Issuu on Google+

1. Tijl Uilenspiegel (1519) Terwijl hij zo met zijn ezel keuvelde, kwam Uilenspiegel bij het paleis van de landgraaf. Twee kapiteins van de boogschutters zaten op de trap te dobbelen. Een van de twee, die rood haar had en een enorm postuur, zag Uilenspiegel die bescheiden op Jef zat en naar hen keek. ‘Wat wil jij van ons,’ zei hij, ‘hongerig pelgrimsgezicht?’ ‘lk heb inderdaad erge honger,’antwoordde Uilenspiegel, ‘en ik ben tegen mijn zin op pelgrimstocht.’ ‘Als je honger hebt,’ antwoordde de kapitein, ‘mag je met je hals het touw opeten dat aan gindse galg bengelt, die voor zwervers is bestemd.’ ‘Meneer de kapitein,’ antwoordde Uilenspiegel, ‘als u me het mooie gouden koord dat u om uw muts draagt, geeft, zal ik me met mijn tanden ophangen aan die vette ham die ginds bij de slager bengelt.’ ‘Waar kom je vandaan?’ vroeg de kapitein. ‘Ik kom uit Vlaanderen,’ antwoordde Uilenspiegel. Wat wil je?’ ‘Zijne Landgrafelijke Hoogheid een schilderij van mijn hand laten zien.’ ‘Als je een Vlaamse schilder bent,’ zei de kapitein, ‘ga dan maar naar binnen - ik zal je bij mijn meester brengen.’ Toen hij bij de landgraaf kwam, groette Uilenspiegel hem drie keer en meer. ‘Hoogheid,’ zei hij, ‘neem mij niet kwalijk dat ik de vrijheid heb genomen aan uw edele voeten een schilderij neer te leggen dat ik maakte en waarop ik de Heilige Maagd vorstelijk uitgedost afbeeldde.’ ‘Misschien,’ ging hij verder, ‘vindt u dit schilderij mooi en in dat geval heb ik zoveel vertrouwen in mijn vakmanschap dat ik durf hopen op die mooie roodfluwelen stoel plaats te mogen nemen waar tijdens zijn leven de schilder van Zijne Hoogheid zetelde, wiens heengaan wij altijd zullen betreuren.’ De heer landgraaf bekeek het schilderij dat mooi was, en hij zei: ‘Jij wordt onze schilder, neem plaats in die stoel.’ Hij kuste hem vrolijk op beide wangen en Uilenspiegel nam plaats. ‘Je ziet er nogal haveloos uit,’ zei de landgraaf, terwijl hij Uilenspiegel opnam. Uilenspiegel antwoordde: ‘Inderdaad, meneer, Jef, dat is mijn ezel, at distels maar ik heb drie dagen lang niets anders gegeten dan ellende en me uitsluitend gevoed met de rook van de hoop.’ ‘Je zult zo dadelijk van het beste vlees eten,’ antwoordde de landgraaf, ‘maar waar is je ezel?’ Uilenspiegel antwoordde:


‘Ik heb hem op de Grote Markt gelaten, tegenover het paleis van Uwe Goedheid; ik zou het prettig vinden als Jef voor de nacht een stal, stro en voer kreeg.’ De landgraaf beval een van zijn schildknapen dadelijk om de ezel van Uilenspiegel vorstelijk te behandelen. En al gauw ook was het tijd voor het avondmaal, dat een waar feestmaal was. Het vIees dampte en de wijn stroomde de magen in. Uilenspiegel en de landgraaf waren beiden zo rood als kreeften, Uilenspiegel werd vrolijk, maar de landgraaf bleef nadenkend gestemd. ‘M’n beste schilder, zei hij plotseling, ‘je moet een portret van me maken, want het geeft een sterfelijk vorst veel voldoening zijn beeltenis aan zijn nakomelingen te kunnen nalaten.’ ‘Heer landgraaf,’ antwoordde Uilenspiegel, ‘uw genoegen is mijn wil, maar het schijnt mij, nietig wezen, toe dat een portret van Uwe Hoogheid alléén in de komende eeuwen niet veel voldoening zal schenken. U moet worden vergezeld door uw edele echtgenote, mevrouw de landgravin, door uw dames en heren, uw krijgshaftige kapiteins en officieren – te midden van hen zullen meneer en mevrouw stralen als twee zonnen te midden van lampen.’ ‘Je hebt gelijk, schilder,’ antwoordde de landgraaf, ‘en wat gaat dat grote werkstuk me kosten?’ ‘Honderd guldens, al dan niet vooruitbetaald,’ antwoordde Uilenspiegel. ‘Hier heb je ze vooruit,’ zei de landgraaf. ‘Vriendelijke heer,’ antwoordde Uilenspiegel, ‘ giet olie in mijn lamp; ik zal haar ter uwer ere doen branden.’ De volgende morgen vroeg hij de landgraaf al diegenen voor hem te doen verschijnen die hij wilde laten afbeelden. De hertog van Luneburg, die in dienst van de landgraaf de landsknechten aanvoerde, verscheen. Het was een dikke man die met moeite zijn met vlees gevulde buik torste. Hij kwam naar Uilenspiegel en fluisterde hem in het oor: ‘Als je mij niet half zo dik schildert als ik ben, laat ik je door mijn soldaten ophangen.’ De hertog verliet het vertrek. Daarna kwam een voorname dame die een bochel op de rug had terwijl haar borst zo plat was als het zwaard van de gerechtigheid. ‘Heer schilder,’ zei zij, ‘als je me niet twee bulten geeft in plaats van de ene die je weg moet halen, en ze niet aan de voorkant plaatst, laat ik je als gifmenger vierendelen.’ De dame verliet het vertrek. Daarna kwam een jong, blond, fris en knap hofdametje dat echter drie boventanden miste. ‘Heer schilder,’ zei zij, ‘als je me niet laat lachen met tweeëndertig tanden, zal ik je in stukjes laten hakken door mijn geliefde die daar staat.’ Ze wees naar de kapitein van de boogschutters die de vorige dag op de trap van het paleis had zitten dobbelen. Zij verliet het vertrek. De optocht ging verder; tenslotte bleef Uilenspiegel alleen met de landgraaf achter. ‘Als je,’ zei de landgraaf, ‘het waagt bij het afbeelden van al deze mensen ook maar één trek niet natuurgetrouw weer te geven, laat ik je als een kip de hals afhakken.’ ‘Zonder hoofd,’ dacht Uilenspiegel, ‘gevierendeeld, in stukjes gehakt of opgehangen voor het minste of geringste, kan ik het beste helernaal niets schilderen. Ik zal er iets op moeten verzinnen.’ ‘Waar,’ vroeg hij aan de landgraaf, ‘is de zaal waar ik het schilderij moet maken?’ ‘Volg mij,’ zei de landgraaf. En terwijl hij hem een grote zaal met hoge witte muren liet zien, zei hij: ‘Hier is je zaal.’


‘Ik zou het prettig vinden,’ zei Uilenspiegel, ‘als er grote gordijnen voor de muren worden gehangen om ze te beschermen tegen de aanvallen van vliegen en stof.’ Toen de gordijnen waren opgehangen, vroeg Uilenspiegel of hij drie leerlingen kon krijgen om hen, naar hij zei, de kleuren te laten mengen. Dertig dagen lang deden Uilenspiegel en de leerlingen niets anders dan feesten en brassen, waarbij het fijne vlees noch de oude wijn werden gespaard. De landgraaf zorgde overal voor. Maar op de eenendertigste dag stak hij zijn neus door de deur van de kamer waar Uilenspiegel hem verboden had binnen te komen. ‘Wel, Tijl,’ zei hij, ‘waar zijn de portretten?’ ‘Ze schieten al aardig op,’ antwoordde Uilenspiegel. ‘Mogen we ze zien?’ ‘Nog niet.’ Op de zesendertigste dag stak hij opnieuw zijn neus door de deur: ‘Wel, Tijl?’ vroeg hij. ' ‘Ha, heer landgraaf, ze naderen hun voltooiing.’ Op de zestigste dag werd de landgraaf boos en trad de kamer binnen. ‘Laat me nu dadelijk de schilderingen zien,’ zei hij. ‘Ja, geëerbiedigd heer,’ antwoordde Uilenspiegel, ‘maar open het gordijn niet voordat u de heren kapiteins en de dames van uw hof hebt laten komen.’ ‘Goed,’ zei de landgraaf. Op zijn bevel kwamen allen naar de zaal. Uilenspiegel stond voor het goed gesloten gordijn. ‘Heer landgraaf,’ zei hij, ‘en u, mevrouw de landgravin, en u, heer Von Luneburg, en u, schone dames en wakkere kapiteins, ik heb hier achter dit gordijn uw mooie of krijgshaftige gezichten geschilderd. Iedereen zal zich gemakkelijk herkennen. U wilt uzelf natuurlijk graag zien, dat is begrijpelijk, maar heb nog even geduld en laat mij enkele woorden tot u spreken. Schone dames en dappere kapiteins, die allen van adellijke bloede bent, u kunt mijn schilderij zien en bewonderen; maar als er zich onder u iemand bevindt die niet van adel is, zal hij slechts een witte muur zien. Doe nu uw edele ogen maar open.’ Uilenspiegel trok het gordijn opzij. ‘Alleen adellijke heren zien iets, alleen adellijke dames zien iets; daarom zal er weldra gezegd worden: blind voor de schilderkunst als een niet-adellijk mens, helderziend als een edel mens!’ Iedereen sperde zijn ogen wijd open en allen deden alsof ze iets zagen; ze wezen elkaar op de afbeeldingen aan, herkenden elkaar, maar in werkelijkheid zagen allen slechts een witte muur, zodat ze beteuterd stonden te kijken. Plotseling sprong de nar, die ook aanwezig was, drie voet hoog de lucht in en zei terwijl hij met zijn belletjes rinkelde: ‘Men mag mij voor een gewoon man uitmaken, een onedel mens die onedele streken ontadelt, maar ik zal van de daken schreeuwen dat ik een naakte muur zie, een witte muur, een lege muur. Zo helpe mij God en al zijn heiligen!’ Uilenspiegel antwoordde: ‘Als de dwazen zich in het gesprek mengen, is het voor de wijzen tijd om op te stappen.’ Hij wilde het paleis verlaten, toen de landgraaf hem staande hield en zei: ‘Gekscherende dwaas, die door de wereld trekt onder het prijzen van mooie en goede zaken en luidkeels met de dwaasheid spot, jij die in aanwezigheid van zoveel voorname dames en nog


voornamere en gewichtiger heren, als man uit het volk de draak hebt durven steken met de trots van de adel, jij zult nog eens gehangen worden om je vrijmoedige taal.’ VRAGEN 1. Uilenspiegel neemt de mensen behoorlijk beet. Kun je kort aangeven op welke eigenschappen hij de mensen vooral pakt? 2. Hoe zou jij reageren als van jou een karikatuur geschilderd werd? 3. Zouden de avonturen van Uilenspiegel ook in onze tijd kunnen spelen? Waarom (niet)?


2. De hut van oom Tom (Uncle Tom’s Cabin, 1852)

Fragment : Shelby heeft moeten besluiten twee van zijn slaven te verkopen. Het zijn Tom en Eliza’s zoontje Harry. Eliza vlucht, na afscheid te hebben genomen van Tom. Na een poos kwamen zij bij een bosje waar een klein beekje doorheen liep. Omdat het kind klaagde over honger en dorst, klom ze met hem over een hek, ging achter een rots zitten, waardoor zij van de weg af niet gezien konden worden, en gaf hem wat te eten. Harry begreep niet dat zij zelf niet kon eten en toen hij haar een stuk van het koekje in haar mond probeerde te stoppen, had ze het gevoel of ze zou stikken. ‘Nee, Harry, moeder kan niet eerder eten dan dat jij veilig bent. We moeten verder verder tot we aan de rivier zijn.’ En ze liep met hem hard naar de weg en moest zich dwingen om daar weer kalm te gaan lopen. Zij was al mijlen voorbij de verste plaats waar zij ooit geweest was. Voor het geval ze nog iemand mocht ontmoeten die haar kende, hoopte zij dat de bekende goedheid van de familie zou helpen geen achterdocht op te wekken, omdat het iedereen onwaarschijnlijk zou voorkomen dat zij gevlucht zou zijn. Omdat ze zo blank was, dat men alleen bij aandachtige beschouwing zag dat ze een kleurlinge was, was het des te gemakkelijker voor haar om niet opgemerkt te worden. Hierop vertrouwend ging ze tegen de middag een boerenwoning binnen om daar wat te rusten en te proberen wat eten te bemachtigen. Want naarmate ze verder van huis kwam, werd het gevaar kleiner en deden zowel vermoeienis als honger zich gelden. De vrouw, die vriendelijk en spraakzaam was, scheen het wel prettig te vinden, dat er iemand was om mee te praten. Ze geloofde direct dat Eliza op weg was naar vrienden om daar een week te gaan logeren. Een uur vóór zonsondergang bereikte ze het dorp T. bij de Ohio. Zij was moe en haar voeten staken pijnlijk, maar haar geest was nog helder. Het eerst keek zij naar de rivier, die als de Jordaan tussen haar en het Kanaän van de vrijheid stroomde. Het was vroeg in de lente. De rivier was gezwollen en stroomde snel; grote ijsschotsen dreven in het water. Door de vorm van de oever aan de kant van Kentucky, waar het land met een grote bocht ver naar voren uitstak, werden daar grote hoeveelheden ijs tegengehouden en vastgeklemd. Het nauwe kanaal dat om die bocht heen liep, zat ook vol ijs, zodat de over elkaar geschoven schotsen een barrière vormden, waartegen het drijvende ijs bleef steken. Als een groot, golvend vlot vulde het de rivier en het reikte bijna van de ene tot de andere oever. Eliza staarde een ogenblik huiverend naar de kruiende rivier, want ze begreep direct, dat het voor een gewone veerboot onmogelijk was over te steken. Toen liep ze naar een kleine herberg aan de waterkant om navraag te doen.


