Page 1


2


3


4


De slipper van Maria Bonita Een liefdesverhaal uit Pernambuco

Liesbet Ruben Babette van Ogtrop Aan deze kant van het boek volg je Maria Bonita. Keer het boek om voor het verhaal van Nino Break.


2


Inhoud Het binnenland van Pernambuco  4 Ik ben Maria Bonita   23 Maria praat, Derlon luistert   33 Rietkappers dansen de maracatu   41 Suikerfabriek Diamant  47 Klei  55 Mestre Vitalino, de beroemdste kleikunstenaar   59 J. Borges, dichter en houtsnijkunstenaar   65 Bezerra, de stronkenkunstenaar   73 Het dorp van de tien sterke vrouwen   83 De Capibar  91


Het binnenland van Pernambuco

4


Maria Bonita houdt van het binnenland van Pernambuco*

*Pernambuco [spreek uit: Pernamboekoo] is een deelstaat in het noordoosten van BraziliĂŤ. Recife [Resiefie] is de hoofdstad. 5


Waar ossenkarren over zandpaden rijden

6


Waar de natuur altijd dichtbij is 7


Waar de hardheid van het bestaan de mensen sterk en trots maakt

8


Waar de zon een monster is 9


Waar honden waternamen hebben: Sardientje, Walvis of Krabbetje 10


Waar de bandieten Lampi達o en Maria Bonita worden bewonderd als helden

11


Waar mensen de tijd hebben 12


Waar iedereen elkaar kent

13


Waar dans en muziek van iedereen zijn

14


Waar de krijgers van Pernambuco dansen met lansen

15


Waar Luiz Gonzaga 780 liedjes schreef en zong over de sertĂŁo*

*De sertĂŁo [sertauw] is het ruige, dorre binnenland van het noordoosten van BraziliĂŤ. Alleen mensen, dieren en planten die goed tegen de droogte kunnen, overleven hier. 16


Waar de jongens liedjes zingen voor de meisjes 17


Waar de namiddag het gezelligste moment van de dag is

18


Waar iedereen op slippers loopt

19


Waar eierschalen bewaard worden

20


Waar de klei uit de rivier verandert in een vaas 21


Waar de Capibaribe* en de Beberibe* naar zee stromen Daar drijft een witte teenslipper mee met de stroom

*In de taal van de Tupi-indianen [Toepi] betekent Capibaribe [Kabiebaríebie] ‘de rivier van de capibara’s, de waterzwijntjes’. Beberibe [Bèberíebie] betekent ‘daar waar het suikerriet groeit’. 22


Ik ben Maria Bonita 23


Maria Bonita, dat is mijn apelido [apelĂ­edoe], mijn roepnaam. Omdat ik net als de echte Maria Bonita van avontuur en paardrijden hou. Al woon ik in de stad, ik hou van het binnenland van Pernambuco. Hier in de stad speel ik in de maracatu*groep de alfaia-trommel. Deze trommel hoor je van ver. Het geluid dringt diep in je hart door. 24

*De maracatu is ontstaan in de slaventijd. Sommige slaven waren Afrikaanse koningen. Andere slaven gingen hen eren met muziek en dans. Zo ontstond de maracatu die nu vooral in de stad gespeeld wordt. Je hoort de Afrikaanse ritmes. Met carnaval loopt in de maracatu optocht een koning en koningin. Zij zijn hebben kostuums aan zoals koningen en koninginnen die droegen in Europa. In de maracatu zit de ziel van Pernambuco. De ziel van de mix.


Met die trommel voel ik dat ik de hele wereld aankan. Het ritme neemt me mee naar de suikerrietvelden, waar de maracatu vandaan komt. Met carnaval trekken de rietkappers naar de stad en dansen de maracatu. Onvermoeibaar. De trommelslagen zijn als het kappen van het suikerriet. De beweging met de trommelstokken is als het kapmes dat de stengel snijdt. Ik hou van keihard trommelen. Het is vermoeiend, daarom sla ik soms een slag over. Niemand merkt dat, want ik blijf in het ritme.

25


26


De echte Maria Bonita was een bandiet. Ik heb over haar gelezen. In haar tijd was er veel armoede, vooral in de droge sert達o. Rijke kolo足nels woonden in grote boerderijen en onderdrukten de bevolking. De politie hielp de rijken. Er waren bendes die tegen de rijken en de politie vochten. Ze waren altijd op de vlucht en stalen wat ze te pakken konden krijgen. De beroemdste bendeleider was Lampi達o [Lampiauw], Olielamp. Die bijnaam kreeg hij vanwege het lichtje dat je zag als hij een schot loste. Dat flakkerde als een olielamp. Lampi達o was kleermaker voordat hij bandiet werd.

27


Zijn bekendste ontwerp is de bandietenhoed met sterren en munten, de voorste rand omgeslagen.

