachten treftig2. Die zich vernoegt met zijn bepaalde heerschappij, Die zijn volk wel beheerst, doch laat conscientie3 vrij. Die denkend dat hij staat in 't oog van alle mensen, Wel doet dat hij behoort, niet dat hij wel zoud wensen. Maar wat een hel is 't daar men onder een tiran Zijn leven lang verslijt, die niet en zoeket dan Zijn eigen voordeel, met de scha' van 's lands welvaren, Die als een Nero wreed noch klein noch groot gaat sparen. Ja, met zijn eigen zoon, die met bloedschand besmet, Ziet op eer noch op trouw, op regel noch op wet. Die, schoon omsingeld met lijfwacht end hellebaarden, Vreest 't volk stilzwijgend meer, dan hij kan 't volk vervaarden4, Die d' ambten duur verkoopt, end nog veel roems verdient Door 't schatten van zijn volk te knagen tot 't gebeent. Dit weten al de wijdberoemde Nederlanden,

1

verwijdert uitstekend 3 geweten 4 bang maken 2


Diens melk end honing schier liep over haar zee's stranden. Zo lang haar graaf als graaf voorzichtig wijs end goed Haar vriendelijk heeft beheerst, waar door met overvloed Zij zo gezegend zijn, dat zij (als in 't bijzonder) Van meest de ganse wereld ontzien1 zijn als een wonder. Maar alzo haast de nijd (die 't al doorsnuffelt gauw Des knaagzorgs oorsprong, die lacht als 't al schreit in rouw, End schreit als 't alom lacht) heeft zijn vergift gespreid In 's konings grimmig hoofd, och! Zo heeft zij gezaaid In d' aard van 's konings hert een bitter kwade haat, Die zo lang heeft geknaagd des konings boezem kwaad, Dat hij door kwaden raad in 't einde ging besluiten Om des lands grootsheid met geweld geheel te uiten. Om zo te heersen met een opperste gebied, Dat hij 's lands vrijheid mocht heel maken zo tot niet. Dies heeft hij d' hartog wreed van Alva neergezonden, Die, hadd' hij macht na wil gehad, hadd' 't land verslonden. Duc d' Alv' die 't land voorhield 't verbeuren end 't verlies Haars vrijheids, zo van 't land, als van 't Vergulden Vlies, Als van 't groot Leuvens school, schoon dat ze bij den koning Bezworen waren zelf, dies hij haar zonder schoning Beheersen woud' als een heel nieuw verkregen land. Waardoor hij daadlijk heeft verjaagd, verwoest, verbrand, Geruid2, geroofd, verkracht, geplonderd end gevangen gelijnd, onthoofd, verbrand, gerabraakt end gehangen, Ja alle dwing'landschap bedreven wredelijk, Aan alle staten3 ook, zo wel aan arm als rijk, Aan edel, als on-e'el, aan jongen als aan ouwen, Aan weeuwen, wezen, als aan mannen, maagden, vrouwen. Duc d' Alv', die bogen dorst in zijnen tafelre'en Dat hij had achttien duist4 gedood om 't g'loof alleen. Duc d' Alv', voor wiens geldzucht nooit man kost zijn goed wachten Zijn vrouw noch dochters niet voor zijn geil vrouwverkrachten,

1

gevreesd, eerbiedigd ruyen: rumoer maken 3 standen 4 duizend 2


Zijn eigen leven ook, niet voor zijn bloeddorst boos. Duc d' Alv' die hem behulp met valse tuigen loos, Alleen om 't volliks goed verbeurd te maken blij'lijk, Waarvan hij overzond een lijst na Spanjen tij'lijk, Die 's jaarlijk wel bedroeg bij tachtig tonnen schats. Duc d' Alv' die 't Neerland heeft in zes jaar afgeschat Vijfhonderd tonnen gouds, 't welk d' oorlog heeft verslonden. Duc d' Alv' die 't Neerlands volk zocht door zijn loze vonden1 Te brengen onder 't jok des konings heerschappij, End al haar leven lang in Spaanse slavernij. Maar g'lijk een weel'ge heinst2, die boven zijn vermogen Werd van zijn heer gevergd, hem langer niet wil dogen Gespoord op zijne rug, maar steigert vreselijk, Tot dat zijn meester valt hol-over-bol in 't slijk. End vrijheid voelend, neemt de toom op zijne tanden, Vlucht met een ren, gelijk een schim, zo dat de landen Hem schijnen veel te nauw, daar dan de meester bang Poogt om dat weer met list te krijgen onder dwang. Doch alzo haast hij schijnt de toom te willen grijpen, Wup, speelt het paard, end stelt van nieuws weerom de pijpen3. Het slaat 't hoofd in de nek, en 't toont zijn achtergat, Het smijt fel achteruit, end houdt noch weg noch pad. 't Vlucht als een bliksem snel, 't licht tot de buik zijn voeten. End 't doet de kijkers (die om haar kijklust te boeten Aan beide zijden staan, vol achterdenken4 naar, Vol angst, vol schrik, ende zorg) heel tuim'len d' ĂŠĂŠn op d' aar. Want door zijn vaart zo schijnt het zelf zichzelfs te ontsnappen, End werpt een wolk van stof op in de lucht door 't schrappen. 't Bestrooit de weg langs met zijn rokig, bruisend schuim, 't Raakt uit 't gezicht en 't springt, veld in, veld uit, op 't ruim. De meester volgt op 't spoor, maar 't paard wel trots gehaverd Omkijkend, staat end schudt zijn leden dat het davert, 't Krult op zijn manen steil, 't wrenst5, brenst6, 't briest, 't pruist7 zeer blijd