De waardin, die bij het vuur bezig was met koken en bakken, keerde zich om, toen zij door de zachte, klagende stem van Eliza werd gestoord.‘Wat is er?’ vroeg zij. ‘Is er op het ogenblik geen veerschuit of boot om iemand naar B. over te zetten?’ vroeg Eliza. ‘Welnee,’ antwoordde de vrouw, ‘alle boten hebben opgehouden met varen.’ Zij zag de teleurstelling van Eliza en zei vragend: ‘Moet u misschien zelf over? Is er iemand ziek? U ziet er zo angstig uit!’ ‘Ik heb een kind dat erg gevaar loopt,’ antwoordde Eliza. ‘Ik ben het gisteravond pas te weten gekomen en heb vandaag een heel eind gelopen, in de hoop de veer nog te bereiken.’ ‘Dat is erg,’ zei de vrouw, wier moederlijke gevoelens zich direct deden gelden. ‘Ik heb echt met u te doen. - Salomon!’ riep zij uit het raam naar een bijgebouwtje. Een man met een leren schootsvel voor en vuile handen kwam aan de deur. ‘Hoor eens, Sam,’ hervatte de vrouw, ‘gaat die man vanavond die vaten nog naar de overkant brengen?’ ‘Hij zei dat hij het zou proberen als het maar mogelijk was,’ antwoordde de man. ‘Er is hier een man, die vanavond met wat goederen naar de overkant wil gaan. Dat is een lieve jongen,’ voegde de vrouw erbij, en ze gaf Harry een koekje. Maar het uitgeputte kind huilde van vermoeidheid. ‘Arme kleine, hij is niet gewend te lopen en ik heb me zo gehaast,’ zei Eliza. ‘Leg hem maar in deze kamer,’ zei de vrouw, en ze deed een kamertje open, waarin een goed bed stond. Eliza legde het kind daarop en hield zijn handjes vast tot het sliep. Zelf wilde ze niet rusten. De gedachte aan haar vervolger liet haar niet los en vol verlangen keek zij naar de gezwollen rivier die tussen haar en de vrijheid stroomde... De slavenhandelaar Haley zet intussen de achtervolging in, samen met twee slaven van Shelby, Sam en Andy. Die proberen Haley echter te misleiden. Toen Sam dus de landweg aanwees, sloeg Haley die in, gevolgd door de twee negers. Het was inderdaad een oude weg, die vroeger doorliep tot de rivier, maar niet meer werd gebruikt sinds de oude tolweg was aangelegd. Over een afstand van ongeveer een uur rijden was hij open, maar daarna werd hij afgesloten door hekken van verschillende boerderijen. Sam wist dat heel goed en de weg was al zo lang afgesloten dat Andy er nooit van had gehoord. Hij reed dus maar onderdanig mee en bromde af en toe alleen maar, dat de weg verbazend ongelijk was en heel slecht voor Jerry zijn poot. ‘Ik zal jullie eens wat zeggen,’ zei Haley. ‘Ik weet wel wat jullie willen, maar met al dat klagen zullen jullie mij niet van deze weg afbrengen, hou dus maar op.’ Om zijn ijver te tonen deed Sam steeds, alsof hij goed uitkeek. Af en toe riep hij, dat hij in de verte, op een heuvel een vrouwenhoed zag; dan weer vroeg hij aan Andy of dat daar in de diepte Lizzy niet was, en telkens riep hij dat, wanneer ze op een slecht stuk van de weg waren, waar het gevaarlijk zou zijn harder te gaan draven. Haley werd steeds ongeduriger. Nadat ze ongeveer een uur hadden gereden, leidde de weg plotseling naar beneden het erf van een boerderij op. Er was niemand te zien, omdat alle arbeiders op het land waren, maar doordat er een schuur dwars over de weg was gebouwd, bleek wel dat verder gaan onmogelijk was. ‘Heb ik het niet gezegd,’ zei Sam verongelijkt. ‘Hoe kunt u denken meer van het land te weten dan iemand die hier geboren is?’ ‘Jij schoelje!’ zei Haley. ‘Jij wist het.’ ‘Ik heb u gezegd dat ik het wist, maar u wilde het niet geloven! Ik heb u gezegd dat de weg versperd en afgesloten was en dat ik niet geloofde dat we erdoor zouden kunnen. Andy heeft het ook gehoord.’ Het was inderdaad zo en de onfortuinlijke Haley moest zich in zijn lot schikken. Ze keerden terug en sloegen toen de gewone grote weg in. Door al het oponthoud kwam het


troepje het dorp T. inrijden, een uur nadat Eliza haar kind in de herberg te slapen had gelegd. Sam ontdekte haar toen zij voor een raam stond en de andere kant keek. Haley en Andy reden iets achter hem. Om hun aandacht af te leiden, deed hij alsof zijn hoed was afgewaaid en daarbij maakte hij een heleboel lawaai. Eliza deed vlug een stap achteruit en Haley reed voorbij het raam naar de voordeur zonder haar bemerkt te hebben. Het was Eliza of haar op dat ogenblik bovenmenselijke krachten gegeven werden. Haar kamer kwam met een zijdeur op de rivier uit. Zij greep haar kind en rende de trap af naar de waterkant. De handelaar zag nog net een glimp van haar achter de hoge waterkant verdwijnen. Hij sprong van zijn paard en met een schreeuw naar Sam en Andy ging hij haar achterna als een jachthond achter een stuk wild. Eliza’s voeten schenen nauwelijks de grond te raken en in een oogwenk was zij bij het water. Haar achtervolgers waren vlak achter haar en met wanhopige kracht sprong zij over het open water op een drijvende ijsschots. Het was een wanhoopspoging en Haley, Sam en Andy hielden de adem in, toen zij deze waaghalzerij zagen. De grote, groenige ijsschots verdween half onder water, toen zij erop neerkwam, en met een gil sprong zij op een andere, al verder en verder, half struikelend, springend en glijdend. Ze verloor haar schoenen, haar kousen scheurden kapot en bloedsporen lieten zien waar haar voeten waren neergekomen. Maar zij zag niets en voelde niets, totdat ze als in een roes de oever aan de kant van Ohio onderscheidde en een man haar handen beetpakte om haar op de kant te helpen. ‘Jij bent een flinke meid, wie je ook bent,’ zei hij. Eliza herkende de stem en het gezicht van de eigenaar van een boerderij, niet ver van haar oude tehuis. ‘Meneer Symnes, red mij - red mij toch – verberg mij!’ smeekte zij. ‘Wat nou?’ zei de man. ‘Warempel, als dat geen meid van Shelby is!’ ‘Mijn kind, dit jongetje, heeft hij verkocht! Daar is zijn meester,’ zei ze, naar de overkant wijzend. ‘O, meneer Symnes, u hebt toch ook een zoontje!’ ‘Dat heb ik,’ zei de man, terwijl hij haar ruw, maar toch vriendelijk tegen de steile kant optrok. ‘Bovendien ben je een meid met een hart. Ik houd van moedige mensen.’ Toen ze boven op de kant waren, bleef de man staan. ‘Ik zou graag wat voor je doen,’ zei hij, ‘maar ik kan je zelf nergens heen brengen. Het beste kun je daarheen gaan.’ Hij wees naar een groot wit huis, dat alleen stond aan het eind van het dorp. ‘Ga daarheen, dat zijn goeie mensen. Zij zullen je zeker helpen, ze hebben dat meer gedaan.’ ‘God zegene u,’ zei Eliza emstig.


3. Alice in Wonderland (1865) Fragment: Alice voert met allerlei dieren vreemde gesprekken. Op advies van een rups met een waterpijp eet ze van een paddestoel waarmee ze haar lengte naar behoefte kan regelen. Als ze haar gewone lengte weer terugheeft, komt ze bij het huis van de Hertogin waar net een brief bezorgd wordt. en poosje stond ze naar het huis te kijken en zich af te vragen wat ze nu zou beginnen, toen plotseling een lakei in livrei uit het bos kwam rennen (ze dacht dat hij wel een lakei zou zijn, omdat hij een livrei aan had; anders, wanneer ze hem alleen naar zijn gezicht beoordeeld had, had ze hem een vis genoemd) en met zijn knokkels hard op de deur ging kloppen. Deze werd open gedaan door een andere lakei in livrei met een rond gezicht en grote ogen, als van een kikvors; en deze twee lakeien hadden, zoals Alice opmerkte, gepoederd haar, dat hun hele hoofd met krullen bedekte. Ze was erg benieuwd wat dit nu weer te betekenen had en kroop voorzichtig een eindje het bos uit om te luisteren. De Vis-lakei had een brief onder zijn arm, die bijna even groot was als hijzelf en deze overhandigde hij aan de ander, terwijl hij plechtig zei: ‘Voor de Hertogin.. Een uitnodiging van de Koningin om croquet te komen spelen.’ De Kikvors-lakei antwoordde even plechtig en met enkel een kleine verandering in de volgorde van de woorden ‘Van de Koningin. Een uitnodiging voor de Hertogin om croquet te komen spelen.’ Toen bogen ze allebei heel diep, zodat hun krullen in elkaar verward raakten. Alice moest hierom zo lachen, dat ze hard het bos inliep uit angst dat ze haar zouden horen; en toen zij weer durfde te kijken, zag ze dat de Vis-lakei weg was gegaan en de ander naast de deur op de grond zat en stompzinnig naar de hemel staarde. Alice liep verlegen naar de deur en klopte. ‘Het is volkomen onzin om te kloppen,’ zei de Lakei, ‘en wel om twee redenen. Ten eerste orndat ik aan dezelfde kant van de deur ben als jij; ten tweede, omdat ze daarbinnen zo’n herrie maken, dat ze je onmogelijk kunnen horen.’ En werkelijk, er werd daar een verschrikkelijk lawaai gemaakt - een onophoudelijk gehuil en genies en zo nu en dan een geweldig gekletter alsof een schotel of een ketel in stukken viel. ‘Pardon,’ zei Alice, ‘hoe moet ik dan naar binnen komen?’ ‘Dat geklop van je,’ ging de Lakei voort zonder acht op haar woorden te slaan, ‘zou enige zin hebben, als de deur tussen ons in was. Bijvoorbeeld, als jij binnen was, zou je kunnen kloppen en dan kon ik je uitlaten, begrijp je?’ Hij keek terwijl hij praatte aldoor naar de hemel en Alice vond dat beslist onbehoorlijk. ‘Maar misschien kan hij er niets aan doen,’ zei ze bij zichzelf, ‘zijn ogen staan wel erg boven op zijn hoofd. Maar in ieder geval kon hij mij antwoorden.’