28


Mooie Maria werd verliefd op Lampi達o. Ze ging mee met zijn bende woeste mannen. Ze zeggen dat Maria Bonita ook mensen neerschoot. De bende trok van dorp naar dorp door het dorre struikgewas vol venijnige stekels. Ze reden op paarden en waren van top tot teen in leer gekleed, als cowboys. Altijd zat de politie hen op de hielen. Bij een gevecht met de politie stootte Lampi達o zijn oog in een cactusstekel. Aan dat oog werd hij blind. Hij werd een bandiet met een bril. Maria Bonita en Lampi達o kenden de weg door het struikgewas in de sert達o. De bevolking gaf hen onderdak op hun vlucht. De bende maakte een dwaalspoor voor hun achtervolgers. Ze bonden omgekeerde zolen onder hun laarzen, met de neus naar achteren. Voor mij zijn deze bandieten helden, omdat ze vochten tegen de machthebbers, die de arme bevolking slecht behandelden. Niet iedereen denkt daar zo over. Sommigen noemen hen moordenaars en een slecht voorbeeld voor de mensen. 29


Maria Bonita en Lampi達o zijn gruwelijk aan hun einde gekomen. Ze liepen in een hinderlaag van de politie. De spoorzoekers van het politieleger trapten niet meer in hun dwaalsporen. Ze konden zien waar de bandieten door het struik足gewas waren gereden. Ze zagen vers afgebroken takjes en stenen die nog wiebelden. En vooral, ze roken de bende. Een verkenner rook het Franse parfum dat Lampi達o gebruikte tegen zijn stank van modder en zweet. Zo vonden de achtervolgers de schuilplaats van de hele bende. De hoofden van de bandieten werden afgehakt en tentoongesteld.

30


Er wordt verteld dat Lampião na zijn dood niet is toege­laten in de hel. Hij was zelfs voor de hel te slecht. Hij moest voor straf terug­keren naar de woestenij van het noordoosten van Brazilië. Zijn geest dwaalt daar nog steeds rond in de droge sertão. Hij loopt schietend tussen de cactussen. Maar of ik dat moet geloven? 31


Ik ken dit verhaal over hun leven en dood uit de cordel-boekjes [cordèl] die ik las. Van die goedkope boekjes aan een koord. Iedereen koopt ze. De verhalen zijn op rijm geschreven. In het noordoosten geloven we een verhaal pas echt als het in een cordelboekje staat.

32


Maria praat, Derlon luistert Maria Bonita gaat langs bij haar vriend Derlon. Hij is een bekende straatkunstenaar. Door de hele stad zie je zijn muurschilderingen. Zijn werk valt op, omdat het helder en strak is: zwarte lijnen met af en toe een kleurvlak. Derlons stijl is echt van Pernambuco. Zijn werk lijkt op de omslagen van de cordelboekjes. 33


‘Ik mix cordel en pop-art,’* zegt Derlon over zijn werk. ‘Ik heb er een eigen stijl van gemaakt, die goed opvalt. Een mix van fantasie en echt. Alles kan als je kunstenaar bent. Je kan je eigen wereld maken.’

*Pop-art kunstenaars maken populaire kunst, kunst zonder ingewikkelde betekenis. Wat je ziet, dat is het. 34


‘Oi Derlon, tudo bom [toedoe bong]?’* Derlon omhelst Maria Bonita. ‘Tudo bem [toedoe beng].’* Maria schopt haar slippers uit en ploft neer op de bank. Derlon zet het schilderij waar hij mee bezig is tegen de muur. Het is een echt paar. Man en vrouw, zoals je ze van Derlon overal op de muren van de stad tegenkomt. Het is een van zijn lievelingsonderwerpen. Maria Bonita praat honderduit. ‘Derlon, ik wil een tijdje de stad uit. Ik mag de auto van mijn moeder lenen.’ Derlon is geen prater. Hij luistert.

‘Het is uit met mijn vriendje. Ik wil weg, een paar dagen de drukte achter me laten. Even rust aan mijn hoofd en tot mezelf komen. Ik mis de vogels, de heuvels, de paarden, de rietvelden en de maracatu. Derlon, ik wil naar de roots van de maracatu. De maracatu, dat is mijn lust en mijn leven, dat weet je toch? De maracatu dringt diep door in mijn hart. Ik volg mijn hart. Derlon, ik ga naar mijn geboortestreek.’ Derlon knipoogt. ‘Moet je doen.’

*Braziliaanse groet. De een vraagt: tudo bom? De ander antwoordt: tudo bem. Alles goed? Alles goed. 35


Terwijl Maria Bonita haar telefoontje zoekt in haar tas, pakt Derlon stiekem haar slippers onder de bank vandaan. Met een viltstift tekent hij dikke zwarte lijnen op het witte rubber.

36


Maria Bonita belt haar leraar op de school voor journalistiek, om te zeggen dat ze een paar dagen niet komt. Hij houdt net als Maria veel van het binnenland van Pernambuco.

*Mestre betekent meester. *Quilombo is de Braziliaanse naam voor een plek waar gevluchte slaven zijn gaan wonen *Boa viagem betekent goede reis.

‘Ja Maria Bonita, goed idee, ga op pad. Je zal er niet alleen de armoede en de droogte en de problemen zien. In die armoede heeft zich een grote rijkdom ontwikkeld. Mensen die niet kunnen lezen of schrijven kunnen grote dichters zijn. Ze maken gedichten die door straatzangers gezongen worden. Ze zingen over de ziel van Pernambuco. Die ga je leren kennen, Maria Bonita. Bezoek de dichter en houtsnijder Borges [Bórzjes]. Ga ook naar het huis van mestre [mestrie]* Vitalino voor zijn kleifiguren. Bij de Witte Bergen woont de stronken­ kunstenaar Bezerra.