1

listen hengst 3 pijpenstellen: tekeergaan 4 bezorgd 5 hinnikt 6 briest 7 schuimbekt 2


End moedig, schijnt zijn heer te trotsen tot den strijd. Alzo ook 't Nederland, dat (machtig end voorzichtig Gewoon was neven zijn landsheer 's landszaken wichtig Te schikken na des lands bezworen vrijheid oud), Verwierp rechtvaardelijk den opperheerslust stout Der Spanjaards trotsig, met haar Inquisitie bloedig, End hebben onder den Nassausen here goedig, Den Spaansen dwingeland kloekmoedig wederstaan Om in 's lands vrijheid zoet de slavernij t' ontgaan. Maar g'lijk een felle leeuw, die zijn aas komt t' ontsnappen Uit zijne klauwen scharp, zeer ijslijk wreed gaat stappen Met schrikkelijk gebrul na zijn verloren aas, Zo komt duc d' Alva met een woedend wreed geraas Om t' overvallen snel de vrij Neerlandse steden, Die voor haar vrijheid elk om 't zeerste manlijk streden. Als onder and'ren heeft kloekmoedelijk betoond De stad van Alkmaar vroom, stad, die terecht gekroond Mag zijn met palmenkroon, als oud wintekens teken Voor hen, die door vroom daad manhaftig die bereiken. Om Alkmaar was het hooi zo haast niet van het veld, Oft don Fredric en heeft het met zijn krijgsgeweld Al om end t' om bedekt, zodat zijn leger machtig (Met spietsen opgerecht) een houtbos scheen dor-achtig. Want hij als overst' end Noircarmes luitenant, Met Bracamont, Velasc d' Ivar, Romer', bemand End d' heer van Goignes, met La Motte, de om vechten Tot Oudorp lagen meest, met vijftig vaan voetknechten, Vierhonder ruiters nog. Fernando lag t' Huiswaard Met zijn acht vaand'len. Tot Sint Pancras lag bewaard Polwijler met acht vaan. t' Koedijk de twee baroenen Van Liques end Chevraulx, met twintig vaan Bartoenen1: Tot Bergen, Capres met tien vaand'len Walen. Voort Fronsbergs end Oversteyns volk in de Nieuwepoort.

1

Bartoen: afkomstig uit BrittanniĂŤ


Die t' samen honderd-een-end-twintig vaand'len maakte, Wiens mannental omtrent de zestienduizend raakte. Voorwaar een zulken schoon end hupsen leger, dat Schier gans Europa in dat zelfde scheen vervat. Want don Fredric had schier zo veelderlei geslachten Als Alkmaar mannen hadd' bekwaam om storm te wachten. In Alkmaar was omtrent de dertienhonderd man Goe' weerbaar burgers, met een krijgsmanshoop maar van Acht honderd knechten sterk. De gouverneur der stede Was Kabbeljau, Sonbergh zijn luitenant. Ook mede En was de stad niet zeer van voorraad wel voorzien, Dies niettemin ging elk bezorgen het gemeen, Gelijk men bezig ziet met ganse vlijt de bijen In 't werken van haar was dat zij zeer kunstig vlijen Tot sterke wonings end borstweren van haar stad, Zo ziet men d' Alkmaars med' arbeiden gauw end rad, Door starktenbouwerskonst aan borstweers end bolwerken, Om den vervallen wal voor 's vijands schut te sterken, Ja, zonder eens t' ontzien de huizen aan de wal Met aard' te vollen vol. De smids, zwaardvechters al Versmee'n 't ploegijzer, ook den zein1 tot spietsen, zwaarden, End vegen 't roestgeweer, end slijpen d' hellebaarden. Daar den geelgieter2 giet door konst end arbeid gauw Van veel klinkklokken een luiddonderig kartouw3. D' ĂŠĂŠn burger hier zijn kost, daar d' aar zijn goed ophemelt, Zo dat het hier al woelt, zo dat het hier al wemelt. Gelijk men in den oogst de mieren krielen ziet In 't rijke korenland, daar elk hem gauw voorziet Met zijn klein korenlast, dat zij in haar hol dragen, End met haar bekjen scharp het spruitjen kort afknagen, Opdat de wintervocht dat koren niet verderft End zo haar burgerij van honger niet en sterft, De burgemeesters ook, op rog4 elk na staat stelden

1

.zZeis handwerksman, die voorwerpen vervaardigt uit geel koper of messing 3 kanon 4 rogge 2


