Page 1

VERSLAGBOEK i Symposium 10 december 2007 i Consciencegebouw Brussel

Meer wisselwerking tussen DKO en amateurkunsten de weg naar versterkte cultuurparticipatie?

- Woord vooraf - Toespraak Guy Redig, kabinetschef van minister Bert Anciaux - Situatieschets van de sectoren amateurkunsten, DKO en lokaal cultuurbeleid - Inspirerende praktijkvoorbeelden over de wisselwerking tussen DKO en amateurkunsten - Terugkoppeling over de reflectiegroepen - Synthesenota van de reflectiegroepen - Toespraak minister Frank Vandenbroucke - Na het symposium


In dit verslagboek worden regelmatig de afkortingen AK en DKO gebruikt. AK staat voor ‘amateurkunsten’, DKO staat voor ‘deeltijds kunstonderwijs’. ‘Hafabra’ staat voor harmonies, fanfares en brassbands. Het symposium werd gecoördineerd door het Forum voor Amateurkunsten en was een samenwerking tussen: > Forum voor Amateurkunsten > departement Onderwijs en Vorming > Agentschap Sociaal-Cultureel Werk voor Jeugd en Volwassenen > departement Cultuur > Cultuur Lokaal > Centrum voor Beeldexpressie > Codibel (Comité Directeurs Beeldende Kunst) > Creatief Schrijven > Danspunt > Koor&Stem > Kunstwerk[t] > Muziekmozaïek > Opendoek > OVSG (Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten) > Poppunt > Verdi (Vereniging van directeurs van de academies voor Muziek, Woord en Dans) > Vlamo Het programma was als volgt: > 9u30 Welkom door minister Anciaux (de dag zelf vervangen door zijn kabinetschef, de heer Guy Redig) > 9u40 Situatieschets > 10u50 Inspirerende praktijkvoorbeelden > 12u Middagpauze > 13u Reflectiegroep 1 > 13u50 Reflectiegroep 2 > 14u40 Reflectiegroep 3 > 15u30 Terugkoppeling reflectiegroepen door Dirk Verbist en Luc Ponet > 16u Afsluiting door minister Vandenbroucke

Colofon Deze publicatie is een uitgave van vzw Forum voor Amateurkunsten, overlegcentrum en belangenbehartiger van de amateurkunstensector Abrahamstraat 13 9000 Gent Ontwerp & Lay-out: info@heartwork.be Werkten mee aan dit nummer: Koen Roelandt, Lies Destoop, Sien Mallet, Sandra Denis, Ingrid Leys, Jos Thys en Kaat Peeters Verantwoordelijke uitgever: Luk Verschueren, Abrahamstraat 13, 9000 Gent Deze publicatie kan ook worden gedownload van www.amateurkunsten.be/dko

2


WOORD VOORAF Steeds meer jongeren en volwassenen in Vlaanderen beoefenen één of meer kunstvormen in hun vrije tijd. Het deeltijds kunstonderwijs en de amateurkunsten richten zich elk op hun manier tot die “actieve kunstbeoefenaar” en zijn hierdoor vaak spilfiguren in het lokale culturele leven van een stad of gemeente. Maar waar kruisen hun paden nu precies? Hoe kunnen ze elkaars werking versterken en waar liggen de gemeenschappelijke uitdagingen? De stuurgroep die het symposium voorbereidde, vond dat dit alles met een divers publiek moest doorgesproken worden. Op 10 december verzamelde in het Consciencegebouw te Brussel inderdaad een heel divers publiek. Met de deelname van personen uit amateurkunstenorganisaties en –verenigingen, lokale vrijwilligers, leerkrachten en directies uit het DKO, steunpunters en belangenbehartigers, leden van ministeries en kabinetten, beleidsmakers, actoren uit het lokale cultuurveld enz. was een groot potentieel aanwezig om de wisselwerking tussen DKO en amateurkunsten en de effecten hiervan op de cultuurparticipatie onder de loep te nemen. De 190 deelnemers werden welkom geheten door de kabinetschef van minister Bert Anciaux, de heer Guy Redig. Daarna volgde een situatieschets: een geactualiseerde kaart van de sectoren amateurkunsten, DKO en lokaal cultuurbeleid. Na een uiteenzetting van inspirerende praktijkvoorbeelden, konden de deelnemers zelf aan de slag in reflectiegroepen. In deze reflectiegroepen wisselden telkens een 10-tal personen hun meningen uit over diverse thema’s. De dag eindigde met een terugkoppeling over de reflectiegroepen door Dirk Verbist, kabinetsmedewerker van minister Bert Anciaux en Luc Ponet, inspecteur voor het DKO. Minister Vandenbroucke sloot de dag af met een toespraak. Het was een inspirerende dag waarin heel wat interessante zaken werden aangekaart. De input van de deelnemers was enorm, zo getuige dit verslagboek. De standpunten, voorstellen en knelpunten die de deelnemers in de verschillende reflectiegroepen geformuleerd hebben, zijn uit het leven gegrepen. Dat maakt de uitspraken die u in deze publicatie kan lezen, authentiek en dus ten zeerste relevant. Ze zijn echter wel gekleurd door een persoonlijke kijk op de dingen en een lokale context. Daardoor zijn ze niet te veralgemenen tot standpunten van hét deeltijds kunstonderwijs of dé amateurkunsten. We stelden met groot genoegen vast dat de positieve dynamiek die binnen de stuurgroep tot stand was gekomen ook aanwezig was bij de deelnemers en hopen van harte dat we in de toekomst nog vaak getuige mogen zijn van een dergelijke constructieve dialoog.

Sandra Denis, Cultuur Lokaal Ingrid Leys, departement Onderwijs Kaat Peeters, Forum voor Amateurkunsten

3


Toespraak Guy Redig, kabinetschef van minister Bert Anciaux Dames en heren, Steeds meer jongeren en volwassenen in Vlaanderen beoefenen één of meer kunstvormen in hun vrije tijd. Het deeltijds kunstonderwijs en de amateurkunsten richten zich, elk op hun eigen manier, tot die “actieve kunstbeoefenaar” en zijn hierdoor vaak spilfiguren in het lokale culturele leven van een stad of gemeente. Maar waar kruisen hun paden nu precies? Hoe kunnen ze elkaars werking versterken en waar liggen de gemeenschappelijke uitdagingen? Vinden amateurkunstenaars de weg naar het deeltijds kunstonderwijs? Vinden leerlingen en afgestudeerden van het DKO de weg naar amateurkunsten? Waar vinden ze elkaar op die gemeenschappelijke uitdaging om de cultuurparticipatie te bevorderen? De amateurkunstensector omvat een zeer brede waaier van organisaties, individuele kunstenaars, netwerken en tijdelijke verbanden. Deze sector bevindt zich op het kruispunt van een kunstenbeleid en een sociaal-cultureel beleid. Hier ontmoeten gemeenschapsvorming en kunsteducatie elkaar. Met het decreet van 2000 hebben we de landelijke structuren grondig hervormd. Sindsdien kent elke kunstdiscipline zijn eigen, sterke, landelijke organisatie. In twee etappes hebben we deze ook financieel krachtiger gemaakt. Bij de start van het decreet en recent nog, in 2006. Het decreet op het lokaal cultuurbeleid heeft ook de amateurkunsten duidelijker in het lokaal vizier gebracht. Zij maken volop deel uit van vele cultuurbeleidsplannen. Bij de recente decreetswijziging hebben we ook de cultuurcentra meer uitgedaagd om stevige en actieve banden 4


aan te gaan met de amateurkunsten. Het aantal amateurkunstenaars en verenigingen zit onmiskenbaar in de lift. Iedereen moet de kans krijgen zich via kunstbeoefening en -beleving te ontplooien en creatieve vermogens aan te scherpen. Zowel amateurkunsten als deeltijds kunstonderwijs streven dit na. Het feit dat deze twee zo dicht bij elkaar liggen, is niet zo vreemd. Het gaat om vrije tijd, om actieve kunstbeoefening en dikwijls om veel ‘goesting’. Gelukkig maar. In beide sectoren wordt ook geleerd. In het DKO eerder formeel, in de amateurkunsten eerder informeel. Heel wat jongeren leren in de fanfare of de harmonie een instrument bespelen en soms zelfs noten lezen. Tal van amateurpopmuzikanten oefenen op eigen kracht op hun instrument. De theorie halen ze van het internet, de rest is zweten en oefenen, vooral veel oefenen. De jongste jaren groeiden er vele spontane initiatieven die een brug wilden leggen tussen de amateurkunsten en het deeltijds kunstonderwijs. Er wordt op heel veel vlakken samengewerkt. Ik denk aan de medewerking bij examens, het rekruteren van spelers, de vorming van leden, instrumentale begeleiding, gebruik van infrastructuur, samen opzetten van tentoonstellingen en concerten, publiciteit maken voor elkaar, gezamenlijke tornooien, stages, gezamenlijke projectaanvraag (bv. dirigentenopleiding), en zomeer. Hierdoor stappen we stilaan af van een houding waarin beide sectoren argwanend naar elkaar kijken: de ene met een omhoog gestoken neus, de andere met een calimero-gevoel. De realiteit op het terrein verplicht ons gelukkig om ook beleidsmatig verder te denken. Het herwonnen zelfvertrouwen van de amateurkunstensector en de groeiende drang binnen het deeltijds kunstonderwijs om de deuren open te gooien, kunnen alleen maar tot meer en beter leiden. Dit positief élan is het gevolg van een aantal evoluties binnen het brede cultuurveld. Traditionele structuren, organisatievormen en methodes kwamen soms onder druk te staan en werden aangevuld met nieuwe vormen. In de amateurkunstensector heeft dit alvast tot een veel grotere diversiteit geleid. De maatschappelijke appreciatie voor een veel breder kunst- en cultuurbegrip,

heeft ook in onze sector zijn sporen nagelaten. Vele initiatieven borrelden spontaan op en de overheid gaf er sinds het begin van deze eeuw steeds meer kansen aan. Zo gaat dat meestal in het sociaal-cultureel werk, waartoe de amateurkunsten behoren: spontaan, van onderuit, met een overheid die koestert, stimuleert en duurzaam maakt. Ik besef maar al te goed dat het structureel opnemen van nieuwe tendensen in het deeltijds kunstonderwijs niet op dezelfde spontane manier kan verlopen. Deze sector is veel sterker gestructureerd en… hoe sterker de structuren, hoe groter - tussen droom en daad - het aantal praktische bezwaren is.

Dames en heren, Er wachten ons enkele belangrijke uitdagingen. Ik noem er maar enkele, maar ik ben er zeker van dat er vandaag nog andere aan bod zullen komen. Uit een onderzoek naar alternatieve kunstopleidingen, leidde professor Elias in 2002 af dat er in Vlaanderen niet minder dan 3.736 alternatieve kunstopleidingen bestaan, naast het deeltijds kunstonderwijs. Om het met een boutade te stellen: voor elk voltijds equivalent personeelslid in het kunstonderwijs is er een alternatieve opleiding, waaronder vele in de amateurkunsten. Op zich is hier niets mis mee: laat duizend bloemen bloeien. Het blijft ons echter verplichten om bij de eigen rol stil te staan. Zijn amateurkunsten en deeltijds kunstonderwijs in staat om snel genoeg in te spelen op nieuwe opleidingsvragen. Zijn de structuren altijd voldoende flexibel om niet enkel op nieuwe disciplines in te spelen, maar ook op nieuwe vormen van opleiding, ook vormen die minder gericht zijn op een diploma of een langdurend verenigingsengagement. Kunnen sommige amateurkunstenorganisaties ook niet wat leren van projecten binnen het deeltijds kunstonderwijs om ook jongere kinderen aan te trekken? Ik ben ervan overtuigd dat er vandaag in beide sectoren voldoende scherpe en open geesten rondlopen om sàmen op zoek te gaan naar nieuwe methodes en creatieve invalshoeken.

opgenomen. Dit geeft vele kansen om een zo divers mogelijke groep mensen van een zo divers mogelijk aanbod te laten proeven. En zo wordt opnieuw bevestigd dat kunst en cultuur de kweekvijvers kunnen zijn van interculturaliteit als een gewenste maatschappelijke realiteit. Heel wat nieuwe initiatieven en boeiende samenwerkingen worden ter plaatse geboren. Het lokaal cultuurbeleid speelt dus een belangrijke rol. Het gebeurt nog dikwijls dat de kunstbeoefening en -beleving in het DKO niet wordt gevolgd vanuit het gemeentelijk cultuurbeleid, maar vanuit het onderwijsbeleid. Daarom is het heel belangrijk dat directies van muziekscholen en dergelijke zich ook mee kunnen inschrijven in het cultuurbeleid, er mee over discussiëren en er mee aan bouwen, steeds vanuit de gemeenschappelijke doelstellingen om zoveel mogelijk mensen zo goed en intens mogelijk te laten genieten van kunstbeoefening en –beleving. De cultuurbeleidscoördinator speelt hierin een belangrijke rol.

Dames en heren, Tussen droom en daad … komen vele werkgroepen een lange tijd samen. Zo gaat dat met hervormingen en afspraken over structuren. Ik ben zeer blij dat u intussen niet stilzit, dat er vele boeiende initiatieven zijn gegroeid. Ik kan u alleen maar blijven aanmoedigen om gebruik te maken van elkaars competenties, om infrastructuur te delen, om materiaal en instrumenten uit te wisselen, om gemeenschappelijke repetitie- en toonmomenten op te zetten en noem maar op. Kunst en cultuur zijn tere plantjes. Een te beperkt aantal handen doet ze verpieteren. Kunsteducatie gaat over veel meer dan over kennis of over technische vaardigheden. Het gaat ook om het stimuleren van de eigen creativiteit, over creatie, competentie, beoefening, beleving en zoveel meer. Het gaat om het mee boetseren aan het soort samenleving dat we willen. Die brede kijk maakt ook ruimte voor nieuwe dingen. Veel succes.

Ik droom ook van meer dreadlocks in het deeltijds kunstonderwijs en de amateurkunsten. Ook in ons aanbod moeten interculturele kunstuitingen worden

Bert Anciaux Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel. 5


SITUATIESCHETS VAN DE SECTOREN AMATEURKUNSTEN, DEELTIJDS KUNSTONDERWIJS EN LOKAAL CULTUURBELEID De situatieschets werd gebracht door: > Sandra Denis, Cultuur Lokaal > Ingrid Leys, departement Onderwijs > Kaat Peeters, Forum voor Amateurkunsten

Amateurkunsten We beginnen met een schets van de amateurkunstensector in Vlaanderen. Hoe worden de amateurkunsten omschreven? In het decreet betreffende de amateurkunsten1 vinden we de volgende definitie terug: “Amateurkunsten: elke kunstvorm die in het kader van het sociaal-culturele gebeuren aan iedere burger de kans biedt om zich via kunstbeoefening en -beleving te ontplooien en zijn potentiële creatieve vermogens te ontwikkelen op vrijwillige basis en zonder beroepsmatige doeleinden.”

Onder deze definitie vallen heel wat beoefenaars. Amateurkunstenaars zijn diegenen die actief zijn in één van volgende disciplines: muziek

beeldhouwen

dans

theater

film

fotografie

zang

multimedia

DJ’en

schilderen

schrijven

1 Decreet van 22 december 2000

6


De participatiesurvey die in 2003-2004 werd uitgevoerd door het steunpunt Re-Creatief Vlaanderen verstrekte verschillende gegevens over het profiel van de amateurkunstenaars. Uit de participatiesurvey blijkt dat maar liefst 25% van de Vlamingen een kunstzinnige hobby beoefent. In Vlaanderen betekent dit dus anderhalf miljoen amateurkunstenaars uit diverse sociale en culturele achtergronden. Vrouwen participeren iets meer dan mannen: 26% van de vrouwen en 24% van de mannen beoefent in de vrije tijd een kunstzinnige hobby.2

Als we naar de scholingsgraad kijken, valt op dat van de respondenten die nog dagonderwijs volgen 53% met actieve kunstbeoefening bezig is. Dit cijfer benadert het cijfer van de beoefenaars tussen de 14 en 17 jaar. Verder kon worden geconcludeerd dat de participatie toeneemt naarmate de scholingsgraad hoger is.

11%

53% vrouwen

geen / LO

volgt nog dagonderwijs

mannen

26%

24 % 89%

47% LSO 74%

76 %

HSO

18%

24%

82%

Bij de onderverdeling in leeftijdsgroepen stellen we vast dat de participatie afneemt naarmate men ouder wordt. In de leeftijdscategorie van de 14-17 jarigen beoefent maar liefst 52% een kunstzinnige hobby. In de leeftijdscategorie 65-85 is dit nog 14%.

14-17 jarigen

HO 36%

64%

18-34 jarigen

52%

76%

32%

48%

68%

De spreiding over de disciplines is als volgt: 10,00%

55-64 jarigen

35-54 jarigen

9,00% 8,00%

21%

23%

7,00% 6,00%

77% 65-85 jarigen

79%

dans 5,50 % schilderen 8,00 % schrijven 6,50 % beeldhouwen 2,60 %

5,00%

zingen 7,40 %

4,00%

toneel 1,90 %

3,00%

muziek 8,30 %

2,00%

fotografie 7,80 %

1,00%

14%

0,00%

86%

Disciplines worden regelmatig gecombineerd. Zang wordt bv. vaak gecombineerd met muziek; mensen die schrijven zijn ook vaak met schilderen bezig. De top 5 van deze ‘cumulatieve participatie’ is als volgt: > Beeldhouwen met schilderen: 50% > Zingen met muziek: 39,7% > Muziek met zingen: 37,2% > Schrijven met schilderen: 35,2% > Schrijven met muziek: 32,6%

2 De vraag in het onderzoek werd als volgt gesteld: “Hieronder vindt u een lijst met een aantal soorten kunstzinnige hobby’s. Kan u telkens aangeven of u die de voorbije 6 maanden heeft beoefend of niet?”

7


Beleid en structuur De amateurkunstensector wordt op Vlaams niveau ondersteund door het Agentschap Sociaal-Cultureel Werk voor Jeugd en Volwassenen. De sector is echter niet in één domein te vatten. De amateurkunstensector bevindt zich evengoed op een snijlijn met het jeugdwerk (cfr. het bereik van een groot aandeel jongeren), erfgoed (binnen de amateurkunsten worden verschillende vormen van erfgoed levend gehouden; we denken hierbij bv. aan volksdans, vertelkunst…), samenlevingsopbouw (cfr. community arts) en de kunsten.