‘Hoe moet ik binnen komen?’ herhaalde zij nog eens. Ik blijf hier zitten,’ merkte de Lakei op, ‘tot morgen –’ Op dit ogenblik ging de deur van het huis open en een groot bord scheerde naar buiten, precies op het hoofd van de Lakei af; het vloog rakelings langs zijn neus en brak in stukken tegen een van de bomen achter hem. ‘ – of overmorgen misschien,’ vervolgde de Lakei in dezelfde toon, precies alsof er niets was gebeurd. ‘Hoe moet ik nu binnen komen?’ vroeg Alice weer, nu wat luider. ‘Moet jij eigenlijk wel naar binnen?’ zei de lakei, ‘dat is de vraag, zie je.’ Dat was het zonder twijfel; alleen vond Alice het niet prettig om het zo te horen. ‘Het is werkelijk verschrikkelijk,’ mopperde zij bij zichzelf, ‘zoals al die beesten tegenspreken. Het is om iemand gek te maken!’ De Lakei vond dit blijkbaar een goede gelegenheid om zijn opmerking met een kleine variatie te herhalen. ‘Ik zal hier blijven zitten,’ zei hij, ‘dagen en dagen lang.’ ‘Maar wat moet ik doen!’ zei Alice. ‘Waar je zin in hebt,’ zei de Lakei en begon te fluiten. ‘Het heeft geen zin om met hem te praten,’ zei Alice wanhopig, ‘hij is volkornen gek.’ En ze deed de deur open en ging naar binnen.


4. De reis om de wereld in 80 dagen (1873) Fragment: Fogg en Passepartout zijn in India beland, waar ze per olifant moeten reizen. In een bos komt hen een rouwstoet tegemoet. Een Indische prins is overleden en zal volgens het gebruik samen met zijn nog levende echtgenote worden verbrand. De beide reizigers en een generaal die ze onderweg hebben ontmoet, vinden dit mensonterend en bedenken een plan om de vrouw te redden. De generaal trachtte op het gelaat van Phileas Fogg te lezen wat er in hem omging. Hij begreep niet waarop die koele Brit thans nog kon hopen. Zou hij misschien op het ogenblik dat de vrouw op de brandstapel stond haar met geweld aan haar beulen willen ontrukken? Dat zou krankzinnig zijn; maar was de man niet krankzinnig genoeg om het te proberen? Niettemin stemde Cromarty erin toe te blijven en de ontknoping van het vreselijke drama bij te wonen. De gids wilde echter niet dat de heren op dezelfde plek zouden blijven waar zij zich nu bevonden en leidde hen naar een andere plaats bij het open gedeelte van het bos. Daar bevonden zij zich onder het zware lommer van de bomen en zagen zij de slapende groepen, flauw verlicht door de walmende toortsen. Passepartout intussen, die op een lage tak was gaan zitten, peinsde over een plan, dat reeds onmiddellijk bij hem was gerezen en telkens in zijn geest terugkeerde, zodat hij het niet meer van zich af kon zetten. Eerst had hij tot zichzelf gezegd dat het een dwaasheid zou zijn; toen vroeg hij zich af waarom hij het niet zou proberen. Het was in ieder geval een kans, misschien wel de enige en die wezens waren zo dom... Passepartout maakte zijn plan niet bekend, maar weldra klauterde hij met de lenigheid van een slang in de onderste takken, welker uiteinden de grond raakten. De uren verliepen en weldra zag men een grauw licht in de verte. Het was de dageraad. In de orngeving bleef echter alles nog donker. Het belangrijke ogenblik naderde. De sluimerende menigte verrees plotseling van de grond. Er kwam leven en beweging in de groepen. De tamtam werd geslagen en het zingen begon weer. Het uur was gekomen waarop de ongelukkige moest sterven. Weldra werden de poorten van de tempel geopend. Een fel licht straalde naar buiten. Fogg en Cromarty zagen het slachtoffer, door het volle licht der toortsen bestraald; twee priesters sleepten haar mee. De jeugdige vrouw was in staat van verdoving geraakt, ten gevolge van de damp van de hennep. Zij werd tussen de fakirs door gedragen, terwijl dezen hun godsdienstige liederen zongen. Phileas Fogg en zijn metgezellen sloten zich bij de laatste gelederen aan en volgden. Twee minuten later kwamen zij aart de oever van de rivier en hielden stil op vijftig schreden van de brandstapel, waarop het lijk van de Rajah lag. In de schemering zagen zij


hoe het roerloze slachtoffer werd neergelegd naast het zielloze overschot van haar echtgenoot. Een der priesters naderde met een toorts en bijna onmiddellijk stond de met olie doortrokken brandstapel in volle vlam. Op dat ogenblik hielden Sir Francis Cromarty en de gids Phileas Fogg tegen, die in waanzinnige moed zich op de brandstapel wilden werpen. Reeds stootte hij hen van zich af, toen plotseling het toneel een geheel ander aanzien kreeg. Een kreet van schrik steeg uit aller mond. De ganse menigte wierp zich, de grootste ontzetting ten prooi, ter aarde. De oude Rajah was niet dood! Men zag hoe hij plotseling overeind rees, zijn vrouw in zijn armen nam en als een schim van de brandstapel verdween, te midden van de vlammen en de rookwolken. De fakirs, de lijfwachten en de priesters lagen in panische schrik met het gelaat op de grond en durfden niet naar dit wonder te kijken. Het roerloze slachtoffer werd weggedragen in een paar sterke armen, die haar gewicht niet schenen te voelen. De heren Fogg en Cromarty waren blijven staan. De Parsi had het hoofd gebogen. De uit de dood herrezene had de plaats bereikt waar de heren Fogg en Cromarty zich bevonden en op stroeve toon zei hij: ‘Vooruit!’ Het was Passepartout zelf, die de brandstapel had bestegen te midden van de dikke rook en de vrouw aan een zekere dood had ontrukt. Een ogenblik later waren zij allen in het bos verdwenen en de olifant rende in snelle draf voort. Maar een luid geschreeuw en zelfs een kogel, die de hoed van Phileas Fogg doorboorde, getuigden, dat de list ontdekt was. Op de brandstapel lag nog altijd het lijk van de oude Rajah en de priesters, van hun verbazing bekomen, begrepen onmiddellijk dat er een onbeschaamde roof had plaatsgehad. Zij ijlden, gevolgd door de wachters, de vluchtenden na. Men schoot op hen, maar de Europeanen reden te snel en in weinige ogenblikken waren zij buiten het bereik van de pijlen en kogels.


5. Schateiland (1883) Fragment : Een oude zeebonk, kapitein Flint, slijt zijn laatste levensdagen in een afgelegen herberg. Hij drinkt meer dan goed voor hem is en leeft in voortdurende angst voor ‘ontdekking’. Zijn vroegere varensgezellen willen hem namelijk de schatkaart en de schat ontstelen die hij in zijn zeemanskist verborgen houdt. Tegen de middag bleef ik voor de deur van de kapitein staan met enkele verkoelende dranken en geneesmiddelen. Hij lag nog grotendeels zoals wij hem hadden achtergelaten, alleen een beetje hoger, en hij scheen zowel zwak als opgewonden. ‘Jim’, zei hij, ‘jij bent hier de enige die iets waard is; en je weet dat ik altijd goed voor je ben geweest. Er is geen maand voorbijgegaan, waarin ik je niet een vierstuiverstuk gaf voor jezelf. En nu zie je, maatje, dat ik er vrij bekaaid bij lig, en door iedereen verlaten ben; en, Jim, je brengt me toch zeker nog wel één bekertje rum, hè, jochie?’ ‘De dokter...’ begon ik. Maar hij barstte in vervloekingen jegens de dokter uit, zwak van stem maar van ganser harte. ‘Alle dokters zijn flodderaars,’ zei hij, ‘en die dokter hier, wel, wat zou hij van varensgasten af weten? lk ben op plaatsen geweest die heet waren als pek, terwijl mijn makkers rondom me neervielen met de gele koorts en het verdomde vasteland van aardbevingen deinde als de zee - wat weet de dokter van zulke landen af? - en ik heb er geleefd op rum, zeg ik je. Het is eten en drinken voor me geweest, en man en vrouw; en als ik nou mijn rum niet krijg, ben ik een arm oud kavalje dat in lijzijde ligt, en mijn bloed komt over jou, Jim, en die flodderaar van een dokter.’ En hij begon weer een tijdlang in verwensingen te vervallen. ‘Kijk eens, Jim, hoe mijn vingers trillen,’ ging hij verder, op de toon van een smekeling. ‘Ik zie gewoon geen kans om ze stil te houden. Ik heb deze hele vervloekte dag nog geen droppel gehad. Die dokter is een gek, zeg ik je. Als je me geen teug rum brengt, Jim, begin ik het delirium te krijgen; ik heb al spoken gezien. Ik zag de oude Flint in die hoek daar, achter je, ik zag 'm zo duidelijk als zwart op wit; en als ik het delirium krijg, ben ik een man die ruig geleefd heeft, en maak ik een hels spektakel. Jouw dokter heeft zelf gezegd, dat één glaasje me geen kwaad zou doen. Ik geef je een gouden guinea voor een bekertje, Jim.’ Hij werd steeds opgewondener, en dit verontrustte mij ter wille van mijn vader, die er die dag treurig voor lag en rust nodig had; daarenboven was ik gerustgesteld door de woorden van de dokter, die mij nu geciteerd werden, en nogal gekwetst door het aanbod van omkoopgeld. ‘Ik wil uw geld niet,’ zei ik, ‘behalve dan wat u mijn vader schuldig bent. lk zal één glaasje voor u halen, niet meer.’ Toen ik het hem bracht, greep hij bet gretig aan en zwolg het leeg. ‘Hè, hè!,’ zei hij, ‘dat is waarachtig beter. En nu, maatje, heeft die dokter gezegd, hoelang ik hier in deze rotkooi liggen moet?' ‘Op zijn minst een week,’ zei ik. ‘Donders!’ riep hij. ‘Een week! Dat kan ik niet doen: tegen die tijd hebben ze me de zwarte stip bezorgd. De lummels staan op het punt op dit vervloekte ogenblik nog te weten te komen waar ik uithang; lummels, die niet in staat waren te houden wat zij wonnen en wensen te graaien wat van een ander is. Is dat een houding van behoorlijke zeelui, dat zou ik nou wel eens willen weten! Maar ik ben spaarzaam van aard. Ik


verkwistte nooit mijn goeie geld en verloor evenmin; en ik zal ze weer te glad af zijn. Ik ben niet bang voor ze. Ik schud een nieuwe reef los, maatje, en ontsnap ze opnieuw.’ Terwijl hij dit zei, was hij met grote moeite uit bed geklommen, waarbij hij mij bij de schouder vasthield met een greep die me bijna deed gillen en zijn benen bewoog alsof het stukken ballast waren. Zijn woorden, zo bezeten wat hun strekking betrof, waren in trieste tegenspraak met de zwakheid van toon waarop ze werden geuit. Hij hield even op, toen hij op de rand in zittende houding was neergestreken. ‘Die dokter heeft me gemold,’ mompelde hij. ‘Mijn oren suizen. Leg me weer neer.’ Voor ik hem echter van enige dienst had kunnen zijn, was hij weer op zijn vorige plaats teruggevallen, waar hij een tijdje stilzwijgend bleef liggen. ‘Jim,’ zei hij ten langen leste, ‘heb je vandaag die varensgast gezien?’ ‘De Zwarte Hond?’ vroeg ik. ‘Ja, de Zwarte Hond,’ zei hij. ‘Dat is een rakker; maar er zijn er erger, die hem gestuurd hebben. Als ik nu op geen enkele manier ontkomen kan en zij mij de zwarte stip in de hand stoppen, dan is het, onthoud dat, mijn oude scheepskist, waar ze op loeren; je springt te paard – dat kun je toch, nietwaar? Nou dan, je springt te paard en gaat naar – vooruit, ja, het moet maar! – naar die eeuwige flodderaar van een dokter, en verzoekt hem om alle mannen bij elkaar te trommelen overheidsdienaars en al dat goedje waarna hij ze aan boord van de 'Admiraal Benbow' brengen moet – de hele manschap van de oude Flint, man en maat, alles wat er nog van hen over is. Ik was indertijd eerste stuurman, stuurman van ouwe Flint, en ik ben de enige die de plek kent. Hij vertrouwde me die toe in Savannah, toen hij op sterven lag, zoals ik jou nu doe, naar je ziet. Maar je mag niet kletsen voordat ze me de zwarte stip bezorgen, of tenzij je die Zwarte Hond weer ziet, of een varensgast met één poot, Jim - hem in de eerste plaats.’ ‘Maar wat is die zwarte stip toch, kapitein?’ vroeg ik. ‘Dat is een soort sommatie, knaap. lk zal het je zeggen als ze me die bezorgen. Maar houd je blikkers open, Jim, en ik zal half-om met je delen, op mijn woord van eer.’ Hij ijlde nog een tijdje door en zijn stem werd zwakker; maar spoedig nadat ik hem zijn medicijn gegeven had, dat hij innam als een kind, met de opmerking: ‘Als een zeeman ooit een drankje nodig had, ben ik het,’ viel hij eindelijk in een zware slaap, die op een bedwelming leek en waarin ik hem liet liggen. Wat ik gedaan zou hebben als alles goed verlopen was, weet ik niet. Waarschijnlijk zou ik de hele historie aan de dokter hebben verteld; want ik zat in dodelijke angst dat de kapitein spijt zou krijgen van zijn


bekentenissen en een einde aan mijn leven zou maken. Maar zoals de dingen verliepen, stierf mijn vader die avond bijster onverwacht - hetgeen alle andere aangelegenheden opzij drong. Onze natuurlijke droefenis, de bezoeken van de buren, het beredderen van de begrafenis en al het werk in de herberg, dat onderwijl moest worden voortgezet, hielden mij zo bezig, dat ik nauwelijks tijd had aan de kapitein te denken, nog veel minder om bang voor hem te zijn.