Opdat den honger haar door lang beleg niet kwelde. De daag'raad had zich niet zo haastelijk ontdekt Met haar scharlaken kleed, oft ziet, de trommel wekt Den Spaansen krijgsman op, die hem met weer end wapen Voorziet, end treedt zo in slagoord, om te betrapen1 't Belegerd Alkmaar volk, 't welk nooit zag enig weid Met zo verscheiden ruikgebloemte beplaveid, Als zij welgeschakeerd het Spaanse leger zagen Verscheiden vaandels end verscheiden slooiers2 dragen, Zo dat ze schenen schier ontallijk. Nietemin Al scheelden zij van land, zij scheelden niet van zin Om dit belegerd volk al t' samen te vernielen. Dat, ziende zulk een macht van volk, ging voor God knielen, End bad hem aan aldus: o God, o goede God, Die altijd zijt den scherm van 't volk dat dijn gebod End woord navolgen wel! Nadien o Heer erbarmig Wij nu heel zijn benauwd, weest ons nu een beschermig End goedig overhoofd, end met dijn vleuglen, wilt Ons nu bedekken door dijn Zone Christum mild. Doch wij en eisen 't niet o Here der heerscharen, G'lijk oft wij door verdienst dijn hulpe waardig waren. Veel minder denken wij, dat dijn geheven hand Ons tot ons onschuld dreigt, maar lijden t' onzer schand, Dat onze zonden vuil met zwaarder straf behoorden Gestraft te zijn, indien u woudst als een verstoorden Strafrechter gaan voorbij dijn g'naad end goedheid beid', End straffen onze schuld na dijn gerechtigheid. Maar roep ons twijfelzaak (o Vader vol van goedheid) Van dijn rechtsvierschaar tot dijn hemeltroon der zoetheid. End reinig ons van schuld, end drijf verr' van ons hals, (O God) d' aanstaande storm, vol schrik end ongevals. Want wat zal 't baten Heer, oft u ons voor deez' tijden Van 't Spaanse jok zeer straf al schoon hebt gaan bevrijden,

1 2

vertrappen sjerpen


Zo deez' onz' weiden groen, zo dit ons schoon gebouw Zo ook zo menig kind, zo menig maagd end vrouw, Zo menigen vromen man, verwoestet end geplonderd, Vermoord, verkracht, geschend, tot slaven uitgezonderd, Nu werden van deez' wreed' en woeste Spanjaards boos. Maar och! O God indien u geen genaad' altoos Ons wilt bewijzen, weest dan immer voor dijn ere End naam doch ijvrig, of tenminsten hebt o Here, Doch medelijden met dit schone beed'-huis, daar Dijn alderheil'gste naam werd aangeroepen klaar. End laat niet toe dat 't zelfd', door mensenleer onveilig End stomme beelden weer van nieuws aan werd onheilig. 't Gebed voleind, vergaart de wet met den krijgsraad, End overkomen t' saam, den Spanjaard vroeg noch laat Ter spraak te staan, maar dat ze g'lijker hand all' zouden De stad voor hare prins in vrijheid vroom behouden. Als Fredric zag dat hem de burgers t' zijner spijt De stad ontzeiden, ja hem terten trots ten strijd, Liet hij aan 't Zeglis twee rinhuizen vast bezetten, Om d' uitvaart van de stad geheel te gaan beletten. De burgerij dit ziend is uitgetrokken ras, End twee rinmolens, met 't een huis verbrand tot as. Zij hebben ook gedaan een uitval met haar ruiters Om weer te maken een weg door haar stadbesluiters. Maar ziet, den Spanjaard tracht haar weer te drijven in. De burgers vallen aan met zulken kloeken zin, Dat nu den vijand vliedt, dan keert hij 't voorhoofd weder End jaagt de burgers voor, die haast weer vellen neder Den Spaansen hoogmoed trots, zo dat men twijfelt wie Het veld behouden zal. Doch ons beleggers, die Met menigt' kwamen voort, verdreven nog ten lesten Die steedse na haar stad, end binnen hare vesten. Ja volgen haar zo kort, dat zij schier met malkaar


Ter stad in raakten, maar het grof geschut trof haar Zo dapper, dat ze knap haar weer na 't leger haasten, Bezettende de stad zo dicht, zo dat ten laasten Niet dan het pluimgediert' in ofte uit komen kost. Och! Als ik denk hoe streng dit streng beleg begost! 't Welk zeven weken lang, de stad zeer zwaar ging krenken. Zo kan ik geen droef dicht genoegzaam nu bedenken, Om levendig na eis des stads benauwdheid meest Wel uit te beelden. Dies o Geest daar alle geest Beweging ende geest, ja leven van ontvanget, Verlevent mij mijn pen, opdat z' alleen aanvanget Dijn grote kracht zo wijd te spreiden in 't gezicht Van alle man, dat die door al de wereld vlicht. Als Fredric tevergeefs hadd' opgeĂŤist deez' stede Ging hij zeer spijtig al zijn stormtuig maken rede, Om deze vrome stad te winnen met geweld, Dies heeft hij eerstklaps zijn begravinge besteld, Om 't dond'rig grof geschut dicht voor de stad te planten, Daar Haarlem hem toezond driehonderd rapse kwanten, Die voor de Friesepoort een schans opwierpen groot, Met veel loopschansen, tot bescherm voor 't snuivende lood. Den zeventienden van oogstmaand heeft hij zien laten, Zijn storrembruggen lang van delen vast op vaten. Hij plantte voor de stad ook twintig stukken, daar Hij ijzers mede schoot van veertig ponden zwaar. Hij deed zijn trommels slaan, om den storm aan te zeggen. Zijn krijgslui, die zijd, wijd, zo hier zo daar nog leggen, Die met een snelle vlucht vergad'ren op het end Bij duizenden alom, end om haar hoofdmans tent. Gelijk men d'honden om den jager snel ziet lopen, Op 't horen blazen, als die na de jacht zelfs hopen, Dit moedig raps krijgsvolk, verstaand haar hoofd's bevel Bereidt zich haastig om te stormen vinnig fel.