Zie wat de kunstenaars van het binnenland maken, met wat de natuur te bieden heeft. Als je tijd hebt om verder te gaan, kun je naar een Quilombo* gaan, waar sterke vrouwen voor hun rechten vechten. Echt iets voor jou. Groet het binnenland van mij. Veel geluk. Goede reis. Boa viagem [bowa viazjeng].’*

37


Maria Bonita staat op. Ze gaat vertrekken. ‘Hé, waar zijn mijn slippers?’ Dan pas ziet ze dat Derlon haar slippers een gezicht heeft gegeven. Haar gezicht, op z’n Derlons. Hij legt de slippers voor haar voeten. Maria vliegt Derlon om de hals. ‘Abraço [abrassoe],* ik omhels je. Muito obrigada [moeitoe obrigáda],* beijos [beizjoes].* Je bent een echte vriend. Deze slippers gaan me geluk brengen.’

Op haar Derlon-slippers stapt ze de deur uit. De leeuw van klei naast de deur krijgt een aai over zijn krullenkop. ‘Tchau* leeuw, ik ga naar je geboortedorp.’

*Abraço betekent omhelzing. In Brazilië wordt veel omhelsd. *Muito obrigada zeg je als meisje als je ‘heel erg bedankt’ zegt. Als jongen zeg je muito obrigado [moeitoe obrigádoe]. *Beijos betekent kusjes. *Tchau betekent doei. 38


Derlon gaat weer naar zijn schilderij. Hij kijkt tevreden naar het mannetje en het vrouwtje. Die staan er goed op, samen. Hij denkt aan Maria Bonita met aan haar voeten de beschilderde slippers. Wat gaan ze meemaken? Dan krijgt hij een idee. Hij loopt de deur uit en koopt op de hoek een paar witte slippers. 39


Maak je eigen slipperontwerp

40


Rietkappers dansen de maracatu In de ochtend rijdt Maria in haar moeders auto de stad uit. Het eerste uur rijdt ze door wijken met nauwelijks een boom. Daarna ziet ze groene heuvels zo ver ze kijkt. Na nog een uur rijden komt ze bij suikerrietvelden. 41


42


Een paar rietkappers rusten uit in de schaduw van een jaca-boom [zjáka].* Maria Bonita herkent een van de mannen. Ze stopt en stapt uit om hem te groeten. Het is Marcos. Hij is zo bezig met zijn mobieltje, dat hij haar eerst niet opmerkt. ‘Oi Marcos, ken je me niet meer? We hebben met carnaval in Recife een nacht lang gefeest.’ ‘Natuurlijk Maria, wie kan jou vergeten? Wacht, ik maak het goed met je en pluk de grootste jaca-vrucht voor je.’

*Aan de jaca-boom groeien grote jaca-vruchten. Buiten Brazilië heten ze jackfruit. 43


‘Dans je nog steeds als lansdrager? Alleen rietkappers als jij zijn sterk genoeg om de maracatu-dans vol te houden. Die mantel is loodzwaar en dan dans je ook nog met die zware bellen op je rug. Hoe hou je dat vol, de hele lange nacht?’ Marcos gaat zitten en begint plechtig te vertellen. 44


‘Als ik dans met mijn mantel, lans, pruik, zonnebril en bloem in de mond voel ik me een machtige krijger van Pernambuco. Wij zijn de lansdragers in de maracatu. Wij zijn de beschermers van de oude tijd. De tijd waarin indianen en zwarten als slaven* werkten op de suikerrietvelden. In de maracatu zit het harde werken, het bloed en het zweet van de rietkappers. Hun schreeuw van pijn klinkt door in de maracatu. De maracatu is een gevecht. We testen onze krachten. De ene groep tegen de andere. Het is geen spelletje. Nou ja, een beetje. Het is half spel, half strijd. We vechten met woorden, muziek en dans. En als de anderen ons uitdagen, steken we ze met onze lansen.’

*Als slaaf ben je het bezit van iemand die je gekocht heeft. Je wordt niet als mens gezien. Je krijgt geen cent voor je werk. Je kan niet weg. Je eigenaar doet met je wat hij wil. 45


‘Ho, ik heb al te veel gezegd. Eigenlijk is de maracatu één groot geheim. Zo groot, dat niemand zelfs weet waar het woord ‘maracatu’ vandaan komt. En wat de bloem in onze mond betekent, kan ik je ook niet vertellen. Maar ik kan je wel een tip geven. Maria, ben je wel eens bij een oude suikerfabriek geweest? Daar voel je de roots van de maracatu. Mijn vriend Biu [Bieoe] fietst er nu naartoe. Hij vist daar in de rivier. Rij maar achter hem aan.’ ‘Tchau Marcos, até logo [atee lògoe],’* zegt Maria snel en springt in haar auto. Ze rijdt achter Biu aan over een hobbelige zandweg.