6. De kinderkaravaan (1949) Fragment : de kinderen moeten een rivier oversteken waar juist op de doorwaadbare plek drijfzand ligt. John en Francis spannen een lijn naar de overkant, brengen de bagage over en transporteren dan de anderen en de beesten. Als John zijn zusjes Lizzy en Cathie moet overbrengen, loopt het mis. Ze stapten het water in. Lizzy was zwaar. Hij sjouwde door, zonder omkijken. Opeens – hij was zelf al een stuk over de helft - hoorde hij achter zich roepen. ‘John, zal ik een mooie zilveren vis voor je vangen?’ Hij keek orn. Daar stond Cathie gebukt over het water, de hand lachend uitgestoken. Hij vloekte. Steeds met zijn voeten in beweging bleef hij ook staan en riep driftig: ‘Wil je wel eens gauw hier komen, akelig kind!’ Cathie keek diep verontwaardigd, zij had hem juist zo’n aardig voorstel gedaan. Zij wilde komen, maar zij kon niet. Een hevige angst was opeens op haar verbaasde gezichtje te lezen. Dat was waar! Het was drijfzand en zij had de anderen steeds zien trappen; zij had het John ook tegen de anderen horen zeggen. O Moeder! Zij trok en trok. Zij kon niet. Haar voeten zaten als in ijzeren klemmen. Het zand had zich al om haar enkels gesloten. ‘John!’ kwam een kleine, jammerlijke klacht over haar lippen. ‘John, ik zit vast!’ De jongen, die eerst rood van drift was geweest, werd nu krijtwit. ‘Houd je me niet voor de gek?’ riep hij met hese stem. ‘Nee, John, heus niet. Het is eerlijk waar!’ riep Cathie, die anders zo graag plaagde. Een zielig lachje vloog over haar geschrokken gezichtje. Zij voelde hoe zij heel, heel langzaam dieper zakte. Zij had de lijn gegrepen die in het water lag, John had hem aan de verlaten oever losgemaakt. Zij zelf zag het touw als een troost en steun, maar John wist dat het niets zou helpen. ‘Francis!’ schreeuwde hij schor. ‘Neem Lizzy van mij over.’ Francis liet zich van de oever zakken, rende het water in, de twee jongens liepen elkaar tegemoet, John zette het driejarige huilende kind in het ijskoude water: ‘Lopen, zo hard je kan!’ Francis greep haar handje, ze liepen. Op de kant stond Louise klaar met iets roods dat een hemd moest verbeelden, maar het was tenminste droog. Inmiddels had John de zachtjes schreiende Cathie bereikt. Hij sloeg zijn armen om haar middel en trok, rukte, trok – zo hard hij kon. Maar hij kon niet zo veel kracht zetten, omdat hij zelf zijn voeten steeds in beweging moest houden. Het angstzweet stond op zijn voorhoofd. Hij hijgde. Een soort van dof gekreun kwam uit zijn borst, terwijl hij al zijn krachten inspande en trok, trok. ‘Au John, je drukt me helemaal plat,’ hijgde Cathie. ‘En het helpt niets.’ Haar stem klonk hoog van angst. ‘Houd je mond!’ snauwde John. Zijn hersens werkten koortsachtig. Het was duidelijk dat hij zo niets kon bereiken. Met flitsende bewegingen begon hij het slappe touw in te halen.


Hij viste het uiteinde uit het water, wond het driernaal om Cathies smalle lijfje, maakte er daarna een geweldige knoop in. ‘Nu mag je straks echte buikpijn hebben,’ zei hij goedig spottend bij wijze van troost en om zijn grauw van daarnet weer goed te maken. Toen liet hij zijn zusje alleen. Zonder om te kijken ploeterde hij weer weg. Cathie begon zich ondertussen in allerlei bochten te wringen. Het was zo’n afschuwelijk gevoel en het knelde zo. Haar kuiten deden pijn alsof er heel hard in geknepen werd. Zij wrong zich naar voren, naar links en rechts, naar achteren, trekkend aan haar benen. Haar kniegewrichten deden er pijn van. Plotseling verloor zij haar evenwicht. Zij viel achterover in het water. John hoorde de plons, keerde met een woedend gezicht om en hielp haar weer overeind. ‘Verdikkeme, kind, nou sta je stil, hoor!’ Hij trappelde weer weg, zo snel hij kon. Hij voelde zich uitgeput; het was alsof er naalden in zijn dijspieren prikten. Eindelijk klom hij weer tegen de oever op. De anderen stonden angstig te wachten, niemand zei iets. leder keek gespannen naar alles wat John deed, zo gewend waren ze er aan dat John altijd redding bracht en overal iets op wist. Had de arme jongen zelf die zekerheid maar gevoeld. Hij nam het touw op, beval Francis het los te maken van de wilgenstruik waar het omheen zat gebonden en liep ermee naar de enige boom die niet te ver af stond, op het hoogste deel van de oever. Hij klom erin met het touw, koos op een zo hoog mogelijk punt de meest geschikte vork van twee takken uit, nam zijn mes en begon de ruwe wilgenbast weg te schillen – het touw moest er gemakkelijk over kunnen glijden. Toen het naar zijn zin was, wierp hij het touw eroverheen en klom weer naar beneden. Hij riep Walter. Het dier keek hem aan, maar kwarn niet. Herinnerde het zich de behandeling van een uur geleden? Matilda en Francis liepen beiden naar de os toe, Francis greep het halster, Matilda gaf aaiende tikjes op zijn vuile achterpoten. Het dier sloeg met zijn staart, maar begon te lopen. John kwam het beest niet eens tegemoet, hij was zo moe... ‘Louise, de singel van het pakzadel!’ riep hij alleen. Zelfs zijn stem had geen kracht meer. Toen alles bij elkaar was, bond hij de brede buikriem om het lijf van de os, maar met enige speling. Het touw werd met drie stevige knopen weer aan de singel gebonden. En toen: ‘Trekken!’ beval John. Hij gaf de os een zachte klap op de hoekige schonken. Francis nam het halster weer. Hij leidde de os van de rivier weg. Het touw begon te spannen over de vork in de boom en met Cathie aan het andere eind. De os trok, het touw stond strak, de os trok nog harder, aangevuurd door iedereen, hij was zijn leven lang gewend geweest om te trekken, het was een tweede natuur geworden. Het touw trilde, Cathie schreeuwde. Niemand gaf daarom. Natuurlijk schreeuwde Cathie. En het zou ook wel echt pijn doen. Het touw snoerde om haar lichaam, om haar magere ribben, het was alsof zij doorgesneden werd, maar het leek werkelijk alsof haar voeten begonnen los te komen, al ging het tergend langzaam. Het deed zo’n pijn dat zij vond dat zij nog wel wat harder zou kunnen gillen zonder kinderachtig te zijn, maar om de een of andere reden was zij opeens flink, zij schreeuwde zo weinig mogelijk, haar stem klonk ook zo vreemd over het water. De os bleef trekken, hij verminderde zijn kracht geen ogenblik, maar de kinderen op de oever konden niet zien dat het hielp. Ze konden niet weten dat Cathie voelde hoe millimeter na millimeter haar voeten werden losgetrokken. Maar het kind was niet bij machte dit naar de anderen te roepen. Zij had het gevoel of zij in tweeën werd gescheurd. Zij stond niet meer, zij lag half in het


water, zij voelde niet dat het koud was, zij hield haar handen krampachtig om het strakstaande touw geklemd, haar kleine knokkels waren spierwit. De kinderen op de oever keken radeloos. Het hielp niets, vonden ze. Hoé Walter ook trok. Louise wilde het water in lopen, maar John verbood het haar. ‘Moeten we nóg een dode hebben?’ zei hij grof, zich geen raad wetend in zijn ontzettende angst. Het moest een vreselijke dood voor Cathie zijn. Zijn maag krampte. Hij braakte en bleef voorover liggen. ‘Catherine!’ schreeuwde Louise aan de kant. Zij vond dat de volle doopnaam paste bij deze treurige gelegenheid. ‘Catherine, als je dood gaat, zullen we altijd aan je blijven denken!’ ‘Maar ik gá niet dood!’ schreeuwde Cathie gesmoord terug. Zij waren zó gewend elkaar tegen te spreken, dat Louise bijna ‘jawél!’ had geroepen, maar zij hield zich nog net op tijd in. Cathie lag nu op één knie in het water, het andere been achter zich gestrekt, doodongelukkig om te zien, maar in werkelijkheid voelde zij hoe de voet van het achterste been bijna los was. En ook de andere scheelde niet veel. Alleen klemde het zand nu ook om haar knie. Zii trok nog steeds zo hard mogelijk aan het touw, dan deden de lussen om haar lichaam minder pijn. Louise stond handenwringend aan de kant, zij zag hoe Cathies haren nat werden, hoe zij bijna met haar linkerwang het water raakte. De os trok gestadig door. Opeens schoot hij vooruit, het touw stond niet meer trillend strak, Cathie werd door het ondiepe water gesleurd. ‘Ho!’, schreeuwde John en Francis trok het dier aan zijn halster terug. Walter stond stil. Half gestikt krabbelde Cathie druipnat overeind, snikkend kwam zij naar de oever, zenuwachtig haar voeten bewegend. Handen strekten zich uit om haar op te trekken. Oscar rende luid blaffend en kwispelstaartend langs de oever heen en weer. ‘Het was zo naar, het was zo naar,’ beefde Cathies trillende stem tussen de snikken door. ‘Dank jullie wel allemaal. Dank je wel.’ Er was een droge doek, er was zon, en er waren warme handen vol bosjes droog gras. Maar dat was niet genoeg. ‘Vuur maken!’ beval John. Behalve Louise, die bij Cathie bleef, ging iedereen hout zoeken, zelfs de kleine Lizzy sprokkelde takjes. Heel gauw was er een grote hoop, het vuur vlamde hoog op. Cathie koesterde zich in de warmte, de kleur kwam weer op haar wangen, zij lachte met haar grappige kuiltjes in de wangen en schudde haar lange krullen als een natte poedel. ‘En zie je nu wel dat ik niet dood ging?’ zei ze opeens tegen Louise. Het klonk bijna kattig, maar ze lachten allemaal. Zo wás Cathie: kattig en vrolijk, uitgelaten, prikkelbaar, vol ideeën, vol verzet, vol onverwachte meegaandheid... zo was zij en zo hielden ze van haar. Ze hadden het nog nooit zo duidelijk gevoeld. VRAGEN 1. Bespreek de stijl van Rutgers van der Loeff. 2. Hoe wordt de spanning hier consequent opgebouwd ? 3. ‘Zie je nu wel dat ik niet doodging?’ zegt Cathie. Waarom zegt ze dat ? 4. Hoe kon het gebeuren dat Cathie wegzonk? Was dat de schuld van John? Maak duidelijk wat jij ervan vindt.