Gelijkerwijz' men ziet de zeer kloek' ambachtslieden Haar reedschap maken reed al eer zij aan 't werk vlieden. De glazenblazer steekt op zijn staag levend vier1, De timmerman kunstrijk die slijpt zijn bijlen hier. De smid blaast op zijn smids', de mets'laar g'nut zijn stienen, De scherpe schilder daar die mengt zijn verf in ienen. De drukker stelt bij rij zijn sprekend loodjens mee. End deez' soldatenwer'ld ziet vliegen niet zo dree Het teken van de storm of 't gaat al knap bereiden Zijn krijgsgereedschap al, end lustig. .Op de weiden Zo brandt het heel van lust, om door zijn man'lijk slaan De stad te winnen, oft zijn leven kwijt te gaan. Doch d'Alkmaar burgers ziend al dit Spaans stormbereidsel En sliepen niet, maar door haar overheid's beleidsel, Voorzien hun somm'ge met goed lont, kruit ende lood, d' EĂŠn met een lange spiets, d 'aar met musketten groot. De somm'ge kiezen wree' doorrijgend hellebaarden, End d' and're grijpen beenafmaaiende slagzwaarden. Hier de busschieter stelt 't opruimend grof geschut, Daar komen vrijers en de vrijsters (ook tot nut) Veel steens aantorsen kloek, end meest al d' Alkmaar vrouwen (Haar teed're vrouwenaard verlatend) gaan kloek brouwen Veel ziedend broeiend bijtkalkwater ijs'lijk heet End brandteerhoepen zwart beschikken ze gereed. Ja zelfs 't schijnslechte volk dat nimmermeer, oft zelden Den bozen wederstaat, dat toont zich hier als helden, Om dit Spaans krijgsvolk van de stad te drijven veer. Zodat men ziet, dat man, wijf, kind, groothartig, eer Verlaten willen haar gewenste waarde leven, Dan haar geboortestad bloodhartig2 te begeven. d' Achttienden van oogstmaand vroeg liet de Spanjaard 't vier Zeer ijselijk schind'ren3 van zijn zwavelbliksem fier, End schrik'lijk dav'ren zijn salpeterige donder,

1

vuur lafhartig 3 schitteren, schieten 2


Die uit weershoofden1 van metaal, snel guivend2, onder De huizen van de stad zeer vrees'lijk schoten fel, Tweeduizend ende nog driehonderd schoten snel. Met zulk een vrees'lijk luid geluid, end gruw'lijk grum'len3, Dat zelf de burgerij des luchts bezwijmeld wum'len4, End vallen uit de lucht al suizebollend neer. d' Inwoners van de zee, die jachten heen end weer Tot in den afgrond diep, verbaasd van 't angstlijk schieten. Doch d' Alkmaar burgers niet, die vroom nooit en verlieten Haar hoekslag om 't geschut, maar gaan heel onverbaasd Dat onweer door een aar onweer verjagen haast. Want 't Alkmaar grof geschut komt alzo dapper treffen In 't Spaans slagoord, en maakt daardoor een bree weg effen. End 't radbraakt van 't krijgsvolk aan fleters5 d'arme le'en, Dat heel verpletterd vliegt aan duizend stukken heen. Terwijl een va'er zijn zoon moed geeft, komt een kloot6 zweven, Die geeft de va'er de dood, end 't kind schrik ende beven. Terwijl een hopman hier met mond end hand gebiedt, Zo komt er snuiven uit de stad een lood, dat vliedt Hem tot den mond zeer snel in tussen zijne tanden, Dat hem beneemt de spraak, end ´t wuiven van zijn handen. Terwijl een hoofdman daar stelt zijn slagorden rad, Zo komt er snuiven uit deez´ bliksem-donder-stad Een guivend ijzer, 't welk een man maar vliegt aan flarden, End 't stroopt zijn buurman d' hoed van 't hoofd, 't vel van de derden. Terwijl der een soldaat neerbokkend gespt zijn schoen, Zo komt er enen kloot snel gonzend tot hem spoe'en, End neemt hem arm en been, ja kruimelt z' heel aan kruim'len, Hij rolt daar heen, zijn maats die lachen om zijn tuim'len. Hiertussen zag men dat elk burger strijd om strijd Na haar hoofdman's bevel liep moedig ende blijd, Tot deez' aanstaande storm, die 's avonds t' halllef vieren Als een noordwester kaak7 aanstuiven kwam end tieren.

1

wervelwinden guiven: huilend gieren van de wind 3 donderen 4 wriemelen 5 flarden 6 kogel 7 harde wind 2