Afgelopen jaren is de sector sterk veranderd. In het jaar 1999 telde de amateurkunstensector nog 21 landelijke organisaties die een subsidie ontvingen. Deze 21 verenigingen ondersteunden in totaal 3.773 actieve groepen. Met het decreet van 22 december 2000 veranderde de sector grondig. Belangrijke uitgangspunten van het decreet waren de ontzuiling en verdere professionalisering van de sector. De erkende organisaties werken sindsdien met beleidsplannen en krijgen op basis hiervan een subsidie-enveloppe voor

De landelijke amateurkunstenorganisaties zijn: Instrumentale muziek Beeldende kunst Vlamo vzw Kunstwerk[t] vzw Bijlokekaai 8, 9000 Gent Bijlokekaai 7C, 9000 Gent [t] 09/ 265 80 00 [t] 09/ 235 22 70 [e] secretariaat@vlamo.be [e] info@kunstwerkt.be [w] www.vlamo.be [w] www.kunstwerkt.be Vocale muziek Koor&Stem vzw Huis voor de Amateurkunsten Zirkstraat 36, 2000 Antwerpen [t] 03/ 237 96 43 [e] info@koorenstem.be [w] www.koorenstem.be Theater Opendoek vzw Huis voor de Amateurkunsten Zirkstraat 36, 2000 Antwerpen [t] 03/ 222 40 90 [e] secretariaat@opendoek-vzw.be [w] www.opendoek-vzw.be

Folk en Jazz Muziekmozaïek vzw Wijngaardstraat 5, 1755 Gooik [t] 02/ 532 28 38 [e] info@muzmoz.be [w] www.muziekmozaiek.be Dans Danspunt vzw Abrahamstraat 13, 9000 Gent [t] 09/ 269 45 30 [e] info@danspunt.be [w] www.danspunt.be

Om door de Vlaamse overheid als organisatie voor amateurkunsten erkend te zijn, moeten deze organisaties: > een werking hebben met een landelijk karakter > over één centraal secretariaat en één personeelskader beschikken > een open documentatie- en/of informatiecentrum realiseren > een communicatieplan realiseren, met als doelgroep de beoefenaars van de kunstdiscipline of deeldiscipline, om de uitstraling en de kwaliteit van de kunstdiscipline te verhogen > documentatie- en werkmaterialen ontwikkelen en/of aanbieden > opleidingscursussen en publieksgerichte evenementen organiseren > samenwerken met de andere organisaties > overleg plegen en afspraken maken met belendende sectoren > artistieke, organisatorische en technische begeleidingen geven > een kwaliteitsbeleid uitbouwen > een product- of procesgerichte vernieuwing en/of verbreding ontwikkelen > een doelgroepenbeleid ontwikkelen > een internationale werking ontplooien 8

een periode van 5 jaar. Het decreet van 22 december 2000 erkent en subsidieert één landelijke amateurkunstenorganisatie per kunstdiscipline of deeldiscipline. Deze disciplines zijn theater, dans, beeldende kunst, muziek (instrumentale, vocale, lichte en volksmuziek), beeld en letteren. De amateurkunstensector is bijgevolg door de Vlaamse overheid gestructureerd in negen landelijke, pluralistische amateurkunstenorganisaties. Eén per kunstdiscipline of subdiscipline.

Beeldcultuur Centrum voor Beeldexpressie vzw Stationsstraat 96 2440 Geel [t] 03/ 821 10 29 [e] sec@beeldexpressie.be [w] www.beeldexpressie.be Lichte muziek Poppunt vzw Bloemenstraat 32 1000 Brussel [t] 02/ 504 99 00 [e] info@poppunt.be [w] www.poppunt.be Letteren Creatief Schrijven vzw Huis voor de Amateurkunsten Zirkstraat 36, 2000 Antwerpen [t] 03/ 222 40 99 [e] info@creatiefschrijven.be [w] www.creatiefschrijven.be

De landelijke amateurkunstenorganisaties hebben een groot bereik.3 Organisatie

Aantal aangesloten groepen

Aantal individuele leden/geregistreerde geïnteresseerden4

Centrum voor Beeldexpressie

335

4.645

Creatief Schrijven

6.000

Danspunt

339

20.701

Koor & Stem

841

29.400

Kunstwerk[t]

155

2.708

Muziekmozaïek

284

1.345

Opendoek

832

25.478

Poppunt

4.734

13.019

Vlamo

1.152

68.544

3 Uit de gegevensverzameling 2006 4 Omdat niet alle organisaties met lidmaatschappen werken, wordt hier ook de term ‘geregistreerde geïnteresseerden’ gebruikt.


Het aanbod van de landelijke amateurkunstenorganisaties is zeer rijk en divers. Het zijn stuk voor stuk informatiecentra voor alle beoefenaars. Per discipline of deeldiscipline is er een uiterst informatieve website en worden gespecialiseerde tijdschriften uitgegeven. Verschillende organisaties hebben een open documentatiecentrum waar men onder meer repertoire-advies kan krijgen. Er worden documentatie-en werkmaterialen ontwikkeld en de sector organiseert publieksgerichte evenementen en festivals. Men kan zich met elkaar meten in diverse wedstrijden, bv. voor verschillende muziekdisciplines, het Koninklijk Landjuweel, Talens Palet, Dansjuweel… Beoefenaars kunnen artistieke, organisatorische en technische begeleidingen krijgen, zoals bv. productieleiding, stemtraining, digitale beeldbewerking, cameravaardigheden, geluidstechniek, stemvorming, gehoortraining… En er zijn de masterclasses voor bv. jazz of de schrijfdocentenopleiding. Met regelmaat worden vernieuwende projecten opgezet en de internationale werking wordt volop verder uitgebouwd. Binnen de sector worden tal van cross-disciplinaire initiatieven genomen en via een gericht doelgroepenbeleid zorgt de sector ervoor dat echt iedereen aan bod komt. Amateurkunstenaars krijgen via de negen organisaties volop speel- en expositiekansen en kunnen hun activiteiten bekend maken in binnen-en buitenland. Bij verschillende organisaties worden materialen ter beschikking gesteld – bv. sokkels en kaders gratis te ontlenen bij Kunstwerk[t] - en iedereen kan terecht voor aangepaste verzekeringspakketten.

© Jos L Knaepen

© Vera Cammaer

© Katrijn Van Giel

© Christof Ketels

© Yves Hellem

© Jan van der Plas

© Heartwork

© Albinodesign

© Marijke Van Eyck

© Fré Feyfer

© Hans Verdoo

© IPS Creation

© Daniel de Kievith

© Kris Dewitte

9


Het Forum voor Amateurkunsten treedt op als overlegcentrum en belangenbehartiger van de negen landelijke amateurkunstenorganisaties. Het Forum stimuleert het overleg, coördineert de samenwerking en bevordert de uitstraling van de amateurkunstensector in Vlaanderen. Het Forum ontwikkelde onder meer een online subsidiewijzer voor alle disciplines met een overzicht van de subsidiemogelijkheden op provinciaal, Vlaams en internationaal niveau. Het Forum voor Amateurkunsten is organisator van het landelijk evenement ‘Week van de Amateurkunsten’ dat in 2008 aan haar dertiende editie toe is. In 2007 kende dit evenement een deelname van 181 gemeenten en de lokale coördinatoren wisten meer dan 1.100 activiteiten op de agenda te plaatsen. De amateurkunstensector krijgt ook steun van de verschillende provincies. De provincies geven ondersteuning aan groepen en individuele amateurkunstenaars voor initiatieven met een bovenlokaal belang. De subsidiëring gebeurt veelal op basis van klasseringstoernooien. Tussen de negen landelijke amateurkunstenorganisaties en het deeltijds kunstonderwijs is al veel wisselwerking tot stand gebracht. Zo is de opleiding koordirectie en hafabradirectie een gezamenlijk initiatief van Vlamo,

Koor&Stem, het deeltijds kunstonderwijs en het departement Onderwijs. In de academie van Poperinge wordt dit jaar binnen de afdeling Woord voor het eerst gewerkt met de door Opendoek ontwikkelde methodiek ‘Selfmade’. Onder impuls van Muziekmozaïek werden de eerste opleidingen volksmuziek georganiseerd binnen het DKO, die men op dit ogenblik reeds in acht academies kan volgen.

Het Talens Palet, een nationale schilderswedstrijd voor niet-professionele kunstenaars, werd in 2005 als samenwerking tussen Kunstwerk[t] en Codibel georganiseerd. Voor de promotie van de Muzikantendag 2007 vonden Poppunt en Verdi elkaar. Meer tekst en uitleg over deze wisselwerking vind je bij het onderdeel ‘synthese van de praktijkvoorbeelden’.

Deeltijds kunstonderwijs Het DKO in cijfers Het DKO telt 4 studierichtingen: Beeldende kunst, Muziek, Woordkunst en Dans. De studierichtingen Muziek, Woordkunst en Dans vallen onder de noemer podiumkunsten. Zo zijn er 101. 66 academies organiseren de opleiding ‘Beeldende kunst’. Concreet houdt dit in dat er in de meeste Vlaamse steden minstens 1 academie is. Er zijn 1250 vestigingsplaatsen of m.a.w. leslocaties. Deze leslocaties zijn vestigingsplaatsen in de gemeente van de hoofdinstelling of filialen in een andere gemeente. We kunnen dus concluderen dat het aanbod goed verspreid is. In Vlaanderen participeert 2,34% van de bevolking aan het DKO. Dit is uiteraard een momentopname: er wordt geen rekening gehouden met afgestudeerden. 10

De provincie West-Vlaanderen is het meest DKO-minded (2,49%), dan volgen de provincies Antwerpen (2,48%), Limburg (2,37%), Oost-Vlaanderen (2,34%) en Vlaams-Brabant (1,94%). Vanaf het schooljaar 2001-2002 is er een steile opmars van het aantal leerlingen waar te nemen. Dat schooljaar werden een aantal vernieuwingen in het DKO ingevoerd. Onder andere de richting jazz en lichte muziek verruimde het aanbod. De stijging in het aantal leerlingen is daardoor vooral voelbaar in de studierichting Muziek. Maar sinds datzelfde schooljaar is er ook een gevoelige stijging waarneembaar in de studierichting Dans. De verlaging van de instapleeftijd tot 6 jaar ligt zeker mee aan de basis van dit stijgende leerlingenaantal.

De leerlingenpopulatie bestaat voor 76% uit jongeren en dus 24% uit volwassenen. Ongeveer dubbel zoveel vrouwen (66%) als mannen (34%) volgen DKO. In het schooljaar 2006-2007 volgden 47% van de leerlingen de studierichting Muziek, 35% Beeldende kunst, 23% Woordkunst en 5% Dans. De meeste academies hebben ongeveer 500 leerlingen (moduswaarde). De gemiddelde schoolgrootte is echter 900 leerlingen. Deze cijfers zijn het gevolg van het feit dat er een aantal zeer grote academies zijn. Vorig schooljaar telde de grootste academie voor Beeldende kunst (Sint-Niklaas) 2649 leerlingen. De grootste academie voor Podiumkunsten (Lier) telde 3126 leerlingen.


Het totale budget dat door de Vlaamse overheid aan het DKO in 2006 werd toegekend, bedroeg 180,9 miljoen euro tegenover 106,9 miljoen euro in 1997. Dit is 1,9% van het totale onderwijsbudget. De Vlaamse overheid spendeert hiervan 90 % aan wedden voor het personeel (leerkrachten, directeur en administratief personeel) en 10 % aan werkingstoelagen en ICT-middelen. De gemeentes of het gemeenschapsonderwijs staan in voor de infrastructuur en voor bijkomend personeel (overwegend administratief personeel). De structuur van het opleidingsaanbod Vooraleer we overgaan tot het opleidingsaanbod, bekijken we kort de basisregelgeving van het DKO. Het onderwijsdecreet II is 17 jaar oud (dd. 31/07/1990). Daarin worden de grote krijtlijnen toegelicht, zoals de indeling in studierichtingen, zorgvuldig bestuur en normen en inschrijvingsgeld. Er zijn twee afzonderlijke organisatiebesluiten (dd. 31/07/1990), namelijk het besluit van de Vlaamse Regering over Beeldende Kunst enerzijds en het besluit van de Vlaamse Regering over Muziek, Woord en Dans anderzijds. Deze besluiten behandelen de uitvoering en uitwerking van het onderwijsdecreet II met betrekking tot het opleidingsaanbod, de toelatingsvoorwaarden en de berekeningswijze van de lesurenpakketten. Academies kunnen enkel die opleidingen organiseren die in deze regelgeving voorkomen, volgens de curricula die hiervoor uitgetekend zijn. Als zij andere opleidingen willen organiseren of nieuwe vakken willen introduceren, moeten zij dat aanvragen via een tijdelijk project (cf. infra). Zoals reeds vermeld, bestaat de structuur van het opleidingsaanbod uit 4 richtingen: Beeldende Kunst, Dans, Muziek en Woordkunst. Daarnaast heb je de indeling in graden: lagere graad (vanaf 6 of 8 jaar), middelbare graad (vanaf 12 jaar), hogere graad (vanaf 18 jaar in Beeldende kunst en vanaf 15 jaar in Muziek, Woordkunst en Dans) en de specialisatiegraad. De hogere graad en de specialisatiegraad in de studierichting Beeldende kunst is enkel voor volwassenen toegankelijk. In de lagere graad en middelbare graad wordt er soms een

onderscheid gemaakt tussen jongeren en volwassenen. Een voorbeeld: vanaf het schooljaar 2001-2002 starten in de lagere graad muziek de jongeren met 1 jaar Algemene Muzische Vorming, terwijl de volwassenen onmiddellijk beginnen met een instrument. De instapvoorwaarden zijn leeftijdsgebonden. De instapleeftijd voor Dans en Beeldende Kunst is 6 jaar, voor Muziek en Woordkunst is dit 8 jaar. De doorstromingsvoorwaarden zijn afhankelijk van leeftijd, geslaagd zijn voor de proeven en van de toelatingsperiode. Eén opleidingsonderdeel zullen we als voorbeeld verder toelichten: de middelbare graad Muziek. Leerlingen kunnen kiezen uit verschillende opleidingen, opties genaamd (zang, instrument, jazz en lichte muziek, muziektheorie). De optie bestaat uit 3 vakken: 1 uur instrument, 1 uur ensemble en 1 uur AMC. Welk instrument je kan volgen in het vak instrument, ligt vast in de organisatiebesluiten. In de instrumenten-top 10 staat piano (19.638 leerlingen) al jaren ongeslagen op nummer 1. Daarna volgen gitaar (12.964 leerlingen) en dwarsfluit (6.006 leerlingen) Dan volgen viool, slagwerk , klarinet, saxofoon, cello en trompet. Op nummer 10 staat de accordeon (1.150 leerlingen) . De populariteit van sommige instrumenten is onderhevig aan trends, waarbij de media een belangrijke rol spelen. De plotse populariteit van accordeon zou een gevolg kunnen zijn van de Vlaamse preselecties van ‘Eurosong voor kids’, waar 2 jongens een nummer brachten op accordeon. De opleiding Beeldende Kunst voor volwassenen telt 29 opleidingen. Een paar voorbeelden: beeldhouwkunst, kunstambachten, smeden… Tijdelijke projecten en link met het leerplichtonderwijs Elke academie kan een dossier indienen om een tijdelijk project aan te vragen en op die manier vernieuwing in het opleidingsaanbod te realiseren. Bij goedkeuring ontvangt de academie bijkomende middelen.

Tijdelijke projecten zijn een manier om het door de regelgeving opgelegde instrumentarium uit te breiden met bv. volksinstrumenten of een nieuwe optie in hogere graad beeldende kunst (bv. schoenontwerpen). Academies kunnen via een tijdelijk project ook een totaal nieuwe opleiding organiseren, zoals de koor- en hafabradirigentenopleidingen. Daarmee spelen ze in op een vraag vanuit de amateurkunstensector. Daarnaast is er ook nog de aanpassing van opleidingen aan specifieke doelgroepen mogelijk, bv. aangepaste beeldende vorming voor leerlingen met een handicap. En dan heb je ook nog de organisatorische tijdelijke projecten. Daarbij brengt men bv. beeldende kunst en podiumkunsten samen in één instelling of er ontstaat een intergemeentelijke samenwerking (d.w.z. gemeentes organiseren in een bepaalde regio samen het DKO). Om de relatie met het leerplichtonderwijs te versterken zijn er tijdelijke projecten opgestart waarin academies samenwerken met scholen voor leerplichtonderwijs (tot nu toe voornamelijk basisonderwijs). Alleen al door de overlap in doelgroep is samenwerking tussen deze onderwijsniveaus een noodzaak. 18% van de leerlingen basisonderwijs en 10% van de leerlingen secundair onderwijs volgt deeltijds kunstonderwijs. Voorbeelden van deze samenwerking zijn het tijdelijke project nascholing en wisselwerking muzische vorming, waarbij leerkrachten basisonderwijs les krijgen van leerkrachten DKO en er tegelijkertijd ook leerkrachten DKO naar de basisscholen gaan om muzisch met de kinderen te werken. Een ander bijzonder initiatief is het tijdelijke project kunstinitiatie. De bedoeling is om d.m.v. kunst en cultuur het zelfbeeld van kansarme en allochtone jongeren te verhogen en zo hun risico op schoolse achterstand te verkleinen. Deze projecten worden georganiseerd door één of meer academies in samenwerking met basisscholen, een culturele organisatie (bv. cultuurcentrum) en een buurtgerichte organisatie (bv. wijkcomité).

11


Het deeltijds kunstonderwijs en de amateurkunsten in de context van het lokale cultuurbeleid Inwoners centraal “Mechelen stelt een zeer ruim en divers cultuuraanbod ter beschikking.” Met deze strategische doelstelling geeft Mechelen in haar cultuurbeleidsplan 2008-2013 aan dat het haar ambitie is in te staan voor een kwalitatief en gevarieerd cultureel aanbod in de stad. Het plan geeft verder aan dat Mechelen, om deze doelstelling te realiseren, onder meer initiatieven zal steunen en organiseren die de zichtbaarheid van de amateurkunsten vergroten, zoals de Kunstvestdagen, Kunst in het Groot-Begijnhof, optredens van DKO-studenten jazz&lichte muziek in kunstencentrum nOna, de Week van de Amateurkunsten en de DKO-dag. “Het cultuurcentrum zal de amateurkunstenaars een helpende hand bieden,” zo staat er ook, “en hun artistiek proces een professionele feedback geven.” Er komt ook een centrale database van amateurkunstenaars die door diverse organisatoren kan worden geraadpleegd.5

Beide voorbeelden illustreren het uitgangspunt van deze tekst: het cultuurbeleid van de Vlaamse steden en gemeenten vertrekt niet van organisaties of instellingen, wel van de inwoners van een gemeente of stad en ze wil voor die inwoners haar doelstellingen – bijvoorbeeld “Iedereen moet de kans krijgen met kunst bezig te zijn” - realiseren. De onderscheiden actoren – diensten en instellingen - worden hiertoe ingezet. Voor de inwoners maakt het immers niet uit welke actor waarvoor instaat. Van belang is dat het aanbod er is. Academies, cultuur- en gemeenschapscentra, bibliotheken, kunstenorganisaties en verenigingen delen dezelfde doelstellingen: een bloeiend cultureel leven in de stad of de gemeente.

Ook Eeklo zet in op de actieve kunstbeoefening. In het cultuurbeleidsplan 2008-2013 heeft de stad opgenomen dat ze wil dat de inwoners actief meewerken aan het cultuurbeleid. In concreto betekent dit onder meer dat Eeklo het plaatselijke talent zal koesteren en kansen zal geven om creatief te zijn. Er worden mogelijkheden gezocht opdat kunstenaars met hun werk naar buiten kunnen treden: tentoonstellingsmogelijkheden in de academie voor beeldende kunsten en een concertbeleid van de academie voor Muziek en Woord. De stad zal haar academies verder uitbouwen en wil dat een publiek uit het hele Meetjesland hier terecht kan voor een kunstopleiding.6 Voor Mechelen en Eeklo zijn de amateurkunstenaars belangrijk. Ze bouwen hun academies verder uit én zorgen er voor dat het amateurkunstenleven buiten de academies kan groeien en bloeien.