*Até logo betekent tot ziens. 46


Suikerfabriek Diamant De weg loopt door de heuvels en langs de suikerrietvelden. Bij de rivier ligt de verlaten suikerfabriek. Biu zet zijn fiets neer en hangt zijn visnet uit. ‘Maria, ik kan je niet veel vertellen over deze suiker­ fabriek. Ik heb wel het telefoonnummer van de eigenaar voor je.’ Maria Bonita belt de eige­naar. 47


De eigenaar vertelt wat hij weet. ‘De suikerfabriek heet Diamant. Nadat in 1888 de slavernij in Brazilië was afgeschaft, vertrokken de meeste vrijgekomen slaven naar de stad. Sommigen bleven, als er hier betaald werk voor ze was. Vanaf 1904 zijn de suikerrietvelden en de fabriek en de gebouwen in het bezit van onze familie. We weten nog steeds niet wat we met de lege gebouwen gaan doen. Bel me gerust als je nog meer wil weten. Até logo. Tchau.’

48


Maria Bonita loopt naar de rivier. Het scherpe gras snijdt in haar benen. Het bloedt. Bij de rivier spoelt ze haar benen schoon. Ze kijkt naar Biu die zijn visnet met een sierlijke boog in de rivier gooit, een eind verderop. Ze zwaait naar hem. Hij ziet haar niet. ‘Kra, kra!’ Ze schrikt van een akelige schreeuw. Haar linkerslipper schiet van haar voet. Plons, de rivier in. Een kraai vliegt rakelings over. De slipper drijft mee met de stroom. Ze kan er niet bij. ‘Die ben ik kwijt. Stomme pech. Op de eerste dag van mijn reis verlies ik een geluksslipper.’ Ze kijkt de slipper na tot ze de witte stip niet meer ziet. De rivier neemt de slipper mee in de stroom naar zee. Maria Bonita hinkelt terug naar de auto. Ze voelt zich alleen. Ze huilt. 49


Maria Bonita gaat in haar auto zitten. Ze kan niet stoppen met huilen. Ze huilt om de schrammen op haar benen. Ze huilt om haar verloren geluksslipper. Ze huilt om wat zich hier op deze grond heeft afgespeeld. ‘Het is ook míjn geschiedenis. Een onvoorstelbare geschiedenis. Een geschiedenis van hebzucht en avontuur. Van gestolen en van doorverkochte mensen. In die kerk daar werd tot God gebeden.’

50


‘In dat woonhuis leefde de eigenaar van de fabriek met zijn gezin. Ze hoefden niets te doen. Overal hadden ze bediendes voor. In het gebouw bij de rivier werd het suikerriet geperst. Loodzwaar werk. Op de velden werkten de rietkappers tot ze er dood bij neervielen. De rietkappers kwamen uit Afrika. Ze woonden en werkten ver weg van hun familie en van hun geboortegrond. In Afrika waren ze gevangen genomen, in het ruim van een schip gestopt en naar Zuid-Amerika vervoerd. Mannen, vrouwen en kinderen zijn als koopwaar naar Brazilië verscheept.’ 51


‘Op de markt in Recife werden zij verkocht aan Portugese en Nederlandse plantage-eigenaren* om als slaaf voor hen te werken. Die plantage-eigenaren zagen de Afrikanen niet als mensen maar als bezit, als werkkracht. De plantage-eigenaren en suiker­ handelaren hadden maar één doel: zoveel mogelijk winst maken met het verkopen van suiker. Suiker was iets nieuws voor de mensen in Europa. Om ze daar in Europa te laten genieten van de zoete smaak werden hier, op deze Braziliaanse grond, mensen afgebeuld. Mensen die niets hadden. Het enige dat ze uit Afrika hadden kunnen meenemen, waren de liedjes in hun hoofd, de woorden van hun taal, de klanken van hun muziek en de goden die ze aanbaden.

Maracatu, maracatu. In die klanken zit de schreeuw van pijn en het geheim waar Marcos over sprak.’

*De Nederlanders vielen in 1630 Pernambuco binnen. Zij veroverden het stukje bij beetje. Gouverneur graaf Maurits bouwde Mauritsstad. Na zeven jaar moest hij terug naar Nederland. Toen grepen de Portugezen hun kans en versloegen de Nederlanders. Vanaf 1654 waren de Portugezen weer de baas. Ze noemden Mauritsstad Recife. 52


53


Maria is gestopt met huilen. Ze denkt aan haar eigen leven en waar ze vandaan komt. Zij hoort bij deze geschiedenis. Door haar tranen heen voelt ze de kracht van de maracatu. De kracht van het binnenland. Ze wil het binnenland beter leren kennen. Maria plaatst een berichtje op Facebook.

Maria start de auto. Ze rijdt over de zandweg terug naar de grote weg. Biu is in geen velden of wegen meer te bekennen. 54


Klei Maria Bonita overnacht in een dorp vol klei-kunstenaars. De volgende dag bezoekt ze hun werkplaatsen. Mestre Nuca is beroemd om zijn leeuwen met krullen. Dona NoĂŞmia kleit vrouwen met mooie gezichten en bloemenrokken. Zij heeft veel te vertellen. Zelfs Maria Bonita valt stil als Dona NoĂŞmia vertelt. 55


56


*Cumadre Florzinha is mevrouw Bloempje.