Welk' hageld' op de stad niet dan gekogeld lood, Welk regend in de vest ook niet dan Spanjaards dood. Welk op den stormbrug haast opwurp een duin van doden, Welk 't water van de gracht als enkel bloed deed roden. Welk door de spaand'ren, 't zand, de vlammen end de rook, Deez' stormers heeft bedekt met wolken dik van smook. Welk in de burgers wekt een grage strijdlust bloedig, End in de Spanjaards zulk een veldgeschrei mismoedig, Dat 't schijnt dat d' hemel zelf van 't luid geluid verwikt, d' Aard daar van davert, ja, den hel daar van verschrikt. Want d' Alkmaars hettig1 hart, met 't voorhoofd straf, vol kreuken End 't heet beroerde bloed, bewees genoeg het jeuken Van haar bloedtanden graag. Want nooit en zag men, dat Den grammen hemelarm veel snelder loste glad Zijn hagelstienen, op een schoon bezaaiden akker, Gelijk m' uit Alkmaar zag dik vliegen snel end wakker 't Gekogeld hagellood, end zo m' uit Alkmaar zag De kegelstienen hard, dik snuiven op dien dag, Ja zo m' uit Alkmaar zag zeer schrikkelijk dicht schieten, De brandteerhoepen fel, end 't heet kalkwater gieten, In 't bloed'ge Spanjaards hart, op d' harde Spanjaards kop, Om d' arme Spanjaards hals, in 's Spanjaards oog end krop. Want 't vliegend storremtuig op d' aard niet mogend vallen Doodt, kwetst, brandt end broeit veel Spaans krijgsvolk met allen. Geen schutter, hij en heeft een Spanjaard voor zijn wit, Geen worper, oft zijn stien kneust hoofd, arm, bien oft lid. Geen teerhoep die niet werd om een Spaans hals geschoten, Geen Spanjaard die niet werd met water heet begoten. Van al dit snuif geschut, van al dit fel gewerp En zag men niet dat iet vergeefs gedaan werd scherp, Omdat het eensklaps werd gebongst van boven neder. Doch niettemin elk Spaans soldaat quam met zijn leder2, End droeg zelf na de stad zijn weg op zijnen rug,

1 2

fel ladder


Ja passen niet eens op al 't schieten, gieten vlug, Maer geven hoofd end keel geheel end al ten besten, Doch nimmermeer de rug, noch ook de zijd, ten lesten Al hobbetobbend om, end om, end wederom. Zoo komt er op 't bolwerk al vrij een grote som, Waar door de burgerij verschrikt, verbaasd, verwonderd, Schoot, smeet, wurp, stak end brak, van boven neer in 't honderd. Dies zij heel in malkaar verwarrend, hand voor hand T' saam vochten, zo dat toen de burger hem bevand Te strijden onder 't vaan der Spanjaards. End de knechten Der Spanjaards zag men om end om 't stads vaandel vechten. Zo dat door 't stof, rook, smook, men d' Alkmaar burgers van De Spanjaards in de storm nauw onderscheiden kan. Gelijk men somtijds ziet malkander snel ontmoeten Twee zwermten muggen, die d' één d' ander fel begroeten, Al zwermend tuimelend met een neef-neef-neefs gegons, Schier als een wolk van stof gaan zwieren rondom ons. d' Eén komt aan, d' aar vliegt weg, end snuivend door malkander, Zo dat z' al heel verward men niet kent d' één voor d' ander. Maar d' aldermoedigst van de burgerije slaan De handen aan 't rappier, aan 't slagzwaard, ende gaan Van achter end van voor, rechts, slinks zo manlijk schermen, Dat ook een stienen hert (die 't zag) hem mocht ontfermen. Want hier een borger klooft een Spanjaards hoofd aan twee'n, Zodat elk bloedig' helft valt op een schou'r alleen. Deez' werpt een Spanjaard met een kegelstien in 't voorhoofd, Dat' t brein daar werm uit spat. Deez' daar een Spanjaard doorklooft Met zijn scharp slagzwaard lang. Die rijgt daar aan een spiets Twee Spanjaards in de vlucht, maar vast en vord'ren niets, Want 't ijzer ziet men voor, end achter 't hout uitsteken. Zij zwieren heen end weer, 't gezicht begint te breken, Zij stronklen zwijmlig neer, haar ziel rood van bloeddorst Vliegt eensdeels uit haar rug, spuit aardeels uit haar borst.


Deez' slingert met der vlucht een vette teerhoep brandig Om enen Spaansen hals, die willend onverstandig Aftrekken metter hand, voelt niet dan enkel vier, Waar door hij van de vest vliedt dul end razend schier. Maar zijn voet heffend aan den slingerroos ten lesten, Stort hij met 't hoofd omlaag, in 't water van de vesten. End ziet deez' Spanjaard raakt (o zeldzaam wonder groot) Al brandend, hangend, end al drenkend aan zijn dood. T'wijls hier een Spanjaard glist (in 't klimmen van zijn ladder) Hangt hij aan d' handen vast, maar hier komt een stads madder1 End maait hem d' handen af met zijn zeer scharp' kortlas2. Zijn druipend handen die bekleppen den leer ras, End plompverloren stort zijn rapp'ge3 romp zeer peuklig4, Van boven neer met 't hoofd diep in de modder deuklig, End staat zo op zijn hoofd, end wijst nog na degeen, Die hem den doodslag gaf, met 't een end 't ander been. Hier krijgt een Spanjaard een doodsteek in zijner zijde, 't Welk voelend, keert de rug, vliedt van de vest bijtijde Na 't leger, end schrijft langs den weg met purper inkt Zijn droevig ongeluk, dat uit zijn wonde zinkt. Daar werd' een Spanjaard met 't rappier den buik doorregen, Waardoor hij valt in 't zand. Den burger onverslegen Trapt hem zo lang op 't lijf totdat hij spouwt onzoet5, Half door mond end door 't lijf zijn darmen end zijn bloed. Gelijk door 't treden op den wijnpars men ziet stoten Veel rode beekskens uit blauw-rijpe druiven spoten. Een ander krijgt een steen op zijn hersbekken6 meest, End vallend geeft hij knap al spillebiend zijn geest. Hier bongst er één een Spaans' van boven de borstwering, Die valt er één op 't hoofd, deez' valt met zijn omkering Een derd' ook onder voet, de derd' een vierd', een vijfd', De vijfd’ een zesd', totdat daar niemand staande blijft, Maar raken zo bene'en, som' went'lend, som' met draven,