Mechelen is een stad met 78.900 inwoners. In deze stad vinden we een Cultuurcentrum categorie A, een Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten, het Stedelijk Conservatorium, het Instituut voor Kunst en Ambacht en de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn. De academie telt 3.659 leerlingen Mechelen - Leerlingen naar leeftijd en geslacht

Mechelen - Evolutie studierichtingen 4000

DKO

3500 Leerlingen

3000

Beeldende kunst

2500

2477

2500

2000 1764

2000

Muziek

1500

1500

1000

Woord

500 0

804

Schooljaar

vrouwen

713

97 -9 8 98 -9 9 99 -0 0 00 -0 1 01 -0 2 02 -0 3 03 -0 4 04 -0 5 05 -0 6 06 -0 7

Dans

1182 1000

mannen

500

378

0 Jongeren (6-17j)

Binnen de amateurkunstensector herbergt de stad minstens volgende groepen en individuele kunstenaars: Muziek Kon. Harmonie Mechelen KV Mechelen supportesharmonie Servus-Oostenrijkvereniging Jeugd en Muziek Mechelen 5 Stad Mechelen, Cultuurbeleidsplan Mechelen 2008-2013 6 Stad Eeklo, Geïntegreerd cultuurbeleidsplan 2008-2013

12

Volwassenen (vanaf 18j)

Totaal

Koninklijke Muziekkapel van de Mechelse Politie (harmonie) Mechels Harmonie Orkest (harmonie) KH Arsenaal (harmonie) Mechels Senioren Orkest (orkest) KH Musina (harmonie) Mechels Kamerorkest (ensemble) Stedelijke beiaardconcerten Tri Sayang: Jazz


Foto en film Kon. Mechelse Fotokring Kon. Mecina (film) Fotoclub Smile Zefoda K.F.K.M. Klankfilmclub Mechelen Film- en videoclub Mechelen Filmhuis Mechelen TYL-GABTON-ELOQUENTIA film – en acteursvereniging Fotokollectief Kritika

Theater ’t Echt Mechels theater Vzw De Moedertaal Theater Korenmarkt Het Firmament – ‘thuis voor figurentheater Kon. Toneelvereniging Jong maar moedig Toneelvereniging Rust Roest Kon. Mechels Toneelverbond Beeldende kunsten Kon. Lucasgilde Galerij van de Hobby De Grijze Panters Academie Plus Drie Culturele Kring Hof Van Villers Maandagatelier

Schrijven Write his(s)tory voor iedereen met een passie voor schrijven 83 schrijvers gekend bij Creatief Schrijven

Lichte muziek Geregistreerd bij Poppunt : 36 bands 150 bandleden 12 muzikanten 25 DJ’s Dans De Harlekijntjes (Vlaamse volksdans) Hopsenioorkens (Vlaamse volksdans) Korneel (Vlaamse volksdans) ‘t Pioentje - Salmagundi (Israëlische, Balkan- en andere Europese volksdans) VVKB (Vlaamse volksdans) Pittige Muisjes (seniorendans) Mechelse dansklub Medak Dansschool Devos Mechelse Balletstudio

Zang Sint- Lambertuskoor Mechels Kathedraalkoor Ter Hertkoor, Gemengd koor, Volwassenenkoor Scala Vocale, Gemengd koor, Volwassenenkoor Onze-Lieve-Vrouwkoor, Gemengd koor, Volwassenenkoor Koraal, Gelijkstemmig koor, Jeugdkoor Kolor, Gelijkstemmig koor, Kinderkoor De Dijlezangers, Gemengd koor, Seniorenkoor Viermaliks, vocaal ensemble Voeg hier nog eens alle verenigingen en groepen toe die we (nog) niet kennen én tal van niet-georganiseerde kunstenaars. De veelheid en verscheidenheid valt hierbij op. Bovendien kunnen we stellen dat de 3.659 personen die les volgen aan het DKO ook amateurkunstenaars zijn.

Eeklo is een stad met 19.645 inwoners. In deze stad bevinden zich het Cultuurcentrum De Herbakker (categorie B), de Stedelijke academie voor Muziek en Woord, de Stedelijke academie voor schone kunsten en het Muziekcentrum N9/ Driewerf Hoera. De academie telt 2063 leerlingen Eeklo- Leerlingen naar leeftijd en geslacht

Eeklo - Evolutie studierichtingen 2500

1500 1000

DKO

0

1500 1275

Beeldende kunst Muziek

500

97 -9 8 98 -9 9 99 -0 0 00 -0 1 01 -0 2 02 -0 3 03 -0 4 04 -0 5 05 -0 6 06 -0 7

Leerlingen

2000

1200

900

828

788

Woord 600

519

447

Schooljaar

vrouwen mannen

269

300

0 Jongeren (6-17j)

Volwassenen (vanaf 18j)

Totaal

13


Binnen de amateurkunstensector herbergt de stad minstens volgende groepen en individuele kunstenaars: Theater Toneelvereniging Excelsior EETEGE (Eekloos toneelgezelschap) EKTT Hermelijn

Muziek Brass Consort Festiva (fanfare) KH Sint-Georges & Sint-Cecilia (harmonie) KH Amicitia (harmonie) Classic@Eeklo Duo Romanta Jeugd en Muziek Kamerorkest Divertimento Meetjesland koperensemble / herbakkersfanfare Seniorenorkest Eeklo Theodorakis-ensemble Lichte muziek Geregistreerd bij Poppunt: 8 bands 38 bandleden 5 muzikanten 7 DJ’s Ace and the Jokers (rock) BARD (hiphop) The Hawaiian Astro Boys (neosurf) Tourist in Paradise (jazz, blues, funk)

Een integraal lokaal cultuurbeleid In 2007 traden de nieuwe gemeenteraden en schepencolleges aan. Tijd voor de gemeentebesturen om het beleid van de komende jaren uit te tekenen en de voornemens in strategische plannen te gieten, de cultuurbeleidsplannen. De opmaak van een cultuurbeleidsplan is geen verplichting, maar ongeveer 2/3de van de gemeenten in Vlaanderen maakten er een op voor deze legislatuur. Vanuit de specifieke context van de gemeente wordt hierin beschreven waar het gemeentebestuur met betrekking tot cultuur in 2013 wil staan. Er werd daarom eerst een round-up gemaakt van het bestaande beleid, met een oplijsting van de sterke en de zwakke punten, en de maatschappelijke trends en gebeurtenissen of opportuniteiten die een impact zouden kunnen hebben op het toekomstige beleid. Deze context gaf voeding aan de beleidskeuzes die de gemeenten zich stellen, de strategische doelstellingen. Een stad met vele kansarmen zal dit gegeven wellicht 14

Dans Ann-Sophie Deweer vzw (moderne en hedendaagse dans) Dansschool S-pression - Eeklo (moderne en hedendaagse dans) Zang Gemengd Koor Oakland, Volwassenenkoor De Welgezinden, Gelijkstemmig koor, Volwassenenkoor, Mannenkoor Tweede couplet, Eeklo’s kamerkoor, Gemengd koor Dameskoor Oxalis Mesa-koor / Okra-koor Moderato, seniorenkoor Sint-Gregorius, mannenkoor Schrijven 15 schrijvers gekend bij Creatief Schrijven Beeldende kunsten De Vlaamse houtsnijdersgilde Kunstkring “Artibus” Foto en film Fotoclub Balgerhoeke Vzw Kon. Filmclub Meetjesland Voeg hier nog eens alle verenigingen en groepen toe die we (nog) niet kennen én tal van niet-georganiseerde kunstenaars. Ook hier kunnen we stellen dat de 2.063 personen die les volgen aan het DKO evengoed amateurkunstenaars zijn.

meenemen in haar keuzes, terwijl het eerder landelijke karakter van een andere gemeente, met verspreide woonkernen, aanleiding zal geven tot andere prioriteiten. De doelstellingen van het cultuurbeleidsplan gelden voor de hele gemeente en voor alle culturele actoren die er zich in bewegen. Wil een gemeente dat er niet alleen in het centrum, maar ook in de deelgemeenten een aanbod en mogelijkheden moeten zijn om aan cultuur te doen, dan heeft dit gevolgen voor de werking van alle gemeentelijke culturele diensten en instellingen. Er zullen uitleenposten komen van de bibliotheek in verschillende deelgemeenten, locatieprojecten van het cultuurcentrum, wijkafdelingen van de academie voor muziek en woord, gespreide projecten die amateurkunstenaars samenbrengen. Het realiseren van de doelstelling is een bekommernis van alle actoren. Alle initiatieven haken in elkaar om samen de doelstellingen te bereiken. In beleidsjargon heet dit: integraal cultuurbeleid.

Mogelijkheden scheppen zodat iedereen kan deelnemen aan kunst Cultuurbeleid kan vele doelstellingen nastreven. Naast de decentralisatie van hierboven kan de gemeente al dan niet kiezen voor het vormgeven van de culturele biografie van de gemeente door het erfgoed in kaart te brengen, voor het werken aan de gemeenschapsvorming door inwoners intensief te betrekken bij de uitwerking van projecten, voor het positioneren van de stad als centrum van cultuur en informatie in de regio, voor een sterk artistiek aanbod enz. Een doelstelling die in de meeste cultuurbeleidsplannen voorkomt is “participatie”: iedereen in de gemeente moet de kans krijgen om deel te nemen aan het culturele en zo ook aan het maatschappelijke leven. De gemeenten gaan hierbij voor een gevarieerd aanbod. Smaken en voorkeuren verschillen. Hoe groter de keuze, hoe groter de kans dat meer mensen zich op een of andere manier aangesproken


het te presenteren. Goed uitgeruste repetitieruimten zijn dan weer van belang voor muzikanten, naast promotionele en financiële ondersteuning.

voelen. Met andere woorden: “een aanbod met moeilijke dingen voor de één en leute voor de ander”. Participatie is echter niet alleen een kwestie van aanbod. Deelnemen wordt al eens bemoeilijkt of verhinderd door allerlei drempels. Naast zich niet in het aanbod herkennen kunnen kostprijs, het sociale netwerk, tijd, leeftijd, gezinssituatie, te weinig of te weinig aangepaste informatie en communicatie participatie belemmeren. Beleid is er dan ook op gericht om deze drempels zo veel mogelijk weg te werken. Cultuurcentra bijvoorbeeld zullen letterlijk zelf de drempel van hun gebouw oversteken en activiteiten laten plaats vinden buiten hun muren, waardoor cultuur aanwezig kan zijn in de directe leefomgeving van de inwoners. Voor specifieke doelgroepen – mensen in armoede, met een andere etnisch-culturele achtergrond – worden bijvoorbeeld participatieprojecten opgezet. Niet alleen cultuurcentra organiseren deze, ook in bibliotheken, musea, academies enz lopen dergelijke projecten.

Gemeenten willen verder ruimte geven aan verenigingen. Er gaat immers een enorme kracht uit van het samen je hobby kunnen beleven. De gemeenten (via de cultuurdiensten, de cultuur- en gemeenschapscentra) zetten er op in om hier de randvoorwaarden voor te scheppen. Steden en gemeenten vinden het ook belangrijk dat er vele mogelijkheden zijn om kunst te leren. Ze richten deeltijds kunstonderwijs in. Ze ondersteunen andere vormingsmogelijkheden, georganiseerd vanuit de amateurkunsten, de educatieve werkingen van cultuurcentra en musea, het jeugdhuis, een muziekcentrum enz. Actieve kunstbeoefenaars zijn niet over één kam te scheren. Elk zoekt zijn eigen ding. Hoe gevarieerder het aanbod is, des te meer kans dat er iets tussen zit op maat. Muziek leren spelen of leren schilderen in de academie of in de amateurkunstenvereniging? De kunstenaar in spe heeft geluk als beide mogelijkheden er zijn, en hij naar eigen ambitie en interesses zíjn weg kan kiezen.

Een participatiebeleid zal ook kansen tot creëren willen scheppen. Inwoners kunnen beter creatief zijn als ze terecht kunnen in ateliers om hun kunstwerken te maken en tentoonstellingsruimten om

popeducatie in het DKO 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1

Vraaggestuurd (repertoire)

Zakelijkheid

Poppunt inventariseerde in 2006 de popeducatie-mogelijkheden in Vlaanderen7. De verschillende mogelijkheden werden in kaart gebracht en beschreven. De analyse bevat ook een screening van de popeducatie-actoren op 9 paramaters: gaat het om individueel onderricht dan wel om groepslessen, in welke mate ligt de focus op de technische beheersing van het muziekinstrument, wat is de duur van het engagement dat wordt gevraagd, leidt de opleiding mogelijks tot een professioneel niveau of niet, zijn er evaluaties, hoeveel aandacht gaat er naar de theorie, hoe sterk wordt de eigen creatie gestimuleerd, wordt er aandacht besteed aan de zakelijke kanten van het muzikant-zijn of niet, en in welke mate krijgt de leerling inspraak in wat wordt aangeleerd. Voor de verschillende popeducatie-actoren werd aangegeven waar de klemtonen liggen en waar er minder aandacht naar toe gaat. Conclusie was dat wie een instrument perfect wil leren beheersen, een stevige theoretische basis en individuele lessen wil, best kiest voor een opleiding in een muziekacademie. Dat zijn hun sterke kanten. De muziekcentra kenmerken zich door de aandacht voor creatie, de vraaggestuurde aanpak en de aandacht voor de zakelijke aspecten.

en in de muziekcentra

Individueel

Instrument beheersing

Langdurig

10 9 8 7 6 5 4 3 2 1

Vraaggestuurd (repertoire)

Zakelijkheid

0

Creatie

Instrument beheersing

Langdurig

0

Tot prof niveau

Theorie

Individueel

Met examens (verplichte groei)

Creatie

Tot prof niveau

Theorie

Met examens (verplichte groei)

7 Vastesaeger T. en V. Stadeus, Popeducatie in Vlaanderen. Een veldanalyse, onuitgegeven rapport, Poppunt, 31/05/2007

15


LEREN IN DE KUNST culturele competentie

vaardigheden (v)

attitudes (a) gedrag

voorkeuren

genieten van een voor hen bestemd aanbod

openstaan voor muziek uit verschillende tijden, landen, culturen

kennis (k)

v/a/k

v/a/k

audiovisuele informatie herkennen, onderzoeken vergelijken

Genieten van muzisch handelen expressiemogelijkheden vergroten

Spelvormen in maatschappelijke context hanteren

Sommige mensen leren vooral door zelf te doen: zelf musiceren, acteren, fotograferen, enz. (actieve leerstijl). Anderen hebben meer aan concreet ervaren, het beleven van kunstzinnige activiteiten (het receptief leren). En nog anderen leren vooral door over kunst en cultuur te reflecteren, te analyseren. Dit geeft volgend breed palet aan instap- en doorstroommogelijkheden binnen het veld van kunstopleiding en –educatie. Inwoners kiezen die opleiding die het best bij hen past. En het is de blik van die inwoners die relevant is voor het lokale cultuurbeleid, dat dan ook zal inzetten op een rijk, gevarieerd en complementair aanbod.

Naast een verschil in doelstellingen kan er ook verschil in leerstrategie bestaan.

gedrag

voorkeuren attitudes

culturele competentie LEREN IN DE KUNST

kennis

vaardigheden attitudes kennis

vaardigheden attitudes kennis

persoonlijke ontwikkeling

maatsch. ontwikkeling

LEREN DOOR DE KUNST

8 Het schema werd ontwikkeld door Marc Van Mechelen, stafmedewerker Cultuur Lokaal. Zie ook De Braekeleer, J., Kunsteducatie in deeltijds kunstonderwijs, amateurkunsten en sociaal-cultureel werk. Verschillen en complementariteiten, In a-magazine, jg. 4, nr. 4, september 2003, p. 2-6

16

reflectief

receptief

actief

REFLECTIEF weten, denken

actief

reflectief

receptief

actief

reflectief

receptief

RECEPTIEF beleven, meemaken

reflectief

receptief

actief

reflectief

receptief

actief

leerstrategie

maatsch. ontwikkeling

Er is geen strikte scheiding te maken tussen leren in en door de kunst. In alle leerprocessen komen alle elementen wel aan bod. Het verschil in uitgangspunten is echter essentieel, en voor een goed begrip van de verschillende sectoren is het belangrijk deze mee in rekening te brengen.

ACTIEF zelf doen, maken

vaardigheden

persoonlijke ontwikkeling

zijn doelstellingen van het leerproces. En nog andere willen vooral de openheid voor het/de andere, voor andere groepen en culturen stimuleren, of de onderlinge verbondenheid van een groep versterken. De maatschappelijke ontwikkeling is de doelstelling van deze leeractiviteiten.

actief

ervaringen op een beeldende manier weergeven

In het deeltijds kunstonderwijs ligt de klemtoon doorgaans op het leren ‘in’ de kunst. Leerlingen komen naar de zangles om te leren zingen en wie les volgt aan een academie voor beeldende kunst leert beeldend vormgeven. De leerling verwerft kennis over materiaal, technieken, genres, kunstenaars, kunstwerken enz. Attitudes die leerlingen zich hierbij eigen maken zijn: genieten, plezier beleven aan het kijken, het luisteren, op een nieuwe manier waarnemen. Men ontwikkelt ook voorkeuren en interesses: openstaan voor kunst, belang hechten aan kunstzinnige ervaringen. Andere aanbieders beogen soms vooral een meer algemene sociale en cognitieve ontwikkeling van de persoon. Het creatieve denken of het zelfwaardegevoel

Doelstellingen

LEREN DOOR DE KUNST

reflectief

algemene doelstellingen

concrete doelstellingen (vbn.)

wordt kunst eerder ingezet als een middel tot persoonlijke of maatschappelijke ontwikkeling. Leren ‘door’ de kunst, om de persoon te ontplooien, of om sociale en maatschappelijke vaardigheden te ontwikkelen.8

doelstellingen die de onderscheiden sectoren kenmerken. Ze bieden alle leeractiviteiten aan waarbij kunst betrokken is. Maar bij de ene is het verwerven van kennis en vaardigheden ‘in’ de kunst het hoofddoel, bij andere

receptief

Leren in en door de kunst De verschillen tussen een kunstopleiding in het deeltijds kunstonderwijs, de amateurkunstensector en andere aanbieders, zoals bijvoorbeeld kunsteducatieve organisaties, liggen ook in de


De uitdagingen van cultuurparticipatie In het begin van deze tekst werd het reeds vermeld: het lokale cultuurbeleid wil integraal zijn. De doelstellingen die het bestuur zich stelt gelden voor alle gemeentelijke actoren. Soms zijn deze doelstellingen evident, sluiten ze nauw aan bij de bestaande werking. Andere doelstellingen houden een appèl in ten aanzien van de diensten en instellingen. Ze geven aandachtspunten aan waar tot dan toe misschien minder oog voor was en betekenen dan een stevige uitdaging. De participatie van zoveel mogelijk mensen aan cultuur is en blijft één van de belangrijkste uitdagingen voor het cultuurbeleid, voor de bibliotheken en de cultuurcentra, maar ook voor het deeltijds kunstonderwijs. In een aantal cultuurbeleidsplannen worden de academies expliciet betrokken bij deze beleidsuitdaging. En we vinden ook stimuli terug aan het adres van het verenigingsleven om hier aan mee te werken. Zo is er de uitdaging om de cultuurparticipatie te verbreden, het publiek en het ‘gebruik’ te diversifiëren. Zo komen de meeste mensen naar de bib voor een boek. De bibliotheek heeft nochtans veel meer te bieden, en voor deze culturele instelling is het een uitdaging dat de bezoekers haar ook op een andere manier gaan gebruiken. Om zich te informeren bijvoorbeeld, zodat de participatie aangevuld, verbreed wordt. Deze uitdaging geldt ook voor het deeltijds kunstonderwijs. De school heeft wellicht meer te bieden dan enkel lessen, is doorgaans ook een huis waar – via concerten – met muziek in verschillende verschijningsvormen kan kennis worden gemaakt, en is wellicht ook een trefpunt van amateurs-muziekbeoefenaars. In welke mate maken de leerlingen gebruik van de verschillende mogelijkheden? Kan dat beter? Nog zo’n participatie-uitdaging is de publieksvernieuwing. Het bereiken van publieksgroepen die nog niet deelnemen, met een klemtoon op moeilijk te bereiken doelgroepen, groepen voor wie zich de grootste (of meerdere) drempels stellen. Cultuurparticipatie-onderzoek heeft uitgewezen dat maar een beperkt en specifiek deel van de bevolking aan cultuur participeert. De uitdaging bestaat erin om dit te doorbreken en ook anderen aan te zetten om deel te nemen. Vragen die zich aandienen zijn onder meer: Wie bereiken we? Wie bereiken we niet? En hoe kunnen we bepaalde doelgroepen toch aanzetten om een kunstopleiding te volgen? Een derde facet van participatie is de verdieping van de participatie, de kwaliteit van de participatie verhogen, komen tot een meer bewust beleefde participatie. Wie meer weet over een bepaalde kunstdiscipline of het thema van een tentoonstelling zal meer kunnen genieten van het bezoek aan de tentoonstelling. En ook hier zijn er vragen te stellen: welke kansen bieden we aan onze leerlingen om dieper door te dringen in hun kunstdiscipline? En meer algemeen: wat kan onze bijdrage zijn om de kwaliteit van de participatie te verhogen? Amateurkunsten en DKO zijn geen eilanden in de gemeente, maar maken inherent deel uit van het gemeentelijke culturele leven. Samen en complementair staan zij in voor een breed aanbod aan mogelijkheden om aan actieve kunstbeoefening te doen. •