‘In mijn leven heb ik veel ongeluk gekend. Als ik klei, ben ik gelukkig. Mijn moeder ging dood toen ik zes jaar was. Mijn stief­ moeder was een heks, een door en door gemene vrouw. Ik werd door haar geschopt, geslagen en gebeten. De hele dag hoorde ik: doe dit, doe dat. Als mijn vader thuiskwam, had ik nog niets gegeten. Dan zei ze tegen mijn vader dat ik haar eten weigerde. Ik ben weggevlucht, het huis uit. Ik heb me verstopt in het bos. Daar bleef ik helemaal alleen, 25 dagen lang. En toen gebeurde er een wonder. Ik werd gered door Cumadre Florzinha [Koemadre Florzienja].* Zij met die lange haren tot op de grond. De meeste mensen zijn bang voor haar. Ze was het kind van een indiaanse moeder. De stam had haar verstoten en ze vluchtte het bos in, net als ik. Nog steeds doolt haar geest er rond. Ze straft iedereen die het bos kwaad doet. Dan trekt ze aan je haren. Of ze slaat je met haar lange haar. Jagers zijn doodsbang voor haar. Die gaat ze met plantenslierten te lijf. Maar als je haar tabak geeft of pap met honing, dan wijst ze je waar eetbare bessen groeien. Dan zorgt ze dat slangen en spinnen je niet bijten en dat het scherpe gras je niet snijdt. Ook al had ik natuurlijk geen tabak en pap met honing bij me, ze wees me toch de eetbare bessen. Het scherpe gras sneed me, maar het deed geen pijn. Ik leefde in het bos, beschermd door mevrouw Bloempje. Na 25 dagen liep ik het bos uit, op mijn blote voeten. 57


‘Ik ging mee met een circus dat langs­ kwam. Toen ik bijna dertig jaar was, wilde ik mijn leven veranderen. Ik droomde dat ik bij een kerk woonde. Toen het circus in dit dorp aankwam, herkende ik de kerk uit mijn droom. Hier ben ik gebleven. Hier heb ik de klei ontdekt. Klei hoort bij mij. Kijk naar mijn handen. Handen om mee te kleien. Vind je niet? 58

Ik ga een Iemanjá-beeld maken met jouw gezicht, Maria Bonita. Je hebt een mooi gezicht. Ik maak haar niet met een vissenstaart, niet als zeemeermin. Ik maak haar als Onze Lieve Vrouwe, zoals ze hier in de kerk staat. Ik geef haar zeeparels in de handen, want ze kwam van overzee. Iemanjá zal je geluk brengen. Ze is de godin van de zee. Je kunt haar alles vragen. En soms geeft ze je zelfs waar je niet om vraagt. Ik ga Iemanjá vragen om je te bescher­men als je zo alleen op reis bent.’ Maria Bonita omhelst Dona Noêmia, die nog wel uren door kan vertellen. Maar het is tijd om verder te gaan. Abraço, op naar het huis van mestre Vitalino.


Mestre Vitalino, de beroemdste kleikunstenaar Het vroegere woonhuis van mestre Vitalino is nu het Vitalinomuseum. Als hij nog leefde, zou hij over de honderd zijn. 59


Voordat mestre Vitalino beroemd werd, maakten ze hier in deze streek al van alles van klei. Vooral beelden van heiligen, voor in de kerk en voor thuis. En in die tijd waren alle potten, pannen, borden en bekers nog van klei. Vitalino kleide de mensen die hij om zich heen zag. Heel precies kleide hij schoen­ makers, kleermakers, was­ vrouwen, boeren, cowboys, potten­bakkers, muzikanten en een politieagent die een kippendief vangt. Later kleide hij moderne beroepen, zoals een tand­arts, een huisarts, een kapper, tabaks­ verkopers en een veearts. Zijn zoon Severino heeft het kleien van zijn vader over­ genomen.

60


61


In het huis bekijkt Maria Bonita het werk van mestre Vitalino en ze leest over zijn leven. De jonge Vitalino maakte al diertjes van klei toen hij zes jaar was. Hij kleide de dieren die hij om het huis zag: de os, de ezel, de geit, het paard, de hond en de wilde kat.

62


Een tijd lang werd er veel gevochten in de streek. Toen kleide hij bandieten, soldaten, advocaten en politici. Tijdens de ergste droogte zag hij arme families wegtrekken uit deze sert達ostreek. Ze gingen hun geluk beproeven in de stad. Die families kleide hij ook. Wegtrekkers heetten ze. Maria Bonita leest hoe belangrijk mestre Vitalino is voor Pernambuco. Vitalino was een man die de bittere armoede zelf had gekend. Hij had oog voor de arme en gewone mensen. Hij gaf ze respect door mooie beeldjes over hun leven te maken. Door zijn beeldjes leerden mensen van buiten de streek het leven van de mensen uit Pernambuco kennen.

63


In zijn dorp wonen nu wel tweehonderd kleibeeldjesmakers. Mestre Vitalino is hun voorbeeld. Zijn werk staat in grote musea. Mestre Vitalino is de beroemdste kleibeeldjesmaker van de wereld. 64


J. Borges, dichter en houtsnijkunstenaar Maria Bonita stapt de werkplaats binnen van de meester van de houtsnedes, J. Borges. Nog zo’n beroemde kunstenaar van Pernambuco. Terwijl hij met Maria praat, tekent hij een broodmagere geit en schrijft zijn naam erbij in spiegelschrift: Schrijf hier jouw naam in spiegelschrift:

‘Als je houtsnedes maakt, moet je goed in spiegelschrift kunnen schrijven,’ zegt hij.