5. John krijgt alle kinderen veilig over de rivier. Zou jij het anders hebben gedaan? Hoe dan?

7. Kruistocht in Spijkerbroek (1973) Fragment : Nicolaas meent dat hij een weg door de zee kan toveren. Daarom gaan ze naar het Genuese strand en daar volgt de ontknoping. De flap van de tent werd opzij geworpen en daar verscheen Nicolaas. Hij zag er prachtig uit. Hij droeg de buitgemaakte maliënkolder en daaroverheen zijn witte overkleed. Dat werd bijeengehouden door de gordel van Carolus. Zijn lange blonde haar, zorgvuldig geborsteld, glansde in het zonlicht. ‘De aartsengel Gabriël,’ hoorde hij Mariecke prevelen. En zo zag de herdersjongen er ook uit. Hij leek in het afgelopen etmaal magerder geworden. Met een bleek, strak gezicht en ogen die recht voor zich uitstaarden begon hij te lopen, naar het strand, tussen de levende haag van kinderen door. De vijf jongens die de tent hadden bewaakt, liepen zwijgend achter hem aan. Achter hen sloten de kinderen zich aaneen, nog altijd onder doodse stilte. Het was de stilte der verwachting, maar ook die der twijfel, voelde Dolf. Hij was zó in de ban van het ogenblik dat hij vergat op Anselmus en de zeeschuimers te letten. Hij zag hoe Nicolaas, zonder op of om te kijken, naar de zee schreed. De handen gevouwen, het hoofd gebogen. Zó stil was het geworden dat Dolf de golfjes tegen zijn rots hoorde klotsen. Het klokgelui was intussen opgehouden. Nicolaas hield de pas niet in toen hij het water had bereikt. Hij deed nog enkele stappen voorwaarts, blootsvoets, tot hij tot de knieën in de flauwe branding stond en de zoom van zijn witte overkleed om zijn kuiten spoelde. Toen stond hij stil. ‘Wat gaat er nu in hem om?’ dacht Dolf. Zijn levendige verbeelding werkte op volle toeren en onwillekeurig trachtte hij zich in de plaats van de herdersjongen te denken. Het was hem, of hij daar zelf stond, alleen tegenover de zee. Nu... Nicolaas hief de armen op. ‘Machtige zee, ik gebied je te wijken voor Gods kinderen.’ Stilte. Zevenduizend kinderen durfden nauwelijks te ademen. De simpele woorden, het innig geloof dat uit Nicolaas’ houding sprak, hadden hen betoverd. Het was werkelijk ontroerend die jongen daar te zien staan en zijn stem over de golven te horen schallen. Maar de zee bleef die zij was: onafzienbaar, met felle lichtschitteringen, deinende boten. Een zee vol vissen, krabben, geheimen. ‘God, ik smeek u, laat de zee wijken voor de heilige kinderen die Jeruzalem komen bevrijden.’ Diepe stilte. Zacht geklots van golfjes tegen de rotsen, van water dat ritselde over grind en wier. Het zachte suizen van de diep ademhalende kinderen. Niets. De zee bewoog zich niet, de zee bleef groot en breed en glinsterend liggen waar zij lag. Zo heb ik ook gewacht gedurende de eindeloze minuten op de steen bij Spiers, dacht Dolf plotseling. Ook toen gebeurde er niets. Ik vocht tegen mijn angst, tegen wat ik voor mijn ogen had zien gebeuren en niet wilde aanvaarden: hoe een andere jongen werd weggeflitst. Maakt Nicolaas dat nu ook door? Die moordende angst, de langzaam opdoemende zekerheid, dat datgene wat je uit alle macht wenst toch niet zal gebeuren? Nog altijd stond de herdersjongen aan de rand van de zee, de ogen strak gericht op de watervlakte. Onbeweeglijk, met geheven armen. De maliënkolder, mooi opgepoetst, vonkte. Een windvlaag joeg over het water, deed Nicolaas’ witte kleed opbollen. Dat


briesje deed opeens de hoop herleven in duizenden twijfelende kinderhartjes. Nu ging het gebeuren! Nog hoger richtte Nicolaas zich op. Het was of zijn vingertoppen de strakke blauwe hemel wilden raken. ‘Wijk terug, gij wilde zee. Wijk terug voor Gods kinderen. Laat ons door. God wil het!’ Blauw, diep, onoverzienbaar en bijna roerloos strekte het water zich uit, tot voorbij de horizon. De zon vonkte in de golfjes. Een fors schip voer de haven van Genua uit. Zeevogels vlogen laag over, doken naar vis, joelden in de blauwe hemel... Met een ruk keerde Nicolaas zich om en schreeuwde: ‘Bid ... bid dan toch!’ Een aantal kinderen, ofschoon ze er nauwelijks ruimte voor hadden, probeerden te knielen. Maar de meesten bleven overeind, weigerden zelfs de handen te vouwen of de ogen ten hemel te slaan. Strak, zwijgend en onbeweeglijk keken ze naar Nicolaas. ‘Bid,’ smeekte hij wanhopig. Hij begint in te zien dat het hopeloos is, dacht Dolf medelijdend. Opnieuw wendde de herdersjongen zich tot de zee, gebood de wateren zich terug te trekken, een pad vrij te maken voor de Kinderkruistocht. Hij schreeuwde, zijn stem sloeg over. Hij trok zijn overkleed op en deed nog twee passen voorwaarts, waarbij hij hoog de benen optilde alsof hij óver het water wilde lopen. Spoedig stond hij tot aan zijn middel in de golven. En toen trapte hij met zijn blote voet op een zee-egel... Die nare beesten zaten overal langs de kust tussen de stenen en als je er op trapte brak de scherpe stekel af en bleef in je voetzool zitten. Frieda had er de vorige dag tientallen met een harde visgraat uit gemartelde voetjes gepeuterd. De meeste kinderen waren daarom gaan baden met hun schoenen aan, dat was meteen een goede bescherming tegen de kreeftenscharen. Maar Nicolaas was blootsvoets de zee ingelopen en nu gaf de zee, die hij had willen bezweren, hem dit venijnige antwoord: ‘Nee...’ Hij wankelde en strompelde terug naar het strand. De kinderen ontvingen hem zwijgend, met boze blikken. Nicolaas keek in die duistere gezichtjes, zag hun dreiging en wendde zich met een ruk weer tot de zee. Hij was vertwijfeld. Zijn voet deed pijn, de zee wist van geen wijken. De jongen, zo-even nog mooi als de engel Gabriël, was nu in aller ogen wat hij werkelijk was: een verklede horige, onecht en zonder waardigheid. Weer strekte hij de armen uit, verhief zijn stem. Een generaal die de vijand op de vlucht wil jagen, een medicijnman die boze geesten terugwijst naar het rijk der duisternis. Een arme bedrogen jongen die dacht dat hij een heilige kon zijn en de natuurwetten kon opheffen... Maar de zee negeerde hem. De zee klotste onvermurwbaar over zijn voeten. De zee lachte hem uit. Toen braken de kinderen los. Rudolf van Amstelveen had gelijk gekregen, het wonder bleef uit. Ze waren bedrogen en ze hadden duizend mijlen te voet afgelegd, belaagd door dodelijke gevaren, geteisterd door koude, hitte, honger en rampen - voor niets! Ze vergaten dat Nicolaas evenzeer bedrogen was als zij. Hun woede zocht een uitweg. Krijsend stortten ze zich over de ongelukkige herdersjongen om hem aan stukken te scheuren. De ordebewakers grepen onmiddellijk in en begonnen de kinderen weg te sleuren. ‘Ze vermoorden hem!’ gilde Mariecke, maar Dolf was al opgesprongen, stortte zich van zijn rotsblok en wierp zich te midden van de kinderen. Met alle kracht die hij kon opbrengen schoof hij woedende kinderen opzij, hij stompte, rukte, trok en sloeg. De knokploeg deed wat zij kon om Nicolaas te ontzetten. De jongens zwaaiden met


knuppels, duwden kinderen weg, vochten zich verbeten een weg naar het midden van de kluwen. De buitgemaakte maliënkolder redde Nicolaas het leven. Hij lag op zijn rug op het stenen strand. Zijn kleren verscheurd, bloedend uit kleine hoofdwonden. De kinderen, teruggedeinsd voor de furie die zich opeens in hun midden had gestort, weken nog verder terug toen steeds meer ordebewakers opdrongen en zich beschermend rond Nicolaas opstelden. Dolf knielde bij de herdersjongen en zag opeens Mariecke naast zich, die Nicolaas’ hoofd optilde en in haar schoot legde. Tranen stroomden over haar wangen. Ze keek op en gilde tegen de kinderen: ‘Schaam je!’ Met een hand vol zout water bette ze het bloedende gezicht. De bijtende pijn deed hem de ogen opslaan. ‘God heeft me verlaten...,’ fluisterde hij, oneindig droevig. ‘God verlaat ons niet,’ dreunde een zware stem. En daar stond Anselmus, met achter hem drie onguur uitziende mannen. De kinderen verstijfden. ‘God heeft de zee niet doen wijken, lieve kinderen,’ sprak Anselmus zalvend, maar luid genoeg om door bijna iedereen gehoord te worden. ‘God heeft jullie echter niet verlaten en Hij zendt jullie Zijn vloot om jullie over de wateren naar het Heilige Land te voeren...' Dolf sprong op. ‘Je liegt het!’ gilde hij. De kinderen gromden. ‘Rudolf van Amstelveen, ik verkondig je, dat jij niet waardig zult worden bevonden om een voet te zetten op de schepen, die God in Zijn goedheid heeft gestuurd...’ ‘Slavenschepen bedoel je,’ schreeuwde Dolf in zijn verblufte gezicht. ‘En reken maar, dat wij er geen voet op zullen zetten! Op de slavenmarkten van Tunesië zal Rudolf van Amstelveen niet te koop worden aangeboden. En geen enkele van deze kinderen hier!’ Anselmus was spierwit geworden. Hij draaide zich om en riep iets in het Toscaans tot de drie kerels die onmiddellijk in beweging kwamen.. Mariecke gilde. Dolf zag een mes flitsen en hij dook onmiddellijk naar de benen van Anselmus, die daarop niet was verdacht, zijn evenwicht verloor en voorover over de jongen stortte. Peters stem klonk boven alles uit: ‘Vernietig ze, die schurken!’ Daarna werd alles erg onduidelijk. Anselmus werd van Dolf afgetrokken en door honderden kinderen overmeesterd. Snelle voetjes trappelden over Dolf heen tot hij naar adem snakte. Het strand leek te golven. Geschreeuw, gegil en het geluid van harde slagen vulden de lucht. Een scherpe kreet van iemand in doodsnood. Dolf probeerde overeind te komen maar werd weer omvergeduwd en opeens lag hij in het lauwe water, vijf centimeter diep. Het tumult bleef maar aanhouden. Hij slaagde er eindelijk in om op de been te komen. Wat hij toen zag durfde hij nauwelijks geloven. De meeste kinderen renden terug naar het kamp, een aantal jongens hadden Nicolaas opgetild en droegen hem naar de tent. Mariecke stond aan Dolfs arm te sjorren en riep iets, maar hij verstond niet wat. Want niet ver van hem vandaan bewoog zich over het leeglopende strand een tierende kluwen lijven. Uit die berg vechtenden stegen angstkreten op die allengs zwakker werden en ten slotte verstomden. In de verte zag hij drie zeelui vertwijfeld tegen de helling opklimmen, achtervolgd door honderden brullende kinderen...


Opeens viel de kluwen op het strand uiteen. Hij zag Peter opduiken, met bloed aan de handen. En Bertho, die de zee in rende en zijn zwellende oog met handenvol water trachtte te koelen. Hij zag de kinderen verder uiteenwijken, grommend en met verscheurde kleren, en toen naar het kamp hinken. Sommigen hadden nauwelijks meer iets aan hun lijf, het strand lag bezaaid met uiteengereten vodden. Wat hadden ze in ’s hemelsnaam gedaan? Toen zag hij het. Te midden van flarden verscheurde stof lag wat er over was gebleven van Anselmus. Zijn gezicht was onherkenbaar, zijn ledematen vertoonden vreemde kronkels alsof geen bot meer op zijn plaats zat, de haren waren uit zijn schedel gerukt. Dolf wendde zich snel af, zijn maag keerde zich om en hij braakte op het grind, terwijl de tranen over zijn wangen liepen. Hij had Anselmus gehaat - maar zijn einde vervulde Dolf met afschuw.

8. Erik of het klein insectenboek (1941) Fragment : Erik neemt afscheid van de familie Vliesvleugel, nadat hij de gezellige sfeer heeft doen omslaan door een bromvlieg zodanig als viool te bespelen dat het beestje er van gestorven is. Een hommel brengt hem naar een hotel. Ha, wat ging dat zalig! Heerlijk woei de frisse avondwind om Eriks hoofd, en de sterren parelden reeds aan den wijden hemelkoepel. Het was tamelijk koud; Erik drukte zijn blote voeten in de warme vacht van den hommel en keek nieuwsgierig naar omlaag: al dieper en dieper zonk de bloem die hij zo juist verlaten had, onder hem weg, tot zij ten laatste nog slechts als een rood puntje zichtbaar was. ‘Wanneer je het zo van buiten ziet,’ peinsde Erik halfluid, ‘dan denk je: wat moet het verrukkelijk wezen om in zo’n bloem te wonen. En heb je eenmaal alles van binnen bekeken en gehoord, dan ben je blij dat je er weer uit mag.’ ‘U plaatst daar een zeer verstandige opmerking,’ sprak de hommel. ‘Dank u,’ antwoordde Erik blozend - hij was tot nu toe niet gewend door de bewoners van Wollewei geprezen te worden – ‘ik zei het zo maar terloops.’ ‘Dat is juist de verdienste ervan,’ meende de hommel, ‘wanneer men er een halven dag op heeft zitten broeien is het geen kunst om iets belangrijks te zeggen. Ik doe namelijk zelf een beetje aan filosofie.’ ‘O juist,’ zei Erik, ‘kijk, kijk.’ ‘Wanneer u even achter u wilt voelen,’ hernam de hommel, ‘dan zult u in mijn zak een boekje vinden dat ik nog al eens raadpleeg.’ Hij kuchte bescheiden. Erik tastte achter zijn rug, en vond werkelijk het boekje. Gelukkig scheen de maan nogal helder, zodat hij, het kaftje dicht bij zijn ogen brengend, den titel kon lezen. Tot zijn verrassing was het juist hetzelfde als in zijn Vaders boekenkast stond: ‘SCHICKSAL DER GEGENWART’ stond er in gouden letters op het bruine leer. ‘Tjonge, jonge,’ mompelde Erik eerbiedig, ‘ik heb altijd gedacht: wat zou dat toch betekenen?’