17


Inspirerende praktijkvoorbeelden over de wisselwerking tussen DKO en amateurkunsten Bij wijze van inspiratie werden enkele praktijkvoorbeelden gebracht. In de aanloop naar het symposium ontving het Forum voor Amateurkunsten uit diverse hoeken een vijftigtal voorbeelden. Het leeuwendeel van de ingestuurde praktijkvoorbeelden betrof muziek, maar we beginnen met WOORD: > Stalstudio (Vilvoorde). Een mooie samenwerking tussen de toneelklas en het amateurgezelschap “Stalstudio”. Leo Dewals, die ongeveer 40 jaar geleden de toneelklas oprichtte, startte met de afgestudeerde leerlingen een toneelgezelschap. Hij kreeg hiervoor van het stadsbestuur een zolderverdieping. Met eigen energie en middelen hebben de leden van de vzw, waarvan men slechts lid kan worden indien men leerling of oud-leerling is van de optie toneel van de Academie Vilvoorde, die ruimte omgetoverd tot een geheel met een theaterzaaltje, technische ruimte, een bar, kleedkamers, een lokaal voor receptie en vestiaire… Stal heeft nu 3 producties per jaar waarin zowel studenten als afgestudeerden kunnen spelen. > In de academie van Poperinge is een vernieuwend project van start gegaan. Vanaf academiejaar 2007-2008 wordt er gewerkt met de methodiek « Selfmade » die door OPENOEK is ontworpen en waarbij jongeren zelf alle beslissingen nemen, hierbij gestuurd door een coach. De leerlingengroep werkt gedurende een volledig schooljaar op basis van deze methodiek. Ze worden daarbij begeleid door een reguliere docent van de academie, die in functie van deze methodiek de rol van coach aanneemt. Er wordt gewerkt naar een toonmoment aan het eind van het 18

schooljaar. Het werkproces kan op vraag van de jongeren herhaaldelijk onderbroken worden door vormingsessies rond specifieke thema’s zoals multimedia, stemtraining, bewegingstheater, vormgeving… Een van de doelstellingen van dit traject is de integratie van opgeleide jongeren in de theatergroepen uit de omstreek te bevorderen. > De huisregisseur van Toneel Heverlee, Peter Van Bouwel, was al even op zoek naar de gelegenheid om een coproductie op te zetten met jonge muzikanten om zo de brug te slaan naar de specifieke eisen van het muziektheater. Daarom deed hij beroep op de studenten van de klas begeleidingspraktijk van de academie voor de creatie, transcriptie en uitvoering van tangomuziek om samen met de acteurs en dansers van El Rumbo Tango de sfeer van Buenos Aires anno 1950 op te roepen. Jonge muzikanten krijgen zo de gelegenheid om los van het concertpodium te spelen; oog in oog met de dansers en overgeleverd aan de acteurs. Acteurs, die in dit geval moesten spelen, dansen en zingen weten zich gesteund en gedreven door de confrontatie met alle nieuwe medespelers. En Toneel Heverlee kan heel de indrukwekkende toneelmachine op gang trekken voor een nieuw samengesteld publiek dat bestaat uit theaterliefhebbers, sympathisanten van de muziekacademie en fans van de danswereld.

Er is ook wisselwerking op heel wat andere terreinen. > Uit Roeselare kregen we een praktijkvoorbeeld binnen waarin men aangaf structureel samen te werken op verschillende vlakken: - zorgen dat de lessen van de academie aansluiten bij de repetities van de vereniging - het gedeeld gebruik van instrumentarium - het gedeeld gebruik van infrastructuur - het samen opzetten van podiumprojecten - stemscreening voor de lokale koren Ook de troeven van overleg kwamen we herhaaldelijk tegen in de praktijkvoorbeelden. > In Sint-Niklaas is er bv. een Raad van Advies voor de academie voor Muziek, Woord en Dans. Hierin komt een groep geïnteresseerden regelmatig samen om de werking van de academie te bespreken en af te stemmen op de lokale gemeenschap. De opdracht is expliciet om het stadsbestuur te adviseren over de academie. Impliciet draagt het regelmatig overleg ook bij tot de verstandhouding en wederzijdse informatieverstrekking tussen academie en verenigingen. Men vernoemt het regelmatig overleg en de openhartigheid van de communicatie hierbij als succesfactoren. > In Ieper komen binnen de cultuurraad 3 keer per jaar de orkesten uit de regio bijeen. Gelijkaardige bijeenkomsten zijn er ook voor de koren en de toneelverenigingen. De onderwerpen hierbij zijn: de kalender voor de komende maanden en jaren, partiturenproblematiek en de ondersteuning door de academie (bv. percussie-


instrumenten, cursussen koordirectie, publiciteit voor de verenigingen...). > In Tessenderlo kopen de harmoniees, de fanfare en de academie gezamenlijk partituren aan. De reeds bestaande afzonderlijke bibliotheken werden samengebracht. Er wordt overlegd over de aankopen om dubbels te vermijden. De gemeente geeft een structureel budget voor deze aankopen en schreef de middelen in in de begroting van de academie. > Bij de Hagelandse Academie is er ook een dergelijke samenwerking - De gezamenlijke aangifte van de SEMU- overeenkomst met betaling van de bijdrage van de verschillende muziekmaatschappijen door de stad Diest. - Het beschikbaar stellen van een jaarlijks budget door de stad voor aankoop van partituren, te gebruiken door alle aangesloten muziekverenigingen. - Het operationeel maken van een gezamenlijke bibliotheek van partituren (beheerd door de academie), onderling bruikbaar gesteld tussen de verschillende muziekverenigingen en online te raadplegen en te reserveren. - Tevens betaalt de stad Diest inschrijvingsgelden terug aan bepaalde leerlingen die lid zijn van een plaatselijke muziekvereniging. De cultuurbeleidscoördinator heeft in deze samenwerking een erg actieve rol. Dat samenwerking logisch is, bewijzen ook de volgende voorbeelden van MUZIEKverenigingen die samenwerken met academies en vice versa. > In Wuustwezel werken de vier muziekverenigingen al jaren samen op het vlak van organisatie van concerten en het bevorderen van het musiceren. Oorspronkelijk is alles begonnen met een jaarlijks Verbroederingsconcert. Maar stilaan werd ook de academie er meer bij betrokken om zodoende vooral jongeren meer aan te spreken om notenleer te volgen en daardoor het niveau van de verenigingen hogerop te brengen. Door muzikanten te vragen notenleer te volgen kreeg de academie meer leerlingen. Een stimulerende factor hierbij is dat de repetitie van het Jeugdorkest ook telt als samenspelklas.

> In groot Beveren-Waas wil men de versnipperde jeugdwerking van de hafa-orkesten uit de polderdorpen bundelen tot één kwalitatief geheel met als streefdoel het aantal nieuwe musici lokaal behoorlijk aan te zwengelen en de uiteindelijke doorstroming van gevormde muzikanten naar de hafa’s te bewerkstelligen. Er is dan ook een groep samenspel opgestart met alle leerlingen uit de omliggende polderdorpen en/of leden van de verschillende jeugdinitiatieven. Alle kinderen die een blaasinstrument of percussie bespelen kunnen deelnemen. Twee uur per week wordt gerepeteerd met deze jonge groep muzikanten. Het bestuur bestaat uit de dirigent, de directeur van de academie en per hafa twee vertegenwoordigers. In het verleden werd de academie meermaals bij manifestaties gevraagd de jeugdwerking van de verschillende hafa’s te helpen ondersteunen en de rekrutering van blazers te verbeteren. Een gezamenlijk project leek alle partners beter dan vier à vijf versnipperde initiatieven. Succesfactoren zijn de hechtere samenwerking tussen de verenigingen onderling, de kwalitatieve begeleiding van de orkestleden en de doorstromingspolitiek naar de volwassenorkesten. Een valkuil is dat sommige besturen schrik hebben voor concurrentie. Zij moeten het initiatief blijvend ondersteunen en geduld oefenen om het beoogde resultaat te halen.

vinden we het aansluiten van de repetitie van de harmonie op de samenspelklas. Dit genereert een natuurlijke doorstroming naar de harmonie: als de muziekleraar aan de ouders vraagt of de leerling mag meespelen op concerten van de harmonie blijkt dit vaker een positieve reactie te hebben bij de ouders dan wanneer een bestuurslid van de harmonie dezelfde vraag stelt. > Leerlingen van de muziekacademie van Kontich van de middelbare graad volgen hun cursus samenspel binnen het jeugdorkest van de plaatselijke harmonie. Hiermee wil men de leerlingen kennis laten maken met het musiceren in een jeugdorkest en mogelijks een doorstroming van muzikanten naar het harmonieorkest stimuleren, zodat leerlingen niet na zovele jaren muziekschool te hebben gevolgd hun instrument in de kast zouden leggen. > In Nijlen, Wijnegem, Mortsel, Lier en diverse andere gemeenten krijgt men vrijstelling voor de les samenspel wanneer men actief lid is van een harmonie of fanfare. > In ondermeer Aalbeke en Grobbendonk vinden de lessen samenspel plaats in het repetitielokaal van orkest of harmonie. Handig hierbij is bv. dat het lokaal reeds voorzien is van stoelen in orkestformatie en statiefjes zodat de leerlingen dit niet nog eens zelf hoeven mee te brengen.

> In Waregem vinden de klassen samenspel van de blazers plaats in de lokalen van de plaatselijke harmonie. Hierdoor kunnen ze ook gebruik maken van de algemene accomodatie. De cursus samenspel gaat hier vaak over in het jeugdorkest. Daarbij is de leerkracht en de dirigent dezelfde persoon. De leerlingen hoeven maar één uur te blijven, het tweede uur is niet van de academie. Men stelt vast dat de meeste leerlingen voor het sociale blijven. Dit is een belangrijke voedingsbodem voor de harmonie.

> Wat perfect inspeelt op de wisselwerking, is de mogelijkheid die in meerdere academies geboden wordt om een opleiding koor- en hafabradirectie te volgen. In de academies van Waregem, Lier en Hasselt kan men terecht voor koordirectie; in de academies van Halle, Gentbrugge en Genk kan men Hafabradirectie volgen. Dit is telkens een samenwerking tussen de vermelde academies, Koor&Stem, Vlamo en verschillende koren en orkesten uit de regio’s. Bedoeling is studenten praktijkervaring te laten opdoen door hen stage te laten lopen in de realiteit.

> In Anzegem stelt de harmonie haar slagwerkinstrumenten ter beschikking van de lessen samenspel, om zodoende quasi nutteloze dubbele investeringen te voorkomen. Ook hier

De vraag kwam initieel van de hafabrasector. Er was een enorme nood aan degelijk opgeleide dirigenten. Daarom werd samengezeten met het Onderwijssecretariaat van de 19


Steden en Gemeenten, de inspectie, de hogescholen en Vlamo om dit tijdelijk project voor te bereiden en uit te werken. Er werd onmiddellijk besloten om er ook Koor&Stem bij te betrekken gezien er ook in de koorwereld een groot tekort is aan degelijk opgeleide dirigenten. Er zijn immers weinig studenten in de hogescholen die afstuderen voor koor- of hafabradirectie. Deze kiezen meer voor hoog gekwalificeerde koren of orkesten. Dit terwijl er steeds meer leerlingen zijn die een opleiding in een muziekacademie volgen en die lid zijn van een of meerdere koren of orkesten. Daardoor is ook de kwaliteit in vele minder hoog gekwalificeerde koren en orkesten gevoelig gestegen, waardoor er een groot tekort was aan degelijk opgeleide dirigenten. > In het Noord-Limburgs Instituut Kunstonderwijs richt de kunsteducatieve vzw Musica reeds jaren een compositiestage in tijdens de zomervakantie. Zij beschikken diverse dagen gratis over het volledige gebouw en alle piano’s. In ruil mag de academie tijdens het schooljaar enkele workshops ‘gebruiken’ van Musica. Zo kregen het vorige schooljaar de 6- en 7-jarigen een rondleiding in het Klankenbos van Musica. > Een groot succes is de opleiding volksmuziek, met zijn specifieke instrumenten zoals doedelzak, draailier, diatonisch harmonica, hommel maar ook folkgitaar, folkviool, folkzang e.a. Op dit ogenblik kan je volksmuziek volgen in de academies van Ieper, Blankenberge, SintNiklaas, Lebbeke, Schoten, Bornem, Gooik en Sint-AgathaBerchem. De integratie van volksmuziek in het DKO gebeurde op initiatief van Muziekmozaïek, in 1998 in Gooik. Tot nu toe vallen deze opleidingen binnen de tijdelijke projecten van het DKO en hoopt men dat ze structureel zullen worden opgenomen. Alleen al binnen de zes officiële muziekacademies met een volksmuziekafdeling werden in 2007 zo’n 450 leerlingen geteld. Het leeuwendeel daarvan volgt doedelzakles (138). Jarenlang was het aantal doedelzakspelers in Vlaanderen (net als het aantal muzikanten die een diatonische harmonica bespeelden) bij wijze van 20

spreken op één hand te tellen, sinds goed 10 jaar is de populariteit van die instrumenten, mede door de degelijke DKO-opleidingen, enorm toegenomen. Op Nekka 2006 speelde de centrale gast, folkrockgroep Kadril, een nummer met zo’n 150 – vooral jonge – doedelzakspelers. Dat zou 10 jaar geleden ondenkbaar zijn geweest. > Ook binnen DANS vinden we samenwerkingsprojecten. In Schoten bv. werkten de academie en een dansgroep samen aan een voorstelling met live muziek, onder de naam Mertens&Mertens. > Nog in Schoten heeft de academie een zeer groot aandeel in de jaarlijkse Week van de Amateurkunsten. De academie neemt hier zelf het initiatief en realiseerde tijdens deze week talrijke projecten in samenwerking met plaatselijke koren, dansverenigingen, de literaire kring, de lokale schilderskringen e.d. > In Wilrijk zette de Academie voor Schone Kunsten samen met haar oud-leerlingen een tentoonstelling op. Op die manier werd de band met de school en elkaar weer opgerakeld. Als succesfactoren schreef men hier dat de vraag vanuit verschillende organisaties is gekomen en de wijze waarop het project verder is uitgegroeid. Zo was er de samenwerking met het cultuurcentrum Nova-Kiel, waar de tentoonstelling tijdelijk werd ondergebracht. Tevens was er de samenwerking met de vzw. Talander, een gemeenschapshuis voor jonge mensen met ontwikkelingsproblemen waar het kunstzinnige een belangrijke plaats krijgt in het dagelijks leven. Dit initiatief werd gerealiseerd naar aanleiding van de verbouwing van het tehuis, waar de textielwerken in de nieuwe ruimten werden tentoongesteld. > Qua experimentele opleidingen is er ook het voorbeeld van de kunstacademie van Geraardsbergen die samen met Muziekmozaïek een workshop zal opzetten met als thema ‘Muziek programmeren via pc’. Dit om muzikanten in te wijden in de mogelijkheden van een paar computerprogramma’s die handig kunnen zijn bij het componeren, uitschrijven en arrangeren van muziek.

Samenwerking met het dagonderwijs moet toch ook even vermeld worden. Zo biedt de academie van Zottegem samen met verenigingen het project “Samen Muziek Maken Geblazen” aan voor de tweede en derde leerjaren uit het basisonderwijs. Een project om de aandacht te richten op harmonies en fanfares. In de klas worden liedjes aangeleerd en het ontstaan van de muziekvereniging uitgelegd. De leerlingen krijgen een lesfiche en liedjes en begeleiding staan op een bijgeleverde CD. Het project wordt afgerond met een slotmoment in het Stadstheater. Dit project is geïnspireerd door een project dat reeds succesvol werd opgezet in Nederland. Een moeilijkheid is het vinden van muzikanten die overdag beschikbaar zijn. Tot slot zijn er nog de vele producties waar door verenigingen en academie samen aan wordt gewerkt, zoals bv. de Zoetwaterprohms in Oud-heverlee, het kinderconcert “Peter en de wolf” in Halle, een opvoering van Carmina Burana in Lier en “King Alberts Book” in Ieper.

Deze en meer praktijkvoorbeelden vindt u op www.amateurkunsten.be/dko


Terugkoppeling over de reflectiegroepen door Luc Ponet en Dirk Verbist

het om. En ik denk dat we beiden kunnen getuigen dat deze middag in de verschillende werkgroepen vooral vanuit die ingesteldheid gesproken is. Luc gaat een aantal rimpelingen op het ogenschijnlijk rimpelloze water naar boven brengen.

Luc Ponet is inspecteur voor het DKO Dirk Verbist is kabinetsmedewerker van minister Bert Anciaux

Luc Ponet Dank u wel, meneer de minister, dames en heren. Ik heb vooral zitten luisteren deze namiddag naar de bijzonder enthousiaste, geanimeerde en ook stimulerende gesprekken. Stimuleren in de zin van “verdorie dit werkt echt”. Ik heb zitten luisteren naar die eensgezindheid die er wel degelijk is. Eensgezindheid tussen het DKO en de AK. Letterlijk: “Niet de vraag naar wat ons scheidt is belangrijk, maar wel de vraag naar wat ons bindt”. Na enig hectisch heen en weer geloop van de ene groep naar de andere, ben ik er in geslaagd een aantal begrippen onder elkaar te zetten. Er bleek immers een bijzondere vraag en een bijzondere zoektocht te zijn naar het gelijkgericht en het parallel interpreteren van bepaalde begrippen; om niet te spreken van begripsverwarring. Definities dus. Ik ga die definities niet beantwoorden, maar breng ze wel even naar voor.