1

maaier kortelas: een kort zwaard 3 schurftig 4 puisterig 5 vies 6 hersenpan 2


End werden levendood zo in de graft1 begraven. Gelijk de jonge jeugd somtijds veel stienen zet, Langs, endlings op een rij, end daarna luchtig met De voet de voorst' omstoot die al den hoop maakt gaande, Zo dat er metterhaast niet eenen steen blijft staande. Door 't kloek verweren van de vrome burgers, most De Spanjaard weer de weg dien hij eerst had begost. Maar omdat zij tot driemaal werden knap verversset2, Met veel meer volks als ooit de stad was overparsset3, Zo dorsten ze niet wel wegvlieden uit de storm, Want wie 't daar schoon ontliep, die werd als een aardworm Van zijnen hopman straks doorhakkeld, end doorsteken, Gelijk aan dertien van haar vlucht'lings is gebleken. Waardoor zij, meer uit nood dan uit min, mosten voor Den derden lesten reis aan 't stormen. Dies zij door Al 't hagelblauwe lood, door al de vlammend hoepen, Door al 't snuifkegelstien, met krijsen end met roepen, In 't lest weer raakten op het Friese bolwerk hoog, In zulk een menigt', dat daar voor der burgers oog Drie vaand'len stonden, die al riepen luid "Victorie", Maar zeer kort duurde deez' hovaard'ge Spaanse glorie. Want g'lijk een tijger die bestormd werd in zijn hol Zijn jagers tuim'len doet, verschrikt hol over bol, Door zijn hel-bliksem-oog, door zijn verschrik'lijk tieren, Alzo ook d' ogen van de burgers, die als vieren In 't voorhoofd blonken, gaf de Spanjaards zulk een schrik Dat 't ijzerhard Spaans hert haast in een ogenblik Veranderd' in bros ijs, 't bros ijs in een koud water, End 't water koud in damp. Want 't klater-roers-geklater, Het dav'ren des muskets, end 't dond'ren van 't geschut, Dat trof zo dapper in deez' Spaansen hoop (die schut Noch scherm en hadden, maar blood4 stonden ende vochten) Dat deze stormers trots (die men de dood eer mochten

1

gracht vernieuwd 3 in de verdrukking gebracht 4 bang 2


Dan vreze brengen aan) dat dezen moed'gen hoop (Die noyt bezweken, ja, nooit trokken op der loop Dan nu alleen voor deez' vroom' Alkmaar-Spanjaard-temmers) Zo haast veranderd' in bloo vluchters, tuim'laars, zwemmers. Hierbij kwam nog 't gevecht, 't gesteek, breek, smijten, slaan, Der burgers, die als vroom' end kloeke helden staan, Ontladend al haar kracht op deez' bestormers vinnig, Ja stijver dan ooit een onweer'ge wolk onzinnig Op 't rijpe koren lost zijn regen, hagel, wind, Want ziet, dit Alkmaar volk vernielt al wat het vindt. Het vliegt, het loopt, het draaft, door zwaard, door bloed, door doden, End 't schermt zoo ijslijk, dat d' een helft der Spanjaards vloden, Met d' afgrijslijke dood geverfd in 't voorhoofd bleek, End doodslags zorg in d 'hiel. End die niet weg en week Die werd er heel vertre'en, die werd met 't zwaard doorregen, Zodat den meesten hoop bijkans al werd verslegen. Het viel al overhoop, dood, levend, hallef dood, Want d' Alkmaars hettigheid wierd in het eind zo groot, Dat hare zwaarden scherp niet dreigden zonder slagen, Niet zonder wonden slaan, end wondend niet en jagen De zielen uit het lijf. Zij rangden1 't al, al aan, End doodden der veel meer, als zij wel slagen slaan. Maar de vaandragers die de loopschand veel meer vrezen Dan d' afgrijs'lijke dood, end wiens hert hoog gerezen, Leit boven in haar krop, die staan nog even fier, Met 't vaandel in d' ĂŠĂŠn hand, in d' ander hand 't rappier. End gaan onzinnig dul2 vol wanhoops zo fel schermen, Met haar bij-bleven volk, dat 't stadsvolk blood deed kermen. Maar 't grijpt weer moed in 't hert, end 't slagzwaard in de vuist, Gaat kerven in den hoop, gelijk de madders3 juist Gaan in de maaitijd met een kromme rug gebogen, Met open benen wijd, met neergeslagen ogen, End zweiend' armen stijf afscherven mad4 voor mad

1

worstelden dwaas 3 maaiers m Mad: landmaat, verwant met het woord made (weide) en maaien 2