‘Nu, eerlijk gezegd, begrijp ik het ook niet helemaal,’ bekende de hommel. ‘Maar waarom leest u het dan?’ vroeg Erik verbaasd. De hommel geraakte zichtbaar in verlegenheid. ‘Ja,’ zeide hij, ‘ik lees het ook eigenlijk niet. Ik bekijk alleen maar af en toe den titel. Het mag nu gek klinken, maar telkens als ik die woorden zie, ga ik vanzelf een beetje dieper denken. Ik begin dan te voelen dat ik een redelijk wezen ben, met verstand en inzicht begaafd, een - een - kortom, een hommel.’ Het einde verraste Erik. Maar natuurlijk, dacht hij, zo moet een hommel ook wel spreken. ‘Wij zijn er,’ sprak het dier, tussen het gras neerdalend. Erik stapte af, en bedankte met een buiging voor den rit. Ik vond het buitengewoon aardig van u, hoor meneer,’ zeide hij, ‘hartelijk bedankt.’ De hommel geraakte weder in grote verlegenheid. ‘Hm,’ zeide hij, ‘u hoeft in het geheel niet te danken. Zullen we hier meteen even afrekenen?’ ‘Afrekenen?’ mompelde Erik onthutst, ‘o juist. Hoeveel - eh - hoeveel moet u hebben?’ ‘Dat laat ik aan de beleefdheid van meneer over,’ antwoordde de hommel, met opgetrokken wenkbrauwen naar de verte starend alsof de zaak eigenlijk buiten hem omging. En toen Erik hem bedremmeld bleef aankijken, voegde hij er aan toe: ‘Ik ben vader en echtgenoot, meneer.’ ‘Ja, ja,’ mompelde Erik, al zijn zakken koortsachtig nazoekend. Nu wist hij zeer goed dat er niets in zijn hansopje te vinden was wat voor een vader en echtgenoot van belang kon zijn, maar er waren al zoveel merkwaardige dingen gebeurd sinds zijn intrede in het land Wollewei, dat hij meende wel met enig recht op een kleinen meevaller te mogen rekenen. En werkelijk, daar vond hij het klompje honing dat de oudste wespendochter hem gegeven had. ‘Alstublieft,’ zei Erik. De hommel vatte de klomp haastig met zijn voorpootjes aart en werd helemaal rood van opwinding. ‘Maar meneer,’ zeide hij, ‘dat kan ik niet wisselen.’ ‘Dat hoeft ook niet,’ zei Erik. ‘U mag het houden.’ En nauwelijks had hij dit gezegd, of de hommel propte de honing in zijn achterzak en zoemde er als de wind vandoor. ‘Ik heb natuurlijk veel te veel gegeven,’ dacht Erik spijtig, het inhalige beest naogend, ‘en ik heb nu niets meer over om mijn hotelrekening te betalen. Vervelend is dat.’

9. De brief voor de koning (1962) Fragment : in de herberg Yikarvara is Tiuri te weten gekomen dat de Zwarte Ridder met het Witte Schild in het bos een tweegevecht is aangegaan met de Zwarte Ridder met het Rode Schild. Hij gaat naar hem op zoek. Hij reed een eindje verder en zag toen tussen de bomen door iets liggen op het bleekgroene gras. Het was zwart en wit en rood... Zijn adem stokte hem in de keel, maar ondanks dat sprong hij vlug van zijn paard en rende erheen. Daar lag op de grond een mens in een zwart, beschadigd en gedeukt harnas. Wit was het schild dat naast hem lag. Het rode was bloed. Tiuri had de Zwarte Ridder met het Witte Schild gevonden, maar deze was gewond... of dood.


Hij knielde bij de ridder neer; zwaar gewond was die in ieder geval, maar hij ademde nog. Hij had geen helm op, maar zijn gezicht was bedekt door een zwart masker. Tiuri staarde op hem neer, bevend over al zijn leden. Toen vermande hij zich. Hij moest iets doen, kijken hoe het met de gewonde gesteld was, hem verbinden. De ridder bewoog zich en fluisterde: ‘Wie is daar?’ Tiuri boog zich over hem heen. ‘Blijf rustig liggen, heer,’ zei hij. ‘Ik zal u helpen. Hebt u ergens pijn?’ Hij zag dat de ridder hem door zijn masker aankeek. ‘Ik ken je niet,’ zei hij met zwakke stem, ‘maar ik ben blij dat iemand mij gevonden heeft voor ik sterf. Bekommer je niet om mijn wonden; er is niets meer aan te doen.’ ‘Zegt u dat niet,’ zei Tiuri, terwijl hij voorzichtig het harnas begon los te maken. ‘Doe geen moeite,’ fluisterde de ridder. ‘Ik weet dat ik sterf.’ Tiuri vreesde dat hij gelijk had. Toch ging hij door met zijn pogingen het lijden van de gewonde te verlichten. Hij scheurde een stuk van zijn gewaad en verbond hem daarmee zo goed als hij kon. ‘Dank je,’ fluisterde de ridder even later. ‘Wie ben jij en hoe kom je hier?’ ‘Ik ben Tiuri,’ antwoordde de jongeling. ‘Zal ik wat water halen? Misschien wilt u wat drinken.’ ‘Niet nodig,’ zei de ridder. ‘Tiuri... die naam ken ik. Ben je familie van Tiuri de Dappere?’ ‘Dat is mijn vader,’ zei Tiuri. ‘Hoe kom je hier?’ vroeg de ridder. ‘Ik... ik kwam voor u... het spijt me zo, dat...’ ‘Kom je voor mij?’ viel de Zwarte Ridder hem in de rede. ‘Kom je voor mij? God zij dank, dan is het misschien niet te laat...’ Hij keek Tiuri aan met ogen die glansden achter het zwarte masker en vroeg: ‘Heb je iets voor me?’ ‘Ja heer,’ zei Tiuri. ‘Een brief.’ ‘Ik wist wel dat mijn schildknaap een bode zou vinden,’ zuchtte de ridder. Wacht even,’ zei hij, toen Tiuri de brief tevoorschijn wilde halen. ‘Heb je me niets te vragen?’ Plotseling herinnerde Tiuri zich dat hij het wachtwoord moest zeggen. ‘Waarom... waarom is uw schild wit?’ stamelde hij. ‘Omdat in wit alle kleuren zijn,’ antwoordde de ridder. Zijn stem klonk veel krachtiger. Het was een stem die Tiuri een groot vertrouwen inboezemde. Nu vroeg hij: ‘Waar kom je vandaan?’ ‘Ik kom van ver,’ antwoordde Tiuri. ‘Laat me nu de brief zien,’ beval de ridder. ‘O nee, kijk eerst of niemand ons bespiedt.’ Tiuri keek. ‘Er is niemand in de buurt,’ zei hij, ‘behalve onze paarden.’ Hij haalde de brief tevoorschijn en liet die de ridder zien. ‘O heer,’ barstte hij toen uit, ‘wat spijt het me dat u in het tweegevecht verslagen bent!’ ‘Tweegevecht?’ zei de gewonde. ‘Er is helemaal geen tweegevecht geweest! Ik ben nog nooit door iemand overwonnen. De Zwarte Ridder met het Rode Schild heeft me in een hinderlaag gelokt. Zijn Rode Ruiters besprongen mij en vielen me met velen aan.’ ‘Afschuwelijk!’ prevelde Tiuri ontzet. ‘Maar ze hebben niet gevonden wat ze zochten,’ zei de ridder. ‘Ze wilden niet alleen mij vernietigen, maar ook de brief, de brief die jij me net laat zien! Berg hem weer goed op dan zal ik je zeggen wat je ermee moet doen... Vertel me eerst, Tiuri, hoe het komt dat jij de brief bij me komt brengen.’ Tiuri vertelde het hem.


‘Goed,’ fluisterde de ridder en zweeg enkele ogenblikken. ‘Kijk niet zo bezorgd,’ zei hij toen vriendelijk. Tiuri voelde dat hij glimlachte onder zijn masker, en wenste dat hij wist hoe zijn gezicht eruitzag. ‘Luister,’ zei de ridder. ‘Ik moet kort zijn, want ik heb niet veel tijd meer… Deze brief is voor koning Unauwen en hij is van heel groot belang. Nu ik hem niet meer kan brengen, moet jij het doen!’ ‘Ik ... ?’ fluisterde Tiuri. ‘Ja, ik weet niemand anders die het beter zou kunnen. Jij bent ertoe in staat; ik vertrouw je. Je moet meteen op weg gaan; er mag niet meer tijd verloren worden. Je moet naar het westen reizen, eerst door het bos en dan langs de Blauwe Rivier, totdat je haar bron hebt bereikt. Daar woont een kluizenaar, Menaures... Neem deze ring van mijn vinger; als je die aan de kluizenaar laat zien, zal hij weten dat je door mij gezonden bent. Hij zal je dan helpen over de bergen te komen, want dat kun je niet alleen. Aan de andere kant van de bergen wijst de weg zich vanzelf...’ De ridder hief zijn hand op en zei: ‘Hier, neem mijn ring... Ik weet dat ik veel van je vraag, maar jij bent op dit ogenblik de aangewezen persoon voor deze opdracht.’ Tiuri nam voorzichtig de ring van zijn vinger. ‘Ik wil het wel doen,’ zei hij, ‘maar ik weet niet...’ ‘Je moét het doen,’ zei de ridder. ‘Maar ik wil je niet verzwijgen dat het moeilijk zal zijn. Je weet al dat vijanden op deze brief loeren; vele gevaren zullen je bedreigen. Houd dus je zending geheim; vertel er niemand iets van. En geef deze brief alléén aan koning Unauwen.’ ‘Wat... wat staat erin?’ vroeg Tiuri, terwijl hij langzaam de ring aan zijn eigen vinger schoof. ‘Dat is een geheim,’ antwoordde de ridder. ‘Je mag hem niet openmaken. Alleen als je gevaar loopt hem te moeten afstaan, moet je hem lezen, zodat je de boodschap mondeling kunt overbrengen. De brief zelf moet je dan natuurlijk vernietigen. Maar dat mag alleen in geval van nood.’ Hij zweeg even en vroeg toen, met veel zwakkere stem: ‘Wil je de brief brengen?’ ‘Ja, heer,’ zei Tiuri. ‘Beloof het me op je riddereer,’ fluisterde de ridder. ‘Ik beloof het op mijn riddereer,’ zei Tiuri. ‘Alleen,’ voegde hij eraan toe, ‘ben ik nog geen ridder.’ ‘Dat zul je worden,’ zei de ridder. ‘En wil je me nu mijn masker afnemen... De Dood moet men altijd met open vizier tegemoet treden.’ Met bevende handen deed Tiuri wat hem gevraagd werd. En toen hij het kalme, edele gezicht van de Zwarte Ridder zag, werd hij zo getroffen, dat hij diens hand greep en hem zwoer de brief veilig te zullen bezorgen. ‘En,’ zei hij, ‘ik zal u wreken op uw moordenaars!’ ‘Dat is niet jouw taak...’ fluisterde de ridder. Jij moet alleen mijn bode zijn.’ Hij sloot zijn ogen. Zijn vingers bewogen even in Tiuri’s hand en waren toen stil.