Dirk verbist Goedemiddag dames en heren. We kregen een onmogelijke opdracht. Het voornaamste effect van het komende kwartiertje zal zijn dat veel mensen in de zaal zullen zeggen: “hij heeft ons niet geciteerd. Net op dat juiste moment was hij er niet bij.” We gaan proberen terug te koppelen vanuit alles wat is neergeschreven en wat we gehoord hebben. Laat ons een aantal dingen naar boven doen dwarrelen. We beginnen met spreken over en nadenken over AK en DKO en dat is zoals over - ik noem maar wat- voetbal, de regeringsvorming, goeie seks… Iedereen heeft er een mening over, iedereen heeft eigen belevingen, al dan niet positieve of negatieve en dat is verschrikkelijk goed, want dit maakt een heel breed en dynamisch debat mogelijk. Toch moeten we oppassen met onverwerkte verledens, met een te sterke focus op een eigen navel, met moddersloffen die doorheen dit soort thema’s wandelen, zoals we deze voormiddag soms gemerkt hebben. Openheid en respect: daar gaat

AK en DKO hebben het over amateurs. Anderzijds hebben we vanmorgen ook kunnen horen over professionalisme en professionaliteit. Spreken we over ‘de liefhebber’? Wie is dat? En dan komt vaak het woord semi-prof aan de oppervlakte. Naar buiten toe komt dat zeer misleidend over. Er zijn nog veel misvattingen onderling. Vaak ook termen die niets zeggen. Een amateur: wat betekent dat eigenlijk? Een liefhebber, dat zegt soms veel meer, daar zit een andere dimensie achter. In een bepaalde groep vernam ik dat er toch wel een zekere artificiële vraag is naar een doelgroepenbeleid. De doelgroep waar wij altijd van spreken. Wij weten dat die zeer breed is, maar dat is dan ook altijd het enige antwoord. We leven in een zeer democratische maatschappij waarin de vraag naar kunstopleiding en kunstzinnige vorming ontzettend groot is. Het DKO kan niet beantwoorden aan die doelgroep. Maar wat bedoelen we met de doelgroep, wat vatten we daar allemaal onder? Als we beginnen op te sommen dan kan dat een heel lange lijst zijn. Over professionalisering werd in bepaalde groepen nog even verder gedebateerd. Professionalisering werd gesteld als ‘iets bewust uitdiepen’ of ‘verdiepen in iets dat eigenlijk sluimerend aanwezig is, vanuit een innerlijke behoefte’. Professionalisering is dus niet dwangmatig schooltje spelen. Er kwam ook ergens een zachte repliek die stelde: “Weet u wel de reden van de oprichting van academies? Die is volledig terug te brengen tot een sociologisch fenomeen, namelijk een leemte invullen. We spreken dan over tientallen jaren terug om niet te zeggen 100 21


jaar geleden”. Avondonderwijs, vakgericht, artistiek onderwijs, tweedekansonderwijs en onderwijs voor sociale promotie. Dat is wat professionalisering indertijd betekende voor het kunstonderwijs. Maar dat onderwijs voor sociale promotie, daar plaats ik toch meteen een kordate redenering bij. Daar zitten we met ‘de amateurkunsten’ met de perfecte partner om dat te vertalen in een meerwaarde. Via amateurkunsten kan je actieve deelnemer worden van een van cultuur doordrongen maatschappij. Dit bevordert de kwaliteit van het leven en van het mens-zijn. Professionalisering en amateurkunsten: het kan perfect in één adem genoemd worden als je de link legt. Een andere vraag die aan de oppervlakte kwam behelst de actieve cultuurparticipant. Een mooie uitdrukking. “Dat is toch een sociologisch vraagstuk”, was de eerst repliek. We spreken over cultuurparticipatie, cultuureducatie, kunsteducatie, kunstonderwijs en gewoon de participant. Er is ook nog een maatschappij waarbinnen dit moet functioneren. Een kat vindt daar haar eigen jongen niet in terug. Het participerend gehalte is zeer ruim en sluit dan weer aan met de zoektocht naar die doelgroep van daarnet. De doelgroep DKO? Is dat dezelfde als de doelgroep voor AK? Is de ene dan een deelverzameling van de andere, of net niet? Zo komen we even terecht in de moderne wiskunde. Maar je weet: kunst en wiskunde liggen zeer dicht bij elkaar. Het rationeel denken en het emotioneel denken is perfect in evenwicht in deze context. Bij dat zeer ruim denken over het participerend karakter, moeten we toch stellen dat we te maken hebben met doeners en met denkers, met passievelingen en met genieters en met de denkers die denken dat ze doen. Allemaal in het licht van of in de context van de doelgroep. Als je je dan weer terug toespitst op het fenomeen AK-DKO, het vraagstuk van vandaag, dan bleek toch wel duidelijk dat er uiteenlopende ambities kunnen zijn, dat er parallelle doelstellingen kunnen zijn, dat er ook andere verwachtingen gesteld kunnen worden en dat er dus ook een andere perceptie kan zijn. We spreken dan niet over een doelgroep in brede zin, maar in verticale zin. Dan spreken we over kinderen, jongeren, studenten, jongvolwassenen, jonge gezinnen, gesettelde burgers, jonggepensioneerden, de derde leeftijd … “Hoe kunnen 22

DKO: een andere vraagstelling, een ander begrip ook. Is DKO dan geen AK? Is het één een deelverzameling van het andere of niet? Eén van de reflecties daarover zegt : “ja dat is toch wel erg persoongebonden. Het DKO is vaak naar binnen gericht, vooral naar de opleiding gericht, naar kwaliteit in die opleiding ook, en amateurkunst - als we ze nu even als fenomeen tegenover elkaar mogen stellen - is toch vooral verwachtingsvol en ontvangend ingesteld. Met andere woorden: er zijn wederzijdse verwachtingen, maar dat leidt dan ook misschien tot wederzijdse conflicten net vanuit dat enerzijds naar binnen gekeerde en anderzijds dat naar buiten gekeerde (of het verwachtingsvolle).” DKO als vorm van specialisatie? Gebeurt m.a.w. de eerste screening binnen de AK-sector en daarna vertegenwoordigt het DKO een evolutie via een welbepaald leerproces – kunstonderwijs - dat kan leiden tot professionalisering. Hoe zit het in de AK? AK lijkt vooral gericht op de breedte. Er is veel aandacht voor vrijheid, gericht en afgestemd op ‘de liefhebber’. Dit betekent dat je moet liefhebben om het te doen. Beide mogen vanuit die korte analyse niet dicterend gaan werken ten opzichte van de andere, niet sturend. Het verwachten mag niet leiden tot “jij moet dit doen, anders zijn we geen partners”. Ik was ooit directeur in een academie waar er een zeer nauwe samenwerking was tussen muziek, woord, dans en beeldende kunst. “Wij gingen samenwerken”. We hadden grote ambities: een voorbeeldschool voor Vlaanderen zijn (ik spreek nu over bijna 10 jaar geleden). Maar die samenwerking leidde altijd tot “de één zit in het decor van de ander.” De fundamentele vraag was daar net zoals hier nu: wie zit in het decor of wie zit op de voorgrond? Moeten we het als een premisse stellen dat het zo is of stellen we het in vraag? Een beetje de vraag ook van het mooie poëtische verhaal van Kahlil Gibran, over de eik en de cipres.

beleidscoördinatie (ik laat bewust de persoon erbuiten maar wil het fenomeen wel meenemen in het verhaal). De vraag werd in één van de werkgroepen terecht gesteld: waar is de verbinding tussen ons (DKO en AK) en het cultuurbeleid? Wat is hun taak of wat zijn de verwachtingen? Ik citeer even: “informeren, omgevingsfactoren analyseren, infrastructuur aanreiken, een geactualiseerd aanbod bewerkstelligen…” Er zijn tegelijk ook knipperlichten gemeld voor een te grote diversiteit en spreiding. Heel belangrijk zijn een integraal stimuleringbeleid en de bottom-up gedachte. Hier kwam dan wel een repliek “vergeet de top-down niet want top-down genereert ook kwaliteit én genereert andere mogelijkheden”. Hier vermelden we ook de brede school, een behoefte aan een cultuurscout ( het ‘ontdekken van’ is toch een belangrijk gegeven). Nog knipperlichten zijn de perceptie binnen de tijdsgeest en de belasting en het gewicht van het dagonderwijs in combinatie met toch wel een rijk aanbod aan nevenactiviteiten waarvan kunstbeoefening er slechts één is. Uiteindelijk kon ik daaruit samenvatten dat het gaat om een zoektocht naar het afrekenen met een wetmatigheid. Met de wetmatigheid eigenlijk van de economische rendabiliteit tegenover het investeren in menselijke kwaliteit. Het lokaal cultuurbeleid, zo wordt gesteld, is duur en is dan misschien ook een drempel. Niet voor de zogenaamde participant, maar voor de gemeente of stad waar men stimuli en prikkels wil ontwikkelen. Dus opnieuw het economische aspect dat meespeelt. Het mag niet duur zijn vanuit de perceptie. Het vooral ‘duurzaam zijn t.o.v. mensen’ is dan een interessante woordspeling. Een bijkomende gedachte vanuit dat cultuurbeleidsdenken: “Het is toch niet omdat het DKO gesubsidieerd wordt dat men die toeleiding naar het DKO als eenduidig moet zien?” Dit houdt zowel een vraag als een uitroepteken in. De complementariteit met de relatieve vrijheid van de AKsector wordt daar regelrecht tegenover geplaatst. Een complementariteit die bepaalde drempels inbouwt qua leeftijd, qua te bereiken leerdoelen. Soms ook qua imago, inderdaad, maar ook wat betreft schoolcultuur en relatieve vrijheid.

Elke gemeente of stad die zichzelf respecteert heeft tegenwoordig een prachtig boek geschreven: het cultuurbeleidsplan. Vaak zeer boeiende literatuur. Aangestuurd door de cultuur-

Uiteindelijk kom ik tot ‘de energie’ die vanuit de verschillende groepen naar boven stroomde, met daaruit voortvloeiend de grote vraag naar het mekaar kennen. Daar wordt hard aan gewerkt.

wij vanuit één doelgericht denken daar perfect aan tegemoet komen”, was één van de vragen die duidelijk aan de orde kwam. Hoe kunnen we dat allemaal in kaart brengen? Het is ontzettend veel, ontzettend breed, ontzettend diep en ontzettend hoog. Maar er is hoop…


Daar is ook al heel veel aan gebeurd en daarom vond ik het ook prachtig hoe vanmorgen de drie dames het hele veld in beeld hebben gebracht. En eigenlijk had ik toen tijdens de eerste pauze het gevoel van “ja, moeten we dan nog verder”? Als we er een oplossing voor vinden om al dit moois te functionaliseren en ingeburgerd te krijgen, dan zit het goed. De puzzelstukjes passen dan perfect in mekaar. Trouwens: proficiat voor de drie dames die daarvoor gezorgd hebben deze morgen. Zijn de verwachtingen realistisch vanuit het denken over die toch wel kritische termen die de kop opsteken, of voor die input die voor enige begripsverwarring zorgt? Zijn de verwachtingen realistisch wat betreft het aanbod? “Ja”, wordt daar volmondig op geantwoord want er ‘is’ ontzettend veel. Als we DKO en AK tezamen nemen, dan zitten we zeer goed, maar ze moeten meer afgestemd raken op elkaar. Er werd bijvoorbeeld verwezen naar hafabra- en koordirectie. Schitterend initiatief door beide partners sterk gedragen, maar er bestaat toch nog een soort concurrerend iets bij één van de partners en dat is dan het gevolg van een gebrek aan afstemmen op elkaar. Zo zijn er talloze voorbeelden. Er heerst nog een zeker wantrouwen want, zo wordt gesteld, het is toch niet omdat je het DKO volledig hebt doorlopen dat je in de AK-sector, bv. als lid van een toneelkring, ook permanent op de voorgrond moet staan. Dat je dan kan zeggen “ik weet het allemaal want ik heb het DKO doorlopen”. Nee inderdaad, het is misschien een uitnodiging tot bescheidenheid wat dat betreft. Anderzijds is de AK-sector geen onderwijs. Het is een heel sterk alternatief voor verbreding van mogelijkheden. Er is nog steeds het gevaar van polarisering, verzuiling… Met andere woorden: het is zoeken naar de wederzijdse meerwaarde, het zich voor elkaar openstellen. De belangrijkste factor daarin - en die kwam in meerdere groepen aan de oppervlakte - is communicatie, het met elkaar praten. Ook dat is persoonsgebonden. Het is vaak één persoon of enkelen, die daar echt mee bezig zijn. De verbreding van dat platform is dan weer een stap verder. Ik kom terug bij mijn beginvraag. Wat bindt ons? In de eerste plaats de verzuchting naar het detecteren van waardevolle projecten en een waardevolle input voor een van een cultuur

doordrongen maatschappij? Wat is er mooier dan een examen jazz dat plaats vindt, niet in de concertzaal van een academie of cultuurcentrum, maar wel in een bruin café of in de cafetaria van een cultuurcentrum? Dat is schitterend én dat is een vorm van samenwerking waar we naar zoeken. Wat is er mooier dan een uitstekend harmonieorkest dat kan concerteren in een prachtige zaal van een academie of van een conservatorium? Daar zijn we naar op zoek en dat bindt ons. Wat bindt ons nog? De degelijke opleidingen en de leuke vrijetijdsbestedingen. Het één zowel als het andere. Wat bindt ons nog? Het antwoord was één van de laatste woorden die ik gehoord heb bij één van de werkgroepen. “Ja, dat is toch wel de liefde voor de kunst”! Dirk verbist Een hele dag als twee uitgestoken handen naar elkaar. Een hand heeft vijf vingers en ik vond ook vijf begrippen terug die het meest geturfd werden doorheen alle gesprekken in de werkgroepen deze namiddag. Begrip één is werken aan beeldvorming, is de clichés overstijgen en dus werken vanuit de kracht en niet vanuit de klacht van en over amateurkunsten en DKO. Dit geeft veel kansen om goede praktijken naar boven te halen en goede praktijken ook scherper in het vizier te krijgen van elkaar en van de samenleving. Een goed idee dat in één van de groepen is aan bod gekomen, is de nood aan ambassadeurs. Ambassadeurs voor goede wervende praktijken voor AK, goede wervende praktijken voor DKO en voor gemeenschappelijke praktijken. Tweede vinger van de uitgestoken hand is wederzijds respect en vertrouwen. Dit is heel veel aan bod gekomen. Zonder respect voor de lichamen krijg je nooit beweging in de geesten die in de lichamen zitten. En hierbij zit het belang aan informatiedoorstroming. We maken ons zelf niet genoeg bekend aan elkaar en we maken elkaar niet bekend genoeg aan de bevolking. We gaan te weinig op zoek of de ander antwoorden heeft op mijn vragen. Derde vinger van die uitgestoken hand is de lokale regierol en waarbij de ongetwijfeld duurst betaalde job in een gemeentelijke administratie opnieuw naar boven is gekomen; die van de cultuurbeleidscoördinator. Die is

ontzettend veel aan bod gekomen. Hij of zij is de schakel tussen beleid en verenigingen en scholen. Ze kennen vele spelers, hebben linken met schepenen, met gemeentelijke diensten, ze kunnen ervoor zorgen dat rond infrastructuur en rond materiaal gemeenschappelijke belangen op hun gemeente, gemeentebestuur, gemeenteraad aan bod kunnen komen. Het belang van lokale regie en samenspraak lokaal via en met de cultuurbeleidcoördinator. Vierde vinger van de hand is complementair willen zijn. Het is ook logisch. In de praktijk zijn veel leerlingen van het DKO tegelijk ook actief in een AK-organisatie. Complementair willen zijn vraagt engagement. Engagement van docenten in het DKO, maar ook engagement van groepen in de AK om wat uit de eigen geslotenheid te breken. Iets wat op een bepaald moment gesteld werd, is dat een sterke jeugdwerking binnen de AK automatisch voor meer samenspel zorgt met het DKO. Complementair willen zijn, vraagt tegelijkertijd om niet altijd vanuit een structuur te denken, niet altijd top-down te denken, niet altijd vanuit de incrowd te denken maar stappen verder te gaan. De vijfde vinger aan de uitgestoken hand en wellicht de dikste vinger is drempelverlagend werken. Samen gaan voor een grotere instroom voor DKO en AK. Ook hier het belang van het ontwikkelen van goede praktijken om effectief op hardnekkige drempels te kunnen werken en om hier effectief resultaten in te bereiken. Het aantrekken van nieuwe publieken, de overgang van DKO naar DKO, van DKO naar AK, van AK naar AK, van AK naar DKO. Het aanbieden van platformen voor leerlingen binnen het DKO, afgestudeerden binnen het DKO, binnen de vrije omgeving van de AK… De linken of de kansen om nog meer banden aan te gaan met het leerplichtonderwijs; hier zitten ook nog sterke brede-schoolverhalen in. Dat was de duim. Wellicht de meest moeilijke, meest ingewikkelde vinger van deze uitgestoken handen. DKO en AK hebben overtuigend de overtuigden overtuigd. Nu is het de uitdaging om ook aan de niet-overtuigden te werken. Maar één centraal woord is van de ochtend tot de avond geregeld aan bod gekomen en dat is “goesting”. Dat is iets waar wij elke dag mee bezig mogen zijn en dat is één van de grootste verdiensten van waar deze sectoren vandaag voor staan. • 23


Deze tekst is de synthese van de verschillende persoonlijke standpunten en su

Synthesenota van de reflectiegroepen In de reflectiegroepen kwamen in het namiddaggedeelte van het symposium gedurende 50 minuten gemiddeld 8 personen samen om verschillende thema’s te bespreken. Elke deelnemer kreeg de kans om aan drie verschillende reflectiegroepen deel te nemen. Deze waren ingedeeld naar interesse gebied: podiumkunsten en beeldende kunsten. Opvallend was dat de reflectiegroepen doorgaans erg divers waren samengesteld. Met een publiek bestaande uit amateurkunstenorganisaties en –verenigingen, lokale vrijwilligers, leerkrachten en directies uit het DKO, steunpunters en belangenbehartigers, leden van ministeries en kabinetten, beleidsmakers, actoren uit het lokale cultuurveld… Was de discussie niet steeds even makkelijk, dan was ze des te boeiender. Deze nota poogt wat aan bod is gekomen tijdens de reflectiegroepen samen te vatten in één document. Met dank aan de moderatoren – Daniël Vandersmissen, Joke Dekeyser, Katrien De Bruycker, Luc Doutrebon, Bea Vansteelandt, Marc Van Mechelen, Michelle Coenen, Ingrid Leys, Philippe Vanderschaeghe, Elke Verhaeghe, Koenraad De Meulder, Wim Smet, Carl Van Eyndhoven, Marijke Verdoodt, Michael Scheck, Sandra Denis, Philip Sioen, Jean-Marie Soetaert, Luc Delanghe en Jan Matthys - en aan de deelnemers die zich bereidwillig opgaven als verslaggever.

De thema’s van de reflectiegroepen waren: A. Samenwerking 1. Welke zijn de voorwaarden om de samenwerking (lokaal en landelijk) tussen DKO en AK succesvol te laten verlopen? 2. Welke rol speelt het lokale cultuurbeleid bij het ontdekken van kunstzinnige leerbehoeften? Hoe kan het beleid lokale samenwerking tussen DKO en AK bevorderen? 3. Hoe bekijken DKO en AK elkaar? In welke mate is de blik een hinderpaal voor samenwerking? 4. In welke zin moeten vormingsinitiatieven uit de amateurkunsten en opleiding binnen het DKO verschillende doelen nastreven? Welke rollen spelen andere partners (bv. de brede school, basisonderwijs, kunsteducatieve organisaties)? B. Participatie (Instroom) 5. Wat is het profiel van de ‘actieve cultuurparticipant’? Wat is het profiel van de amateurkunstenaar en de leerling DKO? 6. Welke maatschappelijke tendensen stimuleren of belemmeren de interesse om actief kunst te beoefenen? Wat kunnen we hieraan doen, zowel AK, DKO als de gemeente? 7. Op welke manier kunnen DKO en AK bijdragen tot een stimulerende omgeving voor actieve kunstbeoefening in het dagonderwijs? Welke impulsen kunnen van het dagonderwijs uitgaan om jongeren aan te zetten tot actieve kunstbeoefening? 8. Hoe kunnen beide sectoren kansengroepen beter bereiken en aantrekken? Met welke drempels worden ze geconfronteerd en hoe kunnen we deze overwinnen? C. Doorstroom - Uitstroom 9. Wat zijn de verwachtingen van de amateurkunstenaar t.o.v. het DKO? Wat zijn de verwachtingen van de leerling DKO t.a.v. de amateurkunsten? 10. Welke zijn de gemeenschappelijke noden van (afgestudeerde) leerlingen DKO en amateurkunstenaars, zoals bv. infrastructuur, communicatie, nazorg of netwerken? Deze indeling is hierna niet aangehouden, aangezien al snel duidelijk was dat in de reflectiegroepen steeds enkele transversale thema’s centraal stonden. We zijn voor dit document dan ook uitgegaan van deze transversale thema’s.