Dan begint hij aan het uitsnijden van de geit, en vertelt hoe het begon. ‘Vanaf mijn achtste jaar werkte ik op het land met mijn vader. Radio en tv waren er nog niet. Op feestdagen kwam er een poppen­speler langs. Hij speelde de verhalen van de streek. Over de rijke land­ eigenaar met zijn mooie dochter. En over de knecht die haar probeert te verleiden.

Op de markten traden straatzangers op. Ze zongen over engelen en over duivels, over bandieten en over heiligen, over sprookjesdieren en echte dieren en over een dame met lang haar in het bos. Al die figuren prikkelden mijn fantasie. Je kon boekjes met de liedteksten bij ze kopen. Toen ik jong was, hadden we maar één man in de familie die kon lezen. Met kerst las hij voor, de hele nacht. Wat ik het allerliefst wilde in mijn leven, was leren lezen en schrijven.’

66


‘Op een mooie zondagochtend was ik met mijn vader in een winkeltje. Er kwam een man binnen die op de grote boerderij les ging geven. Mijn vader vroeg hem of hij nog een plekje over had voor een onwetende. ‘Ja meneer Borges,’ zei hij, ‘daar heb ik altijd plek voor.’ ‘Zo kleine domoor,’ zei mijn vader tegen me. ‘Morgen ga je naar school. Als je je niet gedraagt, krijg je van mij een draai om je oren.’ Ik kreeg een schrift, een potlood en een kaart met het ABC erop. Van opwinding kon ik de hele nacht niet slapen. Die maandagochtend ging ik voor het eerst naar school. Ik heb tien maanden op school gezeten. Ik heb leren lezen en schrijven. Ik ben mijn leraar nog steeds dankbaar. Zo, de geit is klaar om afgedrukt te worden.’

67


Ik heb meer dan tweehonderd verschillende boekjes gemaakt. De houtsnedes op de voorkant en de gedichten binnenin zijn van mij. De verhalen heb ik van horen zeggen, zelf meegemaakt of zien gebeuren. Ik leer nog elke dag. Een mens, hoe oud hij ook is, moet altijd blijven leren.

Ik heb goede mensen leren kennen, Brazilianen en mensen van over de hele wereld. Mijn werk heeft me naar mooie plekken op de wereld gebracht. De mensen noemen mijn werk kunst.’ 68


J. Borges in 1972 met twee van zijn zonen.

‘Ik heb veel kinderen gekregen. Mijn hele familie zit in de zaak. Mijn aangenomen zoon Miguel neemt mijn werk over. Hij is nu de beste houtsnijder van de familie.’ 69


70


71


Maria Bonita maakt een foto van een houtsnede van J. Borges met het monster van de Sert達o. Ze plaatst de foto op Facebook.

72


Bezerra, de stronkenkunstenaar De volgende ochtend vertrekt Maria Bonita in alle vroegte. Voor haar ligt in de leegte niets anders dan de weg. Maria Bonita voelt zich alleen. De zon komt op, een enorme oranje bol. Een stralende zon. In een paar tellen is het van aardedonker licht geworden. De natuur komt tot leven. Er vliegt een vogel door het beeld, een valk. Hij zweeft op de lucht, moeiteloos, dan zwenkt hij af. Met ĂŠĂŠn vleugelslag verdwijnt hij uit het zicht. Nooit zal Maria Bonita dat beeld vergeten. 73


Nu rijdt ze naar de bergen waar al oneindig lang indianen wonen. Maria is hier nooit geweest. Dit is het gebied van de indianenstam van haar betovergrootmoeder. Ze stopt bij een hotelletje in de plaats met de indiaanse naam Witte Bergen. De luiken van de ramen en deuren aan het plein zijn dicht gedaan tegen de felle zon. Een ossenkar staat klaar om een ton water naar een huis zonder waterleiding te brengen. In de sert達o valt het grootste deel van het jaar geen druppel regen. Hier overleven alleen de mensen, dieren en planten die hier opgegroeid zijn, de doorzetters. Morgenochtend gaat Maria op bezoek bij Bezerra, de stronkenkunstenaar. 74


De volgende ochtend rijdt Maria Bonita het zandpad af naar het huis van de stronkenkunstenaar. ‘Is dit het goede pad?’ Ze vraagt het aan een jongen op een brommer en een man met een ezelkar. ‘Volg dit pad tot je bloeiende cactussen ziet.’ 75


76


Bezerra loopt Maria Bonita al tegemoet. In de schaduw van een boom begint hij meteen te vertellen. ‘Ik zie vormen in de natuur, vooral van dieren. Als ik een boomstam zie, dan zie ik gezichten en lichamen. Kijk naar de buik van deze boom. Elke boomstam is een uniek kunstwerk. In de natuur vind je geen lelijke vormen. Zie je die berg? Kijk naar hoe de cashew­noot haar vrucht draagt. Kom mee naar mijn huis en mijn erf. We heten je welkom, mooie Maria.’

77


Als Maria het erf van Bezerra oploopt, krijgt ze de mooiste ontvangst die er bestaat. Honderden gezichten kijken haar aan. Voeten lopen haar tegemoet. Beelden dansen en juichen. Er staan beelden grappig te grijnzen. En er zijn beelden die gewoon mooi staan te wezen. 78


79


‘Mijn beelden zijn mijn gezelschap. Als ik zonder mijn stronken ben, voel ik me alleen. Dat is de kunst van het leven, dat je moet vinden bij wie je hoort. Ik hoor bij hen.’