De kapel waar Tiuri zijn vreemde opdracht krijgt

10. Oorlogswinter (1972) Fragment : Michiel heeft al ruim een half jaar een Engelse vlieger, Jack, in het bos verstopt. Later komt de verzetsstrijder Dirk uit het dorp erbij. Jack wil terug naar Engeland. Oom Ben, een huisvriend van Michiel, kan voor de ontsnappingsroute zorgen. Michiel ontdekt echter dat Oom Ben de verrader is, door wiens schuld er in het dorp mensen zijn omgekomen. Er wordt overlegd wat ze met hem moeten doen. Ben van Hierden rook zijn kans om te ontsnappen. Dat kleine stukje van het Sparrenveld tot aan de rand van het bos, dan zou hij alleen zijn met Michiel. Dan moest het kunnen. Jack kroop mee tot aan het bospad. Daar overhandigde hij Michiel het pistool. ‘Als hij er vandoor gaat, niet aarzelen om te schieten,’ zei hij. Michiel knikte, zo rustig mogelijk. Zou hij dat inderdaad durven, schieten op de man die hij zo lang aardig had gevonden? Hij liet Ben van Hierden een paar meter voor zich uitlopen en hield het pistool onder zijn jekker. Amper waren ze uit het gezicht van Jack verdwenen of Van Hierden keerde zich om. ‘Moeten we nu zó door het bos, wij die zo dikwijls samen een wandeling hebben gemaakt?’ vroeg hij verwijtend. ‘Doorlopen,’ gromde Michiel. Maar Ben van Hierden liep niet door. Hij ging zitten op een omgevallen boom. Michiel haalde het pistool te voorschijn en richtte het op het hoofd van de man. ‘Ik schiet,’ zei hij, maar erg zeker klonk zijn stem niet. ‘Dat geloof ik niet,’ zei Van Hierden. ‘Jij kunt niet op me schieten. Daarvoor zijn we te lang goede vrienden geweest. Kom nu eens even naast me zitten en laten we eens praten.’ ‘Sta op en loop door, zeg ik je.’ Michiels stem sloeg vervaarlijk over. ‘Luister eens, Michiel, probeer me te begrijpen. Ik geloof dat het nationaal-socialistische systeern van de Duitsers het beste is voor de wereld en voor ons land. Dat kán toch. Je hoeft het niet met me eens te zijn, maar iemand kan die mening toch eerlijk zijn toegedaan. Zo is dat nu eenmaal met mij. Welnu, is het dan niet mijn plicht alles te doen wat ik kan om de Duitsers te helpen hun systeem over de wereld te verspreiden? Ben ik dat niet verplicht naar eer en geweten?’


‘Nee,’ zei Michiel, ‘niemand kan naar eer en geweten verplicht zijn zijn land en volk te verraden, Willem Stomp te laten doodschieten en de tenen van Dirk Knopper in elkaar te laten slaan.’ Een gevoel van triomf schoot door Van Hierdens hoofd. Hij had de jongen aan het praten gekregen, aan het discussiëren. Nu zou hij zéker niet meer durven schieten. Hij was weer menselijk geworden in de ogen van Michiel. ‘In alle oorlogen gebeuren vreselijke dingen,’ zei hij overredend. ‘Dat wil ik ook niet, maar ze gebeuren. Dacht je dat de Russen en de Amerikanen zulke lieverdjes waren?’ ‘Zij vechten voor een rechtvaardige zaak,’ zei Michiel. ‘Maar ik wil niet met u praten. Sta op en loop door.’ ‘Wat denk je dat die lui van de ondergrondse met me zullen doen? Precies hetzelfde als met Dirk is gebeurd. Ze zullen me net zo lang martelen tot ze denken dat ik alles heb verteld wat hun de moeite van het weten waard is. Daarna schieten ze me dood.’ ‘U hebt niet beter verdiend,’ zei Michiel, maar hij aarzelde al. Zou meester Postma tot zo iets in staat zijn? Hij kon het zich niet voorstellen... Anderzijds, had hij zich kunnen voorstellen dat oom Ben een verrader was? ‘Ik loop nu dit zijpaadje in,’ zei Ben van Hierden rustig, ‘en jij schiet niet. Je zegt maar dat ik ontsnapt ben, omdat er een Duitse patrouille door het bos kwam of iets dergelijks. Ik beloof je dat je me nooit weer zult zien.’ Hij was opgestaan en liep langzaam achteruit het paadje in, terwijl hij zijn ogen in die van Michiel bleef boren. Michiel stond daar met het pistool in zijn handen en bewoog niet. Kon hij op dat vertrouwde gezicht schieten? Hij dacht aan zijn vader, aan de barones, aan Dirk, aan Jannechien. Wat schoten deze mensen ermee op als Ben van Hierden stierf? En Jack... Jack zou natuurlijk gepakt worden. Van Hierden kende nu het hol. En Erica en hij - zij zouden ook gepakt worden en doodgeschoten. Nog altijd bewoog hij niet. En zijn moeder... zijn moeder zou weer een brief krijgen, twéé brieven in één enveloppe misschien wel, waarin beleefd werd medegedeeld dat haar dochter en haar zoon... Ze zou op haar tanden bijten en Jochem in het verzet sturen. De krankzinnigheid van deze gedachte, een jongetje van zes jaar in het verzet, doorbrak de ban. Toen hij de droge ogen van zijn moeder voor zich zag, leek de vriendelijke glimlach van Ben een valse grijns te worden. Hij sprong naar voren en haalde de trekker over. De kogel belandde nergens, maar het schot klonk onwaarschijnlijk hard in de avondlijke stilte. Werktuiglijk stak Van Hierden zijn handen omhoog. ‘En nu lopen,’ siste Michiel, ‘anders schiet ik je voorzeker dood.’ Mooi woord, voorzeker, vond hij zelf. Had-ie waarschijnlijk in de kerk opgepikt. De verrader begreep dat zijn plan was mislukt. Gehoorzaam liep hij in de door Michiel aangeduide richting. Korte tijd later kwamen ze meneer Postma tegen die, geschrokken van het schot, hun tegemoet was gegaan. ‘Hij probeerde te ontsnappen,’ legde Michiel uit. Meneer Postma had een regenjas aan met wijde zakken. In de rechterzak hield zijn hand een pistool omklemd. Hij ging vlak naast Van Hierden lopen en duwde de loop van het pistool door de stof van zijn jas heen in de lendenen van de man.


‘Ik schiet eerst en waarschuw dan,’ zei hij. Michiel liep aan de andere kant van zijn exoom. Geen van drieën sprak een woord. Tweemaal ontmoetten ze een bekende, die ze zo gewoon mogelijk groetten. Na een tijdje kwamen ze op de Stationsweg. Direct zagen ze dat er iets bijzonders was. De Stationsweg zag er anders uit dan anders. Wat was het? ‘Munitiewagens,’ fluisterde meneer Postma. Onder de bomen, zo goed mogelijk gecamoufleerd, stonden, op een onderlinge afstand van zo’n meter of honderd, vijf munitiewagens. Ze waren aan alle kanten gesloten, maar het opschrift liet er geen twijfel over bestaan. ‘Zijn ze gevaarlijk?’ vroeg Michiel. ‘Zeer gevaarlijk. Een brandende sigaret kan een ramp ten gevolge hebben.’ Even later hoorde Michiel in de verte een zacht gebrom. ‘Ik geloof dat we bezoek krijgen van Rinus de Raat,’ zei hij. Meneer Postma bleef staan. ‘Je hebt gelijk. Een Spitfire. Dat is gevaarlijk.’ Michiel vond het een beetje overdreven. Hoe dikwijls had hij al een Engelse jager in actie gezien? Het geluid kwam snel naderbij. ‘We moeten in dekking,’ zei meneer Postma. En toen Michiel nauwelijks reageerde, vervolgde hij driftig: ‘Snap je het dan niet? Als dat vliegtuig één kogel, in zo’n munitieauto schiet, gaat het halve dorp de lucht in.’ Hij duwde Ben van Hierden in een eenmansgat. ‘Hou je gedeisd,’ bromde hij. ‘Ik houd je onder schot.’ Zelf sprong hij in het volgende gat en Michiel kroop in het daaropvolgende. Meneer Postma loerde over de rand van het gat naar Van Hierden. Even later daverde het vliegtuig over hun hoofden. Ze doken in elkaar, maar geen schot weerklonk. Het toestel verdween. Michiel wilde uit zijn eenmansgat klimmen, maar meneer Postma beduidde hem te blijven zitten. ‘Hij kan terugkomen,’ riep hij. En inderdaad, de piloot moest iets verdachts hebben gezien. Hij draaide met een scherpe bocht over het dorp en kwam opnieuw aanvliegen in de lengterichting van de Stationsweg, lager dan eerst nu. Toen het angstige, aanzwellende geluid vlakbij was, doken Michiel en meneer Postma weer in elkaar. Maar Ben van Hierden greep zijn kans. Hij sprong uit het gat en vóórdat Michiel of meneer Postma het zagen, was hij al een meter of twintig zigzaggend over de weg gehold. Meneer Postma wilde schieten, maar angst om een munitiewagen te raken weerhield hem. Hij had het gerust kunnen doen. De Spitfire gaf een straal vuur en raakte één van de wagens. Een oorverdovend lawaai. De aarde leek open te scheuren. Michiel en meneer Postma lagen als egels op de bodem van hun eenmansgaten. Het is ongelooflijk hoe klein je je kunt maken als het nodig is. Twee wagens vlogen de lucht in, gelukkig de twee die het verst van Michiel en meneer Postma af waren. Grote gaten in de grond gaven de plaats aan waar ze hadden gestaan. Een boom lag half over de weg. Drie huizen waren veranderd in puinhopen. De ravage was vreselijk. Toen het geluid van de ontploffingen was uitgestorven, kwamen Michiel en meneer Postma bleek omhoog uit hun schuilplaatsen. Ben van Hierden was weggevaagd van de aardbodem, zó grondig opgeruimd dat het moeilijk zou zijn nog iets van hem te vinden om te begraven. Van alle kanten kwamen de mensen aanlopen. Ze drongen de rokende puinhopen binnen om te kijken of er overlevenden waren. Michiel wilde zich bij hen voegen, maar meneer Postma zei: ‘We moeten maken dat we wegkomen. Er is hulp genoeg.’ ‘Waarom? Van Hierden is toch dood?’


‘Om onze wapens. Als ze ons aanhouden en fouilleren zijn we er geweest.’ ‘O ja’. Ze gingen ieder huns weegs. Meneer Postma naar huis, Michiel naar het hol om Jack en Dirk het pistool terug te brengen en verslag te doen van wat er was gebeurd. Ondanks de schrik door de ontploffing voelde hij zich opgelucht. Ben van Hierden zou geen kwaad meer doen.

11. Oorlog zonder vrienden (1979) Fragment : er is een nieuwe leerlinge in de klas, Marloes. Ze laat Arnold zeker niet onberoerd. Donderdag, 18 maart 1943. Iedereen in de klas zat rustig te werken aan een proefwerk Nederlands - een stilte met alleen maar krassende pennen. Arnold streek zijn blaadje glad en stootte zijn etui van de tafel. Hij bukte zich om het op te rapen, toen hij naast Marloes’ tas een gestencild papier zag liggen. Hij pakte het op met de bedoeling het haar terug te geven, toen zijn oog viel op het licht gedrukte opschrift: VRIJ NEDERLAND. Een korte aarzeling. Vrij Nederland ... Waar had hij dat eerder gehoord. Was dit soms een van die blaadjes die stiekem, illegaal, werden verspreid? Zijn vader had hem er iets van verteld. Maar wat deed Marloes er dan mee? Want het kon niet anders of het was uit haar tas gevallen. Hij wierp een vluchtige blik de klas in. Iedereen was aan het werk. Niemand schonk aandacht aan hem. Bliksemsnel propte hij het stencil in zijn tas tussen een paar boeken. ‘Wat deed jij daar, Westervoort?’ Meneer Nijenhuis had de gewoonte zijn leerlingen bij hun achternaam aan te spreken. Arnold schoot overeind. Niets, meneer ... Ik raapte alleen m’n etui op. ‘Daar deed je dan tamelijk lang over, Westervoort. Je zit toch niet te spieken, wel?’ ‘Nee, meneer.’ ‘Ik zou niet durven, meneer’, klonk het uit een andere hoek. De klas gniffelde. ‘Stilte!’ beval meneer Nijenhuis. ‘Aan het werk, iedereen!’ Arnold werkte door. Maar de gedachte aan het stencil liet hem niet los. Wat zou daar in staan? Was het werkelijk zulke vuile lectuur als zijn vader had gezegd? Die middag liep hij uit school meteen door naar zijn kamer. Daar haalde hij het blad te voorschijn en ging ermee op de rand van zijn bed zitten. Het was een klein, wat verfomfaaid krantje van een bladzij of acht. ‘NEDERLAND – ORANJE’ stond er voorop, 21 februari 1943, 3e jaargang no 7. Hij bladerde het door. Er stond heel wat in. Een oproep van de wettige Nederlandse regering, waar hij weinig van begreep, evenals een artikel over doktoren, onderwijs en universiteiten. Verder een aansporing om vooral niet voor de Duitsers te werken, een waarschuwing om te zwijgen en een gedicht over achttien doden. Ook was er een stukje over Duitse gruweldaden in concentratiekampen. Hij las het hele blad, ook de waarschuwingen tegen sommige personen. NSB’ers waren er bij. Hij had nog nooit van ze gehoord. Zou zijn vader ze kennen ? Zou het waar zijn wat ze schreven? En dat stuk over die concentratiekampen..., mensen martelen en laten