24


uggesties die werden geformuleerd door de deelnemers aan het symposium.

Participatie Vaststellingen uit de praktijk De amateurkunstensector en het DKO willen een breder publiek bereiken. Beide sectoren willen zich openstellen voor iedereen. De voorwaarden zijn hiervoor vaak aanwezig. Academies kennen bv. een grote spreiding over Vlaanderen en de inschrijvingsbedragen zijn laag. Toch worden nog veel mensen niet bereikt. Zo zijn allochtonen bv. maar weinig aanwezig in DKO en AK. Hier ligt een uitdaging voor beide sectoren. Maar hoe kan je de kunstzinnige leerbehoeften ontdekken? Hoe bereik je iedereen die een potentiële behoefte heeft, maar deze misschien (nog) niet ontdekt (heeft) of daartoe nog niet werd uitgedaagd? Meerdere deelnemers vonden dat de financiële drempel vaak overschat wordt en de andere drempels onderschat. Het is verkeerd altijd naar de socio-economische factoren te kijken. Als men echt aan cultuurparticipatie wil doen, kan men de financiële middelen hiervoor wel vinden. Het is de motivatie die belangrijk is; vooral culturele armoede leidt tot een instroomprobleem. Niet iedereen hoeft per se aan cultuur deel te nemen; we moeten cultuurparticipatie durven relativeren. Niet iedereen voelt zich geroepen om aan kunst te doen. Toch moeten we ervoor zorgen dat drempels worden gedetecteerd en dat er inspanningen worden geleverd om deze weg te werken. Niet willen deelnemen is een keuze; niet kunnen deelnemen is een onrecht. Verschillende reflectiegroepen hebben zich gebogen over het profiel van de participant. De participant - de cultuurparticipant is vaak hoger opgeleid, maar dit wordt wel betwist als het gaat over de populaire muziek, musical en deelname aan grootschalige evenementen. - is actief geïnteresseerd, nieuws gierig, maakt persoonlijke keuzes, neemt geregeld deel aan de activiteiten die hem interesseren. Hij wil schoonheid ervaren, zijn ervaringen verbreden en verdie pen. Ook het sociale contact

- - -

tijdens en rond de actieve participatie is een meerwaarde. is niet monodisciplinair ingesteld, maar vaak veelzijdig geïnteresseerd is sterk gemotiveerd, maakt er tijd voor, zoekt naar informatie, kiest voor kwaliteit. Participatie moet meer zin geven aan zijn bestaan. als belangrijkste leeftijdsgroepen werden genoemd: studenten en 50-plussers.

De actieve kunstbeoefenaar heeft één profiel; de deelnemers vonden het niet wenselijk een onderscheid te maken tussen de participanten binnen de amateurkunstensector en het DKO. Als actieve kunstbeoefenaar stap je mee in het systeem waar je je het best bij voelt. Dit kan een schools systeem zijn, of een ander systeem. Toch werden nog enkele kenmerken opgesomd: De leerling DKO Door de deelnemers aan de reflectiegroep overeengekomen definitie: “Een jongere of volwassene die aan een academie een kunstopleiding volgt.” De leerling DKO heeft doorgaans hoger opgeleide ouders. De ‘volksverheffing’ uit het verleden speelt praktisch geen rol meer, ook niet de drang naar sociale vooruitgang. Hij begint meestal jong, heeft veelzijdige interesses en is daardoor soms minder intensief bezig. Het is vooral een verrijking, maar hij wil iets leren en wil ook daarvoor geëvalueerd worden. Hij houdt niet altijd vol, maar ervaart de opleiding in het DKO toch als een meerwaarde in zijn persoonlijke ontwikkeling. Ouders en leerlingen waarderen de kwaliteit van het DKO, de vaste structuur en de duidelijke doelstellingen, de professionele leraren en de technische bagage die wordt meegegeven. De amateurkunstenaar: Door de deelnemers aan de reflectiegroep overeengekomen definitie: “Een persoon die kunst in de vrije tijd en niet beroepsmatig beoefent.” Zoals het woord ‘amateurkunstenaar’ suggereert, speelt de liefde tot de betreffende kunstdiscipline een eersterangs rol. Deze liefde wordt vaak een passie. Kenmerken zijn: de drang om zich te uiten, gedrevenheid, behoefte

aan zelfontplooiing, leergierigheid, zingeving aan het eigen bestaan. Amateurkunstenaars vindt men in alle leeftijdsgroepen. Eigenaardig is dat veel mensen de amateurkunstenaar zien als een autodidact. Dit is echter jammer, want we zouden kunnen stellen dat alle DKOleerlingen amateurkunstenaars zijn. De beoefenaars zijn ook vaak aanbieders. Beide sectoren hebben een enorme troef in handen: een zeer laagdrempelig kunstproduct om mensen mee in aanraking te brengen. Beide sectoren ontkomen niet aan maatschappelijke veranderingen. De deelnemers hadden het over onderstaande. Er is een erg groot aanbod en de mensen willen van alles wat proeven Men moet keuzes maken. Dit geldt zeker voor kinderen in de leeftijdscategorie + 12 jaar. Het leerplichtonderwijs krijgt voorrang. De overgang van het lager naar het secundair impliceert dat kinderen in hun vrijetijdsactiviteiten snoeien. Op die leeftijd is het dikwijls kiezen tussen bv. muziek of basket. Het is natuurlijk ook zo dat kinderen op 12 jaar meer en meer zelfstandig gaan beslissen, en de keuzes die hun ouders voor hen maakten verlaten. En dan speelt dikwijls het ‘fun’-element een belangrijke rol. DKO is onderwijs, vraagt een inspanning én heeft niet per se het imago dat men er naar toe gaat voor het plezier. Enkel wie echt een instrument wil kunnen bespelen blijft. Bepalend voor de keuze van een kind is dikwijls het contact met de leerkracht. De manier waarop met leerlingen wordt omgegaan is erg gebonden aan de persoon. Het is toch wel een aandachtspunt dat de leerkrachten in het DKO de leerlingen begeleiden van 8 tot 18 jaar én ouder. Dit gegeven wordt doorgaans onderschat. Men wil geen keuzes meer maken; vrijblijvendheid Ouders willen dat hun kinderen alles meemaken, én de muziekschool, én de basketbalclub én… Daardoor is er geen echt engagement meer. Bij het DKO gaat het om onderwijs en dat vraagt een inspanning. Maar veel leerlingen zien dat 25


Deze tekst is de synthese van de verschillende persoonlijke standpunten en su zo niet. Deelname wordt heel vrijblijvend geïnterpreteerd. De zapcultuur maakt ook dat leerlingen gemakkelijker wisselen van instrument. Deze vrijblijvendheid merkt men ook op bij het verenigingsleven. Wie lid was, kwam vroeger wekelijks naar de repetities. Nu slaat men gemakkelijker een repetitie over. Mensen gaan losser met het engagement om. Koorleden nemen ook liever deel aan projecten (telefoonkoren) dan zich permanent in een koor te engageren. Participatie is geen probleem, een langdurig engagement wel. Wat ook meespeelt is de gevraagde flexibiliteit wat werk betreft. Vaste uren staan onder druk. Dit heeft z’n invloed op zowel het verenigingsleven als het DKO. Door langer te moeten werken zijn ouders én kinderen ook later thuis. Het kan lastig zijn om dan ook nog met een instrument bezig te moeten zijn. Men wil graag resultaten op korte termijn Het publiek voelt zich meer aangesproken tot een aanbod dat op korte termijn resultaten oplevert. “Gitaar spelen in 10 lessen”, of enkele lessen keramiek. De amateurkunstensector werkt modulair. De drempel voor dit aanbod is daarom lager. Hier kunnen de mensen proeven. De lessen worden er bv. beperkt tot het aanleren van een tweetal technieken waar men direct mee aan de slag kan. In heel wat cultuurcentra worden ook dergelijke korte cursussen georganiseerd en op heel wat plaatsen beconcurreert het cultuurcentrum op deze manier de academie. Het cultuurcentrum heeft hierbij in het voordeel dat men veel flexibeler kan werken. Het positieve aan deze workshops is dat ze laten kennismaken met een kunstdiscipline. Maar voor de deelnemers zou dan ‘de weg naar meer’ wel duidelijk aangegeven moeten worden. Het DKO lijkt in dit kader opgesloten te zitten in een structuur en kan niet echt op deze vraag ingaan. Het DKO werkt procesmatig, dus vanuit een andere invalshoek. Het DKO mag zeker niet algemeen gemodulariseerd worden. Hoewel, dit is niet te veralgemenen: - Voor sommige disciplines is dat wel mogelijk en zelfs aangewezen, cfr. welsprekendheid voor 26

-

volwassenen. Het is meer aange wezen dat te geven in blokken van 3 uur, en dit in 10 weken, dan te spreiden over een heel jaar. Ook muziekgeschiedenis bv. kan in dergelijke blokken aangeboden worden. Voor instrumentvakken is dat moeilijk. Een muziekinstrument leren bespelen is zowat hetzelfde als trainen voor een sport. Enkel door regelmatige oefening wordt resultaat bereikt.

Noot van de redactie: modulair onderwijs in de zin van groeperen van lestijden tot maandelijkse lesblokken is nu reeds toegestaan Dalende participatie aan het verenigingsleven: wel / niet? Er wordt minder aan het verenigingsleven geparticipeerd. Er zijn wel veel mensen actief, maar niet in verenigingsverband. Er zijn veel tijdelijke projecten, die niet evolueren naar een echte vereniging. Onderzoek wijst nochtans uit dat er juist meer wordt geparticipeerd in verenigingsverband. Er zijn in deze sector wel verschuivingen, bv. meer thematische verenigingen. Ook wat de jeugdverenigingen betreft, is er een stijgend aantal leden. Digitalisering Web 2.0 maakt inherent deel uit van de wereld van de jongeren en is hét kanaal om met hen te communiceren. De cultuursector laat nog veel kansen liggen om jongeren in het culturele veld te betrekken. Waar blijven de theatervoorstellingen in de digitale wereld? Ook dat is actieve kunstbeleving. In de wereldwijde netwerken gebeuren heel veel leuke creatieve dingen. De internetsite Myspace enzovoort bieden jonge muzikanten enorme mogelijkheden om met hun muziek naar buiten te komen. Vroeger was het opnemen van een demo en deze verspreiden niet zo evident, maar nu is het erg gemakkelijk om je muziek met iedereen te delen. E-cultuur houdt kansen in voor sociale interactie. Men stelt vast dat de beeldende kunstopleidingen in het DKO hier mee bezig zijn; muziek echter nog maar weinig. Het waardevolle dat er is, moet behouden blijven. Tegelijk is het juist belangrijk om de maatschappelijke tendensen te

volgen en de jongeren op te pikken daar waar ze zich bevinden, waar ze mee bezig zijn. Cross-overs in de kunst De actuele kunstscène doorbreekt de schotten tussen de diverse kunstdisciplines. Bij theatervoorstellingen bv. komen verschillende media kijken. Vanuit het DKO zou hier ook nog meer op kunnen ingespeeld worden. Interculturaliteit Het is vaak moeilijk om mensen van andere culturen aan te trekken. Vaak durven ze niet komen omdat hun visie, mentaliteit, gewoonten niet aansluiten bij de Westerse cultuur die bepalend is voor academies en de AK-sector. Men vindt dat de academies en verenigingen een neutrale partner zouden moeten zijn. Bij de beeldende kunsten is het extra moeilijk om andere culturen aan te trekken. Dit omdat de taal en de beeldtaal verschilt. Bepaalde afbeeldingen of naakten schilderen ligt bv. gevoelig bij sommige culturen. Allochtonen zijn sterk verenigd naar land van herkomst (Griekse volksdansgroep…) en worden niet zo snel lid van een gewone amateurkunstenvereniging. Zij hebben hun eigen cultuur die ze willen beleven. Er zijn ook culturele verschillen die een impact hebben. Er is een onderscheid waar te nemen tussen mensen met een Oost-Europese achtergrond en met een Arabische achtergrond. De Oost-Europeanen lijken makkelijker te bereiken, zowel binnen podiumkunsten als beeldende kunsten. Kinderen uit de Oost-Europese landen en Rusland vinden makkelijker de weg naar de academies, omwille van het klassieke muziekonderricht dat ze erg belangrijk vinden voor hun kinderen. Om Turkse en Marokkaanse kinderen te bereiken is het vaak nodig om het aanbod uit te breiden met lessen instrumenten uit de Arabische cultuur. In Brussel wordt vastgesteld dat allochtonen van de derde generatie voor hun kinderen al een bredere algemene vorming wensen. Na het Franstalige DKO merkt nu ook het Nederlandstalige DKO een instroom van deze groep. Kansarmoede Het is niet alleen de culturele afkomst maar ook de scholingsgraad die een rol speelt. Dit geldt evenzeer voor Belgische kinderen. Laaggeschoolde ouders


uggesties die werden geformuleerd door de deelnemers aan het symposium. sturen hun kinderen minder naar het DKO, ondanks de vele inspanningen die er al gebeurd zijn. Als ze al komen dan blijven ze doorgaans niet lang. Er zijn in Vlaanderen nog heel veel mensen die in armoede leven. Als cultuurwerkers moeten we ons hiervan bewust zijn en voldoende het terrein verkennen. Is de structuur van het DKO belemmerend? Het langdurig engagement is misschien hinderlijk; maar voor sport wordt dit toch wel vaak opgebracht. De deelnemers vermeldden volgende moeilijkheden voor AK en DKO om kansengroepen te bereiken: - Bij veel kansarmen heeft onderwijs als term een negatieve bijklank; het woord ‘kunst’ ook vaak. - Het is geen goed idee om aparte projecten voor kansarmen op te zetten; het is veel beter om geïntegreerd te werken, zodat mensen uit diverse sociale achtergronden met elkaar in contact komen. - De communicatie naar de groepen toe. Folders verspreiden is niet voldoende; je moet de mensen het echt doen beleven (en dit facilite ren door bv. busvervoer te organiseren) - Een gratis aanbod werkt vaak stigmatiserend. Suggesties vanuit de reflectiegroepen > Sommige academies investeren in initiaties voor 6 tot 8-jarigen. De kinderen zappen tussen verschillende

kunstdisciplines en op 8 jaar weten ze wat ze willen en kunnen ze bewust kiezen. Zappen is dus niet per definitie slecht. > We moeten proberen kinderen gevoelig te maken voor kunst en hen zo doen instromen. Via de kinderen kunnen ook de ouders gestimuleerd worden om in te stromen. > De basis tot participatie ligt ook in het leerplichtonderwijs. Daar moet men al volop bezig zijn de drempel te verlagen en participatie tot kunst te bevorderen. > Laten kennismaken via smaakmakers (bv. Week van de Amateurkunsten, korte workshops (1 dag, 1 sessie)…), kansen geven om te laten proeven (initiatie geven …) laagdrempelig te werk gaan. > Het is belangrijk om ook het aanbod direct mee te geven, om de kans te geven de behoefte te ontdekken, een doorverwijsfunctie. > Moet er geen tweesporenbeleid komen? bv.: - een spoor voor de lange termijn - een spoor voor de korte termijn, met een workshopachtig model, korter lopende trajecten, er meer op gericht om mensen met een brede waaier kennis te laten maken. Via een modulair systeem kan ieder meer op maat een eigen curriculum samenstellen, met meer vrijheid om in en uit te stappen.

>

De nieuwe media zouden meer aan bod mogen komen in het DKO. Er zijn leerkrachten die inspanningen doen om zich deze wereld eigen te maken en er stap voor stap mee te werken in de les. Maar de leerkrachten zijn geen ‘digital natives’ en dus vaak niet onderlegd genoeg om hier sterk op in te zetten.

> De terminologie kan belemmerend werken en zou eens op een kritische manier mogen bekeken worden. Blijkbaar komen de termen ‘deeltijds kunstonderwijs’ en ‘amateurkunsten’ niet aantrekkelijk over. Deze termen zijn beladen met een interpretatie en dekken de lading onvoldoende. > Via kunst samenwerken met allochtonen is een goede manier om hen kennis te laten maken met de Westerse beeldtaal en emoties… Het biedt dus een meerwaarde tot integratie. Waarom bv. niet de Nederlandse taal aanleren via het zingen? > Kansarmen verenigingen zich. Het zou interessant zijn om hen via deze kanalen aan te spreken. > Het is belangrijk om stimulerende figuren te hebben; een voorbeeldfiguur die al naar de academie gaat.

Gemeenschappelijke noden voor AK en DKO Vaststellingen uit de praktijk Uit de reflectiegroepen bleek dat (beoefenaars van) beide sectoren heel wat gemeenschappelijke noden hebben. > infrastructuur Beoefenaars uit beide sectoren hebben nood aan repetitieruimten, ateliers, tentoonstellingsruimten en podia. Zo blijken de concertpodia vaak niet op maat van de amateurkunstenaars (te duur). Leerlingen van academies zijn op hun beurt vaak op zoek naar repetitieruimten (bv een pianoleerling die thuis geen piano heeft; of iemand met een luidruchtig instrument).