80


81


Bezerra wijst op een stronk waar een vogelnest van klei aan vast zit. ‘Gemaakt door Jan Klei, kleikunstenaar en architect.’ Maria Bonita denkt: moet ik die kennen? Maar Bezerra heeft het over een vogeltje dat Jan Klei genoemd wordt, João de Barro [Zjiauw djie Bahhoe]. ‘Als het geregend heeft, verzamelt het vogeltje klei op de grond en bouwt zijn nest. Elk jaar opnieuw. Ik vond deze stronk met een nest van vorig jaar. Aan dit kunstwerk van de natuur hoef ik niets te doen. Het is perfect.’

82


Het dorp van de tien sterke vrouwen Maria Bonita rijdt de volgende dag verder. Verder dan ze ooit geweest is in het droge binnenland van Pernambuco. Ze gaat naar het dorp van de sterke vrouwen. Alfredo, een dorpsbewoner, komt haar met de brommer tegemoet gereden om de weg te wijzen. Het dorp is moeilijk te vinden. Achter elkaar rijden ze door het droge land, waar de zon een fel brandend monster is en alleen stekelige planten groeien. In dit gebied vochten Lampi達o en Maria Bonita tegen de rijke boeren. 83


Ze rijden het dorp binnen. Het plein met de kerk ligt te zinderen in de zon. De lucht trilt van de hitte. Alfredo opent de kerkdeur. ‘In deze kerk staat een Mariabeeldje waar een verhaal aan vast zit Zes vrouwen en één man droegen het met zich mee toen ze hier tweehonderd jaar geleden aankwamen. Ze waren weggevlucht van een plantage waar ze als slaven moesten werken.’ 84


‘Dit Mariabeeldje heeft hen beschermd, zo vertelt het verhaal. De zes vrouwen en de man bleven hier wonen en mengden zich met de indianen.’

Alfredo leidt Maria Bonita verder door het dorp. Hij vertelt over de rijke boeren die hier later kwamen wonen. ‘Alle dorpsmensen gingen voor de rijke boeren werken. Die boeren betaalden veel te weinig voor het harde werken.’ 85


‘Zij woonden in grote huizen. Hun kinderen kregen privéles. Als die kinderen twaalf jaar waren, gingen ze naar een goede school in de stad. Ze gingen niet om met de dorpskinderen. Voor onze kinderen was er geen school. Dat vonden de rijke boeren normaal. Ze zeiden: ‘Waarom zouden jullie kinderen naar school moeten? Dat is nergens voor nodig. Zonde van het geld en de moeite.’ Zij vonden hun eigen kinderen meer waard dan onze kinderen. Die rijke boeren wonen hier niet meer. Ze spelen nog wel de baas. Ze zeggen dat de grond hier van hen is. Alleen voor heel veel geld willen ze grond verkopen. Wij vechten al jarenlang voor onze rechten op de grond. Onze vrouwen zijn de beste voorvechters. Wij zijn het dorp van de sterke vrouwen. Onze woordvoerster heet Francisca, net als een van de zes sterke vrouwen die hier ooit aankwamen met het Mariabeeldje. Om allebei de sterke Francisca’s nooit te vergeten, is een poppetje naar haar genoemd.’ Alfredo neemt Maria mee naar Bernardinha, een sterke vrouw uit het dorp. 86


‘Van de caruá [karoewa]-plant maakten we hier vroeger al touw voor hangmatten, manden en tassen. Dat hebben we geleerd van de indianen. Caruá is een van de weinige planten die in deze droogte groeit. Als je die bladeren platslaat en droogt, heb je vezels waar je touw van kunt maken. We gingen steeds meer plastic emmers en plastic tassen gebruiken. Er werd steeds minder van caruá gemaakt. Die kennis dreigde verloren te gaan. Een paar jaar geleden kwam een kunstenaar met ons werken. Samen bedachten we wat we konden maken. Mooie dingen om te verkopen. Een van de vrouwen had Afrikaanse vlechtjes. Voor de grap gingen we haar als poppetje namaken. Zo is het begonnen.

87


We hebben tien vrouwen uit ons dorp uitgekozen van wie we een poppetje gingen maken. We kozen vrouwen die iets belangrijks voor het dorp doen. Met die poppetjes vragen we aandacht voor ons dorp, ons verleden, ons heden en onze toekomst. Ik stel ze aan je voor:

Julia

Madrinha Lurdus

Ana Belo

maakte sterke

[Madrienja

is een vechter.

tassen van caruá.

Loerdoes]

Ze heeft haar

Liosa Emilia

Josefa

Ze is overleden,

maakt vazen,

kinderen alleen

is de verhalen­

maakt matten

maar haar dochters

schaaltjes en

opgevoed.

vertelster van

en tassen van

hebben Julia’s werk

kommetjes

Ze vecht voor

het dorp.

palmbladeren.

overgenomen.

van klei.

onze rechten.

88


Margarida

Francisca onze woord­

wordt moeder

voerster, heeft veel

Magar genoemd.

gereisd. Zij vertelt

Lurdinha

Ze is de moeder

waarom wíj recht

[Loerdienja]

van alle kinderen,

hebben op de

de geneeskracht

is lerares. Zij is het

want zij heeft alle

grond en niet de

van de natuur. Ze

moeilijkst om na te

moeders in het

rijke boeren. Het

Samen borduren

maakt medicijnen

maken, door haar

dorp geholpen bij

Francisca-poppetje

we er woorden en

en zalfjes van

ingevlochten afro-

de geboorte van

heeft als enige

tekeningen op.

planten en kruiden.

kapsel.

hun kinderen.

een gezicht.