verhongeren ? Hij kon het niet geloven. Dat was natuurlijk ook de reden waarom zulke krantjes verboden waren: allemaal leugens. Zou hij het aan zijn vader laten zien ? Maar dan vroeg die meteen waar hij het vandaan had. Of zou hij het teruggeven aan Marloes? Stiekem weer in haar tas duwen ... Daar hoefde niemand iets van te merken. Toch liet het artikel over de concentratiekampen hem niet los. Hij kon dan ook niet nalaten erover te beginnen. ‘Zeg pa, ze zeggen dat er in Duitsland concentratiekarnpen zijn. Klopt dat ?’ ‘Wie zeggen dat?’ ‘Ja, dat weet ik zo ook niet. Zoiets heb ik opgevangen. Of is dat niet zo ?’ ‘'Als je met concentratiekampen bedoelt inrichtingen waar misdadigers en dat soort lieden een tijdje worden opgesloten heb je gelijk. Maar die zijn er niet alleen in Duitsland. Die heb je hier ook.’ ‘Is het waar dat daar mensen worden gemarteld?’ ‘Gemarteld? Hoe kom je daar in vredesnaam bij?’ ‘Dat dacht ik.’ Meneer Westervoort antwoordde kalm: ‘Dan heb je daar verkeerde gedachten over. Daar wordt niet gemarteld. Daar wordt heropgevoed. En gewerkt. Maar wees maar niet bang dat een van ons daar terecht komt, want concentratiekampen zijn er alleen voor ontaard, werkschuw tuig. En dat is maar goed ook, want op die manier wordt dat gespuis tenminste gescheiden van de normale mens, die zijn werk doet met plezier en plichtsbetrachting.’ ‘En de joden - zitten die daar ook?’ ‘De joden? Vanzelfsprekend! Die hadden we al veel eerder het land uit moeten jagen. Overal waar ze kwamen hebben de joden de mensen last bezorgd, ze uitgebuit en hun gastvrijheid misbruikt. In de concentratiekampen krijgen ze eindelijk eens de gelegenheid voor ons te werken.’ Arnold knikte. Het waren dus inderdaad leugens die in dat blaadje stonden. Dat Marloes zulke dingen las. En dat ze ze geloofde ook. Moest hij dat tegen haar zeggen? Dagenlang tobde hij erover. ’s Zondagsmiddags liep hij urenlang langs de rivier en door de straten van de stad in de hoop Marloes tegen te komen, haar te ontmoeten, misschien met haar te praten. Toen hij eindelijk thuiskwam voelde hij meteen dat de stemming niet gewoon was. ‘Waar kom jij vandaan?’ vroeg meneer Westervoort. ‘’k Ben wezen wandelen. Hoezo?’ ‘Bij wie ben jij geweest?’ ‘Ik ben nergens geweest’, antwoordde hij verbaasd. ‘Wat is er dan? Is er iets gebeurd?’ ‘Er is niets gebeurd, nee. Ik wil alleen weten waar jij al die tijd gezeten hebt.’ ‘Dat zei ik toch - gewandeld.’ ‘Moet ik dat geloven?’ ‘Ik begrijp niet wat u bezielt, pa.’ Hij keek verward van zijn ouders naar zijn zusje. ‘Wat hebben jullie toch?’ ‘Dit hebben we!’ Met een klap legde meneer Westervoort een beduimeld krantje op tafel. Arnold herkende het onmiddellijk; ’t was of de grond onder hem wegzonk. ‘Dat ... dat ... hoe...’, stotterde hij. ‘Hoe kom jij daar aan?’ meneer Westervoorts stem trilde van ingehouden drift. ‘Dat ... dat is niet van mij.’


‘Dat vroeg ik niet..., ik vroeg hoe je eraan kwam!’ ‘Gevonden...’ ‘Gevonden ... !’ Meneer Westervoort lachte schamper. ‘Wat jij allemaal niet vindt! De gekste dingen! Voor de laatste keer - van wie heb jij deze smerige, vuile, lasterlijke lectuur gekregen?’ ‘Dat zeg ik u toch - gevonden!’ ‘Waar?’ ‘In de klas ... Ze...’ ‘Je liegt!’ barstte meneer Westervoort uit. ‘Jij hebt helemaal niets gevonden. Zoiets vind je niet! Iemand heeft jou dit in de vingers gestopt - om jou en ons te vergiftigen..., te vergiftigen met leugens en valse propaganda! Zeg op - wie was het?’ Arnolds knieën knikten. Zijn hersens werkten koortsachtig. Wat moest hij zeggen - dat het blaadje uit de tas van Marloes ter Winkel kwam? Maar wat zou er dan met haar gebeuren? Zou zijn vader ... ‘Komt er nog wat van?’ Meneer Westervoort greep hem pijnlijk bij de schouders. ‘Of moet ik het er soms uit slaan?’ Arnold slikte moeilijk. ‘Johan Laning’, zei hij. ‘Ik heb het uit de tas van Johan Laning gehaald. Ik had het nog aan u willen geven, maar ... dat ben ik vergeten.’ Meneer Westervoort liet zijn zoon los. ‘Johan Laning dus. Zit ie bij jou in de klas?’ ‘Ja.’ ‘Waarom heb je mij dat niet eerder verteld? Of wou je hem soms ook de hand boven het hoofd houden, net zoals die knaap van Wiersema?’ Arnold schudde zijn hoofd. ‘'Je begrijpt zeker wel dat ik dit er niet bij kan laten zitten. Johan Laning is hier nog niet klaar mee. En jij..., jij komt de hele week de deur niet meer uit!’ Hij greep het krantje en scheurde het aan flarden. Vervolgens opende hij het deurtje van de kachel en smeet het in het vuur. Een paar seconden later ging VRIJ NEDERLAND in vlammen op.

12. Winnetou, het opperhoofd der Apachen (1893) Fragment : Old Shatterhand en zijn drie blanke vrienden zullen ter dood worden gebracht. Volgens de Apachen hebben zij schuld aan de dood van hun leider, Klekih-petra, en hebben zij de Apachen verraden aan de Kiowa’s. Omdat de vier blijven ontkennen en vooral Old Shatterhands zware wonden indruk hebben gemaakt, krijgen ze alsnog de kans om hun onschuld te bewijzen. Old Shatterhand zelf zal ongewapend de snelstromende rivier moeten oversteken, gevolgd door het Apachenopperhoofd Intshu tshuna, die hem onderweg met de tomahawk zal trachten te doden. Hoewel de kansen zeer ongelijk zijn, slaagt Old Shatterhand er door een list in de overkant het eerst te bereiken en het opperhoofd te overmeesteren. Ik gaf hem met de platte kant van de bijl een klap tegen de slaap – hij reutelde, kromde zich krampachtig en strekte zich uit. De indianen aan de overkant meenden dat ik hem doodgeslagen had en er klonk een angstwekkend gehuil op. Ik bond het stamhoofd met zijn gordel de armen langs het lichaam, droeg hem naar de ceder en legde hem neer. Daar liet ik hem liggen en rende naar de oever terug, omdat ik tal van indianen in het water zag


springen. Winnetou voorop. Voor mij en mijn vrienden zou dat gevaarlijk kunnen worden, als de Apachen niet bereid bleken hun woord te houden. Van de oever riep ik daarom: ‘Terug! Het opperhoofd is niet dood, alleen bewusteloos. Maar als u hier komt, moet ik hem doden. Alleen Winnetou mag de rivier overzwemmen. Met hem wil ik praten.’ Zij trokken zich van mijn waarschuwing niks aan. Toen richtte Winnetou zich hoog op in het water, zodat allen hem zagen, en riep hun iets toe dat ik niet verstond. Zij maakten rechtsomkeert en hij zwom alleen naar mij toe. Ik wachtte op de oever en liet hem aan land komen. ‘Heel verstandig uw krijgers terug te sturen,’ zei ik. ‘Zij zouden uw vader in gevaar hebben gebracht.’ ‘U hebt hem dus niet met de tomahawk doodgeslagen?’ ‘Nee. Hij dwong me hem buiten kennis te slaan; hij wilde zich niet overgeven.’ ‘U had hem kunnen doden!’ ‘Ik dood niet graag een vijand en zeker de vader van Winnetou niet, voor wie ik veel eerbied heb. Hier hebt u zijn wapen.’ Hij nam de tomahawk van mij aan, bleef me lang aankijken en riep ten slotte uit: ‘Wat is Old Shatterhand toch voor een man! Wie kan hem begrijpen? Hij geeft mij zijn bijl zonder te weten of wij woord zullen houden. Weet hij dat hij daardoor aan mij overgeleverd is?’ ‘Ik ben niet bang. Ik heb altijd mijn vuisten nog en Winnetou is geen leugenaar, maar een nobel krijger, die zijn woord niet zal breken.’ Hij stak mij de hand toe. Zijn ogen glansden. ‘Zo is het. Old Shatterhand is vrij en de andere bleekgezichten ook, behalve de man Rattler.’ Bij de ceder maakten wij de armen van het opperhoofd los. Winnetou onderzocht hem en zei: ‘Hij leeft, maar zal laat wakker worden en daarna lange tijd hoofdpijn hebben. lk kan hier niet blijven. Ik zal enkele mannen naar hem toe sturen. Gaat mijn broeder Old Shatterhand met mij mee?’ Voor het eerst noemde hij mij ‘broeder’. Hoe vaak heb ik later deze naam uit zijn mond gehoord en hoe oprecht was dat steeds gemeend! Wij gingen terug en zwommen de rivier over. De indianen wachtten ons gespannen op. Toen we uit het water waren gestapt, nam Winnetou mij bij de hand en riep luid: ‘Old Shatterhand heeft gewonnen. Hij en zijn drie vrienden zijn vrij!’ ‘Oef, oef, oef!’ riepen de indianen. Winnetou stuurde twee Apachen naar zijn vader op de andere oever. Tangua keek somber voor zich uit. Ik had met hem nog iets te vereffenen, want hij moest gestraft worden voor zijn leugens en zijn pogingen om ons te laten doden. Winnetou liep hem voorbij, zonder hem aan te kijken. Hij bracht me naar de palen waaraan mijn drie vrienden gebonden waren en gaf mij zijn mes.


‘Snijd ze los. U hebt verdiend dit zelf te doen.’ Ik sneed de touwen door. Ik was nog niet klaar of het drietal wierp zich op mij en drukte mij zo krachtig aan de borst, dat ik het benauwd kreeg. Sam zei, terwijl de tranen hem uit zijn oogjes in zijn baard liepen: ‘Kerel, als ik je ooit vergeet, mag de eerste de beste beer me verslinden, met huid en haar! Hoe is het nu gegaan? Je was weg en je was zó bang voor het water, dat iedereen je als verdronken beschouwde.’ ‘Ik zei toch: “Als ik verdrink, zijn we gered’’?’ ‘Heeft Old Shatterhand dat tevoren gezegd?’ vroeg Winnetou verbaasd. ‘Het was dus maar een spel?’ ‘Ja,’ zei ik. ‘Mijn broeder is dus onder water stroomopwaarts gezwommen en aan de overkant stroomafwaarts, zoals ik al dacht. Mijn broeder is sterk als een beer, maar ook listig als een prairievos. Zijn vijand moet voorzichtig zijn.’ ‘Zo’n vijand was Winnetou.’ ‘Hij is het niet meer.’ ‘U gelooft die leugenaar Tangua dus niet meer?’ Hij keek me lang en onderzoekend aan en stak me opnieuw de hand toe. ‘Winnetou gelooft Old Shatterhand.’ VRAGEN 1. Zoek in de tekst woorden en uitdrukkingen die kennelijk passen bij de taal van de indianen. Wat valt je op aan het taalgebruik dat May ze in de mond legt? 2. Met wat voor soort films of verhalen van nu kun je de boeken van Karl May het best vergelijken? 3. Welke overeenkomst zie je tussen Old Shatterhand en Winnetou? Waarom zou Karl May Old Shatterhand zo bewonderen?


Literatuursfragmenten