Er is in Vlaanderen heel wat infrastructuur aanwezig, maar helaas is deze vaak niet toegankelijk. De academie is bv. op zondag gesloten. Lokalen van verenigingen staan ook regelmatig leeg. Het zomaar delen van deze lokalen geeft dan wel praktische beslommeringen, maar misschien moet er toch maar gewerkt worden aan een lokaal beleid rond infrastructuur? Naar goed uitgeruste ateliers en tentoonstellingsruimten is de vraag ook groter dan het aanbod. Gezien de hoge kostprijs van materiaal en infrastructuur, is er een duidelijke vraag van de

amateurkunstenaars om de ateliers van het DKO als gemeenschappelijke infrastructuur te kunnen gebruiken. Nu is dit dikwijls afhankelijk van goodwill. Afgestudeerden blijvend onderdak geven in de academie tijdens de gewone lesuren vindt men niet altijd een goede oplossing. De studenten zelf komen in de verleiding om aan te sluiten bij deze ‘vrije ateliers’ en zich minder te focussen op de opdrachten van de ‘les’. > samenwerking Een vlotte samenwerking tussen DKO en AK wordt sterk bepaald door de lokale context. Bij een gebrek aan goed 27


Deze tekst is de synthese van de verschillende persoonlijke standpunten en su contact, zijn samenwerkingsverbanden niet evident. Samenwerking mag evenwel geen verplichting zijn. > communicatie / promotie Communicatie is een zeer belangrijke terugkerende gemeenschappelijke nood en bijgevolg uitdaging. Er is door verschillende mensen gesteld dat de sectoren eigenlijk voor éénzelfde doelgroep werken en dat we dus ook een gezamenlijke communicatie moeten kunnen opzetten. Doorstroming van basisinformatie (bv. contactgegevens) ligt helaas vaak al moeilijk. > groot / breder publiek Vooral in beeldende kunsten bestaat een grote kloof tussen kunstenaar en publiek. Reacties als ‘dat kan ik ook’ en ‘ik begrijp er niets van’ komen wel vaker aan bod. Er is dan ook nood aan goede communicatie en toeleidingsprojecten voor specifieke doelgroepen. > meer kans tot experiment > ondersteuning door/ voor vrijwilligers > meer speelkansen > financiële ondersteuning In kleine gemeenten is er soms geen apart budget voor cultuur. Het gebrek aan middelen brengt een vicieuze cirkel op gang. Geen geld = weinig infrastructuur = moeilijke werking = minder resultaat = geen impuls om te investeren. Wat de financiering van het DKO betreft, stipt men aan dat de Vlaamse overheid inderdaad middelen vrijmaakt voor de uitbetaling van lonen. Er blijven echter maar weinig werkingsmiddelen over. Wanneer er een project op poten wordt gezet tussen DKO en AK moet men dus altijd op zoek naar andere subsidiekanalen en geldstromen. Het gebrek aan een financiële stabiele basis hypothekeert vaak de wil tot samenwerking. > logistieke ondersteuning Heel wat gemeenten hebben een uitleendienst. Deze dienstverlening wordt erg gesmaakt. Deze ondersteuning hangt ook weer erg af van de lokale financiële mogelijkheden. > administratieve ondersteuning en administratieve vereenvoudiging > zakelijke advisering en navorming 28

Er is vaak nood aan zakelijk advies. Dit is vooral een aandachtspunt voor beeldende kunstenaars. Nu verwijst de cultuurbeleidscoördinator (als die er is) meestal door naar het Kunstenloket. Sommigen menen dat het zakelijke aspect meer aan bod mag komen in de DKO-opleiding. Er is vooral nood aan vorming op vlak van niet-artistieke aspecten, bv. Sabam, Semu, vrijwilligerswet... > inspraak in het gemeentelijk cultuurbeleid De opmaak van een cultuurbeleidsplan is vaak een stimulans om zowel DKO als AK samen rond tafel te brengen. Ook in de cultuurraad kunnen ze beide aan bod komen. Men geeft aan dat het soms moeilijk is om amateurkunstenaars te motiveren om gebruik te maken van deze inspraakformules. Ze zijn liever actief met hun kunstbeoefening bezig dan met het beleid. Persoonlijke contacten en individuele bevraging leveren dan de beste resultaten op. Maar voor een cultuurbeleidscoördinator is het moeilijk om de individuele kunstenaars te traceren. Dikwijls zijn het dezelfde mensen (die ook al actief zijn in het verenigingsleven of de cultuurraad) die input geven voor het cultuurbeleidplan. Vaak schuiven zij hun eigen belangen naar voor en zijn ze niet representatief voor de hele gemeenschap. Toch merkt men op liever deze beperkte inbreng te hebben dan helemaal geen. Men stelt wel dat het belangrijk is dat de cultuurbeleidscoördinator richting geeft of voorstellen formuleert waarop er dan verder gewerkt kan worden. Suggesties vanuit de reflectiegroepen > Technisch gezien zijn er heel wat mogelijkheden om samen te werken maar vaak zet men de stap niet. Extra stimulatie zou hieraan kunnen verhelpen. Geslaagde, eenvoudige projecten (bv. poëzie of orkestje bij een uitreiking van diploma’s) kunnen aanzet geven tot een groter project. Voorbeeld van een geslaagde samenwerking tussen DKO en AK is de organisatie van een cultuurprijs. De academie treedt dan op als medeorganisator of jury. > Een mooi voorbeeld van een manier waarop afgestudeerden worden voorbereid op het niet-meer-behorentot een academie is dat de leerlingen zelf op zoek gaan naar een presenta-

tieruimte voor hun te jureren werk. Ook alle randvoorbereidingen doen ze zelf: uitnodigingen maken, receptie organiseren, werken ophangen, enz. > Een medewerker van een cultuurcentrum merkte op dat het DKO zeer wantrouwig staat tegenover uitwisseling van adressen van studenten en afgestudeerden. Niet zozeer vanuit de privacy-wetgeving maar vanuit een morele overtuiging. De academies willen de vraag naar informatie wel doorspelen naar de studenten, maar dan moeten die weer zelf contact opnemen met het Cultuurcentrum wat de drempel verhoogt. Nochtans willen vele Cultuurcentra graag een eigen databank opstellen met (ex-) leerlingen van het DKO. Hier zit namelijk heel wat talent. Ideale aanspreekpunten dus voor bv. een kwalitatieve tentoonstelling. Er is een duidelijk discours nodig. Vooral voor beeldende kunsten is de doorstroming een probleem. Muzikanten worden via een verenigingsvorm veel sneller opgepikt in een (professioneel) circuit. Zij hebben elkaar meer nodig om te zingen, musiceren… > Meer werkingsmiddelen voorzien voor het DKO, naast de middelen voor het personeel. > Het zakelijke aspect van het kunstenaarschap in de doelstellingen van de DKO-opleiding opnemen. > Infrastructuur en accommodatie moet voor alle kunst kunnen worden gebruikt en niet enkel voor de academies. De verenigingen moeten bijvoorbeeld ook de zalen van de academies kunnen gebruiken. Het zou een mooi initiatief van de overheid zijn om de academies voldoende middelen geven om hun infrastructuur degelijk uit te bouwen, op voorwaarde dat amateurkunstenorganisaties daar ook gebruik van kunnen maken en omgekeerd. Een lokaal beleid rond infrastructuur dringt zich op. > De cultuurbeleidscoördinator is vaak het aanspreekpunt voor allerlei problemen. Hij/zij inventariseert en agendeert de knelpunten en noden en legt ze voor aan het College. > Een gezamenlijke communicatie opzetten naar de gemeenschappelijke doelgroep toe.


uggesties die werden geformuleerd door de deelnemers aan het symposium.

Naar een complementaire werking De amateurkunstensector en het DKO hebben een gemeenschappelijk doel: mensen in contact brengen met kunst. Dit is een grote gemeenschappelijke deler. Maar waarin vinden beide sectoren elkaar; vult men elkaar aan? In welke mate heeft men dezelfde/ verschillende opdrachten, doelstellingen…? Vaststellingen uit de praktijk Door de deelnemers werd het volgende opgesomd: > amateurkunstensector Voor wie: - moet ook laagdrempelige initiatieven nemen - voor alle doelgroepen - voor kinderen, jongeren en volwassenen - vooral groepgericht - voor hen die iets willen weten en/of doen, met iets uit de kunst- of cultuurwereld en zich niet willen laten binden voor een langere periode - voor verenigingen of scholen uit het basis- of secundair onderwijs Wat: - laten ontdekken - laten proeven bv. via workshops of kortlopende sessies - laten doorstromen naar DKO - laten keuzes maken, ordenen en begeleiden (hoe bouw je iets op?) - podia en oefenplaatsen aanbieden voor: 1) zij die geen opleiding kunnen of willen volgen en toch hun hobby verder willen beoefenen. 2) zij die een opleiding hebben gevolgd en het sociale contact en de begeleiding nodig hebben. 3) zij die op zoek zijn naar een podium, een tentoonstellings ruimte, m.a.w. zij die in dialoog willen gaan met de bezoeker > DKO Voor wie: - voor alle doelgroepen - voor kinderen, jongeren en volwassenen - vooral individueel gericht - voor hen die kiezen voor Beeldende Kunsten en/of Muziek en/of Woord en/of Dans

en gedurende een volledig schooljaar zich willen engage ren om de lessen te volgen - voor leerlingen - voor leerkrachten uit het basis- en secundair onderwijs. Via langlopende ondersteuning en opleiding (integratie van muzisch werken in alle leerge bieden van het basisonderwijs) Wat: - initiëren - verdiepen via een stappenplan - opleiden via leerdoelen - ontwikkelen van een persoon lijke taal - aanleren en verfijnen van technieken en métier met een artistieke component als uitgangspunt en eindpunt - ontwikkelen van een visie op kunst en cultuur - voorbereiden op een doorgroei naar een hoger onderwijs met een component kunst - opleiden tot het ontwikkelen en het behalen van een beroeps bekwaamheid. Het DKO heeft duidelijk een onderwijsopdracht: er wordt een expliciet kwaliteitsniveau nagestreefd. Binnen het DKO is er vaak de wil om meer te doen dan dit onderwijs, maar hier lijkt maar weinig ruimte voor. Wanneer men meer doet, dan blijkt dit vaak de vrijwillige inzet van dynamische leerkrachten te zijn. Verenigingen hebben doorgaans een lage drempel om in te stappen. Instapmogelijkheden in AK zijn groter dan bij DKO. Men vindt dat er van beide kanten samenwerking moet mogelijk zijn om de drempel naar hogere leerbehoeften gemakkelijker te kunnen verlagen. Als de leerbehoeften gegroeid zijn moet men voor hogere leerbehoeften doorstroming naar DKO mogelijk maken (durven en willen bevorderen). Dit is een logische gang van zaken voor structurele samenwerking tussen de twee. De samenwerking tussen DKO en AK-sector zou vanuit een complementair idee moeten opgezet worden en niet vanuit een concurrentieel idee. De deelnemers gaven aan dat, om complementair te kunnen zijn, de organisatorische obstakels die de samenwerking bezwaren zoveel mogelijk moeten

weggewerkt worden. Hierbij is vooral verwezen naar financiële afspraken, gebruik van infrastructuur, planning en programmatie. Samenwerking kan ook maar slagen als er voldoende flexibiliteit aanwezig is langs beide kanten. De methodische aanpak van beide sectoren die erg verschillend kan zijn, moet op mekaar afgestemd worden. De projectmatige aanpak van de AK-sector is niet altijd in overeenstemming te brengen met de trajecten die in het DKO gevolgd worden. De AK-sector heeft nood aan kortlopende vormingstrajecten die in een modulaire vorm kunnen opgenomen worden. Anderzijds is het denkbaar dat het DKO de projectmatige aanpak van de AK-sector gebruikt om de vorming voor amateurkunstenaars te ontwikkelen: een cursusaanbod op vraag. Het aanbod van de AK-organisaties voor jongeren die zich bezighouden met beeldende kunst, is nog te klein en/of te occasioneel. Het occasionele aspect kan omgebogen worden tot een voordeel: voor jongeren die zich niet in de langdurige opleidingen van het DKO kunnen vinden, kan de AK-sector een alternatief bieden in de vorm van kortlopende cursussen, workshops en projecten. Maar het aanbod moet zeker vergroot worden. Men is het erover eens dat de dingen niet mogen stoppen als het project gedaan is. Waar kunnen de afgestudeerden van het DKO terecht? En hoe kunnen we er samen naar streven dat er voldoende nazorg is om de kwaliteit van de kunstenaars te handhaven? Na het afstuderen in het DKO valt vaak een houvast (vaste structuur) weg: geen vast lokaal meer, minder sociale contacten/netwerken, geen feedback meer op werken, de voorbeeldfunctie verdwijnt enz. Dit bepaalt in hoge mate of mensen actief blijven als kunstenaar of afhaken. Bijgevolg zijn er studenten die hun laatste jaar tot drie maal toe overdoen. Een probleem waar men in de eerste plaats van af wil, is het feit dat afgestudeerden de begeleiding die ze in de academie kregen verliezen wanneer ze op zoek gaan naar verdere ervaring. Vermijden dat ze in een zwart gat vallen door ervoor te zorgen dat het niveau behouden blijft ook binnen de verenigingen. 29


Deze tekst is de synthese van de verschillende persoonlijke standpunten en su Nazorg is dus belangrijk, maar de middelen ontbreken en professionele begeleiding is voor de verenigingen niet betaalbaar. Om de doorstroom te bevorderen tussen beide sectoren ziet men enkele voorwaarden, knelpunten en succesfactoren: > Bij de ene vereniging kan men al makkelijker aansluiting vinden dan bij de andere. Sommige verenigingen leggen de lat erg hoog; anderen dan weer niet. Dit is sterk afhankelijk van de kwaliteitsnormen van de verenigingen. > Een mooi voorbeeld van doorstroming zijn de lessen samenspel die in sommige gemeenten gegeven worden binnen harmonie, fanfare of brassband (zie ook de praktijkvoorbeelden). Voorwaarde is dat de dirigent voldoende geschoold is om een kwaliteitsvolle leeromgeving aan te bieden. > Voor bepaalde groepen muzikanten zijn er maar weinig doorstromingsmogelijkheden: strijkers en pianisten vinden bv. moeilijker een vereniging. > Bij de beeldende kunsten, die veelal individueel beoefend worden, is de doorstroom doorgaans ook moeilijker. > De structuur zorgt vaak voor beperkingen in de samenwerking. Als het DKO van de overheid te weinig middelen krijgt dan kunnen zij niet veel bieden aan amateurkunstenorganisaties. > Bij de beeldende kunstenaars is er veel vraag naar tentoonstellingsruimten. De academie zou hiervoor een

geschikte locatie kunnen zijn. > De amateurkunstensector is vragende partij om in het DKO de zakelijke aspecten van het kunstenaarschap (bv. statuut, BTW, belastingen, galerijcircuit, tentoonstellen, portfolio, inlijsten…) als onderdeel van de opleiding op te nemen. Door leerlingen meer in te lichten over de zakelijke aspecten van het kunstenaarsschap worden ze voorbereid om de stap te zetten naar zelfstandige kunstbeoefening na afronding van het aanbod. > Samenwerking is sterk afhankelijk van lokale situaties. Men wil er zich voor behoeden om deze samenwerking in structuren te gieten. Het gaat vooral over het creëren van mogelijkheden. > Een academie beschikt bv. over een concertzaal waar ook de jeugdwerking gebruik van mag maken. In een andere gemeente bouwt men een geluidsdichte ruimte voor de academie en popgroepen. > Het is de bedoeling dat men raakvlakken vindt tussen de academies en de verenigingen. Op zoek gaan naar gelijke doelstellingen en respect hebben voor elkaar. Het is hier dus vooral vraag hoe men elkaar kan vinden en een meerwaarde kan bereiken. Samenwerking moet zorgen voor een win-win situatie. > Er wordt gepleit voor meer openheid en respect voor elkaar.

Suggesties vanuit de reflectiegroepen > Partners moeten elkaar beter leren kennen, door bv. overleg in regionale werkgroepen. > Een terugkerende vraag is om het DKO-aanbod flexibeler op te zetten. De strakke onderwijsstructuur kan een hinderpaal zijn voor de amateurkunstenaar. Een versoepeling in de structuur kan een antwoord geven op de noden van de amateurkunstenaars. > Een flexibelere structuur van het DKO die bv. ook uitwisseling van gastdocenten, lectoren en/of programmaonderdelen in beide richtingen mogelijk maakt. > Een doorstromingsinitiatief opzetten vanuit AK naar DKO voor bv. talentrijke en /of leergierige kinderen, jongeren en volwassenen en ook in de andere richting: een doorstromingsinitiatief vanuit het DKO naar AK voor afgestudeerden DKO. > Gezamenlijk naar basis- en secundair onderwijs gaan. > Het aan elkaar ter beschikking stellen van lokalen en podia. > Middelen ter beschikking stellen voor workshops en vervolmakingklassen voor amateurkunstenaars en afgestudeerden DKO.

Werken aan beeldvorming wederzijdse kennis, respect en vertrouwen Vaststellingen uit de praktijk Wanneer er vanuit de sectoren over ‘de andere’ sector gepraat wordt, dan vallen soms woorden als aversie, bedreiging... We kunnen er niet omheen dat er nog heel wat vooroordelen bestaan en dat deze vaak gebaseerd zijn op een gebrekkige kennis van elkaar. De perceptie is veelal dat de amateurkunstensector staat voor het hobbyistische, terwijl het DKO het serieuze werk is. De afwerende houding, die er soms maar zeker niet altijd is, heeft veel te maken met het niet kennen van de andere. Dit kan doorbroken worden door mededeelzamer te zijn naar de andere 30

sector. Daarvoor is – binnen de regio waar beide partners huizen – een “ontmoetingsplaats” nodig, bv. de cultuurraad, en kan een cultuurbeleidscoördinator een bindende factor zijn.

in plaats van te focussen op de verschillende functies en doelstellingen die met elkaar botsen. Men wil weg uit de ‘wij’ en ‘zij’ tegenstelling en op zoek naar transparantie.

Om verenigingen te laten samenwerken met cultuurcentra, bibliotheken, academies, het gemeentebestuur enz. is het belangrijk dat er wederzijds respect voor elkaar is. Meer openheid en bereidheid om vlotter samen te kunnen werken. De deelnemers van het symposium gaven aan dat er vooral moet gekeken worden naar de sterktes van beide partijen en naar wat ze gemeenschappelijk hebben

Samenwerking gebeurt tot op heden vooral projectmatig en verschilt naargelang de mogelijkheden, het initiatief, de connecties… Samenwerking vraagt ook telkens nieuwe creativiteit. Zo kunnen we dus ook zeggen dat samenwerking afhangt van de spelers in het veld zelf, van hun standpunt, mogelijkheden, bereidheid, creativiteit… Staan de actoren voldoende open voor samenwerking?


uggesties die werden geformuleerd door de deelnemers aan het symposium. Samenwerking hangt echter ook af van het standpunt van het beleid en van de financiële mogelijkheden binnen de gemeente. Het initiatief tot samenwerken komt vaak vanuit een cultuurraad of een vereniging die dan projecten gaan ondersteunen. Als zij echter niet over de juiste middelen beschikken of niet bereid zijn samen te werken dan brengt dit het project in gevaar. De mogelijkheden op provinciaal niveau zijn vaak niet genoeg gekend (wedstrijden, subsidies, enz.). Ook de landelijke amateurkunstenorganisaties en wat zij doen is vaak nog onvoldoende gekend op het lokaal niveau.

Respect en vertrouwen zijn basisbeginselen voor een succesvolle samenwerking. Belangrijk is dat de vraag naar respect en vertrouwen niet enkel betrekking heeft op de relatie DKO-AK. Veel deelnemers wezen op het gebrek aan vertrouwen en respect binnen de verenigingen onderling. De verzuilde tegenstellingen die op landelijk niveau werden overstegen, blijken op lokaal vlak toch nog belangrijke spelers of remfactoren te zijn. Suggesties vanuit de reflectiegroepen > Meer overleg en ontmoeting faciliteren. > Overleg en communicatie zijn

belangrijk om tot gemeenschappelijke doelstellingen te komen. De kracht en de waarden van beide sectoren moet blijvend gecommuniceerd worden, maar niet te defensief. > Er is zeker betere communicatie nodig tussen AK-organisaties, het DKO en de gemeente. > Er mag geen oneerlijke concurrentie zijn tussen de academies en verenigingen. Het gemeentebestuur moet neutraal staan ten opzichte van de academies en verenigingen en die moeten ook ten opzichte van elkaar neutraal zijn, want anders is samenwerking erg moeilijk.