Antonia

Generosa

plukt katoen,

[Zjenerósa]

spint er draden

weet veel over

van en weeft er doeken mee.

89


‘Als je weinig hebt, word je vindingrijk,’ beseft Maria Bonita. ‘Van de vezels uit een taaie plant maken ze zichzelf.’ Maria Bonita vertrekt met een tas vol sterke vrouwenpoppetjes.

Oi amigo Derlon. Tudo bom? Veel gezien, veel gehoord, veel gedaan. Ik heb een tas vol indrukken en ideeën om mee terug te nemen naar Recife. Tudo bem. Twee dingen niet goed. Ik ben mijn linkerslipper kwijt & ik voel me alleen. Ik kom eraan. Abraço. Beijos

90

Oi mooie Maria. Tudo bem. Ben in Amsterdam. Schilder grote muur. Hier vanuit de hoogte ziet de wereld er vredig uit. Al ben ik ver van huis, ik weet wat je mist. Ik ga je matsen. Ga overmorgen om zes uur naar de Capibar. Beijos


De Capibar Maria Bonita loopt de Capibar binnen, ruim voor zessen. Er is niemand. De Capibaribe stroomt rustig langs, naar zee. De rivier kalmeert haar. 91


Maria loopt rond en telt wat ze ziet: ‘vijftien brommerhelmen, twaalf ventilators, zeven surfplanken, vier babypoppen, tien brandblussers, 25 televisies, drie naaimachines, twaalf computers, twee telefooncellen, vier stofzuigers, een kassa, een reuzen-Laa-Laa, de gele Teletubbie, drie babyboxen, negen koelkasten, vijf klapstoelen, een verkeerskegel, een trapleuning, zeven supermarktkarren, twaalf wc-potten, ontelbaar veel cd’tjes en blikjes en 23 slippers’.

92


Dona Socorro, de eigenaresse van de Capibar, komt achter de bar vandaan. Ze brengt Maria Bonita een suco de caju [soekoo de kazjoe]* en gaat bij haar zitten. ‘Zie je die slippers? Allemaal enkele slippers. Bij elke slipper hoort een andere slipper. Alles wat je hier ziet hebben we uit de rivier gevist en langs de oevers opgepikt. Vorig jaar hebben we een grote actie gehouden. Mijn man AndrĂŠ en onze zoon Andrezinho en al onze vissersvrienden. We gingen met honderd boten de rivier op. Karrenvrachten met afval hebben we weggereden naar de vuilnisstort. We hebben lijsten bijgehouden van wat we per dag verzamelden. Er zijn journalisten en politici op af gekomen. We kwamen in de krant en op tv. Maar daarna veranderde niets. Ik vraag je, Maria Bonita: wanneer worden de mensen wakker? Wanneer doen onze politieke leiders iets?

*Suco de caju is het gezonde sapje van de caju-vrucht waar de cashewnoot aan groeit. 93


Mijn man en ik leven met de rivier. Zijn moeder is een indiaanse van de Macuxi-stam [Makoesjie]. Voor zijn familie is de rivier een godin. Zijn hart huilt als hij naar deze rivier kijkt. Waarom gooien mensen wc-potten in de rivier? Wat heeft de rivier hun misdaan? De rivier doet wat hij moet doen. De rivier stroomt naar zee. De rivier klaagt niet, hoeveel vuil er ook in wordt gestort. Wij moeten voor de rivier opkomen. De rivier heeft ons nodig en wij hebben de rivier nodig.’ Dona Socorro staat op en loopt terug naar achteren.

94


Maria Bonita is er stil van. Ze gaat zitten op de steiger en kijkt over het water. De rivier stroomt zachtjes naar zee. Bladeren drijven mee op de stroom. Ze overdenkt alle indrukken die ze opdeed in het binnenland. De rivier verbindt haar met de mensen die ze daar ontmoet heeft. Ze denkt eraan hoe ze stroomopwaarts haar slipper verloor. Haar andere slipper draagt ze sindsdien in haar tas. Beter half geluk dan geen geluk. Ze pakt de slipper uit haar tas en legt die naast haar op de steiger. Ze spreekt de rivier toe: ‘Sorry rivier, van de slipper. Het was maar één slipper en ook niet expres. Maar ik weet het, rivier. Als elke Braziliaan één slipper in je verliest, drijven er tweehonderd miljoen slippers mee met je stroom.’ Ze kijkt naar haar slipper. Maria gelooft haar ogen niet. Haar linkerslipper ligt weer naast haar rechterslipper. En naast haar paar ligt nog een paar. Slippers met een jongensgezicht op zijn Derlons. Ze hoort een vrolijke stem. ‘Oi Maria Bonita, tudo bom? Ik ben Nino.’ Maria Bonita kijkt op. ‘Oi Nino, tudo bem.’

95


De Slipper van Maria Bonita  

Foto- en verhalenboek bij de tentoonstelling MixMax Brasil van Tropenmuseum Junior. Dit is de meisjeskant.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you