't Gras, dat vlus1 welig stond, dat leggen z' af op zwad2. Zo gaan deez' schutters ook in deez' dik-biende grazen3 Der Spanjaards maaien, die met schreeuwen, tieren, razen, Aan zwaden storten neer. Deez' raakt zijn voet van 't bien, D' aar wordt zijn bienen kwijt. Deez' raakt door 't midd' aan twie'n, Die 't hoofd heel van zijn buik. Deez' voelt 't zwaard aan de schenen, Hij wil weglopen, maar als d' aakster4 wupt hij henen. d' EĂŠn vaandrigh wijkend 't zwaard valt met de borstweer neer Heel onder 't gulle zand. End doende nog veel weer, Gelijk een blinde mol, 't land omwroet end doordravet, Doet hij nog leven 't graf, dat levend hem begravet. Den and'ren raakte door 't veel stienworps onder 't zand, (Die 't vrouwvolk gaven kloek de mans, hand over hand, Gelijk men hier de kaas hand over hand ziet schepen) Zodat zijn hele lijf lag onder d' aard benepen, End g'lijk den schildpad roert hij niet dan 't hoofd end 't bien. Den derden vaandrig, ziend dat hij daar bleef alleen, Met weinig volks, zo geeft hij zijne borst ten besten, Tot des strijds onweer woest, maar snakkende ten lesten, Om door den dood zijn naam te vrijen van de dood, Verwacht staands-voets zeer koen den hoop der burgers groot. Maar och! Gelijk een bos vol van jong' elzenplanten, Werd in een ogenblik geveld aan alle kanten, Van een heerleger dat bekneld werd van de koud', Zo werd dit vaandel ook omsingeld end benauwd, Van zo veel zwaarden scharp dat 't zelfd' meest werd verslagen, Zo dat deez' vaandrig hem alleen schier vant5 in 't jagen, Dies niettemin bedrijft hij wondergrote kracht, Want na 't perikel wast, wast ook zijn trotse pracht. Gelijk een vreemde dog bezet van twintig rekels6, Haar altezamen toont zijn tanden scharp als zekels7, End grauwend, snauwend, geeft dan hier dan daar een snauw, Op zijn besinglers8 fel, zo ook deez' vaandrig gauw,

1

vlug een rij afgemaaid gras 3 dik-biende grazen: weilanden met dicht opeenstaande benen 4 ekster 5 zich snel verwijdert [mogelijke betekenis, zie WNT: ww. Wannen (I)] 6 dDog, rekel: hond 7 sikkels 8 omsingelaars 2


Smijt, steekt, nu d' één, nu d' aar, maar eind'lijk hij bevindet Hem heel bezet, end moed, dies hij zichzelfs bewindet In zijn waard vaandel, 't welk hem in zijn leven gaf Eer, en profijt, dat dient hem nu nog tot zijn graf. Het overbleven volk, verbaasd, ging haast weglopen, End die gewond end moed' was, zag men daar wegkropen, Met zo veel moeds niet dat ze van haar aanzicht d' helft Omkeren dorsten. Want vreez' had haar 't hert bewelft1. Zij doen haar best in 't vlie'n, maar d' Alkmaars in 't najagen, Den één behelpt hem met zijn voeten die hem dragen, D' aar woelt met handen end met voeten in de vlucht, d' Eén wenst om een goe' weg, den ander met een zucht Wenst dat d' aard onder zijn moe' voeten wijd oprokte, End beid', die vlucht end volgt, gelijkelijk inslokte. d' Eén niet dan slagen strooit, end d' ander niet dan bloedt, Zij werpen van haar lijf al het geweer, al 't goed, Haar harnas, schild, end roers, haar spietsen end mosketten Doen haar geen dienst meer, dan dat zij haar loop beletten. Zij hebben schier 't gezicht met 't hert verloren laf, End als bloo-guilen2 gaan voor een vroom krijgsmans graf, Nog kiezen duizend vuil oneerlijke doden. Want plompverloren stort dit volk (die schand'lijk vloden) Van 't bolwerk schielijk neer. End g'lijk een windbui vreemd Oft een valwaters snel het hoog geboomt' wegneemt Van 't hangen van een berg, daar d' es op d' eik komt zakken, Den eik valt op d' abeel, d' abeel met zijn bree' takken, Valt op den els, en d' els die valt terneer de lind', Zodat men op die streek geen staande boom meer vindt, Zo nemen ook met haar dit volk door 't schrikkelijk vallen Al 't volk dat haar te hulp opklout'ren kwam de wallen. Want d' één valt d' ander om, end went'len zo onzaft3 Van 't bovenst' van de wal in 't onderst' van de graft4. Gelijk men Pinksters ziet de boertjes met haar snollen,

1

overstelpt bloode guyl: lafaard 3 onzacht 4 gracht 2


In Schoorler merkt, van d' hoog' end steile duinen rollen. Maar d’ uitkomst scheelt te veel, want ’t lacht daar klein en groot, Maar hier, ’t zucht, ’t steent, ’t krijt, ‘t kermt, en ‘t raakt al aan zijn dood. Want d' één valt tussen twee heipalen met ’t hoofd ijs'lijk, Met ’t lijf in 't water koud, verworgt hem zo afgrijs'lijk, End sterft, niet omdat hij te vele waters drinkt, Maar omdat hij, verwurgd, om drinken niet en dinkt. End d’ ander die nog met een teerhoep is behangen, En met kalkwater heet, begoten al zijn wangen, Zodat hij half gekookt, end half gebraa'n verzengt, Stort in de graft, daar hij halfdood voort heel verdrenkt. Een twieling, ziend zijn broer in ’t water schier verstikken, Reikt hem een hand tot hulp, die ’t ziend, zeer haastelijken Met beid' zijn handen stijf, beklept zijn broeders hand, End trekt hem door zijn zwaardt in ’t water, van het land. Zij geven beid’ de moed geheel end al verloren, End sterven zo gelijk zij t’ samen zijn geboren. Een ander maakt zijn schild tot enen schuit end roeit Met handen gauw, maar ziet terwijl hij zich dus spoeit, Zo helt hij overzijd, dies ’t water komt inlekken, Dat riemen, schuit, end man bedoven1 gaat bedekken. Die nu met goed geluk al raken op het land, Al wis'len ze van plaats, zij wis'len niet van stand. Want sloten, bruggen, noch aanspraak kan niet bezaden2 Haar snelle vlucht, noch schrik, daarmeed’ zij zijn beladen. End die nog weum’len al zieltogend in de gracht, Die werden met een stien gewurpen met voordacht3, Oft met een lood geraakt, dat haar met haast gaat zenden Na ’t vochte moddergraf, daar zij haar leven enden. Gelijk het tijgerdier zijn appelvlekken breed Nog breder heeft geverfd met ’t bloed der stieren wreed, End der blood-vluchtse4 koe, het welk een veld bestrooit Heeft met’ t gekeeld gediert', end dat zijn hert verfrooit5,