Rol van het lokaal beleid Vaststellingen uit de praktijk De lokale context is heel bepalend. Het lokaal cultuurbeleid kan mensen samenbrengen en bruggen maken tussen verschillende actoren. De cultuurbeleidscoördinator heeft hierbij een sleutelrol. De taak van het cultuurbeleid is om te kijken wie van de spelers de te onderscheiden behoeften kan invullen. Het lokaal cultuurbeleid moet coördineren, niet in de plaats komen van, en moet impulsen geven indien bepaalde behoeften niet ingevuld worden of bepaalde doelgroepen niet bereikt worden. Er is wel een verschil tussen de grote en de kleine gemeenten. In de kleine gemeenten is de cultuurbeleidscoördinator vaak de enige cultuurprofessional. Terugkerend was de opmerking dat je voor samenwerking een echte trekker, bezieler, nodig hebt. De cultuurbeleidscoördinator kan een belangrijke rol spelen, kan het cement zijn tussen de verschillende actoren, maar kan dit alles niet in z’n eentje realiseren. Suggesties vanuit de reflectiegroepen In de reflectiegroepen werd het volgende geopperd met betrekking tot de mogelijke rol van het lokaal cultuurbeleid: > participatie bevorderen - leerbehoeften inventariseren. Er werd in dit verband verwezen naar

- - - - - - -

het voorbeeld van de cultuurscout in Nederland die echt op pad wordt gestuurd om te inventariseren honger naar kunst stimuleren door participatie te bevorderen Het ontdekken van de kunstzinnige leerbehoeften. Deze is bij heel veel mensen aanwezig. In een bepaalde stad werd bv. een bevraging gedaan bij de leerlingen uit het lager onderwijs naar wat ze wilden. Op één kwam sport en beweging; op twee kwam in contact komen met kunsten cultuuraanbod: samenwerkings verbanden ondersteunen/logistiek ondersteunen aansturen op een gedifferentieerd aanbod vraaggestuurd werken van onderuit (bottom-up strategie) aanbod op maat van elke doe groep

> samenwerking en afstemming bevorderen - financiële en logistieke ondersteu ning voor samenwerkingsinitiatie ven: faciliteren van nieuwe intiatieven (bottom-up): bv. samenwerken tijdens WAK - overleg organiseren/stimuleren - bij samenwerking: feedbackmo menten organiseren - samenwerking opnemen in het cultuurbeleidsplan en ervoor zorgen dat er ook iets mee gebeurt - Een struikelblok is vaak het overaanbod waaruit men kan kiezen. Het lokaal cultuurbeleid

- - - -

kan hierin sturen een integraal stimuleringsbeleid voeren het beleid (schepen van cultuur/ onderwijs) kan overleg tussen enerzijds de directeurs van de academies onderling en anderzijds het overleg tussen de academies en de AK stimuleren/organiseren gemeenschappelijk middelen gebruiken: uitwisseling van materiaal/lokalen/repertoire stimuleren dat leerkrachten DKO ook aanwezig zijn in AK, of op zijn minst voeling hebben met wat er buiten de DKO-muren gebeurt

> kortstondige projecten - kortstondige projecten organiseren waar bv. jongeren eerst kunnen proeven van kunst waarna ze nieuwe leerbehoeften kunnen krijgen - Projecten zowel binnen als buiten het onderwijs. Probleem is dat het onderwijs niet alleen kennis maken is met… (cfr. eindtermen). > communicatie - via strategische communicatie de kunstzinnige behoeften aan de oppervlakte brengen - informatieoverdracht en promotie - moderne communicatiemiddelen gebruiken - inventariseren van aanbod/(leer) behoeften en communiceren op “maat” van kunstzinnige leerbe hoeften 31


Deze tekst is de synthese van de verschillende persoonlijke standpunten en su - -

informatie van het aanbod naar de brede bevolking gezamenlijke brochure rond alle educatieve mogelijkheden

> cultuurraad - splitsen van adviesraad in deelra den waardoor thematisch kan

-

gewerkt en gediscussieerd worden. Hier kunnen bv. afspraken worden gemaakt rond het gebruik van repetitielokalen, repetitiedata, uitwisseling van bronnenmateriaal (scenario’s, partituren…) tevens kunnen er kalenderafspraken worden gemaakt

- het beleid kan de werken van deze deelraden opvolgen en stimuleren > omgeving/klimaat - Een algemeen kunstzinnig klimaat zou op alle niveaus moeten gecreëerd worden. De gemeente kan een voorbeeldfunctie innemen.

Rol van het dagonderwijs Vaststellingen uit de praktijk “Het participeren aan de kunst kan je proeven, kan je leren. Dit is een kwestie van oriënteren, van smaak leren krijgen, leren waarderen… Pas dan komen DKO en amateurkunsten op de proppen; in tweede instantie dus”, zo zegden enkele deelnemers aan het symposium. De eerste aanraking, vonk, zou in het kleuter- en basisonderwijs moeten plaatsvinden. Het kleuter- en basisonderwijs is het oriëntatiepunt. Hier gebeurt de detectie van de behoeften. De leerkrachten zouden dan ook voldoende muzisch opgeleid moeten zijn om de kinderen te kunnen oriënteren. Het dagonderwijs wordt bovendien als een belangrijke actor gezien in het bereiken van kansarmen. In een reflectiegroep werd aangehaald dat we helaas botsen op een tendens naar verwetenschappelijking in de hele maatschappij. Scholen lijken steeds meer de nadruk te leggen op de wiskundige of wetenschappelijke vakken en de zogenaamde ‘humane vakken’ (talen, cultuur...) worden hierbij achteruitgeschoven. Een grondige mentaliteitswijziging zal noodzakelijk zijn om meer openheid naar culturele activiteiten te creëren. In een andere reflectiegroep meende men dat de muziekschool nog steeds populairder is bij kinderen van het lager onderwijs dan de beeldende kunstoplei-

dingen, voornamelijk omwille van de ‘status’-kwestie. Er werd opgemerkt dat een piano-opleiding nog steeds ‘chiquer’ staat dan een tekenklasje. De beeldende kunstopleidingen voor kinderen zijn meestal veel vrijer en experimenteler dan hun muziekgerichte tegenhangers. Dit zou meer gepromoot moeten worden bij scholen en ouders. Voor sommige kinderen die zich niet thuis voelen binnen het muziekonderwijs zou dit een alternatief met een hoog ‘fun’-gehalte kunnen zijn. Soms lijken we te spreken over twee monolieten (AK en DKO), die weliswaar beiden in evolutie zijn, maar waarbij we de speeltuin tussen beiden te vaak vergeten. Deze speeltuin ontbreekt nu ook in het basisonderwijs. Mensen moeten de kans krijgen om te experimenteren, te proeven… Helaas bestaat dit vandaag bijna niet. Het is goed dat er speelweiden zijn waar men vrijblijvend met kunst bezig kan zijn. Maar kinderen en jongeren mogen tegelijk ook weten dat er voor bepaalde dingen inspanningen moeten geleverd worden. Suggesties vanuit de reflectiegroepen > Onbekend maakt onbemind: er is te weinig informatiedoorstroom tussen AK-DKO-dagonderwijs. We zouden moeten werken aan een structurele doorstroom van informatie. Elkaar op de hoogte houden van het aanbod en samen naar het dagonderwijs stappen.

> Muzische kunsten zouden weer verplicht op de agenda moeten komen in het algemeen onderwijs. Er bestaan gemeenten waar de lagere schoolkinderen op “kunstklassen” gaan. De leerlingen verblijven dan gedurende enkele dagen op de academie om er te proeven van verschillende kunstdisciplines. > Het basisonderwijs stimuleert nu vaak onvoldoende de doorstroming in culturele participatie. Het lokaal cultuurbeleid zou dit systematisch kunnen ondersteunen en stimuleren. > Waarom geen cultuurdag, zoals de sportdag? > Een vast blok cultuur, zoals een blok sport. > Het aanbieden van workshops voor zowel leerlingen als leerkrachten. > De jaarplanning en het volledige aanbod van het werkjaar elk schooljaar aan één contactpersoon bezorgen, waarna zij à la carte kunnen kiezen. Voorwaarde is wel dat er eerst een persoonlijk contact plaatsvindt en dat er een leerkracht gevonden wordt die de trekkende kracht wil zijn. > Proeflessen: wervende lessen vlak voor de inschrijvingsdata. Dit gebeurt buiten schoolverband, maar kan door leerkrachten gestimuleerd worden.•

Sleutelbegrippen Doorheen alle reflecties vinden we enkele sleutelbegrippen terug: > respect en vertrouwen > samenwerking en wisselwerking > Pionnen in het veld, de mensen die het doen, zijn erg belangrijk. Je hebt altijd bezielde mensen nodig.

32

> belang van het lokaal beleid met als sleutelfiguur de cultuurbeleidscoördinator > financiën > goede communicatie > de impact van de structuur van het DKO …


uggesties die werden geformuleerd door de deelnemers aan het symposium.

Toespraak minister Frank Vandenbroucke DKO en amateurkunsten samen werken aan kwaliteit voor iedereen kunsten. Veelzeggend is het woord “wisselwerking” in de titel van dit symposium. Terwijl men op een eerste bijeenkomst in april 2003 op zoek ging naar een “evenwicht” tussen de twee sectoren, met het voorzichtig aftasten van elkaars mogelijkheden, merk ik nu dat de vraag of er samenwerking moet komen, niet meer aan de orde is. De vragen waarover u vandaag hebt nagedacht, hebben te maken met doelstellingen en inhoud. Waaraan willen we samen werken? Wat beschouwen we als een gemeenschappelijke uitdaging en hoe gaan we die samenwerking in de praktijk concreet vorm geven?

Dames en heren, Wat er precies binnen de muren van de muziekacademie gebeurde, was in het verleden vaak een groot raadsel voor de mensen van de plaatselijke harmonie. En waarmee de harmonie bezig was, was niet bekend in de muziekacademie. Tenzij de fanfare op zondag toevallig uitging en haar werk uitbazuinde over straten en pleinen. Doorgaans kende men elkaar enkel maar “van horen zeggen”. In de hele sector van het DKO en de amateurkunsten. Men wist wel van elkaars bestaan af, maar daar bleef het vaak bij. Het deeltijds kunstonderwijs en de amateurkunstensector bezetten nochtans hetzelfde maatschappelijke domein: actieve cultuurparticipatie in de vrije tijd. En dan is het wel heel gek om niet samen te werken. Maar velen onder u weten dat samenwerking tussen deze twee sectoren lange tijd niet vanzelfsprekend was. (samenwerking evident) Net zoals mijn collega minister Anciaux merk ik nu dat de toenadering de laatste jaren in een stroomversnelling gekomen is, mede dankzij de dynamiek van het Forum voor Amateur-

(voorwaarden voor samenwerking) In één van de reflectiegroepen ging het specifiek over de voorwaarden van een geslaagde samenwerking. Belangrijker dan praktische en organisatorische overwegingen is de chemie die er op een bepaald ogenblik tussen mensen ontstaat. De goede contacten tussen de dirigent van de harmonie en de leerkracht van de academie waardoor zij een gezamenlijk project voor de basisscholen uitwerken. De band tussen leerlingen van een atelier beeldhouwkunst die er voor zorgt dat zij ook nadat ze afgestudeerd zijn, blijven samenkomen om over kunst te reflecteren en artistieke ervaringen uit te wisselen. Het kan lijken alsof het voor een groot stuk toeval is of er boeiende samenwerkingsinitiatieven tussen de twee sectoren ontstaan of niet. Maar dat denk ik niet. Lokale beleidsverantwoordelijken zoals schepenen of cultuurbeleidscoördinatoren kunnen hiervoor een positief klimaat scheppen. Optimale kansen geven aan een wisselwerking tussen academie en amateurkunstenaars. Net als de minister van Cultuur geloof ik sterk in de regiefunctie van de gemeente in deze materie. (cultuurparticipatie voor iedereen) Als er dan goede contacten ontstaan is het ook belangrijk om je af te vragen: vanuit welk perspectief bouw je de samenwerking op? Persoonlijk lijkt mij het allerbelangrijkste dat je vertrekt vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid. Een gezamenlijke missie waarvoor je als amateurkunstvereniging en academie samen wil gaan. De titel van het symposium geeft ons hier een uitstekende voorzet: een versterkte cultuurparticipatie. Mijn collega van cultuur vertelde vanmorgen al dat de Vlaamse Regering alle inwoners van Vlaanderen optimale kansen wil geven om deel te nemen aan het culturele leven. De mogelijkheid om zelf kunst te beoefenen maakt daarvan integraal deel uit. Ook voor onderwijs en het deeltijds kunstonderwijs in het bijzonder, is dat een levensgrote uitdaging. Eind september stelde professor Bamford haar rapport ‘Kwaliteit en consistentie. Kunst en cultuureducatie in Vlaanderen’ voor. Zij heeft in 33


haar veldonderzoek heel wat waardevolle initiatieven gezien van kunst- en cultuureducatie in het leerplichtonderwijs en zeker ook in het DKO. Alleen is die kwaliteit niet voor iedereen weggelegd. De kloof tussen een schitterende onderwijskwaliteit enerzijds en een groep jongeren die omwille van sociale en culturele drempels veel minder aan zijn trekken komt in ons onderwijs, is ook voelbaar in de kunst- en cultuureducatie. Onze academies worden hoofdzakelijk bevolkt door jongeren uit de meer gegoede milieus. Nu, de tijdelijke projecten kunstinitiatie voor kansarme autochtone en allochtone jongeren die momenteel lopen trachten die trend te keren en leveren waardevol werk. We zullen nog bekijken welke lessen we daaruit kunnen trekken voor de toekomst. Want via kunst breng je niet alleen artistieke vaardigheden en kennis bij. Het gaat niet alleen om bijleren in een bepaalde discipline en beter je weg vinden in het culturele veld. Je kan er ook iets bijleren over verschillen tussen mensen. Over andere opvattingen en hoe die je eigen ideeën kunnen verrijken. Over beter samenleven. Ik ben ervan overtuigd dat u het hierover volmondig met mij eens bent. Jongeren en volwassenen, en zeker die met minder kansen op maatschappelijke participatie, moeten hier dus kunnen bijbenen. En daar wilt u met uw academie of amateurkunstvereniging voor 100 procent voor gaan. Maar terecht zult u ook opperen dat zoiets niet eenvoudig is, want hoe bereik je juist die jongeren en volwassenen? (hoe nieuwe groepen bereiken?) In één van de reflectiegroepen ging het over de vraag: hoe komt het dat bepaalde groepen jongeren en volwassenen minder of niet deelnemen aan DKO of aan georganiseerde amateurkunstbeoefening? Het ging over kostprijs. Over mobiliteit. Over cultuursociologische factoren ook, zoals interesse en identificatiemogelijkheden. Als we dat even toepassen op DKO stellen we vast dat het inschrijvingsgeld, zeker voor jongeren, relatief laag is. Het opleidingsaanbod is goed gespreid. Er zijn 167 academies, verspreid over 1250 vestigingsplaatsen. Toegegeven, in een aantal gebieden zijn er nog blinde vlekken. Via projecten intergemeentelijke samenwerking proberen we daaraan ook effectief iets te doen. 34

Maar de belangrijkste uitdaging waar we als DKO voor staan is dat laatste punt: de interesse. Aansluiting vinden bij jongeren en volwassenen die er heel andere opvattingen op nahouden dan de doorsnee academie over wat cultuur en kunst is. Misschien huivert u bij deze gedachte. Maar ook in het verleden heeft het DKO zich aangepast aan veranderende leerbehoeften. Zo vond een heel nieuw doelpubliek destijds zijn weg naar het DKO door de invoering van jazz en lichte muziek. Zo worden onder de noemer van tijdelijk project jaarlijks tal van nieuwe studierichtingen ‘getest’, gaande van doedelzak of volksmuziek tot schoenen maken of digitale beeldvorming. Meer in het bijzonder loopt voor de sector amateurkunsten in een zestal academies ook al enkele jaren de opleiding koor- en hafabradirectie, waar dirigenten klaargestoomd worden om de leiding op zich te nemen van koor, harmonie, fanfare of brassband. Totaal nieuw dit schooljaar is de opleiding voor amateur-regisseurs, officieel de opleiding regie podiumkunsten. Momenteel worden een aantal tijdelijke projecten geëvalueerd en het is mijn bedoeling om de positief geëvalueerde organiek te verankeren in het DKO-landschap. Hoewel de betrokken instellingen zelf nog niet op de hoogte zijn gebracht, kan ik vandaag met genoegen aankondigen dat bv. de opleiding koor- en hafabradirectie tot die positief geëvalueerde tijdelijke projecten behoort. Zouden academies vandaag dan om meer publiek te bereiken hun artistieke missie moeten prijsgeven? Ik denk dat we een genuanceerd antwoord moeten geven op die vraag. Volgens mij is er in kunstonderwijs een evenwicht mogelijk tussen werken in de diepte en werken in de breedte. Tussen kwaliteit leveren en een groot publiek bereiken. Dat evenwicht vinden is niet eenvoudig. Vandaar dat er sinds begin dit schooljaar een werkgroep is opgericht om de inhoudelijke vernieuwing van het DKO vanuit dat perspectief vorm te geven. In deze werkgroep zetelen zowel directeurs, pedagogische begeleiders, inspecteurs als beleidsvoorbereidende ambtenaren en raadgevers van mijn kabinet, ieder vanuit hun specifieke expertise. Het kader dat daar vorm krijgt, wordt verder uitgediept in subwerkgroepen. De resultaten van die subwerkgroepen worden teruggekoppeld naar de centrale werkgroep. U merkt het, ook

hier is er een wisselwerking. De link met de commissie Cultuur - Onderwijs wordt uiteraard ook gemaakt. (toekomstplannen) De eerste voorstellen van deze werkgroep DKO zijn al afgetoetst met de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de directeursverenigingen. Ook met de vakorganisaties zal er een overleg gepland worden. De afstemming met de verwachtingen van de culturele sector en de amateurkunsten in het bijzonder staat eerstdaags op het programma. De voorstellen moeten zeker nog verder worden uitgewerkt, maar ik kan u nu al melden dat ik twee sporen zie. Enerzijds willen we de curricula beter afstemmen op de verschillende leerbehoeften. Zowel jongeren die zich willen voorbereiden op het hoger kunstonderwijs als jongeren en volwassenen die zich als amateurkunstenaar willen ontplooien, moeten beter aan hun trekken komen. Anderzijds willen we de band met het leerplichtonderwijs versterken. Het nascholinginitiatief rond muzische vorming dat hier vandaag al aan bod kwam heeft aangetoond dat het DKO de basisscholen effectief kan ondersteunen voor kunst- en cultuureducatie. Meesters en juffen volgen lessen in academie over verschillende muzische domeinen, terwijl leerkrachten DKO intussen met al hun expertise naar de basisscholen trekken. Op termijn moeten die inhoudelijke vernieuwingen uitmonden in een nieuw niveaudecreet voor het deeltijds kunstonderwijs. Het zal van de vorderingen van de werkgroep afhangen of dit nog in deze regeerperiode kan worden gerealiseerd. (slot) Dames en heren, met genoegen kan ik vaststellen dat academies niet meer de zelfgenoegzame ivoren kunsttorens van weleer zijn. De weg naar samenwerking met de amateurkunstensector ligt open. Voor mij mogen academies gerust hun torenstatus behouden en boven het alledaagse uitsteken, maar dan wel als uitkijktoren met een open blik op de samenleving. •


Na het symposium Het symposium is te beschouwen als een stap in een traject. Dankzij de deelnemers zijn er heel wat zaadjes uitgestrooid die misschien ooit wel mooie bloemen worden. De stuurgroep die het symposium voorbereidde, heeft zich omgevormd tot een overleggroep waarin blijvend zal geijverd worden voor meer wisselwerking. In de toekomst zal deze groep nagaan welke stimulerende acties er kunnen genomen worden op volgende domeinen: > Communicatie en beeldvorming > Lokale regie (incl. infrastructuur, afstemming van het aanbod en rol cultuurbeleidscoรถrdinator) > Bevordering van de participatie > Gezamenlijke uitdagingen

Deze publicatie kan ook gedownload worden van www.amateurkunsten.be/dko Praktijkvoorbeelden kunnen steeds worden toegevoegd op deze webpagina.

35


Meer wisselwerking tussen DKO en amateurkunsten  

Informatiebrochure over een sterkere samenwerking tussen de amateurkunstensector en het deeltijds kunstonderwijs.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you