1

in het water gedompeld tot rust brengen 3 met voorbedachten rade 4 angstig vluchtende 5 verheugt 2


In zijne vrome daad gaat treden heen end weer, Trots op 't verwonnen aas, end wiens hert nog doet zeer Omdat den honger hem zo haastig gaat begeven, Ja ‘t moeit1 hem dat ’t gediert' om vichten2 niet weer leven. Alzo de burgers ook rondom de doden gaan, Trots dreigen tevergeefs, end wouden dat ze zaan3 Weerom verrezen, om haar hittig hert te koelen, Want zy van blijdschap nog geen moedigheid en voelen. Zegt ons doch in wat school, o vrome burgers, dat Gij met dit wapentuig hebt leren schermen rad? Van wat schoolmeester hebt gij toch deez' batse4 slagen, Dit doodsteek-brengen, nu ’t vroom slaan, dan ’t vroom najagen. End van wat schutter ’t braaf aanleggen van ’t musket, Daar gij zo menig man hebt mee getroften net? En is 't niet van dien groot’ end Hemel-krijgsman krachtig Die in een niet, uit niet, door zijne konst almachtig Het wezen, wezen (van d’ aard end van d’ hemel ) gaf. En komt het u niet van dien Hemelgod heraf, Die met een vasten eed zeer heilig heeft gezworen Dat Hij den schild, end vest zoud zijn van d’ uitverkoren? Is 't niet van dien goe' God, die zijn volks herten hardt, End ’die d’ hovaard’ge geeft een bevend vrouwenhert? En is het ook niet door diens Oppermeesters werken, Die door de zwakke krank, sterk overwint den sterken? Opdat met heilige verwond’ring in de klaar End lichte werkdaad van zijn diepe oord’len zwaar, Men den werkman alleen, end niet de snoo' wercktuigen Zeer heilig eer’ end hem alleen de knieën buigen? De ganse burgerij komt vrolijk lopen door Dit asemloze volk, dat achter ende voor Het hele bolwerk dekt. De roers end d’ hellebaarden Met ’t krijgsvolk, leit hier door malkand’ren op den aarden. Hier leit een grootmans arm, aan ’t lichaam van een dwerg,

1

kwelt vechten 3 snel 4 trotse 2


Geheel end al bespat, met bloed, brein, end met merg. Daar, d’ hopmans handen aan een slechten krijgsmans armen, End pronkt nog om zijn hals met kettings warm van darmen. Hier leit een oudmans hoofd op een jong paatjes lijf. Daar ziet men ook nog dat de vingers alle vijf Van d’ afgehouwen hand een spiets nog vast bekleppen. Hier leit end smoort er één, die zijn aa'm niet kan scheppen. 't Muurbrekend koper schoot weer acht’-half-honderd maal Op achttien schoten na. Doch Fredrick vond noch Waal Noch Spanjaard, dien hij tot weer stormen kost verkloeken. Want niemand woud zijn dood voor ’t dodend Alkmaar zoeken, Waardoor zij los van hoop, steelwijs wegslopen voort. De Spanjaard-vrije stad ontsloot boom, brug, end poort. d’ Ontzette burgerij die komt met grote hopen, Met open herten blij end vrolijk t’ samen lopen. Spreekt met gevouwen hand, end met gebogen knien: Geloofd zij d’ Hemelheer, die al de wer'ld laat zien Hoe dierbaar dat Hij ’t bloed houdt der gelovige zielen, Die ons heeft helpen ’t Spaans wreed volk geheel vernielen. Die over haar hoogmoed ons triomferen doet, Ja met zulk een triomf die eeuwig duren moet, End die rechtveerdig straft deez' wrede dwingelanden, Niet door krijgshelden, maar door Alkmaar-burgers handen. Lang moet dit lofzang zoet weerklinken, burgerij, End lang, stadsvaders, moet bestaan uw heerschappij. Daarmet gij alzins hebt uw burgerije goedig Trouwhertelijk beheerst, ja dat u stad voorspoedig In nering end welstand, zo lange blijve staan, Tot dat deez groten al, al moeten zal vergaan. Want dan verwachten wij een burgerschap van boven, Die eeuwig zal bestaan, en niemand ons zal roven. FINIS.

Bladerboek Alkmaar-beleg 1615  
Bladerboek Alkmaar-beleg 1615  
Advertisement